Kunstenaarsboeken (13): Gesprek met Micah Lexier

 Micah Lexier (1960) is een kunstenaar gevestigd in Toronto. Zijn werk is gebaseerd op het verzamelen en reorganiseren van gevonden beelden of objecten, en het neemt de vorm aan van drukwerk, kunstenaarsboeken, uitnodigingen, catalogi, prints, multiples, T-shirts, munten, posters, tijdschriften, behangpapier, enzovoort. Het boek 1-100 uit 2024 werd besproken in nr. 237 van De Witte Raaf. Kunstenaar Gary Neill Kennedy noteerde in Lexiers eerste overzichtscatalogus, I’m Thinking of a Number (Halifax, The Press of The Nova Scotia College of Art and Design, 2010), dat ‘Micahs werk zeer efficiënt is in zeggen wat het te zeggen heeft’, en dat geldt ook voor de kunstenaar zelf.

 

Moritz Küng: Tien jaar geleden verwierf ik in kunstenaarsboekhandel Múltiplos, door Anna Pahissa tussen 2011 en 2017 uitgebaat in Barcelona, de publicatie Call Ampersand Response, die je maakte samen met Michael Dumontier. De eerste editie werd in 2012 uitgegeven door Nives in Zürich, en in 2019 verscheen een tweede, uitgebreide editie bij Lars Müller in Baden. Het was de eerste keer dat ik je werk onder ogen kreeg, en zoals vaker gehoorzaamde ik aan de suggestieve imperatief van Lucy Lippard: ‘Open the book. Huh? Oh, it’s by an artist. Turn the page. Be surprised. Be provoked. Buy it.’ Voor Call Ampersand Response correspondeerden jij en Dumontier enkele maanden lang door elkaar scans te sturen van boekomslagen, objecten, tekeningen en illustraties uit jullie collecties. Aan de basis lag de overtuiging dat jullie verzamelingen artistieke verwantschappen vertonen die ook jullie praktijk beïnvloeden.

Enkele jaren later, toen ik aan het boek en de tentoonstelling Blank. Raw. Illegible… Artists’ Books as Statements (1960-2022) uit 2023 werkte, ontdekte ik een ander boek van jou, Autobiography (Gussago, Tonini Editore, 2022), met blanco rectopagina’s en met telkens hetzelfde colofon op de versopagina’s. Het werd de aanleiding tot een langdurige e-mailcorrespondentie, hoewel we elkaar nooit hebben ontmoet. In een recente mail vermeldde je terloops A Few Palm Trees van Ed Ruscha, dat in eigen beheer werd uitgegeven in 1971: 32 pagina’s met 14 verschillende palmsoorten op de versopagina’s. Dit boek is je bijzonder dierbaar. Waarom?

Micah Lexier: Ruscha is om voor de hand liggende redenen een uitstekend startpunt voor een gesprek over kunstenaarsboeken. Op een bepaald moment had ik al zijn boeken – ik was toen nog een completist – met uitzondering van Stains, dat buiten mijn budget viel. In 2000 verkocht ik uit geldnood het grootste deel van mijn collectie aan de bibliotheek van het Clark Art Institute in Williamstown, Massachusetts. Eén boek van Ruscha hield ik bij: A Few Palm Trees. Wat mijn exemplaar zo bijzonder maakt, is de inscriptie: ‘Seth & Lucy / Best Wishes / Ed.’ Begin jaren zeventig waren Lucy Lippard en Seth Siegelaub een koppel, maar dat wist ik niet. De opdracht van Ruscha verbond deze drie persoonlijkheden.

De herkomst is voor mij erg belangrijk bij een aankoop, inclusief de boekhandelaar. A Few Palm Trees kocht ik bij Jean-Noël Herlin, bij wie ik vermoedelijk ook mijn eerste boek aanschafte. Hij blijft een van mijn absolute favorieten: hij is 85, maar hij is online nog steeds actief, ook op Instagram. Jean-Noël heeft een unieke manier om zijn boeken te bewaren en te verpakken. Hij maakt telkens een beschermende hoes van een manillamap. Toen ik jonger was, gooide ik die map telkens weg en bewaarde ik het boek of het object in een hoes van mylar of in een Hollinger box. Pas later besefte ik dat de verpakking een essentieel onderdeel was van de herkomst van het item. Helaas heb ik de manillamap niet bewaard die Jean-Noël voor A Few Palm Trees maakte.

M.K.: Je noemt meteen een aantal belangrijke dingen: de motivatie of de eigenschappen van de verzamelaar die ‘alles’ wil hebben (van één kunstenaar); de relatie van de verzamelaar tot een boekhandelaar of boekhandel; de ontdekking van een boek en het besluit het aan te schaffen; de methodes waarmee een bibliotheek wordt georganiseerd. Wanneer precies, onder welke omstandigheden, is jouw interesse in het verzamelen en het maken van kunstenaarsboeken ontstaan? Was er een openbaring? Speelden de boeken van Ruscha of van een andere kunstenaar een rol? En wat is er in de plaats gekomen van die passie voor volledigheid?

Zelf schaf ik regelmatig boeken aan van bekende of minder bekende kunstenaars of architecten, maar het is nooit mijn bedoeling om alles wat ze ooit uitbrachten te bezitten. Ik beschouw mezelf niet als een verzamelaar, maar als een boekenliefhebber.

M.L.: Ik zie mezelf graag als beide, maar dat onderscheid is natuurlijk boeiend. Wat het verleggen van een focus betreft, gebruik ik vaak de uitdrukking: ‘Problems are good.’ Als ik geen financiële problemen had gehad, had ik waarschijnlijk nooit een boek verkocht. Maar het positieve aan die verplichte verkoop was de fantastische kans om mijn koopgedrag te herzien. Een enorme last viel van mijn schouders. Ik nam me voor alleen nog dingen te kopen waar ik een diepe band mee voelde (en die ik me kon veroorloven) – alles wat ik echt niet kon missen als ik de boekhandel of de website verliet. Dat was een enorme opluchting en het bleek de enige manier om te blijven verzamelen. Misschien ben ik nu wel beland bij het andere uiterste, omdat ik vooral geïnteresseerd ben in boeken en efemera van obscure of weinig bekende kunstenaars. Niets maakt me gelukkiger dan een boek te ontdekken van een kunstenaar van wie ik nog nooit gehoord heb. Zo weet ik zeker dat ik reageer op het object zelf, en niet op een reputatie. Er is een term in de paardenraces die me aanspreekt: also ran. Het verwijst naar paarden die meededen aan een race, maar die niet bij de eerste drie eindigden. Waar ik voorheen prijspaarden zoals Ruscha verzamelde, richt ik me nu op de also ran.

Ik vermoed dat jij ook interesse hebt in ‘minder bekende’ kunstenaars, zoals blijkt uit de selectie voor Blank. Raw. Illegible…, met vele obscure en esoterische voorbeelden. Hoe besluit jij welke boeken en kunstenaars je aandacht geeft? Hoe breng je grote namen in balans met minder bekende kunstenaars? Heb je een mentor, een rolmodel, of gewoon iemand die invloed heeft gehad op je keuzes en op de manier waarop je over boeken schrijft?

M.K.: Ik beschouw mijn bibliotheek eerder als een archief of als een werkinstrument. Veel van de boeken die ik bezit, zijn het resultaat van samenwerkingen met kunstenaars of architecten, met wie ik tentoonstellingen heb gemaakt of met wie ik een langdurige relatie had of heb. Het gaat om een aanzienlijk aantal werken van zowel gevestigde als zogenaamde ‘minder bekende’ auteurs, zoals Ignasi Aballí, Lewis Baltz, Luz Broto, Peter Downsbrough, Hans-Peter Feldmann, Thomas Hirschhorn, John McDowall, Matt Mullican, OFFICE Kersten Geers David Van Severen, Allen Ruppersberg, SANAA, Jos de Gruyter & Harald Thys, Joëlle Tuerlinckx, Rémy Zaugg, Heimo Zobernig… Inmiddels maak jij ook deel uit van die lijst.

Maar er zijn eveneens kunstenaars van wie ik slechts één boek heb, en die ik daarom des te meer koester. Een voorbeeld is de IJslandse conceptuele kunstenaar Kristján Guðmundsson, die helaas is overleden op 21 november 2025, op 84-jarige leeftijd. Zijn boek Circles, dat in 1973 werd uitgegeven door het Stedelijk Museum Amsterdam, met als catalogusnummer 550, is een van mijn absolute favorieten. Ik ontdekte het vijf jaar geleden bij de stand van Louisa Riley-Smith (20th Century Art Archives) op ARCO Madrid en kocht het voor 36 euro. Circles bestaat uit slechts zes pagina’s met op elk vel drie zeer vergelijkbare, paginagrote zwart-witafbeeldingen van cirkelvormige golven in een vijver. Het is bijzonder omdat het zelf een sculptuur wordt. Elke afbeelding is afgedrukt op een andere papiersoort, en het gewicht neemt geleidelijk aan toe, van dun naar dik. Het wordt vermeld op de achterzijde van de voorkant van het omslag, als enige tekst naast het colofon, met drie herhaalde opschriften: ‘Circle made by throwing a stone of equal weight as sheet.’ Een briljant boekwerk.

Ik heb geen specifieke methode om boeken te bemachtigen. Vaak verlaat ik een boekhandel met een boek waarvan ik niet eens wist dat ik het wilde hebben. Als ik erover schrijf, is dat puur om subjectieve redenen, voor het plezier. En als ik al een mentor heb, dan is het mijn vrouw, die ooit zei: ‘Je kunt nooit te weinig geld hebben om een boek te kopen.’ Hoe zit het met jouw verzameling? Was er een epifanie die je heeft aangezet om boeken te verzamelen? Of is er één boek dat je altijd al heeft gefascineerd?

M.L.: Ik vind je lijstje geweldig. Er staan een paar van mijn absolute lievelingskunstenaars tussen, zoals Downsbrough, Feldmann, Mullican en Tuerlinckx. Ik ben ook dol op de boeken van Kristján Guðmundsson en ik ben zeer vereerd dat ik een aantal van zijn werken bezit. Een van mijn favorieten is 30-36 Drawings uit 1992. Het werd onder mijn aandacht gebracht door Joe Keys, een jonge kunstenaar uit Reykjavik. Het is een beetje een buitenbeentje binnen het oeuvre van Guðmundsson en het is een van zijn eenvoudigste werken. In plaats van een boek te maken, heeft hij een bestaand boek geclaimd: een publicatie van 24 pagina’s, gemaakt door Árni Árnason voor het Reykjavik Educational Resource Institute, bedoeld voor leerlingen om in te tekenen en te schrijven. Guðmundsson kleefde enkel een klein papiertje op de voorkant, met zijn naam, de titel en het jaartal 1992. Ik werk al lange tijd met ‘gevonden objecten’ en afbeeldingen, ook voor schoolkinderen, dus dit werk sprak me erg aan. Het past bovendien perfect bij een van mijn verzamelcategorieën: objecten die ontstaan zijn door ingrepen in of op bestaande, commercieel gedrukte materialen.

Ik kan nog twee boeken noemen die me fascineren, omdat ze draaien rond een meta-aspect: wat is een boek? Het eerste is See page 13! van Jiří Valoch uit 1973. Het is een klein boekje, maar het heeft een enorme impact. De titel staat op de cover en als je die aanwijzing volgt, word je door het boekje geleid in een soort speurtocht, om weer bij de cover terug te keren. Perfect. Het tweede boek is misschien het belangrijkste kunstenaarsboek ooit gemaakt: Book van George Brecht uit 1972. Het is het absolute beginpunt van kunstenaarsboeken en als ik maar één item uit mijn collectie zou mogen bewaren, zou het dit boek zijn. Ik zie het als een enorm voorrecht dat ik nummer 19 bezit, uit de editie van 50 die in 1972 werd gemaakt. Dat voorrecht heb ik te danken aan kunsthandelaar en verzamelaar Steven Jon Leiber, de peetvader binnen de wereld van kunstenaarsboeken en efemera waarin wij ons ophouden. Book is zelden te koop, maar toen er eindelijk een exemplaar beschikbaar kwam, nam Steven meteen contact met me op. Het kostte veel meer dan ik ooit aan één boek had uitgegeven, dus ik aarzelde. Maar hij kende mijn verzameling en wist hoe essentieel dit boek was, dus hij bleef aandringen tot ik de stap zette. Steven overleed in 2012 aan hersenkanker en elke keer als ik aan dit boek denk of erover praat, denk ik aan hem. De herkomst van boeken: ik blijf erop terugkomen omdat ik de boeken in mijn collectie onmogelijk kan bespreken zonder de mensen en vriendschappen die ermee verbonden zijn te noemen.

M.K.: Valoch en natuurlijk Brecht – daar volg ik je volledig in. In 2017 heb ik ter gelegenheid van een tentoonstelling in Madrid Book opnieuw uitgegeven, als facsimile paperback in een oplage van 250 exemplaren, om het weer beschikbaar te maken. En het was Lawrence Weiner, geloof ik, die ooit zei: ‘Boeken maken vrienden.’ Daar ben ik het helemaal mee eens!

Wanorde bestaat niet. Interview met John Baldessari

Ann Cesteleyn: Je bent begonnen als schilder, maar vanaf 1966 ben je ander, minder traditioneel werk gaan maken, zoals de schilderijen met tekstfragmenten. Vervolgens evolueerde je van dergelijke rationele werken naar sensueler en meer visueel werk, waarin ook foto’s worden hergebruikt. Neem bijvoorbeeld het tekstschilderij Everything is Purged From This Painting but Art, No Ideas Have Entered This Work (1966-1968). Beschouw je dat als conceptueel werk? Volgens Joseph Kosuth is conceptuele kunst opgebouwd uit ideeën…

John Baldessari: Om die vraag te beantwoorden moet ik Everything is Purged… in de juiste context plaatsen. Aanvankelijk was ik inderdaad schilder. In het midden van de jaren zestig was het abstract expressionisme, althans de vierde of vijfde generatie ervan, nog steeds de norm. Ik was bezorgd dat ik de rest van mijn leven niets anders zou doen dan schilderen. Daar is niets mis mee, maar in mijn wanhopigste momenten zag ik de meest simpele versie van schilderen als het arrangeren en combineren van kleuren op een rechthoekig vlak. Er was mij aangeleerd dat kunst maken neerkomt op schilderen of beeldhouwen en ik begon te denken: dat kan niet alles zijn. Het zou meer moeten zijn, maar ik wist niet zeker wat. Dat was dus de context.

A.C.: Je hebt afscheid genomen van de traditionele schilderkunst door je schilderijen te vernietigen. In 1970 maakte je The Cremation Project: een bokaal met koekjes gebakken uit de as van je verbrande schilderijen. Welke schilderijen heb je toen vernietigd?

J.B.: Dat ging om werken die ik voor 1966 op m’n eentje maakte. Ik kreeg van het crematorium negen dozen met de afmetingen van een volwassene, en dan nog twee of drie kleinere dozen, ter grootte van een baby. Ik weet niet meer om hoeveel schilderijen het ging, maar het waren er veel.

A.C.: Heb je er nooit spijt van gehad dat die werken niet meer bestaan?

J.B.: Nee, helemaal niet. Mijn kunst bewaar ik sowieso zelden bij mij thuis. Ik heb kunst van andere mensen aan de muur hangen. Ook in mijn atelier ligt niets dat is afgewerkt, alleen dingen waar ik nog mee bezig ben. Daarna moet het weg, de wereld in. Het zit in mijn hoofd en als het moet, kan ik naar foto’s kijken.

A.C.: Een paar van je vroege schilderijen bleven bewaard, toch?

J.B.: Voorafgaand aan de crematie heb ik de schilderijen aangeboden aan vrienden. Ze waren nauwelijks geïnteresseerd, ook al kregen ze de werken gratis. Toch zijn er inderdaad enkele schilderijen overgebleven. Ik heb er twee en mijn zus heeft er ook een paar. In de collectie van de Duitse verzamelaar Harald Falckenberg zit eveneens een klein schilderij uit 1965, The Falling Cloud. Geen idee hoe dat bij hem is aanbeland.

A.C.: In 1971 werd je eerste print gemaakt, I Will Not Make Any More Boring Art. Had je het gevoel dat dat het probleem was met je schilderijen: dat ze saai waren?

J.B.: Nee… Ik hield notities bij voor mezelf, notes to self. Een van mijn eigenschappen is dat ik makkelijk verveeld raak. Misschien is het een aandachtsstoornis, of misschien komt het omdat mijn sterrenbeeld Tweelingen is, ik weet het niet. Maar de taak van om het even welk kunstwerk – ook muziek of literatuur – is dat het interesse opwekt, anders leg je het boek neer of wandel je de concertzaal uit. Ik vermoed dat ik die overtuiging gaandeweg ontwikkelde: het is fundamenteel dat kunst de mens aanspreekt. En ik schreef het neer, om mezelf eraan te herinneren.

A.C.: Hoe kwam I Will Not Make Any More Boring Art tot stand?

J.B.: Ik gaf les aan CalArts in Los Angeles, maar in Halifax in Canada had je het Nova Scotia College of Art and Design, met een vergelijkbaar programma en met interessante mensen, zoals Joseph Beuys, Gerhard Richter en Benjamin Buchloh. CalArts en Nova Scotia waren zusterinstituten. In Halifax werd mij gevraagd een expo in te richten, maar er was geen budget om mij te laten reizen, noch om kunstwerken te transporteren. Ik moest dus echt conceptueel denken. Ik heb toen gezegd: vraag aan de studenten of ze deze zin op de muur willen schrijven, zoals in de lagere school wanneer ze…

A.C.: … straf moeten schrijven?

J.B.: Ja, wanneer ze gestraft worden. Ik dacht: die muren zullen leeg blijven, dat wordt helemaal conceptueel. Maar het sloeg aan.

A.C.: Er zijn weinig kunstenaars die saaie kunst willen maken.

J.B.: Sommige van mijn voormalige studenten laten geregeld een briefje achter op mijn tentoonstellingen: ‘Eigenlijk maak je nog altijd saaie kunst.’

A.C.: Maar hoe ernstig was die uitspraak voor jou? Je werk was niet saai vóór 1971.

J.B.: Het was heel ernstig. Iemand vroeg me onlangs of ik met dat zinnetje grappig wilde doen, maar als ik iets zou maken dat ik grappig vind, dan komt het waarschijnlijk alsnog ernstig over. Begrijp je wat ik bedoel? Ik heb een bepaalde manier om naar de wereld te kijken. Anderen vinden het grappig, ik niet. Ik hou van dingen die meerdere betekenissen hebben, double, triple or quadruple entendres.

A.C.: De eerste tekstschilderijen ontstonden in 1966. Heb je die zelf gemaakt of heb je ze laten schilderen?

J.B.: Ze zijn gemaakt door een letterschilder. Dat is de breuklijn in 1966: het moment waarop ik zelf ophield met schilderen. Ik maakte die canvassen niet, ik had enkel het idee.

A.C.: Dus dat is conceptueel?

J.B.: Ja. Maar via Everything is Purged… probeerde ik ook te spelen met collega-kunstenaars. Op een heel basaal niveau is kunst een dialoog met peers: de ene reageert op de andere. En het idee om taal en fotografie te gebruiken was op dat moment ongehoord. Er waren fotogaleries voor fotografie en voor kunst waren er kunstgaleries. Dat was dat. Het idee om alleen tekst te tonen was gewoonweg krankzinnig!

A.C.: En daarom deed je het, toch?

J.B.: Ja, precies. Het enige artistieke ‘signaal’ dat ik wilde geven, was canvas op een houten frame. Wat kan canvas op een houten frame anders zijn? Je hoeft helemaal niets te doen, het wordt vanzelf kunst, er is meteen genoeg signaal aanwezig. Het was een uitdaging om te kijken of dat soort dingen een plaats kon krijgen in een kunstgalerie. Dat was een andere motivatie, denk ik.

A.C.: Je was aan het spotten met de kunstwereld?

J.B.: Ja, dat was zeker aanwezig. Bovendien hoorde je in die periode vaak mensen zeggen, als ze naar een schilderij keken: ‘Dat kan mijn kind ook. Het betekent niets.’ Dat soort dingen. Of: ‘Ik begrijp het niet.’ Dat hoor je natuurlijk nog steeds. Maar ik dacht: wat als ik nu volstrekt populistisch zou zijn, door te zeggen dat mensen kunnen lezen en naar foto’s en tijdschriften kunnen kijken? Wat als ik op die manier aan kunst zou doen? Het werd me meer en meer duidelijk dat je zelf het werk niet hoeft te doen: de kunstenaar kan een soort kunstregisseur worden. Dat was een ander idee dat een rol begon te spelen.

A.C.: Ironie was al in dat vroege werk aanwezig, net dankzij het gebruik van taal?

J.B.: Ja, en ik denk dat er veel gevarieerde manieren zijn om taal te gebruiken en aan te wenden, in een droge, academische vorm. Maar ik ben naar de universiteit geweest, dat hoef ik niet te doen.

A.C.: Ik vind dat het vroege werk er Europees uitziet, zoals dat van Art & Language.

J.B.: Misschien kan jij me daarin helpen, want toen ik jaren geleden die dingen begon te tonen – dat was in Los Angeles en ik had geen succes – zei er iemand: ‘Weet je, jouw werk is eerder Europees.’ Ik had geen idee wat dat wilde zeggen.

A.C.: Kende je Lawrence Weiner?

J.B.: Natuurlijk, Weiner is een vriend van mij.

A.C.: Maar op dat moment, bedoel ik, midden jaren zestig.

J.B.: Ik heb hem toen ontmoet. Ik praatte met iemand uit New York en die zei: ‘Ik begrijp niet wat jij doet, maar er zijn een paar kunstenaars in New York van wie ik ook niet begrijp wat ze doen. Misschien zou je het leuk vinden om hen te ontmoeten en met hen te praten.’ Trouwens, Kosuth had zijn eerste show in de Verenigde Staten in dezelfde straat als ik, La Cienega Boulevard. Dat was heel raar. Zo heb ik Lawrence ontmoet.

A.C.: Sommige conceptuele kunstenaars vonden jouw kunst niet conceptueel genoeg omdat je beelden naast de tekst zette.

J.B.: Kosuth heeft in een artikel ooit gezegd dat ik popart maak en geen conceptueel kunstenaar ben.

A.C.: Hoe verhoud je je tot de popart? In de tentoonstelling L.A. Pop in the Sixties in 1989 in het Orange County Museum of Art in Newport Beach was je werk erg belangrijk.

J.B.: Mijn werk is in zoveel categorieën gezet…

A.C.: Dat is hoe kunsthistorici te werk gaan.

J.B.: Ik weet het. Ik geloof dat het handig is voor journalisten en schrijvers om een label te vinden als een kunstenaar net komt kijken. Maar als ik je zou vragen: noem eens een impressionist, dan is het waarschijnlijk ook een expressionist of een kubist. Wie zou jij een kubistische kunstenaar noemen?

A.C.: Braque, of Picasso.

J.B.: Zie je wel, die hebben ook veel andere dingen gedaan. Ik noemde Claes Oldenburg ooit een popartkunstenaar en toen zei hij: ‘Nee, ik ben geen popartkunstenaar, ik ben een kunstenaar!’

A.C.: Mensen krijgen niet graag een label opgeplakt. Maar soms hangt er iets in de lucht – verschillende individuen denken gelijkaardige dingen of wonen in dezelfde stad op hetzelfde moment en pikken hetzelfde op.

J.B.: Dat klopt, dat eerste moment kan belangrijk zijn. In het midden van de jaren zestig had je het minimalisme, conceptuele kunst, land art, en die kwamen voort uit een algemene ontevredenheid. Iedereen keek uit naar iets dat zou gebeuren. Wat het was, dat kon niemand voorspellen.

A.C.: De tekstschilderijen zoals Everything is Purged… geven inhoudelijk wel aan wat kunst is of zou moeten zijn.

J.B.: Er was inderdaad een moment in mijn leven waarop ik voor mezelf probeerde te achterhalen wat kunst is, en wat maakt dat iets anders geen kunst is. Het was een periode van reflectie en ik had aanvankelijk niet eens het idee dat die dingen ooit tentoongesteld zouden worden. Ten tijde van mijn eerste show in L.A. woonde ik in San Diego en mijn galeriehouder Molly Barnes zei: ‘Je moet die werken zelf naar hier brengen.’ Ik had nauwelijks geld en het was tweeënhalf uur rijden, dus ik huurde een vrachtwagen voor vijftig dollar en ik gaf haar een van de canvassen. Nu zegt ze tegen iedereen die het wil horen dat ze dat werk verkocht heeft voor 750.000 dollar en met de opbrengst een appartement in New York heeft gekocht. Je weet nooit wat er gaat gebeuren.

A.C.: De tekstschilderijen waren een manier om de kunst te bevragen, maar je wilde ook kunst maken die iedereen kon begrijpen.

J.B.: Mensen kijken naar schilderijen, wat is daar moeilijk aan?

A.C.: Je toonde altijd tekst, en geen beeld?

J.B.: Soms was er tekst met beeld. Wrong is gemaakt in dezelfde periode, tussen 1966 en 1968: ik sta voor een palmboom die zich vlak voor mijn huis bevindt, in National City.

A.C.: Dat is een van mijn favorieten! Toen de werken uit die periode werden getoond en gepubliceerd in 1996, in de expo National City en in het gelijknamige boek, waren ze niet langer in zwart-wit, maar in kleur. Hoe komt dat?

J.B.: Ik heb nieuwe versies gemaakt, want ik wilde een aantal van die werken inderdaad in kleur hebben. Ik heb nieuwe reeksen gemaakt, zoals met de palmboom in Wrong: er is een late versie en een vroege versie. Maar veel is er niet veranderd.

A.C.: Wat is er belangrijker voor jou: tekst of beeld? Of zijn ze gelijkwaardig?

J.B.: Jazeker, ik beweer dat ze heel gelijkwaardig zijn voor mij. Wat een groot deel van mijn werk drijft is… Soms kan je zowel woorden als beelden gebruiken. Een van de redenen waarom ik gestopt ben met taal te gebruiken, is omdat de strijd gewonnen leek, omdat het gelukt was om taal in galeries naar binnen te smokkelen. Tekst was geen uitdaging meer. En de strijd om fotografie was ook gewonnen, dat was evenmin nog een uitdaging. Ik vermoed dat ik taal liet vallen en mijn toevlucht nam tot beelden, maar toch wil ik altijd het gevoel hebben dat er zich een woord achter het beeld bevindt. Het is als een muntstuk dat je kunt blijven omdraaien. Ik vermoed dat ik met beelden bouw zoals een dichter met woorden bouwt. Het zijn verschillende talen, maar ik ben bezig met een soortgelijke zoektocht.

A.C.: Ik heb het gevoel dat de inhoud in sommige tekstschilderijen belangrijker wordt dan de vorm.

J.B.: Bedoel je de context of de content, de inhoud?

A.C.: Ik bedoel de inhoud.

J.B.: Als een werk echt succesvol is, dan zijn vorm en inhoud gelijkwaardig. Veel jonge kunstenaars zijn tegenwoordig meer begaan met de inhoud. Als ze iemand willen schilderen, dan schilderen ze die persoon, zonder al te veel na te denken over wat werkt in de figuur, hoe de kleur werkt, of andere formalistische overwegingen. Ik denk dat ik in mijn hart een echte formalist ben, maar ik hou er ook van om verhalen te vertellen. Ik herinner me dat ik al in de jaren zestig een primitieve, persoonlijke versie van Photoshop gebruikte. Als ik meer duisternis nodig had in een schilderij, dan wreef ik er zwarte olieverf over om zones donkerder te maken. Als je naar het werk keek, dan zou je dat nooit doorhebben. Ik kijk naar een foto als naar een arrangement van licht en donker. Op dat moment denk ik echt niet na over het onderwerp.

A.C.: Gebruik je nu Photoshop?

J.B.: Ik gebruik het tegenwoordig vaak, want in de meer recente werken probeer ik iets te bereiken dat lijkt op een dubbele belichting. Dat kan je met een camera doen, maar met Photoshop kan je het ene beeld over het andere leggen. Je kan ook de transparantie aanpassen. Het gaat gewoon sneller. De computer is een geweldig hulpmiddel.

A.C.: Is dat bijvoorbeeld zichtbaar in The Overlap Series, waar je sinds 2000 aan werkt?

J.B.: Ja, precies. Ik werk schetsen uit, ik probeer een paar dingen, en op een bepaald moment zet ik ze op de computer. Je drukt op een knop en boom, het is oranje! Ik kan allerlei kleurvarianten overlopen in tien minuten tijd. Het helpt me om na te denken. Dat is het.

A.C.: Een aantal werken uit The Overlap Series, zoals Two Palm Trees (And Person With Finger in Mouth) uit 2001, doen denken aan Mondriaan.

J.B.: Ik mag het hopen! Dat is een heel goede kunstenaar. Broadway Boogie Woogie (1942-1943) is een van de eerste schilderijen die mij aan het huilen brachten. Ik had echt tranen in mijn ogen: het is zo mooi!

A.C.: Je werk is divers, maar toch zijn er een aantal dingen die terugkomen. Wat beschouw je als een constante?

J.B.: Dat is een goede vraag. Ik denk dat je gelijk hebt: een kunstenaar heeft uiteindelijk maar een paar ideeën. Volgens Carl Andre heb je als kunstenaar zelfs maar één idee, maar dat is meer op hem van toepassing. Er zijn thema’s, maar ze keren terug op verschillende manieren. Een van de fundamentele principes van kunst is dat je een keuze maakt. Je kiest het ene en je kiest het andere niet. Je kiest die kleur, dat onderwerp, enzovoort. En dan is er iets wat Nam June Paik ooit tegen me zei – we hebben nog samen lesgegeven. Hij zei: ‘John, wat ik goed vind in jouw werk is wat je weglaat.’ Ik neig ernaar belangrijke informatie weg te laten, maar nooit genoeg, zodat je nog kan achterhalen dat er belangrijke informatie is weggelaten.

A.C.: Dat is een heel postmoderne manier van communiceren.

J.B.: Ik vermoed het, ja.

A.C.: Advertenties werken ook zo: je moet zelf de boodschap achterhalen en als het lukt, dan voel je je slim en krijg je een goed gevoel.

J.B.: Ik weet niet of ik dat doel voor ogen had: mensen zich slim laten voelen over zichzelf. Maar ik hou van het idee.

A.C.: Het heeft met timing te maken. Je moet weten welke hoeveelheid je kan weglaten. Misschien voelt de toeschouwer zich meer verbonden met het werk omdat er iets is dat nog uitgezocht moet worden.

J.B.: De toeschouwer kan meedoen. Ik vergelijk wat ik doe met het schrijven van mysterieuze verhalen. Je krijgt een kleine aanwijzing en dan ga je verder en krijg je de mededeling dat je in een doodlopende straat bent beland. Je speelt het spel, je verdwijnt en je komt terug. Dat ik op een bepaald moment de gezichten van mensen in foto’s met een cirkel ging afdekken, is ook zoiets. Ik dacht er toen niet zo bij na, maar ik gaf les in publieke scholen: tekenen naar model. We hielden sessies van drie uur en studenten begonnen met het hoofd, want daar kijken we normaal gezien naar. Tweeënhalf uur lang tekenden ze het hoofd, en in het halfuurtje dat nog overbleef probeerden ze de rest van het lichaam in orde te krijgen. Ik werd er wanhopig van, dus de eerste twee uur heb ik het hoofd van het model bedekt, zodat ze het niet konden tekenen. Ze moesten beginnen bij de voeten of bij iets anders, en in het laatste halfuur konden ze dan het gezicht tekenen. Zo gaat dat nu eenmaal, we kijken op een hiërarchische manier. Als ik tegen jou praat, kijk ik niet naar jouw schouder. Maar ik zou iemand naar jouw schouder kunnen laten kijken door je te vragen je hoofd te draaien, of door een lamp op je schouder te richten. Je moet achterhalen wat je interessant vindt aan iets of iemand, en dan doe je wat je kan om dat naar voren te brengen. Ik denk dat ik altijd een klein beetje pervers ben, dus ik probeer mensen niet te geven wat ze verwachten, maar niet in die mate dat ik hen verlies. En dat leidt dus tot een soort flirterig schilderen. Dat komt waarschijnlijk vooral door les te geven, want dan moet je de aandacht van de studenten trekken, en dat doe je niet alleen maar door college te geven.

A.C.: Waarom bedekte je de gezichten met stippen? Je had om het even wat kunnen kiezen.

J.B.: Ja, om het even wat. Natuurlijk.

A.C.: Verwijst het naar gedrukte posters? Als je van heel dicht naar posters kijkt, dan zie je kleine stipjes.

J.B.: Ben-Day dots, zoals bij Roy Lichtenstein… Ik heb in vroege schilderijen wel een keer dots gebruikt. Ik zal je vertellen hoe dat gebeurd is. Ik weet niet of het chronologisch gezien juist is, maar ik herinner me dat ik ergens heel goedkoop afgedankte foto’s uit kranten en schilderijen kon bemachtigen. Veel van die beelden kwamen uit kranten met een grootstedelijke rubriek – een foto van de burgemeester die de hand schudt van de politiecommissaris, zoiets… Je kent dat soort beelden. Ik vond ze altijd zo smakeloos, maar ik werd er toch door geïntrigeerd. Ik besefte waarschijnlijk, heel onbewust, dat dit de mensen waren die beslissingen namen over mijn leven. Ik had er niets mee te maken, ik zat daar in mijn studio, ik nam op geen enkele manier deel aan publieke processen. Ik wist niet wat ik eraan kon doen en ik herinner me dat ik een verfspuitbus nam om hun gezichten te bedekken. Toen leken ze op vroege werken van Richter. Dat leek me niet goed. Ik denk dat het te schilderkunstig leek… dat was het. Zoiets wilde ik niet. Ik heb toen met van die prijsstickers gewerkt, in verschillende kleuren en groottes, die ik gebruikte omdat ze zo grafisch zijn. Ik nam gewoon een paar van die stickers en plakte ze op hun gezichten, zodat ik ze niet meer hoefde te zien. En daar voelde ik me goed over – je weet wel, alsof ik het speelveld uitvlakte.

A.C.: En was er toen meteen een werk klaar?

J.B.: Dat was later. Ik moest een groot project maken voor een tentoonstelling, de Carnegie International in 1985. Toen pas heb ik een manier gevonden om die stippen te gebruiken. Het was een groot werk dat meteen tegen de muur werd aangebracht. Toen heb ik de dots voor het eerst gebruikt, architecturaal, maar ook zoals – hoe heet dat spelletje – dominostenen.

A.C.: De titel van dat werk uit 1985 was Buildings=Guns=People: Desire, Knowledge, and Hope (With Smog).

J.B.: Ik reduceerde die cirkels tot cijfers, op een manier, of tot bouwstenen.

A.C.: De bedoeling was dus niet enkel om de beelden anoniemer te maken, zodat toeschouwers vrijelijk konden associëren?

J.B.: Je krijgt al die verschillende poses, die ik burgerhoudingen noem. Je ziet ze in elke krant waar ook ter wereld, maar als je hun gezichten niet ziet, kunnen ze…

A.C.: … om het even wie zijn?

J.B.: Ja, het gaat niet meer om de mensen zelf, het gaat erom dat ze een kantoor opvullen, dat ze een functie uitoefenen.

A.C.: Een soort van rollenspel?

J.B.: Een vriend van mij, David Ross, werd directeur van het Whitney Museum en hij zei me: ‘Het is zo grappig hoe mensen mij nu anders behandelen. Ik ben David Ross niet meer, ik ben David Ross, de directeur van het Whitney Museum.’ Ze richten zich tot de directeur. Maar die directeur, zie je, dat kan dus om het even wie zijn. Het is niet die specifieke persoon.

A.C.: Welke beelden ontstaan er op die manier, dankzij de toevoeging van cirkels?

J.B.: De personen worden acteurs. Ik kan ze verplaatsen, bijna als schaakstukken. Ik maak mijn eigen moraliteitsspel. Je ziet hoe ze zich opstellen, hoe ze zich tot elkaar verhouden, wat ze benadrukken. Als je naar hun gezichten begint te kijken, zit je vast.

A.C.: Zodat er meer aandacht kan gaan naar de rest van het beeld?

J.B.: Om te kunnen achterhalen waar de personages zich bevinden.

A.C.: De latere werken van dit type lijken anders, zoals Hitchhiker (Splattered Blue) uit 1995.

J.B.: Ja, aanvankelijk gebruikte ik enkel wit en daarna zwart. Toen besefte ik dat ik ook kleur als identificerende code kon gebruiken. Rood kan gevaar signaleren, groen signaleert hebzucht. Het is mijn persoonlijke kleursysteem. Eigenlijk zeg ik: deze mens is een veilige mens, en die daar brengt gevaar met zich mee. Maar dat is natuurlijk enkel iets voor mezelf.

A.C.: Geel kan woede betekenen.

J.B.: Of iets heel geks. En blauw verwijst naar vrede of naar een ander ideaal. Je wordt bijna verplicht om universele betekenissen aan kleuren te verbinden, terwijl we weten dat die betekenissen niet bestaan.

A.C.: Het gaat steeds om primaire kleuren.

J.B.: Nee, primaire, maar ook secundaire kleuren: rood, geel, blauw of paars, oranje, groen, zwart, wit… Eén of twee keer heb ik grijs gebruikt.

A.C.: Het is een kleurtheorie, of zelfs een kleurfilosofie. Je hebt filosofielessen gevolgd. Hoe heeft dat je kunst beïnvloed?

J.B.: Wie zal het zeggen? Ik herinner me één moment, tijdens een introductie in het eerste jaar, toen ik mijn professor vroeg: ‘Wanneer is iets geordend en wanneer is iets niet geordend?’ Daar dacht ik toen al vaak over na. Wat betekent dat eigenlijk, als iets wanordelijk is? En die prof zei: ‘We kunnen wanorde beschouwen als een andere soort orde.’ Wanorde bestaat niet. Wat wanorde is voor de een is orde voor de ander, of voor een andere cultuur. Geef maar toe: toen je klein was, zei je moeder dat je je kamer moest opruimen. Het was een totale wanorde, maar voor jou was dat geen probleem. Zie je waar ik heen wil?

A.C.: Natuurlijk. Maar als ik het heb over filosofie, dan gaat het ook over wat anderen over jouw werk schrijven. In boeken over je werk wordt Derrida vermeld, of De Saussure. Was jij ook met hun filosofie bezig, of komt dat enkel van critici en hun interpretaties?

J.B.: Nee nee, ik herinner me dat ik die structuralisten en poststructuralisten gelezen heb. En toen ik bij Derrida aanbelandde, dacht ik: zo denk ik al jaren. Dergelijke schrijvers zeggen dingen die kunstenaars al jaren denken, maar die ze nog niet tot uitdrukking hebben gebracht.

A.C.: Zo is dat met de filosofie: dingen formuleren die…

J.B.: … iedereen al weet. Maar om preciezer te zijn: er was een periode waarin ik werk maakte dat sterk beïnvloed werd door het structuralisme.

A.C.: Om welk werk gaat het dan?

J.B.: In 1978 maakte ik de reeks Blasted Allegories: polaroidfoto’s in kleur met handgeschreven onderschriften. Die reeks gaat, filosofisch, over de relatie tussen beeld en tekst.

A.C.: Het werd ook de titel van een boek uit 1986 met geschriften van hedendaagse kunstenaars. In het werk Heel uit 1984 speel je met de verschillende betekenissen van het woord ‘heel’. Ook dat kan aan Derrida doen denken.

J.B.: Jazeker. Maar al voor Derrida was het woordspel een duchampiaanse activiteit. ‘A heel’ is ook een niet bepaald aangename persoon. Ik vermoed dat het over relaties gaat. Ik bedoel: je ziet al die hielen, in Heel, maar je ziet ook een ventiel dat wordt losgedraaid, en dus een band die op het punt staat leeg te lopen. Het lijkt uit een andere context te komen, en ik weet niet wat de kijker zal denken. Je zou kunnen denken aan lucht verliezen. Misschien zakt er iemand in elkaar – een verschrikkelijke persoon die voor je ogen leegloopt, misschien omdat er iemand commentaar op hem levert.

A.C.: De compositie van Heel lijkt ook Europees, en doet denken aan triptieken in kerken.

J.B.: Dat is onvermijdelijk zo. Toen ik begon te schilderen, besefte ik nog niet hoe tiranniek het idee van een vierkant of een rechthoek was. Dat is het kader waarmee schilders werken. Ik heb nooit een voorraad kaders aangelegd, ik maakte mijn frames uit timmerhout dat ik hier en daar aantrof. Over gulden sneden of hypothetische relaties tussen afmetingen heb ik nooit nagedacht. Pas toen ik een camera begon te gebruiken, besefte ik hoe tiranniek de rechthoek was, want alle zoeklenzen zijn hetzelfde, net als de papierformaten waarop foto’s worden afgedrukt. Er zijn verschillen, maar het zijn variaties op een en dezelfde rechthoek.

A.C.: En wat was het alternatief?

J.B.: Ik begon lange smalle dingen te maken, en driehoeken en cirkels. Waarom zou ik binnen een rechthoek een compositie moeten maken? Is er iemand die mij vertelt dat het zo moet? Toen ik mijn foto’s voor het eerst begon te tonen, wilde ik er geen kader rond. Toen raakten ze beschadigd en dus zei mijn dealer: ‘Je moet je foto’s in kaders stoppen.’ Ik wilde mijn foto’s niet keer op keer opnieuw maken, dus zei ik: ‘Kaders, oké, maar dan op een architecturale manier, als bouwblokken.’ Daarom ben ik werken als Heel gaan maken, ook omdat er op die manier een dialoog ontstaat tussen de verschillende afdelingen of kaders.

A.C.: Waarom staat er, in Heel, in het onderste beeld van het grootste kader, een rode kronkelende lijn?

J.B.: Ik maakte toen ook andere werken met foto’s van grote groepen mensen. Zelfs als die lijn er niet zou zijn, dan zou je blik nog steeds een dergelijke beweging maken. Je zou van punt naar punt naar punt gaan, toch? Ik wilde de beweging van die mensen tot een soort gebaar maken. Bovendien hou ik ervan om verschillende dingen bij elkaar te brengen als één ding – het is een soort van filosofisch gebaar. Je kan steeds verder gaan, het gaat over eenheid. In al die onderdelen van Heel is er een vorm van verval merkbaar. Het systeem breken, weet je wel? Er is iets dat niet werkt.

A.C.: Je sprak over een populistisch fundament van je werk: werken produceren die iedereen kan lezen en begrijpen. Is het ook daarom dat je boeken en edities maakt?

J.B.: Dat maakte indertijd deel uit van de beweging. Vooral conceptuele kunstenaars maakten kunstenaarsboeken, hoewel kunstenaars dat natuurlijk al veel eerder deden. Ik heb altijd al van boeken gehouden. Ik probeerde inderdaad goedkope kunst te maken, dingen die ook studenten zich konden aanschaffen. Het kost niet zo veel, maar toch is het kunst. Toen ik in 1971 mijn eerste kunstenaarspublicatie klaar had, Ingres and Other Parables, werd mij aangeboden om er een dure editie van te maken. Ik wilde absoluut dat het boek minder dan tien dollar kostte, maar niemand wil een boek produceren dat voor minder dan tien dollar verkocht wordt. Ik heb in 1972 toch een uitgever gevonden die het wilde doen: Studio International Publications in Londen.

A.C.: Ingres and Other Parables wordt nu tweedehands voor honderden dollars verkocht.

J.B.: Dat is ook weer de ironie! Omdat kunstenaarsboeken een beperkte oplage hebben, worden ze heel kostbaar.

A.C.: Je zou dus gewoon meer edities en publicaties moeten maken, om ze goedkoop te houden?

J.B.: Ja, maar probeer maar eens iemand te vinden die meer dan tweeduizend exemplaren wil drukken. Niemand wil dat doen. Het is absurd. Ik zeg tegen mensen: ‘Het zal nog altijd verkopen’, maar vijfduizend exemplaren is de hoogste oplage die ik heb weten te bereiken. Dat is nog altijd niet zo veel.

A.C.: Je wil dus nog altijd betaalbare kunst maken voor het grote publiek?

J.B.: Zie je deze wijnfles? Ik heb het etiket ontworpen.

A.C.: Cool! Dat wist ik niet.

J.B.: Sol LeWitt heeft ook een wijnetiket ontworpen en hij zei me: ‘Je moet dat ook doen, John.’ De eigenaar van het wijndomein, Imagery Estate Winery in Californië, maakte een hele reeks, een kunstenaarseditie met wijnetiketten, telkens met een ander label. Mijn wijnfles is een hommage aan een van jullie Belgische schilders.

A.C.: Magritte is weer helemaal terug!

J.B.: Dit is wat Magritte gedaan zou hebben mocht hij een wijnetiket hebben gemaakt. Ik doe dat vaker: werk proberen maken dat eruitziet als een Matisse of een Mondriaan. De regel was dat op elk etiket een gebouw moest staan dat zich op de wijngaard bevindt. In Napa Valley in Californië hangt de lucht altijd vol wolken en ik dacht: ‘Waarom niet een grote glazen wijnfles volledig uit wolken maken?’ En dan ontsnap je natuurlijk niet aan Magritte. Geen probleem trouwens, want hij is een van mijn favoriete kunstenaars.

 

Redactie en vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

 

Ann Cesteleyn studeerde in 2003 af als kunsthistoricus aan de Vrije Universiteit Brussel met een scriptie getiteld A Different Type of Order. Schets van het traject van de deconstructie in het werk van John Baldessari, van concept art naar postmodernisme. In april 2003 bezocht ze de Amerikaanse kunstenaar in zijn atelier in Los Angeles voor een interview. In het najaar van 2006 was ze curator van de tentoonstelling John Baldessari. The Prima Facie Series in Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle.

‘Telkens vindt het beeld de wereld voor je uit’. Interview met Dirk van Bastelaere

Christophe Van Gerrewey: Jouw debuutbundel Vijf jaar uit 1984 – en dus je oeuvre – opent met een zwart-witfoto. Twee andere citaten, van Beckett uit Waiting for Godot en van Matthew Arnold uit Empedocles on Etna, vormen het tweede en het derde motto. In Vijf jaar staan nog citaten, als motto’s bij reeksen of bij gedichten, van Joy Division (drie keer), van Sylvia Plath (twee keer), van Gottfried Benn, Margaret Atwood, John Cale, Hugues C. Pernath, George Eliot, Rainer Maria Rilke, Georg Trakl en Charles Baudelaire.

Dirk van Bastelaere: Ik ben van 1960, dus toen ik aan die bundel begon was ik 21. Laat ons zeggen dat ik een stem zocht, beïnvloed door wat ik zoal las: Claus, Pernath, Plath, maar ook postexperimentelen zoals Wilfried Adams, Leopold M. Van den Brande, Michel Bartosik, en natuurlijk de Pink Poets, die een erg kokette omgang met citeren hadden. Citeren is iets wat je onvermijdelijk doet, maar ik heb dat altijd expliciet willen maken.

C.V.G.: De titel van de bundel is ook een citaat.

D.v.B.: Ja, die titel is ontleend aan een song van David Bowie, ‘Five Years’, van op The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars uit 1972. Ik las ook de essays van schrijver en criticus Henri-Floris Jespers, wiens essay ‘Maniërisme en moderne sensibiliteit’, over onder anderen Paul van Ostaijen en Maurice Gilliams, deels aan het begin lag van de Pink Poets. Via Jespers leerde ik het werk van Gustav René Hocke kennen: Die Welt als Labyrinth (1957) en Manierismus in der Literatur (1959). Jespers zag het maniërisme als een transhistorisch en cultureel principe van dubbelzinnigheid, vormspel en esthetische overdaad dat tot in de moderne kunst doorwerkt. Hij transporteerde die ideeën naar de Vlaamse context en beschreef, simpel gezegd, maniërisme als een zelfbewuste, hypergecultiveerde houding in de poëzie, een vorm van zelfreflectie die kitsch met metapoëzie verknoopt. Dat boeide mij toen mateloos, zeker ook door mijn fascinatie voor de populaire cultuur zoals je die in de Europese cinema en new wave terugvond. Bij de Pink Poets kwam dat neomaniërisme terug als taalexperiment en stijlbewustzijn, in een poëtica die balanceerde tussen schoonheid, ironie en artificiële perfectie. Ik had graag gedebuteerd bij Pink Editions & Productions, maar via Clara Haesaert kwam het typoscript van mijn debuut bij Henri-Floris Jespers terecht. Hij werd mijn uitgever binnen het fonds van Walter Soethoudt, waar Vijf jaar in 1984 is verschenen.

C.V.G.: Het beeld bij aanvang is een foto van een bronzen piëta, een wandsculptuur met een zopas overleden Jezus, met Maria die zijn linkerhand vasthoudt en met de apostel Johannes die zijn schouders ondersteunt.

D.v.B.: Het is een foto van een familiegraf die ik gemaakt heb op de begraafplaats van Tereken in Sint-Niklaas. De invloed van Closer van Joy Division was daar niet vreemd aan. Voor de cover van die elpee uit 1980 had grafisch ontwerper Peter Saville een foto gebruikt van een familiegraf op de begraafplaats van Staglieno in Genua: vier vrouwen die de dode Jezus bewenen. Saville had die foto, gemaakt door Bernard-Pierre Wolff, opgemerkt in het Franse tijdschrift Zoom. Samen met enkele vrienden was ik toen in de ban van dergelijke doodsemblematiek. Met Erik Spinoy heb ik in 1982 R.i.P. gemaakt, een ‘tijdschrift voor literatuur en stijl’, toen we studeerden aan de KU Leuven.

C.V.G.: Het beeld in Vijf jaar blijkt te worden toegeschreven aan de Belgische beeldhouwer Sylvain Norga, maar het is vorig jaar, samen met veertig andere bronzen kunstwerken, gestolen en hoogstwaarschijnlijk vernietigd. In elk geval is het nagenoeg onopgemerkt gebleven, terwijl je debuutbundel vaak is besproken. Alleen Hans Groenewegen heeft er in 2001 in DW&B over geschreven. In het essay ‘Lyriek contrecoeur’, opgenomen in zijn boek Schuimen langs de vloedlijn uit 2002, vergelijkt hij Vijf jaar met je bundel Hartswedervaren uit 2000. ‘Beide bundels’, schrijft Groenewegen, ‘zijn in relatie gezet tot een kernverhaal van de Europa dominerende christelijke cultuur. Vijf jaar opent met een visueel motto. […] Daarop buigen Maria en Johannes zich over het dode lichaam van de net van het kruis afgenomen Christus. Verlies en het ontbreken van een geheel zijn thema in de bundel. Het motto suggereert welk geheel verloren is gegaan.’

D.v.B.: Dat is geen onzinnige interpretatie.

C.V.G.: Groenewegen verbindt de piëta met de slotregels van het gedicht ‘De vergissing’ uit Vijf jaar: ‘[…] hij heeft geloofd – / In oplossingen. Daarom lijdt hij // Verlies.’ Hij schrijft: ‘Met het visuele motto als betekenissturende kracht op de achtergrond worden geloof en lijden verzelfstandigd. Dit verlies zet zich in de bundel door tot zelfverlies, leegte en de prikkelloosheid die daarmee samenhangt.’ Het essay besluit met een kritische opmerking over de veelheid aan motto’s en citaten in Vijf jaar, maar ook in je poëzie in het algemeen: ‘Zo door de dichter bij de hand genomen, vraag ik mij wel eens af waarom hij zijn prachtige poëzie niet vrijgeeft voor meer misinterpretatie.’ De motto’s – tekstueel, of in dit geval visueel – zijn paratekstueel, en in die zin spreekt er een vrees uit dat het gedicht, de tekst zelf, het werk niet alleen kan doen.

D.v.B.: Er zijn motto’s of paratekstuele elementen die het gedicht opentrekken, en de mogelijkheden voor de lezer net vergroten. Tegelijkertijd is het zo dat een gedicht altijd intertekstueel is, en dat het onvermijdelijk verwijzingen bevat die de lezer al of niet kan vatten. Maar het klopt dat ik gedichten heb geschreven met een paratekst die de intertekst beperkt, gewoon om de mogelijkheden voor de lezer enigszins te minimaliseren. Als je minder metaforisch geladen, minder lyrisch geladen gedichten schrijft, die minder expliciet verwijzen, dan wordt de tekst automatisch geslotener: er staat wat er staat.

C.V.G.: Dan heb je het over je latere werk, dat minder citaten bevat dan Vijf jaar?

D.v.B.: Ik heb het dan over werk waarin minder nadrukkelijk citaten zijn opgenomen, want ik citeer structureel en principieel. Je kan redelijk dwingende en gesloten teksten maken waarin de openheid elders ontstaat, dankzij de nevenschikking, de parataxis, van gesloten zinnen. Er vallen gaten in de tekst doordat de inferentie vaag is of ontbreekt. Het is dan de ontwikkeling van de tekst die mogelijkheden aan de lezer aanreikt, eerder dan de zinnen afzonderlijk.

C.V.G.: In je tweede bundel, Pornschlegel en andere gedichten, in 1988 verschenen bij De Arbeiderspers, staat de reeks ‘Een bolronde spiegel’. Die bestaat uit zes gedichten met telkens een kunstwerk als titel, van Jan van Eyck, Velázquez, Léon Spilliaert, Vito Acconci, Octave Landuyt en Liliane Vertessen. De reeks besluit met een zevende gedicht, ‘Zelfportret in vallend serviesgoed’. De zes kunstwerken worden genoemd, maar de afbeeldingen ontbreken.

D.v.B.: Het was niet gebruikelijk om in een doorsnee poëziebundel afbeeldingen op te nemen, wellicht vanwege de beeldrechten. De zes gedichten die je noemt, zijn in wezen traditionele beeldgedichten – een genre op zich, als een gedicht geïnspireerd door beeldende kunst. Maar ook hier: de verwijzing naar beelden is in de gehele bundel impliciet aanwezig. Pornschlegel is een bundel over beeldcultuur.

C.V.G.: In het titelgedicht is het gelijknamige hoofdpersonage suppoost in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen: ‘Dat hij hier schaduwen van verf bewaakt / (Cranach, Memlinc, Patinir) is hem zijn brood.’

D.v.B.: Ja, en het schilderij Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, rond 1450 gemaakt door Jean Fouquet en onderdeel van de collectie van het KMSKA, speelt een belangrijke rol.

C.V.G.: De reeks ‘Een bolronde spiegel’, die net aan het gedicht ‘Pornschlegel’ voorafgaat, handelt over zelfportretten, en over de manier waarop de maker – het lyrische ik – al of niet in het werk aanwezig is. Die thematiek is verwant, zoals de titel aangeeft, met het gedicht en de bundel Self-Portrait in a Convex Mirror van John Ashbery uit 1975, dat als één heel lang beeldgedicht valt te beschouwen bij het Zelfportret in een bolle spiegel van Parmigianino, van rond 1524. Het is wat dat betreft ironisch dat de reeks ‘Een bolronde spiegel’ uit gedichten met vrij klassieke verzen is opgebouwd, terwijl je vlak daarna in ‘Pornschlegel’ een vrijere versvorm hanteert. Dat gedicht lijkt vormelijk door Ashbery beïnvloed, de reeks ‘Een bolronde spiegel’ enkel inhoudelijk.

D.v.B.: Er is ook de uiteenzetting met Nijhoff. ‘Pornschlegel’ is een reactie op diens gedichten ‘Awater’ en ‘Het uur U’, als een lyrisch-narratieve analyse die redelijk keurig en conventioneel blijft. Die bundel uit 1988 heeft een raar, sociologisch te verklaren kantje. Mijn debuut werd uitgegeven door de Antwerpse uitgeverij van Walter Soethoudt. Ik heb tijdens het werken aan Pornschlegel en andere gedichten onder andere de poëzie bestudeerd van de dichters die bij De Arbeiderspers in Amsterdam werden gepubliceerd. Dat waren mensen als Benno Barnard en Ad Zuiderent, die op dat moment vaak in kwatrijnen of sonnetten schreven. Ik heb mij daar, half tegen mijn zin, aan aangepast, ook omdat ik per se in Nederland uitgegeven wilde worden.

C.V.G.: Dat is gelukt.

D.v.B.: Het was een periode waarin veel Vlamingen naar Nederland trokken. Erik Spinoy debuteerde in 1986 bij Manteau, maar zijn tweede bundel, Susette, verscheen in 1990 ook bij De Arbeiderspers. Mijn derde boek, Diep in Amerika, met gedichten geschreven tussen 1988 en 1991, werd door Theo Sontrop van diezelfde uitgeverij afgewezen omdat hij het onbegrijpelijk vond, wat eigenlijk bewijst dat ik al met Pornschlegel niet geheel op m’n plaats zat binnen zijn fonds. Het heeft geduurd tot Diep in Amerika, dat pas in 1994 bij Atlas verscheen, vooraleer ik mij grotere vrijheden permitteerde. Diep in Amerika is mijn eerste belangrijke bundel. Het heeft me veel tijd gekost om te begrijpen dat ik een afkeer van lyriek heb. Ik vind het een verschrikkelijk genre, hoewel ik me er best in kan uitleven. Ik probeer het op allerlei manieren te saboteren of te ironiseren, wat natuurlijk absurd is, want ondertussen zit je wel in dat lyrische keurslijf.

 

De Mulder

C.V.G.: Diep in Amerika is inderdaad een heel andere bundel dan Pornschlegel, die ook weer verschilt van Vijf jaar.

D.v.B.: Wat mij altijd heeft gefascineerd in David Bowie is dat hij bij iedere elpee niet alleen een ander persona aannam, maar ook een ander concept en een andere stijl bedacht. Low uit 1977 is totaal verschillend van Station to Station uit 1976 of Young Americans uit 1975. Dat wilde ik ook doen, dat vond ik interessant. Waarom zou je een nieuwe bundel publiceren als die niet anders is dan je vorige?

C.V.G.: Ook in Diep in Amerika staan geen foto’s.

D.v.B.: Inderdaad! Maar een aantal gedichten uit die bundel zijn bij foto’s geschreven. Eerdere versies van vijf gedichten stonden in 1989 in een brochure, uitgegeven door de Academie voor Schone Kunsten van Sint-Niklaas, bij een tentoonstelling met werk van de leraars fotografie. De teksten zijn geschreven op verzoek van de academie. Fotograaf Raf De Smedt, met wie ik sindsdien bevriend ben, was de go-between. Het is mede dankzij hem dat ik me intensief voor fotografie ben gaan interesseren. Het gedicht ‘De glans van de taart’ in Diep in Amerika kan je bijvoorbeeld perfect lezen als een onderschrift bij een foto van de Gentse fotograaf Walter De Mulder.

C.V.G.: Ik heb het opgezocht: het gaat om een zwart-witfoto, gemaakt in Hamburg in 1978, van de Duitse fotograaf Norbert Denkel, die een grote foto vasthoudt, wit omkaderd, van een man met een verjaardagstaart. Het is informatie die valt te achterhalen omdat het archief van De Mulder zich in het Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis in Gent bevindt, maar het zijn feitelijke gegevens die in het gedicht niet aan bod komen.

D.v.B.: Met de foto erbij wordt ‘De glans van de taart’ een vorm van ekfrasis of een interpretatie van wat het beeld toont, zonder inderdaad die feitelijke gegevens, die ik niet kende. Dat had als voordeel dat ik de personen kon ‘anonimiseren’. ‘De man in de foto houdt voor de holte / van het met geen reden te verzinnen lichaam / een foto op waarin een man, met het hoofd gestut / op de glimlachende handen, / tracht te wennen aan de gloed van het ogenblik.’ Het verzoek om gedichten bij die foto’s te schrijven was een mooie aanleiding om iets uit te proberen. Ik maak wel vaker gebruik van invitaties en gelegenheidsgedichten om te experimenteren, om uitwegen te vinden om poëzie te schrijven. ‘Diep in de schouwburg’, het openingsgedicht van Diep in Amerika, is geschreven bij een foto van Colette Vander Stricht. ‘Je naam die gevaar loopt’ is geschreven bij een foto van Mark De Fraeye. In de catalogus uit 1989 is dat een geversificeerd gedicht, in de bundel wordt het een prozagedicht: ‘Uit de blikken trom die hier niet is, draait een klank zich door de lucht heen als een rookspiraal uit een keuken, ergens verdunnend in de immaterialiteit van lente in Indochina.’

C.V.G.: Het gaat als volgt verder: ‘Telkens vindt het beeld de wereld voor je uit […].’ Je beschrijft de methode die je bij deze reeks hanteert.

D.v.B.: Ja, hoewel er in dit geval meer meespeelt dan enkel het beeld op zich: De Fraeye had mij verteld dat hij reizen had gemaakt naar Korea, dus die informatie speelt een rol in mijn beschrijving.

C.V.G.: Mochten de foto’s deel uitmaken van Diep in Amerika, dan zouden de lectuur en dus de receptie van die bundel totaal anders geweest zijn. In je bekendste theoretische tekst, ‘Rifbouw (een klein abc)’, verschenen in 1989, in het nummer van Yang waarin zeven dichters hun poëtica presenteerden, schreef je: ‘Poëzie is geen afgeleide, maar een constituante van de werkelijkheid. Geen mimesis, maar performantie.’ Dat pleit ervoor om een link tussen een gedicht en een foto onvermeld te laten, omdat het verwijzende karakter van de taal sowieso problematisch is. Maar in ‘Rifbouw’ schrijf je ook: ‘Het gedicht is in zichzelf verdeeld. Door god weet wat wordt de lineariteit verbroken. Door de temporaliteit, door de retorische natuur van de taal allicht, door de polyfonie van geruchten, teksten, stemmen, rumoer en codes.’ Kan een foto die lineariteit eveneens verstoren, en op die manier het aantal interpretaties verhogen?

D.v.B.: Zoals ik al zei: foto’s in dichtbundels of in prozaboeken zijn vandaag vanzelfsprekender dan dertig of veertig jaar geleden. Maar mocht bij ‘De glans van de taart’ de foto van De Mulder gepubliceerd zijn, dan zou het weer een traditioneel beeldgedicht geworden zijn. Het zou de lezer meer houvast hebben gegeven en het gedicht, denk ik, meer gesloten hebben gemaakt – een minder ‘open werk’, in de betekenis van Eco. Misschien zou Theo Sontrop de bundel dan toch hebben uitgegeven, met de foto’s erbij… Tegelijkertijd bestaat het eerste deel van Diep in Amerika uit nog meer gedichten die niet bij foto’s geschreven zijn, en in die context heeft ‘De glans van de taart’ de foto niet nodig.

C.V.G.: Je hebt één academiejaar in Amerika doorgebracht, van september 1991 tot de zomer van 1992, als writer in residence aan de University of Wisconsin. In het boek Het beroep van dichter. Vlaanderen en zijn letterenbeleid uit 1993, waaraan onder anderen Paul de Wispelaere, Carlo Van Baelen en Marc Reynebeau hebben bijgedragen, heb je daarover geschreven, vooral over de administratieve rompslomp en de subsidieproblematiek die daarbij kwam kijken. ‘Madison, Wisconsin,’ zo schrijf je in die tekst. ‘Diep in Amerika.’

D.v.B.: Het beroep van dichter is gepubliceerd in een periode waarin ik meewerkte aan de totstandkoming van een professioneel letterenbeleid in Vlaanderen, en uiteindelijk van een Fonds voor de Letteren. Je kon in die periode subsidies aanvragen, maar er zat geen enkele systematiek in, zoals ook bleek toen ik werd uitgenodigd door het kabinet van Patrick Dewael, toenmalig minister van Cultuur, om naar Wisconsin te gaan. Maar de bundel Diep in Amerika was klaar kort voor ik die uitnodiging kreeg.

C.V.G.: Je hebt dat boek geschreven voor je eerste reis naar de Verenigde Staten?

D.v.B.: Ja. Wat mij toen meteen opviel, bij dat eerste bezoek: ik vond de Amerikaanse realiteit minder echt dan wat ik kende uit de beeldcultuur. Alles wat we zien op tv of in films en boeken is intenser, semiotisch verdicht en enhanced. Als je daar staat, herken je veel dingen, maar je denkt ook: het is toch allemaal net een beetje anders. Het simulacrum is sterker dan de realiteit.

C.V.G.: Het kan eigen zijn aan de moderne ervaring en het menselijk verlangen. Toen Freud als volwassen man in 1904 de Akropolis bezocht – iets waar hij als kind al naar had uitgekeken – viel dat tegen, en had hij er moeite mee die plek als echt te ervaren. In 1936 heeft hij daarover geschreven: ‘Volgens het getuigenis van mijn zintuigen sta ik nu op de Akropolis, en toch kan ik het niet geloven.’ Wat je omschrijft is niet noodzakelijk typisch voor Amerika of voor het fin de siècle. Het sluit ook aan bij een andere shift in je werk. Vijf jaar was, mede dankzij het openingsbeeld, een reflectie op de Europese katholieke cultuur. In Diep in Amerika, zoals de titel aangeeft, verhuist de hegemonie naar de Verenigde Staten. Die verplaatsing voltrekt zich in de twee delen van de bundel: een Europees deel, met onder meer het gedicht ‘Dit kerkhof Europa’, en een Amerikaans deel, met het titelgedicht met als openingsregels: ‘Diep in Amerika leeft het einde / van het geheim […].’

D.v.B.: Voor mij is zowel de Amerikaanse als de Duitse of Duitstalige cultuur altijd belangrijk geweest, meer nog dan de Franse literatuur, hoewel ik in 1989 ben afgestudeerd met een scriptie over Barthes en Blanchot. Duitsland en Amerika zijn twee sterke culturen, de ene met een historische en literaire traditie, de andere met die gigantisch aparte omgang met ruimte en met resources. Het gaat twee keer om een totaal ander semiotisch universum.

 

Fabre

C.V.G.: Diep in Amerika verscheen zonder foto’s, maar heb je grafische beelden ooit een plaats gegeven in een boekconcept?

D.v.B.: Nadat mijn essaybundel Wwwhhoooosshhh. Over poëzie en haar wereldse inbedding in 2001 was verschenen bij Vantilt in Nijmegen, heb ik uitgever Marc Beerens voorgesteld om een groot, dik en heterogeen boek te maken, een mix van essays, poëzie en foto’s – whatever, alles naast elkaar. Beerens zag dat niet zitten. Hij zei dat iemand anders in zijn fonds al iets dergelijks geprobeerd had, denk ik. Ik weet niet meer wie, maar het was geen succes geworden. Ook mijn teksten over beeldcultuur en fotografie, verspreid verschenen in de jaren negentig, hadden in dat boek opgenomen kunnen worden. Waarschijnlijk is ook dat vandaag anders en kan er op dat vlak meer. Als je ziet wat iemand als Anne Carson in één boek weet te combineren…

C.V.G.: Wwwhhoooosshhh is de titel van je essaybundel, maar ook van een lang gedicht dat in 1994 in DW&B verscheen. Omdat al je bundels een interne coherentie moeten hebben, is dat gedicht pas twaalf jaar later in boekvorm verschenen, in ‘De voorbode van iets groots’ uit 2006.

D.v.B.: Het oorspronkelijke plan was dat gedicht mee op te nemen met de foto’s en de essays in dat ‘vakantiealbum’, zoals ik het tweede boek bij Vantilt noemde. Maar het paste inderdaad niet in de volgende bundel, Hartswedervaren uit 2000.

C.V.G.: ‘Wwwhhoooosshhh’ werd in 1994 gepubliceerd in een themanummer van DW&B over het werk van Jan Fabre, met een essay van Rudi Laermans en met gedichten van Stefan Hertmans en Anneke Brassinga. Bij de publicatie in ‘De voorbode van iets groots’ in 2006 wordt die aanleiding niet vermeld, en evenmin in de verzamelbundel Turkooizen scheepje van verschil, die in 1997 bij Prometheus verscheen, door Peter Ghyssaert werd samengesteld, en die een titel kreeg die aan een gedicht uit Pornschlegel is ontleend. Is ‘Wwwhhoooosshhh’ geschreven bij werk van Fabre of was het een gedicht dat goed leek te passen bij zijn oeuvre? Ik vraag het ook omdat een licentiaat in de Germaanse talen, Els van Heddegem, in 1998 aan de Universiteit Gent een afstudeerscriptie over ‘Wwwhhoooosshhh’ heeft gemaakt, en zij noteerde terecht: ‘Wie niet weet dat ‘Wwwhhoooosshhh’ geschreven werd ‘ter ere van’ Jan Fabre, zou er nooit thema’s of symbolen van de kunstenaar in herkennen.’

D.v.B.: Het gedicht is niet ter ere van Fabre geschreven, maar er zit een principe achter. De uitnodiging voor dat themanummer van DW&B kwam van Sigrid Bousset. Ik heb toen naar een aantal voorstellingen van Fabre gekeken, ook op video, zoals The Sound of One Hand Clapping uit 1990. Ik heb ook best wat teksten over zijn werk gelezen. In de kritiek werden de performances misschien niet letterlijk fascistisch genoemd, wat betreft tonaliteit en structuur, maar toch dirigistisch, dwingend en enigszins totalitair. Ik was op dat moment Gilles Deleuze en Félix Guattari aan het lezen: L’Anti-Oédipe uit 1972 en Mille Plateaux uit 1980, die samen één boek vormen: Capitalisme et Schizophrénie. Ik vond dat er in hun denken een interessante wisselwerking optrad tussen enerzijds het paranoïde van een totalitaire structuur, en anderzijds het schizofrene subject dat zich in zijn schizofrenie uit die dwang probeert te bevrijden. Wat mij daarbij vooral fascineerde, was dat de schizofrene figuur bij Deleuze en Guattari niet als pathologisch wordt begrepen, maar als een model van subjectiviteit dat weigert zich te laten vastzetten binnen welke orde of structuur dan ook. Het is een subject dat de controle van het gezin, de staat of de moraal ontwijkt, en dat voortdurend ontsnappingslijnen zoekt uit de systemen die het subject proberen te bepalen. In die zin wordt het schizofrene subject een vorm van verzet: het laat het verlangen stromen over alle grenzen heen, voorbij identiteit en hiërarchie, voorbij elke autoriteit die het wil fixeren of representeren. Die dynamiek, dat zoeken naar een ontregeling die tegelijk bevrijdend werkt, meende ik bij Fabre terug te zien en heb ik als basisdynamiek voor ‘Wwwhhoooosshhh’ gebruikt. In zekere zin is dat gedicht een poëtisch-essayistische reflectie op zijn werk. Het gedicht heeft een dwangmatige structuur, zowel wat het aantal regels betreft als het aantal woorden per regel: regels met drie woorden, dan een reeks regels met twee woorden, enzovoort. Het gaat om de ontwikkeling van een subject dat het schizo-analytische spoor volgt van Deleuze en Guattari. De tekst steunt ook op een narratief element uit een film van Philip Ridley uit 1990, The Reflecting Skin. In die film is er een vaderfiguur die benzine drinkt, zich met benzine overgiet en zich vervolgens in de fik steekt.

C.V.G.: Wwwhhoooosshhh!

D.v.B.: De bevrijding van de schizo, die zichzelf losmaakt van alle dwang en structuur…

C.V.G.: Nog explicieter zijn de verwijzingen naar Blade Runner van Ridley Scott uit 1982, bijvoorbeeld in dit stuk prozagedicht: ‘Alleen blijft de vraag of je hier, nu keelpijn hebt, haar geschoren venusheuvel streelt, benzinelucht ruikt, de katten te eten geeft of als Harrison Ford in Blade Runner in ongewisheid verkeert over je ‘leven’.’

D.v.B.: Ja ja, heel zeker. De eerste sectie van ‘Wwwhhoooosshhh’ bestaat uit louter citaten. Elke woordgroep komt van bij iemand anders – DeLillo, Hadewijch, Stevens, Benjamin, Virilio, Pynchon – ‘De oven waarvoor je werd vetgemest loeit’ komt uit Gravity’s Rainbow: ‘The Oven we fattened you for will glow.’ Het is een pure montage van citaten. Ik wilde voor mezelf bewijzen dat je een stuk tekst dat best coherent is kunt opzetten door alleen maar te citeren.

C.V.G.: In theorie is elk stuk tekst een montage van citaten.

D.v.B.: Ja, dat is de algemene intertekst van Julia Kristeva: alles wat we zeggen is een citaat uit andere linguïstische omgevingen. En dat besef leidt tot een andere manier van werken, met beelden, citaten en tekst, dan wanneer je een klassiek beeldgedicht maakt. Hugo Brems, die hoogleraar was aan de KU Leuven toen ik studeerde, doceerde een vak waarin we alleen maar beeldgedichten analyseerden en bespraken – Roland Jooris die een gedicht schrijft ‘bij’ een Raveel. Ik zocht naar iets dat veel minder een-op-een is, binnen een minder harmonieus, maar toch helder en rationeel wereld- en literatuurbeeld, en waarmee je de complexiteit van de werkelijkheid laat spelen, al dan niet discursief. Teksten zijn vervolgens een carve-out, een uitsnijding, van die werkelijkheid.

 

Arbus

C.V.G.: In de late lente van 1995 heb je een tentoonstelling gemaakt in de Academie voor Schone Kunsten in Sint-Niklaas: Dubbel spel – Buiten kennis. De eerste zinnen van het ‘perscommuniqué’ vatten de opzet samen: ‘Hoe ongepast is de aanwezigheid van woorden in een foto? Hoe ongewenst? Hoe brutaal? Hoe sexy? Hoe politiek? Hoe verontrustend?’ Er wordt permanent taal bij beelden geproduceerd, in de zin dat woorden altijd door de werkelijkheid worden geprovoceerd. Maar die expo ging over het letterlijk voorkomen van woorden, van tekst, in, buiten of bij een fotografisch beeld, en bevatte werk van onder anderen Robert Barry, Victor Burgin, Astrid Klein, Karen Knorr, Hans Haacke, Jochen Gerz, Les Krims, Duane Michals en Barbara Kruger. Jan Baetens selecteerde voor de expo een vijftigtal romans-photos, van bijvoorbeeld James Agee en Raymond Depardon.

D.v.B.: Het idee voor die tentoonstelling kwam, net als de meeste fotografen van wie werk getoond werd, uit de Verenigde Staten. Al vanaf de jaren tachtig had je daar een groep critici die onderzoek deden naar de ‘discursieve ruimten van de fotografie’, zoals Rosalind Krauss het omschreef. Als je een foto hebt, staat daar in veel gevallen een titel bij. Die titel laadt het beeld met een bepaalde betekenis en framet het. De openheid van de interpretatie wordt daardoor ingeperkt. Als je daar verder over nadenkt, worden ook foto’s zonder titel geframed, omdat ze in een boek staan, deel uitmaken van een tentoonstelling, omdat er op de achterzijde iets geschreven staat, of omdat ze onvermijdelijk te situeren zijn in een cultuurhistorische en politieke context. De fotografen op de expo Dubbel spel – Buiten kennis maken dat expliciet, door tekst in het beeld te trekken of aan het beeld toe te voegen, waardoor die tekst onderdeel wordt van het werk.

C.V.G.: Het is inderdaad een explicitering van culturele mechanismen die jouw poëzie kenmerkt: iets bewust expliciet maken dat zich altijd al voordoet, als vanzelf, zoals intertekstualiteit. Er verscheen in april 1995 een themanummer van DW&B bij die tentoonstelling, met theoretische teksten van onder anderen Victor Burgin en Kerstin Jäger. Een bijdrage van André Gervais over tekst en beeld bij Duchamp, die het nummer niet haalde, kwam terecht in De Witte Raaf, nr. 54. Zelf schreef je in DW&B een essay met als titel: ‘Het geframede frame framen’. Je conclusie is verregaand: ‘Nooit zal nog duidelijk worden wat intrinsiek tot de foto behoort en wat erbuiten valt.’

D.v.B.: Ik heb in die tekst in DW&B geprobeerd om dat duidelijk te maken aan de hand van een foto van Diane Arbus uit 1967 – een foto die ik ook gebruikte toen ik doceerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, onder meer voor een vak met als titel ‘Fotografie in de beeldvorming’. Ik vroeg aan mijn studenten: wat zie je nu? En dan begonnen ze te speculeren, meestal op basis van wat ze hadden geleerd over compositie en camerastandpunt.

C.V.G.: De foto toont een vrouw op middelbare leeftijd. Ze ziet er redelijk voornaam uit en zit in een fauteuil, met het ene been gekruist onder het andere. Het is pas door het onderschrift, door Arbus bij de originele publicatie in Esquire geplaatst, dat de foto volledig verandert: ‘The Transsexual Operation. In 1958, at the age of fifty-two, this man became a woman, legally and physically.’

D.v.B.: Wat redelijk vreemd is, want zelfs in 1967, dus negen jaar na de operatie, noemt Arbus die vrouw nog steeds een man. Waar het om gaat is dat elke foto een talig tekort heeft, en om taal of een frame vraagt, en die taal of dat frame onmiddellijk krijgt zodra er iemand naar het beeld kijkt.

C.V.G.: Je hebt het in je tekst over een ‘encyclopedisch frame’ waarover elke toeschouwer beschikt: iedereen beschikt over kennis waarmee een beeld wordt geïnterpreteerd. Het is een fundamentele kwestie die met kunst of beeld in het algemeen te maken heeft: kan een beeld bestaan zonder taal? Kan je überhaupt niet-talig kijken? Het doet denken aan Museum Insel Hombroich in Neuss, dat in 1990 werd op- en ingericht door verzamelaar Karl-Heinrich Müller en waar kunstwerken door elkaar zijn gezet zonder enige duiding. Het is een museum, nota bene op het terrein van een voormalige Belgische legerkazerne, waarin de taal ontbreekt. De verwachting is dat je net daarom ‘het werk zelf’ te zien krijgt…

D.v.B.: Jaaaa, maar ‘het werk zelf’ bestaat helemaal niet! Dat is een discussie die ik vaak gehad heb toen ik doceerde aan de kunstacademie. Collega’s als Johan Pas en Bruno Van Dijck die mij kwamen zeggen: je hebt geen taal nodig, want het gaat over beeldende kunst. Theoriedocenten waren de interne vijand. Maar zodra je je ogen opent begint het. Zodra je begint te kijken, produceer je taal. De explicitering van die taal is een gevolg van het feit dat het discours, als supplement van het beeld, uiteindelijk het hart van dat beeld gaat uitmaken. Derrida heeft dat letterlijk zo omschreven. Tegelijkertijd is het discours ook meer: het wordt een eigenstandige tekst, het wordt een lectuur en kritiek van het beeld, soms wordt het een parodie van de parodieën die beelden vaak al zijn, vaak krijgt het een simulacraal karakter, enzovoort.

C.V.G.: ‘Welkom in de wondere wereld van de grenzeloze semiosis,’ schrijf je in het essay ‘Het geframede frame framen’. Die wereld probeer je ook met je poëzie tot stand te brengen.

D.v.B.: Ja, en die dynamiek tussen verschillende semiotische systemen kan van poëzie een superieur spel maken, vind ik.

 

Richter en Fontcuberta

C.V.G.: Een ander kunstwerk waarbij je gedichten hebt geschreven, is de vijftiendelige reeks schilderijen October 18, 1977, die Gerhard Richter in 1988 maakte over de Baader-Meinhof-groep. Ulrike Meinhof en Andreas Baader waren leden van de Rote Armee Fraktion die vermoedelijk vermoord werden terwijl ze in de Duitse gevangenis zaten.

D.v.B.: Dat is een schitterende reeks, over wat er in de jaren zestig en zeventig in de Duitse politiek en samenleving is gebeurd, de zogeheten ‘Deutscher Herbst’.

C.V.G.: Jouw gedichten verschenen voor het eerst in Raster in 2000: ‘18 oktober 1977’, en werden in hetzelfde jaar opgenomen in de bundel Hartswedervaren.

D.v.B.: Die reeks van Richter is in de kunstgeschiedenis een benchmark over hoe je omgaat met een politiek en nationaal verleden, en met al die traumatische gebeurtenissen die daarin plaatsvinden. Daarmee vergeleken zijn mijn gedichten jammerlijke mislukkingen, hooguit kanttekeningen bij dat kunstwerk. Ik heb die reeks nadrukkelijk in het hart van Hartswedervaren geplaatst, centraal in dat boek waarin een soort cultuurhistorisch embleem – ‘het hart’ – wordt geïroniseerd en gedeconstrueerd. In het hart daarvan zit de politieke geschiedenis die de socioculturele productie drijft. In de externalisering van wat de zetel van ons gemoed wordt genoemd, bevindt zich dat politieke hart.

C.V.G.: Bij de voorpublicatie in Raster staat een motto van Jürgen Habermas, uit een lezing uit 1985 met als titel ‘Keine Normalisierung der Vergangenheit’: ‘Zelfs vergeten kent de beperking van het niet-vergeten-kunnen; dit noemen we verdringing.’

D.v.B.: Ik denk dat ik dat motto te expliciet politiek vond, en het daarom heb weggelaten in Hartswedervaren. Om het met Hans Groenewegen te zeggen: door het citaat van Habermas weg te laten, heb ik deze reeks vrijgegeven voor meer misinterpretatie. Ik wilde geen afsluiting van betekenis; ik wilde de reeks midden in het boek dumpen, zonder context, om te zien of lezers in staat zouden zijn de positie van die reeks over Richter te begrijpen.

C.V.G.: En wat was het resultaat?

D.v.B.: Als ik het me goed herinner, is over ‘18 oktober 1977’ nauwelijks geschreven.

C.V.G.: Dirk De Geest heeft in een bespreking in Ons Erfdeel verwezen naar deze regels uit de reeks, die inderdaad veel samenvatten: ‘Restplaats, als daad van herinnering’. En Arie van den Berg suggereerde in NRC Handelsblad dat de cyclus gaat ‘over dingen die [Van Bastelaere] ter harte gaan’. Maar hij schreef ook: ‘Indrukwekkend vind ik de RAF-cyclus omdat Van Bastelaere het engagement theatraal op afstand houdt.’ Hij noemt de openingsregels van het negende vers, ‘Aan de grenzen’, ‘een goed voorbeeld van die distantie’: ‘Het is een kwestie – / geen vertelling // in vijftien beelden – de aandacht / herroepen – een vorm van / vroomheid in Duitsland / het vergeten / een schaar, zegt Kierkegaard, waarmee het onbruikbare / zich wegsnijden laat, tot in de hoeken van de kamer reizend / stof, haar, snippers, pluizen / waarin we stinken / aan de grenzen van het zijn.’

D.v.B.: Dat was de bedoeling, engagement op afstand houden. Er zitten citaten in van teksten van de RAF zelf, maar in datzelfde gedicht ook van de procureurs op het proces dat tegen de Baader-Meinhof-groep werd ingericht. In toon en in stijl blijkt er tussen die discoursen nauwelijks verschil te bestaan. Je moet je als lezer daarom afvragen: wat lees ik hier nu, en wat is de waarde van de woorden die naast elkaar worden geplaatst? Welke agent zit er achter welk discours?

C.V.G.: Wat wordt er precies in herinnering gebracht, volgens jou, met die reeks gedichten? Gaat het om het verdwijnen van de mogelijkheid van een revolutie of van een andere maatschappij?

D.v.B.: Het gaat er mij om hoe een kunstenaar als Richter een complexe problematiek als terrorisme in de Bondsrepubliek Duitsland artistiek weet te benaderen, als een superieure vorm van rouwarbeid. Het maken en schilderen van die vijftien schilderijen krijgt een fysieke, contemplatieve dimensie. Richter rouwt voor Duitsland en de Duitse staat. Ik denk dat die reeks een louterend effect heeft gehad op de Bondsrepubliek, en daarom toont wat je de samenleving met kunst kunt bieden: je helpt de maatschappij om met zichzelf in het reine te komen. Bijvoorbeeld: ‘Gedenk // de onomkeerbaarheid / geschiedenis genaamd // Functioneel / de negatie’. Ik heb geprobeerd om daar zo onlyrisch mogelijk kanttekeningen bij te maken, en op die manier ook inzicht te verwerven in de positie van mijn eigen werk. Wat ik daar doe, en vaak ook elders, kun je net zo goed als rouwarbeid beschouwen.

C.V.G.: Is die rouwarbeid gebaseerd op een fundamenteel pessimisme over het mislukken van de geschiedenis, en tegelijkertijd op de noodzaak om dat in herinnering te brengen?

D.v.B.: Het is een poging om politiek-historische relevantie te gunnen aan poëzie en kunst, door terug te kijken en door een selectie te maken van wat je bewaard wil zien, als een ruïne van de goede bedoelingen die ten grondslag liggen aan de menselijke samenleving.

C.V.G.: Je kan het ook minder dramatisch zien, en erop wijzen dat iets fundamenteels als de semiotiek in jouw werk heel belangrijk blijft. Nagaan hoe we tekens lezen, hoe woorden en beelden samen bestaan, hoe we de wereld interpreteren en op basis van welke aannames en invloeden – dat gebeurt natuurlijk nog, maar minder expliciet en bewust, en vaak oppervlakkiger dan in jouw poëzie. Het is niet zozeer een manier om naar de wereld te kijken die behouden blijft, als wel de noodzaak om het kijken naar die wereld zelf te blijven ondervragen.

D.v.B.: Die semiotiek is de laatste jaren jammer genoeg weggedeemsterd, samen met de gehele kritische en vooral poststructuralistische theorievorming, hoewel daar weinig redenen toe zijn. In zekere zin is het allemaal belangrijker dan ooit. Ik wissel met vrienden als Serge Delbruyère soms whatsapps uit als ‘Hoe zou het nog met het simulacrum zijn? Beter dan met de bijen of de Italiaanse dijken?’ En hij antwoordt dan: ‘Serieus: sinds de semiotiek als kritische tool op de schop ging en alles wat schil, laag, genre, intermediëring et cetera betreft mee sneefde, is er om over het simulacrum te spreken geen talige ruimte meer over…’

C.V.G.: Op het omslag van Hartswedervaren staat een foto van zo’n simulacrum: Lavandula Angustifolia uit 1984 van Joan Fontcuberta, een werk uit de reeks Herbarium 1982-1985. Het is je enige boek met een kunstwerk op de cover. Fontcuberta manipuleerde en creëerde beelden van imaginaire exotische planten: Lavandula Angustifolia lijkt een koolachtige plant waarvan de bladeren zich openplooien, maar wat tevoorschijn komt lijkt op de snavel, in onderaanzicht, van een eend of iets dergelijks. De Latijnse titel, en de aan Blossfeldt herinnerende manier van fotograferen, suggereert dat het allemaal echt en wetenschappelijk is.

D.v.B.: Ik heb dat beeld zelf gekozen. Het past ook bij het semiotische exces waaraan het hart in onze cultuurgeschiedenis werd onderworpen: het openbarsten en uitrukken van het hart, Christus die zijn ‘heilig hart’ toont, in kerken en collegegangen, de uitstulpingen. Zoals in de reeks ‘Fabels van het heilig hart’: ‘Haveloos als de staat van zijn uitverkiezing / trok Jezus in de witte, marmeren glorie / van zijn gestalte twee ribben uiteen en toonde, terwijl het / bloed uit zijn borstkas kolkte als een modderstroom die een / bergdorp verwoest, zijn Heilig Hart aan de tv-kijkende natie.’

 

Newman en Baldessari

C.V.G.: Waarom heb je, een jaar na Hartswedervaren, besloten om een bundel aan Barnett Newman te wijden? De wind uit het elders – in praise of Barnett Newman verscheen in 2001 bij Druksel in Gent.

D.v.B.: Ik doceerde aan de Academie een vak over het sublieme en de kunsten, en daarin was Newman een belangrijke case.

C.V.G.: Newman heeft in 1948 een essay gepubliceerd met als titel ‘The Sublime is Now’, en Jean-François Lyotard heeft dat in de jaren tachtig weer opgepikt in zijn theorievorming rond het sublieme.

D.v.B.: Ja, dat was zeker belangrijk. In 2000 verscheen ook een boek van John Golding: Paths to the Absolute. Mondrian, Malevich, Kandinsky, Pollock, Newman, Rothko, and Still. Daarin wordt aangegeven hoe Newman zich verhield tot Mondriaan, die zowel verticalen als horizontalen gebruikte in zijn werk. Voor Newman creëerden die horizontalen een illusie van driedimensionaliteit in het vlak, en dat was een probleem. Door die horizontalen weg te laten ervaar je de ruimte van de kleur beter, op voorwaarde dat je dicht genoeg bij het doek gaat staan. Er bestaat een zwart-witfoto van Newman waarop hij zich, samen met een onbekende vrouw, voor Cathedra bevindt. Hij geeft aan wat de ideale afstand is voor die ervaring van de kleur als ruimte. Als je de horizontaal weglaat, verdwijnt ook de referentie naar de horizon, wat voor de illusie van driedimensionaliteit belangrijk is.

C.V.G.: Het elfde gedicht uit de reeks, ‘Een foto’, gaat daarover: ‘Het doek als ectoplasma / dat zich tot zijn eigen toeschouwers kneedt.’

D.v.B.: In de eerste regel van het vijfde gedicht heb ik het over die relatie met Mondriaan. ‘Wie is bang voor rood, geel en blauw?’ Mondriaan dus, omdat hij die kleuren in een raster opsluit: hij is bang om de kleuren ruimte te geven. Hij sluit ze keurig op in een rasterpatroon. Door die kennis, die vergelijking met Mondriaan, ben ik het werk van Newman fascinerend goed gaan vinden.

C.V.G.: Het is je meest kunstkritische bundel, in die zin dat je opmerkelijk dicht bij het werk blijft. Een aantal gedichten hebben titels van werken van Newman. In een recensie van de bundel in De Tijd heeft Daniël Rovers dat aangeduid: ‘Beelden durven te scheppen die een opening naar het soms angstaanjagende elders creëren: dat is de taak van de kunstenaar. In De wind uit het elders onderzoekt Dirk van Bastelaere aan de hand van Barnett Newman eerder de mogelijkheidsvoorwaarden voor dergelijke openingen, dan dat hij ze zelf schept. In die zin is dit zowel de meest verwijzende als de meest gesloten bundel die de dichter ooit schreef.’

D.v.B.: Dat sluit aan bij de problematiek van het beeldgedicht en het citaat. Maar het komt waarschijnlijk ook voort uit mijn diepe fascinatie voor dit oeuvre – ik begrijp de agressie die het kan opwekken.

C.V.G.: Ook dat komt in de bundel aan bod: Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue III uit 1967 werd in 1986, in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een stanleymes kapotgesneden. De dader werd gestraft, maar hij sloeg kort daarna weer toe, door Cathedra te beschadigen. In het openingsgedicht ‘Anna’s Light’ schrijf je: ‘Als het wit aan het einde / van het rood niet aan het einde van de wereld zat / was het een haal met een mes / dat in de snee het geopende sluit / een sluiting met de kracht van –’.

D.v.B.: Al die gedichten zijn deels tongue in cheek – er zit een ernst in dat werk…

C.V.G.: Bij deze bundel heb je een motto gekozen van Virginia Woolf (‘Lines and colours almost persuade me that I too can be heroic.’) en van Newman zelf: ‘The self, terrible and constant, is for me the subject matter of painting.’ Een van de uitgangspunten van jouw poëzie is net dat het zelf, het subject, zwak is en niet constant kan zijn.

D.v.B.: Dat is helemaal waar, maar het neemt niet weg dat ik dergelijke absolute claims wel mag. Het geeft mij als schrijver het voordeel dat ik daar gedeeltelijk in kan meegaan, en me er tegelijk van kan distantiëren. Dat is een beetje laf, misschien. Ik doe het ook in mijn recentste bundel, met het werk van John Baldessari.

C.V.G.: Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver verscheen in september naar aanleiding van een overzichtstentoonstelling van John Baldessari in Bozar in Brussel.

D.v.B.: De invitatie om over Baldessari te schrijven kwam van Tom Van de Voorde, programmator literatuur bij Bozar, en ik vond dat een superfijne opdracht. Het werk van Baldessari is fundamenteel ironisch, maar in het laatste gedicht van de bundel, ‘De afschaffing van de hand en de promotie van de neus tot handelend subject’, ga ik zelfs met die ironische omgang ironisch om. De manier waarop Baldessari de neus als beeldmateriaal afzondert, biedt daar alle gelegenheid toe. Ik kon me laten gaan in diverse posities tegenover een werk waar ik fundamenteel van hou. Ik kon me ironisch opstellen tegenover de stof waarmee hij werkt, tegenover zijn biografie, zijn manier van werken, maar ook tegenover de manier waarop media werken, of de manier waarop zijn werk is ontvangen.

C.V.G.: Het gedicht ‘French Horn Player (With Three Contexts – One Uncoded)’ is geschreven bij het gelijknamige werk van Baldessari uit 1994. Dat werk bestaat uit een kolom van vier kleurenfoto’s – een satelliet in de ruimte, een bospad, een trombonespeler, een meer voor een gebergte – waarvan er drie van een typische Baldessari-cirkel voorzien zijn, alleen de foto in de ruimte niet. Jij geeft in het gedicht aan dat die laatste foto niet gecodeerd is, maar of dat werkelijk zo is, of Baldessari het ook zo bedoeld heeft, weten we niet.

D.v.B.: Dat is natuurlijk mijn interpretatie. Ik wilde ook een beeldgedicht in de bundel hebben, en dat leek me relatief makkelijk bij French Horn Player (With Three Contexts – One Uncoded).

C.V.G.: De revolver uit de titel komt vaker terug in de bundel, maar dan zonder dat hij met één werk te verbinden is. Baldessari heeft veel revolvers afgebeeld, en pistolen ook. In het openingsgedicht, ‘Geologie en pistolen’, schrijf je: ‘Een revolver in een vierkante opening is een revolver zonder gevolg, net als de volgende revolver’.

D.v.B.: In die regel neemt de taal zelf het over, zoals dat in poëzie zo vaak het geval is. Tegelijkertijd verwijst die regel naar Kiss/Panic uit 1984, waarin Baldessari revolvers en pistolen contextloos rond foto’s van een kussend koppel en straatrellen heeft geplaatst.

C.V.G.: Newman wordt in de bundel bij Baldessari één keer genoemd, in de regel ‘Een scheur in de actie / als vanuit het hiernamaals waarachter het ontzag in de keel van Newman oplicht, / een stralenbundel als door een engel iconografisch bijeengeroepen […]’. Een regel in ‘No Paragraphs on Instagram for John Baldessari’ lijkt ook naar hem te verwijzen, naar zijn essay ‘The Sublime is Now’: ‘Het nu is now. Yeah, right.’

D.v.B.: Dat doe ik in deze bundel wel vaker: mijn ‘eigen’ tekst permanent becommentariëren, in dit geval door dat tussenwerpsel Yeah. Het doet de lezer denken: hé, hier zouden weleens twee verschillende posities naast elkaar kunnen spelen. Het gaat erom op het juiste moment bepaalde codes te introduceren in een gedicht, zodat je je afvraagt: wie zegt dat nu? Wie spreekt hier? Een ander voorbeeld, in ‘De afschaffing van de hand en de promotie van de neus tot handelend subject’, zijn deze drie regels: ‘Dat leidt vaak tot verslaggeving. / ‘Wat een spektakel!’ / Wie zegt het!’ Dat geeft een laag aan de tekst die er voordien niet was. Je kijkt tegen de code van de nieuwsverslaggeving aan, door die interruptie, door die uitroep ‘Wat een spektakel!’

C.V.G.: In de nieuwe bundel is er veel dat je vroeger niet deed, zoals woorden tussen vierkante haken zetten, of woorden doorstrepen – het sous rature van Derrida, om aan te geven dat ze niet geschikt zijn, maar toch noodzakelijk.

D.v.B.: Mijn werk geeft zichzelf een steeds grotere poëtische vrijheid. Tijdens het werken aan ‘De voorbode van iets groots’ uit 2006 begon ik te beseffen dat er geen andere regels meer gelden dan de regels die je bereid bent te volgen, dat je bijvoorbeeld in een woord probleemloos hoofdletters kan introduceren, zoals in het gedicht ‘De Noir’: ‘zoals daar zijn: de mist, geWELddadig optreden of het niet / aflatende zwart van De Regen in San Francisco’. In de bundel Fallicornia, in 2015 bij Druksel verschenen, is dat ook zichtbaar. Dat is natuurlijk allemaal elders al eens beter gedaan, maar ondertussen is alles denkbaar, alles kan. De grafische ingreep, die focus op de materiële dimensie van de letter, dat is voor mij een spel met wat ik als ‘de transfrastische grom’ heb omschreven, in een essay over het werk van Hugues C. Pernath, ‘Een verrekte zon’ in Wwwhhoooosshhh. Bij Pernath is het een grom, gegenereerd door klankrepetitie over woorden en zinnen heen, bij mij kan het elke keer opnieuw iets anders zijn.

C.V.G.: Je kan doen wat je wil.

D.v.B.: Iedereen kan doen wat-ie wil, en dat is uiteindelijk ook een probleem.

C.V.G.: De discipline werkt niet disciplinerend meer – er is geen literaire discipline meer, niet als vakgebied, maar ook niet als een reeks van gedragsnormen en regels.

D.v.B.: Jaja. Spijtig.

C.V.G.: En waarom is dat spijtig?

D.v.B.: Het is een beetje het Trump-effect. Trump denkt dat hij een expert is in alles, en dat mensen die wel expert zijn daarom moeten zwijgen. Het is een populistische reactie op wat als de elite wordt beschouwd. Climate change is a hoax, vaccins zijn gevaarlijk… Dat is het politieke equivalent van het wegvallen van de poortwachtersfunctie in samenleving en cultuur.

C.V.G.: En in afwezigheid van poortwachters stel je dus je eigen criteria op.

D.v.B.: Ja, maar er is weinig common ground, je bent niet of nauwelijks deel van een club die een bepaald discours formuleert, zoals je dat in the latter days met tijdschriften kon doen, ook op basis van kennis van de geschiedenis. De discussie tussen diverse clubs maakte dan de ontwikkeling van literatuur of van cultuur in het algemeen mogelijk, in positieve zin. Op het moment dat iedereen zogezegd gelijk kan hebben, valt die ontwikkeling weg. Je kan niet doen alsof het 1894 is, gewoon omdat je niet weet wat er in de twintigste eeuw is gebeurd – of dat nu is op het vlak van de poëzie, de kunst of de politiek.

C.V.G.: We bereiken het punt waarop dat het geval wordt: dat die voorkennis, die geschiedenis, volledig wegvalt, en dat je iedere dag om het even wat kan doen of beweren zonder dat er een grond is om het te weerleggen.

D.v.B.: Populisme is anti-intellectualistisch, dat kan je wel zeggen, maar dat het de hoofdtoon gaat voeren, daar zal ik me tot mijn laatste snik tegen verzetten. Cenakels blijven noodzakelijk, ook al zijn het dan cenakels. Uiteraard heeft dat allemaal met de totale versplintering te maken die het internet en vooral sociale media teweegbrachten. Maar op een bepaald moment overleeft een medium zichzelf. We hebben vroeger zitten kankeren op televisie, maar wisten wij veel dat er een nog veel groter kwaad zou opduiken. De tv is obsoleet geworden, maar ergens zullen we toch benchmarks moeten zetten voor wat we waardevol vinden.

C.V.G.: Begrijp je dat de indruk kan ontstaan dat de bundel over Baldessari je meest cultuurpessimistische werk tot nog toe is?

D.v.B.: Waarom denk je dat?

C.V.G.: Zoals je zelf zegt, wend je het werk van Baldessari onder meer aan om cultuurkritiek te bedrijven. Een van die aspecten of fenomenen van de hedendaagse cultuur heeft bijvoorbeeld met die versplintering en, concreter, met Instagram te maken, wat in de bundel terugkomt als ‘het vierkante beeld’ of ‘het vierkante subject’. In het gedicht ‘No Paragraphs on Instagram for John Baldessari’ schrijf je: ‘Je weet zo dat het fout afloopt, de wereld als vierkant.’

D.v.B.: Ik heb echt een bloedhekel aan dat medium.

C.V.G.: Is tekst het verschil tussen Instagram en Facebook?

D.v.B.: Ik vind die hele Meta-winkel van Zuckerberg abject. Als je het hebt over cultuurpessimisme in Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver, dan zou ik eerder denken aan de ecologische lading die in de bundel zit. Neem bijvoorbeeld het eerste gedicht, ‘Geologie en pistolen’: ‘Die vlek daar, dat is een dode zee / met rottende vissen en straten alleen zichtbaar / op Google Maps en geothermische pekel. Wat jij hier / penetrant noemt, komt elders vandaan.’ Dat gaat over Salton Sea in Californië, een dood en volledig vervuild meer.

C.V.G.: De degeneratie van het landschap speelde al eerder een rol in je werk. In De wind uit het elders staat het gedicht ‘Vir heroicus sublimis’, dat als volgt opent: ‘Die in schilderijen zijt, / in ons werd gebouwd / een somber panorama, / met verkeersaders, stranden, chemische grond, / drinkplaatsen, eindeloos / rangerende treinen in ondergrondse stations / dag en nacht van binnen / verlicht door elektronica, / waarin golven die men muzak noemt / diffuus het plafondlicht betrekken en ik denk aan andere dingen / want alles is verpletterd, in een keer, / en we staan in de bloedstollende blik / van het rood dat zich met de chaos bindt’.

D.v.B.: Die bekommernis zit trouwens ook al in ‘Wwwhhoooosshhh’. Ik ben daar heel pessimistisch over.

C.V.G.: Vooral wat ecologie en klimaat betreft?

D.v.B.: Wat betreft andere ontwikkelingen ook, maar over politieke of sociale zaken durf ik nauwelijks te schrijven, dat zou al snel te plat of te naïef worden, vrees ik. Het lijkt me heel moeilijk om het in poëzie bijvoorbeeld over demografische ontwikkelingen te hebben. Misschien dat ik het in toekomstige gedichten zal proberen – ik werk al een tijdje aan een reeks Berliner Elegien, waarvan er in 2023 een aantal in DW&B zijn verschenen… De degeneratie van de westerse infrastructuur, dat is toch wel wat. Er is een gigantische staatsschuld, maar de investeringen zijn nooit de juiste. In openbaar vervoer moet geld worden gepompt, maar dat gebeurt niet.

C.V.G.: Zou het kunnen dat er in je werk uit de jaren negentig vaak een combinatie van fascinatie en afkeer optreedt, een mengeling van plezier en misprijzen – à la Barthes en Baudelaire? Fenomenen, nieuwe, moderne ontwikkelingen, zijn enerzijds vreselijk, maar anderzijds kan je ze lezen, kan je erdoor vervoerd raken en ervan genieten. Misschien is die dialectiek in recenter werk weg, en kantelt alles nu in de richting van walging?

D.v.B.: Er is nog steeds de theorie van het mathematisch sublieme, waardoor iets subliem en groots wordt, gewoon door het onoverzichtelijke, onvatbare aantal. Maar er zit de laatste tien jaar ergens een ontsporing in het ecosysteem, en in de maatschappelijke en geopolitieke structuren, die het inderdaad steeds moeilijker maakt om daar nog op een of andere manier plezier aan te beleven. Wat dan overblijft is een vorm van redding, van Rettung, zoals Benjamin dat noemde, binnen de Destruktion, waarin je probeert een erfenis aangereikt te krijgen door die opnieuw te interpreteren. De ruïne als redding van de geschiedenis en de poëzie als redding van de redding.

C.V.G.: Het is een positie die als conservatief kan worden weggezet, hoewel het in een letterlijke vorm gaat om conserveren en verwerken tegelijkertijd.

D.v.B.: Absoluut. Het is een noodzakelijk cultuurconservatisme. En het is ook een vorm van bewaararbeid en van rouwarbeid. Dat is het gevoel dat ik nu heb, en ik weet niet of je het positiever zou kunnen omschrijven.

 

 

Dirk van Bastelaere, Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver. Notities bij John Baldessari, het balanseer, Gent, 2025, ISBN 9789083499994. De bundel wordt gepresenteerd op woensdag 19 november in Bozar, Ravensteinstraat 23, Brussel.

Much Ado About M HKA. Een gesprek over twee architectuurwedstrijden

 

Ganzenbord

Christophe Van Gerrewey: De architecturale voorgeschiedenis van het M HKA is bekend. Het Museum van Hedendaagse Kunst werd in 1985 opgericht in Antwerpen en opende in 1987, in een voormalig pakhuis met graansilo uit 1922. Dat complex werd tussen 1990 en 1993 verder uitgebreid, maar de architectuur ervan werd vaak bekritiseerd.

Pieter T’Jonck: De Vlaamse Gemeenschap heeft die gebouwen destijds gekocht van een investeerder, die plannen had om er een discotheek in onder te brengen. Voor die dancing was al een architect aangesteld, Michel Grandsard, en hij mocht meteen het nieuwe museum ontwerpen. Al van bij aanvang was duidelijk dat het gebouw daar niet voor geschikt was.

C.V.G.: ‘De problemen om het licht te integreren in het interieur van een silo kunnen nauwelijks opgelost worden, wat mocht blijken uit Grandsards ontwerp,’ schreef Marc Dubois in 1993 (De Witte Raaf, nr. 44).

Beatriz Van Houtte Alonso: De lichtinval is vaak vreemd, het interieur is desoriënterend en complex, de akoestiek is slecht, maar toch heeft het huidige gebouw kwaliteiten, vind ik. Ik zie in elk geval niet in waarom je er geen goede tentoonstellingen zou kunnen realiseren.

C.V.G.: In 2001 werd Bart De Baere directeur van het M HKA, en in 2003 werd de inkomhal heringericht door Robbrecht en Daem architecten. De recentste verbouwingswerken dateren uit 2017, toen Axel Vervoordt en Tatsuro Miki een collectietentoonstelling ontwierpen, maar ook een nieuwe inkomhal en een ‘basisinfrastructuur’ voor het Centrum Kunstarchieven Vlaanderen – gezien de kostprijs van 1,3 miljoen euro door Dirk Pültau omschreven als ‘de duurste reclamecampagne ooit uit de geschiedenis van de Vlaamse kunstwereld’ (De Witte Raaf, nr. 189). Desondanks ontstonden er al in 2013 plannen om een nieuw M HKA voor te bereiden, met Sven Gatz als Vlaams cultuurminister en Peter Swinnen als Vlaams Bouwmeester. Pas in 2019, onder Vlaams cultuurminister Jan Jambon, werd er een Open Oproep gelanceerd, met als Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck en als Antwerps stadsbouwmeester Christian Rapp. Toen werd ook beslist dat het M HKA zou verhuizen, naar een plek even verderop. Het nieuwe museum zou de plaats innemen van het hof van beroep, een gebouw dat in 1974 werd gebouwd boven op de voormalige Zuidersluis.

P.T.: En die wedstrijd in 2019 liep helemaal fout.

C.V.G.: Op 20 maart 2020 blies Jan Jambon de wedstrijd inderdaad af. In De Standaard zei het kabinet van de minister tegen Geert Sels dat ‘de ambities van het museum veranderd zijn’. Leo Van Broeck sprak van ‘voortschrijdend inzicht. Het museum dat men wou, kwam niet meer overeen met wat er gevraagd was.’ En Bart De Baere zei: ‘Als je publieke middelen inzet, moet je zeker zijn van een goede uitkomst. Het is als bij een ganzenbord, waar je op een vakje terechtkomt en een aantal stappen terug moet zetten.’

P.T.: Dat spelletje ganzenbord heeft zo’n half miljoen euro overheidsgeld gekost – een dergelijke wedstrijd organiseer je niet gratis.

Inigo Custers: Weten we wie er toen in de jury zat?

C.V.G.: Officieel niet, want er is nooit een juryverslag gepubliceerd. Op 24 juni 2020 verscheen er een artikel in Knack, waarin vermeld werd dat de jury bestond uit negen stemgerechtigde leden, onder wie Dirk De Meyer en Wouter Davidts, hoogleraren architectuur aan de Universiteit Gent.

P.T.: Dat artikel geeft aan dat de wedstrijd niet goed georganiseerd werd, en dat is een understatement. Er werd nochtans al begin 2015 een studie gepubliceerd door Labo A van de Universiteit Gent, op vraag van Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen. In dat document werd duidelijk gesteld dat een mondiale toppositie, zoals die van het Centre Pompidou in Parijs, geen haalbare kaart was voor het M HKA. Gezien de versnipperde middelen van de vele Vlaamse musea kan één Antwerps instituut niet alle taken op zich nemen. Vervolgens maakte 51N4E een ruimtelijke vertaling van een haalbaar museumprogramma. In het kielzog van die studies besloot een stuurgroep dat het M HKA gezien de museumcollectie het best geplaatst was om een ‘overzichtsmuseum’ van hedendaagse kunst in Vlaanderen te worden. De stuurgroep oordeelde dat daar een nieuw gebouw voor nodig was, terwijl het bestaande gebouw ingezet kon worden als een centraal Vlaams depot voor hedendaagse kunst, ten dienste van alle musea. Het ‘overzichtsmuseum’ zou worden aangevuld met zalen voor thematische tentoonstellingen, met een studiebibliotheek en een forum. Die verruiming van de taakstelling resulteerde in de projectdefinitie voor de Open Oproep in 2019. Bij de jurering van de inzendingen doken echter nieuwe beleidsplannen op waar noch de ontwerpers, noch de juryleden van op de hoogte waren. Bart De Baere, die als directeur van het M HKA het proces aanstuurde, beweerde zelfs dat een beleidsplan nog niet voor meteen was: het bestek en de projectdefinitie van de Open Oproep omschreef hij als ‘niet definitief’. Plots was er sprake van een beleidsdocument, een ‘routeplan’ voor het M HKA, goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 7 oktober 2019, zonder dat de jury daar kennis van had.

C.V.G.: De teams die geselecteerd werden voor de Open Oproep waren het Brusselse 51N4E met Caruso St John (VK), het Brusselse Baukunst met Made In (CH), het Japanse SANAA met Jaspers-Eyers uit Brussel, Thomas Phifer uit New York, en Marie-José Van Hee met Wim Goes, beiden werkzaam in Gent.

P.T.: Na een gesprek over de ontwerpen en een puntentelling onder de juryleden bleek er één winnaar naar voren te komen. Er werd een duidelijke voorkeur uitgesproken voor het ontwerp van 51N4E en Caruso St John, maar De Baere en stadsbouwmeester Christian Rapp wilden absoluut dat de keuze viel op het project van SANAA en Jaspers-Eyers. Om dat te verantwoorden werd er geschermd met dat nieuwe ‘routeplan’. Het leidde tot een patstelling binnen de jury.

C.V.G.: Pieter, jij hebt in een artikel, gepubliceerd op de website van A+ op 10 juli 2020, de kwaliteiten van het ontwerp van 51N4E en Caruso St John uiteengezet. Wat was er zo goed aan?

P.T.: Het blijft een superslim voorstel: een structuur waarin volledig open, hoge vloeren voor tentoonstellingen afwisselen met lage vloeren voor kantoren en technische installaties, die als een ruimtevakwerk de enorme overspanning mogelijk maken, over de gehele lengte en breedte van de site. Op de hoeken bevinden zich circulatiekokers en sassen voor de art handling, die ook de dwarse stabiliteit verzekeren. Op de begane grond ontstaat een enorme open ruimte, een ontvangsthal, met een doorkijk naar het ondergrondse, historische dok.

C.V.G.: Van de vijf ontwerpen die werden ingediend voor de wedstrijd van 2019 is dat van 51N4E en Caruso St John het meest inventief. Er is niet alleen de bouwstructuur en de organisatie van het museum, maar ook een glazen koepel, als een wolk op het dak die dienstdoet als bovenste verdieping voor allerlei publieke activiteiten.

I.C.: Ook de gevel is bijzonder: die zou worden opgebouwd uit afgeschreven containers en prefab loodsen uit de Antwerpse haven, versneden en hergebruikt.

P.T.: Het is een nogal zotte gevel met een opmerkelijk patroon, maar het basismateriaal bestaat uit gerecupereerde geplooide staalplaten. Ondanks de decoratieve expressie van de gevel gaat het om circulaire architectuur.

B.V.H.A.: Het resultaat is een beetje decoratief: een gigantische silo met een regelmatig golvende gevel. Die gevel associeer ik eerder met het werk van Caruso St John dan met dat van 51N4E. Wat mij opvalt in de wedstrijden, zowel die van 2019 als die van 2024, is hoe er vooral van buitenaf naar het museum wordt gekeken. De ervaring in het interieur en de aanwezigheid van daglicht komen minder vaak aan bod. Dat is wel het geval in het ontwerp uit 2019 van Marie-José Van Hee en Wim Goes. Zij citeren in hun ontwerpbundel Michaël Borremans: ‘Daglicht kan je savoureren. Als het licht in een museum goed zit, hoef je er alleen maar het kunstwerk aan toe te voegen.’

C.V.G.: Het ontwerp van SANAA uit 2019 zet bijna volledig in op daglicht: het is als het ware een stapel glazen dozen – weinig inventief of avontuurlijk, maar wel heel duidelijk.

P.T.: Het is het New Museum in het groot, het gebouw dat SANAA in 2007 realiseerde in New York. Dat is een knap gebouw, maar het is kleiner, en het werkt beter.

I.C.: Een ander verschil tussen het New Museum en het M HKA van SANAA zijn een aantal schijven, die als monumentale volumes in de hoge interieurs hangen, bijvoorbeeld om er een caféterras op te organiseren.

B.V.H.A.: Waarom waren sommige juryleden zo wild van het voorstel van SANAA?

C.V.G.: Dat is de vraag. Naar een antwoord kunnen we enkel gissen, want er is geen juryverslag. Het ontwerp van SANAA biedt in elk geval veel kolossale zichten op de stad Antwerpen, en dat wordt in de bundel benadrukt. Het is een kijkmachine waarin de kunst nevengeschikt wordt gemaakt aan het adembenemende uitzicht op de stad, 360 graden in het rond.

I.C.: Wat het ontwerp van SANAA vooral uitzonderlijk maakt, en misschien ook uitzonderlijk aantrekkelijk, is dat het 80 meter hoog is.

C.V.G.: Inderdaad: alle andere voorstellen uit 2019 zijn slechts 53 meter hoog, wat merkwaardig genoeg ongeveer de hoogte is van het New Museum van SANAA in New York.

P.T.: Bij die eerste wedstrijd was 53 meter de maximaal toegestane hoogte. Dat werd zo bepaald in het ruimtelijk uitvoeringsplan, het RUP, dat de bouwvoorschriften vastlegt. Het ontwerp van SANAA, 80 meter hoog, kon op het moment van de wedstrijd wettelijk niet gekozen worden, laat staan uitgevoerd!

C.V.G.: Een hoger gebouw is groter. Toen de wedstrijd in 2020 werd geannuleerd, was er sprake van een ‘ambitieniveau’ dat is geëvolueerd. Misschien heeft de museumdirectie samen met de stadsbouwmeester dankzij het ontwerp van SANAA beseft: het M HKA kan en moet groter en hoger worden.

I.C.: En duurder.

P.T.: Net dat is contradictorisch. Als je kijkt naar het ontwerp van 51N4E en Caruso St John, en naar de andere ontwerpen uit 2019 – met uitzondering van dat van SANAA – dan zie je dat een volgebouwd bouwblok van 53 meter hoog helemaal niet minder vloeroppervlakte realiseert. In een toren verlies je veel plaats aan liften en dubbele trappen, die nodig zijn vanwege de strenge brandvoorschriften. Je wint in zekere zin niks met een toren, dus die nood aan extra oppervlakte kan niet verklaren waarom per se het ontwerp van SANAA gekozen moest worden.

 

Bouwrijp

C.V.G.: Na de mislukte wedstrijd is er begin 2024 een nieuw RUP opgemaakt, waarin de toegestane hoogte van het M HKA met 30 meter toenam. Dit plan definieerde de voorwaarden voor het nieuwe museum en voor de tweede wedstrijd, maar het is zodanig opgesteld dat het ontwerp van SANAA uit 2019 er alsnog door naar voren lijkt te worden geschoven.

B.V.H.A.: Het ligt iets complexer, bijvoorbeeld omdat het RUP is gebaseerd op een Hoogbouwrapport uitgevoerd door Sweco, dat dan weer is gebaseerd op de Hoogbouwnota van de stadsbouwmeester van Antwerpen uit 2013. In dat rapport wordt gesteld dat een toren van maximaal 80 meter mogelijk is, op voorwaarde dat die toren is opgebouwd uit een plint van 30 meter hoog, met daarop een toren van nog eens 50 meter.

I.C.: Zo staat het letterlijk in het RUP uit 2024: ‘De slanke toren laat toe het gewenste programma op de site te voorzien, zonder de draagkracht van de site te overschrijden. In de toren kan een geleding van het volume in de hoogte voorzien worden.’ Er is ook sprake van ‘harmonie’ met de reeds bestaande gebouwen aan de kant van de Schelde, omdat de plint dezelfde hoogte heeft. Dat is de verantwoording: als de toren voldoende terugwijkt, ‘past het gebouw in zijn omgeving’. Dat is natuurlijk slechts gedeeltelijk waar.

P.T.: Het is een klassieke of classicistische logica.

I.C.: En het is een logica die enkel telt voor het M HKA, dat als uitzondering wordt aangeduid. Alle andere gebouwen in de nabije omgeving mogen de volumetrische logica van het nieuwe M HKA niet volgen.

B.V.H.A.: Omgekeerd is het zo dat door dat nieuwe RUP een ontwerp als dat van 51N4E en Caruso St John niet meer mogelijk was in de tweede wedstrijd, omdat het zowel aan de kant van de Schelde als aan de kant van de stad 53 meter hoog is. Is dat niet bizar, dat een RUP al zoveel vastlegt, op basis van een ontwerp uit een vorige wedstrijd?

C.V.G.: Het is bizar en toch is het consequent, want het kadert binnen plannen voor de wijdere omgeving en voor de rest van het Antwerpse Zuid. Nieuw Zuid, een paar honderd meter van het toekomstige M HKA verwijderd, is een residentiële stadswijk van 20 hectare groot, die nagenoeg volledig het eigendom is van één projectontwikkelaar, Triple Living. Sinds 2010 worden daar veertig nieuwe gebouwen neergezet, en ook voor die appartementsblokken is 80 meter de magische hoogte. Een aantal sociale woonblokken, aan de kant van Nieuw Zuid het dichtst bij het M HKA, werden in 2021 afgebroken om vervangen te worden door de zogenaamde Tower Zero, ook 80 meter hoog en ontworpen door de Zwitserse architect Peter Zumthor.

I.C.: Ja, maar een aantal buurtbewoners hebben zich ondertussen tegen de bouw van die toren verzet, waardoor de omgevingsvergunning in april 2024 is vernietigd.

B.V.H.A.: Het zijn nota bene buurtbewoners die in een gebouw wonen van Robbrecht en Daem architecten, dat in Nieuw Zuid in 2023 werd voltooid. Zij vrezen dat ze geen zon meer zullen hebben, en die kans lijkt me groot.

C.V.G.: Toch is die Tower Zero niet van de baan. De toenmalige schepen voor Stadsontwikkeling, Annick De Ridder (N-VA), reageerde op de vernietiging van de vergunning, in een artikel in Gazet van Antwerpen van 26 april 2024: ‘Het is jammer dat dit topproject, ontworpen door een wereldvermaarde architect, vertraging oploopt. Onze diensten analyseren nu het arrest.’ En in datzelfde artikel zei iemand van Triple Living net hetzelfde: ‘We bestuderen intern het arrest en denken na over de volgende stappen.’ Dat ook het M HKA 80 meter hoog moet worden, lijkt een expliciete wens van het stadsbestuur, van de stadsbouwmeester én van de projectontwikkelaar, die uit één mond spreken. Moet Antwerpen bouwrijp worden voor torens van 80 meter hoog?

B.V.H.A.: Ik heb de indruk dat de omgeving één gebouw van 80 meter hoog kan verdragen. Als je de ene toren naast de andere zou zetten, dan krijg je een nieuwe Noordzeekust. Het neemt niet weg: Nieuw Zuid is donker en schaduwrijk. Er is een aangrenzend park, maar de dichtheid aan relatief hoge woongebouwen op een beperkte oppervlakte is beklemmend. De hele wijk heeft iets unheimisch; kwaliteitsvolle gebouwen bij elkaar zetten leidt niet per se tot een kwaliteitsvolle buurt.

C.V.G.: Je kan het een proeve van contextueel ontwerpen noemen, maar het blijft opmerkelijk dat een publiek museumgebouw als het M HKA mede bepaald wordt door een private ontwikkeling van dure appartementsblokken vlakbij. Bovendien: nog in 2022 werd door Triple Living verkondigd dat SANAA het ‘slotgebouw’ van Nieuw Zuid zou realiseren, helemaal aan de andere kant van de stadswijk…

I.C.: Er zijn veel architectenbureaus die werken op Nieuw Zuid, wat niet verwonderlijk is als er veertig gebouwen opgetrokken moeten worden. Het bureau van Daniel Rosbottom en David Howarth (DRDH), dat deelnam aan de tweede wedstrijd voor het M HKA in 2024, heeft al in 2022 een toren gebouwd met 160 appartementen, ook van 80 meter hoog.

P.T.: Je kan je inderdaad afvragen of torens van 80 meter de bouwstenen van het toekomstige Antwerpen moeten worden, en of de wedstrijd voor het M HKA is ingezet om dat publiek aanvaardbaar te maken. Maar zoals ik in het artikel in 2020 al schreef: dat is een achterdochtig idee, op het paranoïde af. Bovendien blijft de vraag: wat had Bart De Baere daarbij te winnen? Waarom wilde ook hij een gebouw van 80 meter? En waarom moest het van SANAA komen?

B.V.H.A.: Er is de agenda van de stad en van de bouwpromotor, maar er is ook de agenda van het museum. In de opdrachtomschrijving voor de tweede wedstrijd is er bijvoorbeeld voortdurend sprake van ‘neutrale’ en ‘flexibele’ ruimtes. Daar spreekt geen duidelijke ambitie of een strategie uit. Wat wil het museum eigenlijk doen met al die oppervlakte in zo’n toren?

C.V.G.: Die vraag sluit aan bij het institutionele en cultuurpolitieke aspect van deze wedstrijd. Wat voor een museum is het M HKA? Wat voor een museum moet het worden? Er is vaak gespeculeerd over fusies van het M HKA met andere Vlaamse musea, in Antwerpen of in Vlaanderen. Het M HKA zou dan kunnen uitgroeien tot het Grote Vlaamse Museum, in de hoofdstad van Vlaanderen, door het SMAK in Gent en MuZee in Oostende op te slokken. In dat geval zou een wolkenkrabber nog beter zijn dan een toren.

I.C.: In de eerste wedstrijd in 2019 is er sprake, ook in de ontwerpbundels, van het VMHK – het Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst. In 2024 wordt dat het TMHK – het Toekomstig Museum voor Hedendaagse Kunst.

P.T.: Het is een lastig probleem. Al in 2015 stond in de studie van Labo A dat het M HKA nooit het enige Vlaamse museum voor hedendaagse kunst kan worden: het SMAK heeft bijvoorbeeld een even belangrijke collectie. Maar het SMAK kan niet getransformeerd worden in het Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst, want het wordt beheerd door de Stad Gent, en niet door de Vlaamse overheid. Net als M in Leuven is het een stedelijk museum. Ik denk dat het idee van één centraal museum in Antwerpen ondertussen is losgelaten, ook als je ziet hoe ingrijpend de nieuwe plannen voor MuZee in Oostende zijn.

C.V.G.: Toch wordt er meteen van uitgegaan, in de opdrachtomschrijving in 2024, dat het museum, hoe groot het ook wordt, te klein zal zijn. ‘Het TMHK’, zo staat er, ‘wordt ook een belangrijke wetenschappelijke instelling voor hedendaagse kunst. De onderzoekstaken worden gebundeld in een apart onderzoekscentrum, op een andere locatie.’ Tegelijkertijd wordt er benadrukt: ‘Ook het onderzoekscentrum maakt integraal deel uit van de toekomstige werking van het museum, hoewel dit zich op een andere locatie zal bevinden.’ Ofwel is er weinig enthousiasme voor – en dat zou goed kunnen, want in Vlaamse kunstmusea heeft onderzoek zelden een volwaardige plek gekregen – ofwel wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe toren vol genoeg zal zitten.

I.C.: Dat is toch jammer, dat er geen fysieke link is tussen museum enerzijds en bibliotheek, archief en onderzoek anderzijds?

B.V.H.A.: Het heeft te maken met hoe het M HKA zich wil definiëren. In het projectdossier wordt die vraag niet duidelijk beantwoord. Enerzijds willen ze zich opstellen als een professioneel instituut met internationale allure, anderzijds is er een zekere trots over de eerder anti-institutionele logica van het voormalige ICC, waaruit het M HKA is voortgekomen. Ook wordt de ambitie uitgesproken om verankerd te blijven in de Antwerpse kunstscene.

P.T.: Het is de spanning tussen kunstgeschiedenis en kunstactualiteit. In de projectbundel en in de ontwerpdossiers wordt er vaak verwezen naar kunstenaars als Joseph Beuys en Gordon Matta-Clark. Beuys stierf in 1986, Matta-Clark in 1978. In die zin is het M HKA een historisch museum, met een voornamelijk historische collectie.

C.V.G.: De meeste kunstmusea – het Stedelijk in Amsterdam of Kunsthaus Zürich – combineren de functie van historisch museum met die van een kunsthal. Natuurlijk is die combinatie niet meer vanzelfsprekend. Naoorlogse kunst is lange tijd hedendaagse kunst geweest, terwijl actuele kunst zich vandaag vaak in een ander universum lijkt op te houden, en ook letterlijk in een ander tijdperk wordt gemaakt.

B.V.H.A.: Die breuk komt terug in het onderscheid dat gemaakt wordt, in het projectdossier voor de tweede wedstrijd, tussen de collectie en de tijdelijke tentoonstellingen. Alle architectenbureaus respecteren dat onderscheid en maken het op een ruimtelijke manier zichtbaar.

 

Procedures

C.V.G.: De tweede wedstrijd vond plaats na de zomer van 2024. Dit keer namen zes bureaus of samenwerkingsverbanden deel: Christ & Gantenbein (CH) met het Antwerpse bureau Bovenbouw, Nauta Bedaux (NL) met Feilden Fowles (VK), het in Londen en Antwerpen gevestigde DRDH met Jamie Fobert Architects (VK), de Brusselse noAarchitecten met Sergison Bates (VK) en EM2N (CH), OFFICE Kersten Geers David Van Severen uit Brussel met SO–IL (USA), en tot slot Robbrecht en Daem uit Gent met Dierendonckblancke en Laura Muyldermans. Zoals gezegd werd er een duidelijk gebouwvolume naar voren geschoven, of een maximale gebouwenveloppe: een sokkel van 30 meter met een slanke toren van in totaal 80 meter, en met een maximaal gebouwvolume van 100.000 kubieke meter. Is het niet raar dat er een wedstrijd wordt georganiseerd, maar dat de bouwheer – of in dit geval de stadsbouwmeester, Christian Rapp – van tevoren vastlegt welke vorm dat gebouw zal hebben, en hoe het eruit zal zien?

I.C.: Dat gebeurt vaker, maar meestal gaat het om een kader waarin het gebouw moet passen, gemaakt op basis van voorstudies. Het aantal beslissingen dat door het RUP wordt genomen nog voor de wedstrijd begint, ligt hier wel heel hoog.

P.T.: Dat is zeker zo. Wat ik vooral absurd vind, is dat beslist werd dat er twee afzonderlijke loskades moeten zijn, een voor kunsttransport en een voor logistiek transport.

C.V.G.: Waarom vind je dat absurd?

P.T.: Als je een dergelijk groot gebouw ontwerpt, dan spreekt het vanzelf dat je de omliggende straten een invulling geeft, of althans de profielen ervan bepaalt. Door dat al vast te leggen, sluit je uit dat een bureau eigen ideeën of oplossingen kan bedenken.

I.C.: Nochtans is het een van de redenen waarom Christ & Gantenbein en Bovenbouw de wedstrijd gewonnen hebben.

C.V.G.: Zo staat het inderdaad in het juryrapport, dat dit keer wel is vrijgegeven, met uitzondering van de passages over de raming en de prijs, en zonder de samenstelling van de commissie te vermelden. Maar een juryverslag is een juridisch document dat achteraf wordt opgesteld om een beslissing te beargumenteren.

I.C.: Het team van Bovenbouw voorziet in elk geval een loskade voor kunstwerken aan de De Gerlachekaai, langs de Schelde, en een aparte loskade voor logistiek transport aan de Visserskaai, loodrecht daarop. Alle andere bureaus doen dat niet en ontwerpen een gezamenlijke loskade, wat dus niet conform het RUP is.

C.V.G.: Het is regelneverij, maar je kan zeggen dat de wedstrijd dit keer tot in de puntjes is voorbereid. Alles is op alles gezet om het niet te laten mislukken zoals in 2019.

I.C.: En toch is het ook een manier om te krijgen wat je al in gedachten had, als bouwheer, en om verrassingen uit te sluiten…

P.T.: … of om discussies af te blokken. Je kan heel helder zeggen wat je niet wil, en vooral ook wat niet mag. De procedure was geen Open Oproep georganiseerd door de Vlaams Bouwmeester, zoals dat de eerste keer het geval was. De Vlaams Bouwmeester, Erik Wieërs, zat wel in de jury. Dat is dus ook belangrijk: het ging in 2024 om ‘een mededingingsprocedure met onderhandeling’.

C.V.G.: Wat is het verschil?

P.T.: In het eerste geval kies je een ontwerper op basis van een schetsontwerp dat nog kan veranderen. In het tweede geval kies je een ontwerp. Je kan daar in beperkte mate aan sleutelen, maar de hoofdlijnen liggen vast. Dat heeft voordelen voor de ontwerper, die niet zomaar gevraagd kan worden om opnieuw te beginnen, maar ook nadelen: alle partijen zijn gebonden door een parti pris.

B.V.H.A.: Het nadeel is dat je gaandeweg niets meer mag veranderen. Er wordt in deze procedure een bouwteam gekozen, niet enkel een architect. Dat geeft meer macht aan de aannemer. In een aantal ontwerpbundels wordt dit trouwens uitdrukkelijk – en terecht, vind ik – in vraag gesteld.

C.V.G.: De belangrijkste beslissingen zijn in het RUP al genomen door de stadsbouwmeester en de beslissingen achteraf worden genomen door de aannemer. Is dat niet nefast voor een wedstrijd? Wie bijziend is en van een afstand de zes maquettes naast elkaar ziet staan, merkt geen verschil.

B.V.H.A.: Dat lijkt me sterk uitgedrukt. De zes ontwerpen zijn erg verschillend.

I.C.: Binnen de beperkingen die er waren, hebben de teams de vrijheidsgraden ten volle benut. Het was mogelijk om op de vooropgestelde volumemaquette te variëren, en een aantal bureaus hebben dat gedaan.

C.V.G.: Dat klopt, en het valt op in het juryrapport: twee teams – OFFICE en SO–IL enerzijds, Christ & Gantenbein en Bovenbouw anderzijds – worden geprezen omdat ze vermeden dat het museum eruit zou zien als een toren met een plint. De vier andere architecten hebben min of meer het voorontwerp gevolgd van Christian Rapp, om het zo maar eens te noemen.

B.V.H.A.: Dat vond ik ook opvallend: die bureaus doen wat hun gevraagd wordt, en ze worden erop afgerekend.

C.V.G.: Tegelijkertijd is het zo dat die vier ontwerpen op een klassieke, haast academische manier lijken op een toren met een plint – genre Lever House in New York, in 1950 ontworpen door Gordon Bunshaft en Natalie de Blois van SOM. Het ontwerp van DRDH en Jamie Fobert wordt in het juryrapport ‘bureaucratisch’ genoemd, en dat is niet zo vergezocht, gewoon omdat we een dergelijk gebouw met kantoren associëren. Op een gelijkaardige manier wordt het project van het team rond Robbrecht en Daem als ‘bezadigd’ omschreven en dat van het team rond Nauta Bedaux als ‘neoklassiek’, terwijl van het torenvolume van noA & co. wordt gezegd dat het ‘weinig geleding’ vertoont.

I.C.: Ik denk dat Christ & Gantenbein en Bovenbouw, net als OFFICE en SO–IL, vooral geprobeerd hebben om dat gebouwtype te nuanceren, en om het monolithische karakter ervan te omzeilen en te fragmenteren.

C.V.G.: OFFICE en SO–IL gaan daar nog iets verder in dan Christ & Gantenbein en Bovenbouw: de drieledige opbouw verdwijnt bijna volledig, en het resultaat is een soort ziggoerat die uit een tiental onderdelen bestaat.

B.V.H.A.: En toch blijft ook hun ontwerp eruitzien als een toren met een plint.

I.C.: Dat lijkt me onmogelijk te vermijden, gezien de uitgangspunten van de wedstrijd.

B.V.H.A.: In elk geval: het valt op hoeveel aandacht er besteed wordt aan het silhouet en het exterieur van het gebouw. Zowel in de omschrijving van de opdracht als in het juryverslag en de communicatie over de winnaar valt het woord ‘beeld’ voortdurend. Er is gezocht naar een ‘beeldbepalend’ gebouw. Er worden, in de beoordeling, onophoudelijk vergelijkingen gemaakt, vanuit de vrees dat het ontwerp niet op een museum zal lijken, maar op een winkelcentrum, een woontoren, een kantoorgebouw…

C.V.G.: Vind je dat opvallend? Het gaat om een groot publiek gebouw dat zeer aanwezig zal zijn in het stadsbeeld. Een gebouw van 80 meter hoog wordt automatisch iconisch.

B.V.H.A.: Uiteraard, maar het valt op dat het zoveel aandacht krijgt, en dat het doorslaggevend is in de besluitvorming. Wieërs zei een aantal keer dat de wedstrijd niet ‘over spektakelarchitectuur’ mocht gaan, maar het is de vraag of dat, gezien de ambities, de opdracht en de hoogte van het gebouw, te vermijden valt.

 

Wandelen

C.V.G.: De architecten werd gevraagd om een museum te ontwerpen in een toren, maar het staat lang niet vast of zoiets mogelijk is. Eén probleem is dat de wandeling van de bezoeker voortdurend onderbroken wordt, omdat je iedere keer van verdieping moet wisselen, naar boven of naar beneden. Er zijn niet veel voorbeelden van musea of kunstplekken in een toren. In 2021 opende The Tower van LUMA in Arles, ontworpen door Frank Gehry: 56 meter hoog, met een kleine tentoonstellingszaal per verdieping, en met ook een sokkel met een groter vloeroppervlak. Het Museum aan de Stroom in Antwerpen, geopend in 2011 en ontworpen door Neutelings Riedijk Architecten, is 60 meter hoog, en het is een stapeling van gesloten zalen die verbonden zijn met roltrappen.

I.C.: Het Munchmuseum in Oslo, uit 2021, zit ook in een toren met een plint, 60 meter hoog, ontworpen door Herreros Arquitectos.

C.V.G.: Het extreemste voorbeeld is M+ in Hongkong, geopend in 2021 en ontworpen door Herzog & de Meuron: een plint met een dunne toren, 94 meter hoog, en bekleed met 140.000 keramiektegels waarin ledlampen verwerkt zijn, met als resultaat een gigantisch digitaal scherm. Als de wedstrijd voor het M HKA als een wetenschappelijk experiment wordt beschouwd, is dan bewezen dat het kan, een museum in een toren?

B.V.H.A.: Veel heeft te maken, zoals je al zei, met de wandeling door het gebouw. Het team dat daar expliciet op inzet, is dat van Robbrecht en Daem.

C.V.G.: Het is op dat vlak inderdaad een aantrekkelijk voorstel, en het is – letterlijk – het minst vermoeiend: als je het museum binnenkomt, neem je de lift helemaal naar boven, en dan loop je traag naar beneden langs de collectie en de tentoonstellingen.

I.C.: Dat ontwerp wordt in het juryrapport omschreven als ‘een zeer klassiek gebouw voor kunst van vandaag en gisteren, maar niet voor kunst van morgen en andere media’. Dat klopt niet, denk ik, en het heeft waarschijnlijk, opnieuw, meer te maken met het exterieur dan met de werking binnenin.

B.V.H.A.: Terwijl zij, net als Van Hee en Goes in 2019, net heel sterk inzetten op daglicht.

P.T.: Ik was niet zo onder de indruk van het interieur van Robbrecht en Daem & co. Het gaat om tentoonstellingsvloeren die deels overlappen, met in het midden meestal halfhoge ruimtes. Het maakt dat je in de toren min of meer dezelfde soort lokalen hebt, met vides afwisselend links of rechts, waarin het uitzicht bepalend wordt.

I.C.: Ze beseffen dat ze die repetitie in de wandeling naar beneden moeten onderbreken, door te werken met ‘rustpunten’ met een hoger plafond. Er is sprake van ‘50 à 60 verschillende uitzichten op Schelde en stad die elkaar afwisselen’, wat natuurlijk relatief is, want meer dan vier windrichtingen zijn er niet.

P.T.: Eerder dan de verticale circulatie is de horizontale doorgang in veel ontwerpen belangrijker – de organisatie van de sokkel. Veel bureaus stappen mee in de retoriek van het hypertoegankelijke museum. Van de gelijkvloerse verdieping wordt gesuggereerd dat het de meest drukke en publieke ruimte van Antwerpen moet worden. Vooral in het ontwerp van het team rond noA is dat zo. Zij voorzien in een hoge ‘hangar’ op de begane grond, omschreven als ‘een gastvrij gebaar naar de stad’, als ‘een directe en vrije ontmoeting met kunst’.

C.V.G.: Met de Turbine Hall van Tate Modern in Londen als voorbeeld…

B.V.H.A.: En Kanal in Brussel, dat door hetzelfde ontwerpteam wordt verbouwd. Maar daar gaat het natuurlijk om een bestaande hal van een andere schaal.

P.T.: Ze geven op die manier een invulling aan wat er onder actuele kunst kan worden verstaan. Dit is een plek voor performances, voor festivals, optredens en dj-sets.

C.V.G.: Het is wat in het museumdiscours als een third place wordt omschreven – een plek waar iedereen zich welkom voelt, ondanks het feit dat ze deel uitmaakt van een museum.

P.T.: Je kan er mensen ontmoeten, maar je moet niet consumeren. Het is gratis. Sergison Bates is daar con brio in geslaagd met hun ontwerp voor de Podiumkunstensite in Leuven, waarvan de uitvoering binnenkort zou moeten starten. Ook dat is een soort hangar, maar kleiner. Het concept sluit beter aan bij de podiumkunsten dan bij beeldende kunst, en de third space die zij bedachten voor de begane grond in Leuven is bijzonder interessant. Door hetzelfde te proberen doen voor het M HKA, overschreeuwen ze zich een beetje, vind ik.

C.V.G.: Tegelijkertijd is het niet onzinnig om de gelijkvloerse verdieping van het museum te zien als een verlengstuk van het nieuwe Zuidpark, dat opende in 2023.

P.T.: De meeste bureaus zien de inkomhal als een doorgang tussen twee parken, want langs de Schelde, aan de andere kant van het museum, begint het park langs de Scheldekaaien. Ze willen een grote brede doorgang creëren, maar dat resulteert – bijvoorbeeld bij het team rond Robbrecht en Daem – in een lange strook, loodrecht op de Schelde, met dienstruimtes en circulatie. Dat creëert problemen in de toren, omdat die strook niet tot boven kan worden doorgetrokken. Trappen en liften gaan loodrecht naar omhoog. Enkel Bovenbouw en Christ & Gantenbein hebben zich daar niks van aangetrokken. Dat is de grote verdienste van hun ontwerp: zij zetten de hele ‘stijgmechaniek’ dwars op de lange richting, dus evenwijdig aan de Schelde, en dat resulteert in volledig andere zalen in de toren. Het is een compleet andere logica, die minder gewrongen in elkaar zit, ook op constructief vlak. Je kan nog steeds door het gebouw lopen, van de ene naar de andere kant, maar het wordt niet benadrukt.

I.C.: Zij leggen de hoofdingang aan het park. De ingang langs de Schelde wordt secundair.

B.V.H.A.: Het nadeel is dat de uitzichten minder royaal zijn, net als de daglichttoetreding. Bovenbouw en Christ & Gantenbein concentreren zich op het kijken naar kunst, in eerder gesloten dozen. De uitzichten en de ramen lijken minder belangrijk.

I.C.: De theatrale zichten zijn gereserveerd voor een aantal exclusieve ruimtes, die ze zelf pompeus de sky rooms noemen: het restaurant, de kantoren en de seminarieruimtes. De zichten vanuit de tentoonstellingsruimtes zijn daarentegen zeer beperkt.

B.V.H.A.: Net daarom vind ik het gevelconcept van OFFICE en SO–IL prikkelend. Zij hebben een systeem bedacht dat in verschillende gradaties altijd daglicht toelaat, en altijd zichten naar buiten garandeert. Ze voorzien in driedubbel glas van een claustra – baksteenroosters met openingen – en gluurmetselwerk. Je krijgt een gevel uit twee lagen, of glas met een soort gordijn van bakstenen, en met variaties in doorzichtigheid en lichtdoorlatendheid.

C.V.G.: Het leidt tot een variatie op de white cube, omdat de wanden van de tentoonstellingsruimte als een patroon variëren. De muren zijn nooit zomaar volledig gesloten of volledig open. Dat lijkt me een uitvinding: je kijkt nooit alleen maar naar kunst, de buitenwereld wordt ook – gefilterd – toegelaten.

I.C.: In het juryrapport wordt het gevelconcept negatief geëvalueerd: ‘Overdag zorgen schaduwen van de claustra voor hinder en ’s avonds wordt je blik belemmerd door reflecties.’ Er is veel materiaal voor nodig, het lijkt moeilijk realiseerbaar, en het onderhoud zal ‘duur en moeilijk’ zijn.

P.T.: Dat lijkt me een stok om een hond mee te slaan. Ze werken samen met ingenieursbureau Bollinger+Grohmann, dus waarom zou het niet uitvoerbaar zijn?

B.V.H.A.: Die passages in het juryrapport tonen hoe nadenken over kijken, horen, voelen – het beschouwen van kunst op een bepaalde plek – niet aan de orde lijkt, hoewel het toch de essentie is van een museum. Het komt nauwelijks aan bod, en bureaus die er wel op inzetten – ook de ploeg van Robbrecht en Daem bijvoorbeeld – worden erop afgerekend omdat ze te traditioneel te werk zouden gaan.

 

Duurzaamheid

C.V.G.: De architecten werd natuurlijk ook gevraagd hoe het museum geconstrueerd zou worden, en met welke materialen. Wat veranderd is ten opzichte van pakweg tien jaar geleden is het ecologisch besef – architectuur speelt een rol in de klimaatcrisis, en architecten moeten zich daar rekenschap van geven als ze een nieuw gebouw ontwerpen. Het staat zo in het persbericht waarmee de winnaar van de tweede wedstrijd werd aangekondigd: ‘Sinds de vorige procedure in 2019 […] kwam duurzaamheid nog hoger op de agenda te staan.’

B.V.H.A.: De twee teams die bouwtechniek en ecologie tot een belangrijk onderwerp hebben gemaakt, zijn daarvoor alleszins niet beloond. De groep rond DRDH stelde voor om onderdelen en materialen uit het af te breken hof van beroep te hergebruiken, terwijl de groep rond Nauta Bedaux een CLT-structuur ontwierp, met cross-laminated timber (grote, massieve houten panelen met meerdere lagen) en met natuursteen en koolstofarm beton.

I.C.: De jury wilde daar duidelijk geen risico’s in nemen. Houtskeletbouw ‘in een hoogbouwcontext’ wordt in het rapport omschreven als ‘een uitdaging op het vlak van brandveiligheid en akoestiek’. Hergebruik wordt ‘risicovol’ genoemd omdat ‘het niet gegarandeerd is dat dit daadwerkelijk uitvoerbaar blijkt’.

P.T.: Dat begrijp ik. Toen ik de projectbundel van het team rond DRDH las, vroeg ik me af: hoe gaan ze dat doen? Het is heel ambitieus. Ze willen meer dan zeshonderd betonnen gevelpanelen uit het hof van beroep hergebruiken, maar ook bakstenen en glasplaten. Elementen die niet hergebruikt kunnen worden, willen ze vermalen om er dekvloeren en gevelonderdelen van te maken. Ook de leeszaal van Axel Vervoordt in het huidige M HKA willen ze verhuizen naar de nieuwe locatie. Delen van de fundering van het hof van beroep blijven behouden, maar tegelijkertijd willen ze een fundering plaatsen onder de Zuidersluis, zodat die volledig behouden kan blijven. De kans dat al die voorstellen slagen, is klein.

B.V.H.A.: Maar het is spannend, toch?

C.V.G.: Is het winnende project van Christ & Gantenbein en Bovenbouw duurzaam – en duurzamer dan de andere ontwerpen?

P.T.: Het zal in elk geval lange tijd kunnen dienen, als het goed wordt uitgevoerd. Maar om nu te zeggen dat het een lage ecologische voetafdruk heeft…

I.C.: Het winnende team zet er veel minder op in dan bijvoorbeeld de groep rond DRDH en Nauta Bedaux, en eigenlijk ook minder dan OFFICE en SO–IL, die wel aangeven CO2-negatieve stenen te zullen gebruiken: stenen die uitdrogen in plaats van gebakken te worden, en die daardoor CO2 absorberen tijdens het uithardingsproces.

P.T.: Robbrecht en Daem kijken vooruit naar hergebruik van het gebouw in de toekomst. ‘Werkplekken, woonentiteiten – het zou zomaar kunnen,’ schrijven ze in hun bundel. Maar daarvoor heb je natuurlijk een robuuste betonnen structuur nodig.

B.V.H.A.: Duurzaamheid wordt vaak als argument gebruikt in het juryrapport, en sommige bureaus worden erop afgerekend omdat ze er te weinig aandacht aan besteden, terwijl andere teams worden bekritiseerd omdat ‘de focus […] te weinig ligt op duurzaamheid als onderdeel van de ontwerpopgave’. Ik vind dat soms inconsequent. Er wordt een groot gebouw voor dit nieuwe museum gesloopt en het resultaat moet een toren van tachtig meter zijn: is het dan niet hypocriet van een bouwheer om architecten te verwijten dat duurzaamheid geen ‘onderdeel van de ontwerpopgave’ is? Het is een belangrijk museum, het is een royale publieke ruimte, het is nieuwbouw – own it!

C.V.G.: Het kan zijn dat al die retorische aandacht voor duurzaamheid een manier is om de aandacht af te leiden van wat werkelijk een rol heeft gespeeld in de besluitvoering. Waarom hebben Christ & Gantenbein en Bovenbouw deze wedstrijd echt gewonnen?

B.V.H.A.: Ik denk dat de volumetrie van hun project opvallender en extraverter is, het zet in op contrasten, en het is misschien ook aantrekkelijker voor een breed publiek. Wat ik wel grappig vind, om terug te komen op de opmerking van Wieërs over ‘spektakelarchitectuur’, is dat er uiteindelijk gekozen is voor een gebouw dat letterlijk een gigantische billboard is.

I.C.: Ik heb het gevoel dat het nek aan nek was tussen dit project en dat van OFFICE en SO–IL. Waarom heeft het team van Bovenbouw en Christ & Gantenbein uiteindelijk gewonnen?

P.T.: OFFICE en SO–IL hebben zich echt ver gewaagd door een gaas van stenen rond het gebouw aan te brengen. Dat is té bijzonder, het kan meer geld kosten dan voorzien, en het wordt als risicovol ervaren, terwijl de hele wedstrijd er net op gericht was elk risico te vermijden. Dat is een gevolg van de procedure: het ontwerp dat wordt gekozen, moet worden uitgevoerd.

C.V.G.: Je krijgt dus een wedstrijd waar veel gedoe aan voorafgaat – voorontwerpen, studies, regels, RUP’s – om dan een ontwerp te kiezen dat het liefst zo weinig mogelijk gedoe oplevert. Het project van Christ & Gantenbein en Bovenbouw is professioneel en realistisch, en de Zwitsers hebben al bewezen musea van deze schaal aan te kunnen.

B.V.H.A.: Je mag evenmin vergeten dat het Brusselse bureau Jaspers-Eyers deel uitmaakt van hun equipe. Zij zijn officieel verantwoordelijk voor ‘risicobeheer’ en ‘budgetcontrole’. Iemand heeft mij ooit gezegd dat Jaspers-Eyers bij opdrachtgevers functioneert als glijmiddel: ze garanderen dat alles smooth, binnen het budget en binnen de deadline wordt afgerond.

I.C.: Het zorgt ervoor dat Jaspers-Eyers het enige bureau is dat aan beide wedstrijden heeft deelgenomen, in 2019 met SANAA, en in 2024 met Christ & Gantenbein en Bovenbouw… En eigenlijk hebben ze twee keer gewonnen.

 

Safe

C.V.G.: Met een lichte overdrijving is dit de belangrijkste architectuurwedstrijd in België van de afgelopen vijftig jaar – sinds de competitie voor het Sea Trade Center in Zeebrugge in 1989, dat weliswaar nooit is uitgevoerd. De wedstrijdcultuur is sindsdien danig veranderd, en alles is complexer geworden. Je moet samenwerken met een ander bureau omdat je anders geen kans maakt én je moet in zee gaan met zowel een aannemer als een bureau voor ‘risicobeheer’ en ‘budgetcontrole’. Je moet ervaring hebben met het type gebouw dat gevraagd wordt. Er is al een voorontwerp gemaakt op basis van allerlei voorstudies, en er zijn talloze technische, budgettaire en ecologische aspecten waarvoor je zal worden geprezen of die tegen je gebruikt zullen worden.

P.T.: Er is zeker een sterke bureaucratisering merkbaar, die maakt dat risico’s worden vermeden, waardoor echt avontuurlijke ontwerpen zeldzaam geworden zijn. Vorm, ontsluiting, beeld, hoogte – dat is allemaal uitgeschreven, dat staat zwart op wit op papier. Maar waar het M HKA naartoe gaat – wat voor een museum het is, ook binnen het Vlaamse landschap, met welke collectie – dat blijft onduidelijk. Toch is het onmiskenbaar zo dat een museum werkelijk belangrijk wordt dankzij de collectie en de expertise. Het is een beetje dwaas om te geloven dat een museum belangrijk zal worden door de architectuur ervan, al zeker niet op deze gewrongen locatie.

C.V.G.: Net die aspecten komen door de reglementering en de retoriek weinig aan bod.

P.T.: De reglementering moet de inhoudelijke vaagheid verstoppen en de indruk wekken dat er goed over is nagedacht. Waar ik mij aan geërgerd heb bij het doornemen van de ontwerpbundels is de aandacht die noodgedwongen gaat naar al die dingen die niks met kunst te maken hebben: een restaurant, een cafetaria, een auditorium, ontmoetingsplekken, een museumshop… En dan worden sommige architecten bekritiseerd omdat ze iets ontworpen hebben dat op een winkelcentrum lijkt, terwijl daar in het programma net om gevraagd wordt!

I.C.: Daar hadden we het al over: van een museum wordt vandaag verwacht dat het veel meer is dan een plek waar je naar kunst kan kijken. Het moet een gebouw zijn waar iedereen, om heel uiteenlopende redenen, naartoe wil komen – iedereen is welkom, dat soort retoriek. Het wordt beschouwd als een doorslaggevend argument, vermoed ik, om een dergelijk groot en duur gebouw te kunnen realiseren.

P.T.: Ik vind dat geen goed argument. Het percentage tentoonstellingszalen, ook in het winnende ontwerp, is bovendien relatief klein. Wat zal daar te zien zijn? Welke kunst gaan ze tonen? Welke tentoonstellingen gaan ze maken?

B.V.H.A.: Dat zijn vragen waar de architecten niet op kunnen antwoorden.

P.T.: Nee, maar ze zouden kunnen ingaan tegen de uitgangspunten van de wedstrijd, en een contre-projet maken. Door te stellen: het is best mogelijk wat jullie vragen, maar wij doen een voorstel dat toont waar een belangrijk museum vandaag op neerkomt. Alle deelnemers aan de wedstrijd, ook Christ & Gantenbein en Bovenbouw, ook OFFICE en SO–IL, zijn daarin heel opportunistisch.

C.V.G.: Ze willen de wedstrijd winnen, wat – als je een architectuurbureau in stand wil houden – niet onbegrijpelijk is.

P.T.: Natuurlijk. Maar je kan als architect je eigen voorwaarden stellen, en het programma herschrijven.

C.V.G.: Het toont dat het probleem structureel en maatschappelijk is: de bouwheer wil geen gedoe, maar de architect ook niet. Iedereen speelt op safe. Voor gedoe is er vandaag geen geld, geen tijd, geen energie, geen zin.

B.V.H.A.: Ik denk dat er wel nog architecten zijn die risico’s durven te nemen. Maar het is zeker minder aan de orde: er is gewoon niet genoeg werk.

I.C.: Er wordt op alle beleidsniveaus bespaard. Ik denk dat architecten wel nog zin hebben om risico’s te nemen, maar ze hebben misschien gewoon die luxe niet meer.

C.V.G.: Bij de Belgische bureaus zal vast ook het idee hebben gespeeld: dit is de laatste kans. Een publiek gebouw in de vorm van een toren van 80 meter: welke overheid zal daar deze eeuw nog geld voor overhebben?

B.V.H.A.: We zijn nog maar een kwart ver in de eenentwintigste eeuw, ik zou niet wanhopen.

P.T.: Ik vrees dat het museum in Antwerpen, zodra het er staat, snel zijn glans zal verliezen, of binnen de kortste keren niet goed meer zal functioneren, ook omdat de kunst zal veranderen. En wat dan? Daarom vond ik het ontwerp van 51N4E en Caruso St John uit de wedstrijd van 2019 zo goed en zo logisch: een eenvoudige doos met neutrale open vloeren, waar je in principe om het even wat in kan onderbrengen.

I.C.: Zullen het succes en het voortbestaan van het M HKA niet vooral afhangen van het team en van de toekomstige directeur? Zodra het nieuwe gebouw klaar is, zal het museum zichzelf moeten heruitvinden en herdefiniëren.

P.T.: Maar ook dat kan je omkeren. Bart De Baere gaat volgend jaar met pensioen, na 25 jaar. Waarom mocht net hij over die nieuwbouw beslissen? Ze hadden beter een nieuw team vijf jaar laten proefdraaien in het oude gebouw, om dan met een echte projectdefinitie en een duidelijke toekomstvisie een nieuw museum te realiseren.

I.C.: Bovendien heeft De Baere uiteindelijk gekregen wat hij wou, al zijn er dan twee wedstrijden voor nodig geweest en heeft het meer dan zes jaar geduurd.

 

De ontwerpbundels voor de architectuurwedstrijden voor het M HKA van 2019 en 2024 kunnen geconsulteerd worden op de website van de Vlaams Bouwmeester.

 

PS

Deze gedachtewisseling over de architectuurwedstrijden voor het M HKA vond plaats in de kantoren van De Witte Raaf in Brussel op 22 augustus. De tekst werd afgewerkt op 2 oktober. Op vrijdag 3 oktober stuurde Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen Caroline Gennez (Vooruit) een persbericht de wereld in: ‘Gezien het beleid en de werking van het M HKA momenteel onvoldoende sterk staan, en gezien de groeiende onzekerheid over de bouwkosten, hebben we de beslissing genomen het project nu stop te zetten.’

Drie dagen later, op 6 oktober, werd een ‘Conceptnota hertekening landschap eigen museale instellingen en van de beeldende kunsten’ vrijgegeven. In dat document wordt de oprichting aangekondigd van een ‘nieuw Vlaams museum voor hedendaagse en actuele kunsten’ in Gent, ter vervanging van het SMAK én van het M HKA, dat ‘een andere opdracht’ krijgt. Het nieuwe museum zou samen met ‘het toekomstige KMSKA’ (waaraan Museum Hof van Busleyden uit Mechelen wordt ‘toegevoegd’) uitgroeien tot de ‘twee bakens’ ‘in het museale veld’, met MuZee in Oostende ‘als scharnier, als verbinder’. Na tien dagen van verzet en talloze opiniestukken tegen deze plannen zei minister Gennez op 16 oktober in het Vlaams Parlement: ‘Hou toch op met fakenieuws te verspreiden. Het M HKA gaat niet weg. Er komen voor zes miljoen euro investeringen om de huidige infrastructuur tot een broedplek voor actuele kunst te maken. Het M HKA en het SMAK gaan samen de Vlaamse kunstcollectie versterken.’

Het plan om de Vlaamse publieke kunstverzamelingen samen te smelten is nieuw noch onzinnig, maar dat wil niet zeggen dat het per oekaze kan worden afgekondigd. Een succesvolle fusie kost bovendien geld en is juridisch niet vanzelfsprekend. De Vlaamse kunstmusea in Gent, Antwerpen en Oostende kregen hun huidige vorm in de jaren tachtig, onder leiding van respectievelijk Jan Hoet, Flor Bex en Willy Van den Bussche. Het ging, letterlijk nog meer dan figuurlijk, om provinciale instituten. De museumdirecteurs mochten hun zin doen en volgens persoonlijke voorkeuren kunst aankopen. Tot coherente collecties heeft dat niet geleid, zoals in 1995 al in De Witte Raaf werd vastgesteld. De drie ‘conservatoren’ hadden bovendien een hekel aan elkaar, wat ertoe leidde dat de federalisering van het cultuurbeleid aan het eind van de twintigste eeuw voor een groot deel aan de beeldende kunsten voorbij is gegaan. Als één veld om middelen vragen aan het ‘nieuwe’ Vlaanderen – zoals de podiumkunsten, de letteren en de architectuur wisten te doen – is de beeldende kunst niet gelukt. In 2004 stelden Rudi Laermans en Pascal Gielen in hun boek Een omgeving voor actuele kunst reeds vast dat het geleid heeft tot een sector die als los zand aan elkaar hangt en – vooral – over een ontoereikende subsidiëring beschikt.

De voorbije decennia is die situatie er allesbehalve op verbeterd. Het nieuwe triumviraat – Philippe Van Cauteren, Bart De Baere en Phillip Van den Bossche – probeerde de voorgangers nog te overtreffen en leek op mysterieuze wijze voor het leven benoemd, met uitzondering van Van den Bossche, die in 2019 zelf ontslag nam. In zowel Gent, Antwerpen als Oostende is geprobeerd om met architectuur het eigen museum incontournable te maken. Alleen aan de Noordzee is dat gelukt, want dat de renovatiewerken van MuZee al een half jaar aan de gang zijn, kan deels verklaren waarom het ondertussen door Bruno Verbergt geleide instituut niet mee moet fuseren – hoewel dat de logische en doortastende strategie zou zijn geweest. De plannen voor een Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst hingen al van voor het aantreden van Gennez in de lucht, en het M HKA is een tijdje in de running geweest om het SMAK op te slokken. Dat plan is nu verijdeld dankzij particratie en stedenstrijd, wat niet wil zeggen dat er in het ‘socialistische’ Gent een toren voor kunst zal verrijzen. Over een depot voor al die kunstwerken is eveneens nog niks gezegd. In de ‘Conceptnota’ staat dat er 50.000 euro wordt vrijgemaakt voor ‘onderzoek depotnoden’ in 2026. Toch ligt net daar een sleutel: waarom niet de eigenheid van de verzamelingen in ere houden, maar ze laten ‘co-housen’ in één groot gebouw, dat vervolgens aantrekkelijk wordt voor zowel private verzamelaars die met hun collectie geen blijf weten als voor kunstwetenschappers die onderzoek willen doen? In dat geval kan het M HKA probleemloos voortbestaan, inclusief collectiepresentaties.

De vele vragen en onduidelijkheden wakkeren complottheorieën aan, net als onzekerheid en terechte verontwaardiging. Het enige wat momenteel vast lijkt te staan, is dat er ‘transitiemanagers’ zullen worden aangesteld om de verschillende instituten te helpen veranderen. Op basis van de vele besparingen die Gennez de afgelopen maanden heeft afgekondigd – haar kabinet begint elke werkweek ogenschijnlijk met het aanduiden van een nieuw slachtoffer, zoals de Cultuurprijzen van de Vlaamse Gemeenschap, de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, het tijdschrift de lage landen en het Emile Verhaeren Museum – is de indruk ontstaan van een cultuurminister die, veel meer dan haar voorgangers, cultuurvijandig is. ‘Met Gennez lijkt het alsof er een culturele klassenstrijd wordt gevoerd tegen ‘de hogere cultuur’,’ zo schreef Walter Pauli op 23 oktober in Knack. ‘Wat te elitair is, te intellectueel, te saai en te stoffig, maar evengoed te snob en te highbrow, hoeft blijkbaar niet echt te rekenen op Gennez.’ Het verweer voor de besparingen is dat de minister beweert ‘de kunstenaar’ te willen ontzien. Dat mag dan een drogredenering zijn – een kunstenaar is niks zonder middenveld of infrastructuur – het kan in het beste geval doen hopen dat het Kunstendecreet met alle subsidie-instrumenten wordt voortgezet, met dezelfde middelen, zodra het in 2027 afloopt. En ook dat is allesbehalve zeker, aangezien er zowel in België als in Vlaanderen regeringen aan de macht zijn, geleid door N-VA, die enerzijds de eigen inkomsten verder willen inkrimpen, en die anderzijds willen investeren in autosnelwegen, industrie en straaljagers.

Christophe Van Gerrewey

Tegenstrijdige belangen

Christophe Van Gerrewey: Jullie staan aan het hoofd van een veilinghuis, gespecialiseerd in kunst en antiek, dat werd opgericht door jullie vader, Edmond Bernaerts. Hij werd in 1944 geboren in Antwerpen. In 1970 opende hij met zijn vrouw en broer een brocantewinkel in Lier, die in 1973 werd omgevormd tot de naamloze vennootschap Kunstveilingen Bernaerts. Wat was zijn opleiding?

Peter Bernaerts: Hij is een autodidact die van elke mogelijke opleiding is weggelopen. Een schoolverlater, met andere woorden. Een half jaar lang heeft hij bijvoorbeeld architectuur gestudeerd in Brussel.

Christophe Bernaerts: Zijn vader – Emmanuel Bernaerts – was in Antwerpen schepen van Parken, Plantsoenen en Stadseigendommen. Hij heeft ons papa, die het te bont had gemaakt tijdens zijn legerdienst, de opdracht gegeven om de onteigening van stukken grond te onderhandelen met de eigenaars. In die periode, begin jaren zestig, werden er op grote schaal gasleidingen aangelegd. Het was zijn taak om te gaan spreken met de grondbezitters, vaak boeren.

P.B.: Zo heeft hij de diplomatie en de kunst van het onderhandelen leren kennen.

C.B.: Ook onze grootmoeder, Godelieve De Burghgrave, is belangrijk. Zij maakte deel uit van de chique Gentse bourgeoisie, maar ze woonde in Antwerpen. Ze heeft vaak veilingen gevolgd, dat was haar hobby, om het zo te noemen.

P.B.: Er werd van alles te koop aangeboden. De sfeer was gemoedelijk, het was er lekker warm en plezant. En ons papamoest haar op woensdagmiddag gaan zoeken in een van die veilinghuizen. Zo heeft hij de stiel leren kennen. Dat zegt hij althans, maar ik geloof hem.

C.B.: En dan heeft hij zijn vrouw ontmoet, Emmy Heylen.

P.B.: Zij woonde in Herenthout, maar Antwerpse mannen verkozen in die periode vrouwen uit de Kempen, die verondersteld werden ‘van goeie grond’ te zijn. Ze zijn getrouwd in 1969. Zij werkte bij Van In, de uitgeverij in Lier. In 1970 zijn ze daar in de Kartuizersvest een antiekzaak begonnen. Voor hen ging dat te traag, en in 1973 hebben ze een roepzaal geopend in de Koolstraat in Mechelen. De concurrentie was elders te groot: in Antwerpen had je onder meer Campo en Van Herck, en in Brussel had je Galerie Moderne, de verkoopzaal van het Paleis voor Schone Kunsten en de andere grote huizen. Dus vestigde hij zich tussen die twee steden in.

Eléa De Winter: Waarom vonden jullie ouders het tempo van de antiekwinkel te traag? En waarom was de stap naar een veilinghuis dan logisch?

P.B.: Zij zat in de winkel en hij moest op zoek naar materiaal, voornamelijk op andermans veilingen. Dat was tijdrovend.

C.V.G.: Als uitbater van een veilinghuis moet je dat niet doen?

P.B.: Nee, een veilinghuis is een receptief orgaan.

C.B.: Dat is idealiter zo, maar in de beginjaren is ons papa zelf op zoek gegaan. Als je geen naamsbekendheid hebt, komen de mensen niets aanbieden. Hij was in die periode verplicht zaken te doen met één leverancier, die marchandisehad waar meestal iets mis mee was, het waren licht beschadigde stukken die ‘op limiet’ moesten worden verkocht. Als veilingmeester verkies je dat de stukken ‘vrij’ zijn, zodat je niet aan een bodemprijs gebonden bent.

P.B.: Hij was vaak heel kwaad over het materiaal waarmee hij moest werken.

C.V.G.: Hij had geen particuliere leveranciers, maar deed een beroep op tussenpersonen die goederen doorverkochten?

C.B.: Ja, daar was hij afhankelijk van, als beginneling. Om eerlijk te zijn: dat komt vandaag nog voor, maar niet meer bij ons. Als je vandaag een veilinghuis zou openen, waarom zouden mensen hun goederen dan aan jou willen toevertrouwen? Je moet dat vertrouwen nu eenmaal verdienen.

P.B.: Het heeft ons sterk beïnvloed. Ik ben geboren in 1972, Christophe in 1970, dus wij hebben die periode meegemaakt. Vooral Christophe heeft na een tijdje gedacht: we moeten een echt veilinghuis worden, we mogen niet meer afhankelijk zijn van leveranciers, en we mogen niet meer afhangen van limietprijzen die door anderen worden bepaald.

C.B.: Het houdt je klein, als veilinghuis. Je kan daar moeilijk uit ontsnappen: je móét minderwaardige dingen aanbieden, wat mensen afschrikt die mooie, kwalitatieve stukken willen verkopen.

E.D.W.: We spreken over het midden van de jaren zeventig, de periode van de oliecrisis. Waarschijnlijk was er niet veel financiële ruimte.

P.B.: Voor ons, als kinderen, was Sinterklaas nooit guller dan in crisisperiodes. Toch weet ik dat onze ouders toen onophoudelijk op het scherpst van de snee hebben geleefd en gewerkt. Wanneer we over onze vader praten, moeten we het trouwens ook altijd over onze moeder hebben: zij was de stille, maar onmisbare kracht achter het veilinghuis.

E.D.W.: Jullie vader heeft in die periode, vanaf 1980, gewerkt als veilingmeester voor andere huizen, voor Campo in Antwerpen bijvoorbeeld, of voor Troostwijk, voor industriële veilingen.

P.B.: Ja, om toch een min of meer stabiel inkomen te hebben.

C.V.G.: Kreeg hij een salaris?

C.B.: Hij kreeg een fixed fee. Dat was frustrerend: hij wist dat het veilinghuis waarvoor hij werkte winst maakte, onder andere dankzij hem, maar zijn loon bleef hetzelfde. Ze noemden hem daar de mitraillette, omdat hij zo snel kon veilen.

P.B.: Bovendien bestond het veilinghuis in Mechelen toen al. Als hij voor Campo ging veilen, dan mocht hij om vijf voor twee binnen en om vijf over vier stond hij weer buiten. Het was hem absoluut verboden om met de cliënten te praten. De jonge Ronny Van de Velde kwam langs, net als andere beginnende verzamelaars, maar van Campo mocht hij absoluut geen contact met hen hebben.

 

Antwerpen

C.V.G.: Van 1984 tot 1987 was er een tweede zaak in Antwerpen.

P.B.: Dat was een veilingzaal in de Huidevettersstraat, een van de mooiste locaties die je je kan voorstellen. Het was eigendom van Anhyp, de Belgische spaarkas: beneden was de kluiszaal, boven de veilingzaal, volledig in het marmer, met vloermozaïeken.

E.D.W.: Die veilingen werden zowel in Mechelen als Antwerpen georganiseerd.

P.B.: En dat drie jaar lang.

C.V.G.: Was het midden van de jaren tachtig, in vergelijking met de jaren zeventig, een bloeiperiode?

C.B.: Dat zou ik niet zeggen. Hij wilde diversifiëren, hij wilde verschillende dingen aanbieden en organiseren. Maar dat heeft veel geld opgeslorpt.

P.B.: Er was om te beginnen een hoge huurprijs, en hij heeft dat pand moeten renoveren.

C.B.: Bovendien lag veilinghuis Campo op de Meir, vlak bij de Huidevettersstraat. Je moest een lange gang van veertig meter door om ons te bereiken. Dat schrok mensen af. De concurrentie met andere veilinghuizen bleef heel groot.

P.B.: Ons mam zei het vaak in die tijd: ‘Mon, dat kost allemaal te veel geld.’

E.D.W.: Toch moeten ze gedacht hebben: het is een goed moment om die stap te zetten. De primaire kunstmarkt – de verhandeling van kunstwerken meteen na hun vervaardiging – kende toen een grote bloei. Waren ze daarvan op de hoogte?

P.B.: Dat denk ik wel. Ze voelden wat er in de lucht hing.

C.B.: Hij probeerde een verschil te maken, als kleine jongen, als bleuke, tussen reuzen als Campo en Van Herck.

E.D.W.: Het kwam er vooral op aan om een netwerk te creëren van inbrengers, veronderstel ik?

C.B.: Uiteindelijk kwam dat er, omdat hij bereid was om risico’s te nemen, door hoge verkoopprijzen in het vooruitzicht te stellen. Hij heeft een markt gecreëerd door verkopers duidelijk te maken dat hij hun stukken effectief kon verkopen.

P.B.: Stel: een antiquair in Mechelen of Antwerpen had een bronzen panter uit 1920 staan, gemaakt door Albéric Collin, een Antwerpse beeldhouwer. Het was niet makkelijk om daar een koper voor te vinden. Ons papa heeft er dankzij de veilingen – en het idee van thematische veilingen, bijvoorbeeld rond ‘het dier in de kunst’ – toch een publiek voor gevonden, zodat die panter voor een goede prijs is verkocht.

C.V.G.: Die panter moest hij niet eerst zelf kopen?

P.B.: Hij garandeerde de eigenaar een minimumprijs: voor minder zou die panter niet verkocht worden.

C.B.: Hij heeft garanties aangeboden die wij niet meer zouden riskeren, en die we ook niet meer móéten riskeren. Wij kunnen realistischer zijn en openlijker zeggen wat iets waard is, ook op basis van argumenten en kunsthistorisch onderzoek. Wordt het duurder verkocht, geen probleem, maar wij hebben door een te hoge minimumprijs geen verkeerde verwachtingen gecreëerd.

E.D.W.: Er werden in het veilinghuis ook andere activiteiten georganiseerd.

P.B.: Ja, het pand werd voltijds gehuurd, maar je kan niet elke dag een veiling organiseren. Dus heeft bijvoorbeeld De Nieuwe Snaar, de folkgroep van Jan en Kris De Smet, er optredens gegeven.

C.B.: En Johan Verminnen, of Raphaëlla Smits.

P.B.: Er zijn ook snookeravonden georganiseerd.

C.B.: Wij wisten als kinderen niet wat er gebeurde. We dachten dat onze ouders een kunsthandel hadden, en plots stond de zaal vol snookertafels.

P.B.: Bonsaitentoonstellingen, dat herinner ik me ook. Of de Beurs van het Oude Boek – dergelijke evenementen, gewoon om die zaal te maximaliseren.

C.V.G.: Werd er entreegeld gevraagd?

P.B.: Soms wel, soms niet. De zaal werd ook onderverhuurd aan iemand anders. Maar zelfs dan bleven de kosten hoog.

C.V.G.: In 1988 stopt Bernaerts in Antwerpen en plooit het veilinghuis zich weer terug op Mechelen.

P.B.: Terug naar af, of naar minder dan af. Daarna werd het nog erger, toen de Berlijnse Muur viel, begin november 1989. Een jaar later, op 18 november 1990, werd de veiling East Meets West georganiseerd, die simultaan te volgen was in drie steden: Mechelen, Warschau en Tokio. Mon was een hemelbestormer, hij werd enerzijds gedreven door zin voor avontuur, en anderzijds door financiële noodzaak. Als we dit nu niet proberen, dan zijn we dood, dat was vaak de gedachte.

C.V.G.: De veiling vond dus live plaats in Mechelen, en het was mogelijk om in Warschau en Tokio te volgen, maar ook om een bod uit te brengen?

P.B.: Er werd een straalverbinding gebruikt. Er stonden in Mechelen captatiewagens, en in het Marriott Hotel in Warschau en de Marunouchi Gallery in Tokio kon alles gevolgd worden. Er hingen vijf grote valutabalken boven het podium: Franse frank, Belgische frank, Amerikaanse dollar, Japanse yen en Poolse zloty’s.

E.D.W.: Wat was de aanleiding om Japan en Polen te proberen bereiken?

P.B.: In maart 1987 verkocht Christie’s in Londen Stilleven. Vaas met de vijftien zonnebloemen van Van Gogh uit 1888 voor bijna 40 miljoen dollar aan een Japanse verzekeringsmagnaat. Onze vader had dat gehoord. Hij heeft aan andere Belgische veilinghuizen voorgesteld om een front te vormen tegen het Angelsaksische geweld, maar daar is niks van terechtgekomen. Iedereen haakte af, maar de contacten waren gelegd dus heeft hij het alleen gedaan. Het ging om stukken waarvan hij dacht dat ze interessant zouden zijn voor de Japanse markt – moderne en hedendaagse Belgische namen, maar in latere veilingen ook veel glaspasta, bijvoorbeeld.

C.V.G.: Met welk resultaat?

P.B.: Een break-even. De kosten waren even hoog als de commissie op de inkomsten: ongeveer 350.000 euro, meer dan 14 miljoen Belgische frank.

C.V.G.: De concurrentie met Sotheby’s en Christie’s komt vaak terug in jullie geschiedenis.

C.B.: Dat was en is een drijfveer – een soort uitdaging, een spel. Het was voor ons papa deels donquichotterie – een gevecht tegen windmolens dat hij niet kon winnen. Maar het was en is wel de moeite om het te proberen. Waarom zou je niet even goed kunnen zijn? Het ging er vooral om de grote families in België, de verzamelaars, ervan te overtuigen dat ze niet naar Londen moesten gaan om een goede prijs te halen als ze iets wilden verkopen. Dat is anno 2025 voor ons makkelijker geworden. Wij kunnen, mogen, nu geregeld mee aan tafel zitten.

P.B.: Hij was vaak echt kwaad, en hij voelde zich als David tegen Goliath. In 1988 was er een veiling van Belgische kunst bij Christie’s. Hij is naar Londen gegaan om zelf, in een colère, drie werken te kopen.

C.B.: Op een van die werken waarmee hij naar huis kwam – ik was achttien – ben ik verliefd geworden: De blinde uit 1916, van Constant Montald. Dat werk is een van de redenen waarom ik besloten heb kunstgeschiedenis te studeren. En toch wilde hij het niet houden! Hij heeft het in Londen gekocht voor 600.000 frank, ongeveer 15.000 euro, en hij heeft het een maand later geveild voor 610.000 frank. Gewoon om te bewijzen: ik veil dit kunstwerk beter in België. Ik snapte daar niks van: waarom deed hij dat, zo’n mooi schilderij?

P.B.: Er was geld nodig, ongetwijfeld.

E.D.W.: In maart 1989 heeft hij zelf een Van Gogh geveild: Sien met regenscherm, geen schilderij maar een tekening uit 1883, afkomstig uit de collectie van H.P. Bremmer in Den Haag.

C.B.: Achteraf beschouwd was dat pretty risky.

E.D.W.: Omdat de koper een hoge waarborg eiste?

C.B.: We kunnen dat nu zeggen: hij heeft Sien eerst zelf moeten kopen, tegen een hoge prijs. Dat was het nadeel van zijn situatie: hij trok mensen aan die wisten dat hij goede marchandise nodig had, en die daar voor een stuk misbruik van maakten.

E.D.W.: Het werk is op de veiling verkocht aan een koper in Japan voor 10 miljoen frank, 250.000 euro.

C.B.: Klopt. Hij heeft die Van Gogh vooraf voor 3 miljoen gekocht, terwijl de verkoper het werk zelf had aangekocht, kort voordien, voor 1 miljoen. Dat was niet mooi. Maar hij had toen die reputatie: Bernaerts zal het wel kopen, hij zal het aandurven.

E.D.W.: Het was ook weer een manier om te bewijzen dat hij het kon, meespelen in een internationale context. Kort daarna, vanaf de jaren negentig, trad hij steeds vaker op als veilingmeester op de nationale televisie, voor het goede doel.

P.B.: Hij deed dat veel, en graag, maar niet noodzakelijk vanuit het veilinghuis. Zijn gezondheid laat het niet meer toe om hem te interviewen, maar als je hem nu zou vragen wat hij het liefste gedaan heeft, dan zou hij zeggen: benefietveilingen. Los, geen limieten, dankbare mensen, en het geld ging naar een goed doel. Hij was graag gezien door de pers, omdat hij rare sprongen maakte, om het zo uit te drukken, maar ook omdat hij ‘kunstzaken’ gevat kon uitleggen – een rol die ik nu opneem.

E.D.W.: Heeft hij zelf de pers opgezocht?

C.B.: Er werd hem vaak verweten mediageil te zijn.

P.B.: Hij zocht de pers op uit noodzaak.

C.B.: Het is een gave om graag gezien te worden door de media, dat is niet makkelijk.

E.D.W.: In 1993 heeft een veiling voor Kom op tegen Kanker deining veroorzaakt.

P.B.: Het werd een probleem, die benefietveilingen. Bij dergelijke evenementen werden meer en meer valse biedingen uitgebracht. Op die veiling uit 1993 werd een kasteel verkocht, de Varens in Melle. Een Nederlander heeft daar telefonisch 63 miljoen Belgische frank voor geboden. Op een tekening van Rik Wouters, geschat op 100.000 frank, bood iemand uit Sint-Niklaas 7 miljoen frank. ’s Anderendaags bleek dat die mensen geen geld hadden en gewoon te diep in het glas hadden gekeken.

E.D.W.: Is er een rouwverkoop georganiseerd om die goederen opnieuw te koop te stellen?

P.B.: Ja, en wettelijk gezien kan je het verschil dan op die valse bieders verhalen. Maar belangrijker was dat de veiling aandacht heeft gecreëerd voor een initiatief als Kom op tegen Kanker. Een veilingmeester of een veilinghuis kan een maatschappelijke rol spelen, door ideeën of projecten zichtbaar te maken. Je creëert een momentum.

E.D.W.: Jullie doen dat nog steeds, veilen voor het goede doel, bijvoorbeeld met een veiling vorig jaar voor Antwerp Diner, om fondsen in te zamelen voor het onderzoek naar en de preventie van hiv en aids. Op dergelijke initiatieven is ook kritiek gegeven: het levert gekke of ongewone prijzen op, die toch in de databanken terechtkomen en de markt kunnen beïnvloeden of een kunstenaar onrechtmatig ‘groter’ kunnen maken.

P.B.: Dat is een goeie opmerking, maar wij publiceren de resultaten van benefietveilingen nooit. Het totaalbedrag is bekend, maar de afzonderlijke prijzen niet.

E.D.W.: Jullie doen dat niet, maar anderen soms wel, zoals Sotheby’s met de RED Auctions in 2008 en 2010. Bij de verkoop van de Paul G. Allen-collectie door Christie’s in 2022 leverde het schenken van opbrengsten aan liefdadigheidsdoelen ook een belastingvoordeel op.

P.B.: Dat kan, maar het zou niet mogen.

C.B.: Je moet de impact van benefietveilingen niet overschatten: een Philippe Vandenberg zal je daar zelden kunnen aanschaffen.

P.B.: Eind vorig jaar is er toch een Berlinde De Bruyckere verkocht op een benefietveiling, voor 30.000 euro. Dat was in Gent, georganiseerd door Maison Jules, ook ten voordele van hiv-onderzoek.

C.V.G.: Benefietveilingen zijn niet zeldzaam meer.

C.B.: Er is sprake van wildgroei. En het is steeds vaker zo dat galeries toch een hoog percentage vragen op verkochte kunstwerken. Dat vind ik niet juist.

P.B.: Wij blijven meedoen, maar we zouden een protocol moeten opstellen, met voorwaarden. Als een deel van het geld niet naar het goede doel gaat, dan moet dat van tevoren worden aangekondigd.

 

Antwerpen (bis)

C.V.G.: In mei 1991 organiseert Bernaerts een veiling in Tokio, met voornamelijk glaswerk. Jullie vader heeft daar later in een interview over gezegd: ‘Toen hebben we op twee uur tijd alles verloren wat we in vijftien jaar opgebouwd hadden.’

C.B.: Dat was een ramp. Onmogelijk te voorspellen: de Japanse financiële crisis.

P.B.: Die veiling vond plaats hoog in een wolkenkrabber, en als er toen een raam open had gekund, was hij misschien gesprongen. Hij durfde niet terug naar huis.

C.V.G.: Wat gebeurt er tijdens zo’n veiling?

P.B.: Niks. Er wordt niets verkocht. Het gebeurt voor je ogen, en je moet het ondergaan.

C.B.: Niks, dat is niet helemaal waar. Het ging om driehonderd stuks, en er zijn er zeven of acht verkocht, die vervolgens niet betaald zijn. Bovendien: het was een veiling van pâte de verre, glaspasta, en soms waren de stukken al beschadigd of tijdens het transport voor de veiling beschadigd geraakt. Ook toen was er een niet erg betrouwbare leverancier, die hoopte dankzij ons een ticket naar Japan in handen te hebben.

C.V.G.: En daarna?

P.B.: Geen enkele bank gaf nog een kredietlijn. Er waren hoge kosten, want al dat superfragiel glas moest terug naar België.

C.B.: Dan is een vriend, een geldschieter, naar voren gekomen. Hij vroeg 14 of 15 percent interest.

P.B.: Wat veilingen betreft: tussen 1991 en 1993 was het vooral kwantiteit boven kwaliteit, om te overleven. Alles werd aangenomen om zoveel mogelijk te kunnen verkopen, van zakmessen over trekfietsen tot petroleumlampen.

E.D.W.: Die geldschieter heeft de definitieve verhuis naar Antwerpen in 1994 meegefinancierd?

P.B.: Ja, en hij is vennoot gebleven tot 1999, toen hebben we hem uitgekocht.

C.V.G.: Hadden jullie het gevoel dat Antwerpen veranderd was, in 1994, ten opzichte van de jaren tachtig? Een eerdere poging om voet aan de grond te krijgen was mislukt.

P.B.: Ons papa had dat gevoel, wij niet. We woonden toen als gezin in Lier, en Antwerpen was de grote stad, waar we een belangrijke band mee hadden. Er woonde veel familie.

C.V.G.: Was er minder concurrentie dan in de jaren tachtig?

P.B.: In 1992 zijn er twee belangrijke dingen gebeurd. Veilinghuis Van Herck is ermee opgehouden, en Campo is gesplitst na een generatiewissel. Dat heeft gedeeltelijk een vacuüm gecreëerd, dat gunstig was voor ons.

E.D.W.: Jullie kozen voor Antwerpen, maar ook voor het Zuid.

P.B.: Het M HKA was hier, en enkele galeries: Ronny Van de Velde, Zeno X, Micheline Szwajcer. In 1993 was Antwerpen culturele hoofdstad van Europa, dat heeft een belangrijke rol gespeeld.

E.D.W.: Tot eind jaren tachtig werden op het Zuid rondleidingen gegeven voor Antwerpenaars, om te tonen dat ook deze wijk deel uitmaakte van de stad. Het was een achtergesteld gebied, met zwerfvuil, verkrotte woningen en verval. Een sociaal kwetsbare wijk ook, waar veel mensen met een migratieachtergrond woonden.

P.B.: Dat is waar, maar Antwerpen 93 heeft voor een kentering gezorgd. En als je trouwens spreekt over Antwerpen 93: het allereerste plan van onze papa was om de Ark te kopen! I kid you not: zo wilde hij zich in Antwerpen vestigen.

C.V.G.: De Ark was een drijvend theater dat architect bOb Van Reeth ontworpen had toen Antwerpen culturele hoofdstad van Europa was.

P.B.: Ja, maar toen Antwerpen 93 goed en wel voorbij was, moest de Ark verkocht worden onder faillissement. Op de eerste veiling, met ons papa als veilingmeester, was er geen interesse. Toen dacht hij: dit is onze kans! Mijn moeder heeft hem dat plan gelukkig uit het hoofd gepraat. De Ark is verkocht op een tweede veiling.

E.D.W.: Bernaerts is toen bij het huidige pand in de Verlatstraat aanbeland, in 1912 gebouwd als Cinema Tokio.

C.B.: Hij werkte al van in de jaren zeventig samen met Ata Ashtari, een van de eerste Perzische tapijtenverkopers in België. De vrouw van Ata heeft hem destijds getipt dat het gebouw te koop stond.

P.B.: Het was een bioscoop tot in de jaren zeventig. Daarna is het eigendom geweest van striptekenaar Willy Vandersteen. Nadat wij het pand in 1994 hadden gekocht, is de bovenverdieping, met het theater, nog tot 2008 verhuurd aan Studio Tokio, de tweede locatie van het Toneelhuis in Antwerpen. Dus wij zaten tot 2008 beneden, waar de veilingen plaatsvonden, en het theater zat boven.

C.B.: Het Toneelhuis had toen nog zes verschillende zalen, verspreid over de hele stad…

E.D.W.: Wat opvalt is dat tijdens de eerste Antwerpse jaren, van 1993 tot 1996, de kunstmarkt nog niet hersteld is – de primaire markt wel, de secundaire niet. Jullie bloeiperiode begint pas eind jaren negentig.

P.B.: In die beginperiode hebben we nog met z’n vieren als een team van ‘huurlingen’ gewerkt voor industriële veilingen, omdat het pand en de kosten moesten worden afbetaald. We hebben het nodige geduld moeten opbrengen.

C.V.G.: Het was in die jaren dat jullie zijn afgestudeerd. Christophe, jij hebt kunstgeschiedenis gestudeerd in Louvain-la-Neuve. Je scriptie, uit 1993, ging over het werk van de Belgische schilder Georges Rogy. Werd je studiekeuze ingegeven door het plan om in de zaak te stappen?

C.B.: Niet echt. Ik wou kunst studeren. Er waren mensen, collega’s, die tegen mijn vader zeiden: hij moet meteen in de zaak stappen. Maar zijn antwoord was: nee, eerst studeren.

C.V.G.: Waarom heb je voor Louvain-la-Neuve gekozen?

C.B.: Ik heb na de humaniora één jaar in Angers gestudeerd, en na een tijdje droomde ik in het Frans – dat was bij wijze van spreken mijn eerste taal geworden. Ik ben daarna met mijn vader een kot gaan zoeken in Parijs, om mij in te schrijven aan de École de Louvre. Maar ik zag daar enkel meisjes rondlopen, gevaarlijk voor iemand van 23, en geen enkele jongen. Bovendien wist ik, hoewel dat niet zo werd uitgesproken, dat studeren in Parijs niet goedkoop was, en we kenden de situatie thuis. Dus is het Louvain-la-Neuve geworden, om Frans te kunnen blijven spreken. Daar kreeg ik les van boeiende kunsthistorici zoals Hélène Verougstraete, Ignace Vandevivere en Roger Van Schoute – de promotor van mijn thesis.

C.V.G.: Peter, jij hebt Romaanse talen gestudeerd aan de KU Leuven en in 1994 een thesis gemaakt over een Spaans literair tijdschrift. Twijfelde je om in het familiebedrijf te stappen?

P.B.: Nee, ik twijfelde niet: ik ging dat absoluut niet doen. Ik wou een antiquariaat oprichten, ook in de Museumstraat, voor oude en zeldzame kunstboeken. Dat werd mij door veel mensen expliciet afgeraden, en dat schrikte mij af. Mijn vader zei: kom bij ons, je kan de boekenveilingen organiseren. Maar ik wou niet met de naam Bernaerts verbonden zijn, ik wou op eigen benen staan. Papa heeft mij dan, in alle wijsheid, een tijdelijke vakantiejob gegeven – ik mocht doen waar ik zin in had en ik ben gebleven. Ik ben met grafiek en drukwerk begonnen, en dat maakt nu een belangrijk en constant deel uit van ons aanbod.

C.V.G.: Wat zou je idealiter moeten studeren om een veilinghuis te leiden of om veilingmeester te worden?

C.B.: Wij hebben vaak stagiairs en dan zeg ik: het begint allemaal met het kijken.

P.B.: Kunstgeschiedenis studeren is toch belangrijk. Ik heb dat niet gedaan en ik heb niet hetzelfde referentiekader als Christophe, de beslissingen die ik neem zijn minder onderbouwd. Al de mensen die voor ons werken zijn humane wetenschappers – kunstwetenschappers, historici, romanisten of germanisten. We hebben natuurlijk wel een boekhouder.

C.V.G.: Je zou aan een opleiding ‘cultuurmanagement’ kunnen denken.

P.B.: Ja, maar dat is een gespecialiseerde opleiding van één jaar. Wij hebben vaak met behulp van boerenverstand een weg moeten zoeken, ook omdat we geconfronteerd werden – en worden – met de meest uiteenlopende problemen.

 

De eenentwintigste eeuw

C.V.G.: In 2002 wordt jullie vader onverwacht ziek en rijst de vraag wie hem kan vervangen als veilingmeester.

P.B.: Hij had zich kort voordien geëngageerd om een benefietveiling te doen voor het Middelheimziekenhuis in Antwerpen.

C.B.: Het was ook vlak voor het evenement met de Antwerpse Vier.

P.B.: Ja, juist. Er was een plan om samen met vier Antwerpse veilinghuizen – Amberes, Campo & Campo, Campo Vlaamse Kaai en Bernaerts – een moment te creëren. Gezamenlijke tentoonstellingen, op elkaar aansluitende veilingen, er was zelfs een shuttledienst tussen de verschillende huizen… Dat was een supergoed idee van mijn vader, en net dan valt hij uit met een aneurysma.

C.B.: Ik was de oudste, dus ik nam mijn verantwoordelijkheid. Ik was al een tijdje de rechterhand van mijn vader tijdens veilingen, terwijl Peter mij assisteerde. Ik heb die benefiet in het Middelheimziekenhuis voor mijn rekening genomen. Die ging door op de gelijkvloerse verdieping, en onze vader lag op het zevende van hetzelfde hospitaal! Hij had zijn telefoon open gelegd om mee te kunnen luisteren. Ik heb een paar dictielessen gevolgd bij een acteur, maar ik ben toen in het water gegooid zonder te kunnen zwemmen, ook omdat ik de kunstwerken die werden geveild helemaal niet kende. Ik voelde dat het niet goed zat, en ik heb tijdens de pauze besloten: ik stop. Het is beter dat Peter mij vervangt.

E.D.W.: Dat besluit hebben jullie tijdens de pauze genomen?

P.B.: Tijdens de pauze.

C.B.: Ik ben de rechterhand van Peter geworden tijdens het tweede deel van de veiling. En zo hebben we dat een week later ook aangepakt, tijdens het evenement met de Antwerpse Vier.

P.B.: Christophe was mijn souffleur, dat was een heel belangrijke steun. Onze vader volgde de veiling opnieuw vanuit zijn ziekenhuisbed, en hij was tevreden, gerustgesteld ook. Hij wist dat de continuïteit verzekerd was.

C.V.G.: Jullie vader is vrij snel teruggekeerd. In 2003 trad hij bijvoorbeeld op als veilingmeester na het faillissement van Sabena, de nationale luchtvaartmaatschappij van België. Toen is er een record gevestigd dat tot vandaag niet verbroken is: L’Oiseau du ciel uit 1966 van René Magritte is het duurste schilderij dat ooit geveild is in België, voor bijna 4 miljoen dollar. Mon heeft in interviews toegegeven dat hij toen een bieding heeft gesimuleerd.

P.B.: Ja, dat klopt, dat is toen gebeurd.

C.B.: Ik zat naast hem. Er was een limiet ingesteld: hij moest een prijs van minstens één miljoen halen. Twee minuten voor het begin van de veiling komt Christian Van Buggenhout, de grootste curator van België, bij hem en hij zegt, met een schouderklopje: ‘Monneke, vergeet het niet, hé jongen.’ Er waren zeven of acht geïnteresseerden, maar die hadden niet in hun kaarten laten kijken.

P.B.: Er zaten drieduizend toeschouwers in de zaal, in een loods in Zaventem, en alle televisiezenders waren aanwezig.

C.B.: Hij heeft toen gezegd dat er een bod was van één miljoen, maar dat was niet zo.

P.B.: Dat bod was er wel.

C.B.: Nee, dat is niet waar. Ik zat naast hem. Dat bod was er níét. Hij heeft dat bod van één miljoen gepakt. Er waren maar twee mensen in die zaal die dat wisten: onze papa en ik. Daar gaat het om: dat hij met een pokerface beweert dat er één miljoen geboden is en dat hij dan verder gaat. Je moet uitstralen dat je inderdaad een bod van één miljoen hebt ontvangen. Vervolgens gingen er één of twee seconden voorbij. Ik dacht: het is niet waar! We moeten hier zelf één miljoen op tafel leggen. En toen ging er toch een vinger naar omhoog: er was iemand die één miljoen honderd bood. De spanning viel meteen weg.

P.B.: Er zijn twee manieren om een limietprijs te bereiken tijdens een veiling. Ofwel begin je bij een bod en ga je omhoog door voortdurend de suggestie te creëren dat er iets op het punt staat te ontsnappen. Ofwel vraag je meteen wie er een bepaald bedrag wil bieden. In het eerste geval ben je zeker van je stuk en wordt de zaal vragende partij. In het tweede geval stel je als veilingmeester een vraag. Dat is één les die ik van mijn vader heb geleerd: zorg ervoor dat je nooit vragende partij bent.

C.V.G.: Dat geldt voor veel dingen in het leven: je moet mensen altijd de indruk geven dat ze zelf voor je kiezen. Ik heb in 2013 een veiling bijgewoond die door Mon werd gehamerd, en die heeft hij halverwege humeurig stilgelegd. Hij leek bijna boos, en de indruk ontstond dat de zaal zich respectloos opstelde door zo weinig te bieden.

C.B.: Hij zal toen even door de woestijn zijn gegaan…

P.B.: Een aantal loten die niet verkocht zijn geraakt, waarschijnlijk was het dat. Dat slaat op het gemoed, dat dempt de sfeer. Uiteindelijk moeten de aanwezigen de indruk krijgen dat het een voorrecht is om te mógen bieden, en om deel uit te maken van een bepaalde dynamiek. Daarom is het ook zo belangrijk dat er een schattingsprijs wordt meegegeven. Als een stuk in de catalogus geschat wordt op 2000 euro en de veilingmeester begint op 500 euro, dan weet je dat de limiet ergens rond de 2000 euro ligt.

C.B.: Zo moet het zijn. Wat niet mag, is een schattingsprijs meegeven van pakweg 1000 euro terwijl de limiet op 5000 euro ligt. Dat wordt ook gedaan, gewoon om mensen te lokken, om de indruk te wekken dat het haalbaar is om een bepaald stuk te verwerven. Dat doen wij nooit.

C.V.G.: Een van de argumenten voor het bestaan van het veilinghuis is dat je de verkoper een eerlijke prijs garandeert.

P.B.: Inderdaad, we garanderen een eerlijke en correcte, marktconforme prijs.

C.V.G.: Maar hoe vermijd je dat de prijs kunstmatig wordt opgedreven en dat de markt op die manier verandert, om niet te zeggen verziekt? Op de Belgische immobiliënmarkt wordt bijvoorbeeld steeds vaker met het online biedingsplatform Biddit gewerkt. Er wordt gezegd dat de verkoopprijzen daardoor zijn gestegen.

P.B.: Elke notaris werkt daar nu mee. Biddit organiseert timed auctions, wij organiseren live auctions, dat is een belangrijk verschil. Dat huizen of gronden live ‘gehamerd’ worden, dat is zeldzaam geworden. Dergelijke onlineveilingen creëren een andere dynamiek: het gaat heel traag, en pas op het eind komt alles in een stroomversnelling. Bovendien geeft Biddit enkel een startprijs. Wij geven voor elk item een startprijs mee, maar ook een schattingsprijs. Daardoor zijn we, in zekere zin, rechter en partij, want we stellen zelf een waarde voorop.

C.B.: Nogmaals, dat werkt alleen als de schattingsprijs en de limiet min of meer gelijk zijn. Ik denk dat het op de immobiliënmarkt geregeld gebeurt dat er een schattingsprijs wordt meegegeven, maar dat de limiet, afgesproken tussen verkoper en notaris, veel hoger ligt.

C.V.G.: Ook tijdens een liveveiling kan er ondertussen online worden geboden – dat is een groot verschil met de jaren tachtig en negentig.

P.B.: De helft van de biedingen gebeurt online.

E.D.W.: Ik heb onlangs een veiling van jou bijgewoond, Peter, en wat me opviel is dat je de mensen die zich op onlineplatformen bevinden ook aanspreekt.

P.B.: Ja. Dat is heel raar. Ik krijg natuurlijk niks terug, behalve een bod. Maar ik beschik ook over informatie die ik kan onthullen, bijvoorbeeld als er online een bod uit het buitenland komt. Dat maakt indruk op de zaal, als er buitenlandse interesse is.

E.D.W.: Is het ook een manier om de sfeer van weleer tot stand te brengen, om alle aanwezigen erbij te betrekken, ook al bevinden ze zich verspreid over verschillende plekken?

C.B.: Ik ben daar niet zo romantisch in. Dat er zoveel online wordt geboden, vind ik niet erg.

P.B.: Je kan het publiek als veilingmeester niet of veel minder manipuleren, dat is zeker.

E.D.W.: Je moet een andere taal spreken.

P.B.: Ja, en daarom heeft onze vader afgehaakt. In maart 2020, aan het begin van de pandemie, heeft hij gezegd: ‘Nemen jullie het maar over. Ik heb niks met de computer. Ze bieden wel, maar ik kan ze niet de baas.’ Soms zei hij daarvoor ook al, tegen de camera: ‘Bied een beetje sneller. De andere mensen zijn tenminste naar hier gekomen.’ Het is raar om zoiets voor de voeten te gooien van iemand die in de Verenigde Staten zit.

C.B.: Je moet vriendelijk blijven, je moet verleiden.

P.B.: Dat kon hij niet meer. Hij wist niet wie hij voor zich had.

C.V.G.: Wie online biedt mag anoniem blijven?

P.B.: Voor de zaal wel, maar wij weten om wie het gaat.

C.B.: Wij moeten iedereen van tevoren goedkeuren. Ook als je in de zaal zit, moet je eerst je identiteitskaart tonen.

C.V.G.: Dat de zaal niet weet wie biedt, kan een nadeel zijn. Ik herinner me een veiling bij Bernaerts waarop fotograaf en verzamelaar Stephan Peleman biedingen uitbracht. Dat maakt bepaalde loten extra aantrekkelijk.

P.B.: Ja, dat heeft veel effect. Vroeger was het zo dat loten fysiek werden gepresenteerd, nu is alles op een scherm te zien. Je had handelaars die, in een volle zaal, naar hun eigen stukken kwamen kijken – ik zeg maar iets: Mechels albast – en dan een gebaar maakten naar de veilingmeester, om aan te geven: ‘Topkwaliteit!’ Zoals in die reclame van Del Monte voor ingeblikte perziken: een man die in een perzik snijdt en dan zichtbaar geniet. Het was zijn eigen marchandise! Hij creëerde zelf buzz, omdat veel mensen in de zaal wisten wie hij was. Er zijn tijdens zo’n veiling veel tegenstrijdige belangen. Het publiek wil een redelijke, liefst lage prijs; wij willen een hoge prijs, de verkoper ook; en dan heb je soms nog handelaars die de prijs willen drukken en een kartel vormen.

E.D.W.: Dat zijn handelaars die tijdens de veiling als kopers optreden. Ze maken vooraf afspraken om niet met elkaar te concurreren en om de prijs dus laag te houden, zodat ze daarna zelf stukken tegen een hogere prijs kunnen doorverkopen.

C.B.: De invloed van de handelaars is kleiner geworden. Op dat vlak gebeurt het nu eerlijker.

P.B.: In de jaren tachtig en negentig werd bijna alles wat wij verkochten door handelaars gekocht, zeker de topstukken. Particulieren maakten geen schijn van kans, ook omdat die handelaars een front vormden en druk uitoefenden. Ze gebruikten echte intimidatietechnieken.

E.D.W.: De markt die aan de markt verkoopt, dat is zeldzamer geworden.

P.B.: Ja, b2b – business-to-business – is b2c geworden: business-to-consumer. Daar heeft het internet mee voor gezorgd. Er zijn veel minder kleinhandelaars, en er is veel minder kartelvorming. De schijnwerpers van het internet hebben dat wereldje opgelost, waardoor particulieren weer ruimte hebben gekregen.

C.B.: Tegelijkertijd denk ik dat er meer wordt gelogen op allerhande verkoopplatformen. Dat geldt niet voor de kunstmarkt alleen: je kan online beweren wat je wil, ook wat prijzen betreft.

P.B.: Ja, maar ook het omgekeerde is waar. Omdat onze catalogi online staan, kan iedereen meelezen. Het gebeurt soms dat wij met reden op de vingers worden getikt en dat we iets moeten aanpassen voor de veiling van start gaat.

 

Erfgoed en herkomst

 E.D.W.: Veel van wat door jullie handen passeert, heeft een hoge kunsthistorische waarde, zoals archieven, dagboeken en manuscripten. Toch gaat het vaak van de ene privécollectie, via het veilinghuis, naar de andere. Zou er niet, zoals bij bouwwerven waarbij historische resten bloot komen te liggen, een kortstondige fase moeten zijn waarin onderzoekers tijdelijk toegang krijgen tot het materiaal, tussen het moment waarop iets bij jullie wordt aangeboden en het moment waarop het wordt verkocht?

C.B.: Dat probleem heeft zich bij ons vooral voorgedaan in 2008, met de collectie en het archief van kunsthistoricus en kunstpromotor Emile Langui, die in 1946 ambtenaar werd van het Departement Schone Kunsten in België.

E.D.W.: Op die veiling is inderdaad veel kritiek gekomen.

C.B.: Dat is ook bij ons intern een groot probleem geweest.

C.V.G.: In een panelgesprek in 2011 in De Witte Raaf, nr. 150, zei Virginie Devillez, die toen conservator was bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België: ‘Ik krijg nog altijd buikpijn als ik aan die verkoop denk.’

P.B.: Dat begrijp ik.

E.D.W.: Hoe is dat gegaan?

P.B.: Wij kregen telefoon van een man met een Limburgs accent die zich in een appartement bevond vol met kunst en documenten. Ik ging daarnaartoe en alles stond klaar om in de container gegooid te worden. Het bleek te gaan om het archief en de collectie van Langui, die zelf beschikte over het archief van Paul-Gustave van Hecke, de uitgever van het tijdschrift Variétés. Een archief waar volgens Jan Ceuleers al dertig jaar naar gezocht werd, werd ons bij wijze van spreken in de schoot geworpen. Elias Leytens, onze expert in werken op papier, heeft er vervolgens zes maanden werk op verricht. We maakten een catalogus, er was een tentoonstelling, er kwamen veel handelaars kijken. Vervolgens heeft mijn vader een aantal loten nog voor de veiling samengevoegd en toegewezen aan één koper. Die beloofde om met het materiaal een tentoonstelling te organiseren in het KMSKA, maar we zijn nu bijna twintig jaar verder, en Elias stuurt nog geregeld een mail naar die man om hem aan zijn belofte te herinneren.

C.B.: Daar zijn we in de fout gegaan, omdat we te zeer voor het lucratieve hebben gekozen. Vooral Elias heeft ons daar toen op gewezen: ethisch was dat niet correct, maar we zijn overruled door onze vader.

P.B.: Nogmaals: we waren ervan overtuigd dat het materiaal in een museum ontsloten zou worden. Als je ons nu vraagt of documenten ter beschikking moeten worden gesteld van onderzoekers, dan is het antwoord ja. Tegelijkertijd: de waarde van archieven die gefotografeerd of gekopieerd zijn, keldert meteen. In 2002 hebben wij een veiling georganiseerd voor The Romantic Agony, het veilinghuis dat in 2018 is gefuseerd met Henri Godts tot Arenberg Auctions. Op de tentoonstelling vraagt iemand mij of hij een brief mag kopiëren. Ik zeg: geen probleem, waarop Rik Van Cauwelaert, wiens echtgenote stichtend vennoot is van The Romantic Agony, mij meteen tegenspreekt: een buitenstaander heeft daar geen enkel recht op. Het ligt moeilijk, want wij moeten de rechten van de eigenaar verdedigen, en wij kunnen de stukken uiteraard niet devalueren. Toch gebeurt het dat ik verkopers aanraad om naar de Erfgoedbibliotheek te stappen in plaats van een waardevol manuscript te laten veilen, en het gebeurt dat ze dat aanbod accepteren, ook al krijgen ze dan waarschijnlijk minder geld. Families willen vaak dat een erfstuk geconsulteerd kan worden.

C.V.G.: Jullie hebben meldingsplicht, om verkopers te wijzen op die mogelijkheid.

P.B.: Ja, maar het zou niet erg zijn dat zoiets niet langer van onze goodwill afhankelijk is – dat mensen met een archief of met een collectie duidelijk gemaakt wordt wat de opties zijn en welke instituten er bestaan, zodat ze niet meteen alles op de markt gooien.

E.D.W.: Openbare instellingen, universiteiten of bibliotheken bijvoorbeeld, hebben vaak niet voldoende budget om op te boksen tegen privéverzamelaars, waardoor belangrijke stukken nooit tot het publieke domein zullen behoren.

P.B.: Sinds vorig jaar heeft de Vlaamse overheid een voorkooprecht, en dat geldt bij elk erkend veilinghuis. Zij kunnen na het hoogste bod in de zaal zeggen: wij nemen deze koop over, en dan worden de rechten en plichten van de nieuwe eigenaar verbroken.

E.D.W.: Enkel na het hoogste bod… Door de complexiteit van België – er is niet één centraal of nationaal kunsthistorisch erfgoedinstituut – zijn de budgetten niet alleen klein, maar ook heel versnipperd. Dat is niet jullie probleem, maar het maakt dat voorkooprecht relatief.

C.B.: Het is beter dan niks. Als je het voorkooprecht aan het begin van het proces plaatst, toont niemand nog interesse.

P.B.: In 1999 zat mijn vader tegenover Bert Anciaux, toenmalig Vlaams minister van Cultuur, in het televisieprogramma De Zevende Dag. Hij had toen net Maria en het kind in een krans van bloemen, vruchten en groenten (1632) van Jacob Jordaens aangekocht in een veilinghuis in Madrid, en hij heeft Anciaux daarop attent gemaakt. De minister zei dat er geen geld was, en dat het schilderij niet paste binnen het aankoopbeleid. Het is dan bij ons geveild voor 250.000 euro. Kurt Van Eeghem heeft zich daar destijds op de radio kwaad over gemaakt: er werd een topstuk verkocht in Vlaanderen, en voor een keer eens niet in Londen, maar de overheid gaf niet thuis.

C.V.G.: Is dat nu veranderd?

P.B.: Ja. Het Topstukkendecreet van de Vlaamse overheid bestaat sinds 2003, en dat ‘beschermt’ roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang. Wat ook een belangrijke rol heeft gespeeld, is de positie van Fernand Huts en zijn Phoebus Foundation, opgericht in 2011. De vrees was dat hij alles zou opkopen voor zijn privéverzameling – die hij trouwens ontsluit – en dus is de overheid in actie gekomen.

C.V.G.: De overheid zou in theorie nog meer kunnen reguleren, en individuele eigendomsrechten kunnen betwisten in functie van het algemeen belang.

P.B.: Dat kan, maar dat is niet zonder gevaar. Ik zit in de Raad van Bestuur van de Kamer van Veilingzalen. Onlangs was er grote commotie: er waren twee brieven die iets met Napoleon te maken hadden en die in België zouden worden geveild, totdat ze plots door de Franse staat werden teruggevorderd. Paniek! Is dat de toekomst van het veilingwezen? Ander voorbeeld: twee schetsen van de eerste pianosonate van Beethoven werden eind 2023 geveild door Arenberg Auctions, waarna de Vlaamse overheid weigerde de uitvoervergunning toe te kennen. De eigenaar heeft vervolgens met een verkoop aan de overheid ingestemd – het Topstukkenfonds heeft er 101.000 euro voor betaald. Wij moeten het kenbaar maken als er iets met hoge erfgoedwaarde aan ons wordt aangeboden, maar ten eerste is dat niet altijd makkelijk te bepalen, en ten tweede is het niet duidelijk wat er vervolgens kan of moet gebeuren.

C.V.G.: De waarde van een object hangt samen met de herkomst ervan. Provenance studies zijn een vakgebied op zich geworden: het achterhalen van de geschiedenis van een kunstwerk, ook om te weten hoe het van eigenaar is gewisseld, en of dat op een rechtmatige wijze is gebeurd. Is dat ook de taak van een veilinghuis?

C.B.: Hoe ver kan of moet je daarin gaan? Dat begint vaak bij familieleden, meestal kinderen. Stel dat een tapijt wordt aangeboden: als de erfgenamen niet meer weten waar het tapijt is aangekocht, dan kunnen we een vermoedelijke herkomst aanduiden, maar zeker is dat niet. Wie houdt er facturen of aankoopbewijzen decennialang bij?

E.D.W.: Wat de laatste jaren vooral ter discussie is komen te staan, is roofkunst die bijvoorbeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog onrechtmatig bij een Joodse eigenaar is weggehaald.

C.B.: Ook dat is moeilijk te achterhalen. Ik heb dergelijk onderzoek een tijd terug gedaan voor een stilleven van Pieter Claesz. uit 1646, maar er is geen overkoepelende Europese site of databank. Gevolg: je moet alle nationale databanken afzonderlijk consulteren.

E.D.W.: Binnen de context van het nationaalsocialisme zijn de regels streng, maar ook met koloniale kunst wordt strikter omgesprongen: elke periode van de geschiedenis van een werk of een object moet bekend zijn. Er mogen zich geen hiaten voordoen.

P.B.: Wij kunnen tegen betaling terecht bij The Art Loss Register, een database van gestolen kunst en antiquiteiten.

C.B.: Vaak willen verkopers een claim vermijden, en dan moeten wij zekerheid proberen te verwerven over het eigenaarschap. Maar het omgekeerde doet zich ook voor: als we een verkoper waarschuwen dat er iets bezwarends aan het licht zou kunnen komen, beslist die meteen om het stuk terug te trekken.

P.B.: Ik vermoed dat elk kunstwerk in de toekomst een paspoort zal krijgen. Met blockchain is dat perfect mogelijk. En waarom niet? Er zijn nog steeds geen internationale regels over welke gegevens, in welke vorm, bij de verkoop van een kunstwerk moeten worden meegegeven. Voor munten is dat wel het geval, voor kunst en antiek niet. Zo’n paspoort zou dat kunnen veranderen.

C.V.G.: Wie zou een dergelijk paspoort kunnen uitreiken?

P.B.: Ik denk in de eerste plaats aan de primaire markt, de kunstenaars en galeries. Om het met een boutade te zeggen: een hedendaagse kunstenaar is vandaag meer bezig met zijn archief dan met zijn kunst. Ze schilderen zich allemaal in de eeuwigheid. Als je vandaag een nieuw kunstwerk koopt, krijg je daar nu al een soort paspoort bij. Dat heeft de secundaire markt nog niet.

C.B.: De vraag is misschien ook: moet alles een paspoort krijgen? Hoe streng en begrensd moet alles worden?

E.D.W.: Je kan beginnen bij alles wat enigszins als ‘verdacht’ geklasseerd kan worden.

P.B.: Het maakt ook deel uit van een algemener ethisch reveil bij jongere generaties. Mensen willen niet iets kopen of bezitten dat niet ‘juist’ is.

E.D.W.: Het is ook pragmatisch: mensen willen niet iets bezitten dat ze nooit nog kunnen doorverkopen.

P.B.: Nee, en dat is terecht.

C.V.G.: Het meest pessimistische extreem is helder: er is geen enkel object dat niet op de een of andere manier contesteerbaar is. Om Walter Benjamin te parafraseren: elk cultuurproduct, alles wat wordt geveild, is een document van barbarij.

C.B.: Wie zoekt die vindt…

P.B.: En toch: de perceptie dat de kunstmarkt, en zeker de secundaire kunstmarkt, eerder shady is, die klopt. Ook anno 2025 gebeuren er nog dingen, grootschalige verkopen, die erg bedenkelijk zijn op ethisch vlak.

C.B.: Het lijkt me heel idealistisch om te denken dat je al die wantoestanden kan wegwerken. Wij zijn als veilinghuis een huis van vertrouwen, ook omdat zoveel andere huizen of spelers niet te vertrouwen zijn.

C.V.G.: Een nadeel voor jullie is alleszins dat het meer werk veroorzaakt.

C.B.: Dat is zeker zo. We hebben verplicht een AMLD5 officer, een expert op het vlak van de vijfde antiwitwasrichtlijn van de Europese Unie. Soms is het zo dat wij na onderzoek niet alleen beslissen om iets dat wordt binnengebracht te weigeren, maar ook om iemand aan te geven, bij de fiscus bijvoorbeeld. Ook op dat vlak hebben we meldingsplicht.

 

Jongeren

E.D.W.: Het takenpakket van een veilinghuis is sterk uitgebreid sinds de beginjaren. Uit jullie jaarcijfers blijkt dat een substantieel bedrag aan personeelskosten wordt besteed. Vorig jaar maakten jullie slechts dertigduizend euro winst.

P.B.: Wij hebben een ploeg van vijftien medewerkers, en nog heeft iedereen te weinig tijd. Het kost maandelijks 125.000 euro om de hele boîte hier te runnen. Tegelijkertijd hebben we een gemiddelde jaaromzet – op de hamerslag berekend – van vijf tot zeven miljoen. Ik heb me al afgevraagd of we goede managers zijn.

C.B.: Er zijn veel ondernemingen die verlies maken, dus wij zijn een gezond bedrijf. En bovendien is er in België de automatische loonindexering, die de loonkosten in 2024 sterk heeft doen stijgen. Je mag ook niet vergeten: wij, Peter en ik, hebben in de jaren negentig voor duizend euro per maand gewerkt.

E.D.W.: Het countert alleszins het imago dat aan de kunst- en zeker de veilingwereld kleeft. Echte monsterbedragen en multimiljonairs zijn de uitzondering.

P.B.: Voor onze financiële situatie is de verhuis naar Antwerpen in 1994 cruciaal geweest. Eigenlijk is dit pand onze bestaanszekerheid.

C.B.: We hebben daar veel geluk in gehad. Wie had kunnen verwachten dat het Zuid zich zo zou ontwikkelen?

E.D.W.: Er is trouwens een boeiende thesis over jullie veilinghuis geschreven, in 2021, als onderdeel van een master in cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen. De titel was The Art of Engagement. De effectiviteit van verschillende contactmomenten met de klant voor de kernwerking van Veilinghuis Bernaerts. Uit het onderzoek van Lara Marsili kwam toen naar voren dat meer dan tachtig procent van jullie klanten – kopers dus – mannelijk is, rond de zestig jaar, en bovendien is ongeveer de helft daarvan afkomstig uit de provincie Antwerpen.

P.B.: Ik weet het. Maar waar zijn ze? Waar is de jeugd? Wanneer worden ze wakker?

E.D.W: Jullie proberen het klantenbestand nochtans gevarieerder te maken, dankzij allerlei initiatieven, optredens, theatervoorstellingen, tentoonstellingen, door zichtbaarheid op sociale media…

P.B.: Dat is waar. Voor een stuk dient dat inderdaad om de veilingen onder de aandacht te brengen, maar we hebben ook de ambitie om een algemeen cultuurhuis te zijn. Daar blijkt ook vraag naar te zijn, zowel bij het publiek als binnen de sector.

E.D.W.: De moeilijkheid om een jonger en breder publiek aan te trekken voor de veilingen was al een frustratie van jullie vader.

P.B.: Ik denk dat mensen gewoon liever naar de toekomst of het heden kijken dan naar al het topmateriaal dat achter ons ligt.

C.B.: De thesis is van 2021, dus het zou kunnen dat er sindsdien alweer wat verschoven is. Trouwens: hoeveel mensen zijn in kunst geïnteresseerd, hoeveel mensen denken er überhaupt aan om naar Bernaerts te komen? Twee procent van de samenleving? Wij werken voor een kleine minderheid. En bij de jeugd hebben we de perceptie tegen: de indruk bestaat dat wij uitsluitend dure stukken verkopen.

E.D.W.: Toch is dat soms relatief. Jullie hebben onlangs een reeks kasten van de Zwitserse firma USM Haller geveild: stalen, modulaire meubels ontworpen door Fritz Haller. Sommige kasten van IKEA zijn even duur.

P.B.: Dat is ook iets dat ik niet begrijp, en dat heeft met duurzaamheid en circulariteit te maken. Iedereen beseft dat we moeten hergebruiken en stoppen met produceren en consumeren, maar toch worden bij voorkeur nog altijd nieuwe dingen gekocht, zeker door jonge mensen.

C.V.G.: Misschien geldt dat ook voor kunst. De Belgische actrice en presentatrice Ella Leyers, geboren in 1988, maakt er geen geheim van dat ze kunst koopt – recente schilderijen – bij de Antwerpse galeries van Sofie Van de Velde en Tim Van Laere.

C.B.: Dat is een statussymbool – voor jonge mensen althans.

P.B.: En daar ligt het probleem: waarom kan het niet statusverhogend zijn om iets ouds te kopen? Er is zoveel in het verleden dat onbeschouwd blijft, zoveel geschiedenis die vergeten is. Misschien is dat een deel van onze taak, of zelfs van onze missie: om wat bestaat opnieuw te beschrijven, onder de aandacht te brengen en weer in gebruik te laten nemen.

C.V.G.: Er bestaat al meer dan genoeg kunst, misschien kunnen we een tijdje zonder nieuw werk…

P.B.: Ik las een tijd terug een interview met Marc Spiegler, van 2012 tot 2022 de directeur van Art Basel. Hij overschouwde de honderden booths op de beurs, staand op een verhoog, en hij zei: ‘Binnen vijf jaar is meer dan tachtig procent van deze kunst vergeten.’ Als dat zo is: zet dan toch een moratorium op al die beurzen! Al die nieuwe kunst verplettert de kwaliteit, en kunstwerken kunnen niet meer ademen of tot wasdom komen. Vanuit onze anachronistische bubbel proberen we voortdurend duidelijk te maken dat wat oud is ook waardevol en zelfs nieuw kan zijn.

Het verschil tussen twee dingen. Gesprek met Willem Oorebeek

Camiel van Winkel: Je zei me laatst dat het geen enkele zin heeft om goed te kunnen lithograferen. Een conservator van Boijmans Van Beuningen noemde jou in 1988 nochtans ‘een meester van het scala aan mogelijkheden binnen de lithografie’.

Willem Oorebeek: Ik heb altijd goed kunnen verhullen dat ik het eigenlijk niet kon, door te doen alsof ik juist dat ‘kunnen’ een obstakel vond.

C.v.W.: Hoe zit het dan met dat meesterschap?

W.O.: In de grafiek, de wereld van de kunstdruk, gaat het erom dat je je vakmanschap bewijst met perfecte gelijkvormigheid. Ik was altijd meer geïnteresseerd in het verschil dan in de overeenkomst tussen twee drukken.

C.v.W.: Jij stond dus meer aan de kant van Warhol.

W.O.: Warhol heeft tenminste begrepen waar het om ging bij het drukken: dat je een structuur opzet die een overdracht of transfer van beeld realiseert. Dat is waar het om gaat, en niet om schoonheid of precisie, of om de overgebrachte informatie.

C.v.W.: Net als jij was Warhol juist geïnteresseerd in het verschil tussen twee drukken.

W.O.: Ja, omdat het verschil tussen twee dingen maakt dat je twee polen krijgt die je met elkaar kunt vergelijken. En als ze dan ook een beetje interessant dichtlopen, heb je twee extremen geproduceerd.

C.v.W.: Hij liet de zeefdruk bedienen door assistenten die de technische competentie niet hadden.

W.O.: Die competentie was niet relevant. Ik heb altijd veel interesse gehad in een kunstenaar die nota bene aan Warhol een zeef heeft gevraagd om zelf ‘Warhols’ te kunnen maken: Sturtevant. Dat gaat natuurlijk nog een stapje verder, omdat het helemaal niet meer om het drukkerschap gaat. Mij gaat het wel om het drukkerschap, in die zin dat dat een figuur wordt, een figuurlijke positie. Om een medium te deconstrueren is het van belang dat je weet hoe het werkt, hoe het in elkaar zit, ook formeel, en wat daarvan de consequenties zijn. De productie van drukwerk is massaal, maar er wordt nooit iets gedrukt zonder reden, er is altijd een overweging om een boodschap te plegen, om te verleiden, te dwingen en te manipuleren.

C.v.W.: Je gebruikt lithografie nu vooral als techniek voor reproductie, herhaling, verdubbeling en verduistering. Daar is duidelijk iets verschoven ten opzichte van je vroege, relatief klassieke toepassingen van dat medium.

W.O.: Die verschuiving is opgetreden aan het eind van de jaren negentig. In die periode plakte ik gedrukte beelden op de muur, die ik had aangepast aan de schaal van de tentoonstellingsruimte door ze uit te vergroten. Het effect was op den duur dat ik de grond onder mijn voeten kwijtraakte, het contact met de realiteit van de dingen. Dat bereikte een hoogtepunt in mijn tentoonstelling in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië in 1997.

C.v.W.: Wat bedoel je?

W.O.: Als je iets extraheert uit de beeldcirculatie en uitvergroot tot de schaal van de tentoonstellingsruimte, verliest het zijn eigen afmetingen. In 1999 bedacht ik dat ik misschien terug moest naar het materiële object zelf, het gedrukte ding. Het idee ontstond toen om een toe-eigening te plegen die mijn ingreep duidelijk laat zien, maar waarbij het object steeds zijn eigen afmetingen behoudt. Zo zijn de BLACKOUTS ontstaan, de geste om bestaand beeldmateriaal te overdrukken met een laagje zwarte inkt. Zodra de inkt droog is, komt het oorspronkelijke beeld gedeeltelijk terug, via de reflectie van het licht op de donkere delen.

C.v.W.: Je past dus geen uitvergroting toe.

W.O.: En daardoor gaat het tenminste weer over het drukwerk waar ik in beginsel in geïnteresseerd was. BLACKOUTS ontstaan altijd vanuit een affiniteit met wat ik overdruk. Het betreft geen puur iconoclastische handeling, want dan kun je het ding net zo goed weggooien. Dat is wat al gebeurt met het meeste drukwerk, dat eigenlijk altijd geproduceerd wordt om het na gebruik weg te gooien. Een BLACKOUT is een vorm van het redden van beelden. De geste van affiniteit maakt dat je iets redt door het onzichtbaar te maken achter een laag die door de drukker zelf wordt aangebracht.

C.v.W.: Waar red je het beeld van?

W.O.: Van de ondergang. Maar dan komen er natuurlijk heel andere kwesties in het spel. Als je drukwerk met een laag zwart overdrukt, schakel je de details van de boodschap uit, maar moet je nog steeds laten zien waarom je de geste van affiniteit hebt willen toepassen. Het is een precair spel van tonen, van zichtbaarheid en onzichtbaarheid, wat niet geheel vrij van pathetiek is. Ik kan mezelf niet wegcijferen, ook omdat de affectieve geste juist als iets persoonlijks is bedoeld. Een BLACKOUT zit dus vol met haken en ogen. Obstakels eigenlijk.

C.v.W.: Vaak gaat het bij de BLACKOUTS om beelden die uit een serie komen. Een reeks verkiezingsposters bijvoorbeeld, een reeks portretten van communistische leiders, of verschillende covers van hetzelfde tijdschrift.

W.O.: Ik heb me voor alles opengesteld. Ik heb mijn interesse proberen te ontwikkelen met het oog op het toepassen van de geste. Dat betekent dat je actief begint te zoeken naar dingen die geschikt zijn om te overdrukken. Op een gegeven moment bleek dat er te veel dingen waren waarin ik geïnteresseerd was; het dreigde een massaproductie te worden, een routine die niets meer te maken had met die persoonlijke, pure interesse. Het is lang een routine geweest, ik heb vijftien jaar bijna alleen maar BLACKOUTS gemaakt. En dan kom je langzaam tot een punt van verzadiging, het punt waarop iets wel heel erg interessant moet zijn voordat je weer je zwartrol oppakt.

C.v.W.: Ik zie de BLACKOUTS als een soort negatieve dialectiek van het origineel. Een stuk drukwerk gemaakt in hoge oplage verandert in een uniek, origineel beeld, juist doordat het praktisch onleesbaar wordt en wegzinkt in een verduisterde ruimte.

W.O.: Dat is voor een groot deel interpretatie.

C.v.W.: Wat ik bedoel is dat je langs de weg van de negatie een kopie transformeert in een origineel. Dat vormt dan die redding waar je het over had. Iets waarvan duizenden identieke exemplaren bestaan, wordt omgevormd tot één nieuw origineel.

W.O.: Ja, maar de BLACKOUTS waren interessant omdat ze ook tegen mijn neiging tot negatie ingingen: ze maakten wel degelijk iets zichtbaar, op een andere, indirecte manier. Het idee is om, in plaats van iets compleets, iets overcompleets aan te bieden, iets wat zichzelf in zijn eigen verdubbeling onleesbaar maakt. Dat heeft bij mij altijd al een rol gespeeld. Een voorbeeld is mijn biografie in het eerste MONOLITH-boek uit 1994: op één dubbele pagina staan zoveel bio’s over elkaar heen gedrukt, gereproduceerd uit oudere catalogi, dat het geheel niet meer leesbaar is, behalve de naam Willem Oorebeek, die in een vetter lettertype is gezet. Door lagen over elkaar heen te drukken was ik dus toen al, in de jaren voor de BLACKOUTS, op weg naar het complete zwart, dat wil zeggen naar een eindfase waarin alles volledig over elkaar zit: een soort verticale statistiek. In de jaren negentig was het bijna zover, omdat ik toen ook nog op zwart papier ging drukken. Naderhand kwamen de werken getiteld M.O.T.S (More Of The Same), die dit nog eens thematiseerden.

C.v.W.: De ambivalentie van de BLACKOUTS is dat je schijnbaar verschillen uitvaagt, maar dat tegelijk ook juist niet doet. Het vormt een bevestiging langs de weg van de ontkenning.

W.O.: De geste van het overdrukken is een quasimechanische handeling die je toepast op iets wat de moeite waard is om gered te worden. Alle communicatieve details van de gedrukte boodschap verdwijnen; de iconografie blijft over als het enige zichtbare residu. De werken kunnen alleen nog maar bewijzen dat ze er ooit waren, als beeld.

C.v.W.: Heb jij op een bepaald moment besloten dat je geen schilder wilde zijn? Je zei eerder dat je in de jaren zeventig niet van het beeld kon loskomen.

W.O.: Ik heb geschilderd, ja. Ik heb heel mooie schilderijen gemaakt. Maar op den duur schilderde ik alleen nog op de manier waarop drukwerk per kleur vooruitgeholpen wordt, met zo min mogelijk extra inspanning. Toen besefte ik: hier gebeurt iets wat een keuze vereist. Vergeleken met mijn grafische werk was de schilderkunst mij eigenlijk veel te arbitrair. Daarom heb ik dat opgegeven.

C.v.W.: In een parallel universum had je misschien schilder kunnen blijven. Ik moet nu even denken aan Gerhard Richter.

W.O.: In zijn abstracte schilderijen zie ik helemaal niets. Dat is precies de schilderkunstige geste waar ik geen affiniteit mee heb. Ik herken me wel in zijn keuze voor het onscherp naschilderen van foto’s. Dat is een elementair keuzeapparaat. In Richters Atlas kun je zien dat hij alles als een boekhouder afgraast. Zoals iedere schilder en iedere fotograaf moet hij steeds weer opnieuw op zoek naar een onderwerp. Dat vereist dat je het mechanisme van het afgrazen scherp houdt.

C.v.W.: En dat mechanisme is een reproductiemechanisme?

W.O.: Ja, het naschilderen van bestaande plaatjes. Door de onscherpte worden het reproducties en krijgen ze een gemediatiseerd effect mee.

C.v.W.: Je hebt dus bewust besloten om te stoppen met schilderen.

W.O.: Het interesseerde me niet om over iedere mogelijke verfstreek te moeten nadenken. Ik werd te veel verleid door mijn eigen toets, en dat vond ik arbitrair. Als schilder kun je doen wat je wilt, als het maar verleidt, en dat is natuurlijk heel verdacht voor een calvinist zoals ik.

C.v.W.: Ben je nu, terugkijkend op je vroegere werk, tot een inzicht gekomen over bepaalde obstakels die er in je carrière geweest zijn?

W.O.: Ieder werk is op zijn eigen manier een obstakel, omdat je ergens overheen moet waar je voor staat. Veel werk uit de jaren tachtig en negentig komt voort uit de weerzin om een editie te drukken enkel omdat je kunt drukken. Een editie resulteert in een stapel vellen papier die je hebt bedrukt en die allemaal hetzelfde zijn. Wat doe je daarmee? Het vormt een obstakel dat je moet oplossen of uit de weg moet ruimen. Dat is over het algemeen het gemiddelde obstakel van het werk uit die jaren: het probleem om de limieten van je eigen schaal te overstijgen. Dat zijn allemaal grootschalige dingen voor die tijd. Die ambitie is inmiddels opgelost in minder.

C.v.W.: Je drukt allang geen grote oplages meer.

W.O.: Ik heb altijd een weerzin gehad tegen dat automatisme. Ik maak geen lithografie uit liefde voor het medium, maar omdat het lijkt op generiek drukwerk. Dat is voor mij de kern van de activiteit waar ik me op baseer; ik wil dat het werk lijkt op drukwerk. Ik heb een onderscheid gemaakt tussen mijzelf als individu en een samenleving waarin massale verspreiding plaatsvindt, en het is juist die tegenstelling die me bezighoudt. Ik ben een einzelgänger, en ik kan drukwerk eigenhandig, met de hand, manipuleren. Ik zet het om naar een vorm van niet-verspreiding, naar een enkelvoudige uitspraak die me interesseert in dat medium. Daarom is het werk een obstakel: omdat er altijd een vorm van een oplossing nodig was. Ik heb het echter nooit zo benoemd, omdat ik dat begrip pas recenter ben gaan hanteren.

Ik beschouw het depot van publieke beelden als iets dat voor iedereen geproduceerd wordt, niet alleen voor mij. Mijn houding tegenover het origineel stamt uit de jaren zeventig; dat had toen een specifieke betekenis. In de jaren negentig sloeg de balans weer terug naar een vorm van toe-eigenen en beschermen van het origineel. Maar we leven niet meer in een tijd waarin originaliteit nog een rol speelt; alles is een kopie. Het origineel is de vijand die aangevallen moet worden. Daarom vind ik Sturtevant zo goed. Ze beriep zich niet op de termen van een theorie die alleen de geijkte begrippen erkent. Wat zij deed, al in de jaren zestig, was a priori niet benoembaar binnen die termen. De theorie is achterhaald, omdat die altijd benadrukt dat er een origineel is en een kopie, maar Sturtevant zei: alles is een kopie.

C.v.W.: Zij was volgens jou dus consequenter dan de kunstenaars van de appropriation art?

W.O.: Ja, veel consequenter, omdat het kopiëren bij hen maar een klein onderdeel is van hun praktijk. Ze presenteren wat ze gekopieerd hebben als een nieuw origineel en maken daar weer een oplage van die verkocht moet worden. Het is een Amerikaanse ziekte. Sturtevant liet heel nadrukkelijk zien dat ze werk van anderen namaakte, en ze heeft zich nooit verantwoord met een pasklare set van termen en begrippen die aansloot bij de bestaande theorie; ze heeft altijd gezegd dat het werk zijn eigen leven leidde.

C.v.W.: Maar ik weet niet of bijvoorbeeld Cindy Sherman de theorie nu zozeer heeft opgezocht. Het is eerder andersom, denk ik.

W.O.: De theorie is benoemd door een curator, want er moest iets geformuleerd worden als een tijdsverschijnsel. Met Sherrie Levine, Cindy Sherman en andere kunstenaars van die tijd was dat gemakkelijk te bereiken.

C.v.W.: Toch belichaamden die kunstenaars aan het eind van de jaren zeventig iets waar jij net aan refereerde, denk ik.

W.O.: Ik heb in die periode aan een hogeschool gestudeerd waar het leek alsof de popart al academisch was. Je begon gewoon de dingen die je interesseerden over te nemen – te stelen, heet dat tegenwoordig weer.

C.v.W.: Het was academisch in de zin dat er al een vast recept voor bestond?

W.O.: Ja, academische popart was een volkomen omschreven terrein. Zo heb ik het genoemd, ‘academische pop’. Dat woord bestond niet. Het was een goede en interessante leerschool, want wij raakten lost in translation – op den duur wisten we niet meer hoe we ons konden redden uit de poel van terminologieën. Alles kon worden toegeëigend, je hoefde het niet eens meer appropriatie te noemen. Je kon je eigen origineel uitvinden. Dat is een vorm van vrijheid… Ik weet niet of dat woord, ‘vrijheid’, iets betekent; op het moment zelf voel je je vrij, maar op den duur ben je net zo goed ingekapseld. Ook omdat de terminologie niet werd ontwikkeld; we zitten nu nog steeds met dezelfde woorden: kopie, reproductie, citaat… Ik vind niet dat ik me op die periode moet beroepen, maar toch kan ik vanuit dat verleden wel zeggen dat er in de tussentijd iets fundamenteel is veranderd. Ik beschouw mezelf niet als de eigenaar van het materiaal dat ik gebruik. Het gaat niet om een appropriatie die mij tot de nieuwe rechthebbende maakt. Maar dat is nu nog moeilijk vol te houden, omdat je op iedere straathoek aangeklaagd kunt worden – wat ook niet onlogisch is. Wat mij interesseert is het publieke bestaan van massaal geproduceerd drukwerk, materiaal met een vorm van vogelvrijheid, wat mij in staat stelt om er ‘essayistisch’ naar te kijken.

C.v.W.: Je kunt zeggen dat er geen enkele reden is waarom jij als een subject dat zich beweegt in de publieke ruimte en voortdurend gebombardeerd wordt met publieke communicatie, die communicatie niet zou kunnen vastpakken en in je zak steken.

W.O.: Ja, exact. En dat is waarover ik het wil hebben, over dat bombardement, om de ‘insistentie’ ervan aan te tonen. Of eigenlijk hoef ik niets aan te tonen, maar er valt wel iets belachelijk te maken.

C.v.W.: Toch zijn er momenten waarop dat manoeuvre raakt aan een gevoeligheid die zich op een heel ander vlak bevindt.

W.O.: Dat ideeën over auteurschap als een vorm van een superieure zelfbeschikking ter discussie zijn gesteld, vind ik volkomen terecht. Ik beschouw mezelf om die reden niet als een auteur, maar ik moet erkennen dat er iets is veranderd, waardoor ik niet meer kan doen wat ik lang gedacht heb dat ik kon.

C.v.W.: Het begrip ‘appropriatie’ heeft in de tussentijd een andere gevoelswaarde gekregen. Het heeft nu eerder een negatieve klank; het verwijst vooral naar culturele appropriatie, als vorm van exploitatie. Het kritische gebruik van appropriatie als een artistiek instrument is daardoor overschaduwd.

W.O.: Ik heb me nooit expliciet kritisch willen noemen. Ik heb hercirculatie altijd als een volstrekt natuurlijke vorm van beeldverwerking gezien. Ik verzette me tegen het idee dat het om een geformuleerd uitgangspunt ging, een theorie die je moest kennen voordat je aan de slag kon.

C.v.W.: In de theorie van de appropriatie zie je vanaf de jaren negentig ook een verschuiving, in de zin dat de cultuurkritische duiding langzaam verschoven is naar een sterkere nadruk op de affectieve omgang met bestaande beelden of tekens.

W.O.: Een BLACKOUT is inderdaad een affectieve omgang met bestaande tekens, maar je moet als beschouwer zelf maar uitvinden dat er überhaupt iets onder het zwart zit. Voor mij is het daarom interessant om een BLACKOUT te tonen in, bijvoorbeeld, een groepstentoonstelling. Het is moeilijk te zien dat er nog een beeld aanwezig is onder de zwarte inkt. Het onderliggende beeld wordt niet door iedereen opgemerkt.

C.v.W.: De kunstwereld is nogal veranderd in de laatste vijftien jaar. Hoe heb jij dat ervaren? Kun je je nog even vrij als voorheen bepaalde beelden toe-eigenen?

W.O.: Nee, dat kan niet meer. Dat vind ik eigenlijk ook helemaal niet erg. Het is wel degelijk een interessante maatschappelijke ontwikkeling. Ik kan niet meer met hetzelfde gevoel een BLACKOUT maken zonder na te denken over het feit dat ik me daarmee tot zwart verhoud. De term ‘zwart’ is volstrekt omgedraaid, in een vorm die niet meer uit mijn potje te lepelen is. Je kunt niet meer zomaar elke willekeurige afbeelding met een laag zwart overdrukken. Dat is een zorg die ik me zeker aantrek. Ik hoef het ook niet per se altijd te doen. Vaak zie ik af van het overdrukken omdat ik denk dat het niet gepast is. Je kunt een beeld van een zwart individu niet zomaar zwart overdrukken, want door de verdubbeling van het zwart – hetzelfde woord, maar met twee betekenissen – loop je vast. Het is ook geen discussie waarin ik iets in te brengen heb met mijn BLACKOUTS. Het is geen toepasselijk instrument.

C.v.W.: Wat mij betreft, ik ben eigenlijk in die discussie betrokken zonder dat ik dat wilde.

W.O.: Dat is het probleem, want die discussie is bijna altijd een overval, met dezelfde ‘gelijkhebberigheid’ die wij vroeger tentoonspreidden. Daarom meng ik me er niet in. Er is een woord voor, dat ik zelf niet wil gebruiken. Dat betekent overigens niet dat ik me volledig van de discussie afkeer. Het maakt me ook niet mismoedig of zoiets. Het bereik ligt alleen veel breder dan de kunst, waar goed beschouwd weinig mee af te dwingen valt.

C.v.W.: De nadruk die nu vaak zo sterk op representatie wordt gelegd, gaat voorbij aan de kritiek van de representatie, een belangrijke onderstroom in de moderne kunst. Jij houdt nog vast aan die kritiek.

W.O.: Ik heb het idee dat ik in de veertig jaar waarin ik daarover denk de kritiek zelf ben geworden, wat natuurlijk ook onzin is, want dat impliceert een bovenmenselijk standpunt.

C.v.W.: Het gaat om een sceptische houding tegenover het idee dat een representatie de wereld zoals die is kan weergeven.

W.O.: Ja, maar dat geldt net zo goed voor mijn eigen kritiek. Ik ben er niet mee bezig om van mijn mediale omvorming een nieuwe boodschap te maken – zelfs geen boodschap van kritiek. De betekenis zit in het ding zelf, en niet in de referenties. Over die referenties zou ik veel kunnen zeggen, maar ik doe dat niet, omdat het ding zoals het is geworden op een andere manier verschijnt. En het is mij om die verschijning te doen, het resultaat van de geste van het overdrukken.

C.v.W.: Dus in plaats van representatie is er reproductie.

W.O.: De reproductie is onderdeel van de geste. De reproductie is voor mij niet puur het platte, fotomechanische reproduceren, maar het is alsof je in de huid van het ding kruipt, om te kijken wat je nodig hebt voor dat nieuwe resultaat van de geste. De productie van drukwerk berust altijd op een analyse om zo efficiënt mogelijk een communicatie te kunnen vermenigvuldigen en verspreiden. De druk moet effectief worden gemaakt door het afschrapen van wat in de schilderkunst een permanente geste is. En een laag zwart aanbrengen is voldoende om dat te bewerkstelligen.

C.v.W.: Je noemde eerder ook het aspect van autoriteit dat daarin zit.

W.O.: BLACKOUTS ontstaan altijd vanuit een autoriteitsmoment. Dat is omdat je de maker bent van iets wat opnieuw de wereld in wordt geslingerd. De autoriteit is verbonden met de gedachte die je hebt, de beslissing om iets te laten gebeuren.

C.v.W.: Autoriteit klinkt minder vriendelijk dan geste.

W.O.: De geste is niet iets softs, maar heeft ook iets politieks. Het gaat om het gebaar als handeling. Het gebaar is meer dan de helft van het werk.

C.v.W.: Tot de handeling behoort ook het uitkiezen van het materiaal.

W.O.: Ja, dat is de intuïtieve antenne die permanent op scherp staat. Preferentie heeft altijd een rol gespeeld, zeker bij de BLACKOUTS.

C.v.W.: Is het juist om te zeggen dat je materiaal gebruikt dat geen auteur heeft?

W.O.: Dat kun je bijna niet zeggen, omdat ik ervan overtuigd ben dat drukwerk altijd gemaakt wordt met een doel, een boodschap. Het doel is om een massa te overtuigen van de noodzaak van het eigen gedrukt zijn. Je kunt dus niet zeggen dat het materiaal geen auteur heeft.

C.v.W.: Volgens Michel Foucault bestaan er bepaalde gedrukte teksten die geen auteur hebben, zoals een contract of een wetboek. Een affiche voor een ‘nationale staking’, om maar iets te noemen, dat je gebruikt hebt in een BLACKOUT. Heeft dat affiche een auteur?

W.O.: De vakbond is de auteur van de propaganda, zo moet dat ooit zijn opgezet. Het is heel Belgisch, ze drukken één affiche in het Nederlands en één affiche in het Frans. Er bestaat in België zo’n sterke traditie van staken dat er niet eens meer een jaartal op het affiche wordt gezet. Bij elke staking kan hetzelfde gedrukte beeld opnieuw worden gebruikt.

C.v.W.: Ik stel die vraag omdat het verwijt bij culturele appropriatie altijd is dat er een oorspronkelijk auteurschap wordt ontkend, het auteurschap van wie de morele eigenaar is van het materiaal. En bij de BLACKOUTS is dat misschien niet het geval.

W.O.: Daar zit een heel groot verschil met de jaren zeventig, de periode waarvan ik het product ben. In die tijd was het ontkennen, of beter: het niet-bezitten van het auteursrecht – gewild of ongewild – een alsmaar groeiend verschijnsel. Het opgeven van auteurschap is een moedwillige anomalie omdat niemand er echt van af wil; het is bijna een contradictio in terminis, want als kunstenaar kun je eigenlijk niet willen dat je dat kwijtraakt. Maar ik denk dat ik met de bronnen waar ik uit put al begin met een vorm van losgelaten auteurschap. Mijn werk manifesteert zich in het publieke domein, maar het gebruikte materiaal komt daar zelf ook vandaan. Voor mij is het belangrijk om die trechter, om dat membraanmoment zodanig te arrangeren dat het materiaal weer kan terugvloeien als de productie van een individu, met de spraakverwarring of het communicatieprobleem van de massa en het massale. Dat is het schema van het membraan, waarbij ik mezelf zie als trechter en niet als de bedenker van dingen.

C.v.W.: Je geeft iets terug dat er al was?

W.O.: Ja, maar op een manier die van het oorspronkelijke wat er was een gehandicapte vorm maakt, door het te analyseren, te reproduceren, opnieuw in elkaar te zetten in een minder verlangende of dwingende, illusionistische vorm. Als ik een stuk drukwerk neem, is dat omdat het mij interesseert, als drager waarop al die overwegingen in een transmissie worden omgezet in één ding, in een rijpe vorm. Dat is waarover ik het heb – niet over de waarde van het beeld of de waarde van het ding. Ik heb liever dat dingen waardeloos worden door mijn ingreep, waardeloos in economische zin.

C.v.W.: En in communicatieve zin.

W.O.: Ja, maar het is mij er wel iets aan gelegen om te laten weten dat ik iets heb ‘gemistuned’. Dat moet op de een of andere manier merkbaar zijn, anders heeft het geen zin.

C.v.W.: Er is een initieel object geweest, met een iconografie.

W.O.: Ik ben alsmaar minder in staat om me met de termen van de iconografie uiteen te zetten. Ik word steeds minder wetenschappelijk, minder beredeneerd. Ook omdat heel veel dingen die ik nu bewerk of hergebruik uit mijn eigen praktijk komen; ik roer in mijn eigen soep.

C.v.W.: Het zijn dezelfde beelden die steeds opnieuw terugkomen.

W.O.: Ja, en dat is bijna al geen strategisch voornemen meer. Dat is gewoon de praktijk geworden. Ik weet niet of ik daar gelukkig mee moet zijn. Daar kom ik dan nog wel achter.

In 2015 ben ik begonnen met naar mijn archief te kijken. Het archief was bij mij altijd een ondergeschoven kindje, net als de fotodocumentatie. Ik dacht dat er met de BLACKOUTS een einde kwam aan de noodzaak om het werk te documenteren, omdat je op foto’s altijd alleen maar een zwarte rechthoek ziet. Ik wist niet wat ik aan moest met mijn archief; ik heb er eigenlijk altijd een beetje een hekel aan gehad, alsof het archief je fundament zou zijn. Het is in feite alleen maar een verzameling van mogelijkheden – tenzij je het zodanig bijhoudt dat je er iets van kunt maken dat ‘archivarisch’ interessant is, maar daar ben ik niet boekhouder genoeg voor. Toen heb ik beseft dat het archief vol zit met kopieën die ik original copies noem. Het eerste wat ik altijd deed met drukwerk dat ik het atelier binnenhaalde, was een fotokopie maken, in zwart-wit, om het in mijn eigen beeldtaal te kunnen zien. Met een kopieerapparaat kun je een beeld gemakkelijk uitvergroten, en ik kan de fotokopie vervolgens direct op de lithosteen overzetten. Het is altijd een praktisch hulpmiddel geweest bij het werken. Ik ben toen begonnen met alle original copies te overdrukken met een egale kleur. Ik heb ze op een stapel gelegd en af en toe een kleur aangemaakt waarvan ik dacht dat die geschikt was om de kopieën te kunnen classificeren en zo te bewaren; een kleur die de beelden ordent binnen het archief, bijna bureaucratisch, op grond van het project of de tijd of een associatieve samenhang.

C.v.W.: Als een soort stempel?

W.O.: Ja, een stempel van goedkeuring, met een aparte kleur voor iedere map. En zo is het nieuwe werk ontstaan, Life Time Waste Project (2020-2024), dat draait om het opnieuw in circulatie brengen van het archief, maar dan als nieuw werk, dus niet als boekhouding van het bestaande. Zo heb ik ook kopieën van de ontworpen pagina’s van het boek met zonder KOP (2005) in een decente bureaucratische kleur blauwgrijs overdrukt en ingelijst. Het resultaat is een volume dat de architectuur van het boek toont. Het boek bestaat niet meer, de hele oplage is op, dus ik breng het boek via de overdrukte kopieën opnieuw in circulatie. Zo maak ik weer een bocht.

C.v.W.: Wat is een bureaucratische kleur?

W.O.: De ene kleur maakt een verschil ten opzichte van alle andere, en om dat verschil gaat het. Het is een term die voor mij bevestigt dat het zin heeft om in kleur te drukken, en die het verschil benadrukt met de zwarte inkt van de BLACKOUTS.

C.v.W.: Bureaucratisch is een kleur die zich duidelijk onderscheidt van alle andere, zodat er geen verwarring mogelijk is?

W.O.: Ja, dat is wat ze moet doen. In Life Time Waste Project hangen die panelen achter glas – een stuk of honderdvijftig gekleurde original copies in blokken, zodat je kunt zien dat ze niet bij elkaar mogen. Die hercirculatie is door Will Holder in zijn ontwerp van het nieuwe boek OBSTAKLES nog doorgezet, waardoor de procedure van overdrukken een letterlijke reconstructie is geworden van een dolgedraaid reproductiesysteem.

C.v.W.: Naast de geste van het overdrukken is er dus de geste van het terughalen van materiaal uit je eigen geschiedenis.

W.O.: Ja, op voorwaarde dat het ooit gereproduceerd is. Want alleen dan is het deel geworden van de circulatie.

C.v.W.: Daarmee ga je in tegen de algemene verwachting bij kunst, dat er altijd iets nieuws te zien moet zijn. De kunstenaar mag zich niet herhalen.

W.O.: Sinds 2017 breng ik oud materiaal dat al eerder een rol heeft gespeeld opnieuw in circulatie. Dat hangt nu aan de muur alsof het nieuw werk is, maar in zo’n hoeveelheid dat je het alleen als massa kunt zien. Je kunt een beeld nog steeds op zichzelf proberen te bekijken, maar het blijft altijd omkaderd door verwante of geassocieerde kopieën. In een ander werk heb ik de inloopvellen van het boek MONOLITH+++ (2008) met gele inkt overdrukt. Dat vormt dus geen archief, maar een overlapping die ongewild geproduceerd is door de drukker, zonder te kijken. Aan de muur in de tentoonstelling kun je de architectuur van die procedure zien; je kunt bij wijze van spreken de stapels herkennen die de drukker in zijn handen heeft genomen en een aantal maal op de pers heeft gelegd om de druk van het boek op gang te brengen. Omdat dat boek ging over beeldfragmenten die als stof in de lucht werden gegooid, is dat stof ook op verschillende manieren in allerlei overlappingen op papier terechtgekomen.

C.v.W.: Binnen elk van die bladen zitten vier of meer verschillende geschiedenissen van ouder werk, van werken die ieder voor zich een logica hebben. Is dat allemaal nog leesbaar, ook voor mensen die jou niet al sinds het begin volgen?

W.O.: Het is nog leesbaar, maar niet meer in het stramien van een geregistreerd narratief of een vaste logica. Het werk bevat niet ‘te veel informatie’. Dat is precies waar het werk over gaat: het is geen informatie meer.

C.v.W.: Het werk bestaat uit restanten die eigenlijk weggegooid zouden worden.

W.O.: Het zijn restanten van het drukproces die altijd onmiddellijk worden weggegooid. Bij iedere opdracht gebruikt de drukker zo’n driehonderd vellen als inloopvel, waarbij elk vel wel vier of vijf keer door de pers wordt gehaald.

C.v.W.: Het is een radicale keuze om op dat moment in te grijpen en te zeggen: dit is ook potentieel werk.

W.O.: Het is een keuze om dat te willen, ja. Omdat ik vond dat die inloopvellen iets te zeggen hadden in relatie tot het boek, als stof zijnde. Dat boek gaat in feite niet over werk als een uniek verschijnsel, maar over alle omstandigheden waarin werk zich voortplant, alle vormen waarin het zich manifesteert.

C.v.W.: En met stof bedoel je dan…?

W.O.: Dust. Whirl. A cloud of dust.

 

• Een Engelse vertaling van deze tekst werd voorgelezen op 21 februari in WIELS. Met dank aan Pauline Hatzigeorgiou en Dirk Snauwaert. Willem Oorebeek. OBSTAKLES loopt tot 27 april in WIELS, Brussel, en wordt verderop in dit nummer besproken door Pieter Van Bogaert. Het boek OBSTAKLES verscheen bij ROMA Publications, Amsterdam, ISBN 9789464460742.

Zoeken naar de mooiste boeken. Gesprek met Julie Peeters

Christophe Van Gerrewey: De wedstrijd voor The Most Beautiful Swiss Books bestaat sinds 1944. Het idee voor zo’n prijs werd een jaar eerder door Jan Tschichold gelanceerd, een Duitse grafisch ontwerper die in 1933 naar Zwitserland vluchtte. ‘Een dergelijk initiatief is niet alleen als wedstrijd waardevol,’ zo schreef hij in 1943 in het tijdschrift Der Schweizer Buchhandel. ‘Het is ook een manier om de smaak van het publiek te beïnvloeden, om het te interesseren voor mooiere typografie, voor illustraties en dergelijke meer, en ongetwijfeld stijgt ook de verkoop van de prijswinnende boeken, wat dan weer uitgevers en drukkers stimuleert om hun boeken met liefde vorm te geven.’ Dit jaar zat jij in de jury en mocht je de achttien mooiste Zwitserse boeken van 2023 selecteren.

Julie Peeters: Ik volg die prijs al lang. Ieder jaar verschijnt er een catalogus over de winnaars en dat is een boek waar ik altijd naar uitkijk. Het is boeiend om te zien wat er in Zwitserland gebeurt op het vlak van grafisch ontwerp. Dit jaar bestaat de prijs tachtig jaar en verschenen er twee publicaties, ontworpen door Julia Born.

C.V.G.: Born was ook de vormgever van het vorige jubileumboek uit 2004, Beauty and the Book, uitgegeven toen de prijs zestig jaar bestond.

J.P.: Ik studeerde nog aan Sint-Lucas Gent toen dat boek verscheen. Ik herinner me dat veel studenten er gebruik van maakten, maar ik heb het toen niet gekocht, en nu is het zeldzaam geworden.

Jozefien Van Beek: De nieuwe boeken zijn heel anders dan het meer klassieke of traditionele overzichtswerk uit 2004, ook wat vormgeving betreft.

J.P.: Dat is wel passend, vind ik. Het ene boek, waarin wordt teruggeblikt op de geschiedenis van de prijs, is vormgegeven als een cahier op A4-formaat. In de andere publicatie, met dezelfde afmetingen, worden de genomineerde boeken verzameld: het is een stapeltje papiervellen dat in de linkerbovenhoek aan elkaar is geniet, en dan is dubbel geplooid. Het voorste vel papier is iets dikker en functioneert als cover. Het is eenvoudig en toch radicaal, en tegelijkertijd spreekt er respect uit voor materialen, en oog voor detail. Ik heb zes jaar in Nederland gewoond en gewerkt, waar ook een sterke ontwerpcultuur bestaat, maar daar draait het boekontwerp vaker om één idee, om een oneliner die de nadruk legt op het ontwerpconcept en minder op de inhoud.

C.V.G.: Tschichold vermeldde in 1943 dat een prijs voor de mooiste boeken al langer in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten bestond, maar in Zwitserland nog niet. De oudste prijs in Europa is die van Nederland, de prijs voor de Best Verzorgde Boeken, die sinds 1925 bestaat en volgend jaar ook een jubileum viert.

J.P.: In België hebben we die traditie helaas niet. Tussen 2008 en 2014 was er wel de Prix Fernand Baudin, voor de mooiste boeken in Brussel en Wallonië.

C.V.G.: Fernand Baudin was in zekere zin de Belgische Tschichold, en hij heeft ook handboeken over typografie gepubliceerd.

J.V.B.: Welke boeken komen in aanmerking voor The Most Beautiful Swiss Books?

J.P.: De grafisch ontwerper moet de Zwitserse nationaliteit hebben of minstens vijf jaar in Zwitserland werken. Boeken die worden uitgegeven of gedrukt in Zwitserland kunnen ook bekroond worden.

C.V.G.: Dit jaar was er een longlist van 412 ingezonden boeken, gepubliceerd in 2023.

J.P.: De verzameling is heel divers. Het gaat om boeken over architectuur, fotografie, kunst, illustratie, design of grafiek, of het zijn tekstboeken, kinderboeken, kookboeken of thematische boeken. Ook die selectie is dus zeer ruim, maar de nadruk ligt toch vooral op architectuur, fotografie, beeldende kunst en ontwerp.

J.V.B.: Hoe gingen jullie te werk om een selectie te maken?

J.P.: In de nationale bibliotheek in Bern lagen alle boeken op tafels. De eerste dag namen de juryleden de boeken individueel door, om een snelle, intuïtieve selectie te maken. Elk jurylid kleefde op de boeken die interessant of boeiend leken een post-it. Aan het einde van de dag werden alle boeken met post-its verzameld. Toen vielen al ongeveer driehonderd boeken af. Op dag twee keken we hoeveel post-its ieder boek had gekregen, waardoor de voorkeuren zichtbaar werden. Daarna voerden we lange gesprekken. De eerste grote selectie was het makkelijkst, daarna werd het moeilijker.

J.V.B.: Welke criteria hanteerden jullie? Heeft de organisatie van de prijs, het Bundesamt für Kultur, van tevoren aangegeven waarop jullie moesten letten?

J.P.: Ja, maar die criteria waren niet zo uitzonderlijk. Ten eerste moesten we uiteraard letten op de fysieke aspecten van een boek, op het object zelf. Ten tweede is er de typografie, de lay-out, het design, de vormgeving. En tot slot is er de inhoud. Die drie kan je niet los van elkaar bespreken. Hoe wordt de inhoud vertaald in het ontwerp, dat is de vraag. We zochten dus naar boeken waarbij die drie elementen zodanig samengaan dat er iets unieks ontstaat.

C.V.G.: Wie zat er in de jury?

J.P.: Een van mijn medejuryleden was John Morgan, een Britse ontwerper die typografisch sterk is en ook lesgeeft in Düsseldorf. Hij is onder meer bekend van het boek Usylessly, dat Moritz Küng een paar nummers terug in De Witte Raaf heeft besproken. Gregor Huber is ook grafisch ontwerper, hij heeft een studio in Zwitserland samen met Ivan Sterzinger. Zij hebben bijvoorbeeld de monografie over het werk van Philippe Vandenberg uit 2017 vormgegeven. Gina Bucher is auteur en redacteur, onder meer van het boek Female Chic over het Zwitserse modelabel Thema Selection, dat enkele jaren geleden geselecteerd werd voor de prijs. Zij was als enige jurylid geen grafisch vormgever, en ze had duidelijk een andere blik. En Sereina Rothenberger, die een ontwerpbureau in Zürich leidt samen met David Schatz, was juryvoorzitter.

J.V.B.: Kan je een paar boeken noemen die jullie geselecteerd hebben?

J.P.: Er zit bijvoorbeeld een bijzonder architectuurboek in onze selectie, een monografie over het werk van de Zwitserse architect Thomas K. Keller, vormgegeven door Samuel Bänziger en Michel Egger. Veel architectuurboeken zien er hetzelfde uit, maar voor dit boek is er gewerkt met één fotograaf, Sebastian Stadler, die alle gebouwen heeft gefotografeerd. De beelden zijn zo geplaatst, in reeksen of repetitief, dat het resultaat aanvoelt als een filmische reis door de gebouwen van de architect. Ook Journaux de guerre, 1939-1944 sprong eruit, een verzameling oorlogsdagboeken van een kapitein in het Zwitserse leger. Het is een dik boek, gedrukt op bijbelpapier. De eigenlijke notities zijn op grijs papier gedrukt, de introductie en het commentaar op wit papier. Het is heel bureaucratisch materiaal, met paginalange lijsten van plaatsen waar soldaten overleden zijn, maar de tekst is toch op een heel poëtische manier gezet. We waren gecharmeerd om te zien hoe een onderwerp dat toch vrij zwaar is, vertaald werd naar een heel mooie en zachte typografie, met een passende papierkeuze.

C.V.G.: Vaak gaat het om boeken die zijn vormgegeven door ervaren bureaus. Je hoort weleens de kritiek dat er ontwerpers zijn die ieder jaar de selectie halen van The Most Beautiful Swiss Books.

J.P.: Dat speelde bij ons geen rol: er is geen rekening gehouden met vorige edities. We hebben ook een afstudeerproject geselecteerd, Walking as Research Practice, dat is vormgegeven door Jana Sofie Liebe uit Zürich, die studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Dat boekje is heel eenvoudig gebonden, zodat je het in alle richtingen open kunt plooien. Het papier heeft rafelige randen, en enkel de rechterkant is bedrukt, waardoor je het in één hand kan vasthouden terwijl je in de stad rondloopt. Alle door ons geselecteerde boeken werden ook ingezonden voor de wedstrijd Schönste Bücher aus alles Welt, die al sinds 1963 in Leipzig wordt georganiseerd. Walking as Research Practice won daar de Gouden Letter, wat bijzonder is voor zo’n spartaans boek. Het gaat lang niet altijd om prestigieuze coffee table books. Alles is dus mogelijk.

C.V.G.: Walking as Research Practice verscheen in een zeer beperkte oplage.

J.P.: De makers van het boek, studenten, hadden weinig geld, dus het is op 150 exemplaren gedrukt. Er is onlangs een nieuwe druk verschenen bij Roma Publications.

C.V.G.: De jury van The Most Beautiful Swiss Books moet ook telkens iemand aanduiden voor de Jan Tschichold Prijs, die niet wordt uitgereikt voor één boek, maar voor een carrière.

J.P.: Die prijs ging dit jaar naar het collectief Jungle Books, dat zowel boeken uitgeeft als vormgeeft, en dat bestaat uit Samuel Bänziger, Rosario Florio, Olivier Hug en Larissa Kasper. Er werd ook een publicatie van hen geselecteerd voor The Most Beautiful Swiss Books: Obstacles for Cows, een boek op groot formaat, over het werk van videokunstenaar Rhona Mühlebach, waarin kleine losse vellen zijn ingevoegd.

C.V.G.: In dit geval is het eerder een aanmoedigingsprijs, want het collectief is nog jong. Het eerste boek dat ze maakten dateert uit 2020.

J.P.: Meestal krijgen ontwerpers de Jan Tschichold Prijs ergens in het midden van hun carrière, wanneer ze al veel bewezen hebben. Daar hebben we lang over gediscussieerd. We vonden het interessant dat het collectief Jungle Books zelf boeken publiceert en kunstenaars een platform geeft. Ze zijn een community aan het creëren. Bovendien zijn ze gevestigd in Sankt Gallen, en niet in Zürich of Bazel, waar het grootste deel van de ingezonden boeken vandaan komen. Sankt Gallen is veel kleiner. We hadden het gevoel dat zo’n prijs voor hen echt een verschil kan maken. Wat ons wel opviel: er zijn bijna geen vrouwen die de Jan Tschichold Prijs hebben gekregen. Daar hebben we zeker op gelet: een vrouw maakt deel uit van het winnende collectief.

J.V.B.: Speelde dat bij de selectie voor The Most Beautiful Swiss Books ook een rol?

J.P.: Dat was geen doorslaggevend criterium, al hebben we het wel een beetje in de gaten gehouden. Er is zeker iets aan het verschuiven in het grafisch ontwerp. Ik geef al jaren les en de laatste tijd zijn mijn studenten bijna uitsluitend vrouwen, maar in Zwitserland blijft die wereld overwegend mannelijk, vooral wat het ontwerp van lettertypes betreft.

C.V.G.: ÉCAL (L’École cantonale d’art de Lausanne) is waarschijnlijk de bekendste school voor grafisch ontwerp in Zwitserland. Maar toch, zoals je zei, komen de meeste boeken uit Bazel en Zürich.

J.P.: Dat is waar de studenten belanden nadat ze afgestudeerd zijn. Waarschijnlijk heeft het met cultuur en traditie te maken: Lausanne is kleiner en Franser.

C.V.G.: The Most Beautiful Swiss Books worden elk jaar getoond in een reizende tentoonstelling.

J.P.: Dat is al zo van bij het begin – het heeft te maken met dat informerende en pedagogische aspect waar Tschichold naar verwees.

J.V.B.: Reizen de boeken ook naar België?

J.P.: Ik hoop de tentoonstelling van deze editie naar het KASK in Gent te halen, waar ik lesgeef. De Kunstenbibliotheek op de Campus Bijloke is daar een geschikte locatie voor. Makkelijk is dat niet. Vorig jaar werden er dozen met geselecteerde boeken geconfisqueerd door de douane, waarna ze verloren zijn gegaan.

C.V.G.: Heb je het gevoel dat de distributie van boeken de laatste jaren moeilijker is geworden? Toen ik afgelopen zomer een boek maakte met MIT Press, moest ik zelfs op mijn auteursexemplaren invoerrechten betalen, en ze werden twee weken ergens geblokkeerd in een depot.

J.P.: Door de Brexit is alles natuurlijk veel erger geworden, maar ik vrees dat ook België op dat vlak geen modelland is. Ik heb een paar jaar terug bijvoorbeeld een editie gemaakt bij Lineto in Zürich, de lettergieterij van Cornel Windlin. Ik had vrienden uitgenodigd om mij een woord te bezorgen, en al die woorden hebben we gedrukt met de originele blokletters waar een nieuw lettertype van Lineto op gebaseerd was. De edities werden vanuit Zwitserland verstuurd. Ik was op dat moment in New York, waar de zending na vier dagen al arriveerde, terwijl de enveloppen voor België vast kwamen te zitten bij de douane. Ik heb bijna zes weken lang moeten mailen en bellen, terwijl het artistieke project op de enveloppes zelf stond uitgelegd. Het was duidelijk dat het geen commercieel product was, maar in België wisten ze niet wat ze ermee aan moesten. Het Belgische postsysteem is een ramp. Uiteindelijk heeft iedere bestemmeling twintig euro douanekosten moeten betalen, terwijl het om een cadeau ging.

C.V.G.: De stipte postbedeling is iets typisch Zwitsers, maar in een van de teksten in het jubileumboek van The Most Beautiful Swiss Books wordt ook de vraag gesteld naar Zwitsers design. Je sprak al over durf en aandacht voor details. In Zwitserland lijkt alles bewuster ontworpen te zijn, zoals treintickets of de bewegwijzering in stations. Er zijn niet veel landen waarnaar een lettertype is genoemd – Helvetica Neue werd in 1957 ontworpen en is een soort nationale standaard geworden.

J.V.B.: Het heeft voor ons iets avant-gardistisch, terwijl het ginds mainstream is.

C.V.G.: Ja, en net daarom zijn er veel Zwitserse ontwerpers die niets met Helvetica te maken willen hebben.

J.P.: Dat klopt. Iets gelijkaardigs geldt voor het grid, het raster. In 1980 verscheen het boek Grid Systems van Josef Müller-Brockmann, dat heel invloedrijk is geweest in Zwitserland. Volgens zijn systeem start een pagina in een boek met een grid waaraan al de rest ondergeschikt is. Voor de lezer is zo’n raster onzichtbaar zodra de tekst op de pagina staat, maar de ontwerper gebruikt het wel bij alle ontwerpkeuzes. Ook al zie je het niet meer, je vóélt het voortdurend.

C.V.G.: Kan je een boek ontwerpen zonder grid?

J.P.: Zelf vind ik die boeken het boeiendst waarin je moeilijk kan zien wat het grid precies was. En die zal je in Zwitserland niet zo snel aantreffen. Dus op dat vlak is het grid hardnekkiger gebleken dan Helvetica. Ik zou niet zeggen dat ik volledig zonder grid kan werken, maar ik negeer het soms wel. Ik maak pagina’s graag intuïtiever op. Ik maak een grid, maar als ik voel dat tekst of beeld beter werken wanneer ik het grid loslaat, dan doe ik dat. Misschien bestaat het grid om je ertegen af te zetten.

C.V.G.: Karel Martens, die in 1998 de Werkplaats Typografie oprichtte in Arnhem, waar jij ook gestudeerd hebt, zou je een ‘gridman’ kunnen noemen. Dat blijkt zeker uit de nummers van het architectuurtijdschrift OASE die hij vormgeeft.

J.P.: Absoluut. Karel heeft een aantal dogma’s. Zo begint hij nooit lager dan vijf millimeter onder de bovenrand van een pagina. Hij houdt niet van verspilde witruimte. Voor veel drukkers is dat een probleem. Een andere regel: de binding moet volledig openvallen. En het papier dat hij gebruikt is nooit gestreken, altijd ongestreken. Ik heb dit jaar een boek gemaakt, samen met Scott Ponik, voor het Canadian Centre for Architecture in Montréal: The Lives of Documents. Photography as Project. Toen ik bij Karel op bezoek was, gaf ik hem een exemplaar. Nadien mailde hij me: hij vond het prachtig, maar ik had één hoofdzonde begaan: de binding.

J.V.B.: De rug was gelijmd?

J.P.: Ja, maar omdat het zo’n groot formaat had, viel het naar mijn mening ver genoeg open. Boeken met open bindingen vallen soms té ver open. Voor Museum M heb ik in 2020 een boek gemaakt over Thomas Demand, dat met koudlijm werd gebonden. Voor de eerste honderd exemplaren gebruikten we gewone lijm omdat ze voor de opening klaar moesten zijn. Eerlijk? Ik vind die gewone lijm beter. Een boek dat gebonden is met koudlijm – flexibele lijm is dat – valt extreem hard open. Het boek van Demand is zo dik dat het bijna uit zijn binding leek te barsten. Zoiets zou Karel fantastisch vinden.

J.V.B.: Heb jij zelf dogma’s?

J.P.: Ik werk al bijna acht jaar met dezelfde drukker, Benedict Press. Ik heb twee jaar in München gewoond toen ik de vormgeving verzorgde voor Kunstverein München. Toen heb ik die drukker leren kennen in Münsterschwarzach. Meteen vond ik de drukkwaliteit super. Ze zijn gelinkt aan een abdij, dus ze drukken voornamelijk bijbels en religieuze kalenders – ze kunnen drukken op heel dun papier. Af en toe maken ze kunstboeken. Als ik aan een opdracht begin, zeg ik meteen dat ik met mijn vaste drukker wil werken. Dat is een breekpunt. Als een opdrachtgever dat niet ziet zitten, gaat de opdracht niet door.

C.V.G.: Een ander basisconcept in je werk is een scheiding tussen beeld en tekst. Op een pagina staat ofwel beeld ofwel tekst.

J.P.: Ik ben geobsedeerd door het gedrukte beeld. Aan het KASK is het iets waar ik me samen met mijn studenten op concentreer. Typografie komt in de opleiding grafisch ontwerp altijd uitgebreid aan bod, maar beeld is even belangrijk. Het is belangrijk dat studenten daar een visie over ontwikkelen, zeker omdat ze door digitale beelden omringd zijn.

C.V.G.: Dit jaar maakte je een catalogus voor Isa Genzken. Ook in dat boek zijn tekst en beeld gescheiden.

J.P.: Dat boek hoorde bij de tentoonstelling Isa Genzken 75/75 in de Neue Nationalgalerie in Berlijn, ter ere van haar 75ste verjaardag. De curatoren hebben ervoor gekozen om voornamelijk bestaande teksten te herpubliceren – er is slechts één nieuwe tekst, van Diedrich Diederichsen. Het voelde natuurlijker aan om tekst en beeld afzonderlijk te behandelen. Maar de fotografie zelf, die was voor mij nog belangrijker. Buchholz, de galerie van Genzken, had hun fotograaf, Jens Ziehe, gevraagd om de expo vast te leggen. Hij werkt heel technisch, met drie paraplu’s, twee statieven en artificiële belichting. Terwijl het mooie aan die tentoonstelling net was dat er zonlicht binnenviel. De Neue Nationalgalerie van Mies van der Rohe heeft geen muren, en het oeuvre van Isa gaat over binnen versus buiten. Het was de gedroomde plek voor haar werk, dus ik heb ervoor gevochten om een tweede fotograaf aan te stellen die net dat kon vastleggen. Adrianna Glaviano kwam erbij. Zij maakte analoge beelden waarin schaduw zit. De combinatie werkt heel goed.

C.V.G.: Jouw werkwijze klinkt erg intensief.

J.P.: Voor mij is het de enige manier van werken. Als ik voel dat zoiets niet mogelijk is, begin ik er niet aan. Daardoor moet ik regelmatig opdrachten afslaan. Het geeft me de zekerheid dat ik de kwaliteit kan bieden die ik wil.

J.V.B.: Je maakt sinds 2017 ook een jaarlijks tijdschrift, BILL, ‘a magazine without words and publisher of slow visual reading’.

J.P.: Ook voor BILL werk ik enkel samen met Benedict Press. Elk nummer telt telkens dertien verschillende papiersoorten. Elke bijdrage, en dus elke fotograaf, krijgt een eigen papier. Dat was van in het begin het concept. In het nieuwste nummer werk ik met een combinatie van gewone binding en Japanse binding. Er zit ook bijbelpapier in. Zulke technische aspecten zien sommige drukkers niet zitten. BILL vergt veel dialoog en arbeid.

J.V.B.: Hoe functioneert BILL financieel? Kom je uit de kosten?

J.P.: Een exemplaar van BILL kost veertig euro. Ik financier alles zelf. De oplage schommelt tussen 1000 en 1500 en ik verkoop uiteindelijk alle nummers. Het is een traag tijdschrift: ik publiceer één keer per jaar. Maar het is niet tijdsgebonden, dus je kan het een jaar na verschijnen nog steeds kopen. Winstgevend is het niet. In 2019 heb ik van de Vlaamse Gemeenschap eenmalig projectsubsidies gekregen. Soms vraag ik een beurs aan, maar ik krijg zelden positief antwoord. In Zwitserland bestaan er meer subsidies voor het maken van boeken en tijdschriften. Dat bleek ook bij The Most Beautiful Swiss Books: je voelt dat er geld in die boeken zit.

C.V.G.: Er zijn niet veel tijdschriften waar geen tekst in staat – toch niet zo radicaal als bij BILL.

J.P.: En toch zijn er inspiratiebronnen, zoals bijvoorbeeld het Zwitserse tijdschrift Parkett. Het is dan niet alleen de vormgeving die me zo aanspreekt. Wat ik er mooi aan vind, ook bij een tijdschrift als Camera Austria, is het idee van de doorgedreven kunstenaarsbijdrage. Bij Parkett konden kunstenaars vrij beslissen om een volledig katern te vullen, een leporello te bedenken of een speciale pantonekleur te gebruiken. Hun kunstenaarsbijdrages zijn een werk op zich. Dat streef ik met BILL ook na.

C.V.G.: Voor Parkett was het belangrijk om kunstenaars te lanceren. Is dat met BILL ook een doel?

J.P.: Nee. Het is eerder een doel om werk te tonen zoals het nog nooit getoond werd. Ik wil dat BILL een nieuwe visuele expressie is van iemands praktijk. Ook belangrijk is de herpublicatie van bestaande bronnen. Ik neem de beelden niet letterlijk over, ik herfotografeer ze, zodat er een nieuwe laag ontstaat. In het recentste nummer toon ik bijvoorbeeld foto’s uit de jaren zeventig. Ik zag ze in een boek dat ik toevallig in een tweedehandswinkel vond. De kunstenaar, Mark Boyle, is overleden, maar zijn zoon gaf me toestemming om het werk opnieuw te publiceren. En door het te herfotograferen wordt het weer nieuw, want je ziet dat het foto’s zijn uit een boek. Boyle maakte samen met zijn kinderen een houten frame, een meter bij een meter groot, en legde het op het strand. Iedere week maakten ze van bovenaf een foto, zodat je kan zien wat de zee doet met het strand. Het beeld is gemaakt door het water.

J.V.B.: Jij geeft les, net als veel grafisch vormgevers. Is dat een financiële noodzaak?

J.P.: Ik geef maar één dag in de week les, dus het is niet mijn hoofdinkomen. Maar het zorgt voor een stabiele basis. Intussen geef ik veertien jaar les, sinds mijn 27ste, en het is erg belangrijk geworden. Het contact met studenten apprecieer ik enorm. Ik leer er zelf veel uit. En toch vind ik het ook nog altijd angstaanjagend om les te geven. Het houdt me scherp.

J.V.B.: Wat heb je zoal geleerd?

J.P.: Het boeit me om te zien hoe de huidige generatie omgaat met verschillende thema’s, zowel inhoudelijk als vormelijk. Meer dan ooit zijn studenten bezig met papier en print in plaats van met schermen en digitale beelden – terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Deze generatie keert terug naar handmatig werken. Ik ga vaak met mijn studenten naar de Kunstenbibliotheek van het KASK, een plek waar dingen spontaan kunnen gebeuren. Ik laat hen boeken zoeken, zodat ze ontdekkingen doen. Vaak gaat het niet eens om boeken over grafisch ontwerp. Ze leggen publicaties op tafel die we bespreken. Ook daar leer ik veel uit. Jonge mensen zien iets voor het eerst, benaderen het anders. Hun reflectie is puur.

C.V.G.: Heb je ervaring met Zwitserse boekencollecties?

J.P.: Een uitzonderlijke plek is de kunstbibliotheek van de Stiftung Sitterwerk in Sankt Gallen. Zij hebben een collectie met 30.000 boeken en vooral het classificatiesysteem is fantastisch. Alle boeken hebben een chip. Je mag de boeken terugzetten op een willekeurige plaats, waardoor de bibliotheek steeds organisch transformeert. Dankzij de chip kan je doelgericht zoeken, maar je kan ook het toeval zijn werk laten doen. Serendipiteit wordt mogelijk, net omdat er zo veel boeken op een heel geconcentreerde manier zijn samengebracht – extreem systematisch en wanordelijk tegelijkertijd.

 

• Jenny Keller (red.), The Most Beautiful Swiss Books 2023 Awarded in 2024; Julia Born, Sereina Rothenberger, Tan Wälchli (red.), An Autopsy of Tastes and Values. 80 Years of The Most Beautiful Swiss Books Competition, Bern, Federal Office of Culture, 2024, ISBN 978390992892. Daniel Buchholz, Christopher Müller (red.), Isa Genzken 75/75, Keulen, Verlag Walther König, 2024, ISBN 9783753305394.

Waar is het midden?

Christophe Van Gerrewey: ‘De horrorjob van Zürich’, zo wordt op 20 januari 2022 jouw nieuwe baan, als directeur van het Kunsthaus, omschreven in de Neue Zürcher Zeitung door Philipp Meier. Dat lijkt niet aantrekkelijk.

Ann Demeester: Ja, maar de laatste zin van dat artikel is: ‘Ann Demeester geeft niet de indruk dat ze uitdagingen uit de weg gaat.’ Ik had niet verwacht geselecteerd te worden toen ik solliciteerde, hoewel ik al jaren verliefd was op het Kunsthaus. Het was tijdens de pandemie een lang en gefaseerd sollicitatieproces, heel gedegen. De vacature is in juli 2020 open verklaard. Een jaar later, in juli 2021, werd bekendgemaakt dat ik Christoph Becker zou opvolgen, die 22 jaar directeur is geweest van het Kunsthaus. Het selectiecomité had eerst een klassieke stercurator voor ogen, als opvolger. Tijdens het proces werd duidelijk dat er op alle fronten verandering was gewenst en dat een traditioneel profiel niet zou volstaan. Ik zou in functie treden op 1 januari 2023, omdat ik niet meteen wou opstappen als directeur van het Frans Hals Museum in Haarlem.

C.V.G.: Toch ben je al eerder voor het Kunsthaus beginnen te werken.

A.D.: Er brak een crisis uit die de museumleiding niet meer onder controle kreeg. De geest was uit de fles. Op 9 oktober 2021 is de nieuwbouw van het Kunsthaus Zürich voor het publiek geopend, na een plan- en bouwperiode van bijna twintig jaar.

C.V.G.: Het gaat om een uitbreiding door de Britse architect David Chipperfield, met wel erg ruim bemeten marmeren trappartijen, die de oppervlakte van het Kunsthaus meer dan verdubbelt – het is nu het grootste museum in Zwitserland.

A.D.: Er is een eigen collectie die reikt van Rembrandt tot Pipilotti Rist en van Munch en Monet tot Anri Sala. Het Kunsthaus heeft bovendien een aantal private collecties in bruikleen, zoals de verzameling van Hubert Looser of die van de familie van de Joodse Werner Merzbacher – twee Zwitserse zakenmannen die trouwens nog in leven zijn. Het is over een andere collectie in langdurige bruikleen dat er controverse is ontstaan: die van de Stiftung Sammlung E.G. Bührle, die uit iets meer dan tweehonderd kunstwerken bestaat, voornamelijk laatnegentiende-eeuwse, vroegtwintigste-eeuwse schilderkunst: Cézanne, Corot, Degas, Gauguin, Manet, Monet, Renoir, Van Gogh, Picasso enzovoorts.

C.V.G.: Enkele weken voor de heropening in oktober 2021 publiceerde historicus Erich Keller zijn boek Das kontaminierte Museum. Das Kunsthaus Zürich und die Sammlung Bührle. Het is een pamflet tegen het rapport dat op vraag van de stad en het kanton Zürich al in november 2020 werd opgemaakt door een andere historicus, Matthieu Leimgruber, en waarin Bührle als een onvergeeflijke opportunist werd gekenschetst, die echter ook een product was van de Zürcher elite. Volgens Leimgruber bleef het mogelijk de werken uit zijn collectie te tonen, maar niet zonder die context te benadrukken.

A.D.: De discussie over die collectie sluimerde al jaren, maar het is door de heropening dat er een storm uitbrak. De werken waren nu voor het eerst weer te zien, in een nagelnieuw, imposant en elegant huis.

C.V.G.: Op 11 oktober 2021 schreef The New York Times: ‘A Nazi Legacy Haunts a Museum’s New Galleries’. Bührle verwierf zijn rijkdom, en dus zijn kunstverzameling, op een niet bepaald menslievende manier, en dat het Kunsthaus met zijn collectie uitpakte, werd het instituut kwalijk genomen.

A.D.: Emil Bührle was een Duitser, geboren in 1890, die in 1924 naar Zürich verhuisde. Zijn fortuin maakte hij als wapenfabrikant, en tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde hij, met officiële toestemming van de Zwitserse staat, zowel wapens aan de geallieerden als aan nazi-Duitsland. Het maakte hem letterlijk tot de rijkste man van Zwitserland. Het probleem is niet alleen de herkomst van zijn geld, maar ook de manier waarop hij die kunstwerken verworven heeft. Veel van de schilderijen in zijn collectie waren oorspronkelijk het eigendom van Joodse verzamelaars, en de omstandigheden waarin zij de kunstwerken hebben verkocht – of eerder hebben moeten verkopen, ook tegen lage prijzen – blijven onduidelijk. Als al die eigenaars nooit door de nazi’s vervolgd zouden zijn geweest, dan zou Bührle nooit zoveel kunst hebben verzameld.

C.V.G.: Bij de heropening en de tentoonstelling van de collectie in de herfst van 2021 kwamen die kwesties dus niet aan bod?

A.D.: Te weinig. Er was een documentatieruimte over de biografie van Bührle, met een chronologische zaaltekst met foto’s en documenten. 

C.V.G.: Begin november 2021 gaf Lukas Gloor, de directeur van de Stiftung Bührle, zijn ontslag, met als dreigement de suggestie dat de collectie niet in het Kunsthaus hoefde te blijven. Er is een antecedent: in 2001 vroeg Friedrich Christian Flick aan Rem Koolhaas om een privémuseum in Zürich te ontwerpen, waar hij de collectie van zijn vader, de nazimisdadiger Friedrich Flick, zou kunnen exposeren. Ook dat initiatief veroorzaakte verzet, en deze collectie kwam in 2005 terecht in het Hamburger Bahnhof in Berlijn. Was de vrees terecht dat het Kunsthaus de Sammlung Bührle zou verliezen?

A.D.: Dat weet ik niet, maar het gaf aan hoe gespannen de sfeer was. Het was duidelijk dat het zo niet verder kon, en dat het nodig was het gesprek zo open mogelijk te voeren.

C.V.G.: Eind december 2021 zei je voorganger Christoph Becker op een persconferentie dat hij voorafgaandelijk aan de tentoonstelling van de Bührle-collectie de steun had gekregen van Ronald Lauder, de voorzitter van het World Jewish Congress. Kort daarna werd dat door de advocaat van Lauder ontkend: er was met betrekking tot het ontwerp van de documentatieruimte nooit een verzoek geweest. 

A.D.: Dat heeft ertoe bijgedragen dat mijn aanstelling is vervroegd. Ik heb vanaf maart 2022 een week per maand in Zürich doorgebracht en ben in de zomer met mijn familie verhuisd.

C.V.G.: De Bührle-collectie aanpakken werd je belangrijkste taak.

A.D.: Dat zou je denken, maar begin augustus brak er brand uit in het museum: een elektrisch apparaat in een verpakkingsruimte in het oude gebouw vatte vuur. De rook verspreidde zich bijna overal, waardoor we 400 kunstwerken moesten onderzoeken, en een tijdlang is enkel de nieuwe vleugel toegankelijk geweest.

C.V.G.: Op 15 maart 2023 heb je, samen met Philipp Hildebrand, de voorzitter van het Zürcher Kunstgesellschaft dat het Kunsthaus leidt, een nieuwe aanpak voorgesteld voor kunstwerken die ooit eigendom waren van vervolgde Joden. De herkomst van kunstwerken die van eigenaar wisselden tussen 1933 en 1945 zou opnieuw onderzocht worden om na te gaan of de verkoop al dan niet het gevolg was van nazivervolging.

A.D.: We besloten proactief te handelen, en dus niet langer te wachten tot we benaderd werden door de nazaten van de voormalige eigenaars. Uiteindelijk volgt het Kunsthaus, voor de eigen verzameling, de internationale standaard, zoals die al in 1998 is vastgelegd in de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art. Al voor mijn aantreden heeft het Kunstgesellschaft, samen met de stad en het kanton, aan de Zwitserse historicus Raphael Gross, directeur van het Deutsches Historisches Museum in Berlijn, gevraagd om de herkomst van de Sammlung Bührle opnieuw te onderzoeken.

C.V.G.: Als tegenexpertise?

A.D.: Eerder als een second opinion, als reactie op het schandaal en vermoedelijk ook op basis van voortschrijdend inzicht. Het veranderende besef, hier in Zwitserland, over de eigen rol in de Tweede Wereldoorlog zal zeker een rol gespeeld hebben. De positie op dat verleden is altijd ogenschijnlijk helder geweest: Die Schweiz war keine Täter-Nation – het zijn de nazi’s die verantwoordelijk zijn voor de Holocaust, niet de Zwitsers. De toenmalige interpretatie van neutraliteit heeft er echter wel toe geleid dat Zwitserland een van de belangrijkste draaischijven was voor de handel in cultuurgoederen van nazislachtoffers. 

C.V.G.: In afwachting van de resultaten hebben jullie besloten om in november 2023 al een nieuwe tentoonstelling te openen, gewijd aan de verzameling van Bührle.

A.D.: Enerzijds deden we dat omdat de druk hoog was: er moest een alternatief komen voor de opstelling uit 2021. De stad Zürich heeft daar expliciet om gevraagd. Anderzijds wilden we benadrukken dat het om een leerproces gaat dat zich niet zomaar laat afsluiten, en dat resultaten altijd deels voorlopig zijn. Het was belangrijk om de discussie ernstig te nemen, en zo veel mogelijk posities aan het licht te brengen. Als een museum – ook een museum voor schone kunsten – kritisch wil zijn en zich tot het heden wil verhouden, dan moet je complicaties en problematische aspecten van het verleden durven benoemen en onderzoeken. 

C.V.G.: Vind je het niet vreemd dat net jij als buitenlander, als Belg, het gezicht werd van die vernieuwingsoperatie?

A.D.: Ik sta om te beginnen aan het hoofd van een team dat voornamelijk uit Zwitsers bestaat. Maar er zijn veel mensen die me gezegd hebben dat enkel een buitenlander deze taak ten gronde kan aanpakken. Als Zwitser, maar bijvoorbeeld ook als Duitser, zou ik te zeer betrokken partij zijn, misschien ook op emotioneel vlak.

C.V.G.: Consider me Switzerland…

A.D.: Ja, in zekere zin is dit een discussie waarin de Zwitsers hun traditionele neutraliteit niet kunnen behouden. Ik behoud afstand, maar het is toch iets dat me zeer ter harte gaat. Ook in België of in Nederland is het een taak om het nationale verleden ter discussie te stellen, en om na te gaan hoe kunstcollecties tot stand zijn gekomen. Ik probeer de kwestie algemener te benaderen: het is met deze blik dat we, in veel landen, vandaag naar kunst kijken, door ons met de herkomst van kunstwerken bezig te houden. De geldstromen die kunst mogelijk maken – het is een thema waarin onze tijd geïnteresseerd is. Kijk naar de manier waarop de naam van de farma-industrieel Sackler uit instituten is verwijderd, in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Dit is geen typisch Zwitsers probleem, het is alleen Zwitsers gekleurd.

C.V.G.: Bemoei je met je eigen zaken – dat heb je niet te horen gekregen? 

A.D.: Nee, helemaal niet, hoewel ik besef dat die spanning er is. Maar ook dat is niet typisch voor Zwitserland. In Nederland waren ze razend enthousiast over het boek dat David Van Reybrouck over Congo heeft geschreven, maar Revolusi, zijn boek over Indonesië uit 2020, werd op meer kritiek onthaald.

C.V.G.: In juli 2023 besloot het collectief KKKK – Komitee Kunstraub Konfiskation Kommunikation – het Kunsthaus op weg te zetten, door de website te kraken en de QR-codes bij de werken van Bührle te vervangen. Ze noemen op hun website de collectie ‘de Zwitserse versie van een Holocaustmemoriaal’, en ze eisen de teruggave van alle werken die Bührle van bij Joodse verzamelaars verkreeg, maar ook de verkoop van alle andere werken uit de collectie én de inrichting van de vrijgekomen kamers in het Kunsthaus ‘als een museum voor de geschiedenis van het Zwitserse migratieregime, de buitenlandpolitiek en de wapenindustrie tijdens de Tweede Wereldoorlog’.

A.D.: Voor dat laatste zijn andere instituten beter geschikt – het Landesmuseum bijvoorbeeld, ook in Zürich, waar de nationale geschiedenis van Zwitserland wordt tentoongesteld. Je kan die actie van het KKKK zien in de traditie van het dadaïsme: in Zwitserland, en zeker in Zürich, zijn er altijd progressieve en radicale stromingen aanwezig geweest.

C.V.G.: Een week voor de opening van de collectietentoonstelling, eind oktober 2023, werd bekend dat de wetenschappelijke adviesraad, samengesteld met het oog op de verzameling van Bührle, besloot op te stappen. Zeven leden, onder wie Matthieu Leimgruber, de historicus die het eerste onderzoek had uitgevoerd, tekenden protest aan bij de uitvoering van de tentoonstelling, die als titel droeg Eine Zukunft für die Vergangenheit. Sammlung Bührle: Kunst, Kontext, Krieg und Konflikt.

A.D.: De adviesraad heeft ons tijdens het proces begeleid en hun continue feedback op het concept was erg waardevol. In de eindfase is er veel discussie ontstaan over de begeleidende teksten. Uiteindelijk vond de adviesraad dat Bührle te prominent naar voren kwam, ten nadele van de Joodse Vorbesitzer, die de kunstwerken, en vaak ook hun leven, verloren tijdens en door het nazisme.

C.V.G.: Bührle staat inderdaad centraal. Toen ik de expo bezocht, hoorde ik een Nederlandse bezoeker tegen zijn vrouw zeggen: ‘Wat een slechte man!’

A.D.: Wij vonden het onvermijdelijk om Bührle centraal te stellen: hij is de aanleiding waarom we de discussie over de pijnlijke aspecten van de collectie voeren. Voor ons waren de teksten een belangrijk onderdeel, maar de video-interviews met talloze betrokkenen, de digitale interactieve enquête en de dialoogsessies die we organiseerden in de tentoonstelling – het discursieve nevenprogramma – waren minstens even wezenlijk. Het veroorzaakte oproer in de pers, maar de adviesraad en wijzelf zijn blijven praten. We agreed to disagree. Dissensus moet je accepteren als je dit soort controversiële issues aankaart. 

C.V.G.: Er werd zelfs gesuggereerd dat die Joodse verzamelaars opnieuw in een marginale positie werden geduwd, in de collectiepresentatie.

A.D.: Ik heb veel begrip voor dat standpunt, maar het zou een andere tentoonstelling hebben opgeleverd. We hebben ervoor gekozen de context te tonen waarin Bührle zijn collectie kon verwerven, met ook biografische portretten van de Joodse verzamelaars, maar zij zijn inderdaad niet het uitgangspunt.

C.V.G.: De hele situatie is ongetwijfeld nog complexer geworden door de aanval van Hamas in Israël op 7 oktober 2023 en de nog steeds voortdurende bombardementen van Israël in de Gazastrook. Elke zweem van antisemitisme moet sindsdien koste wat het kost vermeden worden in de Duitstalige wereld.

A.D.: Natuurlijk, en die invloed van actuele gebeurtenissen is belangrijk: het toont nog maar eens dat kunst niet buiten de maatschappij staat, en dat je kunstwerken en collecties niet kan isoleren in de tijd waarin ze tot stand zijn gekomen. Tegelijkertijd is Zwitserland Duitsland niet: de censuur die daar nu plaatsgrijpt, is een fenomeen dat we hier niet kennen. 

C.V.G.: Eine Zukunft für die Vergangenheit opent met het gedeeltelijk impressionistische olieverfschilderij Irène Cahen d’Anvers (La Petite Irène) van Auguste Renoir uit 1880. Het werd gemaakt op vraag van de vader van de geportretteerde, en het werk wordt, in de presentatie in het Kunsthaus, in verband gebracht met het lot van de kinderen van Irène Cahen d’Anvers: haar dochter Béatrice, diens echtgenoot en hun twee kinderen werden vermoord in Auschwitz, terwijl Irène zich tijdens de oorlog kon verschuilen in Parijs. Het schilderij werd door de nazi’s gestolen na de val van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog, en het kwam terecht in de collectie van Hermann Göring, die het ruilde met een Duitse kunsthandelaar voor een Florentijnse tondo. Na de oorlog heeft Irène Cahen d’Anvers het werk kunnen recupereren, maar in 1949 heeft ze het via een Parijse galerist verkocht, die het dan weer heeft doorverkocht aan Emil Bührle.

A.D.: Kunstwerken tragen keine Schuld, dat is een van de motieven die we hanteren in de tentoonstelling. Irène Cahen d’Anvers (La Petite Irène) is een beeld waarin veel samenkomt, en het maakt de problematiek meteen heel persoonlijk. 

C.V.G.: Na die Renoir en een reeks thematische ruimtes volgt een chronologische rangschikking, niet op basis van het tijdstip waarop de werken voltooid zijn, maar op basis van het moment waarop Bührle ze in handen kreeg. In de tweede zaal hangen een aantal late Monets, zoals Le Bassin aux nymphéas, reflets verts, voltooid tussen 1920 en 1926 – meer dan vier meter breed en twee meter hoog. Het is redelijk ontluisterend om die kunstwerken te bekijken, niet vanuit wat de kunstenaar ermee trachtte te bereiken of vanuit hun positie in de kunstgeschiedenis, maar vanuit de vraag hoe de doeken van eigenaar zijn gewisseld, en in welke omstandigheden. Vorm en inhoud komen niet meer aan bod – het gaat over kunst als eigendom, over de ‘identiteit’ van kunstwerken, waar de kunstenaar niet voor gekozen heeft.

A.D.: Het gaat vooral over de context van een kunstwerk, ook na de voltooiing ervan. Ik denk enerzijds dat het een fase is, en dat er een moment zal aanbreken waarin we ook de werken uit de collectie van Bührle weer met een esthetische en kunsthistorische blik kunnen bekijken. Anderzijds hoeft het ene het andere niet uit te sluiten: waarom zouden historische of politieke omstandigheden de werken niet beïnvloed kunnen hebben? Monet is aan zijn waterlelieschilderijen begonnen kort nadat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, en hij heeft er alles aan gedaan om tijdens dat conflict zijn activiteiten niet te moeten staken – waarom zouden we die werken niet kunnen bekijken in het licht van de conflicten die later zouden volgen?

C.V.G.: In een recensie van de tentoonstelling door Gerhard Mack, bekend omdat hij het verzameld werk van architecten Herzog & de Meuron heeft samengesteld, werd gesuggereerd dat de kunstwerken worden gebruikt of zelfs misbruikt om een debat aan te zwengelen. ‘Debatte kommt vor Kunst,’ schreef hij, opnieuw in de Neue Zürcher Zeitung, op 5 november 2023. In een opiniestuk schreef redacteur Thomas Ribi al twee dagen eerder, in dezelfde krant: ‘Altijd vriendelijk en kritisch willen zijn en geen fouten maken, dat lijkt de hoofdprioriteit te zijn geweest.’ Hij beweerde dat de leden van de adviesraad ‘gevlucht’ waren met het oog op hun reputatie en hij vond hun claims overtrokken, maar ook de te grote nadruk op Bührle stuitte hem tegen de borst. ‘Dat het bij dit alles ook over kunst zou kunnen gaan, dat wil men blijkbaar niet te sterk benadrukken.’

A.D.: Het lijkt me een basisfunctie van kunst om een gesprek op gang te brengen, en waarom zou je dan voorbehoud maken bij sommige onderwerpen? 

C.V.G.: Het is opmerkelijk hoe nauwgezet en kritisch jouw activiteiten, en die van het Kunsthaus in het algemeen, door de Neue Zürcher Zeitung worden gevolgd en bekritiseerd.

A.D.: Dat is ook hun taak, als ‘stadskrant’. Wat me opvalt, nu ik hier twee jaar woon en werk, is de extreme tweespalt die er in Zürich, en waarschijnlijk in Zwitserland in het algemeen, blijkt te bestaan. In Nederland en België is dat veel minder het geval. Er is in Zürich overduidelijk de conservatieve kant, die inderdaad door de Neue Zürcher Zeitung wordt vertegenwoordigd. Zij zien het museum als een refugio, een paleis voor schoonheid, totaal bevrijd van de taak om aan nationaal zelfonderzoek te doen. En dan is er de jongere, meer progressieve groep, die een stem vindt in de andere krant van Zürich, de Tages-Anzeiger, en die wil dat het museum een kritisch instituut is dat machtsstructuren onderzoekt en ook Zwitserland zelf in vraag stelt.

C.V.G.: In de Tages-Anzeiger van 2 november 2023 schreef Christoph Heim: ‘Door al het eerbetoon aan wapenproducent Emil G. Bührle komt het Kunsthaus er niet toe de Joodse verzamelaars echt te waarderen. Directrice Ann Demeester heeft haar vuurdoop niet doorstaan.’

A.D.: Zie je – dat bedoel ik! Het ene kamp vindt dat we Bührle onrecht aandoen en de kunst veronachtzamen, terwijl het andere kamp vindt dat we Bührle op een piëdestal zetten. Iedere ochtend als ik arriveer op kantoor liggen de twee kranten mooi naast elkaar op mij te wachten: de Tages-Anzeiger links en de Neue Zürcher Zeitung rechts. Maar waar is de krant die in het midden durft te liggen?

C.V.G.: In het hart van de tentoonstelling Eine Zukunft für die Vergangenheit staat een reeks televisieschermen met talking heads: verschillende betrokkenen laten hun licht schijnen over de problematiek. Het zijn allemaal Zwitsers, met uitzondering van de Franse kunstenaar Raphaël Denis, die werk heeft gemaakt over roofkunst, en die een ander argument aanhaalt. Volgens hem is het onterecht om Bührle tot ‘curator’ te verheffen: waarom zou zijn collectie zonder tussenstappen in een tentoonstelling moeten worden vertaald? Dat is een probleem dat zich voordoet bij elke privécollectie, of bij elke verzameling in het algemeen. Opvallender is wat Severin Pflüger zegt, die van 2016 tot 2022 voorzitter was van de FDP, de liberale partij in Zürich. Hij noemt het hele debat een ‘grotesk politiek drama’, en hij sluit laconiek af met de mededeling blij te zijn dat het kabaal voorbij is. De films dateren van eind 2023, en zijn mededeling was voortvarend, maar de wens is de vader van de gedachte: zou het niet kunnen dat kunst als pars pro toto wordt gebruikt om een nationaal probleem te beslechten?

A.D.: Dat is natuurlijk zo, maar ik hoop en ik denk niet dat het hiermee is afgelopen. Ik heb het al over het Landesmuseum gehad: ik ben benieuwd of zij nu hun kijk op de vaderlandse geschiedenis gaan aanpassen.

C.V.G.: Zoiets zou toch extreem bedreigend zijn? De provenance van de rijkdom van Zwitserland ondervragen en misschien zelfs rechtzetten – waar zal dat eindigen?

A.D.: Geen enkel land heeft er baat bij de eigen geschiedenis niet onder ogen te zien. En nogmaals: je hoeft daarin niet noodzakelijk een extreme positie in te nemen, maar waarom zou je er niet minstens een gesprek over kunnen voeren?

C.V.G.: De voorlopig recentste episode in het debat vangt aan op 19 juni, wanneer Kunsthaus Zürich, of liever het Zürcher Kunstgesellschaft dat het instituut bestuurt, een besluit neemt met betrekking tot een werk uit de eigen collectie: L’Homme à l’ombrelle (1865/1867) van Claude Monet.

A.D.: Er is inderdaad een overeenkomst getroffen met de erven van Claude Sachs, een Joodse verzamelaar die Duitsland moest ontvluchten en delen van zijn collectie heeft moeten verkopen om zich in Zwitserland te kunnen vestigen. Dit werk zal verkocht worden, en de opbrengsten zullen worden verdeeld onder het Kunsthaus en de erfgenamen van Sachs.

C.V.G.: Een week na die aankondiging, op 26 juni, worden de resultaten bekendgemaakt van het onderzoek door Raphael Gross naar de herkomst van de Sammlung Bührle. Hij zegt dat eerder onderzoek ‘fundamenten’ heeft gelegd, maar nog niet aan de eisen voldoet, en dat de provenance van minstens 62 en uiteindelijk zelfs 133 werken opnieuw moet worden onderzocht.

A.D.: Ja, dat klopt, en ook de Stiftung Sammlung E.G. Bührle heeft besloten om voor zes werken uit de collectie een overeenkomst te zoeken met de wettelijke erfgenamen van voormalige eigenaars. Dat ligt volgens hen in lijn met de meer recente ‘best practices’ zoals die in maart van dit jaar geherdefinieerd zijn in de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art. Zwitserland – meer bepaald het Bündesamt für Kultur – heeft dat document onderschreven, waardoor kunstteruggave zich ook aandient in het geval van Fluchtgut. Het is niet omdat een kunstwerk niet expliciet bij iemand is weggehaald, dat moeilijke levensomstandigheden niet ook de verkoop ervan noodzakelijk hebben gemaakt. In plaats van over roofkunst wordt er in provenance studies daarom over Fluchtgut gesproken, ‘vluchtgoed’: eigendom waar iemand onvrijwillig afstand van heeft moeten doen. Maar die term gebruiken we bij het Kunsthaus niet meer – we hebben het over NS-verfolgungsbedingt entzogene Kulturgüter.

C.V.G.: Het gevolg is dat er zes werken verdwenen zijn op de tentoonstelling Eine Zukunft für die Vergangenheit, waaronder Jardin de Monet à Giverny (1895) van Claude Monet of Der alte Turm (1884) van Vincent van Gogh.

A.D.: Het is natuurlijk jammer dat we die werken – voorlopig – niet meer kunnen tonen. Maar het onderzoek is heel precies gebeurd, wat ook blijkt uit één afzonderlijke casus binnen die groep van zes: La Sultane (1871) van Édouard Manet, waarvoor de stichting een ‘symbolische compensatie’ zal aanbieden.

C.V.G.: Neem het me niet kwalijk, maar ik citeer toch nog één keer uit de Neue Zürcher Zeitung, een opiniestuk van 31 juli door advocaat Daniel Lampert: ‘Standvastigheid tegenover allerlei vrijgevige neigingen – met alle respect voor de slachtoffers van nazistische misdaden – zou helemaal niet amoreel zijn, maar wel bevorderlijk voor het behouden van de instemming van de meerderheid van de bevolking.’ En ook in de Tages-Anzeiger schreef Rico Bandle, al op 22 juni: ‘Nu zien Zwitserse musea zich bedreigd door het verlies van sommige van hun waardevolste schilderijen.’

A.D.: Het zijn reacties die nogmaals tonen wat voor enorme en – voor dit land – snelle veranderingen zich aandienen, over de rol van Zwitserland tijdens de Europese kolonisatie en de Tweede Wereldoorlog. Het beschermende schild van de neutraliteit is deels verdwenen, en het inzicht is ontstaan dat Zwitserland geen actieve dadersrol speelde, maar wel een facilitator was, een enabler. Dat is een pijnlijke realiteit met heel veel grijswaarden. Het debat zwenkt van het ene extreem naar het andere. Dat de collectie van Bührle kritisch moet worden bekeken, daar is iedereen het stilaan over eens, maar als er kunstwerken verwijderd worden, dan wordt er op de rem getrapt. Sommigen zeggen onomwonden dat de Zwitserse neutraliteit een businessmodel is; anderen roepen luidkeels – if push comes to shove en je echt op zoek gaat naar erfgenamen – dat we drie generaties later niet meer verantwoordelijk zijn voor historisch onrecht. Het zijn soms paradoxale reacties, die met schrik gepaard gaan, en die niet meer dan menselijk zijn. Het hoort bij een overgangsfase naar een andere omgang met een zeer ingewikkelde geschiedenis.

Het kwaad kan altijd terugkeren

Christophe Van Gerrewey: Je bent in oktober 2012 vanuit Brussel naar Zürich verhuisd, waar je toenmalige partner woonde. Welk beeld had je van het land? 

Sophie Nys: Helvetica Neue is mijn favoriete lettertype, maar meer affiniteit was er vooraf niet.

C.V.G.: Had je een idee van wat je te wachten stond? 

S.N.: Ik had al een paar ervaringen door deel te nemen aan groepstentoonstellingen. Eind mei 2012 liep er in Circuit, een kunstruimte in Lausanne, een solotentoonstelling, op uitnodiging van kunstenaar-curator Frédéric Chapon. Ik werkte sinds 1999 aan een beeldarchief, met snapshots van kunstwerken die ik maakte in musea of galeries, en waarvan het me goed leek dat ik ze me zou herinneren.

C.V.G.: Een soort privéarchief?

S.N.: De motivatie achter dat project was heel banaal: ik heb een geheugen als een vergiet, en ik had een naslagwerk nodig. Soms ging het om dubbele beelden, van het kunstwerk en het onderschrift. In Lausanne heb ik dat project afgerond. In een oplage van twintig exemplaren is toen de zesde versie van Catalog verschenen – een publicatie waarin die zwart-witfoto’s werden verzameld. In Circuit heb ik vijftig afbeeldingen tentoongesteld, van bijvoorbeeld Valie Export, Sylvie Eyberg, Yoko Ono, Thomas Hirschhorn of Roy Lichtenstein. Ze werden afgedrukt op wit papier en bevestigd op houten wanden, geïnspireerd door de ‘sokkels’ van Lina Bo Bardi. Er is in Lausanne ook een editie gemaakt met als titel Tuttle: een foto van Octogonal Cloth Piece van Richard Tuttle uit 1969.

C.V.G.: De expo heette O Bäume, die du nicht fällst! Dat is een regel van Paul Celan uit de bundel Von Schwelle zu Schwelle uit 1955. In de vertaling van Ton Naaijkens: ‘O bomen die je niet velt!’ Ging het om een selectie kunstwerken die overeind moesten blijven – een persoonlijke canon in het gigantische woud van de kunstgeschiedenis?

S.N.: Die titel werd voorgesteld door curator Frédéric Chapon. Hij had de tentoonstelling goed voorbereid. Het zou kunnen dat hij iets dergelijks in gedachten had.

C.V.G.: Waarom besloot je om het beeldarchief in 2012 af te ronden?

S.N.: Ik ben met dat project begonnen in 1999 tijdens mijn verblijf aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht, omdat ik toen de mogelijkheid kreeg om peperdure digitale camera’s uit te lenen, die nog even recent als zeldzaam waren. Een voordeel was dat ik kosteloos beelden kon maken als ik tentoonstellingen bezocht. Daarna democratiseerde het digitale fototoestel, en werd het steeds vaker verboden om te fotograferen in musea. Vooral tijdens tijdelijke tentoonstellingen vond ik dat opvallend. Het werd onmogelijk om mijn naslagwerk compleet te houden, dus ben ik ermee gestopt.

C.V.G.: Dat is paradoxaal: vanuit technologisch oogpunt werd het steeds makkelijker om waar dan ook foto’s te maken met je telefoon.

S.N.: Ja, dat klopt, maar ik ben een late gebruiker, ik heb pas in de zomer van 2013 een smartphone gekocht. Ondertussen is dat ‘beeldverbod’ ook weer veranderd: nu mag je alles fotograferen en online delen omdat het reclame oplevert. Alleen een flits gebruiken, dat mag meestal niet.

C.V.G.: Hebben die ervaringen, bijvoorbeeld in Lausanne, bijgedragen aan je besluit om te verhuizen naar Zwitserland?

S.N.: Niet bepaald. Ik ben nogal impulsief. Toen ik achttien of negentien was, was ik vol van Nederland. Die fascinatie ging over vormgeving – vorm en architectuur. Het is deels daarom dat ik aan de Jan van Eyck Academie heb gestudeerd, van 1999 tot 2001, na mijn studies aan Sint-Lucas Gent, van 1992 tot 1996. Ik had iets gelijkaardigs met Zwitserland: het vermoeden dat vorm in de cultuur zit ingebed, veel meer dan in België, en als vanzelfsprekend beschikbaar wordt gesteld. Ken je de jaarrapporten van Ringier? Ringier is een Zwitserse mediagroep die al sinds 1833 bestaat en die hun annual reports vergezeld laten gaan van een kunstenaarspublicatie die je online kan bestellen.

C.V.G.: Ik heb in 2008, in nr. 135 van De Witte Raaf, het jaarverslag van 2007 besproken, of althans het artistieke luik ervan: Sonne, Mond und Sterne van Fischli & Weiss.

S.N.: Dat zoiets gratis verkrijgbaar is, dat heeft zeker mijn beeld van Zwitserland bepaald. Of neem een kunstenaar als Rémy Zaugg, en hoe hij ruimte, vorm, architectuur en boekcultuur benaderde… Hij ligt begraven in Porrentruy, in het noorden van de Jura, waar ik in 2013 mijn tweede solo in Zwitserland heb kunnen organiseren, in Les Halles.

C.V.G.: In 2012, het jaar van je vertrek, heb je deelgenomen aan Un-Scene II in Wiels in Brussel, een groepstentoonstelling met werk van jonge kunstenaars die in België gevestigd zijn. Je toonde onder meer Twelve Proverbs: handgeschilderde houten platen, in tinten rood, die telkens betiteld zijn met een Vlaams spreekwoord. 

S.N.: Twelve Proverbs is een abstracte versie van Twaalf spreuken op borden uit 1558 van Pieter Bruegel de Oude, als een soort test om te zien hoe algemeen herkenbaar die zegswijzen zijn los van de traditionele iconografie.

C.V.G.: In een bespreking van Un-Scene II in De Witte Raaf, nr. 159, schreef Caroline Dumalin dat deze editie toonde hoe Brussel ‘de beste context biedt om veelbelovende, integere en internationaal georiënteerde praktijken tot ontwikkeling te laten komen’. Had je niet het gevoel iets achter te laten, iets af te breken dat je aan het opbouwen was, afscheid te nemen van een jonge generatie Brusselse kunstenaars? Het zijn ‘carrièristische’ vragen, maar was het strategisch om naar Zürich te verhuizen?

S.N.: Daar heb ik nooit zo over nagedacht… Ik ben niet iemand die plannen uitzet. Ik had evenmin het gevoel iets achter te laten. Ik heb in 2012 voor één jaar loopbaanonderbreking aangevraagd aan Sint-Lukas Brussel, waar ik doceerde, en nu nog steeds doceer. Dat was mijn Brotjob, zoals dat in het Duits heet, waarmee ik een vast inkomen kon garanderen. Ik wist helemaal niet dat ik vijf jaar weg zou blijven. Het besluit om terug te keren naar Brussel in 2017 werd deels ingegeven door het feit dat je maximaal vijf jaar loopbaanonderbreking kan aanvragen – daarna vervalt je contract.

C.V.G.: Misschien was de deelname aan Un-Scene net een aanleiding om iets anders te gaan doen, op een andere plek?

S.N.: Ja, het leek een goede timing. Achteraf kan je zeggen dat ik in de meeste Belgische musea en op interessante plekken iets had kunnen realiseren – met uitzondering van het SMAK in Gent, om de een of andere reden. Het was een frisse kans om in een andere omgeving terecht te komen. Bovendien kreeg ik nog steeds opdrachten uit België, ook al woonde ik in Zwitserland. Ik ben in 2014 bijvoorbeeld gevraagd om een kunstintegratie te realiseren in het Herman Teirlinckgebouw op de Thurn en Taxissite in Brussel: La dormance des graines, twee plafondmedaillons boven de wintertuinen waarrond de kantoren gegroepeerd zijn. Er was zeker continuïteit.

C.V.G.: Je bleef ook onder dak bij Galerie Greta Meert in Brussel, waar je tussen 2005 en 2023 vijf solotentoonstellingen hebt gemaakt.

S.N.: Dat is altijd een belangrijke steun geweest. Ik werkte als assistent in de galerij van Greta, en ik woonde in het gebouw in Molenbeek waarin ook het atelier van Marthe Wéry zich bevond. Sylvie Eyberg en Pierre Lauwers waren mijn buren, en zij hebben mij aangeraden bij Greta. Zij heeft in 2004 mijn tentoonstelling Airs Classiques gezien in Bozar in Brussel. Bozar had toen nog een reeks die FreeSpace heette, waarmee ze in samenwerking met NICC een platform boden aan jonge kunstenaars. Dus na die expo kreeg ik op een avond telefoon van Greta. Ik zie nog mijn grote Nokia oplichten, en toen ik haar naam zag, dacht ik meteen: de galerij staat in brand! Maar ze vroeg of ik met haar wou werken, als kunstenaar. Ik had die vraag totaal niet verwacht.

C.V.G.: Je was nog jong.

S.N.: Ik heb me afgevraagd of ik niet had moeten aansluiten bij een galerie die gerund wordt door leeftijdsgenoten. De galerie van Greta bestaat al sinds 1988. Het is een heel stabiele context. Zij is erg loyaal, en concreet heeft het betekend dat ik min of meer om de drie jaar kon tonen waar ik mee bezig was.

 

Toelatingsvoorwaarden

C.V.G.: Ben je subsidie in België blijven aanvragen tijdens je Zwitserse jaren?

S.N.: Nee. Dat heb ik pas achteraf beseft, dat zoiets mogelijk was. Veel kunstenaars zetten dat precies daarom in hun cv: ‘Living and working in Brussels and Berlin’ Ik heb jarenlang geen ondersteuning ontvangen van de Vlaamse overheid, misschien is dat een van de redenen waarom ik in 2022 een ‘Beurs bewezen talent’ heb gekregen.

C.V.G.: Kreeg je in Zwitserland financiële ondersteuning?

S.N.: Ik heb het geluk gehad snel een atelier te vinden, eind 2012, in de Kirchenweg in Zürich, in een prachtig kantoorgebouw uit 1967 van Haefeli Moser Steiger. Het beantwoordde meteen aan mijn hooggestemde verwachtingen over de Zwitserse architectuur!

C.V.G.: Hoe ben je daar terechtgekomen?

S.N.: Die kantoren zouden omgevormd worden tot luxeappartementen, en het gebouw werd door de vennootschap Projekt Interim aangeboden voor tijdelijk gebruik. Het was en is een extreem dure wijk, met een park en met zicht op het meer. Een eindje verderop woonde Tina Turner. Ongeveer twintig maanden lang hebben daar, in afwachting van de verbouwing, kunstenaars, maar ook muzikanten, architecten en ontwerpers verbleven. Ik heb er bijna één jaar gewerkt, van november 2012 tot september 2013 – en gewoond ook, trouwens, wat eigenlijk niet mocht. De huurprijs bedroeg 150 CHF per maand, inclusief alle kosten, dat is bijna niks.

C.V.G.: Was er een strenge selectieprocedure?

S.N.: Ik heb op internet gezocht naar atelierplekken en ik ben waarschijnlijk een beetje agressief geweest. Ik had het gevoel: dit moet ik hebben! Op een weinig Zwitserse manier ben ik blijven aandringen, en uiteindelijk kreeg ik een van de kleinste studio’s toegewezen: het was niet vanzelfsprekend om in die kamer op ware grootte dingen uit te proberen.

C.V.G.: Waren er veel buitenlanders onder je medebewoners?

S.N.: Nee. Voor mensen in de creative industry in Zürich is het heel duur om een aparte werkplek te huren. Er wordt dus vaak een beroep gedaan op dergelijke initiatieven voor tijdelijk verblijf, en kunstenaars weten dat ze na een jaar weer van atelier moeten veranderen.

C.V.G.: Na je verblijf langs de Kirchenweg ben je in de Stiftung Binz39 beland, opgericht in 1983, die werkruimtes aanbiedt voor kunstenaars, langs de Sihlquai in Zürich.

S.N.: Ja, maar dat verblijf heeft nog een tijdje overlapt met mijn periode in de Kirchenweg. En in september, oktober en november 2013 ben ik naar New York geweest, voor een residentie bij Residency Unlimited in Brooklyn – dat verblijf werd wel nog ondersteund door de Vlaamse overheid. Stiftung Binz39 heb ik ook gewoon op internet gevonden.

C.V.G.: Wat waren hun toelatingsvoorwaarden?

S.N.: Zij selecteren op basis van portfolio, en dan word je uitgenodigd voor een gesprek. Ik kwam terecht in een groep van zes of zeven kunstenaars.

C.V.G.: Wat betekent dat voor jou, als kunstenaar, op praktisch vlak, verhuizen? Wat neem je mee als je een nieuwe studio betrekt? Is het een logistiek zware operatie?

S.N.: Ik had uit Brussel twee dozen meegenomen: een doos met mijn favoriete boeken en een doos met spullen, gereedschap, bureaumateriaal… Mijn basisuitrusting is een laserprinter, A4-formaat, en internet – een computer. Ik heb altijd een chronische achterstand op het vlak van wat mij interesseert: er zijn altijd nog onderwerpen die ik moet aanpakken en waarover ik materiaal moet verzamelen – papier dat ik moet uitprinten en ergens onderbrengen.

C.V.G.: Met internet verwerf je kennis.

S.N.: Ja, hoewel ik in Zwitserland vaker bibliotheken heb bezocht, gewoon omdat er zoveel schitterende collecties zijn. Ik weet nog dat ik in mijn eerste werkkamertje in Zürich in 2012 geïnteresseerd ben geraakt in de pest, wat dan geleid heeft tot een reeks werken, waaronder de video Full of Piss and Vinegar, die begin 2014 bij Greta Meert zijn getoond. Wat mij fascineerde waren vooral de peststenen, waarvan in de middeleeuwen geloofd werd dat het schraapsel als medicijn kon werken. Op internet heb ik ontdekt dat er zich in Lochem in Nederland, in de steunbeer van een kerk, nog zo’n peststeen bevindt, danig afgeschraapt en bijna voor de helft verdwenen. Het is een prettige manier om iets te ontdekken, en om associatief verbanden te leggen. Er was een dokter in de middeleeuwen die geloofde dat hij met een citroen zijn neus kon beschermen tegen besmetting. Veel couranter was het gebruik van sponzen met azijn om dingen of lichaamsdelen te ontsmetten. In het werk Lochem, uit 2013, zijn die voorwerpen, als in een stilleven, gecombineerd op een houten tafel.

C.V.G.: Het toont – zes jaar voor covid – hoe de omgang met een pandemie haast onvermijdelijk met vreemd of zelfs komisch gedrag gepaard kan gaan. 

S.N.: Door bezig te zijn met die peststenen heb ik vooral beseft hoe je ogenschijnlijk heel verschillende dingen toch kan verbinden. Het was voor dat project dat ik een smartphone heb gekocht.

C.V.G.: Maak je altijd prints van wat je vindt online – afdrukken op papier, op A4-formaat?

S.N.: Ja, absoluut. Dat heb ik nodig. Ik weet niet waarom. Misschien is het typisch voor mijn generatie, alsof we een tegenhanger nodig hebben die uit de boekcultuur stamt.

C.V.G.: Het is makkelijk om notities te maken, met de hand, op wat je hebt afgedrukt.

S.N.: Zo werk ik nog steeds. Ik ben bezig aan een bijdrage aan de Biënnale van de Schilderkunst in het Roger Raveel Museum, op uitnodiging van Melanie Deboutte, dus ik heb allerlei foto’s afgeprint van Raveel, maar ook van zijn oeuvre.

C.V.G.: Je hebt een printer, maar geen kopieermachine.

S.N.: Nee. Ik had vroeger een flatbedscanner, maar daar heb ik de vloer van mijn atelier mee proberen scannen, en toen was-ie kapot. In plaats van een boek te kopiëren of te scannen, neem ik foto’s met mijn telefoon, die ik kan printen.

C.V.G.: Het verlangen naar kennis is sterk aanwezig in je werk – nieuwsgierigheid, de drive om dingen te weten te komen. Dat is wat een toeschouwer ziet die met je werk geconfronteerd wordt, en vaak is die kennis waar je naar streeft historisch van aard. In 2013 was een vroeg werk van jou, de video Lénine en pensant, te zien op de tentoonstelling The Way of the Shovel. Art as Archaeology, gecureerd door Dieter Roelstraete in het Museum of Contemporary Art in Chicago. Lénine en pensant, uit 2005, gaat over een gigantisch beeld van Lenin in Siberië, maar ook over zijn opvattingen over de rol van de vrouw in een socialistische maatschappij. Je graaft, inderdaad als een archeoloog, naar restanten uit het verleden die een actuele betekenis kunnen hebben, of die helemaal niet zo historisch blijken te zijn.

S.N.: Dat klopt, maar ik ben geen archeoloog, ik ben een expert in niks. Ik ben een amateur of een nerd. Soms verwacht ik dat academici, experts of historici mijn werk ergerlijk vinden, maar mijn ervaring is, vreemd genoeg, omgekeerd: ‘specialisten’ zijn erdoor gefascineerd dat ik als kunstenaar dicht bij hun werkveld kom. Ik word niet als bedreigend ervaren – terecht trouwens, want ik vergeet alles, ik heb er het brein niet voor om alomvattende kennis te verzamelen. Ik doe fragmentarisch kennis op, en wil die inderdaad delen, door die kennis om te zetten in iets dat ik kan tonen.

C.V.G.: Is het daarom dat je boeken maakt? Met een boek kan je op een meer duurzame manier kennis delen dan met een tentoonstelling of een kunstwerk.

S.N.: Met publicaties breng je dingen op een geconcentreerde manier samen. In de reeks werken over de Zwarte Dood heb ik in 2014 de publicatie Der Pestpatron gemaakt, over de patroonheilige van de pest, Sint-Rochus, die ziek werd en uit zijn dorp werd verbannen. Hij werd enkel nog door een hond, die hem brood bracht, in leven gehouden. In de iconografie van Sint-Rochus toont hij meestal een pestwond op zijn bovenbeen, en hij tilt zijn pij een beetje op. Zijn beeltenis doet denken aan de manier waarop beroemde vrouwen vaak poseren, op de rode loper, met één been bloot. Daarom heb ik Sint-Rochus gematcht met foto’s van die celebrity’s, bij wie ik telkens een hond heb gezet met een stuk brood in de muil.

C.V.G.: Het toont culturele continuïteit: de menselijke nood aan heiligenbeelden, aan iconen.

S.N.: Het boek is een nuttig medium om dat te tonen, om die beelden – en dus die gebruiken – bij elkaar te brengen, ondanks de afstand in de tijd. Ik probeer verzamelingen te creëren, in een boek, of liever: ik probeer te onthullen dat er verzamelingen bestaan, en dat de objecten die er deel van uitmaken niet uniek zijn. Het resultaat is een overzicht dat voordien al bestond, maar op een onzichtbare manier.

C.V.G.: Het is zoals bij Fischli & Weiss: Plötzlich diese Übersicht, een reeks sculpturen die in 1982 in boekvorm zijn samengebracht, hoewel de connectie tussen de onderdelen bij hen enigmatischer blijft, of niet cultureel of historisch te verklaren valt. Het is in boekvorm dat ze een geheel vormen en overzicht suggereren.

S.N.: De bladzijden van een boek zijn voorbestemd om eeuwig bij elkaar te blijven, als geliefden. De titel van een boek uit 2015, to love, verwijst daarnaar: in die publicatie worden foto’s verzameld van wafelijzers uit het Musée Historique de Mulhouse – op de linkerpagina één deel, rechts het andere deel. Ter gelegenheid van een huwelijk tussen leden van rijke families werd zo’n wafelijzer met de hand gemaakt, met de wapenschilden aan iedere zijde. De liefde werd letterlijk samengesmolten en geconsumeerd. Het boek to love onthult een verzameling of een reeks waarvan de meeste mensen niet wisten dat ze bestond. In een bibliotheek in Zürich heb ik een recept gevonden, Duitstalig, voor de ‘Mülhauser Waffeln’, dat ook in de publicatie is opgenomen, links van de titelpagina. 

C.V.G.: En wat is in dit geval de historische continuïteit?

S.N.: Op de binnenzijde van de kaft achteraan staat een foto van het huwelijk in 2011 van Prins Albert II van Monaco met Charlene Wittstock. Een van de titels van Albert II is ‘baron van Altkirch’ – Altkirch is de stad in Frankrijk, vlak bij Mulhouse, waar ik in 2015 een solo had in kunstcentrum Crac Alsace. Dus mocht dat huwelijk eeuwen geleden voltrokken zijn geweest, dan waren er waarschijnlijk ook wafels gebakken.

 

Onderdeel van het meubilair

C.V.G.: Je volgende solotentoonstelling in Zwitserland, na die in Lausanne in 2012, vond plaats in Les Halles in Porrentruy in 2013. Hoe ben je daar beland?

S.N.: Via de Zwitserse kunstenaar Boris Rebetez, die in Brussel heeft gewoond. Hij is uit de Jura afkomstig, en Les Halles wordt door kunstenaars gerund. In 2008 heeft Michael Van den Abeele daar ook tentoongesteld.

C.V.G.: Je tentoonstelling in Porrentruy opende met Keiner soll hungern! Keiner soll frieren! Het is een installatie, tegen een wand, die een haast ideale, om niet te zeggen zuivere visie op het exotisme toont: een kokosnoot, een kokosmat, een jutezak, schelpenzand, twee houten roerspatels en een mosstok.

S.N.: De titel is ontleend aan een nazistische propagandaposter uit Duitsland uit het midden van de jaren dertig, terwijl de objecten verwijzen naar de nazi’s die na de Tweede Wereldoorlog gevlucht zijn naar landen als Argentinië, Brazilië en Paraguay. 

C.V.G.: De titel van de tentoonstelling was Nudisme, végétarisme.

S.N.: Dat zijn praktijken die werden aangehangen door de Duitse auteur August Engelhardt. Hij verzamelde op het eiland Kabakon, een Duitse kolonie vlak bij Papoea-Nieuw-Guinea, een groep mensen rondom zich die hij verplichtte om enkel nog kokosnoten te eten. Hij ontwikkelde daar een theorie voor die ‘kokovorisme’ heet: door het eten van kokosnoten kan de mens zich tot op een goddelijk niveau verheffen.

C.V.G.: Binnen de context van Nudisme, végétarisme lijkt Keiner soll hungern! Keiner soll frieren! een kritiek op nazisme en kolonialisme tegelijkertijd, net zoals Engelhardt nudisme en vegetarisme combineerde. En hungern verwijst naar een dieet, terwijl frieren – koud hebben – iets is wat je in Papoea-Nieuw-Guinea niet snel zal doen.

S.N.: Het is weer het resultaat van ogenschijnlijk verschillende dingen bij elkaar zetten en betekenisvol maken. En bij Engelhardt: de combinatie van idealisme en zelfvernietiging – die man is maar 43 geworden!

C.V.G.: Engelhardt was een sympathieke zonderling, wat je van de nazibeulen die naar Zuid-Amerika vluchtten niet kan zeggen. Er blijkt uit je werk vaak een fascinatie voor machtige mannen die, jammer genoeg, ook fout bleken te zijn.

S.N.: Mai Abu ElDahab heeft mij daarop gewezen, op die obsessie met machtige mannen. Zij was curator bij Objectif Exhibitions in Antwerpen, toen ik daar in 2010 een solotentoonstelling had. Maar het gaat ook om weerzin, eerder dan om fascinatie – het gaat om macht die angst inboezemt, al wordt ze dan uitgeoefend vanuit een groteske of zelfs lachwekkende positie. Daarom was mijn lectuur van Alte Meister jaren geleden, de roman van Thomas Bernhard uit 1985, zo belangrijk… de brompot die verondersteld grote mannen van hun sokkel haalt. Ik heb op dat boek de film Die Hütte gebaseerd, uit 2007, over de hut die Heidegger voor zichzelf liet bouwen in het Zwarte Woud.

C.V.G.: Was je tevreden over Nudisme, végétarisme in 2013?

S.N.: Ik vond dat het te snel moest gaan. Ik had niet genoeg tijd. Er vielen een paar dingen samen, ik weet niet meer goed wat. Die tentoonstelling is slecht gedocumenteerd, er zijn nauwelijks foto’s van, hoewel ik het parcours precies had vormgegeven.

C.V.G.: Heb je herinneringen aan de vernissage? Porrentruy is een plek in het noorden van Zwitserland, niet bepaald centraal gelegen.

S.N.: Het was een heel lokale gebeurtenis. Ik ben gevraagd om lid te worden van de kunstenaarsgroep achter Les Halles, maar daar ben ik niet op ingegaan.

C.V.G.: Toen Nudisme, végétarisme in 2013 opende, was je atelier in Zürich net verhuisd naar Stiftung Binz39. De kunstenaars die ginds verblijven, nemen deel aan een groepstentoonstelling, maar ze mogen ook een solotentoonstelling maken. 

S.N.: Er werden regelmatig dingen georganiseerd. Ik heb Dora García uitgenodigd om naar de stichting te komen, zij was in die periode in Zürich bezig met The Joycean Society, de leesgroep die zich al jarenlang concentreert op Finnegans Wake van James Joyce.

C.V.G.: Je solo in Stiftung Binz39 in 2015 heette Sitzen ist das neue rauchen. Waar kwam die zin vandaan – ‘zitten is het nieuwe roken’?

S.N.: Dat hoor je toch vaker? We leiden een ongezond zittend bestaan, meestal achter de computer. De eerste keer dat ik die zin in het Duits hoorde, werd hij uitgesproken door Christoph Schifferli, een verzamelaar van kunstenaarsboeken. Zijn collectie sluit vooral aan bij het dadaïsme, maar hij verzamelt ook recentere publicaties. Hij is een van de eerste Zwitsers die mij heeft uitgenodigd om koffie te drinken. Ik voelde mij als buitenlander niet altijd even hartelijk ontvangen.

C.V.G.: En met Schifferli had je dat gevoel niet?

S.N.: Nee, hij is een hartelijke en grappige man. Er is iets – hoe moet ik het zeggen – stresserends aan Zwitserland en aan de omgang met Zwitsers. Ik heb dat nog steeds, als ik er ben – je wordt zelfbewust, en de schrik neemt toe om buiten de lijntjes te kleuren, of om iets fout te doen. Het maakte mij ontzettend onzeker: het besef geen Zwitser te zijn, en net daarom per definitie verkeerde dingen te doen, of belangrijke dingen niet door te hebben.

C.V.G.: Kende Schifferli je werk?

S.N.: Hij wist dat ik kunstenaarspublicaties maak, en hij had de tentoonstelling gezien in Lausanne in 2012. Hij heeft toen een van de twintig edities van Catalogue VI gekocht, en ik had zijn naam opgevangen. Hij heeft een theorie over kunstenaarsboeken: het is in periodes dat de schilderkunst het niet goed doet dat artiesten publicaties maken. Schifferli had een tentoonstellingsplek in de Erikastrasse in Zürich, Archiv, die hij openhield met Geraldine Tedder. In de kelder werden zijn boeken gestockeerd, en op de verdieping was er een toonplek. Ongeveer gelijktijdig met de tentoonstelling in Binz39 heb ik daar een kleine expositie kunnen maken, met de dubbele titel Tisch Table Tavolo en Stuhl Chaise Sedia. Ik maakte een variant op de hutch table uit de Verenigde Staten: een stoel die je kan kantelen, zodat de cirkelvormige of vierkante rugleuning het tafelblad vormt.

C.V.G.: Het vertrekpunt van Sitzen ist das neue rauchen, de tentoonstelling in Binz39 in de vroege zomer van 2015, was een van je Brotjobs in Zwitserland: vanaf april 2014 ben je suppoost geworden in de Kunsthalle Zürich. Je hebt met je telefoon foto’s gemaakt, minstens één per dag, van de tentoonstelling Once Again The World Is Flat van de Amerikaanse kunstenaar Haim Steinbach, die liep van 24 mei tot 17 augustus 2014, terwijl jij op een krukje zat toe te kijken en het gedrag moest controleren van de bezoekers. Daardoor krijgt die fotoreeks een ‘regulerend’ aspect: jij bent het die moet toezien op wat anderen doen. Een suppoost is iemand met macht, of toch een enigszins autoritaire figuur die de orde moet bewaken.

S.N.: De Kunsthalle Zürich was nochtans een ontspannen context om in te werken: mijn collega-suppoosten waren ofwel kunststudenten, ofwel waren ze net afgestudeerd. 

C.V.G.: Het is een ander thema in je werk: wie heeft er autoriteit over iemand anders? Suppoosten, als je daar gevoelig voor bent, kunnen een tentoonstellingsbezoek verpesten met hun berispingen. Ze representeren alleszins het instituut, als plaatsvervanger van de directeur. Toen jij in de Kunsthalle begon te werken, had Beatrix Ruf het voor het zeggen.

S.N.: Ja, en zij was inderdaad eerder streng, maar al in september 2014 vertrok ze naar het Stedelijk Museum Amsterdam en werd ze opgevolgd door Daniel Baumann. Hij heeft recent, na tien jaar, zijn vertrek aangekondigd. Onder Baumann werd de Kunsthalle opener, met minder aandacht voor canonieke verzamelaarskunst, met minder grote namen ook.

C.V.G.: Had je voordien contacten bij de Kunsthalle?

S.N.: Ik kende iemand van de technische ploeg, van het team dat de tentoonstellingen opbouwt. Suppoost is zowat de slechtst betaalde baan in Zwitserland, dus ze zochten regelmatig nieuwe mensen. Ik werkte daar twee tot drie dagen per week, maar ik heb geen opleiding of zo gevolgd: het belangrijkste was het alarmsysteem in- en uitschakelen.

C.V.G.: Kon je in Zwitserland leven van het inkomen als suppoost? Je bent les gaan geven, eerst in ECAL, de kunst- en designhogeschool in Lausanne, en daarna in HEAD, de hogeschool in Genève. En toch ben je, tot je terugkeerde naar België in september 2017, als suppoost blijven werken.

S.N.: Het Zwitserse bestaansminimum werd in die periode berekend op 4000 CHF: dat wil zeggen dat je daarmee in je levensonderhoud kon voorzien, zonder meer – op reis gaan of iets dergelijks behoorde niet tot de mogelijkheden. Ik heb nooit 4000 CHF per maand verdiend, maar mijn basiskosten waren laag. In de Kirchenweg moest ik weinig betalen voor een atelier, en daarna kon ik in Stiftung Binz39 gratis over een studio beschikken. Twee jaar gratis een atelier: dat bestaat niet in België, voor zover ik weet. Ik ben in oktober 2014 moeder geworden en dat veranderde de zaken, omdat ik meer stabiliteit nodig had. Dus ook daarom heb ik de positie als Aufsicht in Zürich aangehouden.

C.V.G.: In een museum zitten als suppoost lijkt wat op de situatie in Alte Meister van Bernhard, hoewel jij betaald werd en geen toeschouwer was. Reger en Atzbacher, de hoofdpersonages, zitten neer en kijken naar elkaar of naar de kunstwerken. Ze worden onderdeel van het meubilair.

S.N.: Met dat verschil dat museumbezoekers, zeker in Wenen, meestal op stevige of zelfs luxueuze meubels zitten. Op de cover van Sitzen ist das neue rauchen staat het vouwkrukje waarop wij als suppoosten moesten plaatsnemen. Je kon kiezen, als werknemer in de Kunsthalle, tussen een zwarte plastic klapstoel van IKEA, of dat krukje met een zitvlak in textiel, waarvan ik vond dat het beter zat. Ik heb die foto’s in het boek al zittend gemaakt, en soms zie je ook de rand van de pagina die ik aan het lezen was. Je zit een beetje lager dan op een gewone stoel, dus veel autoriteit straalde ik waarschijnlijk niet uit. 

C.V.G.: Comfortabel kan dat toch niet zijn? Je was in de zomer van 2014, toen die tentoonstelling van Steinbach liep, bovendien zwanger.

S.N.: Je mag als suppoost niet eens zitten! Je moet rondlopen, maar het zitten wordt gedoogd, zij het op een meubel dat niet erg permanent overkomt. Het is daar dat de titel naar verwijst, Sitzen ist das neue rauchen: vroeger stonden fabrieksarbeiders soms zestien uur onafgebroken overeind, maar vandaag wordt vooral zitten als ongezond beschouwd, terwijl voordien roken het primaire risico vormde voor de gezondheid.

C.V.G.: Er staan nooit bezoekers op de foto’s in het boek.

S.N.: Nee, en dat maakt dat ik net op die momenten werkloos was als suppoost, maar wel aan het werk kon als kunstenaar, door te lezen: er was niemand om in het oog te houden.

C.V.G.: We zien op de foto’s wel steeds de werken van Steinbach.

S.N.: Het had ook een andere expositie kunnen zijn, maar ik vind zijn werk speciaal en fotogeniek, ook door de scenografie met gipswanden en stalen kaders.

C.V.G.: Onderaan op elke pagina, onder iedere foto, staat de volledige datum.

S.N.: Het gaat iedere keer om één dag van mijn leven die ik daar heb doorgebracht, tijdens de openingsuren.

C.V.G.: Wat was er te zien op je tentoonstelling in Stiftung Binz39 met dezelfde titel?

S.N.: Bijna niets. Tijdens mijn verblijf heb ik de kamers vaker leeg in plaats van gebruikt gezien. Het was een manier om te tonen dat het onmogelijk is om in een tentoonstellingsruimte geen tentoonstelling te maken. Om het even wat je doet, wordt, tijdens een expo, onderdeel ervan.

C.V.G.: During the exhibition, the gallery will be on show…

S.N.: Er werden 500 exemplaren gedrukt van het boek Sitzen ist das neue rauchen, dat iedereen gratis mee kon nemen, op een plank boven de deuropening tussen twee van de kamers. En er stonden een paar vouwstoelen – de mijne, het ‘origineel’, dat ik heb kunnen ontlenen bij de Kunsthalle Zürich, maar ook andere exemplaren, genoemd naar mijn collega-suppoosten, zoals Dimitrea of Benjamin.

C.V.G.: Dus de toeschouwers bezochten een lege tentoonstelling, en ze konden in een boek bladeren met foto’s van een andere tentoonstelling, maar zonder bezoekers…

S.N.: En tot slot was er nog een pendant van de tentoonstelling als de lichten werden uitgeschakeld – de rug van elk tentoongesteld exemplaar van het boek werd met de hand genummerd door Gregory Polony met neonverf, zodat de nummers oplichtten in het ultraviolette licht van een neonlamp.

C.V.G.: Waarom voegde je dat toe aan de tentoonstelling?

S.N.: Dat had te maken met het verschil tussen een uniek werk en de serialiteit van een editie. Het is voortgekomen uit een samenwerking met Gregory. De aanleiding was een profiel voor een neonlamp dat al in de tentoonstellingsruimte van Stiftung Binz39 aanwezig was. Gregory had eerder in 2015, tijdens een verblijf aan de Jan van Eyck Academie, de tl-lampen in de bibliotheek daar door blacklights vervangen. Ik had foto’s van die interventie gezien, en dat was blijven hangen.

C.V.G.: De exemplaren van het boek zijn dus gratis verdeeld?

S.N.: Ja, maar niet de volledige oplage van 500 exemplaren. De publicatie als ‘werk’ of als concept kon worden aangekocht, waarbij er een nieuwe editie gemaakt kon worden met een andere boekenplank geïntegreerd in de architectuur. Een verzamelaar zou dan investeren in iets wat niet te controleren valt. Zo’n aankoop heeft vooralsnog niet plaatsgevonden.

C.V.G.: Sitzen ist das neue rauchen was eind vorig jaar onderdeel van een groepstentoonstelling in Kunsthaus Zürich: Zeit. Von Dürer bis Bonvicini, gecureerd door Cathérine Hug. Het werk is alleszins niet vergeten.

S.N.: Het nadeel van zo’n reusachtige groepstentoonstelling is dat er – paradoxaal, gezien het onderwerp van die expositie – weinig tijd is en nog minder budget. Ik had graag voor de gelegenheid een nieuwe druk gemaakt, met een andere kleur voor de cover, maar dat is niet gelukt. Er zijn gewoon een tiental exemplaren van de eerste druk tentoongesteld.

C.V.G.: En het was niet toegestaan om een exemplaar mee te nemen.

S.N.: Nee, dat klopt.

C.V.G.: Zit het werk ondertussen in de collectie van het Kunsthaus? En zijn er überhaupt werken van je aangekocht door Zwitserse instituten?

S.N.: Nee – nul. Er is één Zwitserse verzamelaar die een werk heeft gekocht toen ik ginds woonde, en vorig jaar op Art Basel heeft hij een ander werk aan zijn collectie toegevoegd. 

C.V.G.: Je publicaties zitten toch in bibliotheken?

S.N.: Ja, dat wel, ik heb exemplaren van boeken gedoneerd aan instituten of bibliotheken. En Roland Früh, die lesgaf aan de Werkplaats Typografie in Arnhem en aan ECAL in Lausanne, heeft de collectie van het Schweizerisches Institut für Kunstwissenschaft (SIK-ISEA) in Zürich ook aangevuld met mijn boeken.

C.V.G.: Zijn je kunstwerken beter vertegenwoordigd in Vlaamse of Belgische collecties?

S.N.: Dat valt mee, maar het zou altijd anders kunnen. Er zit bijvoorbeeld één werk in de collectie van het SMAK in Gent, Fort Patti II uit 2015, maar dat heb ik zelf cadeau gedaan. Het is een groot werk, het stond op het punt uit plaatsgebrek vernietigd te worden. Toen heb ik naar de man gebeld die nog steeds directeur is van het SMAK en hij heeft mijn geschenk aanvaard.

 

De esthetiek van administratie

C.V.G.: Toen Sitzen ist das neue rauchen in 2015 opende, liep er zoals je zei tegelijkertijd een andere, kleine tentoonstelling in Archiv, op initiatief van Christoph Schifferli. Maar bij die tentoonstelling heb je weer een andere publicatie gelanceerd: Buch Livre Libro, een boek dat je in de zomer van 2015 ook hebt ingediend voor de Swiss Art Awards. Hoe werkt die prijs?

S.N.: De organisatie beweert dat het de oudste kunstprijs ter wereld is, ingericht in 1899. De Swiss Art Awards worden ingericht door het departement cultuur van de federale overheid. Kunstenaars of architecten, maar ook curatoren of critici, die in Zwitserland wonen of de Zwitserse nationaliteit hebben, kunnen een portfolio indienen. Een jury stelt een shortlist op, en alle kandidaten – in 2015 waren het er iets meer dan vijftig, denk ik – mogen tentoonstellen tijdens Art Basel.

C.V.G.: Het boek dat je voor de prijs indiende, Buch Livre Libro, is in zekere zin je eerste Zwitserse werk, omdat je het enkel in Zwitserland had kunnen maken, en omdat het een reactie lijkt op de context. Dat blijkt uit de titel, in de landstalen, Duits, Frans en Italiaans – alleen het Reto-Romaans ontbreekt. Mocht je een gelijkaardige versie in België maken, dan zou de titel zijn: Boek Livre Buch.

S.N.: Ik weet niet of zo’n Belgische variant iets zou opleveren. Het boek zou waarschijnlijk niet zo dik zijn en geen 432 pagina’s tellen. Ik heb van de grootste Zwitserse supermarkt, Migros – een federatie van regionale coöperaties – het aanbod ‘witte producten’ alfabetisch gecatalogeerd: M Budget. Op iedere pagina staat een foto van één product, van frambozenyoghurt over witte herensokken tot een keukenvergiet.

C.V.G.: Er is enerzijds de expliciete systematiek en de herkenbare vormgeving waarmee die huismerkproducten worden aangeboden, maar anderzijds toch ook de kwaliteit en de reikwijdte ervan: je kan weinig bedenken dat bij M Budget niet voorhanden is.

S.N.: Ze springen in het oog, dat is waar, door de groene achtergrond met witte letters, en door altijd weer dezelfde, eenvoudige etiketten, die drie landstalen… Het is een esthetiek, vind ik, die aan popart doet denken.

C.V.G.: Het heeft ook iets intrinsiek conceptueels, toch? Je bent wat dat betreft goed terechtgekomen in Zwitserland. Er is iets aan die cultuur dat zich goed leent voor jouw methode… Vormen van rationalisatie, de esthetiek van administratie en bureaucratie, de verknoping van verlichting en seriële commercialisering: Benjamin Buchloh heeft het in zijn bekende essay uit 1990 toegepast op de conceptuele kunst, maar hij had het net zo goed over Zwitserland kunnen hebben. Ook jouw fascinatie met reeksen of overzichten is goed besteed: er zijn veel dingen die in Zwitserland reeds als reeks bestaan.

S.N.: Van A tot Z… Ik weet niet zeker of Zwitserse humor bestaat, maar er zit zelfironie in. Neem de aanstekers in Buch Livre Librofeuerzeuge, briquets of accendini: verpakt per vijf, mooi naast elkaar, in de kleuren groen, wit, groen, wit, groen – de kleuren van de achtergrond, het behangpapier als het ware, van Migros zelf. Ze lachen er een beetje om, maar ze zijn er ook trots op. In reacties op Buch Livre Libro is M Budget vaak ‘cult’ genoemd.

C.V.G.: Door wie?

S.N.: Sommige Zwitsers suggereerden dat. Ik begreep het zelf niet zo goed.

C.V.G.: Het is cult, als een kleine, intense subcultuur, maar het is tegelijkertijd alomtegenwoordig. Het ‘cultkarakter’ bestaat er misschien in dat een deel van de bevolking de budgetlijn op die bijzondere manier apprecieert. De meeste mensen kopen M Budget omdat het – relatief – goedkoop is.

S.N.: Weet je dat ik van Migros een levensmiddelenpakket cadeau heb gekregen, om mij te bedanken na publicatie van Buch Livre Libro? Er zat zelfs een brief van de directie bij! Op een bepaalde manier worden ze daar vrolijk van, denk ik, van M Budget, en er gaat emotionaliteit mee gepaard. Het wordt een beetje riskant als buitenlanders zich er mee gaan bezighouden. Het is moeilijk om je vinger er precies op te leggen, op wat er op het spel staat.

C.V.G.: Er zit een vanzelfsprekendheid in die wij misschien niet herkennen… That is how you do things…

S.N.: Vanzelfsprekend, ja, maar al snel ook absurd. Ik herinner me dat ik pas in Zwitserland woonde en risotto wilde maken. Dus ik ga naar Migros om rijst en groenten te kopen, en witte wijn. Wat blijkt? Het is een van de ‘ethische’ principes van Migros om geen alcohol of tabak te verkopen! Je kan er alles krijgen, behalve alcohol en tabak. En ook daar is een oplossing voor: in de buurt van iedere Migros, vaak gewoon vlak ernaast, bevindt zich een Denner, een andere supermarkt, die wel alcohol en tabak verkoopt, met een meer ‘marginale’ identiteit. Blijkt dan dat Migros al sinds 2007 eigenaar is van Denner… Dat is toch hypocriet? Ik kon mij daaraan ergeren, misschien is dat een typisch Belgische reactie – en wij hebben vast andere problemen. Je gaat boodschappen doen, maar voor wijn of bier moet je naar een andere supermarkt. Je vindt dat in de Japanse cultuur ook terug: bepaalde dingen onuitgesproken laten, en ze dan naast elkaar zetten alsof er niets aan de hand is.

C.V.G.: Eind 2015, kort na de Swiss Art Awards en Sitzen ist das neue rauchen, heb je deelgenomen aan een groepstentoonstelling in Haus Konstruktiv in Zürich.

S.N.: Dat was ook een prijs, de Zurich Art Prize, voor kunstenaars woonachtig in het kanton Zürich. Opnieuw is het een jury die een twintigtal kunstenaars op portfolio selecteert. Haus Konstruktiv is gevestigd in een voormalig industriegebouw en heeft een eigen verzameling.

C.V.G.: Daar heb je, in 2015, één nieuw werk getoond: Monument des ongles (left hand).

S.N.: Een ander gelijkaardig werk, Monument des ongles (right hand), heb ik al begin 2015 tentoongesteld in Crac Alsace, een kunstencentrum in Altkirch in Frankrijk, als onderdeel van een solo met als titel Ein Tisch ohne Brot ist ein Brett, met Elfi Turpin als curator. Ik had op een document uit 1882 in het Musée de l’Impression sur Etoffes in Mulhouse gelezen dat bij de meeste arbeidsongevallen in de textielindustrie de handen beschadigd werden, en vooral de vingers. Eind negentiende eeuw waren de arbeiders in die Franse regio vooral migranten uit Duitsland en Zwitserland.

C.V.G.: Dus opnieuw, net als bij Sitzen ist das neue rauchen, stond werk centraal.

S.N.: Monument des ongles (right hand) in Altkirch bestaat uit vijf schilderijen op doek, met acrylverf beschilderd in tinten oranje, paars, roze. Die doeken zijn geplooid en genaaid tot zakken om de bovenste kootjes van de vingers van een hand te vormen, inclusief de nagel. En die zakken heb ik gevuld met haar van de inwoners van Altkirch, verzameld in lokale kapperszaken.

C.V.G.: Het gaat om verschillende vormen van handwerk: jouw schilderactiviteit, de textielarbeid uit de negentiende eeuw, en het knippen door de kapper. En de vingers lijken onregelmatig verkleurd, alsof ze inderdaad bij het werk geblesseerd zijn, met bloeduitstortingen en blauwe nagels tot gevolg. Of zijn het de vergeelde of bruinige vingers van een kettingroker?

S.N.: Die link met Sitzen ist das neue rauchen is eerder toevallig, denk ik. Ik wou vooral kleuren kiezen die niet met een bepaalde huidskleur te verbinden zijn, precies om de bijbehorende connotaties te vermijden – politiek correct of niet. Monument des ongles (left hand), eind 2015 tentoongesteld in Zürich, is op dezelfde manier tot stand gekomen, maar toen werden de vingertoppen gevuld met gedroogd gras, met de hand gemaaid op de Messeplatz in Basel.

C.V.G.: De Messeplatz – de ‘Beursplaats’ – is het plein gelegen aan het beurs- en congrescentrum in Basel. Valt daar veel gras te maaien? Het is een volledig verhard plein voor de beurshallen die Herzog & de Meuron in 2013 bouwden.

S.N.: Op het plein voor het gebouw zelf is er inderdaad niet veel groen te bespeuren, maar op een uitloper vind je wel een paar bomen en grasperkjes.

C.V.G.: Is het gras een relikwie van het beursgebouw, waar tijdens Art Basel artistieke en commerciële activiteiten als nergens anders verknoopt raken?

S.N.: Dat speelt een rol, maar het verwijst ook naar het verleden van Zwitserland als agrarisch land. Dat is iets wat ze vaak cultiveren: ‘Wij zijn een land van boeren,’ zeggen ze dan, terwijl de economische activiteiten zich uiteraard op heel andere gebieden afspelen.

C.V.G.: Van een land van boeren is het een land van banken geworden, zonder een klassieke industriële revolutie als tussenfase.

S.N.: De oogst binnenhalen, dat blijft het belangrijkste, en dat toont Monument des ongles (left hand) ook, met het gras dat dus handmatig is geoogst.

 

De zwaarte van een geschiedenis

C.V.G.: Begin 2016 heb je je atelier in Zürich verhuisd naar de Rote Fabrik.

S.N.: De residentie in Stiftung Binz39 liep ten einde. Ik heb een tijdje thuis moeten werken omdat ik niet meteen iets anders vond. De Rote Fabrik, ook een voormalig fabrieksgebouw dat nu als cultuurcentrum gebruikt wordt, wordt eveneens gesubsidieerd door de stad Zürich. Daar kon ik opnieuw goedkoop een studio huren. Het was duurder dan in de Kirchenweg: 260 CHF per maand. Maar ik ben er tot oktober 2017 gebleven.

C.V.G.: Je hebt in 2016 weinig tentoongesteld, maar wel werk gemaakt voor Maniera in Brussel, de galerij die architecten en kunstenaars inviteert om meubels en objecten te maken. Jouw werk voor Maniera werd eind 2016, begin 2017 in Brussel geëxposeerd – een dubbeltentoonstelling met Valérie Mannaerts. Je toonde zes objecten of meubelstukken met als titel, voor de serie, Onkelhaft (Avuncular). In de volkenkunde is ‘avunculaat’ de aanduiding voor de rol van de broer van de vader of moeder. Maar het adjectief onkelhaft (in het Duits) of avuncular (in het Engels) betekent ook vriendelijk en goedmoedig, in de verhouding tussen een oudere en een jongere persoon. Het gaat, met andere woorden, opnieuw over machtige mannen. Een oom kan een heel aanwezig lid zijn in een familie.

S.N.: Ik heb, voor de duidelijkheid, nooit iets voorgehad met een oom.

C.V.G.: In elk geval staat een oom symbool voor huiselijkheid en vertrouwdheid, maar blijft hij ook op de een of andere manier vreemd of ‘uithuizig’. Dat geldt ook voor de meubels, die je vervolgens een Nederlandse naam gaf, zoals Spiegel, Kniebank of Hoekkastje. Telkens volgt tussen haakjes de toevoeging Wolo, wat verwijst naar je atelier in de Rote Fabrik, in de wijk Wollishofen, een naam afgeleid van Wolo, een stam van de Alemannen die zich ginds in de vijfde eeuw gevestigd heeft. Je lijkt op die manier traditionele, maar soms ook ‘beladen’ meubels, soms letterlijk, een draai te willen geven, door bijvoorbeeld een tafel te maken die ook als een stoel overeind kan worden gezet, of omgekeerd. 

S.N.: Ja, dat klopt. Tafel / Stoel (Wolo) is een meubelstuk gebaseerd op een historisch type, een hutch table uit de Verenigde Staten die vooral in een koloniale context werd gebruikt. Ik probeer die geschiedenis niet te ontkennen. Sommige van die stukken zijn geschilderd in een donkerbruine kleur, met een speciale, nogal giftige verf die buiten Zwitserland niet verkocht mag worden. In een tekst bij de reeks Onkelhaft voor Maniera heeft Asli Ciçek geschreven dat ik de meubelstukken met die coating ‘verzegel in hun eigen geschiedenis’, maar ze tegelijkertijd een ironische en vrolijke verschijningsvorm geef. Dat is waar, denk ik: het is een poging om de zwaarte van een geschiedenis, of de blijvende invloed ervan, te relativeren en lichter te maken.

C.V.G.: Halverwege 2017 begin je werk te tonen dat nog explicieter Zwitsers wordt, ook omdat het inspeelt op een lokale context. Voor een tentoonstelling in het Helmhaus, getiteld Eine Ausstellung für Dich en gecureerd door Daniel Morgenthaler, heb je een plakkaat ontvreemd uit Platzspitz, een park in Zürich vlak naast het treinstation, aan de achterzijde van het Landesmuseum.

S.N.: Aan die tentoonstelling ging een ander project vooraf. Ik had een voorstel gedaan aan de dienst Kunst und öffentlicher Raum van de stad Zürich om een monument op te richten voor de tientallen mensen die in dat park overleden zijn, eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Platzspitz had als bijnaam Needle Park, omdat je er vrijelijk, in de openlucht, heroïne kon gebruiken zonder gearresteerd te worden. Dat werd door de politie gedoogd in de hoop het drugsprobleem in Zürich op één plaats te concentreren, en dat is gelukt. Er is uitgerekend dat daar tussen 1988 en 1992 zo’n 7,4 miljoen spuiten werden ingeruild – een gemiddelde van vijfduizend per dag. Van over de hele wereld trok die plek druggebruikers aan. Het park werd uiteindelijk voor een jaar gesloten. In 1992 werd er een omheining geplaatst, in een fake historiserende stijl, en dat hekwerk staat er nog altijd – het kwaad kan altijd terugkeren…

C.V.G.: Waaruit bestond je voorstel? 

S.N.: Ik wou het hek verwijderen en één fragment laten staan, zoals ze met de Berlijnse Muur hebben gedaan.

C.V.G.: Was de stad Zürich geïnteresseerd?

S.N.: Nee, en ik ben nog altijd gechoqueerd dat er geen enkele commemoratie is terug te vinden in dat park, waar zich het grootste dodelijke drama in de recente geschiedenis van Zürich heeft afgespeeld. Morgenthaler heeft mij daarna uitgenodigd om deel te nemen aan een tentoonstelling, en voor die gelegenheid heb ik een van de vier aluminium platen gestolen die aan het hekwerk van Platzspitz bevestigd waren. Er waren vier ingangen, destijds, en die platen werden gebruikt om openingsuren te communiceren – eerst is nog geprobeerd alles te reguleren, maar dat was tevergeefs – en daarna om de sluiting aan te kondigen.

C.V.G.: Wat heb je dan in 2017 in het Helmhaus in Zürich getoond?

S.N.: Naast de plaat, met als titel Table of contents, hingen vier foto’s van Gertrud Vogler, een Zwitserse fotograaf die vooral sociale kwesties in beeld heeft gebracht. Zij heeft het leven in en rond Platzspitz gefotografeerd, maar de foto’s die ik selecteerde tonen het park op het moment dat het hekwerk werd geïnstalleerd, iets wat met protesten gepaard ging. De omheining is omvergehaald en is verstevigd moeten worden.

C.V.G.: Omdat het hekwerk er nog staat, kan je het misschien toch als monument lezen. Het herinnert expliciet aan de tijd dat het er in het park nog anders aan toeging.

S.N.: Dat is misschien zo, maar het hek heeft toch vooral een waarschuwende functie. Of liever: het kan ieder moment weer in functie treden. Daarom heeft het ook mijn aandacht getrokken, nog voor ik weet had van die hele geschiedenis van het Needle Park. In Zwitserland bestaat er een volwassen omgang met de natuur: als ze zes zijn, krijgen kinderen een zakmes. De natuur is niets om bang voor te zijn, en een hek rond een park plaatsen, dat is niet nodig en komt zelden voor. Dat er toch een omheining rond Platzspitz staat, dat is helemaal niet om eraan te herinneren wat daar ooit is gebeurd!

C.V.G.: Het hek staat er om te zorgen dat het nooit meer opnieuw gebeurt.

S.N.: Dat denk ik wel. En op zich is dat begrijpelijk, want het was een extreme situatie, toen – er hing naar het schijnt geen schors meer aan de bomen.

C.V.G.: Heb je de plaat teruggeplaatst na de tentoonstelling?

S.N.: Nee, ik heb die plaat nog steeds, en ik heb ze in 2019 ook tentoongesteld in KIOSK in Gent, op de solotentoonstelling Family Nexus. Het mooie aan die plaat, vind ik, is dat het object werkt als een fotogram: het hekwerk heeft na al die jaren een indruk achtergelaten op het aluminium.

 

Pestkop

C.V.G.: Ter gelegenheid van Art Basel vindt in Basel ieder jaar een ‘kunstparcours’ plaats, waaraan je in 2017 hebt deelgenomen.

S.N.: Ja, en de curator, Samuel Leuenberger, had mij toegestaan om twee voorstellen te realiseren – een enigszins vreemde beslissing, vond ik, maar goed.

C.V.G.: 102 Craters on Venus is het eerste werk voor Parcours: een publicatie als een papieren ‘correctie’ op een situatie die je aantrof in het Naturhistorisches Museum, waar de aula van de universiteit van Basel deel van uitmaakt. In dat historische auditorium hangen honderd portretten van onderzoekers en professoren. Het recentste portret werd toegevoegd in 1914, en daarna hingen de muren vol, met als gevolg dat de portrettengalerij volledig mannelijk is.

S.N.: Ook dat werk was niet het gevolg van ‘onderzoek’, in de zin dat ik een project en een vraag definieer en dan gegevens verzamel om een antwoord te formuleren. Ik gebruik de data die voorhanden zijn of wat zich aanbiedt.

C.V.G.: In 102 Craters on Venus verzamel je 102 vrouwen, die in de zestiende, zeventiende, achttiende of negentiende eeuw actief waren als wetenschapper of schrijver – alfabetisch gerangschikt op voornaam, van Adelaida Lukanina (1843-1908), die ontdekte dat eiwit geoxideerd kan worden om ureum te produceren, tot Zsófia Torma (1832-1899), van wie in 1894 het boek Ethnographische Analogien werd gepubliceerd. Het is een werk dat in 2017 vooruitliep op een aantal evoluties. Wat jij toen deed, is wat universiteiten en andere instituten de afgelopen vijf jaar zelf zijn gaan ondernemen, door eregalerijen uit te breiden of door een ander aanwervingsbeleid te voeren.

S.N.: Toch is dat werk niet enkel feministisch geïnspireerd. De portrettengalerij in Basel brengt ook aan het licht dat het merendeel van de professoren nazaten waren van de ‘betere’ families uit de streek, en dan betrof het vaak niet eens de meest intelligente of getalenteerde zonen, want van hen werd verwacht dat ze voor de familiebedrijven of de banken bleven werken. Niet alleen het geslacht van deze professoren is relatief, ook de reden waarom ze professor werden, en waarom ze werden tentoongesteld.

C.V.G.: De lijst van 102 Craters on Venus bevat maar één Zwitserse vrouw, Enriqueta Favez (1791-1856), een chirurg.

S.N.: Zij werd geboren als vrouw, maar ze leefde als man. Enriqueta Favez werkte in Spanje en in Cuba, en belandde in de gevangenis. 

C.V.G.: In de reeks komt maar één Zwitserse voor, die dan nog als man bekend is geworden. Het maakt 102 Craters on Venus ook tot een kritiek op nationalisme of protectionisme.

S.N.: Of, algemener, op de manier waarop machtsposities, al dan niet aan universiteiten, traditioneel en lokaal worden ingevuld.

C.V.G.: Ook op dat vlak werd je verwend in Zwitserland. Niet alleen ‘past’ een conceptuele of seriële aanpak bij dat land, het is ook zo dat er zich veel macht concentreert op manieren die allesbehalve transparant te noemen zijn. Het is niet verwonderlijk dat Jean-Jacques Rousseau, met zijn geworstel met de obstakels die transparantie in de weg staan, in Genève geboren is. Het geldt ook voor de verhoudingen tussen de geslachten: alle westerse samenlevingen zijn patriarchaal, maar in Zwitserland is het allemaal net nog een tikkeltje erger. Of ze zijn alleszins trager en conservatiever – heel Zwitserland bestaat ten behoeve van het behoud van Zwitserland.

S.N.: In één kanton in het noordoosten, Appenzell Innerrhoden, is het stemrecht voor vrouwen pas in 1990 ingevoerd! Zwitserland is een van de laatste landen in Europa die aan vrouwen het recht toekenden om te stemmen, en tegelijk het eerste land waarin dit recht werd ingevoerd na een referendum onder het mannelijke deel van de bevolking. Natuurlijk is Zürich, waar ik heb gewoond, nog anders dan la Suisse profonde. Maar toch is het iets wat tijdens mijn verblijf langzaam naar binnen is gesijpeld: het besef van de traditionele structuur van die samenleving, en de resistentie tegen verandering.

C.V.G.: Een resistentie die je nog het best kan garanderen dankzij bureaucratie en administratie. Het is paradoxaal dat in een land waar de treinen zo stipt rijden, alle andere facetten van de samenleving op vertraging berusten.

S.N.: Het is een besef dat waarschijnlijk verlammend moet werken, of dat je moet verbergen achter parades. De viering van 1 mei in Zürich: dat is een feestelijke, trotse optocht, maar het is ook een manier om even alle linksigheid uit de kast te halen, terwijl je op 2 mei weer de multinationals binnenlaat en het mondiale grootkapitaal overeind houdt.

C.V.G.: Het andere werk dat je toonde op het parcours van Art Basel in 2017 was Footnote to a fountain. Gele jerrycans werden bij elf fonteinen in de stad gezet, als een herinnering aan hun historische functie: drinkbaar water ter beschikking stellen, vaak in een spaarbekken, maar ook als een sociale en publieke ontmoetingsplaats functioneren. Het toont de ultieme welvaartstaat die Zwitserland nog steeds is, als een natie die het als haar taak ziet het voortbestaan en welzijn van de burgers te garanderen.

S.N.: Basel heeft een van de oudste watervoorzieningssystemen in Europa. Veel van die fonteinen zijn bovendien mooi en representatief: er staan sculpturen naast, of ze vormen sculpturen op zich. Het zijn soms prestigeobjecten, zoals de Pisonifontein op de Münsterplatz, de eerste fontein gemaakt uit kalksteen uit Solothurn. Het merkwaardige is dat al die fonteinen grotendeels overbodig zijn geworden – iedereen heeft stromend water thuis – maar dat ze toch blijven lopen.

C.V.G.: Eind 2017 heb je een boek gemaakt over publieke drinkfonteinen, maar dan in Zürich. Divided we stand, together we fall documenteert een reeks van 89 fonteinen van recentere datum, maar opvallend is dat ook op de foto’s altijd water loopt uit deze fonteinen. Hoe heb je dat voor elkaar gekregen? Is er geen knop waar je op moet drukken om het water te laten lopen?

S.N.: Nee, helemaal niet! Dat is net een van de opmerkelijke of gekke dingen: ook die fonteinen in Zürich lopen constant – onafgebroken. Er is helemaal geen aan- of uitknop! Ook dat is zo wonderlijk aan Zwitserland: er is nauwelijks een besef van schaarste, waarschijnlijk omdat er in de meeste gevallen geen schaarste is. Ook de verlichting of de verwarming in kantoorgebouwen wordt niet uitgeschakeld.

C.V.G.: Dat zal recent toch veranderd zijn, kan ik me voorstellen. De klimaatcrisis treft Zwitserland hard, vooral door het smelten van de gletsjers en de bedreiging van het skiën als nationale sport.

S.N.: Toch verkeert het land voortdurend in een staat van paraatheid – lichten aan, kranen open… Er is altijd wel een gevaar dat de nationale uitzonderingstoestand uit evenwicht kan brengen. Het komt tot uitdrukking in de cover van Divided we stand, together we fall: wit en blauw zijn de kleuren van de stad Zürich, maar in de linkerbenedenhoek schemert er rood door, alsof er net een zon is ondergegaan.

C.V.G.: De bronzen fonteinen die je gefotografeerd hebt, kwamen er na een ontwerpwedstrijd in 1973, gewonnen door Alfred Aebersold. Het zijn bronnen aangesloten op een alternatief en autonoom netwerk van waterleidingen, voor het geval dat een buitenlandse mogendheid het echte, grotere netwerk zou vernietigen of vergiftigen. Het zijn dus noodwaterbronnen. Dat ze uit de jaren zeventig stammen, laat vermoeden dat de huidige infrastructuur van Zwitserland in die periode is geïnstalleerd, maar dat geldt waarschijnlijk voor veel westerse landen. Was er een aanleiding voor de installatie van de noodbronnen?

S.N.: Dat weet ik niet. In de jaren zeventig koelde de Koude Oorlog een beetje af, maar daar was Zwitserland niet direct in betrokken. Het was hun menens: ik heb een ontwerptekening teruggevonden voor een Verteilbatterie, een ‘verdeelbatterij’: een verlengstuk met acht kranen waarmee acht emmers tegelijkertijd gevuld kunnen worden.

C.V.G.: In de sokkel van de fontein onderaan is er links een uitsparing, en rechts, iets hoger, een uitstulping. Waar dienen die voor?

S.N.: Er zijn twee types noodwaterbronnen: type B is de ‘eenvoudige’ uitvoering, zonder extensies of accessoires, en type A, veel couranter, bevat een Hundetrog, een kleiner fonteintje om je hond te laten drinken, en een Abstellfläche, om je tas op te plaatsen voor het geval dat je net van bij Migros komt.

C.V.G.: En ook de hondenfontein, die…

S.N.: Ook de hondenfontein loopt constant door.

C.V.G.: Alle fonteinfoto’s in Divided we stand, together we fall gaan vergezeld van oneliners of zinnen, geschreven door Leila Peacock, een Britse kunstenaar die in Zürich woont.

S.N.: Ik heb haar om een bijdrage gevraagd, maar ik wou vermijden dat de tekst gecomprimeerd voorin of achterin het boek zou staan. Dus heb ik haar gezegd dat ik de tekst waarschijnlijk als ondertitels zou vormgeven. Ze heeft alle foto’s afgedrukt en in haar atelier aan de muur gehangen, en dan heeft ze bij iedere fontein een tekst geschreven, zij het telkens van één zin. Ik vond het geweldig dat ze dat zo wou doen.

C.V.G.: Het zijn cassante uitspraken of grappige zegswijzen die niet rechtstreeks met de fonteinen te verbinden zijn, zoals ‘Don’t piss on my back / and tell me it’s raining’ of ‘I’ll take her spittle and her tears and make them all my souvenirs’. Soms zijn de zinnen wel als een commentaar te begrijpen: ‘Such a lot of bronze bombast for such a banal elixir’ of ‘Like a grin / without a cat’. Ze lijken ook op de zinnen die je vaak op de muren van openbare toiletten aantreft.

S.N.: Elke fontein heeft iets van een urinoir en vice versa, daar heeft Duchamp al op gewezen. Er is één zin die ik Leila heb ingefluisterd: ‘Not a shoe’, de titel van een werk van Duchamp uit 1950, een sculpturaal object in gegalvaniseerd plaaster – het ‘interieur’ van een schoen, dat door de lichamelijkheid en het binnenstebuiten keren iets erotisch of pervers krijgt.

C.V.G.: De noodfonteinen zijn ook Bachelormaschine, die zich onverstoorbaar, angstig en efficiënt tegelijkertijd, aan de gang houden. In een nawoord bij Divided we stand, together we fall schrijft Raphaël Pirenne: ‘En de fontein, die het eigen doel maskeert in de functionaliteit van de ingewanden – volgens een duchampiaanse modus operandi, waarin de betekenis die men aan vormen kan toekennen verduisterd en omgeleid wordt – spuit onvermoeibaar de zuiverheid van zijn vloeistof.’ Het heeft iets masturbatoirs – een van de zinnen van Peacock luidt: ‘Onanism ad infinitum’.

S.N.: De titel van het boek – Divided we stand, together we fall – is ook door haar bedacht: het was de eerste zin van haar tekst, en een omkering van ‘Together we stand, divided we fall’. Zij ziet de fonteinen als soldaatjes of pionnen in een leger, verspreid opgesteld, met telkens dat klaterende of ‘vallende’ water.

C.V.G.: In 2018 heb je nogmaals deelgenomen aan de Swiss Art Awards met een andere kunstpublicatie: Libretto. Voor dit kleinere boekje werd de tekst van Peacock vanuit het Engels vertaald in de vier landstalen van Zwitserland: Zwitsers Duits, Frans, Italiaans en Reto-Romaans, zoals het gesproken wordt in het kanton Graubünden.

S.N.: Op de tentoonstelling werd de publicatie aangeboden, maar er was ook een video te zien, met Not a shoe als titel.

C.V.G.: Die video is laconiek en deadpan, en lijkt op een powerpointpresentatie van acht minuten, opgebouwd uit foto’s van de fonteinen. Om de overgang tussen de beelden te markeren, valt er telkens een druppel – een plong weerklinkt – waarna de volgende foto vanuit het midden, cirkelvormig, tevoorschijn komt. Het is vooral na Not a shoe te zien, dat ik me afvroeg of je nooit het gevoel hebt gehad, bij de werken waarmee je zo openlijk Zwitserse fenomenen te kijk stelt: ik ben te ver aan het gaan? Of: dit zal zich tegen mij keren? Strategisch was het niet de beste keuze om Buch Livre Libro of Libretto in te dienen voor een nationale kunstprijs: de notie van zelfkritiek of nationale parodie is niet bepaald populair, en jij bent bovendien een buitenlander. Met wat slechte wil kan je zeggen: je was Zwitsers aan het pesten, en je hoopte er nog een prijs voor te krijgen ook…

S.N.: Ik geef toe dat er iets in mij is – gelukkig of ongelukkig genoeg – dat mij belet om te ver vooruit te denken, waardoor zoiets inderdaad kan gebeuren. Op zulke momenten isoleer ik me samen met het werk, en sta ik niet te veel stil bij de effecten ervan op de toeschouwer. En bovendien: ik heb of ik had nu eenmaal die andere blik in Zwitserland. Het is nooit mijn bedoeling geweest om een cultuur in het belachelijke te trekken, maar je zal wel gelijk hebben dat het zo kan overkomen. En nu je het zegt: de cocurator van de Swiss Art Awards in 2018, Patricia Hartmann, was echt gemeen tegen mij.

C.V.G.: Langs de andere kant: het gaat om een kritische houding die je ook in andere contexten of situaties aanneemt. Het is je niet enkel en alleen om de Zwitsers te doen. En toch lijkt het contradictorisch met wat je eerder zei: dat Zwitserland je zenuwachtig maakt, omdat je steeds vreest iets verkeerds te zullen doen.

S.N.: Die vrees heb ik in het dagelijkse leven, in de supermarkt of in het postkantoor, maar niet als ik werk maak.

 

Levenskwaliteit

C.V.G.: Je nam eind 2017 ook deel aan de groepstentoonstelling Sammelstelle Archithese in het Nidwaldner Museum, in Binnen-Zwitserland. Vier kunstenaars werden door curator Patrizia Keller uitgenodigd om ‘iets’ te doen met de twintig eerste nummers van Archithese, een architectuurtijdschrift dat in 1971 werd opgericht door Stanislaus von Moos en Hans Reinhard. Je hebt de advertenties verzameld die tussen 1972 en 1976 in dat tijdschrift verschenen – een bron van inkomsten voor kunst- en architectuurtijdschriften die vaak over het hoofd wordt gezien, maar die noodzakelijk zijn voor hun voortbestaan. 

S.N.: Die adverteerders kan je als sponsors zien, maar ze hebben er iets bij te winnen. In Archithese, begin jaren zeventig, adverteerden meer dan honderd bouwproducenten en aannemers, met nu en dan een boekhandel als uitzondering, zoals antiquariaat Jürgen Holstein uit Berlijn of de ‘vakboekhandel’ voor architectuur Krauthammer in Zürich. 

C.V.G.: Het merendeel van de advertenties – één pagina, een halve pagina of een kwart pagina groot – toont de industrie en de ondernemers die Zwitserland aan het bouwen en opvullen waren. Het was een bouwwoede op automatische piloot die, zoals Stanislaus von Moos in die periode geregeld heeft aangegeven in Archithese zelf, door suburbanisatie maar ook door monotonie werd gekenmerkt. Paradoxaal genoeg zijn het de advertenties in het tijdschrift die de belangrijkste en machtigste ‘actoren’ aanwezen voor de ruimtelijke ontwikkeling van Zwitserland. Architecten en al zeker critici of historici, die wel de teksten schreven in het tijdschrift, stonden langs de zijlijn toe te kijken.

S.N.: Ik heb proberen nagaan wat er sindsdien veranderd is, vandaar de titel van mijn bijdrage aan die tentoonstelling: Aktiv/Gelöscht. Meer dan de helft van de bedrijven van toen, bijna een halve eeuw geleden, zijn op de een of andere manier nog actief. Ook antiquariaat Holstein bestaat nog, maar boekhandel Krauthammer werd in 2001 overgenomen door Orell Füssli, de Standaard Boekhandel van Zwitserland. Ik heb met het museum een brief gestuurd naar al die bedrijven met de vraag of ze, ter gelegenheid van de tentoonstelling, opnieuw zouden willen adverteren, voor 25, 50 of 100 CHF. 

C.V.G.: Is er veel respons gekomen?

S.N.: We kregen vijf positieve antwoorden: van trappenfabrikant Columbus, keramiekfabrikant Laufen, vaatwasmachineproducent Electrolux, staal- en glasfabrikant Tuchschmid en vensterproducent Schär. Een zesde advertentie van keukenfabrikant Franke werd als afzonderlijke insert gedrukt, die de bezoekers aan de tentoonstelling konden meenemen.

C.V.G.: Ten tijde van de tentoonstelling over Archithese in het Nidwaldner Museum eind 2017 was je al een paar maanden uit Zwitserland vertrokken. Is er een directe aanleiding geweest voor je vertrek?

S.N.: Zoals ik al zei, kon ik maar vijf jaar loopbaanonderbreking nemen in Sint-Lukas Brussel, dus dat speelde mee. Voor een deel had ik het ginds ook gezien. Er zijn een paar mantra’s over Zwitserland waar ik toch een beetje sceptisch over geworden ben. Er wordt bijvoorbeeld voortdurend gesproken over de hoge levenskwaliteit – niet alleen door Zwitsers, maar ook naar aanleiding van internationale rankings. Ik weet nog altijd niet goed wat daarmee bedoeld wordt. Ik heb vooral obstakels ondervonden om kwalitatief te kunnen leven. Ik overdrijf een beetje, maar ik kan op mijn twee handen tellen hoe vaak ik gedurende die vijf Zwitserse jaren op restaurant ben geweest. Ik wil geen 25 CHF voor een pizza margarita betalen! Als je niet voldoende geld hebt, kan je helemaal niet genieten van die kwaliteit. Pas toen ik in september 2017 terugkeerde naar Brussel, besefte ik: ah, nu kan ik weer kwalitatief leven! 

C.V.G.: Er zijn nog aspecten die toegankelijk zijn, en waar iedereen in principe van kan profiteren. De geroemde waterkwaliteit bijvoorbeeld, van de rivieren in Basel of van het meer in Zürich…

S.N.: Fast Trinkwasser-Qualität! Terwijl dat meer vol zit met uitwerpselen van zwanen. Vast zullen al die dingen een historische oorsprong hebben, maar er is toch een update nodig naar meer actuele maatstaven of noden. Wat is levenskwaliteit vandaag? 

C.V.G.: Is er in Zwitserland geen sociaal vangnet dat hier steeds vaker ontbreekt? Of is het zo dat armoede en ellende beter aan het zicht worden onttrokken?

S.N.: Dat vangnet is er, en ik heb er gebruik van kunnen maken. Ik had een kaart van Caritas, een katholieke non-profitorganisatie, waarmee ik terechtkon in de winkel voor ‘arme mensen’ of waarmee ik goedkope tickets kon kopen in musea.

C.V.G.: En er is het fantastische openbare vervoer.

S.N.: Dat klopt – dat is geweldig. 

C.V.G.: Of de zwembaden: je kan in Zürich elke dag, zonder uitzondering, van zes uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds zwemmen. Natuurlijk: ook dat is een manier om de bevolking tevreden te houden en om revolutie te vermijden. Het gaat zelden of nooit om vormen van intellectuele of kritische emancipatie.

S.N.: Het is om verschillende redenen verstandig om je volk gezond te houden.

C.V.G.: Zwitserland blijft nadien in je artistieke productie opduiken, bijvoorbeeld op de solotentoonstelling Etui of the private individual, die in november 2019 opende in Galerie Greta Meert. Je toonde onder meer Two revolutions a day, dat in 2018 was ingediend als onderdeel van een kunstproject voor een nieuw gebouw van de politie van Zürich.

S.N.: Ik heb samengewerkt met curator en kunsthistoricus Burkhard Meltzer, die mij had uitgenodigd. Ik kende hem niet persoonlijk. Voor deze kunstintegratie werkten ze niet met kunstenaars samen, maar met curatoren. Dat was boeiend, hoewel hij als curator veel meer betaald kreeg. Het voorstel bestond uit drie delen: een serie speciaal ontworpen klokken, een ronde uitsparing in de wand van het politiekantoor, als een gat waarin je een wens kon uitspreken, en een inscriptie op de buitengevel die de dag en het uur zou markeren waarop de allereerste aangifte werd gedaan in het nieuwe kantoor – de start van de activiteiten binnen het gebouw. Het doel was het spanningsveld zichtbaar te maken tussen de punctuele aanwezigheid van de politie, tijdens een interventie of een incident, en de cyclische duur – het constante verlangen naar veiligheid.

C.V.G.: Als een kraan die blijft lopen… 

S.N.: Ja, maar ook als een vorm van arbeid die de klok rond moet blijven duren. Uiteindelijk moeten politiemannen of -vrouwen heel lang zitten wachten en ‘permanentie houden’. Two revolutions a day verwijst naar de omwentelingen die de kleine wijzer per dag maakt, terwijl de politie ervoor moet zorgen dat er geen revolutie uitbreekt. En natuurlijk geldt ook: hoe zwaarder de criminele daad, hoe langer je moet brommen.

C.V.G.: Het is opmerkelijk dat Zürich een traditie kent om kunst in politiekantoren te integreren. De entreehal van het politiehoofdbureau is de Blüemlihalle, met een kleurig, bijna psychedelisch fresco uit 1926 op het plafond, gemaakt door Augusto Giacometti.

S.N.: Daar ben ik, gelukkig misschien, nooit geweest. De kleur van de twaalf klokken in Two revolutions a day – het feloranje van de rand – is ontleend aan de politieauto’s in Zürich, die met stroken oranje beschilderd zijn. De vorm van de zwarte index, twaalf keer, op de wijzerplaat van de klokken, is gebaseerd op de omtrek van het laatste kootje van mijn middelvinger, als de vingerafdrukken die je moet zetten om jezelf te identificeren.

C.V.G.: Werd dat geapprecieerd? Het is strafbaar om je middelvinger te tonen aan de politie.

S.N.: We zijn tweede geëindigd in de wedstrijd.

C.V.G.: Ik heb het opgezocht, en dit is wat er in het juryverslag staat over jullie project: ‘De gedifferentieerde en complexe theoretische argumentatie is indrukwekkend en overtuigend. De implementatie, vooral van de reeks horloges, leidde tijdens de bespreking tot veel controverse en verdeelde de commissie. Ook werd gevreesd dat de uitvoering soms te subtiel zou zijn, dat de rijke theoretische inhoud niet verzilverd zou kunnen worden en daardoor een eerder vluchtig effect zou hebben.’ Is dat iets waarvan je denkt dat het algemener op je werk van toepassing is: dat het te subtiel is, en dat de inhoud ervan zich niet meteen laat raden? Om het met een vreselijk cliché te zeggen: je werk komt niet hard binnen, of althans niet meteen.

S.N.: Dat besef is inderdaad een constante, maar wat kan ik daarop zeggen? Ik apprecieer enerzijds zelf eerder kunst die een inspanning vergt, maar anderzijds dring ik die moeite niet op, denk ik, als kunstenaar. Ik heb in 2014 voor KIOSK in Gent, op uitnodiging van Wim Waelput en voor het project Le Faux Soir, een publicatie gemaakt getiteld What a load of rubbish. Het is een verzameling krantenknipsels over een schandaal naar aanleiding van een werk van Carl Andre, Equivalent VIII uit 1966. Het werd in 1976 aangekocht door Tate Modern, en dat leidde tot krantenkoppen zoals ‘What a load of rubbish’, ‘Art Fury over 120 Bricks’ of ‘Bricks buy doesn’t cement feelings’. De kunstscène was toen nog heel klein, en er was nauwelijks context of duiding voorhanden. Dat is nu gelukkig anders, als je bereid bent ernaar op zoek te gaan tenminste. En toch weet ik dat mijn werk altijd voor die kritiek vatbaar zal zijn, of altijd deels op onbegrip zal kunnen rekenen.

C.V.G.: De wedstrijd voor de interventie in het politiekantoor werd gewonnen door Adam Szymczyk, van 2003 tot 2014 directeur van de Kunsthalle Basel en artistiek directeur van documenta 14 van 2013 tot 2017. Die keuze lijkt een manier om de beslissing uit te stellen, want zijn voorstel bestond erin vijf kunstenaars uit te nodigen voor een tijdelijke tentoonstelling. Was het niet moeilijk, voor jou, om de klokken te hergebruiken op een andere plek, los van de wedstrijd voor het politiekantoor?

S.N.: In de context van mijn solotentoonstelling Etui of the private individual – een titel ontleend aan Walter Benjamin en diens opvatting over het private interieur – begint Two revolutions a day inderdaad iets anders te betekenen. Het gaat dan meer over de manier waarop de tijd iets achterlaat, terwijl klokken en kunstwerken niet of nauwelijks veranderen, en immuun blijven voor de sporen van mensen. Private interieurs zijn bezaaid met vingerafdrukken, maar de wijzers van een klok zitten, net als een kunstwerk, vaak achter glas, en worden nooit aangeraakt.

C.V.G.: Een ander werk op die tentoonstelling eind 2019 heet Das Boot ist voll. Het lijkt ook naar Walter Benjamin te verwijzen, maar dan vooral naar zijn levenseinde, toen hij in 1940 zelfmoord pleegde omdat hij vreesde door de Gestapo te zullen worden ingerekend en afgevoerd naar een concentratiekamp.

S.N.: Die link met Benjamin is er, maar ook dat werk zit vol Zwitserse sporen. Das Boot ist voll is een Zwitserse film uit 1981 van Markus Imhoof, en de titel verwijst naar wat vluchtelingen vaak te horen kregen tijdens de Tweede Wereldoorlog als ze in het neutrale Zwitserland asiel aanvroegen: ‘Onze boot is vol.’ De film gaat over zes vluchtelingen die de wetgeving proberen te omzeilen met de hulp van autochtone dorpsbewoners. De dorpscommissaris ontmaskert hen en hij reageert streng, conform de wetgeving die in augustus 1942 veel strikter werd: alleen ‘politieke vluchtelingen’ mochten daarna nog blijven. Wie om ‘raciale redenen’ in het buitenland werd vervolgd, moest meteen vertrekken.

C.V.G.: Jouw werk met dezelfde titel, Das Boot ist voll, is een readymade: het is een traditionele Appenzeller-riem die twee keer rond een kolom in de galerie is gedraaid. 

S.N.: Appenzell Innerrhoden en Appenzell Ausserrhoden zijn de twee meest conservatieve kantons in Zwitserland, zoals ik al zei toen we het over het stemrecht voor vrouwen hadden. Een riem uit Appenzell, traditioneel aangebracht rond de hals van herdershonden, is gemaakt uit rundsleer. Je kan zo’n riem ook als broeksriem dragen. Er werden metalen ornamenten op aangebracht – van runderen, of van bloemen – om iemands rijkdom aan te geven.

C.V.G.: Het doet denken aan de uitdrukking ‘de broeksriem aanhalen’, wat je moet doen als het financieel slechter gaat. Migratiepolitiek wordt door financiële overwegingen ingegeven of althans verantwoord, en dat zal in 1942 niet anders geweest zijn. 

S.N.: Zo’n riem is ook een ‘agrarisch’ object, wat verwijst naar het verhaal van de film, dat zich op het platteland afspeelde – een verleden dat, ik zei het al eerder, door de Zwitserse bevolking wordt gemythologiseerd. Die link is er trouwens ook met Two revolutions a day: de boeren uit de Jura die in de winter minder omhanden hadden, verwisselden van beroep door op zolder uurwerken te produceren. De wandklokken hangen hoog tegen de wand, als de kleine vensters in de boerderijen waardoor toch voldoende licht naar binnen kon vallen.

C.V.G.: Nog een werk uit 2019, op dezelfde tentoonstelling, heet Kellerloch (Roter Mainsandstein): een keldergat met twee tralies die als boomtakken zijn uitgewerkt.

S.N.: Dat soort raam heb ik aangetroffen in Basel. Het smeedwerk wordt ‘gekapt’ terwijl het staal nog warm is – de uitstulpingen zijn niet gemonteerd. Het is een raar woord, vind ik, Kellerloch… Gaten, dat fascineert me.

C.V.G.: Het gaat weer over toegankelijkheid en preventie – het is een manier om een interieur privaat te houden.

S.N.: De tralies zijn zodanig bewerkt dat katten niet naar binnen kunnen. En ook de steen is lokaal, een rode zandsteen. Dat is iets wat je opvalt, misschien, als buitenlander.

 

Schuld en erfenis

C.V.G.: Heb je het gevoel dat je verblijf in Zwitserland blijft nawerken, bijna zeven jaar later?

S.N.: Dat denk ik wel. Er zijn nog recente werken die uit die context afkomstig zijn. In 2020, toen ik in Wiels in Brussel mocht deelnemen aan Risquons-Tout, heb ik een publicatie gemaakt met als titel Swiss farmer marks and tallies, met platen uit een boek uit 1917 van de Zwitserse rechtsgeleerde Max Gmür waarin hij kerfstokken verzamelde – een middel om schulden te registreren in een dubbele houten stok.

C.V.G.: Door die platen te zien, besef je dat een kerfstok een passieve en een actieve kant heeft. Volgens de uitdrukking hebben we iets ‘op onze kerfstok’, maar uiteraard is er ook altijd iemand met een mes (en met macht) die de inkeping mag aanbrengen.

S.N.: Daarom is een kerfstok ook zo’n mooi ontdubbeld object: zowel de geldschieter als de schuldige hadden een exemplaar.

C.V.G.: Je recentste solotentoonstelling bij Greta Meert, in de zomer van 2023, ging in zekere zin ook over schulden, maar dan in positieve vorm: erfenissen – wat je krijgt aangereikt van iemand anders, eerder dan dat je het verschuldigd bent, en zonder dat je er op een rationele manier recht op hebt.

S.N.: Dat heb ik zelf meegemaakt, zoals veel mensen waarschijnlijk. In Consanguinity heb ik diamanten die ik van mijn moeder geërfd heb, verwerkt in de achterkant van een fotokader. Ik wou ze kwijt, vooral omdat diamanten zelden op een ethische manier ontgonnen zijn, en dus heb ik ze tot een kunstwerk getransformeerd om ze te kunnen verkopen. Het kunstcircuit wordt zo, in zekere zin, ingeschakeld om mijn geweten wit te wassen. Dat kan je als een Zwitserse techniek zien – historische schuld als het ware omsmeden, zoals ze letterlijk op een gigantische schaal met nazigoud hebben gedaan tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Droog zaad verwijst daar ook naar – het is een ouder werk dat ik in die tentoonstelling heb geplaatst. In een langwerpige zak in textiel zitten zaden verborgen, en die zak is dan in het midden aan een nagel opgehangen om twee testikels te vormen. De kroon- en de familiejuwelen… 

C.V.G.: Het maakt van historische schuld iets existentieels: we kiezen nooit het zaad waaruit we voortkomen, en evenmin het land waarin we ter wereld komen of de nationale geschiedenis waar we deel van zullen uitmaken, met alle bijbehorende voor- of nadelen. Als er iets is dat macht uitoefent over ons leven – als er één echt onrecht bestaat, dan is het toch dat?

S.N.: Dat is waar. Vermoedelijk is het net dat waar Zwitserland symbool voor staat. Stel je voor dat je je geboorteland kon selecteren: wie zou er dan niet voor dat land kiezen?

 

 

• Sophie Nys wordt vertegenwoordigd door Galerie Greta Meert, Brussel. Haar werk is deze zomer te zien op de tentoonstelling Een sprong in het onbekende in Z33 in Hasselt, de Biënnale van de Schilderkunst in het Roger Raveel Museum in Machelen-aan-de-Leie, de tentoonstelling The Fountain Show in Kunsthal Mechelen en de expo Eat The Rainbow in IKOB Museum für Zeitgenössische Kunst in Eupen.

Bijna blanco. Gesprek met Moritz Küng

Kasper Andreasen: Je bent geboren in Zwitserland in 1961, en je studeerde architectonische vormgeving aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Als curator heb je je beziggehouden met zowel architectuur, design als hedendaagse kunst, en dan vooral met de meer conceptuele aspecten ervan, die vaak ook aansluiting vinden bij boeken en drukwerk. Kan je je herinneren wanneer je geïnteresseerd raakte in kunstenaarsboeken? En om welke boeken en kunstenaars ging het dan?

Moritz Küng: Voor mijn studie aan de Rietveld Academie liep ik een vierjarige stage bij het architectuurbureau van Trix en Robert Haussmann, dat zij in 1967 hadden opgericht met als naam Allgemeine Entwurfsanstalt – het Algemeen Ontwerpinstituut. Zij hadden een kleine, maar mooie bibliotheek, met kasten uit mahoniehout en met gedempt licht, en daar bracht ik vaak tijd door. (Ik heb trouwens ook leren koken bij hen op kantoor.) Het echtpaar Haussmann was geassocieerd met de Italiaanse ontwerpersgroep Studio Alchimia, in 1976 opgericht in Milaan door architect Alessandro Guerriero. Er was in hun bibliotheek veel literatuur te vinden over het werk van de leden van Studio Alchimia, zoals Mendini, Sottsass, De Lucchi, Branzi en Navone, of over gerelateerde kunstenaars als Chia, Cucchi, De Maria en Paladino. Daarnaast waren er publicaties van of over kunstenaars wier werk door de Haussmanns verzameld werd: Meret Oppenheim, Raetz, Roth, Thomkins, Vantongerloo… Het was, vermoed ik, de initiatie tot wat decennia later zou uitgroeien tot een bewuste interesse in kunstenaarsboeken. Een boek dat indirect belangrijk kan zijn geweest, is Konstruktive Konzepte uit 1977 van Willy Rotzler, een kennis van de Haussmanns. De titel van dat boek, dat ik aan mijn ouders cadeau vroeg voor kerst, lijkt me nog steeds relevant.

K.A.: Het lijkt een selectie die kunst en design samenbrengt. Veel mensen binnen de kunsten en de architectuur hebben interessante boekcollecties, maar dat maakt van hen nog geen verzamelaars. Beschouw je jezelf als een boekenverzamelaar? En is dat iets dat je geworden bent?

M.K.: Ik vermoed dat je als verzamelaar gerichte aankopen doet, en als ‘gewone’ liefhebber niet. Dus ja, in dat geval ben ik waarschijnlijk een verzamelaar geworden, na dertig jaar min of meer willekeurig boeken te hebben aangekocht – door boeken tegen te komen die me fascineerden, net omdat ik de inhoud of de betekenis niet kon begrijpen, of waarom iemand er tijd en energie aan zou spenderen om ze te publiceren. Dat is natuurlijk vooral het geval bij kunstenaarsboeken, waarvan moeilijk een exacte definitie te geven valt. Veel kunstenaars hebben mogelijke verklaringen gegeven. Marcel Duchamp zou gezegd hebben dat een kunstenaarsboek een boek is gemaakt door een kunstenaar, of een boek waarvan een kunstenaar zegt dat het een kunstenaarsboek is. In het boek Künstlerbücher. Artist’s Books uit 2001 zegt Lawrence Weiner: ‘Ik heb echt geen idee wat een kunstenaarsboek zou moeten zijn. Het is eigenlijk heel eenvoudig: een boek is een boek. Kunstenaars zijn mensen en mensen maken boeken.’ Criticus John Perreault schreef in 1973: ‘Boeken als kunst zijn geen boeken over kunst, boeken met kunstreproducties of boeken met visueel materiaal dat literaire teksten illustreert, maar het zijn boeken die als dusdanig artistieke statements maken, veeleer binnen de context van kunst dan die van literatuur.’ Mijn favoriete definitie komt van Lucy Lippard: ‘Open het boek. Huh? Oh, het is van een kunstenaar. Draai de pagina om. Wees verrast. Wees uitgedaagd. Koop het.’ Het is het credo van Lippard dat ik zelf tot op vandaag toepas, als de prijs of de (subjectieve) kwaliteit van het boek binnen de grenzen blijft van mijn (bescheiden) economische mogelijkheden, en die van mijn opslagcapaciteit.

K.A.: Ik denk dat een genuanceerde definitie van boeken altijd nuttig is, omdat definities ook iets zeggen over de totstandkoming van een boek. Boeken zijn ook altijd min of meer toegankelijk en publiek. Toen je curator was in deSingel in Antwerpen, van 2003 tot 2011, heb je Curating the Library opgezet: uiteenlopende persoonlijkheden presenteerden hun favoriete boeken tijdens een lezing, en die boeken werden vervolgens verzameld in een kleine bibliotheek, ondergebracht in een spiegelende sculptuur van Richard Venlet. Je hebt ook de opdracht gegeven tot verschillende werken op de campus van deSingel, en tot projecten in de stad. Drukwerk (en fotografie) zijn ideaal om efemere of zelfs verdwenen werken te documenteren. Kan je, vanuit je eigen ervaring, voorbeelden geven van een ‘publicatie’ als iets dat publiek wordt – de verruiming van de tentoonstellingsruimte tot de ruimte van een boek?

M.K.: Een publicatie als aanvulling op een tentoonstelling heb ik altijd zeer belangrijk gevonden, hoewel de condities van een tentoonstellingsruimte natuurlijk heel anders zijn dan die van een boek. Het is een suggestie van stanley brouwn dat ‘publicaties blijvende tentoonstellingen zijn’, en daar kan ik enkel volmondig akkoord mee gaan. En natuurlijk zijn er veel verschillende vormen van boeken die enkel als ‘tentoonstellingen’ gezien kunnen worden, zonder echt deel uit te maken van het ‘tentoonstellingsvehikel’. De eerste baanbrekende tentoonstelling in boekvorm van Seth Siegelaub uit 1968 is een goed voorbeeld – het zogenaamde Xerox Book, met als titel de deelnemende kunstenaars (Andre, Barry, Huebler, Kosuth, LeWitt, Morris, Weiner). Een ander voorbeeld is de Boîte-en-valise (1935-1966) van Duchamp – een multiple, met replica’s van 69 werken. Er bestaat ook een dubbelnummer van het Spaanse tijdschrift Poesía. Revista illustrada de información poética uit 1993, met een reproductie van Picasso’s Guernica op ware grootte, 349,3 bij 776,6 centimeter, maar dan op 532 pagina’s.

K.A.: Heb je zelf ooit iets gelijkaardigs geprobeerd?

M.K.: Ik heb nooit een boek gemaakt dat enkel bedoeld was als ‘tentoonstelling’, maar wel als hybride tussen een catalogus en een kunstenaarsboek. Een vroeg voorbeeld is de catalogus van de tentoonstellingstrilogie Another & another & another act of seeing (urban space) in deSingel, uitgegeven in 1997. Het ontwerp van Mevis & Van Deursen, met wie ik sinds 1988 heb samengewerkt aan meer dan 25 publicaties, plaatst elke groep van werken van de 27 kunstenaars of fotografen (zoals Araki, Baltz, Fischli & Weiss, Gursky, Konrad en Streuli) in een andere vormgeving, als in een stalenboek. In de catalogue raisonné The Book(s) uit 2011 van Peter Downsbrough en in het complement Addendum, uit 2013, werden alle oneven pagina’s ontworpen door de kunstenaar als artistieke interventies – soms bleven ze gewoon blanco – en alle even pagina’s door Mevis & Van Deursen, met gedetailleerde informatie over de boeken van Downsbrough. Ik heb een gelijkaardige conceptuele en redactionele aanpak toegepast in monografieën over architecten, zoals bijvoorbeeld Brandlhuber. A Fiction, waarin cultuurtheoreticus Martin Burkhardt de architecten verpersoonlijkt in een opzettelijk misleidende autobiografie, of zoals Addenda Architects. Cahier Bauhaus Museum Dessau, een reeks van tien bescheiden boeken (2017-2019) die de ontwikkeling documenteren op de bouwwerf van dat museum in real time, over een periode van twee jaar – als het equivalent van een architectenboek in plaats van een kunstenaarsboek.

K.A.: Voornamelijk door de verschillende partijen die betrokken zijn bij het proces (vormgever, redacteur, kunstenaar), zijn publicaties op een natuurlijke wijze meer hybride geworden. Catalogi zijn vaak nog maar voor de helft catalogus, en daarnaast projectgeoriënteerde boeken die materiaal bevatten van buiten de tentoonstelling, of ingrepen van de vormgever of de redacteur. Het is geen privilege meer van de kunstenaar om kunstenaarsboeken te maken – of bij het maken van kunstenaarsboeken zijn althans meer mensen betrokken dan enkel de kunstenaar. Ik vind een meer directe, enkelvoudige ingreep in de eigenschappen van het boek daarom uitdagender en sterker. Hoe zie jij dat?

M.K.: Het stemt alleszins tot nadenken. Omdat er ondertussen zoveel kunstenaarsboeken zijn – zoveel concepten en typologieën – is het moeilijk om nog de uniciteit van één boek aan te geven. Tegelijkertijd is het evident dat om het even welk boek publiceren een collectieve inspanning is – van de auteur, de kunstenaar, de ‘geïnviteerde’ criticus, de uitgever, de vormgever, de corrector, de printer, de boekbinder en – last but not least – de boekhandelaar. In zijn boek L’impronta dell’editore uit 2013, over de ‘kunst’ van het uitgeven, schrijft Roberto Calasso dat het een praktijk en een kunstvorm is ‘die de meeste mensen, uitgevers inclusief, niet eens opmerken’. Maar eigenlijk ben jij een kunstenaar, ik niet. Je geeft les, je verzamelt kunstenaarsboeken voor een openbare bibliotheek, je exposeert je werk, cureert tentoonstellingen, en publiceert ook in boekvorm. Hoe pak jij al die multitasking aan, ook van anderen? Wat versta je zelf onder een ‘enkelvoudige ingreep’ in een boek?

K.A.: Dat een boek collectief tot stand komt, heeft natuurlijk te maken met de arbeidsdeling en met specialisatie: er zijn eenvoudigweg meer spelers uit verschillende domeinen die aan een boekproductie meewerken. Bij het produceren, en ook het verzamelen, moeten de boeken die kunstenaars maken enerzijds publiek toegankelijk worden (dankzij tentoonstellingen en bibliotheken), maar anderzijds zouden ze geen toegevingen moeten doen aan het commerciële denken van grotere uitgeverijen. Multitasking en het samenkomen van verschillende artistieke praktijken vinden altijd een neerslag in een boek. Waar ik in het bijzonder naar op zoek ben, is meer iets elementairs, één enkel gebaar. Ik denk bijvoorbeeld aan een boek waarin op elke pagina de eerste zin staat van een getypte brief, of de grafische vertaling van een lijst verspreid over de sequentie van alle pagina’s van een boek. Kendell Geers heeft in 2004 Point Blank gemaakt met Imschoot in Gent: een boek dat letterlijk beschoten is. Je kan omgaan met de leegte van een boek zoals in een dummy: hier is wit weiss uit 1967 van herman de vries een goed voorbeeld. Dat boek heb je ook geselecteerd voor je recente tentoonstelling Blank. Raw. Illegible… Artists’ Books as Statement (1960-2022), waarin je lege of ‘blanco’ kunstenaarsboeken bij elkaar brengt. Als ik het goed heb, werk je al lange tijd aan dit project. Waar komt je interesse voor dit thema vandaan?

M.K.: Blank. Raw. Illegible… komt voort uit drie omstandigheden. Ongeveer tien jaar geleden raakte ik steeds meer geïnteresseerd in kunstenaarsboeken, en dat resulteerde in twee catalogues raisonnés die ik maakte, met enerzijds al de boeken van Peter Downsbrough in 2013 (daar had ik het al over) en anderzijds die van Heimo Zobernig in 2016. Ik heb ook een aantal tentoonstellingen over het kunstenaarsboek gecureerd, zoals This is the cover of the book in 2015, Amerikaner-Europäer in 2016 en Selección Natural in 2017. Ik werkte tegelijkertijd aan een tentoonstellingsconcept over plinten en plintsculpturen gemaakt door kunstenaars, zoals Brancusi, Broodthaers, Manzoni, Gonzalez-Torres, Vermeiren, Zobernig: het artefact is tegelijkertijd kunst als onderdeel van het decor of het tentoonstellingskader – vermomde kunst, om het zo te noemen. Ik was vooral geïnteresseerd in het meta-effect dat zo’n ensemble van sculpturen kan veroorzaken. Het resultaat zou een tentoonstelling zijn die nog ‘in transitie’ was: in voorbereiding, en dus nog niet geopend, of integendeel reeds gesloten, en onderworpen aan een proces van ontmanteling. En toen kwam ik terecht bij het fenomeen van het blanco boek, zoals het vermeld wordt, in een korte paragraaf, door Anne Moeglin-Delcroix in haar referentiewerk Esthétique du livre d’artiste. Une introduction á l’art contemporain uit 2012. Er bleek geen interesse te zijn van mogelijke tentoonstellingsplekken in het ‘plintproject’, dus raakte ik verslingerd aan blanco boeken. Dat wil niet zeggen dat dit project makkelijker te verwezenlijken was – integendeel.

K.A.: De boeken die je selecteerde zijn inderdaad blanco, of bijna, en ze bieden dus een andere soort lectuur of non-lectuur aan – alleszins niet de klassieke lectuur van links naar rechts die door een (westerse) tekst wordt verondersteld. Door de leegte van de pagina’s wordt (lege) ruimte het dominante beeld, maar tegelijkertijd zijn er zeker verschillen in de manier waarop die ‘ruimte’ geportretteerd wordt.

M.K.: Ja, inderdaad, deze kunstenaarsboeken zijn inderdaad bijna blanco. Een echt blanco kunstenaarsboek bestaat niet: er is altijd wel tekst op de cover of op een colofonpagina. En als het boek toch helemaal onbedrukt blijft – zoals een dummy, meestal een uniek exemplaar om de fysieke details van een boek te testen vooraleer het gedrukt wordt – is er een paratekst op een klein vel papier dat wordt toegevoegd of wordt er bijvoorbeeld een sticker op de achterkant gekleefd, zoals het geval is bij Blanco van Ilan Manouach (2018). Eén enkel blanco boek is waarschijnlijk ook weer niet zo interessant, maar als je er vele bij elkaar toont, word je je plotseling meer bewust van de eindeloze reeks onderscheiden ideeën, contexten en materiële aspecten. Kortom: hoe meer je toont, des te interessanter deze typologie wordt. Maar dan blijft de vraag: welk aantal boeken is genoeg? Honderd, tweehonderd, driehonderd? Hoe moeten of kunnen de boeken getoond worden? En hoe kan hun ‘inhoud’ ontsloten worden? Ik heb uiteindelijk voor 259 exemplaren gekozen, als referentie aan een van de eerste tentoonstellingen uit de jaren zeventig van het toen nog nieuwe genre van het kunstenaarsboek: Book as Artwork 1960/72, in 1972 te zien in Nigel Greenwood Inc. in Londen en gecureerd door Germano Celant en Lynda Morris (die vaak onterecht onvermeld blijft). Blank. Raw. Illegible… toont dus ook 259 kunstenaarsboeken, die in dit geval zonder uitzondering ‘geledigd’ zijn – dat wil zeggen: soms leeg, soms onleesbaar, soms niet meer functionerend, soms monochroom, soms efemeer, soms zelfs immaterieel. Om een zekere ordening of logica in de grote hoop schijnbaar gelijkaardige boeken aan te brengen, heb ik ze geclassificeerd in vijftien hoofdstukken die een zekere oriëntatie aanreiken, hoe subjectief ook, op basis van vaak subtiele eigenschappen. De hoofdstukken zijn genoemd naar de titels van boeken die zelf ook getoond worden: wit weiss van herman de vries (1967), dat je zelf al noemde, papierselbstdarstellung (1976) van Luciano Bartolini, Various colors in black and white (2005) van Pierre Bismuth, Anatomy of a Book (2009) van Fiona Banner, Empty Words (2011) van Jürg Lehni en Alex Rich, en Utopia in Utopia (2011) van Thomas More en Åbäke. De boeken zijn gemaakt door 188 verschillende auteurs uit dertig landen – uit West- en Oost-Europa, Zuid- en Noord-Amerika, Azië – wat ook de blijvende en wijdverspreide interesse toont van kunstenaars in het blanco boekobject, nu al meer dan zes decennia lang. De oudste titel, Untitled (wit is overdaad) van herman de vries, is van 1960, terwijl Autobiography n.8 door Micah Lexier is gemaakt in juli 2022.

K.A.: Je selectie bevat vele referenties, inderdaad op een metaniveau, maar ook theoretische stemmen die het blanco boek, door middel van een boek, classificeren: het is een onderwerp dat zelf al historisch is geworden. Ook met je tentoonstellingsproject over de plintsculpturen richtte je je op de mediumspecifieke eigenschappen van artistieke productie. Het blanco boek belichaamt die eigenschappen per definitie, en brengt ze op de voorgrond. Kunst is per definitie iets dat zichtbaar wil zijn, gepresenteerd en gezien wil worden. Een boek is al zo’n presentatievorm, binnen een gesloten volume, wat dan weer een private ruimte impliceert, weg van het publieke domein. Hebben de boeken in de tentoonstelling enigszins met auteurschap te maken? Of met noties van zichtbaarheid en identificatie?

M.K.: Zichtbaarheid is relatief in de kunst. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot kunst die je niet meteen als dusdanig kan herkennen. En ik geloof dat dit vooral te maken heeft met het vermogen van een kunstwerk om zichzelf te implementeren en te verwezenlijken in een bepaalde locatie of een context – laten we zeggen de genius loci van het kunstwerk. Wel, een boek heeft zo’n genius loci niet: het beweegt zich vrij en ongecontroleerd rond (je kan inderdaad hetzelfde over de plint zeggen), maar het vertegenwoordigt, zoals je terecht opmerkte, een ruimte voor zichzelf, een private ruimte, als het ware met een eigen wetgeving. En toch wordt het auteurschap van een blanco boek niet in vraag gesteld. Integendeel zelfs: de tentoonstelling brengt aan het licht dat het ogenschijnlijk altijd weer herhaalde motief – de blanco pagina – veel verschillende en rijke oorzaken heeft voor verschillende mensen. In All or Nothing. An Anthology of Blank Books uit 2005 (en een voorganger en inspiratiebron voor mijn project) schrijft Michael Gibbs: ‘Blanco is zowel een gemoedstoestand als een materiële toestand, en als zodanig kan het bedrieglijk, hallucinerend, opzettelijk, poëtisch of spiritueel zijn, leesbaar of onleesbaar, aanwezig of afwezig, perfect of onvolmaakt. Maar het is nooit zomaar leeg.’

K.A.: Het is inderdaad zo dat je haast automatisch heel veel verschillende dingen op een lege pagina projecteert, waardoor die niet leeg blijft. Gibbs verwijst ook naar de alomtegenwoordigheid van het denken in de nabijheid van een blanco pagina. Dat de blanco pagina een motief is, zegt al iets over het verlangen naar de leegte in een historische context. Volledig zwarte pagina’s, zoals in Black Out One or Many uit 2003 van Willem Oorebeek, zijn aan de ene kant een verwerping en een vernieuwing van zijn eigen oeuvre – het boek is een gewijzigd exemplaar van de catalogus van zijn eerste tentoonstelling uit 1988 – maar ik zie het aan de andere kant ook als een soort iconoclasme, en als een reactie op het lawaai van mediabeelden. Net als ander werk van Oorebeek is de productie belangrijk: door te verduisteren (een gevonden magazinebeeld te ‘overdrukken’ door middel van lithografie), wordt de zichtbaarheid van het beeld natuurlijk sterk gereduceerd. De beelden bestaan nog, maar ze schreeuwen niet meer om aandacht, ze zijn gedempt, ingehouden, en houden zich op op één monolithisch oppervlak. Historisch gezien werden beelden gemaakt om verafgood te worden, maar ze kunnen ook vernietigd worden, uitgewist en afgewezen. Verafgoding en vernietiging gaan vaak hand in hand. Zijn er nog boeken in de tentoonstelling die omgaan met hedendaagse iconoclastische gebaren, zoals vernietiging, uitwissing, afwijzing of verdwijning?

M.K.: Het kritisch in vraag stellen door te weigeren en af te wijzen of uiteindelijk te vernietigen – of het nu om een tekst gaat, een beeld, of om het boek zelf als object – kan onvermijdelijk ook op het blanco boek betrokken worden. Er zijn dus veel voorbeelden te noemen. Een kritische blik op massamedia is terug te vinden in Dagblad Zonder Nieuws van Hans Bossmann, een krant met tekst noch beeld. Deze publicatie verscheen dagelijks gedurende 36 weken, tussen 22 maart en 4 december 1998. Minder nadrukkelijk en radicaal, maar wel uitgebreider, is de facsimileserie van twintig internationale kranten, gemaakt door grafisch ontwerper Josef Ernst, getiteld Nothing in The New York Times. Het gaat om exemplaren van onder meer The Sun, El País, Die Zeit, Le Monde, NRC Handelsblad en Correio da Manhã, van 2016 tot 2018, waarin de kolommen met tekst zijn weggelaten en vervangen door grijze ‘plaatshouders’. Christian Boltanski en Oriol Vilanova stellen de media in vraag vanuit een ander gezichtspunt. Scratch (2002) van Boltanski lijkt op een leeg fotoalbum: de inhoud komt pas tevoorschijn als je de zilveren coating op de pagina’s wegkrast. Wat dan tevoorschijn komt, is choquerend en verontrustend: gehavende lichaamsdelen en lijken uit pers- en politiedossiers. Vilanova’s Point of no return is een uniek boekobject gemaakt in 2011 – er bestaat maar één exemplaar van. In een eerste druk van La Société du spectacle uit 1967 van Guy Debord heeft de kunstenaar alle gedrukte tekst zeer nauwgezet weggekrast met een scheermes. Om een voorbeeld te noemen van de vernietiging van het boek als dusdanig: in 1970 stelde Marinus Boezem voor, met Paper Events, om de pagina’s weg te knippen met een schaar, ze te vouwen, los te maken, te scheuren, in water te weken of in een open raam te hangen, en om dan de resten te verbranden en de as te bewaren in de transparante beschermhoes waarop ook de witte geprinte instructies staan. Het boek van Fluxuskunstenaar Tomas Schmit, DAS UCH DER B (1973) moet ook uit elkaar gehaald worden. Door de instructies en markeringen op iedere pagina te volgen – aangeduid door pijlen, hulplijnen, letters en cijfers – kan de lezer de geperforeerde pagina’s uitscheuren, ze op de vloer leggen en zo vervolgens een woord van drieënhalve meter lang tot stand brengen: PAPIER – een tautologisch en nogal optimistisch statement. Er zijn ook subtielere manieren om het boek te ontkennen. Van de 114 pagina’s van book about nothing (1970) van Jiří Valoch is er slechts één pagina bedrukt, en wel met de letters van het woord ‘nothing’. Er is ook het blanco boek Today I wrote nothing (2009) van Dora García, dat herinnert aan een dagboeknotitie van Daniil Charms, een Russische dichter en lid van de vroege Sovjetavant-garde. (No Content) (2017) van Stefan Brüggemann is een stapel van vijfhonderd vellen papier met de titel gedrukt op iedere pagina, zodat de ontbrekende inhoud de enige inhoud wordt.

K.A.: Ook die voorbeelden zijn meestal het gevolg van enkelvoudige ingrepen. Op die manier gaat de tentoonstelling vooral over het oppervlak van de pagina, inclusief het boek als sculptuur en als vehikel voor een statement van de kunstenaar. In vele gevallen zijn de (bijna) blanco boeken elk voor zich ontologische gevalstudies. De algemene en historische betekenis van het boek valt terug op zichzelf omdat er nauwelijks nog iets overblijft: het boek wordt gereduceerd tot de meest fundamentele eigenschappen. De analogie tussen het kunstenaarsboek en massamedia is iets dat me erg interesseert. Tijdens de pandemie demonstreerden Chinese studenten met blanco vellen papier om te protesteren tegen het ‘no-covid’-beleid. Via mediabeelden wordt de blanco pagina een stil verzet, maar ook een symbool om een arrestatie te vermijden. Ik heb boeken van andere kunstenaars geregeld beschouwd als een soort analoge vorm van sociale media. Er is een periode geweest in mijn praktijk waarin ik niet tentoonstelde en het boek gebruikte als een middel tot uitwisseling en als een manier om in contact te treden met andere kunstenaars. We leven in een tijdperk waarin iedereen onophoudelijk gehoord en gezien wil worden, in een constante vloedstroom aan stemmen en beelden. Ik zie je project over blanco boeken als een onrechtstreekse reactie op de massa mensen die zich constant wil profileren – een soort van antibeweging tegen digitale sociale media. Er zijn daarom nog twee aspecten waarover ik een vraag zou willen stellen. Hoe zie jij het boek als een sociaal vehikel? En is de tentoonstelling inderdaad een manier om sociale media te becommentariëren of te vermijden? Zie jij op dat vlak ook analogieën?

M.K.: Hoewel ik nogal kritisch ben over sociale media en ik je observaties over het blanco boek als antibeweging tegen sociale media zeker kan appreciëren, komt mijn fascinatie, die langzaam een obsessie is geworden, vooral voort uit het betekenispotentieel dat ontstaat wanneer je een typologie steeds weer herhaalt. Nogmaals: het is niet het ene boek dat interessant is, het is de overweldigende massa. Repetitie, toe-eigening en zelfs kopiëren zijn veelzeggende factoren in het ‘verhaal’ van Blank. Raw. Illegible… En het is ook zo dat er zich tussen de 259 boeken één digitale versie bevindt van een blanco boek: Erased Spaced van Lemonodo, een pdf met 218 blanco pagina’s waar je doorheen moet scrollen. Als je zegt dat de betekenis van het boek bijna in elkaar klapt, dan ervaar ik net het omgekeerde: de betekenis ervan neemt toe en verruimt het perspectief van de lezer. De leegte van het boek vertegenwoordigt een dualiteit van het ‘Absolute’: tegelijkertijd een uitnodiging (startpunt of geboorte) als een climax (finale of dood). Het blanco boek, en dat toont de tentoonstelling, denk ik, belichaamt een onbegrensde ruimte voor interpretaties. Het boek is echter ook een object met haptische kwaliteiten, iets dat digitale media niet hebben, en het blanco boek overdrijft en versterkt dat. En ja, zoals jij zegt, het is een sociaal medium. Boeken maken vrienden, zoals het spreekwoord wil. Maar ze hebben ook de kracht om je weg te voeren, iets wat Cerith Wyn Evans verklaarde met één enkele frase, gestanst in grote letters in zijn blanco boek met als titel “…” DELAY uit 2009: ‘Sta jezelf toe om af te dwalen van wat je op dit moment aan het lezen bent, naar een andere situatie… Stel je een situatie voor waarin je naar alle waarschijnlijkheid nog nooit bent geweest.’

 

• Blank. Raw. Illegible… Artists’ Books as Statements (1960-2022), van 14 mei tot 3 september, Leopold-Hoesch-Museum, Hoeschplatz 1, Düren.

 

Vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

Ik wil niet conservatiever zijn dan nodig is

Na 13 jaar redacteurschap van het Nederlandse kunsttijdschrift Metropolis M, neemt Rob Smolders sinds kort de functie van conservator waar in het museum De Wieger in Deurne (gelegen in de provincie Brabant, tussen Eindhoven en Venlo).

Aanleiding voor dit gesprek met Rob Smolders is “De onmogelijke ontmoeting van journalistiek en beeldende kunst”, de laatste tekst die hij in Metropolis M publiceerde. Deze tekst houdt net als vele van zijn andere teksten een oproep in tot gesprek en discussie. Met Rob Smolders spraken we over twee onderwerpen die hem na aan het hart liggen: schilderkunst en de kwaliteit van de kunstkritiek (in de jaren ’80).

Bart Meuleman: In uw afscheidsbrief had u het over de literaire ambities die Metropolis M oorspronkelijk had, en ook over het feit dat die literaire ambities na een tijd losgelaten werden.

Rob Smolders: We hadden inderdaad literaire ambities, maar niet de literaire vaardigheid om het blad die kant op te sturen. Daarom hebben we gekozen voor een kunsthistorische benadering en geleidelijk aan is dat historische er weer uit verdwenen en werd het een blad dat puur op kunstkritiek gericht was. Ik heb zelf wel een aantal stukken geschreven die een bijzondere vorm hadden, bijvoorbeeld een artikel over Marlene Dumas dat ik enkele jaren geleden schreef. Het begon met een gefingeerde brief aan haar. Met dat soort dingen was ik toen heel erg bezig: hoe kan je een vorm bedenken waarin je je direct op het onderwerp richt. Critici nemen te weinig vrijheid om hun eigen verhaal te schrijven, en dan heb ik het echt over critici, de mensen die schrijven over kunst en niet de schrijvers die sowieso verhalen schrijven, zoals Dirk Van Weelden.

Koen Brams: De brief lijkt me een zeer juiste vorm om over het werk van Marlene Dumas te spreken omdat het eigenlijk een vluchtig medium is.

Rob Smolders: Dat element van noteren zit zeer sterk in haar werk. Zij heeft ook werken gemaakt met brieffragmenten, losgescheurde regeltjes uit brieven. Ze is heel sterk bezig met de manier waarop mensen met elkaar omgaan en met elkaar communiceren.

Koen Brams: Metropolis M verleent ook het woord aan de kunstenaars zelf.

Rob Smolders: Dat een kunstenaar schrijft, is weer een van die vele signalen die je krijgt. Bijvoorbeeld die tekst van Jan Vercruysse over Jan Hoet, waarin hij een duidelijk standpunt inneemt dat ook alleen maar in woorden te formuleren is en niet uit zijn werk afgeleid kan worden. Omdat we niet in de mogelijkheid waren om de tekst in zijn geheel af te drukken, publiceerden we een stuk uit die tekst.

Bart Meuleman: Is het geen probleem om slechts een fragment van de tekst van Vercruysse te publiceren? Op die manier lijkt hij meer pamfletachtig. Ik vind het een zeer subtiele tekst, ook heel duidelijk langs de andere kant. Het afdrukken van de verkorting gaar daar eigenlijk tegen in.

Rob Smolders: Dat argument kan ik wel volgen, maar we hadden geen andere keuze. We hebben geprobeerd om het netjes te doen, dat wil zeggen in overleg met Jan Vercruysse zelf. Hij ging ermee akkoord en dan vind je elkaar daar toch in. Dat is een moeilijk punt, dat je dat zo belangrijk moet vinden dat je er andere teksten voor opzij zet, want daar zou het dan toch op neer komen.

Bart Meuleman: Het is wel zo dat deze tekst een zeer fundamentele kritiek formuleerde teen de documenta en dat je dat soort kritiek nooit meer op die manier hebt aangetroffen.

Rob Smolders: Ik heb andere kunstenaars gesproken die de tekst hadden gelezen en die vonden dat de documenta enkel maar een aanleiding was, en die het erg belangrijk vonder dat er nu eens eindelijk iemand aangaf hoe er wordt gesold met kunstwerken door tentoonstellingsmakers. Eerst vragen ze aan kunstenaars of ze zin hebben om mee te doen aan tentoonstellingen en als ze eenmaal geconfronteerd worden met een negatief antwoord stappen ze naar particuliere verzamelaars om werken bij elkaar te lenen waardoor het lijkt dat die betrokken kunstenaar zich toch achter het programma van een tentoonstelling schaart.

De rol van de taal binnen de kunst(kritiek) is veel te overheersend geworden.

Koen Brams: Als we uw artikels van de afgelopen drie jaar overschouwen, valt op hoeveel aandacht u hebt besteed aan de schilderkunst. In de afgelopen drie jaren hebt u zich nauwelijks over andere kunstvormen ontfermd binnen Metropolis M.

Bart Meuleman: Was u zich bewust van de verdedigende positie die u innam?

Rob Smolders: Ik heb niet geprobeerd me als specialist van de schilderkunst op te werpen. Dat ik dan toch veen over schilderkunst geschreven heb, heeft veel te maken met het feit dat andere mensen het niet deden, met het opvullen van een lacune. Als je Metropolis nu openslaat dan zie je dat vele mensen willen schrijven over installaties en allerlei tussenvormen. Het is veel moeilijker om auteurs te vinden die over schilderkunst willen schrijven en als je daar dan zelf ideeën over hebt, wat ligt er dan meer voor de hand dan dat je dat zelf op papier zet.

Koen Brams: Er waren en zijn maar weinig mensen die over schilderkunst willen spreken. Waaraan wijt u dat?

Rob Smolders: Mensen hebben het gevoel dat de schilderkunst niets nieuws meer te bieden heeft.

Koen Brams: Dat klopt toch eigenlijk niet want als we nu kijken naar de grote groepstentoonstellingen dan zie je toch steeds een grote aandacht voor schilderkunst, zowel vanwege het publiek als vanwege de tentoonstellingsmaker. Maar niet vanwege de kunstkritiek.

Rob Smolders: Dat is inderdaad een paradox, die ik trouwens ooit ook gesignaleerd heb in een publicatie naar aanleiding van de uitreiking van de koninklijke subsidie voor vrije schilderkunst van 1991. De grootste tekortkoming is dat mensen niet meer willen of durven schrijven over hun ervaring van de beelden op zich. De rol van de taal binnen de kunstkritiek is veel te overheersend geworden. mensen denken dat kunst pas betekenis krijgt nadat er over geschreven is.

Koen Brams: Ook bij kunstenaars is dat een sterk levende gedachte.

Rob Smolders: Een aantal kunstenaars krijgt door dat de taal belangrijk is geworden en laten de beeldende kwaliteiten steeds meer achterwege. De kunstcritici komt dat goed uitwant die wisten toch al niet wat ze met die beeldende dingen aan moesten, die krijgen de woorden aangereikt. Het is vaak het jargon van de kunstenaar dat je aantreft in de kritiek.

Bart Meuleman: In uw artikel over de documenta schrijft u over enkele schilders dat ze niet deelnemen aan het “feestgedruis”, maar het feestgedruis op zich is de zaak van betrekkelijk weinig kunstenaars vind ik, dus eigenlijk isoleert u de schilders in dat artikel.

Rob SMolders: Mijn kritiek op de documenta is, dat die te groot is en te veel wil. Als je 600.000 mensen wil trekken in de zomer, heeft zo’n installatie van Kapoor helemaal geen zin. Je mocht er met zijn vijven in, wat urenlange wachttijden opleverde. Dat zijn absurde dingen. Het publiek kan de concentratie niet opbrengen die nodig is om dat werk goed te bekijken.

Bart Meuleman: Is het toch niet de moeite, want ik heb dus ook in de rij gestaan en ben dat wachten namelijk al vergeten, en de installatie zelf niet. U lijkt bepaalde breekbare en kwetsbare werken te willen weren. “Wat hebben goede schilder als Per Kirkerby, Raoul de Keyser en Eugène Leroy hier nog te zoeken,” schrijft u letterlijk.

Rob Smolders: Dat betekent niet dat je ze weg zou moeten laten. Mijn voornaamste kritiek op de documenta was dat je je niet meer kon concentreren op de afzonderlijke werken.

Wat in mijn artikels onvrede was, dat is onrust geworden.

Koen Brams: De toon, die in een aantal teksten van u is geslopen, is bitter. Er spreekt onvrede uit.

Rob Smolders: Welke teksten?

Koen Brams: Bijvoorbeeld uw afscheidsbrief, de tekst over de toekenning van de Pierre Bayleprijs aan Anna Tilroe, de tekst over de tijdschriften Pose en Toonbeeld, de verslagen over de symposia die u heeft bijgewoond. Een ontevreden man. Kunt u me enig zicht verschaffen in het verhaal achter die onvrede?

Rob Smolders: In zijn algemeenheid gaat het bij mij om het zich afzetten tegen gemakzucht op alle gebied. Ik schrijf niet alleen over kunstenaars, maar ook over critici, en over mensen die symposia organiseren. Omdat er zoveel mensen zijn die gewoon slecht schrijven. Slecht in de van: slecht over nagedacht. Zullen we inderdaad weer eens gewoon kwaliteitsnormen stellen. Voor de kritiek, voor de gedachtewisseling waar we allemaal zo op hopen.

Bart Meuleman: Anderzijds bent u wel een aantal jaren hoofdredacteur geweest van een van de twee belangrijkste tijdschriften over beeldende kunst in Nederland. U was dus eigenlijk in een zeer goede positie om serieuze verandering te bewerkstelligen. Betekent die onvrede in uw afscheidstekst dan dat u met enige teleurstelling terugkijkt op uw werk van de afgelopen jaren?

Rob Smolders: Teleurstelling is een te groot woord. Meteen nadat ik het stuk had geschreven, dacht ik: het is precies wat ik vind maar mensen zullen zeggen dat juist ik daaraan iets had kunnen verhelpen. Maar er waren juist heel veel factoren waar ik niets aan kon doen.

Koen Brams: Welke?

Ron Smolders: De verhouding tussen de verschillende redacties, het feit dat er geen discussie is tussen alle mensen binnen de kunstkritiek. De situatie is met de jaren zo gegroeid en dat verander je niet zomaar. Aan de andere kant zijn er grote beperkingen wat betreft de auteurs. De redactie is steeds kritischer geworden wat betekent dat we steeds meer teksten gingen afwijzen maar toch ook steeds weer moesten constateren dat we teksten moesten afdrukken omdat we het onderwerp belangrijk vonden. Soms waren wij er al bij voorbaat van overtuigd dat een tekst net zou beantwoorden aan onze kwaliteitseisen.

Bart Meuleman: Speelt die onvrede mee om het conservatorschap te aanvaarden?

Rob Smolders: Nee, dat conservatorschap biedt mij nieuwe mogelijkheden. Schrijven over kunst brengt ook een soort ontevredenheid met zich mee. Je kan alles schrijven over kunst zonder dat het wat uitmaakt en zonder dat je het werk zelf in handen krijgt. Als je een tentoonstelling maakt, zeker met werk van levende kunstenaars, dan moet je in de eerste plaats met hen in gesprek treden. Dat is een produktief argument tot mijn beslissing.

Bart Meuleman: Kan u een beeld schetsen van De Wieger, het museum waar u naartoe gaat?

Rob Smolders: Het museum heeft een collectie Nederlandse schilderkunst uit de periode 1915-1940. Hendrik Wiegersma, huisarts in Deurne en zelf schilder, had een grote vriendenkring van kunstenaars. Die man werkte als een soort magneet op de kunstwereld in die tijd. Op een gegeven moment is er een conservator aangesteld, zijn zoon, die bewust is begonnen met het aankopen van schilderijen uit die periode waarin zijn vader een belangrijke rol heeft gespeeld. Ik beschouw het als mijn taak vanuit die basis verder te denken, na te gaan wat voor dwarsverbanden die collectie heeft met hedendaagse kunst, met andere kunst. Mijn eerste tentoonstelling heette “Onrust”, en die titel dat is mijn vrije bijdrage. Wat in mijn artikels onvrede was, dat is onrust geworden. Onrust heeft ook betrekking op het expressionistische werk, het gaat om schilderkunst die een uitdrukking is van onrust, zoals ik dat voel. het is ene poging om hedendaagse kunst en wat oudere kunst met elkaar te … Confronteren wou ik zeggen, maar het gaat niet om confronteren, maar om bij elkaar brengen.

Koen Brams: Kent u de wijze waarop het museum Dhondt-Dhaenens functioneert?

Rob Smolders: nee, maar ik heb de vergelijking al van meer mensen gehoord.

Koen Brams: In die eerste tentoonstellingen zijn hedendaagse schilders vertegenwoordigd die u ook gevolgd hebt in Metropolis M, over die oudere kunst hebt u nog nooit geschreven. Waarom hebt u er binnen Metropolis M niets aan gedaan om niet alleen de barrière van de genres maar ook de barrière van de tijden te slechten?

Rob Smolders: Daar hebben we veel over gediscussieerd binnen de redactie, de conclusie was min of meer dar we daar niet principieel op tegen waren, maar als je je jarenlang heb gespecialiseerd in een bepaalde formule, dan heb je om te beginnen de auteurs al niet die daar over zouden kunnen schrijven. Nog los van de vraag hoe je dat aan zou pakken. Eén keer een artikel over Rembrandt helpt niet. Dan moet je zeggen, dat moet evenwichtig verdeeld worden. De stap was te groot. Nog los van het feit dat het een beperking is van de redacteuren, dat geldt ook voor mijzelf. Als ik over Rembrandt zou schrijven, dan zou me dat toch teveel studie kosten. Je zou veel moeten lezen, veel moeten kijken.

Koen Brams: Ik denk vooral veel kijken.

Rob Smolders: Kijken is inderdaad belangrijker dan lezen. Je moet je eigen kijken durven vertrouwen, daar gaat het om.

Koen Brams: Ik vraag me af of bij jou niet de behoefte zal blijven bestaan om schriftelijk te reageren op wat er zich in de actualiteit voordoet?

Rob Smolders: Dat verwacht ik wel ja, maar ik heb er nog geen idee van hoe en waar. In die zin beschik ik ook niet meer over een medium. In Metropolis had ik de absolute vrijheid. Daar had ik al de voorkeur voor de meer marginale plekken. De meeste dingen van mij zijn verschenen in “het reservoir” en bij de boekbesprekingen. Soms een recensie. Een paar grote artikelen. Dat vond ik op een bepaalde manier ook wel een prettige positie. Als hoofdredacteur heb je toch wel een goed overzicht over het blad. Dan let je meer op lacunes. Ik vond het belangrijk dat “het reservoir” versterkt werd. Toen ik hoofdredacteur werd, zijn we begonnen met die rubriek waarin veel meer dingen kunnen, waarin je het klassieke stramien van een blad kan doorbreken.

Koen Brams: Heb je daar een aparte rubriek voor nodig?

Rob Smolders: Je hebt binnen elk medium een bepaalde structuur nodig. Een avondje televisie is ook gestructureerd. Het is niet om af te zonderen van de rest maar om structuur te scheppen. Je zegt: dit gebied maak ik vrij voor dat soort bijdragen.

Koen Brams: Wat gebeurde er toen u het eerste nummer zag waaraan u niet had meegewerkt?

Rob Smolders: Nou, er gebeurde niets, nee. Toch een blik van herkenning. ik kan me goed voorstellen dat ik eraan meegewerkt zou hebben. In die zin is er geen breuk. Als ze maar geen internationale editie gaan maken.

Koen Brams: Dat vind ik een eigenaardige opmerking. Ik zou het jammer vinden mocht Metropolis niet meer in het Nederlands verschijnen, maar niet dat dit blad een Engelstalige editie zou krijgen om de ideeën die hier leven te exporteren.

Rob Smolders: Ik kan niet zeggen dat ik het daar niet mee eens ben, maar ik merk wel dat de buitenwereld van je verlangt dat je grootschalige dingen doet, veel publiek, veel uitstraling. Ik ben bang dat als je daar je energie in gaat steken, je het blad niet meer kan maken. Dat je alleen maar bezig bent met Engelse vertalingen, en dat je de interessante standpunten uit het oog verliest. Ik zeg niet dat je geen dingen moet doen voor een groot publiek, maar dingen met een beperkt bereik kunnen even goed zijn. Het moet niet altijd Flash-art zijn. Flash-art bestaat al, en het is geen goed blad. Nou goed, ik wil niet conservatiever zijn dan nodig is. Mocht er een Engelse editie van komen, prachtig, maar … Archis is sinds vorige editie tweetalig, ik vind het een uitstekend blad, maar ik heb sinds lang niet zo’n slecht nummer van Archis gelezen als dit.

Metropolis M, een uitgave van de gelijknamige stichting, verschijnt zesmaal per jaar. Het redactieadres: Postbus 19263, 3501 DG Utrecht (030/34.21.25).

 

Een no go

Daniël Rovers: In 2013, zo rond je veertigste verjaardag, maakte je de schilderijreeks Mother. Daarin werden ‘de clichés van het moederschap’ getoond, zo meldden recensies. Later heb je gezegd dat je die reeks maakte in een periode waarin jij en je partner vergeefs probeerden kinderen te krijgen: je had meerdere miskramen. Gaat Mother dan niet eerder over de fantasie om een moeder te zijn?

Helen Verhoeven: Die reacties in de pers waren begrijpelijk. Het was een bewuste keuze om een conceptuele vraag te benadrukken: hoe kun je vandaag dat aloude, vaak ook religieuze thema van moeder en kind opnieuw uitbeelden? Tien jaar geleden waren dat thema en die titel best radicaal en onhip. Artistiek gezien was dat terrein een no go. Wat dat betreft is er onder invloed van nieuwe stromingen in het feminisme en na #MeToo veel veranderd.

D.R.: In die schilderijen stond meer op het spel dan een onderzoek naar clichés.

H.V.: Ik maakte de reeks ook niet tijdens, maar zowat aan het eind van een lange periode waarin we echt alles geprobeerd hebben om zwanger te worden – om te verwerken dat het mislukt was. Ik had geen zin om daarover te praten, uit schaamte en om de privacy van mij en mijn partner te beschermen.

D.R.: Waar gaat de reeks volgens jou over?

H.V.: Ik wilde in beeld brengen wat voor identiteit een moeder heeft of is, vanuit de zekerheid dat ik nooit moeder zou worden. Dat perspectief was zwaar, droevig en angstig. Het ging toen over de vraag hoe je jezelf als vrouw waardevol kunt voelen als je géén moeder wordt. Ik was tot die tijd gewend te bereiken wat ik wilde, als ik er maar hard genoeg voor werkte, en dat lukte hier gewoon niet meer. Alle controle was weg. Dat zit er allemaal in verwerkt. Je hoeft dat als schilder niet allemaal eerlijk te vertellen, laat staan meteen; je kunt er ook openingen naar het werk mee afsluiten.

D.R.: In hoeverre is die inhoud belangrijk, voor jou als kunstenaar, als schilder?

H.V.: Het is een drijfveer om ergens aan te beginnen. Maar het schilderen, als proces, en het schilderij, als ding, gaan uiteindelijk over iets anders dan die ‘inhoud’ en worden universeler. Voor mij – maar dat zal voor elke kunstenaar anders zijn – is dat vaak een emotioneel onderwerp, waar ik in wil wroeten, waar ik uit wil komen.

D.R.: Je hebt tijdens je tijd in de VS een paar jaar in een abortuskliniek gewerkt. Speelde die ervaring mee bij het maken van de reeks?

H.V.: Die ervaring speelt mee in bijna al mijn werk, zeker nu het Amerikaanse Hooggerechtshof Roe versus Wade heeft geschrapt. Ik heb er destijds direct werk over gemaakt: ik maakte kleine lichaamsdeeltjes uit was en legde ze op glasplaten met een lamp eronder. Sommige mensen werden boos, omdat ze het als een antiabortusstatement zagen, terwijl het eerder een zo eerlijk mogelijke representatie was van het werk dat ik daar deed: we moesten foetusdeeltjes verzamelen en opmeten, om te zien of een abortus compleet was en om te weten hoe oud de foetus was. Dat was zeer confronterend werk.

D.R.: Hoewel abortus in de wet verankerd was, speelt schaamte altijd een rol in het afbreken van een zwangerschap.

H.V.: Schaamte én droefenis. Er was ook een element van gevaar. Antiabortusactivisten hadden aanslagen op abortusklinieken gepleegd. Die spanning was voelbaar. De kliniek bevond zich in een arme buurt in Oakland, waar ook vrouwen kwamen die elders niet geholpen konden worden. Ik herinner me een meisje, een kind nog, met op haar buik een piemel getatoeëerd. Hoe ouder ik word, hoe erger dat beeld wordt.

D.R.: Waarom werkte je, als student beeldende kunst, in die kliniek?

H.V.: Ik had een abortus gehad op mijn achttiende. Dat was heel zwaar en complex. Ik weet het nog goed: in de week dat ik ontdekte dat ik zwanger was, overleed mijn oma, de enige grootouder die ik nog had. Het leek of de ene generatie wegging en de andere logischerwijs zou komen. Mijn vriendje wilde het graag houden, die legde dan een hand op mijn buik en had het over ‘onze baby’. Dat was ontzettend moeilijk, dramatisch zelfs. Ik ging naar Nederland voor de begrafenis én voor een abortus. Na afloop van die ingreep herinnerde ik me daar niets van. Ik dacht dat het zo zwaar was geweest dat ik alles had onderdrukt, dus toen ik jaren later hoorde dat ze vrijwilligers in een kliniek zochten, dacht ik: misschien kan ik alsnog die psychische blokkade opheffen. Pas toen ik een vriendin die een abortus onderging vergezelde, naar dezelfde kliniek waar ik zelf mijn abortus had, zag ik dat ze je daar een roesje geven, zodat je je niets herinnert.

D.R.: Je zat destijds op het San Francisco Art Institute.

H.V.: Ik vond de opleiding daar een beetje saai en te beperkt, dus ging ik wetenschapsvakken volgen aan de State University, waarvoor we onder meer lijken moesten ontleden. Ik was op zoek naar uitersten, naar confronterende ervaringen. Uit een geloof, dat ik niet per se kinderachtig wil noemen, alhoewel ik er inmiddels afstand van heb genomen, dat wat erg is meer ‘waarheid’ bevat.

D.R.: Over waarheid gesproken: wat opvalt is dat je niet bang bent, zoals kunstenaars uit een vorige generatie wellicht zouden zijn, om je figuratieve werk, dat natuurlijk ook abstracte aspecten heeft, te ‘vervuilen’ met biografische inhoud.

H.V.: ‘Vervuilen’ zou ik dat nooit noemen. Ik zie het eerder als een van de lagen in zo’n werk of reeks. Wat dat betreft ben ik geen minimalist of purist. Ik geloof niet in één waarheid, misschien ook omdat ik in verschillende culturen en talen leef. Iets of iemand kan altijd meerdere dingen tegelijk zijn. En dat geldt bij uitstek voor kunstwerken. Een boek raakt toch ook niet verpest als je als auteur over de aanleiding spreekt?

D.R.: Het verschil tussen een boek en een schilderij is dat het laatste meestal zonder woorden wordt gemaakt.

H.V.: Er zijn altijd verschillende reacties op kunstwerken: cerebraal, emotioneel, esthetisch. Als ik praat over mijn werk, dan is dat vooral zoekend, al was het om zelf te achterhalen hoe ik werk. Ik streef ernaar eerlijk en genereus te zijn. Al zie ik heus wel het risico dat je dingen gaat vastleggen, of meer algemeen, dat je de indruk wekt dat je zelf wel weet waar het over gaat.

D.R.: Ik ben de laatste om te zeggen dat een kunstervaring woordeloos zou moeten blijven.

H.V.: Er is een deel waar lastiger over te spreken valt, het intuïtieve, abstracte aspect van schilderen. Dat aspect streef ik na en ik bewonder het ook in het werk van anderen. Dat is het verslavende aan schilderen, het sleurt je mee en het leidt tot onvoorstelbare meervoudigheid. Een kwaststreek kan meerdere dingen tegelijk doen en zijn.

 

Zelfportretten

D.R.: Je hebt steeds in reeksen gewerkt, sinds je eerste solotentoonstelling in New York in 2004 en je verblijf aan de Rijksacademie van 2005 tot 2006. Het valt op dat elk van die reeksen sterk verschilt van de voorgaande. De schilderijen uit Mother zijn bijvoorbeeld kleiner, ingetogener en persoonlijker dan de Stage Disasters uit 2012.

H.V.: Dat ik graag in het meervoud werk, is om meer vrijheid te hebben en makkelijker te schilderen. Ik heb een paar keer enkelvoudig werk gemaakt, en dan moet het meteen perfect zijn. Ik heb het gevoel dat ik dan maar één kans heb om het goed te doen. Dat veroorzaakt veel spanning, als een soort podiumangst. In mijn werk is het mogelijk om met één foute beslissing een doek te verpesten. Dat is emotioneel slopend: dan heb je heel hard gewerkt en op het eind sta je met lege handen. Als ik nog andere schilderijen in de studio heb, biedt dat meer houvast. Het stelt me in staat om meer risico’s te nemen.

D.R.: En tussen die reeksen verandert de beeldtaal.

H.V.: Dat is een natuurlijke manier van werken. Als je het ene hebt gedaan, wil je het andere doen. Ik probeer altijd ‘breder’ te worden, alles van mezelf te mogen én vervolgens te kunnen. Soms slaat het als pendule van links naar rechts door, van grof naar fijn, en van druk naar rustiger.

D.R.: Hoe ging dat concreet, van Stage Disasters naar Mother?

H.V.: Ik maakte Stage Disasters in Berlijn voor een tentoonstelling in New York. In diezelfde tijd kreeg ik de Wolvecampprijs, waar ook een tentoonstelling aan vastzat, én ik maakte werk voor de solo Part Pretty in Schunck, waar Stijn Huyts toen directeur was. Al dat werk was groot, en er zat beweging en tempo in. Het was gewoon heel druk, niet in de laatste plaats in mijn hoofd. Daarna ben ik naar Los Angeles gegaan, zonder mijn man, en daar ging ik in een atelier in Chinatown werken. Ik was alleen, in mezelf gekeerd, had meer tijd en bestelde veel kleinere doeken om op te werken. Mijn leven was heel gefocust. Ik was daar oorspronkelijk naartoe gegaan voor een medische behandeling om zwanger te worden, en was er langer gebleven nadat het allemaal niet was gelukt. Ik had toen mijn vaste pianolessen, deed veel yoga en werkte lange uren in mijn atelier. Het was een geconcentreerd en gedisciplineerd leven, en dat maakt het werk rustig.

D.R.: De kleurstelling is ook veranderd.

H.V.: Normaal gesproken werk je als schilder op basis van de primaire kleuren rood, blauw en geel, en vervolgens meng je. Zelf laat ik graag een van deze kleuren weg, maar toch blijven ze met z’n drieën de ‘bouwblokken’ van mijn schilderijen. Hier was dat anders: in Mother kregen de secundaire kleuren de hoofdrol. Ik werkte veel met sap green, een militair soort groen, alsof je een veeg gras op je kleren of huid krijgt, en met oranje en paars – Egyptian purple, dat zich als een olievlek verspreidde. Gaandeweg krijg je dan door dat je palet verschuift, dat je verliefd geworden bent op die ene kleur, dat je steeds terug naar de winkel moet omdat je er meer van nodig hebt. In de jaren dat ik zwanger wilde worden, had ik om gezondheidsredenen voornamelijk met acryl gewerkt, maar Mother kon ik weer met olieverf en terpentijn maken.

D.R.: Technische beslissingen, terug te voeren op zeer persoonlijke omstandigheden.

H.V.: Acryl en olie werken op een verschillende manier, en beide materialen zijn deel van mijn praktijk geworden. Ik had een aantal jaren daarvoor ook reeksen in zwart-wit geschilderd, maar met Mother kwam ik echt terug bij kleur. Ineens begreep ik de value ervan veel beter, juist omdat ik kleur een paar jaar weg had gelaten.

D.R.: Bedoel je dan de achtergrond, met veel bonte tapijten en veelkleurige kleden, die, aldus een kunstcriticus destijds, het clichématige van het concept moederschap versterkte?

H.V.: Die tapijten waren vrij donker. Het heeft eerder te maken met hoe ik mijn kleuren mengde, hoe ik met licht en donker omging. Die kleden waren trouwens geen allusie op een bepaalde troop of zo. Ik weet eerlijk gezegd niet meer waarom ik ze daar afbeeldde!

D.R.: Probeerde je in dit werk de controle los te laten? Juist omdat je, zoals je zei, in Los Angeles zo’n gedisciplineerd, prettig routineus en solitair bestaan leidde?

H.V.: Nee, het was best doelgericht. Ondertussen ben ik er wel achter dat ik twee ‘methodes’ hanteer. In het ene geval, zoals bij Mother, werk ik bewust naar een eindpunt toe. Op het einde kun je dan bij wijze van spreken de film terugspoelen en zie je het schilderij langzaam en duidelijk ontstaan. In het andere geval lijkt alles op elk moment mogelijk, en dan verbreedt de tijd zich als het ware: elke kwaststreek kan een nieuwe wending betekenen, wat een erg vermoeiende manier van werken is. Daar moet ik echt veel zelfvertrouwen voor hebben, want dan zit je haast als in een storm te werken.

D.R.: Een wijsheid van het metier: je hebt zelf dat inzicht in je manier van werken.

H.V.: Zo helder is het waarschijnlijk nooit echt in de praktijk. Het heeft ook met de kwaliteit van de voorstudies te maken. Als ik denk dat die goed zijn, dan blijf ik er vaak bij, terwijl je soms vanuit een slechte voorstudie, of zelfs zonder voorstudie, uit kunt komen bij iets wat je niet kende of verwachtte. Dat schema helpt in ieder geval om al werkend niet in een swamp van zelftwijfel te belanden, waarbij je denkt: het is allemaal klote wat ik maak. Of dat je denkt dat het slechtste wat je ooit hebt gemaakt gelijkstaat aan wie je bent. Terwijl juist zelfvertrouwen zo belangrijk is om goed werk te kunnen maken.

D.R.: In Mother is er één figuur, een meisje of jonge vrouw met zwaar opgemaakte ogen en uitgelopen mascara, die twee keer terugkomt. De ene keer is ze afgebeeld met een oudere vrouw, mogelijk haar moeder, de andere keer staat ze daar, in roze onderbroek, met een baby’tje in haar hand. Zou je dat portret, of eigenlijk de hele reeks, in het genre van het zelfportret kunnen vatten?

H.V.: Nee én ja. Niet zo lang geleden vroeg Bart Rutten van het Centraal Museum of een doek uit de reeks Cosmic Nudes in een zelfportrettententoonstelling mocht worden getoond. Mijn eerste reactie was: nee, dat is niet hoe ik mezelf zie of wil zien! Later bedacht ik me dat ik mijn persoonlijkheid en psychologie op die figuren heb losgelaten. Die figuur in Mother wijst er ook op dat je nu eenmaal verschillende rollen aanneemt in verschillende situaties en tegenover andere mensen. Soms kom ik aspecten van mijn eigen gezicht of dat van mijn zus tegen, en dan ik denk: ha, daar is ze weer!

D.R.: Je schildert nooit bestaande beelden of personen na?

H.V.: Als ik werk met anonieme fotoreferenties maak ik het liefst één figuur uit minstens vijf figuren. Tenzij het een foto is die ik zelf heb gemaakt, wil ik niet zomaar bestaande beelden naschilderen. Ik ontleen liever niet de kracht van een werk aan de compositie of het kader van iemand anders – dat heeft met respect te maken, en ook wel met angst voor plagiaat. De losse en wat grove penseelstreek die ik hanteerde was ook bedoeld om een filter aan te brengen en referenties te verhullen, om weg te komen van de werkelijkheid. In de reeks Mother heb ik bewust van tevoren de figuren samengesteld uit meerdere personen, om mezelf de kans te geven fijner te schilderen, zonder dat filter. Dat heeft de beeldtaal veranderd.

D.R.: De doeken zijn inderdaad helderder, figuratiever en fijner.

H.V.: Die losse toets als filter voelde langzamerhand beperkend. En door dat kleinere formaat kon ik ook in een rustiger, bijna meditatief tempo werken, terwijl die heel grote schilderijen echt altijd als een battle voelen, een lichamelijk gevecht.

D.R.: Je begon te schilderen in de tijd dat Photoshop opkwam. In je jaren op de Rijksacademie ben je provisorische kijkdozen gaan bouwen, om je figuren paradoxaal genoeg ‘platter’, minder fotografisch te schilderen. Heb je die kijkdozen ook voor Mother gebruikt?

H.V.: Ik werkte voornamelijk met collages. Ik moest eerst op gang komen in dat nieuwe atelier en heb veel referentiemateriaal van gezichten verzameld, uitgeprint en uitgeknipt. Door dat ouderwetse knippen gaat er soms iets fout, en dat is juist een belangrijk creatief moment. Ik knipte honderden ogen, monden en neuzen uit en begon te schuiven. Eerst kregen de figuren vorm, daarna pas kwam er een context bij. Soms werk ik andersom, met een omgeving waarin figuren komen te liggen of staan, maar hier dus niet. Er ontstonden ongeveer twintig vrouwen, sommigen kregen baby’s, anderen niet.

D.R.: Zijn die baby’s gebaseerd op echte baby’s of op poppen?

H.V.: Allebei. Het ging aanvankelijk om de worst- en bestcasescenario’s van het moederschap. Alsof het een beslissing was die je rationeel kunt afwegen. Ik wilde het graag, maar was natuurlijk ook bang. Sommige schilderijen werden echt onaangenaam, ze zijn niet allemaal in de serie terechtgekomen.

D.R.: Heb je de werken die buiten de serie vielen bewaard?

H.V.: Er staan er nog een paar in L.A. en sommige zijn terechtgekomen in de parallelle serie The Waiting, die ik maakte voor galerie Parisa Kind in Frankfurt.

D.R.: Ook in The Waiting zie je vrouwen in een huiselijke setting van bedden, banken en kleden wachten: op de geboorte van een kind, of als kind, met een pop of kind op schoot. Op één schilderij, The Waiting 8, zie je drie vrouwen of meisjes in kleurige onderbroeken en bij een van hen is het lichaam uit elkaar gevallen. Je zou kunnen denken: na de bevalling.

H.V.: Die meisjes zijn eerder puberaal, denk ik. Zwanger worden is net zo’n fase van lichamelijke verandering als de puberteit of de overgang – het ongemak als je lichaam verandert, ongeacht of je daar zelf aan toe bent of het begrijpt, terwijl het heel zichtbaar wordt voor anderen. Daar speelt het thema schaamte mee, zoals steeds in mijn werk: hoe ongemakkelijk mensen zich in hun lichamen voelen.

D.R.: The Waiting ging over het wachten op verandering, meer bepaald tijdens de zwangerschap.

H.V.: Dat thema heb ik in de press release niet benoemd. In dat jaar nam ik een hondje, Tony, een adoptiehondje uit het asiel in L.A., om me te troosten dat het niet gelukt was.

D.R.: Maar het lukte uiteindelijk wel.

H.V.: Ik wil er niet te veel waarde aan hechten, en ik vind het zéér irritant als mensen zeggen: ‘O, je moet je gewoon ontspannen.’ Feit is dat ik in die maand van de presentatie van Mother zwanger werd.

 

X-rated

D.R.: In een korte tv-documentaire uit de reeks Hollandse Meesters, gemaakt door Astrid Bussink, stel je jezelf, zichtbaar zwanger, de vraag wat het moederschap met je werk zal doen. Zou je nog de nodige risico’s durven te nemen? Je leek daar ongerust over.

H.V.: Waar ik het eerst interessant vond om de engste beelden te verzinnen, had ik dat tijdens en na de zwangerschap veel minder, alsof ik, in een vorm van magisch denken, bang was dat wat ik verbeeldde waar zou worden. Maar wat een grotere rol ging spelen – en daar had ik nooit bij stilgestaan – was dat ik moest beslissen wat mijn kinderen beter niet zouden zien, omdat ze te jong waren. Op een gegeven moment heb ik een deel van mijn atelier afgescheiden, daar hing zeg maar het X-rated werk, dat agressief, seksueel of te moeilijk zou kunnen zijn.

D.R.: Probleem opgelost.

H.V.: Ja, maar dan ging ik weer denken: achter dat gordijn heerst de vrijheid en hier de censuur. Soms kan een beeld gewoon ‘te moeilijk’ zijn voor kinderen. Ik heb pas een schilderij in Berlijn getoond, een soort van wederopstanding of Laatste Oordeel, met van stomazakjes voorziene mannen die uit de grond klimmen. Dat is niet grof of gewelddadig, maar wel lastig uit te leggen, trouwens niet alleen aan kinderen. Mijn man heeft wel eens gezegd, bij een reeks over Judith en Holofernes, met een afgehakt hoofd, dat ze zulke beelden heus wel vaker zien, maar dat die dan niet door hun moeder gemaakt zijn.

D.R.: In 2018 maakte je de reeks Oh God. Het zijn variaties op schilderijen uit de collectie van het Bonnefanten, onder meer Diana ontdekt de zwangerschap van Callisto (1599) van Hendrick Goltzius en de Herbergscène met de verloren zoon (1540-1545) van een onbekende meester. Dat zijn dreigende beelden, met veel naakt.

H.V.: Toen mijn oudste die werken in mijn atelier zag, vond hij ze niet interessant, maar twee jaar later in het museum had hij plots allerlei vragen – ook vragen die nooit goed te beantwoorden vallen. Bij mijn eerste kind vond ik het heel moeilijk om iets te vertellen over de dood. Hoe doe je dat?

D.R.: Juist de oudere, ‘originele’ schilderijen lijken niet zo sinister, onder meer door de lichte kleurstelling, doordat iedereen kleren aanheeft, en ook wel door de christelijke heilsboodschap.

H.V.: Ik ben aan Oh God begonnen met de wens meer diagonaal werk te maken, omdat ik het gevoel had dat mijn werk voornamelijk horizontaal en verticaal was geweest. Ik had behoefte aan meer dynamiek en daar lette ik op bij het kiezen van de schilderijen. Tegelijk zocht ik naar beelden die me raakten of verontrustten, en waar ik de impliciete inhoud kon versterken of omdraaien.

D.R.: Waarom zijn alle figuren naakt?

H.V.: In de maquettes had ik de figuren aanvankelijk naakt gelaten – ik zou ze op het laatst aankleden. Maar moesten ze dan kleren aan uit de tijd waarin het verhaal zich afspeelde, de periode waarin het werk geschilderd was, of eerder eigentijdse kledij? Ik kwam daar niet uit en vermoedde ook dat kleding het humanistische, universele aspect zou wegnemen. In het geval van De overspelige vrouw was die naaktheid thematisch belangrijk. In het oorspronkelijke werk zie je de borst van een ‘zondige’ vrouw – slut shaming avant la lettre. En die Herbergscène is al evenmin onschuldig. Als je goed kijkt is het een bordeel, en daar zit gewoon een kindje bij. Ik heb het ongemakkelijke van die combinatie in mijn versie benadrukt door de seksualiteit expliciet te tonen.

D.R.: Heb je dat uit moralistische overwegingen gedaan?

H.V.: Ik merk dat ik meteen heel hard ‘nee’ wil zeggen, ik heb het moeilijk met dat woord. Dat werk heeft iets van een nachtmerrie, denk ik, wat niet meteen een kwestie van goed of fout hoeft te zijn.

 

Ontsnappingsmogelijkheid

D.R.: In 2019 maakte je de reeks Schamerkat, met onder meer glas-in-lood en een stop-motionfilm, maar ook het schilderij Birthing Ape.

H.V.: Ik had dat jaar de ABN AMRO Kunstprijs gewonnen en kreeg de mogelijkheid in de Hermitage Amsterdam een tentoonstelling samen te stellen die toevallig samenviel met hun jubileumtentoonstelling, waarvoor ze beschikten over de meest diverse stukken uit Sint-Petersburg: van wapens en muntstukken tot de schilderijen van oude meesters en de Venus van Kostjonki. Die tentoonstelling was zo ontzettend breed dat ik eenzelfde bandbreedte wilde uitproberen, bijvoorbeeld door met materiaal en ideeën te werken die tot dan toe geen deel uitmaakten van mijn praktijk. En om te zien of daar toch een lijn in viel aan te brengen.

D.R.: Waarom de naam Schamerkat?

H.V.: Die Hermitage-expo had oorspronkelijk de naam Eternal Beauty. Dat legde de nadruk op de menselijke, universele tendens om mooie voorwerpen te maken, en later werd dat De schatkamer. Dat ging meer om verzamelen, maar het had ook een koloniale connotatie. Ik besprak het met mijn zus en hoorde mezelf ‘Schamerkat’ zeggen, een verspreking. Juist dat neologisme, waar je ‘schaamte’ en ‘schemer’ in hoort, sloot goed aan bij mijn werk, en benadrukte het verschil met een schatkamer.

D.R.: Op Birthing Ape zien we in een duistere operatiezaal een vijftal handen naar een wijdbeens liggende, barende vrouw reiken die een apengezicht heeft.

H.V.: In dat schilderij komen twee afzonderlijke herinneringsbeelden samen die ik altijd al wilde schilderen. Ongeveer zestien jaar geleden werd ik door een vriendin gevraagd om als doula te helpen bij de geboorte van haar zoon en om die geboorte meteen te documenteren. Een deel van de avond stond ik daar bij wijze van spreken tussen haar benen te fotograferen. Er was één foto, vlak na de geboorte, toen de placenta nog op tafel lag, heel bloederig allemaal, van die vriendin en haar man. Ze hielden elkaar vast en zoenden heel innig en intiem. Dat was een van de beste foto’s die ik ooit heb gemaakt. Alles zat erin: het geweld van de geboorte, de liefde voor elkaar, de gelijktijdigheid van alles. In het vliegtuig naar huis – ik woonde toen in New York – heb ik op mijn toestel zo vaak naar dat beeld gekeken, ook om er een schets van te maken, dat de geheugenkaart op de een of andere manier kapot is gegaan. Ik heb nog geprobeerd die fotoreeks terug te halen, maar tevergeefs. Een ontzettend verlies, en eerst dacht ik nog het beeld uit mijn hoofd na te kunnen schilderen, maar dat werkte gewoon niet.

D.R.: Wat was het tweede beeld?

H.V.: Een foto van orang-oetangs die werden gebruikt als seksslaven. Ze werden volledig geschoren, zodat ze er gingen uitzien als vrouwen, en vastgebonden aan een bed. Ik raakte daar ontzettend door gedeprimeerd, het was zo walgelijk en tegelijk moest je er wel naar kijken. Ook dat heb ik destijds proberen te schilderen, maar het resultaat werd te anekdotisch. De oorspronkelijke foto’s waren machtiger en veelzeggender dan het beeld als schilderij ooit zou kunnen zijn.

D.R.: Wat is voor jou het verschil tussen fotograferen en schilderen?

H.V.: Ik weet natuurlijk dat het ‘fout’ is te spreken van een verschil tussen ‘echt’ en ‘niet echt’, want schilderijen kunnen heel waar zijn en foto’s zijn altijd geconstrueerd. Maar er zijn momenten, en het toeval speelt dan een grote rol, die je alleen in documentairefotografie vastlegt. Dat kun je in een schilderij proberen na te doen, maar dan wordt het bedacht en theatraal.

D.R.: Toch heb je, als jonge kunstenaar, voor schilderen gekozen. Wist je zeker dat je iets had toe te voegen aan de traditie?

H.V.: Ik geloof niet dat ik ben gaan schilderen om iets toe te voegen aan welke traditie dan ook, nog steeds niet eigenlijk. Het gaat me om de ervaring zelf – dat ik die zelf doorleef. Misschien kan ik het uitleggen met een anekdote. Vroeger wilde ik veel reizen, naar India, naar Azië, en mijn vader zei dan: ‘Kijk gewoon naar Lawrence of Arabia, dan zie je vreemde culturen en zit je comfortabel thuis.’ Maar ik wilde de warme wind in mijn gezicht voelen, ik wilde mezelf kwijtraken op vreemde continenten.

D.R.: Je wilt dus meer dan alleen een machtig beeld afleveren.

H.V.: Zelfs als een schilderij er binnen een kwartier goed uitziet, wat soms gebeurt, vind ik het moeilijk om het ‘af’ te noemen, omdat ik het nog niet echt doorleefd heb. Het gaat me om de strijd, de problemen en mogelijke oplossingen die je tegenkomt – om er zelf iets van te leren, en ook wel om iets uit te drijven, als een exorcisme. Ik neem me niet voor om de geschiedenis van de schilderkunst naar mijn hand te zetten. Als er zich iets bijzonders voordoet in mijn werk, is dat omdat ik het laat gebeuren: een vorm van toeval, van mazzel.

D.R.: Als ik kijk naar Birthing Ape valt de compositie van het licht op. Je hebt in een interview met Maria Barnas gezegd dat je werk niet abstract is, maar je verhouding tot licht, kleur en duisternis op een fundamenteel niveau wel. Wat voegt het licht in dit werk toe?

H.V.: Allereerst gaat dat contrast tussen licht en donker terug op mijn eigen ervaring met bevallingen, of meer algemeen: met ingrepen aan intieme lichaamsdelen. Het enge ervan is dat je in een vrij donkere kamer ligt, waarin alles buiten je controle gebeurt, en je volledig bent blootgesteld aan een felle lamp en de blikken van wildvreemden.

D.R.: Op de achtergrond is er nog een lichtend vlak – een raam?

H.V.: Fel licht gebruik ik vaak als rustpunt en als ontsnappingsmogelijkheid. De voorgrond is agressief, confronterend, en daarachter is er dan dat ene lichtpunt. Ik denk dat het op heel akelige momenten zo werkt in mijn hoofd: dat er een licht aangaat waardoor het mogelijk wordt van mezelf weg te komen, als een copingmechanisme. Mijn vader zei vroeger dat het bij enge films helpt om je te concentreren op de editing – op de techniek die het horroreffect teweegbrengt. Het is een methode die ik toepas als ik het in een bioscoopzaal te spannend of te droevig vind. Of ik ga naar het groene lampje van de nooduitgang staren.

D.R.: Het oplichtende vlak is als een nooduitgang.

H.V.: Een van de meest fysieke ervaringen bij het schilderen is de confrontatie met een felwit vlak in het doek, dat openblijft terwijl je de rest dicht schildert. Het ontstaat door niets te doen. Dat wit brandt in je oog en wast alle andere beelden weg, als in een religieuze ervaring, iets wat je overdondert en waar je je aan overgeeft.

D.R.: Als je naar de voorgrond kijkt, lijken de blauwe handen en polsen tussen de benen van de vrouw bijna aan het schilderen te zijn. Dat blauw zit ook aan de binnenzijde van haar dij.

H.V.: Dat is wat ik bedoelde toen ik zei dat in een schilderij iets meerdere dingen tegelijk kan zijn, bijvoorbeeld én een hand én een abstracte klodder verf. Het rauwe van dat primitieve handwerk staat me aan, die oerconcentratie, niet eens zo verschillend van de vroegste kunst, toen mensen duizenden jaren geleden figuren op grotwanden aanbrachten. En ondanks de ontwikkeling van ons materiaal, werken schilders nog altijd met wat haar, olie en pigmenten.

D.R.: Een schilderij over schilderen dus.

H.V.: En tegelijk wordt daar heel duidelijk iets uit een vagina getrokken, het druipt, en de vrouw heeft een vertrokken, aapachtig gezicht. Is dit een tedere of een agressieve ingreep? Helpen ze haar of doen ze haar pijn?

D.R.: Is het relevant dat de staande figuren zonder uitzondering vrouw lijken te zijn?

H.V.: Het zijn vrouwen, dat denk ik ook, en dat is zowel werkelijkheidsgetrouw als relevant. Ondertussen worden er meer vrouwen dan mannen tot arts opgeleid, en je zou kunnen redeneren dat bevallen weer als een oeroud, vrouwelijk gebeuren wordt afgebeeld. Een schilderij waarop mannen een vrouw agressief ‘behandelen’ levert ook een ander beeld op dan als dat louter vrouwen zijn. Daar heb ik in de reeks Oh God bewust op gevarieerd. In De overspelige vrouw zijn het mannen die een vrouw willen vernietigen, terwijl het in Diana ontdekt de zwangerschap van Callisto juist vrouwen zijn die haar beschuldigen.

 

Vaders en moeders

D.R.: Heb je zelf vaders en moeders in de kunsten? Thematisch zou Mother te verbinden zijn met Marlene Dumas, met name haar portret van een zwangere vrouw (Pregnant Image, 1988-1990) of de zeer grote schilderijen van welhaast monsterlijke zuigelingen (The First People, 1990).

H.V.: Ik zag haar werk voor het eerst in 2002 in het New Museum in New York. Ik zat op de kunstacademie en plaatste haar werk in de traditie van Lucian Freud en Francis Bacon, waar het lichaam als fragiel, aantrekkelijk én walgelijk verschijnt. Er zijn raakvlakken tussen het werk van Dumas en dat van mijzelf, qua onderwerp en psychologische lading, maar het is eerder zo dat mensen je als figuratief kunstenaar al snel met haar vergelijken, omdat ze nu eenmaal de belangrijkste schilder is in Nederland.

D.R.: Je zei dat het moederschap een no go was in de jaren negentig, maar tegelijk maakte Dumas die reuzenbaby’s.

H.V.: Haar babyschilderijen interpreteer ik niet meteen in het kader van het moederschap. Doordat ze zo groot en beeldvullend zijn, doen ze me eerder denken aan haar portretten. Je zou op dezelfde manier pasgeboren hamsters kunnen portretteren. Het lijkt te gaan om de vraag: wat is een mens? En er zijn natuurlijk andere kunstenaars en schilders geweest die rond de eeuwwisseling met het moederthema bezig waren, Chantal Joffe bijvoorbeeld. Ik wilde niet zeggen dat ik radicaal nieuw gebied heb aangeboord, eerder dat het onderwerp destijds als een taboe aanvoelde, ook voor mezelf.

D.R.: Zijn er kunstenaars die je beïnvloed hebben? Vooral bij schilders lijkt die rol vaak weggelegd voor een leraar aan de kunstacademie.

H.V.: Ik heb altijd vermeden me aan één leraar te hechten, al was het maar om geen epigoon te worden. Het leek me interessanter om mijn positie tussen acht verschillende schilders te bepalen. Dat was de opdracht die ik in San Francisco meekreeg: luister niet naar ons, doe je eigen ding! Toen heb ik trouwens het schilderen een tijd in de ijskast gezet, omdat het niet lukte, omdat ik vond dat ik het niet goed genoeg kon.

D.R.: Daarna bezocht je de New York Academy of Art.

H.V.: Eric Fischl was mijn vaste begeleider. Een enorm betrokken man en erg genereus. Hij werkte veel met lichteffecten, en zijn onderwerpen, heel Amerikaans, zitten een beetje in de taboesfeer. We schreven elkaar lange mails over het schilderen, hij heeft werk van me gekocht en me bij tentoonstellingen betrokken. En verder heb ik veel geleerd van Vincent Desiderio, een technisch zeer begaafde schilder. Hij heeft zijn zoon, die zijn hele leven al kampt met zware medische klachten, vanaf diens geboorte vaak geportretteerd. Daar spraken we over: hoe pak je zo’n moeilijk, intiem onderwerp aan, hoe ver kun je gaan? Zijn zoon wilde op een gegeven moment niet meer geschilderd worden.

D.R.: En je ouders? Lag het voor de hand dat je kunstenaar zou worden, als dochter van regisseur Paul Verhoeven?

H.V.: Ik heb lang gedacht aan een studie medicijnen of psychologie, wat mijn moeder, Martine Tours, heeft gestudeerd, voordat ze als violist ging werken. Je zou kunnen zeggen dat het ooit begonnen is in het jaar dat mijn vader als hobby wilde gaan schilderen. Hij had penselen, verf en een ezel gekocht, maar het kwam er niet van. Toen ben ik het maar gaan doen, hoewel ik bang was dat ik hem iets ontnam. Dat schilderen voelde meteen als een geestelijk zeer gezonde ontdekking. Ik maakte een moeilijke puberteit door. Ik was op mijn twaalfde naar Los Angeles verhuisd en was voortdurend bezig me aan te passen, aan die vreemde cultuur, aan klasgenoten. Al schilderend kon ik mezelf zijn. Ik trok me terug in mijn kamer en schilderde bekende schilderijen uit boeken na. Dat gaf me een gevoel van autonomie. Ik was altijd al erg geraakt als ik in een museum kwam. Nu leerde ik zien welke beslissingen een kunstenaar kan maken en kwam ik dicht in de buurt van hoe diegene dacht.

D.R.: Je ouders hadden er geen bezwaar tegen dat je naar de kunstacademie ging, vaak de opmaat voor een precair bestaan.

H.V.: Ik was helemaal niet geïnteresseerd in wat andere mensen, ook mijn ouders, daarvan vonden. Ik heb het ze niet gevraagd. Indertijd was ik aan de prestigieuze Brown University aangenomen, maar dat mocht ik niet combineren met een kunstschool. Dat was lastig om op te geven. Als ik nu een professoraat aan een kunstacademie overweeg, zou mijn vader eerder adviseren dat níét te doen, om genoeg tijd voor mijn werk over te houden. Hij is nooit gesteund door zijn vader, dus dat wil hij zelf anders doen.

D.R.: Je werk is in verband gebracht met de films van je vader, wat vaak niet meer dan het cliché ‘filmisch’ oplevert. Zou je kunnen zeggen dat jullie een fascinatie voor geweld en agressie delen?

H.V.: In interviews wordt mijn vader vaak gevraagd naar het gewelddadige van zijn films, en wat dan steeds terugkomt is dat hij de Tweede Wereldoorlog in Nederland als kind bewust heeft meegemaakt. Mijn zus, Claudia Verhoeven, is als historicus gespecialiseerd in politiek revolutionair geweld. In mijn werk speelt psychologische agressie een grote rol. We zijn zeker door de geweldsfascinatie van mijn vader gevormd, in secundaire zin: door al heel jong werk van hem te zien.

D.R.: Doel je op RoboCop? Ik zag die film uit 1987 als brugklasser en was onthutst door het inktzwarte toekomstscenario. De politie is volledig geprivatiseerd en uit de resten van een kapotgeschoten agent wordt een bionische crime fighter samengesteld.

H.V.: Als brugklasser kun je al veel dingen duiden. Ik was een stuk jonger toen ik films als Spetters, Soldaat van Oranje en Turks Fruit bekeek en ik begreep het geweld vaak niet, waarschijnlijk ook omdat het geregeld een politieke lading had. In Soldaat van Oranje wordt een man gemarteld door water met een slang in zijn anus te spuiten, in Spetters verkracht een groep mannen een andere man. Zelfs Floris, een jeugdserie nota bene, bevat beelden die ik niet aan mijn kinderen zou tonen.

 

Macht

D.R.: Een aparte tak in je oeuvre zijn de grote groepsportretten die je maakte voor de Nederlandse Hoge Raad in 2015 en voor de koninklijke familie (The Family, 2020). Hoe was het om aan schilderijen te werken waarvoor ‘het vaderland’ een beroep op je deed?

H.V.: The Family maakte ik voor de expositie Grensverkenners in het koninklijk paleis, bij het 150-jarige bestaan van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst. Het was geen opdracht van de koninklijke familie, ik heb eerder aan hen toestemming moeten vragen. Ik vond het een mooie kans om werk voor de troonzaal te maken, en een poging te wagen om me tot die oude, in zekere zin al beëindigde traditie van groepsportretten te verhouden.

D.R.: Toch weer een reeks.

H.V.: Samen met het werk voor de Hoge Raad, een recent werk over de kerk en een ziekenhuisproject dat ik nu van de grond probeer te krijgen, vormt het een serie over instituten. Zulk werk vraagt een totaal andere aanpak door al het onderzoek vooraf.

D.R.: Je levert geen expliciete kritiek op de monarchie en haar koloniale erfenis, maar je kunt stellen dat je, juist door te blijven kijken, ‘de naakte macht’ laat zien.

H.V.: De koninklijke familie toont natuurlijk haar macht en rijkdom door in de troonzaal te staan. In die zin is het de ultieme sociale bubbel. Ik heb nooit de behoefte om expliciet te zeggen: dit is goed of fout. Zij zijn door hun geboorte in die situatie terechtgekomen en fungeren nu als publieke, haast al niet meer menselijke, mythische figuren. Iedereen heeft een mening over ze – en toch zijn ze gewoon een familie. Zo wilde ik ze tonen, en laten zien welke tak van de familie de meeste macht heeft en welke minder, wie in de spotlights staat en wie niet.

D.R.: Was het een plezier om Willem-Alexander, Maxima en hun dochter Amalia na te schilderen, precies omdat zij, als clichés, zo vaak in beeld komen?

HV: Ik schilder helemaal niet graag portretten: ik raak gestrest doordat ze op iemand moeten ‘lijken’ en mensen zich erin gaan herkennen. Dat ontneemt me mijn vrijheid. Op zich is het raar dat ik zo’n groot doek met meer dan honderd portretjes wilde maken. Ze hoefden niet allemaal levensecht over te komen, soms is het dan belangrijk om minder informatie te geven, of te laten zien hoe ze zich voelen, of hoe twee zussen zich verhouden tot elkaar. Het plezier zit in de grote compositie, hoe je alles in balans krijgt. Het is een aanleiding om jezelf op een andere manier te laten werken en verschillende beeldtalen te combineren, bijvoorbeeld zowel nauwkeurig als grof te penselen.

D.R.: Heb je dat werk in je eigen atelier geschilderd?

H.V.: Ja. Met veel hulp van geschiedenisboeken en Google en Wikipedia voor de gezichten. En met dank aan familievriend en historicus Frits Boersma, die ik wel vaker raadpleeg wanneer ik verheldering nodig heb over Nederlandse geschiedenis.

D.R.: Ik moet denken aan Adolph Menzel, die in het Berlijnse Stadtschloß aan een groepsportret van de legendarische Frederik de Grote ging werken, in de verwachting dat de pas gekroonde Wilhelm I dat grote doek zou kopen. Toen dat niet gebeurde werd hij zo pissig dat hij het doek heeft verminkt.

H.V.: The Family komt in Paleis Het Loo te hangen, waar binnenkort een nieuwe vleugel onder de grond geopend wordt. Het is een autonoom museum, dus ze zijn geloof ik wel blij met een stuk in de collectie dat de koninklijke familie niet ‘representatief’ afbeeldt.

D.R.: Je kunt ook zeggen dat je je met dit werk, en met je schilderij van de Hoge Raad, in de traditie van de hofkunst plaatst. Spannend, want zulke kunst wordt vaak gelijkgesteld aan het buigen voor staatsmacht.

H.V.: De Hoge Raad liet me veel vrijheid bij die opdracht. Dat het decor door een rechtbank gevormd wordt, was mijn beslissing, en ook dat bovenaan de geschiedenis door historische schilderijen aanwezig wordt gesteld. In het midden zijn de rechters afgebeeld, en onderaan zie je tientallen figuren die de wereld en de maatschappij vertegenwoordigen. Uiteindelijk werd elk onderdeel gewogen en een paar dingen moesten veranderd worden. Zo wilden ze de rechters niet herkenbaar in beeld. En ze hadden maar één uitgesproken wens, namelijk dat er een beeld van Vrouwe Justitia bij geplaatst zou worden.

D.R.: Dat was alles?

H.V.: Nou, toen ik alle rechters opnieuw had geschetst, kwam de vraag: waarom zijn ze allemaal wit? Ze vonden het te weinig divers. Ik zei: ‘Maar jullie zijn toch allemaal wit! Dat zul je toch zelf moeten veranderen.’ Ik had geen zin in idealiserende propaganda, al heb ik er een moslima aan toegevoegd die aan de rand staat, ze moet nog een plek aan die lange tafel krijgen. Ze wilden graag meer vrouwen in beeld, en toen heb ik een procureur-generaal als vrouw afgebeeld, als suggestie, zeg maar, want die positie was toen nog nooit door een vrouw vervuld. Inmiddels hebben ze, sinds 2020, hun eerste vrouwelijke president. Verder had ik in een vroege versie een portret van Willem-Alexander opgenomen in het schilderij – zo’n portret hangt immers in elke rechtszaal – en zijn hoofd had ik perspectivisch afgesneden door een kroonluchter. Eerst vond men dat geestig, om de onafhankelijkheid van de Hoge Raad te benadrukken, later moest het onderlijf van Willem-Alexander er toch uit. Juist omdat ik altijd autonoom werk, vond ik al die eisen interessant. Door de beperkingen ga je andere, creatieve oplossingen zoeken. Ik ging me verdiepen in Willem I, II en II.

D.R.: Is dat onthoofden van een koning een politiek statement?

H.V.: Als je ‘statement’ zegt, moet ik denken aan Luc Tuymans, en hoe hij werk maakt over de Belgische koloniale geschiedenis en sowieso bij elk doek een zeer beladen onderwerp lijkt te kiezen. Het geeft mij het idee dat elk schilderij dan ook een boodschap heeft. Zelf werk ik niet met zulke heldere uitgangspunten, gewoon omdat ik weinig echt zeker weet.

D.R.: Het discours dat Tuymans ontplooit, is inderdaad indrukwekkend, op het intimiderende af.

H.V.: Ik heb er veel bewondering voor, en ik denk dat het noodzakelijk is voor een schilder om je werk, dat heel technisch is en in een lange, complexe traditie staat, te verbinden met thema’s die binnen de kunstwereld een ruimer publiek aanspreken, dus niet alleen de schilders. Maar ik weet nog dat ik Tuymans een keer hoorde praten, alweer vijftien jaar geleden, en verbaasd was doordat ik altijd had gedacht dat de kracht van zijn werk in de beelden school, door hem geschapen. In dat gesprek leek die kracht echter door de inhoud te worden bepaald, door de gekozen, beladen onderwerpen, van koloniaal Congo tot concentratiekampen. Ik vroeg me toen af: Is dat nodig om jezelf te legitimeren? Kun je een beeld voor zichzelf laten spreken?

D.R.: Dat was misschien wat ik eerder bedoelde toen ik het had over ‘vervuilen met inhoud’.

H.V.: Het is een oprechte vraag: zou je werk kunnen maken zonder expliciete inhoud, en zou het werk veranderen door die zware lading te verzwijgen?

D.R.: En de achterliggende vraag: hoe verhoudt de taal waarin we spreken zich tot het werk van hedendaagse figuratieve schilders?

H.V.: Sinds kort ben ik nieuwe softwareprogramma’s aan het uitproberen die nog in de testfase zitten, onder andere DALL-E – zo spreek je ‘Dalí’ op zijn Amerikaans uit. Met een grote database en kunstmatige intelligentie is het mogelijk fotografische, complexe composities samen te stellen op grond van wat je aan tekstopdrachten invoert. Interessant is dat het programma ongeveer werkt zoals ik: het stelt bijvoorbeeld menselijke gezichten samen uit onderdelen van bestaande gezichten.

D.R.: Wat leer je daar als schilder van?

H.V.: Als je verplicht wordt zo expliciet via taal te werken, word je je zeer bewust van je eigen werk. Of beter gezegd: het onderwerp komt op de voorgrond te staan. Toen ik ‘ik wil Maria een kind zien baren, en het publiek bestaat uit vrouwen’ invoerde, kwam het resultaat angstaanjagend dicht bij mijn eigen werk.

D.R.: Levert dat goede schilderijen op?

H.V.: Ik denk het wel. In ieder geval is het goed referentiemateriaal dat me enorm inspireert. Het gekke is dat juist de fouten en onhandigheden van deze ‘methode’ aansluiten bij mijn beeldtaal. Een bizarre ervaring, alsof de industrialisatie van de kunsten aanstaande is, inclusief, op het eerste gezicht, al mijn vaardigheden.

 

 

• Werk uit de reeks Mother van Helen Verhoeven is te zien in de tentoonstelling De Nieuwe Vrouw, tot 8 januari 2023, Singer Museum, Oude Drift 1, Laren.

Jozef Wouters

Decoratelier is geen collectief. De organisatievorm komt voort uit mijn werk, is er een logisch gevolg van. Decoratelier is een ruimte. Eerst was het een fictieve ruimte binnen een instituut: de KVS in Brussel. Omdat ik daar in 2016 Infini maakte, een samenwerking met zestien andere kunstenaars, had ik een andere ‘auteur’ nodig dan mijn eigen naam. Decoratelier was de oplossing. Nu ik sinds 2017 onder de vleugels van Damaged Goods werk, is Decoratelier een fysieke plek geworden in een oude fabriek in Molenbeek. Het fungeert als productieplek voor mijn eigen werk, maar ook als een open atelier dat werk, ruimte en ondersteuning geeft aan jonge kunstenaars en mensen uit de buurt.

Wat me het meest interesseert aan samenwerkingen is de dynamiek van de uitnodiging. Wie nodigt wie uit? Onder welke condities? In die eerste beweging wordt vaak al veel beslist. Rollen worden verdeeld en die geven vrijheid. Ik maak heel ander werk wanneer ik uitgenodigd word dan wanneer ik zelf uitnodig.

Ik voel me verbonden met andere kunstenaars die niet enkel hun werk willen maken, maar die ook willen nadenken over de manier waarop dat werk gemaakt wordt. De verdeling van credits en middelen is veel meer dan een contract dat op voorhand getekend moet worden. Het is deel van het werk en geeft er mee vorm aan. Elk project is een nieuwe onderhandeling en veroorzaakt een economie die groter is dan enkel geld, namelijk een complexe economie van aandacht, vertrouwen, loyaliteit en auteurschap.

Door elk proces heen loopt een zoektocht naar wie de auteur is. De auteur aan het begin is vaak niet dezelfde als die aan het eind. Wanneer ik een project initieer ben ik de eerste auteur maar tijdens het proces is er vaak een punt waarop het een andere auteur nodig heeft. De auteur van Infini werd zoals gezegd Decoratelier, maar bij Underneath Which Rivers Flow (2019) werd dat Decoratelier Jozef Wouters. In het eerste geval moest mijn naam verdwijnen opdat ik de samenwerkingen niet zou recupereren, in het laatste was het omgekeerd en zorgt mijn naam ervoor dat ik de eindverantwoordelijkheid niet ontloop.

In de wereld waarin ik werk, vormen verbinding en samenwerking de basis. In zo’n netwerk is het belangrijk en handig om verschillende namen te kunnen aannemen binnen diverse constellaties. Ik zou het benauwd krijgen als ik enkel mijn eigen naam zou kunnen gebruiken, enkel mijn eigen werk zou kunnen maken.

Het genie dat zijn of haar werk alleen maakt, lijkt een fantasma dat nog slechts in de hoofden van enkele verzamelaars van beeldende kunst bestaat. Ik begrijp dat niet goed. Hoe komt het dat een filmproject erin slaagt om tot in detail te vermelden wie wat heeft bijgedragen, maar dat er op de grote ramen van musea vaak maar plaats is voor één naam?

 

Jozef Wouters (1986) is scenograaf en theatermaker in Brussel. Vanuit Decoratelier in Molenbeek initieert hij projecten en artistieke samenwerkingen. Sinds 2017 is hij autonoom kunstenaar in residentie bij Meg Stuart/Damaged Goods. In 2019 mocht hij voor Decoratelier een Vlaamse Cultuurprijs (Ultima) in ontvangst nemen.

Cecilia Vallejos & Matthijs de Bruijne

Het kan zijn dat de meeste kunstwerken niet door één persoon tot stand gebracht worden, maar betekent dit dan dat elk werk van een kunstenaar het resultaat van een samenwerking is? Voor ons zijn er voorwaarden om überhaupt van een samenwerking te kunnen spreken. Denk aan het bewustzijn van de context waarin je werkt, het delen van een doel met een ander of een belofte die gedaan is. In ieder geval is samenwerken geen werkmodel, een methode die we systematisch kunnen reproduceren. Wat nodig is voor een samenwerking is het samenvoegen van specifieke kennis en vaardigheden, het bijeenbrengen van elkaar aanvullende invalshoeken, van jou en van die ander.

Onze langstdurende samenwerking is die met de schoonmakers die zich hebben verenigd in de Vakbond van Schoonmakers FNV – tegenwoordig FNV Schoonmaak. Aan het begin van deze eeuw was de Federatie Nederlandse Vakbeweging een logge en polderende reus. De afstand tussen de bestuurders en de leden was enorm en de arbeidsomstandigheden in Nederland verslechterden in die jaren. De Vakbond van Schoonmakers was een van de eerste bonden binnen de FNV die zich met behulp van organizing (een methode om werknemers, met name in de dienstensector, van onderop te organiseren en zo druk uit te oefenen op werkgevers) opnieuw heeft uitgevonden en weer een collectief van arbeiders is geworden, krachtig genoeg om de eigen arbeidsvoorwaarden te bepalen. Tijdens deze vernieuwing, die nog steeds grote invloed heeft op de ontwikkelingen van de andere bonden binnen de FNV, werden kunstenaars uitgenodigd om samen met de schoonmakers te werken aan hun verhalen en beelden.

In deze tien jaar durende samenwerking zijn er in 2010, 2012 en 2014 drie lange stakingen van schoonmakers geweest. Doordat tijdens die maandenlange stakingen treinen, stations, ministeries, scholen en kantoren niet schoongemaakt werden, kreeg de slogan van de schoonmakers, ‘Nooit meer onzichtbaar’, steeds meer betekenis. De schoonmakers en hun werk werden zichtbaar. Door zich te presenteren als een zelfbewuste voorhoede van de arbeidersklasse, die in staat was haar arbeidsomstandigheden te verbeteren, wonnen zij het respect van de Nederlandse samenleving. De inspanningen van deze relatief kleine groep schoonmakers gaven de FNV als beweging een nieuwe impuls.

Maar de verkregen zichtbaarheid van de schoonmakers staat in schril contrast met die van een specifieke groep binnen de Vakbond van Schoonmakers: de domestic workers. De arbeidsomstandigheden van deze huishoudelijk werkers verschillen fundamenteel van die van andere schoonmakers. Zij hebben geen standaardcontracten, noch de mogelijkheid tot een cao. Ze hebben geen toegang tot een ziektekostenverzekering of recht op vakantiedagen. Elk aspect van hun leven wordt bepaald door het feit dat zij in een onzichtbare sector van de Nederlandse economie werken, die gekarakteriseerd wordt door een grote groep ongedocumenteerde werkers. Deze sector had een andere strategie nodig om zichtbaar en erkend te worden.

Een werk dat deel uitmaakte van de campagne ‘100.000 Families Vertrouwen Ons’ was de video Work No Pay!. De campagne, die in oktober 2012 van start ging, was gericht op de regulering van huishoudelijk werk in Nederland en tegen de criminalisering van ongedocumenteerde werkers. Work No Pay! is een visuele allegorie die het dilemma weergeeft van veel Nederlandse gezinnen die deze werkers vertrouwen. Ze overhandigen hen de sleutels van hun huis, laten hun kinderen hele dagen met hen alleen, terwijl hun politici de domestic workers bestempelen als criminelen.

Gedurende de lente van 2012 veranderde in de avonduren de grote vergaderzaal van het FNV-kantoor in Amsterdam in een tijdelijke repetitiestudio. De domestic workers bespraken samen met kunstenaars hun dagelijkse arbeidservaringen. Ze visualiseerden deze gezamenlijk in korte scènes, in de vorm van een schimmenspel. Bij de opnamen van deze video waren vervolgens een beeldend kunstenaar, een illustrator en een dramaturg betrokken, én de huishoudelijk werkers die zichzelf speelden als anonieme silhouetten op een witte achtergrond.

Wij als kunstenaars brachten onze beeldende vaardigheden in en de domestic workers, vanuit hun invalshoek, de realiteit. De inhoud, de boodschap van de video Work No Pay!, werd vanaf het begin voornamelijk door hen bepaald. Daarnaast hadden de werkers ook invloed op de visualisering van de boodschap, zij vonden hun eigen methodes uit om te acteren en elkaar te regisseren. Voor ons als kunstenaars betekende dit een andere manier van werken, waarbij de grens tussen kunstenaar en werker voortdurend vervaagde. Het was een van de meest dynamische samenwerkingen in die tien jaar. Door de context en het specifieke doel werd deze video geen kunstwerk over huishoudelijk werk, maar een video met domestic workers voor een specifiek publiek: de politici van de Tweede Kamer. De eerste vertoning vond plaats in de gebouwen van de Tweede Kamer in Den Haag op 1 oktober 2012. ‘Over’ en ‘met’ zijn op het oog twee eenvoudige voorzetsels, maar in wezen zijn ze bepalend voor de rolverdeling in een samenwerking.

 

Dramaturg en onderzoeker Cecilia Vallejos (1969) en beeldend kunstenaar Matthijs de Bruijne (1967) werkten veelvuldig samen. Sinds 2019 delen ze een professoraat aan het Department of Visual Arts van de Kunsthochschule Kassel.

Dennis Tyfus

Tussen 2006 en 2017 werkte ik vaak samen met Vaast Colson. De samenwerking was altijd los-vast (wij waren nooit een uitgesproken kunstenaarsduo) en toch hadden we soms het gevoel dat ons eigen werk nog amper uitgevoerd kon worden, bijvoorbeeld omdat we bezig waren met het organiseren van een concert of een tentoonstelling in een van de ruimtes die we samen uitbaatten, zoals Gunther, Stadslimiet, Vansteensel & De Caigny Gallery en Pinkie Bowtie.

Ik kom waarschijnlijk niet met groot nieuws wanneer ik stel dat zowel een solitaire atelierpraktijk als een samenwerking in mijn persoonlijke ervaring voor- en nadelen met zich meebrengt. Beide manieren van werken zijn sinds het begin van mijn volwassen bestaan even belangrijk binnen mijn praktijk, maar de laatste jaren is er voor beide meer ruimte, door een duidelijke afbakening in de tijd.

Dankzij het paviljoen De Nor, dat ik samen met FVWW Architecten bouwde voor de groepstentoonstelling Experience Traps (2018) in het Middelheimmuseum in Antwerpen, keren mijn bezigheden elk jaar om: een solitaire, methodische (teken)praktijk wordt een zomerse, collectieve praktijk. De Nor is door het jaar te bekijken als onderdeel van de collectie van het Middelheimmuseum, maar van begin juni tot eind augustus wordt het paviljoen geactiveerd via wekelijkse concerten, performances, debatten, lezingen en presentaties allerhande. De Nor kan wat mij betreft enkel bestaan als de ruimte ook jaarlijks wordt geactiveerd. Voor de organisatie van deze wekelijkse luim kan ik rekenen op een ruime groep kennissen, zonder wie alles als een pudding in elkaar zou zakken: de artiesten op het podium, de technieker die ervoor zorgt dat er klank uit de luidsprekers galmt, de mensen die aan de deur tickets controleren, het barpersoneel en de medewerkers die het servies ophalen en afruimen in de ruime tuin rondom het paviljoen, de kok die voor de artiesten en het personeel kookt, en natuurlijk het publiek. Hoewel we geen vast collectief zijn, is het team medewerkers al jaren min of meer ongewijzigd.

Dit gezegd zijnde doe ik voor bijna al mijn werk, de tekeningen niet meegerekend, een beroep op derden. Ik heb moeten leren dat technische problemen of onmogelijkheden bijna altijd een oorspronkelijk idee in de weg zitten. Ik ben dit gaan zien als een deel van het werk, en als iets spannends. Door telkens met dezelfde mensen te werken voor het maken van sculpturen, geluidswerken, video’s en neonwerken, bepalen zij voor een deel mee hoe het werk eruitziet, omdat ik geregeld kom aanzetten met ideeën die onmogelijk uitvoerbaar blijken te zijn. Dat kan nadelig lijken, maar ik vind het net prettig dat je zo ook een soort toeschouwer wordt van je eigen werk. Het is een bijna psychedelische ervaring.

Het grootste voordeel van samenwerken is dat er meestal enorm veel plezier gemaakt kan worden: je steekt elkaar aan, en daaruit ontstaan nieuwe ideeën. Ik vergelijk het graag met een rondtrekkende band, zoals Beastie Boys. Wanneer ik hun muziek hoor, merk ik zonder uitzondering meteen hoe ongelooflijk veel plezier ervan afstraalt.

 

Dennis Tyfus (1979) is een Belgisch beeldend kunstenaar, muzikant, uitgever, radio-omroeper en applausmeter. Hij wordt vertegenwoordigd door Tim Van Laere Gallery in Antwerpen, waar hij begin dit jaar deelnam aan de groepstentoonstelling Swim the Mountain Climb the Sea, en waar tijdens de zomer van vorig jaar zijn solotentoonstelling Satellite of Lard te zien was. Op zaterdag 11 juni viert hij de vijfentwintigste verjaardag van uitgeverij en platenlabel Ultra Eczema, samen met de heropening van De Nor.

Nele Tas

Zelfportret zonder titel. Jezus. Ik sta voor de spiegel en kijk naar mezelf. ‘Ik’ schilder vervolgens ‘zelf’. Gehoorzaam als de schilder is aan de hedendaagse plicht tot zelfkennis en zelfinzicht. Oneigentijdse portretten.

1. Een eerlijk antwoord op je vraag? Vanaf het prille begin zoek ik samenwerking op. Het is wat ik wil: samen met iemand ‘iets doen’. Met anderen zijn. Maar ‘in het holst van de nacht’, voor het meest wezenlijke van mijn praktijk, ben ik helemaal alleen. Moet ik helemaal alleen zijn, helaas. Helaas? Ik weet het niet: het is een vaststelling, geen waardeoordeel. 2. Om vervolgens bij individueel auteurschap uit te komen. Deze keer écht helaas: de term ‘genie’ is in onbruik geraakt, individueel auteurschap in twijfel getrokken. Ik zou als vrouwelijke schilder ook wel graag even onder de hartverwarmende (en portemonneevullende) douche van de genialiteit willen staan. Even maar. Want vast staat dat ik dit werk vervaardigd heb, alleen. 3. Alleen…? Onzin! Ik ben geboren en opgevoed in een cultuur die haar ideeën hard gemaakt heeft in gebouwen, vormgegeven in objecten en neergeschreven in boeken en wetten. Die altijd – atheïst of alternatist – haar invloed uitoefent. Alles ademt: ‘ik besta al’. 4. Ik besta nog niet.’ Tijdens het schilderen probeer ik een opening te laten voor het onverwachte. Witruimte. Een schilderij is voor mij tegelijk een plek voor lampzwart en naakt doek. Een verzamelplaats voor ongecontroleerde afwijkingen, voor kleuren die zichzelf kiezen en voor nog maar eens een penseelstreek die ongewild wegglijdt. Voor leegtes, fouten, breuken. 5. En zo kan het gebeuren dat er ineens – uit het kruisen van het bekende en het onbekende – een Jezus uit mij komt. En dat het toch een zelfportret is. Jezus! Tegelijk icoon én popster van onze cultuur. Leesbaar en herkenbaar voor eenieder uit deze contreien.

5. Een eerlijk antwoord op je vraag? Vanaf het prille begin besef ik dat ik alleen ben. Het is ook wat ik wil: alleen zijn. Maar ‘in het holst van de nacht’, voor het meest wezenlijke van mijn praktijk, ben ik nooit alleen. Kán ik nooit helemaal alleen zijn. 4. Wanneer ik schilder, zit de wereld in mijn hoofd. Van individueel auteurschap is geen sprake. Ik ben deel van een ‘samen’ – of ik het nu wil of niet. Neem nu ‘familie’, ‘de wereld’, ‘de kunstgeschiedenis’. Of zelfs zoiets vuigs als ‘zelfkritiek’ – die botte buffer tussen atelier en buitenwereld. In fysieke vorm ben ik als maker enig lid van die strenge beoordelingscommissie. In mentale vorm zijn we met velen. 3. Wat ik met mijn schilderijen wil? In die samenleving staan. In de hoop, eigenlijk in de overtuiging, dat de reikwijdte van een zelfportret verder gaat dan het in verf weergeven van een naar binnen gekeerde zoektocht naar een zelf. Het wil door ‘nu in deze wereld te zijn’ juist raken aan gevoeligheden bij de toeschouwer. Op weg naar een bedenking, een bekentenis, een gesprek… aansluiting misschien? Zeg maar: gedeeld auteurschap. 2. En ook. In verf hard maken. Dat ik ik mag zijn, en niet iemand anders. Ik besta – alvast – in verf. 1. En zo kan het gebeuren dat er ineens een Jezus uit mij komt. En dat het toch een zelfportret is. Een schuchtere Jezus, weliswaar. En… geloof het of niet, ik keek in de spiegel terwijl het ontstond!

 

Nele Tas (1978) is beeldend kunstenaar. Ze woont en werkt in Borgerhout. In haar praktijk zoekt ze samenwerking op in tentoonstellingsprojecten zoals Temporary City (2007, Lokeren; 2009, Berlijn en 2014, Antwerpen), de salon (2018, Wenen), Tell Me about You (2019, Tokio) of in het lopende project 3 24 51 76, met onder meer Tine Colen en Jan Van Goethem.

Berend Strik

De basis voor mijn boek Deciphering The Artist’s Mind uit 2021 ontstond zo’n twaalf jaar geleden in New York. Ik bezocht de voormalige studio van Marcel Duchamp. Ik wilde dit doen nadat ik eerder de gelegenheid had gekregen om mijn favoriete werk uit de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam, no. XX de vingt boîtes-en-valise XX/XX (1949) in het depot te bestuderen. Daar zag ik dat de koffer ook bewerkte, ingekleurde zwart-witfoto’s van zijn schilderijen bevatte. Die waren niet door Duchamp ingeschilderd, maar door specialisten. Ook de inrichting van de koffer was het werk van een specialist, de architect Frederick Kiesler. Deze personen werden nergens vernoemd. Bij navraag hoe dit werk in het Stedelijk terecht was gekomen, bleek er een briefwisseling tussen de toenmalige directeur Sandberg en Duchamp te bestaan. De gezwollen Franse taal van Duchamp moet indruk gemaakt hebben. De brieven van Sandberg doen vermoeden dat hij niet goed begreep wat de betekenis van de koffer was. In bronnen kwam ik ook foto’s tegen van Duchamp die zijn studio gebruikt om zijn sculpturen/objecten te bestuderen. Of zoals hij zelf zegt: ‘erbij te mijmeren’. Inmiddels is de studio veranderd in een kantoor en is er van de vroegere ruimte niets meer te herkennen.

Ik zag een parallel tussen Duchamps bewerkte fotografie en mijn eigen werk. Vervolgens bezocht ik kunstenaars als Jan Dibbets, Ger van Elk, John Baldessari, Martha Rosler, Mickalene Thomas en vele anderen, die vergelijkbare uitgangspunten hadden en de fotografie als basis gebruikten. Kunst kan wel vernieuwend zijn, maar staat tegelijkertijd ook op de schouders van eerder gemaakte kunst. Ieder kunstwerk heeft een relatie met een ander kunstwerk. Zo heeft iedere kunstenaar een relatie met andere kunstenaars. Om dit proces te onderzoeken en beschrijven, vroeg ik Marja Bloem, senior curator van het Stedelijk Museum en directeur van de Stichting Egress Foundation, begeleidende teksten te schrijven. Dit resulteerde in 75 teksten bij 75 studiobezoeken. Door het voortdurend heen en weer bewegen van teksten en nieuwe studiobezoeken, werd het een proces van woord naar woord, en van woord naar studio en vice versa. Het leek een nooit eindigend proces. Voor het omzetten van het materiaal naar een boek was weer samenwerking met specialisten nodig. Pas daarna kon Irma Boom een boekontwerp realiseren.

Duchamp, Irma Boom en ik voeren de regie, de interactie met derden leidde tot de realisatie. Vanaf dag één van mijn beroepspraktijk heb ik voor de uitvoering van mijn ideeën, kennis en vaardigheden gebruikgemaakt van derden. Eindverantwoordelijkheid ligt altijd bij mij. Door schade en schande heb ik dat moeten leren.

 

Berend Strik (1960) studeerde aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten (Amsterdam). Zijn werk is opgenomen in tal van (bedrijfs)collecties en musea, waaronder Stedelijk Museum Amsterdam en Museum Boijmans Van Beuningen (Rotterdam). Hij wordt vertegenwoordigd door galerie Fons Welters en Jack Tilton Gallery.

Dirk Somers

Samenwerkingen kunnen cultureel waardevol zijn, maar net zo goed een bron van ergernis en tijdverlies. Essentieel is dat er voldoende gedeelde belangstelling is en genoeg raakvlakken zijn. Dat geldt in de verhouding tussen medewerkers en een zaakvoerder evenzeer als in de samenwerking tussen bureaus.

Binnen Bovenbouw doe ik mijn best om de opendebatcultuur in stand te houden: medewerkers moeten en mogen hun mening zeggen, hoewel het natuurlijk een hiërarchische verhouding blijft. Dat is het nadeel van alleen werken: op snelheid neem je soms slechte beslissingen, en dan heb je een team nodig om weerstand te bieden. Dat is heel belangrijk: het overeind houden van checks-and-balances. Dat is ook het verschil tussen een democratie en een dictatuur.

Je kan zeggen dat mijn medewerkers allerlei dingen uitproberen, en dat ik – zeker als er weinig tijd is – in die probeersels een soort ‘vonk’ probeer terug te vinden waaruit een project kan ontstaan. Bart Verschaffel heeft dat proces heel goed omschreven in onze monografie. Maar dat kan je, vind ik, moeilijk delegeren. Er zijn bureaus waarin auteurschap aan projectleiders of medewerkers wordt uitbesteed, maar in het oeuvre dat op die manier ontstaat, lijkt minder risico terug te vinden. Je kan geen receptuur schrijven voor een project. En het gebeurt soms, weliswaar minder vaak, dat een ontwerp niet in de juiste plooi valt. Het wordt dan soms toch uitgevoerd, maar daarna verdwijnt het naar de achtergrond, omdat het narratief of de punch ontbreekt.

Wat de uitwerking betreft is delegeren eenvoudiger, omdat medewerkers op de hoogte zijn van voorkeuren. Wat zich laat objectiveren laat zich ook makkelijk communiceren. We hebben een Word-document dat De Ezelsteen heet, en daar staan allerlei regeltjes in – negentig procent daarvan is heel pragmatisch of technisch, maar er staan ook handzame tips in die met ontwerpen te maken hebben. Voor architectonische compositie bestaan een hele hoop vuistregels, die ik onophoudelijk herhaal binnen het kantoor.

We werken vaak samen met andere bureaus, en dat is meer dan vroeger een vereiste om deel te kunnen nemen aan wedstrijden voor publieke projecten. Als opdrachtgevers moeten kiezen tussen blauw en rood, en ze krijgen plots rood-blauw gestreept aangeboden, dan is de keuze snel gemaakt. Selectiecommissies zitten vaak met veel mensen rond de tafel. Een portfolio met werk van verschillende bureaus kan meerdere mensen tegelijkertijd aanspreken en lijkt zo in het voordeel. Je moet als bureau ook referentieprojecten kunnen voorleggen: om een museum te mogen bouwen moet je al eerder een museum gebouwd hebben, dus vaak is het gewoon noodzakelijk om je te associëren. In ons geval is het zo dat hoofdzakelijk Britse en Nederlandse bureaus in ons een lokale partij zien voor wedstrijden in België. Omdat ik alleen een bureau leid, vind ik dat vaak verrijkend.

In sommige samenwerkingen ontwerpt ieder bureau een ander deel van een bouwblok. Samen één gebouw ontwerpen, wat we bijvoorbeeld doen voor de ombouw van het kantoorgebouw van Royale Belge in Watermaal-Bosvoorde met het Londense bureau Caruso St John, is heel intens en intiem. Dat kan je enkel doen met iemand met wie het ‘dik aan’ is. Samen een gebouw ontwerpen met iemand die een andere blik heeft op architectuur, dat is een marteling. Daar begin ik niet aan, dan gaat er te veel tijd en energie verloren aan discussies, en dat gaat ten koste van het eindresultaat.

Tijdens de pandemie zag je een heel andere dynamiek ontstaan in dit soort samenwerkingen. De grenzen vervagen tussen samenwerkende bureaus, vanwege de combinatie van virtuele platformen als Zoom, Miro en Slack, en door meer thuiswerk. Na verloop van tijd vergeet je een beetje wie voor welk bureau werkt. Dat is mooi!

 

Dirk Somers (1976) leidt het Antwerpse bureau Bovenbouw Architectuur en doceert aan de UGent en TUDelft. Hij was curator van Composite Presence, de Belgische bijdrage aan de Architectuurbiënnale van Venetië in 2021, die eind dit jaar wordt hernomen in Z33 (Hasselt). In 2019 liep in deSingel in Antwerpen de tentoonstelling Bovenbouw Architectuur. The House of The Explorer, en verscheen het boek Living the Exotic Everyday (Vlaams Architectuurinstituut).

Koen Sels

Je schrijft aan De Witte Raaf dat je ziek bent. Je herleest de tekst die je voor Jakob schreef en die jou ook voor dit nummer geschikt leek, maar nu twijfel je, en de lezer zal die andere tekst ook elders kunnen lezen, dus moet je toch maar iets anders schrijven. Maar je moet ook recupereren en liggen, je wil wat lezen, je zou wat moeten schrijven, nu je ziek bent en niet moet werken, wat schrijven voor ‘jezelf’, bedoel je. Je hebt het leeslint tussen pagina’s 146 en 147 van Moby-Dick gestoken en het boek bovenop pagina 26 van Kapitaal in de 21ste eeuw gelegd, om te onthouden waar je was, maar nu ziet het er belachelijk uit, en eigenlijk ziet je hele bibliotheek met al die ruggen met auteursnamen en titels er de laatste tijd vaak belachelijk uit. Vanuit het leven, bedoel je, dat arbeid is. Zou leven dan datgene moeten zijn wat geen arbeid is? De arbeid waaraan je niet verbonden bent door een contract? Wel door het leven zelf dan? Er zijn mensen die door auteurs gelegitimeerd moeten worden. Maar je wil geen autoriteit die zich moet uitdrukken en die om ruimte vraagt… Papa, wil je lezen? Koenie, kun je even? Wij zijn bezig met een tentoonstelling… Je bent onderwezen in een esthetiek van stilte, ballingschap en list. Een concrete praktijk, achter gesloten deuren. Je wordt gestoord. In de mate waarin je onthecht bent of verdeeld wordt. Zoals Reynolds Woodcock (gespeeld door Daniel Day-Lewis) zegt in Phantom Thread:The tea is going out, the interruption is staying right here with me.’ Wil jij dan nog de ander storen, vele pagina’s lang? Want wij worden allemaal gestoord. Je kunt het recht niet opeisen om met rust gelaten te worden. Was dat recht namelijk geen voorrecht? Nu ben je online. Je wil nog steeds je eigen stem horen, welke die ook mag zijn. Je bedoelt het lawaai dat je alleen in stilte kunt horen, de concentratie die vorm geeft aan een lichaam. Je wil soms voor een tijdje misschien een moment van zijn ontwaren, een punt, een lijn: geen derde, vierde, vijfde golf, geen gemiddelden, maar toch een figuur, een beetje tijd, wat continuïteit. Inkopen, eten, links kijken, rechts kijken. Hoe marcheert dit? Het individu is geen eenheid, maar een gemeenschap is ook niet zomaar een verband, geen verband van individuen. Een relatie: relatiebreuken. Verzenden. Onze vermogens om te affecteren en om geaffecteerd te worden noemen we affecten. Zijn we dan wat ons is aangedaan en wat wij elkaar aandoen? Of moet ik dit eindeloos veel kleiner denken? Uitstelgedrag, trauma van de middelmaat. Middenklasse, spanning, zenuwpijnen. Het geweld dat je uitstelt is gelijk aan de ‘terreur van de vrede’ (maar zet je Deleuze & Guattari niet maar beter weer in de kast?). Voor nu is schrijven helaas klagen: het is te veel voor jou, want jij bent Koenie maar, en dit zijn je krachten en je klachten maar, of is het soms niet ook de kosmos die middels jou tot stress, schaamte en uitstelgedrag in staat is? Zo vouw je alles plat, zo leer je anders gestoord te zijn. Er zijn andere zorgen.

 

Koen Sels (1982) is schrijver en secretaris van de probatiecommissie bij het justitiehuis van Turnhout. Hij publiceerde twee boeken en heel wat teksten over kunst en voor kunstenaars. Sinds 2020 werkt hij (onderbroken) aan een boek over leven, werk en werkleven, onder de werktitel Een dag in België.

Ellen Schroven

Bij het werk aan mijn doctoraat O of de vertaling van een cirkel (2011-2017), waarin ik op zoek ging naar beelden (en bij uitbreiding ervaringen) die ontsnappen aan de taal, liet ik mij omringen door filosofen, schrijvers en kunstenaars, waarvan ik de meesten enkel kende uit boeken en musea. Het onderzoek nam de vorm aan van een dagboek, met tekeningen, beschrijvingen, foto’s en videofragmenten van schaduwen, reflecties en allerlei andere terloopse maar daarom niet minder intrigerende verschijnselen, die meestal even snel uit mijn blikveld verdwenen als ze erin waren opgedoken. Daar voegde ik woorden van anderen aan toe, die grensden aan, of alleszins op een bepaalde manier resoneerden met de vage contouren van wat ik zocht. Een tweede boek – een essayistisch verslag van een Voortdurende treinrit – was verbonden met het eerste door een numeriek systeem.

Een van de fragmenten kwam uit het dagboek van Virginia Woolf: ‘Het vraagstuk dat ik nu aan de orde wil stellen is het vraagstuk van mijn essays en hoe ik ze tot een boek zou kunnen verwerken […]. Eén hoofdgedachte moet steeds terugkeren – maar wat die hoofdgedachte moet zijn kan ik alleen achterhalen als ik ze allemaal doorlees.’ Vlak voor de boeken in druk gingen, voegde ik in potlood tussen de regels bedenkingen toe, die mee werden opgenomen in de finale versie. Aantekeningen bij de aantekeningen. Onder Woolfs ‘hoofdgedachte’ had ik ‘WEDERKERIGHEID?’ genoteerd. In kapitalen, weliswaar meteen ontdaan van hun stelligheid door het vraagteken dat erop volgde. Ik was er dus niet zeker van, maar het leek mij een potentieel sleutelwoord in de zoektocht die ík gedurende zes jaar had ondernomen.

Af en toe leek die wederkerigheid zich als een oneindige woordeloze lus tussen binnen en buiten – tussen alles rondom mij en mezelf – te tonen in een paar lijnen op papier. Dat gevoel overviel mij in ieder geval een aantal keer tijdens de drie dagen waarop ik alles tekende wat op en rond Place Saint-Sulpice te zien was. En ik meende iets soortgelijks te herkennen in de manier waarop Merleau-Ponty over een schilderij schreef als ‘het binnen van het buiten en het buiten van het binnen’ (enkel mogelijk gemaakt door het feit dat een schilder zijn lichaam inzet), of bij de kunstenaar André Marchand, die het gevoel beschreef dat de bomen naar hem keken. John Berger plaatste die intrinsiek wederkerige aard van het zien – dat dus altijd ook gezien worden impliceert – tegenover het streven van de gesproken taal om wederkerigheid te benaderen ‘in een poging uit te leggen hoe jij de dingen ziet’. Een beschouwing die allicht in de lijn ligt van de zeldzaamheid waarmee een echte, ‘wederkerige’ dialoog tussen twee mensen plaatsvindt.

Omdat mijn werk de manier centraal stelde waarop ikzelf – op alle mogelijke manieren – de wereld waarnam, lag het voor de hand dat de cirkelvertaling een solitaire onderneming zou (en moest) zijn. Bij Rilke had ik gelezen dat het nefast, zelfs destructief zou zijn voor een kunstenaar om gedachten te delen nog voor ze voltooid worden in het uiteindelijke werk, maar toch stuurde ik de mijne – hoe precair ook – met grote regelmaat al schrijvend en tekenend ­­naar iemand bij wie ik het gevoel had dat ze grond vonden. Ergens halverwege de tocht beantwoordde zij een van mijn tekeningen met een citaat van Leonard Nolens, waarin wordt gesteld dat een kunstenaar een reisgezel nodig heeft: ‘Het volstaat dat één mens zijn daarom niet onkritische, maar instemmende zegel slaat op wat anders te alleen, te kwetsbaar zou zijn om overeind te kunnen blijven.’ Ik nam het fragment uit zijn dagboek integraal over in het mijne, omdat dat delen-terwijl-ik-onderweg-was een onmiskenbaar gevoel van wederkerigheid in zich droeg, dat de tocht niet enkel minder alleen, maar ook – en vooral – mogelijk maakte.

 

• Ellen Schroven (1983) maakt en schrijft in een poging de gaten in de taal te dichten, of ze in ieder geval een beetje kleiner te maken. Recent was haar tekendialoog met Palmer Nuyttens te zien in de groepstentoonstelling Het Nieuwe Geniaal in Cultuurcentrum Mechelen. In mei toont ze nieuw werk in de tentoonstelling Binnen Buiten in het Emile Van Dorenmuseum en in juni neemt ze deel aan The Crip School, een project naar aanleiding van twintig jaar Wit.h, in het kader van het Almost Summer Festival in Kunstencentrum Buda (Kortrijk). Daarnaast werkt ze samen met onder meer Jan Swerts en Joachim Badenhorst aan het landschapsproject Berg.

wendelien van oldenborgh

Voor het maken van een filmwerk is samenwerken een cruciaal aspect. Dit gegeven trok mij aan om een cinematografische productiemethode als een metafoor te zien voor het produceren van potentieel constructieve situaties. Niet alleen zijn er verschillende handen, ogen en oren nodig om de verschillende apparatuur te kunnen bedienen, het is juist ook de samenkomst van verschillende kennis en kunde die tot een werk leidt. Ik heb moeite mijn eigen weten als totaal en interessant te ervaren en was altijd al geïnteresseerd in hoe ik in het maakproces van een werk juist de uitwisseling van kennis centraal kon stellen om samen tot nieuwe inzichten, connecties en composities te komen. Zowel vóór als achter de camera (en de microfoon) speelt die uiteenlopende kennis mee in het geheel.

De manier van werken die ik door de jaren heen ontwikkelde zet deze vraag centraal: hoe kan kennis groeien en uitzaaien door samenkomst? Wat kan een samenkomst generen als ik deze een filmshoot noem? En een vraag die daarop volgt: hoe zijn de ontstane momenten zo te ordenen en structureren dat het ook in een volgend collectief moment – het moment van publieke presentatie – leesbaar wordt voor anderen? In het werkproces wisselen intensieve collectieve momenten en alleen werken elkaar af. Beide zijn cruciaal en hebben een geheel andere dynamiek.

Voor een recent werk, obsada (2021), nodigde ik een groep jonge vrouwen uit om samen met hen een film over hen te maken. Ze studeren allemaal als PhD- of masterstudent aan de beroemde Łódź filmschool, waar ze in verschillende opleidingen aan hun toekomst werken. De crew was in dit geval ook direct de cast, en de filmshoot was voor hen bekend terrein. In de maanden die voorafgingen aan de opname ontmoetten we elkaar regelmatig als geheel en in kleinere eenheden om te spreken over de centrale kwesties die we aan het licht wilden brengen en over de technieken waarmee we al werkten. Allemaal waren ze ook in hun eigen producties meer geneigd om in samenwerking en overleg met anderen te werken dan wat er op de filmacademie in Łódź nog altijd als een noodzakelijk aspect van het vak wordt onderwezen: autoriteit en manipulatie op de set. Al in de jaren zeventig had een groep zich hiertegen verzet en zich losgemaakt van de filmschool om collectief en experimenteel te werk te gaan. De avant-gardegroep, die als Film Form Workshop bekend geworden is, bestond tot onze verbazing oorspronkelijk geheel uit mannelijke makers. Tegen deze achtergrond besloten we niet alleen over onze ervaringen als vrouw in de filmindustrie te spreken maar ook nieuwe beelden toe te voegen aan de alternatieve geschiedenissen die er al waren.

In deze processen zie ik auteurschap in het licht van verantwoordelijkheid. Het genererende moment van de samenwerking met anderen is, als het goed gaat, verrijkend en vormend voor alle betrokkenen. En het werk dat eruit ontstaat zou diezelfde kwaliteit moeten uitstralen, wat verder verrijkend en wie weet transformerend werkt. Het is een gericht proces, waarin ik als initiator van het geheel een leidende rol heb, en een verantwoordelijkheid voor het verloop. Maar zonder een open samenwerking ontstaat er geen waardevol materiaal. Als ik na een shoot alleen aan de montagetafel werk, probeer ik in concentratie de vorm te vinden waarmee al wat er op de set ontstond ook gedeeld kan worden met een publiek. Naast eigen inzicht en een verlangen naar een bepaalde vorm, speelt ook in die momenten verantwoordelijkheid mee; de verantwoordelijkheid om recht te doen aan de samenkomst die heeft plaatsgevonden.

 

wendelien van oldenborgh (1962) ontwikkelt werken waarbij het filmische format wordt gebruikt als methodologie voor productie en als basistaal voor verschillende presentatievormen. Ze werkt hiervoor samen met participanten in verschillende scenario’s. Recente solopresentaties zijn onder meer tono lengua boca in CA2M, Madrid, 2020 en Cinema Olanda, in het Nederlands Paviljoen op de 57ste Biënnale van Venetië (2017).

Valérie Mannaerts

Kunstenaars leven niet geïsoleerd van de wereld, ze zijn er deel van, via hun werk treden ze in permanente dialoog met hun omgeving. De vragen van De Witte Raaf lijken wat dit betreft een binaire, polariserende stelling te propageren die mij weinig constructief lijkt en niet in relatie staat tot de realiteit van het creatie- en realisatieproces. Beeldend kunstenaars zijn geen in ‘cultuur’ gezette organismen die gedijen in de eenzaamheid van de ivoren toren. Ik zie het ‘werk’ van een kunstenaar eerder als een weerbarstig, intern proces, waarbij je zowel in afzondering als in samenspraak werkt. De omgeving die ikzelf creëerde om het creatieproces te stimuleren en mogelijk te maken is uiterst persoonlijk, in permanente evolutie en weg van de waan van de dag. Zie het eerder als de groei van een cactus met zijn eigen seizoenen en specifieke levensloop.

Ik sta voortdurend open voor het gesprek dat mijn werk als een monologue intérieur met me voert. Op die manier ontwikkel ik de interne logica van een oeuvre. Dat is een uiterst gevoelig en complex orgaan dat ik al doende leerde begrijpen en steeds blijf uitbouwen. Met die structuur ga ik in het atelier aan de slag. Werken die ik alleen realiseer, stellen een talig bestaan uit tot ze openbaar zijn gemaakt. Bij het werken in samenspraak dien ik veel sneller te exterioriseren. Bij samenwerkingen zoek ik onder meer de expertise van technische kennis; door tijdsdruk zoek ik bij momenten de assistentie van medewerk.st.er.s.

Momenteel werk ik bijvoorbeeld aan een monumentaal gordijn dat permanent deel zal uitmaken van een pleegzorginstelling. In de ontstaansgeschiedenis van dat werk zitten de gesprekken met en de eisen van architecten, opdrachtgevers en gebruikers vervat. Die ‘wereldlijke’ kant loopt parallel met een meer teruggetrokken, intiemere ontwikkeling in het atelier, waar ik in eerste instantie met mezelf in gesprek ben. Daarnaast loopt een andere ontwikkelingslijn naar de uitvoerders van het gordijn, waarvoor ik samenwerk met TextielLab uit Tilburg, specialisten in onder andere hedendaagse weeftechnieken. Het gesprek met die expertise is een dialoog: de wetenschap van het ambacht duikt met die van de kunstenaar in een waar taalbad. Tijdens die hele maakprocedure heerst er wederzijdse betrokkenheid, waar ik als kunstenaar heel dicht bij alle materiële beslissingen sta, om zo het werk te realiseren dat ik voorvoelde. Het gaat niet alleen om het materiële aanschijn maar vooral om het ‘fijnstellen’ van een werk, dat in elke context zoveel mogelijk zichzelf moet zijn. Ik waak over het specifieke karakter dat het bij het maken verwerft en nadien belichaamt. Dat rijke, meerkoppige gesprek, die doorgedreven samenwerking neemt een bijzondere plaats in binnen de ontwikkeling van een kunstwerk en maakt inherent deel uit van mijn persoonlijke kunstenaarschap.

 

Valérie Mannaerts (1974) woont en werkt in Brussel en Genève. Ze nam deel aan tentoonstellingen in onder meer Kunsthalle Münster, Bozar (Brussel), Roger Raveel Museum (Machelen-aan-de-Leie), Extra City (Antwerpen), RedCat Gallery (Los Angeles), Kiosk (Gent), de Appel (Amsterdam), Culturgest (Lissabon). Publicaties: Valérie Mannaerts. An Exhibition, Another Exhibition (Sternberg Press, 2011), Hit Me With Your Colour Stick (MER Paper Kunsthalle, 2013).

Melissa Mabesoone

Joan Didion schreef het volgende in ‘On Keeping a Notebook’: ‘Ik heb dus nooit een notitieboekje bijgehouden om nauwkeurig vast te leggen wat ik deed of dacht – en dat geldt nog steeds. Dat is ook een heel andere drijfveer, een manier van omgaan met de werkelijkheid waar ik soms wel jaloers op ben maar die volstrekt niet bij mij past. Het is me nooit gelukt een normaal dagboek bij te houden; mijn houding jegens het dagelijkse leven varieert van een extreme vorm van slordigheid tot louter afzijdigheid, en de paar keer dat ik plichtmatig pogingen heb gedaan de gebeurtenissen van een bepaalde dag vast te leggen vond ik dat zo slaapverwekkend dat het resultaat op zijn best mysterieus te noemen is.’

Op mijn veertiende stopte ik met dagboekschrijven nadat mijn moeder me confronteerde met enkele vragen over een passage die ik in code had neergepend. Op mijn negentiende begon ik opnieuw, in het besef dat er altijd iemand (ongevraagd) kan meelezen. Mijn notitieboekjes kregen een al dan niet opgelegde vorm en werden gevuld met dialogen, proza, gedichten, korte verhalen, in verschillende talen. Ik vulde vellen met gespreksonderwerpen en schreef maandenlang vlak na het ontwaken mijn dromen op. Schrijven was en is voor mij een privéruimte: ik kan kiezen hoeveel ik deel en naar buiten breng.

Bijna tien jaar werk ik met Oshin Albrecht intensief samen onder de naam ‘buren’. We zien ‘buren’ als een werkwoord, iets dat we actief doen en waar we ons toe verhouden. Het is een naam die tegelijk iets anoniems, iets intiems en iets formeels heeft. We spelen samen en pingpongen veel. We leggen dingen voor elkaar klaar op bureau- en treintafels: vragen, gedachtes, verlangens, ideeën. We converseren via Google Drive, sms, Messenger links, spraakberichten, grote bladen met korte zinnen. Soms geeft de een de aanzet, dan weer de ander. Soft drives worden hard. Notities worden geprinte documenten en fysieke experimenten.

Je zou kunnen zeggen dat ‘buren’ mijn vaste domicilie(adres) is, en mijn notitieboek de voor- of achtertuin, of een bungalowhut op het platteland, voor mijn individuele praktijk, waarin ik tijd heb om alleen te zijn. Een andere plek waar ik vaak alleen ben is, zoals bij zovelen, achter het computerscherm. In 2016 schreef ik een liefdesnummer voor de computer. Vermoedelijk stond het eerst in een notitieboek met nephouten kaft dat ik ben kwijtgeraakt. De Photo Booth-file ‘Film op 04-10-2016 om 18.49’ is een eerste poging om van de tekst een nummer te maken op de muziek van ‘Come Here’ van Kath Bloom. De eerste zinnen gaan als volgt: ‘How does it feel when I turn you on 8.30 in the morning sun? Computer, computer. You don’t blink, you just mostly stare. Do you feel my touch? Do you even care?’

Ik schreef de tekst tijdens een residentie bij Vooruit in Gent toen we met ‘buren’ de performance Spare Time wilden maken. Spare Time werd in 2020 SPARE TIME WORK. Door de lockdown werd de voorstelling een jaar uitgesteld en besloten we COMPUTER_SONG op te nemen samen met muzikant, masseur, foodconnaisseur, producer en sinds 2018 special collaborator Benne Dousselaere. Een tweede deel schreven we à l’improviste. De stem van Oshin, haar invulling en ideeën, en Bennes muzikaliteit en kwaliteiten als producer maakten het nummer uitdagender, verrassender. Voor de online editie van Beyond the Black Box van De Brakke Grond maakten we een videoclip met cinematograaf Anaïs Chabeur. Haar expertise, techniciteit en visie tilden het werk naar een hoger niveau.

Het is niet vanzelfsprekend om met mensen een artistieke, intellectuele klik te hebben, om een gemeenschappelijke taal te spreken, om een gevoel voor humor te delen, maar ook je twijfels. Het gaat over gelijkaardig engagement, over samen de tijd spenderen die een werk nodig heeft. ‘Learn to love solitude,’ zegt Tarkovsky, maar samen spelen is een gevoel van onschatbare waarde. To combine business & pleasure, what a treasure.

 

Melissa Mabesoone (1988) studeerde wijsbegeerte (UGent) en beeldende kunst (KASK). Haar werk was te zien in Sale Dockx, M HKA (Antwerpen), Verbeke Foundation (Stekene), en werd gepubliceerd in nY. Ze trad op voor onder meer Dora García, Assaf Gruber, Lies Pauwels (NTGent) en Peter Aers, en maakt deel uit van Engagement, een beweging die seksuele intimidatie, seksisme en machtsmisbruik in de kunsten aanpakt. Sinds 2012 werkt ze nauw samen met Oshin Albrecht als ‘buren’.

Sven Lütticken

Onze economie is er een van tegenstrijdige imperatieven. Enerzijds word je geacht aan je eigen brand te werken en jezelf op de (culturele, intellectuele) markt te positioneren; anderzijds wordt samenwerken niet alleen gestimuleerd in de wereld van universitaire onderzoeksaanvragen, maar ook in sommige segmenten van de kunstwereld. Wat de schijnbare tegenpolen met elkaar verbindt, is netwerken. ‘Nooit werken’ werd ‘altijd netwerken’, en de netwerker verruilt het versus voor het én. Als netwerker zap je tussen samenwerkingsverbanden en probeer je daarbinnen en daarnaast ook je eigen auteurschap uit te leven. De collectieve en individuele momenten worden als elkaars dialectische tegenpolen in de praktijk geïntegreerd. Kunstenaars als Kader Attia of Natascha Sadr Haghighian lijken de feedbackloop tussen solo en collectief werken te hebben geperfectioneerd, maar voor de meesten van ons (en vermoedelijk ook voor hen) blijft het een lastige evenwichtsoefening.

In Nederland moet vrijwel iedereen opereren in een (para-)academisch en cultureel veld waarin een handvol private en openbare geldschieters via megaprojecten de agenda bepaalt. De ideale constructie zou als volgt zijn: overheidsfondsen A en B financieren een academisch-artistiek onderzoeksproject met meerdere promovendi én artistieke residenties in postacademische werkplaatsen K, L en M; privéstichting C sponsort vervolgens een reeks tentoonstellingen van deze kunstenaar-onderzoekers in presentatie-instellingen X, Y en Z, begeleid door een publicatie waarin het (voor het privémuseum-in-oprichting van stichting C gereserveerde) werk van de kunstenaars door de promovendi van context wordt voorzien. Ondertussen regeert de paranoia in de polder, en niet geheel ten onrechte. Precaire kunstenaars krijgen van welmenende curatoren te horen: vertrouw in deze kunstwereld niemand, en al helemaal geen curatoren. Samenwerking is oorlog; je potentiële partner is ook een potentiële vijand. Geef vooral niet te veel over je project prijs vóór er een waterdicht contract ligt.

Je zou bijna vergeten dat er zelfgekozen samenwerkingsverbanden zijn, tot stand gekomen zonder noemenswaardige dwang; dat geldt voor veel formele groepen zoals kunstenaarscollectieven of redacties, maar zeker ook voor hechte netwerken die in wisselende constellaties op projectbasis samenwerken. De waarde daarvan wordt pas echt duidelijk op het moment dat die constellaties uiteenvallen. Dat betekent niet dat eerst alles pais en vree was. Samenwerkingsverbanden zijn optimaal als ze productieve dissensus mogelijk maken. Dat betekent dat de leden het over een aantal fundamentele zaken eens moeten zijn; deze basale consensus verleent focus en maakt kritische dialoog op het scherp van de snede mogelijk. Het zijn voor de buitenwereld wellicht onmerkbare (menings)verschillen, soms op de vierkante millimeter, die de geest en de praktijk scherp houden.

Soms stopt de samenwerking omdat deze gebaseerd was op een privérelatie, zoals bij diverse kunstenaarsduo’s het geval is – al blijft menig duo ook daarna doorgaan, óók omdat het gezamenlijke merk te sterk is om opgegeven te worden. Soms blijkt die basale consensus shaky te zijn, of gebaseerd op misverstanden, of de individuele ontwikkelingslijnen en -ritmes lopen niet gelijk op. Ik heb ooit geprobeerd dit te problematiseren in een korte tekst voor het honderdste nummer van Texte zur Kunst met de titel ‘Falling Apart, Together’. De vraagstelling van die tekst was ongeveer: (hoe) kunnen we proberen om met elkaar in gesprek te blijven en productief samen te werken, als we het over steeds minder eens zijn? Een begin zou misschien een echt gesprek over die tekst zijn geweest, maar dat is er nooit gekomen.

Als een groep of een andersoortig hecht samenwerkingsverband uit elkaar drijft en uiteindelijk uiteenvalt, resteert een virtueel netwerk; een virtualisatie van de samenwerking. Je praat wellicht niet meer met elkaar, maar bent je nog steeds bewust van de positie en praktijk van de ander. Op dergelijke momenten van herkalibratie kan het zinvol zijn om de eigen positie en praktijk weer sterker te ontwikkelen en adorniaanse flessenpost de wereld in te sturen – haunted by the ghosts of collaborations past while working toward collaborations future.

 

Sven Lütticken (1971) doceert kunstgeschiedenis en coördineert het researchmasterprogramma Critical Studies in Art and Culture (VU Amsterdam). Tot zijn publicaties behoren de bundels Futurity Report (met Eric de Bruyn, Sternberg Press, 2019) en Deserting from the Culture Wars (met Maria Hlavajova, MIT Press, 2020). Binnenkort verschijnen Art and Autonomy. A Critical Reader (Afterall) en Objections (Sternberg Press), het eerste deel van het tweeluik Forms of Abstraction.

Rudi Laermans

De zaal verduistert, de scène licht op, het ‘spektakel’ begint. Naar een voorstelling kijk je alleen, zij het binnen een relatie van sterke afhankelijkheid: je geeft je over aan het theaterdispositief als specifieke aandachtsmachine. De geregisseerde focus op de scène verhevigt je kijken en luisteren; losjes gekoppeld aan deze zintuiglijkheid suggereert je brein af en toe een flard begrip. Het paradigma is dat van het poëzie lezende, in zichzelf gekeerde individu.

En toch: er staan mensen op het podium, je zit niet alleen in de verduisterde zaal. Je bent alleen tezamen met andere alleen-zijnden. Je solitaire opmerkzaamheid is sociaal gestempeld: ze wordt gestuurd door zowel de handelingen op het podium als de tot een collectieve blik verdichte publieksaandacht. Het neemt niet weg dat autonome kunst je bevestigt als autonoom individu.

Toeschouwende ‘allenigheid’ is bij geslaagde kunst synoniem voor belangeloos welbehagen, aldus Kant. De keerzijde heet grenzeloze verveling: die werpt je pas echt op jezelf terug. Ze de-solidariseert ook. Je begint de performers bovenmatig aanstellerig te vinden; je verliest elke band met de geïnteresseerde kijkers om je heen; je zinkt weg in een bijzondere zintuiglijke en mentale slaap, onderbroken door het soort van zelfverbeelding waarin je bijvoorbeeld een verbaal steekspel met een naaste vriend opzet.

Geslaagde esthetische communicatie is communicatie die zichzelf doorstreept. Ze gebruikt zintuiglijke ervaringen, die voor een ander nooit toegankelijk zijn, als primair medium voor het meedelen van informatie, het oproepen van betekenissen. Alle kunstcommunicatie poogt iets onmogelijks: wat buiten het sociale valt alsnog socialiseren. Het lukt nooit, maar wat doet het er ook toe: de kloof tussen betekenaar en betekenis, tussen binnenvallende waarnemingen en uitblijvende interpretaties, creëert een tussenzone waarbinnen intimiteit en anonimiteit elkaar ontvlammen. Niet: ‘ik kijk’, wel: ‘iets kijkt in mij’ – juist daarom begrijpt dat ‘ik’ lang niet altijd het kijken dat het uit gewoonte zichzelf aanrekent. Allenigheid van de toeschouwer-luisteraar: alle geslaagde kunst is een subjectieve vorm van de-subjectivering. Zoiets als: op een hoogst eigen manier onteigend worden. Naast de liefde is het de meest leefbare vorm van de ontologische eenzaamheid die elke vorm van bestaan kenmerkt.

Goed tien jaar geleden begon je eerst met mondjesmaat, vervolgens steeds vaker operavoorstellingen en klassieke muziekconcerten te bezoeken. Een deel van het nieuwe plezier is je vermeerderde allenigheid. Je stapt vaak in je eentje richting muziekhuis, je kent amper mensen in de muziekwereld. Het rituele verschil tussen voor, tijdens en na de voorstelling vervalt. Je bent niet eerst sociaal, vervolgens een beginneling in eigen omstandigheden, en dan weerom een prater. Je hoeft vooraf weinig bekenden gedag te zeggen, je bent achteraf slechts per uitzondering een kennis uitleg verschuldigd. Jij bent iemand en niemand: gewoon een operabezoeker. De ‘een’ is de pointe: singulariteit rijmt op anonimiteit.

Je wantrouwde altijd al premières of openingen, waarbij gezien worden primeert op zien. Je verbaast je over het toenemende geklets in musea of kunsthallen; je bent nog altijd verbijsterd over het oplichten van een telefoonschermpje tijdens een voorstelling of, godbetert, het omhooggaande mobieltje van iemand die zo nodig een foto van de geconcentreerd spelende pianist wil nemen. Allenigheid, versie neoliberalisme: kunstparticipatie is vrijetijdsgebruik, dus consumptie die vaart onder het motto ‘ik doe wat ik wil’. Maar ‘ik’ blijft ‘wij’: de nieuwe onbeschoftheden bevestigen de digitale connectie als primaire vorm van sociale integratie. Benjamin sprak decennia geleden al van ervaringsarmoede.

 

Rudi Laermans (1957) is socioloog. Hij is als gewoon hoogleraar verbonden aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven), waar hij theoretische sociologie en kunstsociologie doceert. Recente publicaties: Ik, wij, zij. Sociologische wegwijzers voor onze tijd (Owl Press, 2020) en Gedeelde angsten. Kleine sociologie van de maatschappelijke onzekerheid (Boom, 2021).

Anne-Mie Van Kerckhoven

Twee dingen mogen niet verward worden: het idee en de uitvoering ervan. Zover ik weet kunnen geen twee mensen hetzelfde idee op hetzelfde moment krijgen. Evenwel: soms gebeurt het dat, op verschillende plaatsen in de wereld, zoals op kwantumniveau, gelijktijdigheid van ingeving zich voordoet.

Ideeën ontstaan altijd onder invloed van wat er al is, maar het moment van het doen, die beslissing, dat is waar in eerste instantie het individu zich manifesteert. Wanneer er iets nieuws in de wereld is gekomen, zal dat onder invloed van anderen evolueren.

Het baanbrekende artefact komt tot leven op een moment van samensmelting: in een handeling ontstaat iets toekomstgerichts, in dialoog met een regressief besef van ‘oerzijn’. Werken in afzondering is hiervoor een heel goede methode, hoewel dit proces zich evengoed kan afspelen bij mensen die zich bevinden in een eenheid van plaats en tijd. In ieder geval is het zo dat, in een volgend stadium, de collectiviteit breekt wanneer het bepalen van een eindpunt cruciaal wordt: stop, dit is het, niets meer aan te doen. Onvermijdelijk en onherroepelijk. Het ding wordt aan een derde blik onderworpen, de intieme eenheid tussen mens en ding is verbroken.

In de jaren tachtig en negentig vormden Danny Devos en ik een noise band: Club Moral. Het kader was ons dagelijkse leven; een tekst of een onderwerp, meer werd er vooraf niet vastgelegd. De rest gebeurde op de plaats waar we optraden – een principe zoals bij Fluxus. Voorbereide basisritmes en klankexperimenten kwamen ad hoc samen. Op dit niveau werd concreet en intuïtief gewerkt aan muziek, en geen van ons beiden kon daar een claim op leggen. Er was sprake van symbiose, een samenspel van uiteenlopende idiomen die opgingen in een structuur die op voorhand werd afgesproken en tegelijkertijd ook niet. Er was geen derde die kon beslissen over wat wij maakten en wanneer. Onze autonomie was compleet tot op dat punt. De consensus over de waarde van wat werd gecreëerd, ontstond samen met een publiek.

Anders is het wanneer iets gedrukt moet worden en je niet uit de bescherming van een concept kan breken. Een zeer recent voorbeeld is de publicatie Veerkracht thuis! die ik in december 2021 met Maxim Preaux afwerkte. Eind 2019 had ik een manuscript klaar dat ik wilde uitgeven, een vademecum in 96 punten. Ik wou het aan jonge kunstenaars uitdelen, maar het zag er zo droog en onaantrekkelijk uit. Na twee jaar zwoegen – teksten bij elkaar brengen, uitschrijven en verbeteren – zat ik met een manuscript waar ik geen uitgever voor vond. Ik heb er dan maar kleine bundeltjes van gemaakt, at random opgefrist met prints. Een van die bundeltjes kwam terecht bij Maxim, en hij vroeg me of hij een keuze van werken en tekeningen uit mijn database kon maken, om die selectie als publicatie vorm te geven. Ik gaf hem carte blanche. Het resultaat was perfect geschikt om uit te delen aan studenten en medewerkers van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar Maximum afstudeert. De directie heeft het project triomfantelijk via de eigen kanalen naar de professionele wereld geëxporteerd.

Terzijde: in de binnenwereld van de scheppende mens is er de autonomie en de ontwikkeling van een idee. De connectie met de wereld, en al wat daarbij komt kijken, kan collectief tot stand komen. Als je het belang van die binnenwereld in te hoge mate nuanceert, rest er alleen nog een algemeenheid aan esthetische aspecten, en is er geen sprake meer van kunst zoals wij die tot nu toe definieerden. Dan wordt alles commentaar.

 

Anne-Mie Van Kerckhoven (1951) is kunstenaar. Van eind januari tot eind februari was in Zeno X de tentoonstelling Placenta Saturnine Bercail te zien, waarin werd teruggeblikt op veertig jaar samenwerking tussen kunstenaar en galerij. Eind januari liep in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen de tentoonstelling AMVK in druk. Boeken, zines, efemera, teksten & ontwerpen van Anne-Mie Van Kerckhoven. Op 29 maart ontvangt zij een eredoctoraat van de Universiteit Antwerpen.

Natasja Kensmil

Mijn atelier is een soort cel vol beelden die aan de muren hangen, op tafel en op de grond liggen. Voor mij is die ruimte een toevluchtsoord. De plek waarin ik in eenzaamheid en beslotenheid kan werken. De plek waar ik de veelheid aan beelden in allerlei verbanden kan plaatsen en vanuit verschillende perspectieven kan bekijken. Beelden die mijn denken en mijn kijk op het verleden en het heden beïnvloeden. Mijn atelier is een vrije vorm van alleen-zijn, waar ruimte is voor zelfreflectie. Hier bestaat er geen angst voor eenzaamheid maar wordt die omarmd. Het is een zelfgekozen isolement dat het mogelijk maakt helderder te zien. Een toestand waarin verbondenheid gevonden kan worden met ‘iets hogers’, waarin dieper nagedacht kan worden en creativiteit tot uiting komt. In deze veilige omgeving verken ik ook de negatieve gevoelens van leegte, verdriet, angst of zinloosheid. Eenzaamheid, en de pijn die daarmee gepaard kan gaan, hangt voor mij ook samen met geheimhouding, schaamte en uitsluiting, met het verstoppen van kwetsbaarheden uit angst voor de afwijzing van anderen. Maar tegelijkertijd, in een geïsoleerde toestand, volledig los van alle anderen, kan ik genieten en kan ik berusten in mijn alleen-heid.

Eenzaamheid bestaat ook omdat we als cultuur bepalen welke stemmen we willen horen en welke stemmen we uitsluiten. Bij de vele documenten, archiefbeelden en illustraties van historische gebeurtenissen en figuren in mijn atelier, die ik gebruik ter inspiratie voor mijn werken, vraag ik mij af welke verhalen wel of niet verteld worden. Ik richt mij op die aspecten van het verleden die in de geschiedschrijving doorgaans in de schaduw blijven. Het beeld van geschiedenis waarbij wij ons comfortabel voelen, wil ik deconstrueren. In de schilderijen en tekeningen die ik maak, doorbreek ik dat beeld en ontvouw ik de verontrustende elementen die erin verborgen liggen.

Alleingang is voor mij noodzakelijk. Het brengt mij dichter bij de thema’s die ik behandel. Op die manier ontstaat er een dialoog tussen mij en mijn werk. Een tussenkomst van derden verstoort de intimiteit en haalt de authenticiteit uit het maakproces. Alleingang is een absolute voorwaarde. Pas als het werk voltooid is, kan ik beginnen met samenwerken.

 

Natasja Kensmil (1973) woont en werkt in Amsterdam en laat zich inspireren door de geschiedenis van machthebbers en historische figuren. Ze richt zich op het isolement, de eenzaamheid en de wanhoop die hun macht over hen uitstraalt – op de tragedie van de menselijke conditie. Recente tentoonstellingen zijn de groepstentoonstellingen RAUW. De afkeer van idealisering in Museum Het Rembrandthuis (Amsterdam) en ICONS in het Fries Museum (Leeuwarden); de solotentoonstelling Monument der Regentessen in het Amsterdam Museum/Hermitage en de dubbelsolotentoonstelling, met Sadik Kwaish Alfraji, in Kunsthal KAdE (Amersfoort), die gepaard ging met de verschijning van A Poison Tree, uitgegeven door KAdE en Alauda Publications.

Vlad Ionescu

Ideeën en posities komen altijd voort uit een botsing met andere ideeën en posities: het denken heeft weerstand nodig. Vandaar de traditie van de gefantaseerde dialoog, zoals bij Plato en Diderot, Leopardi, Valéry en Lyotard – auteurs die ideeën hebben gecreëerd door in één tekst contrasterende stemmen te laten horen. Leopardi laat de dood en de mode dialogeren; de mode overwint nadat ze de mensen ervan overtuigd heeft niet meer in zinloze onsterfelijkheid te geloven. Zonder didascalia ensceneren dergelijke dialogen het denken als een drama, en soms als een tergend proces.

Het is wel zo dat het denken, hoezeer het ook afhankelijk is van een collectief van posities, door individuele auteurs ‘uitgesproken’ wordt. Begin jaren negentig bijvoorbeeld, in een periode waarin Vlaamse cultuurhuizen erudiete filosofische teksten publiceerden, schreef Dieter Lesage een belangrijk essay voor de reeks De dans verschriftelijkt, onder redactie van Johan Reyniers. In ‘Het lijk van de componist’ heeft Lesage het over de problematische auteursnaam John Zorn, en over diens uitgebreide samenwerkingen met ontelbare loffelijke musici. De eigennaam is een ‘religieus residu’; elke opname van Zorn bevat vele andere stemmen. Werk maken betekent: zich uitdrukken binnen een vermorzelend mozaïek dat artistiek en cultureel is bepaald. Ook een kritisch essay is een poging om een complex proces desondanks als essentie te bestendigen.

Na jarenlange deconstructie blijft de vraag naar de mythische rol van de eigennaam geldig. Natuurlijk is het zo dat architectuur of opera, jazz of film, samen worden gemaakt. Net daarom kan het onbepaald blijven wie de eindverantwoordelijkheid draagt voor een cultureel product. Auteurs consolideren verwoordingen en gedachtegangen, en ze maken een breder proces zichtbaar. Terwijl in principe niemand afzonderlijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor collectieve processen, blijft het auteurschap – en het oeuvre – een noodzakelijke mythe met verantwoordelijkheid.

Dat geldt ook voor historische gebeurtenissen en betekenissen, die eveneens te relateren zijn aan specifieke gebaren en actoren. Het zal wel zo zijn dat het invallende zonlicht en de avondmaaltijd van de soldaten invloed hebben gehad op het verloop en de uitkomst van de Slag bij de Milvische Brug in Rome op 28 oktober 312. Toch is keizer Constantijn fundamenteel aansprakelijk voor alle consequenties van die veldslag. Een geschiedenis zonder eigennamen is nauwelijks overdraagbaar; altijd weer is de idiosyncratische auteur vereist, als een individu dat het verschil heeft gemaakt. De formalistische kunstgeschiedenis à la Heinrich Wölfflin is enerzijds niets anders dan een geschiedenis zonder namen – een geschiedenis van generieke visuele tendensen – maar anderzijds zocht Wölfflin altijd naar de persoonlijke gestes die het spel van de kunst hebben veranderd.

Het nadeel van collectieven is dat ze tot al te organische processen leiden: iedereen gaat te snel akkoord met iedereen, net om te garanderen dat er van een collectief sprake kan zijn. En toch ontsnapt er soms een stem die het verschil maakt, en auteurschap opeist. Daarom: zoek altijd, in de gemoedelijke sensus communis van het collectief, naar de dissensus die het verschil in het denken maakt. Terug naar het auteurschap!

 

Vlad Ionescu (1978) doceert kunst- en architectuurtheorie en -geschiedenis aan de Faculteit Architectuur en Kunst (UHasselt)/PXL-MAD. Zijn belangstelling gaat uit naar kunstgeschiedschrijving en de relatie tussen kunst en architectuur. In 2021 leverde hij onder meer een bijdrage aan Les Œuvres dans Villeneuve-d’Ascq. Photographie et recherche, samengesteld door Catherine Grout (Editions Ensapl, 2021), en (samen met Maarten Van Den Driessche en Louis de Mey) aan Palgrave Handbook of Image Studies, samengesteld door Krešimir Purgar (Palgrave Macmillan, 2021).

Saskia Noor van Imhoff

Het is voor mij een ingewikkeld begrip: de individuele kunstenaar. Dat is bijna een onmogelijke gedachte. Om echt alleen te werken zou je je moeten afsluiten van werkelijk alles en iedereen. Zo zie ik bijvoorbeeld informatie, ontmoetingen, lezen en zelfs kijken (op verschillende niveaus) als een vorm van samenwerking. Het is daarom al een onmogelijk idee om te denken dat alles vanuit mijzelf is ontstaan. Je gaat een relatie aan met de dingen die je meemaakt, leest, ziet of bespreekt. Ik werk met verschillende mensen, materialen, verhalen en planten om me heen. Waar ik elke keer opnieuw een verhouding mee aanga, een samenwerking.

Toch zit er uiteindelijk ook een individuele vertaalslag van mij in het werk. Ik ben altijd de laatste schakel in het proces en neem een besluit. Misschien spreek je van individualiteit op het moment dat je het kadert; hoe je iets ziet, op welke manier je het opneemt in je lichaam, hoe je iets interpreteert of op welke manier je de informatie opslaat. Dat wordt gedaan door één individueel brein. Dit heeft te maken met de verhouding die je hebt tot jezelf, het onderscheid tussen wat je van jezelf acht en wat van de ander. Waar ligt deze grens? Daarom spreek ik heel vaak over ‘we’. Mensen vragen dan steeds: maar wie is toch dat ‘we’?

Mijn eigennaam wordt verbonden aan en staat onder een kunstwerk, maar ik blijf het gek vinden dat die eraan verbonden is en blijft. Het voelt heel abstract aan. Mijn naam onder een kunstwerk of mijn naam op mijn paspoort – dat voelt totaal anders aan, ook al is die naam precies hetzelfde geschreven. Toen ik van de academie kwam, had ik nog niet het idee dat mijn naam ‘iets’ zou gaan betekenen – zou gaan staan voor een bepaald ‘individueel’ oeuvre. Het is onmogelijk te zeggen of ik achteraf gezien voor een collectieve benaming of een ander woord had moeten kiezen. Ik kan alleen zeggen dat er al vanaf mijn afstudeerwerk een thema, of beter gezegd een manier van kijken is geweest: hoe (of hoe niet) ik een grens tussen mij en het andere of de ander aanbreng, en hoe je verder kunt kijken dan de aangeboden kaders. Zo is het ook met kijken naar zoiets als de naam van een kunstenaar. Als je verder kijkt, is er altijd samenwerking, en is het maar de vraag wat de individuele kunstenaarsnaam betekent. Ik heb wel eens geprobeerd om alle mensen die betrokken waren bij de totstandkoming van een werk in de credits op te nemen; dat is oneindig. Hoe compleet je ook probeert te zijn, er zijn altijd onderdelen en schakels die worden vergeten of gemist.

Sinds de laatste maanden werk ik samen met (mijn partner) Arnout Meijer in en rondom een oude stolpboerderij uit 1873, achter de dijk van het IJsselmeer. We werken aan de gebouwen en in het landschap op een manier die we beiden toepassen in onze individuele praktijk. Ik vroeg me bijvoorbeeld bij bestaande museumcollecties af waarom iets wordt bewaard of achterhouden of weggegooid. En Arnout probeert altijd te werken met de materialen en elementen die er al zijn. Het is een plek die mijn eigen werk verrijkt, maar er ontstaat ook een nieuwe gezamenlijke manier van werken. Misschien word ik, naast mijn eigen naam, toch ook nog een echt collectief.

Met dank aan een gesprek dat ik ooit voerde met Melvin Moti in de Ateliers, en aan Arnout Meijer.

Saskia Noor van Imhoff (1982) studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie en ontwikkelde haar werk vervolgens bij de Ateliers en in Künstlerhaus Bethanien (Berlijn). Ze stelde onder meer tentoon in De Appel, Stedelijk Museum Amsterdam, het Arnulf Rainer Museum (Baden, Oostenrijk) en het Centre Georges Pompidou in Parijs. In 2017 was ze de laureaat van de ABN AMRO Kunstprijs en genomineerd voor de Prix de Rome. Haar werk is opgenomen in diverse publieke en private collecties.

Emke Idema

‘Pas als je aan het baren bent of aan het sterven heb je een excuus om niet te komen opdagen!’ Dat riep de docent tijdens mijn eerste les op de toneelacademie in Maastricht, terwijl iedereen er gewoon was. Tijdens de opleiding werd ons geweten gebrandmerkt met een ethiek van samenwerken: je bent verantwoordelijk voor elkaar, je mag de ander nooit laten zitten. Theater ontstaat telkens opnieuw, tijdens maken, repeteren, testen en uitvoeren, door bereidwillige samenkomst en openheid voor elkaar. Als het aan die toneelacademiedocent lag, zelfs tegen elke prijs.

Je zou kunnen zeggen dat theater een mini-samenleving is. Je hebt elkaar nodig om te kunnen functioneren: een speler, een regisseur, een ruimte, licht, een publiek, iemand die een publiek wijst op het bestaan van het kunstwerk, en hoe meer je investeert in de relaties, des te beter je gezamenlijk bestaat, althans, dat is de premisse. Dat maakt de praktijk van theater maken en de kunstwerken die daaruit voortkomen uitermate geschikt voor het oefenen van allerlei sociale en politieke relaties. We zijn namelijk al bereidwillig samen, en hoe vaak is dat nou eigenlijk het geval?

Hoe vind je balans tussen eigenbelang en het belang van het geheel? Hoe pleeg je doeltreffend verzet tegen de (regel)systemen waar je in leeft? Hoe bouw je samen het best een nieuwe orde op? Rond die vragen maakte ik de laatste jaren, met anderen, een serie spellen die hun uiteindelijke vorm pas vinden als een publiek ze speelt – zonder elkaar zijn we niets.

Als de ruimte van het theater op deze manier een samenleving blijkt te zijn, zowel binnen de voorstelling als binnen het maak- en productieproces, dan schept dat morele verplichtingen: dezelfde verplichtingen die er in een samenleving bestaan. We moeten zo inclusief mogelijk zijn, zo collectief mogelijk samenwerken, ons maakproces moet ons ideale politieke systeem representeren, onze voorstelling trouwens ook, we moeten altijd naar iedereen luisteren, onze vormen en ideeën mogen niemand uitsluiten…

En zie, daar heeft Martine het overgenomen. Martine is mijn kunstenaarssuperego, en ze kan verschrikkelijk dwingend zijn. Ik heb het regelmatig met haar aan de stok. Ik voel me schuldig als ik de stroperigheid van het samen beslissingen maken beu ben, als ik gefrustreerd raak wanneer iemand anders geen geduld heeft met mijn gestotter, of andersom, als ik me terug wil trekken om ongestoord te fantaseren. Ik voel me schuldig als ik liever iets alleen doe. Ben ik een ontaarde theatermaker omdat ik de momenten van werkelijk inzicht in mijn eentje beleef? Dat de ideeën die mijn meest hartstochtelijke maakdrift genereren meestal niet te plaatsen zijn voor mijn partners?

De stem van mijn intuïtie is zacht en klinkt telkens anders. Ze laat tijdens samenkomsten met anderen wel weten wat ze niet goed vindt, maar om te horen waar ze zelf heen wil moet ik alleen zijn. En zodra ik alleen ben, overschreeuwt mijn superego haar. Hoewel de vorm van mijn werk mijn moraal representeert, Martine to the max, mis ik soms de warmte en de schijnbare gekte van mijn intuïtie. Ik wil dat ze beter samenwerken. In een kunstenaarspraktijk in topconditie worden ze allebei gehoord.

 

Emke Idema (1980) studeerde Nederlands in Groningen, rondde de toneelacademie in Maastricht af en volgde de Master of Theatre bij DasArts in Amsterdam. Vanuit haar achtergrond als theatermaker doet ze artistiek onderzoek naar groepscultuur, relaties tussen individu en systeem, en de menselijke blik op de niet-menselijke omgeving. Ze maakte onder andere de theatrale spellen STRANGER, RULE en FOREST. In de eerste coronalockdown stelde ze het Omhelzingspakket samen: negen audio-aanraakverhalen die je aan iemand kunt schenken.

Bas van den Hurk & Jochem van Laarhoven

‘Decisive here is the idea of an inessential commonality, a solidarity that in no way concerns an essence,’ schrijft Giorgio Agamben in La comunità che viene, vertaald door Michael Hardt. ‘Taking-place, the communication of singularities in the attribute of extension, does not unite them in essence, but scatters them in existence.’ De openingszin van het boek uit 1990 luidt: ‘The coming being is whatever being.’ Dat duidt niet op willekeur (‘being, it does not matter which’), maar op precies het tegenovergestelde: ‘being such that it always matters’. Agamben ageert tegen een vastomlijnd denken over identiteit en reflecteert op een gemeenschap die voorbijgaat aan elke definitie van zichzelf.

In ‘The Artist as Producer in Times of Crisis’ uit 2004 introduceert Okwui Enwezor het begrip van een een networked collective: een ‘flexibel, niet-permanent samenwerkingsverband, waarin de voorkeur uitgaat naar samenwerkingen op projectbasis’. Conventionelere vormen van collectiviteit hebben volgens Enwezor een ‘gestructureerde modus vivendi, gebaseerd op permanente en vastomlijnde groepen makers gedurende een langere periode. Het auteurschap van dergelijke collectieven representeert de uitingen van de groep als geheel in plaats van die van de individuele kunstenaar.’ Ons collectief, Networked Collective, verwijst in naam en praktijk naar Enwezors begrip van samenwerken als een plooibare configuratie, wat voor ons onder andere tot uiting komt in kruisbestuivingen tussen verschillende kunstvormen en media. Maar ook in bredere zin benaderen we de notie van artistieke collectiviteit door, in de methode en vorm van het werk dat we maken, steeds ernaar te streven om vaste omlijningen te doorbreken en te bevragen – om een openheid te creëren waarin whatever wordt omarmt.

Networked Collective bestaat uit een wisselende groep van ongeveer dertig kunstenaars, theatermakers, acteurs, performers, theoretici en studenten die samen residenties doen en tentoonstellingen, voorstellingen en publicaties maken. Collectief onderzoeken we het spanningsveld tussen het sociale proces van samenwerken en samenleven enerzijds, en de formele autonome kwaliteiten van het werk dat daaruit voortkomt anderzijds. Onze praktijk is steeds een voorstel over deze wisselwerking. Een kenmerkend onderdeel van ons werk zijn layer-sessions, gebaseerd op het simpele principe van de overdub. Iemand improviseert een liveperformance, een set of een run. Dat kan met een klassiek instrument, maar ook met de eigen stem, een schilderskwast, een ui of de vloer. Er wordt een podium gecreëerd, waarin anderen de performance vastleggen, met camera, geluid en licht. Er ontstaat groepsconcentratie. In een volgende opname voegt iemand een nieuwe laag toe, speelt er overheen. Camera’s, kostuums, instrumenten en opnameapparatuur: alle media, attributen en rollen rouleren. Dat resulteert in videoclips waarin alle participanten met elkaar samen spelen of maken door verschillende tijds- en geluidslagen heen.

Dit principe nodigt zowel uit om het ritme en tempo te volgen als om ertegenin te gaan. Het niet-dogmatische, onbepaalde samenspel waarin je plezier hebt, is voor ons whatever being. Het is radicaal open, alles kan gebeuren en alles is extreem belangrijk. Je luistert naar elkaar, je voegt iets toe, je bent stil, aanwezig, je gaat mee of vormt de dissonant, je bent on stage, off stage.

De pluriformiteit van de layer-sessions zorgt ervoor dat ze op verschillende manieren begrepen kunnen worden. Het resultaat kan functioneren als een opzichzelfstaand kunstwerk, maar ook als soundtrack voor een ander videofragment. Autonomie en toepassing wisselen elkaar af en dagen elkaar uit. Is het een jamsessie? Is het muziek? Is het een soundtrack? Is het collectief? Is het individueel? Zoals Anna Lowenhaupt Tsing schrijft: ‘Telkens weer word ik daarbij geconfronteerd met patchiness, met dat mozaïek van open assemblages van verstrengelde levensvormen die elk op hun beurt weer leiden naar een mozaïek van ritmes in de tijd en krommingen in de ruimte. Mijn stelling is dat we pas zullen opmerken in wat voor toestand onze wereld verkeert, als we erkennen dat de gehele aardbol zich in een staat van precariteit bevindt.’

 

Bas van den Hurk (1965) en Jochem van Laarhoven (1988) werken sinds vier jaar aan een onderzoek naar de verhouding tussen beeldende kunst en theater, vaak in collectieve vorm. Deze tekst kwam mede tot stand aan de hand van gesprekken met kunstenaars/acteurs die onderdeel zijn van Networked Collective: Samieh Shahcheraghi, Marijn van Kreij, Lotte Driessen, Felix Kindermann, Chrys Amaya Michailidis en Reinout Scholten van Aschat.

Kelly Hendriks

Ik ben zelfstandig architect geworden, niet zozeer omdat ik eigen projecten wou realiseren, maar omdat ik op zoek wou gaan naar een ander proces om architectuur te maken. Dat leek me boeiender, en het was de drijfveer om een bureau te beginnen in 2009, samen met Bruno Despierre. Ik heb voor Christian Kieckens gewerkt, voor 51N4E, en ook een korte periode bij OMA in New York. Dat waren verschillende ervaringen en uiteenlopende vormen van samenwerken. Met B-ILD wil ik auteur proberen zijn van een proces, eerder dan van een architectonisch object als eindresultaat. Die klassiekere vorm van auteurschap kan en wil ik niet claimen.

Dat werd mij al duidelijk tijdens mijn opleiding aan Sint-Lucas in Gent, waar ik de opvattingen te eng vond, te veel op individueel auteurschap gericht. Ik heb daarom ook elders gestudeerd: in Barcelona, in Tokio, in Fukuoka, maar ook aan de Technische Universiteit Eindhoven. Ik wou zoveel mogelijk leren kennen, en die jaren beschouw ik als een solotraject waarin ik me bewust ben geworden van de complexiteit van architectuur en van het belang van het proces. Een gebouw is meer dan een pennentrek of een schets. Ik ontwerp bijna nooit – ik ben de hele tijd bezig met het garanderen en optimaliseren van een proces.

Het zijn de medewerkers van B-ILD die het werk doen. Bruno is de office manager, en ik superviseer alle projecten. Dat is een betere structuur dan in de beginjaren, toen we allebei een identieke rol probeerden op te nemen, en er soms onduidelijkheid en verwarring ontstond, ook bij onze werknemers. Er is een persoonlijke visie op ontwerp en architectuur, maar dat gedeelte van een project wordt beperkt gehouden. Er moet voldoende tijd en ruimte overblijven om anderen bij de totstandkoming te betrekken, zoals de bouwheer, de gebruikers, de ingenieurs en de onderaannemers, maar ook de architecten waarmee we samenwerken. De financiële haalbaarheid staat voorop, maar mag kwaliteit niet belemmeren. Daarom zijn er regels. We maken geen details, en we beperken ons tot basisaansluitingen. Per project introduceren we niet meer dan één nieuw materiaal of één bouwtechniek waar we nog niet eerder mee gewerkt hebben. Er ontstaat dan voldoende tijd om dat nieuwe aspect uitgebreid te onderzoeken. Rationaliteit, helderheid, economische aspecten en vormen van symmetrie staan voorop, gewoon om zeker te zijn dat het gebouw te realiseren valt, ook zonder dat je een beroep moet doen op virtuoos vakmanschap. Dat is de realiteit waarbinnen ik wil werken, en de medewerkers weten dat. Het is daarom ook, denk ik, dat het werk coherent en herkenbaar blijft.

Door voortdurend met zoveel mensen samen te werken en te overleggen, heb ik soms het gevoel te weinig met mezelf bezig te zijn – met mijn eigen vorming en ontwikkeling. Daarom ga ik toch op zoek naar manieren om buiten het bureau te stappen. Ik heb recent besloten om op vrijdag les te geven aan de UHasselt. Door studenten basisbeginselen bij te proberen brengen, ga je je automatisch veel kritischer opstellen – je vertelt niet zomaar wat aan je studenten. Onderwijs is dus een manier om scherp te blijven, door één dag per week persoonlijk en alleen bezig te zijn.

 

Kelly Hendriks (1981) is architect en stedenbouwkundige. Ze leidt het Brusselse bureau B-ILD, dat in 2019 werd onderscheiden met de prijs Jo Crepain in de categorie ‘Beloftevol Architectuurbureau’. De voorbije jaren realiseerde B-ILD onder meer een multifunctioneel gebouw voor de gemeente Herent, een schoolgebouw in Tienen, een skatepark in Blankenberge en een huis voor twaalf kinderen in Linter voor de vzw Levenslust.

Sébastien Hendrickx

De vraag die je als dramaturg het vaakst krijgt voorgeschoteld: ‘Wat is een dramaturg?’ In het Frans gaat het om een schrijver van toneelstukken. Mijn praktijk situeert zich eerder in de Duitse traditie. Een dramaturg helpt daar, vanuit een brede kennis van het theaterrepertoire, een regisseur om stukken te kiezen, te bewerken en te ensceneren. De postdramatische golf, die in de jaren tachtig en negentig op dreef kwam en in Vlaanderen een van de dominante krachten werd, heeft dat werk ingrijpend veranderd. Het repertoire, de dramatische ontwikkeling en soms zelfs de taal in het algemeen, verloren hun centrale rol. Andere media, performativiteit, beweging, licht, muziek, geluid, scenografie en video kwamen op meer gelijke voet te staan met tekst. Sindsdien moeten dramaturgen binnen elk creatieproces hun praktijk min of meer heruitvinden. Ook de kennis waarover ze dienen te beschikken, staat niet vast. Geen wonder dat we soms als vage alchemisten worden gewantrouwd! Toch vind ik mijn werk behoorlijk concreet. In grote lijnen gaat het om drie grote opdrachten: voorbereidend artistiek onderzoek voeren en begeleiden, feedback geven op een voorstelling in ontwikkeling, en ten slotte het publieke leven van een stuk ondersteunen met programmateksten en nagesprekken.

Méér dan het gros van de kunsten en de literatuur zijn de podiumkunsten het product van creatieve samenwerking. Spelers, dansers, scenografen, componisten, licht- en kostuumontwerpers zijn zelden zomaar de uitvoerders van een blauwdruk die geïsoleerd opdoemt in de geest van een regisseur, theatermaker of choreograaf. Vaker zijn zij medemakers, medeauteurs. Of een artistiek team eerder horizontaal of verticaal werkt, een voorstelling ontstaat op het kruispunt van transindividuele verbeeldingen. De positie van een dramaturg is particulier: hij of zij staat met één voet in en één voet buiten het creatieproces. Afhankelijk van het project bevind ik me meer aan de kant van de maker of van het publiek. Net als heel wat collega’s-dramaturgen ontwikkelde ik gaandeweg een complexe verhouding tot auteurschap: onvermijdelijk brengen we steeds eigen speculaties over een voorstelling mee, terwijl we ons vanuit een dienende rol moeten inleven in de verbeelding van de auteur(s) waarmee of waarvoor we werken. Wat ik soms moeilijk vind, is ook wat me onafgebroken blijft boeien: dramaturgie als een oefening in esthetische empathie.

Terwijl ik me de afgelopen jaren met veel hartstocht kon verplaatsen in de uiteenlopende poëtica’s van onder meer Benjamin Verdonck, Thomas Bellinck, Luanda Casella en Alexander Vantournhout, groeide het verlangen naar eigen auteurschap. De weg naar de première van mijn debuutvoorstelling The Good Life (2021), een soloperformance rond het goede leven in tijden van ecologische catastrofe, was lang en hobbelig. Ik had geleerd om me te verplaatsen in het werk van anderen; hoe kon ik me verplaatsen in mijn ‘eigen werk’? Welk soort podiumkunst wilde ik maken? Nu ik aan de andere kant stond, eindelijk met twee voeten in het creatieproces, merkte ik pas goed hoezeer je stem zich ontwikkelt onder invloed van (en in confrontatie met) vele andere verwante stemmen. Zonder de verbeeldingen van lichtontwerper Michaël Janssens, componist Jürgen De Blonde, spelcoach Lucius Romeo-Fromm en dramaturg Kristof van Baarle was er geen ‘eigen’ debuut geweest – geen solide basis voor toekomstig ‘eigen’ werk.

 

Sébastien Hendrickx (1983) is podiumkunstenaar, dramaturg en kunstcriticus. Hij maakt deel uit van de redactie van Etcetera en geeft les aan KASK/School of Arts in Gent. Na zijn debuut The Good Life werkt hij aan Moddertong, rond moeder, taal en aarde. Als activist is hij verbonden aan Extinction Rebellion en Het Burgerparlement.

Raquel van Haver

Je kunt als schilder in je eentje schilderen en je werk verkopen op een lokale markt of in een galerie, maar je kunt ook een bedrijf runnen, met een studio manager, personal assistant, pr-manager, iemand die kan helpen (op)bouwen of de onderlagen schildert. Je brengt allerlei vaardigheden bij elkaar, onder een naam, als collectief of beweging. Kijk naar Igshaan Adams uit Zuid-Afrika, bijvoorbeeld.

Bij grotere namen of producties kan het individuele verdwijnen en neemt het collectief de overhand. Wat als alles door assistenten is gemaakt, of geheel is uitbesteed? De kunstenaar is dan eerder een brand of movement geworden. Je kunt je afvragen of het erg is om de kunstenaar als merk te zien en om het creatieve proces niet meer op de eerste plaats te zetten, maar te kijken naar het gemeenschappelijke doel, het eindresultaat. Moet het verhaal een gemeenschap meeslepen en dragen, moet het werk voor educatie dienen, of moet het de droom verkopen dat het van bij een eenzame kunstenaar komt?

Kunst gaat er ook over om een ‘idee’, het grotere plaatje, te verkopen. Kudzanai Chiurai uit Zimbabwe werkt bijvoorbeeld onder eigen naam met verschillende kunstenaars en makers, die hij bij wijze van spreken schoolt. Zo houdt hij zijn collectief bij elkaar. Ibrahim Mahama uit Ghana, met wie ik samenwerk, creëert een internationaal ecosysteem om het project Red Clay Silo en het Savannah Centre for Contemporary Art in Tamale te realiseren: hij draagt niet alleen zijn eigen instituut, maar ook zijn eigen markt, waarin teruggeven aan de lokale community een grote rol speelt. De ‘waarde’ die binnenkomt, gaat weer terug naar het project, naar educatie; het wordt ingezet om de ‘markt’ in eigen handen te houden, om te archiveren en kennis over te dragen en een verandering in gang te zetten.

Collectieven kunnen zelf naar beurzen gaan, zonder galeries. Naatal is een agentschap dat Zuid-Afrikaanse kunst op een nieuwe manier op beurzen presenteert. De vraag naar galeries die door lokale markten worden gestuurd, wordt steeds groter. Collectieven zijn sterker: je kunt gezamenlijk funding ophalen voor projecten (en dan delen). Wat je ziet bij collectieven die met NFT’s, non-fungible tokens, werken – zoals Frerara, dat ik samen met Frederick Calmes en Raul Balai heb opgericht – is dat waar je bent niet zo belangrijk meer is. Het belang van NFT’s, ook al zijn ze niet zonder problemen, is dat de kunstenaar centraal komt te staan, dat de eigenaar belangrijk wordt, en dat het een open markt is.

Veel collectieven halen hun voordeel uit een fluïde werkwijze. Je kunt een studio delen, maar ook kennis bij elkaar brengen. Denae Howard doet dat met Culture Push in New York: een instituut zonder vaste plek, met een nomadisch bestaan. Het wordt erkend als een collectief dat buiten de lijntjes van het systeem kan groeien. Visuele statements – ik denk bijvoorbeeld aan het werk van de Zuid-Afrikaanse activist en fotograaf Zanele Muholi – kunnen hele community’s meedragen op hun tocht naar verandering, vanuit een emotie of een kracht, door een boodschap uit te dragen en door het delen van kennis.

Wat je feitelijk als kunstenaar wilt, is je eigen ecosysteem vormen: je wilt alles binnen bereik houden. Een collectieve vorm zorgt ervoor dat je nog meer bereik hebt om een verhaal te vertellen. Je hebt verschillende facetten van het kunstenaarschap nodig om dat voor elkaar te krijgen.

 

Raquel van Haver (1989) werd geboren in Bogota, Colombia, en woont en werkt in Amsterdam. In 2012 studeerde ze af aan de Hogeschool voor de Kunsten (Utrecht). Ze staat bekend om haar rauwe, narratieve en figuratieve schilderstijl en haar werken op groot formaat. Haar werk is bekroond met de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst, ze had een solo-expositie in het Stedelijk Museum Amsterdam (Spirits of the Soil, 2019) en stelde over de hele wereld tentoon, van Londen tot Miami.

Johan Hartle

De geschiedenis kent heroïsche en niet-heroïsche vormen van eenzaamheid. Monniken, intellectuelen, gedetineerde revolutionairen en kunstenaars zonderden zich – vrijwillig of onder dwang – af om toegang te krijgen tot iets dat in de banaliteit van de dagelijkse praktijk ongrijpbaar bleek te zijn. Ze trokken zich terug op zolderkamertjes, in kloosters, studio’s, of in de woestijn; ze fietsten de gracht in of verdwenen op een klein bootje in de oceaan. Op zoek naar iets dat er (nog) niet was. Het solisme bleef indirect – allegorisch – verbonden aan het streven naar iets universeels, als een dialectiek van de eenzaamheid.

Toen ik zelf een paar decennia geleden geïnteresseerd raakte in kunst, filosofie en politiek, raakte ik sterk onder de indruk van dergelijke heroïsche houdingen. Tijdens mijn studie filosofie (twee decennia voor ik zelf vitiligo kreeg) schreef ik een stuk over de huidziektes en andere lichamelijke of psychologische kwalen van verschillende revolutionairen: Jean-Paul Marat had een huidaandoening (David beeldde de vermoorde martelaar af in bad, waar hij vaak in moest zitten als remedie tegen de jeuk), Trotski leed aan astma, Hölderlin werd krankzinnig en schreef pagina’s vol met gebrabbel. Het is alsof de strijd die deze figuren voerden en de pogingen die ze deden om hun eigen weg te gaan, zich symptomatisch uitten in een fysieke agressie jegens zichzelf.

In mijn huidige functie, als rector van een kunstacademie, word ik soms gedwongen om een traditie van Alleingang te spiegelen – om afstand te bewaren. Hoe sympathiek mijn collega’s en hun individuele belangen ook zijn, om het geheel van een instelling te vertegenwoordigen is het niet altijd mogelijk om gezellig mee te doen.

Niet-heroïsche vormen van individualiteit, eenzaamheid of isolatie zijn vrij van een dergelijke dialectiek en verwijzen naar niets dan zichzelf. Dat is de banaliteit van eenzaamheid onder kapitalistische voorwaarden: waar atomisering de noodzakelijke verschijning van een antagonistische maatschappij is, blijft eenzaamheid puur tautologisch. In die zin zijn narcisme, zelf-optimalisering en zelfpromotie postheroïsche herhalingen. De breuk tussen modernistische en postmodernistische vormen van individualiteit ligt precies in dit onderscheid. Maar wie kan zich er ooit van vrijwaren om een betere positionering in de sociale ruimte na te streven?

Binnen een systeem waarin het streven naar zelfbehoud samenvalt met sociale fragmentatie, bevat collectiviteit een belofte van kritiek. De schijn van een kritische houding is verbonden aan het idee dat de individuele kunstenaar of de individuele toeschouwer wordt opgeheven in grotere sociale vormen en dat antagonismen overstegen kunnen worden. Daarin zit het idee – de droom – vervat dat een andere maatschappij, andere levensvormen, via de kunst tastbaar zouden kunnen worden. Maar de vormen van (zelf)valorisatie die in de kunst aan het werk zijn en de geschiedenis van de moderne kunst wezenlijk constitueren – de positionering van een relevante artistieke houding op de kunstmarkt en de verzameling van cultureel kapitaal – worden door een dergelijke kritiek niet aangeraakt.

Collectiviteit binnen de kunst is in die zin enkel een imaginaire oplossing van reële conflicten (ideologie). Voor zover dit tegelijk verwijst naar de wezenlijke onmogelijkheid van collectiviteit onder de huidige omstandigheden, is een dergelijke ideologie eveneens heroïsch. Want blijven er binnen een niet-cynische vorm van collectiviteit niet ook altijd momenten van eenzaamheid aanwezig (rouw, melancholie, het bewustzijn van iets dat niet – nog niet of niet meer – grijpbaar is)? Het wordt echter cynisch als het enkel gaat om een bevestiging van bestaande milieus en binnen kliekjes van ‘insiders’ tot uiting komt. Deze dunne lijn tussen cynische en niet-cynische collectieve praktijken in het hedendaagse kunstveld is volgens mij cruciaal, en wordt uiteindelijk ook gedefinieerd door een dialectiek tussen individualiteit en collectiviteit. Het vermogen om deze van elkaar te onderscheiden, en dus ook de mogelijkheid te behouden van heroïsche eenzaamheid (Enzo Traverso noemt het ‘linkse melancholie’), blijft volgens mij ook vandaag nog een voorwaarde voor (kunst)kritiek.

 

Johan Hartle (1976) is rector van de Akademie der bildenden Künste Wien en adjunct professor filosofie en kunsttheorie aan de China Academy of Art (CAA) in Hangzhou. Hij publiceerde onder meer The ‘Aging’ of Adorno’s Aesthetic Theory. Fifty Years Later (Mimesis International, 2021) en Aesthetic Marx (Bloomsbury, 2017) (beide met Samir Gandesha).

Johan Grimonprez

Film betekent per definitie een samenwerking, je werkt samen met een team. Voor mijn toekomstige langspeelfilm, Soundtrack to a Coup d’État, werk ik bijvoorbeeld samen met archiviste Judy Aley uit New York. De film gaat over het koloniale verleden, met name over wat het Afrikajaar genoemd werd bij de Verenigde Naties, waar de Algemene Vergadering in 1960 voor het eerst wordt bespeeld door de meerderheid van Afrikaanse landen. Daar ontstaat echt hoop op verandering vanuit het antikoloniale gedachtengoed, en dat is bedreigend voor veel westerse landen, waaronder België. Het is ook de vergadering waar Chroesjtsjov persoonlijk aanwezig is en met zijn schoen op de katheder slaat naar aanleiding van Kongo, dat was ongezien. Ook leiders als Nasser en Castro zijn erbij. Castro wordt uit zijn hotel gezet en verhuist naar een onderkomen in Harlem. In de vergaderzalen van de VN vindt bewustwording plaats over de dekolonisatie, terwijl op straat de Civil Rights Movement woedt. Ondertussen worden jazzmuzikanten als Louis Armstrong en Duke Ellington na bemiddeling van de CIA uitgezonden als culturele ambassadeurs. Armstrong komt aan in Katanga wanneer Lumumba daar vastzit. Ellington reist in 1963 naar Bagdad en de nacht dat hij er landt, vindt er een staatsgreep plaats. Er gebeurt ontzettend veel tegelijk, Judy weet daar direct haar weg in te vinden. Je geeft haar een paar trefwoorden en ze is vertrokken. Het is alsof je jazz speelt, vanuit samenspel kom je tot de solo’s en dan keer je weer terug. Judy heb ik leren kennen bij het maken van Shadow World. Ze werkte al met Spike Lee, en met Michael Moore. Bij een documentaire werk je niet met een script of acteurs, maar met het archief, dus de functie die zij vervult is fundamenteel. Bij dial H-I-S-T-O-R-Y heb ik dat nog zelf gedaan, met een assistent. Toen zat ik 21 dagen lang in het archief van ABC News. Je kon nog niet videostreamen. Typte je de term hijack in als steekwoord, dan had je duizend documenten!

Het schrijven van een documentaire gebeurt voor een groot stuk, bij mij althans, in de montage. Daar heb je een klankbord nodig, en dat is de editor. Daar zit ik dan dag in dag uit mee samen, en dan ook nog met iemand voor de postproductie. Heel belangrijk is de samenwerking met de muzikant, en ook de sounddesigner. Ik noem hier Ranko Pauković, die met zijn klanken echt een hele eigen ruimte schept. En dan is er nog de producer, voor de toekomstige film is dat weer Daan Millius: het is superbelangrijk dat je op een goede manier aan centen komt.

Aan zo’n film is al samenwerking of dialoog voorafgegaan. Je staat als regisseur op de schouders van een heel pak andere makers en schrijvers. Ludo De Witte bijvoorbeeld, of In Koli Jean Bofane, en zeker ook Andrée Blouin die alledrie een narratieve stem in de film vertolken. Blouin was de rechterhand van Patrice Lumumba, en via haar dochter mogen we haar super-8-filmmateriaal verwerken. Ze zette een vrouwenbeweging op in Oost-Congo, hoewel vrouwen geen stemrecht hadden.

Op de credits van mijn films verschijnt altijd: ‘Johan Grimonprez in samenwerking met…’. Er staat heel veel ander talent naast het mijne. Als regisseur ben je een dirigent of een bandleider, en door het samenspel krijgt je eigen inzet meer reliëf. Wat niet hoeft te betekenen dat het allemaal vlotjes verloopt. Je kan elkaar in de haren vliegen, maar dat kan ook een kruisbestuiving betekenen.

Ik ben ervan overtuigd dat subjectiviteit altijd relationeel is; dat je pas betekenis krijgt als individu door in een gemeenschap te stappen. Het kunstenaarsgenie is echt achterhaald. Net als het ‘cogito ergo sum’. Neen, het moet zijn: we dialogeren, daarom bestaan we. Ik geef regelmatig een workshop over gemeengoed, de commons. En net als Negri en Hardt spreek ik dan over het bewustzijn van gemeengoed, dat als een taal fungeert – je deelt ze, je gebruikt ze om je uit te drukken, zonder die taal zou je je niet kunnen uitdrukken. Dat betekent dus niet dat het ik niet bestaat, of dat subjectiviteit niet bestaat. Gemeengoed is géén communisme, waar het collectief immers ten koste gaat van het subject. Bij de commons krijgt het individu pas betekenis in relatie tot de gemeenschap. De groeiende aandacht voor collectieven kan ik alleen maar toejuichen. Zeker in een tijd waarin de politiek is ingenomen door lobbybedrijven, een corporate coup d’état, zoals in Shadow World en ook in Blue Orchids te zien viel. Een tijd waarin social distancing een pluspunt leek te worden.

 

Johan Grimonprez (1962) is filmmaker, onder meer van dial H-I-S-T-O-R-Y (1997, met Don DeLillo), Double Take (2009, met Tom McCarthy) en Shadow World (2016, met Andrew Feinstein). Als curator had hij projecten in onder andere het MoMA (New York) en de Pinakothek der Moderne (München). Bij zijn films maakte hij ook publicaties als Inflight (Hatje Cantz, 2000) en Looking for Alfred (Hatje Cantz, 2007). Hij was gastdocent aan universiteiten en onderzoekscentra. Momenteel heeft hij een onderzoeksbeurs aan HOGENT/KASK.

Zachary Formwalt

In de lente van 2021 werd ik als kunstenaar uitgenodigd om een gastles te geven aan de University of Chicago. Die was georganiseerd door drie professoren, verbonden aan twee universiteiten en een kunstschool, en de titel luidde: Economic Objects. Capitalism as Medium. Een paar maanden later stelden ze voor samen te werken, onder meer aan een film. Daar ben ik nu mee bezig. Hoewel ik veel tijd alleen doorbreng terwijl ik de film maak, staan we in contact via e-mail, delen we referenties en ideeën over hoe het project vorm kan krijgen, en plannen we in de komende maanden een aantal gezamenlijke leessessies. Het is moeilijk om onze agenda’s op elkaar af te stemmen: twee groepsleden bevinden zich in Chicago, twee deelnemers zitten in Europa, en voor de anderen is deze opdracht momenteel niet hun hoofdbezigheid, dus hebben we niet zo vaak kunnen overleggen als ik vooraf had gedacht. Maar het project loopt, en het begint me te lukken om goed te werken binnen dit tijdelijke kader.

Voor mij functioneert dit soort samenwerking goed omdat het om een kleine groep gaat (we zijn met z’n vieren) en omdat het een combinatie is van autonoom werk en collectieve inzet. We zijn ongeveer halfweg, het is nog niet makkelijk om te voorspellen wat het resultaat zal zijn. Maar dat vind ik een van de voordelen van werken in groep: er ligt minder druk op het eindresultaat omdat het proces zelf al gedeeld wordt. Zelfs als de film uiteindelijk niet voltooid raakt, dan nog zullen we een jaar lang binnen deze groep hebben samengewerkt. En wie weet hoe het project later dan toch nog een vervolg kan krijgen, als we al lang weer met anderen aan iets anders werken.

Maar als de film er in de herfst komt, dan zal mijn naam eraan verbonden zijn. We hadden niet de bedoeling om een collectieve naam te bedenken voor dat deel van het project, en ik denk ook niet dat zo’n naam een voorwaarde is voor collectief werk. In mijn eigen praktijk betekent collectief werken vooral dat je op andere manieren betrokken raakt in een project waarin ook andere mensen betrokken zijn, zonder dat ik het nodig vind om mijn eigen auteurschap te benadrukken. Als kunstenaar en als docent vind ik het cruciaal om verschillende rollen aan te nemen in verschillende projecten – die van mezelf en van anderen. Ik hou ervan om alleen iets te maken, maar ik hou er ook van om iets met anderen te maken. Er zijn momenten binnen een praktijk die niet zouden bestaan zonder anderen. Films maken, essays schrijven, tentoonstellingen maken, lesgeven, iets maken – het is een collectief proces of het is helemaal niets.

 

Zachary Formwalt (1979) woont en werkt in Amsterdam. In 2021 presenteerde hij soloprojecten in de Akademie der bildenden Künste Wien (Oostenrijk) en het Museum of Contemporary Art Busan (Zuid-Korea). Zijn essays verschenen in onder andere Grey RoomOpenKunstlicht, en Metropolis M. Daarnaast doceert hij theorie aan de afdeling Grafisch Ontwerpen van de Rietveld Academie in Amsterdam.

Hendrik Folkerts

Ik maakte deel uit van het curatorenteam van Documenta 14 (2017), geleid door Adam Szymczyk. De tentoonstelling vond plaats op twee verschillende locaties (in Kassel en Athene), wat ‘migratie’ van kunstwerken met zich meebracht, en een focus op learning/unlearning. Het samenstellen en opbouwen van de tentoonstelling was een betekenisvolle oefening: de samenwerking tussen de curatoren was een cruciale factor in het creëren van een context waarin de kunstenaars opereerden – zo’n 175 kunstenaars namen deel, waarvan de meesten nieuw werk maakten. Uiteindelijk werkten we allemaal aan dezelfde expositie, die uiteraard de vorm had van een tentoonstelling, maar waar ook een methodologie van decentralisatie en fragmentatie achter zat die we allemaal uitdroegen in ons werk aan de presentatie. Natuurlijk waren er ook dramatische momenten, met botsingen en spanningen, die niet altíjd productief waren. Samenwerken betekent ook luisteren, en niet keer op keer je eigen mening verkondigen. Niet iedereen kan dat. Maar frictie en spanning zijn ook nodig om ideeën te laten groeien. Mensen die zeggen dat samenwerken een soort Kum ba yah is: leuk, maar het is niet de realiteit; er moet ook wat loskomen. Het is ondertussen alweer een aantal jaar geleden, dus je vergeet de negatieve dingen en het positieve blijft over, maar ik denk dat er uiteindelijk iets heel moois gebouwd is, waar iedereen achter kon staan – wellicht niet in de meest ideale vorm die ieder individu had gewenst, maar zonder compromissen kom je er niet.

Als curator ben je ook facilitator. Kunstwerken aankopen voor de vaste collectie van een museum of het cureren van groepstentoonstellingen geeft je een redelijk grote mate van ‘auteurschap’. Voor solo-exposities en nieuw werk in opdracht is het juist goed om een stapje terug te zetten en eerder een gesprekspartner en soms zelfs researcher voor de kunstenaar te worden. De curator moet dan niet té aanwezig zijn. Werk in opdracht laten maken, commissioning, is de nauwste vorm van samenwerking die ik met makers heb. In het Art Institute of Chicago nodigde ik voor de performanceserie Iterations (2019-2020) kunstenaars uit om werk te maken in en voor het museum. Het Art Institute is een van de oudste en grootste kunstinstituten ter wereld, dat niet zo gewend was om op deze manier te werken. We nodigden de makers uit om met ons door het gebouw te lopen en een ruimte te vinden die hen aansprak. Centraal stond de vraag waar zij mee bezig waren en wat ze nodig hadden. Zo’n coöperatie met een kunstenaar wordt vervolgens vervlochten met de samenwerking met medewerkers van het museum, om intern een infrastructuur op te zetten om het werk te hosten – van een vloer die niet te hard is voor dansers tot het voorbereiden van het publiek voor een presentatie die buiten de gebaande paden van een tentoonstellingsbezoek valt.

Commissioning is voor mij een hele rijke manier om een samenwerking tussen kunstenaar, curator en instituut te benaderen en in gang te zetten. Je eist veel van de kunstenaar en benadert vooral makers die openstaan voor dialoog, maar het gaat er uiteindelijk om hoe je het werk op de beste manier kunt tonen. Je vertrekt niet vanuit institutionele voorwaarden waarbinnen een werk een plaats krijgt, maar probeert het om te draaien: hoe kunnen wij de manier van werken binnen een instituut omvormen zodat de kunstenaar centraal komt te staan?

 

Hendrik Folkerts (1984) is Curator of International Contemporary Art bij Moderna Museet (Stockholm). Daarvoor was hij actief als Dittmer Curator of Modern and Contemporary Art bij het Art Institute of Chicago, curator van Documenta 14, Curator of Performance, Film, and Discursive Programmes bij het Stedelijk Museum Amsterdam, en coördinator van het Curatorial Programme van De Appel (Amsterdam).

Rutger Emmelkamp & Miek Zwamborn

Of een werk solistisch of in samenwerking tot stand komt is niet heel relevant, al zal het de aard van het werk wel beïnvloeden. Veel belangrijker is hoe een werk ontvangen en opgenomen wordt door de gemeenschap en zo door kan groeien of juist vereenzaamt. Wij zouden de aandacht daarom graag willen verschuiven van het auteurschap en de totstandkoming van een werk naar de levensloop, de inbedding en de vertakkingskracht ervan.

Sinds vijf jaar proberen we hiervoor een vorm te vinden via KNOCKvologan op het Schotse eiland Mull: een collectieve experimentele studieplek zonder muren met een wisselende bezetting van kunstenaars, ontwerpers, schrijvers, componisten en wetenschappers. Ons werk bestaat uit het gidsen van de deelnemers en zorg dragen voor het collectieve geheugen van deze plek. Alle projecten die hier ontspruiten, hebben hetzelfde zeelandschap als uitgangspunt. Via verschillende perspectieven en insteken ontstaat er door de tijd heen een gelaagd portret dat uitnodigt tot reflectie, discussie en transformatie. De werken vullen elkaar aan doordat elke maker op eigen wijze het gebied benadert en deze (ervarings-)kennis openbaar maakt.

Zo deed Eamonn Harnett afgelopen herfst, tijdens zijn residentie Successional Horizons, onderzoek naar het traditionele ambacht van visfuiken maken in zowel Europese als niet-Europese geschiedenissen. Hij verbond dat met animistische wereldbeelden en nieuwe vormen van animisme die onze relatie met de natuurlijke wereld vorm geven. In zijn afsluitende tentoonstelling/lezing stelde hij de praktijk van commoning voor als alternatief voor kapitalistische percepties; een uitwisseling tussen wilg en maker, tussen visser en kreeft, tussen erfgoed en heden, tussen vreemd en inheems, tussen intiem en economisch. Zintuiglijk theatermaker Sien Vanmaele bestudeerde de eetbare kustlijn. Ze ontwikkelde een ritueel om de zee te eren en experimenteerde met zilte fermentaties die zullen leiden tot ZEEMAAL van de toekomst. En bandleiders/improvisators/componisten Ig Henneman en Ab Baars zullen in maart samen met de lokale dichters Jan Sutch Pickard en Derek Crook improviseren (altviool, saxofoon, klarinet, shakuhachi en stem) op de klanken van het landschap: vogelzang, het burlen van herten, de Keltische taal, wind, water, wier en gesteente.

Door onze opzet maakt het individuele onderzoek van onze gastmakers vanzelf deel uit van een gezamenlijk zoeken en verbeelden. Er ontstaat zo een steeds rijker sediment, gevoed door een kring van makers die waardevolle inzichten en werken genereren. Omgekeerd is het ook de voedingsbodem die de deelnemers verrijkt en aanscherpt. De werken die onze gastmakers achterlaten, kunnen gezien worden als voorstellen voor een andere kijk op en relatie met dit gebied. Het is aan de toeschouwer om deze handreiking vervolgens aan te gaan en het werk tot wasdom te brengen.

 

Rutger Emmelkamp (1975) is beeldend kunstenaar, docent, curator en oprichter van de collectieve studieplek KNOCKvologan. Hij gaf leiding aan de afdeling Jewellery aan de Gerrit Rietveld Academie en initieerde nationale en internationale groepstentoonstellingen. Naast het runnen van de residentie richt hij zich op schilderkunst, cartografie en (pinhole) fotografie. Miek Zwamborn (1974) is schrijver en beeldend kunstenaar. Sinds 2016 richt zij zich op de kustlijn van en het Keltisch regenwoud op het Schotse eiland Mull waar zij de collectieve studieplek KNOCKvologan heeft opgericht. Haar essayistische werk en haar poëzie verschijnen met regelmaat in literaire tijdschriften. Naast kunstenaarsboeken en romans publiceerde zij de poëtische veldgids Wieren (Van Oorschot, 2018) die werd vertaald naar het Engels, Duits en Italiaans.

Caroline Dumalin

Nagenoeg alles wat ik doe is samenwerken of gesprekken voeren. Zoals velen combineer ik verschillende dingen op één dag, met verschillende mensen. Dat leidt onvermijdelijk tot multitasken – en zoals Byung-Chul Han het zegt, is dat een overlevingstechniek in de jungle. Daar ben ik me bewust van, maar het staat, denk ik, betekenisvol werk niet in de weg.

Ik werk voor Morpho, een residentieplek en atelierorganisatie in Antwerpen, en dat is ander werk dan wat ik daarvoor deed: in een kunstenhuis als curator, natuurlijk ook in teamverband, vaak maandenlang aan één solotentoonstelling van één kunstenaar werken en een catalogus maken. Ik werk binnen een constellatie van kunstenaars, en samen proberen we een gemeenschap vorm te geven. Wij geven kunstenaars niet zomaar een individuele werkplek: zij vormen binnen Morpho een collectief dat duurzame relaties aangaat en trajecten opbouwt. We gaan op zoek naar de kruisbestuiving tussen beeldende kunst en praktijken – van tuinieren en koken tot geluidskunst en performance – die minder goed gedijen in traditionele organisaties, en waaraan een residentieplek ruimte kan bieden. Onze residenten zijn geïnteresseerd in de uitwisseling van contacten, ideeën en invloeden. Het heeft geen zin om op residentie te gaan om in je eentje in je atelier te produceren. Dan kan je beter een atelier huren.

Elke kunstenaar in residentie wordt bijvoorbeeld uitgenodigd om een diner te organiseren dat wordt opgevat als een gesamtkunstwerk. Ze worden bijgestaan door kok en kunstenaar Michelle Woods van Table Dance, een restaurant waar ook optredens en performances werden georganiseerd, en dat sinds de coronacrisis een nomadisch bestaan leidt. Een van onze residenten dit voorjaar is Francesca Hawker, wier werk een combinatie is van performance, slapstick en stand-upcomedy. Zij koos ervoor om kunstenaars-humoristen die gelijkaardige thema’s verkennen rond de tafel te verzamelen. Een ander voorbeeld is Kinga Jaczewska: zij is opgeleid als danser en choreograaf, maar ze gaat op zoek naar andere manieren om dans te tonen en op te voeren, buiten de black box. Kunstenaars worden aan elkaar gekoppeld, waardoor ze dingen kunnen doen die ze alleen nooit zouden verwezenlijken. Dat is de experimentele bestaansreden van een residentie: met elkaar spelen, mensen samenbrengen, op een semipublieke manier. Dat proces wordt een klein beetje gecureerd, om verschillende benaderingen bij elkaar te zetten, maar vaak gaat het er ook om, heel praktisch, periodes te vinden waarin kunstenaars beschikbaar zijn om zich te wijden aan dit samenspel, dat nieuwe perspectieven op hun werk voortbrengt.

We delen gebouwen en een site met Extra City, en ook dat is een samenwerking. Er ligt een grote tuin tussen het huis en het voormalige klooster waarin wij residenties en ateliers aanbieden, en de kerk en de kapel waarin zij tentoonstellen. En er is De Refter, onze projectruimte waar de tafelsessies plaatsvinden, die niet als een klassieke galerij voor residenten werkt, maar die we ook aanbieden aan collectieven die op hun beurt host worden. Ik vind het vreemd dat er niet meer wordt ‘gedeeld’ binnen de kunstenwereld – dat is vaak gewoon inspirerend en slimmer, als verwante instituten bijvoorbeeld een locatie of een communicatieverantwoordelijke delen.

Ik was, na mijn afstuderen, voor de eerste keer betaald in dienst bij Micheline Szwajcer in Antwerpen, en zij zei vaak: ‘Mijn galerie is mijn school.’ Daar denk ik geregeld aan terug, omdat het ook geldt voor wat ik nu doe, en waarom het mij gelukkig maakt: ik werk haast nooit nog solitair, maar ik leer voortdurend van anderen, en zij van elkaar. Ik vind ook niet, wat dat betreft, dat ik geheel eigen werk verricht. Natuurlijk werk ik zelf taken of projecten af – ik heb bijvoorbeeld de artistieke programma’s voor Morpho geschreven, maar dat doe ik meestal thuis, waar ik de rust vind die nodig is om al deze inzichten zinvol te verwerken en te verwoorden.

 

Caroline Dumalin (1986) is artistiek directeur van Morpho, een op kunstenaars gerichte ontwikkelingsorganisatie die residenties opzet en ateliers aanbiedt in Antwerpen.

Stijn Van Dorpe

Na een individuele praktijk van ruim anderhalf decennium waarin samenwerkingen een centrale rol speelden, initieerde ik een jaar geleden het para instituut voor KUNST en precariteit (pKp). Waar mijn eerder werk bestond uit losse projecten of kunstwerken die een plaats kregen binnen het reguliere kunstgebeuren, is het doel van pKp om die ‘kunstruimte’ anders vorm te geven. Waar winst, concurrentie, onafhankelijkheid en autonome zelfrealisatie in traditionele kunstplekken dominant blijven, stelt pKp wederzijdse afhankelijkheid voorop, om een andere omgang te bewerkstelligen met precariteit als de conditie van onze laatkapitalistische wereld. De methode is gebaseerd op het aangaan van wisselwerkingen tussen interne en externe deelnemers die we ‘publieken met agency’ noemen. Spreken doen we nooit vanuit een collectieve stem, maar binnen een gezamenlijke praktijk van singulariteiten.

Onze eerste interventie vond plaats als onderdeel van het kunstenparcours Kunst & Zwalm, in de nazomer van 2021, aan de rand van het gehucht Korsele in Oost-Vlaanderen. Met een tiental deelnemers, waaronder kunstenaars, een pedagoog, een kunsttheoreticus en kunststudenten, installeerden we onze tenten en namen we tijdens ons verblijf de dagelijkse taken op, zoals koken en afwassen, de leef- en vergaderruimte onderhouden, spullen drooghouden wanneer het regent enzovoort. Geruggensteund door formele en informele gesprekken verkenden deelnemers eigen wegen die leidden tot artistieke onderzoeken en interventies. Ze namen wisselende rollen op, waardoor het onderscheid tussen ondersteunend en creërend (auteurs)werk vervaagde.

In de weken voorafgaand aan Kunst & Zwalm belden we aan bij alle bewoners van Korsele met de vraag of ze een stukje textiel konden missen. Daar maakten we een bont lappendeken van, waarop nieuwe, georkestreerde ontmoetingen konden plaatsvinden. De rondgang, van deur tot deur, was ook een manier om gesprekken aan te gaan in de buurt en om kennis te nemen van wat er leeft.

Luisteren speelde een cruciale rol, en het publiek en de leden van pKp konden zowel spreker als toehoorder zijn. Dat was ook het geval tijdens een samenwerking die we hebben opgezet nadat we zagen hoeveel huizen in de buurt door omheiningen en camera’s beschermd worden. Met buurtbewoners en genodigden organiseerden we schrijfbijeenkomsten in het kamp, met als onderwerp de eigen ervaringen met eigendom, en dan vooral met het verlies ervan. In de schemerzone waar de dag in de nacht overgaat, vond in een tuin een leesperformance plaats: autobiografisch geïnspireerde personages werden tot één script verweven; subalterne beelden van en visies op wonen en eigendom werden het dorp binnengebracht.

Er werd een waterbidon geleverd in het kamp, maar die bleek leeg. Buren hielpen ons uit de nood en we vulden de bak met hun tuinslang. Ook voor andere materiële beslommeringen stonden ze ons bij, en op geregelde tijdstippen bracht de buurvrouw koffie. We werden, op momenten die we niet zelf kozen, een luisterend oor voor persoonlijke en emotionele zorgen. De omgeving waarin we werken is nooit zuiver, maar we omarmen de kwetsbaarheid die dit teweegbrengt.

 

• Stijn Van Dorpe (1970) is beeldend kunstenaar. Hij onderzoekt de kunstruimte, die hij tot stand wil brengen als een plaats van gelijkheid door de relationele verhoudingen ervan te herzien. Hij zette korte en langlopende projecten op en is lid van Piloot.co, een platform dat nadenkt over de ontwikkeling van Tondelier, een nieuwe stadswijk in Gent. Met Sarah Késenne stelde hij in 2021 het boek School of Equals samen (Grafische Cel LUCA School of Arts, Gent).

Hans Demeulenaere

Er zijn een aantal redenen om te kiezen voor individueel kunstenaarschap. Een atelier is niet alleen een werkplek, maar ook een mentale ruimte die je moeilijk kan delen; je kan het volledige proces van concept tot beeld zelf verwezenlijken; je hebt de vrijheid om op elk moment van de dag te kunnen werken. (Dat laatste is in werkelijkheid eerder een pragmatische keuze, want het kunstenaarschap wordt meestal gecombineerd met een job met vaste uren.)

Mijn positie wijkt niet zo sterk af van die van de meeste kunstenaars: het creatieproces is voor mij eveneens een eenzaam gebeuren. Waarin zit het verschil? Context is de basis van mijn praktijk, en die context ligt grotendeels buiten mezelf, in combinatie met een – uitbreidend en veranderlijk – referentiekader. Door mij de context toe te eigenen, zijn er altijd verwijzingen van buiten mezelf aanwezig. Misschien is individueel auteurschap vanuit dit standpunt al meteen een illusie?

De voorbije jaren heb ik samenwerkingen opgebouwd met kunstenaars en makers, telkens vanuit eenzelfde idee, een dialoog tussen twee of meer praktijken, gestoeld op vertrouwen en artistieke vrijheid. Een eerste aanzet tot interactie kwam tot stand met Kristof Van Gestel (Playtime, 2008, Kortrijk). De objecten en sculpturen die ik van hem kreeg aangereikt, werden deel van een nieuw werk dat ik samenstelde: een installatie, een video, een nieuwe sculptuur… Van Gestels werk werd deel van mijn werk, hij gaf letterlijk zijn auteurschap uit handen, wat voor ons beiden een interessant leerproces bleek.

Daarna heb ik samengewerkt met Esther Venrooy (Blueprint, 2009, Oostende) en met Marc Nagtzaam (One Show About One Drawing, 2011, Leuven). De dialoog was gebaseerd op een gedeelde fascinatie voor architectuur en ruimte, hoewel Venrooy als geluidskunstenaar actief is en Nagtzaam als tekenaar. De vorm van de samenwerking is spontaan gegroeid, de individuele praktijk is te herkennen in een gedeeld auteurschap, waardoor de samenwerking op langere termijn mogelijk bleef: de praktijk van de ander als ‘extensie’ van de eigen praktijk.

Vanuit het idee om muziek op mijn praktijk te betrekken, heb ik in 2016 het initiatief genomen om samen te werken met Klaas Vanhee en Karel Verhoeven, twee beeldende kunstenaars en muzikanten. Binnen ons collectief And Many More werd duidelijk dat de individuele praktijk ten dienste van het geheel moest staan: elke beslissing moest zowel gedragen worden door de groep als door één auteur. Soms werkten we samen in het atelier, soms apart. Toch ben je als individu minder zichtbaar, en ik merk dat we het collectief eerder als een zijspoor zijn gaan beschouwen.

De samenwerking met Dimitri Vangrunderbeek, sinds 2019, is gestoeld op onderzoek binnen een gemeenschappelijk interesseveld. We werken nooit fysiek samen, en tijdens het creatieproces gaan we individueel aan de slag. Voor elk project leggen we een format vast. We nodigen elkaar uit om een plek of een ruimte te ervaren, we sturen elkaar tekst of beeld, we bezoeken een tentoonstelling of kijken naar een film. Die ervaring en reflectie vormt de basis voor een werkkader.

Alleen werken of binnen een collectief vind ik niet zo verschillend: mijn artistieke praktijk staat voorop, en je brengt je auteurschap binnen in een bredere context. Werken met anderen brengt een proces op gang dat ik anders nooit zou doormaken. En toch is het noodzakelijk – en een bewuste keuze – om het creatieproces in alle eenzaamheid door te maken in het atelier.

 

Hans Demeulenaere (1974) is beeldend kunstenaar. Recente tentoonstellingen: Doppelganger (De Garage, Mechelen, 2021) en de groepstentoonstellingen One Way or Another (SMAK, Gent, 2021) en Rhapsody in Blue (Villa Zephyr, Westende, 2022). In eigen beheer werden in 2021 de publicaties Sammlung en Promenade Circulaire (met Dimitri Vangrunderbeek) uitgegeven.

Yael Davids

Tijdens mijn laatste wandeling in de woestijn werd mijn aandacht gegrepen door de acaciaboom. Om in een moeilijke, dorre omgeving te kunnen overleven, heeft hij lange wortels ontwikkeld die tientallen meters diep kunnen reiken en zo grondwaterbronnen bereiken. Wanneer ik naar tekeningen van zijn gehele structuur kijk, is het stuk onder de grond groter dan het zichtbare deel. Ook leeft de boom samen met mieren – wat in de biologie ‘symbiose’ wordt genoemd. De boom produceert specifieke omstandigheden om de mierenkolonie te beschermen en te voeden, en de mieren verdedigen op hun beurt de boom tegen herbivoren. Recent onderzoek naar aanleiding van de klimaatverandering toont aan dat de acacia in de Arava-woestijn sterker groeit in de zomer, dat wil zeggen in ruigere omstandigheden. Verondersteld wordt dat de boom oorspronkelijk uit Afrika komt, vanwaaruit hij zich miljoenen jaren geleden verspreidde. Als tropische boom is hij genetisch geprogrammeerd om te groeien in maximale hoeveelheden licht en warmte.

Als ik de vragen lees, lijkt er sprake te zijn van een agenda – de suggestie is dat samenwerking op dit moment een trend is – en misschien is dat inderdaad zo. Maar trends worden vaak in gang gezet door maatschappelijke behoeften. Trends zijn niet per definitie slecht, vooral niet als ze toelaten om een bepaalde context ter discussie te stellen. Persoonlijk heb ik het gevoel dat het DNA van de Nederlandse cultuur gekant is tegen samenwerkingsdenken, zeker in vergelijking met andere culturen die ik ken. Hier wordt het individu te vaak overschat.

Mijn werk is vaak opgedragen aan anderen, levende of juist historische figuren die ik tijdens het proces heb leren kennen – vaak mensen die verschillende soorten kennis in zich dragen, artistieke, politieke en spirituele, en die tijdens hun leven verborgen of ongezien bleven. Het productieproces bestaat vervolgens vooral uit aandacht schenken aan de omstandigheden waarin het werk zal ‘leven’ (de ruimte, het land, de mensen, enzovoort). Dat houdt in dat je met elkaar in gesprek gaat, je stem laat horen, je tot elkaar verhoudt.

Wanneer ik over samenwerking nadenk, voel ik dat ik precies moet zijn wat betreft de economie die ontstaat door het maken van een werk. De standaardtoestand van het enkelvoudige lichaam aanvaarden, betekent erkennen dat die er een is van onderlinge afhankelijkheid – met een voortdurende behoefte aan anderen. Dat is een zegen.

Het pad waarop je je eigen beperking beseft, is het pad naar het aangaan en scheppen van relaties.

Ik werk nauw samen met mijn partner, André van Bergen; de ethische vraag wanneer hij formeel gezien mijn ‘coauteur’ is, is een uitdaging – ik heb er nog geen antwoord op gevonden. Ook Hannah Dawn Henderson en Lotte Lara Schröder nemen altijd deel aan het maakproces. Bovendien werk ik heel nauw samen met curatoren, vrienden en andere partijen. Het is mijn taak om een economie op te zetten die degenen steunt die mij steunen: credits geven, financiële opbrengsten delen, transparant zijn, zoeken naar andere alternatieve economieën.

Het werk is nooit autonoom: creatie is een oefening in dankbaarheid tegenover de omgeving.

Hoewel ik een toenemend besef zie van de noodzaak van samenwerking, weet ik niet goed wat dat heel concreet betekent. Neem bijvoorbeeld de groeiende populariteit van zogeheten studio branding, zoals in: ‘Studio [vul de naam van een kunstenaar in]’. Deze branding lijkt op een overname van projectontwikkelaarswaarden, waarbij weinig recht wordt gedaan aan de mensen die de kunstenaar ondersteunen, aangezien de naam van de kunstenaar centraal blijft staan. Ik vind dat we meer verantwoordelijkheid moeten tonen voor onze omgeving, of die nu sociaal of ecologisch van aard is. Ik spreek liever in termen van solidariteit, het scheppen van bondgenootschappen, van affiniteiten, dan in termen van samenwerking. We leren van de verschillen.

Toen ik voor mijn tentoonstelling A Daily Practice met de collectie van het Van Abbemuseum werkte, vond ik dit prachtige citaat van Joan Jonas: ‘Hoewel veel van mijn performances solowerken zijn, bestaat zoiets eigenlijk niet. Een voorstelling is van nature een samenwerking tussen veel mensen die helpen met alle aspecten van de productie. Ik heb vooral geluk gehad met de steun van vele vrienden die op allerlei manieren aan mijn werk hebben bijgedragen: door met me op te treden, me technisch bij te staan, me ruimte en financiële steun te geven, of gewoon ideeën met me te delen die later vorm kregen als momenten in mijn voorstellingen, films en video’s.’

Ik zie een gebrek aan solidariteit op institutioneel en individueel niveau. Het is ook een structureel probleem. De manier waarop financiering wordt toegewezen aan kunstinstellingen kweekt bijvoorbeeld hyperconcurrentie en stimuleert het denken volgens individuele belangen. Zo worden de polarisatie en de vervreemding in de wereld en in de kunstwereld versterkt – uiteindelijk is dat een kapitalistische drang. Er valt een tegenstrijdigheid op te merken: het narratief van het kunstveld is gericht op (sociale) rechtvaardigheid, maar dat blijkt niet altijd uit de daden van de actoren. Ik ben zoekende naar alternatieven, ik weet niet of dat komt doordat ik het voorrecht van een zekere onafhankelijkheid heb, of omdat ik de laatste tijd een extreem gebrek aan respectvolle communicatie, zorg en solidariteit in de kunstwereld heb vastgesteld.

 

Yael Davids (1968) woont en werkt in Amsterdam. Ze studeerde respectievelijk beeldende kunst, sculptuur en dans aan de Gerrit Rietveld Academie, het Pratt Institute (New York) en de Akademie der Kulturellen Bildung (Remscheid, Duitsland). In 2020 rondde ze als eerste kandidaat het Creator Doctus-programma af, een initiatief van de Gerrit Rietveld Academie en het Van Abbemuseum, met de tentoonstelling A Daily Practice. In boekvorm is haar werk vastgelegd in onder meer Yael Davids. No Object (Artimo Foundation, 2002) en Dying is a Solo (Roma Publications, 2018). Ze is tevens Feldenkrais-instructeur.

Laurie Cluitmans

In mijn rol als curator van hedendaagse kunsttentoonstellingen is er altijd sprake van samenwerking. Immers: zonder kunstenaars en hun werk is er geen tentoonstelling. Soms betekent het dat ik als curator de mediërende tussenpersoon ben, zorg dragend voor kunst en kunstenaar en communicerend met het publiek, soms juist cocreërend. Voor elk project ontwikkelt zich organisch het samenwerkingsverband dat nodig is. Samenwerken is voor mij de natuurlijkste wijze van werken, hoewel individualiteit en competitie vaak beter begrepen worden.

Voor de tentoonstellingen De botanische revolutie. Over de noodzaak van kunst en tuinieren (Centraal Museum) en Is it possible to be a revolutionary and like flowers? (Nest) heb ik de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar hoe kunstenaars onze veranderende relatie met de natuur verbeelden. Dat onderzoek stuurt mijn blik en zeker ook mijn antwoord op de vraag ‘Is Alleingang een voorwaarde, een gevaar, of een wensdroom?’ Het brengt me bij denkers en biologen zoals Donna Haraway, Lynn Margulis, Merlin Sheldrake en Suzanne Simard. Vanuit hun denken zou ik de vraag alleen maar kunnen beantwoorden met: Alleingang is een fictie, of op z’n minst een misconceptie.

Simard, die het zogenaamde Wood Wide Web ‘ontdekte’, beschrijft hoe Darwin benadrukte dat soorten hun genen doorgeven aan de volgende generatie via competitie en dominantie. Het idee van het recht van de sterksten is het dominante perspectief gaan vormen, ook al stelde Darwin toen al dat planten en dieren ook op heel andere manieren met elkaar om konden gaan én samenwerkten. Simard verwijst naar Lynn Margulis’ theorie over endosymbiosis, waarin wordt getoond dat evolutie een proces is waarin samenwerking en het samenkomen van verschillende organismes – symbionten – leidde tot de ontwikkeling van complexere organismes, zoals de mens.

Sheldrake merkt op dat ‘individu’ is afgeleid van het Latijnse woord voor ‘ondeelbaar’ (individuus). Het idee van het zelf als autonoom, onafhankelijk subject met een vrije wil domineerde lange tijd het perspectief van biologisch onderzoek. Zo werd er bijvoorbeeld gedacht dat een individueel immuunsysteem alles wat niet ‘eigen’ is, afwijst. Recenter onderzoek bewijst dat het immuunsysteem juist mede wordt gevormd door microbiomen. Het menselijke individu wordt gezien als een zogenaamde holobiont: een verzameling van soorten, vaak een assemblage van een host en een veelvoud van andere soorten erop en eromheen die verschillende vormen van samenwerking aangaan. Korstmossen (lichens) zijn een fascinerend voorbeeld van de holobiont en vormen een interessante metafoor voor het nadenken over wat een individu en geheel is of kan zijn. Ze bestaan uit een combinatie van algen en schimmels of bacteriën, en recent onderzoek laat zien dat er zelfs nog derde en vierde partnersoorten onderdeel zijn van het geheel. Ze gaan verschillende symbiotische relaties aan en functioneren als een geheel.

Die vormen van symbiose in de holobiont, het Wood Wide Web en korstmossen zijn divers, complex, niet eenduidig, en vragen om een ander perspectief waarin het niet een of-ofsituatie is, maar een constant vormen van relaties tussen entiteiten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dit allemaal harmonieuze, vreedzame samenwerkingen zijn waar iedereen beter van wordt. Symbiotische relaties kunnen immers ook parasitair zijn.

Het antwoord van Donna Haraway in Staying with the Trouble uit 2016 is sympoiesis: ‘een eenvoudig woord; het betekent ‘maken-met’. Niets maakt zichzelf; niets is echt autopoëtisch of zelforganiserend. […] Sympoiesis is een woord dat eigen is aan complexe, dynamische, responsieve, gesitueerde, historische systemen. Het is een woord voor werelden-met, in gezelschap. Sympoiesis omvat autopoëse en ontvouwt en breidt deze generatief uit.’ Een artistieke samenwerking, zoals die tussen curator en kunstenaar, zou kunnen worden beschouwd als een vorm van sympoiesis. Vanuit dit perspectief is samenwerking niet een kwestie van keuze, maar een gegeven.

 

Laurie Cluitmans (1984) werkt als conservator hedendaagse kunst voor het Centraal Museum in Utrecht, waar ze onlangs de transhistorische groepstentoonstelling De botanische revolutie. Over de noodzaak van kunst en tuinieren cureerde, die loopt tot 1 mei.

Hong Wan Chan

In mijn familie zijn er niet veel dingen die door de tijd zijn opgeladen, in tegenstelling tot de alledaagse dingen waarmee we ons omringen om de dagen door te komen. In de woelige Chinese twintigste eeuw – bepaald door semi-kolonisatie, invasie, burgeroorlog, revolutie en ten slotte migratie – verloor de familie stukje bij beetje quasi alle dingen met gewicht, van het soort dat door een lange ontstaansgeschiedenis gekleed gaat in dikke lagen verhalen. Het voorouderlijke landschap bleef voortbestaan, hoewel het steeds meer onder druk stond van oprukkende verstedelijking. Na elke nieuwe ontwikkeling of na het zoveelste masterplan voor deze streek, groeide tijdens mijn studies, en ook later, toen ik in een architectuurbureau werkte, een besef van urgentie: het werd tijd om de verhalen uit dat landschap op te diepen, en te traceren hoe zich onder de geseculariseerde ruimte oudere en andere ordes schuilhouden.

Dat werd het onderwerp van mijn doctoraatsonderzoek. Ik moet het landschap van de Parelrivierdelta, in de provincie Guangdong in het zuiden van China, strikt genomen niet helemaal alleen verkennen, maar het individuele doctoraat is nu eenmaal de werkvorm die zich heeft aangediend. Bij aanvang trok ik een hard pantser aan: ik wapende me tegen de buitenwereld en beschermde mijn project. Het persoonlijke waarin het werk geworteld zit, maakt het namelijk kwetsbaar. Als een harde, gladde kogel zou ik trachten om in één strakke lijn het doelwit te bereiken, om alle obstakels, elke vorm van weerstand en twijfel die ik zou tegenkomen, aan flarden te schieten en tegelijkertijd onbewogen in te halen.

Toch is het onmogelijk alleen te werken. Zoals verschillende lagen en tijden van een landschap op en in elkaar geschoven zijn als in een palimpsest, zo schrijven ook mijn bezigheden zich in in een chaotisch en veelstemmig mentaal gebied. Alleen al door te bestaan kunnen we niet anders dan ons tot het landschap te verhouden; onvermijdelijk grijpen we erop in als we er een thuis van maken.

Op verschillende niveaus worden er voortdurend gesprekken gevoerd. Ten eerste mondelinge overleveringen en familievertellingen,  verhalen die jaar na jaar worden overgedragen en iets vertellen over de biografie van het landschap. Maar wie spreekt er eigenlijk op zulke momenten? Ten tweede dringen de stemmen van andere onderzoekers zich op, voorgangers, maar ook tijdgenoten, en probeer ik hen te leren kennen, uiteindelijk ook om me tegenover hen te positioneren. Ten derde navigeer ik binnen de complexiteiten van een afdeling aan de universiteit, met verschillende persoonlijkheden en profielen, met andere expertises en interesses.

Daarna moeten bevindingen gecommuniceerd worden. Dit probeer ik te doen door tekenen met schrijven te combineren. Eens te meer draagt die combinatie onvermijdelijk sporen van anderen. Origineel werk is pas leesbaar als er herkenbare ankerpunten zijn waaraan de lezer zich kan vastklampen. In die zin ben ik alweer gebonden aan een gecodeerde (beeld)taal – aan het werk van velen voor mij, uitgevoerd over een lange tijdsperiode. Zwoegen en zweten doe ik dan wel alleen, in mijn achterhoofd drommen vele stemmen samen, sommige daarvan al meer welkom dan andere.

 

Hong Wan Chan (1990) is onderzoeksassistent aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit Gent, waar ze een proefschrift voorbereidt over het veranderende landschap van Nanhai, een district in de Parelrivierdelta in het zuiden van China. Ze werkte voor architecten Els Claessens en Tania Vandenbussche en schreef over recente architectuur in A+.

Carel Blotkamp

Kassel bezocht ik voor het laatst voor Documenta 11 in 2002. Ook de Biënnale van Venetië heb ik in de laatste twintig jaar aan me voorbij laten gaan, met uitzondering van de jaargang 2013. Ik heb in de loop der tijden een fikse weerzin ontwikkeld tegen dit soort manifestaties, die steeds massaler zijn geworden en zich als een inktvlek over de desbetreffende steden hebben uitgebreid. Wat ze te bieden hebben staat ver af van de kunstbeleving waarbij ik me gelukkig voel. Ik heb geen zin meer om van kloostertuin naar schilderachtig vervallen industrieterrein te pendelen en overal naar kunst te zoeken als naar eieren op paasmorgen.

Pas onlangs las ik de persberichten over Documenta 15 die later dit jaar wordt gehouden – daar hoef ik dus ook niet heen. De artistieke leiding is in handen van het Indonesische kunstenaarscollectief ruangrupa, met een antiautoritaire kleine letter geschreven – curieus genoeg, dat zal wel een lapsus zijn, kregen de namen van de groepsleden wel hoofdletters. Voor de tentoonstelling hebben ze ruim vijftig exposanten geselecteerd, waaronder een aantal individuele kunstenaars, maar toch overwegend ‘community-oriented collectives, organizations and institutions from around the world’. Kennelijk gaat ruangrupa er van uit dat kunstenaars in meervoud automatisch meer bijdragen aan het heil van de mensheid dan een kunstenaar in enkelvoud.

Wat me tegenstaat in het huidige kunstbedrijf is dat de kunst in het keurslijf van de moraliteit dreigt te worden geperst. Musea en andere faciliterende instellingen, ook subsidiërende overheden, doen daar druk aan mee, al dan niet uit angst om ervan beschuldigd te worden dat ze de tekenen des tijds niet verstaan. Als de relevantie van kunst wordt verengd tot wat politiek en moreel correct wordt bevonden, ontstaat er uiteindelijk zoiets als sociaal wenselijke staatskunst. Dat kunst ook op allerlei andere manieren betekenis kan hebben voor de ontvanger, ook onverwacht, ook langs duistere wegen, misschien ook niet altijd even aangenaam van aard, wordt dan niet meer erkend als wezenlijke waarde.

Dat het individuele kunstenaarschap gedoemd is te verdwijnen, weiger ik te geloven. Je hebt orkesten nodig, maar ook solisten die hun eigen partij spelen, eventueel tegen de melodie in. Ik opteer voor die positie. In de beslotenheid van mijn atelier ben ik vrijwel dagelijks bezig uit te vinden wat kunst zou kunnen zijn en wat ze zou kunnen betekenen, tegenwoordig met gebruikmaking van vele flacons Pipoos’ hobbylijm en vele duizenden pailletten. Ben ik als solist community-oriented? Wis en waarachtig.

 

Carel Blotkamp (1945) was van 1982 tot 2007 hoogleraar moderne kunst aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, parttime, om daarnaast tijd te hebben voor zijn beeldende werk. Sinds 1976 had hij solotentoonstellingen in galeries en musea, onder andere in 2007 in Museum De Pont in Tilburg. Hij wordt vertegenwoordigd door andriesse eyck galerie in Amsterdam.

De soms obscure kamers van de verbeelding

Christophe Van Gerrewey: In januari 2011 kreeg ik een mail met een dubbele vraag. Jullie hadden het idee opgevat een kunstenaarstijdschrift op te starten, en tegelijkertijd was Nikolaas op zoek naar een auteur voor een inleiding op een boek over zijn werk. Ik heb die tekst geschreven, maar als ik me goed herinner heb ik jullie afgeraden om met die publicatie te starten.

Nikolaas Demoen: Dat is misschien te sterk uitgedrukt, maar in elk geval waren wij zelf lang niet overtuigd.

Katrien Daemers: Ik herinner me dat we ook gesproken hebben met Johan Boeykens, de zaakvoerder van boekhandel Copyright, over onze plannen. Hij heeft het toen afgeraden. Na een hartverwarmend gesprek met An Belloy, die toen bij Copyright werkte, hebben we besloten om niet zozeer met een tijdschrift te starten, als wel met een reeks op zichzelf staande boeken, onregelmatig verschijnend, met kunstenaarsmateriaal.

C.V.G.: Ondertussen is in oktober vorig jaar het 46e nummer van Posture verschenen, met werk van Hans Segers. In tien jaar tijd zijn er dus meer dan vier nummers per jaar verschenen, en op die periode wordt er nu teruggeblikt in het boek One way or another, en in een gelijknamige tentoonstelling in het S.M.A.K. Waar kwam het initiatief vandaan?

K.D.: Ik heb, als grafisch vormgever, vaak de coördinatie van een kunstboek op mij genomen, terwijl de uitgever niks bijdroeg, behalve de opdracht geven en vervelend doen over de cover en het budget. Je bent als vormgever voor bijna alles verantwoordelijk, maar uiteindelijk is het de uitgever die de belangrijke beslissingen neemt. Toen Nikolaas, met wie ik, voor de volledigheid, getrouwd ben, een boek wou maken, hebben we besloten om die publicatie in eigen beheer uit te geven, en op te vatten als het nulnummer van een reeks.

N.D.: Het was nadrukkelijk een nulnummer – een test die zonder gevolg had kunnen blijven. We hadden geen voorbeeld en geen model in gedachten, en geen goed uitgewerkt plan. We hebben subsidie van Design Vlaanderen gekregen voor mijn boek Oog.Blue, dat in oktober 2011 is voorgesteld in Netwerk Aalst. Daar liep een tentoonstelling van mij, L’inconnu, een titel die evenzeer aangaf dat we een sprong in het onbekende waagden.

C.V.G.: Waar kwam de naam Posture vandaan?

K.D.: Samen met Jessika L’Ecluse leid ik het grafische bureau Gestalte. We vonden dat een goede naam, maar uitgeverij Gestalten bestaat al, in Berlijn.

N.D.: Vandaar de Engelse vertaling: Posture. Die naam klinkt zowel Frans- als Engels- en Nederlandstalig: ‘postuur’ betekent vorm en houding van het lichaam. We hebben de gewoonte om bij ieder nieuw nummer de kunstenaar te fotograferen met zijn of haar gezicht verborgen achter het opengeslagen boek – een soort portret van de publicatie tijdens de lectuur door de tijdelijk onzichtbare maker. Het valt op hoe de kunstenaar toch altijd enigszins herkenbaar blijft door zijn of haar ‘postuur’. En het woord is ook een beetje Gents: een postuurke is een porseleinen beeldje op de buffetkast, als alternatief voor het koffietafelboek.

C.V.G.: Er was met Oog.Blue eind 2011 een nummer nul, maar er waren nog geen ideeën voor nummer één of twee?

N.D.: Nee, maar in Netwerk Aalst werden we aangesproken door Adriaan Verwée, die het idee van een boekenreeks toejuichte en een eigen nummer wou maken. Al in februari 2012 is Toca da Raposa verschenen. En daarna zijn er zich interessante kunstenaars blijven aanbieden. Zonder dat we het beseften, hebben we blijkbaar een leemte opgevuld. Er zijn in Vlaanderen niet veel mogelijkheden voor kunstenaars om werk te tonen, en zo zijn de boeken op te vatten: als monografische tentoonstellingen, zonder dat je over een plek of een torenhoog budget moet beschikken.

C.V.G.: Is de selectie altijd organisch verlopen, aan de hand van ontmoetingen of voorstellen?

K.D.: Ik was in 2011 een ander boek aan het maken, als grafisch vormgever, van Paul Gees, die bij mij was gekomen met twee plastic zakken vol met foto’s en cd-rom’s. We hebben hem gevraagd of zijn publicatie een uitgave van Posture mocht worden. In het begin hebben we kort op de bal gespeeld. Soms hebben we op vier of vijf maanden tijd een boek gemaakt. Op de voorstelling van het boek van Gees heeft Mira Sanders aangegeven dat ze graag een publicatie wou maken, en ondertussen hadden we ook contact gelegd met Hannelore Van Dijck. De boeken waren eerst dunner, en we hielden vast aan het grafisch concept van een witte cover met één afbeelding. In het begin vonden we die herkenbaarheid belangrijk.

Stien Stessens: Ik heb het gevoel dat de selectie nog steeds organisch tot stand komt – het is alsof één kunstenaar altijd minstens één andere kunstenaar meebrengt.

N.D.: In zijn inleiding op One way or another schrijft Philippe Van Cauteren terecht dat het bij Posture gaat om vriendschappen. Op de opening van de overzichtstentoonstelling waren bijna alle kunstenaars waarmee we samengewerkt hebben aanwezig – Lee Ranaldo die in de Verenigde Staten woont was er niet bij, Julía Spinola woont in Spanje… Maar bijna alle anderen waren er, en dat is hartverwarmend. Posture heeft ook met affectie te maken.

C.V.G.: Het maken van een boek is voor een kunstenaar, kan ik me voorstellen, een mogelijkheid om even niet meer alleen te moeten werken: elk nummer van Posture Editions is een intensieve samenwerking.

N.D.: Dat is helemaal waar, en dat besef ik maar al te goed omdat ik zelf kunstenaar ben. Er is een fragment uit de tekst van Tanguy Eeckhout in het boek Nemir van Tatjana Gerhard, dat ik belangrijk vind omdat het weergeeft waar het ons ook om te doen is. ‘De kunstwereld’, schrijft Eeckhout, ‘lijkt voor velen misschien een sociaal en mondain gebeuren, het leven van de kunstenaar is er daarentegen een van eenzaamheid en twijfel, en van de onrust die daaruit voortvloeit. De existentiële onrust die zich in het werk nestelt wordt verbeeld door de vervreemde mens in een ongedefinieerde ruimte. De wereld die Tatjana Gerhard uitbeeldt wil je niet zomaar accepteren, maar is vreemd genoeg toch herkenbaar. Als toeschouwer dwaal je in de soms obscure kamers van de verbeelding van de kunstenaar om ten slotte, verloren gelopen, uit te komen bij de eigen levensvragen over ons bestaan en eindigheid.’

C.V.G.: Er zijn kunstenaars die zichzelf hebben uitgenodigd, maar zijn er ook kunstenaars die jullie hebben geïnviteerd?

N.D.: De meeste kunstenaars hebben we zelf aangesproken. De grootste verrassing kwam van Henk Visch: ik heb hem een mail gestuurd in 2013, en hij heeft gereageerd. We hebben een eerste gesprek gehad in Sint Lucas Antwerpen, waar ik lesgeef, en in 2014 is Exactly how I remembered it verschenen, samen met de tentoonstelling in het Braempaviljoen van het Middelheimmuseum in Antwerpen.

C.V.G.: Ging de verschijning van elk nummer met een tentoonstelling gepaard?

N.D.: Dat hebben we altijd geprobeerd: om met de kunstenaar op zoek te gaan naar een plek om het boek te lanceren, en om een tentoonstelling te maken. Elk nummer moet geworteld zijn in een museaal systeem, en er moet altijd iets fysieks plaatsgrijpen. We hebben ondertussen onderhandeld met haast elk museum, elke kunsthal en met vele galeries in België. Voor kunstenaars heeft dat meer betekend dan dat ze een boek konden maken. Vaak zijn we met hen op plekken terechtgekomen die ze nooit hadden verwacht.

C.V.G.: Er is niet altijd een tentoonstelling gemaakt, maar wel minstens een evenement georganiseerd.

K.D.: Een tentoonstelling maken was niet altijd mogelijk, maar er werd wel steeds een context gecreëerd, al was het maar voor één avond. Het was niet makkelijk om mensen te overtuigen, maar naarmate er meer nummers verschenen, groeide het vertrouwen. En het is vaak financieel belangrijk dat een instituut of een galerie een nummer ondersteunt.

N.D.: Het nummer over het werk van Hannelore Van Dijck uit 2012 is bijvoorbeeld voorgesteld in Be-Part in Waregem, en hoewel het niet mogelijk was om een tentoonstelling te organiseren, heeft Hannelore voor het eerst een reeks vlaggen gemaakt, met houtskool en textielverf, die buiten te zien waren.

C.V.G.: Jullie benadrukken de affectieve kant van de selectie, maar zijn er ook kunstenaars die jullie hebben afgewezen, om artistieke redenen?

N.D.: Eerst en vooral is er het oog dat zegt: daar geloof ik in. Als er genegenheid is voor elkaar, dan is dat mooi meegenomen, maar we zijn nooit door de knieën gegaan omdat we iemand super sympa vonden.

K.D.: Het is twee keer gebeurd dat we een samenwerking zijn begonnen, maar dat we gaandeweg vaststelden dat het niet ging lukken: het vertrouwen ontbrak, we ontvingen onvoldoende materiaal, of alles wat we voorstelden werd van tafel geveegd… Op zulke momenten moet je durven zeggen: het houdt op. Soms vraagt een samenwerking tijd. De eerste gesprekken met Heide Hinrichs vonden plaats in de zomer van 2012. Haar boek Morning Change is verschenen in december 2019.

C.V.G.: Soms lijkt het alsof jullie kunstenaars hebben verleid tot tweedimensionaal werk. Ook met Buren hebben jullie in 2017 een boek gemaakt, maar Melissa Mabesoone en Oshin Albrecht, het duo dat onder die naam opereert, waren bekend omwille van hun performances.

K.D.: Het is moeilijk om de geschiedenis van dat boek te reconstrueren, want er zijn verschillende versies gemaakt, maar zij hadden uitdrukkelijk de wens om een boek te maken, en om er speciaal werk voor te maken. Ze hebben bijvoorbeeld een stagiair-fotograaf aangenomen om de scènes mee in beeld te brengen.

C.V.G.: In het voorwoord van het overzichtsboek schrijven jullie: ‘Posture Editions bewandelt geen rechtlijnige weg, maar maakt cirkelbewegingen, omwegen, begeeft zich in een doodlopend straatje, komt over het veld aangelopen en vormt daardoor een verrassend diverse plattegrond van de hedendaagse kunst in België.’ Of nog: ‘Jonge goden, volwassen iconen, buitenbeentjes en vergeten kunstenaars wisselen elkaar af op onvoorspelbare wijze en zonder enige objectieve coherentie.’ Toch zijn er waarschijnlijk kenmerken te vinden die alle gepubliceerde kunstwerken met elkaar delen.

N.D.: Er zijn twee nummers gewijd aan het werk van Sanam Khatibi, in 2018 en 2021, en zij zegt vaak tegen mij: ‘You are the eye.’ Als de kunst niet beeldend is, en niet voornamelijk met het oog ervaren wordt, dan haken we af. Retinale schoonheid blijft centraal staan. Je moet niet de gids of de zaalteksten volgen om het werk te kunnen appreciëren en om de boeken van Posture te begrijpen.

S.S.: We zijn nu een team van drie mensen, en misschien is er na meer dan veertig nummers een rode draad ontstaan die de selectie beïnvloedt. Als een van ons getroffen wordt door het werk van een kunstenaar, kunnen we elkaar proberen overtuigen.

N.D.: Ik vind die verscheidenheid een kracht. Alles is in principe mogelijk. We hebben in 2019 een boek gemaakt met een negentigjarige kunstenaar, een van de oprichters van de Antwerpse beweging G58: Lutgart De Meyer. We zijn met haar in contact gekomen via Liesbet Waegemans, en hebben besloten haar werk te publiceren. Dat was een fantastisch avontuur. Maar het is ook gebeurd dat iemand die we niet kenden, met name Renée Lorie, een filmpje stuurde, en dat een dergelijk aanbod tot een boek heeft geleid. We hebben ons nooit willen concentreren op gevestigde waarden. In de beeldende kunst, zeker in België, zie je dat iedereen vaak met de neus in dezelfde richting gaat staan. Iedereen moet nu naar Parijs, om naar schilderijen van Jan Van Imschoot te kijken, en je hoort onophoudelijk mensen zeggen: ‘Jan Van Imschoot, hij is het!’ Ik heb daar respect voor, maar je moet jonge of onbekende mensen kansen geven, anders blijft iedereen achter dezelfde namen aanlopen.

C.V.G.: Stien, jij bent in 2019 een vast lid geworden van het team?

S.S.: Ik ben afgestudeerd als grafisch ontwerper en heb in 2016 stage gelopen bij Katrien. Ik had meteen het geluk om mee te werken aan een langverwacht boek van Kasper Bosmans, dat ondertussen is uitverkocht. Ook aan de boeken van Sven ’t Jolle en Nel Aerts heb ik meegewerkt. Sinds 2019 werk ik mee op vaste basis.

C.V.G.: Jullie team bestaat uit twee grafisch vormgevers en een beeldend kunstenaar die ook docent is. Hoe is de taakverdeling, en hoe komt een boek tot stand?

K.D.: Meestal levert de kunstenaar het materiaal, en dan bepalen we in overleg welk deel van het werk er gepubliceerd zal worden, welke selectie we maken. Daarna heeft Nikolaas meestal al een idee, en gaat hij samen met Stien achter de computer zitten. Zo ontstaat er iets, en ik haak daarop in. Stien maakt daarna het volledige boek op, of we werken samen. Het hangt af van boek tot boek. De productiebegeleiding neem ik meestal voor mijn rekening, net als de distributie, promotie en administratie – tijdrovende bezigheden!

C.V.G.: Posture maakt enigszins atypische kunstenaarspublicaties: het gaat om boeken die niet volledig door de kunstenaar worden gemaakt, maar ook deels door jullie.

N.D.: Nee, inderdaad, wij maken geen klassieke kunstenaarsboeken. Ik denk dat het genre van het kunstenaarsboek zijn beste tijd gehad heeft. We gaan in dialoog met de kunstenaar en proberen het boek gelaagder te maken dan de typische, altijd deels conceptuele kunstenaarspublicatie die meestal maar op één idee steunt. Om een klassiek voorbeeld te noemen: Wolfgang Tillmans maakt 62 foto’s van een Concorde die boven zijn tuin vliegt, en voegt die foto’s in 1997 samen tot een boekje. Wij proberen iets toe te voegen aan de ideeën van de kunstenaar, en er een samenwerking van te maken.

S.S.: Met een boek van Posture, dankzij onze inbreng als curatoren, kan het oeuvre van de kunstenaar een individueel kunstwerk worden.

N.D.: En bovendien bevat elk boek ook altijd minstens één tekst die niet door de kunstenaar zelf geschreven is.

C.V.G.: Vaak komt die tekst van een criticus of een theoreticus, maar soms zijn de teksten experimenteler.

K.D.: Ja, daar staan we voor open. Bij het eerste boek van Carole Vanderlinden uit 2013 heeft Hans Theys een tekst geschreven die je nog het best een sprookje kan noemen. In het boek over Buren staat een prozatekst van Koen Brams.

N.D.: Ik vind dat de schrijvers die we vragen zelf kunstenaar mogen spelen. Dan heb je als resultaat twee autonome kunstwerken: de tekst, en het beeldend werk.

C.V.G.: Wat vaststaat bij ieder nummer is het A4-formaat, staand, 21 bij 29,7 centimeter, maar ook daar zijn variaties op mogelijk.

K.D.: Het eerste boek waarmee we van die regel afweken, was het nummer met werk van Sanam Khatibi. Zij maakt horizontale schilderijen, en ze wilde niet dat reproducties over de rugvouw gedrukt zouden worden. Dus is het formaat breder geworden, 24 centimeter. In het boek zijn er toch beelden over de vouw gedrukt, maar daar had ze geen probleem mee. Het tweede boek van Sanam is een A4 geworden, maar liggend – als je het negentig graden draait, past het in de reeks. En ook het recentste nummer, met werk van Hans Segers, is iets breder, omdat we een facsimile gemaakt hebben van een bestaand werk, verkleind tot de hoogte van een A4, maar met een breedte van 23 centimeter. In principe vinden we dat vaste formaat belangrijk, maar er is onderling vaak onenigheid over. Meestal komt het erop neer dat Nikolaas en ik het niet eens raken, en dat Stien dan een besluit neemt.

C.V.G.: Het formaat hangt misschien samen met het oorspronkelijke idee een tijdschrift te maken.

K.D.: We wilden een minimaal format, ook om onszelf te beschermen tegen wilde ideeën of gekke voorstellen. We hebben ooit het aanbod gekregen om een publicatie te maken op een formaat groter dan een A3. Dan ben je blij dat je meteen kan zeggen: nee, we werken altijd op dezelfde grootte.

N.D.: Toch bestaan de boeken op zichzelf, los van de reeks of het formaat. Het is in boekhandels of op tentoonstellingen niet vaak zo dat de gehele reeks wordt aangeboden, en meestal liggen er niet eens verschillende nummers bij elkaar. Een boek kan op eigen kracht ergens belanden, en dat valt niet te voorspellen. Een paar jaar geleden stonden er plots foto’s van het nulnummer op de fantastische Instagrampagina RareBooksParis, zonder dat we weten hoe het boek daar terecht is gekomen.

C.V.G.: Wat samenhangt met het karakter van een tijdschrift is de selectie, meestal, van actueel werk dat in een korte tijdsperiode is gemaakt. Jullie maken geen overzichtscatalogi.

K.D.: Nee, dat doen we bewust niet. Maar ook dat is geen absolute regel. Works on Paper van Mario De Brabandere (2015) en a river in a room van Lutgart De Meyer (2019) bieden wel een overzicht op een oeuvre, eenvoudigweg omdat daar nood aan was.

N.D.: Kunstenaars die de luxe hebben om een lijvige overzichtscatalogus te maken, hebben meestal een grote tentoonstelling in Brussel, Gent of Antwerpen. Die boeken worden sowieso gemaakt. Wij willen materiaal dat bijzonder is een kans geven, zonder de goedkeuring van instituten.

C.V.G.: Het geeft kunstenaars de mogelijkheid om kunst te tonen ergens tussen Instagram en de galerie of het museum in – een andere, meer traditionele, maar ook blijvende vorm van openbaarheid, die toch distinctie met zich meebrengt.

S.S.: Elk boek is een object, en we proberen het als voorwerp te laten aansluiten bij de aanpak van een kunstenaar. En elk boek is een vorm van bezit: het is een manier om een kunstwerk in huis te halen zonder een kunstwerk te moeten kopen. Zo werkt het ook voor de kunstenaars: ze zien het boek natuurlijk niet als het werk zelf, maar toch ook niet zomaar als iets volledig anders.

K.D.: We proberen te vertrekken vanuit het werk – om een boek te maken dat eigenschappen van het werk overneemt. Ik heb jarenlang de huisstijl verzorgd van Netwerk Aalst, en toen werd mij op het hart gedrukt een dienend ontwerp te maken, niet opvallend, dat het werk laat spreken. Ik vind het belangrijk dat de kunstenaar zich kan vinden in het grafisch ontwerp, en later ook echt van het boek gebruik kan maken.

S.S.: Er is een lange voorbereiding nodig waarin we het werk van de kunstenaar leren kennen, zodat we keuzes kunnen maken, voor een paperback of een hardcover, bijvoorbeeld, of voor verschillende papiersoorten of lettertypes.

K.D.: Recent hebben we voor een vogel vliegt op van Hannelore Van Dijck een uitgesproken font gezocht dat toch in staat is de drie heel verschillende teksten in het boek leesbaar weer te geven. Het lettertype Coconat bleek vrij te downloaden en het werd ontworpen door een vrouw, Sara Lavazza van Collletttivo. Dat gaf bij Hannelore de doorslag.

C.V.G.: Eén precedent voor jullie initiatief is Parkett, een tijdschrift onder redactie van Bice Curiger, gemaakt in Zürich, waarvan tussen 1984 en 2017 honderd nummers verschenen. Bij Parkett stond in elk nummer recent werk van twee of meer hedendaagse kunstenaars, met telkens drie tot vijf teksten, en er waren vaste rubrieken die op de actualiteit inspeelden.

N.D.: Parkett staat in Sint Lucas Antwerpen in de bibliotheek, en ik heb vaak de nieuwste nummers ontleend wanneer ik bijvoorbeeld toezicht moest houden. Dat is een inspiratiebron geweest. De website die alle nummers van Parkett documenteert, opent trouwens met een foto van al hun nummers op vijf horizontale planken – dat dispositief hebben we nagebootst aan het begin van onze overzichtstentoonstelling.

C.V.G.: Een gelijkaardig initiatief in België zijn de boeken die sinds de jaren zeventig door Yves Gevaert worden gemaakt, vaak in een vormgeving van Filiep Tacq. Eén groot verschil is dat hij als kunsthistoricus is opgeleid, en zijn uitgeefpraktijk grotendeels heeft gebaseerd op zijn bezigheden, tot 1976, als tentoonstellingsmaker in het toenmalige Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Je kan met een weinig respectvolle veralgemening stellen dat al het werk dat hij heeft uitgegeven (van Rodney Graham en Jan Vercruysse, bijvoorbeeld, en recenter van Ana Torfs en Philippe Van Snick, aan wiens werk in 2019 ook een Posture werd gewijd) varieert op dat van Marcel Broodthaers. Zijn praktijk is onzichtbaarder, en hoewel poëticaal coherenter, is de reeks qua vorm toch meer divers en disparaat.

N.D.: De boeken van Gevaert werken ook in de marge van het klassieke kunstboek, maar dan vanuit een andere traditie: het filosofische en het beeldende liggen dichter bij elkaar. Graham en Vercruysse omringden zich met een soort hermetische taal die meer gebruikelijk was in de jaren tachtig en negentig. Het gaf de boeken een zekere aristocratie en distantie, maar dan toch vanuit een dienstbaarheid voor wat de kunstenaar voor ogen had. Op dat vlak hebben we ook veel respect voor de publicaties van Luc Derycke (MER.) en Roger Willems, Mark Manders en Marc Nagtzaam (ROMA), pioniers van het kunstboek in de Lage Landen.

C.V.G.: De publicaties van Gevaert zijn niet genummerd, die van MER. en ROMA wel.

N.D.: Het is makkelijker iets op te bouwen en meteen zichtbaar te maken als je elke editie van een nummer voorziet. Het creëert continuïteit en overzicht.

C.V.G.: De nummering installeert letterlijk een alternatieve chronologie: 42 nummers op tien jaar tijd. Waarom hebben jullie na een decennium besloten om een tweede reeks op te starten: Posture Pockets, naast Posture Editions?

K.D.: Een van de redenen is precies de veelvormigheid van Posture Editions: het feit dat ieder boek, ondertussen, haast steeds opnieuw vormgegeven moet worden. Met Posture Pockets willen we een reeks maken waarin zoveel mogelijk van tevoren vaststaat: het formaat, de papiersoort, de omvang…

C.V.G.: Hebben jullie het gevoel dat er met Posture Pockets andere dingen mogelijk worden?

N.D.: Het antwoord op die vraag heb ik voorbereid! Het idee van een pocket is natuurlijk dat je het boek in je jaszak kan stoppen – in the pocket. Een andere reden is dat we ons de vraag hebben gesteld: hoe kan je beeldende kunst laten lezen als een roman? Ik vind dat een spannend maar ook een enigszins absurd idee: dat je op de trein kan zitten en het werk van een beeldend kunstenaar tot je kan nemen alsof je een roman van Nabokov of Proust aan het lezen bent, om twee grote namen te noemen. Bovendien kan je op één treinrit het hele boek vijf keer lezen; bij Nabokov of Proust heb je dan hoogstens tien of twintig pagina’s verwerkt.

C.V.G.: Het nulnummer van Posture Pockets, One way or another, biedt een terugblik op Posture Editions: één werk uit ieder nummer, samen met een fragment uit de tekst. Dat is helder, maar wat ik niet begrijp is wat er op de cover staat, zowel op de voor- als op de achterflap: ellipsvormige lijntekeningen met een zwarte schijf in het centrum – twee amandelvormige ogen?

K.D.: Dat is een verwijzing naar Posture Editions.

N.D.: Voor het nulnummer van Posture Pockets hebben we de ogen niet verscholen achter het boek, maar op de cover afgedrukt – alsof de ogen van de lezer door het boek heen priemen, en naar links of rechts kijken. Het symboliseert ook een open blik, een openstaan voor verschillende perspectieven en vormen van kunst.

C.V.G.: Zijn de komende nummers in voorbereiding?

N.D.: We hebben een achttal ideeën klaar, maar nog niemand is gecontacteerd.

S.S.: Ik vermoed dat het ook in dit geval zoals bij Posture Editions zal gaan: dat het nulnummer, en de presentatie, de volgende nummers mee veroorzaakt.

K.D.: Er zijn grafische ideeën: het zou kunnen dat de afbeeldingen in elk nummer zwart-wit worden gedrukt, en ook meer met de tekst verweven worden, en dus niet zoals in Posture Editions apart worden opgenomen, vooraan of achteraan.

N.D.: Ik kan me zelfs voorstellen dat we een tekst uitgeven – bijvoorbeeld het romandebuut van Koen Brams – die zo beeldend werkt dat het resultaat als beeldend kunstwerk te beschouwen valt.

 

 

Aan de oorsprong van dit gesprek ligt de boekpresentatie van One way or another op 6 november 2021 in het S.M.A.K. in Gent. De gelijknamige tentoonstelling liep van 30 oktober tot 28 november 2021.

 

 

 

Tegendraads, met een idee

Daniël Rovers: Als kunstenaar heb je de afgelopen pakweg twintig jaar op veel plekken gewerkt, eerst in Amsterdam, later onder meer in Kopenhagen. In 1991 begon je een opleiding aan de Rietveld Academie. Hoe kwam je daar terecht?

Gillion Grantsaan: Na de grafische MTS in Amsterdam-Sloterdijk, in mijn laatste jaar omgedoopt tot het Grafisch Lyceum, heb ik kort voor een grafisch bureau gewerkt, en daarna ben ik gaan reizen, naar Brazilië, Nicaragua, Costa Rica, Guyana, Suriname en Ghana. Ik wilde fotograaf worden, een soort Magnumfotograaf, en de wereld rondtrekken met mijn camera om alle onrechtvaardigheden vast te leggen. Dat was dus eerder een journalistieke droom. Mijn ouders hadden hoger onderwijs gevolgd, en mijn broer en zus studeerden. Als jonge zwarte man had ik niet de angst dat een studie niet voor mij – voor ons – was weggelegd. Maar ik ontdekte wel pas laat dat er zoiets als een kunstacademie bestond. Amsterdam was toen echt het centrum van mijn wereld, dus logisch dat ik voor de Rietveld koos. Opeens moest ik werk produceren.

D.R.: Je moest een portfolio voorleggen.

G.G.: Ik kwam met abstracte foto’s uit Rio en Belo Horizonte en Recife. Ik was er vrij fanatiek mee bezig. Ik had mijn keukentje omgebouwd tot donkere kamer. Die vier jaar grafisch onderwijs, wat ik op zich niet zo interessant had gevonden, bleek toch een kader te bieden, of in ieder geval duidelijk te maken: zo wil ik het doen. Maar ik geloof niet dat ze op de Rietveld erg onder de indruk waren.

D.R.: Had je fotografen als voorbeeld?

G.G.: Ik ging naar de bibliotheek om fotoboeken in te kijken, vooral van fotografen die sociaal-maatschappelijke problemen zichtbaar maakten. Ik herinner me boeken van Sebastião Salgado en Alfred Stieglitz, maar ik kan niet zeggen dat zij ‘voorbeelden’ werden.

D.R.: Hoe luidde het commentaar op wat je liet zien?

G.G.: Ik toonde niet alleen foto’s, maar ook tekeningen en pogingen tot schilderen. Ik zei dat ik fotografie wilde doen, maar ze lieten merken niet zo zeker te weten of ik een fotograaf was. Ik kwam terecht in de afdeling Voorheen Audiovisueel, een heel vrije richting. Het fotograferen hield ik vol, in mijn hoofd­­ was ik alweer op weg naar Nicaragua! Ondertussen bleef de kritiek hetzelfde: ik maakte foto’s, zo was de teneur, maar ik was geen fotograaf. Dat klopte: de foto’s die ik maakte waren technisch weinig hoogstaand. En wat ik zelf het interessantst vond, was het bewerken van die negatieven in de donkere kamer.

D.R.: De overstap van het middelbaar beroepsonderwijs naar een kunstacademie is bijzonder. Er zullen je dingen opgevallen zijn die volkomen anders waren. Wat viel je op aan de Rietveld?

G.G.: Het was best wit. Ik werd omringd door mensen die weinig van mijn achtergrond wisten – de kennis over Suriname was en is in Nederland over het algemeen oppervlakkig. Er waren wel zwarte studenten, zoals Remy Jungerman, Michael Tedja en de zussen Natasja en Iris Kensmil, maar die zaten bij verschillende vakken en soms in een ander jaar. Remy volgde beeldhouwen, en de Kensmils zaten bij schilderen. Er was geen kritische massa. Het hele kader was sowieso liberaal-meritocratisch: je moest talent hebben, hard werken en aan de maatstaven voldoen, dat wil zeggen aan de witte mannelijke norm.

D.R.: Wat was de conclusie van je docenten na dat eerste jaar?

G.G.: Ik moest het eerste jaar overdoen, ik had te weinig progressie getoond. Bij toeval hoorde ik in de kantine een docent zeggen dat hij dacht dat ik niet helemaal begreep wat kunst was. En ik dacht: waar slaat dat nu op? Er sprak zo weinig vertrouwen uit. Misschien neem je zulke dingen persoonlijker op als je jong bent. Achteraf gezien was dat extra jaar goed voor me. Ik kreeg de kans om dingen uit te proberen. De kritiek die ze meegaven, zou de komende vier jaar aanhouden: dat het te weinig specifiek werd, dat mijn werk alle kanten uitwaaierde.

D.R.: Tegelijk biedt een kunstacademie, als het goed is, ook een theoretische basis. Wat blijft je bij van het curriculum?

G.G.: Kunstfilosofie en kunstkritiek. We hadden een bevlogen docent, Bert Taken, die legde uit wat kunst voor de filosofie had betekend, in plaats van andersom. Altijd stelde hij de vraag wat een oeuvre waard was, ongeacht de reputatie van een kunstenaar of diens ‘waarde’ op de markt. Nu zou je zeggen ‘logisch’, maar dat was toen een eyeopener. Voor hem ging het om de vraag of iemand een taal had ontwikkeld. Dat was het hoogst haalbare, dat ging verder dan zomaar wat vormpjes uitproberen. Roy Liechtenstein vond hij om die reden interessanter dan Andy Warhol. Of neem David Hammons, die net als Warhol heel beroemd was en bovendien, een revelatie voor mij, zwart bleek te zijn. Ook zijn oeuvre kon je, los van wat iedereen zei, op waarde schatten. Over zijn vroege werk, geïnspireerd door popart, was iedereen laaiend enthousiast, terwijl ik zijn latere werk beter vond.

D.R.: Hammons – een zwarte kunstenaar die tot de Amerikaanse en dus de Europese canon doordrong – was een voorbeeld.

G.G.: Belangrijker is mijn ontdekking van feministische literatuur en kunst. Ik herinner me een boek waarin een feministische kijk op Karl Marx werd geboden. De basale vraag luidde: welke rol hadden vrouwen in de marxistische theorie? Opeens zag ik dat waar je ‘vrouwen’ zou kunnen invullen als Marx over mannen schrijft, je dus ook ‘zwarte man’ of zwarte vrouw’ zou kunnen schrijven.

D.R.: Een ontdekking die los van de kunst stond.

G.G.: Juist niet. In die tijd zag ik een kunstwerk van Hannah Wilke, getiteld I Object: Memoirs of a Sugargiver, dat reageerde op Duchamps laatste werk Étant donnés, een kijkdoos die een blik biedt op een wijdbeens liggende naakte vrouw. Wilke had dat werk opnieuw gemaakt. Ze had als het ware de plek van die onbekende vrouw ingenomen en was zelf gaan poseren. Ze maakte duidelijk dat het kijkgat stond voor de aloude manier waarop mannen naar vrouwen menen te mogen kijken. Haar werk was een kritiek op Duchamps blik, en op de male gaze.

D.R.: Waarom greep je dat aan?

G.G.: Duchamp was mijn held. Ik vond het fantastisch wat hij maakte. Hij was wereldberoemd en toch underground gebleven. Hij ging tegen de gevestigde orde in: tegendraads, met een idee. Wat hij deed sloot aan bij hoe ikzelf wilde werken. Ook ik verzamelde spullen van op straat, readymades, omdat ik geen geld had, maar ook om te zien wat de samenleving als ‘afval’ beschouwde. Het was minder glossy dan Amerikaanse ‘I Want to Be Famous’ popart. Voor mijn eindexamen heb ik letterlijk werk over Duchamp gemaakt, met een duchampiaans woordgrapje: ‘Are You the Champ?’ En toen zag ik werk van Wilke, een mooie vrouw, dus je ogen glijden daar als het ware heen. Ik begreep dat vrouwen op een andere manier naar dat werk kijken, en naar de persoon van Duchamp. Wilke stelde vragen bij het meerderheidsperspectief – dat Duchamp achteloos een naakte vrouw in het brandpunt kon plaatsen. Zij zette zichzelf in het centrum, dat viel op. Tegenwoordig zou het identiteitspolitiek worden genoemd.

D.R.: Hannah Wilke ontkleedde zichzelf én Duchamp.

G.G.: Ik zou ook Adrian Piper willen noemen, al is er iets gênants aan mijn ontdekking van haar werk. Het heeft lang geduurd voordat ik erachter kwam dat ze een vrouw was. Door die naam en het conceptuele van haar werk, de speelse manier waarop er met taal werd omgegaan, was ik ervan overtuigd dat het afkomstig moest zijn van een zwarte man, afkomstig uit de Caraïbische diaspora. En toen ik een foto zag van Adrian Piper samen met Gavin Jantjes viel het kwartje nog steeds niet. Die vrouw, vrij licht van kleur, dat kon Piper niet zijn… Oeps!

D.R.: Is er werk van haar dat je kunt noemen?

G.G.: Piper liet zien hoe je als feministisch kunstenaar conceptueel verfijnd werk kon maken. In 1986 maakte ze Calling Cards, visitekaartjes met tekst, die ze uitdeelde als iemand al dan niet bewust een racistische opmerking maakte. De eerste regel op het kaartje luidde ‘I am black’. Zo radicaal, revelerend! Omdat het gros van de kunstenaars en critici toen van mening was dat je niet Surinamer, zwart, vrouw of homo was – maar kunstenaar! Ik kreeg op de Rietveld wel eens te horen dat werk waarin het ging over huidskleur geen kunst was. Maar Piper had dus al tien jaar daarvoor laten zien hoe dat wel kon.

D.R.: Welke teksten las je in die tijd?

G.G.: Third Text. Dat was mijn introductie tot het denken over kleur en de notie ‘kwaliteit’: het idee dat een begrip als kwaliteit maatschappelijk bepaald is, en subjectief. In dat tijdschrift ging het vaak over de Caraïbische diaspora en kunstenaars uit het Britse Gemenebest. Daar kon ik me meer mee identificeren dan met Afro-Amerikaanse auteurs. Die schreven vaak – voortbouwend op de Civil Rights Movement – over het ‘Amerikaan worden’. Bij Third Text ging het nooit over de vraag hoe je ‘Brits’ kon zijn – het ging over de vraag wat kunst was en wie kunstenaar. In die teksten ging ik me verdiepen in het laatste jaar aan de Rietveld.

 

Godenzonen

D.R.: In het jaar van je afstuderen, 1996, kom je met collagewerk, onder meer Hollandsche les, een kleine installatie bestaande uit een telraampje met witte en bruine bonen, een plank beplakt met krantenartikelen, en een luidsprekertje waaruit steeds dezelfde vraag klinkt: ‘Kunt u een zin maken met het woord ‘niettegenstaande’?’

G.G.: Binnen Voorheen Audiovisueel leerde ik video’s en geluidmontages maken. Een wereld van mogelijkheden opende zich. Als incarnated hiphopfan kende ik de techniek van het samplen en het scratchen. Je zou het een voortzetting kunnen noemen van wat de surrealisten bricolage noemden: in plaats van rhythm-samples ging ik op zoek naar geluidsfragmenten. Bij mijn ouders vond ik een plaat met een sketch van toneelgroep Naks. En daar hoorde ik dat zinnetje over ‘niettegenstaande’. Het ging mij om de vaak plechtstatige manier waarop vooral oudere Surinamers Nederlands praten. Je kunt het soms nog horen in het Surinaamse parlement, van dat langdradige, deftige Nederlands.

D.R.: En de krantenartikelen?

G.G.: Ik ging mijn woning in De Pijp behangen en onder de oude lagen behang – als je daar brand krijgt, fikt het binnen drie seconden af – bleken kranten uit de jaren veertig en vijftig te zitten, met woorden die oudere Surinamers nog gebruikten: een poëtische verbinding. Het telraam stond voor naar school gaan, en Suriname, dat waren bruine bonen. Het had bij wijze van spreken ook roti kunnen zijn.

D.R.: Godenzonen, je bekendste werk, onlangs opgenomen in de collectiepresentatie van het Stedelijk, kwam een jaar later, in 1997 tot stand. We zien een foto van twee halfnaakte, zwarte jongetjes. De ene draagt een Ajaxshirtje gemaakt uit rood-wit beschilderde spijkers, op de foto aangebracht; de andere gaat half schuil onder zilverkleurige spijkertjes.

G.G.: Die foto kwam van een vriendin die in Zuid-Afrika op vakantie was geweest, in een van de vrijstaten. In een show moesten die jochies een dansje opvoeren, omringd door toeristen in jassen en met fototoestellen. En in een brainwave zag ik: dat is Ajax! Het zijn jongetjes die in korte broek over het koude gras rennen, en ondertussen zit het publiek warmpjes gekleed naar de show te kijken. In die tijd was Ajax bezig Afrikaanse spelers te rekruteren met een zogeheten voetbalschool in Kaapstad.

D.R.: Het was een kritiek op wat je kinderarbeid zou mogen noemen. Of op het feit dat sport, basketbal of voetbal, vaak de enige uitweg uit armoede is voor zwarte kinderen, zoals David Hammons heeft laten zien in Higher Goals.

G.G.: Je kunt natuurlijk met recht zeggen dat een aantal jonge kinderen de kans krijgt hogerop te komen. Het probleem is dat het systeem alleen oog heeft voor wie wint, of beter gezegd: wie profijt oplevert. Wie afvalt is collateral damage.

D.R.: De belangrijkste ingreep zijn de spijkertjes.

G.G.: Ajaxvoetballers zijn godenzonen. Als ook deze Zuid-Afrikaanse jochies godenzonen zijn, en ze net als Jezus verlossing brengen of ernaar op zoek zijn, en ondertussen een lijdensweg afleggen, moeten ze aan het kruis. De foto was op hout geplakt – dat was hun kruis. Het was een brute handeling om die spijkertjes door de foto heen te slaan.

D.R.: Hoe heb je de spijkertjes beschilderd?

G.G.: Met acrylverf. Dan denk ik weer aan Duchamp: zijn oog voor detail en afwerking is wat zijn werk zo mooi maakt. Dus dat verven moest heel precies gebeuren: de verf mocht niet op de foto komen. Wat ook een verdienste was van de Rietveld en de opleiders daar: je krijgt precisie aangeleerd.

D.R.: In de winter van 1996-’97 nam je naast Chris Ofili, Tariq Alvi en Matthijs de Bruijne & Erik Weeda deel aan de groepstentoonstelling Mothership Connection in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam: een ‘gekleurd perspectief’ op het verleden én de toekomst. De titel was ontleend aan een werk van het Black Audio Film Collective. Je was zeer jong, en toch ontving je een uitnodiging van curator Leontine Coelewij.

G.G.: Ik kreeg een positieve evaluatie van mijn eindexamen op de Rietveld, dat moet de aanleiding zijn geweest. Het was verrassend. Tijdens de opleiding werd je als zwarte kunstenaar niet gestimuleerd om je achtergrond in het middelpunt van de belangstelling te zetten. Je werk werd geacht over kunst met een K te gaan, terwijl impliciet bleef dat daar doorgaans witte kunst onder wordt verstaan.

D.R.: Op Mothership Connection hing onder meer 3de generatie, uit 1997. Een bricolage van een sinaasappelkistje, met op de bodem een afbeelding van een sportveld tussen palmen. Een föhn blies warme wind in het gezicht van wie het werk tegen het licht van een lamp in bekeek.

G.G.: Via Third Text had ik het werk van Gavin Jantjes ontdekt, die politieke kunst maakte zonder ooit droog of louter theoretisch te worden. Zoals gezegd las ik in dat blad over de Caraïbische diaspora naar Engeland. En ik besefte: er bestaat ook een Surinaamse diaspora. Daar gaat 3de generatie over. Het plaatje toont Nickerie, een grensplaats in Suriname, dicht bij Brits-Guyana. Als je Nickerie bezoekt, zie je meteen dat de Engelsen daar de scepter zwaaiden. In het midden ligt zo’n green lawn waar ze cricket speelden, heel Brits-koloniaal. Dat sinaasappelkistje stond voor het transport van waren over de hele wereld. Daar heb ik een lamp en een föhn aan toegevoegd. Het gaat over de vraag hoe identiteit ‘gemaakt’ wordt. Aan de ene kant horen ik en mijn generatiegenoten bij Nederland, maar aan de andere kant mogen we slechts schoorvoetend en ten dele ‘Nederlander’ zijn. En we hebben Surinaamse ouders, en voelen ons zeker aangetrokken tot het meest exotische deel van onze identiteit. Wie je bent is tenslotte een collage: een geheel van beelden waar je je goed bij voelt.

D.R.: Had je die föhn met tape vastgemaakt?

G.G.: Het was een houten plankje waar ik dat ding op had vastgeschroefd. Een krakkemikkige constructie. Het was een oranje föhn die ik had gevonden tussen de troep op straat. Erg symbolisch, hoewel het ook gewoon een jarenzeventigkleur is.

D.R.: Op Mothership Connection hing ook Landgenoten (1996). Je tekende koningin Beatrix na, zoals ze op de door Peter Struycken ontworpen postzegel staat, maar met een afrokapsel. Daaronder, in dat zwierige woordenboeklettertype: vanDalen.

G.G.: Ik weet nog dat ik naar die postzegel zat te kijken en merkte dat Beatrix eigenlijk een Angela Davis-afro had. Dat hoefde ik alleen maar aan te dikken, al moest ik flink oefenen om haar silhouet goed na te tekenen. Ik heb enorm veel versies gemaakt, tot het op een gegeven moment haast automatisch ging. Toen pas begon ik met kleine krulletjes haar gezicht weer te geven. De naam van Dale spreekt letterlijk boekdelen. Daarin kwam de Nederlandse taal samen met de stammen die door Europa trokken en ten slotte Rome plunderden. Vandalisme dus, net wat Nederland gedaan heeft met zijn koloniën. Ze hebben van alles genomen en er behalve de taal zo goed als niets voor teruggegeven, tenzij je apartheid en slavernij als giften beschouwd.

D.R.: In 1997 had je een kleine solotentoonstelling, getiteld Fort Zeelandia, in Metro S in Middelburg, destijds een onderdeel van De Vleeshal. Vloeide dat voort uit Mothership Connection?

G.G.: Nee, dat had met Lex ter Braak te maken. Hij was in die jaren directeur en curator van De Vleeshal en wat mij betreft een van de beste gastdocenten op de Rietveld; hij kende mijn werk en vond het blijkbaar goed. Hij heeft me ook voorgedragen voor het televisieprogramma Kunstblik: korte portretten van jonge kunstenaars verschenen eind jaren negentig op de Nederlandse televisie.

D.R.: Fort Zeelandia is een duidelijke verwijzing naar het koloniale verleden van Nederland, en dat van Zeeland in het bijzonder.

G.G.: En een verwijzing naar de Decembermoorden. Die vonden plaats in Fort Zeelandia in Paramaribo.

D.R.: Mark Peeters besprak de tentoonstelling in NRC Handelsblad en hij noemde jou ‘een van de meest opvallende debutanten in de Nederlandse kunstwereld’. Het werk Zangvogeltje (de walkman svp aan en uit zetten) lichtte hij er met een beschrijving uit.

G.G.: Zangvogeltje maakte oorspronkelijk deel uit van mijn eindexamenpresentatie. Het bestond uit een kooitje dat ik op straat had gevonden, met daarin ‘opgesloten’ een opengeknipt blikje groene Fernandes. Aan dat blikje had ik twee beentjes geschroefd en er een luidsprekertje in gemonteerd, dat via kleurige draadjes verbonden was met het cassettedeel van een walkman op de grond. Er weerklonk een deel van de conference die ik ook voor Hollandsche les had gebruikt. Een man las een tekstje voor, en daar had ik dan een loop van gemaakt.

D.R.: De stem zei, zo schrijft Peeters, welke dranken er voorradig waren, namelijk ‘Campari, Martell, Club 45, jenever, Black Bieri en champagne’.

G.G.: Ik vond dat zangerige Surinaams-Nederlandse accent belangrijk. De manier waarop ik spreek en schrijf is heel wit-Nederlands. Als mensen je dan alleen horen of lezen, zijn ze verbaasd: ze verwachten een witte Hollandse jongen. Daar stond tegenover dat ik in mijn zwarte kennissenkring soms te horen kreeg: ‘Kun je niet wat minder ‘Nederlands’ praten?’ Dat vogeltje in het kooitje ging net als 3de generatie over het creëren – en het ondergaan – van identiteiten. Zo’n stel mooie veren, zulke rijpe klanken: in elke omgeving hebben ze een andere status en betekenis.

D.R.: Het werk is veel minder bekend dan bijvoorbeeld Landgenoten en Godenzonen, waarvan nog altijd beelden op internet te vinden zijn.

G.G.: Ja, in Nederland was iedereen erg enthousiast over Landgenoten. De Nederlandse kunstwereld houdt van dingen die over Nederland gaan. Het mag kritisch zijn, maar Nederland staat wel in het centrum. Zo’n eerder poëtisch werk met de föhn of het telraam, waar meer van de wereld én meer van mezelf in zit, daar leek minder interesse voor.

 

Blakart

D.R.: In 1998 ontving je de Charlotte Köhler Prijs voor jong talent, samen met tekenaar Juul Kraijer en schilder Ronald Ophuis. Je was doorgebroken – nog geen twee jaar na je eindexamen.

G.G.: Ik moet zeggen dat die prijs een beetje langs me heen is gegaan.

D.R.: Maar Godenzonen was aangekocht door het Stedelijk, in het kader van de Gemeentelijke Aankopen.

G.G.: Ik kende de kunstwereld vrij slecht, maar ik zag wel in dat ik maar een kleine figuur was in een vrij groot spel. Er waren aan de ene kant kunstenaars die naar me toekwamen en zeiden: ‘Je hebt alleen maar succes omdat je zwart bent.’ Aan de andere kant sturen de mensen die je interessant vinden je heel duidelijk een door hen gekozen richting in. Ik bedacht me dat dit niet het doel van mijn werk kon zijn: steeds maar weer opdraven in andermans tentoonstellingen.

D.R.: Als kunstenaar word je inderdaad geacht op een gegeven moment een winkeltje te runnen, of in ieder geval je werk regelmatig te tonen.

G.G.: Ik wilde best verkopen, maar het moest niet alleen een zoveelste schakeltje zijn in de witte kunstwereld. Ik wilde meedenken, terwijl men vooral wilde dat je meedeed, dan werd je op het eind ‘beloond’. Ik maakte voor mijn gevoel politieke, progressief-kritische kunst, en als dat onnadenkend commercieel wordt, dan verandert het gewoon. Eerst probeer je dingen te bedenken om daaraan te ontkomen, maar dat kon ik niet. Kritische kunst vervult vooral een functie binnen de kunstwereld: je verandert er niets mee. Buiten de muren van het museum blijft alles bij het oude. Ik paste ervoor, omdat het me niet gelukkig maakte, om in een kunstruimte aan het clichébeeld van de Ander te voldoen. Je kunt een held zijn in een galerie, maar in een winkel word je nog altijd zonder reden als mogelijke winkeldief beschouwd.

D.R.: Overwoog je te stoppen?

G.G.: Ik vroeg me af wat ik dan wél wilde doen binnen de kunst. In 1999 kwam er vanuit Casco in Utrecht de vraag of ik iets wilde zeggen over wat me motiveerde als kunstenaar. Ik schreef een aantal ideeën op en die tekst kwam datzelfde jaar in Metropolis M terecht onder de titel ‘Gillions schrijverij oftewel het ABC van Gillion’. Toen het was gedrukt, werd het pas echt. Dit stond los van een witte Beatrix, los van het kolonialisme, van racisme. Het was mijn eigen vormtaal. Zo is mijn begrip Blaka, oftewel Blakart ontstaan.

D.R.: Was dat je debuut als auteur?

G.G.: Ik had altijd geschreven, gedichten bijvoorbeeld, en op de Rietveld kregen we ook schrijfopdrachten. Dat lag me wel. Eerst verzamelde ik teksten onder de noemer Ogri: dat ging uit van mijn eigen, radicale perspectief. Blaka daarentegen was een ruimte, een vorm waarin plaats was voor alle hedendaagse kunst – ook de mijne. Zwart zijn alle kleuren samen, daar is iedereen in vertegenwoordigd, en het is gericht op iedereen.

D.R.: Er zijn verschillende versies van die tekst – maar naar de vorm is het een manifest. Jij zet uiteen wat volgens jou goede, open, ‘zwarte’ kunst is.

G.G.: Het was tevens een performance. In Casco sprak ik als een orator het publiek toe. Vervolgens werd ik door Jean Fisher, die bij Third Text betrokken was, gevraagd iets soortgelijks op de Jan Van Eyck-academie te doen. Dat was een internationale setting, gericht op transculturele praktijken, en toen heb ik het uitgebreid.

D.R.: Uitgebreid tot performances.

G.G.: Ik sloeg een totaal andere weg in. Eind jaren negentig kwam de computerwereld op, en ik was meteen geïnteresseerd. In de bibliotheek leende ik dikke boeken om de codes te leren om zelf websites te maken, en algauw kwamen er programma’s op de markt als Photoshop en Illustrator, waarmee je teksten en beelden kon manipuleren en animeren. De donkerekamerfotografie heb ik ingeruild voor de mogelijkheden van de digitale fotografie.

D.R.: Het was ook een verkenning van de mogelijkheden van internet.

G.G.: Toentertijd, en dat zeg ik met nadruk, ging er een enorme democratische belofte van internet uit. Je kon bij wijze van spreken met iemand uit San Francisco over ecologische issues of programmeerproblemen praten, terwijl je router lekker aan het bliepen was, en zonder dat miljoenenbedrijven als Google of Facebook een hele dikke vinger in de pap hadden. Wat me aansprak was dat de kleuren op het scherm in code verschenen, volledig geabstraheerd. Het leek een volledig nieuwe en directe manier om kunst te maken, waarbij je zelf aan de knoppen zat. Dat vond ik gaandeweg veel interessanter dan gevraagd worden voor weer een tentoonstelling.

D.R.: In ‘Blakart’ schreef je: ‘Blak, in Blak Art, means to be political, not the colour of your skin.’ En politiek definieer je als vol ideeën zitten over de toekomst. Tegelijk verdedig je een zeker ‘elitisme’, en kunst die beoordeeld wordt op kwaliteit.

G.G.: ‘Het gaat in cultuur over betekenissen vormen én hervormen. Als dat binnen kunstkringen gebeurt, is het per definitie elitair. Daar is niets mis mee, dat moet je gewoon erkennen. En als een individuele kunstenaar betekenissen schept, moet dat gevalideerd worden door een grotere groep. Concreet gezegd: anderen moeten er iets in zien, moeten het willen gebruiken. Zo verandert elke taal, ook de taal van de kunst, en dat is de kwaliteit ervan. Kwaliteit wordt dus niet alleen door de heersende machten bepaald. Ze wordt zeker ook binnen bepaalde groepen gecultiveerd, divers gemaakt, levendig gehouden. Hiphop is daar het beste voorbeeld van. Hiphop ontstond binnen de zwarte cultuur en ging razendsnel de hele wereld over, van de Braziliaanse favela’s tot de Amsterdamse buitenwijken. Jonge mensen, zwart en wit, zagen: dit kunnen we gebruiken!

D.R.: Maar als je dat zegt binnen de per definitie elitaire kunstwereld, of die nu wit is of ook zwart, dan bepaalt die wereld toch de kwaliteit – door tentoon te stellen, door er aandacht aan te schenken?

G.G.: Blaka is ook een werkwoord, je kunt ermee communiceren, ermee werken. Ik ga de communicatie aan, met iedereen, op de rand van het onbegrip. Alleen wil ik me niet afhankelijk maken van het oordeel van witte mensen. Als de hiphop had moeten wachten tot de eerste witte mensen het goed vonden…

D.R.: De plek waar je teksten samenkomen is uiteindelijk een weblog dat verschillende vormen heeft gekend. Je publiceerde onderling sterk verschillende teksten. Een Nederlandstalig erotisch kortverhaal, ‘Pikzw-arte schimmel’, wordt gevolgd door een Engelstalig gedicht waarin de letter e is vervangen door een l.

G.G.: Het is verschillend, en toch gaat het allemaal over het verband tussen kunst en samenleving. Het was ook kijken of ik ergens goed in kon worden, experimenteel zogezegd, of gewoon van de hak op de tak: van beelden naar tekst, van programmeren naar ontwerpen. Er was steeds zoveel nieuws te ontdekken, en dat wilde ik dan ook kunnen doen. Het mag duidelijk zijn dat er geen uitgedachte planning achter zat, maar wel een idee, een overtuiging.

D.R.: Wat op resterende blog Juzt Wordz opvalt, zijn verschillende designs, haast concrete poëzie, met het woord ‘onzin’.

G.G.: Mijn leven, ons leven, jouw leven, in het kosmische geheel, is compleet zinloos. Het maakt op al die miljoenen jaren tijd helemaal niets uit wat wij willen of presteren. Dat geldt ook voor kunst, als taal, geschreven of juist beeldend. Vanuit dat idee heb ik het woord ‘onzin’ op 1001 manieren vormgegeven, om er als het ware zin aan te geven.

D.R.: Heb je die ontwerpen ingelijst?

G.G.: Ik heb ze ingelijst, ik heb er thuis een aan de muur hangen. Misschien is dat wat uiteindelijk van deze reeks overblijft.

 

Genesis

D.R.: Terwijl je bezig was het internet te verkennen, had je in 2000 solotentoonstellingen in Pand Paulus, Schiedam, en in Leeuwarden, in het Fries Museum. Door wie ben je uitgenodigd?

G.G.: Dat weet ik niet meer. Mothership Connection vond plaats in Bureau Amsterdam van het Stedelijk, en ik had goede ervaringen met Leontine Coelewij. De expositie in Friesland werd georganiseerd door Bureau Leeuwarden, dus ik had er wel vertrouwen in. Die twee organisaties of ‘bureaus’ bleken echter niets met elkaar te maken te hebben.

D.R.: Genesis was een relatief grote tentoonstelling. Je maakte onder meer een hoog en bochtig pad van houten planken door de ruimte, waar plastic speelgoedbeesten op stonden die in plakjes waren gezaagd en weer aan elkaar gelijmd.

G.G.: Ik werkte in die tijd veel met hout. Dat was makkelijk, ik had geen technici nodig om dingen aan elkaar te lassen. Ik wilde een ruimtevullende installatie maken. Dat had ik al een keer gedaan, in een fabriekshal in Kopenhagen bij Christian Chapelle, die later Leisure Club Mogadishni zou oprichten: een galerie die gendergelijkheid nastreefde en veel niet-westerse kunst toonde, zonder dat het over ‘het andere’ hoefde te gaan. Het is de enige galerie waar ik me ooit bij aangesloten heb. Op straat kwam ik prachtige houten vloeren van gesloopte appartementen tegen, en die heb ik naar die hal gesleept. Ik ben beginnen te zagen, en vervolgens heb ik een pad gemaakt.

D.R.: Genesis staat doorgaans voor het scheppingsverhaal. Een nieuw begin.

G.G.: Wat me aantrok in het werk van de dadaïsten en surrealisten was de mengvorm van ideeën, vormen, identiteiten. Dat zat al in mijn vroegere collages, en die wilde ik uitbreiden. Ik maakte die hoge houten weg, en ik zette er dieren op. Eigenlijk speelde ik een beetje voor God, die de dieren van de Ark laat komen. Al wilde ik verder gaan, voorbij het idee dat we uit één stuk geschapen zijn. Ik herinner me genetisch onderzoek uit die tijd dat aantoonde dat een blonde presentatrice uit Brazilië meer ‘Afrikaanse’ genen had dan de donkere bekende Brazilianen die ook aan het onderzoek meededen. Daarom maakte ik bewust alles heel wankel. Doordat de beestjes in stukken waren gezaagd, en in willekeurige volgorde weer aan elkaar gelijmd, konden ze zo uit elkaar vallen. Wat ook gebeurde: kinderen wilden ze natuurlijk aanraken, en dan moest ik met de trein naar Leeuwarden om ze weer in elkaar te zetten.

D.R.: Onze identiteit is een constructie, en een wankele bovendien.

G.G.: Het was ook bewust lelijk. Ik voelde me altijd aangetrokken door het lelijke. Mooi is vaak dat wat van de macht mooi moet zijn.

D.R: Aan het einde van de tentoonstelling in het Fries Museum verscheen er onder de kop ‘Assimileren hoeft niet’ een paginagroot interview met jou in NRC Handelsblad, geschreven door Lien Heyting. Waar Mark Peeters eerder bewonderend was, is haar toon sceptischer, bijvoorbeeld bij jouw opmerking dat haar krant voornamelijk door ‘het blanke establishment’ wordt gelezen.

G.G.: Dat interview was achteraf gezien echt vervelend. De journalist gebruikte het woord ‘haat’, en ik stond daar echt versteld van. Ik haat niets en niemand. Ik heb haar geschreven om daarover te klagen, maar ze reageerde afwijzend: ze had alleen maar genoteerd wat ik had geantwoord. Zo’n interview is blijkbaar niet geschikt om te spreken over genuanceerde zaken, en dat is er met sociale media niet beter op geworden.

D.R.: Je doelt op de passage, in verband met het werk If I was a slave I would, waar de interviewer schrijft dat ‘alleen daarin’ iets ‘doorklinkt’ ‘van haat voor blanken’.

G.G.: Toen ik dat las, dacht ik: oh boy! Het werd me – opnieuw – duidelijk dat zolang wij als zwarte kunstenaars en makers niet zelf schrijven, we steeds door een wit filter bekeken zullen worden. Want het punt is: ik ken verrassend weinig zwarte mensen die witte mensen haten, terwijl je gezien de geschiedenis zou denken: waarom niet? Wat zij schreef kwam voort uit een verdrongen witte koloniale geschiedenis, waarin het normaal is dat je mensen indeelt in verschillende klassen, waar je je vervolgens van af kunt keren.

D.R.: Het werk is een foto van de ‘kerker in Ghana’, zo legt Heyting uit, waarin vroeger slaven opgesloten zaten voor ze op transport gingen naar Amerika. Daarin is een zitbank gemonteerd, met daarop onder meer de slogans ‘leave’ en ‘give ’em aids’.

G.G.: Er was een rap, ik meen van KRS-One, een van die politieke rappers uit de beginjaren van de hiphop, waarin hij zich de vraag stelt wat hij zou hebben gedaan als hij een slaaf was. Dat idee heb ik uitgewerkt. De foto is gemaakt in het slavenfort van Elmina, niet ver van Accra. Je bezoekt daar dan zo’n plek waar je, net als in Auschwitz, niet meer kunt zien wat er precies gebeurd is. Je verbeelding gaat met je aan de haal. Het weinige wat ik op school had geleerd, was dat slaven daar als makke schapen op het schip werden gezet, alsof het geen mensen waren, terwijl er in werkelijkheid wel degelijk weerstand werd geboden, zelfs door zelfmoord te plegen of door zelfmutilatie. Wat wisten wij daar nu nog van? Daarom heb ik die sofa erin geplakt, omdat de beste voetbalcoaches op de bank voor de tv zitten, en vertellen wat anderen hadden moeten doen. Het werk ging dus niet over witte mensen. Het was eerder een gedachte-experiment voor mezelf.

D.R.: In Leeuwarden hing ook de fotocollage Hooggeëerd publiek. Heyting beschrijft het als een montage van ‘een groepje keurig poserende Surinamers’ en een ‘blanke turnster die een adembenemende toer op de brug uitvoert’. Dat groepje lijkt het publiek van dat meisje te zijn geworden.

G.G.: Dat werk is helaas verloren gegaan. De toeschouwers zijn geen Surinamers. De foto is gemaakt in het noorden van Ghana, in de buurt van Tamale, daar was ik aan het backpacken. Ik stapte daar als enige de bus uit, en er kwamen kleine kinderen op me af en die riepen allemaal: ‘muzungu’. Ik dacht dat dat ‘blanke’ betekent, ik had het eerder gehoord, zo werden witte toeristen in dat deel van Afrika verwelkomd. Er zaten ook een paar mannen in traditionele gewaden die zich opmaakten voor een begrafenis. Ik maakte een praatje, en we spraken over het feit dat ik als witte was aangesproken. Zij legden uit dat het eerder ‘vreemde’ betekende, of meer algemeen ‘reiziger’. Het ging die kinderen dus om mijn sandalen, mijn rugzak, mijn geld, en niet om de huidskleur. Maar goed. Die mannen vroegen of ik een foto van ze wilde maken. Ik had een mooie Nikon bij me, vandaar. Dus zij gingen poseren, en ik drukte af. Pas toen ik later het resultaat zag, merkte ik dat ik een typisch wit beeld van deze poserende Ghanese mannen had gemaakt. Dat gevoel van vervreemding heb ik weer gecombineerd met een foto van zo’n heel jonge turnster in een strak gympakje. Ik vond dat altijd al, lang voor de huidige turnschandalen, iets creepy-seksueels hebben. Ook zij nam een pose aan, waardoor een complexe werkelijkheid opeens op een pornografische manier plat werd. De collage was zo gemaakt dat je door de benen van het meisje naar de poserende Ghanezen moest kijken.

D.R.: Was het interview in NRC Handelsblad de reden dat je bent gestopt met het maken van tentoonstellingen?

G.G.: In Nederland hield ik daarna de boot af. Als je niet al te enthousiast reageert op vragen, word je niet meer gevraagd. Maar ik deed nog sporadisch mee aan tentoonstellingen in bijvoorbeeld Duitsland, Costa Rica en Nicaragua. Ik plaatste me niet buiten die wereld, maar ik werkte, met alle plezier, parallel.

D.R.: In Costa Rica was je te zien in het Museo de Arte y Diseño Contemporáneo, en in Nicaragua in kunstruimte Espira La Espora. Had het er ook mee te maken dat na 9/11 en de moord op Pim Fortuyn in 2002 Nederland een flinke ruk naar rechts maakte?

G.G.: Dat is meer een sentiment dat leefde onder witte, linkse Nederlanders. Ik zou eerder zeggen dat sindsdien hardop gezegd wordt wat eerst alleen maar gefluisterd werd. En omdat opeens de moslims gekielhaald werden, werd het voor ons, zwarte mensen, schijnbaar beter. Surinaamse en Caraïbische Nederlanders hoorden er opeens wat meer bij, wij waren cool – al kon ik nog steeds geen grens in Europa passeren zonder aan de kant te worden gezet. Ik weet zelfs niet of je kunt zeggen dat evenementen over black statements zoals in Casco schaarser werden; binnen de kunstwereld, ook bij de ondersteunende fondsen, was er wel degelijk nog een actieve progressieve stroming. Misschien werd het meer een niche – en was er minder oog voor op krantenredacties. De pers ging in die tijd mee in het exclusieve denken, onder het mom van integratie, waarbij het steeds maar weer ging om wat Nederlands was, en wat niet.

D.R.: Op je oude blog staat een bewerking van een bespreking in NRC Handelsblad uit 2008 van de door Okwui Enwezor samengestelde tentoonstelling Snap Judgements in Stedelijk Museum CS. In plaats van de auteur, Sandra Smallenburg, staat daar in het bekende NRC-lettertype ‘gelezen door Gillion Grantsaan’. Met kleuren wijs je verschillende perspectieven aan: bijvoorbeeld het ‘gedecideerd Hollands’ perspectief, als de recensent schrijft over prachtige, zelfverzekerde vrouwen met gestifte lippen en hakken, om te concluderen dat je zoiets niet zou verwachten in een Noord-Afrikaans land.

G.G.: Ik wilde vooral laten zien hoe anders je perspectief wordt als je zo’n tekst als zwart persoon leest. En dat is op zich niet raar. Ook een vrouw zou weer anders naar mijn teksten kijken. Het is dus beslist niet zo dat mijn blik dé waarheid is. Maar ik was teleurgesteld over het niveau van de tekst, die te veel uitging van de eigen vooroordelen, en de ontkrachting daarvan, en te weinig over wat de kunstenaars zelf wilden vertellen. Het waren steeds weer de ‘allochtonen’ die met maatstaven uit het verleden werden beoordeeld – het kader om ook naar de toekomst te kunnen kijken ontbrak. Dat hadden we juist willen aankaarten én veranderen met Wakaman.

 

Wakaman

D.R.: Wakaman vond drie jaar eerder plaats, in 2005, en werd georganiseerd door Remy Jungerman, Michael Tedja en jijzelf in Tent, Rotterdam. Wakaman is Sranantongo voor wandelende man, levensgenieter en hosselaar, en ook een verwijzing naar stanley brouwn, die als ‘walking man’ zijn wandelingen documenteerde. Hoe kwam jullie initiatief tot stand?

G.G.: Remy, Michael en ik kenden elkaar van de Rietveld, dat was inmiddels tien jaar geleden en we hadden nooit echt iets samengedaan. Ik weet niet wie het eerste idee had, vermoedelijk kwam het niet van mij. Ons plan werd gehonoreerd door het Fonds BKBV. Dat we bij Tent uitkwamen, dat zal een idee van Michael zijn geweest, Rotterdam was zijn stad. We zouden gezamenlijk werk laten zien. In veel andere landen, en dan vooral in de Verenigde Staten, maar ook in Engeland en Frankrijk, hadden niet-witte hedendaagse kunstenaars zich al collectief gepresenteerd. Niet met het oog op de ‘multiculturele samenleving’, nee, vanuit de kunst, met oog voor de specifieke achtergrond en strijdpunten. Wij zaten aan de knoppen: we hoefden ons niet te schikken naar de ideeën van anderen.

D.R.: Er werd een avond georganiseerd met discussies, en een tentoonstelling, waar jij onder meer een compilatie toonde van je computergrafiek, en ook een werk dat uit twee in elkaar gewerkte keukenstoelen bestond, waarvan de zittingen van prints waren voorzien.

G.G.: Van die avond herinner ik me zo goed als niets. Die computerontwerpen, daar was ik zo rond 2000 mee begonnen, die hingen aan de muur. Op de grond lagen allerlei kunstboeken uit mijn verzameling. Ik wilde heel basaal uitbeelden dat je met deze ruimte ook een context betrad. Er lagen exemplaren van Third Text, ongetwijfeld ook boeken over kunst in de openbare ruimte, waar ik toen mee bezig was, er zal een exemplaar van Contemporary African Art van Sidney Littlefield Kasfir bij hebben gelegen, dat in 1999 was verschenen. Die stoelen waren een voortzetting van Genesis, toen ik planken en plastic speelgoed in stukken had gezaagd en weer in elkaar had gezet. Dat deed ik nu met die stoelen. Ik had daarvoor een paar maanden in het Grafisch Atelier in Utrecht gewerkt, en met het resultaat had ik die stoelen bekleed.

D.R.: Bij zo’n wankele stoel kun je denken aan het afzagen van stoelpoten, of aan stoelen die, in metaforische zin, door witte personen bezet worden gehouden.

G.G.: Of een stoelendans… Maar nee, het is eerder een fascinatie voor stoelen. Ze komen in alle culturen voor, het is een alledaags gebruiksvoorwerp, en er wordt – van kruk tot troon – een onvoorstelbare hoeveelheid design op losgelaten. Ik had een Deense kunstenaar leren kennen, Anja Franke, die erg bezig was met Afrikaanse stoelen, hoewel dat niet eens in haar werk terugkomt. Van haar heb ik veel geleerd. Je ziet bijvoorbeeld dat als Afrikaanse stammen in contact komen met Europese of Indiase mensen hun stoelen veranderen. En in Mombasa, in Oost-Afrika, zag ik een paar gegraveerde stoelen die me deden denken aan Suriname, aan het werk van de boslandcreolen. Terwijl je zou denken dat de meeste slaven uit West-Afrika kwamen – dat soort dingen zijn fascinerend.

D.R.: Jungerman heeft geschreven over de ‘oorverdovende stilte’ in de kunstkritiek na jullie initiatief in Tent. Vond jij dat ook?

G.G.: Zeker. Als je het met de hypebarometer zou meten, zou je toch zeggen dat Wakaman veel potentie had. Nederland liep wat diversiteit gewoon achter vergeleken met de VS en Engeland. En dan had je een tentoonstelling van drie van de meest besproken zwarte kunstenaars van dat moment, op een goede plek, in Tent. Ik snapte het niet. Het zou kunnen dat al die Amsterdammers gewoon weigerden ‘helemaal’ naar Rotterdam te komen.

D.R.: In 2007 krijgt Wakaman een projectsubsidie van het fonds BKBV, vanuit de intendant voor culturele diversiteit, voor een tentoonstelling in Suriname, in Fort Zeelandia, met Surinaamse en Nederlands-Surinaamse kunstenaars, en een boek. Dit keer zonder Tedja. Waarom was hij er niet bij?

G.G.: Dat kan ik me niet herinneren. We konden het goed met elkaar vinden, maar we verschilden behoorlijk. Ik wilde bijvoorbeeld graag dat het een expliciet politiek statement zou zijn, terwijl Remy en Michael meer vanuit de kunstcontext dachten. Uiteindelijk vonden we in Rotterdam een consensus.

D.R.: In Paramaribo, in 2009, werd het een samenwerkingsproject tussen Surinaamse en Nederlands-Surinaamse kunstenaars. Er werden drie duo’s gevormd: Kurt Nahar en Iris Kensmil; Marcel Pinas en Charl Landvreugd; Patricia Kaersenhout en Ori Plet. Hoe kwam de selectie tot stand?

G.G.: Na de tentoonstelling in Tent ontmoette ik een academica met dreadlocks, tijdens een voordracht van naar ik meen Australische kunstenaars in Utrecht. Het was Gloria Wekker, ik kende haar niet. Ik weet nog dat ze lachend gebaarde dat ik naast haar moest komen zitten. Ze was in Tent geweest, en ze vroeg me: waarom waren er alleen maar mannen op die tentoonstelling van jullie? En ik ging een lang verhaal houden over het hoe en het waarom, maar zij zei gewoon, met een vriendelijke glimlach: dat zijn toch alleen maar excuses? Ik liet het bezinken en besefte: ze heeft gelijk! Waar ik de witte Nederlandse kunstwereld altijd van beschuldigd had, dat ze alleen maar uit hun eigen kennissenkring selecteerde, dat deed ik zelf ook! Je nodigt de mensen uit met wie je het makkelijkst praat, in mijn geval waren dat Remy en Michael, en dan ben je lekker snel klaar. Ik besefte dat we andere namen moesten zoeken.

D.R.: Jij droeg zelf geen werk bij aan de tentoonstelling in Paramaribo. Wat was jouw rol?

G.G.: Er was een meningsverschil over de opzet. Ik vond dat het ‘maar’ een kunsttentoonstelling werd, waar kunstenaars hun werk toonden en dat op hun cv konden zetten, terwijl ik een expliciet politiek statement had willen maken.

D.R.: Hoe zou je dat hebben willen doen? Een banier met ‘Bouterse go home!’?

G.G.: Dan nog eerder ‘Schaf het koningshuis af!’ Ik ben geen Bouterse-fan, laat dat duidelijk zijn, maar die morele verontwaardiging over hem lijkt me selectief – dan zou je toch ook mogen kijken waar de Oranjes verantwoordelijk voor zijn geweest. Bouterse is een product van de Nederlandse geschiedenis – dat moet je bekritiseren, maar hij moet niet de belichaming van het kwaad worden. Hij heeft zijn militaire opleiding genoten in Nederland, hij spreekt Nederlands, en zijn politieke prietpraat gaat over het vinden van een identiteit, hij zet zich af tegen Nederland – dat soort sentimenten gebruikt hij ook. Jongeren hebben helemaal geen boodschap aan wat die man allemaal heeft gedaan. Nee, het ging meer om de manier waarop je zo’n tentoonstelling organiseert. Hoe je in dialoog treedt met het publiek, het Surinaamse publiek in dit geval. Je komt uit het Westen, en dan kom je per definitie met relatief veel geld op een plek waar weinig of geen geld is. Dat hadden we kunnen laten zien, maar daar waren de anderen het niet mee eens.

D.R.: Aan de catalogus leverde je een bijdrage met het sprookje ‘Redimusu’ (‘Roodkapje’). Je steekt onder meer de draak met een aantal Nederlandse instituten: ‘Rechts Fonds voor Beeldende Gunsten, links Von Abba Museum, daarnaast Witter dan Wit, schuin hierachter Arti Fart, Bureau Geeuwarden, Het Stedelijk Verzuim…’

G.G.: Redimusu was ook de naam voor slaven die door plantagehouders ingezet werden om weggelopen slaven op te pakken. Het waren zwarte mensen die op andere zwarte mensen jaagden, en zo werden ze ook genoemd: ‘Zwarte Jagers’.

D.R.: En wat wilde je met het sprookje zeggen?

G.G.: De kritiek die je op anderen hebt, is ook op jezelf van toepassing. Je moet je eigen vooroordelen op het spoor komen, én veranderen. Het is niet omdat je zwart bent, dat je een beter mens bent. En verandering ontstaat niet dankzij incidentele projecten, dan blijft het symboolpolitiek. Je kunt rekening houden met mindervaliden, door af en toe een museum of een bibliotheek toegankelijker te maken, maar als je wilt dat die mensen echt deel zijn van de maatschappij, dan moeten zulke dingen de standaard worden. Een inclusieve samenleving zou in je denken en doen moeten zitten.

D.R.: Dat klinkt verzoenlijker dan de tekst die ik citeerde. Daarin geef je toch ook kritiek op bestaande Nederlandse instellingen?

G.G.: Dat is waar. Het ging zeker over de vraag: waar staan wij nu, als zwarte kunstenaars? We hadden eenzelfde achtergrond, en eenzelfde beleving van hoe de maatschappij ons zag. Het was spannend om met ‘eigen mensen’ te kunnen werken en je eigen taal in de openbare ruimte te brengen. Dat zag je toen niet of veel te weinig in de kunstwereld. Vooral achteraf kreeg ik positieve commentaren op Wakaman. Mensen weten dat het bestaan heeft. Maar ik geloof niet dat het in de kunstwereld iets teweeg heeft gebracht: het heeft destijds niet gezorgd voor een nieuwe ruimte of een nieuwe taal.

 

Ydre Nørrebro Kultur Bureau (YNKB)

D.R.: In de jaren na 2001 hield je je bezig met teksten, met digitale kunst en met kunst in de openbare ruimte. Wat gebeurde er met het collagewerk uit de beginjaren?

G.G.: Dat is helemaal weggevallen. Met die collages ben je afhankelijk van de kunstwereld. Je moet het werk in galeries en musea laten zien. Ik vond dat die invloed niet positief was voor mijn ontwikkeling. Je moest veel moeite doen om dat bastion binnen te dringen, dan alle aandacht vasthouden, wat ervoor zorgt dat je gaat herhalen wat je aan het doen was. Ik wilde los van die kapitalistische structuur blijven nadenken en werk maken.

D.R.: Je ging je bezighouden met digitale kunst en tegelijk engageerde je je met kunst in de openbare ruimte. Die twee lijken nogal ver van elkaar te liggen.

G.G.: Misschien was dat ook het punt. Het werken aan kunst in de openbare ruimte bestond vooral uit organiseren en vergaderen. De rest van de tijd, vooral ’s avonds, was ik bezig met mijn eigen werk. En ik had de rol op me genomen die collectieve projecten digitaal te documenteren.

D.R.: Kun je een voorbeeld geven van een project in de openbare ruimte?

G.G.: Met twee kunstenaars ging ik in 2004 drie maanden aan de slag op een taalschool in Aarhus, waar immigranten Deens leerden. We gingen collectief te werk, we ondertekenden dus niet met onze eigen naam. We traden op als het Ydre Nørrebro Kultur Bureau (YNKB), te vertalen als het cultuurbureau van buiten-Nørrebro. De studenten van de taalschool kwamen uit alle delen van de wereld, en wij zouden samen hun plannen voor de openbare ruimte uitvoeren. We hebben bijvoorbeeld een jurk voor de burgemeester gemaakt, dat wilde een van hen graag. En het plaatselijke openbaar toilet, waar destijds nog een toiletmevrouw zat die het geld in ontvangst nam, hebben we in mooie Afrikaanse kleuren beschilderd. Dat idee ontstond omdat ze op straat in Denemarken alles zo ontzettend grijs vonden. Wij zagen kunst als een manier om tot het systeem door te dringen. Tot op zekere hoogte was dat ook zo: de burgemeester bijvoorbeeld vond het een goed idee.

D.R.: Waarom zou ze er op tegen zijn?

G.G.: Het was nieuw wat we deden, een beetje controversieel ook. Er waren ook mensen die het onzin vonden om daar overheidsgeld aan uit te geven en er boos om werden, maar juist dan ga je natuurlijk door. Wat dat betreft snap ik sommige Trump-aanhangers: als iedereen beweert dat je idioot bezig bent, volhard je in je opvattingen.

D.R.: Het bleef bij wat men ‘gerommel in de marge’ zou kunnen noemen.

G.G.: Door dat optreden in Aarhus werden we gevraagd om naar Baltimore te komen, waar we activisten interviewden. Maar belangrijker vond ik dat we lokale projecten deden. Gewoon door naar de cafés in de buurt te gaan en in gesprek te raken met mensen ver van de kunstwereld. We kwamen tot een plan om een oud treinpakhuis in onze wijk, in Ydre Nørrebro, tot een monument te benoemen en tot cultuurcentrum om te vormen. Uiteindelijk is dat niet gelukt, al hebben we festivals georganiseerd en flink van ons laten horen.

D.R.: Het was een succesvolle manier om je te organiseren – zij het dat het deze keer niet lukte.

G.G.: Ik heb er een groot respect voor het geduld van activisten door gekregen. Gaandeweg begon ik de beperkingen van participatieve kunst in te zien. Het waren steeds losse projecten, terwijl de maatschappelijke structuren onveranderd bleven. Als je een collectief werk maakt in het openbaar, moet dat werk onderhouden worden, anders wordt zo’n beeld of installatie gewoon lelijk. En het voortdurende zoeken naar fondsen staat in geen verhouding tot het resultaat. Tachtig procent van de tijd ben je bezig geld te werven, waarna er twintig procent overblijft om samen aan het werk te gaan. In Nørrebro hebben we vier jaar lang wijkbewoners proberen te betrekken bij de ontwikkeling van een stuk braakland rondom het oude spoorwegpakhuis. Wij hielden inspraakavonden in de wijk, en daar hebben we een boek over gemaakt, waarin naar ons idee duidelijk stond wat de mensen wilden: een groen park met mooie plekken om te zitten.

D.R.: Dat is vervolgens uitgevoerd.

G.G.: De gemeente ging in zee met een privaatpubliek fonds, Realdania, dat bereid was de helft van de kosten te dragen. Maar dan moest er wel met een gerenommeerde architect worden gewerkt. En die kwam er ook: een groep onder leiding van BIG architecten, het bureau van Bjarke Ingels, ontwierp een zogeheten urban site, met beton en weinig groen. Het is spectaculair vormgegeven asfalt, en dat ziet er goed uit op de foto’s van toeristen die er speciaal voor langskomen, maar het is niet wat de mensen uit de wijk wilden. Ons participatieproject werd in het boek over het project met een voetnoot beloond. Rond 2010 heb ik YKNB verlaten. Toen Superkilen, zo heette het asfaltpark, werd geopend, stond in het persbericht dat het de ‘tolerantie vierde’ en de ‘plaatselijke bevolking samenbracht met vluchtelingen’.

 

Kroes

D.R.: Het werk aan digitale ontwerpen en aan de blogs ging ondertussen verder.

G.G.: Ongeveer in diezelfde tijd merkte ik dat de beloften van internet niet werden waargemaakt. Een van de sterkste punten van het net bleek de grootste zwakte: als je echt alles kunt laten zien, en de mensen grenzeloos veel vrijheid biedt, neemt de aandachtsspanne enorm af. Wat in een museum werkt, werkt per definitie niet op internet. Als het te moeilijk wordt, haken kijkers af. Wat wel werkte, werd gaandeweg duidelijk: lieve kinderen, jonge katjes, extreemrechtse ideeën, porno. Feitelijk is het allemaal porno: extreme verplatting van alles wat ons aangrijpt: liefde, aanhankelijkheid, politiek, seks. Het was gewoon moeilijk om mensen zo ver te krijgen dat ze mijn site bezochten. Ja, mijn moeder kwam langs, en een handvol vrienden. Het was nog moeilijker om ze vervolgens zelf dingen te laten ontdekken.

D.R.: Wat was je artistieke insteek? Wat trok je aan, wat waren je uitgangspunten?

G.G.: Ik wilde alles hergebruiken wat van het internet deel uitmaakte. Ik beschouwde het als een vorm van popart: het gebruik van populaire middelen om kunst te maken. In het begin ging ik zelf porno bewerken – al is het haast onmogelijk om aan die platheid te ontkomen en er een nieuwe invulling aan te geven. In die digitale beelden heb ik allerlei kleuren geïntegreerd en ik paste veel herhaling toe: dat was het hele idee achter die automatische codes. Uiteindelijk ben ik gaan werken met foto’s uit mijn archief, van mijn familie, mijn reizen en dagelijkse leven. De vraag die ik me stelde was: hoe kan ik binnenin die automatismen een beeldtaal maken?

D.R.: Welke programma’s gebruikte je?

G.G.: Voor de digitale bewerking de Adobe-programma’s. Om het zichtbaar te maken op het net probeerde ik eerst HTML en Flash onder de knie te krijgen, maar al redelijk gauw ontstonden allerlei platforms die een stramien boden, en daar moest ik dan weer een weg in vinden.

D.R. Op een gegeven moment ga je je eigen teksten animeren. Een soort digitale poëzie, zou je kunnen zeggen, zoals Tonnus Oosterhoff dat deed vanaf 2000.

G.G.: Ik was net zover om het in alle platforms te laten werken, toen de mobiele telefoon opkwam. Daarna werd alles weer anders, ingewikkelder.

D.R.: Hoe kijk je terug op al dat werk voor en door internet?

G.G.: Als een groot fiasco. Al leidde dat tot een volgende stap, namelijk het zelf uitgeven van boeken. Daar had ik voor het project rond Superkilen ervaring mee opgedaan. Het begon in 2008 met een eenmalig tijdschrift met teksten over Blaka, over de vraag: wat betekent kunst voor mij?

D.R.: Dat tijdschrift heette Blak en je zou het een poëtisch magazine kunnen noemen, waarin de tekst samengaat en zowel versterkt als verstoord wordt door de vormgeving. Er zijn de beeldcollages, maar ook Nederlandstalige gedichten en Engelstalige teksten over Blaka. Er is ook een jeugdherinnering over de tuin bij jullie thuis in Mijdrecht. Er wordt een bijzondere appelboom geleverd, maar juist op dát moment zijn de ouders van de verteller niet thuis. De letters b, l, a en k zijn heel groot of juist heel klein weergegeven. Er spreekt vervreemding en eenzaamheid uit dat verhaal.

G.G.: Die appelboom is symbolisch en staat voor de manjaboom bij mijn opa in de tuin – in Suriname zeggen we ‘erf’. Al hadden mijn ouders een tamelijk chaotische tuin, vergeleken met de nette, aangeharkte tuintjes van de buren. Mijn ouders waren best kritisch over Nederland, maar ze waakten ervoor om ons op te laten groeien als Surinamers. Het devies was: voortaan ben je deel van deze samenleving en daar moet je trots op zijn. Het was moeilijk praten, zelfs met je ouders, over het wantrouwen in de maatschappij. Dat gespleten gevoel, daar valt niet over te praten, dat is een proces waar iedereen alleen doorheen gaat. Zo rond 2000 gingen mijn ouders steeds vaker en langer naar Suriname. Ik vroeg me af: als Nederland zo tof is, een land om trots op te zijn, waarom blijf je er dan niet?

D.R.: Gaat het verhaal ook over de vervreemding tussen generaties – en het gevoel van eenzaamheid, waarschijnlijk voor beide kanten?

G.G.: Absoluut. Tussen mensen is er sowieso vervreemding. En die moeten we opzoeken, omdat ze leert wie we zijn – maar niet waarom. Voor het voelen van vervreemding hoef je niet zwart, wit, geel of wat dan ook te zijn. Het gevoel van onzekerheid als het gevolg van verandering laat zich zelden sturen, niet in de kunst en al helemaal niet in het dagelijkse leven.

D.R.: Na Blak volgt Ik. Selfi Densi. Het is ongeveer zo groot als een dichtbundel, en bevat gedichten en beeldend werk.

G.G.: De titel verwijst naar srefidensi, Sranantongo voor onafhankelijkheid. De dag dat Suriname onafhankelijk werd van Nederland wordt gevierd als Srefidensi Dey. Het boek, de titel zegt het al, is een zelfportret in woord en beeld. Het gaat over zelf dingen maken. Het is begonnen als een verzameling van acht jaar selfies, dat wil zeggen digitale momentopnames van mezelf, die ik bewerkte. Zoals gezegd vind ik herhaling fascinerend, vandaar bijvoorbeeld Blak & Blue, dat beeld met de zwarte monden, die als het ware een nieuw gezicht vormen. Op grond van die beelden ben ik aan bestaande en nieuwe gedichten bij dat concept gaan werken.

D.R.: Er volgden nog zes echte boeken met beeldend werk. In Kroes zoek je naar een soort van abstractie, terwijl Blaka (het boek) duidelijk uitgaat van een architectonische setting.

G.G.: De Kroes-boeken komen voort uit mijn rol als fotograaf, documentarist en webdesigner in de participatieve kunstprojecten. Ik werd me bewust van de grotere invloed, zo niet de dwang van software. In Kroes stelde ik mezelf onder andere de opdracht: hoe kun je zulke beeldbewerkingen anders en spannender maken dan pak ’m beet de digitaal bewerkte beelden die je bij Ikea koopt. Dat leidde tot grotere abstractie, hoewel ik daar op zich weinig mee opheb – het neigt wat mij betreft te vaak naar behang.

D.R.: En het beeldenboek getiteld Blaka?

G.G.: Blaka had een compleet andere opzet, met foto’s die ik in een oud ziekenhuis in een uithoek van Denemarken heb gemaakt, dat als asielzoekerscentrum was herbestemd. Daar had je een voelbare, tweedubbele vervreemding: ten eerste waren de nieuwe bewoners vervreemd van hun land en taal, en ten tweede zorgden ze voor een vervreemding van dat plattelandsziekenhuis. Ik heb er een performance gehouden met muziek. Dat ging ik steeds meer doen, en ik gebruikte bladzijden uit die boeken als bladmuziek.

D.R.: En de boeken, hoe is dat verdergegaan?

G.G.: Ik maakte nog een aantal boeken met persoonlijk fotowerk. Maar daarna had ik het wel gezien. Ik wilde niet tot in de oneindigheid zulke uitgaven maken, een vrij monomane bezigheid. Toen mijn computer aan vervanging toe was, heb ik geen nieuwe meer gekocht.

D.R.: Het was iets te vroeg om met kunstenaarspensioen te gaan.

G.G.: Ik begon weer met performances, zoals in 1999 in Casco.

D.R.: Met wat voor instrumenten? Iets nieuws doen is moedig, maar als je je aan muziek waagt, word je afgezet tegen professionele muzikanten. De lat ligt hoog.

G.G.: Ook daarom moest uiteindelijk de computer de deur uit. Het vergt enorm veel tijd om gitaar-, pianospel en zang naar een hoger niveau te tillen. Als ik had geweten hoeveel, had ik het niet gedaan. De uitdaging is: het op zo’n niveau krijgen dat mensen je niet meer als beeldend kunstenaar beoordelen die muzikaal wat aanmoddert, maar als beeldend kunstenaar die muziek als volwaardige uitingsvorm ziet.

D.R.: Zou je, terugblikkend, niet willen dat je bepaalde media of technieken langer had volgehouden? Of desnoods meer herhaling, meer vaste vormen in je werk had toegelaten?

G.G: Veel van wat ik deed was een speelse reactie als de zaken vastliepen. Door kunst te maken in de openbare ruimte werd ik onafhankelijk van musea. Met het maken van digitale plaatjes had ik allerlei fondsen niet meer nodig. Aan Blaka begon ik te schrijven als verweer tegen wat er over mijn werk beweerd werd. Hoezeer ik dat ook wilde negeren, ik trok het me aan. Ik wilde nieuwe technieken leren, nieuwe wegen inslaan. En een medium uitproberen was en is voor mij een manier om onafhankelijk en pragmatisch kunst te maken.

D.R.: Wat soms evident ten koste van je loopbaan ging.

G.G.: Tegenwoordig wordt er kritischer naar bijvoorbeeld institutioneel racisme gekeken, maar rond 2000 was zulke kritiek aan dovemansoren gericht. Ik zie kunst maken al lang niet meer als een vorm van carrièreplanning, bepaald door herkenbaarheid en naamsbekendheid.

D.R.: En wat als je vandaag gevraagd wordt voor een overzichtstentoonstelling? Remy Jungerman heeft een solo-expositie in het Stedelijk.

G.G.: Iedereen vraagt mij altijd: waarom doe je geen tentoonstellingen meer? Zo’n solotentoonstelling is zeker belangrijk, omdat communicatie erdoor mogelijk wordt: je gaat met mensen in gesprek over wat je hebt gemaakt. Ik zoek mijn publiek nu direct op tijdens optredens. Ik gebruik teksten die ik geschreven heb, die leer ik uit mijn hoofd, ik zoek er een melodie bij, ik verkleed me. In Kenia droeg ik een witte doktersjas, en ik vroeg het publiek, dat zelfs daar voor het grootste gedeelte wit was, wat hun allergrootste wens was. Die wens mochten ze op mij schrijven. Eind volgend jaar wil ik een serie optredens in een huiselijke setting op poten zetten voor genodigden, omdat ik niet kan geloven dat het applaus van een anoniem publiek het hoogst haalbare is binnen de kunstindustrie.

Geen angst voor de ivoren toren

Der Spiegel: Professor, twee weken geleden leek de wereld nog in orde…

Theodor W. Adorno: Voor mij niet.

D.S.: U zei dat de gebeurtenissen geen afbreuk hebben gedaan aan uw relatie met de studenten. In uw werkcolleges werd vruchtbaar en zakelijk en zonder getroebleerde persoonlijke verhoudingen gediscussieerd. En nu hebt u toch uw college afgezegd.

T.A.: Ik heb mijn college niet voor het hele semester afgezegd, maar slechts tot nader order. Over een paar weken wil ik de draad weer oppakken. Dat doen alle collega’s als hun colleges zo massaal worden verstoord.

D.S.: Heeft men geweld tegen u gebruikt?

T.A.: Geen fysiek geweld, maar er werd zoveel lawaai gemaakt dat het college erin ten onder dreigde te gaan. Dat was duidelijk het plan.

D.S.: Is het alleen de vorm waarmee de studenten thans tegen u te hoop lopen, die u tegen de borst stuit – studenten die vroeger nog achter u stonden, of stoort u zich ook aan de politieke doelstellingen? Vroeger heerste er toch overeenstemming tussen u en de rebellen?

T.A.: Dat is niet de dimensie waarop de verschillen optreden. Ik heb onlangs in een interview voor de televisie gezegd dat ik weliswaar een theoretisch model heb opgesteld, maar dat ik niet had kunnen voorzien dat bepaalde lieden het met molotovcocktails wilden verwerkelijken. Die uitspraak is ontelbare malen geciteerd, maar hij behoeft in hoge mate interpretatie.

D.S.: Hoe zou u hem interpreteren?

T.A.: Ik heb in mijn geschriften nooit een model ontworpen voor wat voor handelingen en wat voor acties ook. Ik ben een theoretisch mens, die het gevoel heeft dat het theoretische denken haarfijn aansluit bij zijn artistieke intenties. Het is niet zo dat ik me sinds kort van de praktijk heb afgewend, mijn denken hield van meet af aan hoogstens indirect verband met de praktijk. Het heeft misschien praktische effecten gehad doordat sommige motieven tot het bewustzijn zijn doorgedrongen, maar ik heb nooit iets gezegd wat direct op praktische acties was gericht. Sinds er in Berlijn in 1967 voor het eerst ophef is ontstaan rond mijn persoon, hebben bepaalde groepen studenten steeds weer geprobeerd mij tot solidariteit te dwingen en praktische acties van mij verlangd. Dat heb ik geweigerd.

D.S.: Maar de Kritische Theorie wil de maatschappelijke verhoudingen niet zo laten als ze zijn. Dat hebben de studenten van de Sozialistische Deutscher Studentenbund van u geleerd. Maar nu weigert u, professor, daar praktisch invulling aan te geven. Beoefent u dan slechts een ‘liturgie van de kritiek’, zoals Dahrendorf heeft beweerd.

T.A.: Bij Dahrendorf voert een welgemutste overtuiging de boventoon: als je maar in het klein dingen verbetert, zal misschien ook alles beter worden. Dat uitgangspunt kan ik niet delen. Maar bij de Ausserparlementarische Opposition stuit ik steeds op de dwang je uit te leveren, mee te doen, en daar heb ik me sinds mijn prille jeugd tegen verzet. En daar is bij mij niets in veranderd. Ik probeer wat ik zie en wat ik denk uit te spreken. Maar ik kan niet bepalen wat men daarmee kan beginnen en wat daarvan terechtkomt.

D.S.: Dus wetenschap in de ivoren toren?

T.A.: Mij boezemt de uitdrukking ‘ivoren toren’ geen enkele angst in. Deze uitdrukking heeft wel eens betere tijden gekend, toen Baudelaire hem gebruikte. Maar als u het dan toch over de ivoren toren heeft: ik geloof dat een theorie veel eerder krachtens haar eigen objectiviteit praktische effecten kan sorteren, dan wanneer ze zich op voorhand aan de praktijk onderwerpt. Het ongeluk in de relatie tussen theorie en praktijk is vandaag de dag juist dat de theorie aan een praktische voorcensuur wordt onderworpen. Men wil mij bijvoorbeeld verbieden simpele dingen uit te spreken die het illusoire karakter van veel politieke doelstellingen van sommige studenten aantonen.

D.S.: Maar die studenten hebben kennelijk heel wat aanhangers.

T.A.: Het lukt een kleine groep steeds weer loyaliteitsdwang uit te oefenen, waar de overgrote meerderheid van de linkse studenten zich niet aan weet te onttrekken. Maar ik hecht eraan nog een keer te zeggen dat ze zich daarbij niet kunnen beroepen op actiemodellen die ik hun zou hebben aangereikt, om me er later van te distantiëren. Van zulke modellen kan geen sprake zijn.

D.S.: Niettemin is het zo dat de studenten zich soms heel direct, soms indirect op uw maatschappijkritiek beroepen. Zonder uw theorieën zou de studentenprotestbeweging misschien niet eens zijn ontstaan.

T.A.: Dat wil ik niet ontkennen; en toch valt dit verband voor mij moeilijk te overzien. Ik wil bijvoorbeeld best geloven dat de kritiek op de manipulatie van de publieke opinie, die ik ook in haar demonstratieve vormen als volstrekt legitiem beschouw, zonder het hoofdstuk ‘Cultuurindustrie’ in de Dialectiek van de Verlichting van Horkheimer en mij niet mogelijk was geweest. Maar ik geloof dat men zich het verband tussen theorie en praktijk vaak te direct, te kort door de bocht voorstelt. Als men twintig jaar zo intensief heeft gedoceerd en gepubliceerd als ik, dringt daarvan vast wel iets tot het algemene bewustzijn door.

D.S.: En daarmee vermoedelijk ook in de praktijk?

T.A.: Onder bepaalde omstandigheden – maar dat is niet noodzakelijk het geval. In ons werk wordt de waarde van zogenaamde individuele acties sterk ingeperkt door de nadruk op de maatschappelijke totaliteit.

D.S.: Maar hoe wilt u de maatschappelijke totaliteit veranderen zonder individuele acties?

T.A.: Daarmee word ik overvraagd. Op de vraag: ‘Wat moet men doen?’ kan ik doorgaans toch echt alleen antwoorden: ‘Ik weet het niet .’  Ik kan slechts proberen nietsontziend te analyseren wat is. Daarbij wordt mij dit verwijt gemaakt: als je dan kritiek uitoefent, ben je ook verplicht te zeggen hoe men het beter moet doen. Maar dat beschouw ik als een burgerlijk vooroordeel. Het is in de geschiedenis ontelbare malen voorgekomen dat juist werken die puur theoretische doelen beogen het bewustzijn en daarmee ook de maatschappelijke realiteit hebben veranderd.

D.S.: Maar u hebt in uw werk de Kritische Theorie toch afgezet tegen andere theorieën. Zij moest niet louter empirisch de werkelijkheid beschrijven, maar juist ook over de juiste inrichting van de maatschappij nadenken.

T.A.: Daarbij ging het me om kritiek op het positivisme. Let wel: ik heb gezegd ‘erover nadenken’. Die uitspraak impliceert toch niet dat ik me zou aanmatigen te zeggen hoe men moet handelen.

D.S.: Maar u heeft een keer gezegd dat de Kritische Theorie ‘de steen moet oprapen waaronder de misstand broedt’. Als de studenten nu met deze steen gooien – is dat dan zo onbegrijpelijk?

T.A.: Onbegrijpelijk is het zeker niet. Ik geloof dat het activisme in de kern tot wanhoop te herleiden valt, omdat de mensen voelen hoe weinig macht ze feitelijk hebben om de maatschappij te veranderen. Maar ik ben er evengoed van overtuigd dat deze individuele acties tot mislukken gedoemd zijn. Dat is ook bij de Meirevolutie in Frankrijk gebleken.

D.S.: Maar als individuele acties zinloos zijn, blijft er dan niet alleen nog ‘kritische onmacht’ over, zoals de SDS u heeft verweten?

T.A.: Er bestaat een uitspraak van Christian Dietrich Grabbe, die luidt: ‘Want niets dan wanhoop kan ons redden.’ Dat is provocerend, maar helemaal niet dom. Ik kan er geen verwijt in zien als men in de wereld waarin wij leven wanhopig, pessimistisch en negatief gestemd is. Mensen die krampachtig proberen de objectieve wanhoop door de hoerastemming van de directe actie te overschreeuwen, om het zich psychologisch gemakkelijker te maken, zijn toch een stuk bekrompener.

D.S.: Uw collega Jürgen Habermas, ook een pleitbezorger van de Kritische Theorie, heeft onlangs in een artikel toegegeven dat de studenten ‘fantasierijk provocerend gedrag’ hebben vertoond en werkelijk iets willen veranderen.

T.A.: Wat dat betreft kan ik volledig met Habermas instemmen. Ik geloof dat de hervorming in het universitaire onderwijs, waarvan we overigens nog niet weten hoe ze zal uitpakken, zonder de studenten helemaal niet op gang was gekomen. Ik geloof dat er zonder de studentenbeweging nooit zoveel aandacht was geweest voor de verdommingsprocessen, die in de huidige maatschappij prevaleren. En ik geloof ook – om iets heel concreets te noemen – dat alleen door het onderzoek naar de moord op Benno Ohnesorg, dat is uitgevoerd door de studenten in Berlijn, deze hele gruwelijke geschiedenis tot het publieke bewustzijn is doorgedrongen. Ik wil daarmee zeggen dat ik geenszins mijn ogen sluit voor praktische consequenties, als ze voor mezelf transparant zijn.

D.S.: En wanneer waren ze voor u transparant?

T.A.: Ik heb aan demonstraties tegen de noodtoestandswetten deelgenomen, en ik heb op het gebied van de hervorming van het strafrecht gedaan wat ik kon. Maar het is toch een verschil van dag en nacht of ik zoiets doe of dat ik zou deelnemen aan een nu echt al semiparanoïde praktijk en stenen gooi naar universiteitsinstituten.

D.S.: Waaraan zou u afmeten of een actie zinvol is of niet?

T.A.: Enerzijds hangt de beslissing daarover in hoge mate af van de concrete situatie. Anderzijds maak ik hoe dan ook het grootst mogelijke voorbehoud tegen het gebruik van geweld. Als ik niet zou weigeren mee te doen met de eeuwige cirkel van het gebruik van geweld tegen geweld, zou ik mijn hele leven – mijn ervaringen onder Hitler en wat ik van het stalinisme heb waargenomen – moeten verloochenen. Ik kan me een zinvol veranderende praktijk alleen als geweldloze praktijk voorstellen.

D.S.: Ook onder een fascistische dictatuur?

T.A.: Er zullen zeker situaties zijn waarin dat er anders uitziet. Op een daadwerkelijk fascisme kan men slechts met geweld reageren. Ik ben op dat punt allesbehalve star. Maar wie vandaag de dag, na de moord op talloze miljoenen mensen in totalitaire staten, nog geweld predikt, weiger ik te volgen. Dat is de drempel, die geeft de doorslag.

D.S.: Is die drempel overschreden toen studenten probeerden door zitstakingen de distributie van kranten van het Springerconcern te verhinderen?

T.A.: Ik beschouw die zitstaking als legitiem.

D.S.: Werd deze drempel overschreden toen studenten uw college met lawaai en seksuele provocaties verstoorden?

T.A.: Juist bij mij, die zich altijd tegen elk soort erotische repressie en tegen seksuele taboes heeft gekeerd! Met mij de spot drijven en door drie als hippies opgedofte meisjes worden belaagd! Ik vond het stuitend. Het hilarische effect dat men daarmee sorteert was toch in feite de reactie van het burgermannetje, dat ‘hihi!’ giechelt als hij een meisje met blote borsten ziet. Natuurlijk was deze zwakzinnigheid gecalculeerd.

D.S.: Moest die excentrieke daad misschien uw theorie verwarren?

T.A.: Het komt mij voor dat het bij deze acties tegen mij niet zozeer om de inhoud van mijn colleges te doen is. Het gaat de extreme vleugel veel meer om de publiciteit. Ze zijn bang in vergetelheid te raken. Daardoor worden ze de slaaf van hun eigen publiciteit. Een college als dat van mij, dat door ongeveer duizend mensen wordt bijgewoond, is uiteraard een fantastisch podium voor propaganda door de daad.

D.S.: Kan ook deze daad niet als actie van wanhoop geïnterpreteerd worden? Misschien voelden de studenten zich in de steek gelaten door een theorie die zij op zijn minst in staat achtten te worden omgezet in een praktijk die de maatschappij zou veranderen?

T.A.: De studenten hebben helemaal niet geprobeerd met mij te discussiëren. Wat mij in de omgang met studenten tegenwoordig zo zwaar valt, is het primaat van de tactiek. Mijn vrienden en ik hebben het gevoel dat we alleen nog objecten zijn in nauwkeurig gecalculeerde plannen. De gedachte aan het recht van minderheden, die immers constitutief is voor de vrijheid, speelt helemaal geen rol meer. Voor de objectiviteit van de zaak sluit men de ogen.

D.S.: En geconfronteerd met zulke dreigingen ziet u af van een verdedigingsstrategie?

T.A.: Mijn belangstelling gaat in toenemende mate uit naar de filosofische theorie. Als ik praktische adviezen zou geven, zoals Herbert Marcuse tot op zekere hoogte heeft gedaan, zou dat alleen maar afbreuk doen aan mijn productiviteit. Men kan heel veel tegen de arbeidsdeling inbrengen, maar zelfs Marx, die haar in zijn jeugd uiterst fel heeft bestreden, verklaarde zoals bekend later dat het zonder arbeidsdeling ook niet ging.

D.S.: U heeft dus voor het theoretische deel gekozen, anderen kunnen zorgdragen voor de praktijk, ze zijn daar al mee bezig. Zou het niet beter zijn als de theorie tevens een reflectie zou zijn van de praktijk. En daarmee ook van de huidige acties?

T.A.: Er zijn situaties waarin ik dat zou doen. Maar op dit moment lijkt het me veel belangrijker eerst maar eens na te denken over de anatomie van het actievoeren.

D.S.: Dus weer alleen theorie?

T.A.: Ik ken op dit moment aan de theorie meer betekenis toe. Ik heb – vooral in de Negatieve dialectiek – deze dingen allang aangevat, voordat het tot dit conflict kwam.

D.S.: In de Negatieve dialectiek staat deze geresigneerde vaststelling: ‘Filosofie, die ooit achterhaald leek, blijft in leven omdat het ogenblik van haar verwerkelijking werd verzuimd.’ Wordt zo’n filosofie – die zich buiten alle conflicten uit – niet een soort ‘zotternij’? Een vraag die u uzelf heeft gesteld?

T.A.: Ik geloof nog altijd dat men juist onder de algemene praktijkdwang van een functionele, pragmatisch geworden wereld moet vasthouden aan de theorie. En ik laat me ook door de recente gebeurtenissen niet afbrengen van wat ik heb geschreven.

D.S.: Tot dusver, zo formuleerde uw vriend Habermas het een keer, heeft uw dialectiek zich, in de ‘zwartste passages’ van de resignatie, overgegeven aan de ‘destructieve zuigkracht van de doodsdrift’.

T.A.: Ik zou eerder zeggen dat de krampachtige neiging tot het positieve uit de doodsdrift voorkomt.

D.S.: Dan zou het de deugd van de filosofie zijn het negatieve onder ogen te zien, niet om het tij te keren?

T.A.: De filosofie kan van zich uit geen directe maatregelen treffen of veranderingen aanbevelen. Ze verandert juist doordat ze theorie blijft. Ik denk dat men zich toch een keer zou moeten afvragen of het niet ook een vorm van verzet is als een mens het soort dingen denkt en schrijft zoals ik ze schrijf. Is theorie in zo’n geval niet ook een echte vorm van praxis?

D.S.: Zijn er geen situaties, zoals bijvoorbeeld in Griekenland, waarin u, afgezien van de kritische reflectie, actie zou bepleiten?

T.A.: In Griekenland zou ik uiteraard elk soort actie goedkeuren. Daar heerst een totaal andere situatie. Maar vanuit je comfortzone mensen aanraden ook eens een revolutie te beginnen, is zo ridicuul dat je je ervoor zou moeten schamen.

D.S.: Dus u beschouwt de verdere analyse van de maatschappelijke verhoudingen nog altijd als uw meest zinvolle en noodzakelijke activiteit in de Bondsrepubliek?

T.A.: Ja, en om me in heel bepaalde, particuliere fenomenen te verdiepen. Ik geneer me in het geheel niet om in alle openheid te zeggen dat ik werk aan een groot boek over esthetica.

D.S.: Professor Adorno, wij danken u voor dit gesprek.    

 

Vertaling uit het Duits: Mark Wildschut

‘Activist ja, maar niet als kunstenaar’

Kasper Andreasen: Ik ben in het bijzonder geïnteresseerd in de initiatieven rondom je publicaties. In het vroege werk van Douglas Huebler en Lawrence Weiner is er een verschuiving aan te wijzen: van hun eerste acties naar het latere, meer tekstuele werk. In de vroege jaren zestig blies Weiner kraters in de woestijn op en liet hij kleine sculpturen langs de weg achter tijdens zijn reizen door Amerika. Veel van zijn performances met materiaal leidden later tot tekstuele statements. Hetzelfde gold voor Huebler. Zijn stellingen over reizen of wandelen door steden leidden hem weg van het maken van objecten, naar meer instructieve documenten met teksten en foto’s. Hoe was je getuige van deze vroege ontwikkelingen? Je werkte samen met Huebler en Weiner, en zij droegen bij aan het Xerox Book dat je in 1968 met Jack Wendler samenstelde. Heb je met de kunstenaars gesproken over de verschuiving van actie en ondervinding naar document en tekst? 

Seth Siegelaub: Ik denk niet dat het probleem zo werd gesteld. Pas enkele jaren later kregen we te maken met vragen als: ‘Hoe vertel je iemand dat er ergens iets gebeurt?’ In het begin was het allemaal heel makkelijk: het kon niemand iets schelen. Het had in zekere zin veel te maken met het sociale leven – mensen die met elkaar praten. Veel communicatie in de samenleving vindt verbaal plaats, in bars en cafés, tijdens het diner, maar veel van de legitimatie van de activiteiten van kunstenaars week daarvan af. Je noemde net Lawrence en zijn kraters. De vraag bleef zoals ik al stelde: ‘Hoe wist iemand anders dat je iets deed?’ Als je het bekendmaakte, deed ‘je’ iets. Het duurde jaren voordat bepaalde soorten drukwerk konden functioneren als onderdeel van een groeiend bewustzijn. In het begin was het niet echt duidelijk hoe je dit kon doen. Gezien de aard van de kunstwereld was je natuurlijk heel voorzichtig met wat je aan het doen was, uit angst dat mensen dingen zouden ‘lenen’. Het was nogal een dunne lijn. Veel kunstenaars maakten werk dat niet toonbaar was, noch in een galerie, te midden van de gevestigde orde, noch in een kunstomgeving.

K.A.: Zag je het boek als een hulpmiddel om de gevestigde orde tegen te spreken?

S.S.: Ja, maar het had ook te maken met de nutteloze vorm van de galerie, waarop de kunstwereld destijds was gestoeld. Op een gegeven moment, in ’67 of ’68, werd het duidelijk dat galerieën nodig waren om werk te tonen of te maken. En dat verdween naar de achtergrond toen er andere mogelijkheden opdoemden met betrekking tot de specifieke aard van wat conceptuele kunst wordt genoemd. Het boek kon ertoe bijdragen een werk bekend te maken. Dit kun je natuurlijk niet met elk soort werk doen. Conceptuele werken waren niet afhankelijk van het visuele, je hoefde er niet naar toe te gaan om ze te zien, maar je kon ze ervaren als een idee.

K.A.: Je gebruikte ook de termen primaire en secundaire informatie. Het Xerox Book kenmerkte zich door primaire informatie; de werken zelf gebruikten de door het medium bepaalde kenmerken van het boek.

S.S.: Ja, dat was heel erg de bedoeling. Het moge duidelijk zijn dat het te maken had met de aard van het werk zelf. Het was niet zoiets als ‘opvullen’. Er was een publicatiemilieu dat het mogelijk maakte. De aard van het werk, dat min of meer niet-visuele kunst betrof − het was in ieder geval niet alleen afhankelijk van de visuele ervaring − maakte het mogelijk dat boeken een heel ander doel dienden. Tot die tijd was het kunstenaarsboek over Picasso, Verlaine, enzovoorts − het livre d’artiste – meestal gericht op schilderen. Wij hadden een heel ander concept van wat een kunstenaarsboek zou kunnen zijn.

K.A.: Veel conceptuele kunst wordt gekenmerkt door een omlijnd idee van een publicatie als hulpmiddel en drager: een boek, een document, een print of de methoden die verband houden met het publicatieproces, zoals systematiseren, schrijven, indexeren… In ’68, toen je het Xerox Book publiceerde, besloot je strategisch om de bedrijfsnaam Xerox te gebruiken, hoewel het boek offset werd gedrukt; zowel de productietechniek (fotokopiëren) als de verwijzing naar het bedrijf maakten deel uit van de titel. Hoe zag je de relatie tussen de strategie om een ​​boek te vernoemen naar een ‘commercieel’ instituut als Xerox en de esthetiek die verband houdt met die techniek? Was dit een esthetische beslissing?

S.S.: Nee, het was allemaal heel eenvoudig. Op een dag in New York, terwijl ik over straat liep, ik denk dat het Madison Avenue was, zag ik een winkelpui met de naam Xerox. Je moet niet vergeten dat in ’67 en ’68 het woord ‘xerox’ een synoniem was voor fotokopiëren. Het leek iets generieks, zoals pingpong. Ik koos de naam omdat ik dacht dat het mogelijk zou zijn aan een groep kunstenaars ‘voor te stellen’ het medium te gebruiken om nieuw werk te maken − wat dat ook mocht zijn. Later bleek het schandalig duur, dus werd het boek offset gedrukt. Er was een goedkope manier van afdrukken, de zogenaamde offset met papierplaten, waar geen aluminiumplaat aan te pas kwam. Het was een papieren plaat met een oplage van duizend. Zo hebben we het uiteindelijk gedaan. Ik gebruikte het ook bij een project met Virginia Dwan voor de poëziebundels van Carl Andre. Hij vroeg om een ​​eenvoudig boek. Het was heel normaal om dat te doen. Maar als xerox goedkoper was geweest, had ik dat gebruikt.

K.A.: Sommige werken in het boek zijn gemaakt met een Xeroxapparaat, door documenten of objecten op de kopieermachine te leggen. Het wordt gebruikt als hulpmiddel of mechanisme, een apparaat voor het maken van afbeeldingen.

S.S.: Ja, ja. Veel mensen gingen heel wat verder. Ze waren bijvoorbeeld dingen keer op keer aan het xeroxen totdat de beelden verdwenen of iets dergelijks. Maar dit was geen project over het gebruik van xerox. Ik denk niet dat een van de deelnemende artiesten dacht: ‘Oooh ja, we gaan xerox gebruiken!’

K.A.: Maar indirect bleef de keuze voor xerox een esthetische beslissing.

S.S.: Ja, maar je moet beseffen: xerox was alleen maar een synoniem voor fotokopiëren en de naam van een multinational. Dat was alles. Het laat deels mijn naïviteit zien: ik was zwaar over de zeik, omdat ik nogal wat publiciteit genereerde voor Xerox, al wist ik niet eens of het boek nog maar een bescheiden succes zou worden.

K.A.: Maar je benaderde hen, toch?

S.S.: En zij waren niet onder de indruk. Ze wilden er niets mee te maken hebben. Het boek werd gefinancierd door een vriend en onze eigen arbeid. Ik en mijn vriend Jack Wendler, die de coproducer was, gebruikten een free label bij het boeken maken. Ik heb het altijd kwalijk gevonden dat de term Xerox Book bleef hangen, omdat de eigenlijke titel van het boek, op de titelpagina, de naam van alle kunstenaars is, in alfabetische volgorde: Carl Andre, Robert Barry, Douglas Huebler, Joseph Kosuth, Sol LeWitt, Robert Morris en Lawrence Weiner.

K.A.: In juli 1969 publiceerde je het boek July, August, September 1969, met elf werken verspreid over de hele wereld, van kunstenaars als Carl Andre, Robert Barry en Daniel Buren. Deze publicatie presenteert werk internationaal, wat wordt gesuggereerd door de landkaart op het omslag. Kun je iets vertellen over deze manier van informatie presenteren?

S.S.: July, August, September 1969 was bedoeld als standaard catalogus, om te doorbladeren op welke plek dan ook, waar ook ter wereld − dus je zou de catalogus meenemen en er vervolgens mee naar Düsseldorf of naar de Niagarawatervallen gaan, of waar de werken zich ook maar bevonden, om het werk te zien waaraan gerefereerd werd. Ik was altijd op zoek naar nieuwe manieren van informatie presenteren in relatie tot de ideeën van de kunstenaar. Bijvoorbeeld: als je het werk van Carl Andre wilde zien, moest je naar het Gemeentemuseum in Den Haag reizen, waar hij een solotentoonstelling had. Het tweede deel van de catalogus was getiteld ‘Specific information’. Het eerste deel bevatte de beschrijvingen of afbeeldingen van het werk. In Andre’s geval toonde hij een zaalplattegrond in het eerste deel en het adres en de duur van de tentoonstelling in het tweede deel. Sommige van de kunstenaars namen hun taak serieuzer dan andere. Andre sloot enkel een referentie in naar een lopende tentoonstelling. Zijn bijdrage was niet geïnspireerd door July, August, September 1969, maar wat andere kunstenaars deden, hing nauw samen met de tentoonstelling.

K.A.: Je zette de werken letterlijk op de kaart in de catalogus. Bij LeWitts bijdrage bijvoorbeeld schreef je: ‘Het werk van Sol LeWitt bevindt zich in de woning van dhr. Konrad Fischer, Prinz Georg Str. 47, Düsseldorf. Het is op elk moment te bezichtigen, op afspraak, door telefonisch contact met dhr. Fischer op te nemen.’ Of bij de bijdrage van Kosuth: ‘Het werk van Joseph Kosuth bevindt zich op Highway 70, 9 mijl ten noordoosten van Portales, New Mexico, aan de rechterkant van de snelweg.’

S.S.: Het leek me volkomen logisch het zo te doen, om het werk te kunnen vinden dat buiten een min of meer bekend gebouw stond opgesteld. Ga gewoon naar de tweede verdieping; daar zie je een tentoonstelling of installatie. Al die details hoeven niet verteld te worden. Maar als je naar de Niagarawatervallen gaat, dan moet je echt wel weten waar je vervolgens heen moet.

K.A.: Lawrence Weiner gooide een rubberen bal in het Amerikaanse gedeelte van de Niagarawatervallen en ook een in het Canadese gedeelte. Het stuk over zijn bijdrage in ‘Specific information’ stelt dat ‘al de benodigde informatie zich in het werk zelf bevindt’. Gaat dat om een combinatie van primaire en secundaire informatie? Sommige van de bijdragen zijn op zichzelf staande werken en sommige spelen met het documentaire karakter van het werk.

S.S.: Dat is waar − zeker in het geval van Lawrence Weiner en zelfs, in sommige opzichten, in Sol LeWitts werk. Maar July, August, September 1969 reflecteerde ook op mijn persoonlijke ervaring als galeriehouder. Veel tentoonstellingen vinden plaats in een fysieke ruimte, of het nu de Biënnale, Documenta of galerie XYZ is. Rond 1964 had ik ongeveer anderhalf jaar lang een zeer slechtlopende galerie in New York. De meeste galeries liepen slecht in die tijd. Wat het me leerde, was dat ik niet graag galeriehouder was. Ik hield niet van de veranderingen in de ruimte en ik hield er ook niet van afhankelijk van een ruimte te zijn. Ik was niet blij met dat ruimtelijke aspect, en ik wou evenmin niet zomaar een verkoper zijn in een winkel. Toen ik geleidelijk betrokken raakte bij de kunstenaars, begon ik door vragen te stellen te ontleden wat een galerie is. Je hebt een secretariaat nodig en je moet openingstijden aanhouden. Ik probeerde dat allemaal terug te brengen tot iets doelmatigers, door het te reduceren tot elementen die correspondeerden met het werk dat gedaan werd.

K.A.: Het ging over efficiëntie. Je problematiseerde het idee van een galerie en de wijze waarop kunstwerken getoond kunnen worden.

S.S.: Dat is inderdaad wat ik deed, maar alleen in relatie tot een bepaald soort kunst waarmee het mogelijk was om dat te doen. De kunstwereld bestond uit kleine dozen. Op zaterdagmiddag liep je een van die dozen in om naar kunst te kijken. Je haalde je vrienden en vriendinnen op, dronk wat en ging uit eten. Je trok naar plekken die riepen ‘Joehoe, dit is kunst, dit is kunst!’ De gehele kunstkijkervaring stond in dat kader. En ik heb het niet alleen over de white cube, die een ander aspect van het probleem is. Het was een sociale bezigheid naar deze plekken te gaan en wij probeerden ze open te breken. Je liep een vertrek binnen of een plek op straat en je zei: ‘Hé, waar is de kunst?’ Er bestond geen gids en er was ook geen naambordje.

K.A.: Het idee van een galerie en museum problematiseren en veranderen was de reden achter de formatie van de Art Workers Coalition in New York in ’69. Ik citeer iets dat je zei tegen het publiek tijdens een bijeenkomst: ‘Ik denk dat als iemand deze manifestatie beeldend zou willen beschrijven, je zou kunnen zeggen dat een kunstobject een steen in een poel is, en op verschillende functionele ringen die van de steen uitgaan, staan de handelaars, critici, musea, het massapubliek: een heel weefsel of systeem dat dat kleine object barricadeert. Je zou toch denken dat iedereen die geïnteresseerd is, zoals ik in mijn werk, in een poging het stelsel of de context waarin de kunst gemaakt en bekeken wordt te veranderen, zou snappen dat het grootste bezit dat de kunstenaars hebben, kunst is.’ Als je terugkijkt op die tijd, zie je jezelf dan als activist?

S.S.: Activist ja, maar niet als kunstenaar. Ik denk ook dat een handelaar − elke goede handelaar − een activist is. Er bestaan zeker fantastische handelaars en vechters. Ik weet zeker dat die er nu ook zijn, kunstenaars en mensen die die kunstenaars in alles ondersteunen. Ik beschouw mijzelf als een activist in de meeste dingen die ik doe.

K.A.: Al je projecten na ’72, toen je naar Frankrijk vertrok, waren publicatieprojecten in eigen beheer, zoals How to Read Donald Duck. Imperialist Ideology in the Disney Comic uit ’76. Je verzamelde ook boeken over textiel. Hoe verhouden al deze activiteiten – van redacteur, bibliograaf, verzamelaar en uitgever – zich tot elkaar?

S.S.: Wat ik kan zeggen is dat ik heel erg houd van boeken en het mechanisme dat erachter zit. Ik heb boeken altijd als het summum beschouwd waarmee je een stem aan de wereld kon geven. Het is vooral, vandaag meer dan ooit, een hele goedkope manier om dingen te produceren. Iedereen zou een boek kunnen publiceren… Ik vond dat absoluut fantastisch aan publiceren − het was zo toegankelijk voor iedereen. Je hoeft er geen radio- of televisiezender voor te bezitten. Het was iets dat in potentie extreem populair kon zijn. Het probleem dat ik altijd heb ondervonden – het is een probleem dat de meeste kleine uitgevers hebben in tegenstelling tot de grote – heeft te maken met het distribueren van boeken en ze rendabel maken om ten minste quitte te spelen. In de kunstwereld ging het allemaal heel erg over zelfwerkzaamheid. We deden het voor ons plezier, het militante, de activistische aspecten ervan.

Ik verwachtte niet iets aan de boeken te verdienen. In ’68 en ’69 was er weinig animo voor dat soort publicaties. Boekhandelaar George Wittenborn bevond zich in Manhattan, er was Walther König in Keulen en heel langzaam volgden anderen. Er bestonden eigenlijk geen netwerken. Uiteindelijk kwam ik op een punt waarop ik in ieder geval voor de productiekosten van de publicaties kon betalen. De kunstenaar werd niet betaald, ik werd niet betaald, maar de drukkers en de verkopers wel, voor de verkoop van de boeken.

K.A.: Met de Egress Foundation heb je ook samengewerkt aan het project How is Art History Made? Kun je daar meer over vertellen?

S.S.: Het gaat over bepaalde mechanismen in de kunstwereld, hoe beslissingen worden genomen en hoe waardeoordelen worden gevormd. Ik dacht dat het interessant zou zijn om systematisch naar de hele zaak te kijken. Het is nog steeds een idee. Ik weet niet hoe ik rijk kan worden op de markt, en dit project is niet bedoeld om de grote van de slechte kunstenaars te onderscheiden.

K.A.: Zal het openbaar gemaakt worden als idee?

S.S.: Ja, ik zal dit in de loop van de jaren zeker proberen uit te werken. In 1992 deed ik iets met twee Duitse handelaars, Marion en Roswitha Fricke, in Düsseldorf, onder de noemer The Context of Art, The Art of Context. We vroegen tachtig kunstenaars die actief waren in de jaren zestig hoe ze keken naar de kunstwereld en hun leven in de jaren negentig. Waar ik naar probeerde te kijken, waren sociale verbindingen: de succesvolle kunstenaars, mensen die de vruchten plukten van hun succes, of kunstenaars die werden genegeerd, die niet kregen wat ze dachten dat ze waard waren. Het was een poging om een ​​totaalbeeld te krijgen van de mechanismen van de kunstwereld. Het doel van dat project was proberen uit te vinden wat deze onderlinge verbanden kunnen zijn, in de woorden van de kunstenaars zelf. Het leidde uiteindelijk tot het project How is Art History Made? Veel van de dingen die ik zag, waren nogal willekeurig: het ging vaak over ‘op de juiste plek, op het juiste moment’ te zijn, over kunstenaars die georganiseerd waren in machtsgroepen, over het juiste soort schilderijen of werk dat je moest maken, enzovoort. Er valt iets te zeggen over de smaakmechanismen en de stappen die genomen moeten worden om in de geschiedenis van de kunstwereld opgenomen te worden. Er zijn bepaalde dingen die gedaan moeten worden om geaccepteerd te worden als onderdeel binnen de hoofdstroom van de kunst, of om deel uit te maken van de belangrijke krachten daarbinnen. Ik ben ervan overtuigd dat het mogelijk is deze mechanismen te beschrijven. Ik blijf erin geloven, maar het is een lastig project.

K.A.: En je werk ten bate van kunstenaarsrechten? Je stond aan de basis van The Artist’s Reserved Rights Transfer and Sale Agreement in ’71 en meer recentelijk van het Art Law Resource Center. Je werkt momenteel samen met een advocaat aan een uitbreiding van de rechten van kunstenaars.

S.S.: Ja, dat is een bredere interesse. Daniel McClean, met wie ik werk, is een advocaat gespecialiseerd in kunst. We zijn geïnteresseerd in algemene waarden − auteursrechtelijke kwesties, wat is intellectueel eigendom… In 1970 ging het echt om de rechten van kunstenaars, maar nu is het meer een kwestie van analyseren hoe die wereld in elkaar steekt. De kwestie van de kunstenaarsrechten in New York eind jaren zestig… dat ging over militante activiteiten op allerlei fronten. Zo werkten kunstenaars in die tijd in ateliers die volkomen illegaal waren. Veel van de gebouwen in New York waar kunstenaars werkten, hadden het woord AIR op het dak staan − ‘artists in residency’. Als er brand uitbrak, wisten de brandweerlieden dat er mensen in dat gebouw woonden, omdat het normaal gesproken overdag gewoon werkplaatsen waren. Kunstenaars maakten zich veel zorgen: over het recht om verzekerd te zijn, maar ook over zeer banale arbeidskwesties. Dat was de tijdsgeest, l’esprit du temps: kunstenaars zagen zich als arbeiders. Ze stelden eisen die erg leken op die van de syndicalisten – ze wilden onder betere omstandigheden werken. Ik denk dat de kunstwereld zich in een compleet andere richting heeft ontwikkeld – en nu met name gericht is op het kunstenaarschap als beroep. Het is iets heel anders geworden dan wat ik me herinner uit de jaren zestig. Voor we het kunstenaarscontract opstelden, heb ik met honderden mensen gesproken.

K.A.: Op de titelpagina van de overeenkomst staat dat je met meer dan vijfhonderd mensen over de overeenkomst sprak voordat je die liet opstellen.

S.S.: Allerlei soorten mensen, van handelaars tot critici en museummensen, iedereen die bereid was zijn standpunten toe te lichten. Zouden ze geïnteresseerd zijn? Zou dit werkbaar zijn? Het toppunt, naast al die verschillend meningen, iets dat me echt verbaasde, was dat de meeste kunstenaars die ik sprak zichzelf beschouwden als arbeiders ten opzichte van de verzamelaars, de musea en allerlei soorten rijke mensen. Het bleek dat zelfs zeer rijke kunstenaars als Rauschenberg en Lichtenstein zichzelf nog steeds als arbeiders beschouwden. Rauschenberg was hier verreweg het meest uitgesproken over. Ik denk niet dat de kunstwereld vandaag de dag nog zo is. Destijds zou je geen kunstenaar in een limousine naar een kunstenaarscafé zien komen: dat zou gewoon niet gebeuren. Het was een andere wereld. Dus… dat is het activistische aspect van de jaren zestig.

K.A.: Maar dat aspect is tijdens al je publicaties en activiteiten doorgegaan.

S.S.: Ja, in zekere zin.

K.A.: Waarschijnlijk lag in de jaren zestig de drempel om iets tot stand te brengen aanzienlijk lager.

S.S.: Ja, maar ik ben niet arm, en ik worstel op dezelfde manier. De drempel en ook mijn houding tegenover deze dingen waren heel anders. Het wordt bijvoorbeeld volkomen duidelijk als we een website kunnen maken die bepaalde biografische informatie gratis verstrekt, alhoewel we geld moeten hebben om dat soort informatie te vinden. Je kunt alleen vrijgevig zijn en dingen gratis weggeven als je het geld ergens anders vandaan haalt. Het volgt niet helemaal dezelfde logica als alleen maar proberen de kost te verdienen…

K.A.: Je hebt zeer open en toegankelijke structuren ontwikkeld die je aan andere mensen kunt doorgeven. Ik denk dat dat van fundamenteel belang is voor je vroege publicaties: ze openen een ruimte voor anderen.

S.S.: Ja, waarschijnlijk is dat het geval geweest. Daar kwamen de ideeën die op dat moment in de lucht hingen, zeker binnen onze groep, op neer: kunst openstellen, zodat het voor iedereen mogelijk wordt om kunst te maken. Het was niet iets heel persoonlijks of speciaals. Iedereen had de mogelijkheid kunstenaar te worden. Ik probeerde een groot deel van het stigma van het maken van kunst weg te nemen. Dat was opnieuw inherent aan de materialen. Je zag het ook in hoge mate bij arte povera: dat soort activiteit, dat soort materialiteit en toegankelijkheid, het gebruik van rotzooi of andere dingen die mensen weggooiden. Dat was een heel belangrijk onderdeel van de tijdgeest. Iedereen had het gevoel er min of meer deel van uit te maken. Er was een teneur dat dingen zeker mogelijk waren en de relatie met verzamelaars was gelijkwaardiger. Tegenwoordig zoeken verzamelaars naar grote kunstenaars en hun werk, maar in die tijd was er een tendens om verzamelaars in het proces te integreren, vooral in Europa. In Brussel is Herman Daled, een vriend van mij, een perfect voorbeeld van zo’n verzamelaar: hij staat dicht bij de kunstenaars en is zeer betrokken op persoonlijk vlak. Wij hebben altijd ervaren dat mensen die kunst kopen eerder een gelijkwaardige relatie hebben met kunstenaars, in plaats van dat ze zouden buigen voor de mysteries rondom het genie.

 

Vertaling uit het Engels: Miek Zwamborn

 

Dit publiek gesprek vond plaats op 9 maart 2012 in Brussel, in café Daringman, als onderdeel van Les soirées du Daringman. Met dank aan Marja Bloem, Stichting Egress Foundation Amsterdam.

 

De verzamelingen van Matt Mullican

Comics

Koen Brams/Dirk Pültau: Veel van je werken bevatten verzamelingen. Je bent ook zelf een verzamelaar. Hoe ben je begonnen met verzamelen?

Matt Mullican: Mijn ouders waren allebei kunstenaars en verzamelaars, en ik denk dat ik hun voorbeeld ben gevolgd. Ik was maar zeven of acht jaar oud toen ik mijn eerste artefact kocht. In de zomer van 1959 maakten mijn ouders en ik een fantastische reis door Europa, langs de archeologische sites. Op mijn verjaardag waren we in Parijs en tegenover het Louvre was er een klein winkeltje dat Egyptische beeldjes verkocht. Mijn ouders gaven me dertig dollar om iets te kopen. Dat was veel geld voor mij en ik was dan ook erg opgewonden. Ik maakte de winkelierster gek met al mijn vragen. Na een tijdje begon ze me, gewoon om me uit haar winkel te krijgen, te vertellen wat echt en wat nep was. Uiteindelijk kocht ik een klein, bronzen hoofdje van Ramses de Derde op een achttiende-eeuwse sokkel. Ik herinner me nog dat ik samen met dat beeldje heb geslapen op een camping in Bois de Boulogne. Ik was zo trots! In die tijd dacht ik er nog niet aan om kunstenaar te worden. Ik was meer geïnteresseerd in archeologie, vandaar dat ik een Egyptisch beeldje als verjaardagscadeau koos.

K.B./D.P.: Ging je daarna Egyptische kunst verzamelen?

M.M.: Nee.

K.B./D.P.: Als je een verzameling definieert als een liefst zo groot en representatief mogelijk geheel van gelijksoortige objecten, wanneer ben je dan voor het eerst beginnen te verzamelen?

M.M.: Waarschijnlijk vier of vijf jaar nadat ik dat beeldje in Parijs heb gekocht.

K.B./D.P.: Wat was je eerste collectie?

M.M.: Mijn eerste echte verzameling bestond uit eerste edities van stripboeken. Ik was toen helemaal gek van comics, en kocht de eerste edities van Spider-Man, Daredevil, The Hulk, The X-Men, Marvel Age… Ik reed ervoor met mijn fiets naar Hollywood Boulevard. Vandaag lijkt dat een afgelegen plek, maar in die tijd was er een fantastische stripboekenwinkel. Ik herinner me dat ik Amazing Fantasy #15 kocht voor twaalf dollar. Een exemplaar van die strip in goede staat is vandaag zeker meer dan honderdvijftig dollar waard. Helaas was het mijne in slechte conditie, omdat dat me toen niets kon schelen. Ik lette er niet op, ik wilde gewoon dat album hebben.

K.B./D.P.: Comics verzamelen is niet zo uitzonderlijk voor een kind. Eerste edities verzamelen is dat wel. Hoe kwam je op het idee om alleen maar de eerste uitgaven te kopen?

M.M.: De eerste editie is altijd de kostbaarste, dat had ik al meteen begrepen. De eerste editie van een roman van James Joyce is veel waardevoller dan de tweede. Ze stijgt sneller in waarde en behoudt die waarde ook langer. In het geval van een reeks functioneert een eerste editie meestal ook als een ‘origineel’. Bij een magazine, bijvoorbeeld, omvat de eerste aflevering doorgaans de blauwdruk van het concept. Als er een nieuw magazine verschijnt, dan staat er ‘collector’s edition’ op de cover van de eerste aflevering omdat verzamelaars die zullen willen kopen. Hoe langer een reeks loopt, hoe meer het concept wordt ontwikkeld en verfijnd, en soms wordt het zelfs opnieuw uitgevonden. Daarom is een eerste aflevering zo interessant. Later ben ik ook de eerste afleveringen van Time Magazine, Artforum, Fortune en Life Magazine gaan verzamelen.

K.B./D.P.: Bedoel je dat je de eerste editie van de hele verzameling Artforums bezit, of enkel de eerste aflevering?

M.M.: Enkel de eerste aflevering.

K.B./D.P.: Dus eigenlijk ben je alleen geïnteresseerd in de eerste aflevering van de eerste editie van een reeks.

M.M.: Ja, ik ben geïnteresseerd in het origineel. Ik ben geïnteresseerd in de eerste keer dat iets gebeurt, want daar draait creativiteit om. Hoe komt iets tot stand? Hoe maak je iets vanuit niets? Ik ben geïnteresseerd in hoe iets wordt uitgevonden. Daarom heb ik jullie verteld over dat beeldje. Het was de eerste keer dat ik iets kocht dat wezenlijk voor me was, zelfs al was het geen verzameling in de strikte zin van het woord.

K.B./D.P.: Het is frappant dat je verzamelpraktijk met comic books is begonnen, want veel van je vroege werken zijn eveneens op strips gebaseerd. De reeks Dead Comic Book Characters (1973), bijvoorbeeld, bestaat uit uitgeknipte stripplaatjes waarop overleden stripfiguren zijn te zien. Heb je je eigen verzameling gebruikt om dat werk te maken?

M.M.: Absoluut niet. Ik zou er in geen miljoen jaar aan denken om mijn eigen verzameling in stukken te knippen. De comics waar ik de schaar in zette, heb ik specifiek voor dat doel gekocht. Sommige daarvan zijn nu misschien collector’s items, maar toen ik ze kocht waren het gewoon romantische comics of detectives zonder superhelden. Ze werden gemaakt om het universum, een of ander werelds fenomeen of zelfs de Bijbel te verklaren. Comics kunnen over allerlei onderwerpen gaan.

K.B./D.P.: In Details from an Imaginary Universe (1973) en Details from a Fictional Reality (1973) leg je een verzameling aan van details uit comics. Je brengt specifieke beeldelementen bijeen die voortdurend terugkeren in de strips.

M.M.: Ik wilde aantonen dat de omgeving waarin die comics zich afspelen werkelijk bestaat, en dat doen twee beelden overtuigender dan één. Daarom ging ik op zoek naar beelden die op verschillende manieren de idee weergeven van de zwaartekracht, geluiden, geuren, de dood, enzovoort. De verzameling beelden die het bestaan van die wereld moet bewijzen, is natuurlijk altijd onvolledig. Er ontbreekt altijd wel iets, waardoor je blijft verzamelen.

K.B./D.P.: Ook de titel van de catalogus More Details from an Imaginary Universe laat uitschijnen dat er altijd méér beelden zijn dan je kan verzamelen.

M.M.: Dat klopt. Toen we die catalogus maakten, was er net een ander boek met een heel vergelijkbare titel uitgekomen. Het heette Details from an Imaginary Universe of iets dergelijks. Dus voegde ik het woord ‘meer’ toe, gewoon om mijn boek van dat andere te onderscheiden. Maar met dat woord wordt absoluut verwezen naar de psychologie van de verzamelaar: meer, meer, meer. Een verzamelaar wil altijd meer. Dat hoort bij het spel. Het zal nooit genoeg zijn. Het is alleen genoeg geweest als je een verzameling vergeten bent. Maar zolang je je ervan bewust blijft, is het nooit genoeg. Ik heb er nog steeds spijt van dat ik mijn verzameling comics niet heb afgerond. De twee comics die nog ontbreken in mijn verzameling zijn The Silver Surfer en The Fantastic Four.

K.B./D.P.: Waarom heb je je collectie niet afgerond?

M.M.: Ik weet het niet. De grootste lacune in mijn verzameling is natuurlijk The Fantastic Four. The Fantastic Four was destijds de allerduurste comic. Misschien had ik die lacune wel nodig om op de een of andere manier aan te geven dat ik nog steeds aan het verzamelen was. Misschien heb ik hem nooit gevonden, of misschien ben ik gewoon andere dingen gaan doen. Ik werd kunstenaar en begon andere zaken te verzamelen.

K.B./D.P.: Heb je ooit een stuk uit je verzameling verkocht?

M.M.: Nee, ik heb altijd mijn best gedaan om alles bij te houden. In de loop der jaren zijn sommige stukken wel verloren gegaan. Dingen belanden op de verkeerde plek, en dat is verschrikkelijk. Als er één zaak is die elke verzamelaar zich zou moeten realiseren, dan is het dat een verzameling er niet is voor de eeuwigheid.

K.B./D.P.: Wat bedoel je daarmee?

M.M.: Ik zal een voorbeeld geven. Een paar jaar geleden kocht ik zes boeken boordevol etiketten van luciferdoosjes, pagina na pagina. De persoon die dat allemaal had samengebracht, moet er jaren over hebben gedaan om al die etiketten bij elkaar te krijgen. Hij ging echt tot op het bot. Zijn toewijding bleek groot genoeg om alle lege plekken in te vullen. Maar toen stierf hij of was hij niet meer geïnteresseerd of weet ik veel wat er gebeurde. Misschien haatte zijn vrouw hem omdat hij zoveel tijd in zijn luciferetiketten stak. Misschien verkocht ze de hele boel of gaf ze alles weg. Wat er ook was gebeurd, ik kocht de hele verzameling voor honderd dollar. Nu is ze van mij en kan ik ermee doen wat ik wil. Op een bepaald moment gaat een verzameling dus haar eigen leven leiden en dat betekent niet noodzakelijk dat ze je overleeft.

Tantrische objecten en stoommachines

 K.B./D.P.: Wat was het eerste dat je verzamelde nadat je kunstenaar was geworden?

M.M.: Tantrische objecten uit het achttiende-eeuwse India. Ik bezit een heleboel tekeningen en aquarellen, en verschillende kristallen objecten. Mijn twee dierbaarste items uit die verzameling zijn een tantrisch manuscript en een kristallen lingam. Het zijn allebei absolute meesterwerken. Echt waar! Ze zouden een plek kunnen krijgen in eender welk groot museum en het verbaasde me dan ook dat ik ze kon betalen. Eén ervan kostte vijfduizend dollar. Het was het duurste ding dat ik tot dan toe had gekocht. Voor het andere object heb ik vijftienhonderd dollar betaald.

K.B./D.P.: Als je het bekijkt vanuit het perspectief van een verzamelaar, wat is dan het grootste verschil tussen tantrische objecten en stripboeken?

M.M.: Het meest voor de hand liggende onderscheid heeft te maken met het productieproces: het ene is handgemaakt, geschilderd of gebeeldhouwd, terwijl het andere een massaproduct is. Een ander groot verschil betreft het type collectie. Een verzameling stripboeken is serieel, de tantrische voorwerpen vormen een niet-seriële verzameling. De comics zijn genummerd, je weet dus wat je krijgt. Als ik alle comics met het woord ‘Spider-Man’ in de titel wil vergaren, dan weet ik op voorhand hoeveel afleveringen ik te pakken moet krijgen. Bij seriële verzamelobjecten blijft de waarde vrij stabiel. Er zijn zelfs naslagwerken waarin de prijs van elke afzonderlijke aflevering wordt vermeld. In het geval van een kunstwerk daarentegen schommelt de waarde. Zulke objecten zijn maar waard wat de markt ervoor wil geven. Je zou ze moeten veilen om hun precieze prijs te kennen.

K.B./D.P.: Waarom was je zo geïnteresseerd in tantrische objecten?

M.M.: Dat heeft opnieuw te maken met hoe dingen beginnen. Tantrische objecten zijn erg specifiek. Ze stellen niet zomaar eender wat voor. Ze representeren abstractie. Ze stellen de afwezigheid van dingen voor, de leegte. Het zijn objecten die gaan over het begin van het universum. Dat onderwerp interesseert me enorm, want zoals jullie weten heb ik mijn eigen kosmologie gecreëerd. Wat mij persoonlijk het meeste fascineerde, was het tantrische kristal. Daar ben ik echt door gepassioneerd. Het kristallen lingam uit mijn collectie is uiterst zeldzaam.

K.B./D.P.: Wat is er zo speciaal aan het kristal?

M.M.: Het gaat om ruw kristal, zoals kwarts. Ze worden beschouwd als magische objecten en stralen een specifiek soort energie uit. Dat is een van de dingen die zo fantastisch zijn aan juwelen. Ze hebben iets dat niet van deze wereld lijkt. Ik ben een verwoed verzamelaar van objecten die mijn manier van denken weerspiegelen of die overeenkomen met de wijze waarop ik naar de dingen kijk.

K.B./D.P.: Kan je een paar voorbeelden geven van andere collectiestukken die je manier van denken reflecteren?

M.M.: Het kan om erg uiteenlopende dingen gaan. Ik verzamel bijvoorbeeld ook prehistorische objecten, onder meer uit het neolithicum. Die voorwerpen zijn vooral interessant omdat ze tot de eerste werktuigen van de mens behoren. Ze kunnen tot een miljoen jaar oud zijn, maar gek genoeg kan je ze vrij makkelijk vinden. Die dingen zijn echt ongelofelijk, en ze zijn eigenlijk niet eens zo duur. Kun je je voorstellen dat je een object bezit dat een miljoen jaar geleden werkelijk door een mensachtige is gebruikt? Ik verzamel ook stoommachines, stoomketels en pantografen.

K.B./D.P.: Wat spreekt je zo aan in pakweg een stoommachine?

M.M.: Een stoommachine gaat over het omzetten van energie. Je hebt een warmtebron, compressie en een mechanische beweging. De ene energiebron wordt omgezet in een andere, dat is wat ik er zo interessant aan vind.

K.B./D.P.: Hoe ben je begonnen met het verzamelen van die machines?

M.M.: De eerste stoommachine die ik ooit zag, stond in het huis van mijn schoonvader. Ik nam er een foto van en maakte een frottage van dat beeld. Geleidelijk aan ben ik me meer en meer gaan bezighouden met negentiende-eeuwse mechanica en ging ik ook zelf machines kopen. Daarbij stootte ik op twee stoomketels. Dat soort toestellen is zeldzamer omdat ze vaak werden weggegooid. Stoommachines die mechanische arbeid leverden, werden beter bewaard. Daarna ben ik stoomgeneratoren gaan verzamelen.

K.B./D.P.: Zou je kunnen stellen dat deze machines het dynamische aspect van je kosmologie oproepen?

M.M.: Precies. Ze geven de dynamiek weer van een globaal model dat me bezighoudt. De generatoren en stoommachines lijken sterk op mijn kosmologie. Of misschien kun je zeggen dat mijn kosmologie op een machine lijkt. In de loop der jaren heb ik een tiental stoommachines gekocht. Ze staan nu in mijn atelier. Ik kocht ze waar ik ze ook maar aantrof, van Amsterdam tot New York.

K.B./D.P.: Heb je ook de stoomketels nog?

M.M.: Nee, die bezit ik helaas niet meer. Een ervan staat in Eindhoven in een waterput. Ik gebruikte hem in 1997 voor mijn bijdrage aan de kunstroute De Rode Loper. De andere stoomketel maakt deel uit van een project in het museum voor hedendaagse kunst in Barcelona, het MACBA.

K.B./D.P.: Zou je ook vandaag nog een negentiende-eeuwse stoomketel of generator kopen als je de kans kreeg?

M.M.: Absoluut. Als ik nog een stoomketel vind in een winkel, dan koop ik hem meteen. Of als ik nog eens zo’n generator zou tegenkomen… Ik zou ze kopen omdat het objecten zijn die ik verzamel. Bovendien is mijn interesse in energie en de overdracht van energie niet verdwenen. Ik heb ook een pantograaf die in die categorie past.

K.B./D.P.: Wat is een pantograaf?

M.M.: Een pantograaf of een stroomafnemer staat bovenop een elektrische trein. Het ding verbindt het treinstel met de energiebron. Mijn pantograaf is een geweldig ding! Ik vond hem op een stortplaats in Tourcoing, toen ik er in 1990 met Denys Zacharopoulos een tentoonstelling voorbereidde in het Musée des Beaux-Arts. Ik had er zitten werken aan frottages van treinsporen en raakte gebiologeerd door alles wat met treinen te maken had.

K.B./D.P.: Al de objecten waarover we het nu hebben, de stoommachines, de generatoren en de pantografen, heb je dus altijd gekocht met het oog op je werk?

M.M.: In feite kocht ik die objecten omdat ze me fascineerden en ik het verlangen voelde om ze te bezitten. Ik denk dat verzamelen alles te maken heeft met passie. Soms zie ik iets in een winkel en dan moet ik het gewoon hebben.

K.B./D.P.: Wil je zo’n object alleen maar hebben omdat het je interesses weerspiegelt, of waardeer je het ook gewoon om wat het is?

M.M.: De reden waarom sommige objecten me zo sterk aanspreken, is dat ze in mij zitten. En ze zitten in mij door mijn werk. Dus ja, voor een groot deel kun je wel zeggen dat ik dingen verzamel die weergeven waar het in mijn werk om gaat. Ik ben geïnteresseerd in tantrische kunst omdat ze te maken heeft met kosmologie, eeuwige energie, de noties van leven en dood. Het valt allemaal terug te voeren op mijn werk. Tegelijk wordt mijn kunst ook verrijkt door met tantrische objecten bezig te zijn.

K.B./D.P.: Ben je ooit iets gaan verzamelen dat pas later belangrijk werd voor je werk?

M.M.: Dat zou kunnen. Maar het is voor mij heel moeilijk om te bepalen wat er eerst was, mijn kunst of de verzameling. Beïnvloedt de verzameling de kunst of beïnvloedt de kunst de verzameling? Het is een combinatie van de twee. Ik kan niet met zekerheid zeggen dat de objecten er eerst waren en dat de kunst volgde, of vice versa. Ik denk dat ze zo sterk met elkaar verweven zijn dat je niet meer kan bepalen waar het ene begint en het andere eindigt. Misschien verzamel ik daarom zulke uiteenlopende dingen?

K.B./D.P.: Verzamel je werk van andere kunstenaars?

M.M.: Wij – mijn vrouw Valerie en ik — hebben een Allen Ruppersberg, een fantastisch werk om mee te leven. Ik heb ook een Peter Kogler en een Thomas Ruff. Ik verzamel werk van Alighiero Boetti. Ik bezit niet veel werken van hem omdat ik het niet kan betalen, maar ik heb er toch een paar. Hij heeft met Valerie samengewerkt toen ze curator was van Sonsbeek 93 en gaf haar een paar tekeningen, zodat we samen een erg mooie verzameling Boetti’s bezitten.

K.B./D.P.: Verzamel je kunst op dezelfde manier als de andere objecten?

M.M.: Wat bedoel je?

K.B./D.P.: Weerspiegelt ook de kunst die je verzamelt je eigen interesses?

M.M.: Ja. Ik koop werk dat naar mijn eigen werk en mijn eigen psyche verwijst. Zo heb ik een kleine sterrenkaart van Thomas Ruff. Dat werk past echt helemaal in mijn straatje. Het is perfect, want ik heb ook tekeningen gemaakt van de geboorte van het universum en van sterren. Ik heb ook een kleine sculptuur van Ian Hamilton Finlay. Het is een vliegdekschip, een fantastisch, ongelofelijk object.

K.B./D.P.: Waar komt je fascinatie voor Boetti vandaan?

M.M.: Ik hou van het borduurwerk, van het handwerk dat daarbij komt kijken. Zijn werk is heel verzamelbaar omdat hij objecten maakt die eruitzien alsof ze wel verzameld moeten worden. Ik heb een van zijn kleine borduurwerken. Die zijn ronduit perfect. Ik vereenzelvig me ermee. En ik heb gewoon altijd erg gehouden van de manier waarop hij over de wereld denkt. Hij heeft wereldkaarten gemaakt. Er zitten veel verwijzingen in. Het is gewoon een geweldige kunstenaar. Maar ik heb ook werk van anderen. Ik bezit een van de 7-Inch Records van Jack Goldstein. Onlangs kocht ik nog een paar ongelofelijke objecten via de galerie van Daniel Blau. Ze staan in verband met werken die ik vijftien, twintig jaar geleden heb aangeschaft.

K.B./D.P.: Je koopt dus enkel werk van andere kunstenaars als er een relatie is met je eigen werk?

M.M.: Ja, dat kun je wel zeggen.

K.B./D.P.: Wat is het duurste werk dat je ooit hebt verworven?

M.M.: Het allerduurste is een ets van Piranesi, uit het vierdelige werk Antichità romane. Denys Zacharopoulos presenteerde de vier monumentale delen in de tentoonstelling in Tourcoing waar ik het eerder over had. Het betoverde me gewoon. Sommige van de pagina’s waren zo groot als deze tafel als je ze openvouwde. Denys vertelde me dat de eigenaar wilde verkopen, en ik heb dus een prent verworven. Het was een vergissing. Ik gaf er te veel geld aan uit, omdat ik geen rekening had gehouden met de belastingen. Het heeft een tijdje een negatieve impact gehad op mijn leven, maar gelukkig ligt dat nu achter de rug. Het is van mij. Ik kijk er zelden naar. Ik doe het bijna nooit open. Maar het is een emblematisch beeld. Het is een icoon en als zodanig is het perfect. Het is een stad. Het is een archeologische site én een fictie.

Collecties en tentoonstellingen

K.B./D.P.: Sommige objecten uit je niet-artistieke collecties werden getoond in tentoonstellingen. Overwoog je dat al toen je ze verwierf?

M.M.: Nee, het merendeel — waaronder de stoommachines, de stoomketels en de generatoren — kocht ik zonder de bedoeling om ze ooit in mijn werk te gebruiken, hoewel ze later wel degelijk getoond werden als kunstwerken. De meeste objecten zijn wel symbolen voor mij geworden. Ze zijn iconisch geworden en in die zin kan ik ze gemakkelijk tonen. Zo kocht ik ooit een skelet dat ik bij verschillende gelegenheden heb geëxposeerd. In 1991 toonde ik de pantograaf in het Kröller-Müller Museum. De stoomketel en de generator waren te zien in het Massachusetts Institute of Technology.

K.B./D.P.: Hoe zou je de status van die objecten omschrijven wanneer je ze tentoonstelt? Het zijn in ieder geval niet zomaar objets trouvés

M.M.: Nee, dat zijn ze niet. Ze verschillen daarvan omdat het meestal details zijn van een groter werk. Veel objecten zijn verworven in samenhang met bepaalde denkprocessen en werden pas later tentoongesteld. Een ander verschil is dat die voorwerpen, zoals ik al zei, al in mij zitten voor ik ze vind. Ik verzamel ze omdat ze een interesse weerspiegelen die ik al heb. Ik ben gepassioneerd door die objecten. Ik voel me ertoe aangetrokken. In die zin zijn het niet zomaar gevonden voorwerpen.

K.B./D.P.: In sommige tentoonstellingen worden ze echter wel degelijk als gevonden objecten getoond. Je presenteert ze naast elkaar, zonder een noemenswaardige dynamiek, waardoor de bezoeker zou kunnen vermoeden dat het gaat om gevonden objecten in de strikte zin van het woord. Stoort dit jou?

M.M.: Ik denk dat de discussie over het gevonden object irrelevant is in verband met mijn werk. Het is geen thema voor mij. Sherrie Levine zal dit misschien heel anders ervaren, omdat haar werk gaat over de status van het object en over wat echt is en wat niet. Maar dat is niet de kern van mijn werk. Ik ben geïnteresseerd in gevonden beelden voor zover ze versmelten met mijn eigen werk. Voor mij zijn die objecten beelden, en ik verzamel beelden. Als ze eenmaal deel uitmaken van mijn verzameling, zijn ze iconisch geworden.

K.B./D.P.: Heeft een object uit een van je verzamelingen, of het nu gaat om comics of om tantrische of prehistorische objecten, ooit gediend als prototype voor je werk? Heeft een van je objecten ooit gediend als model, als basis voor de conceptie van specifieke werken?

M.M.: Ik denk dat maar weinig van mijn werken ontstaan zijn vanuit prototypes. Het prototype voor het object in mijn werk zou wel eens het kleine Egyptische beeldje kunnen zijn dat ik eerder vermeldde, hoewel dat nooit werd getoond. In de jaren tachtig verzamelde ik horloges, maar ik heb nooit een kunstwerk met een uurwerk gemaakt. Een Patek Philippe zou wel perfect als prototype kunnen hebben gediend, als je erover nadenkt. Het is een extreem duur horloge; het kost honderdvijftigduizend dollar. Het is eindeloos. Het is een model voor mechanica, maar het is niet het ultieme model. Het is gemaakt om perfect nauwkeurig te zijn, maar is dat niet. Het is goed mogelijk dat zo’n object mijn artistieke productie op een gegeven moment heeft beïnvloed, maar het was zeker nooit een model voor een specifiek werk.

K.B./D.P.: Je zou kunnen stellen dat je een verzamelaar bent die zich bezighoudt met het verwerven van een veelheid en nog meer, maar tegelijk lijk je te werken met prototypes. Zo speelt het idee van de stad of de pop wel degelijk een rol in je werk.

M.M.: Waar jullie naar verwijzen, is het eerste moment waarop een object verschijnt, om dan later steeds opnieuw op te duiken in mijn werk. Zo kwam ik op een dag thuis en zag dat mijn ouders een pop hadden. Ik nam een foto van die pop en mezelf, en gebruikte dezelfde pop voor Doll and Dead Man (1974). Maar dat die specifieke pop de eerste was, betekent niet noodzakelijk dat ze functioneert als prototype voor alle poppen die erna kwamen. Er is geen hiërarchie tussen die poppen. Ze zijn allemaal gelijkwaardig, en misschien is het precies uit de verzameling van al die foto’s samen dat het idee van de pop ontstaat.

K.B./D.P.: Zou je de vroege versies van de Birth to Death List als een verzameling van gedachten kunnen zien, die samen een geheel vormen?

M.M.: Het zou inderdaad een bijzonder interessant idee zijn om die lijsten als verzamelingen van gedachten te beschouwen.

K.B./D.P.: Bleeding green blood, bleeding blue blood, bleeding red blood, bleeding yellow blood, bleeding orange blood… Dat lijkt in elk geval een lijst van verzamelde gedachten. Op dezelfde manier kan ook de lijst waarin je alle onderdelen van het lichaam en het skelet overloopt als een verzameling van gedachten worden beschouwd.

M.M.: Dat is zeker mogelijk, hoewel ik er zelf nooit zo over heb nagedacht. Er zijn veel versies van de Birth to Death List. Ik heb er lange en korte versies van gemaakt. Ik heb de lijst getypt, met de hand geschreven en uitvergroot. Ik heb er kopies van gemaakt. Ik heb er multipels van gemaakt die te koop zijn. Ik heb ze weggegeven als cadeau. Die lijst is telkens weer opnieuw gebruikt en dat geldt ook voor veel van mijn andere werken. Ik ben ervan overtuigd dat je, net zoals je verzamelt in reeksen, soms ook werkt in reeksen.

K.B./D.P.: Zijn de Stick Figure Drawings (1974) het meest representatief voor dit proces van werken in reeksen?

M.M.: Ik denk het wel. Die hele reeks van stokmannetjestekeningen is gebaseerd op een gefotokopieerde rechthoek met een lijn erin. Daar tekende ik het stokmannetje op en ik zette er een verklarend bijschrift onder, maar het landschap waarin het stokmannetje staat is dus eigenlijk een geprint object. In mijn eerste tentoonstelling in Artists Space (NY) in 1976 lag er een stapel van die tekeningen die ongeveer twintig centimer hoog was. Ik denk dat het ongeveer drie- of vierhonderd tekeningen waren. Allan McCollum was nogal onder de indruk van het idee dat er zoveel representaties van hetzelfde ding kunnen bestaan. Ik denk dat dit de meest substantiële uitwerking van de idee van de reeks was die ik ooit heb gemaakt.

K.B./D.P.: Heb je die tekeningen voor jezelf gehouden, zoals je ook een verzameling van objecten zou bijhouden?

M.M.: Niet echt. Ik zag ze niet als één grote overkoepelende verzameling van tekeningen. Sommige van de stokmannetjes heb ik wel op een prikbord gehangen. Op die manier heb ik ze als deel van een verzameling benoemd, want dat is wat een prikbord doet. Het definieert wat erop hangt als verzameling.

Prikborden

K.B./D.P.: De catalogus Matt Mullican Works 1972-1992 (Keulen, Verlag der Buchhandlung Walther König, 1993) bevat een foto uit 1975 van je atelier, met daarop je bed en erachter een verzameling foto’s en knipsels. We zien een foto van het hoofd van een pop, een foto van Muse endormie van Brancusi, krantenknipsels met koppen als Leave the real world

M.M.: …een foto van mezelf, David Salle, James Welling, Paul McMahon en Robert Morgan. Meer foto’s van mezelf. Een tekening van Nancy Chun, een foto van mijn jongere broer, een afbeelding van God door Michelangelo. Door de foto van die kamer grondig te bekijken, krijg je dus een redelijk nauwkeurig beeld van de persoon die er woonde.

K.B./D.P.: Diende die foto als model voor wat uiteindelijk leidde tot je eerste prikbord?

M.M.: Nee. Ik was toen wel al begonnen met foto’s te nemen van prikborden van andere mensen. Ik heb een hele vroege foto van zo’n bord ergens bij het bed van iemand anders, en het hangt vol met foto’s van verschillende mensen. Als je er eenmaal aandacht aan begint te schenken, is het ongelofelijk hoe expliciet mensen hun privéleven te kijk stellen. Mensen maken altaars voor hun familie, voor hun leven samen. Vrienden van ons hebben hun huis volgehangen met foto’s van henzelf: de moeder, de vader, de grootmoeder, alle kerstfeesten, vakanties, diploma-uitreikingen. Het wordt allemaal getoond, overal. Hun huis wordt dus zelf een voorstelling, een geschiedenis van hun gezamenlijke leven als familie. En hetzelfde kan gezegd worden van die foto van mijn atelier. Het is een representatie van mijn leven als kunstenaar en als persoon in 1975.

K.B./D.P.: Kun je ons iets vertellen over de eerste keer dat je een prikbord gebruikte? Hoe kwam je ertoe om je werk op die manier te tonen?

M.M.: De eerste keer dat ik aan die presentatievorm dacht, was voor een tentoonstelling die Resemblance heette, bij Hallwalls in maart 1977. Hallwalls was een ruimte voor hedendaagse kunst in Buffalo, New York, die gerund werd door Robert Longo, Cindy Sherman, Michael Zwack, Nancy Dwyer en Charles Clough. Het ging om een uitwisseling met Artists Space, die werd vertegenwoordigd door Troy Brauntuch, David Salle, Jack Goldstein, Paul McMahon en mezelf. Wij deden dus een tentoonstelling in Hallwalls en zij kwamen naar Artists Space. Ik wilde een reeks foto’s tonen, maar ik wilde ze niet in een raster hangen. Ik wou ze tonen zoals iemand dingen naast zijn of haar bed hangt en prikte ze losweg op de muur. Ik herinner me dat Douglas Crimp — de curator van de befaamde tentoonstelling Pictures in Artists Space later dat jaar — het een slaapzaal noemde. Het leek op een verzameling, zoals je die ook op een prikbord kan aantreffen.

K.B./D.P.: Beschouw je het prikbord als een instrument om te verzamelen of iets tot een verzameling te benoemen?

M.M.: Ik zal het zo stellen: het prikbord werkt als een diepvriezer. Het is een plek waar dingen opgehangen worden en het stelt alles wat erop terechtkomt voor zonder hiërarchisch onderscheid. Wat op het bord hangt, is meer dan een samenkomen van wat spullen. Het prikbord is een kader dat die spullen samenhoudt en op die manier is het een instrument om dingen te bewaren of te verzamelen.

K.B./D.P.: Wanneer maakte je dan je eerste echte prikbord?

M.M.: Dat was voor een tentoonstelling in een commerciële galerie, de Mary Boone Gallery (NY). Ik hing er een bord aan de muur en prikte er foto’s op. Later begon ik prikborden te maken met postkaarten, die ik kocht op rommelmarkten, en waaraan ik dan mijn eigen werk toevoegde, om een vergelijking te trekken tussen de postkaarten die ik kocht en het werk dat ik maakte.

K.B./D.P.: We hebben het gehad over seriële en niet-seriële collecties. Het prikbord vormt bij uitstek een niet-seriële verzameling…

M.M.: Dat klopt. Een prikbord is een werk dat bestaat uit een hoop verschillende items die er simpelweg op zijn geprikt. Het kan gaan om een amalgaam van tekeningen uit verschillende periodes, of gewoon om verschillende stukken die allemaal op hetzelfde oppervlak worden getoond. Op zo’n bord kun je gemakkelijk waardevolle tekeningen samenbrengen met tekeningen die helemaal niets waard zijn. Dat ik mijn eigen materiaal samenbreng en meng met gevonden objecten houdt voor mij in dat dingen die heel erg persoonlijk zijn voor me samengaan met dingen die niets betekenen, om zo één ding te worden. Op het bord hebben mijn eigen tekeningen en de gevonden postkaarten dezelfde status, omdat alles samen wordt getoond. Dat is een belangrijk procedé voor mij.

K.B./D.P.: Waarom is het zo belangrijk?

M.M.: Het is voor mij een manier om afstand te scheppen tussen mij en mijn werk. Ik reduceer er mijn verhouding met mijn werk mee. Ik ga het bekijken als een verzameling van spullen die ik al dan niet gemaakt zou kunnen hebben. Het prikbord zet me dus niet alleen aan om op een bepaalde manier naar mezelf te kijken, het dwingt me ook om grondiger te kijken naar de dingen die ik verzamel.

K.B./D.P.: Doordat je het prikbord gebruikt om dingen die cruciaal zijn in je werk of leven samen te brengen met beelden die niets voor je betekenen, lijkt het alsof je de betekenis van de belangrijke beelden tenietdoet.

M.M.: Dat doe ik inderdaad. Ik probeer hun belang te reduceren, alhoewel de kijker wellicht te slim is om te geloven dat ze écht onbelangrijk zijn. Maar dat is wat het bord doet, en op die manier is het niet alleen een instrument, maar ook een model voor het verzamelen.

K.B./D.P.: In welke zin?

M.M.: Als je dingen op een bord hangt, dan gaan de beelden tot hun eigen universum behoren, en deel uitmaken van een afgesloten context. Hetzelfde gebeurt met dingen die worden samengebracht in een verzameling. Wanneer je objecten verzamelt, haal je ze weg van de plek waar ze thuishoren. Je kijkt er niet meer naar zoals andere mensen dat doen. Ik verzamel horloges uit de jaren tachtig. Een horloge dient om je te vertellen hoe laat het is. Maar als je de ene na de andere verzameling van horloges bekijkt, dan ga je ze anders ervaren. Je leest de tijd niet langer. Je relatie met het object verandert. Ik moet er wel aan toevoegen dat deze redenering ook in de andere richting werkt: die prikborden zonder kader geven je ook een diep gevoel van vertrouwdheid.

K.B./D.P.: Wat bedoel je?

M.M.: Mensen zijn vertrouwd met prikborden, ze hebben ze thuis ook. Wanneer bezoekers worden geconfronteerd met een prikbord in een museum gaan ze het niet op dezelfde respectvolle manier behandelen als een schilderij. Ze beginnen dingen van de borden te trekken. Er zijn al zaken gestolen. Zelfs de zaalwachters geven de borden minder aandacht. Als iemand die plaatjes bekijkt, aanraakt of van het bord trekt, dan laten de suppoosten dat gewoon toe. In die zin functioneert het prikbord als een trompe-l’oeil.

K.B./D.P.: Als je in bijna elk huishouden wel een prikbord vindt, dan zou je kunnen zeggen dat iedereen op een bepaalde manier een verzamelaar is.

M.M.: Tot op zekere hoogte denk ik absoluut dat dat waar is. In al mijn lezingen heb ik het hierover. De eerste kunst is de kunst van de verzamelaar en de verzamelaar kan iedereen zijn. Iedereen verzamelt op de een of andere manier en iedereen drukt zijn identiteit of ideeën uit door wat hij of zij verzamelt. Tegelijk ligt het bord nooit vast. Mensen veranderen de inhoud ervan voortdurend, en dat doe ik ook. Het prikbord staat voor wat verandert in het dagelijkse leven. Het verbeeldt veranderlijkheid.

K.B./D.P.: Heb je ooit prikborden gemaakt als voltooid werk?

M.M.: Het heeft me nooit geïnteresseerd om die vroege borden in te kaderen en ze in iets blijvends te veranderen. Elke keer dat ik ze heb opgebouwd, heb ik ze ook zelf weer uit elkaar gehaald. Wat er ook op hangt, het gaat terug naar de schappen van mijn archief, en als ik nog eens een bord maak, gebruik ik dezelfde dingen opnieuw.

K.B./D.P.: Als de inhoud van de prikborden voortdurend verandert, hoe dateer je die borden dan? Je hebt al gezegd dat een prikbord is gemaakt van tal van verschillende werken.

M.M.: Dat is zo. Een van de moeilijkste dingen aan zo’n prikbord is om te bepalen wanneer het werd gemaakt, wie het maakte, wat het is, hoe het functioneert en hoeveel het kost. Het is extreem moeilijk om dat te zeggen. De eerste borden werden gedateerd op ‘1980 — tot op heden’. Zoals ik al aangaf verbeelden de borden veranderlijkheid.

K.B./D.P.: Maar wanneer de prikborden verkocht worden, dan wordt dat proces afgebroken.

M.M.: Absoluut, zo gauw ze verkocht zijn, houdt hun veranderlijkheid op te bestaan. De verzamelaars die de borden kopen, kaderen ze meestal in en zetten ze in hun huis. Die borden zullen niet meer veranderen. Ze blijven voor eeuwig hetzelfde, terwijl de borden die niet verkocht worden terug naar mijn atelier gaan. Ze worden later opnieuw samengesteld en zullen er dan helemaal anders uitzien.

Vertaling uit het Engels: Koen Sels

Oorspronkelijk verschenen in: Koen Brams, Dirk Pültau, Matt Mullican. Im Gespräch / Conversations mit/with, Keulen, DuMont, 2011, pp. 204-219.

‘De toon is gezet, de toren is gevallen/Gevallen in de komische zwaarte van ons kort bestaan’

Peper en zout

Koen Brams: In 2017 had je een eerste grote overzichtstentoonstelling, en in 2019 maakte je drie grote solo’s. In 2013 kreeg je voor het eerst kansen om je werk in het buitenland te presenteren. Hoe zijn de contacten toen met Kunstraum (Londen), de Frankendael Foundation (Amsterdam) en de Kunsthalle Charlottenborg (Kopenhagen) tot stand gekomen?

Nel Aerts: In de zomer van 2012 nam ik deel aan de groepstentoonstelling Un-Scene II in Wiels. Mijn bijdrage werd volgens mij goed ontvangen. Heel wat buitenlandse curatoren, critici en galeristen bezochten de expositie, onder wie Jakob Fabricius, de toenmalige directeur van Kunsthalle Charlottenborg. Ik denk dat Elena Filipovic, die samen met Anne-Claire Schmitz cocurator was van Un-Scene II, over mijn werk in gesprek was met Lilou Vidal en Barbara Cuglietta, de drijvende krachten achter de Brusselse galerie VidalCuglietta. Zij boden me aan, redelijk snel na Un-Scene II, om een expo te realiseren. Met Thomas Cuckle, de curator van Kunstraum, maakte ik kennis in VidalCuglietta toen hij enkele werken kwam uitzoeken voor de groepstentoonstelling Definitional Disruptions. Hij weerhield drie schilderijen en de super 8-film Tribune Sculptuur en nam ze mee naar Londen.[1]

K.B.: Wat stelde je tentoon in de Kunsthalle Charlottenborg?

N.A.: Jakob Fabricius, met wie ik nog steeds een goed contact heb, benaderde me in 2013 om deel te nemen aan het project Post, een reeks maandelijkse solotentoonstellingen. Kunstenaars werden gevraagd om hun werk per post te bezorgen, samen met de opstelbeschrijvingen van de stukken. Ik verzond enkele schilderijen en meerdere exemplaren van een multipel – een wassen afgietsel van een hand die met een rechthoekige metalen ‘arm’ aan de muur werd bevestigd. De mal van de hand had ik gemaakt van het object dat deel uitmaakte van de installatie in Wiels. De wassen handen hadden een wiek en konden worden aangestoken. Op een tafel lagen papieren – kopieën van een tekening van mij met het onderschrift ‘Your humble servant’, tevens de titel van mijn presentatie. De bezoekers konden op de papieren een boodschap schrijven om me met zegel toe te sturen.

K.B.: Welke schilderijen zond je in?

N.A.: Het waren de eerste houten panelen die ik in 2011 vervaardigd had: Op kop! en Vriend. Aan dat duo voegde ik een recenter werk toe: Zielzoekerij (2012).

K.B.: In hetzelfde jaar dat je Op kop! vervaardigde – 2011 – schilderde je Boegbeeld reizer (2011-2012), een haast identiek werk. Je wist dus van bij het begin dat je met Op kop! een eigen beeldtaal tot ontwikkeling had gebracht?

N.A.: Ja, en die taal is nog steeds niet dood. Beide werken zijn niet volledig identiek: ik maak nooit helemaal hetzelfde werk. Vanaf het moment dat ik begon te schilderen keerde ik terug naar beelden die ik eerder maakte. Het is een manier om iets verder uit te zoeken. Door aan meerdere werken tegelijk te sleutelen is herhaling in mijn praktijk onvermijdelijk.

K.B.: Wat hield het project voor de Frankendael Foundation in?

N.A.: Het pand van de Frankendael Foundation is een beetje een maffe plek. Het is het enig overgebleven zeventiende-eeuwse buitengoed van Amsterdam. Ik koos voor een heel klassieke presentatie. Het was de eerste keer dat ik mijn collages toonde, in combinatie met enkele nieuwe schilderijen en Say Something, twee animatiefilmpjes die op twee naast elkaar staande televisiemonitoren werden afgespeeld. Say Something – filmpjes waarin een cartoonesk figuur wordt uitgedaagd om te spreken – had ik oorspronkelijk gemaakt voor de website Le Salon, waarbij Valerie Verhack betrokken was. Ik heb ook De averechtse val kunnen vervaardigen, een kunstenaarsboekje waarin ik voor het eerst mijn collages samenbracht.

K.B.: De averechtse val werd mede mogelijk gemaakt door je Brusselse galerie?

N.A.: VidalCuglietta heeft financieel bijgedragen, dat klopt. Het was de derde uitgave van Lord Nelson, mijn eigen label.

K.B.: Hoe kwam je op die naam?

N.A.: Het was belangrijk dat ‘Nel’ erin voorkwam. Met ‘Lord’ wilde ik mijn voornaam kracht bijzetten. Die genderswitch vond ik ook interessant. Lord Nelson is mijn mannelijk alter ego. Ik heb die keuze relatief snel gemaakt.

K.B.: Toen ik het interview herlas dat Dirk Pültau en ik in 2012 van je afnamen en vervolgens je curriculum vitae tot op heden doornam, viel het me op dat je inderdaad soms impulsieve keuzes maakt.

N.A.: Ja. Ik ga vaak intuïtief en spontaan te werk. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Ik neem risico’s en doe dingen waarvan ik de uitkomst nog niet ken. Als ik te voorzichtig ben, lukt me dat niet altijd.

K.B.: Je neemt de kans op incoherentie op de koop toe?

N.A.: Ik voel af en toe dat ik mijn instinct moet volgen en moet springen. Dat kwetsbare is belangrijk. Op sommige momenten doe ik dat niet en dan besef ik na verloop van tijd dat ik me op platgetreden paden bevind. Een kunstenaarspraktijk moet voor mij niet noodzakelijk coherent zijn.

K.B.: In 2013 trad je in het huwelijk met Vaast Colson. Naar aanleiding hiervan organiseerden jullie een expo in de Duinstraat in Antwerpen, met als ironische titel Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Het lijkt een ander voorbeeld van een gewaagd experiment. Waarom besloten jullie aan die in wezen intieme gebeurtenis een artistiek en publiek karakter te geven?

N.A.: Het was inderdaad een gok. Maar dat is kiezen voor iemand en trouwen ook. Ik denk dat we een manier zochten om met het gegeven van het huwelijk om te gaan. De trouw was uiteraard oprecht, maar omdat we op een of andere manier een publieke rol hebben, vonden we het interessant om er iets mee te doen. We wilden een tegengif voor de ernst van het feit dat we voortaan in de echt waren verbonden. We besloten geënsceneerde trouwfoto’s te laten maken door een dorpsfotograaf. We droegen onze trouwkleren, maar voor de rest was het een performatieve actie. We besloten de foto’s levensgroot te laten afdrukken. Op de kaders brachten we citaten over het huwelijk aan, zoals: ‘Men who have a pierced ear are better prepared for wedding. They’ve experienced pain and bought jewelry.’ Niet alleen de citaten, ook de foto’s waren grappig. Er was één foto waarop wij beiden heel oprecht lachen, een eerder intiem portret. Dat kiekje hebben we niet getoond. Het was een delicate grens tussen publiek en privé. In de Duinstraat presenteerde ik voor het eerst ook een textielwerk – een zeer groot gordijn met schematische figuren – en een rijsttafel met onze trouwschoenen erop. Ik kijk er enorm naar uit dat het volledige ensemble ooit in het buitenland wordt getoond, en bekeken door een publiek dat ons niet kent. Het zal dan minder over ons gaan, maar eerder over de vragen die het huwelijk oproept.

K.B.: Voor MOREpublishers maakte je in 2015 de multiple The Best Couples in the World (Like Salt and Pepper): een reeks prints van eigenaardige peper- en zoutvaten. Was de titel ook een knipoog naar je huwelijk?

N.A.: Neen, totaal niet. Ik vond het gewoon een passende titel. De uitgave zou worden gepresenteerd in het Brusselse restaurant Gramm, en ik kwam al snel tot de conclusie dat ik prints wilde maken van mijn verzameling peper- en zoutvaten. Het gaat om zeer excentrieke objecten die innig bij elkaar horen – een aap die bananen draagt, een grootmoeder en een schommelstoel, enzovoort. De editie bestaat uit 45 inkjetprints en een handgemaakte vitrine in een houten lijst. In Gramm werd elke twee weken een andere print in de vitrine gehangen, telkens wanneer het menu gewijzigd werd.

K.B.: Waarom maak je multipels?

N.A.: Het laat mij toe om een heel ander type werk te maken. Meestal komt de vraag van buitenaf – ook in het geval van The Best Couples in the World – en kan je beginnen na te denken over het beste antwoord. Een multipel komt sneller tot stand en kan aan democratische prijzen verkocht worden. Dat vind ik ook belangrijk. Kunstenaarsboeken of andere gedrukte uitgaven lanceer ik vooral zelf.

 

Dubbelgangers

K.B.: In 2014 exposeerde je voor het eerst in de Carl Freedman Gallery in Londen. Wie had het contact gelegd?

N.A.: Lilou Vidal had een goede relatie met Freedman. Het was op haar aangeven dat hij mijn atelier bezocht. We merkten meteen dat we op dezelfde golflengte zaten. In de herfst van 2014 bracht ik er de Lord Nelson’s Portrait Gallery. Ik was heel erg bezig met de problematiek van het alter ego en de dubbelganger. Ik besloot om Lord Nelson op te voeren als de verzamelaar van mijn schilderijen. Het idee was dat ik als Lord Nelson naar Londen zou reizen om een presentatie te verzorgen.

K.B.: De schilderijen die je in Londen exposeerde, hebben Duitse en Engelse titels, zoals Herr Dino – Ritter der Nacht, Mistress from the Shady Lady Ranck, Lord of the Forest – Ruler of the Trees en Frau Wolke Esser.

N.A.: Met elke titel werd het personage op het schilderij benoemd. Het ging immers allemaal om portretten. Voordien had ik individuele werken bij elkaar gebracht, maar nu had ik voor het eerst een hecht ensemble gemaakt. De werken hoorden bij elkaar en ik speelde via de titels met de verbanden tussen de panelen. Het zijn humoristische titels, en ook de klank ervan is belangrijk: Frau Blau, Sailor of the Sea – Lover of the Bottle

K.B.: Zou je dan stellen dat taal belangrijker voor je werd?

N.A.: Ja. Toen ik in 2011 begon te schilderen was ik voorzichtig met titels. Mijn werk moest zijn plaats nog vinden. Soms ging het ook om werktitels die pas na enige tijd definitief werden.

K.B.: Je eerste schilderijen hebben titels als De gekleurde tranen, Vriend uit de onderwereld, Al onze tranen, Zielzoekerij en Herr Einsam.

N.A.: Tussen 2011 en 2012 was ik meer met existentiële vraagstukken bezig. Dobbermans hoort in dat rijtje thuis. De naam van dat schilderij mag je letterlijk nemen: het gaat om een figuurtje dat op het water dobbert, overgeleverd aan externe krachten waarop het geen vat heeft. Het gaat ook om tobben. Toen ik het werk maakte en betitelde, kon of wou ik die uitleg nog niet verschaffen. Ik kon of wou de onderliggende thematiek niet expliciteren. Nu kan ik dat wel. Hoeveel zit er van mij in die schilderijen? Het is een vraag die me veel bezig heeft gehouden. Je gaat aan de slag op een houten paneel, je schuurt, kerft, vult op en schildert. Wat is er van jezelf als het werk af is? De werken kijken op een bepaalde manier ook terug. Hoe ga ik met die blik om?

K.B.: In de gezichten zijn vooral de ogen en de monden gearticuleerd, niet zozeer de neuzen of de oren. Ogen en monden zijn ook dominant in emoticons. Je geeft meteen de ‘emotionele’ toestand van de figuren weer: droef, blij, angstig, opgewonden of verbaasd.

N.A.: Ik heb niet aan emoticons gedacht, maar het klopt wel dat ogen en monden belangrijk zijn in mijn schilderijen. In de meeste gevallen gaat het echter om een eerste laag – de emotionele toestand is het eerste dat wordt opgeroepen – maar wat erachter zit is onbekend. Er blijft iets verborgen achter het oppervlak van die expliciete gezichten. De portretten die het meest verbergen vind ik het interessantst. Wat zit er achter de pruillip of de glimlach? Iets veel heftigers, denk ik. De suggestie van die ongemakkelijkheid vind ik heel bijzonder. Soms is het een klein detail dat de kijker op weg kan zetten. De accrochage kan ook betekenissen genereren. Het is heel boeiend om verbanden te zien tussen de werken.

K.B.: In 2014 werd je uitgenodigd om een solo te verwezenlijken in de Antwerpse Trampoline Gallery. In de expo Doppelgänger bracht je twee textielwerken (Hide and Seek) en bewerkte foto’s waarop je telkens een ander schilderij draagt. Die schilderijen waren eerst geëxposeerd in de Carl Freedman Gallery. Hoe was je op het idee gekomen om bestaand werk in te zetten voor het maken van nieuw werk?

N.A.: Die twee tentoonstellingen volgden heel snel op elkaar. Ik wist dat ik op die korte termijn geen twee shows met schilderijen kon realiseren. Toen ik de panelen had afgewerkt die naar Londen zouden worden verscheept, besloot ik om polaroids te laten maken, terwijl ik elk schilderij apart voor de lens toonde. Een van die foto’s wilde ik gebruiken als beeld voor de uitnodiging voor de expo in Londen. Ik hield elk schilderij als het ware als een schild voor mij. Ik koos een polaroid die ik scande en op de geprinte scan maakte ik een tekening. Rond en op mijn gezicht bracht ik krabbels aan. Ik vermomde me. Dat beeld is uitgestuurd als uitnodiging voor de expo in de Carl Freedman Gallery. Het resultaat beviel me enorm en snel rijpte het idee om alle polaroids op die manier te behandelen. Voor de expo in Trampoline besloot ik om sommige geprinte scans nog verder te bewerken. Ik beschilderde sommige, plakte er papieren op en bewerkte ze met punaises. De finale werken werden in zelfgemaakte houten kaders getoond. Dat waren de ‘dubbelgangers’. Ik koos er als het ware voor om mijzelf te klonen.

K.B.: Als maker ben je manifest aanwezig in Doppelgänger. Hebben andere kunstenaars je geïnspireerd?

N.A.: Allicht onbewust. Ik herinner me dat ik toen veel naar het werk van Dieter Roth keek. Hij zette zichzelf vaak weg in zijn werk, bijvoorbeeld wanneer hij samenwerkte met Arnulf Rainer. Roth heeft ook foto’s of zelfportretten overtekend. Ik ben geïnteresseerd in de wijze waarop een kunstenaar zichzelf afficheert. Tracey Emin deed dat in haar vroeg werk heel goed. Maar met Doppelgänger wilde ik vooral experimenteren met de relatie tussen mezelf en mijn werk. In hoeverre zijn die schilderijen zelfportretten? Daar was ik veel mee bezig. Hopelijk zie je in die werken ook een kunstenaar die letterlijk een standpunt inneemt.

 

Hundert Zundert

K.B.: Na je opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent (K.A.S.K.) in 2009, wilde je meteen als kunstenaar van start gaan. Heb je ooit overwogen om een kandidatuur in te dienen aan een postacademisch instituut, zoals het H.I.S.K. of de Rijksacademie?

N.A.: Neen! Ik heb altijd voluit gekozen voor het kunstenaarschap. Hoe ik me als kunstenaar staande kon houden, vond ik een zeer grote uitdaging.

K.B.: Je hebt ook slechts eenmaal een uitnodiging aangenomen om deel te nemen aan een residentie. In 2015 verbleef je drie maanden in Zundert in het kader van een uitwisselingsproject tussen AIR Antwerpen en het Vincent van Goghhuis.

N.A.: Het was een beetje een absurde situatie. Zundert, Van Goghs geboortedorp, ligt op een steenworp van Wortel, het dorp waar ik geboren ben. Ook de afstand tussen Zundert en mijn woonplaats Antwerpen is verwaarloosbaar. Ik besloot echter om mij volledig terug te trekken in dat Nederlandse dorp. Ik verbleef in de kleine kosterswoning, naast de kerk. Slechts sporadisch keerde ik terug naar Antwerpen. Het werd een intense ervaring: ik kwam haast niet meer buiten. Ik verbleef bovendien in een piepkleine gemeenschap waar ik niemand kende. Het was een bijzonder heftige tijd. Ik heb mezelf niet bijzonder verdiept in het werk van Van Gogh, maar misschien zat ik wel dichtbij zijn mentale toestand waarmee hij naast zijn schilderkunst beroemd is geworden.

K.B.: Je nam het concept van de residentie bijzonder letterlijk?

N.A.: Ik had alleen potloden, een balpen en papier en begon na een weekje als een razende te tekenen. Het was het enige wat ik kon doen: het maken van eenvoudige lijntekeningen. Ik voerde mezelf op in de tekeningen en liet mijn fantasie de vrije loop. Ik verscheen als La Cicciolina, als jodelaar in een Oostenrijks landschap, als sherpa in de bergen. Het was je reinste escapisme!

K.B.: Als je nu terugblikt op die periode…

N.A.: …ik wil niet terug, dat is duidelijk. Maar ik heb gemerkt dat je heel ver kan gaan met jezelf, en wat dat doet met je werk. Hoe zoek je dat op zonder jezelf te gronde te richten?

K.B.: Het valt op dat jij prominent aanwezig bent in de tekeningen, maar de moeilijke omstandigheden waarin ze tot stand kwamen, zijn nauwelijks afleesbaar. Mij frappeerde eerder de humor.

N.A.: Gelukkig! Zelf kan ik haast per tekening aangeven hoe ik me op dat moment voelde, maar het klopt dat ik me ook bediende van humor en zelfspot, om met de situatie om te kunnen gaan.

K.B.: Was het de eerste keer dat je zelfportretten maakte?

N.A.: Nee, eerder dat jaar had ik deelgenomen aan de groepstentoonstelling Me, Myself and I in Trampoline Gallery. Simon Delobel, de stuwende kracht achter de galerie, wilde kunstenaars uitdagen om zelfportretten te maken. Ik was altijd al geïntrigeerd door de manier waarop kunstenaars als Vaast en Fred Bervoets zichzelf weten neer te zetten met een minimum aan potloodlijnen. Ik droeg aan die expo enkele lijntekeningen bij. Toen ik enkele maanden later in Zundert arriveerde, kon ik terugvallen op het figuurtje dat ik had gemaakt. Dat was interessant. Met dat figuurtje kon ik van alles doen. Er was een nieuw speelveld.

K.B.: Nadat je in Doppelgänger jezelf en je panelen had opgevoerd, maakte je in Zundert ook tekeningen waarin niet alleen jijzelf voorkomt, maar eveneens schilderijen die je voorheen gemaakt had. Was je tot het besef gekomen dat je aan een oeuvre aan het sleutelen was?

N.A.: Inderdaad. In de meeste gevallen ging het om bestaande werken die ik uit het hoofd tekende. In andere maakte ik varianten, bijvoorbeeld van Dobbermans. Ik werd me bewust van een zekere herkenbaarheid van wat ik tot dan toe had gemaakt.

K.B.: De Zunderttekeningen werden getoond in Kiosk in Gent. Je presenteerde er ook schilderijen en textielwerken. Het was jouw eerste overzichtstentoonstelling, zij het een kleine. Waarom heette de expo Billenkoek?

N.A.: Ik vond het een mooi woord. Er was ook een verband met het campagnebeeld voor die tentoonstelling: een foto van mezelf als klein kind, genomen op een moment dat ik lastig deed en een tik verdiende. Billenkoek was ook een verwijzing naar de periode in Zundert. De residentie had aangevoeld als een straf. Ik zou de tentoonstelling in Kiosk echter niet omschrijven als een overzicht. Ik leende een tweetal werken van verzamelaars omdat het me interessant leek om die panelen te hangen naast de tekeningen waarin ze werden opgevoerd. Voor de rest bracht ik nieuw werk.

K.B.: Je exposeerde de tekeningen ook in Zundert zelf en er kwam een uitgave in de reeks Posture.

N.A.: In de kosterswoning was een kleine presentatieruimte. Ik maakte een keuze. In het Posture-boek bracht ik een selectie van honderd tekeningen.

K.B.: De Zundertresidentie is een unicum in je loopbaan. Je trok in de zomer van 2016 wel naar een vakantiehuis van je vriend Lieven Segers, de Casa Lina, op een top van een berg in Andaloesië. Je maakte er opnieuw veel lijntekeningen.

N.A.: Casa Lina is een fijne omgeving, waar zowel gewerkt als gefeest kan worden. Aan de tafel in het huis kan worden gegeten, gedronken én gewerkt. Het figuurtje dat in Zundert als het ware wegkwijnde, genoot ginds van het goede leven.

K.B.: Ook in de ‘Spaanse’ tekeningen duiken je schilderijen op. Een van je tekeningen lag aan de basis van een schilderij, Bon vivant uit 2017, dat je nog hetzelfde jaar in de Carl Freedman Gallery presenteerde, in de expo The Village Idiot.

N.A.: Die titel was opnieuw een verwijzing naar de residentie in Zundert. Het figuurtje in die tekeningen leek enigszins op een dorpsgek. De meeste schilderijen die ik in mijn Londense galerie presenteerde, gingen terug op de tekeningen, zowel de Zundertse als de Andaloesische. Nieuw was dat ik op doek schilderde, met olie- en acrylverf. Het zijn bovendien heel grote werken.

K.B.: Hoe was je tot die drastische beslissing gekomen?

N.A.: Eerder had ik besloten om de tekeningen die ik in Zundert gemaakt had te scannen en prints van die scans in te kleuren met potloden. Het was een heel vlot werkproces en toen ik naar die ingekleurde tekeningen keek, zag ik plots de potentie van wat voor me lag. Op dat moment besliste ik om sommige tekeningen als basis te nemen voor grote schilderijen. Het was een eurekamoment.

K.B.: Hoe ging je te werk?

N.A.: Nogal rechttoe rechtaan: eerst deed ik enkele testen en daarna maakte ik werken op kleiner formaat. Vervolgens prepareerde ik de grote doeken. Ik bracht met een potlood de basisstructuur van het schilderij aan en begon losjes te schilderen. Ik werkte relatief snel. Al was er vooral veel twijfel.

K.B.: Zeven jaar geleden vertelde je meerdere malen dat je zeer traag werkte. Hout is een moeizaam te bewerken materiaal, zei je.

N.A.: De moeizaamheid waarmee mijn kunstwerken tot stand komen is in het algemeen niet veranderd. Vooral het maken van tentoonstellingen gaat sneller. Ik weet nu beter wat ik kan doen, maar ik wil natuurlijk niet doen wat ik al weet. Elk medium dwingt een ander ritme af. Sommige schilderijen maak ik in een dag of twee. Aan andere werk ik gedurende jaren.

 

Ontmaskerd Maske

K.B.: In 2017 zette je een eerste grote overzichtstentoonstelling op in De Warande in Turnhout.

N.A.: Aanvankelijk werd me slechts een deel van de totale ruimte van het Cultureel Centrum aangeboden. Het was de bedoeling dat er twee shows tegelijk zouden plaatsvinden, een in de bovenste en een in de onderste ruimte. Ik heb voorgesteld om één expo te maken in de twee ruimten. Annelies Nagels en Glenn Geerinck van De Warande reageerden positief, maar onmiddellijk daarna werd ik overmand door koudwatervrees. De tentoonstellingszaal is geen makkelijke ruimte. De eerste ruimte is vrij laag en wordt gedomineerd door betonnen zuilen; de bovenste en onderste ruimte zijn langs beide kanten verbonden door trappartijen. In plaats van één project te brengen, zoals Doppelgänger of The Village Idiot, besloot ik een parcours te maken met zowel oude als recentere werken. Vele daarvan waren slechts eenmaal en soms niet langer dan een avond of een weekend getoond, zoals de huwelijksfoto’s in de Duinstraat of Lord Nelson FW17, mijn jeansvestcollectie die gedurende twee dagen in november 2017 te zien was in Casstl in Antwerpen. Ook mijn super 8-films waren nog niet vaak gepresenteerd. Voor mij hebben al die werken dezelfde status: ik maak geen onderscheid tussen zogenaamd belangrijke en minder belangrijke werken.

K.B.: De titel van de expo was Ontmaskerd Maske.

N.A.: Met ‘maske’ wordt in het Turnhouts dialect ‘meisje’ bedoeld. De titel was site specific: mocht de expo in Gent hebben plaatsgevonden, dan had ik een andere naam gekozen. Ik wou ook het masker laten vallen en voluit tonen wat ik tot dan toe gedaan had.

K.B.: ‘Maske’ is de Duitse term voor ‘gemaskerde’. Je kan de titel ook lezen als ‘Ontmaskerd Gemaskerde’.

N.A.: Het masker is zonder meer de grootste gemene deler van die expo. In de bovenste ruimte maakte ik met katoenen doeken een ruimte om mijn super 8-films te tonen, met kleine kijkgaten in de doeken. Vanuit die afgesloten ruimte kon je dus de rest van de expositiezaal bespieden, of omgekeerd. Alle andere werken die te maken hebben met het masker, de dubbelganger en het alter ego werden in De Warande verzameld. Laat ik iets zien of niet? Dat was de vraag die centraal stond. Waar heb ik de hand in en waar neemt het werk het over? Een masker kan je aanwenden om je te beschermen of je af te zonderen. Van een masker kan je je ook bedienen om iets te doen wat moed vergt, om andere wegen te bewandelen.

K.B.: Het masker kan een middel zijn om te komen tot introspectie, maar ook om ongehinderd naar anderen te kijken.

N.A.: Ja. Mijn eerste maskerwerk, een kunstenaarsboek dat ik in 2012 realiseerde, was niet toevallig Looking in Looking out getiteld. Het ging om zeventig kleurenpagina’s waarin handmatig telkens twee ogen en een mond uitgesneden waren. Ook de Hide and Seek-werken, werken in textiel met kijkgaten, zijn een voorbeeld. In die werken zie je de benen van de personen achter de katoenen doeken, maar je kan onmogelijk uitmaken naar wie of wat ze kijken.

K.B.: In De Warande exposeerde je veel schilderijen, waaronder The Pink Studio – een groot schilderij op canvas waarop je jezelf portretteert terwijl je aan het schilderen bent.

N.A.: The Pink Studio is een subtiele verwijzing naar een schilderij van Henri Matisse. Hij schilderde zijn atelier waarin enkele van zijn werken te zien waren. Ik vind het een bijzonder mooi doek.

K.B.: In jouw Pink Studio hangt een schilderij aan de muur en op de ezel staat een doek of een paneel waaraan je nog aan het werken bent. Interessant is dat deze schilderijen niet bestaan.

N.A.: Het waren onaffe werken – werken die de toeschouwer nooit gezien kon hebben. Doordat ze onaf waren, werd het effect versterkt dat de ruimte een atelier is.

K.B.: De spanning tussen de kunstenaar en haar werken is interessant. De werken herken je onmiddellijk. Het gelaat van de kunstenaar is donkerbruin geschilderd. Je hebt er blijkbaar alle vertrouwen in dat de toeschouwer je werken zal herkennen en dat jij geïdentificeerd zal worden als de maker, zonder dat je lijkt op de vermomde figuur op het doek.

N.A.: Net zoals in Doppelgänger was het me erom te doen dat ik niet volledig samenviel met de figuur die werd afgebeeld.

K.B.: Stel dat je hetzelfde werk zou gemaakt hebben zonder de twee werken – het afgewerkte doek aan de muur en het werk op de ezel. Niemand zou dan op het idee kunnen komen dat het een zelfportret is. Zelfs als het gelaat niet bruin zou zijn geschilderd, lijk je niet op het geschilderde personage.

N.A.: Inderdaad.

K.B.: Wat je na The Pink Studio ondernam, was enigszins onverwacht. Je keerde terug naar de beeldtaal van je oude werken, waarvan je ondertussen wist dat ze zeer herkenbaar zijn.

N.A.: Ik had geen afstand genomen van die beeldtaal. Ik had gewoon een ander project geïnitieerd en nieuwe schilderkunstige stappen gezet. Je ontwikkelt ook niet een-twee-drie een ‘nieuwe taal’. Je sukkelt van beeld naar beeld. Ik kan de aandrang voelen om terug te keren naar iets dat verworven is. Het boezemt vertrouwen in en je kan vervolgens proberen nieuwe wegen in te slaan.

K.B.: Het werk Einsame Nächte dateert van 2018, maar had evengoed het schilderij kunnen zijn dat in The Pink Studio (2017) op de ezel staat.

N.A.: Einsame Nächte heb ik gemaakt in een periode waarin ik met twijfels kampte. Ik wist het even niet goed. Op dat soort momenten kan ik besluiten om terug te keren naar een iconografie die ik beheers. De materialiteit van dat schilderij is wel anders dan die van alle voorgaande werken. Om die reden besloot ik om het werk publiek te maken.

K.B.: Vermits je in De Warande grondig terugblikt op het werk dat je tot dan toe had gemaakt, ligt de vraag voor de hand wat voor jou de betekenis is van een ‘oeuvre’.

N.A.: Met een ‘oeuvre’ komt een grote verantwoordelijkheid kijken. Ik stelde mezelf en het idee van het oeuvre in vraag door op een speelse manier mezelf en mijn werk af te beelden of te herhalen en het zo dus beter te leren kennen. Ik bevroeg in de Warande de relaties tussen de werken die ik tussen 2009 en 2017 had gerealiseerd. Het is voor mij interessant – en hopelijk voor een toeschouwer ook – om te zien wat de relatie is tussen een film als Tribune Sculptuur en een werk als The Pink Studio. Beide thematiseren de positie of de representatie van de kunstenaar en haar publiek.

K.B.: Naar aanleiding van de expo realiseerde je niet één maar twee kunstenaarsboekjes. Waarom twee?

N.A.: De eerste publicatie met kleurenfoto’s was beschikbaar tijdens de opening in De Warande. De uitgave bestond voornamelijk uit foto’s van werken, beelden van de opbouw en enkele installatieshots. De tweede publicatie maakte ik in de loop van de expositie. Dat boekje omvat enkel zwart-witfoto’s van de tentoonstelling. Ik bezocht mijn show opnieuw en maakte foto’s.

K.B.: Die twee boekjes verleiden me tot de gedachte dat jij je oeuvre eindeloos lijkt te herschikken of permanent lijkt te bevragen, zoals je net zelf zei.

N.A.: Ja, ik kan me vinden in die stelling.

K.B.: Je zet de werken weliswaar vast, maar het gaat telkens om een tijdelijke ordening.

N.A.: Ik probeer inderdaad steeds weer op nieuwe of andere manieren naar mijn werken te kijken. Om die reden keer ik ook altijd terug naar het tekenen – naar oudere beelden die ik kan herhalen, vervormen en bewerken.

K.B.: Opvallend in het tweede zwart-witboekje is de meedogenloze – haast sadistische – blik op je eigen kunst. Sommige werken zijn slechts voor een deel gefotografeerd. Andere werken verbergen andere. De kadrering lijkt nooit bestudeerd en is eerder wild. Een filmstill is vaag, de belichting onverzorgd. Ook van sommige schilderijen worden enkel fragmenten getoond.

N.A.: Ik wou mijn werk en de tentoonstelling in De Warande allerminst celebreren. Ik had weliswaar een eerste soort van retrospectieve gerealiseerd, maar ik wou dat niet benadrukken. Ik wou een losse omgang met de expo ontwikkelen. Dat is één verklaring. De registratie van de expo maakt echter evenzeer deel uit van mijn praktijk. In mijn atelier maak ik soms ook dergelijke foto’s. Het is een manier om nieuwe beelden te maken. Tijdens de finissage realiseerde ik bovendien een derde fotoalbum, een uniek exemplaar, met pagina’s met telkens twee foto’s, de ene boven de andere, om nieuwe verbanden aan te tonen.

K.B.: Van mei tot juni 2018, iets meer dan twee maanden na het einde van je expo in De Warande, stelde je solo tentoon in de Plus-One Gallery in Antwerpen. Was de retrospectieve voor de galerist, Jason Poirier dit Caulier, de aanleiding om je een solo aan te bieden?

N.A.: Dat vraag je misschien best aan hem. Hij had me eerder reeds gevraagd om mee te doen aan een groepstentoonstelling. Hij bezocht mijn expo in Turnhout, maar of dat doorslaggevend was, dat weet ik niet.

K.B.: In Plus-One toonde je – ik meen voor het eerst – werken waaraan je begonnen was in 2011, 2012 of 2013 en die om een of andere reden niet gefinaliseerd waren. Ze kregen bijgevolg twee data, bijvoorbeeld Boegbeeld reizer (2) 2012-2018.

N.A.: Na mijn expo in De Warande keerde ik met veel vragen terug in het atelier. Wat doe ik nu? Ik zag oudere panelen waarover ik ontevreden was gebleven. Na al die jaren kon ik ze met een frisse blik bekijken. Ik besloot ze te bewerken en af te maken. Het ging opnieuw om heroverwegen, herwerken en toevoegen. In 2011, 2012 en 2013 was ik blijkbaar niet in staat om te zien waarom de werken niet functioneerden. Dat vind ik een interessante vaststelling.

K.B.: Beschik je over nog meer oudere werken die je op termijn onder handen wil nemen?

N.A.: Ja, ik heb een voorraadje mislukte werken. Het is heel frustrerend dat een schilderij waaraan je lange tijd gewerkt hebt niet voltooid kan worden, maar jaren later kan je een oplossing vinden voor iets dat hopeloos verloren leek. De houten panelen lenen zich goed tot dat soort acties. Je kan er grof mee omgaan. Je kan een laag wegschrapen en weer verder gaan.

K.B.: Zijn er oudere werken die indertijd verhandeld werden waarover je nu minder enthousiast bent?

N.A.: Ja, inderdaad, en dat is heel vervelend. Ik kon ze niet lang genoeg in het atelier houden om tot een goed oordeel te komen.

K.B.: Heb je overwogen om die werken terug te kopen?

N.A.: Ik denk er soms over na, maar ik heb geen concrete stappen gezet. Het gaat trouwens niet alleen over schilderijen die ik opnieuw onder handen zou willen nemen. Sommige stukken zou ik gewoon graag terug bij mij willen hebben. Ik heb spijt dat ik een aantal werken niet heb kunnen bijhouden.

K.B.: Heb je, in dat verband, iets geleerd van de galeristen met wie je tot op heden gewerkt hebt?

N.A.: Met sommige galeristen, zoals Simon Delobel, heb ik een groeiproces doorgemaakt. We hebben elkaar gestimuleerd. Carl Freedman oefent zijn beroep al een hele poos uit. Hij en zijn medewerkers komen steeds met zeer concrete voorstellen of wensen. Ik heb van alle galeristen vooral geleerd dat ik de controle niet mag verliezen. Ik moet weten hoe er met mijn werken wordt omgegaan. Ik moet weten waar ze zijn en hoe ze worden getoond, ook als het om een kunstbeurs gaat. Er kan zoveel misgaan.

 

Münster, Lingen, Leuven

K.B.: In 2019 realiseerde je drie ambitieuze solotentoonstellingen: in de Kunsthalle Lingen, in het Westfälischer Kunstverein in Münster, en in Museum M in Leuven. In hoeverre verschilden die solo’s van de retrospectieve in De Warande?

N.A.: Kristina Scepanski, directrice van het Westfälischer Kunstverein, en Meike Behm, directrice van de Kunsthalle Lingen, hadden een bezoek gebracht aan Checkered Checkmate, mijn expo in Plus-One Gallery. Meteen daarna nodigden ze me uit om zowel in Lingen als in Münster een presentatie te verzorgen. Ik had minder dan een jaar tijd om deze twee exposities te maken. Ze zouden op hetzelfde moment de deuren openen. Het was gekkenwerk. Het Westfälischer Kunstverein is een klassieke white cube. Voor die ruimte maakte ik een nieuw coherent project, Haus der Wanderer. Ik presenteerde vooral schilderijen. Daarnaast vervaardigde ik een set krukjes die met stof bekleed waren. De motieven van de bekleding gingen terug op mijn schilderijen, tekeningen en collages. De expo in de Kunsthalle Lingen, Der Schlangenbeschwörer, vatte ik min of meer op als een tweede versie van de expo in Turnhout. Hier kon de bezoeker een breder beeld krijgen van mijn oeuvre. De Kunsthalle Lingen is een voormalige opslagplaats voor treinen. Het was een enorme uitdaging om die hangar naar mijn hand te zetten. Met een groot podium en een tunnel, bekleed met baalkatoen, kwam ik tot een aardige indeling van de ruimte. Ik ontleende ook de met katoen beklede banken die ik destijds had ontworpen voor De Warande. Mijn super 8-films toonde ik onder en op het podium. Verder bracht ik onder meer de reeks Doppelgänger, The Best Couples in the World (Like Salt and Pepper), grote prints van collages, de Casa Lina-tekeningen en schilderijen op panelen en canvas.

K.B.: Kan je toelichting geven bij de twee titels?

N.A.: Met Der Schlangenbeschwörer wilde ik het kunstenaarschap thematiseren. De kunstenaar poogt datgene te bezweren wat zich haast niet laat temmen. Ik maakte een film waarmee ik de verbinding wilde leggen tussen de twee nabijgelegen steden, Münster en Lingen. In de film Die Schlangenbeschwörerin visits the Westfälischer Kunstverein bezocht ik de exporuimte. Ik droeg een enorm groot masker dat enigszins de vorm had van het hoofd op mijn eerste schilderij, Op kop! Met Haus der Wanderer wilde ik aangeven dat ik de ruimte had opgevat als een huis waarin niet alleen de bezoekers maar ook de schilderijen ‘dolen’. De bezoekers konden uitrusten op krukjes. In een kleinere ruimte in het Kunstverein presenteerde ik collages en tekeningen. Het was een meer klassieke expo. Enkele van de schilderijen heb ik nadien in The Waddle Show; a counteract in Museum M tentoongesteld.

K.B.: In Leuven kreeg je slechts één ruimte ter beschikking. Wat is het idee achter The Waddle Show; a counteract?

N.A.: Deels werkte ik verder op het thema van de slangenbezweerder. Ik liet een muur maken die de ruimte afsluit. De toeschouwer kan slechts toegang krijgen tot de expo langs een deur waarvan de vorm teruggaat op een collage van de slangenbezweerder. In de ruimte maakte ik een slangvormig podium waarop ik mijn Waddle Works presenteer, stapelingen van curieuze voorwerpen die ik reeds lang verzamel.

K.B.: Hoe kwam je op het idee om de Waddle Works in Leuven te tonen?

N.A.: Een terugkerend thema in mijn gesprekken met Valerie Verhack, de curator, was het podium dat ik in Lingen gemaakt had en het mogelijk ook theatraal karakter van mijn werk. We kwamen tot het idee dat de slangvormige sokkel de bühne is, dat de stapelingen de acteurs zijn en dat de schilderijen die aan weerszijden hangen de toeschouwers zijn. Het was een gok om de stapelingen voor het eerst te tonen: ik wist niet hoe het zou uitpakken, maar ik ben zeer blij dat ik het risico heb genomen.

K.B.: Op 16 november 2019 gaf je in de exporuimte in M een performance. Je las poëtische teksten over elke sculptuur terwijl films werden afgespeeld waarin de totstandkoming van elk Waddle Work in beeld is gebracht. Voorafgaand aan de performance gaf je een toelichting bij de sculpturen. Je zei onder meer dat de werken ook kunnen worden bekeken in het verlengde van One with the Medicine Man, een installatie die je op het einde van 2009 maakte in Pocketroom in Antwerpen. Er is inderdaad een formeel verband, want ginds maakte je een werk door houten planken op elkaar te stapelen. Ook in Croxhapox in Gent had je reeds veelkleurige kubusjes op elkaar gestapeld. Wat is voor jou de betekenis van ‘stapelen’?

N.A.: De moeilijke verhouding tussen objecten die op elkaar terechtkomen, is iets wat me interesseert, net als het ontstaansmoment van een werk en het performatief karakter daarvan. Het gaat om evenwichtsoefeningen die faliekant kunnen aflopen. De risico’s die daarbij komen kijken, vind ik boeiend. Instortingsgevaar is ronduit fascinerend. In mijn praktijk bouw ik steeds maar verder. Komt er een moment dat alles in elkaar stuikt?

K.B.: In de filmpjes is steeds een hand en een arm te zien, terwijl je het ene object op het andere stapelt. Je hand en arm zijn beschilderd, wat mogelijk een verwijzing is naar de super 8-film Untitled (purple, blue, black) (2008) die je in het laatste jaar van je opleiding aan het K.A.S.K. maakte. Met verf besmeurde handen spelen de hoofdrol.

N.A.: Schilderkunst is al lang aanwezig in mijn werk. Voor de filmpjes over de Waddle Works boden de beschilderde handen en armen houvast. Zo voelde dat aan. Het gaf het geheel een meer geënsceneerde aanblik.

K.B.: De teksten die je in M voorlas, kondigde je aan als cadavres exquis – gedichten waaraan meerdere auteurs meewerken zonder dat elke auteur weet wat de anderen schreven. De teksten bij de Waddle Works zijn toch enkel door jou geschreven?

N.A.: Dat klopt. Ik zie die teksten ook als stapelingen. Je bouwt steeds verder op het laatste woord van de vorige zin. Ik heb met Valerie ook enkele cadavres exquis gemaakt. Ze zijn gepubliceerd in Metropolis M. Het was interessant om op die manier een dialoog aan te gaan met een curator. De onvoorspelbaarheid is spannend.

K.B.: Naar aanleiding van de tentoonstelling in M werd ook het lijvige boek The Wanderer Paintings uitgebracht. Hoe kwam dat boek tot stand?

N.A.: Ik heb zelf een paar jaar geleden het initiatief genomen. Ik publiceer al jaren kunstenaarsuitgaven waarin een project of idee wordt ontwikkeld. De schilderijen waren nog niet aan bod gekomen.

K.B.: Waarom heeft het boek een andere titel dan de expo in Leuven?

N.A.: De show in Leuven bood een kader om het boek uit te brengen, maar beide staan los van elkaar. Ik voelde de noodzaak om alle schilderijen bij elkaar te brengen in een publicatie.

K.B.: Waarom?

N.A.: Door te focussen op de schilderijen maak ik de rest van mijn oeuvre eraan ondergeschikt. Ik vind dat interessant, want in mijn praktijk is dat niet het geval. Ik zie alle werken als gelijkwaardig, maar voor dit boek experimenteerde ik ermee om alles in het teken te stellen van de schilderijen. De andere werken zijn in zwart-wit en op postzegelformaat afgebeeld. Door het boek te maken heb ik heel wat nieuwe verbanden ontdekt.

K.B.: Met de titel verwijs je naar de expo in het Westfälischer Kunstverein?

N.A.: Ik verwijs naar de titel van die tentoonstelling, dat klopt. Mijn schilderijen nemen zoekende figuren tot onderwerp, dolenden en dwalers. Ze hebben allemaal een op het randje af getormenteerd karakter. De werken zijn gemaakt door iemand die tevens zoekende is. Hopelijk neemt de toeschouwer ook die rol op – ‘vol goede moed bergafwaarts’, om de titel van de tekst van Dominic van den Boogerd in The Wanderer Paintings te citeren.

K.B.: Het boek omvat een heuse catalogue raisonné van de schilderijen. Op die manier fixeer je je schilderkunstige oeuvre.

N.A.: Het maakproces was heel spannend. Voortdurend wisselde ik het ene voor het andere standpunt in: enkel een selectie van schilderijen of meteen alle schilderijen? Op een gegeven moment heb ik de knoop doorgehakt. Nu het boek uit is, heb ik niet het gevoel dat alles is verteld. Nu overheerst het geruststellende gevoel dat ik goed gezorgd heb voor mijn werk. Op naar het volgende!

K.B.: Je gaf reeds aan dat je over enkele schilderijen minder tevreden bent, terwijl ze ondertussen verhandeld zijn. Hoe ging je met die werken om bij het maken van het overzichtswerk?

N.A.: Voor alle duidelijkheid: ik ben slechts over een paar werken minder tevreden. Ik had vals kunnen spelen en die werken kunnen bannen, maar zo zit ik niet in elkaar. Ik vind het juist interessant dat in de catalogue raisonné, in zwart-wit gedrukt, alle werken zijn opgenomen. Het boek opent echter met mijn keuze van de schilderijen. Die sectie is niet chronologisch en de foto’s zijn in kleur. De enkele werken waar ik niet zo blij meer mee ben, zal je niet in dat deel terugvinden.

K.B.: In M hangt een klein schilderijtje dat je in 2010 schilderde, terwijl het eerste paneel in de catalogue raisonné de datum 2011 draagt. Waarom is het schilderijtje niet opgenomen in het overzicht?

N.A.: Het is een van mijn eerste schilderijen. Het gaat om een figuurtje dat verzuipt in zijn eigen glas. De beeldtaal is volledig verschillend van de werken die ik vanaf Op kop! (2011) maakte. Ik koester dat werkje, maar ik zie het vooral als een einzelgänger. Om die reden is het niet in de sectie met de schilderijen opgenomen, maar wel in het deel met de andersoortige werken.

K.B.: Een werk dat je in 2014 tentoonstelde in de Lord Nelson-expo in de Carl Freedman Gallery heb ik niet kunnen terugvinden in de catalogue raisonné, namelijk Queen of the Purple Dead (2014).

N.A.: Dat klopt. Nadat het werk terugkeerde uit Londen is het in mijn atelier beland. Ik heb het nooit nog tentoongesteld. Ik beschouw het als een minder gelukt werk.

K.B.: Misschien keert het ooit terug in een andere gedaante?

N.A.: Wie weet!

K.B.: Is er met de publicatie van het boek iets afgesloten?

N.A.: Dat denk ik niet, ik werk gewoon verder. In Museum M heb ik meerdere werken geaccrocheerd die tot stand zijn gekomen nadat de maquette van het boek beëindigd was. Het uitgaveproject heeft me niet gehinderd om nieuwe panelen te maken. Ik ben dus al aan het volgende hoofdstuk begonnen.

 

Noot

[1] Voor meer informatie over Un-Scene II en de werken die Nel Aerts aan deze expo bijdroeg, zie: Koen Brams en Dirk Pültau, ‘‘Met ringen eindeloos regelmatig als kringen in het water’. Het begin van het kunstenaarschap: een gesprek met Nel Aerts’, De Witte Raaf, nr. 161, 2013.

 

De titel van het interview werd ontleend aan twee verzen die Nel Aerts schreef bij een van de Waddle Works. Beelden: Nel Aerts, PLUS-ONE Gallery, Antwerpen en Carl Freedman Gallery, Margate.

 

The Waddle Show; a counteract loopt nog tot 15 maart 2020 in Museum M, Leopold Vanderkelenstraat 28, 3000 Leuven.

‘De toon is gezet, de toren is gevallen/Gevallen in de komische zwaarte van ons kort bestaan’

Peper en zout

Koen Brams: In 2017 had je een eerste grote overzichtstentoonstelling, en in 2019 maakte je drie grote solo’s. In 2013 kreeg je voor het eerst kansen om je werk in het buitenland te presenteren. Hoe zijn de contacten toen met Kunstraum (Londen), de Frankendael Foundation (Amsterdam) en de Kunsthalle Charlottenborg (Kopenhagen) tot stand gekomen?

Nel Aerts: In de zomer van 2012 nam ik deel aan de groepstentoonstelling Un-Scene II in Wiels. Mijn bijdrage werd volgens mij goed ontvangen. Heel wat buitenlandse curatoren, critici en galeristen bezochten de expositie, onder wie Jakob Fabricius, de toenmalige directeur van Kunsthalle Charlottenborg. Ik denk dat Elena Filipovic, die samen met Anne-Claire Schmitz cocurator was van Un-Scene II, over mijn werk in gesprek was met Lilou Vidal en Barbara Cuglietta, de drijvende krachten achter de Brusselse galerie VidalCuglietta. Zij boden me aan, redelijk snel na Un-Scene II, om een expo te realiseren. Met Thomas Cuckle, de curator van Kunstraum, maakte ik kennis in VidalCuglietta toen hij enkele werken kwam uitzoeken voor de groepstentoonstelling Definitional Disruptions. Hij weerhield drie schilderijen en de super 8-film Tribune Sculptuur en nam ze mee naar Londen.[1]

K.B.: Wat stelde je tentoon in de Kunsthalle Charlottenborg?

N.A.: Jakob Fabricius, met wie ik nog steeds een goed contact heb, benaderde me in 2013 om deel te nemen aan het project Post, een reeks maandelijkse solotentoonstellingen. Kunstenaars werden gevraagd om hun werk per post te bezorgen, samen met de opstelbeschrijvingen van de stukken. Ik verzond enkele schilderijen en meerdere exemplaren van een multipel – een wassen afgietsel van een hand die met een rechthoekige metalen ‘arm’ aan de muur werd bevestigd. De mal van de hand had ik gemaakt van het object dat deel uitmaakte van de installatie in Wiels. De wassen handen hadden een wiek en konden worden aangestoken. Op een tafel lagen papieren – kopieën van een tekening van mij met het onderschrift ‘Your humble servant’, tevens de titel van mijn presentatie. De bezoekers konden op de papieren een boodschap schrijven om me met zegel toe te sturen.

K.B.: Welke schilderijen zond je in?

N.A.: Het waren de eerste houten panelen die ik in 2011 vervaardigd had: Op kop! en Vriend. Aan dat duo voegde ik een recenter werk toe: Zielzoekerij (2012).

K.B.: In hetzelfde jaar dat je Op kop! vervaardigde – 2011 – schilderde je Boegbeeld reizer (2011-2012), een haast identiek werk. Je wist dus van bij het begin dat je met Op kop! een eigen beeldtaal tot ontwikkeling had gebracht?

N.A.: Ja, en die taal is nog steeds niet dood. Beide werken zijn niet volledig identiek: ik maak nooit helemaal hetzelfde werk. Vanaf het moment dat ik begon te schilderen keerde ik terug naar beelden die ik eerder maakte. Het is een manier om iets verder uit te zoeken. Door aan meerdere werken tegelijk te sleutelen is herhaling in mijn praktijk onvermijdelijk.

K.B.: Wat hield het project voor de Frankendael Foundation in?

N.A.: Het pand van de Frankendael Foundation is een beetje een maffe plek. Het is het enig overgebleven zeventiende-eeuwse buitengoed van Amsterdam. Ik koos voor een heel klassieke presentatie. Het was de eerste keer dat ik mijn collages toonde, in combinatie met enkele nieuwe schilderijen en Say Something, twee animatiefilmpjes die op twee naast elkaar staande televisiemonitoren werden afgespeeld. Say Something – filmpjes waarin een cartoonesk figuur wordt uitgedaagd om te spreken – had ik oorspronkelijk gemaakt voor de website Le Salon, waarbij Valerie Verhack betrokken was. Ik heb ook De averechtse val kunnen vervaardigen, een kunstenaarsboekje waarin ik voor het eerst mijn collages samenbracht.

K.B.: De averechtse val werd mede mogelijk gemaakt door je Brusselse galerie?

N.A.: VidalCuglietta heeft financieel bijgedragen, dat klopt. Het was de derde uitgave van Lord Nelson, mijn eigen label.

K.B.: Hoe kwam je op die naam?

N.A.: Het was belangrijk dat ‘Nel’ erin voorkwam. Met ‘Lord’ wilde ik mijn voornaam kracht bijzetten. Die genderswitch vond ik ook interessant. Lord Nelson is mijn mannelijk alter ego. Ik heb die keuze relatief snel gemaakt.

K.B.: Toen ik het interview herlas dat Dirk Pültau en ik in 2012 van je afnamen en vervolgens je curriculum vitae tot op heden doornam, viel het me op dat je inderdaad soms impulsieve keuzes maakt.

N.A.: Ja. Ik ga vaak intuïtief en spontaan te werk. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Ik neem risico’s en doe dingen waarvan ik de uitkomst nog niet ken. Als ik te voorzichtig ben, lukt me dat niet altijd.

K.B.: Je neemt de kans op incoherentie op de koop toe?

N.A.: Ik voel af en toe dat ik mijn instinct moet volgen en moet springen. Dat kwetsbare is belangrijk. Op sommige momenten doe ik dat niet en dan besef ik na verloop van tijd dat ik me op platgetreden paden bevind. Een kunstenaarspraktijk moet voor mij niet noodzakelijk coherent zijn.

K.B.: In 2013 trad je in het huwelijk met Vaast Colson. Naar aanleiding hiervan organiseerden jullie een expo in de Duinstraat in Antwerpen, met als ironische titel Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Het lijkt een ander voorbeeld van een gewaagd experiment. Waarom besloten jullie aan die in wezen intieme gebeurtenis een artistiek en publiek karakter te geven?

N.A.: Het was inderdaad een gok. Maar dat is kiezen voor iemand en trouwen ook. Ik denk dat we een manier zochten om met het gegeven van het huwelijk om te gaan. De trouw was uiteraard oprecht, maar omdat we op een of andere manier een publieke rol hebben, vonden we het interessant om er iets mee te doen. We wilden een tegengif voor de ernst van het feit dat we voortaan in de echt waren verbonden. We besloten geënsceneerde trouwfoto’s te laten maken door een dorpsfotograaf. We droegen onze trouwkleren, maar voor de rest was het een performatieve actie. We besloten de foto’s levensgroot te laten afdrukken. Op de kaders brachten we citaten over het huwelijk aan, zoals: ‘Men who have a pierced ear are better prepared for wedding. They’ve experienced pain and bought jewelry.’ Niet alleen de citaten, ook de foto’s waren grappig. Er was één foto waarop wij beiden heel oprecht lachen, een eerder intiem portret. Dat kiekje hebben we niet getoond. Het was een delicate grens tussen publiek en privé. In de Duinstraat presenteerde ik voor het eerst ook een textielwerk – een zeer groot gordijn met schematische figuren – en een rijsttafel met onze trouwschoenen erop. Ik kijk er enorm naar uit dat het volledige ensemble ooit in het buitenland wordt getoond, en bekeken door een publiek dat ons niet kent. Het zal dan minder over ons gaan, maar eerder over de vragen die het huwelijk oproept.

K.B.: Voor MOREpublishers maakte je in 2015 de multiple The Best Couples in the World (Like Salt and Pepper): een reeks prints van eigenaardige peper- en zoutvaten. Was de titel ook een knipoog naar je huwelijk?

N.A.: Neen, totaal niet. Ik vond het gewoon een passende titel. De uitgave zou worden gepresenteerd in het Brusselse restaurant Gramm, en ik kwam al snel tot de conclusie dat ik prints wilde maken van mijn verzameling peper- en zoutvaten. Het gaat om zeer excentrieke objecten die innig bij elkaar horen – een aap die bananen draagt, een grootmoeder en een schommelstoel, enzovoort. De editie bestaat uit 45 inkjetprints en een handgemaakte vitrine in een houten lijst. In Gramm werd elke twee weken een andere print in de vitrine gehangen, telkens wanneer het menu gewijzigd werd.

K.B.: Waarom maak je multipels?

N.A.: Het laat mij toe om een heel ander type werk te maken. Meestal komt de vraag van buitenaf – ook in het geval van The Best Couples in the World – en kan je beginnen na te denken over het beste antwoord. Een multipel komt sneller tot stand en kan aan democratische prijzen verkocht worden. Dat vind ik ook belangrijk. Kunstenaarsboeken of andere gedrukte uitgaven lanceer ik vooral zelf.

 

Dubbelgangers

K.B.: In 2014 exposeerde je voor het eerst in de Carl Freedman Gallery in Londen. Wie had het contact gelegd?

N.A.: Lilou Vidal had een goede relatie met Freedman. Het was op haar aangeven dat hij mijn atelier bezocht. We merkten meteen dat we op dezelfde golflengte zaten. In de herfst van 2014 bracht ik er de Lord Nelson’s Portrait Gallery. Ik was heel erg bezig met de problematiek van het alter ego en de dubbelganger. Ik besloot om Lord Nelson op te voeren als de verzamelaar van mijn schilderijen. Het idee was dat ik als Lord Nelson naar Londen zou reizen om een presentatie te verzorgen.

K.B.: De schilderijen die je in Londen exposeerde, hebben Duitse en Engelse titels, zoals Herr Dino – Ritter der Nacht, Mistress from the Shady Lady Ranck, Lord of the Forest – Ruler of the Trees en Frau Wolke Esser.

N.A.: Met elke titel werd het personage op het schilderij benoemd. Het ging immers allemaal om portretten. Voordien had ik individuele werken bij elkaar gebracht, maar nu had ik voor het eerst een hecht ensemble gemaakt. De werken hoorden bij elkaar en ik speelde via de titels met de verbanden tussen de panelen. Het zijn humoristische titels, en ook de klank ervan is belangrijk: Frau Blau, Sailor of the Sea – Lover of the Bottle

K.B.: Zou je dan stellen dat taal belangrijker voor je werd?

N.A.: Ja. Toen ik in 2011 begon te schilderen was ik voorzichtig met titels. Mijn werk moest zijn plaats nog vinden. Soms ging het ook om werktitels die pas na enige tijd definitief werden.

K.B.: Je eerste schilderijen hebben titels als De gekleurde tranen, Vriend uit de onderwereld, Al onze tranen, Zielzoekerij en Herr Einsam.

N.A.: Tussen 2011 en 2012 was ik meer met existentiële vraagstukken bezig. Dobbermans hoort in dat rijtje thuis. De naam van dat schilderij mag je letterlijk nemen: het gaat om een figuurtje dat op het water dobbert, overgeleverd aan externe krachten waarop het geen vat heeft. Het gaat ook om tobben. Toen ik het werk maakte en betitelde, kon of wou ik die uitleg nog niet verschaffen. Ik kon of wou de onderliggende thematiek niet expliciteren. Nu kan ik dat wel. Hoeveel zit er van mij in die schilderijen? Het is een vraag die me veel bezig heeft gehouden. Je gaat aan de slag op een houten paneel, je schuurt, kerft, vult op en schildert. Wat is er van jezelf als het werk af is? De werken kijken op een bepaalde manier ook terug. Hoe ga ik met die blik om?

K.B.: In de gezichten zijn vooral de ogen en de monden gearticuleerd, niet zozeer de neuzen of de oren. Ogen en monden zijn ook dominant in emoticons. Je geeft meteen de ‘emotionele’ toestand van de figuren weer: droef, blij, angstig, opgewonden of verbaasd.

N.A.: Ik heb niet aan emoticons gedacht, maar het klopt wel dat ogen en monden belangrijk zijn in mijn schilderijen. In de meeste gevallen gaat het echter om een eerste laag – de emotionele toestand is het eerste dat wordt opgeroepen – maar wat erachter zit is onbekend. Er blijft iets verborgen achter het oppervlak van die expliciete gezichten. De portretten die het meest verbergen vind ik het interessantst. Wat zit er achter de pruillip of de glimlach? Iets veel heftigers, denk ik. De suggestie van die ongemakkelijkheid vind ik heel bijzonder. Soms is het een klein detail dat de kijker op weg kan zetten. De accrochage kan ook betekenissen genereren. Het is heel boeiend om verbanden te zien tussen de werken.

K.B.: In 2014 werd je uitgenodigd om een solo te verwezenlijken in de Antwerpse Trampoline Gallery. In de expo Doppelgänger bracht je twee textielwerken (Hide and Seek) en bewerkte foto’s waarop je telkens een ander schilderij draagt. Die schilderijen waren eerst geëxposeerd in de Carl Freedman Gallery. Hoe was je op het idee gekomen om bestaand werk in te zetten voor het maken van nieuw werk?

N.A.: Die twee tentoonstellingen volgden heel snel op elkaar. Ik wist dat ik op die korte termijn geen twee shows met schilderijen kon realiseren. Toen ik de panelen had afgewerkt die naar Londen zouden worden verscheept, besloot ik om polaroids te laten maken, terwijl ik elk schilderij apart voor de lens toonde. Een van die foto’s wilde ik gebruiken als beeld voor de uitnodiging voor de expo in Londen. Ik hield elk schilderij als het ware als een schild voor mij. Ik koos een polaroid die ik scande en op de geprinte scan maakte ik een tekening. Rond en op mijn gezicht bracht ik krabbels aan. Ik vermomde me. Dat beeld is uitgestuurd als uitnodiging voor de expo in de Carl Freedman Gallery. Het resultaat beviel me enorm en snel rijpte het idee om alle polaroids op die manier te behandelen. Voor de expo in Trampoline besloot ik om sommige geprinte scans nog verder te bewerken. Ik beschilderde sommige, plakte er papieren op en bewerkte ze met punaises. De finale werken werden in zelfgemaakte houten kaders getoond. Dat waren de ‘dubbelgangers’. Ik koos er als het ware voor om mijzelf te klonen.

K.B.: Als maker ben je manifest aanwezig in Doppelgänger. Hebben andere kunstenaars je geïnspireerd?

N.A.: Allicht onbewust. Ik herinner me dat ik toen veel naar het werk van Dieter Roth keek. Hij zette zichzelf vaak weg in zijn werk, bijvoorbeeld wanneer hij samenwerkte met Arnulf Rainer. Roth heeft ook foto’s of zelfportretten overtekend. Ik ben geïnteresseerd in de wijze waarop een kunstenaar zichzelf afficheert. Tracey Emin deed dat in haar vroeg werk heel goed. Maar met Doppelgänger wilde ik vooral experimenteren met de relatie tussen mezelf en mijn werk. In hoeverre zijn die schilderijen zelfportretten? Daar was ik veel mee bezig. Hopelijk zie je in die werken ook een kunstenaar die letterlijk een standpunt inneemt.

 

Hundert Zundert

K.B.: Na je opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent (K.A.S.K.) in 2009, wilde je meteen als kunstenaar van start gaan. Heb je ooit overwogen om een kandidatuur in te dienen aan een postacademisch instituut, zoals het H.I.S.K. of de Rijksacademie?

N.A.: Neen! Ik heb altijd voluit gekozen voor het kunstenaarschap. Hoe ik me als kunstenaar staande kon houden, vond ik een zeer grote uitdaging.

K.B.: Je hebt ook slechts eenmaal een uitnodiging aangenomen om deel te nemen aan een residentie. In 2015 verbleef je drie maanden in Zundert in het kader van een uitwisselingsproject tussen AIR Antwerpen en het Vincent van Goghhuis.

N.A.: Het was een beetje een absurde situatie. Zundert, Van Goghs geboortedorp, ligt op een steenworp van Wortel, het dorp waar ik geboren ben. Ook de afstand tussen Zundert en mijn woonplaats Antwerpen is verwaarloosbaar. Ik besloot echter om mij volledig terug te trekken in dat Nederlandse dorp. Ik verbleef in de kleine kosterswoning, naast de kerk. Slechts sporadisch keerde ik terug naar Antwerpen. Het werd een intense ervaring: ik kwam haast niet meer buiten. Ik verbleef bovendien in een piepkleine gemeenschap waar ik niemand kende. Het was een bijzonder heftige tijd. Ik heb mezelf niet bijzonder verdiept in het werk van Van Gogh, maar misschien zat ik wel dichtbij zijn mentale toestand waarmee hij naast zijn schilderkunst beroemd is geworden.

K.B.: Je nam het concept van de residentie bijzonder letterlijk?

N.A.: Ik had alleen potloden, een balpen en papier en begon na een weekje als een razende te tekenen. Het was het enige wat ik kon doen: het maken van eenvoudige lijntekeningen. Ik voerde mezelf op in de tekeningen en liet mijn fantasie de vrije loop. Ik verscheen als La Cicciolina, als jodelaar in een Oostenrijks landschap, als sherpa in de bergen. Het was je reinste escapisme!

K.B.: Als je nu terugblikt op die periode…

N.A.: …ik wil niet terug, dat is duidelijk. Maar ik heb gemerkt dat je heel ver kan gaan met jezelf, en wat dat doet met je werk. Hoe zoek je dat op zonder jezelf te gronde te richten?

K.B.: Het valt op dat jij prominent aanwezig bent in de tekeningen, maar de moeilijke omstandigheden waarin ze tot stand kwamen, zijn nauwelijks afleesbaar. Mij frappeerde eerder de humor.

N.A.: Gelukkig! Zelf kan ik haast per tekening aangeven hoe ik me op dat moment voelde, maar het klopt dat ik me ook bediende van humor en zelfspot, om met de situatie om te kunnen gaan.

K.B.: Was het de eerste keer dat je zelfportretten maakte?

N.A.: Nee, eerder dat jaar had ik deelgenomen aan de groepstentoonstelling Me, Myself and I in Trampoline Gallery. Simon Delobel, de stuwende kracht achter de galerie, wilde kunstenaars uitdagen om zelfportretten te maken. Ik was altijd al geïntrigeerd door de manier waarop kunstenaars als Vaast en Fred Bervoets zichzelf weten neer te zetten met een minimum aan potloodlijnen. Ik droeg aan die expo enkele lijntekeningen bij. Toen ik enkele maanden later in Zundert arriveerde, kon ik terugvallen op het figuurtje dat ik had gemaakt. Dat was interessant. Met dat figuurtje kon ik van alles doen. Er was een nieuw speelveld.

K.B.: Nadat je in Doppelgänger jezelf en je panelen had opgevoerd, maakte je in Zundert ook tekeningen waarin niet alleen jijzelf voorkomt, maar eveneens schilderijen die je voorheen gemaakt had. Was je tot het besef gekomen dat je aan een oeuvre aan het sleutelen was?

N.A.: Inderdaad. In de meeste gevallen ging het om bestaande werken die ik uit het hoofd tekende. In andere maakte ik varianten, bijvoorbeeld van Dobbermans. Ik werd me bewust van een zekere herkenbaarheid van wat ik tot dan toe had gemaakt.

K.B.: De Zunderttekeningen werden getoond in Kiosk in Gent. Je presenteerde er ook schilderijen en textielwerken. Het was jouw eerste overzichtstentoonstelling, zij het een kleine. Waarom heette de expo Billenkoek?

N.A.: Ik vond het een mooi woord. Er was ook een verband met het campagnebeeld voor die tentoonstelling: een foto van mezelf als klein kind, genomen op een moment dat ik lastig deed en een tik verdiende. Billenkoek was ook een verwijzing naar de periode in Zundert. De residentie had aangevoeld als een straf. Ik zou de tentoonstelling in Kiosk echter niet omschrijven als een overzicht. Ik leende een tweetal werken van verzamelaars omdat het me interessant leek om die panelen te hangen naast de tekeningen waarin ze werden opgevoerd. Voor de rest bracht ik nieuw werk.

K.B.: Je exposeerde de tekeningen ook in Zundert zelf en er kwam een uitgave in de reeks Posture.

N.A.: In de kosterswoning was een kleine presentatieruimte. Ik maakte een keuze. In het Posture-boek bracht ik een selectie van honderd tekeningen.

K.B.: De Zundertresidentie is een unicum in je loopbaan. Je trok in de zomer van 2016 wel naar een vakantiehuis van je vriend Lieven Segers, de Casa Lina, op een top van een berg in Andaloesië. Je maakte er opnieuw veel lijntekeningen.

N.A.: Casa Lina is een fijne omgeving, waar zowel gewerkt als gefeest kan worden. Aan de tafel in het huis kan worden gegeten, gedronken én gewerkt. Het figuurtje dat in Zundert als het ware wegkwijnde, genoot ginds van het goede leven.

K.B.: Ook in de ‘Spaanse’ tekeningen duiken je schilderijen op. Een van je tekeningen lag aan de basis van een schilderij, Bon vivant uit 2017, dat je nog hetzelfde jaar in de Carl Freedman Gallery presenteerde, in de expo The Village Idiot.

N.A.: Die titel was opnieuw een verwijzing naar de residentie in Zundert. Het figuurtje in die tekeningen leek enigszins op een dorpsgek. De meeste schilderijen die ik in mijn Londense galerie presenteerde, gingen terug op de tekeningen, zowel de Zundertse als de Andaloesische. Nieuw was dat ik op doek schilderde, met olie- en acrylverf. Het zijn bovendien heel grote werken.

K.B.: Hoe was je tot die drastische beslissing gekomen?

N.A.: Eerder had ik besloten om de tekeningen die ik in Zundert gemaakt had te scannen en prints van die scans in te kleuren met potloden. Het was een heel vlot werkproces en toen ik naar die ingekleurde tekeningen keek, zag ik plots de potentie van wat voor me lag. Op dat moment besliste ik om sommige tekeningen als basis te nemen voor grote schilderijen. Het was een eurekamoment.

K.B.: Hoe ging je te werk?

N.A.: Nogal rechttoe rechtaan: eerst deed ik enkele testen en daarna maakte ik werken op kleiner formaat. Vervolgens prepareerde ik de grote doeken. Ik bracht met een potlood de basisstructuur van het schilderij aan en begon losjes te schilderen. Ik werkte relatief snel. Al was er vooral veel twijfel.

K.B.: Zeven jaar geleden vertelde je meerdere malen dat je zeer traag werkte. Hout is een moeizaam te bewerken materiaal, zei je.

N.A.: De moeizaamheid waarmee mijn kunstwerken tot stand komen is in het algemeen niet veranderd. Vooral het maken van tentoonstellingen gaat sneller. Ik weet nu beter wat ik kan doen, maar ik wil natuurlijk niet doen wat ik al weet. Elk medium dwingt een ander ritme af. Sommige schilderijen maak ik in een dag of twee. Aan andere werk ik gedurende jaren.

 

Ontmaskerd Maske

K.B.: In 2017 zette je een eerste grote overzichtstentoonstelling op in De Warande in Turnhout.

N.A.: Aanvankelijk werd me slechts een deel van de totale ruimte van het Cultureel Centrum aangeboden. Het was de bedoeling dat er twee shows tegelijk zouden plaatsvinden, een in de bovenste en een in de onderste ruimte. Ik heb voorgesteld om één expo te maken in de twee ruimten. Annelies Nagels en Glenn Geerinck van De Warande reageerden positief, maar onmiddellijk daarna werd ik overmand door koudwatervrees. De tentoonstellingszaal is geen makkelijke ruimte. De eerste ruimte is vrij laag en wordt gedomineerd door betonnen zuilen; de bovenste en onderste ruimte zijn langs beide kanten verbonden door trappartijen. In plaats van één project te brengen, zoals Doppelgänger of The Village Idiot, besloot ik een parcours te maken met zowel oude als recentere werken. Vele daarvan waren slechts eenmaal en soms niet langer dan een avond of een weekend getoond, zoals de huwelijksfoto’s in de Duinstraat of Lord Nelson FW17, mijn jeansvestcollectie die gedurende twee dagen in november 2017 te zien was in Casstl in Antwerpen. Ook mijn super 8-films waren nog niet vaak gepresenteerd. Voor mij hebben al die werken dezelfde status: ik maak geen onderscheid tussen zogenaamd belangrijke en minder belangrijke werken.

K.B.: De titel van de expo was Ontmaskerd Maske.

N.A.: Met ‘maske’ wordt in het Turnhouts dialect ‘meisje’ bedoeld. De titel was site specific: mocht de expo in Gent hebben plaatsgevonden, dan had ik een andere naam gekozen. Ik wou ook het masker laten vallen en voluit tonen wat ik tot dan toe gedaan had.

K.B.: ‘Maske’ is de Duitse term voor ‘gemaskerde’. Je kan de titel ook lezen als ‘Ontmaskerd Gemaskerde’.

N.A.: Het masker is zonder meer de grootste gemene deler van die expo. In de bovenste ruimte maakte ik met katoenen doeken een ruimte om mijn super 8-films te tonen, met kleine kijkgaten in de doeken. Vanuit die afgesloten ruimte kon je dus de rest van de expositiezaal bespieden, of omgekeerd. Alle andere werken die te maken hebben met het masker, de dubbelganger en het alter ego werden in De Warande verzameld. Laat ik iets zien of niet? Dat was de vraag die centraal stond. Waar heb ik de hand in en waar neemt het werk het over? Een masker kan je aanwenden om je te beschermen of je af te zonderen. Van een masker kan je je ook bedienen om iets te doen wat moed vergt, om andere wegen te bewandelen.

K.B.: Het masker kan een middel zijn om te komen tot introspectie, maar ook om ongehinderd naar anderen te kijken.

N.A.: Ja. Mijn eerste maskerwerk, een kunstenaarsboek dat ik in 2012 realiseerde, was niet toevallig Looking in Looking out getiteld. Het ging om zeventig kleurenpagina’s waarin handmatig telkens twee ogen en een mond uitgesneden waren. Ook de Hide and Seek-werken, werken in textiel met kijkgaten, zijn een voorbeeld. In die werken zie je de benen van de personen achter de katoenen doeken, maar je kan onmogelijk uitmaken naar wie of wat ze kijken.

K.B.: In De Warande exposeerde je veel schilderijen, waaronder The Pink Studio – een groot schilderij op canvas waarop je jezelf portretteert terwijl je aan het schilderen bent.

N.A.: The Pink Studio is een subtiele verwijzing naar een schilderij van Henri Matisse. Hij schilderde zijn atelier waarin enkele van zijn werken te zien waren. Ik vind het een bijzonder mooi doek.

K.B.: In jouw Pink Studio hangt een schilderij aan de muur en op de ezel staat een doek of een paneel waaraan je nog aan het werken bent. Interessant is dat deze schilderijen niet bestaan.

N.A.: Het waren onaffe werken – werken die de toeschouwer nooit gezien kon hebben. Doordat ze onaf waren, werd het effect versterkt dat de ruimte een atelier is.

K.B.: De spanning tussen de kunstenaar en haar werken is interessant. De werken herken je onmiddellijk. Het gelaat van de kunstenaar is donkerbruin geschilderd. Je hebt er blijkbaar alle vertrouwen in dat de toeschouwer je werken zal herkennen en dat jij geïdentificeerd zal worden als de maker, zonder dat je lijkt op de vermomde figuur op het doek.

N.A.: Net zoals in Doppelgänger was het me erom te doen dat ik niet volledig samenviel met de figuur die werd afgebeeld.

K.B.: Stel dat je hetzelfde werk zou gemaakt hebben zonder de twee werken – het afgewerkte doek aan de muur en het werk op de ezel. Niemand zou dan op het idee kunnen komen dat het een zelfportret is. Zelfs als het gelaat niet bruin zou zijn geschilderd, lijk je niet op het geschilderde personage.

N.A.: Inderdaad.

K.B.: Wat je na The Pink Studio ondernam, was enigszins onverwacht. Je keerde terug naar de beeldtaal van je oude werken, waarvan je ondertussen wist dat ze zeer herkenbaar zijn.

N.A.: Ik had geen afstand genomen van die beeldtaal. Ik had gewoon een ander project geïnitieerd en nieuwe schilderkunstige stappen gezet. Je ontwikkelt ook niet een-twee-drie een ‘nieuwe taal’. Je sukkelt van beeld naar beeld. Ik kan de aandrang voelen om terug te keren naar iets dat verworven is. Het boezemt vertrouwen in en je kan vervolgens proberen nieuwe wegen in te slaan.

K.B.: Het werk Einsame Nächte dateert van 2018, maar had evengoed het schilderij kunnen zijn dat in The Pink Studio (2017) op de ezel staat.

N.A.: Einsame Nächte heb ik gemaakt in een periode waarin ik met twijfels kampte. Ik wist het even niet goed. Op dat soort momenten kan ik besluiten om terug te keren naar een iconografie die ik beheers. De materialiteit van dat schilderij is wel anders dan die van alle voorgaande werken. Om die reden besloot ik om het werk publiek te maken.

K.B.: Vermits je in De Warande grondig terugblikt op het werk dat je tot dan toe had gemaakt, ligt de vraag voor de hand wat voor jou de betekenis is van een ‘oeuvre’.

N.A.: Met een ‘oeuvre’ komt een grote verantwoordelijkheid kijken. Ik stelde mezelf en het idee van het oeuvre in vraag door op een speelse manier mezelf en mijn werk af te beelden of te herhalen en het zo dus beter te leren kennen. Ik bevroeg in de Warande de relaties tussen de werken die ik tussen 2009 en 2017 had gerealiseerd. Het is voor mij interessant – en hopelijk voor een toeschouwer ook – om te zien wat de relatie is tussen een film als Tribune Sculptuur en een werk als The Pink Studio. Beide thematiseren de positie of de representatie van de kunstenaar en haar publiek.

K.B.: Naar aanleiding van de expo realiseerde je niet één maar twee kunstenaarsboekjes. Waarom twee?

N.A.: De eerste publicatie met kleurenfoto’s was beschikbaar tijdens de opening in De Warande. De uitgave bestond voornamelijk uit foto’s van werken, beelden van de opbouw en enkele installatieshots. De tweede publicatie maakte ik in de loop van de expositie. Dat boekje omvat enkel zwart-witfoto’s van de tentoonstelling. Ik bezocht mijn show opnieuw en maakte foto’s.

K.B.: Die twee boekjes verleiden me tot de gedachte dat jij je oeuvre eindeloos lijkt te herschikken of permanent lijkt te bevragen, zoals je net zelf zei.

N.A.: Ja, ik kan me vinden in die stelling.

K.B.: Je zet de werken weliswaar vast, maar het gaat telkens om een tijdelijke ordening.

N.A.: Ik probeer inderdaad steeds weer op nieuwe of andere manieren naar mijn werken te kijken. Om die reden keer ik ook altijd terug naar het tekenen – naar oudere beelden die ik kan herhalen, vervormen en bewerken.

K.B.: Opvallend in het tweede zwart-witboekje is de meedogenloze – haast sadistische – blik op je eigen kunst. Sommige werken zijn slechts voor een deel gefotografeerd. Andere werken verbergen andere. De kadrering lijkt nooit bestudeerd en is eerder wild. Een filmstill is vaag, de belichting onverzorgd. Ook van sommige schilderijen worden enkel fragmenten getoond.

N.A.: Ik wou mijn werk en de tentoonstelling in De Warande allerminst celebreren. Ik had weliswaar een eerste soort van retrospectieve gerealiseerd, maar ik wou dat niet benadrukken. Ik wou een losse omgang met de expo ontwikkelen. Dat is één verklaring. De registratie van de expo maakt echter evenzeer deel uit van mijn praktijk. In mijn atelier maak ik soms ook dergelijke foto’s. Het is een manier om nieuwe beelden te maken. Tijdens de finissage realiseerde ik bovendien een derde fotoalbum, een uniek exemplaar, met pagina’s met telkens twee foto’s, de ene boven de andere, om nieuwe verbanden aan te tonen.

K.B.: Van mei tot juni 2018, iets meer dan twee maanden na het einde van je expo in De Warande, stelde je solo tentoon in de Plus-One Gallery in Antwerpen. Was de retrospectieve voor de galerist, Jason Poirier dit Caulier, de aanleiding om je een solo aan te bieden?

N.A.: Dat vraag je misschien best aan hem. Hij had me eerder reeds gevraagd om mee te doen aan een groepstentoonstelling. Hij bezocht mijn expo in Turnhout, maar of dat doorslaggevend was, dat weet ik niet.

K.B.: In Plus-One toonde je – ik meen voor het eerst – werken waaraan je begonnen was in 2011, 2012 of 2013 en die om een of andere reden niet gefinaliseerd waren. Ze kregen bijgevolg twee data, bijvoorbeeld Boegbeeld reizer (2) 2012-2018.

N.A.: Na mijn expo in De Warande keerde ik met veel vragen terug in het atelier. Wat doe ik nu? Ik zag oudere panelen waarover ik ontevreden was gebleven. Na al die jaren kon ik ze met een frisse blik bekijken. Ik besloot ze te bewerken en af te maken. Het ging opnieuw om heroverwegen, herwerken en toevoegen. In 2011, 2012 en 2013 was ik blijkbaar niet in staat om te zien waarom de werken niet functioneerden. Dat vind ik een interessante vaststelling.

K.B.: Beschik je over nog meer oudere werken die je op termijn onder handen wil nemen?

N.A.: Ja, ik heb een voorraadje mislukte werken. Het is heel frustrerend dat een schilderij waaraan je lange tijd gewerkt hebt niet voltooid kan worden, maar jaren later kan je een oplossing vinden voor iets dat hopeloos verloren leek. De houten panelen lenen zich goed tot dat soort acties. Je kan er grof mee omgaan. Je kan een laag wegschrapen en weer verder gaan.

K.B.: Zijn er oudere werken die indertijd verhandeld werden waarover je nu minder enthousiast bent?

N.A.: Ja, inderdaad, en dat is heel vervelend. Ik kon ze niet lang genoeg in het atelier houden om tot een goed oordeel te komen.

K.B.: Heb je overwogen om die werken terug te kopen?

N.A.: Ik denk er soms over na, maar ik heb geen concrete stappen gezet. Het gaat trouwens niet alleen over schilderijen die ik opnieuw onder handen zou willen nemen. Sommige stukken zou ik gewoon graag terug bij mij willen hebben. Ik heb spijt dat ik een aantal werken niet heb kunnen bijhouden.

K.B.: Heb je, in dat verband, iets geleerd van de galeristen met wie je tot op heden gewerkt hebt?

N.A.: Met sommige galeristen, zoals Simon Delobel, heb ik een groeiproces doorgemaakt. We hebben elkaar gestimuleerd. Carl Freedman oefent zijn beroep al een hele poos uit. Hij en zijn medewerkers komen steeds met zeer concrete voorstellen of wensen. Ik heb van alle galeristen vooral geleerd dat ik de controle niet mag verliezen. Ik moet weten hoe er met mijn werken wordt omgegaan. Ik moet weten waar ze zijn en hoe ze worden getoond, ook als het om een kunstbeurs gaat. Er kan zoveel misgaan.

 

Münster, Lingen, Leuven

K.B.: In 2019 realiseerde je drie ambitieuze solotentoonstellingen: in de Kunsthalle Lingen, in het Westfälischer Kunstverein in Münster, en in Museum M in Leuven. In hoeverre verschilden die solo’s van de retrospectieve in De Warande?

N.A.: Kristina Scepanski, directrice van het Westfälischer Kunstverein, en Meike Behm, directrice van de Kunsthalle Lingen, hadden een bezoek gebracht aan Checkered Checkmate, mijn expo in Plus-One Gallery. Meteen daarna nodigden ze me uit om zowel in Lingen als in Münster een presentatie te verzorgen. Ik had minder dan een jaar tijd om deze twee exposities te maken. Ze zouden op hetzelfde moment de deuren openen. Het was gekkenwerk. Het Westfälischer Kunstverein is een klassieke white cube. Voor die ruimte maakte ik een nieuw coherent project, Haus der Wanderer. Ik presenteerde vooral schilderijen. Daarnaast vervaardigde ik een set krukjes die met stof bekleed waren. De motieven van de bekleding gingen terug op mijn schilderijen, tekeningen en collages. De expo in de Kunsthalle Lingen, Der Schlangenbeschwörer, vatte ik min of meer op als een tweede versie van de expo in Turnhout. Hier kon de bezoeker een breder beeld krijgen van mijn oeuvre. De Kunsthalle Lingen is een voormalige opslagplaats voor treinen. Het was een enorme uitdaging om die hangar naar mijn hand te zetten. Met een groot podium en een tunnel, bekleed met baalkatoen, kwam ik tot een aardige indeling van de ruimte. Ik ontleende ook de met katoen beklede banken die ik destijds had ontworpen voor De Warande. Mijn super 8-films toonde ik onder en op het podium. Verder bracht ik onder meer de reeks Doppelgänger, The Best Couples in the World (Like Salt and Pepper), grote prints van collages, de Casa Lina-tekeningen en schilderijen op panelen en canvas.

K.B.: Kan je toelichting geven bij de twee titels?

N.A.: Met Der Schlangenbeschwörer wilde ik het kunstenaarschap thematiseren. De kunstenaar poogt datgene te bezweren wat zich haast niet laat temmen. Ik maakte een film waarmee ik de verbinding wilde leggen tussen de twee nabijgelegen steden, Münster en Lingen. In de film Die Schlangenbeschwörerin visits the Westfälischer Kunstverein bezocht ik de exporuimte. Ik droeg een enorm groot masker dat enigszins de vorm had van het hoofd op mijn eerste schilderij, Op kop! Met Haus der Wanderer wilde ik aangeven dat ik de ruimte had opgevat als een huis waarin niet alleen de bezoekers maar ook de schilderijen ‘dolen’. De bezoekers konden uitrusten op krukjes. In een kleinere ruimte in het Kunstverein presenteerde ik collages en tekeningen. Het was een meer klassieke expo. Enkele van de schilderijen heb ik nadien in The Waddle Show; a counteract in Museum M tentoongesteld.

K.B.: In Leuven kreeg je slechts één ruimte ter beschikking. Wat is het idee achter The Waddle Show; a counteract?

N.A.: Deels werkte ik verder op het thema van de slangenbezweerder. Ik liet een muur maken die de ruimte afsluit. De toeschouwer kan slechts toegang krijgen tot de expo langs een deur waarvan de vorm teruggaat op een collage van de slangenbezweerder. In de ruimte maakte ik een slangvormig podium waarop ik mijn Waddle Works presenteer, stapelingen van curieuze voorwerpen die ik reeds lang verzamel.

K.B.: Hoe kwam je op het idee om de Waddle Works in Leuven te tonen?

N.A.: Een terugkerend thema in mijn gesprekken met Valerie Verhack, de curator, was het podium dat ik in Lingen gemaakt had en het mogelijk ook theatraal karakter van mijn werk. We kwamen tot het idee dat de slangvormige sokkel de bühne is, dat de stapelingen de acteurs zijn en dat de schilderijen die aan weerszijden hangen de toeschouwers zijn. Het was een gok om de stapelingen voor het eerst te tonen: ik wist niet hoe het zou uitpakken, maar ik ben zeer blij dat ik het risico heb genomen.

K.B.: Op 16 november 2019 gaf je in de exporuimte in M een performance. Je las poëtische teksten over elke sculptuur terwijl films werden afgespeeld waarin de totstandkoming van elk Waddle Work in beeld is gebracht. Voorafgaand aan de performance gaf je een toelichting bij de sculpturen. Je zei onder meer dat de werken ook kunnen worden bekeken in het verlengde van One with the Medicine Man, een installatie die je op het einde van 2009 maakte in Pocketroom in Antwerpen. Er is inderdaad een formeel verband, want ginds maakte je een werk door houten planken op elkaar te stapelen. Ook in Croxhapox in Gent had je reeds veelkleurige kubusjes op elkaar gestapeld. Wat is voor jou de betekenis van ‘stapelen’?

N.A.: De moeilijke verhouding tussen objecten die op elkaar terechtkomen, is iets wat me interesseert, net als het ontstaansmoment van een werk en het performatief karakter daarvan. Het gaat om evenwichtsoefeningen die faliekant kunnen aflopen. De risico’s die daarbij komen kijken, vind ik boeiend. Instortingsgevaar is ronduit fascinerend. In mijn praktijk bouw ik steeds maar verder. Komt er een moment dat alles in elkaar stuikt?

K.B.: In de filmpjes is steeds een hand en een arm te zien, terwijl je het ene object op het andere stapelt. Je hand en arm zijn beschilderd, wat mogelijk een verwijzing is naar de super 8-film Untitled (purple, blue, black) (2008) die je in het laatste jaar van je opleiding aan het K.A.S.K. maakte. Met verf besmeurde handen spelen de hoofdrol.

N.A.: Schilderkunst is al lang aanwezig in mijn werk. Voor de filmpjes over de Waddle Works boden de beschilderde handen en armen houvast. Zo voelde dat aan. Het gaf het geheel een meer geënsceneerde aanblik.

K.B.: De teksten die je in M voorlas, kondigde je aan als cadavres exquis – gedichten waaraan meerdere auteurs meewerken zonder dat elke auteur weet wat de anderen schreven. De teksten bij de Waddle Works zijn toch enkel door jou geschreven?

N.A.: Dat klopt. Ik zie die teksten ook als stapelingen. Je bouwt steeds verder op het laatste woord van de vorige zin. Ik heb met Valerie ook enkele cadavres exquis gemaakt. Ze zijn gepubliceerd in Metropolis M. Het was interessant om op die manier een dialoog aan te gaan met een curator. De onvoorspelbaarheid is spannend.

K.B.: Naar aanleiding van de tentoonstelling in M werd ook het lijvige boek The Wanderer Paintings uitgebracht. Hoe kwam dat boek tot stand?

N.A.: Ik heb zelf een paar jaar geleden het initiatief genomen. Ik publiceer al jaren kunstenaarsuitgaven waarin een project of idee wordt ontwikkeld. De schilderijen waren nog niet aan bod gekomen.

K.B.: Waarom heeft het boek een andere titel dan de expo in Leuven?

N.A.: De show in Leuven bood een kader om het boek uit te brengen, maar beide staan los van elkaar. Ik voelde de noodzaak om alle schilderijen bij elkaar te brengen in een publicatie.

K.B.: Waarom?

N.A.: Door te focussen op de schilderijen maak ik de rest van mijn oeuvre eraan ondergeschikt. Ik vind dat interessant, want in mijn praktijk is dat niet het geval. Ik zie alle werken als gelijkwaardig, maar voor dit boek experimenteerde ik ermee om alles in het teken te stellen van de schilderijen. De andere werken zijn in zwart-wit en op postzegelformaat afgebeeld. Door het boek te maken heb ik heel wat nieuwe verbanden ontdekt.

K.B.: Met de titel verwijs je naar de expo in het Westfälischer Kunstverein?

N.A.: Ik verwijs naar de titel van die tentoonstelling, dat klopt. Mijn schilderijen nemen zoekende figuren tot onderwerp, dolenden en dwalers. Ze hebben allemaal een op het randje af getormenteerd karakter. De werken zijn gemaakt door iemand die tevens zoekende is. Hopelijk neemt de toeschouwer ook die rol op – ‘vol goede moed bergafwaarts’, om de titel van de tekst van Dominic van den Boogerd in The Wanderer Paintings te citeren.

K.B.: Het boek omvat een heuse catalogue raisonné van de schilderijen. Op die manier fixeer je je schilderkunstige oeuvre.

N.A.: Het maakproces was heel spannend. Voortdurend wisselde ik het ene voor het andere standpunt in: enkel een selectie van schilderijen of meteen alle schilderijen? Op een gegeven moment heb ik de knoop doorgehakt. Nu het boek uit is, heb ik niet het gevoel dat alles is verteld. Nu overheerst het geruststellende gevoel dat ik goed gezorgd heb voor mijn werk. Op naar het volgende!

K.B.: Je gaf reeds aan dat je over enkele schilderijen minder tevreden bent, terwijl ze ondertussen verhandeld zijn. Hoe ging je met die werken om bij het maken van het overzichtswerk?

N.A.: Voor alle duidelijkheid: ik ben slechts over een paar werken minder tevreden. Ik had vals kunnen spelen en die werken kunnen bannen, maar zo zit ik niet in elkaar. Ik vind het juist interessant dat in de catalogue raisonné, in zwart-wit gedrukt, alle werken zijn opgenomen. Het boek opent echter met mijn keuze van de schilderijen. Die sectie is niet chronologisch en de foto’s zijn in kleur. De enkele werken waar ik niet zo blij meer mee ben, zal je niet in dat deel terugvinden.

K.B.: In M hangt een klein schilderijtje dat je in 2010 schilderde, terwijl het eerste paneel in de catalogue raisonné de datum 2011 draagt. Waarom is het schilderijtje niet opgenomen in het overzicht?

N.A.: Het is een van mijn eerste schilderijen. Het gaat om een figuurtje dat verzuipt in zijn eigen glas. De beeldtaal is volledig verschillend van de werken die ik vanaf Op kop! (2011) maakte. Ik koester dat werkje, maar ik zie het vooral als een einzelgänger. Om die reden is het niet in de sectie met de schilderijen opgenomen, maar wel in het deel met de andersoortige werken.

K.B.: Een werk dat je in 2014 tentoonstelde in de Lord Nelson-expo in de Carl Freedman Gallery heb ik niet kunnen terugvinden in de catalogue raisonné, namelijk Queen of the Purple Dead (2014).

N.A.: Dat klopt. Nadat het werk terugkeerde uit Londen is het in mijn atelier beland. Ik heb het nooit nog tentoongesteld. Ik beschouw het als een minder gelukt werk.

K.B.: Misschien keert het ooit terug in een andere gedaante?

N.A.: Wie weet!

K.B.: Is er met de publicatie van het boek iets afgesloten?

N.A.: Dat denk ik niet, ik werk gewoon verder. In Museum M heb ik meerdere werken geaccrocheerd die tot stand zijn gekomen nadat de maquette van het boek beëindigd was. Het uitgaveproject heeft me niet gehinderd om nieuwe panelen te maken. Ik ben dus al aan het volgende hoofdstuk begonnen.

 

Noot

[1] Voor meer informatie over Un-Scene II en de werken die Nel Aerts aan deze expo bijdroeg, zie: Koen Brams en Dirk Pültau, ‘‘Met ringen eindeloos regelmatig als kringen in het water’. Het begin van het kunstenaarschap: een gesprek met Nel Aerts’, De Witte Raaf, nr. 161, 2013.

 

De titel van het interview werd ontleend aan twee verzen die Nel Aerts schreef bij een van de Waddle Works. Beelden: Nel Aerts, PLUS-ONE Gallery, Antwerpen en Carl Freedman Gallery, Margate.

 

The Waddle Show; a counteract loopt nog tot 15 maart 2020 in Museum M, Leopold Vanderkelenstraat 28, 3000 Leuven.

Mentale ruimte

Op een steenworp van De Warande, het Cultureel Centrum van Turnhout, ligt de galerij De oorzaak & Zn. in een steegje verscholen. De galerie werd opgericht door twee kunstenaars, Dirk Boes en Willy Peters. In dit nummer wordt een interview opgenomen met Dirk Boes, in het volgende nummer bespreekt Luk Lambrecht de artistieke inzichten en arbeid van Willy Peters.

Voor we het atelier van Dirk Boes bezochten, stuurden we hem twee teksten, “The function of the Studio” van Daniel Buren, en “Bezoek aan het atelier” van Thomas Huber, teksten die we wegens plaatsgebrek helaas niet kunnen afdrukken. Buren beweert dat de plaats waar het in het atelier ontwikkelde kunstwerk eigenlijk thuishoort, dat atelier zelf is, waarmee hij tevens de vervreemdende invloed van het museum op het kunstwerk bekritiseert. Huber is op het eerste gezicht minder polemisch: hij stelt zich het nakende bezoek van een gast aan zijn atelier voor en verhaalt ons al redenerend waarom hij vol vreugde naar de bezoeker uitkijkt.

Dirk Boes van zijn kant ontvangt ons in een sober atelier met geblindeerde ramen, waarin alle aandacht onmiddellijk uitgaat naar twee ensembles van telkens drie blauwe doeken. Een gesprek over het atelier, zijn werk en het maken van tentoonstellingen.

1

Koen Brams: Wat vond je van de teksten die we hebben opgestuurd?

Dirk Boes: De tekst van Buren had ik nog nooit gelezen, de tekst van Huber wel.

De tekst van Huber is een mooie tekst, maar het is literatuur. Hij komt in de plaats van het kunstwerk. Ik denk dat de tekst weinig laat zien over het werken in het atelier.

Bart Meuleman: Huber stelt toch een aantal vragen over het atelier.

Dirk Boes: Dat is zo, maar de tekst van Buren is explicieter. Wat is de relatie kunstwerk – plaats van ontstaan – plaats van tonen. Het is een praktische tekst. Je kunt daarmee in discussie treden. Ik heb het gevoel dat ik de tekst van Huber enkel kan lezen en mooi vinden.

Bart Meuleman: Ik vind dat ze het op een bepaald moment over hetzelfde hebben maar Buren wil de dingen met open vizier tegemoet treden, terwijl Huber …

Dirk Boes: … zich verschanst achter de dingen. Ik had in elk geval de indruk dat Buren het heeft over een bepaalde activiteit, terwijl de tekst zelf bij Huber de activiteit is.

Koen Brams: Je zou kunnen zeggen dat die tekst een kunstwerk is en dat hij hem beschouwt als een element van zijn oeuvre en dat het in die zin een betoog is.

Bart Meuleman: Huber houdt een pleidooi voor het atelier als idee. Dat het atelier niet ophoudt als je de deur van het atelier sluit, maar dat het atelier blijft doorwerken.

Dirk Boes: Ja, maar wat is “het atelier”? Een van de kritieken die je op de tekst van Buren kan geven is dat hij teveel rekening houdt met de feitelijke plaats. Het atelier is in de eerste plaats het hoofd van de kunstenaar.

Bart Meuleman: En om dat hoofd goed te kunnen laten werken, heb je vier muren nodig?

Dirk Boes: Dat weet ik dus niet. Ik denk van niet. Dat hoofd, dat werkt en dat heeft een soort van mentale ruimte nodig.

Bart Meuleman: En het romantische idee van  de schuilplaats. In het atelier kun je je toch ook letterlijk afschermen.

Dirk Boes: Dat heeft al veel te maken met hoe je die dingen bekijkt. Het gebeurt al in het hoofd, binnen dat mentale atelier.

Koen Brams: Ik merk wel dat jij de ramen hebt afgeschermd.

Dirk Boes: Ja, maar dat is enkel om foto’s te nemen. Ik heb wel liever dat ze open zijn.

2

Dirk Boes: Volgens mij zit Buren met een soort van vaderschapssyndroom. De autoriteit van het kunstwerk is een probleem. Ik zie dat ook in het werk dat hij maakt. Zijn argumentatie is overwoekerd door het ouderschapsprobleem.

Bart Meuleman: Het kunstwerk als kasplantje.

Dirk Boes: De tekst schetst een duidelijk probleem, met name het probleem van de plaats van de kunst. Je hebt het atelier, je hebt het kunstwerk, je hebt later het museum en dan de vraag: waar is de plaats van het kunstwerk. Hij vertrekt van het punt dat het atelier de plaats is waar het kunstwerk in thuis hoort zoals een kind thuishoort bij zijn ouders. Buren vertrekt van het punt dat er een ideale situatie is waar het kunstwerk thuishoort. Ik vraag me af: is dat wel zo. Is er een bepaalde manier om een kunstwerk te tonen waarop het zich optimaal kan ontplooien, zoals op geen enkele andere manier meer zal kunnen. Dat vind ik een veel groter probleem. Ik ben veel meer geneigd te denken dat er geen ideale plaats is om een werk te tonen. Er zijn enorm veel plaatsen waar een werk getoond kan worden. Het werk zal op elke plaats een ander werk worden. Het heeft bij Buren veel meer te maken met een soort van machtsbekleding van de kunstenaar tegenover zijn werk. Zo van: dit is mijn werk, zoals ik het gemaakt heb, en zo wil ik het altijd tonen. De vraag is: kan dat wel. Op het moment dat de kunstenaar tegen het werk zegt: daar is de deur, ga naar buiten, moet hij dan die macht niet opgeven? Moet hij dan de macht niet tolereren van elke andere die met het kunstwerk omgaat? Al is het alleen maar bekijken.

Koen Brams: Als het kunstwerk hier buiten gaat, wordt de macht ingenomen door de kijker.

Dirk Boes: Dat is waar. Volgens welke norm wordt het werk of de plaats waar het werk getoond wordt bekritiseerd? Zoiets als een ideale situatie mag nooit de norm zijn. Wat ik bijvoorbeeld ook las in de tekst van Huber: het verlangen naar de ideale situatie.

Bart Meuleman: Huber bekijkt alles vanuit zijn eigen werk. Ik heb de indruk dat hij met zijn werk overal naar toe wil stappen, dat hij deel uitmaakt van zijn eigen werk, meer dan de meeste andere kunstenaars.

Dirk Boes: Zou het ook niet kunnen dat dat een soort van kunstgreep is om de macht op die werken te handhaven. De toeschouwer kan enkel aan de deur blijven staan. Hij  kan de plaats van het kunstwerk niet betreden. Hij  kan zich alleen voorstellen dat hij ze betreedt en wie leidt hem dan mee? De kunstenaar. Hij vertrekt nooit van de situatie: ik ben er niet meer. Hij geeft nooit de macht uit handen.

Koen Brams: Met Huber is er nog iets anders aan de hand. Buiten het feit dat hij zijn werken overal met zich meeneemt en die werken op die manier niet wil loslaten is er in zijn denken over de ideale plaats een oprechte projectie, een transcenderen van de realiteit …

Dirk Boes: Dat zal wel.

Koen Brams: … en hij poneert het ook zo. Dat je op die manier moet kunnen blijven denken over de ideale plaats maar dat dat iets is dat nooit ingevuld zal kunnen worden. Dat zegt hij door tegelijkertijd een ironisch standpunt in te nemen.

Bart Meuleman: De macht die hij eventueel zou blijven behouden, dat is een gedeeltelijk gespeelde macht. Dat is trouwens een van de onderwerpen waarover zijn werk gaat. Maar jij vindt dat dubbelzinnig.

Dirk Boes: Iets geweldig dubbelzinnig. Omdat er buiten het spel geen rest is. Ook de regels worden door hem opgesteld en als je als toeschouwer mee wil, dan moet je de regels volgen. Er is geen mogelijkheid om het anders te spelen. Een erg objectmatig werk, op traditionele wijze gemaakt, en vanuit een atelier naar een tentoonstellingsruimte gebracht, heeft ook een spelkarakter. Er zijn altijd regels maar je bent niet verplicht om die te volgen. Er zijn heel veel restmogelijkheden die je in je eigen spel kan betrekken. Ik heb het gevoel dat in het werk van Huber die mogelijkheden veel minder, of soms zelfs niet aanwezig zijn.

3

Bart Meuleman: Hoe komen mensen die hier tentoonstellen terecht?

Dirk Boes: Wij vragen hen.

Bart Meuleman: Die mensen komen hier effectief werken?

Dirk Boes: Dat hoeft niet, dat kan. Op dat punt zijn er vele mogelijkheden, de ruimte die als tentoonstellingsruimte fungeert kan even goed als werkruimte dienst doen gedurende een bepaalde periode. Walter Daems bijvoorbeeld heeft hier een tijdje aan zijn installatie gewerkt. In die zin was deze ruimte feitelijk zijn atelier.

Bart Meuleman: Vanaf het moment dat jullie iemand hebben gekozen om hier tentoon te stellen of te werken, vanaf dat moment houdt jullie verantwoordelijkheid of inmenging op?

Dirk Boes: Eigenlijk wel ja, wat natuurlijk weer niet wil zeggen dat er geen gesprek mogelijk is. Als de deur gesloten is, moet je ze gesloten laten, als iemand de deur tot de ruimte openlaat, kan er altijd gesproken worden. Ik heb mijn twijfels over het kunstenaarschap als iets mythisch, gesloten, autoritair, volledig beperkt tot een individu.

Koen Brams: Er bestaat zoiets als het beeld van de artiest en het is de vraag of dat ooit zal sneuvelen, dat beeld van de boven iedereen uittorenende. Ik schaar mij achter de standpunten van Heiner Müller die zegt dat de kunstenaar één van de meest comfortabele posities bekleedt in onze maatschappij. Hij geeft daarbij ook een aantal voorbeelden van kunstenaars die zich werkelijk alles kunnen permitteren. De gevaren van die onkwetsbare positie worden steeds meer duidelijk.

Bart Meuleman: De fantastische bokkesprongen van de geniale kunstenaar.

Dirk Boes: Het wordt natuurlijk wel gevaarlijk als je dat probleem combineert met de invloed van de media die grote koppen nodig hebben om hun talloze bladzijden te vullen. Die combinatie genereert natuurlijk onaantastbare monsters, die zich alles kunnen permitteren.

4

Bart Meuleman: Wat ga je met die werken doen?

Dirk Boes: Fotograferen voor mezelf; vervolgens worden de werken in dozen gestoken en op zolder gegooid. Ik heb zeer weinig tentoonstellingsmogelijkheden, ook omdat ik er niet naar op zoek ga; misschien neem ik binnenkort wel weer wat meer initiatief. Als je dan mogelijkheid krijgt om tentoon te stellen dan maak je toch weer wat anders, dan put je om zo te zeggen toch niet uit je stock. Je maakt een tentoonstelling, je ontwikkelt iets naar een bepaalde tentoonstelling toe, het werk dat dan ontstaat, groeit uit al wat je tot dan toe gemaakt hebt.

Koen Brams: Recupereer je soms materiaal, in plaats van te stockeren.

Dirk Boes: Nu is dat moeilijk, vroeger was dat makkelijker omdat ik meer werkte met vaste, terugkerende elementen.

Bart Meuleman: Die werken zijn dus eigenlijk letterlijk eendagsvliegen, dat is toch een verschrikkelijke gedachte.

Dirk Boes: Dat is niet plezant, maar stel dat je een tentoonstelling kunt maken met die dingen, dan nog wordt het leven van die werken maar verlengd voor een bepaalde periode.

Bart Meuleman: Komen er mensen kijken in jouw atelier?

Dirk Boes: Nee, we houden die dingen gescheiden. Ik heb een probleem met het feit dat er mensen komen voor de tentoonstelling in de galerij en dan meteen de ateliers mee door zouden willen nemen. Ik heb daar iets op tegen om verschillende redenen, ten eerste omdat beide dingen een andere functie hebben, maar ook omdat ik wil vermijden dat er een soort belangenvermenging optreedt.

Bart Meuleman: Je hebt ook al eens gezegd dat je nooit in je eigen galerie wil tentoonstellen, niet alleen om die belangenvermenging tegen te gaan maar ook omdat het ongelofelijk ridicuul is om die dingen van de muur te halen, ermee de trap af te gaan en beneden in de galerie op te hangen.

Dirk Boes: Inderdaad dat kan dus helemaal niet. Ik heb een hele tijd zin gehad om gewoon te werken, en me tegelijkertijd bezig te houden met de galerij, die combinatie is eigenlijk heel verfrissend.

Bart Meuleman: Vertel eens.

Dirk Boes: Een kwestie van gewoon door te werken aan je eigen werk zonder je te moeten bezighouden met deadlines en oordelen, enzovoort; en tegelijkertijd heel nauw in contact staan met het werk van anderen, zien hoe anderen werken en de relatie leggen tussen dat werk en het publiek.

Bart Meuleman: Dat completeert je als persoon?

Dirk Boes: Misschien heeft het inderdaad te maken met een karaktertrek. Ik vind het bijvoorbeeld verschrikkelijk ergerlijk om reclame te moeten maken voor mijn eigen werk, anderzijds wil ik het wel doen voor anderen, ervoor te zorgen dat er mensen komen zien, om daar publiciteit rond te maken.

Koen Brams: Kan je iets zeggen over de plaats waar jij je werken zou willen tonen, begrijp me niet te concreet, je moet geen namen noemen van galeries of musea, maar wel over de plek, de ideale plek, kan je iets zeggen over hoe jij je werken zou willen gepresenteerd zien?

Dirk Boes: Dat is moeilijk, het moet wel een plaats zijn waar een bepaalde rust mogelijk is, er moet ook een afstand mogelijk zijn.

Koen Brams: Als ik je werk zie, dan denk ik in eerste instantie aan de afstand tot dat werk, …

Dirk Boes: Ja, ja.

Koen Brams: … aan het werk te kunnen benaderen vanuit een grote loopafstand, en de relatie tussen de loopafstand en het werk aan de muur. Het spel van de volumes dat je nu ontwikkelt, doet de toeschouwer onmiddellijk ondervragen over de afstand tot het werk, of is dat niet de problematiek waarmee je bezig bent?

Dirk Boes: Bedoel je afstand, in werkelijk zin? Dat kan. Maar wat deze werken betreft, heb ik me daar nog niet mee beziggehouden omdat dat enkel kan als je in gedachten hebt dat het werk getoond zal worden. Afstand in een overdrachtelijke zin, daar komt het voor een stuk op neer.

Koen Brams: Je bent hier dus werken aan het maken waarbij je je totaal niet afvraagt of ze getoond zullen worden.

Dirk Boes: Inderdaad.

Koen Brams: Zou je kunnen zeggen dat die twee werken, die twee ensembles die jij werken noemt…

Dirk Boes: Ja, dat zijn werken.

Koen Brams: Zou je kunnen zeggen dat die twee werken complementair zijn, dat die elkaar nodig hebben?

Dirk Boes: Ja, ze horen ook bij elkaar. In elk werk heb je dus verschillende doeken. De doeken draaien rond een bepaalde beweging. De verschillende werken op zich zijn eigenlijk andere mogelijkheden van die beweging. De enige systematiek die er in zit, schuilt in een soort van beginsituatie.

Koen Brams: Over de kleuren van de doeken had ik ook graag een vraag gesteld. Ervaar je die kleuren als iets problematisch.

Dirk Boes: Ik zal dat waarschijnlijk altijd problematisch blijven vinden. In de kleurkeuze speelt voor mij het toeval een grote rol, in de zin dat het geen bewust gekozen kleuren zijn.

Koen Brams: Hoe kom je tot zo’n kleur? Hoe kom je bijvoorbeeld tot dat oranje, blauw of geel?

Dirk Boes: Uit de kleurkaart. Het is niet het resultaat van eindeloos mengen. In die zin is kleur ook een middel om onderscheid aan te brengen, niet om de identiteit van de werken te bepalen. Als je vertrekt van de identiteit van een werk, dan kan ik aannemen dat je begint te mengen. Maar ik zou niet weten wat de identiteit van een werk is. In die zin is afstand wel erg belangrijk, maar dan afstand in een overdrachtelijke zin. Het is daarom dat die kleuren mij erg aanstaan omdat ze vrij betekenisloos zijn. Dat was het probleem met het grijs. Grijs is natuurlijk de kunstkleur, de kleur van het denken. Grijs was de kleur van afstand maar is zo’n betekenisvolle kleur geworden dat er helemaal geen afstand meer kan zijn.

Grijs en zwart zijn kleuren die hun plaats gevonden hebben in de kunstgeschiedenis. Sinds Ad Reinhart moet je geen zwart meer gebruiken, dat is jammer. Vanuit het perspectief van de autoriteit van de kunstenaar zijn er bepaalde elementen onbruikbaar geworden omdat ze samenvallen met een naam en met een betekenis. Welke kunstenaar durft nu vet en vilt te gebruiken?

Koen Brams: Mucha gebruikt vilt, en die zegt: ik durf dat.

Dirk Boes: Het kan nooit de bedoeling zijn om dat soort systematiek te ontkrachten maar je zou een toevalselement kunnen binnenbrengen waardoor de toeschouwer zelf associaties kan leggen, maar dan bijna vrijblijvend. De kleur valt niet samen met de identiteit van het werk, noch met zijn plaats binnen de kunstgeschiedenis of weet ik veel, het is bijna een losse factor die er bij hoort om een werk te kunnen onderscheiden van een ander werk.

In de Galerij De Oorzaak & Zn waren reeds Walter Daems, Jeroen Daled, Paul Snoeckx, Marc Carpentier, Chris Campers en Frank Prinsen te gast. Van 7 november tot 13 december stelt Werner Cuvelier er tentoon. U vindt de galerij in de Warandestraat 23B, 2300 Turnhout (014/41.36.33 of 014/43.96.43).

De tekst van Daniel Buren is opgenomen in het “verzamelde werk” dat vorig jaar door het CAPC van Bordeaux werd uitgegegen. De tekst van Thomas Huber verscheen in het “Kunst en ideologie”-nummer van Yang (nr. 133).

Versies van een paviljoen van Dan Graham

Melanie Deboutte: Het Museum van Hedendaagse Kunst heeft eind 1985 een oproep gelanceerd aan inwoners van Gent om hun woning ter beschikking te stellen voor Chambres d’Amis. Jij was op dat moment, als architect, je eigen woning aan het realiseren in de Patijntjestraat. Waarom heb je besloten om mee te doen?

Dirk Defraeije: Toen we het perceel in de Patijntjestraat kochten, stond er een kleine supermarkt. Vooraan had je de winkel, in het midden een parking, en achteraan het magazijn. We hebben besloten om vooraan een woning te bouwen, en de magazijnen te verbouwen tot kantoor en tijdelijke woonst. Tijdens de zomer van 1986 stond de woning vooraan nog in ruwbouw: de muren en de vloeren waren klaar, maar dat was het ongeveer. Ik heb zelf besloten om aan de oproep voor Chambres d’Amis gehoor te geven: ik ben altijd geïnteresseerd geweest in kunst, er was geen groot risico aan verbonden, en als jonge architect zocht ik de publiciteit op. Bovendien kende ik Jan Hoet.

M.D.: Hoe heb je Jan Hoet leren kennen?

D.D.: Hij maakte deel uit van mijn afstudeerjury in 1979, aan de academie in Gent. De opdracht was een ontwerp voor een museum voor hedendaagse kunst in het centrum van Gent, aan de Sint-Michielskerk. Hoet heeft mijn project geselecteerd voor de tentoonstelling Museum zoekt museum in 1983. De Gentse kunst- en architectuurscene was niet zo groot. Ik woonde naast Wim Goes, die later ook architect zou worden, en hij was goed bevriend met Jan Hoet Junior. Zo heb ik ook Jan beter leren kennen. Wim en Hoet Junior waren zestien of zeventien ten tijde van Chambres d’Amis, ze hebben gewerkt op de werf van mijn huis. De woning van de familie Hoet in de Duifhuisstraat heb ik trouwens een paar jaar na Chambres d’Amis verbouwd.

M.D.: Hoe zijn de voorbereidingen op Chambres d’Amis verlopen? Hebben alle kunstenaars jouw huis bezocht?

D.D.: De kunstenaars werden in busjes rondgereden langs de geselecteerde huizen. Ettore Spalletti is langs geweest, en Jan Vercruysse. Wie er meteen van overtuigd was dat ze in ons huis wou tentoonstellen, in het achterhuis, was Carla Accardi. Ik heb begin jaren tachtig in Senegal gewoond: in opdracht van UNESCO heb ik op het eiland Gorée delen van het patrimonium gerestaureerd. In ons huis waren daar sporen van zichtbaar: souvenirs, foto’s enzovoorts. Accardi was ook in Afrika geweest, en door objecten te plaatsen in ons interieur – een paar schilderijen, maar ook een kegel in kunstfolie – wou ze herinneringen oproepen aan zowel ons verblijf als het hare.

M.D.: Heeft Accardi het huis bezocht in aanwezigheid van Dan Graham?

D.D.: Nee. Zij hebben elkaar bij mijn weten nooit ontmoet, en het zou niet geklikt hebben. Ik denk dat Graham zelden ‘een klik’ heeft met andere mensen. Ik heb hem tijdens de zomer van 1986 uitgenodigd op een etentje, bij ons thuis. We hadden vrienden geïnviteerd die ook met kunst bezig waren. Het werd een vreemde avond: niemand begreep wat Graham zei, omdat hij mompelde en met theoretische concepten kwam aanzetten. Hij dronk Coca-Cola en wijn door elkaar, en hij droeg een T-shirt dat al snel besmeurd raakte omdat hij het eten, waarvoor mijn vrouw een halve dag in de keuken had gestaan, naar binnen schrokte. Zijn allereerste bezoek herinner ik me niet, maar dat van Accardi wel: ze was meteen verliefd op de plek.

M.D.: Graham had nog niet veel paviljoens gebouwd: het eerste werd in 1981 gerealiseerd in Argonne, het tweede op Documenta 7 in Kassel, het derde in 1984 in Stockholm – een andere versie van het paviljoen uit 1981. De realisatie in jouw tuin was dus zijn vierde paviljoen. Kende je zijn werk?

D.D.: Nee, ik heb zijn werk dankzij Chambres d’Amis leren kennen.

C.V.G.: Uit een document in het archief van het S.M.A.K. blijkt dat Graham een lijstje had met favoriete huizen, en dat het jouwe bovenaan stond. Op 7 maart 1986 bevestigt hij zijn keuze in een brief aan Jan Hoet. In een gesprek dat Katrien Vandermarliere met Graham voerde eind juni 1986, en dat is gepubliceerd in 1987 in Vlees & Beton, zei hij: ‘Het huis was nog in aanbouw maar ik heb de plannen kunnen bestuderen. De architectuur en ook bepaalde details spraken mij aan. Het spel met het private en het publieke – het woonhuis en het bureau-atelier – intrigeerde mij. Ik hou van die grenssituatie.’

D.D.: Ik heb vooraf niet veel contact gehad met hem, maar ik heb hem inderdaad de plannen voor het huis getoond. Ik was in die periode nogal beïnvloed door het werk van Tadao Ando, ik kan me voorstellen dat Graham het project voor de woning apprecieerde.

C.V.G.: Het is mogelijk dat Graham dacht: hier woont een architect, ik kan hem de uitvoeringsplannen van het paviljoen laten tekenen. Want dat heb je wel degelijk zelf gedaan.

D.D.: Ja, dat kan meegespeeld hebben. Maar die plannen tekenen: dat deed ik met plezier, dat was geen enkel probleem. Veel heb ik met Graham niet over architectuur gepraat. Hij heeft mijn boekenkast bestudeerd, dat herinner ik me goed.

C.V.G.: Hoe zijn de eerste ideeën ontwikkeld voor het paviljoen? In het gesprek met Vandermarliere zei Graham dat hij een cilindrisch paviljoen wou plaatsen. ‘Een cilinder in twee gedeeld door een aan weerszijden spiegelende glaswand. De reflectie op de buitenwanden zou een barokke vervorming van de omliggende architectuur teweeggebracht hebben. Maar het kostte te veel productietijd om de gebogen glaswanden te maken.’ In het archief van het S.M.A.K. bevinden zich schetsen getiteld Cube Inside Cylinder en Triangular Solid Inside Cylinder. Het uiteindelijke paviljoen – twee identieke balkvolumes in glas en staal, die in elkaar zijn geschoven met de ene 45 graden ten opzichte van de andere gedraaid – noemt Graham in het gesprek met Vandermarliere ‘een compromis’.

D.D.: Ik had het huis geconcipieerd met een centrale as, die liep vanaf de straat, dus van aan de voortuin, links door het huis, door de tuin, tot aan het bureau achteraan. Het tuinpad, in hout, was al aangelegd, en in het midden lag een cirkelvormige zandbak voor de kinderen. Graham heeft besloten om zijn paviljoen bovenop de zandbak te zetten. De afmetingen werden door de zandbak bepaald, maar ook door de grootte van de tuin.

C.V.G.: Graham spreekt over ‘een schaalprobleem’: ‘Het paviljoen, zoals het oorspronkelijk ontworpen was (2,25 meter hoog), was veel te groot voor deze omgeving. Omdat ik geen confrontatie wou met de architectuur van mijn gastheer – althans niet op zo’n manier – werd het object gereduceerd, tot een hoogte van 1,64 meter.’ Reeds eind februari 1987 wordt het paviljoen ‘op ware grootte’ gerealiseerd, met als titel Two Cubes, One Cube Rotated 45°, op een tentoonstelling van Graham in het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris, in een versie die nu deel uitmaakt van de collectie van het FRAC Nord-Pas de Calais, en die in 2013 nog is tentoongesteld in Turner Contemporary in Margate.

D.D.: Ik kan me voorstellen dat de beslissing om het paviljoen voor Gent kleiner te maken op verschillende manieren is beargumenteerd. Graham is een heel intelligente man, die met uiteenlopende dingen tegelijkertijd bezig is, op het obsessionele af. Ook de uitvoering van het paviljoen heeft hij nauwgezet opgevolgd, vaak tot ergernis van de werklui: hij babbelde niet met hen, maar gaf enkel bevelen en opmerkingen. Op een bepaald moment – ik was niet thuis – was Graham op het dak geklommen van de ruwbouw van mijn woning: het was een werf, dus er stonden ladders. Hij wou foto’s nemen, en de constructie van het paviljoen vanuit de hoogte in de gaten houden. Een van de constructeurs heeft toen de ladder weggenomen, en Graham zat vast. De zomer van 1986 was warm: hij is tot ’s avonds in de zon moeten blijven zitten, tot ik thuiskwam om de ladder terug te plaatsen.

C.V.G.: Hoewel de schaal – de meeste volwassenen kunnen het paviljoen niet betreden – een gevolg is van de context, werd het werk vrij snel, ook in de catalogus van Chambres d’Amis, betiteld als Children’s Pavilion, als een paviljoen voor kinderen dus. Was dat intentioneel?

M.D.: Je zou verwachten dat een paviljoen voor kinderen nog wat kleiner zou zijn, minder hoog dan 1,60 meter.

C.V.G.: Ja, precies, terwijl de afmetingen dus bepaald zijn door de zandbak van jouw kinderen. In zijn catalogustekst schreef Jan Hoet dat Graham inspeelde ‘op het lawaai afkomstig van een kindertuin rechtover de tuin waar hij werkzaam is’. Op die manier zou het paviljoen, gelegen in een privétuin, ook meer publiek zijn geworden, bijna als een echo van de activiteiten op straat. Hij wou dus vooral dat Children’s Pavilion de directe omgeving ‘reflecteerde’ – visueel, dankzij het spiegelglas, maar ook akoestisch.

D.D.: Er was (en is) inderdaad een kindertuin en een school aan de overkant van de straat, maar veel geluidshinder veroorzaakte dat niet, zeker niet in de achtertuin. Nogmaals: Dan Graham is een penseur, ik weet niet wat er in zijn hoofd omging. Ik heb zijn teksten proberen lezen, en het is niet makkelijk om alles wat hij schrijft te begrijpen. Ik weet wel zeker dat het thema van het kind voor het eerst opduikt in zijn oeuvre naar aanleiding van Chambres d’Amis.

C.V.G.: In 1989 heeft Graham samen met Jeff Wall The Children’s Pavilion ontworpen – een heel ander project, voor een ondergronds paviljoen waarin kinderportretten van Jeff Wall worden getoond. In een interview met Brian Hatton uit 1992 heeft Graham de oorsprong van die samenwerking inderdaad bij het paviljoen in Gent gelegd: ‘Het was na het zien van dit werk op video dat Jeff Wall het idee opvatte om Cibachrome foto’s van kinderen te maken.’ Hoogstwaarschijnlijk gaat het om een opname uit De langste dag, het zes uur durende televisieprogramma van Jef Cornelis dat op zaterdag 21 juni 1986 live werd uitgezonden.

D.D.: Kinderen, en mijn kinderen in het bijzonder, stonden centraal in de verslaggeving: ze staan op bijna alle foto’s, en ook op de televisiebeelden. In het journaal van de BRT werd er trouwens doorgeschakeld naar De langste dag, net op het moment dat ze bij ons in de tuin aan het filmen waren – dat was voorzien in het script dat we een paar weken van tevoren hebben ontvangen. Meteen kwamen de cameraploeg en de camera ook in beeld, in de spiegelende wanden van het paviljoen.

M.D.: Volgens Rom Bohez, destijds medeverantwoordelijk voor de productie van tentoonstellingen van het Museum van Hedendaagse Kunst en een belangrijk medewerker achter de schermen van Chambres d’Amis, werden de meeste materialen voor de interventies in 1986 gratis ter beschikking gesteld door bedrijven en fabrikanten bij wijze van sponsoring. In sommige gevallen moesten de materialen na afloop worden teruggegeven. In het archief van het S.M.A.K. bevindt zich een brief van Dan Graham aan Jan Hoet en Rom Bohez van 2 april 1986. Hij speelt nog met het idee om een cilindrisch paviljoen te maken, en hij stelt voor om voor sponsoring te rade te gaan bij Chris Dercon. Het glas is vervolgens geleverd door Glaverbel. De vloertegels in het paviljoen kwamen van bij Vandekerckhove uit Ingelmunster.

D.D.: Waarschijnlijk heb ik dat contact met Vandekerckhove geregeld, in overleg met Rom Bohez. Materialen voor mijn huis werden ook door hen geleverd. De tuin was nauwelijks aangelegd, alleen het pad met de zandbak was er al. Jan Hoet heeft medewerkers met kruiwagens tot bij ons gestuurd om de tuin een beetje toonbaar te maken. Een deel van ons interieur, dus waar het werk van Accardi te zien was, is voor de gelegenheid herschilderd, zoals de meeste huizen van Chambres d’Amis.

C.V.G.: Was het moeilijk om het paviljoen te bouwen?

D.D.: Ik had zoiets nog nooit gedaan. Mijn idee was om in staal te bouwen, maar voor Graham moest het absoluut in aluminium uitgevoerd worden. Ik weet niet waarom, en volgens mij veroorzaakte dat vooral problemen: aluminium is een gevoelig materiaal, veel moeilijker om te lassen. Het leek me ook onwaarschijnlijk dat we een constructeur zouden vinden die het paviljoen in aluminium wou uitvoeren. Uiteindelijk is de opdracht bij Hubert Van Trappen beland, in Oosterzele, een bedrijf gespecialiseerd in ramen en deuren in aluminium en staal. Toen hun werk bijna klaar was, is er ginds in het atelier brand uitgebroken. Ik herinner me nog het telefoontje van Rom Bohez: het was een ramp! Heel even dacht ik: dit komt niet meer goed.

M.D.: Volgens de website van Van Trappen is het volledige bedrijf inderdaad op 2 juni 1986 door een brand in de as gelegd – dus iets minder dan drie weken voor de opening van Chambres d’Amis op 21 juni.

D.D.: Er bleef van de profielen niet veel over. Ook dat zou misschien anders geweest zijn mochten we met staal in plaats van aluminium gewerkt hebben. De productie van Van Trappen, en dus van het paviljoen, werd pas een week later heropgestart bij Aelbrecht-Maes aan de Visserij in Gent. Het was op het eind extreem spannend, want we konden het glas pas bestellen als de profielen klaar waren, om de definitieve maten te kennen. De eerste versie, die ik vlak voor de brand in het atelier heb bekeken, was perfect geproduceerd. Het paviljoen zoals het in mijn tuin gebouwd is, liet begrijpelijkerwijze te wensen over: het was onder te hoge tijdsdruk gemaakt. Vooral de schuifdeurtjes leverden problemen op, en we hebben in het midden een extra paaltje moeten plaatsen, in het interieur, ter ondersteuning. Ik ben er zeker van dat Graham teleurgesteld was, zeker als je ziet met wat voor een perfectie zijn latere paviljoens zijn uitgevoerd.

C.V.G.: Ben je betaald voor je werk als architect?

D.D.: Nee, niks, maar dat vond ik vanzelfsprekend.

M.D.: Er zijn hosts van Chambres d’Amis die achteraf hebben verklaard dat er veel van hen verwacht werd, zonder dat er iets tegenover stond: ze moesten hun woning, drie zomermaanden lang, openstellen voor duizenden bezoekers en zelf instaan voor de ontvangst.

D.D.: Zo heb ik dat nooit bekeken. Wij zijn in 1986 niet op zomervakantie geweest, dat is waar. De suppoosten schoven ook altijd mee aan tafel. Maar Chambres d’Amis heeft veel voor mij betekend. Er zijn vijftigduizend bezoekers langs geweest: bij ons was er immers zowel werk van Dan Graham als van Carla Accardi te zien. Naar mij is verteld lagen de aantallen enkel hoger langs de Coupure, in het huis met werk van Joseph Kosuth. Ik heb tijdens die zomer honderden mensen leren kennen, van over de hele wereld, en sommige van hen zijn nog altijd vrienden. Er waren bezoekers die op den duur meer aandacht schonken aan mijn woning dan aan het paviljoen van Graham. Mijn huis was ook als een visitekaartje ontworpen. Achteraf is dat moeilijk met zekerheid te zeggen, maar ik denk dat ik een tiental opdrachten aan Chambres d’Amis te danken heb.

M.D.: Is het paviljoen na afloop van Chambres d’Amis nog lang blijven staan?

D.D.: Nee. Het werk van Carla Accardi is veel langer aan de muren blijven hangen. De schuifdeuren van het paviljoen hadden we al tijdens de zomer moeten verwijderen, dat was te gevaarlijk geworden voor de kinderen en voor de bezoekers. Het paviljoen was in te slechte staat om nog langer te blijven staan. Ik zou trouwens geen geld gehad hebben om het te kopen: mijn eigen huis was al duur genoeg. Bovendien wilden mijn kinderen hun zandbak terug. Dus Children’s Pavilion is door de ploeg van het museum gedemonteerd, en voor zover ik weet zitten de resten nog steeds in het depot.

M.D.: In het boek over het oeuvre van Dan Graham dat Marianne Brouwer in 2001 samenstelde, staat dat er een volledig nieuwe versie van het paviljoen is gerealiseerd in 1999.

D.D.: Er was na Chambres d’Amis al vrij snel interesse van verzamelaar Karel Hooft, die intense contacten onderhield met Jan Hoet, en wiens collectie sterk door hem is beïnvloed. Maar het heeft inderdaad tot 1999 geduurd vooraleer Hooft het concept van Dan Graham heeft gekocht, en in zijn tuin in Sint-Martens-Latem een nieuw Children’s Pavilion heeft laten bouwen.

C.V.G.: In het boek van Brouwer staat ook dat de tentoongestelde versie uit 1986 nog steeds deel uitmaakt van de collectie van het S.M.A.K. In het museum zelf was er niemand die dat kon bevestigen of ontkennen. Het blijkt echter dat het allereerste paviljoen, of wat ervan overbleef, pas begin 2014 is vernietigd, dus bijna dertig jaar later!

D.D.: Daar wist ik niks van.

C.V.G.: Karel Hooft heeft een document in zijn bezit waarin de vernietiging, vijf jaar geleden, van de versie uit 1986 wordt bevestigd door Odelinde Van Thieghem, toenmalig medewerker-collectie van het S.M.A.K. Zo is het zeker dat er sinds 2014 maar één Children’s Pavilion van Dan Graham bestaat, namelijk de nieuwe versie uit 1999. Volgens Hooft wou Hoet het paviljoen graag in Gent heropgebouwd zien, maar was het niet evident om het een publieke plek te geven, om financiële redenen, maar ook omdat Children’s Pavilion ontworpen was voor een privétuin. Dan Graham heeft het paviljoen dan zelf een nieuwe plek gegeven: het glas weerspiegelt nu de woning van Hooft, en de bomen en het groen rondom – de Royal Latem Golf Club ligt vlakbij.

D.D.: Het paviljoen in Sint-Martens-Latem is uitgevoerd op basis van mijn tekeningen: het is een exacte kopie van de versie uit 1986, maar in plaats van uit aluminium bestaat het uit roestvrijstaal. 

M.D.: Heb je na Chambres d’Amis nog contact gehad met Dan Graham?

D.D.: Hij heeft nog jarenlang kaartjes gestuurd, en wij stuurden kaartjes terug. Hij vroeg ook hoe het met de kinderen ging. Eén keer is hij nog op bezoek gekomen, samen met Jan Hoet. Maar daarna, vanaf de jaren negentig, zoals dat gaat, zijn de contacten verwaterd. Kris Kimpe, de Antwerpse architect met wie Dan Graham al jaren samenwerkt, is ook één keer langs geweest, om van gedachten te wisselen over de constructie van de paviljoens. En natuurlijk bezoek ik af en toe nog een nieuw paviljoen, hier of daar.

‘Hangt gij dat nu maar op!’

Het begin

Oriana Lemmens: Van 1992 tot 2000 was je hoofdredacteur van De Witte Raaf. Hoe maakte je kennis met het blad? Wanneer las je het zelf voor het eerst?

Koen Brams: De allereerste keer dat ik De Witte Raaf in handen kreeg moet rond 1986 zijn geweest, in cultureel centrum De Warande in Turnhout, waar ik ben opgegroeid. Op dat moment was het niet meer dan een informatieblad van en over Amarant, met aankondigingen van cursussen en kunstreizen, en daarnaast een agenda met tentoonstellingen in België. Het blad was gespeend van elke vorm van kritiek. Het sprak me niet bepaald aan.

O.L.: Toch besloot je in 1989 bij Amarant je vervangende dienstplicht te vervullen. 

K.B.: Het was zeker niet zo dat ik bewust naar Amarant ging omdat ik aan De Witte Raaf wilde bijdragen. Het enige wat ik zeker wist: ik wil niet een jaar lang in het leger! Dus werd het twee jaar burgerdienst. Eigenlijk wilde ik graag in het STUK in Leuven werken. Ik was als student meer geïnteresseerd in theater, dans en literatuur dan in beeldende kunst. Maar in het STUK was er enorm veel heibel en onenigheid geweest tussen de personeelsleden. Ik had het vanaf de eerste rij gevolgd, want ik zat als student vanaf mijn tweede jaar in de raad van beheer. Ik had geen zin om in zo’n team aan de slag te gaan. Ik moest op zoek naar een alternatief.

Daniël Rovers: Hoe kwam je dan toch uit bij Amarant?

K.B.: Dat kwam door mijn moeder, Lief Beirens. Zij belde me op een gegeven moment op en ze zei: ‘Waarom heb je geen interesse in Amarant?’ We kenden Amarant thuis goed. Mijn vader, Maurice Brams, was leraar en beeldhouwer en had bij Amarant, dat toen nog Scheppende Handen heette, regelmatig aan exposities deelgenomen. De toenmalige directeur, Daan Rau, kwam geregeld bij ons langs. In de tijd dat ik er terechtkwam, was de vereniging al veel meer op kunsteducatie, op cursussen en reizen gericht.

Christophe Van Gerrewey: In Leuven studeerde je psychologie. Was het een bewuste keuze om geen kunstgeschiedenis of theaterwetenschappen te studeren?

K.B.: Ik was zeventien op het moment dat ik een studie moest kiezen – ik ben geboren in december 1964. Er gingen allerlei dingen door mijn hoofd: filosofie, Germaanse talen… Ik koos voor psychologie, maar na het eerste jaar wist ik al dat het geen goede keuze was. Ik slaagde toch voor mijn eerste jaar, en toen heb ik gewoon gezegd: ‘Ik ga door.’ Mijn enthousiasme voor de psychologie nam elk jaar verder af. Het laatste jaar heb ik afgerond met de hakken over de sloot. Achteraf gezien was het een prachtige studie, met heel veel mogelijkheden, al was ik er in die jaren echt op uitgekeken. Mijn grote interesse lag elders: ik was bezig met wat er zich voordeed in de kunsten.

C.V.G.: Heb je geprobeerd die studie dan te ‘verkunstigen’? In de bibliotheekcatalogus zijn er twee afstudeerscripties terug te vinden van Koen Brams: De kritiek van Paul Ricoeur op het structuralisme en Twee begrippen uit het model van Kintsch en Van Dijk (1978): korte-termijn geheugen en referentiële coherentie.

K.B.: Ik koos voor de afdeling theoretische psychologie, en vervolgens voor psycholinguïstiek. Dat liet me toe om aan allerlei faculteiten vakken te volgen. Ik zat zowel bij de germanisten, de filosofen als bij de logopedisten. In plaats van één thesis heb ik twee afstudeerscripties gemaakt, over taalfilosofie én over psycholinguïstiek. Ik was vooral geïnteresseerd in het structuralisme. Een van mijn promotoren, professor statistiek Franz Loosen, die tevens de sectie psycholinguïstiek leidde, was een bijzonder strenge maar ook fijne man. Hij vroeg me: ‘Wat heeft je hier gebracht?’ Ik vertelde hem over het tijdschrift Raster. Hij vroeg me om bij onze volgende afspraak een paar exemplaren mee te brengen, wat ik ook deed, een heel stapeltje, met nummers waarin teksten stonden over linguïstiek en over structuralisme, onder meer van Teun van Dijk, over wiens theorie ik een van mijn twee scripties schreef. Het waren de eerste jaargangen van Raster, onder de redactionele leiding van H.C. ten Berge, die ik trouwens in die tijd geïnterviewd heb voor Radio Scorpio, voor het literatuurprogramma Het wak. Ten Berge was toen in Leuven voor de poëziedagen.

O.L.: Ging je je bij Amarant meteen met De Witte Raaf bezighouden?

K.B.: Ik was aanvankelijk vooral niet met De Witte Raaf bezig. Gewetensbezwaarden werden voor van alles en nog wat ingezet. Ik moest allerlei taken verrichten, zoals door het hele land reizen om cursussen op te starten of om lidgeld te innen. Ik heb ook kunstreizen begeleid, naar Parijs bijvoorbeeld, of Keulen en Essen.

O.L.: Schreef je nooit een tekst voor het blad?

K.B.: Ik herinner me één artikel: een tekst over Jenny Holzer, iets tussen kunstkritiek en fictie in. Ik weet nog dat ik er met veel plezier aan heb gewerkt.

D.R.: Je was niet bezig met de gedachte het tijdschrift over te nemen?

K.B.: Ik wist al heel jong dat ik ooit een tijdschrift wilde leiden, maar ik beschouwde De Witte Raaf helemaal niet als een tijdschrift, of toch niet het soort waarvan ik hoofdredacteur wilde zijn. Het heeft twee jaar geduurd vooraleer ik dat als mogelijkheid zag.

D.R.: Waarom?

K.B.: Ik had al een tijdschrift opgericht, Gelijkmaker een, samen met Bart Meuleman. Van dat tijdschrift zijn een zestal nummers verschenen, met als titels: Gelijkmaker een/1, Gelijkmaker een/2, en zo verder. Van Gelijkmaker een/4, dat handelde over de habitat van Bart en mij, over Turnhout en omstreken, zijn meerdere afleveringen verschenen: Gelijkmaker een/4 (1), Gelijkmaker een/4 (2) enzovoorts. Bart en ik voerden de redactie, en koppelden de uitgave aan publieke bijeenkomsten. Bart studeerde aan het RITS en mijn toenmalige beste vriend zat bij hem in de klas. Zo hebben we elkaar leren kennen, op het kot van die vriend. We deelden een passie voor literatuur, voor kunst, en zo zijn we heel lang samen opgetrokken.

O.L.: Lag bij Gelijkmaker een de nadruk op kunst of op literatuur?

K.B.: Het was van alles. We hebben twee nummers gewijd aan het werk van Jef Cornelis. Cornelis heeft vier films gemaakt over literatuur, over Daniël Robberechts, Jacq Vogelaar, H.C. ten Berge en Oscar de Wit. Die eerste drie, dat waren de auteurs die wij van nabij volgden. We hebben vertoningen georganiseerd van de films van Cornelis in het STUK.

C.V.G.: Toen heb je Jef Cornelis dus leren kennen.

K.B.: Ja, dat begon met lange telefoongesprekken. Hij kon je op de meest onverwachte momenten opbellen. We zijn ook bij hem thuis op bezoek geweest, tijdens de voorbereiding van Gelijkmaker een. Toen heeft hij ons trouwens meteen een tekst doorgespeeld van Georges Adé, die heel kritisch was voor het werk van Daniël Robberechts. Zo was Jef: hij had overal materiaal klaarliggen dat voor dissensus en polemiek kon zorgen. Het is ook Jef die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verkrijgen van fondsen voor De Witte Raaf. Het eerste nummer onder mijn redactionele leiding was verschenen en dat had hij onmiddellijk opgemerkt. Hij werd later voorzitter van de beoordelingscommissie beeldende kunst van de Vlaamse overheid; ik kwam hem tegen en hij zei: ‘Je moet een dossier samenstellen, dan zal ik ervoor zorgen dat jullie geld krijgen.’ Hij is erg belangrijk geweest.

D.R.: Tegen die tijd zag je dus toch de mogelijkheid om van De Witte Raaf je gedroomde tijdschrift te maken?

K.B.: Ik was bijna aan het einde van mijn diensttijd, en ik zou weer werkloos worden. Toen kreeg ik de vraag of ik verbonden wilde blijven aan Amarant. Ik had die vraag niet verwacht, maar ik heb onmiddellijk intuïtief geantwoord: ‘Ja, dat wil ik doen als ik De Witte Raaf kan overnemen.’ Ik moet eerlijk zeggen dat ik mijn voorstel niet eens besproken had met Erik Eelbode, de toenmalige hoofdredacteur. Erik heeft meteen gezegd dat hij het een goed idee vond. Het bestuur ging ook akkoord, op voorwaarde dat ik de financiële middelen vond om mijn eigen wedde te bekostigen. Er waren geen middelen om mij in dienst te nemen. Daar ben ik een jaar mee bezig geweest.

O.L.: Wat leverde dat op?

K.B.: Om te beginnen het gesco-statuut, waarvoor ik in aanmerking kwam omdat ik in de periode voor mijn burgerdienst werkloos was geweest. Ik heb vervolgens een concepttekst geschreven, in de eerste plaats voor het bestuur. Ik wilde een blad maken over beeldende kunst met een zeer kritische insteek. Die tekst heb ik doorgestuurd naar een dertigtal mensen, naar museumdirecteurs bijvoorbeeld, maar ook naar schrijvers die ik op het oog had. Ik heb om een steunbetuiging gevraagd, en ik heb die zonder uitzondering gekregen.

O.L.: Was er ook meteen een budget voor vrijgemaakt? 

K.B.: Toen ik eenmaal in dienst was, bleek er weinig extra geld te zijn: geen geld voor extra pagina’s, geen honoraria voor auteurs. We zijn toen eerst gaan praten met John Quivron. Quivron was kunstenaar en oprichter van De Witte Raaf in 1986. Dat had hij vrij impulsief gedaan: het was een informatieblad waarin hij ook de activiteiten van zijn eigen presentatieplek, Het Witte Huis in Eke, kon aankondigen. Het eerste nummer heeft hij zelf betaald, maar vlak daarna heeft hij contact met Amarant gezocht, dat het blad heeft overgenomen en heeft ingezet als een goedkoop informatiekanaal. Door het blad wat inhoudelijker te maken, met artikelen over de kunstactualiteit bijvoorbeeld, kreeg je een gunstiger tarief van de Belgische posterijen. Quivron deed nadien nog het reclamebeheer, en hij onderhield bestaande contacten.

D.R.: Wat hield dat in?

K.B.: Hij kon enkele bedrijfsleiders en winkeliers overtuigen om geld te steken in De Witte Raaf. Zo stonden er in elk nummer advertenties van Lesaffre in Gent, maar ook van Opel, en van een handvol galerieën. De publiciteitsinkomsten waren veel te laag. We hebben dan besloten de advertentieregie in eigen handen te nemen, en zijn zelf op zoek gegaan naar adverteerders. Boekhandel Posada heb ik bijvoorbeeld gecontacteerd – dat was het begin van de advertentiewerving. We drukten een folder en ik nam telefonisch contact met galeristen en museumlui. In elk nieuw nummer nam het aantal adverteerders toe. Voor Quivron was die verandering een emotioneel moment. Hij voelde zich buitengesloten, terwijl hij toch alleen nog de reclame deed. Inhoudelijk had hij niets meer met De Witte Raaf te maken. We hebben hem vanaf dan in het colofon vermeld als oprichter van het tijdschrift.

O.L.: Kende je hem goed?

K.B.: Hij kwam één keer om de twee maanden bij Amarant op bezoek. Hij had een stem als een klok. Zodra de deur openging, wist je dat hij er was. Heel extravert. En dan gaf hij door hoe het zat met de advertenties, zonder dat er ooit een nieuwe adverteerder bijkwam. Hij was veel meer bezig met zijn eigen kunstpraktijk en met zijn kunstruimte.

O.L.: Werd het meningsverschil met Quivron opgelost?

K.B.: Het was geen meningsverschil. Het was meer een emotioneel moment. Het was nu echt niet meer aan hem. Hij had geen enkele statutaire functie, dus het is niet zo dat hij ontslagen moest worden.

O.L. En toen konden jullie van start?

K.B.: Nummer 36 in maart 1992 is het eerste nummer dat ik officieel gemaakt heb. Eigenlijk was nummer 35 het eerste, maar dat is in elkaar geknutseld terwijl ik nog met andere dingen bezig was.

O.L.: Waren er dan inmiddels voldoende fondsen?

K.B.: Nummer 36 is gemaakt zonder dat de auteurs vergoed werden. Dirk Lauwaert zei: ‘Ik wil dat wel doen, maar dan echt maar voor één keer.’ Ik heb op twee maanden tijd veel moeilijke gesprekken gevoerd binnen Amarant om geld vrij te maken voor honoraria. Het eerste jaar hebben we gewerkt zonder subsidies, alleen met advertentie-inkomsten. Dat waren tergende vergaderingen. De emoties laaiden hoog op. De slotsom was dat ik geld kreeg om auteurs te betalen. En toen ik vervolgens auteurs ging benaderen, zegde bijna iedereen meteen toe. Vooral auteurs die een academische loopbaan aan het uitbouwen waren, zagen De Witte Raaf als een medium waarin ze stelling konden nemen, en waarmee ze in de openbaarheid konden treden.

 

Raster

C.V.G.: Welke tijdschriften of auteurs waren voor jou als jonge schrijver en redacteur voorbeelden?

K.B.: Kunstkritiek had ik amper gelezen voor ik begon met De Witte Raaf. Hooguit het werk van Bart Verschaffel en Lieven De Cauter had ik opgemerkt, en Dirk Lauwaert kende ik ook, vooral van zijn teksten in het geweldige tijdschrift Versus. Ik was voornamelijk met literatuur bezig. Ik was geabonneerd op Raster en ik had alle oude Rasters opgekocht. Dat hele tijdschriftavontuur heb ik goed gevolgd, en ik heb er veel schrijvers door leren kennen. Daarnaast was er een tijdschrift als Het Moment. Dat was ook een fantastisch project. Huub Beurskens was de drijvende kracht, en Stefan Hertmans werkte er regelmatig aan mee. Ze introduceerden jonge buitenlandse auteurs, Bodo Kirchhoff bijvoorbeeld, John Ashbery en W.G. Sebald, maar ook Nederlandstalige schrijvers zoals Kees Ouwens, Dirk Van Bastelaere en H.H. ter Balkt. Daarnaast had Het Moment een link met de beeldende kunst: op de cover stond vaak een hedendaags kunstwerk, en ze publiceerden teksten van kunstenaars, bijvoorbeeld van Marlene Dumas. Het werd uitgegeven door Meulenhoff en op voorhand was bekend dat het twee jaar zou bestaan. Er zijn acht nummers verschenen.

C.V.G.: Heb je je in die tijd binnen literaire kringen begeven?

K.B.: Er zijn contacten geweest met yang, ook een interessant tijdschrift. Ik herinner me dat de redactie – die onder meer bestond uit Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck – eind jaren tachtig een brainstormsessie heeft georganiseerd waaraan ik heb deelgenomen.

C.V.G.: Was Frank Vande Veire op die vergadering aanwezig?

K.B.: Ik denk het wel. Ik weet zeker dat Dirk Pültau er was. We waren nog niet bevriend, maar we hadden gemeenschappelijke vrienden en kennissen. Ik ben op die vergadering beland via Eddy Bettens, die toen ook in de redactie van yang zat. Eddy heb ik in Gent leren kennen. Hij had een ongelofelijke bibliotheek, maar hij had niet genoeg ruimte, dus telkens als hij nieuwe boeken kocht, deed hij andere boeken van de hand. Hij is een genereus man met een grote kennis van de literatuur. Ik had veel contact met hem en heb veel van hem opgestoken.

C.V.G.: Las je ook literatuur over tijdschriften?

K.B.: Iemand die veel over het tijdschrift als medium heeft nagedacht was Daniël Robberechts. Ik was geabonneerd op zijn tijdschrift, dat tijdSCHRIFT heette. Dat soort experimenten interesseerde mij enorm. Gaandeweg heb ik teksten gepubliceerd over tijdschriften. Samen met Bart Meuleman heb ik in 1993 een interview afgenomen van Rob Smolders, die afscheid had genomen als hoofdredacteur van Metropolis M. Ik heb een tekst geschreven over Raster, in 1995, in nummer 57 van De Witte Raaf. Het vertrekpunt was een vragenlijst die ik had opgesteld voor Jacq Vogelaar, maar hij had bij nader inzien geen tijd of geen zin om een antwoord te schrijven. Die vragen heb ik toen uitgebreid en als zelfstandige tekst gepubliceerd. En in 1997 hebben Dirk Pültau en ik de hoofdredacteurs van Texte zur Kunst geïnterviewd, Isabelle Graw en Stefan Germer. Ik vond het belangrijk om het medium te belichten. Hoe doen anderen het? En impliciet ook: hoe wil ík het doen?

O.L.: Wat waren de gelijkenissen tussen Raster en De Witte Raaf?

K.B.: Wat ik in Raster altijd enorm heb geapprecieerd: ze staarden zich niet blind op literatuur. Ik wilde me evenmin enkel met beeldende kunst inlaten. Je kon in Raster heel verschillende tekstsoorten lezen. Dat maakte het interessant. Dat heb ik ook in De Witte Raaf geprobeerd. Daarnaast werden er bijna in elk nummer teksten gebracht van auteurs en denkers die nog niet vertaald waren in het Nederlands. Dat deed Raster ook, net als Texte zur Kunst.

O.L.: Kende je Jacq Vogelaar persoonlijk?

K.B.: Ik had veel van hem gelezen en ik vond hem een fascinerende figuur. Ik heb hem in 1994 benaderd, toen we een nummer hebben gewijd aan één tentoonstelling, namelijk Hooglied in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Ik denk dat hij het tijdschrift al kende. Hij is onmiddellijk op zijn motor gesprongen en naar Brussel gereden om die tentoonstelling te bezoeken. Vijf dagen later faxte hij zijn tekst door. 

D.R.: Heb je het gevoel eigenschappen met Vogelaar te delen? Is onbaatzuchtigheid bijvoorbeeld een term die op Vogelaar en misschien op elke tijdschriftenmaker van toepassing is? Dat je een ruimte schept waar anderen kunnen schrijven? Of is dat te mooi gezegd?

K.B.: Dat denk ik wel. Vogelaar was vrij hard, zakelijk ook. Maar hij was wel degelijk genereus. Toen ik hem in Amsterdam bezocht om het te hebben over die tekst over Raster, nam hij alle tijd voor een gesprek. Wat een kennis en vaardigheid had die man, en dat liet hij ook merken!

C.V.G.: Een verschil tussen Raster en De Witte Raaf is misschien dat Raster geen uitgesproken kritisch tijdschrift was: het gebeurde niet zo vaak dat andermans werk negatief werd besproken.

K.B.: Dat zou ik niet zeggen. Vogelaar heeft in 1974 een essaybundel uitgebracht met als titel Konfrontaties. Dat zegt genoeg.

C.V.G.: Maar dergelijke teksten waren niet typisch voor Raster. Dat tijdschrift was minder uitgesproken en programmatisch dan De Witte Raaf in jouw jaren. Dat is zichtbaar in de themanummers van Raster: het zijn vaak liefdesverklaringen, niet zelden monografisch geïnspireerd.

D.R.: Het is ook de kritiek die je Vogelaar zelf voorlegde in je vragenlijst uit 1995. Je stelt: ‘De scherpe, polemische kantjes lijken afgevijld en de nadruk op de (politieke) functie en plaats van literatuur is sterk afgezwakt.’

K.B.: Die opmerking impliceert dat het blad ooit wél gepolitiseerd was. De eerste nummers na de herstart van het tijdschrift in 1977 waren dat zeker. Vogelaar en Cyrille Offermans hebben een kritisch maatschappijmodel uiteengezet met een uitgesproken rol voor de literatuur, maar de marxistische literatuurtheorie verdween op een bepaald moment. Raster heeft trouwens ook een nummer gemaakt over literatuuronderwijs. Dat is politiek, en zulke thema’s heb ik ook aangesneden op het vlak van de beeldende kunst.

D.R.: De Witte Raaf is nooit uitgesproken marxistisch of historisch-materialistisch geweest.

K.B.: Nee, helemaal niet. Al kregen we dat de hele tijd te horen. Vogelaar heeft zijn wereldbeeld op een bepaald moment bijgesteld, parallel met een meer algemene beweging.

D.R.: Je bedoelt de ontwikkelingen na de val van de Berlijnse Muur, twee jaar voordat je als hoofdredacteur aantrad? Voor Vogelaar is dat een belangrijk moment: hij ging kritischer naar de communistische erfenis kijken. Voor jou is die ballast er waarschijnlijk nooit geweest.

K.B.: Op het moment dat ik hoofdredacteur werd, triomfeerden de Verenigde Staten, het kapitalisme en het neoliberalisme. Daar hebben we ons tegen afgezet.

C.V.G.: Wat beide tijdschriften bindt, is een geloof in het belang van de intellectueel, van de maatschappelijke rol van de hoofdarbeider die gehoord moet worden, en die betaald moet krijgen voor zijn werk.

K.B.: Ja, beide tijdschriften hebben nummers gemaakt over de intellectueel. En ik heb vaak geciteerd uit teksten die in Raster stonden, met als belangrijke vraag: kan een intellectueel overleven zonder de zekerheid te beschikken over een tijdschrift?

 

De jaren negentig

O.L.: Ik wil het graag uitgebreider hebben over de historische en maatschappelijke context van de beginjaren. In 1998 heb je een tekst gepubliceerd met als titel ‘Het publieke van de plaats van De Witte Raaf’ in de bundel – de neerslag van een symposium – Kunst in de publieke ruimte. Je begint die tekst met een verwijzing naar 24 november 1991: Zwarte Zondag. Eén week later, zo schrijf je, trad je in dienst ‘bij een vereniging […] om werk te gaan maken van de uitgave van een tweemaandelijks kunsttijdschrift’. Wat is volgens jou het verband?

K.B.: Die tekst was nogal sterk aangezet, moet ik toegeven: het was een retorisch stuk, het was de tekst van een lezing. Maar Zwarte Zondag was een schok, en een schok die bleef natrillen. In de jaren daarvoor, eind jaren tachtig, waren er al verkiezingsoverwinningen geweest van het Vlaams Blok. Ik heb dat toen geagendeerd, gezegd dat we daar iets mee moesten doen. Amarant heeft in De Witte Raaf stelling genomen tegen extreemrechts. Toen ik hoofdredacteur was, zette ik het onderwerp op de agenda, maar pas later, na de verkiezingen van 2004, zijn er onder de hoofdredactie van Dirk Pültau essays over het Vlaams Blok gepubliceerd. Rudi Visker schreef de tekst ‘De winter staat voor de deur’, Jan Blommaert leverde bijdragen, net als Bart Meuleman. En ik heb over het beleid geschreven van Peter Vandermeersch bij De Standaard ten aanzien van het Vlaams Blok: onder zijn hoofdredacteurschap verscheen plots een advertentie van het Vlaams Blok net nadat het van naam was veranderd. ‘Het was een andere partij geworden,’ luidde het.
C.V.G.: Je hebt gesteld dat ook de openbare omroep verkeerd is omgegaan met het Vlaams Blok. Hun extreme ideeën zijn mede dankzij de televisie bespreekbaar gemaakt en genormaliseerd. Toch lijkt het alsof er weinig is veranderd – integendeel. In 2019 is de voorzitter van die partij op zondagochtend te gast in een programma van Ketnet.
K.B.: Dat soort vragen en dat soort kritiek kwamen pas later. In het begin wist niemand hoe je met de verkiezingsresultaten van het Vlaams Blok om moest gaan. Veel journalisten wilden er geen aandacht aan schenken, wat ook geen oplossing is.
C.V.G.: Je kunt politieke standpunten blijven bekritiseren, zoals in de mainstreampers nog gebeurt, maar je kunt ook een alternatieve openbaarheid organiseren, waarin andere, waarachtiger en belangrijker dingen aan de orde worden gesteld.
K.B.: Van die laatste optie ben ik me altijd bewust geweest. Er was ook nood aan zo’n andere vorm van openbaarheid. Dat was een van de stellingen die ik verdedigde in die lezing in 1998.
C.V.G.: Toch lijkt het alsof niets gebaat heeft: er is geen goede manier gevonden om met extreemrechts om te gaan, en de samenleving, lang niet alleen in Vlaanderen, is rechtser dan ooit. Heeft De Witte Raaf niet gewoon bijgedragen aan die mislukking?
K.B.: Dan ken je te veel macht aan het blad toe. En ik geloof niet dat alles mislukt is. Toen Dirk Pültau, Bart Meuleman en ik in 2004 met de artikelenreeks over extreemrechts en het Vlaams Blok van start gingen, was het uitgangspunt dat we veel te weinig weten over dat gedachtegoed en over die partij. We wilden af van de goedkope verontwaardiging en onderzoek doen. Ik geloof nog steeds in die benadering: geen verbolgenheid maar analyse. Je vraagt: hebben die teksten iets bijgedragen? In mijn ogen wel, maar dat kan ik uiteraard niet hard maken. Zou niets schrijven beter zijn geweest? Mijn tekst bijvoorbeeld over Vandermeersch – waarin ik bewust op de man speelde, ook door de titel van het artikel – ‘VB (Slaap goed, Peter Vandermeersch)’ – heeft gevolgen gehad. Die tekst kwam aan. Dat heb ik uit goede bron vernomen. Vandermeersch heeft er uiteraard niet publiekelijk op gereageerd.

O.L.: Je spreekt in diezelfde lezing uit 1998 ook over Antwerpen 93. Je noemt vooral het programma Vertoog en Literatuur en je hebt het over de ‘ronduit vehemente reacties’.

K.B.: Ik heb dat van nabij meegemaakt. Eric Antonis, voormalig directeur van De Warande, was intendant van Antwerpen 93, en Bart Verschaffel en Mark Verminck waren verantwoordelijk voor Vertoog en Literatuur. Zij hadden een groot budget om auteurs om teksten te vragen voor een reeks thematische cahiers. De daarin vertaalde buitenlandse auteurs waren vaak niet eerder in het Nederlands te lezen geweest. Verschaffel en Verminck hebben tijdschriften gevraagd om enkele van die teksten voor te publiceren. Er werd vergaderd in Antwerpen toen ze met dat voorstel kwamen. Ik heb er enthousiast op gereageerd. Er zijn twee teksten van Vertoog en Literatuur in De Witte Raaf verschenen, van Dietmar Kamper en van Yves Aupetitallot. Ik ben ook op zoek gegaan naar auteurs om alle cahiers in De Witte Raaf te recenseren.

O.L.: Wat waren die ‘vehemente reacties’?

K.B.: Vertoog en Literatuur was een controversieel project, en dan vooral vanwege de internationale oriëntatie. Ik herinner me dat er op die eerste vergadering een loodzware spanning hing, omdat Vlaamse literaire auteurs zich buitengesloten voelden.

C.V.G.: Het programma van Antwerpen 93 was deels een reactie op Zwarte Zondag. Er werden kritische standpunten ingenomen, en Verschaffel en Verminck wilden niet nog eens de bekende stemmen uit de Vlaamse ‘bellettrie’ opvoeren. Het project was uitgesproken Europees. Tegelijk vertoonde het programma verwantschap met het door Jef Cornelis gemaakte televisieprogramma Container, eind jaren tachtig. Dat ging ook over de publieke rol van de intellectueel. Is Container van invloed geweest op jouw ideeën over De Witte Raaf? Bijna alle gesprekspartners in dat programma zijn vaste medewerkers geworden: Rudi Laermans, Bart Verschaffel, Lieven De Cauter en Paul De Vylder.

K.B.: Nee, dat heeft geen rol gespeeld. Zoals gezegd volgde ik het werk van Jef. Container heb ik bij wijze van spreken voor mijn ogen zien ontstaan. In de periode voor en na de vertoning van zijn films in het STUK heb ik vaak met hem gebeld. Hij vertelde me tijdens een van die telefoongesprekken over een nieuw concept voor een tv-programma. Ik mocht dat concept lezen, dus ik wist dat het er zat aan te komen.

C.V.G.: Wat vond je van het resultaat?

K.B.: Ik moet bekennen dat ik het niet heel overtuigend vond. Achteraf zie je de schoonheid ervan, maar op dat moment had ik grote twijfels. Het was 1989, ik was nog jong, ik keek met andere, meer traditionele verwachtingen naar televisie.

C.V.G.: Het was een ongelooflijk alternatief voor het concept van de talkshow.

K.B.: Het was vooral niet makkelijk te volgen. Lieven De Cauter en Bart Verschaffel leken elkaar als presentatoren voortdurend de loef af te willen steken. Het ging vaak mis met de getoonde beelden. Maar toen het programma door de publieke opinie werd neergesabeld, overigens alleen vanwege de technische uitvoering, niet vanwege de inhoud, kon ik daar toch niet mee sympathiseren. Achteraf besef je wat een weelde het betekende: een dergelijk experiment uit te zenden in primetime.

C.V.G.: Verschaffel en De Cauter waren ten tijde van Container dertigers. Ze worstelen zichtbaar met de vraag hoe ze zich moesten gedragen op televisie, en bij momenten proberen ze, begrijpelijk, een soort van instant-autoriteit te verwerven. De eerste aflevering, waaraan ook Patricia de Martelaere deelneemt, is wat dat betreft verhelderend: zij lijkt nauwelijks onder de indruk van de setting waarin ze zich bevindt. Toch heeft de opzet van Container iets sadistisch, zeker wat de gespreksleiders betreft: jonge intellectuelen mogen op televisie met elkaar praten, maar ze worden tegelijkertijd aan hun lot overgelaten, voor de leeuwen geworpen zelfs. Er zijn momenten waarop De Cauter naar zijn oor grijpt omdat Cornelis iets in zijn ‘oortje’ fluistert. Dat levert ongemakkelijke momenten op.

K.B.: Als je het oeuvre van Jef bespreekt, kan een hoofdstukje sadisme niet ontbreken. Alleen al het feit dat hij dat programma per se live wilde brengen. Hoe kan een discussie over dergelijk complexe onderwerpen live worden gevoerd? Vooral in de liveprogramma’s die hij heeft gemaakt, heeft Jef met mensen gespeeld. Dat wist hij zelf heel goed, en daar was hij trots op. Ik heb Jef meer dan 25 keer geïnterviewd: hij kwam er open en bloot voor uit.

C.V.G.: Wist hij in 1989 al dat zijn carrière bij de BRT een aflopend verhaal was, en dat hij aan de deur gezet zou worden?

K.B.: Nee, dat wist hij niet. Dat wist niemand. Na de oprichting van VTM in 1989 was de houding van de openbare televisie: ‘Die prutsers zullen er niets van terecht brengen.’ Dat was een enorme misrekening, althans wat het commerciële succes betreft. Maar Jef heeft het na Container nog negen jaar volgehouden bij de openbare televisie.

C.V.G.: Container en Antwerpen 93 tonen vooral dat je als Nederlandstalige intellectueel gedoemd bent tot de marge – anders word je bijna per definitie belachelijk gemaakt. De Witte Raaf heeft niet dezelfde kritiek gekregen. Heeft dat niet voor een groot deel te maken met de paradoxale zichtbaarheid van het blad? Enerzijds een verspreiding van 15.000 gratis exemplaren, anderzijds onbekend bij het grote publiek?

K.B.: In vergelijking met Container en Antwerpen 93 bereikte De Witte Raaf een ander publiek, en ontving het een ander soort kritiek: galeristen die een bespreking verwachtten als ze adverteerden, of museumdirecteurs die boos waren als hun tentoonstellingen negatief besproken werden. Maar die ‘paradoxale zichtbaarheid’, zoals je het noemt, dat was inderdaad belangrijk. De openbaarheid van het blad is altijd agendapunt nummer één geweest. Hoe kan je maximaal zichtbaar zijn met een inhoud die normaal gezien nauwelijks aandacht krijgt?

C.V.G.: Maar ben je als kritische intellectueel of als publiek denker niet gewoon veroordeeld tot een niche, tot wat als jouw eigen domein en medium wordt beschouwd? Je wordt in het beste geval getolereerd als je je beperkt tot het schrijven van teksten. Maar zodra je het podium of de televisie betreedt – wat gebeurde bij respectievelijk Antwerpen 93 en Container – wordt dat als een bedreiging beschouwd.

K.B.: Ja, dat klopt wel, maar tegelijk heeft De Witte Raaf de eigen traditionele niche verruimd. Bijvoorbeeld door veel verschillende soorten teksten te publiceren, maar ook door kritiek te leveren over onderwerpen die normaal gezien niet aan de orde worden gesteld in tijdschriften, zoals het aankoopbeleid van musea, de inrichting van het kunstonderwijs of de opleiding tot kunsthistoricus. Dat was iets heel anders dan wat de bestaande bladen deden.

 

Publiek geld

 C.V.G.: Halverwege de jaren negentig besteedde De Witte Raaf aandacht aan wat je de publieke zaak van de beeldende kunst zou kunnen noemen. Of in ieder geval: kunstmusea, kunsthogescholen en universiteiten die met publiek geld zijn gefinancierd.

K.B.: Daarmee zijn we begonnen in nummer 50, dat was in 1994. Dirk Pültau en ik hebben toen een analyse gemaakt van de kunstacademies in België. Daar begon onze samenwerking. Ik had Dirk al eerder gevraagd om mee te werken aan De Witte Raaf, maar aanvankelijk weigerde hij. In 1993 heeft hij me geïnterviewd voor De Gentenaar, waar hij als kunstcriticus voor schreef, en vanaf januari 1994 is hij alsnog tot De Witte Raaf gaan bijdragen.

D.R.: Hoe verliep jullie samenwerking?

K.B.: We waren complementair. Door Dirks kunsthistorische kennis en mijn ambitie om aan beleidskritiek te doen vulden we elkaar heel goed aan. Ons uitgangspunt was dat we meer wilden doen dan eindejaarstentoonstellingen bespreken: we wilden de geschiedenis van de opleidingen analyseren en beschrijven hoe er werd onderwezen. De aanleiding was de zoveelste hervorming van het kunstonderwijs – noem het gerust een kaalslag – uitgevoerd door minister van onderwijs Luc Van den Bossche. Later zijn we hetzelfde voor de musea en voor de universiteiten gaan doen. Dirk schreef in 1995 een tekst over de verzameling van het M HKA, daarna bespraken we de collecties van het toenmalige PMMK in Oostende, het Middelheimmuseum in Antwerpen, de Koninklijke Musea in Brussel en het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Men was daar niet erg blij mee.

D.R.: Was dat dan nieuw? Dat er zulke stukken verschenen? 

K.B.: Bij die instituten heerste ongeloof dat wij ons met dergelijke dingen bezighielden. We betraden een domein dat tot dan toe niemand had geïnteresseerd.

D.R.: Elders gebeurde dat niet? 

K.B.: Het is belangrijk om te zien welke bladen toen bestonden, midden jaren negentig: voornamelijk glossy tijdschriften die vooral aan kunstpromotie deden, nakakelden wat er in persberichten werd verspreid of extreem hermetische stukken publiceerden. Het ging om Artefactum, Forum International, Kunst & cultuur, hoewel in dat laatste blad soms nog een kritische toon werd aangehouden. In Nederland had je Metropolis M of Kunst- en museumjournaal. In plaats van de zoveelste collectiepresentatie in het M HKA te bespreken, leek het ons beter het verzamelbeleid te analyseren en te bekritiseren. Dat was niet de gewoonte, en het werd niet geapprecieerd.

D.R.: Waarom gebeurde het niet vaker?

K.B.: Het kostte enorm veel tijd. We gaven onszelf voor die tekst over het PMMK twee maanden, maar uiteindelijk hebben we er vier maanden aan gewerkt. We moesten het artikel in twee delen splitsten. Alle beschikbare bronnen hebben we doorgenomen, maar veel was er niet: niemand leek zich daarmee te hebben beziggehouden. Met onze reeks artikelen ging ook een grote verantwoordelijkheid gepaard: wat we opschreven moest kloppen. Bij foutjes zouden we onderuit zijn gehaald.

C.V.G.: Je zou kunnen stellen dat die institutionele kunstkritiek op een bepaalde manier goed aansluit bij de beeldende kunst. Is het niet moeilijker om iets gelijkaardigs te doen voor het literaire veld?

K.B.: Als ik een literair blad zou hebben geleid, zou ik precies hetzelfde hebben gedaan. Er bestaat een enorme blinde vlek in de kunst- en cultuurwereld voor de institutionele basis. Al moet ik een uitzondering maken voor Etcetera: ook een blad waardoor ik beïnvloed ben. Ik was er als student op geabonneerd. Etcetera heeft het beleid bekritiseerd en veranderd. Het was een belangrijke inspiratiebron.

D.R.: Is er bij elke institutionele kritiek niet het gevaar dat je uiteindelijk de indruk wekt dat publiek geld door de kunstensector verkwanseld wordt? 

K.B.: We hebben in alle teksten duidelijk gesteld dat de besproken instituten met te weinig geld werkten. Er werd voortdurend gesaneerd, vooral aan de kunstacademies, en er was grote financiële druk. We hebben altijd gepleit voor meer middelen, maar ook voor een ander inhoudelijk beleid. We hebben nooit geschreven: ‘Er wordt geld verkwanseld.’ Dat interesseerde ons niet. De musea kregen schandalig weinig middelen, maar ze voerden ook een slecht beleid.

D.R.: Waar haalden jullie de kennis vandaan om te oordelen?

K.B.: Nogmaals: dat heeft tijd gekost. We hebben overzichtswerken gelezen en historische achtergronden opgezocht. En dan bleek algauw dat onze gesprekspartners in de kunstwereld die achtergrond niet hadden, en voornamelijk met onbegrip en ergernis reageerden.

C.V.G.: Het is jammer genoeg niet zo dat kennis tot macht leidt, of dat mensen die macht hebben per definitie veel kennis bezitten.

K.B.: Dat klopt. We toonden aan dat sommige keizers geen kleren aan hadden. Maar dat ontlokte bijzonder negatieve reacties. Er zijn bedreigingen geuit en lastercampagnes opgestart.

O.L.: Door wie werd je bedreigd?

K.B.: Adriaan Raemdonck, de voorzitter van de Belgische kunstgaleries, de B.U.P., en directeur van De Zwarte Panter, heeft een brief naar de minister geschreven. We kregen allerlei verwijten naar ons hoofd geslingerd. Er zijn advertenties verschenen in De Witte Raaf die impliciet tegen het redactionele beleid van het tijdschrift waren gericht.

O.L.: Van wie kwamen die advertenties?

K.B.: Zeno X. En er waren daarnaast veel galeristen die niet meer wensten te adverteren, en dat was een aderlating. Kreeg ik weer een telefoontje: ‘Kijk, het zit zo en zo, ik trek me terug.’ Het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent heeft slechts eenmaal geadverteerd, namelijk voor Rendez(-)Vous, een tentoonstelling die nadien op magistrale wijze is neergesabeld door Frank Vande Veire. Het M HKA heeft in de negen jaar dat ik hoofdredacteur was nooit geadverteerd. Het PMMK adverteerde wel, maar trok zich terug eind 1992 na een kritisch artikel van Wim Van Mulders over Modernism in painting. We zijn heel kritisch geweest voor de Koninklijke Academie van Antwerpen. Daar was toen Johan Swinnen directeur. We kregen allerlei etiketten opgekleefd om ons in een hoek te zetten: we waren de sociologen van de kunst, we waren mensen die niet van kunst hielden.

C.V.G.: Waren die verwijten een zaak van zeggen of ook van schrijven?

K.B.: Beide. Op de tekst over het aankoopbeleid van het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent kregen we via via de reactie van Jan Hoet te horen. Hij had staan brullen en roepen tegen zijn personeelsleden, die het zelf een ‘nette tekst’ vonden, maar hem dat niet duidelijk konden maken.

C.V.G.: Geen schriftelijke reacties? 

K.B.: Naar aanleiding van de tekst over de aankopen van de Vlaamse Gemeenschap kreeg ik telefoon van Eric Bracke van De Morgen. Hij zei: ‘Ik wil graag weten of jullie nog achter die tekst staan.’ Een rare vraag, want het bewuste artikel was een week eerder gepubliceerd. En hij vervolgde: ‘Oké, dan weet ik genoeg.’ Vervolgens schreef hij een fulminerend artikel tegen onze tekst. We hebben natuurlijk gereageeerd, maar dat weerwoord is niet gepubliceerd. Er werd ons geen recht op antwoord gegund.

D.R.: Men was dus niet volwassen genoeg om kritiek te verdragen?

K.B.: We gingen er natuurlijk wel tegenaan. Die tekst over de aankopen van de Vlaamse Gemeenschap was echt vilein. Van Mulders had gelijk, maar hij liet van Modernism in painting werkelijk niets heel. Ik kan me voorstellen dat sommige zinnen eerder beledigend waren dan analyserend. Dirk Pültau en ik hebben ook ons steentje bijgedragen door dat soort kritische oordelen op te schrijven. Ik ben niet iemand die op de rem gaat staan als een tekst tijdens het schrijven de kritische kant opgaat. Integendeel: dan ga ik vol door. Dirk heeft op een bepaald moment het gelag betaald: hij is door Willy Van den Bussche hoogstpersoonlijk uit het PMMK gezet.

D.R.: Je had niet de neiging om vlammende teksten wat af te zwakken in de redactie?

K.B.: Nee, nooit. Ik heb nooit tegen iemand gezegd dat het wat milder kon.

D.R.: Werden jullie niet weggezet als de azijnpissers van De Witte Raaf? 

K.B.: Een groot voorbeeld was Johan Anthierens. Hij schreef in de jaren tachtig elke week een column in Knack en het was onwaarschijnlijk wat die man kon en durfde schrijven – en op welke manier! Ik heb altijd de indruk gehad dat die teksten zijn positie verstevigden en niet verzwakten. Kritiek levert je eeuwige vijandschappen op, maar ook iets positiefs: een vorm van respect. Ik durf te zeggen dat ik dat nog altijd geniet: een vorm van respect.

O.L.: In mei 1996, na de artikelen over het aankoopbeleid, werden jullie uitgenodigd op een openbare hoorzitting van de commissie Cultuur van de Vlaamse overheid. Wat is er toen gezegd?

K.B.: We zijn inderdaad geïnviteerd door de commissie Cultuur en konden daar een synthese brengen van de inzichten die we hadden vertolkt in onze teksten. Ik geloof dat bepaalde ideeën zijn opgepikt door het kabinet van Luc Martens. Veerle Aendekerk, de toenmalige vrouw van Etienne Wynants, die redactiesecretaris van De Witte Raaf was sinds 1993, werkte op het kabinet, en zeker de beleidsteksten werden daar gelezen. Later werd ik door De Standaard uitgenodigd om deel te nemen aan een paneldiscussie met onder meer Luc Martens. Ik merkte dat hij onze teksten gelezen had, of er ten minste over ingelicht was.

C.V.G.: Jullie werden ervaren als angry young men. Een tijdje terug zei Harold Polis tegen mij: ‘Brams en Pültau in de jaren negentig, dat waren mannen waar je messen op kon slijpen.’ Is dat niet een imago dat op den duur, zoals elk imago, een probleem wordt en iets onrealistisch krijgt?

K.B.: Ten eerste hebben wij dat imago, zoals je dat noemt, niet geëxploiteerd. We hebben uitgezocht hoe het beleid georganiseerd werd, we hebben erover geschreven, en daarna zijn we andere dingen gaan doen. Dat imago is voor een groot stuk gebleven, daar kun je niks aan veranderen. Als je daarmee als auteur of redacteur niet kan leven, dan doe je er beter het zwijgen toe.

C.V.G.: Maar je moet wel om de twee maanden een tijdschrift maken.

K.B.: Ik ben na die kritische analyses andere dingen gaan doen, omdat het werk af was. We hadden die analyses gemaakt. Het had geen zin om op dezelfde spijker te blijven slaan. Ik heb mij in mijn jaren als hoofdredacteur geen seconde verveeld. Ik heb nooit het probleem gehad dat ik niet wist wat ik ging doen.

C.V.G.: De Witte Raaf heeft vaak ophef veroorzaakt. Je zou dat een strategie van lawaai maken kunnen noemen, en dat is niet neerbuigend bedoeld. Maar heb je in dat geval niet een echokamer nodig, iets dat het lawaai reproduceert of versterkt? Als iets niet wordt opgepikt, wat voor soort lawaai is het dan dat je maakt?

K.B.: In die jaren kreeg De Witte Raaf persaandacht. Ik geloof dat er per jaar vijf à tien krantenartikelen verschenen over het tijdschrift. Nu is dat onvoorstelbaar. In welke rubriek zouden die moeten staan?

C.V.G.: Iets wat niet in De Witte Raaf gestaan heeft, maar wel de pers heeft gehaald: in november 1996 hebben jullie honderden exemplaren van de Verzamelde opstellen van Geert Bekaert in Brussel op straat teruggevonden, bij het groot huisvuil.

K.B.: Ja, dat klopt. Op een dag kreeg ik telefoon van Etienne. Hij vertelde me dat hij op het trottoir voor de kantoren van de Dienst Monumenten en Landschappen in Brussel tientallen dozen had zien staan met boeken van Geert Bekaert, die midden jaren tachtig door dezelfde Dienst waren uitgegeven. ‘Doen we daar iets mee?’ vroeg hij. Ik raadde hem aan om die dozen op te halen. Hij is met zijn vrouw in de auto gestapt en ze hebben al die boeken naar de kantoren van De Witte Raaf gebracht. Het was daar blijkbaar grote kuis.

C.V.G.: Vervolgens heeft Koen Van Synghel daar een artikel over geschreven in De Standaard. Mil De Kooning heeft me ooit een kopie van dat knipsel bezorgd.

K.B.: Het vervolg is ook interessant: we hebben 95% van die boeken verkocht aan Mil, die er een mooie prijs voor veil had. Dat geld hebben we vervolgens meteen geïnvesteerd in fijne teksten.

C.V.G.: Uit de media-aandacht blijkt dat jullie – het klinkt nu machtiger dan het misschien was – pionnetjes hadden in dagbladen.

K.B.: In dit geval is dat opnieuw verlopen via Veerle Aendekerk. Zij heeft als medewerker van de minister van Cultuur contact opgenomen met de Dienst Monumentenzorg. Ik geloof dat zij het nieuws over die vondst aan de pers heeft doorgespeeld.

C.V.G.: Je hebt nu al een aantal echo’s genoemd in de pers. Ik kan me voorstellen dat zoiets de werking en de redactionele lijn mee kan bepalen. Gewoon omdat je weet dat die mogelijkheid bestaat.

K.B.: We hebben die aandacht nooit zelf gevraagd. We bezorgden elk nummer aan de redacties van kranten en tijdschriften, meer actie ondernamen we niet.

 

Buitengezet

O.L.: Halverwege het decennium, in 1995, vindt na vier jaar met jou als hoofdredacteur de verzelfstandiging plaats ten opzichte van Amarant.

K.B.: Verzelfstandiging is een eufemistisch woord. Wij zijn buitengezet, en dat kan niet los gezien worden van de artikelen over het aankoopbeleid. Het artikel over het PMMK heeft Daan Rau, toenmalig directeur van Amarant én West-Vlaming, niet gewaardeerd. Ik herinner me dat we bij de kopieermachine stonden en hij zei: ‘Dat kan niet meer. Jij mag dat doen, maar ik trek me terug als verantwoordelijke uitgever.’ Hij wilde zijn naam niet meer op dat blad hebben staan. Dat was één element.

O.L.: En het tweede element?

K.B.: Het tweede element draaide om geld, zoals gewoonlijk. Amarant kampte met financiële problemen. De raad van beheer, waarvan ik inmiddels lid was geworden, werkte een oplossing uit. Een personeelslid zou worden ontslagen, de middelen voor De Witte Raaf bleven overeind. De algemene vergadering die hierover een beslissing moest nemen, werd voor geopend verklaard door de voorzitter die meteen zei wie volgens hem moest worden ontslagen. Hij wees mij aan. Ik heb ook een hele hoop verwijten te horen gekregen. Toen we nadien op café zaten – Etienne, Erik, Gauthier Dejonghe, die voor de vormgeving instond, en ik – getuigde vooral Etienne van grote strijdbaarheid: ‘We gaan De Witte Raaf in eigen beheer uitgeven.’ Ik was in eerste instantie sceptisch – voornamelijk omdat het blad stond of viel met mijn gesco-contract dat aan de vzw Amarant was toegekend – maar algauw hebben we er onze schouders onder gezet. We hebben een ambitieus plan uitgewerkt, dat volledig is gevolgd door Amarant.

O.L.: Wat was het plan?

K.B.: Er zou een nieuwe vzw worden opgericht en die nieuwe vzw zou het gesco-mandaat krijgen. Amarant zou een uitkoopsom betalen. Die bedroeg 500.000 frank, ongeveer 12.500 euro. Het archief zou worden overgedragen aan de nieuwe vzw en Amarant zou nog gedurende één jaar adverteren. Het plan is volledig aanvaard. Ik kan je wel vertellen dat de overgang bijzonder pijnlijk is geweest, financieel gezien dan. Die eerste twee jaar hebben we lange periodes gewerkt zonder maandelijks onze lonen te kunnen betalen. Subsidies werden toen pas laat uitbetaald. Pas als het ministerie de subsidies stortte, konden we worden vergoed.

D.R.: En hoe loste je dat op?

K.B.: Ik had blijkbaar een buffer om dat op te vangen, en Etienne ook.

O.L.: Uit het archief valt op te maken dat Bart Meuleman, Eddy Bettens en Bart Keunen de nodige documenten ondertekenen om een vereniging zonder winstoogmerk op te richten.

K.B.: Ja, zij deden dat om een helpende hand te bieden.

D.R.: Je was eind twintig op dat moment. Was je rijp genoeg om hoofdredacteur te worden?

K.B.: Ik vervulde die functie al sinds eind 1991. Op redactioneel vlak veranderde er niets, alleen het administratieve gedeelte was onbekend terrein, maar dat lukte wonderwel. Ik beleefde er zelfs plezier aan. Let wel, Etienne en ik kwamen in loondienst van de nieuwe vzw; we zijn nooit zelfstandigen of freelancers geworden. We hebben ook een beetje Calimero gespeeld op dat moment, moet ik zeggen.

D.R.: Calimero?

K.B.: Op de cover van het laatste nummer van 1995 stond een grote foto van Laurel en Hardy. We weten niet of het gaat lukken, zoiets wilden we daarmee zeggen. Maar we merkten dat er sympathie voor het blad bestond: het aantal abonnementen piekte, en we verkochten ook vrij veel steunabonnementen.

O.L: Etienne was redactiesecretaris, maar de eindredactie gebeurde door Erik Eelbode. Gauthier Dejonghe was vormgever. Hoe verliep de samenwerking?

K.B.: Erik was begonnen als hoofdredacteur, ik ben hem opgevolgd, maar hij is aan het blad verbonden gebleven. Hij was corrector, maar hij deed veel meer. Hij was verantwoordelijk voor de sectie fotografie in de tweede katern. Erik was ongelofelijk gedreven, en hij volgde werkelijk alles op het vlak van fotografie. Hij had een grote bibliotheek met fotoboeken en onderhield intense contacten met fotografen, onder wie Dirk Braeckman. Erik en Gauthier bleven werken bij Amarant. Om alles af te ronden – de laatste correcties, de final touch van de vormgeving – spraken we op zondag bij Gauthier thuis af. Daar legde Erik steeds de laatste hand aan de correcties. We voerden de wijzigingen in en zetten de lay-out op punt. Gauthier was heel open, hij liet zien welke keuzes tot welke gevolgen leiden. Daar stak ik veel van op. De beeldredactie deed ik alleen, maar Erik en soms ook Etienne gaven tips. Een belangrijk aspect van de aanwezigheid van De Witte Raaf had te maken met de vormgeving. Het was belangrijk om met opvallende covers te werken, met covers die in het oog sprongen. Daar heb ik veel tijd en zorg aan besteed.

D.R.: Hoe waren de taken tussen jou en Etienne verder verdeeld?

K.B.: Ik nam naast het redactionele luik ook de financiën voor mijn rekening. Dat deed ik zo efficiënt mogelijk, maar onprettig was het niet. Als je ziet dat de boutique goed draait, ben je tevreden. We waren er trots op dat we auteurs meer konden betalen dan andere tijdschriften. De overgang was een succes geworden. Op een bepaald moment waren we het blad dat het meest betaalde van alle kunsttijdschriften in Vlaanderen en Nederland. Dat maakt dat auteurs bereid waren om te schrijven voor De Witte Raaf. Etienne was altijd aanwezig, deed de abonnementenadministratie, was verantwoordelijk voor de tweede katern – die toen nog Ondertussen heette – en schreef er talloze bijdragen voor. En hij stelde ook de agenda samen. Hij was heel sociaal, hij verkeerde vaker in kunstkringen, en heeft heel wat van de kritiek op het blad te verduren gekregen. Ook typisch Etienne: op een gegeven moment heeft hij een inklapbare caddie gekocht, waarmee hij stapels van De Witte Raaf kon brengen als er ergens een presentatie of een vernissage werd georganiseerd.

O.L.: Een laatste vraag over Erik Eelbode. In de necrologie die na zijn overlijden in 2010 in De Witte Raaf verscheen, schrijf je dat er aan jullie samenwerking ‘abrupt’ een einde is gekomen. Hij schreef bijna voor elk nummer tot mei 1998, en daarna nooit meer. 

K.B.: Op een bepaald moment, dat moet dus in 1998 geweest zijn, zag ik dat Erik niet alleen in De Witte Raaf maar ook in een spin-off van Obscuur publiceerde, het fototijdschrift van Christoph Ruys. Hij schreef nagenoeg dezelfde teksten in het ene én het andere blad. Dat vond ik niet kunnen. Daar ben ik erg kwaad over geworden, en dat was het einde van de samenwerking.

O.L.: Het jaar van de verzelfstandiging, 1995, is ook het jaar waarin De Witte Raaf voor het eerst in Nederland verspreid wordt. Aanvankelijk hebben jullie het moeilijk om subsidies in Nederland te verkrijgen.

K.B.: Dat zou ik niet zeggen. We hebben geld gevraagd aan de Mondriaan Stichting, en we hebben dat meteen gekregen.

O.L.: Je hebt het geld gekregen, maar minder dan je gevraagd had. Op een van de laatste vergaderingen met Amarant wordt er daarom gezegd dat er zo’n miljoen frank (25.000 euro) misgelopen was. 

K.B.: Het is mogelijk dat we minder ontvingen dan we gewild hadden. Dat herinner ik me niet meer. Dat De Witte Raaf ook in Nederland zou worden verspreid, en dat we subsidies zouden aanvragen in Nederland, was mijn idee. Ik heb het dossier geschreven toen Amarant nog uitgever was. Er was tot dan slechts schaarse distributie in Nederland. De Mondriaan Stichting eiste dat de subsidie die zij verschaften volledig naar Nederland zou terugvloeien in de vorm van exemplaren. Dat gebeurde ook: we hebben met het bedrag dat we kregen de oplage aanzienlijk verhoogd. Als zelfstandige vzw hebben we vervolgens de contacten met de twee subsidiegevers – de Vlaamse Gemeenschap en de Mondriaan Stichting – voortgezet.

 

Jan Hoet

C.V.G.: Zijn naam is al gevallen, maar hij is een apart hoofdstuk waard: Jan Hoet. Heb je in 1986 Chambres d’Amis bezocht?

K.B.: Nee, ik reisde naar Gent met het plan om Chambres d’Amis en Initiatief 86 te bezoeken, maar ik heb mijn tijd verspeeld, of nuttig gebruikt, het is maar hoe je het bekijkt, door in tweedehandsboekhandels rond te kijken. Ik herinner me dat ik een door Willy Roggeman gesigneerde dichtbundel – Indras – heb gekocht.

C.V.G.: Wanneer begint je kennismaking met kunst en met kunst in Gent in het bijzonder?

K.B.: Nog voor 1986 bezocht ik tentoonstellingen in het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Ik bezocht vaker exposities, bijvoorbeeld in het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ook in De Warande in Turnhout gebeurden af en toe interessante dingen, vooral met en door jonge kunstenaars. Dus ik was met beeldende kunst bezig, maar niet heel grondig, het was niet mijn eerste grote liefde, zal ik maar zeggen. Mijn voorkeur ging uit naar theater, dans en literatuur.

D.R.: Een van de eerste keren dat de naam van Hoet valt in De Witte Raaf is in 1992, naar aanleiding van Documenta IX. Er worden teksten gepubliceerd van Frank Vande Veire en Steven Jacobs, naast een gesprek tussen Hoet en Heiner Müller, en een tekst van jou over de Documenta die opvallend positief is.

K.B.: Ik denk dat Documenta IX bekritiseerd kon worden, maar ik sta nog steeds achter de positieve bespreking die ik toen schreef. Ik was onder de indruk van die Documenta en het artikel is daarvan de neerslag.

D.R.: Waarom heb je het gesprek tussen Müller en Hoet gepubliceerd?

K.B.: Ik had gehoord dat er een interview of een gesprek had plaatsgevonden, en ik ben op zoek gegaan naar de tape. Ik moet erbij zeggen dat ik andere verwachtingen had. Ik had gedacht dat Müller kritischer zou staan tegenover Hoet. Maar het gesprek was interessant en om die reden heb ik het gepubliceerd.

D.R.: Waarom was het gesprek boeiend?

K.B.: Müller was een belangrijke intellectueel die geen blad voor de mond nam, net zomin als Hoet. Het feit dat er een gesprek had plaatsgevonden tussen die twee vond ik belangrijk. Over het gesprek en de Documenta is daarna een artikel verschenen in De Morgen, maar zonder dat er vermeld werd waar het interview gepubliceerd was. Max Borka was daar de auteur van.

D.R.: Hoet krijgt de vraag waar de Afrikaanse kunstenaars zijn, en hij antwoordt dat literatuur en film in Afrika veel sterker ontwikkeld zijn dan beeldende kunst. Müller was vooruitziender, en hij zegt: ‘De beste oplossing zou misschien zijn dat de volgende Documenta door een Afrikaan wordt gemaakt.’

K.B.: Er was één prominente kunstenaar uit Afrika, wiens werk op het plein stond voor het Fridericianum: Mo Edoga. Er is geprobeerd de blik te verruimen, maar die pogingen zijn beperkt geweest.

D.R.: Vlak naast jouw recensie, in het julinummer van 1992, werd de tekst gepubliceerd waarin Jan Vercruysse uiteenzette waarom hij weigerde aan de Documenta van Hoet deel te nemen.

K.B.: Ik hoorde inderdaad dat Vercruysse zich terugtrok uit Documenta IX. Het gerucht deed de ronde dat Vercruysse een tekst had geschreven, maar daar werd in de kranten niet uit geciteerd. De norm voor de kunstjournalistiek in die tijd was een kritiekloze weergave van de zogenaamde feiten. Het eerste wat ik heb gedaan – en dat deed ik gedurende heel mijn hoofdredacteurschap vanaf het moment dat er zich iets aandiende – was nagaan of het tot een publicatie in De Witte Raaf kon leiden. Ik nam telefonisch contact op met Xavier Hufkens, de galerist van Vercruysse, en toen ik even later terugbelde, kreeg ik de kunstenaar zelf aan de lijn. Hij zei: ‘Je mag mijn tekst lezen, maar je mag hem niet publiceren.’ Ik heb die tekst gelezen en ik heb Vercruysse kunnen overtuigen om publicatie toe te staan. En dat was een bom.

O.L.: Kreeg je reactie van Jan Hoet? 

K.B.: Ik ben verschillende keren in Kassel geweest, die zomer van ’92. Bij het tweede bezoek moest ik een groep rondleiden voor Amarant. Er was natuurlijk een ontbijt geregeld met Jan Hoet – het typische scenario. Terwijl de groep erbij was, was hij poeslief. Al die mensen adoreerden hem, en dat liet hij zich welgevallen. Toen we later alleen in de trappenhal stonden, is hij mij beginnen uit te schelden. Hij was razend. Het kon niet dat ik die tekst had gepubliceerd. Jan Vercruysse was plots een slechte kunstenaar met een drankprobleem – terwijl Hoet hem toch enkele maanden eerder had uitgenodigd om deel te nemen aan Documenta IX. Jan Hoet gleed altijd af naar dat soort laagheid.

O.L.: Hoe heeft Hoet later, toen je zijn aankoopbeleid bekritiseerde, gereageerd?

K.B.: Jan Hoet heeft zich jegens mij of Dirk Pültau nooit inhoudelijk uitgesproken over welk artikel dan ook in De Witte Raaf. Hij heeft ons uitgescholden voor de sociologen van de kunst of voor de Gestapo, maar hij is nooit fundamenteel ingegaan op een tekst. Willy Van den Bussche heeft dat ook nooit gedaan, Flor Bex niet, en Menno Meewis evenmin. Ik kan me niet voorstellen dat hetzelfde mogelijk zou zijn in Nederland. Nooit is er een beargumenteerde reactie geweest. We hebben in 1995 een debat georganiseerd met alle museumvertegenwoordigers. Jan Hoet was er, Flor Bex, en Lieven De Cauter was moderator. We hebben een presentatie gegeven en een debat proberen te voeren over het aankoopbeleid, maar het was een dovemansgesprek. Elke zinnige reactie bleef uit.

D.R.: De grootste vorm van censuur is waarschijnlijk niet reageren. Het is ook het meest effectief: elke reactie houdt erkenning in.

C.V.G.: Misschien is het Vlaams: een gebrek aan bewustzijn dat niet toelaat om op een zinnige manier op kritiek te reageren. En het is natuurlijk net dat gebrek aan bewustzijn waardoor die kritiek zo hard nodig is. Het is een vicieuze cirkel.

K.B.: Ik denk dat het een combinatie was. Het was een vorm van lafheid, maar inderdaad ook een manier om censuur uit te oefenen. En er was eenvoudigweg onvermogen om te reageren.

O.L.: Het verwijt van Jan Hoet was: wat jullie schrijven is te intellectualistisch. De Witte Raaf is niet kunstlievend, maar kritisch – het is kritiek om de kritiek.

K.B.: Dat was wat hij keer op keer zei. Toen hij een keer heel kwaad was op mij, is hij over mijn uiterlijk begonnen. Zo laag kon hij gaan. Je kreeg gewoon een opmerking over je uiterlijk. Niemand anders heeft ooit zoiets in mijn gezicht gegooid.

D.R.: Kon je dat van je laten afglijden?

K.B.: Ja. Ik wist dat bijvoorbeeld de tekst van Vercruysse belangrijk was. Ik was er ook van overtuigd dat onze analyse van het aankoopbeleid van het Museum van Hedendaagse Kunst accuraat was.

O.L.: Kan jou niet worden verweten dat je hem op hetzelfde hebt getrakteerd?

K.B.: Hoe bedoel je?

O.L.: Heb je hem geen persoonlijke dingen verweten?

K.B.: Ik heb mij niet uitgelaten over zijn uiterlijk. Ik heb nooit beweerd dat hij te veel of te weinig dronk, of dat hij te veel of te weinig vlees at. Dat is een groot verschil.

D.R.: Wat Vercruysse in 1992 aankaartte, als ik het goed samenvat, was dat de curator zich groter maakte dan de kunstenaars.

K.B.: Wat bij Vercruysse in het verkeerde keelgat was geschoten – daar heb ik zelf nog een levendige herinnering aan – was de manier waarop Hoet zijn selectie van de twaalf Belgische kunstenaars voor Documenta IX had bekendgemaakt. Hij was uitgenodigd in De Zevende Dag en hij stelde zijn keuze live op televisie voor. De ‘twaalf’, waartoe dus ook Vercruysse behoorde, werden bovendien gepresenteerd als zijn ploeg. Hoe moet je dat noemen? Dat is gewoon weerzinwekkend.

D.R.: Waarom?

K.B.: Een kunstenaarsselectie bekendmaken, dat doe je niet live op tv. Het leek op een prijsuitreiking! Zoiets moet je op een serene manier doen: het is iets tussen de curator en de kunstenaar, want het kan zo maar gebeuren dat een van die twaalf zegt: ‘Ik doe niet mee, omdat uw concept me niet aanspreekt.’ De kunstenaars werden ook als groep voorgesteld, wat zeker niet het geval was. Het draaide in die presentatie te veel om Hoet als selectieheer, en te weinig of niet over de inzet van de tentoonstelling, waarbij het criterium ‘nationaliteit’ secundair zou moeten zijn.

O.L.: Hoet had veel macht over de carrières van kunstenaars. In het boek Monologen met Jan Hoet uit 1989 heeft hij bijvoorbeeld over Philippe Vandenberg gezegd: ‘Het is zo klaar als een klontje dat de euforie rond Philippe Vandenberg een dramatische afloop zal kennen. Veel kopers zullen teleurgesteld zijn als ze zich realiseren dat Vandenberg geen oorspronkelijk talent is.’ In 1995 heeft Hoet Vandenberg wel een solotentoonstelling laten maken in Gent.

K.B.: Vandenberg is niet de enige. Er zijn verschillende gevallen, en sommige kennen we wellicht niet eens. Een zeer tragisch geval is Marc Maet. In 1990 heeft Hoet een tentoonstelling georganiseerd in Temse: Ponton Temse. Die expo werd voorgesteld als een try-out voor de Documenta, en dat werd opgepikt door de media. De deelnemende kunstenaars dachten dus: ‘Oké, fijn, ik ben erbij. Er zullen andere kunstenaars worden aangewezen, maar ik ben er alvast bij.’ Blijf daar als kunstenaar maar eens ongevoelig voor. En Marc Maet was daar in Temse prominent aanwezig. Van hem werd een schilderij getoond boven het altaar van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Je moet je afvragen hoe je zoiets kan doen als curator: een vrijwel abstract schilderij boven een altaar hangen in een kerk die nog voor de eredienst wordt gebruikt. Twee jaar later werd Maet niet geselecteerd voor Documenta. In 2000 heeft die man zelfmoord gepleegd.

D.R.: Leg je een verband tussen de zelfmoord van een kunstenaar en diens behandeling door Jan Hoet?

K.B.: Dat verband is door anderen gelegd. Zelf kan ik dat niet hard maken. Dat zou je moeten onderzoeken. Maar eerst opgehemeld worden en daarna weggezet worden als een onbelangrijk kunstenaar… De manier waarop Hoet sprak over kunstenaars – soms als genieën, dan weer als prutsers, terwijl het soms over dezelfde persoon ging – was afstotelijk.

D.R.: In ‘Playback’, de tekst die je in mei 2000 publiceerde toen je afscheid nam van De Witte Raaf, schrijf je: ‘De citymarketing is niet bedacht door politici, marketeers of industriëlen. Het is een product van ons, van kunstenaars, curatoren en critici. Het is het product van de maker van Chambres d’Amis.’ Is die citymarketing de kern van waar je Hoet aansprakelijk voor houdt?

K.B.: Dat is niet de kern, dat is een van de kernen. Wat ik eigenlijk het grootste bezwaar vind, is dat Hoet zich weliswaar vaak met interessante kunst bezig heeft gehouden, maar dat hij nooit in staat is geweest om dat goed te beschrijven, te analyseren, te beargumenteren en te communiceren. Verschillende generaties die hem hebben horen praten op televisie zijn helemaal verkeerd voorgelicht.

C.V.G.: Hij was de curator van het buikgevoel, en dat is de laatste decennia de norm geworden, niet alleen in de wereld van de kunst.

K.B.: Ja, maar dan hoef je nog niet voortdurend onwaarschijnlijke stommiteiten te vertellen! En dat is gedurende Hoets carrière crescendo gegaan. Hij werd overal opgevoerd en er was geen tegenstem meer mogelijk.

C.V.G.: Vanaf wanneer is het fout gelopen? Hoet heeft bijvoorbeeld een televisieprogramma als Container publiekelijk verdedigd, misschien ook omdat de tentoonstelling Open mind: gesloten circuits het onderwerp was van een van de uitzendingen. Het toont hoe hij eind jaren tachtig vormen van kritisch discours ondersteunde. Is zijn Documenta daarin een keerpunt geweest?

K.B.: Dat durf ik niet te zeggen. Na Documenta IX opende de tentoonstelling Rendez(-)Vous in het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Dat was een project van Bart De Baere, maar Hoet was terug in het land en hij heeft dat project met de bekende prietpraat naar zich toe getrokken. Maar het was al heel vroeg zo. In 1980, bijvoorbeeld, tijdens de tentoonstelling Kunst in Europa na ’68, kwam hij op tv en stelde hij het werk van Marcel Broodthaers voor. Hij zei letterlijk voor de camera dat de palmbomen ‘leven brengen in het museum’, terwijl het Broodthaers om iets anders ging: hij stelt het institutionele kader van het museum aan de orde – hij stelt het museum in vraag, zonder meteen een oplossing aan te reiken. Hoet vond Broodthaers terecht een belangrijk kunstenaar, maar hij zei over diens werk de verkeerde dingen. En dat dus voor een groot publiek. Zijn discours is stelselmatig minder geraffineerd geworden, om het zo maar eens uit te drukken.

D.R.: Is Hoet een product geweest van de televisie, een medium dat de neiging heeft licht narcistische persoonlijkheden naar boven te stuwen?

K.B.: Televisie was niet het enige medium dat daaraan heeft bijgedragen. De schrijvende pers is ook belangrijk geweest. Die was steeds meer op zijn hand. Hij heeft altijd geklaagd over de slechte pers die hij kreeg, maar er zijn weinig artikels geschreven waarin hij bekritiseerd werd. De Gentenaar was een krant waarin hij op handen werd gedragen. Hij genoot ook grote steun van verzamelaars.

D.R.: Is dat je grootste vijandschap geweest, met Jan Hoet?

K.B.: Nee, dat woord zou ik niet gebruiken, daarvoor heb ik te veel goede herinneringen aan hem. Ik bleef niet weg uit het museum in Gent, en als je naar het museum ging, dan was de kans groot dat je Hoet tegen het lijf liep. Op een bepaald moment was er een collectiepresentatie, en hij kwam op ons af. Ik was daar samen met Dirk Pültau. Hij vroeg: ‘Wat vinden jullie ervan?’ En wij zeiden: ‘We hebben toch wel wat opmerkingen.’ ‘Welke opmerkingen?’ vroeg hij. ‘Ja,’ zei ik, ‘kijk bijvoorbeeld naar dat werk van René Daniëls. Ik begrijp niet waarom dat naast al die andere werken hangt.’ Hoet was verbolgen. Hij trok ons mee naar de bewuste zaal, nam die Daniëls van de muur en stopte het schilderij in mijn handen. Plots stond ik daar dus met een werk van René Daniëls in mijn handen, en Hoet riep: ‘Hangt gij dat nu maar op!’ Ik heb daar geen slechte herinnering aan. Een tweede voorval: ik kwam binnen in het museum bij een opening, ik weet niet meer van welke tentoonstelling, en hij begon meteen te roepen – toen heeft hij trouwens die opmerking over mijn uiterlijk gemaakt. Ik begon ook te roepen. Het was erg: de museumbezoekers – dat was nog in het Museum voor Schone Kunsten, want het S.M.A.K. was in aanbouw – zagen twee razende gekken staan roepen en tieren. Na een poosje kalmeerde hij plots, en zei hij: ‘Kom, ik zal u het nieuwe museum laten zien.’ Hij gaf een rondleiding op de werf, en daarna zijn we nog op restaurant gegaan – Piet Vanrobaeys was er onder meer bij – en hij heeft alles betaald, tot en met de drank. Dus ook dat is geen slechte herinnering. De laatste keer dat ik hem zag was bij een symposium in De Vleeshal in Middelburg. We hebben elkaar gesproken, zonder ruzie of vijandschap. Vijandschap is een verkeerd woord om de miscommunicatie met hem te omschrijven.

C.V.G.: Het is een algemene vraag naar de zin van kritiek, maar om het zowel beknopt als pathetisch uit te drukken: wat heeft het allemaal voor zin gehad, al je werk in en voor De Witte Raaf?

K.B.: Dat moet ieder voor zich uitmaken. Dat er verzamelbundels met essays uit De Witte Raaf van bijvoorbeeld Bart Verschaffel, Frank Vande Veire, Paul De Vylder, Rudi Laermans, Steven Jacobs en Dirk Lauwaert zijn verschenen, bevestigt in ieder geval dat we meer maakten dan een kunstkrant waarvan de levensduur slechts twee maanden bedraagt. Dat twee essays – van Pierre Bourdieu en Jacques Derrida, die op onze kosten uit het Frans zijn vertaald – nadien in boekvorm zijn uitgegeven bij Boom, zie ik ook als positieve feedback. Tja, wat het heeft uitgehaald? Ik heb mij in ieder geval ongelofelijk geamuseerd. Het was een totaalervaring, die jaren bij De Witte Raaf, en ik durf ook zeggen dat het een gedeelde ervaring was, met anderen dus. Met veel auteurs heb ik de beste banden gehad, van begin tot einde.

C.V.G.: En de impact van het blad?

K.B.: Ik kan daarop antwoorden met een verwijzing naar een statement van Lawrence Weiner. Ik herinner me een publiek gesprek tussen Chris Dercon en Weiner in het Haus der Kunst in München. Op een gegeven moment stelt iemand een gelijkaardige vraag aan Weiner, waarop hij antwoordt: ‘Kijk, het feit dat ik hier zit, dat zegt toch genoeg?’ Dat ik tot zeer kortgeleden nog steeds gezien werd als de hoofdredacteur van De Witte Raaf, terwijl ik zelf nooit meer heb voorgewend dat te zijn – dat zegt voor mij genoeg.

O.L.: Als je het over verzamelbundels en publicaties hebt, bedoel je dan de boeken die eind jaren negentig in de door jou begeleide reeks De gelaarsde kat bij uitgeverij Yves Gevaert verschenen?

K.B.: Ja, onder meer. Het initiatief kwam van Yves Gevaert en ik heb vervolgens veel tijd besteed aan het begeleiden van auteurs en het redigeren van teksten. In de reeks De gelaarsde kat zijn Artikels van Dirk Lauwaert in 1996 en De geplooide voorstelling van Frank Vande Veire een jaar daarna verschenen. Alle andere genoemde auteurs hebben elders hun teksten gebundeld, onder meer in de reeks Vlees en beton.

O.L.: In 1998 wordt De Witte Raaf Boeken opgericht. Waarom liep de samenwerking met Yves Gevaert ten einde?

K.B.: Na de publicatie van de vertaling van Carl Einsteins Bebuquin in 1998 – het derde boek in de reeks – ontstond onenigheid tussen mij en Gevaert. Ik weet nog steeds niet wat er precies speelde. Was hij teleurgesteld over de verkoop van de essaybundels? Artikels van Dirk Lauwaert kreeg nochtans lovende reacties, en voor De geplooide voorstelling kreeg Frank Vande Veire de prijs voor de kunstkritiek van de Vlaamse Gemeenschap. Na de breuk hebben Etienne en ik beslist om De Witte Raaf Boeken op te richten.

O.L.: Zijn er onder die naam ook boeken uitgegeven?

K.B.: We hadden plannen om een boek uit te geven van Marc De Kesel. We lieten een ontwerp maken door Gert Dooreman, er werd een inhoudsopgave gemaakt en er waren zelfs financiële middelen, maar het is er niet van gekomen. Ik had de energie niet meer om dat erbij te doen. De uitgeverij is een lege huls gebleven. Dat ikzelf eind 1999 gevraagd werd om me kandidaat te stellen als directeur van de Jan van Eyck Academie had daar ook mee te maken.

 

De vijver met auteurs

O.L.: Je sprak over de jarenlange banden die je onderhield met auteurs. Kan je de profielen van de auteurs die voor De Witte Raaf schreven kort schetsen?

K.B.: Ik was precies geïnteresseerd in het tegenovergestelde: er mocht niet zoiets als een typisch profiel bestaan of ontstaan. Ik weet niet of ik daarin geslaagd ben. Vanaf het moment dat ik geboeid werd door het werk van een auteur, om welke reden dan ook, probeerde ik hem of haar bij het tijdschrift te betrekken. Er werd me verweten dat ik ze uit dezelfde vijver viste, maar dat is niet waar, denk ik. Er zijn verschillende soorten auteurs bij De Witte Raaf betrokken geweest, en dat was precies wat ik voor ogen had.

D.R.: Welke vijver zou dat dan zijn geweest?

K.B.: Dat weet ik ook niet. Ik herinner me een publiek debat, waarbij Luk Lambrecht opstond en zei: ‘In De Witte Raaf schrijven altijd dezelfde mensen.’ Er zijn een aantal mensen die veel hebben bijgedragen, dat klopt, maar ik heb geprobeerd om steeds andere mensen bij het blad te betrekken. Dat was een uitgangspunt. Soms pakte het niet goed uit: dan had je je hoop op iemand gevestigd, en dan bleek de samenwerking niet vruchtbaar.
O.L.: Hoe bepaalde je welke thema’s aan bod kwamen?

K.B.: De onderwerpen hadden vaak betrekking op de actualiteit. Ik bracht over het thema ‘actualiteit’ en ‘het hedendaagse’ zelf verschillende teksten en nummers uit. Maar ook de Eerste Golfoorlog, de belegering van Sarajevo, tien jaar commerciële televisie, globalisering en political correctness zijn aan bod gekomen. Naar aanleiding van De Witte Mars vroeg ik bijvoorbeeld een tekst aan Rudi Visker, die een groot stuk over de crisis van de democratie schreef. Het was een fantastische tekst, maar het heeft me veel moeite gekost om de pen van de auteur in beweging te krijgen: ik moest eerst op audiëntie komen. Ook belangrijk is dat de thema’s die we aansneden op de agenda bleven staan. Ik ging er niet van uit dat met één tekst een bepaald onderwerp afgehandeld was.

D.R.: Was de gemeenplaats ook zo’n thema?

K.B.: Ja. We hebben veel plezier beleefd aan het woordenboek van pasklare ideeën over kunst en maatschappij, een idee van Eddy Bettens, die nogal kritisch tegenover de kunstwereld stond. Met een heel team hebben we alle clichés en gemeenplaatsen uit Nederlandstalige kunstrecensies gelicht, maar zonder de auteur te vermelden.

O.L.: In ‘Playback’ zeg je dat je niet over kunst kan schrijven zonder een toevlucht te nemen tot clichés.

K.B.: Dat was de grote les uit dat nummer, dat trouwens niets heeft teweeggebracht. Geen boze recensies, geen auteurs die hun becommentarieerde stukjes wilden verdedigen, of die onze commentaren wilden contesteren, niets. Het viel als een dode mus op een steen.

D.R.: De lezers moesten natuurlijk een cliché kunnen herkennen als een cliché.

K.B.: Misschien was het inderdaad iets te gesofisticeerd, al heb ik goede herinneringen aan de samenwerking met de verschillende medewerkers, die anoniem bleven.

O.L.: Waren er onderwerpen waar je geen auteurs voor kon vinden?

K.B.: Ik wilde graag monografische teksten publiceren en dat is in onvoldoende mate gelukt.

D.R.: Schrijvers die frequent in De Witte Raaf publiceerden, Frank Vande Veire bijvoorbeeld, of Steven Jacobs en Dirk Lauwaert, waren die daar niet toe in staat?

K.B.: Zij – maar ook andere auteurs – hebben zeer inspirerende monografische stukken geschreven. Maar monografische stukken op uitnodiging schrijven, dat is blijkbaar een moeilijke opdracht. Frank en Steven hebben, en dat juichte ik alleen maar toe, de meerderheid van hun bijdragen zelf voorgesteld. Frank zei bijvoorbeeld dat hij bezig was met het werk van Pierre Klossowski. Ja, graag, antwoordde ik dan. Idem dito toen hij een bijdrage over Ilya Kabakov voorstelde.

C.V.G.: Ik heb het helaas niet kunnen terugvinden, maar Hans Theys heeft ooit geschreven dat jij hem opbelde met de vraag om een tentoonstelling stevig aan te pakken.
K.B.: Zo heb ik me nooit uitgedrukt. Ik benaderde hem om een tekst te schrijven over een luik in de tentoonstellingsreeks Critical Distance die Luk Lambrecht in 1993 en ’94 op touw zette in de Ado Gallery in Antwerpen. Theys vroeg me wat ik ervan vond en ik sprak me er in negatieve termen over uit. Hij aanvaardde de opdracht, maar kwam vervolgens met een tekst waarin over die tentoonstelling zo goed als niets te lezen was. Ik weigerde de tekst. Dat was het begin en het einde van onze samenwerking. Hij behoorde tot de meest kritische volgers van het blad, om het zacht uit te drukken.

C.V.G.: En dat had niets te maken met het oordeel over de tentoonstelling?

K.B.: Nee, omdat hij over die tentoonstelling haast geen letter op papier had gezet. Voor alle duidelijkheid: ik heb teksten gepubliceerd waarin zowel positieve als negatieve kritiek werd geformuleerd waarmee ik het volledig oneens was. Ik herinner me een tekst van Luk Lambrecht over een tentoonstelling van figuratieve schilderkunst in Het Kruithuis in ’s Hertogenbosch. Ik kon me niet vinden in zijn negatieve kritiek, maar zijn stelling was beargumenteerd, en om die reden heb ik die tekst gepubliceerd.
C.V.G.: Je hebt ook gezegd, in ‘Playback’ geloof ik, dat je alleen mensen kan vragen die al een tekst in gedachten hebben – dat je schrijvers niet kunt overhalen om kunstkritiek te bedrijven.
K.B.: Dat gevoel kreeg ik inderdaad. Ik geef in ‘Playback’ het voorbeeld van een anonieme kunstenaar, maar dat ging over Paul De Vylder. Op een bepaald moment heb ik hem gevraagd: ‘Zou jij een tekst willen schrijven over het oeuvre van een andere kunstenaar?’ En hoewel we een prima verstandhouding hadden, reageerde hij geprikkeld: zo’n belachelijk idee had hij nog nooit gehoord! Het motiveren van mensen om over kunst te schrijven die het niet willen, dat was een onbegonnen zaak.

D.R.: Bestaat dan niet het gevaar dat er verstarring optreedt? Dat schrijvers, om het lelijk te zeggen, in hun comfortzone blijven zitten?

K.B.: Ik denk dat ik heel wat auteurs heb uitgedaagd. Er dienden zich steeds nieuwe auteurs aan, ook Nederlandse critici. Zo is Sven Lütticken eind 1995 in De Witte Raaf gedebuteerd. Hij stuurde een enveloppe op met een tekst over Jean-Marc Bustamante. Het was goed, het was een nieuw geluid. Daarna heb ik hem geregeld om stukken gevraagd. Hij droeg bijvoorbeeld een uitstekende tekst bij over de introductie van de term ‘installatie’ in de kunstwereld – een essay dat hij op mijn vraag schreef. Auteurs van wie ik het werk elders had gelezen en geapprecieerd, heb ik telkens benaderd.

D.R.: Hoe deed je dat?

K.B.: Met sommige mensen sprak ik af, maar de meeste medewerkers belde ik op. We spreken over het tijdperk van de telefoon en de fax. E-mail en internet bestonden nog niet. Je kon een brief sturen, maar dat kan makkelijk verkeerd vallen. Aan de telefoon hoorde je onmiddellijk hoe de vlag erbij hing. Tijdens telefoongesprekken kan je snel dingen repareren, en het is de beste manier om iemand te motiveren om te schrijven. Ik probeerde mensen uit te dagen met ideeën.

D.R.: Kun je daar een voorbeeld van geven?

K.B.: Dirk Lauwaert was een auteur die vaak op zulke vragen inging, tot ver in de jaren negentig, tot zijn essaybundel Artikels verscheen. Daarna liet hij me weten dat hij voortaan zelf zijn onderwerpen zou kiezen. Maar elk voorstel dat ik in de periode daarvoor deed, heeft hij aangenomen. Dat was een ongelofelijke sensatie. Ik kon met veel verschillende onderwerpen komen aanzetten. Het strafste wat dat betreft gebeurde naar aanleiding van een grote retrospectieve van Gerhard Richter in Parijs, eind 1993. Toen ik hem uitnodigde daarover te schrijven, zei hij: ‘Ik zat al te wachten tot je belde.’ Het resultaat: een lang essay van acht tot tien bladzijden. Vervolgens reisde de tentoonstelling naar Bonn. En toen dacht ik: ik ga hem vragen om een tweede tekst te schrijven over Richter. ‘Maar je weet toch dat ik daar al over heb geschreven?’ zei hij. Hij is gaan kijken, en hij kwam terug met een even lange, maar compleet andere tekst! Hij heeft twee totaal verschillende facetten van de schilderkunst van Richter behandeld.
O.L.: Je zei dat je geen profiel wilde bepalen voor auteurs van De Witte Raaf. Toch is het zo dat bepaalde profielen, als ik dat woord mag gebruiken, in de minderheid zijn: kunstenaars die zelf schrijven, of tentoonstellingsmakers.
K.B.: Ik heb actief geprobeerd om personen die in het veld werkzaam waren aan het schrijven te krijgen. Zo schreef Dirk Snauwaert een recensie van de catalogus van Documenta IX, deed Piet Coessens zijn visie op de omgang met het publiek uit de doeken, en gaf Xavier Douroux toelichting bij zijn verzamelbeleid voor Le Consortium. Ik heb teksten van kunstenaars gepubliceerd, bijvoorbeeld van Marlene Dumas, Ilya Kabakov, Gerhard Richter, Luc Tuymans. Veel van die teksten zijn op mijn vraag geschreven.

O.L.: Ging dat louter om teksten?

K.B.: We hebben kunstenaars af en toe gevraagd om een artistieke bijdrage. Dat was enorm interessant, maar het vereiste flink wat inspanning. Ik zie de fax met de tekst van Lawrence Weiner nog uit het apparaat rollen. In 1993 heb ik Joëlle Tuerlinckx om een interventie gevraagd. Ze is met de haar kenmerkende rigueur aan de slag gegaan. Haar ingreep bestond erin een tekst twee keer na elkaar te laten afdrukken in hetzelfde nummer, één keer met en één keer zonder illustratie. Over de tekst zonder afbeelding heeft ze een raster van vlekjes gelegd. Ze heeft daar veel tijd aan besteed, maar het ging volledig mis bij de druk, zodat het werk om zeep geholpen werd. Bénédicte Jacobs heeft de oplage van één nummer geïmpregneerd met parfum. Dat proces is destijds door Etienne begeleid. Ik weet nog dat we in Witte de With stonden toen er een lading met nummers binnenkwam, de geur was heel intens. Mensen keken om zich heen, wat was er aan de hand? Niemand wist waar die geur vandaan kwam.

O.L.: Was je je ervan bewust dat er minder vrouwelijke auteurs bijdroegen aan De Witte Raaf? Of werd daar geen punt van gemaakt?

K.B.: Ik heb zeker naar vrouwelijke auteurs gezocht. Ik streefde sowieso naar een zo groot mogelijke diversiteit. Had ik meer mijn best moeten doen? Dat kan. Maar er springen mij onmiddellijk namen te binnen: Jorinde Seijdel bijvoorbeeld, Elke de Rijcke, Mieke Bal en Ilse Kuijken. Zij heeft onder meer Mark Manders geïnterviewd, en heeft het beleid van het Middelheimmuseum geanalyseerd.

D.R.: En hoe ging je op zoek naar nieuwe buitenlandse auteurs?

K.B.: Ik ging vaak langs bij boekhandel Tropismes, om te zien of er zich nieuwe auteurs in het Franse taalgebied aandienden. Ik hield alle tijdschriften bij in de bibliotheek van de faculteit filosofie in Leuven. Zo merkte ik teksten op van Gert Mattenklott en W.J.T. Mitchell. Meestal werd ik op het werk van buitenlandse auteurs geattendeerd door vrienden of medewerkers. Eddy Bettens gaf vaak tips, net als Marc De Kesel. Dankzij Rudi Laermans kwam ik Henri-Pierre Jeudy op het spoor, en diens visionaire tekst over de recuperatie van de kunstenaar als sociaal werker.

D.R.: Zou je aan de hand van al die auteurs een typische De Witte Raaf-tekst kunnen aanwijzen?
K.B.: Ook dat wilde ik juist vermijden. Het beeld van De Witte Raaf is minder divers dan het blad eigenlijk was. Ik heb bijvoorbeeld een keer een nummer gemaakt over geweld. In die tijd, in 1994, had Jan Decorte net zijn versie van Macbeth op de planken gebracht: Bloetwollefduivel. Ik had dat stuk gezien, en ik heb hem benaderd met de vraag of we zijn theatertekst konden publiceren. Dat was het streven: ook voor toneelteksten was plaats in De Witte Raaf.

D.R.: Ik kan me niet herinneren die tekst te zijn tegengekomen.

K.B.: Decorte wou graag eerst een nummer De Witte Raaf toegestuurd krijgen voordat hij een beslissing over publicatie zou nemen. Toen ik hem daarna opbelde zei hij vlakaf: ‘Ik wil mijn tekst niet afgedruk zien op krantenpapier.’

Linda Warmoes en andere fictieve kunstenaars

D.R.: Een voorbeeld van een ‘andersoortige tekst’ is het feuilleton KUNST van de auteur Linda Warmoes, dat in 1996 begon op de pagina’s van De Witte Raaf.

K.B.: Ik had het idee om een satirische roman te schrijven over de kunstwereld in België en Nederland – een wereld die op veel manieren gewoon lachwekkend wás. Ik sprak erover met Bart Meuleman, die mee wilde doen, maar we moesten op zoek naar een Nederlandse auteur. We hadden een insider nodig die over de Nederlandse kunstwereld kon schrijven. Toen ik een column las van Cornel Bierens, in Metropolis M, wist ik: dat is onze man! Tijdens de eerste vergadering hebben we bepaald dat we zes afleveringen zouden schrijven, en meteen ook het eerste scenario geschetst. We hebben het boek geschreven door één keer om de twee maanden samen te komen en zo het scenario verder te ontwikkelen. Toen de eerste aflevering verscheen, wisten we nog niet hoe het zou eindigen. Het enige dat vaststond, was dat we heel de kunstwereld op de hak gingen nemen.

D.R.: Had je bij dat feuilleton een voorbeeld voor ogen?

K.B.: Er was maar één voorbeeld, en dat was de werkelijkheid. Elke persoon die opgevoerd werd, ging terug op een reële persoon, behalve de tegenspeler van de hoofdfiguur. En Jan Hoet werd door drie personages belichaamd. Eén personage was in zijn geval te weinig.

O.L.: Ik moet zeggen dat het boek van Linda Warmoes niet zo makkelijk leest. Het is twintig jaar na dato erg moeilijk te begrijpen.

K.B.: Ja, twintig jaar is lang. Enkele mensen die gepersifleerd werden, zijn al overleden. Wij reageerden op recente gebeurtenissen, die we meteen verwerkten. Zelf zou ik het waarschijnlijk ook moeilijk vinden om alle referenties nog te snappen. Laatst zag ik in een café een van die ‘personages’ zitten, Jan Van Hove van De Standaard, maar ik was de naam van zijn personage vergeten. Ergerlijk! Mijn gesprekspartner hielp me: het was Janssen & Janssens.

D.R.: Hoe waren de reacties?

K.B.: Mensen belden op om te zeggen dat ze zich herkend hadden, Xavier Hufkens bijvoorbeeld. En ze vroegen me voortdurend: wie is die Linda Warmoes?

D.R.: Kwamen er louter positieve reacties op de satire?

K.B.: Het was vooral controversieel voor mensen rond De Witte Raaf. Ik denk niet dat bijvoorbeeld Dirk Lauwaert of Paul De Vylder ermee konden lachen: zoiets was niet hun ding.

O.L.: De zes afleveringen werden nadien gebundeld en in boekvorm uitgegeven. Wie is de vrouw die op de achterflap van het boek staat?

K.B.: Dat is actrice Manja Topper. We waren van plan te eindigen met een interview met Linda Warmoes, waarin we zouden laten zien dat de werkelijkheid meestal belachelijker is dan de satire. Toen ontvingen we een uitnodiging van W139 in Amsterdam. Ze vroegen of Linda Warmoes te gast wilde zijn op een evenement. We zaten dus met een probleem. Bart kende Manja goed, en op zijn vraag zei ze onmiddellijk toe. Zij werd door W139 als Linda Warmoes voorgesteld, terwijl wij daar zenuwachtig in de zaal zaten. Het kwam tot een gesprek tussen haar en Joseph Kosuth. Van dat onderhoud zijn foto’s gemaakt.

O.L.: Ze viel daarbij niet door de mand?

K.B: Neen, we hadden haar goed gebrieft. Het geheim van Linda Warmoes wordt bij deze voor het eerst onthuld. Niemand, ook Dirk Pültau niet, wist wie Linda Warmoes was. Pas na de publicatie van het boek heb ik het hem verteld. Hij verzorgde de inleiding bij de presentatie in het M HKA.

O.L.: Hoe verliep de verkoop?

K.B.: De satire kreeg een tragische afloop. Toen de uitgever, Paul Verrept, met de hele oplage van de drukker kwam, is hij betrokken geraakt bij een auto-ongeval. Gelukkig kwam hij er met de schrik van af, maar het merendeel van de exemplaren was onverkoopbaar.

C.V.G.: Nu we toch met onthullingen bezig zijn: wil je ook bekendmaken wie de stripreeks De lage landen heeft gemaakt, waarvan tot mei 2000 in totaal 14 paginagrote afleveringen verschenen? Als auteurs worden B. Kartoen en Buck Spender genoemd.

K.B.: Buck Spender oftewel Serge Baeken is de tekenaar, en B. Kartoen staat voor Bart en Koen, voor Bart Meuleman en mijzelf dus. Wij schreven het scenario, waarin de kunstwereld op nog een andere manier te kijk werd gezet. We dachten aan Serge als tekenaar en vroegen hem bij wijze van proef om een karikatuur van Jan Hoet te maken. Die was weergaloos. We waren meteen overtuigd. Serge was niet bekend met de kunstwereld, dus een belangrijke taak voor ons was het verzamelen van fotomateriaal. We benaderden daarvoor Luc Van Acker, een goede vriend van Erik Eelbode, en we vroegen hem aanwezig te zijn op plaatsen waar lokale helden vertoefden.

O.L.: Naar het schijnt waren mensen beledigd als ze opgevoerd werden in de strip, en als ze er niet in stonden, dan was het evenmin goed, want dat betekende dat ze niet belangrijk waren.

K.B.: Je hebt geen idee hoeveel plezier we daaraan beleefd hebben, alleen al met de eerste aflevering, een groepsportret gebaseerd op een prent van Jacques Charlier uit de jaren zeventig.

C.V.G.: Jullie klaagden in de kritische stukken een gebrek aan professionaliteit aan in de kunstwereld, maar tegelijkertijd was het de kracht van De Witte Raaf in die jaren dat het tijdschrift bewust dilettantisch werd opgevat. Bereikten die speelsheid en die multidisciplinariteit hun hoogtepunt aan het eind van de postmoderne jaren negentig, en dan lang niet alleen in De Witte Raaf?

K.B.: We verweten niemand een gebrek aan professionaliteit, we verweten instituten en individuen een gebrek aan inhoud. Dat is iets anders. In ‘Playback’, en ook in andere teksten en lezingen, heb ik juist de professionalisering van de kunstwereld aangeklaagd. Dat was en blijft een enorm probleem: het maakt veel dingen bij voorbaat onmogelijk. En wat je tweede punt betreft: ik heb niet de indruk dat De Witte Raaf surfte op de golven van de lichte speelsheid die zo typisch was voor de jaren negentig. Het idee achter het feuilleton en de stripreeks De lage landen was dat er in de kunstwereld zoveel aan de hand is dat je niet kan behandelen in kritische of theoretische teksten. We moesten daarvoor op zoek naar andere middelen.

D.R.: De Encyclopedie van fictieve kunstenaars was een ander project dat tegelijk speels en ernstig te noemen is.

K.B.: Voor mij blijft dat idee verbonden met Brussel, waar ik toen woonde. Op een avond ging ik wandelen, en ineens had ik die ingeving: een encyclopedie maken van fictieve kunstenaars uit de wereldliteratuur! Ik dacht dat ik het groot lot had gewonnen, financieel en intellectueel, en ik was ervan overtuigd dat het schitterende teksten zou opleveren. Ik heb een vergadering belegd met Bart Meuleman, Rokus Hofstede en Eddy Bettens, maar aan het eind van die bijeenkomst hadden we niet meer dan twintig namen verzameld. Het bleek lastig om van alle romans die we hadden gelezen de kunstenaarspersonages voor de geest te halen. Ondertussen begon ik aan een bibliografie van teksten over het thema van de fictieve kunstenaar. Dat leverde een meter fotokopies op: vooral in de Duitstalige wereld was het een populair thema. In die teksten en boeken trof ik heel wat mogelijke namen aan. De auteurs die ik voor het project mobiliseerde – een vijftigtal – droegen ook zelf met namen aan. Uiteindelijk ontstond een lijst van vijfhonderd fictieve kunstenaars, waarvan er enkele honderden zijn terechtgekomen in de twee afleveringen van de Encyclopedie in De Witte Raaf.

O.L.: Het project doet mij denken aan Het boek van de denkbeeldige wezens van Jorge Luis Borges.

K.B.: Borges was een auteur die ik via Raster had leren kennen, maar hij was niet de inspirator. Dat was Carel Blotkamp, die een prachtig essay had geschreven met als titel ‘The End’. Hij begon dat essay met een verhaal van Albert Camus, over de kunstenaar Gilbert Jonas, die veel successen oogst, en dan, onder druk van alle aandacht van zowel leerlingen als critici, een neergang beleeft en door alles en iedereen in de steek wordt gelaten. Uiteindelijk stort Jonas van uitputting in, en een vriend treft zijn laatste doek in zijn atelier aan. Dat doek is leeg, met uitzondering van één woord, waarvan niet duidelijk is of het om ‘solidair’ of ‘solitair’ gaat. Die tekst en vooral Blotkamps accurate biografie van Jonas zette me op weg naar de Encyclopedie. Nadien – in 2000 – publiceerde ik de tekst van Blotkamp in De Witte Raaf.

D.R.: Hoe ging je op zoek naar auteurs om bij te dragen aan de Encyclopedie?

K.B.: Deels ging het om schrijvers die reeds aan De Witte Raaf meewerkten, zoals Steven Jacobs, Sven Lütticken en Bart Keunen, deels om auteurs uit onze kennissenkring, zoals Geert Buelens, Bert Bultinck en Martin de Haan. Die medewerkers kwamen zelf ook met voorstellen voor andere auteurs. De Encyclopedie, dat was een piramidespel! Het uitgangspunt was dat een auteur alle informatie over de fictieve kunstenaar moest verzamelen en daar een levendig lemma van moest maken. Het was een enorme klus om dat allemaal te redigeren. En trouwens ook om die lemma’s te schrijven. Eddy Bettens schreef over de schilder Wyatt Gwyon uit The Recognitions van William Gaddis – een roman van bijna duizend pagina’s.

D.R.: Je hoeft toch niet dat hele boek te herlezen om het lemma te schrijven?

K.B.: Nee, maar idealiter moest je alle informatie over het betrokken personage op een rij hebben. Afhankelijk van de rol van het personage in het boek kon je als auteur beslissen om het werk slechts gedeeltelijk of helemaal door te nemen. Je moet beseffen dat de Encyclopedie is gemaakt net voor de doorbraak van internet. We waren bijna klaar met het boek, toen ik met Dirk Pültau telefoneerde. Ik zei hem dat er tien fictieve kunstenaars in de lijst stonden van wie ik betwijfelde of ze echt fictief waren. Toen zijn we samen in encyclopedieën gaan zoeken, in repertoria van bestaande kunstenaars. Als we ze niet konden vinden, dan gingen we ervan uit dat ze niet bestonden.

D.R.: Zeker ben je natuurlijk nooit.

K.B.: Uiteindelijk is er één reële kunstenaar in het boek verzeild geraakt. Steven Jacobs had het lemma over de zeventiende-eeuwse Italiaanse beeldhouwer Serpotta geschreven, die voorkomt in een roman van Vincenzo Consolo. Steven kwam enkele maanden later terug van een reis uit Italië en zei: ‘Ik heb ongelofelijk slecht nieuws: Giacomo Serpotta heeft echt bestaan.’

C.V.G.: Was het lastig om een uitgeverij voor het boek te vinden?

K.B.: Ik heb het manuscript opgestuurd naar drie uitgevers en Nijgh & Van Ditmar reageerde onmiddellijk, of beter gezegd: Harold Polis die daar destijds werkte, zei meteen dat hij het wilde uitgeven. Van de anderen heb ik nooit iets gehoord. Nijgh & Van Ditmar keerde een niet-terugvorderbaar voorschot uit dat ik volledig in de uitbreiding van de verzameling fictieve kunstenaars heb geïnvesteerd.

D.R.: Kende je Harold Polis?

K.B.: Ik had hem een keer gesproken op een bijeenkomst van Vlaamse tijdschriften. Hij zat bij het tijdschrift Sampel.

O.L.: Buitenlandse uitgevers pikten het boek op. Het werd in het Duits vertaald.

K.B.: In het Duits en in het Engels. Hans Magnus Enzensberger zag het boek liggen op de boekenbeurs in Frankfurt. Hij was redacteur van een boekenreeks bij uitgeverij Eichborn, en hij zei onmiddellijk: ‘Dit boek moet ik hebben.’ Hij heeft de rechten gekocht. Maar omdat het boek in zijn reeks niet te dik mocht worden, zijn met name nogal wat Vlaamse en Belgische kunstenaars gesneuveld.

D.R.: En de Engelse vertaling?

K.B.: Die kwam veel later tot stand. Krist Gruijthuijsen stelde voor het boek in het Engels te laten vertalen, met extra aanvullingen, en daarnaast echte kunstenaars te vragen om op die teksten te reageren. Op mijn aandringen werden het twee aparte bundels met één wikkel errond, uitgegeven bij JRP Ringier.

D.R.: Meer dan over kunst of kunstenaars, zegt zo’n verzameling iets over hoe de wereld de afgelopen eeuwen tegen kunst heeft aangekeken, dat heb je zelf ook al geschreven. Er komen nogal wat clichés aan bod, en met opvallend veel van de fictieve genieën loopt het slecht af.

K.B.:.Een grappige anekdote: ik was op een receptie bij de inhuldiging van twee Vlaamse administratiegebouwen in Brussel: de Ferraris en Conscience. Twee kunstenaars zijn mij toen in alle ernst komen zeggen dat ze zwaar beledigd waren door het boek, wat op zich hilarisch was. Ze vonden dat we de kunst belachelijk maakten! Op geen enkele manier was dat boek een aanval op reële kunstenaars. Nee, je zou eerder kunnen spreken van een kritiek op de manier waarop mensen die er vaak weinig van afweten – literaire auteurs – naar kunst en kunstenaars kijken. Jammer genoeg werd het boek een commerciële flop. Na een jaar kreeg ik een brief van de uitgever dat het boek zou worden verramsjt. Ik heb de volledige restoplage opgekocht.

 

Nederland-België

C.V.G.: Is het vanzelfsprekend geweest dat De Witte Raaf in Nederland zou verschijnen? Dat je ook dat gebied wilde bestrijken? Heb je nooit gedacht: Vlaanderen is groot genoeg?

K.B.: Nooit. Ik was op Nederland georiënteerd. Niet alleen omdat ik Raster, Versus en Het Moment kende, maar ik las ook Nederlandse kranten, en volgde de politiek van nabij. Er waren Nederlandse auteurs met wie ik per se wilde samenwerken. Frank Reijnders bijvoorbeeld, Jeroen Boomgaard, Jorinde Seijdel heb ik al genoemd. En Camiel van Winkel, Matthijs van Boxsel, Mark Kremer, noem maar op. De Witte Raaf werd opgepikt in Nederland, en ik werd gevraagd om lezingen te geven of deel te nemen aan debatten. In 1993 werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan de selectieprocedure om een opvolger voor Chris Dercon aan te wijzen bij Witte de With. Dat was een teken van erkenning.

O.L.: Aanvankelijk is er een verschil. Jullie bespreken de Belgische en Vlaamse collecties en musea, maar je doet niet hetzelfde in Nederland.

K.B.: Dat gaat over de periode waarin het blad nog niet in Nederland werd verspreid. De Nederlandse situatie is onvergelijkbaar met België. In Nederland beschikken die instellingen over een nagenoeg perfecte infrastructuur en een gepast personeelskader. Er bestaan collectieplannen, die bovendien worden uitgevoerd.

C.V.G.: Dat impliceert dat je voor Nederland een ander kritisch apparaat zou moeten ontwikkelen. Heb je dat als een tekort ervaren? Jullie zaten in Brussel en in Gent, en je had niet hetzelfde overzicht ten noorden van de grens.

K.B.: Ik probeerde me zo goed mogelijk te informeren. Misschien had ik dat nog beter kunnen doen, maar je maakt een blad toch altijd met een beperkt budget: 150.000 euro om precies te zijn. Met dat bedrag werden twee full-timebetrekkingen bekostigd en zesmaal per jaar 15.000 exemplaren gedrukt. Een auteur als Sven Lütticken zou zijn teksten nooit naar De Witte Raaf hebben gestuurd als we ons alleen op België hadden gericht, en dat geldt niet alleen voor hem. We hebben ons ten andere wel degelijk ook op beleidsvlak geprofileerd in Nederland. Hans Abbing besprak een jaarverslag van de Mondriaan Stichting en reflecteerde op de manier waarop in Nederland de verfondsing uitpakte. De Mondriaan Stichting was not amused.

O.L.: Het Mondriaan Fonds, toen nog de Mondriaan Stichting, heeft wel, vanaf het moment dat jullie vanuit Nederland ondersteund werden, kritiek gegeven: jullie moesten meer over Nederlandse tentoonstellingen en kunstenaars berichten, anders zouden de subsidies wegvallen.

K.B.: Ik heb nooit zo geredeneerd. Ik heb gewerkt vanuit thema’s, vanuit auteurs, vanuit problemen, en dan dienden zich spontaan specifieke cases aan uit Nederland of Vlaanderen. Ik heb nooit een weegschaal gehanteerd, ook niet na die kritiek van de Mondriaan Stichting. Het werd trouwens nog erger: ze hebben een consultancybureau op ons afgestuurd.

O.L.: Om jullie te evalueren?

K.B.: Ik zie die twee personen nog ons kantoor in de Grootgodshuisstraat binnenwandelen. Dat duo wist niks, maar dan ook helemaal niks af van tijdschriften, noch van kunst. Ze hanteerden parameters die onmogelijk op De Witte Raaf konden worden toegepast. Ze vroegen ons bijvoorbeeld waarom de oplage zo hoog was. Het feit dat De Witte Raaf gratis werd verspreid, verbijsterde hen. Dat we tegelijkertijd een stevig abonnementenbestand hadden, kon er al helemaal niet in. Het was een krankzinnig gesprek.

O.L.: Waarom was je zo ontzettend kwaad?

K.B.: In twee jaar tijd had de Mondriaan Stichting het budget voor tijdschriften gehalveerd. De veronderstelde reden: te weinig kwaliteit. De redenering was niet om de kwaliteit te bevorderen door meer subsidie te verlenen. Nee, er werd een peperduur bureau ingehuurd om te onderzoeken hoe het er bij al die kunsttijdschriften aan toe ging. Het rapport dat uitkwam sloeg alles: er werd alleen rekening gehouden met commerciële overwegingen. We werden vergeleken met vakbladen, we moesten doelgroepen uitkiezen en daarnaar handelen. Er werden normatieve uitspraken rondgestrooid over de verhouding tussen tekst en beeld, over taalgebruik en vormgeving. Als klap op de vuurpijl adviseerde dat consultancybureau om een consultancybureau in te huren om de tijdschriften bij te sturen en de redacties op te leiden. Dat bureau schoof dus zichzelf schaamteloos naar voor als oplossing! Het zou dan de subsidies ontvangen die voorheen aan kunstkritiek werden toegekend.

O.L.: En toen heb je besloten de zaak openbaar te maken.

K.B.: Ik heb het allemaal opgeschreven en op de voorpagina van De Witte Raaf gepubliceerd, in de zomer van 1997. We hebben toen twee edities uitgebracht, een Vlaamse en een Nederlandse. Beide hadden dezelfde inhoud, maar in Nederland prijkte mijn reactie op de Mondriaan Stichting op de voorpagina, in Vlaanderen was dat de visionaire tekst ‘Kosmopolieten aller landen, kop op!’ van Jacques Derrida, een pleidooi voor een netwerk van ‘vluchtsteden’.

D.R.: Was dat de enige manier waarop je kon reageren? 

K.B.: Er zijn twee publieke confrontaties geweest met Melle Daamen, de toenmalige directeur van de Mondriaan Stichting. Er was een debat in Witte de With. Ik zat in de zaal en ik heb hem aangesproken op zijn beleid. Hij had geen weerwoord op mijn argumentatie, hij zakte weg in zijn stoel. Een tweede keer werd er een debat georganiseerd door de Boekmanstichting in Amsterdam. Ik heb toen de filosofie van Anthierens toegepast: zoveel mogelijk lawaai maken over die neoliberale benadering, anders waren we gezien. In plaats van te antwoorden is Daamen toen weggelopen. Er is nog een gesprek geweest ten huize van de Mondriaan Stichting zelf met de vertegenwoordigers van tijdschriften, waar ik de enige was die zich expliciet verzette. Ik heb met de vuist op tafel geslagen, de decibels gingen flink omhoog. Tot mijn verbazing hielden de redactieleden van de andere tijdschriften, Metropolis M, Museumjournaal, Kunstenaarsmateriaal, zich muisstil. Daar ben ik ongelofelijk van geschrokken.

D.R.: Deden die Nederlandse tijdschriften niet gewoon aan wat dan ‘polderen’ wordt genoemd?

K.B.: Dat was niet polderen, dat was je naar de slachtbank laten leiden! Ik weet niet of mijn aanpak heeft gewerkt, maar uiteindelijk zijn al die plannen en besparingen ingetrokken.

O.L.: Heb je geen toegevingen gedaan? Werd er bijvoorbeeld niet gesteld dat je een cursus vormgeving moest volgen om nog subsidie te kunnen ontvangen?

K.B.: We hebben geen millimeter toegegeven. We waren al eens buitengezet door een organisatie, we hadden een hele tijd moeten ploeteren om subsidies te krijgen, we werkten met peanuts en dan komen opeens die maatpakken op bezoek. Etienne en ik hebben toen tegen elkaar gezegd: we gaan door zoals we bezig zijn ook al betekent dat het einde.

 

Redactiearbeid

C.V.G.: Een tijdschrift maken bestaat uit meer dan schrijvers werven of in gesprek gaan met fondsen. Essentieel zijn de teksten, die helder moeten zijn, ook al gaat het over complexe onderwerpen. Hoeveel tijd besteedde je aan redactie?

K.B.: Aan sommige teksten was weinig werk, bijvoorbeeld van Camiel van Winkel, Bart Verschaffel of Dirk Lauwaert. Aan andere teksten heb ik dagen gesleuteld. Ik heb alle teksten tijdens die negen jaar geredigeerd, soms heel verregaand. Ik leerde op den duur om per nummer een goede mix te hebben van teksten waar amper iets aan moest veranderen, en teksten die in de eerste versie niet publiceerbaar waren, en waar veel werk aan was.

C.V.G.: Deed je voorzichtige suggesties of herschreef je de tekst?

K.B.: Ik begon met suggesties. Soms werden die ingewilligd, maar dan nog was er vaak heel wat werk aan. Ik ging daar ver in, zo ver mogelijk, in ieder geval tot het goed was. En als het niet goed was, na al dat heen-en-weer, ja, dan ontstond er soms, pakweg één keer per jaar, een conflict.

C.V.G.: Als je intensief teksten redigeert, kan je de indruk wekken dat auteurs beter kunnen schrijven dan in werkelijkheid het geval is. Je geeft iemand onterecht het publieke aura van schrijver.

K.B.: Ja, maar dat was niet mijn probleem. En het is ook gebeurd dat een auteur niet meer voor De Witte Raaf wilde schrijven omdat die vond dat de eerder gepubliceerde tekst te grondig was herschreven. Het overgrote deel van de auteurs was echter tevreden over mijn werk als redacteur. Verschillende schrijvers hebben dat ook publiekelijk verkondigd.

O.L.: Wat is het belangrijkst: de ideeën of de manier waarop de tekst geschreven is?

K.B.: Het gaat in de eerste plaats om ideeën. Als die niet goed zijn verwoord, dan probeer je dat te verbeteren. Dat gaat over de structuur van de tekst, hoe de zinnen lopen, tot de opbouw van elke zin afzonderlijk. Ik probeerde natuurlijk vooral te werken met mensen die daar zelf toe in staat waren. Als ik vond dat iemand iets te zeggen had, maar zijn of haar gedachten moeizaam onder woorden kon brengen, dan stak ik een helpende hand toe.

C.V.G.: In je afscheidsessay ‘Playback’ staat een zinnetje dat mij altijd heeft gefascineerd, namelijk dat het haast iets ‘magisch’ had om te zien hoe meestal de auteur zelf een tekst terugtrok, nog voordat het tot een ruzie kon komen. Op grond van mijn eigen ervaringen, vanaf 2005 als auteur bij De Witte Raaf, met vaak slopende redactierondes die tot negatieve commentaar bleven leiden, heeft dat ‘magische’ ook iets sarcastisch. Hoe vaak ging een tekst in jouw tijd over en weer?

K.B.: Het waren doorgaans korte processen. Ik heb in die jaren wel geleerd om duidelijk en scherp kritiek te leveren. Aan vage praat over teksten heeft niemand iets. Het heeft geen zin om te beweren dat je ‘het gevoel’ hebt dat er iets niet klopt. Ik had altijd een lijst met concrete punten van kritiek, en ik kon op den duur vrij goed zeggen wat er structureel fout was aan een tekst. Dat gaat om basale dingen: wat komt eerst, wat daarna, wat is een goed slot? Volgen de zinnen logisch op elkaar? En dan is er nog het inhoudelijke aspect. Klopt het wat hier wordt beweerd? In sommige gevallen weet je het niet, er zijn dingen die je niet kan opzoeken, en dan zet je vraagtekens bij bepaalde passages. Als ik die suggesties en vragen terugstuurde, dan kwam het in zeer zeldzame gevallen voor dat een auteur reageerde door te zeggen: goed, als het zo zit, dan hoeft het voor mij niet meer.

C.V.G.: Het spijt me dat ik hier zo op doorga, maar was het dan een principe om teksten níét te weigeren? Je zou op een spontane inzending kunnen reageren door te zeggen: ‘Dit is niet goed. We plaatsen die tekst niet.’

K.B.: Ik heb natuurlijk teksten geweigerd. Teksten die niet ter zake deden, die slecht geschreven waren. Ik bedoelde met dat ‘magische’ of ‘sarcastische’ zinnetje iets anders: door het programma van De Witte Raaf – de onderwerpen die werden geagendeerd en de manier waarop erover werd geschreven – dienden na verloop van tijd de ‘juiste’ auteurs zichzelf aan. Het programma van het tijdschrift was het beste selectiemechanisme.

D.R.: Maakte je onderscheid tussen academische en niet-academische auteurs? Moest je niet-academici aanzetten tot grondigheid? En moest je tegen academische auteurs zeggen: niet te veel voetnoten?

K.B.: In De Witte Raaf hebben auteurs gepubliceerd zonder noemenswaardige academische bagage, maar met geweldige ideeën, die ze bovendien goed konden uitdrukken. Voor mij was het een punt van eer om dat soort auteurs een podium te bieden. Ik was niet gek op voetnoten, eerlijk gezegd. Als iemand ze er per se bij wilde hebben, dan kon dat, maar ik vermeed ze liever. En ik had een hekel aan een pseudowetenschappelijke stijl.

D.R.: Dat is makkelijk gezegd. Pseudowetenschappelijk is per definitie fout.

K.B.: Akkoord. Maar wat ik vooral bedoel is dat kunstgeschiedenis mijns inziens geen wetenschap is. Ik was geïnteresseerd in auteurs die onderzoek deden, die goed konden beschrijven en analyseren, en die tot beargumenteerde hypotheses kwamen. Of dat het etiket ‘wetenschap’ verdient, intereseerde me niet. Ik heb nooit een stuk uit een doctoraat gepubliceerd. Het was eerder andersom. Wouter Davidts is gedebuteerd in De Witte Raaf met een essay over museumarchitectuur. Zijn doctoraat over datzelfde onderwerp is pas daarna tot stand gekomen.

D.R.: Davidts schreef dat stuk in het Nederlands, tegenwoordig zou hij dat op de universiteit in het Engels moeten doen. Recent besloot ook de redactie van Etcetera in drie talen te publiceren – Frans, Nederlands en Engels – met de verontschuldiging erbij dat ze slechts drie (westerse) talen meester zijn.

K.B.: Het zou prachtig geweest zijn om stukken in het Engels te vertalen, maar in de praktijk was dat compleet onrealistisch. Wij maakten zes nummers per jaar, met twee voltijdse krachten, en met auteursvergoedingen die hoger lagen dan bij andere kunsttijdschriften, en die ik altijd heb proberen te verhogen zodra dat mogelijk was. Onze prioriteit lag bij de teksten en bij een eerlijk honorarium voor de auteurs.

C.V.G.: Archis is halfweg de jaren negentig Engels- en Nederlandstalig geworden. Dat is een architectuurtijdschrift, maar heb jij dat ooit overwogen met De Witte Raaf?

K.B.: Ik kreeg zowat elke maand de vraag waarom we niet ook een Engelse versie uitbrachten. Het antwoord is simpel: dat is twee keer zoveel werk! Het was ook niet zo dat we op de routine konden doorgaan. Het internet kwam eraan. We hebben meteen een eerste primitieve website in elkaar gestoken. Daar zat geen database achter, maar een lijst met auteurs en thema’s. Het ging om een register waarbij handmatig allerlei links werden gelegd. We hebben met de middelen die we hadden geprobeerd het maximale te doen.

 

Autobiografie

D.R.: We hebben het tot nu toe niet rechtstreeks over jou gehad. Dat lijkt paradoxaal, omdat het autobiografische een belangrijk thema was tijdens je hoofdredacteurschap. Je hebt er een nummer aan gewijd, waarin Vogelaar niet zozeer dagboekfragmenten publiceerde, wat hij in de jaren tachtig al deed, maar schreef over de dagboeken van Robert Musil en Carlo Emilio Gadda.

K.B.: Voor mij is het thema van de autobiografie onlosmakelijk verbonden met Daniël Robberechts. Ik had als student zijn dagboekteksten gelezen, die zowel in tijdschriften als in boekvorm verschenen waren. Ik was geboeid door egodocumenten. Het risico dat de schrijver durft te nemen, speelt daarin mee. Dat sprak mij enorm aan.

D.R.: Schrijven zonder vangnet?

K.B.: Ja. Toen ik in de zomer van 1994 een nummer over pornografie wilde maken, polste ik bij de erven van Robberechts of ik een deel uit zijn dagboeken mocht publiceren dat nog niet in druk was verschenen. Ik wist het niet zeker, maar ik had een sterk vermoeden dat die teksten ook over porno en extreme openhartigheid zouden gaan, en dat bleek het geval.

D.R.: Lag het in die tijd – eind jaren zestig – minder voor de hand om je als auteur of als kunstenaar autobiografisch te uiten?

K.B.: Robberechts’ praktijk was ongewoon in Vlaanderen. Hij was een van de eersten die dat bij leven deed. Met naam en toenaam, en ook onder pseudoniem, komen er mensen uit zijn omgeving in voor. Hij schrijft wat hij meemaakt, voelt en denkt.

D.R.: Daniël Robberechts, heb ik begrepen, heeft ook een grote rol gespeeld in je persoonlijke leven.

K.B.: Robberechts heb ik leren kennen via de film Na alle vlees van Jef Cornelis uit 1981. Ik was toen zestien. Die film handelt over Jacq Vogelaar, maar Robberechts treedt op als gesprekspartner. Na alle vlees maakte op mij een verpletterende indruk: het was het begin van mijn intellectuele leven. Ik ben naar de bibliotheek gegaan, heb Raster leren kennen, en via dat tijdschrift maakte ik kennis met de wereldliteratuur. In 1992 maakte Robberechts een einde aan zijn leven, dat was voor mij een grote schok. Een van zijn laatste bijdragen stuurde hij in voor het project Vertoog en Literatuur van Antwerpen 93, voor het cahier Woordenloosheid, op het moment dat hij waarschijnlijk al met zelfmoordplannen rondliep. Zijn bijdrage bestaat uit niets meer dan vier lege bladzijden, met de mededeling dat ze anoniem en zonder paginering afgedrukt moesten worden. Marc De Kesel heeft daar in 1994 een aangrijpende tekst over geschreven in De Witte Raaf, waarin hij alle paradoxen van Robberechts én van de redactie van Vertoog en Literatuur duidt. Om maar iets te noemen: Robberechts had niet vier lege bladzijden ingestuurd, maar zes.

D.R.: Robberechts was dood, en jij ging op zoek naar nagelaten teksten.

K.B.: Zoals gezegd was ik met een nummer over pornografie bezig, en wilde ik graag de dagboekteksten van Robberechts plaatsen. Maar hoe kon ik de erven bereiken? Dagboek ’64–’65 begint ongeveer met de geboorte van een dochter, Cateau, die in hetzelfde jaar als ik geboren is. Haar naam kon ik makkelijk in het telefoonboek terugvinden. We hebben elkaar ontmoet om te spreken over haar vader en over het dagboek. We zijn een paar geworden en hebben een dochter gekregen. Zonder De Witte Raaf was dat niet gebeurd.

D.R.: Was dat een van de redenen om De Witte Raaf te verlaten, dat je een gezin kreeg?

K.B.: Etienne en ik hebben het goed kunnen bolwerken met ons tweeën, maar toen Liska geboren werd, werd het voor mij moeilijker. Ik had gedaan wat ik wilde doen, maar ik zat in een impasse. Net op dat moment kreeg ik een telefoontje van de Jan van Eyck Academie met de vraag of ik mij kandidaat wou stellen als directeur. Ik heb onmiddellijk toegezegd. Ik heb enorm veel geluk gehad.

D.R.: Je had kunnen besluiten om De Witte Raaf wat minder secuur te redigeren.

K.B.: Nee, dat kon niet. En je kan je afvragen: is een directeurschap dan makkelijker te combineren met een gezinsleven? Het antwoord daarop luidt eenvoudigweg ‘ja’.

C.V.G.: Eind 2000 kreeg je de prijs voor kunstkritiek van de Vlaamse Gemeenschap, het jaar waarin Jef Geys de prijs voor beeldende kunst kreeg.

K.B.: Die prijs voor kunstkritiek bestaat ondertussen niet meer. En Jef Geys was trouwens niet opgezet met mijn bekroning: daags na de uitreiking, op 13 december 2000, kreeg hij de mogelijkheid om een werk op de voorpagina van De Morgen te plaatsen: het was een reproductie van mijn afscheidstekst ‘Playback’, maar dan met alle letters witgemaakt, alleen de cijfers waren nog leesbaar. Dat werk was eerder dat jaar in de catalogus gepubliceerd van een tentoonstelling in Etterbeek, gecureerd door Luk Lambrecht. In een interview met Walter Van den Broeck, ook in De Morgen, suggereerde Geys dat mijn hoofdredacteurschap niets meer was geweest dan één lange aanloop om directeur van een kunstinstituut te kunnen worden. Mijn tijd bij De Witte Raaf is in ieder geval niet onopgemerkt voorbijgegaan.

D.R.: Je nam in mei 2000 afscheid van De Witte Raaf, met nummer 85. Nummer 86 is nooit verschenen. Waarom?

K.B.: Dat weet ik niet precies. Na mijn vertrek is een redactie van zes personen samengesteld – Bart Verschaffel, Dirk Pültau, Camiel van Winkel, Sven Lütticken, Bart Meuleman en Jorinde Seijdel – en ik geloof dat door de ietwat moeizame overgang in juli geen nummer is uitgebracht. In september kwam het volgende nummer uit, nummer 87. Een grappig hiaat. Het zou een goed idee zijn voor een nieuw nummer: nummer 86 alsnog uitbrengen, met als thema de zomer van 2000. 

 

Het interview

C.V.G.: In De Witte Raaf is zelden materiaal verschenen dat zo direct autobiografisch was als de dagboeken van Robberechts. Maar het biografische en het anekdotische kwamen ook aan bod in de lange interviews die je samen met Dirk Pültau in de loop der jaren tot een apart genre hebt ontwikkeld.

D.R.: Het eerste interview publiceer je eind 1992: het gaat om een gesprek dat je samen met Bart Meuleman had met de Turnhoutse kunstenaar Dirk Boes. Wat opvalt is dat jullie minstens zo veel aan het woord zijn als Boes zelf.

K.B.: Maar dan moet je Dirk Boes kennen: een weinig spraakzame man, een sfinx. We hadden een grote bewondering voor zijn werk, maar ook voor zijn kennis. Hij was een van de mensen met wie ik vaak over beeldende kunst van gedachten wisselde. Makkelijk waren die gesprekken nooit. We hebben daarna nog het interview met Rob Smolders gedaan, maar toen was het voor Bart genoeg geweest. Hij was er klaar mee, met het interview als genre. Ik heb dan in mijn eentje interviews afgenomen, bijvoorbeeld van Rémy Zaugg in 1993. Ik heb, en dat is heel belangrijk geweest, ook enkele gesprekken gevoerd met Daniel Buren. Maar dat was nog niet het soort interviews dat Dirk en ik vanaf 2005 zijn gaan maken.

C.V.G.: Die latere gesprekken – met Jef Cornelis, maar ook bijvoorbeeld met Ria Pacquée en Lili Dujourie – zijn duidelijk vormen van orale geschiedschrijving.

K.B.: Aan de interviews met Boes en Smolders ging, om eerlijk te zijn, nauwelijks onderzoek vooraf. Niets, bij wijze van spreken. Toen ik Zaugg ging opzoeken in Arnhem naar aanleiding van zijn bijdrage aan Sonsbeek 93, wist ik dat ik me goed moest voorbereiden. Zaugg was een heel moeilijke man, een onmogelijke man eigenlijk, zeer streng. ‘Il s’est très bien préparé,’ zei hij na afloop tegen zijn vrouw. Hij waardeerde wat ik over zijn werk wist, en bij Buren was dat niet anders. Langzamerhand begon ik te beseffen dat je enkel een echt gesprek met iemand kan hebben als je vooraf diepgaand onderzoek hebt verricht. Samen met Dirk heb ik op dat vlak een systematiek ontwikkeld.

D.R.: En waar bestond die uit?

K.B.: Belangrijk is dat je vooraf een duidelijke chronologie opstelt op basis van archiefonderzoek. Zoniet, dan kan je gesprekspartner je om het even wat wijsmaken, en maak je ook zelf tijdens de redactie voortdurend fouten. Het eerste echte goede interview dat Dirk en ik gemaakt hebben was met Guillaume Bijl. Dat is eind 2004 verschenen. We hadden alle beschikbare materiaal over en rond zijn werk doorgenomen. Dat was heel wat werk. Vervolgens bleek dat bijna alles wat we van hem te horen kregen, nog nooit was vastgelegd. En dat was het geval bij al onze latere gesprekspartners: ze waren eerder geïnterviewd, maar nog nooit systematisch, nog nooit diepgaand en langdurig.

D.R.: Hoe reageerden de geïnterviewden?

K.B.: Sommigen vonden het een karwei, de meesten waren zeer tevreden over onze grondige aanpak.

D.R.: Wordt bij het afnemen van een interview niet ook verwacht dat je iemand het vuur aan de schenen legt?

K.B.: In sommige gevallen wel. Daniel Buren heb ik wel degelijk op contradicties gewezen, en daarin gaf hij me gelijk. Hij had twee verschillende teksten geschreven waarin diametraal het tegenovergestelde werd beweerd. Ook aan Guillaume Bijl hebben we scherpe vragen gesteld. Zijn kunstpraktijk komt voort uit een anarchistische en kritische positie ten aanzien van de institutionele omgang met kunst. Langzamerhand is hij opgeslokt geraakt in de kunstwereld, en die kritische positie – zoals hij die vertolkte in zijn manifest over de kunstliquidatieprojecten uit 1980 – is op de achtergrond verdwenen. Dat probleem hebben we hem voorgelegd. Ik kan me voorstellen dat er meer kritiek geformuleerd had kunnen worden in sommige interviews. Soms is kritiek echter onverenigbaar met de doelstelling om tijdens een gesprek een leven en een oeuvre bloot te leggen. Je moet de lezer ook niet onderschatten. Zelfs als de interviewer géén scherpe vragen stelt, zullen de antwoorden van de gesprekspartner de lezer kritisch stemmen. Alhoewel jullie me kritisch benaderen, vormt dit interview wellicht geen uitzondering op die regel.

O.L.: In ‘Het woordenboek van pasklare ideeën’, gepubliceerd in De Witte Raaf in de zomer van 1999, wordt een definitie van het interview gegeven: ‘(1) Voor de kunstenaar: er een hekel aan hebben. Voor de criticus: er dankbaar uit citeren. (2) Voor de interviewer: assertief zijn, zoveel mogelijk de geïnterviewde onderbreken. Voor de geïnterviewde: achteraf zeggen dat het interview een dwaze formule is.’

K.B.: Ja, dat zijn de gangbare clichés. Sommige dingen zijn toepasbaar op wat we deden, denk ik, jammer genoeg. Maar de meeste geïnterviewden waren tevreden. Er zijn maar twee mensen die geweigerd hebben om het gesprek dat we met hen hadden te laten publiceren, jammer genoeg nadat de tekst al af was.

C.V.G.: Een van hen was Jan Vercruysse. Kan daar ooit verandering in komen?

K.B.: Hij is overleden.

C.V.G.: Ja, maar heeft hij daar testamentair iets over laten stipuleren?

K.B.: Nee, jammer genoeg niet. Hij heeft expliciet gezegd dat het interview niet gepubliceerd mag worden. Nochtans hebben we ook die gesprekken meticuleus aangepakt. Gedetailleerder kon niet.

C.V.G.: Zijn er specifieke passages waar hij problemen mee had, of stond gewoon het idee zelf hem tegen?

K.B.: Het idee zelf niet, want hij had ermee ingestemd om met ons te praten, en daar hadden we nooit op durven rekenen. Hij stemde toe, we begonnen eraan, en in totaal voerden we acht gesprekken van elk ongeveer 2,5 uur. We maakten een tekst, we stuurden die op, en hij zei: ‘Dat ben ik niet.’ Dat was voor hem het probleem, het kwam op hem over als een te geredigeerde tekst. Hij heeft toen om de transcripties gevraagd, maar dat ging om een berg papier van in totaal 150 bladzijden. We hebben die naar hem opgestuurd, maar we hebben vervolgens niets meer vernomen.

C.V.G.: Als je kijkt naar de thema’s die in De Witte Raaf in de jaren negentig aan bod zijn gekomen, dan kan je zeggen dat het onder jouw leiding een uitgesproken kunsttheoretisch tijdschrift was. Toch ben je, na het einde van je mandaat als directeur van de Jan van Eyck Academie in 2011, en eigenlijk al vroeger, kunstgeschiedenis gaan bedrijven. Literatuur en theorie zijn op de achtergrond geraakt.

K.B.: Dat is terug te voeren op twee ervaringen. Belangrijk was ten eerste – zoals ik zonet vertelde – het gesprek met Guillaume Bijl en de interviews met alle andere kunstenaars. We konden niet anders dan tot de conclusie komen dat er op het vlak van de Belgische kunstgeschiedenis – eigenlijk: de geschiedenis van de kunst in België – nog bergen werk te verzetten zijn. Een tweede belangrijk moment was de publicatie van het boek van Flor Bex in 2001, Kunst in België na 1975. Dat boek is de allergrootste aanfluiting van wat kunstgeschiedenis zou moeten zijn. Dirk en ik hebben dat boek besproken, en we hebben ook beseft: we gaan het zelf moeten doen, we kunnen dat niet zomaar laten liggen. Om die twee redenen hebben we besloten om ons te storten op de geschiedenis van de kunst in België.

C.V.G. Is het interview niet juist een wetenschappelijke manier om kunstgeschiedenis te bedrijven? Je zei net nog dat kunstgeschiedenis geen wetenschap is.

D.R.: Orale geschiedenis is een vorm van empirie.

C.V.G.: Ja, precies, je lijkt in die interviews, en ook nu in je onderzoek naar de geschiedenis van het S.M.A.K., onomstotelijke feiten te willen vaststellen.

K.B.: Ik zal zeker niet ontkennen dat ik die ambitie heb, maar tegelijkertijd ben ik mij ten zeerste bewust van de fundamentele subjectiviteit die dit soort onderzoek doorkruist. Dit werk is altijd wezenlijk onaf. Maar dat weerhoudt er mij niet van om te pogen tot op het bot te gaan.

D.R.: Dat theorie en misschien ook kritiek naar de achtergrond verdwijnen, bijvoorbeeld bij Guillaume Bijl, bij Vogelaar en Raster, maar ook bij jou: heeft dat niet gewoon met leeftijd te maken?

K.B.: Ik laat dat oordeel graag aan jullie over.

O.L.: Ik vraag me af of je milder bent geworden. Je hebt eind 2017 een recensie gepubliceerd in De Witte Raaf van het boek van Marleen Brock, STUK, een geschiedenis 1977–2015. Dat was niet bepaald een positief stuk.

K.B.: Ja, dat klopt, daar ben ik met de botte bijl ingevlogen – zo bot en zo kort mogelijk.

D.R.: Het is een vermogen of een talent op zich: je ergens kwaad over te kunnen maken en dat dan lang genoeg te blijven om het op te schrijven. Dat is een voorwaarde voor kritiek, die emotie.

K.B.: Als ik echt kwaad word, dan mag het gehoord worden, vind ik. Wat zou het voor zin hebben om dat omfloerst aan te pakken?

D.R.: Al deze kwesties, alles wat we tijdens dit interview besproken hebben: het zijn dingen waar elke tijdschriftredactie in meer of mindere mate tegenaan loopt, maar die zelden besproken worden, ook elders niet. Er zijn al weinig tijdschriftredacteurs, en ze werken doorgaans apart van elkaar, meestal thuis of op een bureau. Leidt dat niet tot de eenzaamheid die je onvermijdelijk voelt als redacteur?

K.B.: Het is waar dat het maken van een tijdschrift en het redactieproces zelden onderwerp van gesprek zijn, maar ik heb me nooit eenzaam gevoeld, niet omdat ik elke week naar een vernissage ging of iets dergelijks, maar gewoon omdat ik de vibraties voelde van wat we deden met het tijdschrift. Mijn tijd bij De Witte Raaf, de jaren negentig – dat waren de beste jaren van mijn leven.

 

Transcriptie: Pamela Uyttendaele

Yves Gevaert, uitgever

Yves Gevaert is uitgever van kunstenaarsgeschriften, prints en “aanverwante objecten” van kunstenaars als Daniel Buren, Lawrence Weiner, Stanley Brouwn, Jan Vercruysse en Rodney Graham. In de hierna volgende tekst, die geldt als introductie op Gevaerts uitgeversactiviteit, schets ik kort de periode die aan zijn activiteit als zelfstandig uitgever voorafging. Deze periode vormt immers de grondslag voor de verdere inhoudelijke uitbouw van zijn werkzaamheden.

In de daarop volgende tekst zet Yves Gevaert zelf, als antwoord op een reeks door mij gestelde vragen in een voorbereidend interview, zijn visie uiteen op zijn activiteit als uitgever. Ik heb Yves Gevaert enerzijds gevraagd naar een definitie van de krachtlijnen in zijn kuntenaarskeuze en naar de eventuele koppeling van deze krachtlijnen aan bepaalde inhoudelijke en formele noodzaken en, anderzijds, naar een omschrijving van zijn samenwerking met de verschillende kunstenaars, naar een commentaar op de betekenis van de uitgave van kunstenaarsgeschriften, prints en “aanverwante objecten”. Yves Gevaert heeft dan, reflecterend op deze vragen, een betoog neergeschreven waarin hij het denk- en werkkader schetst waarbinnen zijn activiteit zich beweegt.

 

Libraire-en-chambre

De liefde voor papier en drukwerk is er altijd geweest, benadrukt Yves Gevaert, en door het gebruik van een onvoltooid verleden tijd convergeren zijn verleden en toekomst in één, steeds aanzwellend punt: het boek. Als assistent bij de Vereniging voor Tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten (PSK), waar hij tot 1976 werkzaam was, begeleidde hij enkele uitgaven die naar aanleiding van bepaalde exposities konden verschijnen. Zo heeft hij in de jaren zeventig voor het PSK onder meer een boek van Hanne Darboven en de Jardin d’Hiver  van Marcel Broodthaers uitgegeven. Zijn hechte vriendschap met Marcel Boordthaers die hem “de liefde voor het gedrukte heeft meegegeven – Broodthaers had een antiquare collectie boeken van de vijftiende tot en met de negentiende eeuw die hij gebruikte als materiaal voor zijn kunstwerken” – leidde ook nog tot de publicatie van Pauvre Belgique,  in coeditie met Herman Daled en Lebeer-Hossmann (uitgever). In 1979 start Gevaert zelf als antiquaar met een collectie boeken die hij de jaren daarvoor, ten tijde van zijn werkzaamheden voor het PSK, had aangekocht. Maar Gevaerts antiquariaat beslaat geen concrete (winkel)ruimte, er zijn geen uitstalramen, de boekenliefhebber kan er niet rondneuzen. Gevaert oefent een zeldzaam beroep uit, daterend uit vroegere tijden, vermoedelijk opgenomen in Perecs lijst van “verdwenen, in onbruik geraakte woorden”. Als “libraire-en-chambre”, kamer-boekhandelaar, gespecialiseerd in basisdocumenten over kunst uit het begin van deze eeuw tot en met de jaren vijftig, koopt en verkoopt hij boeken, volledige sets van avant-garde tijdschriften, manuscripten, briefwisselingen tussen kunstenaars of tussen auteurs en kunstenaars, en efemera (affiches, uitnodigingen, vlugschriften). De klant kan hem, koper of verkoper, op basis van een gedrukte lijst – catalogus die zijn steeds wisselende bibliotheek verhandelbaar maakt – thuis contacteren. Openbare instellingen, bibliotheken en musea waren zijn belangrijkste klanten.

Een steeds wisselende bibliotheek, uit noodzaak opgesplitst, raakt op een bepaald moment echter uitgeput. De kamer-boekhandelaar beschikt niet meer over voldoende documenten. En omdat zijn activiteit gebonden is aan een bepaalde, reeds afgesloten periode, sterft deze dan ook langzaam uit. De libraire-en-chambre kan het boek echter onmogelijk vergeten en wordt daarom zelf uitgever.

 

De uitgever

“Enerzijds werk ik met kunstenaars als Stanley Brouwn, Daniel Buren, Dan Graham en Lawrence Weiner. Zij behoren tot de generatie van de zogenaamde concept-kunstenaars. (Zij hebben ongeveer mijn leeftijd en ik heb ze leren kennen toen ik werkzaam was in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel). Deze kunstenaars uit de concept-sfeer zijn altijd gefascineerd geweest door het boek, hetzij als drager van hun theoretische geschriften onder de vorm van commentaar op hun eigen werk en zijn context binnen de hedendaagse kunstscène, hetzij als drager van hun concepten in stricto sensu. In het eerste geval denk ik vooral aan Daniel Buren waarvan ik in 1975 en 1977, samen met Herman Daled, respektievelijk A partir de là  en Rebondissements  heb uitgegeven. Het eerste boek was een commentaar op zijn tweede tentoonstelling in het Städtisches Museum Mönchengladbach, het tweede een commentaar op zijn deelname aan de Documenta V in Kassel, deelname die zich situeerde binnen een bredere kunstmanifestatie. De boeken van deze kunstenaars zijn echter geen “kunstenaarsboeken” maar eerder boeken – geschreven door een kunstenaar – waarvan de produktie beantwoordt aan de klassieke uitgeversbedrijvigheid.

Ik heb wel een andere ervaring met kunstenaars als Stanley Brouwn en Lawrence Weiner. In hun geval zou je kunnen zeggen dat het boek de meest voor de hand liggende en zelfs de ideale drager is om hun werk te verspreiden naar een breder publiek toe. Hun boeken liggen in het verlengde van hun concepten. Welk onderscheid is er inderdaad tussen de lectuur van een zin van Weiner op de wand van een museum en dezelfde zin op een vel papier in een boek? Wanneer Stanley Brouwn een vel papier van één vierkante meter en een vel papier van een stap in het vierkant, beide gevouwen, laat uitgeven op 500 exemplaren in een kartondikke omslag, sta je voor een zeer concreet concept van deze kunstenaar dat even sterk overkomt als wanneer hetzelfde onder de vorm van een unicum in een aluminiumplaat in een museum wordt tentoongesteld. Bij deze twee kunstenaars gaat het wel degelijk om “kunstenaarsboeken”. Het is de kunstenaar zelf die het boek vorm geeft: hij bepaalt het lettertype, het corpus, de bladschikking, het formaat, enz. Voor een uitgever is dat uiteraard boeiender dan theoretische teksten uit te geven.

Waarom werk ik nu met hogergenoemde kunstenaars van deze generatie en niet met andere? Waarschijnlijk omdat ik het gevoel heb dat zij het sterkst hun concepten in boekvorm kunnen overbrengen, dat zij er juist het best in slagen hun concepten met een “boekstructuur” te laten samenvallen, zodanig dat in de beste gevallen hun boeken helemaal niet “reproducerend” overkomen ten opzicht van de unica.

Naast kunstenaars van de concept-generatie, werk ik, anderzijds, met Rodney Graham en Jan Vercruysse. Twee kunstenaars van een jongere generatie maar die tegelijkertijd de concept-kunst en haar problematiek zeer goed kennen (Jan Vercruysse heeft Kosuth in het Nederlands vertaald en heeft geschreven over Cadere;  Rodney Graham refereert dikwijls in zijn gesprekken aan Dan Graham en citeert Don Judd in zijn Freud-sculpturen), maar tegelijkertijd ook een uiterst kritisch en contradictorisch standpunt ingenomen hebben ten opzichte van het formalisme van de jaren zestig en zeventig. Wat ik van deze kunstenaars uitgegeven heb, vormt in feite het belangrijkste van mijn uitgeversproduktie. Met hen heb ik ook sinds vier jaar het regelmatigst en het nauwst contact op professioneel gebied.

Hun grafisch werk is van een heel andere orde dan dat van bijvoorbeeld Brouwn of Weiner. Je beweegt je als uitgever dan ook op een compleet verschillend terrein, in een andere wereld. Je hebt te maken met andere denkprocessen waarbij het aandeel van het literaire in grote mate overweegt. (Ik heb altijd van contrasten gehouden; misschien cultiveer ik dat om een minimum aan kritische zin en afstandelijkheid te behouden).

Je zou van Rodney Graham kunnen zeggen dat elk van zijn boeken een andere “uitvinding” is, geladen met een telkens nieuwe metaforische aura. Elk van zijn projecten is voor de uitgever een ontdekking waarin niet alleen de materiële structuur van het boek (band, stofomslag, omslag, katernen, bladwijzer, enz.) maar ook de inhoud, de gedrukte tekst dus, aan steeds nieuwe ‘mechanismen’ en manipulaties onderworpen zijn. Aan Vathek*  (zie foto) ligt bijvoorbeeld zo’n ingenieus systeem van manipulaties ten grondslag. Vathek  is de titel van een in het Frans gepubliceerde roman van de Engelse romanticus William Beckford. Rodney Graham heeft in zijn System of Landor’s Cottage,  een bewerking van Poe’s The Landor’s Cottage,  een tekstfragment ingelast afkomstig uit Beckfords Vathek. Bij het vervaardigen van de perkamenten omslag heeft de herontdekking en de heruitgave van Beckford door Mallarmé een grote rol gespeeld voor Graham omdat hij Mallarmés typografie, plaats van de titel en papierkeuze (velijn) overneemt. Ook de twee rode en zwarte linten die de velijnen band bijeenhouden, zijn een pastiche van de band zoals die door Mallarmé ontworpen werd in 1876. De asterisk van Vathek*,  in zwarte inkt op het voorplat, verwijst naar het achterplat waarop “p. 105 §2-5”, de pagina in het boek aanduidt waar de gestolen passage uit Beckford aan de orde komt. Het gehele boek lijkt een annex van Vathek  te zijn, terwijl het eigenlijk maar over één passage gaat.

Ook in de prenten van Jan Vercruysse ben je geconfronteerd met steeds andere gegevens waarin ideeën ontwikkeld worden die elk hun specifieke wetmatigheid vinden in de typografische vormgeving, de kleur en het formaat. Als je zo twintig prenten van Jan Vercruysse aan de wand ziet, besef je dat je voor een “œuvre” staat dat plaats neemt naast zijn Tombeaux  en dat tegelijkertijd ook een andere interpretatie vraagt dan zijn Tombeaux.  Een volwaardig “œuvre” dus, wat je moeilijk kan zeggen van de boeken van Weiner of Brouwn die eerder “verlengstukken” van reeds geformuleerde concepten zijn.

Vanzelfsprekend gaat mijn voorkeur als uitgever naar produkties met Rodney Graham en Jan Vercruysse waar je nauwer betrokken wordt bij een complex realisatieproces. Het plezier bij het uiteindelijk resultaat is moeilijk onder woorden te brengen.”

 

Raakvlakken

De produkties met Jan Vercruysse en Rodney Graham zijn zo boeiend omdat beide partijen, kunstenaar en uitgever, zich op een terrein moeten begeven waarop ze hun ideeën over het project moeten concretiseren: een activiteit die vaak uitmondt, door de raakvlakken op conceptueel gebied tussen de partijen, in een interessant debat. Kunstenaar en uitgever discussiëren, ze analyseren de mogelijkheden, trachten tot een hypothese, een voorstel te komen dat al dan niet verworpen wordt. In de verschillende gespreksfases duiken verscheidene realisatiemogelijkheden op die de kunstenaar tenslotte kristalliseert tot een duidelijk afgelijnd concept. Dit nauwkeurig gedefinieerd concept, resulterend uit de veeleisende gesprekken tussen kunstenaar en uitgever, hanteert Yves Gevaert bij de realisatie van het kunstwerk. Maar zelfs tijdens het produktieproces durven er soms nog wijzigingen optreden, wat van de uitgever als persoon een grote soepelheid vereist, een soepelheid die Gevaert aan de dag legt omdat hij zo’n wijziging, in al haar complexiteit, toch nog altijd boeiend blijft vinden. Eenmaal het concept volledig bepaald is, volgt de uitvoeringsfase, die Yves Gevaert met een gewetensvolle precizie voltrekt.

Ook tussen de twee kunstenaars onderling zijn er bepaalde raakvlakken. Dit kunnen we onder meer vaststellen aan de hand van de hier afgedrukte foto waarop vitrinekasten, ontworpen door Jan Vercruysse, als drager gaan dienen voor Rodney Grahams boek Parsifal.  In dit boek heeft Rodney Graham de muzikale toevoeging van Wagners assistent Humperdinck, die geschreven werd om de muzikale uitvoering en het theaterspel op elkaar af te stemmen, zodanig gemanipuleerd dat deze oneindig kan herhaald worden. In Parsifal  wordt één katern zevenenzeventig maal, weliswaar op zinnige wijze, gemonteerd.

 

Heden en toekomst

Op dit ogenblik bereidt Yves Gevaert, in samenwerking met Jan Vercruysse, een portfolio voor van tien prenten die vermoedelijk in de loop van het najaar 1992 zal verschijnen. In de nabije toekomst zal Gevaert ook een 35 mm film van Vercruysse produceren over een thema dat onder meer in de prent Cinéma Cinéma  aan bod komt. Gevaerts laatste project (eind 1991 – begin 1992) met Rodney Graham, Les dernières merveilles de la science  (naar een kinderboek gepubliceerd door Garnier omstreeks 1900), omvat enerzijds een portfolio van zes prenten uit het boek en een reeks tekeningen van de oorspronkelijke slipcase (houder, cassette), en anderzijds een rechtopstaande glassculptuur waarop boek en slipcase – een openplooiende, spiegelende structuur – op complexe wijze verenigd worden. Aanvankelijk zou Gevaert, in samenwerking met Galerie Johnen en Schöttle, ook Rodney Grahams project voor Documenta IX produceren – een uitvoering van Frederik de Grote’s derde fluitconcerto – maar om financiële redenen kan dit niet doorgaan. Graham zal voor Kassel, in het Grimm-Museum, een werk in situ maken over de gebroeders Grimm. Tenslotte moet ook nog vermeld worden dat het Stedelijk Van Abbemuseum te Eindhoven in november 1992 een overzichtstentoonstelling zal wijden aan de uitgaven van Yves Gevaert.

 

 

Uitgaven van Yves Gevaert: Books, prints en unica

 

Rodney Graham

• The system of Landor’s Cottage. A Pendant to Poe’s Last Story, 1987 (i.s.m. The Art Gallery of Ontario, Toronto)

• Cours de Linguistique générale, 1988 (unicum)

• Freud Supplement 170a – 170d, 1989

• Parsifal, 1989 (i.s.m. Galerie Johnen & Schöttle)

• Nouvelles Impressions d’Afrique, 1989

• Vathek*, 1989

• The Piazza 4.1 (Engelse versie), 1989 en [La Véranda] (Franse versie), 1989

• Casino Royale, 1989

• Images qui succèdent à la contemplation d’objets d’un grand éclat ou même d’objets bien éclairés, 1989 (unicum)

• Alice’s Adventures in Wonderland, 1989 (unicum)

• Freud et le cas Katharina, 1991

• Les dernières merveilles de la science, 1991 (unicum)

 

 

Jan Vercruysse

Books:

• Sur l’utopie et erratum, 1982

• Faire de la musique, 1982

• Spleen de Hambourg, roman anonyme, 1985

• Le Nègre, Short Story, 1990

• Narcisse ou de la méthodologie dans les arts, 1990

Prints:

• Utopie , 1987

• Atopie

• Baudrillards are dollars, 1990

• Je, 1990

• The Art of Typewriting, 1990

• Dans l’air, 1990

• Nineties, 1990

• Facile à faire, 1990

• Diwan, 1990

• Agnes Sorel ou Les Avant-Gardes, 1990

• A Valérie, Pour La Vie, 1990

• Q, 1991

• Fontaine / Lustre, 1991

• “Moderne”, 1991

• Cinéma Cinéma, 1991

• Je veux bien, 1991

• Extrait de Journal (le 5 avril 1984), 1991

 

Stanley Brouwn

Books:

• 1 x 1 step / 1 x 1 m, 1986, (i.s.m. Galerie M. Szwajcer)

door: reguliersgracht 27 amsterdam, 1989 (idem)

 

Philippe Van Snick

Prints:

• Dag/ Nacht, 1986

Books:

• Tien dagen / Tien Nachten , 1986

• Enluminures, 1989

 

Jef Geys

• Project voor een publicatie: alle foto’s genomen door Jef Geys tot 1 januari 1986

 

Dan Graham

• One, sliding game, 1991

 

Matt Mullican & Lawrence Weiner

• In the crack of the dawn, Comic Book, 1991

 

Lawrence Weiner

• Just Another Thing / Taken & Changed / (A Wood) (A Stone), 1989, (i.s.m. Galerie Micheline Szwajcer)

 

James Welling

• Print, 1991

 

Jean-Marc Bustamante

• 12 stationnaires, 1991 (sculptuur), (i.s.m. Galerie Philip Nelson, Lyon)

 

Thierry De Cordier

• Ecrits, ou les petites pensées d’un philosophe autodidacte, (Vol.I), 1991

Documenta IX

Op 13 juni opent de Documenta haar deuren. In De Witte Raaf besteden we uiteraard uitgebreid aandacht aan ‘s werelds belangrijkste kunstmanifestatie. In dit nummer publiceren we enkele inleidende artikels. Blijven de concrete realisaties van de kunstenaars voorlopig nog onbekend, de gebouwen waarin de kunstwerken tentoongesteld zullen worden, hebben hun geheimen reeds grotendeels prijsgegeven. Steven Jacobs schreef een artikel over de voor deze Documenta speciaal gerealiseerde (tentoonstellings)architectuur waarin onze landgenoten Paul Robbrecht en Hilde Daem een belangrijke hand hadden. De geschiedenis van de Documenta overlopend, formuleert Frank Vande Veire fundamentale vragen over de gespannen relatie tussen kunst en actualiteit. De eerste tekst is een schriftelijke weergave van een gesprek van Jan Hoet, Künstlerische Leiter van Documenta IX, met theatermaker Heiner Müller, een vooraanstaand intellectueel uit de voormalige DDR. De ontmoeting vond op 1 april plaats in de (Oost-)Berlijnse Akademie der Künste voor een talrijk opgekomen en, zoals u zal merken, kritisch publiek. De Berlijnse journalist Adolf Stock modereerde.

Adolf Stock: Wat betekent het maken van de Documenta voor u?

Jan Hoet: Het is een enorme uitdaging om deze Documenta te maken, ook al omdat sinds 1989, toen ik benoemd werd tot Künstlerische Leiter, zoveel gebeurd is: de totale ineenstorting van het communisme – het feit dat Cuba bijvoorbeeld enkel nog als metafoor van belang is – de werkloosheid, AIDS, de censuur waaraan kunst in de Verenigde Staten in toenemende mate onderworpen is, de ecologische problemen, de duizenden daklozen in de Verenigde Staten, de angst die voortvloeit uit de algemene recessie in de kunst en de gehele economie… We leven in een tijd waarin wat vandaag waardevol is, morgen al ondermijnd en opgeblazen kan zijn; een tijd ook waarin we bang zijn uit te komen voor onze meningen en overtuigingen wanneer die niet gebaseerd zijn op objectieve criteria. En in zo’n situatie komt dan iemand als ik, die zegt: “Ik hou me bezig met kunst, probeer mijn behoefte aan kunst te tonen, probeer in mijn museum een verzameling op te bouwen, hypothesen op te stellen voor de toekomst, maar: ik weet niet wat kunst is.” Vanzelfsprekend opent deze stelling het debat over de selectiecriteria in alle hevigheid. Kunstenaars vragen: “Waarom ben ik niet geselecteerd, als toch niet duidelijk is wat kunst is en wat niet, als er toch geen objectieve criteria zijn?” Maar ik stel de vraag: “Heeft men eigenlijk wel objectieve criteria nodig?” Ik probeer te tonen dat er geen objectieve criteria zijn, al creëert die afwezigheid uiteraard bij mij ook een gevoel van angst, dat ik probeer te verbergen achter een systeem van signalen en tekens die overtuiging moeten suggereren.

Adolf Stock: Heiner Müller, weet u soms wat kunst is?

Heiner Müller: Geen idee. Maar ik wil wel proberen op een niet-systematische manier enkele ideeën te ontwikkelen. In de DDR werd gewoonlijk datgene als kunst beschouwd wat aan de muur hing. Maar deze officiële definitie steunde op het axioma dat de muren waaraan de kunst hing, de architectuur, duurzaam was. Maar de betonarchitectuur die de DDR domineerde is berekend op een levensduur van veertig jaar. Het heeft geen zin om aan deze muren kunstwerken te hangen.

Een ander probleem is dat van de terugkeer van wat verdrongen of vergeten werd. De eerste Documenta, in 1955, was de poging iets wat vergeten, verdrongen, verboden was weer naar voren te halen. Nu gebeurt in Duitsland iets gelijkaardigs. Ik weet niet hoe inwoners van de voormalige DDR daarop zullen reageren. Die zijn niet vertrouwd met het idee dat kunst ook een levensruimte kan zijn, niet alleen iets dat je aan de muren kan bewonderen.

In verband met de onzekerheid over wat kunst is, misschien twee voorbeelden. In heel Oost-Europa is men nu massaal bezig met het opruimen van de monumenten, beelden en gedenktekens. Ik was blij het verhaal te lezen over een Beierse boer die overal dergelijke monumenten opkoopt en ze in zijn boerderij tentoonstelt: deze boer heeft namelijk onmiskenbaar een groot zakelijk instinct, want over twintig, dertig jaar zijn deze beelden veel geld waard. In het foyer van dit gebouw stond vroeger een enorm zwart borstbeeld van Marx, dat nu door een ondoorgrondelijk besluit van zijn plaats is verdwenen en achter een gordijn verborgen wordt. Misschien is dat ook iets voor die Beierse boer. Een ander voorbeeld: ik had Jan Hoet voorgesteld Gorbatsjov uit te nodigen naar de Documenta en hem te laten vergulden, gedurende een uur – zolang kan je onder dergelijke verf nog ademen – niet naakt natuurlijk maar in zijn gewone pak. Dat zou een nieuwe manier zijn om met monumenten om te gaan.

Brecht heeft ooit gezegd: de gemakkelijkste bestaanswijze is die van de kunstenaar. Jammer genoeg klopt dat. Zelfs in de DDR hadden de kunstenaars het makkelijker dan de gewone burgers. Die gepriviligieerde positie wordt nu in vraag gesteld. Of denk aan Beuys: iedereen is kunstenaar. En de grote mogelijkheid om tot een nieuwe blik op de kunst te komen is de kans of het geluk van de werkloosheid, een geluk overigens dat in grote hoeveelheden wordt aangeboden. Ik denk – en ik weet dat het cynisch klinkt – dat we de komende jaren veel kunst van werklozen zullen krijgen.

Wijzigingen in het kunstbegrip ontstaan als gevolg van sociale catastrofes en verschuivingen.

Als ik naar Jan Hoet luister, wordt bij mij de hoop versterkt dat zijn manier om over kunst te praten en na te denken heel wat politieke programma’s en politieke geruststellingen kan doorboren, dat kunst weer iets subversiefs wordt.

Een vraag uit het publiek: Jan Hoet, wat is uw artistieke antwoord op de catastrofe in Joegoslavië? Welke Joegoslavische kunstenaars zal u selecteren en mogen we uit deze keuze bepaalde conclusies trekken?

Jan Hoet: Op dit moment waag ik het niet een bezoek te brengen aan Joegoslavië maar ik bezocht het land in 1989. Ik koos Marina Abramovic en Braco Dimitrijevic. Op een Documenta kan je niet op alle maatschappelijke problemen een reactie formuleren. Wat mij interesseert, is de confrontatie met maatschappelijke problemen. Volgens mij moet die discussie absoluut en onvoorwaardelijk in het kunstwerk aanwezig zijn, maar nooit illustratief, altijd in verbinding met de taal van de kunst zelf. Als ik een bepaalde confrontatie met maatschappelijke problemen zie – ironisch, sarcastisch, kritisch, cynisch – en als ik tegelijk de tekensystemen die de kunstenaar gebruikt onmiddellijk herken, dat ze restloos opgaan in wat ik al ken, in wat ik al weet, tja dan… Ik aanvaard dat er geen maatschappelijke criteria bestaan om dat te verklaren. Misschien kent Peter Iden die, maar die is dan weer niet in staat te zien wat een kunstwerk is. Drie dagen geleden is hij in een kunstwerk gevallen en hij maakte zich boos omdat het niet goed was opgesteld. Ik ben nog nooit in een kunstwerk gevallen.

Heiner Müller: Hij moet nu 12.000 DM betalen voor het vernietigen van een kunstwerk…

Jan Hoet: Omdat hij erin gevallen is, is het eigenlijk nog meer waard.

Heiner Müller: Kunst heeft, om Hemingway te citeren, tijd en vertrouwen nodig. Hoet kan niet anders dan subjectief reageren, en hij kan zich ook vergissen; misschien blijkt over vijftig jaar dat hij zich niet vergist heeft.

Jan Hoet: Ik heb nooit gezegd dat ik het weet. Ik zoek.

Adolf Stock: Jan Hoet, u omschreef Documenta ooit als een zoektocht naar autonomie. Kunt u dat toelichten?

Jan Hoet: Mijn houding tegenover de autonomie of de maatschappelijke betrokkenheid van kunst is zeer ambivalent. Ik wil dit illusteren aan de hand van De  dood van Marat  van Jacques-Louis David, dat op de Documenta te zien zal zijn als een soort metafoor van deze ambivalentie. Het belang van dit werk in de gebeurtenissen van de Franse Revolutie, in de overgang van monarchie naar democratie, is duidelijk. Vanuit iconografisch oogpunt heeft David in zijn beeld verwijzingen ingebouwd naar de antieke, klassieke kunst, maar ook naar de religieuze iconografie van de piëta. Jezus heeft hij vervangen door een medestrijder, en het graf door een badkuip, iets heel triviaals dus. Het spirituele dat typisch was voor de Christelijke kunst werd triviaal, maar de referenties blijven bewaard. En door dat doek te schilderen heeft hij zich met de Revolutie geïdentificeerd.

Heiner Müller: Maar door het tafereel met een klassieke, koude blik te schilderen blijft er tegelijk een zekere afstand. Politiek heeft hij zich geëngageerd, maar als kunstenaar heeft hij enkel willen waarnemen en beschrijven.

Jan Hoet: Er is tegelijkertijd sprake van engagement en van een zich willen terugtrekken – distantie. Ook al omdat de brief in het schilderij functioneert als een soort scherm tussen de afgebeelde scène en de toeschouwer. Nu stel ik de vraag: is Davids doek een kunstwerk omdat we het appreciëren als een historisch document, of omdat het ons raakt op een plaats waar wij het niet meer kunnen verklaren. Daarbij komt nog dat onze appreciatie van dit werk verruimd en veranderd werd door het impressionisme, dat bepaalde impressionistische aanzetten bij Da-vid zichtbaar heeft gemaakt.

Heiner Müller: Davids doek is ook een werk dat door grote massa’s aanvaard wordt, omdat men ziet hoeveel arbeid en ambachtelijke vaardigheid daarin geïnvesteerd werden. Vroeger bestond de opvatting dat kunst is wat je moet doen: de kunstenaar was een priester die gehoorzaamt aan een stem buiten hem, willen of niet, hij werd tegelijk aanvaard en gemarginaliseerd. De volgende fase was: kunst is wat je kunt: de kunstenaar werd een specialist. En nu bevinden we ons in een fase waarin kunst is wat iemand wil: eigenlijk is dat Marx’ visie op de communistische maatschappij, waarin iedereeen naast zijn dagelijkse bezigheden ook kunstenaar zou zijn, waarin het moeten  en het kunnen  zijn opgeheven. Als we het actuele censuurdebat in de Verenigde Staten vanuit dit perspectief bekijken dan moeten we vaststellen dat daar momenteel verboden wordt wat zij privé wel kunnen  doen. Privé, tussen de vier muren van je eigen huis mag je doen wat je wil, maar als je dat tentoonstelt, dan bedreig je de intieme privésfeer.

Adolf Stock: In Der Weg zur Documenta  hebt u gezegd dat u moeilijkheden hebt met de Afrikaanse beeldende kunst, omdat die nog te zeer gebonden zou zijn aan bestaande traditionele culturele voorwaarden.

Jan Hoet: In de eerste plaats zou ik willen zeggen dat volledige autonomie niet bestaat. Maar ze kan wel zichtbaar zijn als bedoeling, zowel in het werk zelf als bij de toeschouwer.

Heiner Müller: Waarom zouden Afrikanen autonoom zijn als kunstenaar, terwijl ze het als persoon niet kunnen zijn?

Jan Hoet: Het is zeer delicaat daarover iets te zeggen. Als je geen Afrikaanse kunstenaars selecteert, word je ervan verdacht er een racistische ideologie op na te houden. Maar in de Afrikaanse kunst vind ik de aanwezigheid van strikt maatschappelijke determinaties te nadrukkelijk. Het maatschappelijke zijn bepaalt het bewustzijn van de maker. De determinatie komt duidelijker naar voren dan de autonomie, die een teken is van de vrijheid die de maker in zijn werk probeert te belichamen. Afrikaanse kunst staat ook te dicht bij de cultuur, bij de culturele conditioneringen. Ik heb vastgesteld dat literatuur en film in Afrika veel sterker ontwikkeld zijn dan de beeldende kunst.

Heiner Müller: De beste oplossing zou misschien zijn dat de volgende Documenta door een Afrikaan wordt gemaakt.

Jan Hoet: Ik kan mijn probleem met de Afrikaanse kunst misschien verduidelijken aan de hand van een analoog voorbeeld. De hedendaagse Italiaanse cultuur wordt overweldigd door fashion en design, van Sottsass tot Versace. Dat vertaalt zich uiteraard ook in de kunst. Ik zou Versace kunnen tentoonstellen maar Versace vind ik geen kunst. Als iets te dicht bij de culturele, maatschappelijke of juridische bestaansvoorwaarden staat, dan mis ik iets, namelijk het beetje vrijheid dat wij altijd in een kunstwerk zoeken.

Heiner Müller: Vindt u dat de discrepantie tussen cultuur en kunst toeneemt? Ik herinner me de eerste keer dat ik werk van Tatlin afgebeeld zag. Het werd voorgesteld als avant-garde, en in de reproduktie zag het er allemaal zeer metalig uit. Maar als je de originelen ziet, merk je dat het de traditie van de Russische boerenkunst voortzet. Het is alsof de reproduktie de kunst tot cultuur maakt, en daardoor onschadelijk.

Jan Hoet: De cultuur incorporeert de kunst en brengt ze binnen in een consumptief proces. Bijvoorbeeld door een prentbriefkaart te maken van Davids schilderij.

De cultuur komt altijd achterna: ze breekt de kunst.

Heiner Müller: Ik vind het ook belangrijk dat men in Kassel bijvoorbeeld niet alleen produkten toont maar ook produktieprocessen die haast per definitie onberekenbaar en onvoorspelbaar zijn. Kunst zonder risico is vervelend en onverdedigbaar. Wat me boeit: hoe bent u ertoe gekomen ook boksen en baseball bij de Documenta te betrekken?

Jan Hoet: Dat heeft te maken met de traditie van de Documenta, die de confrontatie met bepaalde domeinen van het leven nooit uit de weg is gegaan: kitsch bijvoorbeeld, in de Documenta van Harald Szeemann. Ik wilde alleen maar iets organiseren dat geen rechtstreekse relatie met kunst aangaat: jazz bijvoorbeeld, of boksen en baseball omdat ze iets te maken hebben met het lichaam. Het lichaam heeft vandaag een meervoudige betekenis. Niet toevallig leven we in een tijd waarin de kwetsbaarheid van het individuele leven door AIDS zo sterk in het middelpunt staat. AIDS toont opnieuw onze grenzen, toont ons wat we niet weten en niet beheersen. Het boksen zie ik niet als metafoor voor kunst. Kunst heeft geen behoefte aan metaforen: kunst is een uitdrukkingsvorm die binnen een bepaalde taal een autonome betekenis krijgt.

Heiner Müller: Bent u door Joseph Beuys op het idee van het boksen gekomen?

Jan Hoet: Inderdaad, ik heb hier een mooie foto waarop Beuys tijdens Documenta V bokst voor de vrije democratie. U kunt ze even bekijken, maar ik wil ze wel graag terug, want het is een unieke foto – de negatieven bestaan niet meer. (laat de foto rondgaan in het publiek)

Heiner Müller: Hij heeft zijn boksmatch blijkbaar niet gewonnen want dan hadden we nu iets anders…

Jan Hoet: Boksen, jazz en baseball heb ik ook gekozen omdat zwarten daarin een centrale rol spelen. Het is dus ook een repliek op de xenofobe cultuur waarin we nu leven.

Heiner Müller: Mij boeit daaraan ook dat het bijdraagt tot de onteigening van de kunstenaar, wat ik heel belangrijk vind.

Adolf Stock: Is het boksen ook niet een provocatie tegenover het kunstbedrijf omdat het doorgaans wordt geassocieerd met het niet-elitaire, met het zogenaamd inferieure?

Heiner Müller: Dat bevalt me wel. Ik geloof in de onteigening van de kunstenaar. Brecht vindt dat zijn ideaal, het volstrekt episch toneel, pas mogelijk zou zijn indien er een einde kwam aan de perversiteit waarmee men van een luxe een beroep maakt, indien het onderscheid tussen amateur en beroepskunstenaar opgeheven zou worden. Een interessant idee dat ook door Beuys werd gedeeld. Elk kind kan tekenen en schilderen, maar het plastisch onderwijs schuift dan een canon van regels tussen het kind en zijn talent. Maar elk kind is begaafd. Een van de functies van onze maatschappij is juist het aantal begaafden te reduceren, omdat ze anders te talrijk worden en voor de industrie onbruikbaar zijn. Daarom is de onteigening van de kunstenaar ook een anarchistisch idee, een programma dat tegen de staat, tegen de groeiende rol van de staat gericht is.

Adolf Stock: Is dat een pleidooi voor dilettantisme?

Heiner Müller: Zeker, zonder dilettantisme geen nieuwe kunst. Vernieuwingen in de kunst gaan niet uit van de beroepskunstenaars. Die moeten wakker geschud worden door dilettanten.

Adolf Stock: En de rol van de tentoonstellingsmaker?

Jan Hoet: Het is een cliché om te zeggen dat de tentoonstellingsmaker op de voorgrond treedt. Wat is het alternatief? Dat vijfentwintig mensen de Documenta samenstellen, zoals bij de Biënnale van Venetië? Ik hoop dat de rol van de tentoonstellingsmaker in deze Documenta anders gepercipieerd wordt. Ik heb alles in het werk gesteld om het publiek te sensibiliseren, maar mijn intieme motieven en voorkeuren voor bepaalde kunstenaars houd ik verborgen. Wat ik hier doe, deze discussie, dat is toch een vorm van bemiddeling? En tijdens de Documenta zelf zal ik gedurende honderd dagen ter beschikking staan van het publiek. Ik geloof dat de meeste kunstenaars juist daarom zo enthousiast zijn, omdat ze doorhebben dat mijn zelfrepresentatie een maneuver is. Tegenover het publiek was een dergelijke strategie noodzakelijk, omdat de laatste Documenta veel krediet verspeeld had, geen nieuwsgierigheid meer kon opwekken. Men geloofde dat het de laatste Documenta was geweest, en het verdwijnen van de Muur zag men als een bijkomende bevestiging daarvan. Want de Muur (als realiteit en metafoor) werd toch vaak als een rechtvaardiging van de Documenta gezien, ook al omdat Kassel slechts twintig kilometer van de DDR-grens verwijderd was.

Heiner Müller: Was het niet zo dat de Muur ook een gevoel van zekerheid en veiligheid schonk? Volgens mij was het inderdaad makkelijker een Documenta te maken met dan zonder de Muur. Ook AIDS is een metafoor, voor de bedreiging van lichamen door andere lichamen. Er komen ook teveel lichamen, in Afrika bijvoorbeeld is een explosie van lichamen. De Muur kon je nog als een soort rem zien, een symbolische beperking.

Er is geen ideale wereld meer.

Jan Hoet: De trivialiteit maakt deel uit van onze wereld. In onze tijd leven we tussen spiritualiteit en trivialiteit. Niemand kan nog verbieden dat bijvoorbeeld recht tegenover de Sint-Baafskathedraal in Gent, waarin zich het Lam Gods van de gebroeders van Eyck bevindt, één van de wonderlijkste werken uit de geschiedenis, een McDonald’s komt. Er is geen ideale wereld meer. Dat is een vaststelling waarmee ook kunstenaars moeten leven. Trouwens, de badkuip op het schilderij van David is even triviaal als de McDonald’s tegenover de kathedraal. Maar David heeft ze getransformeerd. Niet alle kunstenaars die ik geselecteerd heb, houden zich bezig met de trivialiteit maar van diegenen die het triviale thematiseren, verwacht ik dat ze het aan een kleine verschuiving, een kleine differentiëring onderwerpen, zodat een spanningsverhouding ontstaat. Ik verwacht dat de kunstenaar toont dat hij niet bang is om de confrontatie aan te gaan met de trivialiteit, de mediocriteit van onze wereld, dat hij die confrontatie niet ontloopt door zijn toevlucht te nemen tot 19de eeuwse ideologieën.

Heiner Müller: Om even naar Davids badkuip terug te keren: die badkuip was triviaal maar intussen is ze pathetisch geworden…

Jan Hoet:…theater geworden…

Heiner Müller: Het is moeilijk uit te maken wat van wat wij nu als triviaal beschouwen ooit pathetisch of theatraal zal worden.

Een vraag uit het publiek: Heiner Müller, ik heb er problemen mee dat u de Documenta een subversief aura probeert te verlenen. Ik begrijp bijvoorbeeld niet hoe u kunt zeggen dat de volgende Künstlerische Leiter van de Documenta een zwarte Afrikaan zou moeten zijn, of een vrouw. Want het zal geen Afrikaan zijn, en evenmin een vrouw. Met de Documenta is veel geld verbonden. De Staat representeert zichzelf erin, de kunstmarkt is erbij betrokken. Met al deze instanties onderhoudt Jan Hoet contacten maar zelf praat hij over niets anders dan zijn subjectieve gevoelens. Het is duidelijk dat hij die hele dimensie van representatieve en commerciële aspecten buiten beschouwing wil laten.

Heiner Müller: Ik begrijp niet goed wat u precies bedoelt. Voor mij is het wat veel ineens… Natuurlijk functioneert elk kapitalistisch systeem zo: we creëren een vrijplaats waarin mensen zich kunnen uitleven, en daarvoor geven we hen geld. Voor ons imago is dat goed, daarin hebt u gelijk. Maar dan weet ik nog altijd niet goed waar u precies op aanstuurt?

Jan Hoet: Natuurlijk heb ik een bepaalde relatie met verzamelaars, galeriehouders, museumdirecteurs, critici, tijdschriften, kranten, kunsthistorici… Allen leveren ze een bijdrage tot de kunst. Er zijn galeriehouders die zich heel persoonlijk – en met hun geld – voor bepaalde kunstenaars geëngageerd hebben, die risico’s genomen hebben. Maar er zijn natuurlijk ook parasieten. Ik heb behoefte de dingen te tonen die ik goed vind, en mensen te sensibiliseren voor datgene waardoor ik zelf gesensibiliseerd word. Dat toon ik en de toeschouwer kan ja of neen zeggen en naar huis gaan met wat hij belangrijk vindt. Ik ben geen galeriehouder, geen verzamelaar, ik ben museumdirecteur, met een gewoon budget en een gewoon salaris – in Duitsland zou ik driemaal zoveel verdienen. Alle kunstwerken die ik van kunstenaars gekregen heb, heb ik aan mijn museum geschonken, gratis. In veel gevallen heeft het Gents stadsbestuur nog gemopperd dat mijn schenkingen waardeloos waren. Ze dachten dat het een subversieve daad was, iets waar ik zelf baat bij had. Als je niets schenkt, zeggen ze: hij verzamelt. Als je alles schenkt, zeggen ze: hier stinkt iets.

Heiner Müller: Het bezwaar is dan vaak dat men, juist omdat men veel geld krijgt zich bij bepaalde taboes neerlegt – een soort commerciële censuur zou op die manier ontstaan. Maar dat is dan natuurlijk het probleem van de mensen die het geld krijgen. Ze moeten juist proberen om desondanks toch te doen wat ze zinvol achten. Maar waarom het geld niet aannemen? De Duitse cultuurbegroting is belachelijk laag, en als een dorp of een stad moet besparen dan gaat men altijd eerst snoeien in de uitgaven voor cultuur.

Je moet het geld gewoon gebruiken, je moet gebruik maken van het slechte geweten dat regeringen ertoe dwingt geld aan cultuur te spenderen.

Jan Hoet: De Documenta heeft slechts een half miljoen DM meer dan het budget waarover de makers van de Berlijnse tentoonstelling Metropolis beschikten. In onze begroting worden namelijk ook de entreegelden meegerekend, en die som is berekend op een bezoekersaantal van 520.000. Dan zijn er nog de catalogi die we verkopen en bijdragen van sponsoren. Men zegt altijd: de Documenta kost 15 miljoen DM maar de uitgaven bedragen geen 15 miljoen DM. Overigens zijn ook bekwame verzamelaars in staat om zonder Documenta een waardevolle verzameling op te bouwen. Maar waar moet het publiek dan heen? Zijn alle verzamelaars zo idealistisch om het publiek te sensibiliseren voor wat zij verzameld hebben? Een Documenta wordt voor het grote publiek gemaakt. En als je het geld dat Documenta krijgt vergelijkt met drie kilometer autoweg, of een bom, of een opera – een opera van Jan Fabre kost 4,7 miljoen DM.

Een vraag uit het publiek: Hoe gaat u om met de druk om nieuwe avant-gardes te tonen en te “produceren” enerzijds, en anderzijds met het inzicht dat het concept avant-garde zelf heel problematisch is geworden?

Jan Hoet: Ook hier is mijn houding ambivalent. Simplistisch geformuleerd is de vraag: leven we in een tijd van avant-gardes of van citaten? Formele en inhoudelijke citaten spelen in onze zogenaamde post-modernistische wereld een grote rol. Zelf probeer ik dat zoveel mogelijk te vermijden. Ik probeer nog altijd zo dicht mogelijk te naderen tot wat ik zelf als avant-garde kan accepteren, namelijk datgene wat onze kunstdefinities verruimen kan. Ik wil dus geen terugblik, geen exploitatie van de kunstgeschiedenis. Wat ik wel zoek is een houding die de kunstgeschiedenis als kader gebruikt, die haar van haar inhouden ontdoet en ze opvult met persoonlijke ervaringen. En die persoonlijke ervaringen hebben veel te maken met een dialoog met twee extreme posities van de voorbije periode: enerzijds de vitaliteit van Beuys, anderzijds de absolute zoektocht naar ideale vormen in het werk van Donald Judd. Ik apprecieer jonge kunstenaars die de confrontatie met deze extreme posities aangaan, en die opvullen met persoonlijke ervaringen. Robert Gober bijvoorbeeld, die de strenge vormen van Donald Judd aanvaardt als een plausibel tekensysteem in de ontwikkeling van de kunst, en de geometrische figuur van de kubus bijvoorbeeld tranformeert tot een babybox. Wat Judd op industriële wijze heeft gemaakt, maakt hij nu plots met zijn eigen handen. En hij vult de figuur van de kubus met verwijzigingen naar zijn eigen kindertijd, met ervaringen en herinneringen. Daarna brengt hij alles in beweging, door bijvoorbeeld een stuk te verwijderen. De kubus wordt dan bijvoorbeeld plots een kooi. Of nog: wat bij Beuys nog hoofdzakelijk abstracte symbolische waarde had – het vilt bijvoorbeeld – krijgt in onze tijd een tactiele waarde. Het object wordt verbonden met existentie. Dat is meer dan een eenvoudig citeren.

Adolf Stock: Daarmee wil ik dit gesprek dan besluiten. Ik dank u voor uw belangstelling, en ook voor het feit dat u zoveel rustig nadenken mogelijk hebt gemaakt…

Heiner Müller: Nog een mededeling: ik hoor net dat het borstbeeld van Karl Marx niet meer achter een gordijn in de garderobe staat: het werd intussen opgenomen in de kunstcollectie van de Akademie…

Jan Hoet: Mijn foto van Beuys alstublieft! Mag ik alstublieft mijn foto van Beuys terug!

Eddy Bettens (vertaling)

Koen Brams (bewerking)

Documenta IX kan van 13 juni tot 20 september bezocht worden in Kassel. De Documenta is een organisatie van Documenta und Museum Fridericianum Veranstaltungs GmbH, Friedrichsplatz, 3500 Kassel, Duitsland, tel. 0561/77.00.34, fax. 0561/77.42.76.

Conserveren om te veranderen

‘Alles moet veranderen, opdat alles hetzelfde blijft,’ zo heeft Giuseppe Tomasi di Lampedusa de conservatieve grondhouding samengevat in zijn bekende roman De tijgerkat. Soms zou je diezelfde indruk krijgen door de gretigheid waarmee de museumwereld de termen diversiteit en inclusiviteit omarmd heeft. Leidt dit vertoog werkelijk tot verandering, tot een andere kijk op de traditie en een verbreding van wat een gemeenschap kan zijn? Of doen musea slechts aan windowdressing, door vooral de belangen van overheden en sponsoren en uiteindelijk het eigen instituut voor ogen te houden? Hoe kennen we aan erfgoed vanuit het heden een waarde toe die recht doet aan het verleden en tegelijk de toekomst openhoudt? Het zijn vragen voor drie curatoren en conservatoren die respectievelijk werken met hedendaagse kunst, de collectie van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren en de stadscollectie van Amsterdam.

Vincent van Velsen is kunstcriticus en curator met een achtergrond in kunst- en architectuurgeschiedenis. Meest recentelijk cureerde hij de solotentoonstelling A Blueprint for Toads and Snakes van Sammy Baloji, waarin onder meer getoond wordt hoe de koloniale blauwdruk van Lubumbashi doorwerkt in het Congo van vandaag. Ook is Van Velsen redacteur bij Metropolis M en bekleedt hij verschillende advies- en bestuursfuncties. Bambi Ceuppens is als senior researcher verbonden aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren en doet daar onder meer onderzoek naar westerse representaties van Afrika en Afrikanen, het Belgische en Congolese koloniale verleden en de Congolese diaspora in België. Tegelijk onderzoekt ze de koloniale en postkoloniale populaire Congolese cultuur en autochtonie, interculturaliteit en multiculturaliteit in Vlaanderen. Ze is tentoonstellingsmaker en was in 2010 commissaris van Indépendance! in het KMMA. Imara Limon is curator bij het Amsterdam Museum waar ze Zwart Amsterdam (2016) initieerde, over zwarte rolmodellen in Nederland. Daarnaast cureerde ze Black & Revolutionary, een initiatief van The Black Archives. Ze is adviseur bij het Mondriaan Fonds en werd in 2017 uitgeroepen tot Museumtalent, een nationale aanmoedigingsprijs voor jonge museumprofessionals.

 

Fiep van Bodegom: Bestaat er niet een wezenlijke tegenstelling tussen bewaren en veranderen? De aloude taak van een museum is het conserveren en bewaren van wat er is – van verzamelingen die sterk nationaal zijn georiënteerd. Is er dan nog plaats voor het nastreven van progressieve idealen zoals emancipatie en een inclusievere kijk op de wereld?

Vincent van Velsen: Het een sluit het ander niet uit. Bewaren is de taak van de conservator, veranderen wellicht de taak van de curator. In dit geval denk ik dat de definitie van ‘nationaal’ een belangrijke aanpassing verdient. Een aanpassing die progressief, inclusief en emancipatoir van aard is. Het idee dat Nederland alleen hier aan de Noordzee bestaat moet opgerekt worden. Het grootste deel van de Nederlandse geschiedenis vond overzees plaats. Als Suriname, de Antilliaanse eilanden en Indonesië worden meegenomen in het denken over identiteit en geschiedenis is er al veel meer te bewaren, te conserveren. Ik denk dat het belangrijk en zelfs essentieel is om dergelijke bewegingen te maken en van daaruit andere bronnen en perspectieven te onderzoeken. Al is het slechts om de constructie van het ‘zelf’ te begrijpen. Dat heeft betrekking op economie en de opbouw van welvaart, maar ook op de witte identiteit en bijbehorende methodes tot distinction: het zijn aspecten die nu de nationale mythe vormen. Dat betekent niet dat het bestaande beeld, en de bijbehorende objecten teniet gedaan moeten worden, maar wel dat deze in een bredere, adequatere context geplaatst en beschouwd moeten worden. Nu is er vaak sprake van één enkel perspectief. Conservatoren hebben daar vaak meer moeite mee dan kunstenaars, omdat kunstenaars zich niet per se laten leiden of afleiden door de zogenaamde gecanoniseerde, vaststaande (kunst)geschiedenis, maar veel losser relateren en associëren. Sommige conservatoren geven die vrijheid wel aan de kunstenaar, maar nemen zelf geen verantwoordelijkheid voor structurele verandering. Conservatoren, zeker de oudere generatie, die doorgaans wit is en afkomstig uit een gegoede, behoudende klasse, stellen zich over het algemeen conservatiever op. Hier geldt zeker voor de conservator: nomen est omen. Om zulke veranderingen niet structureel door te voeren beroepen ze zich vaak op het begrip van het publiek, de canon en toegankelijkheid. Dat vind ik een pijnlijk zwaktebod. Dat zijn precies de mechanismes die progressieve ideeën en idealen buiten beschouwing houden.

Imara Limon: Ik denk dat het uitgangspunt inderdaad verschilt. Van oudsher is de taak van een conservator het beheren en tonen van een collectie, en vervolgens een verhaal vertellen aan de hand van objecten uit de collectie. Maar dat resulteert niet automatisch in meerstemmige of nieuwe verhalen. Weliswaar is diversiteit tegenwoordig een verplichting omdat het bij elke subsidie als criterium wordt gehanteerd, maar daarom is het nog geen intrinsieke motivatie. Ik denk dat er heel weinig kennis is over hoe je andere verhalen vertelt. Waar de kennis binnen een vakgebied ontbreekt, lijkt die extra stap zetten vaak moeilijk. Soms gaat het om het uitgangspunt. Ik werk bijvoorbeeld nu aan de tentoonstelling 1001 vrouwen in de twintigste eeuw. Het gaat om Nederlandse vrouwen, en het project is gebaseerd op een specifieke selectie mensen verzameld in het gelijknamige boek van historica Els Kloek. We hebben veel gesproken over diversiteit in brede zin, en moeten werken met de biografieën die voorhanden zijn. Die insteek maakt het spannend en complex. Het gaat in de tentoonstelling over beroepen en prestaties van vrouwen die uit de geschiedenis zijn geschreven, bijvoorbeeld de eerste vrouw met een vliegbrevet, de eerste vrouw die meedeed aan de Elfstedentocht. Het is interessant om daar niet alleen naar te kijken door de lens van culturele diversiteit. Maar ook dan, of juist dan duiken aspecten op die ermee verbonden zijn. Je ontdekt dat veel van de beschreven vrouwen in Nederlands-Indië geboren zijn. En dat er andere vrouwen waren die, na een overzees verblijf, portretten van ‘exotische’ vrouwen schilderden. Dat maakt het allemaal net weer wat complexer en gelaagder.

Bambi Ceuppens: Het KMMA stond lang bekend als het laatste koloniale museum ter wereld, dat geen kanttekeningen plaatste bij de geschiedenis van de kolonisatie, die immers ook het museum als instelling gecreëerd had. Dat is duidelijk niet meer het geval. Zelf hecht ik er waarde aan te benadrukken – en dat is mijn persoonlijke overtuiging – dat het museum meer moet doen dan de collectie met een hedendaagse blik bekijken of in een hedendaagse context plaatsen. Dat zou óók een reductie zijn. Tijdens de kolonisatie was er ook niet slechts één enkele context. Trouwens: als er slechts één context zou zijn, dan had je dat hele begrip context niet meer nodig. Ook destijds waren er verschillende groepen met verschillende visies op kolonisatie. En die groepen beperkten zich uiteraard niet alleen tot witte Europeanen! De belangrijkste groep waren de Afrikanen zelf, van wie we nu met grote stelligheid kunnen zeggen dat zij het met de kolonisatie absoluut niet eens waren. Ook dat is een kwestie van historisch contextualiseren. De uitdaging van de nieuwe permanente tentoonstelling in het KMMA, die eind dit jaar opent, bestaat er precies in aan te tonen hoe tijdens de hele koloniale periode mensen zich daar op verschillende manieren tegen verzet hebben. Nogmaals: het museum is gecreëerd als instrument voor koloniale propaganda, maar als het museum echt wil dekoloniseren mag het niet in dezelfde val trappen door slechts de visie van één tijdvak aan te bieden. Dat wordt niet door de Belgische staat verwacht: het museum is immers net als een universiteit een onafhankelijke wetenschappelijke instelling. We hebben het recht en de plicht om kennis te vulgariseren voor een groot publiek, zonder dat we moeten proberen om de ‘officiële waarheid’ mee te geven. De inhoud van de nieuwe tentoonstelling beperkt zich ook niet tot het koloniale verleden alleen. We proberen een evenwicht te vinden tussen recente wetenschappelijke inzichten en een voor het grote publieke aantrekkelijke ontsluiting van de collectie. Over de grote lijnen van de koloniale geschiedenis bestaat er onder wetenschappers overigens veel meer eensgezindheid dan buitenstaanders zouden denken. Al zijn er natuurlijk amateurhistorici met heel andere ideeën, en dat zijn in België voornamelijk oud-kolonialen.

F.v.B.: Een groot probleem blijft de nawerking van wat Frantz Fanon het totalitaire aspect van het kolonialisme heeft genoemd: de kolonisator bepaalt niet alleen het heden, maar ook het verleden, door artefacten te bewaren of juist te vernietigen. Hoe vul je die lacune – die een vorm is van overwinnaarsgeschiedenis – in? Hoe ga je daarmee om in de presentatie?

V.v.V.: Tja, het invasieve westerse denken. In de context van musea en collecties gaat het deels ook om economie: de aanwezigheid van een object in een collectie heeft een bepaalde waarde voor een museum. Instellingen kunnen het zich eenvoudigweg niet veroorloven de canon te herschrijven, want dat zou de vernietiging van de waarde van hun inventaris impliceren. Toch is het belangrijk de kaders en indelingsmechanismes kritisch te bekijken, en mogelijk ook te herschrijven. Een gerelateerd voorbeeld kwam ik tegen tijdens het onderzoek dat voorafging aan de expositie van Sammy Baloji bij Framer Framed. Hier kwam naar voren dat kennis over bevolkingsgroepen in Congo op schrift werd vastgelegd door westerse etnologen. Dat is van grote invloed geweest op de onderlinge conflicten die later ontstonden; mensen wisten weinig over elkaar, maar wat ze wisten was niet zozeer ingegeven door directe eigen ervaring en persoonlijke kennis, maar door de versimpelde weergaven van de westerse etnologen. Dat is de informatie die vervolgens in de Congolese schoolboekjes terechtkwam, waardoor die kennis, in feite giftige vooroordelen en stereotypen, werd gereproduceerd en verspreid. Die kaders en zogenaamde kennis zou je moeten dekoloniseren om maar een hedendaagse term te gebruiken.

I.L.: Ik denk dat het allereerst aankomt op het herdefiniëren van de identiteit van een collectie. Voor je andere verhalen gaat vertellen, moet je weten wat de collectie zegt. De collectie van het Amsterdam Museum is van iedereen, voor iedereen, en het verhaal ervan gaat altijd over de stad, en dan vaak over een klein, historisch deel van de stad. De collectie bestaat uit grote deelverzamelingen van specifieke schenkers. In september begint een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam naar koloniaal erfgoed en stadsmusea. De onderzoekers gaan door de collectie om te kijken hoe er is verzameld en welke rol koloniaal erfgoed speelt. Zo wordt een heel ander aspect, een heel ander verhaal van de collectie blootgelegd. Ik sprak daar laatst over met conservatoren van het Museum of London en zij zeiden: ‘Dat deden we al in de jaren negentig! Denk je echt dat je iets nieuws gaat ontdekken?’ Toen dacht ik: ‘Voor Nederland is dit in ieder geval nieuw!’      

B.C.: Een manier om in ieder geval een breder perspectief te bieden – en dat is een beslissing die al in 2007 genomen werd door het museum, voordat ik in dienst trad – is om de Afrikaanse diaspora bij de presentatie te betrekken. Doordat het maatschappelijk debat in België over de koloniale tijd lange tijd werd gedomineerd door oud-kolonialen, en het museum met hen samenwerkte, ontbrak de Afrikaanse stem. Dat proces is in volle gang. Verleden jaar waren er twee Nederlandse kunstenaars op bezoek. Misschien moet je een buitenstaander zijn om dat op te merken, maar zij waren verrast over het feit dat er nog geen enkel boek van een Congolese historicus is vertaald in het Nederlands. Dat is een tamelijk problematische situatie: het debat over de koloniale tijd is een debat dat Belgen (of Vlamingen met andere Nederlandstaligen) vooral onder zichzelf voeren. Zolang er geen uitgeverijen zijn die in vertalingen voorzien, kan de tentoonstelling in het KMMA daarin een rol spelen. De situatie is anders dan in Nederland. In Nederland maakt die ene, gedeelde taal het mogelijk een nationaal debat te voeren, terwijl in een land met drie officiële talen dat bijna onmogelijk is. In de discussie over het slavernijverleden in Nederland, over Zwarte Piet, zie je dat de afstammelingen van mensen die tot slaaf zijn gemaakt het voortouw nemen: die groep is in absolute aantallen eenvoudigweg groter.

F.v.B.: Wie de canon wil verbreden en andere kunsttradities wil tonen, krijgt al gauw te maken met discussies over kwaliteit: de grote poortwachter. Is dat vandaag nog een waardevolle term? Of verdoezel je dan vooral het bestaan van institutionele machtsrelaties, binnen musea, kunstopleidingen en kritiek?

V.v.V.: Vaak wordt kwaliteit te makkelijk gebruikt om iets af te schrijven. Voor mij gaat het over (beeld)cultuur. Als je iets vaak ziet of er veel van weet, is de kans vrij groot dat je het gaat waarderen. En soms waardeer je dan niet het werk zelf, maar de manier waarop het is uitgevoerd. Je begrijpt waarom iets waarde heeft, een kwaliteit bezit, en dus ook waarom het ondersteund moet worden, de ruimte verdient. In die zin heeft de opleiding, de canon, een centrale functie. Vaak is het zo dat ‘andere’ vormen, die buiten een bepaalde beeldcultuur vallen, op basis van het veronderstelde gebrek aan kwaliteit worden afgeschreven, terwijl werk dat zeer conservatief is en aan alle verwachtingen voldoet enorm wordt gewaardeerd. Als curator, of criticus is het je rol moeite te doen om op grond van professionele kennis, opleiding, achtergrond of persoonlijke affiniteit naar kwaliteiten te zoeken; om het daarna te selecteren en te delen met het publiek – en zo nodig te mediëren. Dit gebeurt tegenwoordig zeer weinig, mede doordat er (te) weinig jonge curatoren of conservatoren worden aangesteld die interesse hebben om met (jonge) mensen met nieuwe inzichten en perspectieven te werken. Begrijp me niet verkeerd: ik pleit niet voor ageism en er zijn ook zekere oudere curatoren die wel degelijk dergelijke moeite doen en on point zijn. En dit alles neemt zeker niet weg dat er genoeg werk wordt geproduceerd dat daadwerkelijk kwalitatief ondermaats is.

I.L.: Als het in musea gaat om de term kwaliteit, dan gebeurt dat vaak aan de hand van bestaande maatstaven. Dus concreet: heeft iets kunsthistorische kwaliteit? Dat zijn over het algemeen vrij traditionele kwaliteitsopvattingen, die nauwelijks zijn gedefinieerd. Als je op dat niveau gaat discussiëren, verandert er niets. Je moet een laag dieper gaan, die kwaliteit opnieuw gaan benoemen en zorgen dat die vernieuwing doordringt tot op beleids- en subsidieniveau. Ik heb in het Amsterdam Museum een vast contract, wat betekent dat ik zeggenschap heb, in tegenstelling tot gastconservatoren. Dat is het ook het punt: het gaat over macht. Je kunt eindeloos in dialoog blijven, maar als je niet de positie hebt om iets te beslissen dan bereik je niets.

B.C.: Als antropoloog gaat mijn eerste interesse uit naar de sociale betekenis van een werk, niet naar de esthetische kwaliteiten. Antropologie werkt vergelijkend, en er bestaat bij antropologen een consensus dat er niet zoiets bestaat als een universele esthetica die maakt dat men kunstwerken uit verschillende culturele en historische contexten kan evalueren op basis van dezelfde criteria. Dat neemt niet weg dat er in elke kunsttraditie criteria bestaan voor wat beschouwd wordt als een goed werk. Dat is niet noodzakelijk een zuiver esthetisch criterium. Elk kunstwerk, door welke kunstenaar op welk moment waar ter wereld ook gemaakt, werd gecreëerd binnen een specifieke sociale en culturele context. Die context moet je altijd meenemen in je appreciatie, ook als je probeert die context te overschrijden door werken met elkaar te vergelijken. Ik verzet me tegen het idee dat je kunstwerken los kunt trekken van hun context om ze binnen een soort wereldcanon te presenteren – dat is cultuurimperialisme. Toch zijn ook hier nuances aan te brengen: sommige werken in de collectie zijn modern in de zin dat ze gebruikmaken van materialen die werden geïntroduceerd in de koloniale periode. Aan de andere kant – ik heb hier een tentoonstelling over gemaakt – is het onderscheid tussen traditionele en moderne kunst niet geldig in de Afrikaanse context. Daar lopen al die classificatiesystemen om te bepalen wat modern is door elkaar. We zien bijvoorbeeld dat de fotografie in Europa volgt op een lange traditie van schilderen op doek, terwijl beide kunstvormen in Afrika veel korter bij elkaar liggen. In Congo verschijnen de eerste foto’s, pakweg in 1884, zestig jaar na de eerste schilderijen op papier met waterverf, in de jaren twintig van de negentiende eeuw. Kunstenaars gingen heel vlug montages maken van schilderijen en foto’s, wat dan in het Westen wordt gezien als typisch modernistisch. Kan je dat in een Afrikaanse context ook zeggen? Net zo goed denken wij dat abstractie typisch is voor de Europese avant-garde van de twintigste eeuw, terwijl de eerste Afrikaanse kunstenaars ook veel abstracte motieven gebruiken. De realistische weergave, voor zover die er is, beperkt zich grotendeels tot een niet-rituele context. Dat betekent niet dat we geen vergelijkingen kunnen maken tussen wat zich daar en elders op artistiek domein ontwikkeld heeft, maar we moeten wel rekening houden met het feit dat de westerse classificatiesystemen niet noodzakelijkerwijs elders van toepassing zijn.

F.v.B.: Dichter, denker en criticus Édouard Glissant definieerde het recht op opaciteit of ‘ondoorzichtigheid’ als een manier om de barbaarse totaliteit van westers denken tegen te gaan, om zo te komen tot een daadwerkelijke waardering van de ander als ander. Zou dat een term zijn om de kwaliteitsdiscussie te verbreden? Of loop je dan juist het gevaar dat je het obscurantisme tot nieuwe norm verheft?

V.v.V.: Ik ben grote fan van Glissant, en misschien nog wel het meest van deze term. ‘Opaciteit’ is zeer waardevol om culturen en kennis te beschermen tegen westers, invasief, kapitalistisch denken en handelen. Grond en cultuur worden nog steeds toegeëigend – en dan alleen op een manier dat ze functioneren binnen een westers wereldbeeld, denk aan mindfulness en yoga. Het is gewoon het koloniale proces, dat nog steeds doorgaat onder een nieuwe noemer: imperialisme of kapitalisme. Daarom is opaciteit zeer waardevol, om culturen, kennis en personen te beschermen tegen dat invasieve handelen. En je kunt een ander mens nooit volledig kennen, dat is eigenlijk al de incorporatie van andersheid in elke relatie tot een ander, maar Glissant bedoelt het misschien specifieker. Welbeschouwd is het idee niet zo vreemd als het lijkt. Is het niet een klassieke houding in de kunstbeschouwing om te zeggen dat een werk altijd meer is dan de beschrijving ervan? Dat het in essentie iets omvat wat moeilijk over te dragen is? In die zin is het idee van onkenbaarheid onderdeel van een communicatiemodel dat voor elk (kunst)werk en elke persoon geldt.

B.C.: We maken onszelf iets wijs als we denken dat werken uit de Europese cultuurgeschiedenis van de voorbije eeuwen transparant zijn voor ons. Wij appreciëren schilderijen uit de Middeleeuwen of de Renaissance ook niet op dezelfde manier als de schilders zelf of als de mensen voor wie zij werkten. Binnen een bepaalde cultuur heb je geen directe toegang tot alle kunstwerken die we met die cultuur associëren. Zelfs het idee dat je kunstwerken kunt associëren met specifieke culturen is al problematisch.

F.v.B.: Bij een nieuwe kijk op de collectie, op de geschiedenis, op koloniale verhoudingen, is er behoefte aan nieuwe terminologie. In Nederland en Vlaanderen wordt gebruikgemaakt van Amerikaanse termen uit de antiracismebeweging zoals white privilege en white innocence. Is dat noodzakelijk, nuttig of vertekenend?

V.v.V.: Allereerst: je kunt natuurlijk van elkaar leren. Maar tegelijk vind ik het gebruik van termen uit het Engels, en dan met name uit de Amerikaanse context, heel ingewikkeld, omdat het als een stoomwals het landschap plat maakt. Het is belangrijk concepten uit andere talen en kennis over concrete situaties uit je eigen geschiedenis te hanteren. Je moet altijd weer concreet worden. De Indonesische koloniale geschiedenis is niet dezelfde als de Surinaamse, en die verschilt dan weer van het Antilliaanse of het Molukse verhaal. Als je kijkt naar de burgerrechtenbeweging in de VS: die heeft zich hier simpelweg niet voorgedaan. Je kan het over Martin Luther King hebben, maar toen was Suriname nog een kolonie. Hoe kan je dat vergelijken? Er was een onafhankelijkheidsbeweging en er waren mensen die verandering wilden, maar je moet de gebruikte termen steeds weer vertalen naar je eigen situatie, zoals Gloria Wekker haar boek eerst in het Engels schreef en vervolgens in het Nederlands publiceerde als Witte onschuld. Dat levert nieuwe inzichten op. De uitdrukking ‘persoon van kleur’ of ‘wit’ en ‘zwart’, dat is nieuw in het Nederlands. Niet ‘mensen met een kleurtje’, dat is echt verschrikkelijk.

I.L.: Op een dag realiseerde ik me dat niemand waarmee ik werk nog het woord ‘blank’ gebruikt. Iedereen gebruikt nu ‘wit’. En dat heeft niet alleen te maken met het museum, maar ook met de maatschappij. Plotseling was het gewoon geworden. Naar aanleiding van de tentoonstelling Zwart Amsterdam vroeg ik aan verschillende mensen: ‘Wie is je zwarte rolmodel?’ Eerst dacht ik: nu krijg ik allemaal leuke, interessante voorbeelden en reacties. Maar ik kreeg ook veel negatieve antwoorden, van mensen die vroegen: wat bedoel je met zwart? Ben ik zwart genoeg? Is het niet ongepast om dat zo te zeggen? Dat zijn interessante reacties, die ik serieus genomen heb. Het moet ook gaan om de vraag wat zwart inhoudt. En meer algemeen moet het in ieder geval gaan om het vertellen van andere verhalen. Daar draait het project New Narratives om, dat begon tijdens de tentoonstelling Zwart Amsterdam. We gingen ook bij de rest van de museumcollectie kijken hoe met representatie wordt omgegaan. Sindsdien beginnen we al in een vroege fase van elk nieuw project met vragen over diversiteit.

B.C.: Woorden zijn belangrijk. In het KMMA is er een lijst gemaakt met aanbevelingen voor te gebruiken termen. Soms werd gekozen voor pragmatische oplossingen. We gebruiken ‘voor Christus’ omdat daar in het Nederlands geen bruikbaar synoniem voor bestaat. Sommige onderzoekers waren daar niet gelukkig mee, en dat snap ik. Maar een bewering als zouden de Europeanen Afrika ‘ontdekt’ hebben, die gebruiken we niet meer. ‘Etnografisch’ is sowieso een weinig bekend woord, dus dat kun je eenvoudig vervangen door ‘materiële objecten’ in het algemeen. In een specifieke context kan het gaan om ‘rituele objecten’ of om ‘gebruiksvoorwerpen’. Woorden die echt problematisch zijn omdat ze koloniale of raciale connotaties hebben, zoals ‘stam’, die gebruiken we niet meer. Het gekke is dat de weerstand vaak niet kwam van collega-wetenschappers of van mensen die werken bij de publieksafdeling, maar van de copywriters. Zij schrijven ‘gemeenschap’ en wij maken daar ‘maatschappij’ van. Dan komen er vragen, en dan moet je uitleggen dat ‘gemeenschap’ impliceert dat er in Afrika geen maatschappij zou bestaan, geen vorm van politieke organisatie. Die had je natuurlijk wel: bands van twintig personen van jagers-verzamelaars tot grote koninkrijken, dat zijn allemaal maatschappijen. De basis is: beschrijf andere maatschappijen zoals je je eigen maatschappij zou beschrijven.

F.v.B.: Machtsverhoudingen bestaan altijd in musea en de galeries. Hoewel er veel wordt gesproken over het doorbreken van de dominante verhalen en de canon, is de culturele sector wat inspraak of werkzekerheid betreft lang niet altijd een progressief baken aan de horizon. Er wordt veel gebruikgemaakt van mensen die op projectbasis werken, met tijdelijke contracten en onbetaalde stagiairs. Vaak wordt niet eens het minimumloon betaald. Tentoonstellingen komen tot stand dankzij onbetaalde arbeid en kunstenaars krijgen niet altijd vergoedingen die evenredig zijn met hun werk, als ze al iets krijgen. Hoe staan jullie tegenover die tendens?

V.v.V.: Jonge curatoren krijgen weinig kansen, en al helemaal geen vaste contracten. Dat heeft consequenties voor de programmering en voor interne verhoudingen. Wie gaat er kritische feedback geven op een slecht plan van een collega, als je afhankelijk bent van haar of hem om volgende maand de huur te kunnen betalen? Tegelijk ben ik ook pragmatisch genoeg om te bedenken dat dit nu eenmaal de wereld is waarin we leven. Binnen dat systeem moet je proberen zoveel mogelijk te veranderen, hoewel ‘goeddoen’ maar een bepaald bereik heeft en je nooit alle gevolgen kunt overzien. Je kunt proberen zonder stagiairs te werken, maar stagiairs hebben wel degelijk nut – hun werk is ook nuttig voor henzelf. Ga je dan schipperen? Minder stagiairs aannemen? Eén per half jaar? Stagiairs betalen? Hoeveel, ten koste van wat? Kunstenaars worden nu betaald door middel van de kunstenaarshonorariumregeling, maar dat gaat van het productiebudget af. Dan kun je ze betalen voor een show die ze niet kunnen maken! Het leidt er tevens toe dat het voor mensen uit armere milieus moeilijk is om überhaupt in de kunstwereld te werken. Je moet minimaal uit de middenklasse komen, anders kan je het je gewoon niet veroorloven. En dat heeft ook weer invloed op de voorkeuren qua werk, interesses en representatie: het systeem voedt en onderhoudt zo conservatieve posities in vele vormen.

I.L.: Het is een onderdeel van de kwaliteit van een tentoonstelling: door wie wordt ze gemaakt, wie wordt er betaald, wie heeft de laatste zeggenschap over een tekst? Het is zo makkelijk en goedkoop om kennis en expertise in te huren. Dat is niet alleen zonde voor de ontwikkeling van een instituut, maar conservatoren kunnen op die manier niets opbouwen. Het draagt nergens aan bij om mensen tijdelijk in te huren. Dan is het echt puur voor het imago, als onderdeel van een marketingstrategie. In plaats van het in alle eerlijkheid zo te presenteren, wordt het door instellingen vaak als grote stap vooruit voorgesteld.

F.v.B.: Conservatisme – dat is, zeker in de kunstwereld, een beschuldiging en een zaak van de ander. Wat voor conservatieve neigingen bespeur je, tot slot, in je eigen denken over kunst?

V.v.V.: Als kunsthistoricus word je in het eerste jaar van je opleiding onderwezen over het lineair-causaal idee van de geschiedenis: alles volgde elkaar logisch op en het een leidde tot het ander. In het tweede jaar word je geacht die basiskennis te bevragen. Toch blijft dat idee, van zeg maar het Torpedo-diagram van Alfred Barr, op de achtergrond leidend. Het lukt je nooit dat raamwerk omver te duwen, ook omdat ongeveer elk museum ter wereld dit vereenvoudigde begrip van de kunstgeschiedenis aanhoudt. Dat is dus een gedachtegoed waar ik mij ook toe verhoud, en de voorkeuren en kennis die ik letterlijk van bij het begin tot mij heb genomen, zijn toch nog leidend in mijn denken. Ik ben me daarvan bewust, en ik ga er in elke expositie en in veel van mijn teksten tegenin, maar door er tegenin te gaan houd ik het op een bepaalde manier weer in stand.

I.L.: Conservatief is, denk ik, toch altijd mijn interesse in kunstgeschiedenis en in het hele idee van musea en verzamelingen. Een museum als het Amsterdam Museum is er voor het behoud van de geschiedenis, en om belangrijke voorwerpen te bewaren voor de toekomst. Die behoudsgezindheid zit in de structuur van het museum zelf. Toch willen musea graag naar de toekomst kijken en naar de maatschappij, en naar wat er speelt in het dagelijkse leven. Ik moet een brug slaan tussen maatschappij, relevantie en actualiteit aan de ene kant en het behoud van de geschiedenis aan de andere kant.

B.C.: Het is in ieder geval niet zo dat ik bepaalde kunstwerken niet waardeer omdat de achterliggende denkbeelden ervan me niet aanstaan. Kunstenaars voldoen niet noodzakelijkerwijs aan hedendaagse maatschappelijke normen, en zelfs niet aan de maatschappelijke normen van de tijd waarin ze leefden. Dat is geen reden om hun kunst niet te appreciëren. Als ik alle kunst zou verwerpen op grond van het argument dat de kunstenaars seksistisch of misogyn waren, dan bleef er weinig over. Er zit altijd een zekere spanning tussen je eigen politieke inzichten en je appreciatie van kunst, van waar ter wereld die ook komt en op welk moment die ook gemaakt is. Daar zie ik geen contradictie in, het ligt zelfs voor de hand.

‘Ik ben verbluft over de rechten die het artistieke zich aanmeet’

Bart Verschaffel: In een interview met Mil De Kooning, midden jaren tachtig, sprak u over uw “weerzin” ten aanzien van elke architectuur die aanspraak maakt op een vorm van waarde of waardigheid. Uw houding ten opzichte van de architectuur is op zijn minst ambivalent te noemen.

Rem Koolhaas: Het woord weerzin is voor ons een belangrijk woord geweest, vanaf het begin. Het bestaat uit twee onderdelen: weerzin tegen waarden überhaupt, en weerzin tegen die morele waarden die in hoge mate belichaamd worden door de architectuur of die erin verankerd zijn, en die altijd een groot deel van de legitimering van de architectuur hebben gevormd. In de twintig jaar die sinds dat interview zijn verstreken, is die traditionele legitimering echter flink uitgehold door de markteconomie. De markteconomie heeft het voetstuk van de architectuur en de fundering van alle claims die zij ooit kon maken, voor tachtig procent weggenomen. De architect werkt niet meer voor een ‘algemeen goed’ of voor een overheid met goede bedoelingen. De opdrachtgevers zijn nu bijna uitsluitend individuen of bedrijven, met intenties die nog zelden iets te maken hebben met moralisme. De aanspraak op waardigheid, de moraliserende taal die ooit onze weerzin wekte, is sowieso al verdampt.

B.V.: Zegt u nu dat men vandaag weer moet opkomen voor de waardigheid van de architectuur?

R.K.: Bij wijze van spreken. Maar dat is slechts één antwoord. Het tweede antwoord is dat we weerzin altijd hebben gebruikt als een snelle methode om in een gegeven situatie te elimineren wat ons niet aanstond. We hebben de weerzin gecultiveerd, omdat – en dat heeft natuurlijk te maken met mijn opvatting over het vak – de architectuur een eeuwenoud beroep is, en een groot deel van haar kennis eveneens eeuwenoud is. Twintig jaar geleden kwam me dat voor als een enorm obstakel, als een belemmering om adequaat in te spelen op de urgenties die zich voordoen. Maar nu, te midden van de algehele uitverkoop van de architectuur, ben ik die ‘bagage’ van de architectuur enorm gaan waarderen. De architectuur is nog een van de weinige beroepen met diepte, of in ieder geval met een traditie van diepte, die op verschillende manieren kan worden ingezet. De traditie van het vak en de opleiding gaan relatief diep in op een groot aantal kennisgebieden; het vak heeft de routine van het mobiliseren van intelligentie uit verschillende gebieden en maakt een montage of synthese van die intelligentie. Daarbij gaat het niet zozeer om multidisciplinariteit, maar om het opereren met gelaagdheid. Tot aan de oprichting van AMO waren we gedwongen om alle kritiek op de architectuur uit te leven op de architectuur zelf. Nu we met OMA en AMO over twee registers beschikken, kunnen we ons alle vrijheden ten opzichte van de architectuur veroorloven, en toch nog architectonisch opereren. Sinds de oprichting van AMO zijn de ontwerpen van OMA misschien wel ‘architectonischer’ geworden.

 

B.V.: Zijn de diepgang en de ernst van de architectuurdiscipline, naast de aanwezigheid van die kennistraditie, niet verbonden met de traditionele opgave van de architectuur: het werken met de zwaartekracht, met de opaciteit en duur van de dingen – het feit dat dingen zeer traag het bestaan binnenkomen en er ook weer traag uit verdwijnen? Is het niet zo dat de architectuur van OMA, en zeker de publieke architectuur, dit serieux ontwijkt, of tenminste niet thematiseert? Krijgt die traditionele opgave van de architectuur ook een nieuw belang?

R.K.: De moeilijkheid is dat we tegelijk observeren en praktiseren, tegelijk commentaar geven en architectuur produceren, zonder dat er altijd een intieme connectie tussen die twee activiteiten bestaat. De essays Generic City en Junkspace zijn, meen ik, twee verkenningen van dit verdwijnen van de duurzaamheid en de ernst in de architectuur, maar we kunnen als architect opereren binnen diezelfde omstandigheden zonder daarmee zelf oppervlakkig of frivool te worden. Een van de meest interessante wendingen binnen ons werk van de laatste twee jaar is dat we ons voor het eerst rechtstreeks met geschiedenis en conservering bezighouden, en wel in twee projecten: de herinrichting van de Hermitage in Sint-Petersburg, en de stadsontwikkeling van Beijing. In het geval van Beijing gaat het uitdrukkelijk om de vraag of er tussen modernisering en conservering wel een conflict bestaat, of die twee benaderingen in feite niet twee kanten van éénzelfde operatie zijn, beide gelanceerd in de context van de moderniteit en nu schijnbaar onverenigbaar geworden. In de Hermitage proberen we om helemaal niet te interveniëren in de bestaande substantie, maar om via een nieuwe organisatorische conceptie het museum te moderniseren, en meer speelruimte te ontdekken.

B.V.: In Beijing stelt u voor om een grid uit te zetten over de stad, om dan – nagenoeg willekeurig – in sommige zones de ontwikkeling helemaal vrij te laten, en andere zones – bijna even willekeurig – in hun geheel te conserveren.

R.K.: Dat is een van de mogelijke modellen. Het project als geheel steunt op het besef dat, sinds de eerste wetten tot behoud en conservering van monumenten van vlak na de Franse Revolutie, de invoering van die wetten steeds parallel is verlopen met de modernisering, met de uitvinding van stoommachine, loep, telegraaf, telefoon enzovoort, terwijl tegelijkertijd de keuze van wat men wil bewaren steeds breder en groter is geworden, en tegenwoordig zelfs concentratiekampen en warenhuizen omvat. In het begin moest een object tweeduizend jaar oud zijn vooraleer men aan behoud dacht; later werd dat tweehonderd jaar, en nu is het soms nog maar twintig jaar. Zo nader je vanzelf de theoretische limiet waarbij al begonnen wordt het heden te conserveren: conservering niet meer als retrospectieve actie, maar als prospectieve ingreep. Deze ontwikkeling impliceert dat je zou moeten beslissen of je bezig bent met een tijdelijke architectuur, ofwel met een architectuur die voor twintig of honderd jaar gemaakt is. De woning die we in Bordeaux gebouwd hebben, is nu reeds tot monument verklaard, hoewel het huis zelf nog volop in ontwikkeling is.

B.V.: Het voorstel voor Beijing accepteert wel dat ‘behoud’, en een temporele gelaagdheid in de stad, waardevol is, maar ontwijkt tegelijk de inhoudelijke keuze van wat belangrijk of waardevol is: wat precies bewaard zal blijven is uiteindelijk toevallig.

R.K.: Neen. We doen zeker uitspraken over een aantal dingen die zouden moeten worden afgewogen, of over zaken die aandacht verdienen, maar we breiden het repertoire uit: ook snelwegen, politieke ruimtes, of plaatsen waar rampen zijn gebeurd bijvoorbeeld.

B.V.: De kwestie van het behoud gaat toch ook over het omgaan met categorieën van tijd die op elkaar botsen, zoals de tijd van de bekommernissen van het heden, en de gebouwen die oud zijn en er overmorgen nog zullen zijn. Is dat niet wat monumentaliteit uitmaakt? Conserveren is toch niet alleen maar beslissen wat we willen bewaren, maar ook het inruimen van een plaats voor het ‘oude’, dat zich opdringt als een obstakel. Als dat zo is, kan het bijna niet anders dan dat het verleden zich opstapelt in de stadscentra, en de nieuwe ontwikkelingen zich aan de rand afspelen.

R.K.: Zo geformuleerd is het een puur Europees probleem. Een van de verwarrende nieuwigheden van het architectuurvak is dat we in allerlei verschillende culturen werken. En dan blijkt dat de vraag naar de rol van het centrum en de duurzaamheid daarvan uitsluitend een Europese kwestie is, waar we in ons werk elders eigenlijk weinig op stuiten. Een tijd geleden, in het kader van ons projectvoorstel voor La Défense, hebben we voorgesteld om alle gebouwen in het verlengde van de Grande Axe die ouder zijn dan vijfentwintig jaar, af te breken. Wellicht was dat inderdaad een wat bruut uitgevallen poging om de verstopping van het centrum tegen te gaan, en tegelijkertijd datgene wat werkelijk van waarde was intact te laten. De Unesco worstelt ook met die kwestie: ieder land heeft nu recht op zijn eigen monumenten; daardoor ontstaat er natuurlijk een kwantitatief probleem, een overschot aan monumenten. Binnen zeer verschillende culturen moeten de criteria voor behoud worden aangepast en de waarden opnieuw gedistribueerd. De criteria worden bovendien steeds politieker, doordat een echt heldere en algemene definiëring van wat als monument moet worden beschouwd, onmogelijk blijkt.

B.V.: Laten we een case nemen: de villa in Bordeaux is gebouwd met de beperkingen van één lichaam als verzwegen basisreferentie. En het huis, dat nu een monument is, ‘ontwikkelt zich’: na het overlijden van de bouwheer bewoont de familie het huis – schrijft u – helemaal ‘anders’.

R.K.: Dat huis is inderdaad een soort parabel, een goede parabel over architectuur nu. Het begon met een echtpaar dat een huis wilde bouwen, en een aantal architecten had uitgenodigd voor een prijsvraag. Ik aarzelde aanvankelijk om mee te doen: een prijsvraag voor een woonhuis vond ik bizar. Toen kreeg de man een ongeluk, en pas 2,5 jaar later hebben ze de bouwplannen weer opgenomen, maar nu voor een totaal ander, aangepast huis. Onder dergelijke omstandigheden wilde ik absoluut niet meer deelnemen aan een prijsvraag. Na die weigering besloten ze om alleen met ons verder te gaan. Ze wilden een huis dat niet uitging van de handicap of de belemmeringen van de man, maar juist van zijn vermogens: er moest dus een interpretatie van het wonen komen die een verlengstuk zou zijn van wat hij nog kon, in plaats van een compensatie voor wat hij niet meer kon. Daar is dat huis uit gekomen. Acht jaar later is de man gestorven. De familie moest beslissen of ze verder wilden met dat huis of niet. Dat doen ze nu, maar anders.

B.V.: In Content beschrijft u dat als een bevrijding – alsof er een gewicht is weggevallen.

R.K.: Zo hebben we dat met de familie ook afgetast. Na de dood van die man had ik een verschrikkelijk gevoel. Niet alleen omdat hij gestorven was, maar ook vanwege het absurde van de situatie: een huis gebouwd volgens de unieke specificaties van iemand die er niet meer is. Ik heb me vertwijfeld afgevraagd of een ontwerp dat door één enkele gebeurtenis absurd en pathetisch kan worden, wel een goed ontwerp is. Maar de familie realiseerde zich dat ze de liftkamer nog steeds gebruikte, en toen hebben we bij wijze van psychotherapie nagegaan hoe dat werkte en wat er eigenlijk gebeurd is. Ook hebben we nagegaan of dat element een andere rol kon krijgen. We zijn toen uitgekomen bij een soort comfort, en een vorm van chaos, bij alles wat aanvankelijk verboden was, zoals geluid en lawaai; de lift werd als het ware een casino dat door het huis op en neer gaat, en op iedere plek gesommeerd kan worden om datgene te bieden wat door het oorspronkelijke regime geëlimineerd was. We hebben het huis op deze manier met de familie zelf ontwikkeld.

B.V.: Is het niet zo dat alle traditionele architectuur die opaciteit van het lichaam als een verzwegen referentie heeft, en daardoor ‘ernstig’ is?

R.K.: Ongetwijfeld. Maar doorgaans is men er minder op uit om dat precieze engagement te maken. In dit geval moest zowel het funderen als het relativeren ervan bijzonder expliciet gemaakt worden.

 

Architect en kunstenaar

Camiel van Winkel: Voor het nieuwe muziekcentrum van Porto hebt u een niet-uitgevoerd ontwerp van een woning voor een Rotterdamse particulier genomen. Door het ontwerp simpelweg uit te vergroten is het huis in een concertzaal veranderd. Een huis zoals dat in Bordeaux lijkt superspecifiek, maar in Porto blijkt nu dat het meest specifieke ook het meest algemene is. Wat betekent het dat een huis voor een particuliere opdrachtgever kennelijk probleemloos tot een concertzaal uitvergroot kan worden?

R.K.: Tegenover ons werk heeft altijd veel scepsis bestaan – niet alleen onze eigen scepsis, maar ook een enorme scepsis van buiten. Dat heeft ons ertoe gedwongen om altijd met argumenten te komen en ervoor te zorgen dat onze projecten rationeel uit te leggen waren. Tegelijk met het creatieve moest het intellectuele ontwikkeld worden.

C.v.W.: U benijdde architecten die hun ontwerpen aanvaard kregen zonder commentaar of uitleg te hoeven geven.

R.K.: Andere manieren van aanpak lijken altijd aantrekkelijk, domweg omdat er niet de nadelen van je eigen benadering aan kleven – nadelen die je zelf maar al te goed kent. Wat hier zeker ook meespeelt is een factor die zelden wordt verdisconteerd, namelijk de verveling. We werken nu al twintig jaar met OMA, we beginnen het publiek te vervelen, we vervelen elkaar, we vervelen onszelf en raken soms bijzonder geïrriteerd door de praktijken en de vermeende uitgangspunten van het bureau – zoals die soms geformuleerd worden door ex-medewerkers, die beschrijven hoe het er hier aan toegaat. Wat dat betreft gaat het ook altijd om een permanente dialectiek tussen het bureau en mij.

De argumenten zijn niet alleen een verkooppraatje; het is écht zo dat sommige projecten, zoals de bibliotheek in Seattle, volgens een zeer rationele methode tot stand zijn gekomen. Maar het kan interessant zijn om na te gaan of een meer irrationele en minder procesmatige aanpak mogelijk is, zoals het uitvergroten van die woning. Een paar jaar geleden ben ik enkele maanden ziek en uit roulatie geweest, en ik begon met het ontwerp voor dat huis in Rotterdam weer aan een verkenning van de architectuur. Daarna reisde ik voor het eerst naar Afrika, waar ik zeer onder de indruk raakte van de directheid van de cultuur, die gericht is op overleven, op beslissingen nemen en dingen doen zonder veel uitleg en argumentatie. Na die reis had ik zo’n weerzin tegen de overleg- en gespreksrondes die hier nodig zijn, dat ik besloot om niet verder te gaan met dat huis. Toen we dan voor het project in Porto worstelden met de vorm van de concertzaal, die omwille van de akoestiek een ‘schoenendoos’ moest zijn, zag ik opeens dat we de tunnelachtige ruimte die we in het huis hadden uitgespaard, als een schoenendoos konden interpreteren, dat we het huis slechts hoefden te vergroten en dan langs die weg verder konden. Voor mijn eigen besef is het een bijzondere verrijking dat we op zo’n directe manier kunnen werken, puur intuïtief, en dat we niet altijd logische verhalen hoeven op te bouwen. Ik denk dat het verschil tussen projecten die volgens een logische redenering zijn opgebouwd, en projecten die als het ware uit het niets opdoemen, mettertijd heel leesbaar zal zijn. Overigens ging het in Porto om een prijsvraag; je had zo’n sprong nooit kunnen maken bij een directe opdracht.

C.v.W.: Gaat dit niet in tegen een van uw basisopvattingen over architectuur? Als motivatie voor uw beslissing om architect te worden, refereerde u in de jaren tachtig aan de weerstand van de opdrachtsituatie: de weerstand die het effect is van allerlei mogelijke en onmogelijke eisen, reguleringen en technische of juridische problemen waar de ontwerper mee te maken krijgt. Dat was wat het vak voor u aantrekkelijk maakte. U sprak zelfs over een “gêne voor de vrijblijvendheid”. Was in het geval van die Rotterdamse woning de weerstand te groot? Denkt u daar nu anders over dan toen?

R.K.: Neen. Misschien kun je dat niet echt ‘weerstand’ noemen, maar we houden ons altijd aan de opgaven en beperkingen van de opdracht: de oppervlaktes en de cijfers moeten kloppen. We veranderen nooit echt iets aan de uitgangspunten van de opdrachtgever – de architect werkt nooit willekeurig. Opdrachten zoals voor de Chinese staatstelevisie kun je alleen maar winnen als je je aan alle aangegeven uitgangspunten houdt. Hoe letterlijker je dat doet, hoe sterker je voorstel is.

C.v.W.: Toch voltrok er zich tijdens het werken voor Porto een moment van subliem inzicht.

R.K.: Ja, in een herstellend brein, dat geen zin meer had om op de oude manier verder te gaan. Maar afgezien daarvan zit er natuurlijk in ieder ontwerpproces een katalyserend moment, een element dat iets onvoorspelbaars ontketent. Dat kan een formeel gegeven zijn, maar ook een intellectueel idee.

B.V.: Kun je zeggen dat dat intuïtieve moment binnen het bureau uw persoonlijke verantwoordelijkheid of uw privilege blijft?

R.K.: Voor mij is dat een zinloze vraag, omdat een dergelijke vonk alleen maar overspringt binnen de context waarin we met het hele bureau aan iets werken. Het ‘moment’ waarbij in het ontwerp van de Kunsthal de twee hellende vlakken elkaar gaan snijden, kwam na een eindeloze worsteling. Stel dat een andere medewerker van het bureau het ontwerp tot op het punt heeft gebracht waar ik zelf opeens een stap verder kan, dan zal ik nooit claimen dat ik die stap zelf heb bedacht. Zonder die worsteling was ik er nooit op gekomen. De impasse is onderdeel van het creatieve proces: hoe eerder bereikt, hoe ‘perfecter’ gedefinieerd, hoe vollediger de patstelling, des te ‘gemakkelijker’ de zogenaamde vondst.

B.V.: Schuilt daarin het onderscheid tussen de architect en de kunstenaar?

R.K.: De voorstelling van de architect als een kunstenaar is schrijnend en doet op een brute manier onrecht aan de werkelijke kracht van de architectuur, namelijk het mobiliseren en orkestreren van de intelligentie van anderen. Daarom is het individualiseren van roem en reputatie echt iets obsceens; ik ervaar het als een obsceen onrecht aan anderen – partners – maar ook aan mezelf.

 B.V.: Hoe schat u dan de mogelijkheden en het belang in van de artistieke intelligentie voor de cultuur? Individuele keuzes ontwikkelen zich in de kunst doorgaans niet in een specifieke intellectuele omgeving, zoals in een ontwerpbureau waar in groepsverband wordt gewerkt, maar vrijer, met minder weerstand. Is de kunstenaar te benijden?

R.K.: Helemaal niet. Ik ben verbluft over de rechten die het artistieke zich aanmeet; over de rechten die het artistieke in toenemende mate claimt om met rust te worden gelaten. Dat vind ik een ongelukkige wending, waar niemand beter van wordt. Neem bijvoorbeeld het geval van de burgemeester van Tirana die, uit armoede, kunstenaars heeft gevraagd om gevels op te schilderen. En dat gebeurt dan ook nog – een schrikbarende wending.

C.v.W.: In 1986, tijdens uw toespraak bij de uitreiking van de Maaskantprijs, sprak u nog over de noodzaak om de mythologie van de architect opnieuw op te bouwen.

R.K.: Ik kan dat nu alleen maar zien als een zeer slechte aanbeveling. Mijn intuïtie was op dat moment misschien niet slecht, maar het is verschrikkelijk misgegaan. Doordat het werkelijke fundament grotendeels onder de architectuur is weggenomen, bestaat er nu een ongelooflijke druk om een status als autonome schepper te genereren – de status van mensen als Gehry…

C.v.W.: Waar komt die druk vandaan?

R.K.: Het gaat puur om commerciële druk, in een situatie waarin gebouwen worden gebruikt voor citymarketing. In die tijd kon ik niet voorzien hoe die mythevorming ingeschakeld zou worden voor de exclusieve apotheose van het commerciële. De mythische status van de architect lijkt te resulteren in steeds extremere projecten en in louter esthetische keuzes met bijna geen inhoud meer. In Junkspace schrijf ik ergens dat het meesterwerk een aparte categorie geworden is, die helemaal niets meer te maken heeft met de rest: “the absence of masters, and the proliferation of masterpieces”. Het meesterwerk is een stijl geworden.

C.v.W.: Maar u behoort tot de tien architecten in de wereld die zulke meesterwerken kunnen leveren. Of die daar tenminste om worden gevraagd.

R.K.: Ja, vooral dat laatste. Zo voelt het althans.

C.v.W.: In 1966, vlak voordat u besloot architect te worden, hebt u Constant geïnterviewd, die toen werkte aan New Babylon. Wat voor impact had hij op u? Heeft die ontmoeting een rol gespeeld bij uw beslissing om architectuur te gaan studeren?

R.K.: Wie zal het zeggen? Er waren allerlei aanleidingen voor die beslissing. Mijn grootvader was architect, en ik heb als klein kind iedere zondag in zijn bureau gespeeld.

C.v.W.: Maar u was in die tijd vrij kritisch ten aanzien van bijvoorbeeld provo’s en hippies, dus u zult ook over Constant wel bepaalde ideeën hebben gehad.

R.K.: Ik was niet per se kritisch over provo’s en hippies. Op dat moment ontwikkelden er zich in Europa twee vormen van moderniteit: aan de ene kant een Italiaanse variant, in de lijn van de films van Antonioni, die de vervreemding omarmde en met groot plezier onderging; aan de andere kant de authenticiteit van het Angelsaksisch-Keltische levensgevoel. Het was van mijn kant dus geen reactionaire argumentatie tegen hippies, ik had slechts een voorkeur voor het artificiële in de moderniteit.

C.v.W.: Het was dus meer een stijlkwestie.

R.K.: Voor een groot gedeelte wel. Ik hield me veel met film bezig, en vond Deserto Rosso een interessantere manier om modern te zijn dan het gezwoeg – zoals het er uitzag – van Constant. Ik was dus inderdaad kritisch over hem.

C.v.W: Het bijzondere van Constant was dat hij een beeldend kunstenaar was die zich opeens het gedrag, de attitude en de technieken van een architect ging aanmeten.

R.K.: Met een onvoorstelbaar intense verteltrant, die een enorm presentatiegeweld kon ontketenen. Achteraf heb ik natuurlijk een zeer diepe indruk van hem ondergaan, zoals trouwens ook van mensen als Cedric Price en Peter Cooke, en alle andere visionairen van die tijd. Maar ik ben pas de laatste vijf jaar zover om dat toe te geven.

B.V.: In uw nieuwe boek Content staan enkele door uzelf afgenomen interviews, onder andere met Robert Venturi en Denise Scott Brown. Dat zijn precies architecten die in hun theorie en hun ontwerppraktijk de artificiële kant van de moderniteit isoleren en uitvergroten. Maar in uw vragen en opmerkingen meen ik een reserve te bespeuren, die niet enkel te maken heeft met hun eenzijdigheid of overdrijvingen, maar ook met hun uitgangspunten.

R.K.: Een interviewer bouwt steeds reserves in om mensen tot antwoorden te prikkelen. Maar mijn grootste reserve daar is ingegeven door de constatering dat de architectuur vandaag ook in steden als Las Vegas en New York, ondanks alle theorie die erover bestaat, niet langer essentieel is. De creativiteit en de nieuwe waarden worden belichaamd door andere media; nieuwe architectuur kan die steden niet meer vernieuwen, alleen nog verzieken of vernietigen. Ik denk dat New York door zijn massa onherkenbaar geworden is, zonder dat het aan enige kwaliteit gewonnen heeft; in Las Vegas is zich hetzelfde aan het voltrekken. Mijn reserve in het interview met Venturi en Scott Brown ging over hun overschatting van de macht van andere media, en dat houdt niet zozeer scepsis in ten aanzien van wat zij zeggen, maar drukt vooral het besef uit van het blijvende geweld van de architectuur.

B.V.: U bedoelt dat hun nadruk op de iconografie het belang van ‘massa’ doet vergeten?

R.K.: Ja. Het is uiteindelijk een kwestie van kwantiteit. Toen de massa van Manhattan nog klein was en er aanzienlijk geïnvesteerd werd in de iconografie, vormde die duidelijk een belangrijke laag van de stad, en maakte er een sterke kwaliteit van uit. Sinds de stad volledig onder de voet is gelopen door de architectuur van ontwikkelaars, is daar niets meer van over. Verder is de zwakte van hun verhaal dat het een puur Amerikaans verhaal is, dat niet in staat is om de vergelijkbare en analoge kwaliteiten van andere gevallen te zien.

B.V.: Hun boek Learning from Las Vegas (1972) neemt net dit verzelfstandigen van de buitenkant, en het uitvergroten van die iconografie door de beeldindustrie, als model voor de architectuur. Wat ook in hun antwoorden doorklinkt is het geloof dat die iconografie een echt autonome laag is, en dat iconografie maken hetzelfde is als betekenis maken. Maar een lichaam – het lichaam van het huis in Bordeaux bijvoorbeeld – is niet gelijk aan massa plus iconografie.

R.K.: Het is het oude probleem van de semantiek. Begrijpen hoe betekenis ontstaat, is niet hetzelfde als betekenis kunnen produceren. Daar is iets essentieels wat ontsnapt.

 

Ethiek

C.v.W.: De laatste tijd wordt er gemopperd over het feit dat u een gebouw voor de Chinese staatstelevisie maakt. Veel mensen koesteren blijkbaar nog steeds het idee dat architecten de wereld tot een betere plek kunnen maken. Waar komt dat geloof in het ethisch potentieel van de architectuur toch vandaan?

R.K.: Het is natuurlijk een dubbelzinnige kwestie. De markteconomie heeft de ethische pretentie van de architectuur volledig onderuitgehaald; maar tegelijkertijd kun je ook niet volhouden dat er helemaal geen ethische aspecten meer zijn. Ik ben zeker niet bezig in China omdat er toch geen ethische vragen meer zouden zijn. Maar de manier waarop we bekritiseerd worden is niet erg geloofwaardig. Het is naïef om te denken dat het bouwen van scholen en ziekenhuizen sowieso O.K. is, en bouwen voor de staatstelevisie niet. We hebben een bepaalde overtuiging over hoe het Chinese regime zich aan het ontwikkelen is, en op basis daarvan hebben we het besluit genomen om daar te gaan bouwen. Als je meedraait in de architectuur is het belangrijk om ook deel te nemen aan de meest omstreden projecten, op plekken waar de mogelijkheid tot verandering cruciaal is.

C.v.W.: Hoe ziet u die ontwikkeling van het Chinese regime dan?

R.K.: Het is duidelijk dat het regime zich wil ontwikkelen tot een geloofwaardige en integere medespeler op het wereldtoneel. Op allerlei manieren binden ze zichzelf in en gaan ze verplichtingen aan, niet alleen intern maar ook extern, in verband met hun toekomstige gedrag, met de toekomstige erkenning van rechten en de liberalisering van de media. Op basis van wat ik met mijn eigen ogen heb gezien – ik ben er nu al meer dan tien jaar bij betrokken – meen ik dat het kan lukken.

C.v.W.: Frank van Klingeren was een architect die in de jaren zeventig verschillende groepen gebruikers van één gebouw bewust met elkaar confronteerde, zodanig dat ze zeker last van elkaar zouden hebben. Dat had een sterk ethische dimensie: het idee was om op die manier een intens sociaal en tolerant klimaat af te dwingen. Zijn er van dat soort denken nog sporen in uw werk aanwezig?

R.K.: Ja, ongetwijfeld, en Van Klingeren is zeker een interessante figuur wat dat betreft, maar we zouden die dynamiek op dit moment nooit met hetzelfde verhaal kunnen genereren. Als je dat nu zo vertelt, zou het totaal niet geaccepteerd worden.

C.v.W.: Een opvatting zoals die van Van Klingeren was ingebed in het moralisme van de verzorgingsstaat, die op dat moment op zijn top was: het idee dat je de mensen niet moet geven waar ze in eerste instantie om vragen, maar dat je ze geeft wat goed voor ze is, ook al beseffen ze dat zelf nog niet. U zegt dat met de opkomst van de markteconomie het moralisme van de opdrachtgever is weggevallen. Maar hebben die grote opdrachtgevers werkelijk geen moralistische agenda? U pretendeert zelf zonder moralistische kijk met zo’n opdrachtgever te werken, maar als die opdrachtgever zelf al zijn agenda heeft, wordt u daar toch ook mee opgezadeld?

R.K.: Er zit onherroepelijk een dosis moralisme in iedere daad van bouwen. Je kunt niet iets nieuws maken zonder de overtuiging te hebben daarmee iets noodzakelijks of zinvols aan de wereld toe te voegen. De behoefte om in de Pradawinkel een situatie te genereren die óf commercieel óf totaal niet commercieel is, zou je ook als moralistisch kunnen lezen – maar dan is het ons eigen moralisme. We zijn zo systematisch van cynisme beschuldigd dat ik het op zichzelf helemaal geen probleem vind om toe te geven dat we een basismoralisme hebben.

C.v.W.: Over de inhoud van dat moralisme wilt u verder zeker niets kwijt?

R.K.: Om een voorbeeld te geven: we zijn altijd erg moralistisch geweest over materialen en detailafwerking. We hebben altijd geweigerd om gebouwen te maken waarbij de detaillering een disproportioneel aandeel van de investering inhield. Misschien is het een vorm van moralisme dat we de constructie belangrijker achten dan het detail of de afwerking, en wel omdat de constructie een nieuw potentieel genereert, terwijl afwerking en detail hoogstens een mate van visueel comfort en van geruststelling kunnen bieden. De Congrexpo in Lille was voor mij een zeer belangrijk gebouw, omdat het gebouwd is met budgetten die voor Calcutta gelden, met andere woorden: daar hebben we iets gemaakt wat naar mijn gevoel goed werkt en een esthetische kwaliteit heeft, en waar niets is geïnvesteerd in overbodige zaken. Dat zijn allemaal moralistische uitgangspunten.

C.v.W.: Die onafgewerktheid is natuurlijk het eerste waar critici over vallen.

R.K.: Of dat zo natuurlijk is, betwijfel ik. Maar het is inderdaad vaak gebeurd dat ze daarover vallen, ja.

C.v.W.: Zoals bij het Educatorium in Utrecht: een gebouw met een gevouwen vloer van beton, waar op de zijkant tamelijk lullige marmerplaatjes zijn geplakt…

R.K.: Er is een verschil tussen fouten die we gemaakt hebben en intenties die door andere mensen fout gevonden worden.

B.V.: OMA werkt in alle werelddelen en binnen zeer verschillende culturele omgevingen. In het boek Content karakteriseert u die culturen aan de hand van projecten die voor die culturen telkens ‘essentieel’ zijn: u maakte ontwerpen voor de Europese Gemeenschap, voor de Chinese staatstelevisie, voor Ground Zero, u bouwde de Nederlandse ambassade in Berlijn – projecten waar de ‘culturele’ identiteit steeds een politiek thema is.

R.K.: Ons boek tracht heel nadrukkelijk opnieuw een politieke rol en een politieke betrokkenheid voor de architectuur te introduceren. Wat dat betreft moet het boek gelezen worden tegen de achtergrond van de afgelopen tien jaar, waarin we weinig uitspraken en veel research hebben gedaan – de Harvard Guide to Shopping bijvoorbeeld bestudeert een fenomeen zonder keuzes te maken. In de ogen van veel moralisten kwam dat neer op een amoreel en cynisch perspectief. Maar onder andere door de oprichting van AMO zijn we nu veel meer in staat zelf een agenda te ontwikkelen en los van opdrachtgevers verbanden te leggen, ook in letterlijke zin, door bijvoorbeeld betrokken te raken bij Engelse denktanks die nu connecties leggen met denktanks in China, zodat er een brug tussen Europa en China ontstaat waar onze architectonische interventies dan weer een onderdeel van kunnen zijn. AMO heeft de structuur van een los samenwerkingsverband tussen individuen, die elk hun eigen institutionele achtergrond en positie hebben.

 

Gelaagdheid

C.v.W.: In de architectuurwereld lijkt een nieuwe consensus te zijn ontstaan die het modernistische principe van de functiescheiding in stedenbouw en architectuur bekritiseert; men stelt dat je functies niet moet scheiden, maar juist moet mengen en stapelen, om zo een maximale levendigheid te creëren. Bent u met uw ideeën over metropolitane congestie, gelaagdheid en stapeling zo langzamerhand niet ingehaald door de mainstream? Die nieuwe consensus lijkt mij verdacht, ik vraag me af wat er achter het idee zit dat we die doodse eentonigheid van de modernistische woonwijken allemaal zat zijn…

R.K.: In sommige opzichten zijn we zeker ingehaald. Een van de enorme worstelingen van het bureau is überhaupt het gevecht met de Nachwuchs, met het succes van bepaalde argumentaties. Het nieuwe boek gaat daar misschien niet rechtstreeks over, maar stelt in elk geval andere dingen aan de orde. Een tekst als Generic City heeft trouwens ook niets met die argumentatie te maken.

C.v.W.: Wat het modernistische idee van functiescheiding en de nieuwe consensus gemeen hebben, is de gedachte dat alles geregisseerd en gestuurd kan worden. Dat is wat u in Generic City en Junkspace onderuithaalt. Vormt een en ander geen aanleiding om de nieuwe consensus te wantrouwen, en die bekritiseerde ideeën van de modernisten opnieuw te bekijken?

R.K.: Die re-evaluatie van het modernisme is een algemeen en permanent proces, ze is nooit weg. In het boek staan voor het eerst weer verhalen over het constructivisme, en ons permanente engagement met Mies gaat daar ook over. Het is ook een thema in de architectonische ontwerpen zelf: een project als IIT heeft maar één laag, weliswaar met veel verschillende programma’s, maar het is geen stapeling – eerder een ontstapeling. De populariteit van de experience-architectuur is inderdaad een buitengewoon verdachte, gruwelijke verstening van het commerciële, met alleen maar rampzalige gevolgen.

C.v.W.: Bestaat er een manier om daar als architect iets tegenin te brengen, om een weerstand in te bouwen?

R.K.: Het is zeer moeilijk om weerstand aan te brengen in de architectuur. Ik betwijfel of architectuur zelf kritisch kan zijn, omdat bouwen zo’n bevestigende handeling is. Ik heb altijd gezegd dat het weliswaar mogelijk is om een kritisch architect te zijn, maar niet om kritische architectuur te maken. Je kunt kritiek in woorden articuleren, maar moeilijk in gebouwen. Ik denk dat je alleen incidenteel je weerstand kunt verduidelijken, door niet aan bepaalde dingen mee te doen, bijvoorbeeld aan die permanente dwang tot excitement… Wijzelf zijn wat dat betreft in de paradoxale situatie dat we heel veel fenomenen hebben kunnen verkennen, maar weinige daarvan als architect. Ik heb uiteindelijk nog nooit iets voor een commerciële ontwikkelaar gebouwd. We hebben de impact van de commercie op het architectuurvak wel bestudeerd, maar zelf niet echt ondergaan. Uiteindelijk maken we altijd publieke gebouwen – dat is een enorme paradox. Of misschien ook niet: het betekent waarschijnlijk dat we een complexiteit uitstralen die weinig commercieel appeal heeft.

 

Typologie

B.V.: Ziet u nog een rol voor de typologie in het omgaan met functie en complexiteit? De typologie is een beproefd middel dat programma en betekenis verbindt, dat verschillende ‘interpretaties’ toelaat maar toch herkenbaar en communicatief is. Toch heb ik de indruk dat het omgaan met typologie in het werk van OMA nagenoeg afwezig is.

R.K.: Ik beschouw de typologie als dood genetisch materiaal. Ik denk dat ze altijd essentieel blijft, maar dan als een soort parallelle wereld.

B.V.: Waarom dood materiaal? De typologie is toch ook een van de plaatsen waar de architectuur haar ‘oud weten’ bewaart? Ze biedt mogelijkheden om het semi-publieke een bepaaldheid en een inzet te geven. Wie een museum binnengaat dat als dusdanig herkenbaar is, is geen flaneur meer, maar wordt aangesproken in de waardigheid en verantwoordelijkheid van ‘museumbezoeker’, met rechten en plichten.

R.K.: Het museum is, met de bibliotheek, een van de meest krachtige typologieën. Maar de enorme bezoekersaantallen en de media die nu gebruikt worden voor de circulatie, maken dat de traditionele museumtypologie achterhaald is. De typologie moet met andere woorden aan nieuwe condities worden aangepast. In onze ontwerpen voor musea proberen we dat te doen. Ons project voor de Tate Modern ging uit van een aantal dozen, elk op zich een soort typologisch citaat, variërend van heel klassiek tot Whitney-achtig, waarin zowel een langzaam als een snel circuit georganiseerd was: je kon per roltrap door alle dozen heen gaan, zonder er te stoppen, maar er waren evengoed zeer klassieke trajecten mogelijk. Dat project hield dus een soort ontmanteling van de typologie in, maar werkte wel met bestaande typologieën. Dat is dan het grote verschil met het ontwerp van Herzog en de Meuron: zij maakten een museum voor klassiek gebruik, maar het gebruik van één typologie over meerdere verdiepingen geeft op die schaal een sterk gevoel van herhaling. Ons ontwerp was als geheel onconventioneler; door zeer verschillende conventionele typologieën te citeren, creëerde het bewust een afwisseling van typologische ervaringen, als onderdeel van het museumbezoek.

Maar in het algemeen denk ik dat de idee van typologie iets zeer Europees is. Misschien is de enige typologie die voor mij uiteindelijk relevant blijft, een miesiaanse typologie: een grid met een ongedifferentieerde open ruimte.

C.v.W.: Is dat niet ook een esthetische voorkeur?

R.K.: Vast, ja.

C.v.W.: U staat bekend als een architect die niet graag over esthetische aspecten spreekt. Dat zou een modernistisch trekje kunnen zijn.

R.K.: Vast en zeker, maar verwacht niet dat ik dat bevestig of ontken. Wat kan ik zeggen?

B.V.: Laten we de vraag algemener stellen: is het mogelijk om het te hebben over schoonheid in de architectuur? In de traditie van de architectuur is daar lang op een tamelijk vanzelfsprekende manier over gesproken, maar in het modernisme is met de ‘betekenis’ in zekere zin ook de schoonheid weggevallen. Er is enkel een soort sublimiteit blijven hangen, omdat het sublieme woordeloos is en geen betekenis verdraagt. Met het postmodernisme is de iconografie terug en babbelt de architectuur opnieuw, maar de schoonheid is geen thema.

R.K.: Vraag je ons of we op de drempel van die vraagstelling staan? Of zeg je dat die vraagstelling altijd al een rol heeft gespeeld?

B.V.: In Content spreek je over Mies, over zijn combinatie van het generische en het sublieme, over de vormeloosheid, de onnatuurlijkheid, de perversie en de angst in zijn werk – als een dimensie die naast de ‘zinvolheid’ ligt en naast datgene wat men kan begrijpen en mededelen. Ik heb die tekst gelezen als een zeer esthetische duiding en appreciatie, waaruit bijna verwondering spreekt over de ontdekking van die dimensie in de architecten van Mies’ generatie.

R.K.: Het is als een neveneffect, iets bijkomstigs wat slechts af en toe tot het bewustzijn doordringt, en wat min of meer onafhankelijk van de eerste architectuurervaring bestaat. Het doet zich ook voor bij andere architecten, maar bij Mies is het overal latent aanwezig en dat houdt me al vanaf het begin bezig. Ik probeer dat in steeds andere bewoordingen te ‘vangen’. Schoonheid is een gebied waar we nu pas aan toekomen, denk ik.

B.V.: Ik heb de indruk dat er flitsen van verwijzingen zitten naar die generische, onderkoelde vorm van sublimiteit – het sublieme als een vluchtig effect in de wereld – in teksten zoals Generic City en Junkspace

R.K.: Ja, dat is waar…

B.V.: …en in wat u over Japan heeft gezegd. Maar dat die dimensie ook in uw gebouwen stilzwijgend meegegeven wordt, nu wellicht meer dan vroeger. Er zitten bijvoorbeeld lege, onbruikbare ruimtes in de gebouwen, waar je alleen maar doorheen kunt kijken – ruimtes die bijna bewust onbruikbaar worden gemaakt.

R.K.: Dat is de uitspraak van een criticus. Ik herken wat je zegt en waar je naar toe wil, geloof ik zelfs. Maar ik zeg niet: ja, dat klopt. Ik wil jullie rol niet banaliseren. Soms hebben jullie totaal gelijk, soms helemaal niet. In beide gevallen is het een verrijking.

 

Dit gesprek vond plaats op 19 maart 2004 in het kantoor van OMA te Rotterdam.

Un point de vue sur l’art belge?

Koen Brams Hoe bent u op het idee gekomen om een boek en een tentoonstelling te wijden aan de Belgische kunst sinds 1980?

Alain Noirhomme Ik ben een praktisch ingesteld iemand. In belangrijke galeries en internationale kunstbeurzen, op de kunstmarkt dus, kon ik vaststellen dat de Belgische kunst sinds “Initiatief ’86” en “Chambres d’Amis” een plaats en een stem kreeg in dialoog met de internationale kunst. In belangrijke thematische of andere tentoonstellingen konden Belgische kunstenaars zich sinds lang manifesteren. Het werd tijd om dat ook te waarderen in een speciale tentoonstelling.

Koen Brams Waarom hebt u het Brusselse Koninklijk Museum van Schone Kunsten als locatie voor deze tentoonstelling gekozen?

Alain Noirhomme Ik vond dat deze tentoonstelling in Brussel moest plaatsvinden omdat ze kunstenaars uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel samenbracht. Alle problemen die te maken hebben met die dwaze dichotomie die bestaat tussen Vlaanderen en Wallonië wilde ik omzeilen – wat trouwens ook de kunstenaars doen. Ik ging dus op zoek naar een neutraal terrein, en in België is Brussel het enige neutrale terrein. In dit museum zijn we in de nog enige bestaande nationale instelling die zich met beeldende kunst bezighoudt.

Koen Brams Afgezien van het Paleis voor Schone Kunsten…

Alain Noirhomme Dat is geen nationale instelling, maar een parastatale.

Koen Brams Maar het is toch een neutraal terrein?

Alain Noirhomme Ja, dat klopt maar daar speelt een beetje het toeval, toen ik met het idee van deze tentoonstelling in mijn hoofd rondliep, heb ik in eerste instantie mijn vraag gericht tot dit museum dat me positief geantwoord heeft. Ik wilde ook de uitdaging aangaan om in deze structuur te werken en er een nieuwe oriëntatie aan te geven. Het is interessant om dit werkinstrument te hanteren voor andere tentoonstellingen dan de klassieke die er reeds in plaatsvonden.

Koen Brams Maar is het een interessant werkinstrument? Kan men in dit museum hedendaagse kunst tonen?

Alain Noirhomme Het is zeker niet de ideale ruimte. Zeker niet. Men mag zeggen dat dit gebouw geen grote architecturale verwezenlijking is. Maar er zijn ook voordelen aan deze plek verbonden. Het is een zeer zichtbaar instrument. Ik wilde niet in de Hallen van Schaarbeek werken of in een andere voormalige industriële ruimte in de periferie van de stad. Dit is een tentoonstelling voor het grote publiek, niet voor de specialisten. De specialisten kunnen hier niets nieuws leren.

Koen Brams Ik wilde u ook ondervragen over het criterium om tot een selectie van artiesten te komen…

Alain Noirhomme …in de pers heeft men het gebrek aan wetenschappelijke onderbouw van deze tentoonstelling bekritiseerd. Voor mij raakt deze kritiek kant noch wal want op het moment dat men aan de slag gaat met hedendaagse kunst kan men niet ontsnappen aan subjectiviteit. Men werkt met de kunstenaars, met hen kiest men de werken waarin de beschikbare ruimte een dominante rol speelt, en het verlangen meespeelt om een tentoonstelling te maken die een bepaalde – dramatische, discursieve – opbouw heeft.

Koen Brams U zegt dat men u verweten heeft geen wetenschappelijke aanpak aangekleefd te hebben, maar toch hebt u een streng en objectief criterium gehanteerd: de bekendheid van de kunstenaar in het buitenland.

Alain Noirhomme Het is inderdaad relatief objectief maar ik ben me ervan bewust dat men me ook daarin kan bekritiseren. Wat dat betreft is er een probleem met de titel van de tentoonstelling. Als je in dit soort instelling werkt, word je geconfronteerd met de noodzaak om te schematiseren en alles zeer helder te formuleren. Een titel als “Un point de vue sur l’art Belge” zou misschien beter de lading van deze tentoonstelling gedekt hebben. We hebben bijvoorbeeld geen video-kunstenaars getoond omdat de videokunst een overzicht krijgt in het MUHKA maar ook omdat deze ruimte niet geschikt is om video’s te tonen. Ik kon die video(installaties) enkel tonen door ze te isoleren van de rest van de tentoonstelling, wat ik niet wilde. In Oostende vond nog maar pas de tentoonstelling “Modernism in painting” plaats, dus kon ik me permitteren om minder schilders te tonen. Met deze tentoonstelling wilde ik de heterogeniteit van de Belgische kunst tonen vanuit het standpunt van een mogelijke “coexistence”. Ik wilde tonen dat in België de beeldende expressie zeer autonoom is, dat de artiesten een persoonlijk oeuvre ontwikkelen, maar dat de werken van deze artiesten “samen kunnen leven”. Met de combinatie van het werk van Guy Mees, dat ik als “artistiek” zou willen karakteriseren, en het werk van Johan Muylle dat eveneens tussen aanhalingstekens een eerder populaire iconografie aankleeft, wil ik aantonen dat zulke uiteenlopende artistieke visies samen kunnen gaan. De idee die aan deze tentoonstelling ten grondslag ligt, is om het publiek te informeren over de kwaliteit van de actuele Belgische kunst, en die actualiteit bepaal ik niet maar alle instanties die interveniëren: galeristen, museummensen, critici. Het feit dat bepaalde werken hier niet getoond worden maar later toch beschouwd zullen worden als belangrijk voor de geschiedenis van de Belgische kunst is niet mijn probleem. Omdat ik niet als scheidsrechter wil optreden en de geschiedenis niet wil sanctioneren.

Koen Brams Het grote publiek wordt echter voorgehouden dat deze artiesten nog niet in België maar wel reeds in het buitenland succes hadden, ja zelfs nu pas voor het eerst in België geïntroduceerd worden.

Alain Noirhomme Het is inderdaad op een ongelukkige wijze geformuleerd. Ik heb weinig ervaring. Op dit moment zou ik alles anders aanpakken – een duidelijker standpunt innemen. Waarom hebben we op dat criterium van de buitenlandse bekendheid gehamerd? Omdat we bang waren dat we constant zouden getelefoneerd worden door deze of gene gemeenschap met de vraag waarom er niet meer Vlaamse of Waalse kunstenaars opgenomen zijn. Op die vragen kon ik antwoorden dat enkel de buitenlandse bekendheid mij interesseerde. Ondanks alles heeft deze formulering toch nog positieve kanten. Ze heeft tamelijk heftige reacties uitgelokt. België is een apathisch land, als ik van bij het begin had gezegd dat deze tentoonstelling mijn persoonlijke voorkeur zou weerspiegelen en enkel mijn persoonlijke voorkeur dan zou deze tentoonstelling misschien onopgemerkt voorbij zijn gegaan. Ik ben een weinig bekende persoonlijkheid in België.

Koen Brams Het feit dat een weinig bekende persoonlijkheid zou aankondigen dat enkel zijn subjectieve keuze zou weerspiegeld worden in een overzichtstentoonstelling zou volgens mij nog meer stof hebben doen opwaaien.

Alain Noirhomme Dat is mogelijk maar ten aanzien van het museum zou dat toch een onhaalbare kaart zijn geweest om deze tentoonstelling op die manier te presenteren. Zelfs nadat het museum mijn project had goedgekeurd, bleef het balanceren tussen loyale samenwerking en een gebrek aan solidariteit. Zelfs tot op de dag van vandaag weten ze zich nog niet te situeren ten opzichte van de tentoonstelling. Een andere reden die me ervan weerhouden heeft om me uitdrukkelijk te affirmeren, is niet een gebrek aan ambitie maar wel een poging om een ander beeld op te hangen van de tentoonstellingsmaker, niet de tentoonstellingsmaker als diegene die alle beslissingen neemt. Op een bepaalde manier heb ik me willen uitwissen ten voordele van de artiesten.

Koen Brams Hoe verklaart u de afwezigheid van Jean-Marc Navez?

Alain Noirhomme Als we ons criterium strict zouden gevolgd hebben zou Navez zeker moeten geselecteerd zijn maar ik wilde enkel artiesten presenteren waarvan het werk volstrekt origineel is, waarvan het werk een nieuwe visie uitstraalt. Het oeuvre van Jean-Marc Navez is uiteindelijk een zeer klassiek oeuvre dat problemen op het gebied van de esthetica aan de orde stelt die bekend zijn.

Koen Brams Maar er zijn toch ook kunstenaars in deze tentoonstelling opgenomen die een bepaald probleem dat reeds als bekend mag verondersteld worden tot in den treure uitgewerkt hebben, Rombouts/Droste bijvoorbeeld?

Alain Noirhomme Aan welk historisch kunstenaar denkt u?

Koen Brams Magritte bijvoorbeeld.

Alain Noirhomme Natuurlijk heeft de selectie van sommige kunstenaars ten nadele van andere ook te maken met de sympathie voor een bepaald oeuvre.

Koen Brams Hoe hebt u de accrochage van de werken aangepakt?

Alain Noirhomme In dialoog met de kunstenaars natuurlijk. Er zijn dingen die jij beter weet dan de artiesten maar er zijn ook dingen die zij beter weten omdat zij een betere en vooral fysieke kennis van hun werk hebben. Ze weten perfect hoe een werk kan functioneren en hoe niet, maar er zijn ook oplossingen die ik geforceerd heb.

Koen Brams Ik apprecieerde vooral de zaal waarin werken van Raoul De Keyser uit 1982 in dialoog traden met werken van 1992, en dit ensemble op zijn beurt uitgespeeld werd tegen twee sterk van elkaar verschillende werken van Bernd Lohaus.

Alain Noirhomme De Keyser en Lohaus hadden veel schrik om samen tentoon te stellen wat voordien nog niet gebeurd was. Ze hebben mijn voorstel geaccepteerd, me het vertrouwen gegeven en de stukken bepaald die zouden kunnen functioneren in deze confrontatie. We moeten de logica van de autoritaire tentoonstellingsmaker verlaten die eerst de kunstenaars selecteert, vervolgens de werken die tentoongesteld zullen worden en tenslotte zelf de werken ophangt. Ik hecht veel waarde aan het wederzijdse respect tussen tentoonstellingsmaker en kunstenaar.

Koen Brams Waren er artiesten die per se met een andere artiest tentoon wilden stellen, of juist niet?

Alain Noirhomme Die menselijke problemen hebben zich slechts in minieme mate voorgedaan omdat ik misschien geen grote tentoonstellingsmaker ben maar wel een tamelijk goed diplomaat. Ik heb voorstellen gedaan, gevraagd of de met elkaar geconfronteerde artiesten het met elkaars werk konden vinden. Wat de keuze van de werken betreft, heb ik vooral de sfeer die het ensemble van de werken uitstraalt, laten prevaleren. Een relatie tonen die aan de beelden ten grondslag ligt. Bijvoorbeeld het samenbrengen van Thiery Decordier en Jan Vercruysse die voor mij twee kunstenaars zijn die dicht bij elkaar staan op het niveau van de emotie, niet op het niveau van de theoretische reflectie over hun werk.

Koen Brams Wat wilde u met de confrontatie tussen Dujourie en Tordoir aantonen?

Alain Noirhomme Dat is mijn fout. Dat zou ik zo niet meer aanpakken. Het is een moeilijke combinatie omdat ze de werken teveel in de richting van de decoratie duwt. Maar wat dan weer zeer amusant is, is het feit dat het publiek veel van deze installatie houdt.

Koen Brams En de cabinetten op de eerste verdieping?

Alain Noirhomme Dat is inderdaad ook problematisch. Ik ben verstrikt geraakt in de problemen die de ruimte me stelde. Het werk van Delvoye vereist een grotere ruimte. De selectie van de werken van Fabre is om die reden beperkt gebleven tot wat we nu tonen – geen kisten, of een doek.

Koen Brams U wil een tentoonstelling maken voor het grote publiek maar u presenteert slechts een of twee werken van een artiest. Op die manier kan de toeschouwer toch geen inzicht verwerven in de complexiteit van de oeuvres van de door u geselecteerde kunstenaars.

Alain Noirhomme Er is altijd een beperking in wat men kan tonen, bekijk de Documenta bijvoorbeeld, kregen de bezoekers van de Documenta een duidelijk en coherent beeld van het oeuvre van een artiest: neen. Ook daar toonde men slechts enkele werken.

Koen Brams De mogelijkheid bestaat dat u deze tentoonstelling ook in het buitenland presenteert. Zal u er dan voor opteren om meerdere werken van dezelfde kunstenaar te tonen?

Alain Noirhomme Zeer mogelijk, we gaan een andere tentoonstelling maken. Maar dan nog moet je per artiest de vraag stellen of het wel nodig is om meerdere werken te tonen. Van Johan Muylle bijvoorbeeld dien je misschien niet meer dan een werk te tonen, meerdere werken voegen niets toe aan de visie die de toeschouwer op basis van een werk kan ontwikkelen. Van Caeckenbergh daarentegen vraagt dat men meerdere werken van hem zou tonen opdat het door hem gecreëerde universum dat uit een veelheid van elementen bestaat recht zou gedaan worden. Met meer ruimte had ik nog steeds van sommige artiesten slechts een werk getoond, maar misschien vijf werken van een andere.

Koen Brams Waarom hebt u vooral bekende werken geselecteerd, werken die zich in openbare collecties bevinden?

Alain Noirhomme Dat was een van de grootste problemen waarmee ik geconfronteerd werd. Het museum wilde vooral zelf aangekochte werken tentoonstellen of werken die in het bezit zijn van musea in het binnen- of buitenland of die aangekocht werden door de verschillende gemeenschappen van het land, als een garantie voor de niet-commerciële bedoelingen van deze tentoonstelling. Het museum was bang dat de galeries handel zouden drijven in het museum en dat wij door de galeries beïnvloed zouden worden in onze keuze voor bepaalde werken. Daarnaast wilden we een publiek aanspreken dat deze werken toch niet kent. Ook vanuit economische overwegingen was het totaal onhaalbaar om een prospectieve tentoonstelling te maken. Geen enkele sponsor zou het geld voor nieuwe kunstwerken op tafel gelegd hebben. In sommige gevallen hebben we toch het werk van de kunstenaar zelf gekozen, gewoonweg omdat ik of de kunstenaar bepaalde werken zeer graag wenste te tonen.

Koen Brams Moet een tentoonstelling voor het grote publiek dat u met deze tentoonstelling ambieert om geslaagd genoemd te mogen worden niet ook altijd een tentoonstelling zijn die door specialisten geapprecieerd wordt?

Alain Noirhomme Daar ben ik het mee eens. Het heeft geen zin om een VTM-tentoonstelling te maken. Ik denk dat deze tentoonstelling ook voor de specialisten werkt. Ik ben een groot tegenstander van de mening dat een werk slechts een keer mag getoond worden: dat is pas de ware consumptie van de beelden. Het werk van Thiery De Cordier is toch geen werk dat men na een tijdje beu gezien is.

Koen Brams Dat klopt maar ik wil naast dat beeld van Thierry De Cordier, beelden van hem zien die ouder zijn en nog nooit getoond werden, of zijn meest recente.

Alain Noirhomme Met veel plezier, als ik drie keer zoveel plaats had gekregen. In deze ruimte kon ik echt niet meer tonen.

Koen Brams Dan moet ik nogmaals de vraag stellen waarom u hier deze tentoonstelling wilde organiseren.

Alain Noirhomme Als u van mij wilt horen dat dit geen geschikt werkinstrument is… wel, het is geen geschikt werkinstrument maar het is de enige beschikbare museale ruimte in Brussel naast het Paleis voor Schone Kunsten. Ik heb het Paleis voor Schone kunsten niet gecontacteerd omdat het zijn eigen programmatie heeft.

Koen Brams Ook het Museum voor Schone Kunsten heeft een eigen programmatie, waarom ging je dan niet in eerste instantie naar het Paleis voor Schone Kunsten?

Alain Noirhomme Waarschijnlijk omdat ik schrik had dat men mijn voorstel zou weigeren. Misschien had ik inderdaad toch eerst naar het Paleis voor Schone Kunsten moeten toestappen.

Koen Brams Er is niet alleen het probleem dat er teveel bekende werken tentoongesteld worden maar ook in de catalogus werden teksten opgenomen die reeds gepubliceerd werden, en het merendeel van de teksten zullen opnieuw gepubliceerd worden in het boek dat uitgegeven wordt door het Mercatorfonds.

Alain Noirhomme Maar het zijn allemaal originele teksten. Er is slechts een tekst die wij overgenomen hebben en dat is de tekst over Leo Copers.

Koen Brams De tekst van Leen De Backer over Marc Luyten is een gereduceerde versie van de tekst in de catalogus die uitgegeven werd naar aanleiding van zijn tentoonstelling in het MUHKA. Ook de inleidende tekst van Bernard Marcadé is een reprise.

Alain Noirhomme Maar dat is een uitstekende tekst die een synthese maakt van zijn ideeën over de Belgische kunst en ik zie niet in waarom hij plots en systematisch andere standpunten zou moeten innemen. Ten aanzien van die tekst accepteer ik geen enkele kritiek, het is een verdere ontwikkeling van eerder gepubliceerde gedachten. Wat de teksten over de kunstenaars betreft, hadden wij een overeenkomst die stipuleerde dat wij de teksten zouden overnemen die verschijnen in het boek over de kunst in België na 1980.

Koen Brams Ik vind niet dat Bernard Marcadé plots andere inzichten moet vertolken over de Belgische kunst maar zijn ideeën zijn wel bekend, moeten die dan nogmaals vertolkt worden?

Alain Noirhomme Maar wie leest Artstudio?

Koen Brams De visie van Marcadé wordt gedeeld door een aantal andere auteurs die hun ideeën over de Belgische kunst reeds formuleerden. Ik heb geen probleem met hun stellingen, alleen word ik als toeschouwer met een tentoonstelling geconfronteerd die mij bekende beelden van bekende artiesten toont, krijg ik een catalogus te lezen die reeds gepubliceerde teksten bundelt, of teksten presenteert die later in nog luxueuzer vormgeving het licht zullen zien en bovendien een inleidende tekst die een visie ontwikkelt die ook al jaren opgeld maakt. Waarom hebt u geen eigen visie op de Belgische kunst ontwikkeld?

Alain Noirhomme Met deze tentoonstelling wilden we een synthese presenteren. Ik zou zeer graag nog andere tentoonstellingen met Belgische kunstenaars maken waarin ik een meer persoonlijke visie zou willen ontwikkelen. Voor de eerste tentoonstelling op deze schaal achtte ik me niet capabel om een volstrekt originele visie te schetsen.

Koen Brams U had zich kunnen omringen met tentoonstellingsmakers uit binnen- en buitenland, misschien ware een contact met buitenlandse curators nog het interessantst omdat deze een eigenzinnige, vernieuwende, zeker een onafhankelijke visie zouden hebben kunnen geven?

Alain Noirhomme Ik heb daar wel aan gedacht, bijvoorbeeld aan Nicolas Bouriaud, maar ook in dat geval hebben de omstandigheden anders beslist.

Koen Brams In plaats van een oorspronkelijke visie aan bod te laten komen, hebt u beslist om teksten te reproduceren, of te publiceren vooraleer ze hernomen zullen worden in het boek dat uitgegeven wordt door het Mercatorfonds.

Alain Noirhomme Dat is hun probleem. Dat is nu het probleem van het Mercatorfonds. Als het boek tegelijkertijd met de tentoonstelling uitgekomen zou zijn, zou men kunnen beslissen wat men zou kopen, de catalogus bij de tentoonstelling of het boek. Nu sommige mensen te laat teksten inleveren voor het boek zodat de uitgave van het boek grote vertraging oploopt, moet inderdaad de vraag gesteld worden of deze teksten die nu reeds in de catalogus afgedrukt werden opnieuw moeten gepubliceerd worden.

Koen Brams Het museum wilde absoluut dat er vooral werken uit openbare collecties opgenomen werden in de tentoonstelling opdat geen commerciële belangen zouden kunnen meespelen in de selectie van de kunstenaars en de werken. Bent u niet onder druk gekomen van de galeries?

Alain Noirhomme Neen. Weet u waarom? Omdat het collega’s zijn.

Koen Brams U hebt dus met de galeries aan deze tentoonstelling gewerkt?

Alain Noirhomme Ik was in de galeries als ik het nodig vond om er naartoe te gaan en ik heb bepaalde zaken gevraagd.

Koen Brams Met welke galeries?

Alain Noirhomme Met alle galeries die de kunstenaars representeren die aanwezig zijn in de tentoonstelling. Galeries zijn uitstekende instrumenten want zij hebben zich meestal het best gedocumenteerd over het werk van de artiest waarmee zij werken.

Koen Brams Hoe verklaart u de aanwezigheid van Michel Mouffe in deze tentoonstelling?

Alain Noirhomme (zet de bandrecorder af)

Koen Brams En Johan Muylle?

Alain Noirhomme Johan Muylle is een boeiend kunstenaar die bijna een synthese brengt van de bekommernissen die de Belgische kunstenaars bezighouden. In de lichtheid en makkelijkheid van de uitdrukkingswijze zit hij tussen het drama dat de werken van Vercruysse of De Cordier uitdrukken, en de ironie en de humor van een aantal hier aanwezige artiesten, en van een onthechting waarvan het werk van Walter Swennen of Jacques Charlier getuigt. Vele van deze kunstenaars praten over de dood maar nooit op een morbide manier, hun werk jaagt u niet de stuipen op het lijf, nochtans wordt de vraag op een juiste wijze aan de orde gesteld.

Koen Brams U hebt reeds meermaals gesproken over de samenwerking met de kunstenaars, die u als positief beleefde. In mijn contacten met enkele kunstenaars bleek dat het engagement ten aanzien van deze tentoonstelling niet onverdeeld groot is.

Alain Noirhomme Dat is een realiteit waaraan men niet kan ontsnappen. Je mag niet van een artiest als Panamarenko verwachten dat hij zich engageert voor een tentoonstelling als deze maar we werkten op een boeiende wijze samen binnen de proporties die deze tentoonstelling stelde. Ik vond het noodzakelijk Panamarenko in deze tentoonstelling op te nemen omdat zijn werk is blijven interageren met de Belgische kunst in de jaren ’80.

Koen Brams Hebt u met de artiesten gesproken over de veranderingen die zich voltrokken hebben in de jaren ’80?

Alain Noirhomme Nee, artiesten zijn daar niet in geïnteresseerd. Ze zijn met hun eigen werk bezig, ze hebben daar misschien wel een mening over, als je hen expliciet de vraag stelt. Trouwens ik ben niet als een reporter te werk gegaan, dat is een andere job.

Koen Brams Welke ontwikkelingen hebben zich volgens u voorgedaan in de kunst in België in de jaren ’80?

Alain Noirhomme Er zijn structuren verschenen om met hedendaagse kunst om te gaan, voordien waren er geen geschikte structuren. Er is een museum in Oostende opgericht, een in Antwerpen, dit museum in Brussel is opengegaan. In Charleroi heeft Laurent Busine een tentoonstellingsbeleid kunnen ontwikkelen dat zich vooral op de hedendaagse kunst richt. Dat lijkt me de belangrijkste ontwikkeling in de jaren ’80. Deze ontwikkeling heeft trouwens gevolgen gehad voor de kunstkritiek – de oprichting van Artefactum bijvoorbeeld: voordien was er ook niets op dat gebied.

Koen Brams Wat vindt u van de kwaliteit van de structuren die het licht zagen in de jaren ’80?

Alain Noirhomme Vanuit een louter architecturaal standpunt zou mijn voorkeur zeker naar het museum van Gent uitgaan, dat lijkt een ideale ruimte om kunstenaars aan te bieden, en tentoonstellingen in te organiseren, niet te groot, het vraagt een aantal renovaties maar voor de rest: ideaal. Het MUHKA is een catastrofe op architecturaal vlak. Het hergebruik van een industrieel pand stoort me niet maar men heeft te veel willen maskeren. Het museum van Oostende is geen slecht museum, men zou misschien enkele vaste wanden kunnen bouwen om de interne architectuur te organiseren. Wat er in België ontbreekt, is een heldere en veel kleinere structuur. In Brussel heeft men echt behoefte aan een “lichte” structuur, type Kunsthalle of Porticus.

Koen Brams Het belangrijkste en misschien wel enige argument dat pleit voor deze tentoonstelling is het uitgangspunt: kunst in België. Misschien is dit wel de laatste keer dat een tentoonstellingsmaker een dergelijk geografisch standpunt durft innemen.

Alain Noirhomme De eerste en de laatste keer, inderdaad.

Koen Brams En dat betreur ik, dat een accrochage van Vlaamse en Waalse artiesten misschien niet meer onder de noemer van Belgische kunst gepresenteerd zal worden.

Alain Noirhomme Dat heeft niets met nationalisme te maken, toch voor mij niet, meer met vriendschap. Is dat in de tentoonstelling te zien, ik weet het niet. Het is alleszins een dimensie die ontbreekt in vele tentoonstellingen die ik de afgelopen jaren bezocht. Vanuit een machinaal standpunt gemaakt, met welgekozen acteurs die op hun status staan, die hun posities versterken, dat interesseert me niet. Misschien is dit de laatste tentoonstelling die ik gemaakt heb; ik ben geen carriërist.

“Kunst in België na 1980” loopt nog tot 30 mei in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Museumstraat 9, 1000 Brussel (02/508.32.11).

Hier; daar, tegenover

Koen Brams Uw artistieke ingrepen worden steeds voorafgegaan door een rigoureuze analyse van alle componenten van het probleem waarvoor u zich gesteld ziet. Omdat we in dit gesprek het vraagstuk van de openbare ruimte willen behandelen, zou ik u eerst willen vragen wat u daaronder verstaat?

Rémy Zaugg In een negatieve bepaling valt de openbare ruimte samen met alles wat zich buiten het atelier bevindt. Maar uiteindelijk kan ook de openbare ruimte als een atelier, als zeer gesloten in plaats van open beschouwd worden. Ik kan de openbare ruimte ook privatiseren. De kapitalistische logica stuurt onverminderd aan op een verdere privatisering van de openbare ruimte. Men koopt een huis, een huizenblok, een volledige buurt…

Maar stelt een kunstenaar de vraag niet op een andere wijze? Moet de openbare ruimte, of de private ruimte wel gedefinieerd worden? De titel van mijn laatste boek, “Vom Bild zur Welt”, geeft reeds een aanwijzing dat een definitie niet noodzakelijk is. Het schilderij staat wel voor het private, maar richt zich ook naar de wereld, het gemeenschappelijke, wat ieder toebehoort. De overgang van het schilderij naar de wereld heeft vooral te maken met een verandering van houding. Als ik in de openbare ruimte opereer, moet ik met anderen overleg plegen, tracht ik met anderen tot een vergelijk te komen. Wanneer ik voor een schilderij plaatsneem, doe ik uitsluitend wat ik wil.

Koen Brams Om het even waar dit schilderij zich bevindt?

Rémy Zaugg In eerste instantie bevindt het zich niet om het even waar, maar in het atelier. Wanneer ik me voor een schilderij bevind, betrek ik een private ruimte.

Koen Brams En als u voor een schilderij in een museum staat, eigent u zich dan deze ruimte toe?

Rémy Zaugg Een werk in een museum maakt reeds deel uit van de openbare ruimte. Op dat moment heeft de maatschappij beslist om een werk aan de openbare ruimte te schenken. Het werk wordt gemeengoed. Als het schilderij zich nog in het atelier bevindt, is het van mij. Ik sta er alleen voor, ik kan het verbranden. Ik doe ermee wat ik wil.

Koen Brams Op welke manier dringt de openbare ruimte zich in het atelier op, op welke manier oefent ze invloed uit?

Rémy Zaugg Theoretisch is er geen invloed, maar in de mate waarin ik een sociaal ingesteld individu ben, beïnvloedt de wereld me.

Het atelier

Koen Brams In “Vom Bild zur Welt” zegt u dat u zich nog geregeld terugtrekt in het atelier.

Rémy Zaugg Vanaf mijn twintigste concentreerde mijn creatieve arbeid zich in het atelier. Ik bestudeerde de schilderkunst. Maar ik wil me geen vijftig jaar met hetzelfde probleem bezighouden, temeer daar ik op een bepaalde manier de schilderkunst onder de knie heb. Wat moet ik dan nog uitrichten in het atelier? Doen alsof de schilderkunst me nog interesseert? Gedurende jaren heb ik me beziggehouden met het uitzoeken wat een koude en een warme toon is, met de schilderkunst van Cézanne. Nu we steeds maar ouder kunnen worden, en je op een bepaald moment een probleem bemeesterd hebt, moet je je bedrinken, je zelfmoorden, in plaats van je eindeloos te herhalen? Ik wil mijn kennis ten dienste stellen van een nieuw en nog complexer project: de stad. Bijvoorbeeld in het project voor Sonsbeek stel ik in de eerste plaats een urbanistisch probleem aan de orde. Zonder deze urbanistische dimensie, zou ik er helemaal niet aan begonnen zijn.

Koen Brams Als u in het atelier werkt, hebt u dan de indruk dat u zich isoleert?

Rémy Zaugg Nogmaals, het is een metafoor. Wanneer ik over het atelier praat, heb ik het over de uiteenzetting van mezelf met mezelf. Ik kan me ook confronteren met mezelf als ik in de stad wandel. Ik heb lang gedacht dat de kennis die ik verworven heb in het atelier, en de kennis die ik ontwikkeld heb in de stad, identiek zijn, maar dat is niet het geval. Wat doet een artiest anders in een atelier dan zich met zichzelf uiteenzetten, in verhouding tot een object dat hij maakt, of in verhouding tot een doek dat hij schildert? Hoe zichzelf te onderwijzen? Door naar de televisie te kijken? In de wereld leert men zichzelf niet kennen, aan de universiteit al evenmin. In die zin voel ik me dikwijls alleen in de wereld, en zeer ontmoedigd.

Koen Brams In zeer veel van uw projecten duikt het boek op. In Documenta 7 presenteerde u een boek in een vitrine. Ook in Münster hebt u een boek getoond. Is het boek eveneens een metafoor voor deze terugtrekking uit de wereld? Het boek als een private ruimte, is dat de essentiële betekenis van het boek in uw werk?

Rémy Zaugg Het boek als een private ruimte die deel uitmaakt van de openbare ruimte. Het is overal aanwezig. Het is op x-aantal exemplaren beschikbaar. Het circuleert. Een private ruimte in de zin dat ik er op elk moment alleen een dialoog mee kan aangaan. Het zit in mijn broekzak, het is bij mij, ik kan me aan dit kleine volume overleveren, maar tegelijkertijd kan het zich overal elders in de wereld bevinden. Zoals een cinemazaal, de zaal is openbaar, maar ook gesloten. Tegelijk is het donker, of nacht. Men zit dus alleen in zijn zetel, en toch is het een openbare ruimte. Het private en het publieke gaan onophoudelijk in elkaar over. Nu zitten we hier met zijn tweeën in deze ruimte, deze ruimte is openbaar geworden, of toch tenminste semi-openbaar, als u vertrekt, definieer ik deze ruimte terug als een private ruimte. De televisie, bijvoorbeeld, is dat geen openbare ruimte? Hij vernietigt misschien zelfs de private ruimte. Als het private vernietigd wordt, verliest het publieke alle betekenis. Als een van de twee noties ophoudt te bestaan, heeft de andere geen betekenis meer.

De stad: Arnhem

Koen Brams In uw tentoonstelling in Hamburg, maar ook in Arnhem, toont u werken binnen en buiten die met elkaar in relatie staan. De toeschouwer die het werk buiten bekijkt, wordt verplicht zijn visie op te schorten en in relatie te brengen met wat hij binnen ziet. Bevraagt u met deze werken de voortdurende overgang van openbaar naar privaat en vice versa? En vereisen de tentoongestelde werken deze voortdurende overgang?

Rémy Zaugg Neen, de werken kunnen in relatie tot elkaar maar ook apart bekeken worden. Voor Sonsbeek besloot ik een werk te maken op de John Frostbrug, op de Nelson Mandelabrug en een voorstel te doen voor de ruimte tussen beide bruggen. Als het donker wordt, heb ik gemerkt, dooft ook de betekenis van deze buurt uit. De ruimte tussen deze twee bruggen wordt niet benut, wordt integendeel een duistere, onbetekenende plek. De bewoners aan beide kanten van de Rijn hebben niets met elkaar te maken, staan niet met elkaar in verbinding. De brug krijgt enkel een technische functie toebedeeld, overbrugt niet echt, heeft geen culturele betekenis. De brug is enkel instrument: transporteert. Door beide bruggen middels woorden in neon met elkaar in relatie te brengen, open ik de ruimte tussen beide bruggen, dit niemandsland. Ik tracht enkel datgene te laten spreken dat er reeds is, ook de woorden op de bruggen vertellen enkel over wat reeds aanwezig is: de geschiedenis van Nederland (Indonesië), de stroom, de verte, boten, kortom elementen die er reeds zijn. Dat uiteindelijk slechts het werk op de John Frostbrug werd gerealiseerd, heeft te maken met financiële redenen. Het gehele project omvat twee bruggen en een urbanistische studie over dit deel van de stad Arnhem. Volgend jaar zou het werk op de tweede brug moeten gerealiseerd worden. Bij het uitwerken van het project werd ik gevraagd om in een vlakbij gelegen galerie werken te tonen, een uitnodiging waar ik op in ging, omdat de relatie met het werk op de brug gelegd kan worden. Deze relatie markeert binnen en buiten, interieur en exterieur.

De stad: Basel

Koen Brams In twee teksten analyseert u de notie van de grens, of het kader. In de eerste tekst stelt u kritische vragen bij de aanwezigheid van het kader rond een geschilderd doek, in de andere, een urbanistische studie van Basel, werkt u de notie van de grens uit.

Rémy Zaugg Als men spreekt over openbaar en privaat gaat men ervan uit dat er ergens een grens tussen beide bestaat. Maar deze grens is een illusie, deze grens verandert permanent. Vroeger ging men ervan uit dat er een grens was die het ene van het andere afbakent. Men ging er bijvoorbeeld ook van uit dat er binnen het kader zoiets als kunst bestaat, en buiten het kader alles behalve kunst. Pollock onderzocht deze grens bijvoorbeeld en heeft het schilderij op zijn manier geopend. Ik wil dat het schilderij deel uitmaakt van de ruimte. Een werk zonder ruimte bestaat niet. Zonder raam, muren, bodem genereert het geen enkele betekenis. Het werk leeft ook van de context, en de context leeft van het werk. Werk en context vormen een organisch geheel. Ik geloof niet meer in de notie van de grens. Het is een illusie die in het leven geroepen is om ons bestaan eenvoudiger te maken. In het geval van Basel heeft men met een slecht geweten – dat weet ik zeker omdat men tracht te verbergen wat men heeft uitgericht – een stad als een fort gebouwd. Basel, een stad met een internationale roeping, omgeven door twee landen, Duitsland en Frankrijk, is volledig op zichzelf teruggeplooid.

Koen Brams Basel wil zich niet alleen beschermen tegen de buurlanden maar ook tegen interne krachten en elementen. Precies deze elementen, zoals kerkhoven (de dood) en psychiatrische instituten worden verbannen naar de grens, zij vormen de grens.

Rémy Zaugg De elementen die hen schrik aanjagen schijnen te worden gebruikt om de buitenwacht de stuipen op het lijf te jagen. De krachten waarvoor men angst heeft, heeft men naar de rand, de grens geschoven. Als we de notie van de grens onderzoeken, kunnen we ons ook vragen stellen in een ander belangrijk debat, met name over het wezen van de kunst. Met die grote gouden kader heeft men de context voor het beeld in bescherming willen nemen. Als ik het kader verwijder, valt het schilderij dan samen met de gehele wereld?

Koen Brams Welk proces brengt u op gang met uw urbanistische studie van Basel?

Rémy Zaugg Ik hoop dat de mensen, de beleidsverantwoordelijken zich bewust worden van wat ze hebben aangericht. Vanaf het moment dat dat bewustzijn er is, kunnen oplossingen uitgewerkt worden. Vooraleer oplossingen aan te dragen, moet je eerst haarfijn analyseren hoe de situatie in elkaar zit, dat is altijd mijn methode geweest.

Koen Brams Hebt u al oplossingen voor Basel in petto?

Rémy Zaugg De tekst over Basel die nu voor het eerst gepubliceerd werd, is slechts het eerste deel van een veel omvattender project dat ik uitwerk met twee architecten, Herzog en de Meuron. We hebben reeds voorstellen gedaan maar ze werden niet weerhouden, misschien omdat men de tekst nog niet gelezen had.

De stad: Dijon

Koen Brams In een gesprek met Thomas Wulffen stelt u: “Zowel het private als het openbare hebben geen vaste structuur, ze moeten integendeel steeds opnieuw weer uitgedacht worden.” Wat is de verantwoordelijkheid van de kunstenaar in dit permanente proces?

Rémy Zaugg De kunstenaar dient een morele functie te bekleden. De kunstenaar moet een exemplarisch werk leveren; als hij daartoe niet in staat is, is hij immoreel. Iets exemplarisch bewerkstelligen, zonder toegevingen, alle gezichtspunten analyseren, wat zeer veel vergt, en geen toegevingen doen, risico’s nemen. Een kunstenaar is een moedig mens.

Koen Brams Xavier Douroux en Claude Patriat die meewerkten aan “Vom Bild zur Welt” vragen niet alleen dat de kunstenaar een morele positie zou innemen maar ook dat hij zou samenwerken met diegenen die een mandaat hebben gekregen om de openbare ruimte te transformeren. Zij roepen de kunstenaar op om samen te werken met politici.

Rémy Zaugg Werken in de openbare ruimte betekent de krachten bundelen. Een kunstenaar die zich in de openbare ruimte begeeft, moet samenwerken met anderen, in de ware geest van de Renaissance. Alberti, Michelangelo, Leonardo da Vinci, deze kunstenaars werkten ook in de openbare ruimte. Dat waren niet alleen schilders, geen specialisten op een beperkt terrein, maar cultuurdragers. Dat is wat op dit moment ontbreekt: iemand die een algemeen beeld heeft.

Koen Brams De kunstenaar moet aan de verlokking van de toegeving weerstaan maar wordt tegelijk opgeroepen om samen te werken, is dat niet om problemen vragen?

Rémy Zaugg En conflicten, natuurlijk, er zijn heel wat conflicten. Bijvoorbeeld in Dijon. Men vraagt me voor een bijzonder specifiek probleem, de bouw van een nieuw museum. Na enkele maanden geef ik te kennen dat eerst een ander probleem, van een grotere, met name urbanistische orde, om een oplossing vraagt. Een klassiek architect zou het museum neergepoot hebben, en niet eens begrepen hebben dat de stad met een ander, veel urgenter probleem worstelt. Ik heb met mijn opdrachtgevers gepraat, met de politici en hen overtuigd dat eerst een ander probleem aangepakt moest worden.

Het museum

Koen Brams U hebt heel wat teksten geschreven over de plaats van het kunstwerk in het museum. In deze teksten analyseert u situaties waarin het kunstwerk niet functioneert, en stelt u concrete oplossingen voor opdat een onmiddellijk en ongestoord contact tussen kunstwerk en toeschouwer zou kunnen plaatsvinden. U beschrijft alle elementen van de strikte en controleerbare context waarin het kunstwerk tot de toeschouwer kan spreken. Hoe kan een kunstwerk in de openbare ruimte, toch een weinig controleerbare context, functioneren?

Rémy Zaugg Een in het atelier gemaakt kunstwerk dat men in de stad plaatst, kan niet functioneren. De stad is een chaos, er is zoveel lawaai, er zijn zoveel dingen. Het kunstwerk dat in een atelier gemaakt is, moet daar blijven, of in het museum opgesteld worden, dat is hetzelfde. Het werk dat ik nu realiseer voor Sonsbeek, wordt door de plek zelf gevraagd. Mijn werk onderwerpt zich aan wat reeds aanwezig is in de stad.

Koen Brams De in het atelier gemaakte kunstwerken komen terecht in het museum, dat is een ruimte…

Rémy Zaugg …een gespecialiseerde ruimte, in het leven geroepen om alleen maar datgene te herbergen wat aan het atelier ontsproten is.

Koen Brams Een museum is een openbare ruimte, maar uw medeburgers kunnen deze plaats vermijden en ervoor kiezen niet met kunstwerken om te gaan. Ten overstaan van werken in de openbare ruimte kan men niet kiezen er niet mee om te gaan.

Rémy Zaugg Als ik sommige interventies van kunstenaars in de stad tegenkom, zeg ik bij mezelf, tiens, deze mensen hebben zich vergist, zij hebben geprobeerd de openbare ruimte te privatiseren.

Koen Brams U begrijpt deze interventies als privatiseringen?

Rémy Zaugg Of als een egoïstische ingreep van iemand die zich inbeeldt dat de ruimte hem toebehoort. Ik beschouw deze interventies als overtollig, als objecten die toegevoegd worden aan de chaos. Kan de toeschouwer zich uiteenzetten met het kunstwerk? Kan hij zich nog uiteenzetten met die chaos van objecten en bewegingen om hem heen. Misschien zou men moeten opteren voor kleine objecten in plaats van objecten die wel in het oog springen maar waarmee men zich niet kan uiteenzetten.

De stad: (Basel)

Koen Brams Hebt u nooit een werk in de openbare ruimte gezien dat werkt?

Rémy Zaugg Toch wel, het werk van Tinguely in Basel, zijn eerste fontein. In eerste instantie omwille van zijn verhoudingen: niet te groot, niet te klein. Het staat in een rustig hoekje opgesteld, met er tegenover de Kunsthalle, vlakbij een restaurant, een park, een café onder bomen. Er zijn steeds mensen, de fontein beweegt. Er gaat iets absurds van uit dat een onmiddellijke metafoor is voor de stad. Eigenlijk praat deze fontein over de stad. Het beweegt, maar niet te spectaculair. In de winter groeit de fontein vol met ijs.

Koen Brams Zijn er ook openluchtsculpturen die u niet begrijpt, maar die u om een of andere reden fascineren?

Rémy Zaugg Nu beschrijft u een bepaald model van een sculptuur, dat me plausibel voorkomt. Ik zou me zeer bescheiden objecten kunnen voorstellen, kleine dingen, in de stad achtergelaten. Geen kermis, geen monument, geen herdenkingsteken, een klein bescheiden ding, verspreid in de stad. Maar dan komen we dichtbij het private, in de schaduw van de stad. Voor ons is de stad steeds uitgebreid, iets dat zich opdringt, maar misschien kan het ook andersom.

Koen Brams Oefent het kleine object zo’n aantrekkingskracht op u uit omdat het alle gewicht van de wereld lijkt te kunnen dragen, zoals u treffend getoond hebt in uw inrichting van de Giacometti-tentoonstelling in Parijs?

Rémy Zaugg Ja, de gehele wereld komt en vertrekt opnieuw, zoals in een eenvoudige ademhalingsbeweging.

Koen Brams U vindt het een aanfluiting dat kunstenaars zich willen opdringen aan de anderen.

Rémy Zaugg Ook de stadstuinier wil zich opdringen aan de stad. Hij plant zijn bloemen om het even waar, hij houdt geen rekening met het geheel. Kijk om je heen. Overal zie je objecten en prullen, iedereen heeft zijn ding gedaan. Hier staat een bank, een andere heeft er een bushokje naast gezet, wat verder een teken dat een tramhalte aangeeft dat in het blauw geverfd is. Waarom? Omdat de administratie ooit beslist heeft dat al die tekens in het blauw moeten geverfd worden. Daar staan de parkeermeters, en een vuilbak. Iedereen heeft zijn klein dingetje toegevoegd, niemand heeft aan het geheel gedacht. Artistieke interventies in de openbare ruimte zijn vaak niet meer dan vervuiling, voortkomend uit het egoïsme van een kunstenaar die zich wil opdringen aan de openbare ruimte.Welke veranderingen betrachten deze werken in de openbare ruimte?

Koen Brams Hebt u een hypothese?

Rémy Zaugg Neen, omdat ik daar nog nooit over gediscussieerd heb. Alvorens me daarover uit te spreken, zou ik een studie moeten maken over deze logica, en praten met de mensen. Mijn observaties beperken zich tot wat de stadsreiniger – die in de winter ook de sneeuw verwijdert – met sculpturen voorheeft. Wat doet een stadsreiniger met de bijeengeveegde sneeuw als hij een openbare sculptuur opmerkt? Hij veegt alle sneeuw tegen de sculptuur. Intuïtief voelt hij aan dat die plek verzadigd is, en dat men er nog wat aan kan toevoegen. Een beetje meer of minder, dat speelt geen rol. Waar zet men de bakken met zand, dat men in de winter gebruikt om op de sneeuw te strooien opdat men niet zou uitglijden? Steevast in de buurt van een telefooncel, bij gebrek aan een telefooncel dan maar vlakbij een sculptuur. Een sculptuur is een object als een ander. Objecten trekken objecten aan.

De galerie

Koen Brams In de catalogus van de tentoonstelling in Mai 36 Galerie hebt u werken gepresenteerd naast objecten.

Rémy Zaugg De schilderijen waren in de wereld.

Koen Brams Dichtbij objecten, dingen. Hebben de dingen de schilderijen aangezogen?

Rémy Zaugg De schilderijen zijn zeer bescheiden. Ze wilden enkel het beeld actualiseren. Het was de fotograaf die ze daar gehangen heeft.

Koen Brams Stelt u de context in vraag door deze ingreep, door er schilderijen in op te hangen?

Rémy Zaugg Dat is uw interpretatie. In de zin dat ik de context toon, in de positieve zin van het woord, heb je gelijk. Ik stel de context tentoon. Het schilderij is minder zichtbaar dan de cactus bijvoorbeeld. De grens tussen het schilderij en de objecten, de grens is niet meer. Het schilderij dat altijd het centrum is geweest, op een sokkel werd geplaatst, moet bijna niets worden opdat wat normaal de periferie is, centrum zou worden. Het schilderij is bescheiden in afmeting, alles wat het schilderij omgeeft, is groter, of meer gekleurd. Ik veeg de grens uit.

Koen Brams U hebt hetzelfde schilderij in 24 verschillende contexten geplaatst, op deze manier neemt het schilderij toch opnieuw een centrumfunctie waar?

Rémy Zaugg Ook dat is een interpretatie. Het schilderij werd op verschillende plaatsen gefotografeerd om iets duidelijk te maken, de context fotograferen zonder schilderij had geen zin. Het schilderij actualiseert datgene wat het omgeeft, de wereld, maar niet noodzakelijk vanuit het feit dat het in het centrum staat.

Koen Brams U beschouwt het schilderij als een gebruiksvoorwerp, als een nuttig instrument?

Rémy Zaugg Ja, een instrument zoals een hamer.

Koen Brams U roept uw medeburgers op om uw schilderijen te gebruiken, maar dat is natuurlijk ook maar een metafoor?

Rémy Zaugg Nee, nee. Ze kunnen mijn schilderijen gebruiken om zich uiteen te zetten met zichzelf. Met behulp van een zeer doordachte strategie, slaag ik erin de muren, de vensters te tonen. Worden muren en vensters geactualiseerd. Het buiten komt binnen, de wereld wordt “verwerkelijkt”.

Koen Brams En het bewustzijn van de kijker wordt geactualiseerd?

Rémy Zaugg Inderdaad dat interesseert me het meest, het subject. De wereld bestaat maar doorheen het subject.

Koen Brams Het schilderij is een instrument om het subject de wereld te tonen.

Rémy Zaugg Voor ons wel, maar op een goede dag zal men er geen behoefte meer aan hebben.

Koen Brams Wat is de toekomst van de sculptuur in de openbare ruimte?

Rémy Zaugg Ik stel de vraag op een andere manier: welke bijdrage van de kunstenaar – naast zijn private praktijk in het atelier – kan de maatschappij, de stad ten nutte komen? Zopas las ik een artikel waarin gesteld werd dat niet veel artiesten tegemoet komen aan de noden van de stad. Een jonge kunstenaar kan wellicht ook niet veel uitrichten in de stad omdat de stad te ingewikkeld in elkaar zit. Aangezien de wereld complex is, moet de kunst dat ook zijn. In de openbare ruimte werken, betekent dat men moet werken met een ingenieur, een jurist, een politicus. De kunstenaar die met al deze mensen kan werken en zijn inzichten kan doen gelden, zal toch al een zekere leeftijd hebben, een zekere ervaring, en een zekere cultuur. Als ik nuttige arbeid heb kunnen verrichten ten dienste van mijn medeburgers, zij het slechts met het maken van schilderijen, dan vind ik dat ik geslaagd ben, dat ik mijn tijd niet verprutst heb.

De stad: (Arnhem)

Koen Brams Zelfs als u al de indruk hebt gehad nuttig te zijn geweest voor een stad, bent u er dan zeker van dat die bijdrage nuttig zal blijven, nemen we deze interventie in Arnhem, zal ze ooit haar nut verliezen?

Rémy Zaugg Neen, integendeel, deze bijdrage is slechts een begin. Met een begin bedoel ik dat er werk moet gemaakt worden van de oprichting van gebouwen tussen de twee bruggen. Nu houdt de stad daar op, en heeft men geen zin om te gaan wandelen langs de Rijn, omdat deze aan de periferie van de stad ligt, en men houdt niet van de periferie. Als de twee bruggen met elkaar in relatie worden gebracht en gebouwen opgericht worden, zal er tot ‘s avonds toe bijzonder veel volk verblijven op deze plek.

Koen Brams Zou het u storen dat een project op een bepaald moment zijn nut zou verliezen?

Rémy Zaugg Helemaal niet. Het is slechts een instrument. In ieder geval is het neon een zeer broos materiaal, een eenvoudig steentje kan dit project om zeep helpen. Het is geen brons. Met brons kan ik niet werken. Weet u waarom? Omdat brons onmiddellijk in verband gebracht wordt met eeuwigheid. Als een project niet meer nuttig is, mag het verdwijnen.

Koen Brams Met uw weigering om brons te gebruiken, zegt u dat uw projecten beperkt zijn in de tijd?

Rémy Zaugg Het is ongelofelijk dat er nog steeds kunstenaars zijn die gebruik maken van brons, en het soms nog beschilderen ook, alsof het hout, of een goedkoop materiaal betrof. Ze willen aanspraak maken op eeuwigheid. Het stoort me helemaal niet dat men van sommige van mijn ingrepen niet eens weet dat ik ze bedacht heb. Wat me interesseert, is het bewustzijn, en niet objecten. In dit project in Arnhem bespreek ik de slag die zich hier vijftig jaar geleden voltrok. Drie woorden wil ik vertalen in vier talen, corresponderend met de vier landen die bij de slag betrokken waren, Polen, Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië. De woorden: “hier; daar, tegenover”. In de gemeenteraad van Arnhem hebben verschillende leden zich echter verzet tegen het feit dat deze woorden ook in het Duits zouden vertaald worden.

De stad: Münster

Koen Brams In Münster hebt u met bronzen sculpturen gewerkt, “Magd mit Ochs” en “Knecht mit Stier”, de werken van Karl H. Bernewitz. U trof de werken uit de negentiende eeuw vlakbij het gemeentehuis in uiterst penibele omstandigheden aan. Op uw aangeven kregen ze een plaats toegewezen waarin ze hun door u geïnterpreteerde functie opnieuw konden opnemen…

Rémy Zaugg Maar deze interventie is nog steeds niet voltooid. Onlangs ontving ik een brief van de burgemeester van Münster die me over mijn bijdrage en de ermee gepaard gaande problemen, interpelleerde.

Koen Brams Wat is de laatste ontwikkeling? Wat is er van de sculpturen geworden, staan ze nog steeds op de plaats waar u ze in 1987 geplaatst hebt?

Rémy Zaugg Ja, ze staan daar nog steeds. Op illegale wijze. De stad had me toelating gegeven om ze daar te plaatsen gedurende de tentoonstelling. Daarna moesten ze terug afgevoerd worden, maar ze staan er nog steeds.

Koen Brams En men heeft u nog steeds geen honorarium betaald voor deze bijdrage?

Rémy Zaugg Neen. Momenteel bereid ik een publicatie voor die alleen maar over dit werk zal handelen, met een volledig overzicht van de geschiedenis van dit werk, en met alle documenten.

Koen Brams U hebt de toenmalige functie van de werken van Bernewitz onderzocht en geïnterpreteerd. U schreef deze werken toe dat ze de bezoeker van Münster onthaalden. Op basis van deze interpretatie hebt u de werken op een plaats gezet waar ze deze functie min of meer terug opnamen. Uw bijdrage kon op grote instemming rekenen van de bevolking van Münster die bevestigd werd in haar nostalgische gevoelens. Waarom hebt u deze interpretatie niet willen uitschakelen. Of wilde u met deze nostalgische gevoelens afrekenen door een honorarium te eisen indien de werken van Bernewitz op de door u aangegeven plaats na de tentoonstelling bleven staan?

Rémy Zaugg Ik heb alleszins een discussie in Münster, en ver buiten Münster, losgeweekt over mijn bijdrage, de werken van Bernewitz, kortom over de wijze waarop men met deze oude werken, en mijn ingreep omging. En deze discussie woedt nog steeds in alle hevigheid verder. Onlangs werd ik uitgenodigd voor een solo-tentoonstelling in Münster. Tijdens de vernissage heb ik een redevoering gehouden die uitsluitend over mijn sculptuurproject handelde. De burgemeester heeft hier weet van gekregen en mij een brief gestuurd waarin hij stelde niet op de hoogte te zijn van deze geschiedenis.

Koen Brams Wat zijn jouw plannen met de sculpturen?

Rémy Zaugg Ik weet het niet, ik ben geen inwoner van Münster, ik kan alleen maar vaststellen dat de huidige oplossing verkeerd is.

Koen Brams Wat is de beste oplossing voor de sculpturen?

Rémy Zaugg Het gehele plein is afschuwelijk.

Koen Brams U wilt het gehele plein dus aanpakken?

Rémy Zaugg Ik zou een voorstel kunnen uitwerken. In 1997 vindt een nieuwe editie van “Skulptur Projekte” in Münster plaats. Men heeft me gevraagd om een theoretische tekst te schrijven. Ik heb hen geantwoord dat ik zeer geïnteresseerd ben om een dergelijke studie te maken maar dat eerst het probleem van mijn vorige bijdrage moet geregeld worden. Als men dit eenvoudig probleem, de plaatsing van de sculpturen van von Benewitz, de inrichting van het plein en de juiste inschatting van mijn bijdrage niet kan oplossen, dan moet men ook niet aan een derde editie van “Skulptur Projekte” beginnen.

Koen Brams Vindt u het problematisch dat de sculpturen niet meer de betekenis, ja, misschien zelfs de tegenovergestelde betekenis genereren die u ermee beoogde?

Rémy Zaugg Ze produceren een negatieve betekenis, ze zijn contraproduktief, dat klopt. Maar de betekenis die ze nu produceren is alleszins waardiger dan op het moment dat ik ze aantrof.

Koen Brams Misschien bekleedden de sculpturen een minderwaardige positie, maar misschien was de situatie veel helderder dan nu.

Rémy Zaugg Münster is een zeer conservatieve stad, in die zin reflecteert de huidige plaatsing van de sculpturen perfect de context.

Koen Brams De positie mag dan al de conservatieve instelling van de stad weergeven maar de confrontatie die u met uw ingreep beoogde, de confrontatie van de inwoners van Münster met hun houding ten opzichte van sculpturen, ten opzichte van kunst, ten opzichte van hun stad, realiseert u niet met de huidige plaatsing van de sculpturen. U moet de discussie blijven voeden, zoals u onlangs hebt gedaan naar aanleiding van uw tentoonstelling in Münster, hopend op een deblokkering van de situatie. Op deze manier komen we terug terecht in onze discussie over de toekomst van een project in de openbare ruimte. U moet uw projecten in de openbare ruimte steeds opnieuw evalueren?

Rémy Zaugg Werken in de openbare ruimte houdt steeds een risico in, maar dit risico is de moeite waard. Op elk moment moet je de situatie terug uitvinden, evalueren, zoals je telkens alles opnieuw in vraag moet stellen als je in het atelier werkt.

Koen Brams Onderzoekt u uw projecten in de openbare ruimte vaak opnieuw?

Rémy Zaugg Niet zo vaak. Elk project staat ook op zich, heeft een eigen geschiedenis en een eigen logica. Ik bedien me niet van een truukje dat ik herhaal. Elk project heeft een specifiek proces, en van geen enkel project kan ik stellen dat het proces reeds een eindpunt heeft bereikt. Nog geen enkel project is beëindigd.

Bovenstaande tekst is de eerste versie van een bewerking van een interview met Rémy Zaugg. De aan hem gestelde vragen vormen eveneens het uitgangspunt voor een door Rémy Zaugg zelf geschreven bijdrage. “Sonsbeek 93” kan nog tot 26 september bezocht worden. Info over Sonsbeek: Telefoonstraat 3, 6811 AS Arnhem (085/42.90.60). Later dit jaar heeft Rémy Zaugg een eenmanstentoonstelling in Galerie Ronny Van de Velde. “Vom Bild zur Welt” van Rémy Zaugg verscheen bij Verlag der Buchhandlung Walther König, Ehrenstrasse 4, 5 Köln 1.

Een tentoonstelling is een plaats om tentoon te stellen

In het vorige nummer van “De Witte Raaf” verscheen het eerste deel van het interview met Daniel Buren, dat op 7 april 1994 in Rotterdam plaatsvond. Eerst besprak
Daniel Buren actuele politieke en artistieke ontwikkelingen en de impact van deze ontwikkelingen op zijn werk. Daarnaast beschreef hij zijn realisatie in het Museum Boymans-van Beuningen waarbij hij opmerkte dat het werk “een experiment is waarvan de kijkers getuige kunnen zijn”…

Koen Brams: De belangstelling voor het experiment blijkt in heel wat gevallen uit de verplaatsing, uit het met elkaar in verband brengen van ruimten, uit een confrontatie tussen binnen en buiten, steeds van hetzelfde materiaal, hetzelfde instrument gebruik makend. Deze verplaatsing situeert zich trouwens ook op een misschien anekdotisch niveau: heel wat van uw in situ werken werden door u niet ter plaatse beschreven en becommentarieerd, maar op andere plaatsen, in andere landen of zelfs continenten.

Daniel Buren: In heel wat gevallen was dat onvermijdelijk. Het eerste luik van uw vraag lijkt me daarentegen heel terecht. Heel wat van mijn scherpste werken stoelen inderdaad op een verplaatsing. Het werk voor het Museum Boymans-van Beuningen is wat dat betreft bijzonder. Hoewel de notie verplaatsing de kerngedachte is van het werk in deze eerste etappe, is er geen antecedent te bespeuren. De verplaatsing gebeurt hier vooraleer er van plaatsing sprake is geweest, en dat is op z’n minst ogenschijnlijk tegenstrijdig en echt paradoxaal. Je kan echter met die paradox spelen en het over verplaatsing hebben omdat je de ruimtelijke aanleiding van het werk goed kent en omdat het werk vandaag en voor het eerst in een andere ruimte wordt getoond. Het statuut van zo’n werk wordt ter discussie gesteld, en dat op een mijns inziens veel treffender manier omdat die vragen van de plaats zelf uitgaan.

K.B.: Het werk dat u voor de manifestatie “Chambres d’amis” te Gent hebt gerealiseerd, berustte eveneens op de verplaatsing?

D.B.: Dat klopt, maar dat is een spijtige zaak.

K.B.: Dat werk spijt u?

D.B.: Nee, nee, maar alles was in het werk gesteld opdat dit werk in het museum zou blijven – men kon het uiteenhalen als een decor – en dat het werk bij de verzamelaars Annick en Anton Herbert altijd in beweging zou blijven. Jan Hoet en de Herberts waren het eens om beiden een deel te kopen opdat het voor altijd een publiek werk zou blijven, dit wil zeggen een werk tussen een private en de publieke ruimte.

K.B.: Een veranderend gedeelte en een onveranderlijk gedeelte?

D.B.: En tegelijk met een regel: wanneer het onveranderlijk gedeelte zich in de kelders van het museum bevond, bleef ook het veranderend gedeelte in de “chambre d’amis” ontoegankelijk. Maar uiteindelijk is mijn werk niet aangekocht.

K.B.: Het variabele element in dat experiment is de tijd.

D.B.: Ik heb heel wat werken gerealiseerd waarvan de lezing in verschillende tijden kon plaatsvinden. Ik activeer het visuele geheugen, maar binnen een relatief controleerbare tijd, niet in een historische tijd. In die “chambre d’amis” ging het ook over het memoriseren. Als je van de Herberts naar het museum ging, of vice versa, moest je je trachten te herinneren of de diagonaal even groot was, zus of zo ging, van boven naar beneden, van links naar rechts, of vice versa. Voorts formuleerde dat werk uiteraard ook een strenge kritiek op de tentoonstelling “Chambres d’amis”.

K.B.: Uw voorstel was zeer kritisch, omdat u zich als “uitvinder van het werken in situ” niet alleen in een privé-ruimte maar ook in het museum bevond.

D.B.: Het was een werk in verschillende tijden, ongetwijfeld, maar ook in situ in alle betekenissen die ik aan die term geef. Ter plaatse, maar ook ten opzichte van de geest van de ruimte, van de ruimten. Het werk was tevens een kritiek op één van de aspecten van die tentoonstelling, die de mensen wilde doen geloven dat met het openen van de deuren van huizen van particulieren, het museum eindelijk zelf openging! Meer nog: met een op z’n minst dubbelzinnig discours over de niet-noodzakelijkheid van het museum, trachtte men ons ervan te overtuigen dat de privé-ruimte meer openbaar zou zijn dan de museumruimte, die toch een bij uitstek openbare plaats is, terwijl zijn directeur op de meest spectaculaire wijze, en met gebruik van alle logistieke middelen van het museum, dat helemaal gescleroseerd zou zijn, een twijfelachtige goocheltoer opzette. Je kent de volgende anekdote, die de illusie versterkt die mijn werk trachtte aan te klagen: gelet op het succes waarin de tentoonstelling zich mocht verheugen, hebben sommige bewoners hun huizen tijdens de zomer moeten verlaten; op sommige uren waren deze huizen echter toch toegankelijk, namelijk onder toezicht van de gebruikelijke suppoosten van het musem zelf! Dat maakte er voor mij zonder enige twijfel een museumtentoonstelling van, en om die reden was het voor mij dan ook belangrijk een gedeelte van mijn werk in het museum verankerd te zien.

K.B.: Zijn al uw werken in situ werken, zelfs wanneer ze in een museum plaatshebben? Is een werk een in situ werk zodra het zich verhoudt tot de ruimte waarin het plaatsheeft?

D.B.: Vanzelfspekend. Mijn bijdrage aan “Chambres d’amis” speelde zich op twee verschillende niveaus af. Het ‘echte’ in situ werk, dat als aanzet diende, was uiteraard de ‘echte’ “chambre d’amis” die deel uitmaakte van de woning van de Herberts en door mijn toedoen werd omgevormd. Het andere werk, mijn contradictorisch voorstel in het museum, was “in situ” ten opzichte van het thema van de tentoonstelling. Met betrekking tot het object dat in het museumgebouw zelf opgesteld stond, kan je, wellicht voor het eerst in mijn hele oeuvre, gewagen van een museumstuk in de klassieke betekenis van het woord. Dat wil zeggen een stuk dat in het museum kon bewegen als een gewoon object of dat zich op eender welke plaats erbuiten had kunnen bevinden, omdat zijn inhoud door niets anders dan het object zelf werd bepaald. Aan de buitenkant was het een object, maar zodra je er binnenging, functioneerde het als een decor. Ongetwijfeld een perfecte illusie, maar uitgerust met alle noodzakelijke elementen om het te lezen en te begrijpen. Hoewel dit decor, deze perfect geslaagde reconstructie de enige bijdrage was die in het museum werd opgesteld, toonde deze omkering, deze overduidelijke kunstgreep dat “Chambres d’amis” een museumtentoonstelling was, en dat het museum het blijkbaar nodig vond om een vijftigtal andere, particuliere ruimten op te slokken.

Men hield het publiek voor dat het zich buiten de muren van het museum bevond, terwijl het in werkelijkheid volledig door het museumsysteem werd gecontroleerd, wat op zich niet laakbaar is, mits het zich er terdege van bewust is, maar men wilde het publiek het tegenovergestelde doen geloven en stelde dat het museum niet meer interessant is, te klein om zijn ambities waar te kunnen maken, te gesloten, te veel voorbehouden aan de specialisten, terwijl de private woning daarentegen voor eenieder zou openstaan!

Door de mensen te verplichten terug te keren naar het museum, omdat de tentoonstelling goed en wel van het museum uitging, oefende mijn werk ook  impliciet kritiek uit tegen het cultureel toerisme die deze tentoonstelling inluidde. Met de tentoonstelling van kunstwerken als voorwendsel kon je ongestraft binnendringen in het huis van je buurman. Zoals een voyeur kon je  binnentreden in een intieme, a priori voor elk publiek ontoegankelijke private ruimte. Dat voyeurisme was trouwens wellicht de hoofdreden van het succes dat de tentoonstelling mocht genieten, althans wat het aantal bezoekers betreft. Het is deze collectieve verkrachting van een private ruimte, met kunst als voorwendsel, die het succes van de tentoonstelling zonder enige twijfel inzichtelijk maakt, te meer daar de meeste werken totaal identiek waren aan de werken die de makers ervan gewoonlijk in het museum tonen, zij het met een veel matiger succes bij het publiek, dat is het minste dat men kan zeggen…

Maar hier werd dankzij de dubbelhartigheid van het museum, de enige openbare macht die zich met succes zo’n indringing kan veroorloven, met de private ruimte van de buurman geëxperimenteerd.

K.B.: Wat is de titel van het werk in Boymans-van Beuningen?

D.B.: Het werk heeft als titel: “Placement déplacé – travail provisoirement situé, première étape”. Gesitueerde werken zijn werken die niet enkel in één mogelijke ruimte kunnen worden opgesteld maar die, mits enkele precieze regels in acht worden genomen, in een oneindig aantal ruimten kunnen plaatsvinden. Ze worden echter elke keer precies gesitueerd, niet zomaar aan de muur “geaccrocheerd” naargelang van de willekeur van de museum- of galeriedirecteur. “Provisoirement situé” beklemtoont dat de plaatsing niet definitief is, zelfs als het werk specifiek op zijn plaats staat. Wanneer het werk, in de tweede etappe, in de zaal wordt geplaatst waar nu het werk van Serra opgesteld staat en bij die gelegenheid de grenzen van dat werk zal herdefiniëren, zal het zich in situ bevinden: in situ gemaakt, in situ gezien, ter plaatse uitgevoerd en specifiek ten opzichte van die plaats zelf.

K.B.: U hebt al gezegd dat uw werk in verband kan gebracht worden met de tentoonstelling “L’oeuvre a-t-elle lieu?”, die u in Witte de With hebt georganiseerd.

D.B.: Dat is juist, maar het is bijna een toeval. In werkelijkheid is het te wijten aan een tegenslag die me heeft belet het werk onmiddellijk in de zaal met het werk van Serra te realiseren, parallel met een ander werk in de tentoonstellingsruimte op de eerste verdieping. Vermits dit project niet kon gerealiseerd worden, heb ik dit werk, “Placement déplacé”, buiten de aanvankelijke of specifieke ruimte met al haar beperkingen gerealiseerd. Ik had voor mijn tentoonstelling dus ook de titel “L’oeuvre a-t-elle lieu?” kunnen gebruiken, maar de betekenis zou helemaal verschillend zijn geweest. In feite heb ik aan mijn tentoonstelling gewerkt zonder enige verwijzing naar de tentoonstelling die ik in Witte de With organiseerde. Van de tentoonstelling in het Musem Boymans-van Beuningen kan je zeggen dat het ‘mijn’ tentoonstelling is, terwijl “L’oeuvre a-t-elle lieu?” niet mijn tentoonstelling is, maar wel een gemeenschappelijke tentoonstelling van 8 verschillende personen.

K.B.: Hoewel deze relatie niet gepland was, bestaat ze toch?

D.B.: Zij bestaat in elk geval, ja. Zij is tegelijkertijd vrij beperkt, maar ze is er. De relatie bestaat alleen ten opzichte van de titel. Maar dat komt omdat de titel daarenboven uiterst abstract en open is. “L’oeuvre a-t-elle lieu?” wil volgens mij zeggen: wat is de plaats van het werk? Bestaat het werk wanneer er geen plaats is? In Witte de With wordt enkel het probleem van de plaats gesteld. Moet je de plaats kennen opdat het werk zou bestaan? Wanneer je de plaats kent, hoe schrijft het werk er zich dan in? Kan je voor een denkbeeldige plaats iets concreets scheppen? Wordt de denkbeeldige plaats onbelangrijk wanneer ze in een precieze plaats wordt ondergebracht? Wint de precieze plaats het van de denkbeeldige plaats? Het zijn vanzelfsprekend de uitgenodigde kunstenaars die die vragen moeten beantwoorden. Voor sommigen haalt Witte de With het, voor anderen niet.

Plaats: hier (daar)

K.B.: Hoe omschrijft u de opdracht waarvoor Witte de With u engageerde?

D.B.: Ik had voordien al belangstelling getoond voor het maken van tentoonstellingen met andere kunstenaars. Twee, drie keren heb ik dat al gedaan, maar nooit als enige organisator. De door mezelf samen met Michel Claura, Sarkis, Selman Selvi, Jean-Hubert Martin in Parijs georganiseerde tentoonstelling “A Pierre et à Marie”werd gedurende 2 jaar ongeveer om de 2 maanden gewijzigd door andere kunstenaars toe te voegen aan de selectie van de al uitgenodigde kunstenaars, die op hun beurt opnieuw werden verzocht hun vorig werk te wijzigen of voort te zetten, en dat tot de niet meer in gebruik zijnde kerk die men ons ter beschikking had gesteld, werd afgebroken. Organiseren en uitnodigen is dus niet nieuw voor mij. Wel nieuw daarentegen is dat ik voor de eerste keer uitnodig maar niet tentoonstel. In mijn uitnodigingsbrief aan de kunstenaars geef ik daarvoor een verklaring. Niet omdat het me niet interesseerde, integendeel, maar omdat ik als spelregel geformuleerd had dat de uitgenodigde kunstenaars helemaal niets van de tentoonstellingsruimte mochten afweten. Vermits ik uiteraard als enige deze plaats kende, kon ik onmogelijk zelf tentoonstellen. Ik heb gevraagd een werk te maken dat binnen het formaat van 7 meter op 7 meter op 4 meter hoog zou blijven en een bepaald budget niet mocht overstijgen. Ik heb vervolgens beloofd dat ik de naam van de instelling zou vrijgeven nadat alle voorstellen me zouden zijn bezorgd. Zoals je kan zien, heb ik zeer verschillende personen gekozen. Ik heb ook doelbewust twee personen gekozen die gewoonlijk met een zeer precieze ruimte werken (Michael Asher en Jacqueline Dauriac), en was daarbij benieuwd naar hun reacties, zoals ikzelf ook door zo’n probleem geboeid zou zijn geweest wanneer men het mij had voorgelegd. Het is boeiend iemands reacties op een a priori zeer destabiliserend proces te zien.

K.B.: En wat hebt u vervolgens gedaan als organisator?

D.B.: Na de kunstenaars te hebben uitgenodigd en de werken te hebben geselecteerd, beschikt de organisator meestal naar goeddunken over hen. Hij plaatst de werken naast elkaar in het licht van het discours dat hij wil houden, in plaats van rekening te houden met het discours dat elk werk eigen is. Met al dat materiaal werkt hij de plastische compositie van zijn keuze uit. Die is goed of slecht maar ontsnapt hoe dan ook aan de deelnemers. Aangezien de organisator in de meeste gevallen daarenboven ook nog de auteur is van de catalogus die bij de tentoonstelling hoort, gaat ook de betekenis van de tentoonstelling, die via het geschrift openbaar wordt gemaakt, in de zin van dezelfde persoon. Ik zeg en herhaal dat in die omstandigheden het werk van de uitgenodigde kunstenaar enkel nog een decoratief, en zelfs aardig element is dat daar geplaatst is ter illustratie van een discours waar het 9 keren op 10 helemaal geen uitstaans mee heeft. Ik hou dan ook helemaal niet van manipulaties achteraf. Wanneer vooraf het kader van de uitnodiging, de idee of het thema aangegeven, zelfs gehandtekend worden, beschikt de uitgenodigde kunstenaar over alle elementen om zich akkoord te verklaren of niet. Vanaf dat ogenblik heeft de organisator, met uitzondering van de eigenlijke logistieke organisatie zelf, niets om handen, geen enkele beslissing meer te nemen. De hele visuele, plastische realisatie van de tentoonstelling berust bij de deelnemers. Als je het over de catalogus hebt, moet die er uitzien zoals de deelnemers dat willen, en niet volgens het idee van de organisator. Deze laatste is tegelijkertijd degene die de eerste aanzet geeft voor de tentoonstelling en die onmiddellijk daarna – wat ook de gevolgen daarvan mogen zijn – ten dienste staat van de tentoonstelling, dat wil zeggen van de exposanten. En niet omgekeerd. Hij moet zich niet inlaten met de realisatie van de werken noch met de plaatsing ervan. Wanneer men me vraagt wat ik van de tentoonstelling denk, eenmaal ze geïnstalleerd is, kan ik zonder probleem zeggen wat er me wel en wat er me niet in bevalt. Eisen dat men iets verandert, kan ik mij echter niet veroorloven. De uitgenodigde kunstenaar zelf moet zijn verantwoordelijkheid nemen.

K.B.: Toen u enkele jaren geleden gevraagd werd of u een tentoonstelling in een “imaginair museum” zou willen organiseren, hebt u geantwoord dat u wel een tentoonstelling met andere artiesten wilde organiseren maar dat uw taak er enkel in zou bestaan een selectie van kunstenaars te maken, en niet hen uitgewerkte projecten te vragen, zoals u voor “L’oeuvre a-t-elle lieu?” hebt gedaan.

D.B.: Ik wil dat de voor “L’oeuvre a-t-elle lieu?” uitgenodigde kunstenaars  alles in handen hebben vanaf het ogenblik waarop zij de spelregels aanvaard hebben. Ik heb hen geen project gevraagd, en precies om dezelfde reden heb ik de plaats niet van tevoren aangegeven, zoals dat gewoonlijk gebeurt, want ik beschouw de kennis van de plaats waar de tentoonstelling zal plaatsvinden reeds als een sterke aanwijzing – zelfs zonder het alsdusdanig te zeggen – voor een project. Door enkel een maximaal volume voorop te stellen dat ‘ingevuld’ of naar eigen goeddunken, bijna blindelings, gebruikt kan worden, neem je het gewicht dat eigen is aan de tentoonstellingsruimte weg bij het conceptualiseren van het werk en laat je een grotere opening voor de verbeelding, lijkt me, zonder echter datgene, wat de specifieke ruimte aan de werken zal toevoegen of weglaten zodra ze zijn gerealiseerd, uit te schakelen. Maar zelfs dat aspect kan mijns inziens worden ingeschat bij het concipiëren van een werk waarvan de verankering nog niet is bepaald.

K.B.: Uw functie stelde u toch ook a priori in de mogelijkheid om aan u toegezonden ontwerpen te weigeren?

D.B.: Enkel aan de kunstenaars die meerdere ideeën hadden, werden aanwijzingen gegeven. Maar geweigerd hebben wij helemaal niets. Chen Zehn bijvoorbeeld stelde drie verschillende projecten voor en vroeg ons welk project het meest interessant en doenbaar leek. Hij plaatste ons voor de keuze, maar die was makkelijk te maken, want uiteindelijk werd beslist op grond van de kostprijs van het te realiseren werk. Het ontwerp dat binnen de perken van de begroting bleef, werd in aanmerking genomen.

K.B.: Aan de kunstenaars werden enkel het maximale volume en het budget meegedeeld. Maar zijn dat de enige beperkingen die voor hen van belang kunnen zijn? Moet je niet van heel wat andere zaken op de hoogte zijn om een werk te kunnen realiseren? U hebt in uw loopbaan contextuele elementen aangestipt die essentieel zijn om uw voorstellen te begrijpen. Bent u er nog steeds van overtuigd dat die twee door u verstrekte gegevens volstaan om een werk te kunnen maken?

D.B.: Wanneer ik dat verzoek formuleerde, verwachtte ik mij aan niets precies. In de tentoonstelling merk je echter dat sommigen met dat abstracte volume bijna woordelijk spelen en dat anderen, zoals Stanley Brouwn bijvoorbeeld, er helemaal geen rekening mee houden. Jacqueline Dauriac bijvoorbeeld geeft de muren van het abstracte volume aan met doorzichtige platen. Giovanni Anselmo hanteert de aangegeven afmetingen als grondvlak en laat de rest aan de verbeelding van de bezoekers over. Michael Asher wilde iets doen met boeken – zijn werk kon desnoods overal plaatsvinden waar er boeken zijn – een intelligente manier om een ruimte op een specifieke manier aan te wenden zonder er voorafgaandelijk enige kennis van te hebben. Aangezien hem meegedeeld was dat de tentoonstelling in een zeer gereputeerd kunstinstituut plaats zou vinden, en zich in een dergelijke instelling uiteraard ergens boeken bevinden, kon hij toch precies met die context aan de slag gaan. Wat aantoont dat je zelfs zonder precieze plaatsaanwijzingen noties in het werk kan inbouwen die gerelateerd zijn met de plaats van het werk. Op basis van de aangekondigde spelregel, maar uiteraard ook in relatie tot hun eigen werk en bekommernissen vonden de kunstenaars dus oplossingen. Dat bewijst dat het spel in kwestie meer betekende dan: “Maak een doos en toon daarin uw schilderij of uw voorwerp.” Ik vind dat kunstenaars de wijze waarop hun werken gepresenteerd worden, in handen zouden moeten nemen, maar al te weinig onder hen laten zich daarmee in. In deze tentoonstelling ontbreekt echter een schilder die over schilderkunst reflecteert, maar dat is louter pech.

K.B.: Iemand als Gerhard Richter bijvoorbeeld?

D.B.: Inderdaad. Ik heb Gerhard Richter uitgenodigd maar hij liet me op het laatste ogenblik weten dat hij geen tijd had, en het was te laat om nog iemand anders uit te nodigen. Jammer. Ik had graag Robert Ryman of Michel Parmentier of Gerhard Richter in deze tentoonstelling opgenomen, kunstenaars die schilderijen maken die per definitie door eender wie gemanipuleerd worden.

K.B.: Er zijn nog meer contextuele elementen die niet aan de kunstenaars werden meegedeeld maar die toch zeer belangrijk zijn, zoals u in het verleden overigens zelf hebt aangetoond. Bijvoorbeeld het feit dat deze tentoonstelling onder de auspiciën van de Association Française d’Action Artistique plaatsvindt. Die voorwaarde beïnvloedt toch de lectuur van deze tentoonstelling?

D.B.: Maar dat wisten we ook niet! Ik ben het ermee eens dat verschillende elementen de lectuur van een tentoonstelling bepalen, en de opdrachtgevers zijn vanzelfsprekend zeker niet onbelangrijk. Het probleem is dat we pas vrij laat vernamen welke instellingen of personen bij het tot stand komen van de tentoonstelling zouden helpen. De AFAA heeft dus wat geld geschonken, net genoeg om een gedeelte van de reizen te betalen. Nina Ricci’s steun, waarvan op het ogenblik van de uitnodiging ook nog geen sprake was, is echter belangrijker geweest. Positief in verband met de AFAA is het feit dat deze instelling, die meestal de Franse kunst aanmoedigt, in dit geval een tentoonstelling steunt die niet Frans maar internationaal is en die vertrekt van een idee en een uitnodiging waarvoor zij in geen enkele mate  verantwoordelijk is. Deze instelling kwam dus helemaal op het laatste moment haar steun betuigen, maar ik vind het interessant dat de gebruikelijke hokjesgeest ontwricht werd.

K.B.: Ter gelegenheid van de tentoonstelling “Prospekt 74” te Keulen, waar Hans Haackes werk werd gecensureerd, hebt u duidelijk aangetoond welke strategieën organiserende instanties soms aanwenden. Voor de exposanten is het dus in de eerste plaats zeer belangrijk te weten wie zich met de organisatie van een tentoonstelling bezighoudt.

D.B.: In de brief die ik aan de uitgenodigde kunstenaars heb gezonden, stond duidelijk vermeld dat de tentoonstelling door een belangrijke instelling werd georganiseerd. En nadat de kunstenaars hun project hadden voorgesteld, heb ik hen onmiddellijk in een tweede brief laten weten dat het om de instelling Witte de With te Rotterdam ging. Maar ik ben het met u eens. Over wie als sponsors voor de tentoonstelling zouden optreden, was er nog geen zekerheid.

K.B.: Weten welke andere kunstenaars voor de tentoonstelling geselecteerd werden, is ook niet onbelangrijk.

D.B.: Juist. Maar ook dat heb ik in de tweede brief vermeld. Het enige wat echt ontbrak, was de vermelding van de AFAA en Nina Ricci.

K.B.: Zou u een dergelijk voorstel hebben aanvaard?

D.B.: Ik denk van wel. Ik ben er zelfs zeker van. Ik zou het onmiddellijk hebben aanvaard, bij wijze van uitdaging: Wat kan ik daarmee doen? Welke vragen doet dat rijzen?

K.B.: Wellicht ook omdat u er rekening mee zou houden dat u zich altijd zou kunnen terugtrekken of op een eigen manier reageren, zelfs tot op de vooravond van de vernissage van de tentoonstelling?

D.B.: Ja, dat is een mogelijkheid. Dat is een beetje wat Stanley Brouwn heeft gedaan. Ik zou zeggen dat mijn voorstel daar a priori weinig kans toe bood. Als iemand mijn voorstel aanvaard zou hebben, op voorwaarde dat hij zijn werk pas op de laatste dag zou mogen realiseren, dan zou ik, denk ik, geantwoord hebben dat dat niet met de spelregels strookte. Ik zou met zo’n antwoord zeer verveeld gezeten hebben of het geweigerd hebben. Ik zou niet weten wat ik zou gedaan hebben. Ik denk echter dat ik het spel wel grondig had willen spelen.

K.B.: Wat zijn de uitdagingen van een groepstentoonstelling, en wat heeft deze tentoonstelling u wat dat betreft geleerd?

D.B.: Het fundamentele belang van een groepstentoonstelling is dat je – voor zover je niet helemaal door je ego opgeslorpt wordt – kan zien hoe je werk zich verhoudt met andere werken die in dezelfde periode gerealiseerd werden. Voorts gelden voor groepstentoonstellingen uiteraard ook algemene parameters. Als een groepstentoonstelling middelmatig is, dan zijn alle werken middelmatig. Er is iets dat alles naar beneden haalt. Is een groepstentoonstelling daarentegen om allerlei redenen geslaagd
– het idee, de conservator die zich schitterend van zijn taak heeft gekweten, de kunstenaars die belangrijke werken hebben afgeleverd, of gewoonweg een goede groepsgeest – dan lijken zelfs middelmatige werken ietsje beter dan ze in werkelijkheid zijn. Een groepstentoonstelling biedt de mogelijkheid om een zeer specifieke vorm van confrontatie aan te gaan.

“L’oeuvre a-t-elle eu lieu?” heeft niet echt een thema, of het zou het thema van het tentoonstellen op zich moeten zijn. Een tentoonstelling is voor alles een plaats om tentoon te stellen, veeleer dan een idee om tentoon te stellen. Uiteraard zijn het deze 8 personen die de tentoonstelling maken. Je kan de tentoonstelling bovendien niet eens op een gegroepeerde wijze zien. Je kan wel verbanden leggen tussen dit werk en een ander, maar je kan in deze tentoonstelling geen ‘groep’ zien, noch een groepsidee krijgen. Als bij toeval lijken de werken in deze ruimte terechtgekomen. Bijna de helft van de ruimten zijn dan ook helemaal leeg gebleven. Het is dus geen tentoonstelling die de haar toegewezen ruimte tot op de vierkante centimeter gevuld heeft. Er was gezegd dat het een tentoonstelling voor 8 personen zou worden omdat er juist genoeg geld was voor 8 personen. Er zijn 14 of 15 ruimten, bijna tweemaal zoveel, dus zijn er 6 of 7 ruimten die helemaal niet gevuld zijn. Ik denk dat deze tentoonstelling op die manier de problemen in verband met groepstentoonstellingen tracht te formuleren. Fysiek sta je een beetje ten opzichte van 8 werken die hier en daar in een hoekje opgesteld staan. Die opstelling en de leegten bevestigen dat het 8 afzonderlijke werken betreft.

K.B.: Het zijn 8 werken en niet 1 enkel.

D.B.: Dat hoop ik althans.

K.B.: Waarom dat vraagteken in de titel?

D.B.: Omdat ik het antwoord niet ken, en het zeker niet kende op het moment dat ik het voorstel voor de tentoonstelling formuleerde. Het is een open vraag die niet vooraf het antwoord wil aanreiken als er een is, noch de antwoorden als er meer zijn. En nog minder op de vraag op zo’n vraag wel kan gesteld worden!

K.B.: Geeft u met dat vraagteken niet aan dat u andere kunstenaars bij uw experiment betrekt?

D.B.: Je zou dat zo kunnen stellen. De vraag kon ook anders worden geformuleerd. Waar vindt het werk eigenlijk plaats? Waar bevindt het werk zich? Vindt het werk plaats buiten de plaats? Met het opentrekken van dat spel stel je misschien vragen over dat probleem.

K.B.: De bezoeker van de tentoonstelling wordt zo misschien verleid om een bedrieglijke lectuur aan te vatten door zich af te vragen hoe de werken geïnstalleerd zijn en of ze wel degelijk geïnstalleerd zijn.

D.B.: Die lectuur is niet onmogelijk. Ik hoop trouwens dat men in dit geval antwoordt dat ze niet goed geïnstalleerd zijn. Het is overigens een veel minder bedrieglijke vraag dan op het eerste gezicht lijkt. Je ziet dat de werken helemaal niet geplaatst zijn, wat iets helemaal anders is en logisch voortvloeit uit de spelregel. In andere of gewone omstandigheden zou nooit een muur verschijnen zoals bijvoorbeeld in het werk van Patrick Corillon. Op die manier zou niet met de ruimte omgegaan worden, maar dat werd nu overboord gegooid, omdat voor alles rekening moest worden gehouden met wat hij bedacht had zonder de reële ruimte werkelijk te kennen. Pas wanneer je binnentreedt in de ruimte die hij heeft gecreëerd, begint zijn werk te bestaan, onafhankelijk van de gebruikelijke logica die een receptieve ruimte normaal gezien oplegt. Je kan hetzelfde zeggen over Krijn de Koonings werk, die het maximum aan mogelijke ruimte bezet en de omringende ruimte weinig vrij spel laat.

K.B.: Maar de vraag is bedrieglijk in die zin dat zij een vorm van snobisme in de hand werkt die zich bij (min of meer professionele) bezoekers genesteld heeft en die erin bestaat een tentoonstelling te beoordelen op grond van de manier waarop de werken zijn opgesteld.

D.B.: Maar dat is precies wat ik daarnet bedoelde. Het is het onweerlegbare bewijs dat de organisator niet manipuleert. De werken nemen naar eigen believen hun plaats in, dat wil zeggen, overeenkomstig eenieders geest, in de maximaal toegemeten ruimte, of integendeel, nemen helemaal geen plaats in, geen aangeboden noch bestaande plaats, zoals in het geval van Stanley Brouwn. In actuele  tentoonstellingen is de manipulatie zo gebruikelijk dat je nauwelijks inziet hoe je er tegen kan ingaan. Vandaag hoor je soms over een schilderij, een object, kortom een werk zeggen dat het goed is maar dat de persoon die het geïnstalleerd heeft, zich vergist heeft. Ofwel is de installatie mislukt, of de zaal te klein of te groot… De commentaar draait in elk geval altijd om de manier van presenteren, en behalve in uitzonderlijke gevallen hangt die nooit van de kunstenaar in kwestie af, maar van iemand anders, meestal van de organisator van de tentoonstelling. In deze tentoonstelling zie je, denk ik, dat de plaatsing niet doorslaggevend is en dat het opstellen van de werken in de ruimte in elk geval noch het doel noch de reden van de tentoonstelling is. Zij wordt volledig gecontroleerd door de maker van het voorgestelde werk.

Tijd: nu (toen)

K.B.: In het begin van het interview hebt u gesproken over de veranderingen die zich voltrokken hebben gedurende de 25 jaar dat u actief bent. Die houding die wij hebben vastgesteld, die overgevoeligheid voor de installatie van het werk, is zeer nieuw. Vooral bij de aanvang van uw loopbaan hebt u aandacht gevraagd voor de voorwaarden waarin de kunstwerken werden geëposeerd. In vergelijking met de huidige overgevoeligheid voor de “regie”, leek die aandacht destijds nagenoeg onbestaande. Nu heeft men schijnbaar nog maar enkel oog voor die voorwaarden, voor de wijze waarop het werk geïnstalleerd is.

D.B.: Wat u zegt, is zo juist dat ik er mezelf vaak op betrap dat ik er ingelopen ben. Niet omdat vele kunstenaars dit onderwerp, gelukkig op een verschillende manier, in hun werk thematiseren, wat ik altijd voorspeld heb omdat het zo’n nieuw en uitgebreid onderwerp betrof en er dus plaats was voor heel wat personen, maar veeleer op het moment dat ik gevraagd word deel te nemen aan tentoonstellingen die een deel van mijn eigen werk als thema hebben. Als ik daaraan deelneem, wil dat zeggen dat ikzelf illustreer wat ik tracht te bevragen, daarenboven omringd door kunstenaars die schijnbaar enkel aanwezig zijn om illustraties, stijloefeningen te presenteren, zoals destijds kunstenaars uitgenodigd werden voor wedstrijden rond algemene thema’s (landschap, portret, oorlog, enzovoort), die de mogelijkheid boden te kiezen tussen de concurrenten en te zien wie zich ten opzichte van het aangereikte thema het beste uit de slag wist te trekken. Vandaag functioneren sommige tentoonstellingen die weliswaar niet openlijk als wedstrijden aangekondigd worden, eigenlijk volgens hetzelfde model. Er wordt een thema gekozen, dat meestal betrekking heeft op het onderzoeksdomein van een of meer individuen, en men laat er een hele groep op los, waarvan de meesten niets te maken hebben met de betrokken thematiek. Bij gebrek aan onderscheidingsvermogen wat de keuze van de deelnemers betreft, ontkracht het museumsysteem de vragen die de kern van het probleem vormen. Deze vragen worden formeel tot de orde van een academische vraagstelling gereduceerd. Door deze vulgarisatie bevinden wij ons inderdaad op twee stappen van het academisme. Zo zijn er thema’s en problemen die mij ten zeerste boeiden, en waar ikzelf nog niet mee klaar was, maar waar ik me nu niet meer mee kan bezighouden omdat ze me zijn ontfutseld, hetzij omdat ze modeverschijnselen zijn geworden, hetzij omdat ze in eerder spectaculaire of helemaal niet ter zake doende tentoonstellingen zijn gevulgariseerd.

K.B.: Maar bent u het eens met mijn analyse van de evolutie?

D.B.: Absoluut. De “installatie”, zoals men tegenwoordig zegt, is op zichzelf synoniem geworden van modern werk. Dat slaat zowel op schilderijen, objecten als sculpturen. Hun “installatie” maakt het werk. Met enige veralgemening kan je zeggen dat – in tegenstelling tot de karakteristieken van mijn generatie – één van de kenmerken van de jaren ’80 erin bestaat dat een jonge kunstenaar uit de academie komt om tentoon te stellen, en welk produkt hij ook maakt, wat hij ook doet – foto’s, schilderijen, meubels, sculpturen, bricolages, environments,… – alles wordt gekenmerkt door een perfecte afwerking en een onberispelijke technische kwaliteit. Die verandering staat in relatie tot de techniek van het tentoonstellen. Je kan zeggen dat je sinds het begin van de jaren ’80 aan de ene kant kunstenaars hebt die uitermate goed gemaakt werk produceren, en aan de andere kant tentoonstellingstechnici die dat technisch perfect uitgevoerde object via een vlekkeloze en liefst spectaculaire presentatie willen onderstrepen. De kruising van die twee technieken – waarbij de eerste zich gelukkig door de tweede laat manipuleren – is enerzijds verantwoordelijk voor een plastische uniformisering, anderzijds voor een academisme van “wat is dat goed gemaakt”, dat heel sterk doet terugdenken aan alle kenmerken van de art pompier en/of academische kunst van de 19de eeuw.

Aangezien voorts het aantal musea alsmaar toeneemt en het onmogelijk is de originaliteit in dezelfde mate te laten toenemen, is de algemene strekking die van de uniformisering en de verveling dankzij of wegens de herhaling en het perfectionisme. Het onderscheid wordt dan gemaakt door de regie (van de organisator) of door het decor (van de architectuur) die de tentoonstelling in deze of gene ruimte begeleiden. Aangezien de kunstenaar om zo te zeggen bijna ontslag heeft genomen, is zijn werk een speelgoed geworden van de professionele manipulatoren (curators, conservators, critici, galeristen, verzamelaars,…), en om dat mogelijk te maken is de enige vanzelfsprekende band die je tussen al die objecten kan aanstippen, het feit dat ze technisch perfect gemaakt, en liefst reukloos moeten zijn.

(wordt vervolgd…)

Vertaling: Willy Devos

“Placement déplacé – travail provisoirement situé” was tot 12 juni te zien in het Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam (010/441.94.05).

“L’oeuvre-a-t-elle lieu?”, met werken van Giovanni Anselmo, Michael Asher, Stanley Brouwn, Patrick Corillon, Jacqueline Dauriac, Krijn de Kooning, Thierry Kuntzel en Chen Zehn, liep tot 22 mei in Witte de With, Witte de With Straat 50, 3012 BR Rotterdam (010/411.01.44).

In vereffening

Koen Brams Zou u de financiële perikelen van de galerie in kaart willen brengen?

Isy Brachot De actuele problemen van de galerie hangen natuurlijk samen met de situatie van de kunstmarkt. De Golfcrisis en de Golfoorlog hebben de kunstmarkt op een bruuske wijze verstoord. Wellicht om puur psychologische redenen liepen de aankopen van de kunstverzamelaars terug. Ons zakencijfer tuimelde fors omlaag. Het moeilijkste jaar dat onze galerie heeft doorgemaakt, was ongetwijfeld vorig jaar. In 1992 bedroeg ons zakencijfer 75 miljoen. In de eerste helf van dit jaar, van januari tot eind juli beliep ons zakencijfer reeds 157 miljoen, meer dan het dubbel van 1992, in september was het evenwicht totaal, er waren geen financiële problemen. Het is nu zeker niet makkelijk, maar dat is het voor geen enkele van mijn collega’s. We hebben bespaard op onze personeelskosten en onze investeringen gereduceerd, dat wil zeggen dat we onze uitgaven voor catalogi hebben teruggebracht, net zoals ons publiciteitsbudget. Het wezenlijke probleem dat de galerie treft, heeft te maken met de banken waarmee we reeds jaren werkten. Bij het uitbreken van de Golfoorlog hebben we in een vergadering met de vijf banken een programma voorgesteld met betrekking tot de twee volgende jaren. Alhoewel we zware inspanningen hebben geleverd, hebben we dat programma niet volledig kunnen uitvoeren zoals we gehoopt hadden. Omdat de economische crisis veel sterker uitpakte dan voorzien, hebben we een uitstel van een jaar gevraagd. Dat is uiteindelijk geweigerd door één bank. Wanneer één bank het verstrekte krediet terugvordert, wensen de andere banken zich te beschermen en het geleende geld eveneens terug te krijgen. De banken hebben een bewarend beslag op onze stock gelegd en onze bankrekening geblokkeerd. De enige oplossing die weerhouden werd door de handelsrechtbank bestond erin de onderneming te ontbinden met het oog op een nieuwe structuur. Voorlopig hebben we een failliet vermeden dat een volledige en onmiddellijke aanbieding van onze stock op de markt zou betekend hebben. Aan de rechtbank hebben wij de toestemming gevraagd om werken te kunnen blijven verkopen in het belang van de kunstenaars en de kunstmarkt.

Koen Brams In de kranten konden we lezen dat het door de banken verleende krediet 300 miljoen bedraagt?

Isy Brachot Dat klopt, met de intresten loopt het krediet op tot 300 miljoen maar er is een stock van een miljard. Op dit moment genieten we de bescherming van de rechtbank. Deze oplossing maakt het ons mogelijk om andere investeerders te zoeken die geld willen inbrengen in het kapitaal van de onderneming. Zolang we de toelating hebben om ons werk te doen, moet de galerie haar deuren niet sluiten wat heel concreet betekent dat we nog tentoonstellingen organiseren van Leo Copers, Michel Mouffe en anderen.

Koen Brams En de artiesten zijn bereid om hun werken in deze omstandigheden tentoon te stellen?

Isy Brachot Wij waren blij verrast met de solidaire reacties in de pers. De pers heeft ons bijzonder krachtig gesteund. Maar de reacties van de kunstenaars waren ook zeer stimulerend, en niet alleen van de artiesten die door de galerie vertegenwoordigd worden. Ook enkele politici hebben hun hoop uitgedrukt dat onze galerie zou kunnen blijven voortbestaan. Maar de problemen situeren zich duidelijk op een ander front, met name bij de banken, en dan één bank in het bijzonder.

Koen Brams Welke bank?

Isy Brachot In de huidige situatie houd ik eraan de naam van deze bank niet vrij te geven. Mochten de zaken toch faliekant aflopen dan plaats ik eenieder voor zijn verantwoordelijkheid.

Koen Brams Wat zijn de krachtlijnen van uw vereffeningspolitiek? Wilt u werken verkopen om de banken terug te betalen? U weet toch dat uw verkoopbeleid met meer dan gewone interesse zal gevolgd worden, meer bepaald welk kunstwerk voor welke prijs de deur uitgaat. Gaat u nu bij voorkeur werken verkopen van gereputeerde, overleden artiesten, of eerder werken van nog levende of jonge kunstenaars?

Isy Brachot Ik heb helemaal geen prioriteit met betrekking tot de verkoop van werken. Ik wil de beheersstructuur van de galerie stabiliseren opdat we opnieuw zouden kunnen doen wat we al gedurende lange tijd doen: aan de kunstliefhebber die werken verkopen die hij graag in zijn bezit wil hebben.

Koen Brams Wat u nu tracht te verkopen, wordt toch met argusogen door kunstliefhebbers en -financiers gevolgd? Bent u zich daarvan bewust?

Isy Brachot De tentoonstelling van Xiao Xia is een echt succes. De tentoonstellingen van Copers en Mouffe zullen dat ook zijn. Ik heb nooit kunstwerken versjacherd en zal dat ook nooit doen. Dat weiger ik te doen.

Koen Brams Maar u hebt aan het gerecht toch de toestemming gevraagd om niet alleen werken naar aanleiding van tijdelijke tentoonstellingen te verkopen maar ook werken uit de stock?

Isy Brachot Wij willen dat de galerie haar activiteiten gewoon voortzet en werken kan blijven verkopen aan de gewone prijs. Er is geen enkele reden om niet te verkopen. Het is mijn beroep om kunstwerken te verkopen. Het is natuurlijk best mogelijk dat door de houding van de banken, en één bank in het bijzonder, wij verplicht zullen worden om de deuren te sluiten. Als de rechtbank ons verplicht, hebben we geen andere keuze meer maar ik hoop dat de kunst en het gerecht een mooi huwelijk zullen aangaan om de artiesten en de kunstmarkt in het algemeen in veiligheid te brengen. Op het moment dat onze galerie zou verdwijnen, zou er zonder meer een leemte ontstaan. Geen enkele galerie in België beoefent de kunsthandel op onze wijze. Onze galerie heeft een lange traditie, de inhoudelijke ontwikkeling is logisch, ze legt met name een relatie tussen de historische stroming van het surrealisme met de hedendaagse kunst, zoals Leo Copers en Guillaume Bijl, om maar enkel hen te noemen. Op het commerciële niveau heeft onze galerie eveneens belangrijke initiatieven genomen, het was de eerste Belgische galerie die zo nadrukkelijk op zoveel internationale beurzen aanwezig was. Dat was de stimulans voor mijn collega’s om dezelfde stap te zetten en een van de factoren die het succes van de Belgische kunst in het buitenland heeft bepaald.

Koen Brams Waarom wensen de banken niet dat u de werken uit de stock verkoopt?

Isy Brachot Men kan zich een aantal vragen stellen: willen ze de werken zelf in hun bezit krijgen? Of willen de banken de werken zelf verkopen? Dat is onbegrijpelijk want er is niemand beter in staat deze werken te verkopen dan wij. Als een beroemd Londens veilinghuis deze werken zou aanbieden, dan zou nooit de actuele waarde van de stock kunnen gehaald worden, nooit zou een dergelijke veiling een miljard opbrengen, of 980 miljoen om precies te zijn. De banken vergissen zich als ze zo gehaast te werk willen gaan en de verkoop niet overlaten aan een gekwalificeerd handelaar.

Koen Brams Welke werken zouden de banken willen behouden, hebt u daar enig idee van?

Isy Brachot Nee, maar een deel van de stock interesseert de banken duidelijk.

Koen Brams Welk deel?

Isy Brachot Dat deel is vrij bekend denk ik, het klassieke gedeelte met name, met werken van Magritte, Delvaux, Broodthaers, Panamarenko.

Koen Brams U praat voortdurend over een strijd, een strijd met de financiële sector?

Isy Brachot Het is een strijd voor de artiesten, voor de kunsthandelaars, voor de kunstmarkt in het algemeen. Het is niet normaal dat financiële instellingen die enorme winsten maken op dit moment, zich van die sectoren ontdoen die het minst winstgevend zijn want het is waar dat kunst niet veel opbrengt. Ze maken gebruik van kunst om zelf tentoonstellingen in te richten maar dat dit slechts een alibi is, maken ze duidelijk door op hetzelfde moment niet de verdediging van de kunst op zich te nemen. Maar u kent het beroemde adagium: een bank biedt u een paraplu aan als het goed weer is, maar van zodra het slechter weer wordt, sluit ze de paraplu.

Koen Brams Waarom hebt u ooit een beroep gedaan op de banken?

Isy Brachot De prijs van de kunst schoot de hoogte in. We konden dat niet blijven financieren. Op dat moment hebben we de hulp van de banken ingeroepen. Enkel omdat we onze efficiëntie en onze know how konden aantonen, hebben de banken geïnvesteerd.

Koen Brams Enkele jaren geleden hebben de banken enorm geïnvesteerd in de kunstsector. Nu willen ze zich terugtrekken maar kunt u me uitleggen in welke mate de interesse van een bank verschilt van deze van een kunsthandelaar?

Isy Brachot Dat is zeer eenvoudig en duidelijk. Ten eerste hebben de banken in België niet enorm geïnvesteerd in de kunstsector, dat is vooral in Frankrijk en in andere landen gebeurd. De Franse banken hebben praktisch aan alle galeries in Parijs geld geleend. Het Franse ministerie van cultuur heeft de banken zelfs gevraagd om niet te insisteren op een onmiddellijke terugbetaling van het geleende geld en de intresten, om de crisis voorbij te laten waaien. In Frankrijk hebben de banken een echte inspanning geleverd. In de afgelopen vijfentwintig jaar dat ik de galerie leid, heb ik de banken stapje voor stapje kunnen engageren om krediet te verlenen. Dat heeft jaren zonder problemen gewerkt. Er waren twee moeilijke periodes: in 1973, op het hoogtepunt van de oliecrisis, en in 1980 en 1981. Als de banken nu, zoals toen, vertrouwen hadden gesteld in mijn beleid, dan zou er geen enkel vuiltje aan de lucht geweest zijn. Het moeilijkste moment had ik immers al achter de rug, met name eind 1991, en het boekjaar 1992.

Koen Brams Hoe is dat vertrouwen dan geschokt?

Isy Brachot Dat weet ik ook niet, ik begrijp het niet. Mijn advocaten ook niet trouwens.

Koen Brams Een bank wil winst maken…

Isy Brachot Dat is normaal, het is hun beroep. Maar op een moment dat er bijzonder veel geld verdiend wordt, profiteert men ervan om alle minder rendabele of risicovolle activiteiten af te stoten. Op het niveau van de rentabiliteit kan de kunst de banken geen goede papieren voorleggen. Op korte termijn is de rentabiliteit van kunst zeer laag. Als galerist beogen wij eerder de rentabiliteit op lange termijn. Een bank verschaft bij voorkeur geen krediet op lange termijn, maar hadden ze er dan mee moeten beginnen, met het investeren in kunst?

Koen Brams In 1970 en in 1980 hebben ze u wel gesteund?

Isy Brachot Toen hebben ze niet aangedrongen op de terugbetaling van het verleende krediet, dat klopt.

Koen Brams U tracht de aandeelhoudersstructuur te reorganiseren. Wilt u in deze operatie de diverse Belgische overheden een rol laten spelen?

Isy Brachot Geen enkele rol. Men zou het kunnen betreuren, of niet, maar misschien is het normaal dat ze daarin geen rol spelen want ze kunnen zich toch niet inlaten met de moeilijkheden van een privé-onderneming, zelfs als men zich zou kunnen voorstellen dat deze galerie niet helemaal een privé-onderneming is. Ze speelt immers een belangrijke culturele en sociale rol, zowel in Vlaanderen, Wallonië als Brussel.

Koen Brams In deze omstandigheden zoekt u geen contact met mensen uit de publieke sector?

Isy Brachot Neen. Ik denk dat deze galerie een privé-onderneming moet blijven, met de steun van de overheid zou de galerie ook haar onafhankelijkheid verliezen wat juist haar kracht uitmaakt.

Koen Brams In een recent interview stipte u toch aan dat het u positief stemde dat de banden tussen de kunst, meer bepaald de hedendaagse kunst, en de politieke wereld werden aangehaald?

Isy Brachot Maar je mag het financiële aspect niet verwarren met… ik heb nooit gezegd dat ik niet wil samenwerken met de overheid, maar dat is nog iets anders dan het vragen van geld aan de overheid. Dat zou ik niet willen, tegen elke andere vorm van samenwerking daarentegen zeg ik niet neen. Sinds een tiental jaren is er een veel grotere samenwerking tussen de private en de publieke sector, waarvan ik hoop dat ze nog zal groeien.

Koen Brams Maar de overheid investeert toch in sectoren in moeilijkheden, zoals de steenkoolmijnen en de metaalbedrijven?

Isy Brachot In deze sectoren speelt het probleem van de werkgelegenheid mee. De werkgelegenheid in de galeries is niet erg groot en is dan ook geen argument voor het vragen van steun. Ook de artiesten moeten onafhankelijk kunnen blijven werken. Maar de culturele uitstraling waarvoor de galeries borg staan, zou de banken tot een financiële bijdrage moeten verplichten.

Koen Brams Hoeveel mensen stelt u momenteel te werk?

Isy Brachot Vier.

Koen Brams Als we de geschiedenis van deze galerie overlopen, moeten we tot de conclusie komen dat deze galerie politieke waarden heeft verdedigd. Uw grootvader was de uitgever van een magazine dat niet “L’art moderne”, of “L’art contemporain” heette, maar “L’art belge”. Uw vader en uw grootvader hebben deze politieke waarden – een behoudend nationalisme – nadrukkelijk aan de orde trachten te stellen in hun artistiek en extra-artistiek programma. Op een gegeven moment, en met name op het moment dat de galerie onder uw leiding kwam, heeft dit nationalistische programma plaatsgemaakt voor een pleidooi voor de Europese dimensie, bijvoorbeeld met tentoonstellingen als “Europa zonder grenzen”. Gaat u met deze analyse akkoord, en vindt u ook dat de rol die de politiek in uw artistiek en extra-artistiek programma heeft gespeeld tamelijk uniek is in België, en misschien wel in de wereld?

Isy Brachot Aan die analyse heb ik niets toe te voegen. Het is inderdaad zo dat deze galerie steeds geambieerd heeft een publieke rol te spelen. Het is een ambitie die we reeds 78 jaar waar trachten te maken.

Koen Brams Hebt u de hoop dat deze publieke rol ook gehonoreerd zal worden door de diverse overheden van dit land. Verwacht u – eindelijk – een wederdienst?

Isy Brachot  Daar kan ik moeilijk over oordelen maar het is goed dat u de vraag stelt.

 

Leo Copers en Pascal Bernier stellen tot 27 november in de galerie tentoon. Galerie Isy Brachot bevindt zich aan de Louizalaan 62A, 1050 Brussel (02/511.05.25).

Mark Manders, zelfportret

De afwezigheid van Mark Manders

Ik herinner mij dat kort na het verschijnen van de allereerste tafels ze al door kinderen in gebruik werden genomen, niet alleen als tafel maar ook als voyeuristische schuilplaats. Onder een tafel heb je de mogelijkheid om je eigen afwezigheid te testen. Het besef dat het leven zich ook zonder jou voltrekt, is een intense menselijke ervaring, ze toont de eindigheid van de persoonlijkheid.

Sinds 1986 bewoont Mark Manders zijn zelfportret, zijn zelfportret als gebouw. Dit gebouw kan elk moment uitdijen of inkrimpen. Alle door de mens gecreëerde woorden staan hem aldaar ter beschikking. Het gebouw ontstaat – zoals ook woorden ontstaan – door de omgang met het leven en de dingen. Alle gedachten die hem in dit gebouw omgeven, zijn – gematerialiseerd of niet – altijd belangrijk en nooit absurd.

Manders: “Als ik vroeger ging wandelen liep ik door straten waar soms een wasknijper kon liggen, of als ik ergens naar binnen ging, bevond zich daar een tafel met bijvoorbeeld een telefoon en een lege vaas, kortom, ik bevond mij toen in een wereld die ik niet zelf had bepaald. Ik besloot om naast die wereld, of liever in die wereld een gebouw te bouwen. Een gebouw waarin een veranderende stilstand heerst waarin en waardoor ik voortdurend met mijn eigen keuzes, de keuzes van Mark Manders geconfronteerd word.”

Mark Manders beschouwt de wereld die zijn gebouw omringt als een geëvolueerd organisme opgebouwd uit zogenaamde alsof-waarheden. Deze vallen als losse atoom-waarheden uiteen in een soort van “encyclopedie-kelder”, een ruimte van ongeveer vier bij vijf meter, waar omheen hij zijn gebouw bouwt. Hiermee plaatst Mark Manders zijn zelfportret als gebouw feitelijk tussen twee wereldbeelden: de wereld opgebouwd uit atoom-alsof-waarheden en die waarin deze als feiten geaccepteerd worden.

Vaak zijn wij niet bang in onze gematerialiseerde projectie, de wereld is ons zelf toevertrouwd. Ik herinner hoe wij onze eerste voorrangswegen bepaalden en dat lever-wichelaars de plaats van de stad aanwezen,

Manders: “Lopend door mijn gebouw word ik overal geconfronteerd met diepe stilstand, het is geweldig, de dingen alhier overwinnen mijn ogenblikkelijke denken én zij zijn mij zeer vertrouwd, ik verveel mij nooit.”

Mark Manders, januari 1993

Sinds 1990 stelt Mark Manders zijn zelfportret als gebouw, ter vergelijking, voor de ander open. Hij toont fragmenten of reconstructies van zijn gebouw tijdens zogenaamde kunsttentoonstellingen.

Het gebouw Mark Manders

Mark Manders: Eigenlijk zijn vrijwel al mijn beelden gebeurtenissen die ik heb laten plaatsvinden. Voor deze bijvoorbeeld zat ik op een stoel in een kamer en stelde ik me voor wat er zou gebeuren als ik een vos en een muis zou uitnodigen in mijn kamer. Het kwam erop neer dat die muis een beetje zou rondlopen en even later in de vos zou belanden. Omdat dat zo’n totaal vreemde gebeurtenis is, die je toch zo bekend voorkomt, kon ik niks anders doen dan dit beeld maken. Ik heb die vos genomen en die muis en ze met een riem aan elkaar gebonden.

Ilse Kuijken: Dat is wel raar.

M.M.: Dat is ook niet raar. Dat zijn heel logische gebeurtenissen. Mijn gebouw bestaat alleen maar uit heel belangrijke gebeurtenissen. In die zin is het een beetje een oneerlijke kijk op mijn leven, omdat ik alleen de beste momenten uitkies en al die momenten gelijktijdig laat stilstaan, wat die momenten nog versterkt. Door mijn gebouw lopen is voor mij het mooiste dat er bestaat. Maar ik besef wel dat ik heel open ben in het uitkiezen van de belangrijkste momenten. En dat ik ook momenten vastleg waarvoor ik me haast schaam. Die zet ik ook stil, omdat ik merk dat het belangrijke momenten zijn.

I.K.: Zijn dat dan dingen die je hebt meegemaakt?

M.M.: Alle beelden die ik laat zien zijn allemaal echt gebeurd. Wat ik net vertelde over die muis en die vos bijvoorbeeld.

I.K.: Je herkent ze als je ze achteraf ziet?

M.M.: Ja, natuurlijk. Omdat ik ze zelf allemaal meegemaakt heb. Sommige gebeurtenissen worden met de jaren ook alleen maar belangrijker. En sommige worden na jaren ook wel vreemd, zoals een stoel ook vreemd kan zijn. De gebeurtenissen die me achteraf iets vreemder vallen, daar ga ik juist meer van houden. Misschien wel omdat ze net dichter bij het leven staan. Vooral ook omdat ik merk dat ze totaal kloppend zijn en ik me herinner dat ze totaal kloppend ontstaan zijn… in dit beeld heerst een soort dubbele zwaartekracht.

I.K.: Hoezo?

M.M.: Dat touw wordt echt omlaag gedrukt door de lucht, en valt over die dingen. Ik zie het meteen voor me: al die voorwerpen zijn zo op de grond gelegd en in één keer is dat touw er overheen gevallen. Het wordt echt op de grond gedrukt. Op die plaats waar het in een lus omhoog komt, lagen eerst twee muizen die ik op elkaar had gelegd. Ik heb ze er heel voorzichtig weer onderuit geschoven. Dit is ook eigenlijk een heel talige gebeurtenis.

I.K.: Ze zijn niet altijd even talig?

M.M.: De gebeurtenissen? Nee, maar een gedeelte van mijn werk bestaat uit het gewoon naast elkaar zetten van woorden. Ik heb dan wel gekozen om echte woorden te nemen, of dingen. Als ik een kopje gebruik, vind ik het interessanter om een echt kopje te gebruiken, in plaats van het woord kopje. En een echte stoel in plaats van het woord stoel, vooral omdat een echte stoel ook schaduw afwerpt en je er zelfs op kunt zitten.

I.K.: Het karakter van die dingen interesseert mij ook. Ze hebben voor mij vaak iets onvolwassens of zo. Of iets onvolgroeids, of onderontwikkelds, zoals alleen al die hond of die vos. Iets dat er is gekomen, “tot daar” is ontstaan, maar dat toch net onvolgroeid is.

M.M.: Het zijn natuurlijk dingen die het leven hebben overgeslagen. Ze hebben nooit geleefd. Net voordat ze geboren werden, zijn ze weer doodgegaan. Maar dat maakt helemaal niets uit. Iets heel belangrijks in mijn gebouw is gelijktijdigheid. Aan de ene kant is het wel zo dat alle gebeurtenissen voor mij gelijktijdig naast elkaar geplaatst zijn, maar het blijkt de laatste tijd steeds vaker dat er een verdubbeling in de tijd plaatsvindt. Dit beeld komt bijvoorbeeld exact twee keer in het gebouw voor. Het wordt gespiegeld: daar een bad en een douche en daar ook een bad en een douche, en als er hier iets verplaatst wordt, dan verplaatst het daar ook. Ik heb er mij bijvoorbeeld uitgekleed, hier al mijn kleren neergelegd en mijn schoenen, mijn lenzen en mijn tandenborstel. En gelijktijdig gebeurde dat daar ook. Als je mijn gebouw dan bezoekt, lijk je soms op dezelfde plek terecht te komen terwijl de aangrenzende kamers plots veranderd zijn. Als je vanuit deze kamer die ingang neemt en je loopt bijvoorbeeld hier… maar dit is eigenlijk de kamer waar ik het net over had. Hier staat een stoel en op de grond liggen allemaal A4-tjes. Daarop heb ik foto’s gedrukt en die foto’s heb ik genomen tijdens de dag dat ik mijn zelfportret als gebouw heb verlaten. Ik besloot toen om een andere persoonlijkheid op te zoeken, naar een ander gebouw te lopen. En dat gebouw bestaat eigenlijk uit drie gedeeltes; de eerste twee zijn identiek aan mijn eigen gebouw en het derde is een ruimte die totaal gevuld wordt door één persoon… maar dat bestaat eigenlijk nog niet. Dat ben ik nog aan het maken. Dit is een kamer waar ik die dag probeer te herinneren terwijl die nog nooit heeft plaatsgevonden, alleen maar gedeeltelijk. De foto’s heb ik al gemaakt.

Het vreemde van die dag was ook dat, toen ik terugkwam naar mijn eigen zelfportret, er heel wat dingen waren veranderd. Er waren in totaal wel veertig kleine kamers bij gekomen… maar als je daar dus binnengaat, kom je na heel veel kamers te hebben bezocht, toch weer in hetzelfde gedeelte terecht. Of in een schijnbaar zelfde gedeelte. Als je weer diezelfde opening neemt, kom je toch in een andere kamer en lijkt het alsof ineens alles is verschoven.

Van die kamers die ontstaan zijn na de dag dat ik mijn zelfportret verliet – dus toen ik ‘s avonds terugkwam – heb ik in de Sonsbeek-catalogus een paar foto’s geplaatst. Het zijn vrij smalle kamers. Twee meter breed, sommige zijn vier meter lang of zes meter lang, er zitten er ook bij van maar één meter vijftig lang – en in elke kamer ligt een “Dead Bird/Current Thought”. Een dood vogeltje en een “Current Thought”.

I.K.: Dat is een echt dood vogeltje?

M.M.: Een schijnbaar echt dood vogeltje. Of ja, het is nu wel echt dood. Maar kijk, op die dag dat ik mijn gebouw verliet, liep ik door het park. Toen lag daar zo’n “Dead Bird/Current Thought” en meteen kwam er een levende vogel bij zitten. Ik heb daar een hele serie foto’s van, echt prachtig. En even later sprong die vogel op mijn schouder. Nadat ik deze foto had gemaakt.

I.K.: En dat is een “Current Thought”?

M.M.: Ja.

I.K.: Die je vindt of die je maakt?

M.M.: Die je krijgt. Ja, die gedachte schep je, of krijg je. Of je hebt die gehad.

I.K.: Is dat ook een gebeurtenis?

M.M.: Ja, ja. Maar, ik heb dit gezien, ‘s avonds kom ik in mijn gebouw terug en toen bleken er allemaal kleine kamertjes te zijn ontstaan. Moet je je voorstellen, ik kom terug in mijn zelfportret en opeens ontdek ik een nieuw gedeelte! Daar begint het: “Dead Bird/Current Thought”“Dead Bird/Current Thought”“Dead Bird/Current Thought”“Dead Bird/Current Thought”, … en dat gaat zo wel een uur door.

I.K.: Hallucinant. Of niet?

M.M.: Ik vond het wel heel plezierig om daar doorheen te lopen. Misschien is het wel één van de vrolijkste beelden die ik heb gemaakt.

I.K.: Waarom?

M.M.: Omdat ik het nog steeds kan blijven zien. Dat is echt het mooiste beeld: datgene dat je maar kan blijven zien. Of, hoe vaker je het ziet hoe mooier het is. Alles wat je trouwens kan blijven zien is heel mooi. Maar dit beeld in het bijzonder. Toen ik door die zich steeds herhalende kamers liep, had ik het gevoel dat ik in elke kamer weer wakker werd. In die serie kamers word je eigenlijk voortdurend wakker gemaakt.

I.K.: Op een pijnloze manier.

M.M.: Het heeft wel iets pijnlijks of zo, maar ook iets heel fijns. Dat hier is één van de personen waar ik het over had: het is een hele grote machine die zo af en toe verandert. Die heb ik nog nooit tentoongesteld, maar wel ooit willen meenemen en laten zien.

I.K.: Een persoon die je kent?

M.M.: Nee, meer het idee van een persoon… dit beeld is meer een persoon die ik ken. Eigenlijk een persoon die uit vijf gedeeltes bestaat: uit twee honden, een pop, een groot metalen vlak en een niet benoembare massa daaronder die er een beetje groenachtig uitziet. Dat alles zie ik als een persoon die ik uit mekaar heb getrokken in deze onderdelen.

I.K.: Om het plezier van het vernietigen?

M.M.: Nee, helemaal niet. Het is iets heel normaals om dingen uit elkaar te rafelen, om ze duidelijker te zien. En zo heb ik dat ook met een persoon gedaan.

I.K.: Je maakt dikwijls dingen die op de grond liggen.

M.M.: Dat komt omdat ik vaak vanuit de lucht denk. Als ik aan het werk ben, stel ik me meestal zo’n twintig meter boven de grond voor. Dan kijk ik naar beneden en zie ik al die dingen. Dat is een fijne manier van denken. Die vind je ook wel terug in mijn plattegrond.

I.K.: Het idee van overzicht hebben?

M.M.: Dat sowieso. Dat sluit ook meteen aan op de allereerste werktitel van mijn gebouw die was: “bewoond voor het zicht”. Dat zegt al genoeg.

I.K.: Deze twee plattegronden zijn hetzelfde?

M.M.: Nee, er zitten waarschijnlijk al verschillen in. Kijk, hier is een kamer van zand gekomen, dit hier is danig veranderd. Die dobbelsteentjes op zwenkwielen staan op een andere plek en daar staat een apparaatje op een andere plek. Hier staat de stoel met die foto’s en daar een bed met drie baby’s en een pop. Zo zijn er heel veel dingen veranderd.

Als je nauwkeurig naar mijn plattegronden kijkt, zie je eigenlijk heel veel veranderingen. Kijk dit: dat heeft maar heel even bestaan. Dat is een hoepel die ik tegen een hoek heb gedrukt en in die hoek ligt een heel klein raar beest. Dat is nu in een andere kamer terechtgekomen. De hoepel staat er nog wel.

I.K.: Hoeveel versies zijn er dan?

M.M.: Van dit gebouw? Ik denk wel een stuk of veertig, of vijftig.

I.K.: Hoe vaak verandert het? Elke dag?

M.M.: Niet elke dag. Ik denk er elke dag aan maar praktisch verandert het niet elke dag. Nu verander ik vaak dingen gewoon alleen maar in mijn gedachten. Om de zoveel tijd werk ik het allemaal bij.

I.K.: Is het dan secundair of die al dan niet worden gebouwd? En heeft de realisatie van de kamers (bijvoorbeeld voor Sonsbeek 93) veel invloed op het gebouw?

M.M.: Er zijn ook heel wat beelden die ik al helemaal gemaakt heb maar die ik nog nooit ergens neergezet heb. Soms heb ik het ook niet eens nodig om die te zien. Laatst heb ik een heel belangrijke kamer gemaakt, die is acht bij drie meter tachtig bij vijf meter. Maar daar ben ik echt heel blij mee, met die kamer. Die zal ik ooit nog wel eens laten zien.

I.K.: Er zijn veel poppen ook. Noem je dat poppen?

M.M.: Ja, voor mij zijn dat poppen.

I.K.: Van die wezens die je ontmoet ergens halverwege tussen jezelf en de dingen. Alles wat ik heb gezien in dat gebouw is wel een beetje zo.

M.M.: Ik merk de laatste tijd dat ik dingen ook als poppen ga zien. Een paar maar. Van in het begin dat ik mijn gebouw had, waren er bijvoorbeeld al potloden die ik in gummen stak. Nu begin ik dat steeds meer als poppen te zien.

I.K.: En die in elkaar kortgesloten batterijen daar?

M.M.: Die nog niet. Dat komt misschien nog wel. Dat zijn voor mij gewoon nog dingen.

I.K.: Het is een ontwikkelingsstadium?

M.M.: Ik denk het.

I.K.: En dieren? Is dat nog een andere categorie?

M.M.: Dieren heb je minder in de hand. Die komen gewoon binnen.

I.K.: Toch vind ik dat een raar beeld van die muis vastgebonden aan die vos, omdat dat ze juist zo bewegend maakt. Je voelt er de angst in voor beweging en snelheid.

M.M.: Ja, ja. Dat is zoiets dat me ontzettend fascineert: dat er heel veel mensen, waaronder ik, bang voor muizen zijn. En dat houdt voor mij ook letterlijk een overwinning van het denken in. Als ik een muis zie dan weet ik dat ik er niet bang voor hoef te zijn omdat muizen absoluut niets doen. Ik vind ze dus ook zeer mooi en toch ben ik er bang voor, terwijl ik verstandelijk wel weet dat het niet nodig is. Dat zijn dingen die mij zoveel vertellen over hoe een mens in elkaar zit. En ook over het denken. In het gebouw ga ik ook op verschillende manieren met het denken om, zoals woordelijk denken en niet-woordelijk denken maar ook… ja en dat kan ik nu juist niet uitleggen! Dat zal ik nooit kunnen uitleggen… ehm… wacht! er is zoveel te vertellen, 4, vier, Vaihinger, ja een afzonderlijke plaats in het neo-kantianisme neemt Hans Vaihinger (1852-1933) in. Zijn belangrijkste werk draagt de titel “De filosofie van het alsof, systeem van de theoretische, praktische en religieuze ficties van de mensheid”. Vaihinger schreef het al in hoofdzaken op vijfentwintigjarige leeftijd, gaf het echter pas vijfendertig jaar later aan de openbaarheid prijs. Vaihingers centrale begrip is, zoals de titel reeds aanduidt, de fictie. Zijn filosofie wordt daarom ook fictionalisme genoemd. Fictie betekent woordelijk “verdichting” (in het Engels heet het bellettristisch gedeelte van de literatuur “fiction”). Met de naam fictie wordt in de wetenschap een onderstelling aangeduid, wier onwaarschijnlijkheid, ja onmogelijkheid, bekend is, maar die toch als hulphypothese wordt gebruikt en als zodanig goede diensten bewijst. De rake uitdrukking voor de fictie is het voegwoord “alsof”. Men moet de fictie niet verwarren met de hypothese. Ook de hypothese is een onderstelling, van wier definitief waarheidsgehalte ik geenszins overtuigd behoef te zijn. Ik verwacht echter dat ik de hypothese eens, door toetsing aan ervaringsmateriaal, kan “verifiëren”, als waar bewijzen, of als onwaar kan laten vallen. Bij de fictie verwacht ik dat niet. Ik zie van tevoren in dat zij onwaar is of zelfs vol innerlijke tegenspraak. Niettegengestaande dat pas ik haar toe, en met succes.

Wij herinneren ons dat reeds Kant de formule “alsof” op een belangrijke plaats van zijn werk had toegepast: bij de uiteenzetting van “regulatieve ideeën” van de rede: ziel, wereld, god. Vaihinger ontdekt nu dat deze methode op de meest uiteenlopende gebieden in ons denken en gedragen voortdurend door ons wordt aangewend. Bijvoorbeeld is in de mathematica het begrip van het oneindig kleine vol innerlijke tegenspraak en toch onontbeerlijk. Evenzo is het gesteld met talloze andere begrippen van de natuurwetenschappen, van de rechtsleer, de staatshuishouding, de geschiedeniswetenschap. In de ethiek is bijvoorbeeld de wilsvrijheid een logische zinneloosheid; desondanks vormt zij de onmisbare grondslag van onze morele en juridische orde. Ook in de religie houden wij aan bewust onware en onbewijsbare onderstellingen vast, omdat zij ons “lief”, dat wil zeggen praktisch van nut en onontbeerlijk zijn.

Vaihinger stelt nu de vraag: hoe komt het dat wij met bewust onware voorstellingen toch het juiste bereiken? Hij antwoordt: het denken is een doelmatig werkende organische functie. Het is oorspronkelijk niets anders dan een middel in de strijd om het bestaan. Het dient voor het zelfbehoud van de levende wezens. Het is er niet om zijns zelfs wil. In de loop van de ontwikkeling – volgens de wet van de “overwoekering van het doel door het middel” – loopt het tenslotte daarop uit dat het denken als theoretisch denken om zijn zelfs wil, ten gerieve van zuivere “kennis” wordt uitgeoefend. Daarvoor is het echter niet geschapen en dientengevolge niet bruikbaar.

Het denken is een kunst. De logica is de kunstleer van het denken. Naast de gewone, regelmatige methodes van de logica, de kunstregels, zijn er ook “kunstgrepen”, onregelmatige denkmethoden, om zo te zeggen kneepjes, die in de strijd om het bestaan hun doelmatigheid bewijzen. De belangrijkste daarvan nu zijn de ficties.

De ficties vormen langzamerhand een gehele – onwerkelijke – wereld op zichzelf. Maar deze gehele wereld van het “alsof” is, hoewel irreëel, toch niet waardeloos. Zij is integendeel voor alle hoger geestelijk leven van de mens, voor de religie, ethiek, esthetiek, evengoed als voor wetenschap, zelfs gewichtiger dan de wereld van het “werkelijke”. Vaihinger komt zodoende tot een geheel gewijzigd waarheidsbegrip. “Waar” is de voorspelbaarheid, de berekenbaarheid van een ervaring, waardoor wij de mogelijkheid verkrijgen ons praktisch gedragen juist in te richten. Indien de ficties ons deze dienst bewijzen, – en zij doen het – dan zijn zij voor ons “waar”. Waarheid is niets anders dan de bruikbaarheid voor het leven. Een andere, “objectieve” maatstaf bestaat zelfs in het geheel niet.

Het is duidelijk in te zien dat deze gedachten van Vaihinger niet ver afstaan van die van Nietzsche (en ook van Schopenhauer). Vaihinger beroept zich dan ook, behalve op Kant, hoofdzakelijk op Nietzsche, weliswaar slechts als bevestiging van de zijne: want hij had de werken van Nietzsche pas leren kennen na het eerste project van zijn eigen wijsbegeerte. De gedachten van Vaihinger zijn nauw verwant aan die van het Engelse en Amerikaanse pragmatisme, gedeeltelijk ook aan de latere Duitse “levensfilosofie”. Deze beide richtingen zullen in het volgende hoofdstuk worden behandeld, wacht, ik dwaal af, eigenlijk is het meest simpele voorbeeld – en voor mij ook het meest fascinerende voorbeeld – dat als je een potlood uit een gum haalt en je schrijft daarmee een 8 op de vloer en je gaat staan, dat je als je daarnaar terugkijkt 8 denkt. Als je een 8 schrijft en je ziet dat dan terug, denk je 8. Dat is zo fascinerend en zoiets fundamenteels … maar ongelooflijk ongrijpbaar. Dat is eigenlijk het mooiste dat er bestaat, dat de wereld zo werkt. Of dat de mens zich zo heeft ontwikkeld dat er inderdaad dat gebeurt als je dat doet.

I.K.: En dat er niet zo’n duidelijk onderscheid bestaat tussen de dingen en het denken?

M.M.: Nee, dat gebeurt gelijktijdig. Echt fascinerend. En op dat gegeven, of op die fascinatie is eigenlijk heel mijn gebouw gebaseerd. En daarom is het ook echt een zelfportret.

I.K.: En dat is de waarheid van het gebouw. Of het nu bestaat of niet.

M.M.: Ja, maar het bestaat zeer zeker. Omdat ik het zeg.

I.K.: Het parcours, is dat belangrijk?

M.M.: Het parcours in mijn gebouw? Ja, dat is ontzettend belangrijk.

I.K.: Hoe zie je dat?

M.M.: Waar ik daarnet over sprak: het gevoel dat je soms in hetzelfde gedeelte terechtkomt hoewel het een ander gedeelte is maar schijnbaar hetzelfde gedeelte. Ook bijvoorbeeld dat die “Dead Bird/Current Thought”-kamers om het gebouw heen liggen, dat het er echt door wordt ingepakt. En wat er ook heel belangrijk is in het gebouw, dat is dat als je die “encyclopedie-kelder” betreedt, je onder een andere ruimte doorgaat. Dan ga je onder een andere ruimte door die eigenlijk alleen maar via twee gaatjes in het plafond in verbinding is gesteld met de ruimte erboven. Die is verbonden met die kamer waarin die vier dobbelstenen op zwenkwielen staan, via een heel klein gaatje in het plafond. Dat is dus zo’n ruimte waar je nooit lichamelijk in kunt komen, die je je alleen maar kunt voorstellen.

I.K.: Die heeft geen deur?

M.M.: Nee, alleen zo’n heel klein gaatje. En die “encyclopedie-kelder” is eigenlijk een ruimte van waaruit ik meestal werk. Ik ben heel vaak in die kelder.

I.K.: Wat gebeurt er?

M.M.: Eigenlijk bestaat mijn werk uit drie gebieden. Een gebied dat om mijn gebouw heen ligt, het gebouw zelf en daarbinnen de “encyclopedie-kelder”. Die “encyclopedie-kelder” en het gebied om mijn gebouw heen zijn eigenlijk identiek, alleen is voor mij die “encyclopedie-kelder”een plek waar alles feitelijk voor waar wordt aangezien. Terwijl de plek waar mijn gebouw in staat de dingen niet als waar beschouwt, gewoon als alsof-waarheid. Maar die accepteer ik toch weer, in die “encyclopedie-kelder”. Daar heb ik onlangs een tekst over geschreven.

I.K.: Die encyclopedie aanvaardt bij voorbaat alles dat buiten het gebouw om is?

M.M.: Ja. Of ze bestaat uit alles wat buiten het gebouw om is.

I.K.: Dus heb je die wereld eigenlijk niet meer nodig?

M.M.: Die wereld en die kleine ruimte zijn twee gelijktijdige dingen. Ze zijn identiek aan elkaar. Alleen trek ik ze net als die persoon even uit elkaar voor het gemak.

I.K.: Om ze duidelijker te maken?

M.M.: Ook om dingen hanteerbaar te maken. Mijn werk is eigenlijk heel de wereld hanteerbaar te maken.

I.K.: …beschikbaar ook.

M.M.: Ja, dat is een mooie eigenschap.

I.K.: En het gebouw is er eigenlijk alleen maar om te kunnen benoemen. Om erover te kunnen praten alsof het bestaat.

M.M.: Dat is hetzelfde, namelijk dat je onware dingen als waar beschouwt gewoon omdat het mooi is dat heel veel mensen accepteren dat het echt bestaat, dat ze het voor waar aannemen.

I.K.: Daarmee is het gebouw ook deel van wat er rond het gebouw is.

M.M.: En dat is echt heel mooi. Daarmee zeg ik misschien ook wel iets over hoe de wereld in elkaar zit omdat de wereld eigenlijk vol staat met gebouwen net zoals het mijne. Vrijwel alle begrippen die bestaan komen qua aard overeen met mijn gebouw. Dit is wel een periode waarin dat heel erg beseft wordt, omdat in deze tijd een heleboel begrippen uit elkaar zijn gevallen ook. Maar ik heb het gevoel dat ik die in mijn werk juist heel erg graag opraap, omdat die begrippen, ook al zijn ze niet waar, wel heel erg belangrijk of toepasselijk zijn. Dat zijn instrumenten, alle begrippen zijn instrumenten. Het denken van de mens is ook een instrument. Heel de wereld is op dezelfde manier ontstaan als mijn gebouw is ontstaan. Aan de andere kant is er ook helemaal geen reden tot paniek. Je kunt alles gewoon vasthouden en doen alsof. Als je beseft dat het allemaal hulpmiddelen zijn is er niks aan de hand. Dat maakt het alleen maar makkelijker om ermee om te gaan. Het is een echte wereld. Allemaal waar gebeurd.

In aflevering 44 van “De Witte Raaf” werden een voorlopig grondplan (d.d. 28/5/93) van het “Zelfportret als gebouw” evenals enkele uittreksels gepubliceerd. Mark Manders stelt van 18 juni tot 28 augustus tentoon in het MUHKA (Leuvenstraat 32, 2000 Antwerpen, 03/238.59.60) in het kader van het initiatief “De Praktijk”.

Interview met Daniel Buren 1

Koen Brams: Daniel Buren, ik zou met u uw twee realisaties in Rotterdam willen bespreken, het werk dat u in Museum Boymans-van Beuningen realiseerde en “L’oeuvre-a-t-elle lieu?”, de tentoonstelling van acht door u geselecteerde kunstenaars in Witte de With. Ik zou de discussie over deze twee realisaties vanuit een voor uw werk fundamentele invalshoek willen aanvatten, namelijk hun relatie tot zowel de temporele als de spatiale context. Laten we proberen om uw twee bijdragen “te verpakken” of “in te pakken”… 

Tijd: nu

K.B.: Wat zijn enerzijds de politieke en ideologische en anderzijds de artistieke uitdagingen die uitgaan van de actualiteit?

Daniel Buren: De twee componenten van uw vraag zijn alleszins sterk met elkaar verbonden, denk ik. Wat me altijd heeft getroffen, is de mogelijkheid om op basis van artistieke ontwikkelingen de politieke ideeën, die in de toekomst de overhand zullen hebben, te voorspellen. Natuurlijk moet dat niet onmiddellijk veralgemeend worden. Dat boek ligt niet noodzakelijk open. Maar men mag toch stellen dat de dominante opvattingen, de ideeën die onmiddellijk aanvaard worden door een klein groepje vanaf het moment dat ze ontluiken – en om die reden de boventoon kunnen voeren in de artistieke kanalen – dat deze ideeën waarvan men zou kunnen stellen dat ze “in de mode zijn” een plastische betekenis hebben waarvan men met plezier de reëel onderliggende politieke ideologie kan ontraadselen. Bijvoorbeeld de totaal regressieve, zelfs ronduit reactionaire kant van de dominante kunst in de jaren ’80, de terugkeer naar de meest flauwe schilderkunst, de anecdotische figuratie, het object, de nationalistische waarden en andere charmante trekken van de laatste vijftien jaar, deze ontwikkelingen waren, politiek gesproken, inderdaad “voor” – als ik het zo mag zeggen – op hun tijd en het maatschappelijke kader waarin ze ontstonden. De betekenis van deze kunstwerken, van deze kunststromingen gaven in feite een voorsmaakje van de op zijn minst reactionaire situatie waarin de Europese samenleving zich vandaag bevindt. Ik kan me niet van de indruk ontdoen – temeer omdat ik deze overtuiging altijd gehad heb, nog voordat de bewijzen zich opstapelden – dat er een onmiddellijk verband is tussen deze “terugkeer naar de picturale orde”, bewerkstelligd bijvoorbeeld door de Transavanguardia in Italië, de plotse belangstelling voor het werk van de Chirico van de jaren ’30, de herwaardering van enkele opvattingen van de futuristen die, zoals iedereen toch weet, dicht bij de fascisten van Mussolini stonden, en de plotse greep naar de macht van een Berlusconi. Behoudens dit uiterst negatieve signaal, produceert het artistieke terrein nog tal van andere en extreem rijke aanwijzingen. We moeten ze nog leren lezen, beter nog, leren interpreteren. Als we bijvoorbeeld de steile opgang van de expressionistische, nationalistische schilderkunst in West-Duitsland in dezelfde periode in ogenschouw nemen, dan kunnen we alleen maar hopen dat mijn pessimistische lectuur van deze kunst geen verlengstuk krijgt in de politiek. De uitdaging bestaat dus in het aanscherpen van de waakzaamheid.

K.B.: Hoe beïnvloedt deze analyse uw werkzaamheden?

D.B.: Dat kan ik moeilijk aangeven omdat ik de inwerking van deze invloeden niet zelf kan controleren. Het is alleszins makkelijker om over deze factoren te spreken of te schrijven. Mijn interventies hebben ook op veel verreikender en algemener problemen betrekking. Het is moeilijk maar toch belangrijk om te proberen die zeer negatieve, waarneembare invloeden, samengevat: de tijdgeest, niet van invloed te laten zijn in het werk. Al loopt men natuurlijk het risico om uitgerangeerd te worden, als men zich verzet tegen de tijdgeest. De in mijn werk naspeurbare invloed van attitudes, ideologieën en vormen die ik wantrouw, bestaat precies in de – ook visuele – weerstand aan deze invloed. Het is niet omdat velen in de loop van de jaren ’80 zonder moeite zijn teruggekeerd naar een idiote schilderspraktijk of naar objecten die makkelijk verkocht konden worden, dat men het ook maar moest doen. Dat versta ik onder weerstand, weerstand aan de tijdgeest. Een grotere moeilijkheid echter, misschien wel de grootste uitdaging, betreft de omgang met de tijdgeest als die min of meer overeenstemt met eigen opvattingen. Een voorbeeld misschien. Als ik het soort werk al niet uitgevonden heb, dan was ik tenminste de eerste om de term “in situ” in de titels van mijn werken op te nemen. Deze term dekte vanzelfsprekend een persoonlijk concept. Sindsdien is deze term steeds maar door meer personen van divers pluimage gehanteerd zodat hij nu voor tal van verschillende opvattingen staat. Vanaf dat moment wordt het moeilijk om deze term nog te gebruiken omdat niemand nog begrijpt wat hij precies betekent. Plots is het alsof je van je eigen zuurstof afgesneden wordt. Ik kan nog een aantal andere voorbeelden van dezelfde orde geven. Ze hebben mij altijd een bizar gevoel van onteigening bezorgd, eerder dan een fierheid op het succes van mijn ideeën. Onteigening, niet omdat ik het gevoel had dat mijn werk me toebehoorde, maar omdat ik het gevoel had dat het werk nog moest voortgezet worden. Nog voor het voltooid was, werd het reeds gevulgariseerd door de roofzuchtige kunstwereld die ontdekte hoe ze, mits enkele aanpassingen, het werk schaamteloos achterover kon drukken en rendabiliseren. Precies omwille van deze wederwaardigheden bestaat de uitdaging van vandaag erin om in dit milieu iets uit te blijven richten, onderzoek te doen of vragen te stellen. Vandaag moet men zo mogelijk nog meer op zijn hoede zijn omdat de situatie sterk veranderd is. De fundamentele vragen zijn ongewijzigd gebleven, maar deze vragen kunnen onmogelijk op dezelfde manier aan de orde gesteld en aangepakt worden. Vijfentwintig jaar geleden waren er bijvoorbeeld nauwelijks musea van hedendaagse kunst, vandaag zijn er zonder twijfel teveel. Vijfentwintig jaar geleden waren er relatief weinig galeries, vandaag zijn er duizenden. Vijfentwintig jaar geleden waren er weinig groepstentoonstellingen, vandaag zijn er tientallen elke maand…

K.B.: Welke impact hebben deze ontwikkelingen op uw werk?

D.B.: Er is een grotere kans dat de invloed van deze factoren waarneembaar is omdat mijn werk precies verband houdt met de omgeving waarin het gemaakt en getoond wordt. Om die reden kan ik onmogelijk ongevoelig blijven voor de veranderingen die zich aan de kunstscène voltrekken. Tot op de dag van vandaag blijven de vragen die ik me eertijds stelde, en die nu door meerderen gedeeld worden, actueel. Waar stelt men tentoon? Met wie? Hoe? Wie nodigt uit? Op welke plaatsen kan men iets uitrichten? En bijgevolg: wat is het belang van de plaats? Het belang van de mensen die uitnodigen? Het belang van de andere uitgenodigde artiesten waarmee men geconfronteerd wordt? Kan men met eender wie tentoonstellen die zich artiest noemt? Hoe laat men zijn werk manipuleren? Onder welke voorwaarden? Door wie? Hoe kan men verhinderen dat een derde het werk manipuleert? Een hele reeks theoretische vragen, die ik steeds belangrijker vind, eerder dan ze als een zoete of bittere herinnering af te doen, en waarop ik in mijn specifieke praktijk antwoorden probeer te vinden. Misschien waren mijn stellingnames vijfentwintig jaar geleden veel brutaler, zonder twijfel omdat ze veralgemeenden, maar opgelet: het was makkelijker om de toenmalige artistieke situatie te veralgemenen.

K.B.: De artistieke situatie is nu veel complexer?

D.B.: De situatie is inderdaad veel complexer. Toen ik vijfentwintig jaar geleden wees op de uitzonderlijke invloed van het museum dat feitelijk alles wat er tentoongesteld werd, inbegrepen wat zich tegen het museum keerde, als Kunst definieerde, werd deze stelling niet door iedereen gedeeld, omdat dat betekende dat het kritisch potentieel van het werk gebroken werd door het museale systeem. Weinigen wilden dit verlies erkennen. Vandaag wordt deze stelling zeer sterk gedeeld, en vervult het museum niet meer de rol die het had. Dat is een zeer belangrijke en interessante ontwikkeling. Het museum is verloren wat het onderscheidde: zijn autoriteit, zijn absolute macht. Dat is een van de gevolgen van de toename van het aantal musea. Ik weet dat ik in mijn werkzaamheden met deze nieuwe ontwikkeling rekening moet houden.

K.B.: Welke andere ontwikkelingen hebben zich voltrokken?

D.B.: Naar aanleiding van Documenta 5 van Harald Szeemann schreef ik in 1972 een tekst waarin ik stelde dat de kunstenaar van zijn territorium beroofd dreigt te worden. De rol van de kunstenaar in een tentoonstelling wordt betekenisloos, de organisator blijft als enige kunstenaar over. Deze stelling is vandaag duidelijk gemeengoed geworden. Als ik dan terugblik op Documenta 5 dan moet ik toegeven dat Szeeman zonder twijfel over kwaliteiten beschikte die hem toelieten om op die wijze te werk te gaan. Vandaag apen vele tentoonstellingsmakers hem na zonder over deze kwaliteiten te beschikken. De Documenta van Jan Hoet recentelijk was ongetwijfeld de grootste mislukking. Op een welhaast karikaturale wijze zette deze tentoonstelling enkel de rol van de tentoonstellingsmaker als kunstenaar in de verf. Ik verwacht van iemand die een tentoonstelling maakt wel dat hij ideeën heeft, maar geen ideeën die de geselecteerde kunstenaars uitwissen. Ik kan niet accepteren dat de selectie een mengelmoesje is van kunstenaars die verzwolgen worden in een eentonig discours. Hoe kan je als kunstenaar participeren in een tentoonstelling waarvan de kunstenaars, nog voor ze iets gemaakt hebben, gepresenteerd worden als circusdieren waarvan de hersenspinsels honderdduizenden toeschouwers moeten aantrekken om rendabel te zijn.

Plaats: hier (daar)

K.B.: Wanneer werd u gevraagd om een werk te realiseren in het Museum Boymans-van Beuningen?

D.B.: In 1986 werd ik uitgenodigd om een tentoonstelling te maken, maar na heel wat verkennende gesprekken, vroeg men me om de inkomhal van het museum herin te richten. Na de laatste verbouwing van de inkom, waarbij een muur afgebroken was, was er namelijk een probleem gerezen met betrekking tot het samengaan van de diverse functies van de inkomhal: de toegang, de cafetaria, de bookshop, de sculptuur van Richard Serra, en de kassa. Ik was wel geïnteresseerd om een specifiek en permanent werk te maken, maar opdat dit werk begrepen zou worden, wilde ik op het moment van de inhuldiging van de architecturale ingreep ook de beschikking hebben over een of twee zalen van het museum. Maar plots dook er een ander probleem op. Omdat de werken die samen met mijn architecturale ingreep gepland waren – meer bepaald, de verhuis van de cafetaria naar de bookshop en vice versa – een serieuze achterstand opgelopen hadden, kon mijn werk in de inkomhal niet gerealiseerd worden. Op dat moment wilde ik meteen ook van mijn tentoonstelling in het museum afzien, tenzij ik in het museum zelf het probleem van de specificiteit (van een ingreep) ter discussie kon stellen. Met de situering, op een andere dan de eigenlijke plaats, van een maquette op ware grootte van de uiteindelijk in de inkomhal te realiseren muur, kan de toeschouwer het belang van de context aanvoelen in hetzelfde museum, en bijna op hetzelfde moment. Ik tracht na te gaan wat het werk betekent voor de plaats waarvoor het niet bedoeld is, en we zullen binnen twee of drie maanden zien wat het betekent voor de plaats waarvoor het bedoeld is. Voor deze ingreep had ik eigenlijk dezelfde titel kunnen hanteren als voor het project waarvoor ik verantwoordelijk ben in Witte de With, maar dat is dus toevallig.

Op de plaats waar het werk nu tentoongesteld wordt, kan men in de gebruikelijke termen van een kunstwerk of een sculptuur spreken, het is eerder dat dan iets anders. Eenmaal op zijn definitieve plaats zal men niet meer zo makkelijk kunnen uitmaken of het een sculptuur is of een muur die op eender welke plaats in het museum had kunnen terechtkomen. Is alles wat het museum toont wel kunst? Misschien is deze vraag, gezien de toename van het aantal musea, niet meer eenduidig bevestigend te beantwoorden, tenminste niet meer zo bevestigend als ik vijfentwintig jaar geleden stelde. Maar kan men in het museum eigenlijk wel vragen over kunst stellen zonder niet reeds bevestigend te antwoorden. Als men ervan uitgaat dat alles wat het museum “verpakt” kunst is, bevindt iedere persoon die het probleem van het kunstwerk in het museum stelt zich in een precair parket. Ik denk dat er middelen zijn om de vraag te stellen en ik tracht ze in te zetten.

K.B.: Zou u deze ingreep willen beschrijven?

D.B.: In feite plaats ik opnieuw een muur die op een bepaald moment afgebroken werd. Deze bakent twee ruimten af: de toegang van het museum, met links een cafetaria en rechts een bookshop, en de eigenlijke inkom tot het museum met een werk van Richard Serra. In de muur worden, vertrekkend van het midden van de muur, op symmetrische wijze vijf openingen aangebracht. De grootte van de openingen is de minimale grootte die aanvaard wordt volgens de veiligheidsvoorschriften, met name twee meter en twintig centimeter, die ik zowel in de hoogte als de breedte hanteer. De grootte van de openingen is dus geen esthetische keuze. Daarnaast zijn er een aantal formele aspecten: de lengte, de dikte en de bekleding van de muur. De ene kant van de muur wordt rood geschilderd, wat de eraan grenzende ruimte, de inkom met de cafetaria en de bookshop, een totaal ander karakter zal verlenen. De andere kant wordt voorzien van spiegels die de perceptie van de ruimte aanzienlijk zal beïnvloeden. Het werk van Serra, dat zeer dicht bij de muur opgesteld staat en om die reden een beetje stikt, wordt bevrijd. Het zal ook meer op een kunstwerk lijken, en niet meer op een reusachtig kamerscherm, wat nu het geval is. Natuurlijk zal mijn ingreep het begrip van het werk van Serra veranderen.

K.B.: Aanzienlijk, denk ik.

D.B.: Dat ben ik met je eens maar ik ben geen designer of binnenhuisarchitect. Het is de ingreep van iemand die in het museum een bepaald type werk maakt. In een museum staan werken per definitie bij en naast elkaar.

K.B.: Maar u werkt toch niet alleen in en met de zaal maar ook met het werk van Serra.

D.B.: Dat klopt, maar dat is iets dat vaker in mijn werk opduikt. Ik heb deelgenomen aan honderden groepstentoonstellingen. Wat mij altijd geboeid heeft, is het werken tegen, voor of – op een neutrale manier – met het gegeven of thema van een groepstentoonstelling. In dit specifieke geval, waar twee werken geconfronteerd worden, wordt ook het gebrek aan autonomie van het kunstwerk aangetoond.

K.B.: Heeft het museum Serra geconsulteerd?

D.B.: Dat weet ik niet.

K.B.: Is dat niet belangrijk?

D.B.: Het feit dat Serra niet geëist heeft om zijn werk te verwijderen op het moment dat men de muur afgebroken heeft, bewijst dat het niet zijn probleem is. Dat is mijn antwoord. Als ik een specifiek werk maak dat permanent opgesteld wordt, en als men me dan op de hoogte brengt van de wijziging van enkele installatie-modaliteiten, dan zal ik overwegen of ik het werk zelf moet aanpassen of mijn afkeuring moet laten blijken van de voorgestelde ingrepen. Heeft men Serra op de hoogte gebracht, ik zou het graag weten.

K.B.: Als men, nadat uw werk in de inkom gerealiseerd is, aanpassingen wil doorvoeren, wat ik toch wel verwacht, niet omdat uw interventie niet geslaagd zou zijn maar omdat er nog heel wat andere problemen in het museum op een oplossing wachten, dan moet men u contacteren?

D.B.: Vanaf het moment dat het werk definitief gerealiseerd is en als een permanent onderdeel in de verzameling opgenomen wordt, wordt er een certificaat opgemaakt, een gebruiksaanwijzing met enkele clausules en richtlijnen. Maar ik wil geen grotere controle uitoefenen dan redelijk is. Het museum is een openbare ruimte, en ik denk dat je de openbare ruimte op een draconische wijze moet trachten te bemeesteren, zonder echter het openbare karakter uit het oog te verliezen. Men kan niet eisen dat een openbare ruimte gedurende honderd of tweehonderd jaar onveranderd blijft. Maar als men de inkom verandert, dan moet ik in de gelegenheid gesteld worden om mijn werk opnieuw te overdenken.

K.B.: Wat hebt u over dit museum als context geleerd tijdens de periode dat u hier gewerkt hebt?

D.B.: Het museum bevindt zich in een moeilijke periode. Er zijn duidelijk problemen van structurele aard maar ook heel wat praktische problemen: het tentoonstellingsparcours is er een van. Ik heb begrepen dat men overweegt om de inkom en de uitgang eventueel te veranderen. De vroegere ingang was zeer goed volgens mij, maar ze maken er geen gebruik van, waarschijnlijk omwille van problemen in verband met de bewaking, of omwille van problemen die me volledig ontgaan.

K.B.: Dat is de reden waarom ik denk dat er zich nog heel wat veranderingen zullen voltrekken die uw voorstel zullen beïnvloeden.

D.B.: Dat is goed mogelijk. Het is ook interessant omdat je in het museum met een zeer strikt voorstel werkt dat niet volledig onafhankelijk is van het leven in het museum. In dit verband benadert mijn werk een beetje het genre werk dat men buiten kan realiseren, in de openbare ruimte. In de openbare ruimte zijn er altijd enorme beperkingen die normaal gezien niet in het museum spelen. Met die beperkingen ga ik graag om.

K.B.: Uw werk in het museum reveleert duidelijk uw experimentele houding. Het is een vraagstelling, een experiment.

D.B.: Ja, maar het is geen experiment dat zich in het atelier voltrekt, het is een experiment waarvan de kijkers getuige kunnen zijn.

Dit gesprek vond plaats op 7 april 1994 in Witte de With. Op 25 april bezorgde Daniel Buren een uitgebreidere en geredigeerde versie van zijn antwoorden op de eerste vier vragen. Op 1 mei volgde de rest en zijn voorstel tot interventie in De Witte Raaf. Omdat we de voorkeur gaven aan het door Daniel Buren bewerkte gesprek én zijn ingreep, wordt de rest van het interview in het volgende nummer gepubliceerd.

“Placement déplacé – travail provisoirement situé”, is nog tot 12 juni te zien in het Museum Boymans-van Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam (010/441.94.05).

“L’oeuvre-a-t-elle lieu?”, met werken van Giovanni Anselmo, Michael Asher, Stanley Brouwn, Patrick Corillon, Jacqueline Dauriac, Krijn De Kooning, Thierry Kunztel en Chen Zhen, loopt nog tot 22 mei in Witte de With, Witte de Withstraat 50, 3012 BR Rotterdam (010/411.01.44).

De collectie van Annick en Anton Herbert

Ten geleide: Dit artikel bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een bijgestelde versie van een tekst van Annick en Anton Herbert die opgenomen werd in aflevering 54 (1989) van het Canadese tijdschrift “Parachute” waarin ruime aandacht werd besteed aan het private verzamelen van kunst. Deze tekst werd ons voorgesteld na een eerste bezoek aan de collectie op 16 september. Het tweede deel berust op zeven vragen over deze tekst en over de verzameling die we schriftelijk overmaakten aan Annick en Anton Herbert op 26 september. De schriftelijke antwoorden, onderverdeeld in vijf rubrieken, ontvingen we op 7 oktober. Op die datum ondertekenden we een overeenkomst waarin de afspraken over de deelname van Annick en Anton Herbert aan deze aflevering van “De Witte Raaf” geregistreerd werden. (K.B. en D.P.)

 

I. De verzameling en haar essentiële factoren (“Parachute”, 1989)

 

Het ontstaan van de collectie

Een privé-collectie wordt doorgaans opgebouwd in een periode van ten hoogste twintig tot dertig jaar, waarna ze ofwel verdwijnt ofwel bewaard wordt als vaste collectie. Ze is het resultaat van een subjectieve keuze en het gevolg van een persoonlijke visie.

Onze collectie nam reeds vijftien jaar geleden een aanvang, meer bepaald aan het einde van 1972. Daarvoor hadden we jarenlang de evolutie van de hedendaagse kunst van nabij gevolgd, zonder ons weliswaar rechtstreeks te engageren, tenzij dan onder de vorm van een imaginaire verzameling.

Doorslaggevend was de ontmoeting met Fernand Spillemaeckers van Galerie MTL in Brussel, in die jaren een van de markantste figuren van eigentijdse kunst. Samen met Konrad Fischer, John Weber, Nicholas Logsdail, Art & Project, Enzo Sperone en Yvon Lambert, was hij de belangrijkste promotor van de conceptuele kunstenaars en minimalisten, zoals Hanne Darboven, Sol LeWitt, Jan Dibbets, On Kawara, Daniel Buren, Dan Graham, Robert Barry, Art & Language, Stanley Brouwn, Niele Toroni en anderen. Met deze ‘nomaden’- kunstenaars, die telkens een zeer duidelijke stelling innamen tijdens hun doorreis in Brussel, organiseerde MTL – met wisselend succes – acht à tien tentoonstellingen per seizoen. In die periode kreeg onze collectie duidelijk gestalte.

Twee andere ontmoetingen in het begin van 1973 zouden de verdere richting van onze collectie bepalen. Onze ontmoeting met Rudi Fuchs, die in februari 1975 directeur zou worden van het Van Abbemuseum en er meteen een reeks opmerkelijke individuele tentoonstellingen zou organiseren, en onze ontmoeting met Konrad Fischer, waarna we herhaaldelijk naar Düsseldorf zouden reizen.

Een collectie kan maar correct tot werking gebracht worden als ze geïntegreerd wordt in een zeer specifieke ruimte. Het was voor ons duidelijk dat hedendaagse kunst een strikte opstelling vereist en geenszins een traditionele, decoratieve presentatie duldt. Daarom zijn we zeer vroeg op zoek gegaan naar een ruimte die aan die eisen voldeed. In 1981 vonden we een passend gebouw, dat we vanaf eind 1982 in overleg met een ingenieur-architect met respect voor de originele structuur verbouwd hebben tot tentoonstellingsruimten waaraan de woonruimte rechtstreeks werd verbonden.

 

De keuze van de werken

Het is van in het begin onze bedoeling geweest een compromisloze collectie aan te leggen van fundamentele en essentiële werken. Dit is een langzaam proces, waarbij van bepaalde prioriteiten niet mag worden afgeweken. Moeilijk te installeren of op te hangen werken werden nooit uitgesloten, wel integendeel. De collectie bevat dus meerdere werken die daardoor op een definitieve opstelling moesten wachten. Ze werden toen tijdelijk in Eindhoven ondergebracht: “Inca Pisco” van Gilbert & George, “Le Programme” van Marcel Broodthaers, “Slate Circle” van Richard Long, “Permutation” van Gerhard Richter, “Henge” van Carl Andre, “40 Steps” van Stanley Brouwn, en andere.

Van 1972 tot vandaag hebben we onze collectie opgebouwd rond een dertigtal kunstenaars, met, indien mogelijk, per kunstenaar verschillende werken die samen een geheel vormen. De aankoopbeslissingen gebeurden telkens onoverhaast en weloverwogen. De lacunes in de collectie hebben in geen geval een impact op het subjectieve geheel. Minimal Art, Concept Art en Arte Povera vormen de kern van de collectie. Het is in ieder geval niet de bedoeling een universeel beeld van de hedendaagse kunst te brengen, maar wel bepaalde accenten ervan te belichten: Bruce Nauman, Marcel Broodthaers, Lawrence Weiner, Jan Dibbets, Jannis Kounellis, en niet Georg Baselitz, Anselm Kiefer, David Salle, Julian Schnabel of Markus Lupertz. Die keuze beantwoordt aan onze persoonlijke visie en betrokkenheid als verzamelaar.

Na de tentoonstelling van de collectie in het Van Abbemuseum in Eindhoven eind 1984, werd overgegaan tot de aankoop van werken van de jongere generatie: Reinhard Mucha, Didier Vermeiren, Jan Vercruysse en Thomas Schütte.

 

De sociale rol van de collectie

Een privé-collectie van hedendaagse kunst vervult geen rechtstreekse sociale rol. Het betreft veeleer een activiteit, een relatie met de avant-garde, een avontuur met zijn eigen generatie. Het enige criterium voor de verzamelaar is kwaliteit. Alleen kwaliteit staat borg voor de authenticiteit van hedendaagse kunst. Daardoor komt de nadruk te liggen op kunstenaars die door hun radicaliteit en hun sterke persoonlijkheid een bijdrage leveren tot de evolutie van de hedendaagse kunst: Marcel Broodthaers, Jannis Kounellis of Daniel Buren, om er maar enkele te noemen.

Indien een privé-collectie bij haar afsluiting een bilan van niveau voorlegt, kan haar continuïteit in een museale structuur, onder een te bepalen vorm, haar sociale rol worden.

Het verschil tussen de openbare collectie van een museum en de private collectie van een verzamelaar is drieledig. Ten eerste streven musea objectiviteit na bij hun keuzes van werken uit alle hedendaagse kunststromingen, zowel nationaal, internationaal, regionaal als lokaal. Bij hun aankopen moeten ze rekening houden met allerlei overwegingen en compromissen afsluiten, ten koste van de onmisbare strengheid. Ten tweede hebben musea een didactische en educatieve verantwoordelijkheid tegenover een weinig of niet gespecialiseerd publiek. Hun tentoonstellingen richten zich tot een zo breed mogelijk publiek, wat een consequente benadering van de in se al vrij ontoegankelijke en op het eerste gezicht ondoorgrondelijke hedendaagse kunst onmogelijk maakt. Dat er een contradictie bestaat tussen het concept museum en de hedendaagse kunst is geen gratuite bewering. Ten derde, en daarin bestaat hun grootste verdienste, vervullen musea een historische rol door de hedendaagse kunst in het bestaande kunstpatrimonium te integreren.

Deze drie vaststellingen zijn in oppositie met de eigenschappen van de privé-verzameling. Ten eerste wordt een privé-collectie gekenmerkt door subjectieve keuzes, accenten op bepaalde aspecten van de hedendaagse kunst, naargelang de persoonlijkheid van de verzamelaar, met de nadruk op kwaliteit en inhoud. Ten tweede heeft de privé-verzamelaar geen verantwoordelijkheid tegenover een publiek en kan hij bepaalde aspecten belichten van de hedendaagse kunst. (Het betreft een subjectieve interventie die binnen een zeer klein en snel circuit vaak zeer interessante resultaten oplevert, daar waar een museum veel trager moet opereren.) Ten derde mist een privé-collectie historische continuïteit en komt ze tot stand in een zeer beperkte periode, waarna ze ofwel verdwijnt ofwel, opgenomen in een museale structuur, een sociale rol krijgt. Dat laatste punt vormt, op slechts enkele uitzonderingen na, het grootste probleem van iedere privé-verzameling.

 

De verhouding tussen privé-verzameling en museum

In de loop van 1983 stelde Rudi Fuchs ons voor, een selectie werken van onze collectie tentoon te stellen in het Van Abbemuseum. De bedoeling van dit project werd nauwkeurig vastgelegd: onze visie op hedendaagse kunst uittesten in een neutrale ruimte en confronteren met een selectie werken van het Van Abbemuseum.

De keuze van de werken, de presentatie en ophanging ervan werden toevertrouwd aan Jan Debbaut, de catalogus werd ontworpen door Walter Nikkels. De titel van de tentoonstelling luidde “L’architecte est absent”, een verwijzing naar onze aandacht voor een geschikte en anonieme ruimte en onze voorkeur voor kunst op zich.

Dankzij deze buitengewone ervaring, die het resultaat was van een zeer intense samenwerking met dit museum, konden we toen een balans van de verzameling opmaken: enerzijds bleek duidelijk het belang van de rigoureuze en gedurfde keuze, anderzijds kwamen er hiaten aan het licht die dringend moesten worden weggewerkt (Robert Ryman).

Dergelijke samenwerking van een privé-verzamelaar met een museum is zeldzaam en zeker niet evident. Ze vereist wederzijds respect en een subtiele afstand. In dezelfde interessesfeer kunnen werken, is de essentiële voorwaarde, die in ruime mate afhangt van de verstandhouding tussen de betrokken personen.

Hoe dan ook toch valt het besluit dat een privé-collectie het best tot haar recht komt in haar eigen en natuurlijke omgeving. Zo behoudt ze al haar vrijheid en stuwende kracht. De Panza-collectie, zoals ze destijds werd voorgesteld in Varese, is daar een duidelijk voorbeeld van.

 

De relatie van de verzamelaar met de kunstenaars

De collectie is gevormd uit ensembles van tweeëndertig kunstenaars, met wie we vaak contact hebben en discussies voeren. Deze intense samenwerking is van fundamenteel belang. Door actief met hedendaagse kunst om te gaan, verstevigt men de band met de generatie waartoe men behoort en is men actief getuige van dit gebeuren. Zo hebben we ons altijd essentieel verbonden gevoeld met de kunstenaars van onze generatie en de kunst van onze tijd: Carl Andre is van 1935, Fabro en Kounellis zijn van 1936, Weiner is van 1940, Dibbets en Nauman van 1941.

 

De krachtlijnen van de collectie

Enkele kunstenaars in het bijzonder hebben met hun werk duidelijk hun stempel gedrukt op de evolutie van de verzameling: Carl Andre en Donald Judd, Bruce Nauman en Marcel Broodthaers, Lawrence Weiner en Giovanni Anselmo, Robert Ryman en Daniel Buren, Mario Merz en Jannis Kounellis. Ze hebben een duidelijke impact op de collectie als geheel. Anderen nemen, door hun sterke, eigengereide visie en hun persoonlijke boodschap, een speciale plaats in: On Kawara, Andre Cadere, Stanley Brouwn, Niele Toroni, Richard Long. Nog anderen hebben een specifieke betekenis door hun analyse van de kunstbeweging op zichzelf: Joseph Kosuth, Dan Graham, Art & Language.

 

De voorkeurwerken

Sommige werken houden sterk rekening met de ruimte en de omgeving: “Many Colored Objects, Placed Side by Side, to Form a Row of Many Colored Objects” van Lawrence Weiner, geschilderd als leidmotief op de buitenmuur, zichtbaar en aanwezig in alle ruimten van het gebouw. Of “Voie d’Acier” van Carl Andre, een rij rechthoekige stalen platen, drieëntwintig meter lang. Werken als “L’Apothéose d’Homère” van Giulio Paolini of “Bottrop” van Donald Judd vereisen een specifieke plaats en opstelling in het gebouw.

Andere werken vormen door hun historische betekenis een hoogtepunt binnen het oeuvre van de kunstenaar: “Permutation” van Gerhard Richter, “Inca Pisco” van Gilbert & George, de “Ezra Pound Igloo” van Mario Merz, “Fuocchi” van Jannis Kounellis.

Nog andere werken hebben een precieze inhoud en beklemtonen daardoor de gekozen richting van de verzameling: “Le Programme” van Marcel Broodthaers, “Musical Chairs” van Bruce Nauman en “Invitation Piece”van Robert Barry.

 

De huidige evolutie van de collectie

De huidige keuze voor het werk van Reinhard Mucha, Jan Vercruysse, Didier Vermeiren en Thomas Schütte ontstaat uit de overtuiging dat deze nieuwe generatie duidelijk een eigen plaats inneemt: hun criteria en hun onderzoek vloeien voort uit hun visie op de omgeving en de maatschappij waar ze deel van uitmaken. Ze distantiëren zich duidelijk van hun voorgangers en toch refereren ze ernaar. Precies daarin bestaat hun sterkte. Hun werk getuigt van een grote helderheid en een onvoorwaardelijk engagement.

 

De collectie in een nationale of internationale context

Hedendaagse kunst en zeker een collectie van hedendaagse kunst mag in geen geval binnen een strikt nationale context beschouwd worden. Sinds enkele jaren merkt men jammer genoeg een zeer duidelijk hernieuwde interesse, door verschillende musea, voor kunstenaars van eigen bodem. Die tendens doet zich zowel in Frankrijk, Duitsland, België als Engeland of de Verenigde Staten voor. Vele openbare musea gaan over tot compromisaankopen van werken van lokale kunstenaars.

Onze relaties in de kunstwereld zijn opgebouwd met personen die allen in dezelfde geest internationaal werkzaam zijn op het terrein van de hedendaagse kunst en hun activiteiten obsessioneel toespitsen op kunstenaars van hun tijd: Kasper König, Germano Celant, Johannes Gachnang, Rudi Fuchs, Nic Serota, Harald Szeemann, Jan Debbaut en recenter Ulrich Loock, Saskia Bos en Bart Cassiman. Door hun radicaal engagement drukken ze hun stempel op hun tijd. Hun handelingen zijn elitair in de strikte betekenis van het woord.

Vooral Fuchs heeft vanaf zijn eerste tentoonstelling van Lawrence Weiner in het Stedelijk Van Abbemuseum in het begin van 1975 tot zijn laatste tentoonstelling van Jannis Kounellis in oktober 1988 in Rivoli, onze activiteiten gestimuleerd. Als organisator van individuele tentoonstellingen, op het juiste tijdstip en op de juiste plaats, maakte hij een zeer grote indruk op ons.

 

De binding van de collectie met de ruimte en de omgeving waar ze deel van uitmaakt

Hedendaagse kunst vereist eenvoudige, neutrale, pretentieloze ruimten: echte muren, een effen vloer, rechte hoeken, een anonieme en discrete architectuur. Sommige industriegebouwen zijn hier uitermate geschikt voor. Zoiets konden we realiseren voor zowel de woonruimte als de tentoonstellingsruimten.

De opstelling van de kunstwerken in deze ruimten wordt het best toevertrouwd aan de kunstenaar zelf. Dit was onder andere het geval voor Carl Andre, Dan Graham, Reinhard Mucha, Lawrence Weiner en Didier Vermeiren. Vandaag beslaan de tentoonstellingsruimten drie niveaus met een oppervlakte van ongeveer 2.000 m2. De nodige tijd wordt uitgetrokken om een zo optimaal mogelijke opstelling te vinden die elk werk tot zijn volle recht laat komen. Zodra de werken een vaste opstelling hebben gevonden, worden ze zelden verplaatst. Dit was een van de kenmerken die we vastgesteld hebben bij Panza in Varese en de Crex-verzameling in Schaffhausen. Sommige kunstenaars streefden zelf een stille omgeving voor hun werken na, zoals Donald Judd in Marfa. Dit in tegenstelling tot verschillende musea die de plaatsing van werken onrustig om de drie à vier weken wijzigen.

Werken worden zelden uitgeleend voor tentoonstellingen, tenzij op aanvraag van de kunstenaar of van talentvolle organisatoren. Vandaag de dag worden te veel werken, die daarvoor noch geschikt noch bedoeld zijn, van tentoonstelling naar tentoonstelling en van de ene strategische opstelling naar de andere verhuisd. De werken lopen het risico beschadigd of zelfs helemaal vernietigd te worden. Daartegenover staan wij voor een vaste, adequate opstelling in een perfect geschikte omgeving.

Het is te hopen dat de openbare musea, die vooral oog hebben voor tijdelijke tentoonstellingen, eveneens overtuigd raken van het belang van een vaste en precieze opstelling van hun collectie. Veel ruimten zijn echter totaal ongeschikt. Het frappantste voorbeeld daarvan is Beaubourg, dat weliswaar een van de mooiste collecties van de belangrijkste exponenten van de moderne en hedendaagse kunst bezit, maar qua architectuur totaal onaangepast is om de werken te laten spreken. In Duitsland zijn de nieuwe musea veeleer ontworpen om de architecten tot eer te strekken dan om de hedendaagse kunst te dienen. Ze hebben onoplosbare problemen met de opstelling van hun werken. In het ergste geval wordt de ‘museumtempel’ opgetrokken aan de voet van de kathedraal, zoals in Keulen.

 

De toekomst van de collectie

Een collectie die de tijd trotseert en haar intrinsieke waarde behoudt, zou tot slot moeten kunnen worden geïntegreerd in een museumstructuur, zonder aan haar eigen omgeving te worden ontrukt. Dat had men alvast gehoopt voor de Panza-collectie in Varese of voor het atelier van Brancusi aan de Impasse Ronsin in Parijs. We moeten ver in de tijd teruggaan om voorbeelden te vinden van waardevolle collecties die voor verdwijning werden behoed en in hun oorspronkelijke omgeving werden behouden. Het Institut de France beheert, via zijn vijf academies, waaronder de Académie des Beaux-Arts, een indrukwekkend onroerend en artistiek patrimonium: het Musée Jacquemart André en het Musée Marmottan in Parijs, het huis van Monet in Giverny, om er maar enkele te noemen.

Voor hedendaagse kunst droomt men van een gelijkaardige oplossing: een museale structuur onder leiding van dynamische kunstkenners die in verscheidene landen ateliers en collecties beheren en de werken binnen hun oorspronkelijke omgeving optimaal laten functioneren.

 

Vertaling uit het Frans: Ann Jooris

 

II. Zeven vragen/Vijf antwoorden (Gent, 1995)

 

1.

Koen Brams en Dirk Pültau: Waarom verzamelt u? Wat betekent voor u het bezitten van een kunstwerk. Wat is het specifieke surplus dat vervat zit in het bezitten van – het totale beschikken over – een kunstwerk?

Annick en Anton Herbert: Onze omgang met hedendaagse kunst leek ons van in het begin te beperkt, te afstandelijk, indien het verzamelen hierin niet werd opgenomen. Het verdiepen van vragen, die de hedendaagse kunst toen, in 1972, opriep, was voor ons noodzakelijkerwijze verbonden met het verzamelen ervan en het beleven in privésfeer. Interesse in hedendaagse kunst en verzamelen was een door elkaar lopend proces.

Daaruit ontstond aanstonds de problematiek van de keuze, de selectie, wat wél en wat niet, de criteria hiervoor, beredeneerd of gevoelsmatig, of beide door elkaar. De gesprekken, en contacten, met een kleine kern van kunstenaars en galeristen, waren intens en veelvuldig en brachten de intuïtieve keuzes dikwijls in opspraak of in versnelling.

De vraag omtrent bezit van kunst in de conceptuele tijd van toen, was verre van evident: een zin van Lawrence Weiner ‘bezitten’, een gesprek met Ian Wilson ‘kopen’, een katoenen streepjesdoek van Daniel Buren ‘aanschaffen’. Naar buiten uit stelde men zich dan ook duidelijk op: we doen het, we nemen stelling voor die groep en vinden het essentieel, we staan achter deze keuze en doen er de materiële inspanning voor. Ook is er geen weg terug en stilaan vormt die keuze een gericht geheel. Elke beslissing, hoe moeilijk ook, moest passen in het subjectief geheel dat men voor ogen had.

In feite wordt verzamelen zodoende een creatieve activiteit en benadert men, stap na stap, inspanning na inspanning, de ‘imaginaire’ verzameling, die men vooropstelt. Dit nooit afgesloten proces van verzamelen, meestal intuïtief, soms minder, is irreëel en ambivalent: de afsluiting, de eindfase, het resultaat van al die jaren kan maar veel later ‘zichtbaar’ worden.

 

2.

K.B. en D.P.: In de toelichting bij uw verzameling hanteert u kunsthistorische termen, zoals Arte Povera, Minimal Art en Concept Art. In tegenstelling tot een kunsthistoricus of een conservator van een openbaar museum is de verzamelaar helemaal niet verplicht om zich van deze begrippen te bedienen. Waarom gebruikt u deze termen wel? Een privé-verzamelaar kan zelfs de kunstgeschiedenis aan zijn laars lappen. Dat doet u duidelijk niet, maar hoe zou u uw omgang met kunstgeschiedenis typeren? Als u niet van de gangbare kunsthistorische categorieën gebruik zou maken, hoe zou u dan uw collectie opdelen? Hoe zou u uw collectie in zijn geheel karakteriseren zonder gebruik te maken van strikt kunsthistorische terminologie? Hoe zou u – in dezelfde zin – het uitgangspunt van uw collectie omschrijven?

 

3.

K.B. en D.P.: Uw collectie strekt zich uit over een erg beperkte periode. Maar ontbeert ze daarom elke historische continuïteit? Loopt er niet bij uitstek een historische lijn door uw collectie, vertrekkende van Jannis Kounellis, Marcel Broodthaers, Mario Merz, Donald Judd en Lawrence Weiner tot bij kunstenaars als Thomas Schütte, Jan Vercruysse, Harald Klingelhöller? Articuleert u niet juist deze (kunst)historische as wanneer u bijvoorbeeld werken van Donald Judd en Jan Vercruysse confronteert? Zo ja, hoe zou u deze as omschrijven? Hoe ziet u zelf het scharnier tussen de oude en de jonge generatie binnen uw verzameling?

 

4.

K.B. en D.P.: Wat kan men volgens u verstaan onder een “lacune” in een private collectie? Is de ambitie om “kapitale” of “essentiële” werken te bezitten en om van bepaalde kunstenaars ensembles samen te stellen niet erg museaal?

A. en A.H.: Kunsthistorische termen zijn voor de kunstgeschiedenis en niet voor de verzamelaar. Sommige kunsthistorici kunnen het dan hebben over Pattern Painting, Body Art, Neue Wilden, Narrative Art en andere ‘gemaakte’ zijwegen van de hedendaagse kunst. Niets voor ons.

In de tekst, verschenen in het Canadese tijdschrift “Parachute” midden 1989, schrijven we wel degelijk dat de Minimalrichting, de Conceptuele kunst en de Arte Povera sterk in de verzameling aanwezig zijn. Deze termen gebruiken we omdat ze tot het normale taalgebruik behoorden.

De Minimal-kunstenaars stelden zich in New York, midden de jaren ’60, extreem op tegen de gangbare en onduidelijke esthetiek. Ze vroegen naar radicaliteit, eenvoud, de rechte lijn en de witte muur. Omtrent kleur, materiaal, vorm en ruimte, werd een strenge houding ingenomen.

De avant-garde tussen 1968 en 1974 rondom de Conceptuele kunst nam deze omschrijving op in de dagelijkse omgang. Joseph Kosuth en Art and Language schreven er uitgebreid over en Sol LeWitt publiceerde in januari ’69 zijn “Sentences on Conceptual Art”. Lucy Lippard maakte er toen een “zesjaren dagboek” over. Dit had niets te doen met de huidige classificatieopvatting in de kunstgeschiedenis, maar met een kordate stellingname: er voor of er tegen.

Terzelfdertijd kwam in Italië de Arte Povera van de grond. Het was het signaal en de groepsterm van Germano Celant om de activiteiten van Kounellis, Merz, Fabro en hun companen in het daglicht te stellen.

Kunstgeschiedenis komt vanzelfsprekend later en vervormt meestal de oorspronkelijkheid van de beginjaren door het indelen in historische hokjes.

We hadden de kans, zonder het toen goed te beseffen, enorm sterke jaren van de hedendaagse kunst te beleven en met bovenvermelde kunstenaars om te gaan, hun werk reeds te ‘zien’ bij het ontstaan ervan. Wellicht was dit dan onze omgang met de kunstgeschiedenis.

Zou dan een eventuele historische opdeling van de verzameling, verspreid over slechts 39 kunstenaars en een zeer korte tijdspanne, gerealiseerd kunnen worden? Onmogelijk. Integendeel, eerder het ander extreem: door elkaar. Franz West samen opstellen met René Daniëls. En duidelijk Donald Judd met Jan Vercruysse. Of buiten op de muur, de tekst van Lawrence Weiner en binnen in het gebouw er recht tegenover Harald Klingelhöller. Het ene werk speelt in op het andere. Maar zeker geen steriel kastensysteem, geen vaste standenindeling of nationaal/regionaal chauvinisme.

Wat wel zal opvallen, is dat de verzameling zijn voorkeur geeft aan enkele, telkens terugkomende criteria. De leesbaarheid van het inhoudelijk aspect in het werk, het steeds verder zoeken naar het essentieelste kunstwerk en het belang van ruimte, licht, plaatsing en dimensie. Hierdoor wordt continuïteit in de subjectieve keuze gevormd, de rode draad in de historische lijn getrokken en de scharnier tussen de oude en de jonge generatie gerealiseerd.

De ambitie naar essentiële werken is niet historisch museaal, maar is ‘de lat hoog leggen’ om een partiële, persoonlijke visie te realiseren naar het onmogelijke toe. Die werken zijn dan ook essentieel voor de verzamelaar zelf. Ieder werk ‘kadert’ zichzelf in het subjectief ensemble. Daaruit ontstaan vanzelfsprekend en terzelfdertijd, geen lacunes, maar wel gemiste kansen door te late beslissingen en te grote aarzelingen. Ook de herinneringen aan deze beslissingen en aarzelingen, zowel in de ene als in de andere richting, maken deel uit van het uiteindelijk geheel van de verzameling. Dit maakt het ensemble zowel broos als subtiel.

Zoals Duchamp het zegt: “de verzamelaar kiest werken uit en schildert zich zodoende een verzameling bijeen”.

 

5.

K.B. en D.P.: Hoe zou u de huidige presentatie van uw collectie omschrijven? Hebt u in het verleden wezenlijk verschillende presentaties uitgetest? Zo ja, welke? Hebt u zich ooit laten inspireren door andere (private of publieke) presentatiemodellen? Bestaat er voor u zoiets als een ideale opstelling (gegeven dat u over voldoende plaats zou beschikken om uw gehele collectie tentoon te stellen)?

A. en A.H.: Het kunstwerk heeft in zich latente energie die door de opstelling, volgens de beschikbare mogelijkheden van ruimte, licht en context, of vernietigd of versterkt kan worden. Ofwel krijgt men een statische en steriele plaatsing, ofwel bereikt men, met sterke verbeelding en hard werken, de gezochte meerwaarde. Meestal en liefst door de directe ingreep van de kunstenaar zelf. Opeens wordt de presentatie als ‘juist’ aangevoeld. Het geheel klopt.

Dit is een lang en ‘aanstrengend’ proces dat, met soms minieme tussenkomsten, telkenmale herhaald moet worden. Het is zoeken en geduldig uittesten. Het resultaat zakt of stijgt en er komt een sterke bevrediging bij het bereiken van het evenwicht.

Een vooraf bedacht presentatiemodel, valt meestal verkeerd uit. De werken die men wil opstellen, hebben elk verborgen facetten, die men tijdens de opstelling moet ontdekken. Elk werk vraagt zijn juiste plaats in de zaal. Het is zoeken tot men die vindt, tussen en met de andere werken.

Slechts weinige museumverzamelingen of groepstentoonstellingen laten in hun opstelling een sterke belevenis toe. Meestal zijn er ook nog storende elementen in de ruimte of architectonische hoogstandjes. Sensatie of oppervlakkigheid: Ryman op een rode muur.

Toch zijn er uitzonderlijke momenten, waar elk werk maximaal meegaat in het geheel. Rudi Fuchs maakte indertijd meesterlijke opstellingen in Eindhoven en Rivoli. Panza realiseerde hoogtepunten bij het plaatsen van zijn Concept- en Minimalverzameling in Varese. Szeemann bracht harde confrontaties in zijn Berlijnse Hamburger Bahnhof-tentoonstelling “Zeitlos”: Vermeiren, Beuys en Serra. “Espacio Mental” van Bart Cassiman in Valencia, bracht voor ons de krachtigste “Tombeaux”-opstelling van Jan Vercruysse.

 

6.

K.B. en D.P.: Als we de omgang met uw collectie observeren, dan constateren we twee wezenstrekken die ons erg museaal voorkomen: (1) het opstellen van werken in ruimten die enkel voor kunst bestemd zijn; (2) de quasi bevriezing van die opstelling. Wordt het kijkgedrag op die manier niet geritualiseerd, net zoals in een gewoon museum? In het verlengde daarvan: kan men eigenlijk wel ontsnappen aan de wijze waarop een museum verzamelt? Zo ja, op welke manier? Zo neen, wat betekent deze vaststelling voor onze omgang met kunst?

A. en A.H.: Wellicht lijkt de plaatsing van de werken in de verzameling op het eerste zicht koel museaal of ritueel bevriezend, alhoewel een intense confrontatie tussen het beleven van de werken met en naast het dagelijkse wordt doorgevoerd. De verzameling is bereikbaar en toch is er afstand, beschikbaar en toch niet vatbaar. Een andere omgang met de verzameling zien we niet zitten.

De ruimten waar de werken zijn opgesteld, lopen in en rond onze dagelijkse leefruimte. Er is gewild geen enkel werk in de leefruimte zelf, maar wel doorgang en visueel contact tussen beide. Binnen en buiten. Zicht op de buitenmuur met “Many Colored Objects…” van Weiner en zicht op de “Permutation” van Richter vanuit de leefruimte. Men moet zich verplaatsen.

Tussenin ligt de bibliotheek met het archief, tekeningen, affiches, objecten en boeken van Lawrence Weiner, Marcel Broodthaers, Stanley Brouwn of Rodney Graham. Ontsnappen in een andere wereld van tekst en lectuur. Een nog andere omgang met kunst.

En toch is er tweestrijd en contradictie: de privé-verzamelaar kan, naast zijn individuele/subjectieve keuzes, zich erbij ook nog museaal opstellen. Hij tracht het tijdelijke en beperkte karakter van zijn onderneming te verwijderen. Omgekeerd is er uitzonderlijk ook nog eens een museum, dat er toe komt obsessioneel en partieel te verzamelen, zoals de privé-verzamelaar. Het resultaat van die combinatie kan indrukwekkend zijn: de verzamelaar die museaal reageert of het museum dat privaat verzamelt. Toeval en systeem.

 

7.

K.B. en D.P.: U beschikt over de middelen om keuzes te kunnen maken die een weerslag hebben op de ontwikkeling van de (hedendaagse) kunst. Deze keuzes blijven weliswaar voor het grote publiek verborgen, maar constitueren niettemin een publieke rol. Bestaat uw publieke rol niet uit een aandeel in de kunstgeschiedschrijving van onze tijd? Wanneer u de mogelijkheid van een publieke toekomst voor uw private collectie inbouwt, gaat u dan niet reeds nu impliciet uit van de veronderstelling dat uw private collectie meer is dan de reflectie van een persoonlijke en subjectieve keuze? Heeft u niet reeds – onwillekeurig, al verzamelend – een sociale rol of een publieke functie? Hoe zou u die rol of functie specifiëren? Is er volgens u een specifieke rol weggelegd voor de (in situ) publiek gemaakte private collectie? Wat zou die functie kunnen zijn, vergeleken met het museum?

A. en A.H.: Te veel middelen voor een verzameling breken de kwaliteit, actualiteit en intensiteit. Te weinig middelen kunnen leiden naar frustraties en middelmaat. Met te grote middelen zal een museum of een verzamelaar achterhaalde historische lacunes van de verzameling ‘duur’ willen opvullen. Weinig mogelijkheden verplichten tot een klein maar soms schitterend deelzicht. De obsessionele verzamelaar leeft steeds met schulden en afbetalingen en zijn beschikbare middelen moeten liefst ‘onder’ het niveau van zijn bezitsdrang en ambities liggen. Iedere aanwinst doet pijn en ligt aan de uiterste grens van de materiële mogelijkheden. Het karakter van de verzameling ligt in de moeilijkheidsgraad van zijn realisatie.

Tegenover de aankoopstrategie van het museum, is de privéverzamelaar bevoordeeld. Door zijn vlugge beslissingskracht kan hij snel inspelen op de actualiteit. Soms is hij hierin meegesleurd en reageert hij te snel en te jong. Sommigen willen dan ook nog hun beslissingen op de markt als kwaliteitsnorm opdringen. Ze leven in de illusie dat hun zienswijze invloed kan hebben op de ontwikkeling van de hedendaagse kunst. Wellicht kortstondig hebben ze dit op de marktsfeer, maar niet of nooit op de echte kunstenaar. Na korte tijd, vervalt dan deze machtstructuur tot niets en blijft er leegte.

Verzamelen is dikwijls snel beslissen wat men lang voorbereid heeft. De basislijn moet aangehouden worden en de nieuwe aanwinsten moeten zich integreren in het geheel. Het is een eigenzinnig avontuur dat, jaar na jaar, doorgaat en best haar kracht en doorzettingsvermogen in de obsessionele bezittingsdrang verderzet ‘zonder’ publiek op te treden. Creatief aanwezig zijn in de actualiteit is de rol.

Vanzelfsprekend komt men toch ergens publiek naar buiten. Het vastleggen van deze tekst is op zichzelf reeds een bewijs hiervan. En, vanaf een bepaalde omvang van de verzameling is het risico om in een dergelijke rol meegetrokken te worden groter en groter. Zonder het te willen en tegen zijn overtuiging in, kan men snel worden meegesleurd. Men moet zich hiertegen verzetten.

De verzameling heeft zeker geen directe sociale rol in het artistiek circuit. Ze heeft, tijdens haar ontstaan en vorming, geen open functie, maar zal op termijn, na de afsluiting, een subjectieve analyse en bilan kunnen voorleggen van de kunstperiode waaraan ze heeft deelgenomen. Dit kan dan haar publieke rol worden.

De bekommernis om door de generaties heen de verzameling toekomst te geven, is zeker de moeilijkste opgave voor de verzamelaar. In deze actie zit natuurlijk een publieke opstelling. De kansen voor succes zijn utopisch en uiterst klein. De later publiek te maken private verzameling, moet zijn kenmerken van bewegingsvrijheid, flexibiliteit, subjectiviteit, partialiteit en onafhankelijkheid duidelijk stellen en deze essentiële normen vooraf inbouwen in het werkschema naar dit doel. De vele prachtige verzamelingen van vroegere generaties uit dit land, zijn praktisch allemaal verloren gegaan. Wat zijn de redenen hiervoor?

Vragen aan Jacq Vogelaar

1.

In de winter van 1972-73 stierf “Raster”, het driemaandelijkse tijdschrift voor literatuur onder redactie van H.C. ten Berge, een “opgewekte” dood. Vijf jaar later dook een driemaandelijks tijdschrift met dezelfde naam op. Er was een nieuwe uitgever gevonden – De Bezige Bij – en de redactie werd uitgebreid met uzelf, J. Bernlef en P.W.M. de Meijer. Met welke argumenten konden de uitgever en de subsidiënt overtuigd worden, rekening houdend met de afscheidswoorden van H.C. ten Berge – “de tegenstand werd alleen maar groter en het lezerstal kleiner”? Wat kon het nieuwe “Raster” van het oude leren? Waarom werd de naam van het tijdschrift behouden? Zeker niet omwille van de reputatie, maar was het niet precies die op een eenzijdige en lompe lectuur gebaseerde kritiek die het nieuwe project van bij het begin parten speelde? Is niet gebleken dat de in hoge mate holle en onterechte kritiek op het tijdschrift pas zeer recent is geluwd? Hoe zou dat komen? Is “Raster” nu minder ‘moeilijk’, ‘hermetisch’ en ‘elitair’ dan 18 jaar geleden? Hoe ben je in de loop van die periode met die clichématige kritiek omgegaan?

 

2.

Op de flap van de eerste aflevering staan de namen van de redacteurs. Ze vormen het verlengstuk van handen (en het begin van onderarmen, compleet met gesteven hemd, machetknop en vest). De redacteurs schudden niet elkaar de hand maar reiken ieder de hand van iemand anders. Typeert dit beeld de toenmalige redactie? Werd de redactie zo heterogeen mogelijk samengesteld? Was het de bedoeling om niet een redactiebeleid op basis van consensus te ontwikkelen maar integendeel alleen maar een context te bieden waarin elk redactielid min of meer zijn eigen zin zou kunnen doen? Wie heeft de toenmalige redactie samengesteld? Waarom werden deze personen aangezocht? Ik doe een gokje: H.C. ten Berge moest voor de continuïteit zorgen, J. Bernlef voor de vrolijke, anarchistische noot, P.W.M. de Meijer voor het academische doekje en J.F. Vogelaar, voor het ‘andere’ proza? Het pakte natuurlijk allemaal anders uit – zo stelde J. Bernlef een aflevering over semiotiek samen, en werkten jullie samen aan een nummer over de stad. Kan u iets vertellen over de samenwerking binnen de toenmalige redactie?

 

3.

In de eerste jaargangen van “Raster” roteerde het (eind)redacteurschap zodat de redacteur van dienst de inhoud van de aflevering stevig naar zijn hand kon zetten. Zo kon het ook gebeuren dat een bepaalde redacteur slechts één keer per jaar echt uitpakte met een tekst in ‘zijn eigen’ tijdschrift. Werd de (eind)redacteur dan ook enkel geassocieerd met ‘zijn’ aflevering in het bijzonder, of toch met “Raster” in het algemeen? Hoe werd u in die tijd als “Raster”-redacteur ‘gezien’? In de recentere jaargangen valt precies het tegendeel op: er wordt samengewerkt rond thema’s, vraagstukken of probleemstellingen. Het gebeurt regelmatig dat de volledige redactie in een aflevering ‘vertegenwoordigd’ is. Ik zou willen peilen naar uw appreciatie van beide werkwijzen en ik zou u die vraag willen stellen in het licht van de betekenis van uw redacteurschap voor uw schrijverspraktijk. Het is namelijk opvallend hoe sterk de door u geredigeerde afleveringen van “Raster” in het verlengde lagen van uw oeuvre (“Raadsels van het rund”“Alle vlees”“Terugschrijven”). Ik citeer bijvoorbeeld de afleveringen over de stad, de machine, de positie van de intellectueel, de utopie, gestoorde teksten, en over kunstenaars en auteurs als Francis Bacon, Danilo Kis, Alexander Kluge, Samuel Beckett, Henri Michaux,… Ik eindig bewust met deze auteur: de ondertitel van uw boek “Verdwijningen” dat in 1988 verscheen (en alludeert op Michaux’ verschijningen), luidt “Oefeningen”, oefeningen die bijna allemaal in “Raster” ondernomen werden. Zou u zich ook aan oefeningen hebben kunnen wagen zonder uw driemaandelijkse machine? Kan een auteur eigenlijk wel intellectueel overleven zonder de (quasi-)zekerheid te beschikken over een tijdschrift? Zou Koba Swart tot literaire ontbolstering zijn gekomen zonder uw deelname in de redactie van “Raster”? Deze particuliere vraag kan ik u natuurlijk moeilijk voorleggen, maar in algemene termen wel: wat is het belang van een redacteurschap van (of de min of meer gegarandeerde medewerking aan) een tijdschrift voor de carrière? Hebt u deze rekening al eens gemaakt? Aan de job van redacteur hangen heel wat onaangename kanten vast, toch bent u – weliswaar als enig oprichtend redacteur – bereid gebleven om al die 70 afleveringen in de redactie van “Raster” te zetelen, precies omwille van de door uzelf als heilzaam ervaren impulsen voor uw creatief werk? Hoe zou u die impulsen omschrijven? Misschien moeten we die impulsen niet strikt in relatie tot uw creatief werk lezen maar als een permanente stroom die u wakker houdt? Het tijdschrift als logboek? Is dat de wezenlijke betekenis van het (een- of meermans)tijdschrift? Als we het tijdschrift als de op de tijd geritmeerde proeve van confrontatie met de tijd – met de actualiteit – zouden opvatten, wat had “Raster” dan te zeggen over 1977, en wat over 1995 (of kies jaartallen naar keuze, of afleveringen in functie van een bepaald moment)?

 

4.

Wat is uw huidige mening over de programmaverklaring die in de eerste aflevering van het ‘nieuwe’ “Raster”verscheen? Was die polemische, strijdbare toon gebruikelijk? Hoe werd deze intentieverklaring ontvangen? Ondertussen zijn we 69 afleveringen en 18 jaar verder. Moet deze programmaverklaring worden bijgesteld, of is dat nog steeds overbodig, zoals de redactie naar aanleiding van het tienjarig bestaan stelde? Hoe zou u de ontwikkeling van “Raster” kenschetsen? Wat zijn volgens u de voornaamste ‘wapenfeiten’ van het tijdschrift? Bij welke afleveringen staat u nu nog stil? Herleest u wel eens teksten of gehele afleveringen? Of maalt het schrift gewoon verder zoals de tijd en bent u blij dat het doorgaat, zonder al teveel omkijken? Wat beschouwt u als de belangrijkste wijzigingen in het redactionele beleid?

 

5.

Vanaf het prille begin was “Raster” een ‘uitzonderlijk’ tijdschrift. Die positie is “Raster” kwijtgeraakt, of vergis ik me? Waarin onderscheidt “Raster” zich nu van andere (literaire) tijdschriften? “Raster” biedt waarschijnlijk nog evenveel kwaliteit als vroeger maar er is toch ook heel wat verloren gegaan: de scherpe, polemische kantjes lijken afgevijld en de nadruk op de (politieke) functie en plaats van literatuur is sterk afgezwakt. “Zo spreekt het vanzelf dat “Raster”, als ieder serieus blad, bestaande vormen van literatuur wil handhaven, uitbreiden, veranderen en, waar nodig, bestrijden”, luidde het op de eerste pagina van de eerste aflevering. Vat ik de opvatting van “Raster” met een goede boutade – als dat kan – samen, als ik zeg: “Raster” wilde literatuur verdedigen die ontwricht, andere literatuur voor een andere samenleving? Die strijd lijkt volledig gestreden. Waarom? “Raster” bleef teksten publiceren van Lars Gustafsson, Julio Cortázar en Italo Calvino, om het bij de meest vertrouwde gasten te houden, maar het kader zelf werd politiek gedesinfecteerd? Vergelijken we bijvoorbeeld de “Vleeszinnen” in aflevering 16 met aflevering 53 over “Eten”? Welke politieke functie en maatschappelijke plaats bekleden kunst en literatuur nu, volgens u?

 

6.

Het valt me op dat er eigenlijk weinig literatuur voorhanden is over het tijdschrift als medium. Hebt u een verklaring voor deze schaarste die niet in verhouding staat tot de toch nog steeds intense praktijk en die schril afsteekt met het massale aanbod van literatuur over ‘andere’ media? Wat zijn uw referentieteksten op dit gebied en waarom? Is er recent nog iets over dit onderwerp geschreven van enig belang? Hebt u zich verdiept in de geschiedenis van het tijdschrift? Zo ja, waar situeert “Raster” zich in deze geschiedenis? Leest u veel andere tijdschriften? Hoe leest u ze? Werkt u regelmatig aan andere tijdschriften mee? Regelmatiger dan vroeger? Is het niet steeds meer vanzelfsprekend om in meerdere tijdschriften dan in slechts één tijdschift te publiceren? En zijn tijdschriften daardoor niet steeds meer op elkaar gaan lijken? Zo ja, vindt u deze trend problematisch? Die bladen beschikken dan misschien niet meer over een uitgesproken redactioneel profiel, dan toch zeker over een eigen publiek? Is het daar de migrerende auteur om te doen? Ook in “Raster” bleken in de loop der jaren steeds meer mensen uit andere tijdschriften welkom. Was dat een bewuste politiek? Of eerder een gevolg van lossere redactionele formules (zoals: “Wat is kitsch volgens u?” (aflevering 46), “Kies een foto en schrijf een tekst?” (aflevering 49),…)? Tegelijkertijd moet ik constateren dat er steeds minder gedebuteerd wordt in “Raster”. Of vergis ik me?

 

7.

In “Raster” heeft nog nooit een vrouw als redacteur gezeteld. Na talloze wijzigingen van de samenstelling van de redactie kan dat nog bezwaarlijk als een toeval gebrandmerkt worden. Wat zijn uw verklaringen voor deze afwezigheid? Werden de wijzigingen van de redactie aangegrepen om het redactiebeleid te ondervragen? Zo ja, welke wijzigingen waren het gevolg van de opname van de nieuwkomers, Hans Bakx, Hans Tentije, Cyrille Offermans, Nicolaas Matsier, K. Michel, Willem van Toorn? Wat is er overgebleven van de optie om een avontuurlijk tijdschrift te maken op basis van de “diversiteit van de redactieleden”? En plotseling zag zoiets als een redactieraad het licht. Hoe functioneert deze raad met ex-redacteurs van “Raster” (H.C. ten Berge, J. Bernlef, P. De Meijer, Hans Bakx, Hans Tentije)? Wat is de verhouding met de redactie?

 

8.

Raster” werd al die tijd door Kees Nieuwenhuijzen vormgegeven. Het tijdschrift veranderde een aantal keer van formaat en opmaak, dat lijkt waarschijnlijk steeds belangrijk op het moment dat het nieuwe kleedje gepast wordt, na verloop van tijd kijk je daar sowieso over- of doorheen. Of niet? Op een gegeven moment wordt Kees Nieuwenhuijzen ook in de redactie opgenomen (zij het met de vermelding “vormgeving”). Waarom werd deze beslissing genomen, wat is de redactionele inbreng van de vormgever en wat is de impact van de vormgeving op het tijdschrift? Is vormgeving dan belangrijker geworden, is dat de betekenis van de opname van de vormgever in de redactie? In aflevering 70 valt me op dat het lange gedicht van Michael Ondaatje al op de flap begint – en dat verderop in de aflevering foto’s van de geselecteerde auteurs staan. Zoiets was dan weer niet denkbaar in 1977, toen het echt tekst-vreten geblazen was, en er hooguit wat personalia over de auteurs af konden.

 

9.

Nog even terug naar het eerste programma van “Raster”. Ik lees: “Zoals literatuur en maatschappelijke werkelijkheid niet los van elkaar gezien kunnen worden, zo is het ook onaanvaardbaar literaire processen te isoleren van andere artistieke ontwikkelingen. Om die reden zal aan vormgevingsprocessen binnen andere kunsten (die ook voor de letteren van belang kunnen zijn) regelmatig aandacht worden besteed.” In het begin was er echt wel aandacht voor de wisselwerking tussen literatuur en maatschappelijke werkelijkheid, ik herinner me het nummer over literatuur en onderwijs, maar is dat aandachtspunt ondertussen niet onder de mat geveegd? Of op de vuilnisbelt, waar we mits wat scharrelwerk ook inmiddels vieze termen als politiek en ideologie aantreffen? En de tweede bekommernis, de interdisciplinaire droom, wat is daar in de loop van 18 jaar van in huis gekomen? Ik herinner me belangrijke teksten over Marguerite Duras, Francis Bacon en door mij erg gewaardeerde bijdragen van Dick Raaijmakers en Johan van der Keuken, toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat heel wat pogingen om de interdisciplinaire droom te realiseren te lijden hebben gehad van kramp. Ik heb nu afleveringen en teksten in mijn hoofd die zich slechts op de contouren van de ‘andere’ discipline vastpinnen en zich in die zin neerleggen bij de ‘andersheid’ van “fotografie” of “schilderkunst”. Uw reactie? Was er wel genoeg redactionele know how – maar deze term vergruizelt meteen elke goedbedoelde droom – om deze uitstapjes te wagen?

 

10.

Elk tijdschrift lijdt verlies, of het moest “Parkett” heten, een tijdschrift dat betaalbare multiples van kunstenaars-en-vogue aan zijn lezers slijt en er meteen ook wat kunstkritische wierook over doet neerdalen. (Ter vergelijking: per aflevering zou “Raster” een onuitgegeven tekst op een beperkt aantal exemplaren aanbieden voor een vriendenprijsje. Let op: buiten deze exclusieve uitgave en beperkte oplage zou deze tekst verder onuitgegeven moeten blijven.) Tijdschriften maken verlies en worden om die reden gesubsidieerd. Maar laten we wel wezen, als we het bedrag van deze subsidies vergelijken met de middelen die elders vrijgemaakt worden – slechts één voorbeeldje: elke Ford die in Genk van de banden loopt, kan rekenen op 1000 bfr. Vlaamse steun – dan hebben we het eigenlijk over peanuts. Maar zelfs op de financiering van het schaamlapje wordt tegenwoordig heftig gekort! “Raster” wordt gesubsidieerd, maar dan nog moet de uitgeverij geld toesteken, wat krijgt De Bezige Bij van “Raster” terug? Of slaat uw uitgever zo’n toon niet aan? De redacteurs zelf publiceren niet allemaal bij De Bezige Bij, de aangezochte auteurs komen niet per se in het fonds van De Bezige Bij terecht en, omgekeerd, de door De Bezige Bij uitgegeven coryfeeën schitteren niet in “Raster”“Raster” wijdde een volledig nummer aan “De man zonder eigenschappen” van Robert Musil, onmiddellijk nadat Meulenhoff de vertaling had uitgebracht. Hoe flikken jullie dat? Hoe schat je de invloed van De Bezige Bij nu op “Raster” in? En omgekeerd, wat is de invloed van het tijdschrift op de uitgever? Kan u zich indenken dat een literaire uitgeverij geen tijdschrift uitgeeft?

 

11.

Wat zijn uw plannen met “Raster”? Wat zijn uw ambities? Wat wil u zeker nog realiseren? Wanneer houdt u uw activiteit als redacteur van “Raster” voor bekeken? Wat zijn de breekpunten? Hoe staat u tegenover de geprogrammeerde levensduur van een tijdschrift – met als meest markante voorbeeld de korte, hevige maar in de tijd gecalculeerde opzet van “Het Moment”? Stoppen met een tijdschrift, hoe zou het leven er dan uitzien?

 

“Raster” is een driemaandelijkse uitgave van De Bezige Bij, Van Miereveldstraat 1, 1071 DW Amsterdam, 020/673.57.31.

‘Wat hij waardeerde, verdedigde hij met vuur en vlam’

1.

Koen Brams: Denise, in welk gezin groeide jouw echtgenoot Karel Geirlandt op?

Denise Winteroy: Victor Geirlandt, zijn vader, was een fotograaf; Karels moeder, Sidonie De Jonge, deed het huishouden, maar assisteerde haar man ook bij zijn professionele activiteiten. Ze hoorde niet goed en trok zich het liefst terug in de donkere kamer. Ze had ooit een gehoorapparaat gehad, maar dat was haar niet bevallen — het maakte haar zenuwachtig. In de donkere kamer vond ze rust. Karel werd door zijn moeder ‘Carlo’ genoemd; ook anderen gebruikten dat koosnaampje. Karel had een broer, André, die ook actief was als fotograaf. André, die zeven jaar jonger was dan Karel, imiteerde hem aanvankelijk. Ze hadden dezelfde haarsnit en droegen gelijkaardige kledij. André studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.) van Gent. Victor en André hebben eerst samengewerkt; op een gegeven moment heeft André de zaak overgenomen.

K.B.: Waar woonde het gezin?

D.W.: De Geirlandts woonden eerst aan de Vooruitgangsplaats in Ledeberg. Nadien werd dat plein herdoopt tot het Kerkplein, nu kennen we het als Ledebergplein. In het huis was ook de fotografiezaak ondergebracht. Nadat de twee kinderen geboren waren, werd de woonst te klein. Het gezin verhuisde naar een villa in de Peter Benoitlaan in Gentbrugge. Die woning was hun eigendom. Het huis werd tijdens de Tweede Wereldoorlog getroffen door een bom van de Amerikanen. Bij dat bombardement zijn veel slachtoffers gevallen. De villa van de Geirlandts was ernstig beschadigd. De eigendommen die ze nog konden redden, namen ze mee naar een andere woonst, een huurwoning aan de Krijgslaan in Gent. Overdag waren ze in de fotografiezaak in Ledeberg. ’s Avonds gingen ze te voet van Ledeberg naar de Krijgslaan om er te slapen. De zaak was zeven dagen op zeven open, ook op zondagvoormiddag; alleen de zondagnamiddag hadden ze vrij. Vader Geirlandt had een wagen en op zondag trokken ze er vaak op uit.

K.B.: Wat voor iemand was Victor Geirlandt?

D.W.: In zijn vrije tijd was vader Geirlandt vooral met voetbal bezig. Jarenlang hebben wij – Karel en ik – voetbalmatchen bijgewoond; de ene zondag gingen we naar Racing Gent in het Emanuel Hielstadion in Gentbrugge, de andere zondag naar de Gantoise. Victor zat in het bestuur van de Royal Racing Club de Gand. Hij en zijn vrienden troffen elkaar steevast in De Ton in Gentbrugge – een café waarvan de façade de vorm heeft van een biervat. Hij moest langs De Ton gaan als hij naar huis ging. Hij vond klanten in dat café en maakte er soms ook foto’s.

K.B.: Wat voor soort fotografie beoefende Victor Geirlandt?

D.W.: Hij maakte overwegend familiefoto’s. In de maand mei had hij het enorm druk; het maken van foto’s van communicanten was een van zijn specialiteiten. De fotografiewinkel was vlakbij de Schelde gelegen waar steeds een groot aantal boten was aangemeerd. Die schipperslui wilden allemaal foto’s van hun kinderen, vervaardigd door Victor Geirlandt. Ik herinner me dat ik ooit nog een handje heb toegestoken. Het was steeds een enorme klus om al die mensen op de gevoelige plaat vast te leggen. André deed niet alleen portretfotografie; hij maakte ook reportages, onder andere van huwelijken. Zijn werkstukken hadden meer stijl.

K.B.: Waar liep Karel Geirlandt school?

D.W.: Eerst bij de nonnen in een lagere school in Ledeberg. Nadien werkte hij zijn humaniora af. Hij volgde de richting Moderne Talen aan het Sint-Amandusinstituut in Gent en zat in de klas bij de zoon van Albert Servaes. Met hem had hij niet zoveel contact. Ook de zoon van Constant Permeke was een klasgenoot. Karel en Paul Permeke werden zeer goede vrienden. Karel wist boeiende verhalen te vertellen over de vakanties die hij had doorgebracht bij de familie Permeke in Jabbeke. De Permekes hadden vier kinderen: Thérèse, John, Betty en Paul. Paul was de jongste; hij was geboren in Engeland en had de Engelse nationaliteit. Van zijn kant kwam Paul regelmatig bij de ouders van Karel op bezoek. Beide kameraden correspondeerden ook met elkaar. De prilste brieven dateren van 1934, toen Karel vijftien was. Vader Geirlandt hield niet van het werk van Constant Permeke. Die vervormingen stonden hem niet aan. Het was niet ‘natuurlijk’. Victor gaf de voorkeur aan het werk van Piet Lippens, een schilder die zichten van Gent vervaardigde, kanalen, kaaien en dergelijke. Die doeken waren niet vrolijk van aard, eerder grimmig of somber. Dat vond hij zeer goed.

K.B.: Wie waren Karels andere vrienden in die tijd, tussen zijn twaalfde en achttiende levensjaar?

D.W.: Hij kwam goed overeen met een zekere Kurings. Vooral hun vaders waren goede vrienden. Vader Kurings was een majoor; Victor en hij hadden samen in het leger gezeten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Karel heeft nog een relatie gehad met de zuster van zijn vriend.

K.B.: Is Karel in contact gebleven met Paul Permeke?

D.W.: Ja. Het ging niet goed tussen vader en zoon Permeke. Constant wou dat zijn zoon studeerde, maar Paul had daar geen oren naar. Op een gegeven moment is hij van huis weggelopen. Constant nam meteen contact op met Karel omdat hij een goede vriend was van zijn zoon en mogelijk wist waar hij uithing. Dat was echter niet het geval. Paul is ook kunstenaar geworden, zonder echter een academieopleiding te hebben genoten; hij schilderde op zijn Frans, à la Marc Chagall, werken met veel kleuren. We hebben nog een doek van zijn hand gehad – een schilderij van een kermis, met een draaimolen; het hing lange tijd in het bureau van Karel, recht tegenover hem. Later hebben we dat werk verkocht.

K.B.: Het is bekend dat Paul Permeke een groot deel van de Tweede Wereldoorlog in Duitsland heeft doorgebracht.

D.W.: Ja. Wegens zijn Engels paspoort was hij tijdens de oorlog naar Kreuzburg in Duitsland overgebracht. Daar heeft hij vier jaar verbleven. Karel en Paul schreven voortdurend brieven naar elkaar.

K.B.: Was de vriendschap met Paul Permeke het enige voorteken van Geirlandts latere interesse voor beeldende kunst?

D.W.: Neen, zeker niet. Zijn broer André had in de Koninklijke Academie kennisgemaakt met jonge kunstenaars die ook bij de Geirlandts over de vloer kwamen. Zo maakte Karel reeds op jonge leeftijd kennis met onder meer Jan Burssens. Ze hadden reeds contact tijdens de oorlogsjaren. Karel had belangstelling voor beeldende kunst. Hij ging naar tentoonstellingen en had tal van vrienden die ook kunstliefhebbers waren. Een andere goede vriend was Victor Van der Eecken. Victor – Tito voor de vrienden – was als kunstenaar en schrijver actief. Ook Marcel Van de Vijver en Jozef Schaubroeck, beide juristen, behoorden tot de vriendenkring. Karel en zijn vrienden huurden tijdens de oorlog een kamer in het Pand; hij bewaarde er onder meer zijn boeken nadat het ouderlijke huis was gebombardeerd. Ze hielden vergaderingen in die kamer. Ook na de oorlog waren ze er voortdurend te vinden.

K.B.: Wat las Karel Geirlandt in die tijd?

D.W.: Hij was bijzonder geboeid door de Engelse en Amerikaanse literatuur. Er was tijdens de oorlog heel veel sympathie voor de Engelse taal en cultuur. Dat was onvermijdelijk. Het waren goedkope pockets.

K.B.: Karel studeerde rechten aan de Universiteit Gent.

D.W.: Ja, hij vatte die studies aan tijdens de oorlog. Vooraleer hij kon beginnen, moest hij voor de Middenjury verschijnen. Hij had Latijn noch Grieks gehad tijdens zijn humaniora. Professor René Arteel, een classicus, stoomde Karel klaar voor de examens Grieks en Latijn.

K.B.: Was Karel volledig overtuigd van zijn studiekeuze?

D.W.: Neen, hij twijfelde. Wat was de verstandigste keuze tijdens de oorlog? Hij koos uiteindelijk voor rechten, net zoals zijn vriend Jozef Schaubroeck. Karels interesse gold echter niet enkel het juridische. Hij volgde verschillende vakken als vrij student, onder meer kunstgeschiedenis. Hij was breed geïnteresseerd.

K.B.: Tijdens zijn studies bleef hij geboeid door beeldende kunst?

D.W.: Ja, hij bleef kunstenaars frequenteren. Op een gegeven moment vervoegde Jozef Mees, die wat ouder was, de vriendengroep waarvan Karel deel uitmaakte. Karel bezocht de verkoopzaal en galerie Vyncke-Van Eyck. Daar exposeerden jongeren die ‘anders werkten’ dan wat gebruikelijk was. Dat werd elders niet geapprecieerd. In het Museum voor Schone Kunsten was dat soort kunst in ieder geval taboe. Dat was de mentaliteit. Vyncke-Van Eyck was een echte ontmoetingsplaats voor jonge kunstenaars en liefhebbers. Er waren in Gent niet zo heel veel plaatsen waar aandacht was voor hedendaagse kunst. Er waren ook niet zo veel verzamelaars.

 

2.

K.B.: Wat is jouw achtergrond, Denise?

D.W.: Voor mijn huwelijk met Karel woonde ik in Antwerpen. Mijn moeder was huisvrouw. Mijn vader had rechten en notariaat gestudeerd. Mijn ouders hadden drie kinderen, twee meisjes en een jongen. Mijn broer Roger was zeseneenhalf jaar ouder, mijn zus Simone vijf jaar ouder dan ik. Ikzelf ben een jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog geboren. Mijn vader ondervond de nodige moeilijkheden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij had een ongelukkige uitlating gedaan en werd meer dan een jaar vastgehouden in de Kommandantur van de Duitsers te Brussel.

K.B.: Welke taal spraken je ouders?

D.W.: Mijn ouders spraken twee talen: Frans en Brussels. Toen ik acht of negen jaar was, verhuisden we naar Antwerpen. Mijn moeder sprak niet graag Nederlands. Ze kende enkel Brussels. In Antwerpen verstonden ze dat niet. Ze kon zich uit de slag trekken in het Frans. In die tijd werd er zeer veel Frans gesproken in Antwerpen.

K.B.: Waarom verhuisden je ouders naar Antwerpen?

D.W.: Mijn vader had een tijdje in juridische kringen gewerkt, maar besloot op een gegeven moment om journalist te worden. Hij versloeg het algemene nieuws, eerst bij Le Neptune en La Métropole, daarna bij Le Soir en ten slotte bij Le Matin. Die laatste krant sloot het meest aan bij zijn politieke overtuiging. Mijn vader was immers een liberaal. De verhuis naar Antwerpen viel ongeveer samen met zijn debuut als journalist. Mijn vader hield er niet van om achter een bureau te zitten. De journalistiek beoefende hij daarentegen met veel passie.

K.B.: Heb je gestudeerd in Antwerpen?

D.W.: Ja, in het Atheneum, gelegen aan de Mechelsesteenweg, eerst in het Nederlands, daarna in het Frans. Na mijn humaniora heb ik gewerkt in een meubelzaak en daarna – tijdens de Tweede Wereldoorlog – bij de VOZOR, de Vereniging voor Onderlinge Zeeverzekering tegen Oorlogsrisico’s. Vervolgens vond ik een betrekking bij Stas & Loverius, een bedrijf dat gedroogd fruit importeerde. Ik was er actief als secretaresse.

K.B.: Welke activiteiten ontplooide je naast je werk?

D.W.: Ik was actief binnen het I.V.C.A. – het Intercultureel Vrouwencentrum Antwerpen, gehuisvest in de Paleisstraat in Antwerpen. Het I.V.C.A. bestaat nog steeds. Het is een pluralistische vereniging die zich inzet voor de ontplooiing van meisjes en vrouwen. Na de Eerste Wereldoorlog was die organisatie in Antwerpen opgericht als onderdeel van de World YWCA. Ik was er lid van sinds mijn veertiende. Er was een chalet in Louis-Saint-Pierre in de Ardennen waar we konden kamperen. Ik heb daar zeer goede herinneringen aan. Aan mijn activiteiten bij het I.V.C.A. heb ik vele vriendinnen overgehouden.

K.B.: Waar heb je Karel ontmoet?

D.W.: In Antwerpen. Karel deed er zijn legerdienst. Hij begon onmiddellijk na de bevrijding in de 48ste compagnie, die door de Engelsen werd geleid. Sommige van die Britse officieren waren amper achttien jaar en hadden nauwelijks of niet gestudeerd, terwijl Karel als soldaat al 25 was en gedurende de gehele oorlog aan de universiteit had gezeten. Vanaf zijn 21 had hij als student uitstel gekregen om in dienst te treden. Onmiddellijk na de oorlog in 1944 is hij dan aan zijn legerdienst begonnen, terwijl hij zijn examens in zijn laatste jaar nog moest doen. Voor het afleggen van die examens kreeg hij trouwens verlof.

K.B.: Waarom had hij zijn studies niet beëindigd voordat hij aan zijn legerdienst begon?

D.W.: Op het moment van de bevrijding heerste er een enorme chaos. Het was onmogelijk om op dat moment examens te organiseren.

K.B.: Wat waren zijn verantwoordelijkheden tijdens zijn legerdienst?

D.W.: Hij was onder meer redacteur van een krantje voor de soldaten. Daarnaast zorgde hij ook voor de tickets voor de soldaten die een concert of toneelvoorstelling wilden bijwonen. Hij moest dat allemaal regelen in de stad. Om die reden moest hij niet meedoen aan de oefeningen. Hij hield zich bezig met de ‘burgerlijke zaken’ en moest pas om 23.00 uur present zijn in de kazerne. Na zijn militaire dienst heeft hij alle nummers van het krantje verbrand. Ik heb ze in ieder geval niet meer teruggevonden.

K.B.: Was het reeds tijdens jullie verkering duidelijk dat Karel gebeten was door kunst?

D.W.: Absoluut. Op een keer troonde hij me mee naar galerie Breckpot in de Huidevettersstraat in Antwerpen. Er liep een tentoonstelling van Constant Permeke. Karel wou me zijn werk tonen. Ik zal nooit vergeten dat we een vrouw tegen haar man hoorden zeggen dat Permeke kennelijk schilderde met uitwerpselen.

K.B.: Was het de eerste keer dat jij de galerie Breckpot bezocht?

D.W.: Neen, ik was er al eens binnengelopen. Kunst interesseerde me wel. Ik was ervan op de hoogte, maar fanatiek was ik er niet mee bezig. Karel heeft me werkelijk in die wereld ingeleid.

K.B.: Hield Karel contact met Paul Permeke na de oorlog?

D.W.: Ja. Toen Paul terugkeerde, toefde hij voornamelijk in Nederland; hij huwde ook met een Nederlandse, Mies. Ze kregen een zoon, Marc. Nadien woonden Paul en Mies een tijdje aan de Brugmannlaan in Brussel. Wij – Karel, zijn broer André en ik – hebben hem daar meermaals bezocht. Op een gegeven moment vertrouwde Constant Permeke een grote som geld toe aan Karel; hij vroeg hem om dat bedrag in schijven aan Paul te geven. Constant wilde zijn zoon klaarblijkelijk niet in een keer zoveel geld geven. Dat vertrouwde hij niet. Het huwelijk tussen Paul en Mies hield niet lang stand. Hij had nadien een relatie met Suzette.

K.B.: Welke Brusselse galeries bezocht Karel in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog?

D.W.: Onder andere de Galerie Apollo, die werd uitgebaat door Robert L. Delevoy. De galerie was gelegen nabij de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal; Alechinsky heeft er bijvoorbeeld tentoongesteld. Karel was vaak gewapend met een fototoestel. Hij had twee apparaten, een Rolleiflex en een Nikkormat. Ontwikkelen deed hij niet; hij liet dat over aan zijn broer, André, of aan zijn moeder. André heeft ook veel foto’s gemaakt van tentoonstellingen, soms op vraag van Karel. Karel en ik bezochten voorts regelmatig exposities in het Paleis voor Schone Kunsten. Delevoy kwam daar vaak over de vloer. Bij het bezoek aan vernissages leerde je elkaar makkelijk kennen. Je deelde immers dezelfde interesses.

K.B.: Welke andere herinneringen heb je aan de tijd van jullie verkering?

D.W.: In de zomer van 1947 maakten Karel en ik een reis naar Tsjecho-Slowakije. Aanvankelijk zou Karel er alleen naartoe reizen. Op vraag van de Gentse Balie zou hij deelnemen aan het congres van de International Law Association. De 42e Conference of the International Law Association vond van 31 augustus tot 6 september 1947 plaats in de Karelsuniversiteit te Praag. Op een dag kwam hij Fons De Vogelaere tegen. Toen hij hoorde dat Karel naar Praag wilde reizen, suggereerde Fons hem om ook naar het Festival Mondial de la Jeunesse et des Étudiants te gaan. Dat vond eveneens in Praag plaats, van 20 juli tot 17 augustus 1947. 

K.B.: Hoe kende Karel Fons De Vogelaere?

D.W.: Karel kende Fons al een tijdje; wellicht heeft hij hem bij Vyncke-Van Eyck ontmoet. Fons gaf les aan de academie; hij was ook actief als kunstenaar en als journalist. Op Fons’ aangeven schreef Karel mij en zichzelf in voor het Festival Mondial de la Jeunesse, zonder toelating van mijn ouders. Ik moest het thuis gaan uitleggen, ook al was ik reeds 28 jaar oud. Ik had vriendinnen die al getrouwd waren en kinderen hadden, maar ik moest mijn ouders toestemming vragen om naar Praag te reizen. Dat was niet gemakkelijk. Ze vonden dat het geen manieren waren. Maar goed: ik was ingeschreven en er was een voorschot betaald. Ik kon niet anders dan ernaartoe te gaan.

K.B.: Wat was de inzet van het Festival Mondial de la Jeunesse?

D.W.: Het evenement was een beetje socialistisch, zelfs communistisch getint. Alle landen hadden delegaties gestuurd. We reisden met de trein aan halve prijs. Ik denk dat we 1.100 frank betaald hebben om heen en terug naar Praag te reizen. Dat was een spotprijsje.

K.B.: Vanuit Brussel kon je wel reeds naar Praag reizen?

D.W.: Ja, dat was mogelijk, maar het was een lastige trip die om en bij dertig uur duurde. We reisden in tweede klasse en losten elkaar af om te kunnen slapen op de zetels. Goederenvervoer was tijdens de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog de prioriteit, toerisme in ieder geval niet. We moesten vaak stoppen of werden op een zijlijn geparkeerd om de goederentreinen te laten passeren. Het is ongelofelijk wat we tijdens de treinreis in Duitsland gezien hebben. Alles was verwoest; in lege appartementsblokken zagen we de tafels en stoelen nog staan. We hebben onder meer Neurenberg gezien. Dat was verschrikkelijk. Alles was in puin geschoten. We zagen ook veel oorlogsslachtoffers, mensen met slechts een been of een hand.

K.B.: Welke indruk maakte het Festival op jullie?

D.W.: Toen we toekwamen, was het Festival al twee weken bezig. Wij maakten de derde week mee. Het programma werd aangekondigd middels stencils. Er was van alles te zien: volksdansen, spektakels met sabels, vertoningen van Franse films, een muziekconcours… We hebben ook enkele uitstappen gemaakt, onder meer naar de Zlin-regio, waar de schoenenfabrikant Bata gevestigd was. We bezochten onder meer Luhacovice en een bedevaartsoord waar ze op hun blote knieën naar de kerk gaan. Ik reisde op 10 augustus terug naar België. Ik werkte toen immers en had slechts een handvol dagen verlof gekregen. Karel bleef in Praag om de conferentie van de International Law Association bij te wonen. In tussentijd ondernam hij nog een reis per bus naar het Tatragebergte.

 

3.

K.B.: In Kunst in België na 45, het monumentale overzichtswerk dat in 1983 onder leiding van Karel Geirlandt tot stand kwam, is een foto opgenomen van Karel Appel en Corneille ten huize van de Geirlandts.

D.W.: Appel en Corneille – ze waren nog dikke vrienden – kwamen toe op een avond en belden aan op het adres van de Geirlandts, maar Karel bleek niet thuis te zijn. Hij was naar het theater. Appel en Corneille vroegen het adres van het theater en hebben hem opgewacht aan de uitgang. Nadien zijn ze met hem naar zijn huis gegaan. Ze hebben lange tijd bij Karel en zijn ouders gelogeerd. Ze hielpen in het huishouden – ze zouden eender wat hebben gedaan om het de familie Geirlandt naar hun zin te maken. Karel heeft de foto gemaakt die is afgedrukt in Kunst in België na 1945.

K.B.: Waren pa en ma Geirlandt opgetogen over het lange verblijf van de Nederlandse kunstenaars?

D.W.: Neen. Het werkte Victor op de zenuwen dat ze niet vertrokken. Ze weigerden bovendien aan te geven wanneer ze weg zouden gaan. Op een gegeven moment bezocht ik Karel en het was de bedoeling dat ik zou overnachten ten huize Geirlandt. Dat was geen probleem voor de Nederlandse vrienden; ze zijn dan opgestapt. Maar toen ik vertrok, zijn ze teruggekeerd. Corneille verliet de Gentse haard eerst, Appel bleef er nog wat langer ‘plakken’.

K.B.: Wanneer huwden jij en Karel?

D.W.: In februari 1948 zijn we getrouwd en daarna ben ik naar Gent verhuisd. Karel en ik spraken aanvankelijk Frans met elkaar en de kinderen. Onze dochters – Antonia, geboren in 1957, en Olivia, geboren in 1961 – genoten wel onderwijs in een Nederlandstalige school. Op gegeven moment zijn we in het gezin ook Nederlands met elkaar beginnen te spreken.

K.B.: Maakten jullie een huwelijksreis?

D.W.: Ja, onze bestemming was Amsterdam. We hebben er enkele dagen verbleven en er verschillende tentoonstellingen gezien. We bezochten ook het Rijksmuseum. Daar ontmoetten we de kunstpedagoog Jan Schultink die voorlichting aan het geven was aan een schoolklas. Hij gaf op een eenvoudige manier duiding bij de kunstwerken en had bijvoorbeeld aandacht voor de illusie van het licht. Bijzonder was dat hij de kinderen uitnodigde om te formuleren wat ze zagen. Nadat hij zijn rondleiding had afgerond, hebben we met hem gesproken. Hij zei onder meer dat het zeer plezierig was om te werken met kinderen, ‘want die komen dan terug met hun ouders’. Hij voegde eraan toe dat de kinderen hun ouders op dezelfde manier begeleidden als hij dat met hen deed. We wisselden adressen uit en bleven met hem in contact.

K.B.: Welke andere herinneringen heb je aan de huwelijksreis?

D.W.: Karel heeft Appel ontmoet in Amsterdam; ik was daar niet bij want ik was in het hotel gebleven. ’s Avonds spraken we af in La Gaîté – Karel en ik, Appel en Corneille. Eerst wisten we niet wat voor etablissement dat was. De Nederlanders spraken de naam op zo’n manier uit dat we geen flauw vermoeden hadden waar we terecht zouden komen.

K.B.: Waar woonden jullie in Gent?

D.W.: We betrokken het huis in de Krijgslaan dat de familie Geirlandt had gehuurd nadat hun huis in Gentbrugge tijdens de oorlog was verwoest. Toen de villa was hersteld, verhuisde het gezin Geirlandt er opnieuw naartoe. Omstreeks dat moment zijn Karel en ik gehuwd en hebben we het huurcontract overgenomen. De eigenaar – de Burbure – woonde er recht tegenover. De huurwoning bevond zich boven een garage die eveneens aan hem toebehoorde; op de benedenverdieping was een wachtkamertje, een kleine vestiaire en een toegang tot de kelder. Op de eerste verdieping was de keuken, de eetkamer en een bureau, waar Karel kantoor hield.

K.B.: Na zijn legerdienst ging Karel aan de slag als advocaat. Hoe verliep de start van zijn carrière?

D.W.: Hij moest eerst drie jaar stage doen. Zijn eerste ‘patron’ heette Desaegher, zijn tweede Limpens. Die oudere advocaten – vooral Jean Limpens – eisten van hem dat hij zich uit de naad werkte. Hij moest de stiel leren en de nodige opzoekingen doen. In die tijd pleitte hij al een aantal eigen zaken, maar hij had nog geen kantoor. De eerste zaak die hij ter harte heeft genomen, betrof de naam van zijn familie. Uit documenten had Karel kunnen afleiden dat deze oorspronkelijk met ‘ei’ was geschreven. Op zijn geboorteakte stond echter ‘Geerlandt’. Hij heeft een zaak aanhangig gemaakt om die administratieve vergissing recht te zetten. Hij deed het nodige onderzoek en won het pleit. De naam is vervolgens gewijzigd.

K.B.: Wat was zijn specialisme eenmaal hij met een eigen kantoor begon?

D.W.: Hij deed voornamelijk handelszaken voor het Hof van Beroep. Hij werkte eerst alleen. Een associatie was in die dagen eerder ongebruikelijk. Op een gegeven moment is hij toch beginnen samen te werken met een confrater, Paul Devos. Vervolgens beslisten ze om tot de oprichting van een associatie over te gaan.

K.B.: Wie was Paul Devos?

D.W.: Hij was een liefhebber van juridische boeken. Hij deed graag opzoekingen; voor kunst interesseerde hij zich hoegenaamd niet. Hij deed niet liever dan het opsporen van oude vonnissen. Karel had daar eigenlijk een broertje aan dood. Ze vulden elkaar dus perfect aan.

K.B.: Hadden Paul Devos en Karel samen gestudeerd?

D.W.: Neen, niet dat ik weet. Ze hadden een associatie, maar ze werkten nog niet in hetzelfde gebouw. Er was immers te weinig plaats in het pand aan de Krijgslaan. Ik denk dat Karel en Paul hebben samengewerkt totdat Paul magistraat werd, maar zeker ben ik daar niet van.

K.B.: Heeft Karel ooit assisenzaken gepleit?

D.W.: Nee, al is er eventjes sprake van geweest. Gelukkig ging hij een andere richting uit! Hij zou in een heel andere wereld terecht zijn gekomen mocht hij toch assisenpleiter zijn geworden. Bij de assisenpleiters waren echter ook kunstliefhebbers, zoals zijn latere vennoot John Bultinck.

K.B.: Was Karel graag advocaat?

D.W.: Zonder enige twijfel. Hij deed het met hart en ziel. Op een gegeven moment werd hij door Jean Eeckhout, voorzitter van de Franstalige afdeling van de balie, uitgenodigd om een lezing te geven bij het begin van het juridisch jaar. Ik geloof dat het in 1949 was. Jean Eeckhout was de broer van Paul Eeckhout, die een opleiding tot architect genoten had en conservator werd van het Museum voor Schone Kunsten van Gent.

K.B.: Welke lezing gaf jouw echtgenoot?

D.W.: De Conférence du Jeune Barreau de Gand handelde over de zaak Georges Rouault. Na de dood van zijn galerist, Ambroise Vollard, had de Franse schilder Rouault een rechtszaak aangespannen tegen diens erfgenamen met het oog op het recupereren van zijn werken. Rouault won het proces en kreeg zijn werken terug, die hij vervolgens vernietigde. Karel beschikte over het volledige dossier van het proces dat hem door een Franse advocaat was bezorgd. Hij bracht die lezing met brio. Hij heeft de voordracht meermaals herhaald, in 1953 bijvoorbeeld in de Rally St.-Christophe in Deurle op uitnodiging van de Table Ronde de Gand. De lezing was enkel bestemd voor de leden van de Table Ronde de Gand waarvan alleen mannen lid konden worden.

K.B.: Wat was de Table Ronde de Gand? 

D.W.: Het was een serviceclub zoals de Rotary. Karel heeft ook meegedaan aan een welsprekendheidswedstrijd die georganiseerd was door de Nederlandstalige afdeling van de Balie. De Nederlandstalige afdeling was grotendeels van katholieke gezindte, de Franstalige eerder liberaal, al was Jean Eeckhout dan weer katholiek. Karel deed mee aan de wedstrijd en won de eerste prijs. Een prijsuitreiking is er niet geweest. Hij kreeg wel een chèque van 5.000 BEF, die bezorgd werd via de post.

K.B.: In het archief van Karel Geirlandt heb ik een document gevonden waaruit blijkt dat Karel en zijn vriend Jozef Schaubroeck in 1949 een tentoonstelling van Francis Picabia hebben bezocht in Parijs. Van die expositie herinnerde hij zich vooral het werk Tabac-Rat. Je echtgenoot maakte er een schets van. Ze hebben ook veel theatervoorstellingen bijgewoond. Was jij daar ook bij?

D.W.: Ja, in het Théâtre Marigny zagen we het stuk Les Fourberies de Scapin van Molière, opgevoerd door de Compagnie Renaud-Barrault van Madeleine Renaud en Jean-Louis Barrault. We hebben in die dagen ook Serge Reggiani aan het werk gezien. We waren in Parijs omdat er een uitwisseling was georganiseerd tussen de Balies van Gent en Parijs. We woonden onder andere een bal bij dat georganiseerd was door de stafhouder van de Parijse Balie. We zijn toen drie dagen in Parijs geweest. Er was ook een uitstap naar Dijon. In Parijs hebben we een aantal Nederlandse advocaten ontmoet. Gedurende drie dagen zagen zij hun bed niet. De toenmalige stafhouder van Antwerpen had gevraagd om die Hollanders alle hoeken en kanten te laten zien van Parijs: ‘Il faut un peu dévergonder ces Hollandais.’ Later – een paar maanden nadien – waren we in Den Haag en liepen we de Nederlandse confraters opnieuw tegen het lijf. Ik zei: ‘We kennen mekaar van Parijs.’ De Nederlanders trokken een lang gezicht. Over Parijs is er niet meer gesproken. Ik had er plezier in om altijd terug over Parijs te beginnen. Karel had me al een duw gegeven om aan te geven dat ik ermee moest stoppen, maar dat kon ik niet. Ze hadden enorme schrik dat ik aan hun vrouwen iets over hun wedervaren in Parijs zou zeggen, wat helemaal niet mijn bedoeling was.

 

4.

K.B.: In het najaar van 1948 werd Karel Geirlandt voorzitter van de Gentse sectie van de Vrienden van de Kunst/Les Amis de l’Art, een Belgische vereniging die in datzelfde jaar in Brussel was opgericht. Het is bekend dat Jan Walravens een brief stuurde aan Karel om hem te vragen een Gentse afdeling op te richten.

D.W.: Dat klopt, maar volgens mij was het Robert Delevoy, voorzitter van de nationale vereniging, die Karel als kandidaat-voorzitter van de Gentse afdeling naar voor had geschoven. Jan Walravens was gevraagd om na te gaan of Karel interesse had. Dat bleek het geval.

K.B.: Had Karel Geirlandt reeds contact gehad met Jan Walravens?

D.W.: Ik weet haast zeker dat Karel al voor de oprichting van de Vrienden van de Kunst/Les Amis de l’Art kennis had gemaakt met Walravens. Mogelijk gebeurde dat reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog.

K.B.: Het Gentse initiatief werd gedragen voor Karel Geirlandt, Victor Van der Eecken, Robert Rubbens en Leo Aerts. Wie was Aerts?

D.W.: Leo had ook rechten gestudeerd en was een advocaat. Een formidabele man! Op een gegeven moment zou hij een tekst aanleveren voor een revue die door de jonge advocaten zou worden opgevoerd in een oud pand dat zich op de hoek van de Kouter bevond. In dat pand vonden ook activiteiten van de Sint-Sebastiaansgilde plaats, waar Karel lid van was. De vergaderingen over die revue, die vaak tot in de late uurtjes duurden, gingen door in ons huis. We hebben toen veel plezier beleefd, met zinspelingen op tal van advocaten en magistraten. Toen puntje bij paaltje kwam en Leo gevraagd werd om zijn tekst in te leveren, verzon hij een smoes. Hij heeft nooit een tekst afgegeven. Hij is nadien getrouwd met een vrouw uit Verviers en ook naar daar verhuisd. De vrouw kwam uit zeer vermogende middens. Ik geloof dat het echtpaar twee dochters kreeg.

K.B.: Victor Van der Eecken was een jeugdvriend van Geirlandt. Wie was Rubbens?

D.W.: Hij was een architect. Ik herinner me niet zoveel over hem. Wel weet ik dat Karel hem nog in contact heeft gebracht met Armand Hacquaert, die toen Schepen van Onderwijs en Schone Kunsten van de Stad Gent was. Het valt me nu te binnen dat Van der Eecken zijn brood verdiende als antiquair en decorateur. Eerder – in 1947 – was Tito betrokken bij de kunstenaarsgroep La Relève waarvoor Karel ook hand- en spandiensten verrichtte.

K.B.: De Gentse activiteiten van de Vrienden van de Kunst – waaronder lezingen van Abbé Maurice Morel, Emile Langui, Jan Cox en Luc Haesaerts, en het debat Stromingen der hedendaagse Vlaamse schilderkunst gingen onder meer door in zaal Constructa…

D.W.: …dat was een centrum voor architecten, gelegen aan de Recollettenlei, niet ver van de Cercle Artistique et Littéraire, waar overigens ook enkele activiteiten van de Vrienden plaatsvonden.

K.B.: De lezing van Jan Cox over de schilderkunst in Amerika werd gehouden op 19 december 1949. Het was meteen de laatste activiteit van de Vrienden van de Kunst. Waarom heeft de vereniging slechts een goed jaar bestaan?

D.W.: Op die vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik weet wel dat Karel de kunstactualiteit op de voet bleef volgen. De kunst liet hem niet los, maar hij had een druk professioneel leven. Zijn advocatenpraktijk slorpte hem haast volledig op. Hij hielp ook bij het organiseren van allerlei sociale activiteiten in juridische middens. Er waren bijvoorbeeld de bals en revues van de advocaten. Tijdens de revues werden alle magistraten erdoor gesleurd – de advocaten bleven wel vriendelijk, want de dag nadien moesten ze weer voor hen verschijnen!

K.B.: In 1953 werd Karel Geirlandt lid van de Commissie van het Oudheidkundig Museum van Gent. Het is bekend dat de zetels in de commissie verdeeld werden onder de partijen die in de Gemeenteraad zaten. Namens welke partij zetelde Karel Geirlandt in de commissie?

D.W.: Hij vertegenwoordigde de liberale partij. Bij de liberalen was Paul Verschoore actief. Karel kende Paul zeer goed. Ze ontmoetten elkaar regelmatig in het gerechtsgebouw. Paul was ook advocaat, evenals zijn vrouw – zij is later rechter geworden, de eerste vrouwelijke rechter in de Gentse rechtbank van koophandel. De liberale partij vroeg niet beter, want ze hadden geen kandidaten om in de commissies te zetelen. Geen enkele partij had trouwens voldoende kandidaten voor de commissies.

K.B.: Is Karel ooit politiek actief geweest?

D.W.: Neen, alhoewel hij een zeer overtuigd liberaal was en hij een dergelijk verzoek ettelijke malen heeft gekregen. Hij vond het niet interessant om op een lijst te gaan staan. Hij wou geen vrienden verliezen die een andere politieke overtuiging hadden. Karel is voor de liberale partij wel heel lang hoofdgetuige geweest voor de stembureaus bij de verkiezingen.

K.B.: Vanaf wanneer had hij die verantwoordelijkheid?

D.W.: Hij deed dat al voordat ik met hem kennismaakte. Vanaf een bepaald moment stak ik zelf ook een handje toe. We legden dat zeer goed aan boord. We zorgden ervoor dat de getuigen – vooral diegenen die van ’s morgens vroeg aanwezig moesten zijn in de stembureaus in de scholen – vlakbij het bureau woonachtig waren zodat ze zich niet ver dienden te verplaatsen. We hadden uitgezocht waar de getuigen woonden en welke bureaus het dichtst bij hen in de buurt waren.

K.B.: De oudste bekende tekst over beeldende kunst van Karel Geirlandt dateert van 1954. Hij schreef hem naar aanleiding van een tentoonstelling van Roger Raveel in Het Gents Meubel…

D.W.: …dat was een meubelwinkel waar ook tentoonstellingen plaatsvonden. Karel droeg een kort tekstje bij aan een bescheiden publicatie. Het is de eerste tentoonstelling van Roger Raveel die ik me herinner.

K.B.: Was dit de eerste tekst van Karel?

D.W.: Neen, hij was al veel langer aan het schrijven over kunst. Toen hij zijn legerdienst deed, publiceerde hij al in een blaadje. Wellicht deed hij dat voordien reeds. De vroege teksten heeft hij allemaal verbrand, vermoed ik.

K.B.: Het Gents Meubel was een initiatief van Edmond Dutry. Edmond Dutry en Karel Geirlandt hebben samen geijverd voor de bescherming van de Sint-Pietersabdij. Waren ze bevriend?

D.W.: Edmond Dutry was een stuk ouder dan Karel. Vrienden waren ze niet, maar toen Dutry en Karel ter ore was gekomen dat men de Sint-Pietersabdij wilde afbreken, besloten ze om de handen in elkaar te slaan. Ze richtten een comité op dat ijverde voor het behoud en de restauratie van de abdij. Laurent Merchiers was toen burgemeester van Gent. Hij werd als eerste benaderd, maar hij had geen tijd. Dan werd de vrouw van de burgemeester, ook een advocate, gepolst, maar dat liep evenzeer op niets uit. Hun dochter studeerde rechten; Karel kende haar en vroeg haar om samen een bezoek aan de abdij te brengen. Ze was buitengewoon enthousiast en heeft mee haar schouders gezet onder de bescherming, die uiteindelijk ook gerealiseerd is. Meer nog: het gebouw is hersteld in oorspronkelijke staat met de hulp van talloze oudere werkloze ambachtslui. Zij ontvingen een som geld bovenop hun werkloosheidsuitkering. Er werd keihard gewerkt. De inhuldiging van de gerestaureerde abdij was een onvergetelijke gebeurtenis. Alle mensen die bij de restauratie waren betrokken, tekenden present, samen met hun familie. Het was ‘hun abdij’ geworden. Adelbert Van de Walle, directeur van het Museum voor Sierkunst in de Jan Breydelstraat, kreeg het gezag over de Sint-Pietersabdij. Vanaf de inhuldiging van de abdij werden er tentoonstellingen georganiseerd. Ook de befaamde Forum-tentoonstellingen (1961, 1962, 1963) vonden er plaats.

K.B.: Hebben Karel Geirlandt en Edmond Dutry zich ook ingezet voor het behoud en de restauratie van Het Pand?

D.W.: Ja, ze hebben zich ook het lot van Het Pand aangetrokken. Met succes: het gebouw werd gerestaureerd en is later door de Universiteit Gent aangekocht.

K.B.: In het begin van de jaren vijftig was Geirlandt dus voornamelijk actief als verdediger van het historische patrimonium in Gent?

D.W.: Dat klopt, maar hij volgde onverminderd en enthousiast de tentoonstellingen van hedendaagse kunst. Er waren toen geen 36 openingen van tentoonstellingen op een dag. Als er een vernissage was, dan was iedereen bij wijze van spreken aanwezig. Een opening was een evenement. We begonnen ook kunst te verzamelen. We hadden onder meer een schilderij van Constant Permeke – Elodie getiteld – en een tekening van een boer van hem. We bezaten een Afrikaans masker, dat we in Galerie Elmar in de Lange Kruisstraat in Gent hadden gekocht. Het was soms een bevlieging. We hadden weinig geld. We hebben nadien ook stukken verkocht om recentere werken te kunnen aanschaffen. Elodie van Permeke hebben we bijvoorbeeld van de hand gedaan. Rond 1955 begon Karel ook les te geven over kunstgeschiedenis en moderne kunst aan het Institut de Gand.

K.B.: Wat was het Institut de Gand?

D.W.: Het ging om een privéschool gelegen aan de Nederkouter waar middelbaar onderwijs werd gegeven. Het was een liberaal bastion. Het onderricht gebeurde aanvankelijk volledig in het Frans. Wellicht heeft Karels bekendheid met enkele liberale vrienden – meer bepaald Roger Pernot, een belangrijk man in liberale kringen – ervoor gezorgd dat hij gevraagd werd om er les te geven. Er bestonden ook zeer goede contacten tussen het Institut de Gand en het Franse Consulaat. Het is niet uitgesloten dat het Consulaat ook subsidies verleende aan de school. De vakken Frans werden in ieder geval gegeven door Franstaligen die het Nederlands niet machtig waren. Op het moment dat Karel er les begon te geven, was de school deels overgegaan tot het aanbieden van lessen in het Nederlands. Karel sprak Nederlands met zijn leerlingen. Hij had een grote invloed op hen.

K.B.: Heeft Karel er lang lesgegeven?

D.W.: Hij heeft dat meerdere jaren gedaan.

K.B.: In november 1957 stond Karel Geirlandt aan de wieg van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst. Waarom nam hij dat initiatief?

D.W.: Karel had al zijn gehele volwassen leven de hedendaagse kunst gevolgd en stond met meerdere kunstenaars in contact. Op een gegeven moment raakte hij ervan overtuigd dat de zaak van de hedendaagse kunst op een meer actieve wijze diende te worden verdedigd. Het Museum voor Schone Kunsten had geen of bitter weinig aandacht voor de actuele kunst. Hij vond dat er een specifiek instituut voor de levende kunst moest worden opgericht. In de hoedanigheid van voorzitter van de Vereniging heeft hij zich hiervoor decennialang ingezet.

K.B.: Hoe is de oprichting van de Vereniging precies verlopen?

D.W.: De stichting is eerst en petit comité – onder vrienden – gebeurd. Nadien zijn in het Staatsblad veel meer namen gepubliceerd van personen die pas na de feitelijke oprichting bij de Vereniging betrokken zijn geraakt. Zelf was ik niet aanwezig bij de allereerste vergadering van de oprichters. In maart 1957 werd onze oudste dochter Antonia geboren. Ik kon niet aanwezig zijn omdat ik geen babysit had gevonden. Na de geboorte van Antonia zijn we overigens verhuisd naar de IJzerlaan in Gent.

K.B.: Wie waren Karels grootste vertrouwelingen in de schoot van de Vereniging?

D.W.: Jan Burssens en zijn broer Herman waren heel belangrijk voor hem. Ook Dan Craet, de schoonbroer van Jan en Herman Burssens, was een goede vriend. Een andere belangrijke medestander was Roger Matthys.

K.B.: Vanaf wanneer kenden zij elkaar?

D.W.: Dokter Matthys woonde in een huis van een cliënt van Karel. Tussen Roger en zijn huisbaas was er een conflict ontstaan. Karel nam de belangen van de tegenpartij waar. Zo hebben ze elkaar leren kennen! Er waren moeilijkheden, maar die zijn uiteindelijk in der minne opgelost. Rogers vrouw, Hilda Colle, had ik leren kennen in de Gentse afdeling van het I.V.C.A. Ik stak daar af en toe een handje toe. Het was heel prettig dat onze echtgenoten zeer goed met elkaar konden opschieten. Roger Matthys was de peter van Antonia, Jan Burssens de peter van Olivia. Die keuzes maken het belang van beide heren voor Karel en onze familie zonneklaar.

K.B.: Opvallend is dat Geirlandt bij de oprichting van de Vereniging op haast dezelfde wijze te werk ging als ten tijde van de stichting van de Vrienden van de kunst. Hij verzekerde zich van de steun van enkele vertrouwelingen en stelde vervolgens een pluralistisch samengesteld steuncomité samen.

D.W.: Dat klopt. Er zijn ook gelijkenissen op programmatorisch vlak. De lezingen en debatten van de Vrienden van de Kunst waren de inspiratiebron voor de zogenaamde up-to-date-avonden van de Vereniging. Sommige sprekers die door de Vrienden waren uitgenodigd zijn nadien te gast geweest tijdens avonden die door de Vereniging werden georganiseerd. Ik herinner me bijvoorbeeld Bob Claessens, die eerder door de Brusselse Amis de l’art was aangezocht om een voordracht te geven.

K.B.: Slotvraag: hoe zou je het karakter van Karel Geirlandt typeren?

D.W.: Karel was een noeste werker met een uitgesproken positieve ingesteldheid. Wat hij waardeerde, verdedigde hij met vuur en vlam. Als hem iets minder of niet aansprak, dan deed hij er het zwijgen toe.

 

Bovenstaande tekst is gebaseerd op vier gesprekken die op 3 maart 2016, 9 maart 2016, 24 maart 2016 en 7 oktober 2016 plaatsvonden in Elsene. Om diverse redenen konden de gesprekken nadien niet verder worden gezet en konden niet alle vragen aan bod worden gebracht. Daarom eindigt de tekst met een vrij summiere beschrijving van de oprichting van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst. Alle gesprekken werden gevoerd in aanwezigheid van Antonia Geirlandt, die de geschreven tekst fiatteerde. Denise Winteroy overleed op 6 juli 2017 te Elsene. Deze bijdrage is tot stand gekomen in het kader van het onderzoeksproject van The Mobile and Temporary Studio for Research and Production over de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst en het Museum van Hedendaagse Kunst, gefaciliteerd door het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.) en de Vrienden v/h S.M.A.K.

Een beweging van veel dingen, in veel verschillende richtingen tegelijk…

Ilse Kuijken: Naast beeldend werk schrijf je ook verhalen. Recent waren videowerken te zien waarin beeld en tekst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De tekst in het videowerk Desert bijvoorbeeld, refereert aan taal in het algemeen, en het Hebreeuws in het bijzonder. Wat betekent taal – of jouw taal – voor jou?

Uri Tzaig: Voor mij is de woestijn de plaats waar de dingen ontstaan. Terwijl in Europa het equivalent daarvan juist de stad is. Wat hier wordt gemaakt aan geestelijk goed, komt voort uit de stad. Dat houdt manieren van denken in en soorten gebaren. In de tekst Desert komen andere kleuren aan bod, andere structuren, andere behoeften. Mijn taal is zelf een weerspiegeling van de woestijn wat betreft het landschap, de geluiden of de structuur. In Desert heb ik het bijvoorbeeld over de wortels van de taal. In het Hebreeuws heeft elk woord drie letters die er de denkbeeldige wortel van uitmaken. Het woord ‘midbar’ dat ‘woestijn’ betekent, heeft dezelfde wortel (d‑b‑r) als het woord ‘dibbur’ dat ‘taal’ betekent. ‘Davar’ heeft ook dezelfde wortel en betekent ‘voorwerp’.

I.K.: Welke betekenis ken je aan die linguïstische verbanden toe?

U.T.: Als ik ‘woestijn’ zeg, dan heb ik terzelfder tijd ‘taal’ gezegd en ‘voorwerp’. Hun gemeenschappelijke wortel is als een echo, zoiets als de oorsprong van de poëzie. Voor mij, als jood of als woestijnbewoner, verschijnt een voorwerp al zodra ik zijn naam heb uitgesproken. Ik hoef het niet meer echt te bouwen, het benoemen op zich volstaat. Hetzelfde zie je in onze synagoges – tenminste in de oorspronkelijke synagoges: ze zijn leeg, en helemaal wit. Terwijl een kerk juist vol staat met beelden en voorwerpen. In het judaïsme was er niets, aanvankelijk, behalve het lezen van de tekst en het stellen van vragen. Wat ik denk, kan ik me niet voorstellen in termen van het maken van een sculptuur wier energie vermeerdert naarmate men ernaar kijkt. Ik wil iets maken dat kan bestaan zonder dat iemand ernaar kijkt. Een beweging van veel dingen, in veel verschillende richtingen tegelijk, zonder climax en zonder middelpunt.

De kunstwereld zet het systeem ‘christendom’ als het ware voort, zowel wat de waarden van de kunst als wat de structuur van de kunstwereld betreft. Ik zie in de musea de duidelijke opvolgers van de kerken, inclusief hun politiek-sociale macht en hun manipulatieve taal: voorstellingen en symbolen, atmosfeer. Desert is een tekst die ik heb geschreven vanuit het gevoel dat mijn oorspronkelijke cultuur, mijn wezenlijke cultuur, daar heel erg van verschilt. En aangezien ik de laatste tijd meer en meer tentoonstel in de christelijke wereld, in Europa of in Amerika en niet in Israël, voel ik de nood om mijzelf of dat-wat-ik-in-werkelijkheid-ben te beschermen, en dat wordt bepaald door de Hebreeuwse taal, of ik kan ook zeggen, door de ‘woestijn’.

Maar ik wil zeker geen confrontatie scheppen tussen het judaïsme en bijvoorbeeld het christendom. Ik wil ook niet spreken in de naam van het judaïsme omdat ik het niet heb over religie. Ik tracht over verschillende bronnen van het onbewuste te spreken, terwijl de kunstwereld er juist voortdurend op uit is alles onder één noemer, alles op één podium te plaatsen waar één heersend discours alles leesbaar, makkelijk leesbaar maakt.

I.K.: Hoe belangrijk is leesbaarheid?

U.T.: Heel belangrijk, tot op zekere hoogte, want ik vind het heel gevaarlijk om één wereld te willen maken. Heel totalitair en volledig ingegeven door economische of religieuze overwegingen. Ik ben er altijd heel erg voor beducht dat wat ik doe of zeg onder dezelfde noemer zal worden gebracht van wat al gekend is. Dat is misschien vanzelfsprekend, aangezien de macht in het Westen blijft en niet in andere delen van de wereld. Draagt de kunstwereld echter niet de grootste mogelijkheid in zich om een taal van verdraagzaamheid te spreken, om iedereen zijn volkomen unieke, eigen taal te laten ontwikkelen? Hoewel elke kunstenaar volkomen uniek is, zijn we toch steeds geneigd alles tot hetzelfde terug te brengen, binnen de witte muren van het museum. Mijn slechtste ervaring totnogtoe betreft het MUHKA, waar mij niet toegestaan werd om een Franstalige versie van mijn werk The Universal Square te laten zien naast een Nederlandstalige.

I.K.: Dus je beschouwt verdraagzaamheid als de afwezigheid van een gemeenschappelijke taal?

U.T.: Ja. Enigszins autistisch. En als het aanvaarden dat de vele verschillen die er zijn juist de schoonheid en de rijkdom uitmaken. Maar het lijkt wel dat we niet meer in staat zijn alle geluidsfrequenties op te vangen, omdat we te veel zijn afgestemd op één soort stem.

I.K.: Niet meer? Was er dan een tijd…?

U.T.: Ja. Toen we kinderen waren.

I.K.: Ja.

U.T.: Misschien.

I.K.: Dat is moeilijk te achterhalen.

U.T.: Maar ik ben ervan overtuigd dat het een belangrijke, positieve kracht is. Vergeet niet dat als je iets aanwijst, je het terzelfder tijd ook voor jezelf verbergt achter je vinger. Als je met kunst iets probeert te bewijzen, overtuig je alleen jezelf dat je bestaat. Wat ik tracht te doen, al slaag ik daar niet altijd in, is een ruimte aan te reiken waar je een tijdlang kunt zijn. Het gaat niet om een beeld dat je onmiddellijk ‘meehebt’. De voetbalmatch die met twee ballen wordt gespeeld, stel ik niet voor als een fantastisch concept waar je dan direct een tekst over kan schrijven in termen van bi-taligheid, bi-seksualiteit, bi-wat-dan-ook, wat sommigen al wel hebben gedaan. Het materiaal is er misschien voor aanwezig. Ik zou er een sterk, conceptueel, politiek idee van kunnen maken, maar ik zoek juist het punt waar het een coherente leefeenheid op zich wordt, waar de structuur – het skelet – een zichtbaar onderdeel van het gegeven is geworden, minstens zo zichtbaar als de kleren die het draagt. Ik geloof dat enkel door het bewustzijn en de aanvaarding van de structuur voor de toeschouwer een plaats kan gecreëerd worden om daar ook te zijn en dat ook te beleven.

I.K.: Het is moeilijk om jouw werken achter te laten of te onderbreken. Je wordt gegrepen, bijna zelfs gehypnotiseerd.

U.T.: Dat is zo.

I.K.: Hoe komt dat?

U.T.: Het was niet mijn bedoeling om te hypnotiseren – ik beheers die techniek niet – maar tijdens het afgelopen jaar heb ik op de een of andere manier dat moment ontdekt, nadat ik me had verdiept in de problematiek van het lezen, uitgaande van de noodzaak om een reële plaats aan te bieden. Die leestijd is een plaats geworden. Hypnose als valstrik interesseert mij niet. Ik heb wel het gevoel dat het een manier kan zijn om een plaats aan te bieden. Dat het een kwestie is van ademhaling. Misschien ben ik wel meer bezig met meditatie dan met hypnose. Maar nu doe ik uitspraken over een gebied dat ik zelf niet ken.

I.K.: Je verhalen hebben het karakter van steeds weer leeg achtergelaten ontmoetingsplaatsen.

U.T.: Er is in feite niets gebeurd. Ik heb theater gestudeerd en theater heeft één gouden regel. Je moet leren dat je als acteur een verlangen hebt, maar een verlangen dat niet kan worden ingelost. Die spanning moet de acteur het hele stuk door weten te bewaren. Op die energie is het theater gebouwd. En als je het stuk neemt en je verdeelt het in ongeveer net zoveel maten als er woorden zijn, dan moet de acteur in elke maat weten wat hij van zijn partner op het podium verlangt en waarom hij dat niet kan verkrijgen. Dan volgen er conflicten, en ik geloof niet in het conflict. Ik geloof wel in heel gecompliceerde structuren die op elk moment kunnen veranderen. Het probleem is dat de mythe in stand wordt gehouden dat er steeds twee kampen zijn die iets verschillends van elkaar willen. Dat is niet alleen een mythe, maar ook een dwaas, oppervlakkig en vooral heel manipulatief gezichtspunt, en meestal een heel rechtstreekse manier om iets van religieuze aard te bekomen. Naar mijn gevoel is ook het theater gebaseerd op de behoefte om te controleren, om iets duidelijk te maken op een zeer snelle en zeer volledige manier.

Ik beschouw de wereld als een plaats waar vele dingen gebeuren op hetzelfde moment en ik moet mij van dat alles bewust zijn, ook wat mijzelf en mijn levenswijze betreft. Het zou heel verkeerd zijn om het conflict tussen Israël en de Arabische wereld open te gooien zolang je het enkel omschrijft als een conflict tussen twee kampen. Dat is misdadig en zal nooit het probleem oplossen, tenminste niet voordat duidelijk is geworden hoeveel verschillende noden er in het spel zijn, gaande van persoonlijke noden van mensen in bepaalde posities, tot religieuze en aardrijkskundige noden. Deze benadering is  voor mij heel wezenlijk geworden.

I.K.: In jouw films fascineert de wijze waarop de mensen zich – bijna al dansend – voortbewegen, hoewel ik vermoed dat het geen dansers zijn.

U.T.: Nee, maar ik ben wel geboeid door verschillende manieren van bewegen. Sport vind ik om die reden een ideaal veld om mee te experimenteren: heel duidelijke spelregels, een lange geschiedenis en een sterke verankering in de cultuur. Als ik een tweede bal in het voetbalspel breng, dan benieuwt het mij hoe de spelers zullen reageren, welke ervaring ze opdoen en hoe zij in die ervaring een nieuwe gewaarwording van zichzelf krijgen. Mijn bedoeling is niet om chaos te veroorzaken, want dit is geen chaos maar een nieuwe structuur, die misschien een nieuw evenwicht schept, een nieuwe manier van lezen en een nieuwe manier van schrijven. Ik heb bijvoorbeeld de twee beroemdste Israëlische commentatoren uitgenodigd om de voetbalmatch te verslaan. Ik was benieuwd om te zien hoe zij een tekst ‘schrijven’ die twee verhalen tegelijkertijd vertelt. Om hun antwoord te zien op de vraag hoe zo’n tekst gelezen en geschreven kan worden. En ik heb de beste sportregisseur gevraagd om een montage te maken, live, van de beelden van de verschillende camera’s op het veld. Ik wilde niet mijn eigen, esthetische, MTV-achtige video draaien.

Een ander project is het basketbal-spel, waarin elke speler wordt voorgesteld door twee schaduwen – twee ‘handen’, als je wil – de ene rood en de andere groen, zoals in sommige kleurafdrukken of hologrammen. Als je dat vergelijkt met de traditionele voorstelling van een figuur met zijn schaduw waarbij de schaduw steeds de figuur volgt of ernaar verwijst, dan zie je dat er hier geen ‘origineel’ is en al evenmin een ‘schaduw’, want de twee zijn volkomen gelijk. Je kunt de ene net zo goed volgen als de andere, hoewel het toch één en dezelfde persoon is. Het doet helemaal niet schizofreen aan, want beiden doen precies hetzelfde.

I.K.: Ik zag het als een elastiek die wordt uitgerokken en pas als de spanning is gelost weer één beeld vormt.

U.T.: Als het beeld stilstaat, is er slechts één, bruin beeld. Als de spelers beginnen te lopen of de camera beweegt, ontstaat er een vertraging van twee seconden tussen het ene en het andere beeld. Zo wordt de indruk gewekt van dat uitgerokkene. Ik hou vooral van de manier waarop twee gelijke maar afzonderlijke delen een figuur of een persoonlijkheid portretteren. Terwijl een figuur met zijn schaduw naar mijn gevoel toch weer de voorstelling oproept van een voor- en een achterkant, of het bewuste en het onbewuste, van tegengestelde termen van een onmiddellijk leesbaar systeem.

I.K.: Als je het hebt over regels, dan heb je het eigenlijk over de fysieke omgeving. Niet over ethische regels.

U.T.: Natuurlijk doel ik op ethische regels, maar als ik experimenteer, probeer ik veronderstellingen te vermijden die de betekenis op voorhand zouden vastleggen. Dus vind ik het juister om in mijn werk fysieke omstandigheden te creëren die je laten zijn wat je bent in die omstandigheden. Ik ben ervan overtuigd dat het lichaam weet, net als de hersenen, en dat het lichaam een ander, fysiek soort geheugen heeft. Het is een ander systeem waar je net zo goed mee kunt werken. Door te experimenteren binnen het kader van de sport wil ik loskomen van wat we al kennen, van de rol die ons wordt toebedeeld in dit spelveld, en aansluiting zoeken bij het fysieke weten van onszelf, dat veel breder en veel ronder is dan onze opvoeding het ons heeft leren gebruiken. Ik geloof dat ons lichaam zelf een bal is maar dat we geleerd hebben het op te delen in een voor- en een achterkant. Ik zoek naar manieren om aan te sluiten bij fundamentele lichamelijke overlevingsmogelijkheden. Ik gebruik soms het voorbeeld van de oorlogszone, waarin er tal van vijanden zijn, niet alleen die ene waar je op afgaat. Je moet evengoed achterom kijken als voor je uit. Je moet je net zo goed rekenschap geven van de projectielen die van bovenaf komen, als van het gewicht van je rugzak, en van het feit dat je uit angst in je broek hebt gepist. Dat worden allemaal vijanden en daarvan moet je je bewust zijn. Als ik spreek over verdraagzaamheid of over het opgeven van controle, of over het creëren van een spel dat elke minuut verandert en iets nieuws brengt, dan spreek ik niet enkel over een fysiek bewustzijn maar ook over een ethisch bewustzijn.

I.K.: De voetbalmatch en het spel met de drie spelers en de drie ballen zijn eigenlijk uitnodigingen tot identificatie met de bal?

U.T.: Je kunt de bal niet controleren. Hij kan naar vele kanten rollen en geeft zo aanleiding tot improvisatie. Hij neemt je mee naar plaatsen waar je je niet op voorbereid hebt. Dus moet je eigenlijk de bal vertrouwen. Voor mij is het ook de vraag hoe ik als kunstenaar of als regisseur met mensen kan werken: hoe ik iets in beweging kan zetten.

I.K.: Op een bepaalde manier is het een provocatie.

U.T.: Op welke manier?

I.K.: …omdat je mensen in een situatie brengt die ze niet verwachten en waar ze niet op voorbereid zijn

U.T.: Het is een spel. Het is niet gemaakt voor mijn videocamera maar voor het veld en voor diegenen die willen spelen. Dat is een heel belangrijk onderscheid. Ik zie mijzelf niet als iemand die de film maakt of van bovenaf dirigeert. Ik zie mijn rol als het aanreiken van een uitdaging. Wat als er plots twee ballen op je af komen of er ligt daar een bal rustig aan de kant en je hoeft helemaal niets te doen? Het gaat om jouw verantwoordelijkheid om op elk ogenblik te kiezen wat je volgende stap zal zijn. Het ding zelf ontwikkelt zich in verschillende richtingen, volledig onafhankelijk van mij. Ik ben enkel getuige. Na het besef dat we niet langer het beeld kunnen vertrouwen (net zomin als het geschreven woord), is het relevanter om nieuwe soorten leefeenheden te scheppen en uit te vinden, die nieuwe experimenten zullen toelaten doorheen de werkelijke tijd en ruimte.

I.K.: Je schrijft nog steeds verhalen?

U.T.: Ja.

I.K.: …als een afzonderlijke bezigheid?

U.T.: Meestal niet. Nu ben ik een verhaal aan het schrijven dat geen onmiddellijk verband heeft met mijn beeldend werk. In het verhaal gebeurt het meeste onder water – waar men ook woont, het is geen verhaal over duikers of zo. Waarschijnlijk omdat het weer een nieuwe structuur aanbiedt en ik benieuwd ben wat voor taal, wat voor bewegingen en gebaren, wat voor plaats en wat voor verhoudingen er dan opduiken. Nu ik dat aan het schrijven ben, krijg ik veel visuele ideeën die over water gaan. Daar zal zeker wel een verband tussen zijn. Er zijn maar heel weinig zaken die ik uitwerk in beeldende projecten, zoals het voetbalspel. Het merendeel van wat ik doe, neemt eerder de vorm aan van notities. Ik neem nota’s en soms werk ik ze uit.

 

Een solotentoonstelling van Uri Tzaig loopt nog tot 8 november in Galerie Mot & Van den Boogaard, Antoine Dansaertstraat 46, 1000 Brussel, 02/514.10.10. Eerder was werk van Uri Tzaig te zien in This is the show and the show is many things (Museum van Hedendaagse Kunst, Gent) en Out of senses (MUHKA, Antwerpen).

Interview met Hilda Ide, dochter van René Ide (1905-1969), eerste ondervoorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst

Koen Brams: Je vader, René Ide (1905-1969), was de eerste ondervoorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (V.H.M.K.). Wat was zijn beroep?

Hilda Ide: Mijn vader heeft tal van jobs gehad. Hij werkte onder andere in een bank. Hij had geen diploma, maar hij sprak meerdere talen: Nederlands — uiteraard — maar ook Frans, Engels, Duits en Spaans. Rond 1930 werd vader bediende, later zaakvoerder bij Dhondt Gebroeders, een import- en exportfirma van plant- en eetaardappelen. Jules Dhondt, selfmade man zoals vader, was een van de beheerders. Ten slotte nam vader de zaak over.

K.B.: Jules Dhondt en zijn vrouw, Irma Dhaenens, zijn de oprichters van het museum dat nog steeds hun naam draagt.

H.I.: Dat klopt. Hun enige zoon was jong gestorven en het echtpaar, begunstigers van kunstenaars, bracht hun rijke collectie, vooral Vlaamse expressionisten, onder in een museum op het terrein achter Zodenhof, hun villa aan de Leie in Deurle.

K.B.: Was je vader een bepaalde politieke overtuiging toegedaan?

H.I.: Vader was een overtuigd socialist, humanist en atheïst. Hij was lid van de partij, van de Socialistische Studiekring en later van het Humanistisch Verbond.

K.B.: Wat was de Socialistische Studiekring?

H.I.: Het was een vereniging die elke dinsdagavond vergaderde in het Feestlokaal Vooruit. Socialistische mandatarissen kwamen er, maar ook professoren onder wie Herman Balthazar, Armand Hacquaert, Hein Picard en Elie Bogaert, de musicoloog Jan Broeckx, de architect Georges Bontinck, de promotor van de expressionisten Emile Langui en later de pianist en componist Claude Coppens. Er werd gedebatteerd over politieke hete hangijzers en socialistische ideologie, over cultuur in socialistisch perspectief. Op een gegeven moment begon ik ook de vergaderingen bij te wonen.

K.B.: Wat bewoog je daartoe?

H.I.: Ik was actief in de vakcentrale ACOD (sector onderwijs), een afdeling van de socialistische vakbond ABVV. Ik ben latiniste, werd lerares in het Secundair Onderwijs en assistente aan de Universiteit Gent voor didactiek der oude talen, omdat ik alleen toekomst zag in de studie van Latijn als deze niet alleen methodologisch, maar ook inhoudelijk anders werd aangepakt. Daarnaast heb ik me steeds geëngageerd voor vrouwenrechten. In België verwierven vrouwen pas in 1948 volwaardig stemrecht, voordien mochten ze enkel stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Kan je je dat voorstellen? Ik verdiende bovendien veel minder dan een mannelijke collega die hetzelfde diploma had behaald en lesgaf in dezelfde klassen. Ik was ook secretaresse voor internationale betrekkingen bij de Belgische afdeling van de Vereniging der Universitaire Vrouwen. Maar genoeg over mij.

K.B.: Had je vader nog andere activiteiten?

H.I.: Vader zette zich vooral in voor de socialistische culturele actie, op velerlei terreinen. In 1945 stichtte hij Leesclub Boekuil, genaamd naar de dagelijkse rubriek van Raymond Herreman in het dagblad Vooruit. Vader bleef de begeesterende voorzitter tot het einde in 1960. Het doel van Leesclub Boekuil was de promotie van de Vlaamse literatuur. De Leesclub organiseerde wekelijkse voordrachten van auteurs. Haast alle Vlaamse literatoren zijn naar Gent gekomen. Ook Nederlandse schrijvers, zoals Ferdinand Bordewijk, Albert Helman, Anna Blaman en Bertus Aafjes, kwamen spreken. Jaarlijks was er, met de steun van het Frans consulaat, een Franstalige voordracht, bijvoorbeeld van Jean Bruller, die publiceerde onder het pseudoniem Vercors. Een jaarlijks concert met jonge beginnende musici bracht afwisseling. Vader las zeer veel — in vijf talen — en had een enorme bibliotheek. Hij werd bevriend met veel auteurs, die op zaterdagavond langskwamen, bleven slapen en op zondag de discussies voortzetten, soms tot na de lunch! Richard Minne was een vriend aan huis en ook de andere auteurs die betrokken waren geweest bij het tijdschrift ’t Fonteintje kwamen langs. Ik mag geen namen noemen, er zijn er te veel. Hugo Claus gaf zijn eerste voordracht in Gent voor Leesclub Boekuil. Louis Paul Boon kwam gezapig vertellen of las voor — daar Boontje geldgebrek had, gaf vader ook een werkje van hem uit voor de leden. Willem Elsschot, Gerard Walschap, Marnix Gijsen en zoveel anderen werden vrienden.

K.B.: Waar vonden de activiteiten van Leesclub Boekuil plaats?

H.I.: In de eerste jaren in het vergaderzaaltje van de dokters van kliniek Bond Moyson, omdat er verwarming was. Later, ook wegens de grotere belangstelling, in de Stadsbibliotheek aan de Ottogracht, waar Johan Daisne bibliothecaris was. Daisne zorgde ervoor dat in vitrines documentatie over de genodigde auteurs werd tentoongesteld.

K.B.: René Ide was dus vooral gepassioneerd door de literatuur. Hoe kwam hij in contact met de medeoprichters van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst, onder wie Karel Geirlandt?

H.I.: In de jaren veertig en vijftig waren er in Gent niet zoveel intellectuelen die dezelfde maatschappelijke en culturele interesses deelden. Ze ontmoetten elkaar voor of na concerten of tijdens vernissages van tentoonstellingen. Gedurende de dag had iedereen een druk leven. Vader en Karel Geirlandt werkten hard. Na een vernissage gingen we op café, of iemand nodigde enkele gasten uit om, samen met de kunstenaar, thuis een glas te drinken. Zulke ontmoetingen konden tot in de late uurtjes duren. Mijn vader en Karel hadden gemeenschappelijke vrienden, onder wie de kunstenaar en architect Jozef Mees, die het interieur in de ouderlijke woning ontwierp.

K.B.: Wat heeft je vader je verteld over de oprichting van de V.M.H.K.?

H.I.: Ik ben geboren in 1931 en was dus 26 op het moment van de stichting van de Vereniging. Een eerste informele vergadering was oorspronkelijk gepland ten huize Geirlandt, maar omdat Karels vrouw Denise pas bevallen was, werd die samenkomst bij ons gehouden. Twee weken later had in het Posthotel de officiële stichting plaats, waar ik bij was. Ik heb de oprichtingsakte medeondertekend.

K.B.: Weet je nog wie bij die eerste informele bijeenkomst aanwezig was?

H.I.: Naast mijn vader en Karel Geirlandt tekenden zeker Jozef Mees, Joseph Verbrugghen en Herman Burssens present. De andere aanwezigen kan ik me niet meer voor de geest halen. Ik herinner me wel dat de mandaten verdeeld werden. Karel werd voorzitter, mijn vader ondervoorzitter, notaris Joseph Verbrugghen secretaris en kunsthistoricus Herman Burssens penningmeester. Karel was als advocaat de juiste man op de juiste plaats. Zonder Karel was er niets gebeurd, zo simpel is dat. Hij was de motor achter de Vereniging.

K.B.: Hoe zou je de bijdrage van je vader aan het programma van de V.M.H.K. omschrijven?

H.I.: Hij was een promotor. Hij probeerde de zaak zoveel mogelijk vooruit te helpen en er veel ruchtbaarheid aan te geven. Vader was van mening dat de kloof tussen de kunsten gedicht moest worden. Hij was de schoonzoon van kunstenaar Jan-Frans Cantré. Diens broer, kunstenaar Jozef Cantré, kwam ongeveer wekelijks bij ons thuis. Ook schilders die nu vergeten zijn, liepen langs, onder wie twee jong gestorven kunstenaars: Romain Willems en een zekere Simelowicz — vader heeft hem nog trachten te redden, maar hij weigerde elke hulp en overleed in een concentratiekamp. Mijn vader had een levendige belangstelling voor beeldende kunst. Op zondagochtend maakten we, mijn ouders en ik, steevast een rondgang langs galerijen.

K.B.: Welke galeries bezochten jullie op het einde van de jaren vijftig?

H.I.: We gingen zeker langs bij Vyncke-Van Eyck aan de Nederkouter. De galerij bevond zich achter een winkel waar kunstenaarsmaterialen werden verkocht. Als kunstenaars niet konden betalen werd de rekening soms in natura vereffend. Zo heeft André Vyncke een grote collectie kunnen uitbouwen. Vader kocht altijd werken van zijn vrienden, ook van kunstenaars die het helemaal niet gemaakt hebben; hij kocht uit vriendschap en om de kunstenaars te helpen. Hij nam het op voor artiesten die het moeilijk hadden.

K.B.: Welke ‘bekende’ kunstenaars genoten zijn belangstelling?

H.I.: Jan Burssens, Roger Raveel, Luc Peire, Pol Mara. In die vroege jaren konden zij een steuntje in de rug gebruiken. Ze werden later ook gevraagd om grafiek te leveren die de Vereniging aan haar leden aanbood. Dat was een financiële opsteker voor de kunstenaars.

K.B.: Wat was jouw rol in de Vereniging?

H.I.: Geen enkele. Ik bezocht de exposities en genoot van de boeiende gesprekken met de kunstenaars. In 1960 huwde ik musicus Claude Coppens. Samen hebben we via de V.M.H.K. een heleboel kunstenaars ontmoet, onder wie René Magritte, Enrico Baj, Luciano Fabro, Joseph Beuys, Martial Raysse en zijn vriend Pierre Restany, de ‘paus van het Nouveau Réalisme’.

K.B.: Wat was volgens jou de impact van de V.M.H.K.?

H.I.: Hedendaagse cultuur werd in Gent sterk gepromoot: literatuur door Leesclub Boekuil, muziek door de Concertvereniging van Dr. Gaston Geirnaert en door mijn man in het destijds conservatieve Koninklijk Muziekconservatorium, en plastische kunst door de Vereniging – en wie Vereniging zegt, zegt Karel Geirlandt. Het is ook belangrijk om galerij Richard Foncke te vermelden. Zij speelde in Gent een belangrijke rol op het vlak van de progressieve kunst. [1]

K.B.: Heb je nog contact gehouden met Geirlandt nadat hij in 1974 directeur-generaal werd van de Vereniging voor Tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel?

H.I.: Zeker, mijn man en ik werden onmiddellijk lid van de promotors van de Vereniging voor Tentoonstellingen. Met Denise, de vrouw van Karel, waren we bevriend tot aan haar dood.

 

Noot

1 Beeldend kunstenaar Richard Foncke richtte in 1967 de galerie op die zijn naam droeg. Het decennium dat hieraan voorafging, was hij betrokken bij tal van culturele initiatieven zoals het multidisciplinaire tijdschrift Het Antenneke (1954-1959). Foncke was reeds in een vroeg stadium – ten laatste vanaf eind 1959 – betrokken bij de activiteiten van de Vereniging.

Kunst en België

Brussel

Koen Brams/Dirk Pültau: In de afgelopen twintig jaar heb je aan heel wat tentoonstellingen in België deelgenomen. Over sommige ervan willen we het uitvoerig met je hebben. Volgens onze gegevens was je werk voor het eerst in België te zien in 1986, als onderdeel van de tentoonstelling Au Coeur du Maelstrom / In de Maalstroom.

Matt Mullican: Dat klopt, dat was in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Ik toonde daar een reusachtige geel-zwarte vlag.

K.B./D.P.: Had je vroeger al vaandels tentoongesteld?

M.M.: Jawel, maar niet op die schaal. Het was de eerste keer dat ik zo’n reusachtig doek aan de gevel van een gebouw bevestigde. Cruciaal voor mij was het feitelijke, fysieke proces van het naar buiten brengen van mijn werk. Ik herinner me dat het in de tentoonstellingszalen koel en stil was. Toen ik de deur naar het balkon opendeed en naar buiten ging, werd ik overweldigd door de hitte, het stof en het lawaai. De vibratie van de omgeving buiten verschilde compleet van de serene atmosfeer in het Paleis. Het was erg belangrijk voor me om die drempel fysiek te overschrijden: het was de eerste keer dat ik bewust met de context van de straat aan de slag ging.

K.B./D.P.: Wat bracht je ertoe om je werk aan de buitenkant van het gebouw aan te brengen?

M.M.: Chris Dercon, een van de vier curatoren, had het me voorgesteld. Ik had hem ontmoet in New York en ik geloof dat hij enkele vaandels van me had gezien. Toen hij me uitnodigde, suggereerde hij dat ik iets kon doen in relatie tot de buitenkant van het gebouw. Om die reden ontwierp ik de geel-zwarte vlag.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor dat specifieke ontwerp?

M.M.: In mijn kosmologie staat geel voor ‘de gekaderde wereld’ en het symbool op de vlag staat voor de wereld in een neoklassiek gebouw: het museum. Bovendien zijn zwart en geel de best zichtbare kleuren van het hele kleurenspectrum. Je kunt ze van heel ver zien. Daarom leken ze me erg geschikt voor dit specifieke werk.

K.B./D.P.: Besefte je dat geel en zwart ook de kleuren zijn van de Vlaamse vlag?

M.M.: Totaal niet. Chris Dercon wist dat natuurlijk wel, maar hij heeft het me pas later verteld.

K.B./D.P.: Wat waren de reacties van het publiek? Denk je dat men je met het Vlaams-nationalisme heeft geassocieerd?

M.M.: Dat werd in elk geval nergens vermeld in de pers en ik geloof ook niet dat het publiek het werk politiek heeft geïnterpreteerd. Achteraf vertelde Chris me dat hij wel nieuwsgierig was geweest naar de respons van het publiek. Het Paleis voor Schone Kunsten had recent Jan Debbaut tot directeur benoemd en Au Coeur du Maelstrom / In de Maalstroom was zijn eerste tentoonstelling. Debbaut was een Vlaming en blijkbaar had Chris gedacht dat mijn zwartgele vlag bij het publiek wel eens een bepaalde reactie zou kunnen uitlokken.

K.B./D.P.: Had iemand je verteld dat je werk zou worden getoond op de gevel van een van de laatste Belgische – niet Vlaamse – kunstinstellingen?

M.M.: Nee. Ik geloof best dat het werk geïnterpreteerd kon worden in het licht van een bepaalde Vlaamse context, maar voor mij ging het daar absoluut niet over. Zoals ik al zei: voor mij ging het om de ingekaderde wereld.

K.B./D.P.: De betekenis van kleuren of – beter – de projectie van betekenissen op kleuren, is dat niet precies de kern van je oeuvre?

M.M.: Ja, een flink deel van mijn werk gaat over de wijze waarop we betekenissen projecteren op kleuren, over de manier waarop we ons zelfs identificeren met kleuren. We worden omringd door kleuren en dan vooral door kleuren die als tekens functioneren: kleuren helpen je in de parkeergarage onthouden waar je je auto hebt geparkeerd. Gekleurde strepen op de vloer brengen je van de ene ziekenhuisvleugel naar de andere. In de meeste steden worden de verschillende metrolijnen aangeduid door kleuren. Mensen projecteren allerlei betekenissen op verschillende kleuren of verschillende kleurencombinaties. Jullie associëren geel en zwart met een bepaalde regionale identiteit, maar ik doe dat niet.

K.B./D.P.: Het publiek in Brussel heeft dus niet expliciet gereageerd op de potentiële politieke connotatie van je geelzwarte vlag. Heeft jouw werk ooit wél zo’n reactie uitgelokt?

M.M.: Heel zeker. Sommige mensen reageren heel heftig. Ik toonde ooit een rode, een zwarte en een witte vlag aan het Museum of Contemporary Art in Los Angeles. In mijn structuur staat rood voor het subjectieve en staan zwart en wit voor taal. Maar het publiek in Los Angeles associeerde die kleuren meteen met het fascisme. De vlaggen werden aan stukken gesneden. Toen ik hetzelfde werk in Berlijn tentoonstelde, werd die connotatie door niemand ter sprake gebracht.

K.B./D.P.: Wat bedoel je met ‘aan stukken gesneden’? Heeft iemand echt geprobeerd om het werk te vernielen?

M.M.: Ja. Op een beveiligingsvideo zagen ze dat de dader met een scheermesje elke vlag in stukken aan het snijden was. De vraag is dan natuurlijk: wat snijdt hij kapot? Mijn werk? De betekenis van mijn werk? De context van het werk? Volgens mij gaat het waarschijnlijk niet om mij of om mijn boodschap. Het gaat erom dat er zoiets bestaat als kunst. Kunst is beschikbaar en kan worden gehoord. Gelukkig is in Brussel niets gebeurd dat zo drastisch was.

K.B./D.P.: Hoe werd het werk in België ontvangen?

M.M.: Verrassend genoeg hebben veel mensen het niet gezien. Het was verreweg het grootste werk in de tentoonstelling, het was vastgemaakt aan de gevel en je kon het al van straten ver zien, maar op de vernissage vroegen veel mensen me waar mijn kunstwerk dan wel te zien was. Dat bewijst weer eens wat voor een impact de context heeft. De locatie van het werk is net zo belangrijk als de omvang ervan. Als je een werk aan de gevel van een gebouw hangt, wordt vanuit de context aanvaard dat het nu eenmaal die omvang moet hebben. Het gevolg: veel mensen passeren er zonder het op te merken.

K.B./D.P.: Jouw symbolen en kleuren zijn het resultaat van een lang en ingewikkeld denkproces. Tot dan toe had je dat proces meestal integraal getoond. Waarom heb je ervoor gekozen om in Brussel slechts één symbool te tonen?

M.M.: Daarmee wilde ik inspelen op het feit dat het werk op straat getoond werd. Op straat is er geen ruimte voor reflectie. Je ontvangt informatie zonder erover na te kunnen denken. Mijn werk ging over de directe confrontatie van de voorbijganger met een beeld van die omvang. Het was erg simpel en vanzelfsprekend. Zo functioneert de straat nu eenmaal. Om me in zo’n context overeind te houden, kon ik onmogelijk mijn volledige verhaal brengen. Ik moest één enkel beeld gebruiken waarin indirect de hele geschiedenis van mijn kosmologie vervat zat.

K.B./D.P.: Au Coeur du Maelstrom / In de Maalstroom was een hommage aan Karel Geirlandt, die zijn functie als directeur-generaal van de Vereniging van Tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten had neergelegd. Had men je dat verteld?

M.M.: Iemand moet me dat zeker verteld hebben, maar dat maakte niets uit. De tentoonstelling interesseerde me, zoals elk project waaraan ik deelneem me interesseert.

K.B./D.P.: Over twee van de vier curatoren van de tentoonstelling heb je het al even gehad: Chris Dercon en Jan Debbaut. De andere twee waren Jan Hoet en Laurent Busine. Hoe zou je je relatie met hen omschrijven?

M.M.: Als bijkomstig. Degene met wie ik het meest te maken kreeg, was Chris. Ik moet de anderen zeker de hand hebben geschud, maar van die ontmoeting herinner ik me niets meer.

K.B./D.P.: In diezelfde periode had Jan Hoet nog een andere tentoonstelling: Chambres d’Amis, zijn pièce de résistance als curator. Heb je ze gezien?

M.M.: Nee, maar ik had ze wel graag gezien. Ik werd overigens niet uitgenodigd voor Chambres d’Amis. Ik ben niet het soort kunstenaar dat voor zulke baanbrekende tentoonstellingen wordt geselecteerd. Ik heb altijd de positie ingenomen van de outsider, of in elk geval is dat de categorie waarin anderen me hebben gestopt. Nooit echt ‘in’, nooit echt ‘uit’. Daarom was ik blij dat ik aan Au Coeur du Maelstrom / In de Maalstroom kon deelnemen. Het was een prachtige ervaring. Voor de eerste keer ging ik met mijn werk naar buiten en ik ontmoette heel wat grote kunstenaars, wat erg belangrijk voor me was.

K.B./D.P.: Welke kunstenaars heb je ontmoet?

M.M.: Ik heb veel tijd doorgebracht met Ken Lum en Ulrich Horndash. Ik kende Horndash al omdat we beiden met de galeriste Tanja Grunert hadden gewerkt. Glenn Branca was er, Ericka Beckman, Tony Oursler, Niek Kemps. Julian Opie was er omdat hij in die tijd samenleefde met Lisa Milroy, die ook aan de tentoonstelling deelnam. James Coleman kende ik toen nog niet, maar hij was duidelijk belangrijk. Haast alle kunstenaars hadden kleine ruimtes gekregen, maar hij had een diepe, spelonkachtige ruimte helemaal voor hem alleen. Hij bleef er de hele tijd werken en toen hij buitenkwam, was zijn installatie ‘af’. Ik weet nog dat ik bij mezelf dacht: ‘Waauw, dat moet wel een belangrijk kunstenaar zijn.’ Anderzijds: hoe onderscheid je geslaagde kunst en niet geslaagde kunst in een groepstentoonstelling, zeker als je er zelf aan deelneemt?

K.B./D.P.: Welke Belgische kunstenaars of curatoren heb je ontmoet?

M.M.: Geloof het of niet, maar het grootste deel van de tijd bracht ik met buitenlandse kunstenaars door. We verbleven allemaal in hetzelfde hotel en daar waren we elke avond in de bar te vinden. De Belgen zagen we alleen tijdens de opbouw van de tentoonstelling. Jan Vercruysse was er, maar die is altijd erg ontwijkend. Hij lijkt altijd in rook op te gaan. Ik herinner me Jan Van Oost nog, omdat hij enkele keren had tentoongesteld in de Verenigde Staten. Guillaume Bijl en Bart Cassiman zag ik toen voor het eerst. Cassiman nodigde me later uit voor een groepstentoonstelling in het Middelheimpark in Antwerpen.

K.B./D.P.: Heb je in de jaren 80 nog andere contacten in België gehad?

M.M.: Ik ken Micheline Szwajcer sinds de jaren 80, al heb ik pas vorig jaar een tentoonstelling bij haar gehad. Ze kwam altijd naar mijn vernissages. Ze werkte samen met kunstenaars die ik erg bewonderde. In die tijd had ik heel graag deel uitgemaakt van haar galerie. Ik denk dat ze in Europa een van de besten is van de afgelopen vijfentwintig jaar: een fantastische galeriste en een geweldige persoonlijkheid.

 

Brugge/Gent/Temse

K.B./D.P.: In België heb je op het einde van de jaren 80 onder meer tentoongesteld in de Brugse galerie Bruges La Morte.

M.M.: Dat klopt, in 1989 stelde ik tentoon in twee galeries in België: Bruges La Morte en Albert Baronian. De tentoonstelling bij Baronian omvatte frottages en gekleurde modellen. Ik had Albert al een paar keer ontmoet bij Adelina von Fürstenberg in Genève en ik werkte heel graag met hem. Maar de tentoonstelling in Bruges La Morte was veel belangrijker voor me.

K.B./D.P.: Waarom?

M.M.: Ik denk dat ik in die tentoonstelling heel wat over mijn eigen werk heb geleerd. Tot dan toe waren mijn exposities wel consistent geweest, maar ik had ze altijd met werken volgepropt. In Bruges La Morte heb ik het veel cooler aangepakt. Ik toonde stenen, tekeningen, werk in glas, vlaggen en affiches, maar ik gaf mijn werk genoeg ademruimte. Alles werd heel minimaal gepresenteerd: de tekeningen hingen aan de ene muur, het werk in glas aan de andere. Die tentoonstelling is heel elegant geworden.

K.B./D.P.: Met Johan Van Steenkiste, de galeriehouder, had je het jaar voordien al samengewerkt in Galerie De Lege Ruimte.

M.M.: Ja? Van die tentoonstelling herinner ik me niets. Waarschijnlijk was ik niet betrokken bij het opzetten ervan. Ik herinner me alleen dat Johan met zijn toenmalige partner André Willockx naar New York is gekomen om werken uit te kiezen. Ik vermoed dat onenigheid tussen hen is ontstaan en dat Johan korte tijd later Bruges La Morte heeft geopend.

K.B./D.P.: Het ging in die gevallen telkens om tentoonstellingen in galeries. Had je in die tijd al contacten met Belgische verzamelaars?

M.M.: Ik heb een rare relatie met Belgische verzamelaars – met verzamelaars in het algemeen, eigenlijk. Ze blijven in zekere zin anoniem voor me, ook als ze veel werk van me bezitten. De enige Belgische verzamelaars die me ooit bij hen thuis hebben uitgenodigd, waren Annick en Anton Herbert.

K.B./D.P.: Hoe heb je hen ontmoet?

M.M.: Michael Tarantino kende hen en heeft ons aan elkaar voorgesteld. Ze hebben een ongelooflijke collectie, met de meest verbazingwekkende stukken. Daarnet hadden we het erover dat ik een outsider ben: de Herberts bezitten geen enkel werk van me, en in die tijd kochten zij bijzonder veel! Maar ze zijn erg enthousiast over mijn werk en bezoeken al mijn tentoonstellingen. Ik vermoed dat ik simpelweg te laat in hun wereld ben gekomen.

K.B./D.P.: In datzelfde jaar werd je door de Vrienden van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent gevraagd om in het museum een lezing te geven.

M.M.: Dat klopt. Ik ging daar graag op in, omdat ik met Jan Hoet wilde samenwerken en ik nog nooit iets in het museum gedaan had.

K.B./D.P.: Je lijkt bewust te hebben geprobeerd om deel uit te maken van een bepaald netwerk. Kun je dat verlangen om deel uit te maken van een specifieke groep toelichten?

M.M.: Ik hou van groepen. Groepen hebben een zekere geschiedenis en ze lijken de voortzetting te zijn van een conceptueel denkproces. Je moet ook rekening houden met de toenmalige situatie: Joost Declercq had een galerie in Gent waar hij iedereen tentoonstelde. Hij was nauw verbonden met Jan Debbaut in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Van daaruit reisde het werk door naar het Museum Haus Lange in Krefeld, dat geleid werd door Julian Heynen, en het belandde uiteindelijk bij Ulrich Loock in de Kunsthalle Bern. Samen vormden ze in zekere zin een driehoek waarin dezelfde kunstenaars circuleerden: Juan Muñoz, Cristina Iglesias, Jan Vercruysse, Niek Kemps, Jean-Marc Bustamante. Die kunstenaars kende ik, met sommige had ik ooit tentoongesteld, maar ik heb nooit op die specifieke lijst gestaan. Ik denk dat ik in een of ander opzicht anders was. Ik maakte niet het juiste soort kunst, maar ik was wel graag betrokken bij alles wat in die context thuis kon horen. Toen ik de expositie in Bruges La Morte aangeboden kreeg of de lezing in het museum in Gent, deed ik veel moeite om er een succes van te maken. Voor mij was het alsof ik opnieuw in aanmerking kwam.

K.B./D.P.: Ulrich Loock heeft wel werk van jou opgenomen in The Eighties: A Topology, zijn tentoonstelling in het Museu Serralves in 2006-2007.

M.M.: Dat klopt. Wie weet wat er intussen gebeurd is? Misschien heeft hij later wel interesse voor mijn werk gekregen. Of misschien komt het wel doordat ik er nog ben. Het goede van The Eighties was dat de oude sociale hiërarchie helemaal verdwenen was. In Serralves was iedereen gelijk. Ieder van ons was blij dat hij nog leefde en nog productief was.

K.B./D.P.: Denk je dat men je als een kunstenaar van de jaren 80 beschouwt?

M.M.: Waarschijnlijk niet. In die tijd kreeg ik echt niet zoveel persaandacht, zeker in vergelijking met andere kunstenaars. David Salle zou je als een echte kunstenaar van de jaren 80 kunnen beschouwen. Julian Schnabel ook. Met de jaren 80 als zodanig ben ik niet verbonden. Zoals ik al heb gezegd is mijn verbondenheid met om het even welke groep eigenlijk heel oppervlakkig, omdat ik duidelijk in mijn eigen universum vertoef. Met sommige kunstenaars ben ik misschien wel verbonden, maar eigenlijk ben ik ongebonden en ben ik mijzelf, en zo heb ik het graag. Dat betekent niet dat ik nooit werd uitgenodigd voor een belangrijke tentoonstelling. Ik werd geselecteerd voor Skulptur Projekte Münster in 1987. Ik nam deel aan Documenta in 1982, 1992 en 1997. Wat ik bedoel is dat er misschien een tijd is geweest dat ik ervan droomde mijn werk te kunnen tonen in Eindhoven, Krefeld of Bern. Dat is uiteindelijk ook gebeurd, maar dan wel later. In Eindhoven stelde ik tentoon in de late jaren 90 en in Krefeld in 2001.

K.B./D.P.: Je samenwerking met Jan Hoet heeft zich op dezelfde manier ontwikkeld. Hij begon met jou samen te werken in de vroege jaren 90, toen hij je uitnodigde voor zijn tentoonstelling in Temse en later ook voor de Documenta.

M.M.: Precies. Ponton Temse, daar heeft hij me ontdekt. Dat moet in 1990 zijn geweest, het jaar nadat ik die lezing heb gegeven in zijn museum. Hij had een tentoonstelling van me gezien in het MIT Visual Arts Centre in Boston en nodigde mij meteen uit voor Temse.

K.B./D.P.: In die tijd grapte men dat Ponton Temse Jan Hoets laatste repetitie was voor Documenta. Heb jij dat ook zo ervaren?

M.M.: Denys Zacharopoulos had me verteld dat Jan Hoet Documenta zou gaan doen en toen ik naar Temse kwam voor de vernissage, was Jan erg lovend over mijn werk. Ik denk dat het toen tot me doordrong dat ik voor Documenta zou worden geselecteerd.

K.B./D.P.: Kun je het werk beschrijven dat je in Temse hebt gemaakt?

M.M.: Ik heb een afvoer gemaakt voor het water in de zone rond het gemeentehuis. Het was een erg bescheiden, klein werk. Daar hou ik van. Het werk bevond zich in het midden van een openbaar gebouw, maar het was zo subtiel dat je moest weten waar het zich bevond, anders zag je het niet.

K.B./D.P.: Was dat de eerste keer dat je in een publieke ruimte doelbewust een onzichtbaar werk hebt gemaakt?

M.M.: Ja, ik wilde dat het in de achtergrond zou opgaan. In die zin was het precies het tegendeel van de vlag aan de gevel van het Paleis voor Schone Kunsten. Een publiek werk heeft veel verschillende soorten publiek. Het kunstpubliek is er altijd een van. Dat zijn de mensen die met een plattegrond in de hand naar de tentoonstelling komen. Dan heb je de mensen die over een kunstwerk struikelen, maar er geen flauw idee van hebben waar het over gaat, het vaak niet eens als kunst herkennen. Dat zijn duidelijk twee erg verschillende groepen: een primair en een secundair publiek zou je ze kunnen noemen. De vlag in Brussel was bedoeld voor de passant, het werk in Temse voor het kunstpubliek. De passant merkte het waarschijnlijk niet eens op.

K.B./D.P.: Wat is achteraf met het werk gebeurd? Heb je het weer verwijderd of werd het aangekocht?

M.M.: Niets werd aangekocht. Ik liet het gewoon achter. Dat is goed zo. Met sommige dingen verdien je geld, met andere niet.

K.B./D.P.: Wat betekent de afvoer in je werk? Op welke manier is dat motief verbonden met de andere onderdelen van je kosmologie, de gekaderde wereld, de taal enzovoort?

M.M.: De afvoer bevindt zich aan het hoofd van mijn stad. Hij belichaamt de relatie tussen het subjectieve aan de ene kant en de taal, de elementen en de gekaderde wereld aan de andere. In het Middelheim heb ik een gelijkaardig project gerealiseerd: ik volgde het water van het ene eind van het park naar het andere en gebruikte dat als mijn syntaxis. De afvoer hangt samen met afval. Hij heeft te maken met het afbreken van het materiaal. Het water loopt door de afvoer en de afvoer verbindt het met de wereld. De afvoer voert het water terug naar de aarde.

K.B./D.P.: In 1992 werd je uitgenodigd om een tentoonstelling te realiseren in de Fondation pour l’architecture in Brussel.

M.M.: Ja. Als ik me niet vergis, ging het over de representatie van architectuur en over de wijze waarop dat in mijn vlaggen en tekeningen was ingebed.

K.B./D.P.: Was het de eerste keer dat je werd uitgenodigd voor een tentoonstelling die duidelijk thematisch was opgezet?

M.M.: Het was in elk geval de eerste keer dat ik een tentoonstelling samenstelde die zich specifiek concentreerde op de architecturale aspecten van mijn werk. Ik heb een maquette gemaakt die meer weg had van een grafiek. Daarnaast heb ik heel veel verschillende materialen gebruikt. Uiteindelijk functioneerden de kunstwerken alsof ik een compleet universum had opgebouwd. Het zag er echt heel goed uit. Op dat moment was het, geloof ik, de grootste tentoonstelling die ik ooit in België had gemaakt.

K.B./D.P.: In 1992 had je België al verschillende keren bezocht. Je was er grondig vertrouwd met de wereld van de hedendaagse kunst. Heb je ooit gedacht dat de situatie in België anders was dan elders?

M.M.: Dat is een goede vraag. Ik weet niet of de situatie zo verschillend was. Misschien wel. Ik weet wel dat ik het in België prettig vond en dat ik er heen bleef gaan. Michael Tarantino was naar België verhuisd en in het begin bleef ik altijd bij hem logeren als ik langskwam.

K.B./D.P.: Waarom was Michael Tarantino naar België verhuisd?

M.M.: Ik denk dat het met de manier van leven te maken had. Of misschien vond hij er betere carrièremogelijkheden. Eerlijk gezegd, ik weet het niet. De levenskwaliteit was gewoon beter in Brussel dan in Boston. Het eten was er beter, de omgeving, alles. In de vroege jaren 90 heb ik zelf ook ernstig overwogen om naar Brussel te verhuizen, na de scheiding van mijn vrouw.

K.B./D.P.: Waarom?

M.M.: Brussel was goedkoop en het leek nogal centraal te liggen. Parijs, Amsterdam en Keulen zijn vlakbij. Er was ook een zekere anonimiteit, wat ik wel prettig vond. Brussel is niet zo vol van zichzelf als sommige andere internationale steden. Een tijdlang hebben Michael en ik zelfs overwogen om samen een gebouw te kopen. We hebben een paar weken rondgekeken. Daarna was ik weer samen met mijn vrouw en veranderden mijn interesses, omdat zij niet meteen naar België wilde verhuizen. Maar over de jaren heen ben ik hier blijven komen, voor het werk en om allerlei andere redenen.

 

Antwerpen

K.B./D.P.: In 1993, een jaar na Ponton Temse, nam je deel aan de tentoonstelling Nieuwe beelden in het Middelheimpark, naar aanleiding van het feit dat Antwerpen culturele hoofdstad van Europa was.

M.M.: Ja, de curator van die tentoonstelling was Bart Cassiman.

K.B./D.P.: Je hebt net al gewezen op de gelijkenissen tussen je bijdrage voor Temse en het werk dat je voor Middelheim hebt gemaakt.

M.M.: Het principe was inderdaad hetzelfde. Het water vormde het referentiepunt. Ik heb de syntaxis van het park gebruikt om de stroom te volgen. Het water loopt als een draad doorheen dat specifieke deel van het park en het verbindt de verschillende kunstwerken met elkaar. Aan het eind is er een afvoer die in het niets verdwijnt.

K.B./D.P.: Het werk is gerealiseerd in Belgische blauwsteen. Was er – behalve de voor de hand liggende geografische referentie – nog een andere reden om met dat materiaal te werken?

M.M.: Ik wilde dat het werk zou verouderen, dat het vuil zou worden en zou barsten, dat er mos overheen zou groeien. Hoe ouder het wordt, hoe beter het eruit zal zien.

K.B./D.P.: Hoe ouder het werk wordt, hoe onzichtbaarder het wordt. Is dat de bedoeling?

M.M.: Zeker, dat wilde ik bereiken. Ik wilde een werk maken dat volledig geïntegreerd zou zijn in de omgeving. Dat kun je natuurlijk op verschillende manieren bereiken. Alles hangt af van de manier waarop je tegen de functie en relevantie van het publieke kunstwerk aankijkt.

K.B./D.P.: Wat is jouw visie op de positie van het publieke kunstwerk?

M.M.: Zoals ik al zei: ik denk dat die veel te maken heeft met het publiek. Het heeft te maken met de manier waarop mensen op een publiek kunstwerk stuiten en met het soort informatie dat zo’n werk aanbiedt. Elk publiek kunstwerk heeft een didactisch element. Veel publieke kunstwerken worden een monument voor of een hommage aan de plek waar ze deel van uitmaken. Ze worden een grafsteen die de geschiedenis van de plek beschrijft. Of het nu gaat om iets in steen, een sculptuur of een foto: het heeft altijd een relatie met de context. Dat is de manier waarop publieke kunst functioneert. Ook sommige kunstwerken van mij hebben op die manier gefunctioneerd. Die werken waren veeleer informatief. Ze gaan niet over kunst, maar over het publiek.

K.B./D.P.: En doen ze dat ook nog als je ze probeert te verbergen?

M.M.: In zekere zin wel, al moet ik eraan toevoegen dat het werk in het Middelheim oorspronkelijk nog een tweede idee omvatte, dat zeker de aandacht van de bezoeker zou hebben getrokken. Ik had een opvallend geel bloemperk ontworpen, vlak naast de plek waar de andere kunstwerken stonden opgesteld. Die bloeiende bloemen hadden zeker de aandacht getrokken, maar van dat deel van mijn project is nooit echt werk gemaakt. Ik denk dat de tuinier of de parkbeheerder het geen goed idee vond. Misschien begreep hij het verband niet tussen de bloemen en al die stenen. Wie weet wat hij dacht. Uiteindelijk bleef het bloemperk een lapje grond met een kader eromheen.

K.B./D.P.: Weet je nog hoe de expositie werd ontvangen?

M.M.: Om eerlijk te zijn: ik was blij dat mijn werk zo goed was meegevallen. Los daarvan kon de reactie op de tentoonstelling me heel weinig schelen. In die tijd woonde ik met mijn vrouw Valerie Smith in Arnhem. Een week eerder was Sonsbeek 93 geopend en de kritiek op haar expositie was immens. Achteraf bekeken bleek Sonsbeek echt een belangrijke tentoonstelling te zijn geweest, maar op het moment zelf werd ze met de grond gelijkgemaakt. Ze werd uitgejouwd. Het was verschrikkelijk. Ik had zo met haar te doen. De rest kon me niks schelen.

K.B./D.P.: Aan Nieuwe beelden namen heel wat bekende kunstenaars deel: Juan Muñoz, Per Kirkeby, Thomas Schütte… Zou je kunnen zeggen dat je je outsiderpositie in 1993 achter je had gelaten en je bij de incrowd had gevoegd?

M.M.: Niet echt. Alleen Muñoz en Schütte behoorden tot de incrowd. Kirkeby was eigenlijk ook een outsider. Bovendien vond Nieuwe beelden in dezelfde periode plaats als Het Sublieme Gemis, waarvoor ik niet was geselecteerd. Als ik mensen vertel dat ik me een outsider voel, zeggen ze me: ‘Hoe kun jij een outsider zijn? Je hoort er echt bij. Je hebt al zoveel projecten gedaan.’ Maar dat heeft geen belang. Ik heb het over een combinatie van het sociale element en mijn subjectieve ervaring. Iedereen voelt zich onzeker en omdat ik tussen zoveel verschillende werelden in zit, heb ik altijd het gevoel dat ik er niet bij hoor. Alleen al de gedachte dat die subtext zo belangrijk is in ons gesprek vind ik eigenlijk grappig.

K.B./D.P.: Nieuwe beelden was een van de laatste tentoonstellingen die Bart Cassiman heeft gemaakt. Hoe zou je je relatie met hem omschrijven?

M.M.: Als bijkomstig. Ik heb daarentegen wel een heel productieve relatie ontwikkeld met Barbara Vanderlinden. Ze was eerst zijn assistente, maar groeide uit tot zijn partner. Ze was fantastisch. Ik heb echt graag met haar gewerkt.

K.B./D.P.: In 1996 realiseerde je een reeks performances onder hypnose voor Roomade, op uitnodiging van Barbara Vanderlinden. Over deze performances willen we het in een volgend interview hebben. In 1999 heb je opnieuw met haar samengewerkt voor de tentoonstelling Laboratorium.

M.M.: Dat klopt. Tijdens Laboratorium hebben we veel tijd samen doorgebracht, maar het was meteen ook ons laatste project.

K.B./D.P.: In je bijdrage voor Laboratorium heb je heel wat ambitie gestopt. Je werk was retrospectief van aard.

M.M.: Ja. Ik vond het een opwindend idee om de architectuur van diverse oudere tentoonstellingen in één ruimte te combineren. We hebben de wanden van die exposities gereconstrueerd en er de ruimte mee volgestouwd.

K.B./D.P.: Welke tentoonstellingen heb je bij elkaar gebracht?

M.M.: Het werk was gebaseerd op de expositie die ik heb gemaakt in de Daniel Blau Gallery, want ik weet nog dat ik daar prikborden heb gebruikt. We hebben ook de tentoonstelling van Massimo Di Carlo gebruikt. Waarschijnlijk hebben we ook een deel van mijn tentoonstelling in Mai 36 gebruikt en natuurlijk de expositie bij Marian Goodman. Die laatste tentoonstelling is een model geworden dat ik in veel van mijn overzichtstentoonstellingen heb toegepast.

K.B./D.P.: Wat vond je in het algemeen van Laboratorium?

M.M.: Er waren duidelijk problemen, maar het was best geslaagd. Wat misschien nog het interessantste aspect van Laboratorium was: het was erg moeilijk om er greep op te krijgen. Zodra je een blik op de tentoonstelling wierp, leek ze te verdampen. Ik heb er later met Allen Ruppersberg over gepraat en hij vond dat verschrikkelijk. Hij had zich aan de tentoonstelling geërgerd.

 

Antwerpen/Oostende/Leuven

K.B./D.P.: In Middelheim bestond het bloemperk uitsluitend uit gele bloemen, maar voor Orbis Terrarum, een tentoonstelling die Moritz Küng in het Plantijn Moretus Museum in Antwerpen organiseerde, niet zolang na Laboratorium, heb je voor de ingang van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten een werk gerealiseerd waarvoor je bloemen in verschillende kleuren hebt gebruikt. Waarom?

M.M.: In Middelheim had ik de gele bloemen enkel en alleen als materiaal willen gebruiken. In Orbis Terrarum functioneerden de bloemen als een kaart van mijn vijf werelden. De ondertitel van de tentoonstelling was Ways of Worldmaking. Dat was het concept, en op grond daarvan was ik uitgenodigd. Ik wilde een kaart maken die uit bloemen bestond, omdat ik al kaarten in glas of in steen had gemaakt. Dat de bloemen decoratief waren en dat ik het idee van de kaart erop kon transponeren, vond ik plots veel interessanter dan gewoon voor gele of groene of blauwe bloemen te kiezen.

K.B./D.P.: Welke betekenis heeft het materiaal als zodanig?

M.M.: Bloemen hebben een sterke decoratieve en architecturale connotatie, en dan is er natuurlijk ook de artistieke betekenis van de diverse pigmenten die uit bloemen worden gewonnen. Het attractieve van het materiaal kun je niet loochenen, evenmin als het idee dat erop wordt getransponeerd. Het blijft altijd balanceren tussen de twee, als in een ballet. Daarnaast wilde ik ook wat spelen met de verwijzing naar het beroemde bloementapijt dat om de twee jaar op de Grote Markt in Brussel wordt aangelegd.

K.B./D.P.: In diezelfde tentoonstelling waren ook glazen bollen te zien. Kun je zeggen waarom je die hebt opgenomen?

M.M.: Die glazen bollen heb ik in de late jaren 80 ontwikkeld, toen ik samenwerkte met een computerbedrijf in Los Angeles. In die tijd werden de allereerste stappen gezet op het vlak van virtual reality. Het idee was dat je een perfecte interface zou krijgen als je ín een bol zou zitten, zodat je al je informatie kon opslaan in verschillende delen van die bol. Vervolgens heb ik interfaces in glas ontwikkeld, zodat je je niet per se in de bol hoefde te bevinden: je kon de inhoud ook van buitenaf zien. Zodra ik het zo aanpakte, groeide het hele idee al snel uit tot een driedimensionale voorstelling van de charts die ik al had gemaakt. Als ik een vlakke grafiek over een bol heen leg, verlies je elke aanduiding van boven of onder, links of rechts. Alle informatie stroomt samen, en dat leidt tot een volslagen andere manier om informatie te lezen. Jaren later heb ik de bollen gefotografeerd en die foto’s afgedrukt, zodat ik de bollen in zekere zin weer heb platgedrukt. Je kunt je afvragen waarom je zoiets zou doen: eerst probeer je een driedimensionaal werk te creëren en meteen daarna druk je het weer plat. Ik denk dat het iets te maken had met het oriënteren van informatie in een cirkelvormig motief. Het verandert de hele psyche van de informatie. Die bollen heb ik overigens enkele jaren later opnieuw getoond, in een andere tentoonstelling waarvoor Moritz Küng curator was.

K.B./D.P.: Dat was dan waarschijnlijk je tentoonstelling in deSingel in Antwerpen, in 2004.

M.M.: Precies. Daar waren de bollen te zien en nog wat andere dingen. Een van de problemen met die installatie was het licht. Dat was zo sterk dat het de inkt op de bollen aantastte. Ook had ik weer een reusachtige vlag aan de buitenkant van het gebouw bevestigd: The Highway is the Audience. Eigenlijk is het niet eens kunst. Het zijn tekens die staan voor wat kunst aan de wereld geeft, door middel van muziek, literatuur, architectuur, noem maar op. Eigenlijk was het de bedoeling dat de vlag na de tentoonstelling zou worden weggenomen. Ze hadden me betaald voor iets eenmaligs, maar lieten de vlag toch hangen. Dat maakt niks uit: ik ben blij dat mijn werk op dat gebouw te zien is.

K.B./D.P.: Nu je meer dan twintig jaar lang in België hebt gewerkt: denk je dat dit land anders is, in vergelijking met de andere landen waarin je hebt gewerkt?

M.M.: Wat het voor mij speciaal maakt, is dat ik hier zo vaak heb gewerkt. Dit jaar werd ik uitgenodigd door Phillip Van den Bossche, de directeur van het museum in Oostende, om een strandproject te realiseren en momenteel heb ik een tentoonstelling in het STUK in Leuven, georganiseerd door Eva Wittocx. Met sommige mensen heb ik stevige relaties uitgebouwd en ik heb het gevoel dat ik genoeg weet om bepaalde situaties te kunnen beoordelen. In België kan ik uitmaken of een kwestie al dan niet belangrijk is. Ik weet wie ‘in’ is en wie ‘uit’. Als ik een tentoonstelling maak in Japan, dan heb ik daar allemaal geen zicht op. In België heb ik het gevoel dat ik meer weet, al is de situatie aan het veranderen. Dat doet ze altijd. Doen we allemaal. Ik ben twintig jaar ouder en daarom misschien ook wat meer ontspannen. Ik leef en werk nog altijd. Als kunstenaar ben ik mijzelf en uiteindelijk gaat het daarom. Om mijn werk. Dat is echt het enige onderwerp.

 

Dit interview wordt gepubliceerd met de genereuze steun van de Edmond Hustinx Stichting, Maastricht. De auteurs danken tevens ProjecteSD, Barcelona.

 

Transcriptie: Pamela Uyttendaele 

Redactie in het Engels: Nina Oeghoede

Vertaling uit het Engels: Eddy Bettens

 

 

Matt Mullican stelt tot 24 januari tentoon in kunstencentrum STUK, Naamsestraat 96, Leuven (www.stuk.be; www.playgroundfestival.be).

 

Architectuur studeren

Kersten Geers (1975), Dirk Somers (1976), Jan De Vylder (1968) en Jo Taillieu (1971) zijn Belgische architecten. Ongeveer sinds de eeuwwisseling leiden ze een bureau (respectievelijk Office Kersten Geers David Van Severen, Bovenbouw, en architecten de vylder vinck taillieu) en ze hebben ontwerp-, bouw- en onderwijservaring opgedaan in binnen- en buitenland. Praktiserende architecten geven van oudsher les aan toekomstige ontwerpers. Hoe dat proces van kennisoverdracht verloopt, en hoe vaardigheden, opvattingen en voorkeuren worden doorgegeven, is het onderwerp van de hiernavolgende gesprekken. Hoe wordt architectuuronderwijs in een ontwerpstudio georganiseerd? Welke beperkingen en vrijheidsgraden zijn er? En hoe wordt van een student een architect gemaakt?

 

Kersten Geers: Architecture Without Content

Christophe Van Gerrewey: Jij hebt sinds 2003 op verschillende plekken atelieronderwijs gegeven – het Berlage Instituut in Rotterdam, de Technische Universiteit Delft, en ook de Universiteit Gent. Enkele jaren geleden ging je van start met een reeks ontwerpateliers aan architectuurscholen en universiteiten, meestal voor één semester, met als overkoepelende titel Architecture Without Content. De eerste studio werd georganiseerd aan Columbia University in New York, in de lente van 2011; de recentste en ondertussen 18e editie ging vorige maand van start aan de École polytechnique fédérale de Lausanne. De resultaten van de eerste vijf studio’s zijn in 2015 gepubliceerd bij Bedford Press, Londen. Waarom wilde je dat pedagogische project opzetten?

Kersten Geers: In Gent, waar ikzelf heb gestudeerd, is het gebruikelijk om het ontwerponderwijs niet te ‘formatteren’. Je geeft architectuurstudenten een opdracht, ze voeren die uit, je begeleidt hen en geeft commentaar, en op het eind zeg je: het is goed of slecht, mooi of lelijk – en je geeft punten. Het onderwijs wordt ruim en vrij opgezet. De eerste jaren dat ik lesgaf, heb ik die onderwijstraditie gevolgd, maar ik heb er ook de nadelen van ingezien: er staat niet veel op het spel, het is moeilijk om thema’s diepgaand te behandelen, want er blijven te veel mogelijkheden open. De studenten krijgen ook te weinig referentiemateriaal aangereikt om op te reageren. In ieder geval zijn de resultaten zelden bevredigend. In 2009 begon ik echter te doceren aan de architectuuracademie in Mendrisio (CH). Ik werd gevraagd om een studio te organiseren voor tweedejaarsstudenten – mensen van twintig jaar die vaak geen benul hebben van architectuur. Als je hen iets wil bijbrengen, moet je van bij aanvang meer aanreiken dan alleen maar een architectuuropdracht. Dat heeft me aangespoord om een duidelijk kader uit te werken. In dat verband is de samenwerking met een van mijn medewerkers, Andrea Zanderigo van het Italiaanse bureau Baukuh, heel belangrijk geweest. We hebben in Mendrisio van in het begin besloten om onze studio vorm en structuur te geven, ook inhoudelijk.

C.V.G.: Hoe pakten jullie dat aan?

K.G.: Wat mij irriteert is de manier waarop studenten met hippe referenties komen aanzetten. Er is een nummer van El Croquis aan het werk van Christian Kerez gewijd, en voilà: iedereen kopieert de architectuur van Kerez. Toyo Ito heeft een bibliotheek afgewerkt, en meteen zie je enkel nog de invloed van Ito. We hebben dat proberen te counteren door een reeks gebouwen van eenzelfde type aan te reiken. Bijvoorbeeld een aantal villa’s, zoals het huis dat Venturi voor zijn moeder bouwde in 1964, Fisher House van Kahn uit 1967, Davis House van Gehry uit 1962, en de Black Barn van Stanley Tigerman uit 1974. We stelden een rare mix van gebouwen samen, een lijstje dat zeker niet alleen classicistische of modernistische meesterwerken omvat, maar ook onbekende gebouwen en soms ook ‘foute’ referenties – niemand kent het huis van Tigerman en Gehry is de meest verguisde architect ter wereld. Studenten moesten één villa uitkiezen, het bestaande ontwerp uittekenen en er een maquette van maken. Daarna werd hen gevraagd om een ‘servant’s house’ te ontwerpen, een dubbelganger van het eerste huis. Je kent dat fenomeen: als je de Villa Savoye bezoekt, koop je een toegangsticket in een juniorversie van het echte huis. Onze bedoeling was om tweedejaarsstudenten op die manier, door vormanalyse en via het kopiëren en transformeren van een ontwerp, iets bij te leren. Door hen bij wijze van spreken een slechte kopie te laten maken, krijgen ze inzicht in wat architectuur kan zijn. Dat kan je een formule noemen, of een methode. In de loop van die eerste twee jaar is die formule geëvolueerd naar een format. 

C.V.G.: Wat is het verschil? 

K.G.: Een formule is een reeks strikt gedefinieerde handelingen. Je zegt tegen studenten: neem dit huis, maak er een maquette van, teken plannen, kopieer elementen op schaal, maak een nieuw maar gelijkaardig huis op een andere plek. Na verloop van tijd hebben we een kader ontwikkeld waarin die handelingen plaatsvinden zonder dat ze strikt gedefinieerd worden. We reiken bijvoorbeeld nog steeds architectuurhistorische referenties aan, maar we laten in het midden wat de student ermee moet aanvangen. De eerste studio in Columbia in 2011 heette Big Boxes – een verwijzing naar grote, vaak monofunctionele, meestal publieke realisaties. We gaven vier gebouwen als voorbeeld: een kantoorgebouw voor IBM uit 1971 van Norman Foster, de bibliotheek van Madrid uit 2002 van Ábalos & Herreros, Pacific Design Center uit 1975 van Cesar Pelli en het ontwerp voor het parlement in Rome van Gianugo Polesello uit 1966. Het gaat opnieuw om heel uiteenlopende gebouwen die onder één noemer, één titel kunnen worden geschaard. Dat is belangrijk, omdat zo een thematisch universum ontstaat waarin de student kan werken. Ze weten dan waar het om gaat, hoe zulke gebouwen gebruikt worden, op welke manier je met die functies omgaat, en van welke beeldtaal je gebruik kan maken. We vragen echter niet om die gebouwen te kopiëren. De studenten moeten een nieuwe big box maken. Het is trouwens dankzij Big Boxes dat we de titel Architecture Without Content hebben bedacht.

C.V.G.: De titel kwam dus ná de opdracht?

K.G.: Zo gaat het wel vaker. De belangrijkste reden waarom ik lesgeef is om te kunnen nadenken. Het is mijn manier om aan onderzoek te doen, om de betekenis van woorden te bepalen. Daarin schuilt een zeker eigenbelang, maar het gaat ook heel erg over team spirit: ik ga samen met studenten op zoek naar wat architectuur is of zou kunnen zijn. In het geval van Big Boxes kwamen we collectief tot de conclusie dat in die voorbeelden, in die grote dozen, het gebruik, de inhoud of het programma van het gebouw bijna geen rol meer speelt. De opdracht van de architect wordt herleid tot het zo precies mogelijk afbakenen van een gigantische hoeveelheid ruimte.

C.V.G.: Waarom is het geven van referenties zo belangrijk? Kunnen studenten daar niet zelf naar op zoek gaan? 

K.G.: Dat is de kern van de zaak. De wereld is verzadigd met beelden, maar diepgang ontbreekt. Als je niets aanreikt om van te vertrekken, wordt er door studenten enkel gegoogeld. Het gevolg: ze kijken naar een plaatje, een visuele prikkel zonder inhoud. Ze zijn bovendien onderworpen aan de waan van de dag, want wat komt bovendrijven op internet is beperkt en het is overal hetzelfde. Wat succes heeft krijgt alleen maar méér succes. Maar ik ben niet pessimistisch. Ik denk dat we met een tussengeneratie te maken hebben die het slachtoffer is van technologie, en die niet kan kiezen, de wereld letterlijk niet kan lezen, en geen culturele verbanden weet te leggen. Als docent kan je dus niet anders dan zelf ontwerpen selecteren. Door die te laten bestuderen en reproduceren – in maquette, plan, snede, perspectief – proberen we bij studenten concentratie teweeg te brengen, in de hoop dat dat leidt tot een precieze, waardevolle manier en ook heel efficiënte manier om met architectuur bezig te zijn. Het ontwerpproces is zodanig complex, zeker voor studenten, dat je niet anders kan dan vrijheidsgraden beperken.

C.V.G.: Zijn er nog andere randvoorwaarden die je oplegt? 

K.G.: Je kan niet aan studenten vragen om tegelijkertijd na te denken over wat ze doen en over hoe ze dat gaan doen. Het wordt heel verwarrend als ze een volstrekt nieuw gebouw moeten bedenken zonder dat ze geleerd hebben om te tekenen of om met verschillende representatievormen om te gaan. Daarom hebben we besloten om het bedenken van een nieuw ontwerp en de weergave ervan uit elkaar te halen. De eerste weken maken studenten tekeningen van een bestaand gebouw, zodat ze geen energie verliezen met het ontwerpen. Ze leren tekenen, maar ze leren ook over architectuur praten. Pas daarna zeggen we: wat je zonet gedaan hebt met dat bestaand ontwerp, ga je nu op dezelfde manier doen met je eigen ontwerp. Zo vermijd je in die tweede fase discussies over bijvoorbeeld de schaal van een plan – die gesprekken heb je namelijk al in de eerste fase gevoerd. Bovendien weten de studenten dankzij die eerste fase hoe zo’n plan in elkaar steekt. Dat is bevrijdend. Het klinkt retorisch, maar in die tweede fase ben je alleen nog met architectuur bezig.

C.V.G.: Tegelijkertijd kan je ‘wat’ en ‘hoe’ nooit scheiden. Een format is nooit onschuldig. Als je studenten vraagt om plannen, snedes en perspectieven te maken, dan stimuleer je een bepaald soort architectuur en sluit je sommige ontwerpen bijna uit. Een student die een gebouw wil ontwerpen in de vorm van een vis, geraakt met die instrumenten niet ver. In de drie jaar ontwerpbegeleiding die ik aan eerstejaarsstudenten van de Universiteit Gent heb gegeven, ben ik er altijd van uitgegaan dat het – zeker in dat eerste jaar – niet onmogelijk mag zijn om een vis te ontwerpen. 

K.G.: Begrijp me niet verkeerd: ik ben volstrekt dezelfde mening toegedaan. Ik wil absoluut geen docent zijn die van studenten enkel vierkanten, ommuurde tuinen of lange slabs verwacht, zoals je dat op basis van een onzorgvuldige lectuur van het werk van Office Kersten Geers David Van Severen zou kunnen vermoeden. Ik vind het ridicuul als je op een jurydag een grote verzameling van ongeveer dezelfde projecten tegen de muur van de ontwerpstudio ziet hangen, die allemaal deel lijken uit te maken van het oeuvre van de docent. Ik haat het als studenten denken dat ze mij een karikaturale kloon van een Office-project moeten voorschotelen. Het tegendeel is waar: als een student het relevant vindt om een vis te ontwerpen, dan moet dat kunnen.

C.V.G.: In alle jaren, of enkel in het eerste jaar? 

K.G.: In alle jaren, zonder twijfel. Ik wil op geen enkele manier opleggen hoe een gebouw er moet uitzien. Daarom kiezen we altijd op een vileine manier totaal uiteenlopende referenties. Studenten kunnen daar geen lijn in trekken, ze kunnen er geen architectuurconceptie op baseren, en dat is de bedoeling. Dus een vis? Ja, graag, maar die vis moet ontworpen zijn op een systematische, intelligente en consequente manier, en hij moet weergegeven worden in plan, snede en perspectief. Dat is perfect mogelijk! Als dat lukt, dan zeg ik: go ahead with your fish!

C.V.G.: En toch: stel dat je studenten vraagt om geen snede maar een axonometrie te maken, een parallelle projectie zonder verdwijnpunten. Stuur je hen dan niet in de richting van een andere architectuur? 

K.G.: Welke architectuur? Een architectuur van de axonometrie? Ik weet niet wat dat is.

C.V.G.: Denk aan het vroege werk van b0b van Reeth, of aan R.M. Schindler: totaal oneconomische architectuur, ingewikkelde ruimtelijke structuren, zeer bewerkelijke hoeken… Dat kan je bijna niet tekenen zonder axonometrie. 

K.G.: OK, ik begrijp het, daarin heb je gelijk. Maar je moet die snede en dat plan ook met een korrel zout nemen. We laten variatie toe, in functie van het ontwerp. Soms leggen we verschillende schalen vast en mogen studenten de tekeningen maken die hun ontwerp vereist. Er is dus veel mogelijk. Maar aan de andere kant: het belang van economisch ontwerpen, van eenvoudige, fundamentele ingrepen die zich laten uitdrukken in snede en plan, is impliciet altijd aanwezig in de ontwerpstudio’s van Architecture Without Content. Ik vind niet dat ik studenten kan laten geloven dat ze architect kunnen zijn in een bubbel buiten de wereld. Voor mij volstaat het niet dat ze fancy tekeningen maken. Ze moeten zich in de wereld engageren; op dat vlak ben ik calvinistisch, spartaans of zelfs politiek geëngageerd. Architectuur moet invloed hebben op de maatschappij, en studenten moeten beseffen dat ze niet heel de tijd geschifte en spectaculaire musea kunnen ontwerpen. Architectuur draait om utilitaire gebouwen, ze moet een rol spelen – misschien is die invloed marginaal, misschien is ze verwaarloosbaar, maar het principe blijft belangrijk.

 

Dirk Somers: poppenhuizen en geschiedenis

Christophe Van Gerrewey: Sinds 2003 doceer je architectonisch ontwerpen aan de Technische Universiteit Delft en sedert 2011 ben je architectuurprofessor aan de Universiteit Gent. Begin 2014 heb je in Delft een experimentele opdracht gelanceerd voor masterstudenten: maak een poppenhuis. In de herfst van hetzelfde jaar heb je die opdracht in licht gewijzigde vorm herhaald in Gent. In juni 2015 werden enkele poppenhuizen tentoongesteld in deSingel te Antwerpen. Vanwaar de opgave om een poppenhuis te ontwerpen?

Dirk Somers: Ik wou al lang een atelier organiseren rond de opdracht van het poppenhuis. Een poppenhuis is een specifiek soort maquette; het is een schaalmodel dat op zichzelf staat. Het gebouw op ware grootte bestaat hooguit in de verbeelding. Een bekend voorbeeld uit de architectuurgeschiedenis is het poppenhuis dat Edwin Lutyens in 1924 maakte voor Queen Mary. Architecturaal stelde dat niet veel voor, maar wat me interesseert is dat het gebruikt werd om het publiek een blik te gunnen op het leven van de royals. Dat illustreert de aantrekkingskracht van het poppenhuis als een medium dat tussen het gedroomde en alledaagse leven bemiddelt. Een ander verschil met de maquette heeft te maken met de visuele toe-eigening van het poppenhuis: de kijker projecteert zichzelf in het interieur. De ontwerper moet dus visuele toegankelijkheid creëren, maar ook intimiteit en huiselijkheid. Het poppenhuis is een rare, dubbelzinnige vorm: een doorgesneden huis waar je kan inkijken, maar dat toch gesloten en geborgen blijft.

C.V.G.: Je stelt geen randvoorwaarden op, zoals oppervlakte of programma? 

D.S.: Neen. Ook de schaal kan variëren in functie van het materiaal of de eigenschappen van het poppenhuis. Een pedagogisch voordeel van zo’n opdracht is dat je dingen die eerder onrechtstreeks met het vormelijke ontwerp te maken hebben, niet meer aan bod hoeft te laten komen. Analyse van de site, oriëntatie, stedelijke context, programma van eisen, energieprestatieregelgeving, tekenconventies, computerprogramma’s – het valt allemaal weg, waardoor je je volledig kan concentreren op de vormentaal, de tektoniek, de architecturale samenhang tussen materiaal, structuur en ruimtelijke beleving. Het gaat enkel nog om de tastbare en zichtbare kwaliteiten die het object succesvol maken. Wat overblijft is het plezier van het maken, van het ‘luisteren’ naar materialen en het gehoorzamen aan de wetten van een medium. De studenten moeten iets construeren, ze moeten materialen combineren, een plafond of een dakconstructie in elkaar steken, bepalen hoe ruimtes begrensd en gedetailleerd worden.

C.V.G.: Waarom is het maken zelf zo belangrijk?

D.S.: Kijk, ontwerponderwijs is noodgedwongen altijd fake: je leert studenten bouwen, maar het bouwen zelf kan niet aan bod komen. Je moet de architectuurpraktijk op een of andere manier simuleren. Meestal gebeurt dat door in te zetten op representatie, op plannen, schetsen, perspectieven, technische tekeningen, 3D-renders, op zo’n manier dat die documenten, die beelden, belangrijker worden dan de architectuur of het ontwerp zelf. Maar door een poppenhuis te realiseren maken ze iets ‘echts’. Dichter bij de bouwpraktijk kan je in een onderwijscontext waarschijnlijk niet komen.

C.V.G.: Reik je de studenten bij het begin van de oefening referenties aan?

D.S.: Ja, die probeer ik als motor te gebruiken. Ik ga op zoek naar raakpunten tussen wat ik interessant vind en wat studenten aantrekkelijk vinden om mee te werken. Dat vergemakkelijkt de samenwerking. Ik probeer een alternatief kader te bieden, een ‘architectuursfeer’ te creëren waarbinnen gewerkt kan worden. Als je dat niet doet, zijn de mogelijkheden niet te overzien. Daarom toon ik aan het begin van de oefening met het poppenhuis een twintigtal interieurs: dat van de Villa Muller van Loos uit 1930 bijvoorbeeld, van het Summer House van Asplund uit 1937, van het Huis Slegers van Gerrit Rietveld uit 1955, maar ook het interieur van het Red House van Tony Fretton uit 2001 zit erbij. Het gaat dus niet om radicaal moderne interieurs, er is geen sprake van leegte of totale openheid – dan zou het huiselijke karakter immers verdwijnen en de opdracht niet meer werken; ofwel wordt het dan zinloos om een poppenhuis te maken, ofwel ben je er meteen mee klaar. Huis Slegers van Gerrit Rietveld is de gezelligste en minst abstracte woning die hij ooit gebouwd heeft, en ook het interieur van de Villa Muller is heel complex en bijna somptueus.

C.V.G.: Andere docenten doen hetzelfde: ze beginnen een ontwerpopdracht met een spoedcursus architectuurgeschiedenis. Het is een naïeve vraag, maar geschiedenis wordt toch intensief onderwezen aan architectuurscholen?

D.S.: Ja, maar ik heb het altijd als mijn missie gezien om de architectuurgeschiedenis vanuit het perspectief van de ontwerper te her-onderwijzen. Tien, vijftien jaar geleden was dat misschien iets aanstootgevender dan vandaag. Geschiedenis is bon ton geworden: iedereen werkt inderdaad met referenties. En dat is ook nodig, want ik denk niet dat architectuurgeschiedenis vaak wordt onderwezen vanuit het standpunt van een ontwerper, met bijvoorbeeld aandacht voor het tektonische. Het gaat in architectuurhistorische colleges zelden over materiaalgebruik, ritme, overspanning of lastenverdeling. Een docent architectuurgeschiedenis kan een semester lang over Palladio spreken zonder het daarover te hebben.

C.V.G.: Waarom nemen studenten de kennis uit de colleges architectuurgeschiedenis niet gewoon mee naar het atelier?

D.S.: Het zou kunnen dat ze die reflex missen, maar ik weet niet of je hen dat kan verwijten. Die cursussen hebben meestal niet zo’n uitnodigend karakter voor een ontwerper. Het beeldmateriaal is van nogal inferieure kwaliteit. Ik ken vooral architectuurgeschiedenisboeken met relatief slechte afbeeldingen. Er worden in opleidingen wel pogingen gedaan om ontwerp, theorie en geschiedenis op elkaar te betrekken, maar dat blijven incidentele constructies.

C.V.G.: De keuze voor een bepaald medium is nooit neutraal. De vraag naar een specifiek object – zoals een poppenhuis – roept bepaalde ontwerpen op en sluit andere uit. Een student die een poppenhuis wil maken in de traditie van Rem Koolhaas heeft een probleem, want de architectuur van OMA gaat nauwelijks over klassieke bouwproblemen, over de eigenheid van materialen of over vormelijke codes. Wie wil experimenteren met conceptuele of laatmodernistische architectuur, moet andere middelen inzetten en uittesten, en dat laat jouw atelier niet toe.

D.S.: Dat klopt, maar ik vind dat geen probleem. In Delft worden de masterstudio’s, die trouwens maar een half semester lopen, ingevuld met gedurfde exploraties van heel diverse aard. In Gent heb ik de opdracht met het ontwerpcurriculum in het achterhoofd op het programma gezet: wat speelt zich in de andere studio’s af en wat wordt er momenteel niet aangeboden? Ik vind zeker niet dat je studenten alleen maar poppenhuizen kan laten bouwen. Ik besef heel goed dat ze in dat geval in de architectuurpraktijk nogal hulpeloos zouden zijn – en ik zou als docent zeker problemen krijgen met de Orde van Architecten! Maar anderzijds kun je in één atelier niet alle mogelijke architectuurpoëtica’s aan bod laten komen. Er is vast een docent die beter onderlegd is in het begeleiden van een Koolhaasfan, in het kader van een oefening met laatmodernistische accenten bijvoorbeeld. Er is veel keuze, en dan is het net goed dat de verschillende opties duidelijk zijn afgelijnd. Het wordt waarschijnlijk een probleem als die verschillende mogelijkheden niet aangeboden worden binnen één school, en die homogeniteit treedt sneller op dan je denkt. In Delft hoor je docenten wel eens verzuchten: maakt nu iedereen binnenstedelijke opdrachten van gemiddelde grootte? Ik herinner me uit mijn opleiding aan het Henry van de Velde-instituut in Antwerpen dat ik gelukkig was met docenten die een standpunt innamen, en die niet per definitie meegingen met de ideeën of de voorkeuren van studenten. Als atelierdocent moet je durven zeggen: nee, architectuur is iets anders! Het is aan de studenten om het daar – achteraf – oneens mee te zijn; zolang ze in mijn atelier studeren, wordt hen gevraagd om te werken binnen een relatief afgelijnd architecturaal kader.

C.V.G.: Het gaat dan wel om jouw opvatting – heb je geen schrik dat je studenten aanzet tot na-apen?

D.S.: Als Erasmusstudent in Milaan heb ik een studio gevolgd van Giorgio Grassi. Zijn studenten werken strikt op basis van zijn beroemde aanpak, in de eerste plaats op het niveau van representatietechnieken. Zonder dat Grassi daarom vraagt, gebruikt iedereen dezelfde pantonestiften. Dat is storend, en het wordt zelfs karikaturaal: de projecten voldoen niet aan de verwachtingen, maar ze lijken wel door Grassi getekend. Natuurlijk doen studenten vaak wat ze denken dat jij verwacht, maar ik maak me toch sterk dat ik toestanden als bij Grassi weet te vermijden. Ik vind mezelf geen idiosyncratisch architect, ik ben altijd op zoek naar de grenzen van mijn eigen principes en regels. Voor studenten is dat soms moeilijker omdat er wel een kader geldt, maar geen expliciete taal wordt opgelegd.

C.V.G.: Op de website van je bureau Bovenbouw staat een zinnetje dat mij fascineert: ‘Bovenbouw maakt architectuur die zichzelf is, wars van het krampachtig verlangen avant-garde te zijn.’ Probeer je dat ook als docent te bewerkstelligen: studenten die krampachtig verlangen avant-garde te zijn, op andere gedachten brengen?

D.S.: Het probleem is dat er vandaag handzame pseudocanons bestaan in de architectuur. Studenten houden van websites als Dezeen en Afasia, met spectaculaire en flitsende ontwerpen. Eenvoudige recepten als een window shuffle laten hen toe om een gebouw snel van een frisse identiteit te voorzien. Dat makkelijke succes probeer ik tegen te gaan door ongebruikelijke referenties voor te stellen. Zo ontstaan er studies van de architecturale vormentaal die voor de studenten – en vaak ook voor mezelf – nieuw zijn. Volgens mij is dat onder meer te danken aan de manier waarop de architectuurgeschiedenis in het atelier wordt ingeschakeld om een vlakke pseudoavant-gardistische nieuwheid te vermijden. Dat is voor mij de definitie van architectuur: een formele relatie aangaan met de geschiedenis.

 

Jan De Vylder & Jo Taillieu: gebouwen en stukken van gebouwen

Christophe Van Gerrewey: Jan, jij bent docent op de Campussen Sint-Lucas Brussel en Gent van de KULeuven, en programmadirecteur van de permanente onderwijscommissie architectuur. Jo, jij hebt lesgegeven aan de Universiteit Gent en aan Sint-Lucas. Samen met Inge Vinck, met wie jullie een bureau leiden in Gent, hebben jullie gedoceerd aan het Sandberg Instituut in Amsterdam, La Cambre in Brussel en de TUDelft, en op dit moment geven jullie les aan de architectuuracademie van Mendrisio en de École polytechnique fédérale de Lausanne. Het lijkt me niet evident om samen les te geven…

Jo Taillieu: Strikt genomen doen we dat ook niet. We werken in het buitenland als bureau: in Delft, in Lausanne en Mendrisio gaat meestal afwisselend een van ons drieën naar het atelier. De studenten appreciëren het dat ze telkens een andere, maar toch ook aanverwante stem te horen krijgen. We spreken elkaar zeker niet tegen, maar elk van ons legt de nadruk op andere aspecten.

Jan De Vylder: Eigenlijk doen wij in het onderwijs hetzelfde als in ons bureau: vanuit een coherente visie werken we samen met jonge gemotiveerde mensen aan projecten.

C.V.G.: Hoe worden jullie oefeningen georganiseerd?

J.D.V.: Onze studenten moeten in de eerste plaats letterlijk aan tafel komen zitten, dat is het belangrijkste: we organiseren een soort snelschaak. Voorts kan ik enkel herhalen dat ons onderwijs gebaseerd is op de manier waarop wij als architecten werken.

C.V.G.: Maak je dan niet een soort stijlatelier?

J.D.V.: Misschien, maar dat is niet noodzakelijk een probleem. Wij monopoliseren geen hele school. Je wordt als student tijdens een vijfjarige opleiding met bijna tien extreem verschillende methodes geconfronteerd. Dat is waardevoller dan wanneer een school één traditie vertegenwoordigt, en sluit meteen het gevaar voor epigonisme uit. Voor de studenten is dat niet makkelijk. Stel je voor: er zijn studenten die een semester bij Kersten Geers les volgen, en zich het volgende semester voor ons atelier inschrijven. Totale verwarring is hun deel! Maar dat is goed: zo worden ze uitgenodigd om een persoonlijkheid te vormen. Je bent als praktijkdocent verplicht om te doceren zoals je werkt.

J.T.: Toch is er een belangrijk verschil met de context van het architectuurbureau. Het gesprek dat je met bureaumedewerkers voert dient als katalysator voor je eigen ontwikkeling; in de school voer je dat gesprek daarentegen opdat de student zich ontwikkelt. Je brengt weliswaar je eigen visie op gebouwen en projecten naar voor, maar ook de student heeft een inbreng. Ook zijn of haar fascinaties zijn belangrijk. In ons bureau maken wij het ontwerp; in een studio willen we juist vermijden dat het werk van de studenten op het onze lijkt.

C.V.G.: Jullie hebben beiden architectuur gestudeerd aan Sint-Lucas Gent, eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Ging het er toen anders aan toe?

J.D.V.: Ongetwijfeld! Er is vandaag een grotere hang naar veiligheid en comfort. Student worden veroorzaakt nauwelijks nog een breuk. Studenten gaan bij wijze van spreken om zes uur naar huis omdat het eten bij mama en papa net als vroeger op tafel staat. Ik merk dat aan de Brusselse studenten – wat een stad, wat een mogelijkheden, zeker als je uit de provincie komt! En wat zie je: haast niemand zit daar op kot. Maar ik wil niet klinken als een oude man die alleen maar problemen heeft met de nieuwe generatie.

C.V.G.: Wellicht is het onderwijs zelf ook veranderd…

J.D.V.: Ja, men leert studenten te veel om enkel aandacht te hebben voor prestaties die gemeten kunnen worden. Wij gingen als studenten voor het beste ontwerp, zij gaan voor het ontwerp dat de meeste punten haalt. Terwijl het daar niet om zou moeten gaan: de beste ontwerpen draaien uit op een clash, op een debacle zelfs. Je moet koppig en ontoegeeflijk zijn als student; je moet ergens voor vechten en geen schrik hebben dat het slecht zal aflopen. Ik vind dat onderwijs te maken moet hebben met energie.

C.V.G.: Wat versta je daaronder?

J.D.V.: Ik spoor studenten bijvoorbeeld aan om een gigantische hoeveelheid tekeningen te maken; ik probeer ze zover te krijgen dat ze bijna ondanks zichzelf bepaalde ideeën op papier zetten – want zo verrassen ze zichzelf en wordt hun zelfbeeld uitgedaagd, niet alleen als ontwerper maar ook als mens. Dat is wat architectuuronderwijs volgens mij moet doen: studenten ‘openbreken’, ervoor zorgen dat ze angsten of onzekerheden afschudden, dat ze risico’s nemen.

J.T.: De mooiste momenten in een ontwerpstudio zijn die waarop een student zichzelf en de docent verrast. Ik geloof niet in het indoctrineren van studenten: je moet hen niets opdringen waar ze toch niet van houden. Ik vind het boeiend om een student iets te zien maken waarvan je weet dat je het zelf nooit zou kunnen of willen maken. En dat is ook een groot verschil met vroeger, denk ik. Onze generatie legt meer openheid aan de dag, terwijl de referentiekaders vroeger dwingender waren, eenzijdiger ook.

J.D.V.: Ik heb les gekregen van Juliaan Lampens. Ik herinner me nog goed hoe dat ging. Als hij een vermoeden van iets interessants op je tekening zag staan, dan ging hij erbij zitten. Als hij dat vermoeden niet had, dan keek hij zelfs niet meer. Je kon als student bijna niet anders dan stilzwijgend zijn type architectuur maken, anders werd je genegeerd en stond je er alleen voor.

C.V.G.: Dat wordt over Mies van der Rohe ook verteld.

J.D.V.: In zekere zin vind ik dat waardevol. Het type van de architect als een ‘grote meester’ die op grond van zijn oeuvre autoriteit bezit en invloed uitoefent als docent, is niet noodzakelijk nefast. Het is misschien jammer dat die soort stilaan verdwenen is. Vandaag wordt van een atelierdocent openheid verwacht, bereidheid tot praten, tot het bedenken van educatieve en pedagogische modellen – om nog maar te zwijgen over de verplichting om aan onderzoek te doen.

C.V.G.: Ik kan me voorstellen dat Lampens of Mies evenmin creatief waren in het bedenken van pedagogische concepten. Een student maakte een ontwerp en werd daarop beoordeeld. Dat soort eenduidigheid lijkt verdwenen.

J.D.V.: Dat is zo. Vandaag heeft het niet veel zin om studenten één perfect object te laten maken. Ze moeten in de eerste plaats een visie ontwikkelen. Een oefening die wij vaak geven is ‘7 huizen en 1 huis’. We vragen de studenten een huis te ontwerpen met een eenvoudig programma: 150 m2, twee kinderen, een kat en een Märklintrein. Die woning moeten ze uitdenken voor zeven verschillende locaties, bijvoorbeeld in Oostende, in Brussel, in de Ardennen… De vraag wordt dan: hoe ga ik met dezelfde opdracht om in een andere context? Collega’s reageren daar soms terughoudend op. Moet je in een tweede of derde jaar geen ambitieuzer gebouw laten ontwerpen, een bibliotheek of een congrescentrum, vragen ze zich af. Is die opdracht niet te bescheiden? Wel, dat is ze niet. De studenten worden inderdaad met een klein en tastbaar programma geconfronteerd, maar de complexiteit zit in de context, in de wisselende omstandigheden. Daardoor gaan studenten beseffen dat architectuur méér is dan een gebouw maken of een probleem oplossen, en dat je ook een denklijn, een methode moet ontwikkelen.

J.T.: We geven aan het begin van de oefening boeiende voorbeelden, exemplarisch voor een problematiek: zeven Zwitserse huizen bijvoorbeeld, of zeven Belgische. We vragen om een cruciaal constructief fragment uit zo’n gebouw te lichten, het uit te tekenen en vervolgens te gebruiken om een nieuwe woning te maken. We gaan dus uit van het detail om een totaalontwerp te ontwikkelen. Bij het ontwerpen van een gebouw begin je meestal met het geheel en ga je geleidelijk aan naar het detail; maar het is ook belangrijk om omgekeerd te werken, van de kleine naar de grote schaal, van het detail naar het geheel. Zeker voor jonge studenten biedt dat houvast, want ze moeten niet vertrekken van een leeg blad. Bij zo’n werkwijze ga je allesbehalve uit van een duidelijke theoretische stellingname – over bijvoorbeeld het wonen – maar via een achterdeur komen dergelijke opvattingen uiteindelijk toch aan bod.

C.V.G.: Door studenten met stukken van gebouwen en fragmenten te laten werken, stimuleer je niet meteen eenvoudige ontwerpen, of conceptueel eenduidige en heldere architectuur.

J.D.V.: Waarschijnlijk niet. Maar volgens mij zijn er vandaag nauwelijks nog architecten die denken in concepten of in perfecte vormen. Alles is context, een enorme context waaruit je stukjes moet selecteren.

J.T.: Dat geldt toch niet zomaar voor alle architectuur, denk ik.

J.D.V.: Het is zeker eigen aan onze ontwerppraktijk: wij hebben vanaf het begin ‘materie’ in gedachten, eerder dan concepten, schema’s, principes, ideeën of theorieën. We denken door middel van bestaande architectuur, van gebouwen en stukken van gebouwen. Architectuur is een ontzettend gerafelde werkelijkheid.

C.V.G.: Vinden jullie het noodzakelijk om referenties aan te reiken? Je zou studenten zélf een stuk van een gebouw kunnen laten uitkiezen.

J.T.: Dat draait meestal niet goed uit. Er is minder honger bij studenten om daar naar op zoek te gaan, om tentoonstellingen te bezoeken, om tijd door te brengen in de bibliotheek.

J.D.V.: Als je hen daar toch heen stuurt, dan komen ze terug met een boek als One Hundred Loft Houses. Dat heeft ook te maken met de ontwikkeling die de architectuurcultuur heeft doorgemaakt. Sinds iedereen over architectuur praat, en sinds Knack Weekend en De Standaard maandelijks een woon- en architectuurbijlage aanbieden, is de diepgang niet toegenomen, en studenten vallen begrijpelijkerwijze terug op die low-profile-informatie.

J.T.: Ze schuimen voortdurend het internet af. Ze beseffen niet dat er een groot verschil is tussen in aanraking komen met architectuur langs digitale of analoge weg, op een computerscherm of op papier. In een boek of tijdschrift zie je meerdere tekeningen tegelijkertijd, op de juiste schaal; je krijgt er een tekst bij, je leert het hele oeuvre van een architect kennen. Dat verdwijnt op het internet. Daarom moet je bij iedere opdracht zelf een context of een culturele omgeving creëren.

C.V.G.: Ontwikkelen jullie nog andere strategieën om het terugvallen op voor de hand liggende informatie tegen te gaan?

J.T.: Wij willen niet dat studenten met de computer werken. De nadruk ligt letterlijk op de handeling van het tekenen met de hand. Dat creëert traagheid en concentratie. Je werkt ook ruimer, alles is mogelijk. Je tekent op verschillende, maar vaste schalen – op de computer hebben die verschillen geen betekenis meer omdat elke tekening op alle mogelijke schalen kan worden gepresenteerd. Op je tekentafel kan je tien of meer tekeningen naast elkaar leggen – dat is op een scherm slechts in beperkte mate mogelijk. Je kan radicaal opnieuw beginnen en toch terugkeren naar een vroeger gemaakte tekening – de verschillende versies worden op een computer niet altijd bewaard. En ook het bespreken van hun werk is makkelijker: je kan als docent iets voortekenen, of de tekening van de student meteen aanpassen.

C.V.G.: Wat voor tekening ze maken doet er niet toe?

J.T.: Jawel, het moet precies zijn. Het gaat dus meestal om een fijne potloodtekening. We geven steeds ook een formaat of schaal op. Daarnaast is het voortdurend ontwikkelen van een maquette essentieel. Ook hier ligt de schaal vast: schaal 1:5 bijvoorbeeld – ongeveer de grootte van een detail – of schaal 1:20 – ter grootte van een gebouwfragment.

J.D.V.: Het tekenen met de hand plaatst ons geregeld voor een dilemma. Een deel van de leeropdracht in het tweede jaar is werken met de computer. Dat werkt zeer remmend, vind ik: een student die net kan stappen moet meteen op een fiets leren rijden. We worden bekritiseerd omdat we geen computertekeningen toestaan. Aan de EPFL hebben we daarom een assistent aangesteld, een oud-medewerker die op dinsdagochtend – dan zijn we er gelukkig zelf niet – computerondersteund tekenen begeleidt. Zelf laten we digitale documenten echter alleen toe op de eindpresentatie, en ze mogen nooit het enige materiaal zijn: de eindejaarstentoonstellingen van onze studio’s zijn altijd een ongelooflijke verzameling van maquettes op verschillende schaal, van tekeningen, plannen en documenten. Eind vorig semester stond er zelfs een fauteuil tussen.

Onder en boven de radar

In het jargon van het vorige Kunstendecreet heette workspacebrussels een ‘multidisciplinaire kunstenwerkplaats’. Sinds de nadruk met het nieuwe decreet verschoof van artistieke disciplines naar organisatorische functies, is het een kunstorganisatie die inzet op de functie ontwikkeling, en dus op ‘het ontwikkelen of begeleiden van de artistieke praktijk, talent, carrière en oeuvre’. Het proces, onderzoek en artistiek experiment zijn daarbij belangrijker dan een concreet resultaat. Jaarlijks ontvangt workspacebrussels ongeveer vijftig residenten, hoofdzakelijk podiumkunstenaars. We spraken met ex-coördinator Marnix Rummens over de festivalwerking van WSB en zijn recent ontslag.

 

Sébastien Hendrickx: Een organisatie die focust op artistieke ontwikkeling, hoeft in principe geen publiek programma samen te stellen. Waarom kiest workspacebrussels ervoor om de halfjaarlijkse Working Title Festivals op te zetten?

Marnix Rummens: Als werkplaats focussen we op kunstenaarstrajecten, eerder dan op losstaande producten. Dat wil zeggen dat we veel ruimte vrijmaken voor onderzoek en experimenten die in eerste instantie geen nieuwe voorstelling nastreven, maar wel zinvol kunnen zijn voor de ontwikkeling van de kunstenaar of het veld in het algemeen. Nieuwe thema’s, nieuwe formats, schetsmatige ideeën die in de reguliere kunstencentra nog geen plaats krijgen, maar wel beloftevol zijn. Tegelijk zoeken we samen met de kunstenaar naar een duurzame integratie van zijn praktijk binnen de samenleving. Het onderzoek en de works in progress trachten we op een zinvolle manier te delen met een publiek, zodat ideeën ook daadwerkelijk uitgetest kunnen worden en feedback krijgen. Daarom vind ik het essentieel dat een werkplaats onder én boven de radar kan opereren. Elke kunstenaar kent in zijn ontwikkeling fases waarin afzondering en afstand tot de geijkte productielogica erg belangrijk zijn. Maar evengoed zijn er fases waar een testpubliek en uitwisseling onontbeerlijk zijn. Het verhoogt niet alleen de zichtbaarheid en de kans op doorstroming en spreiding, het zorgt ook voor een context om een episode in het onderzoek op punt te stellen. Als een voorstudie. Initieel zijn de Working Title Festivals ontstaan als een bundeling van open repetities van residenten in hun studio’s. In de laatste tien jaar zijn ze uitgegroeid tot een klein festival dat op heel diverse plekken in de stad werk en interventies test en daarover in dialoog gaat met een divers publiek.

S.H.: In vergelijking met Charlotte Vandevyver, die jij drie jaar geleden opvolgde, drukte je een meer persoonlijke artistieke stempel. Je had bijzondere aandacht voor transdisciplinair werk, nieuwe artistieke ‘formats’ naast de reguliere podiumkunstproducties, en kunstpraktijken die de menselijke waarneming thematiseren. Vanwaar de keuze om de publieke rol van curator op te nemen? 

M.R.: Ik word door sommige collega’s misschien als sturender ervaren dan mijn voorganger, maar persoonlijk beschouw ik mezelf niet als curator, omdat ik niet vanuit vooropgestelde thema’s werk. Charlotte vertrok volgens mij van het idee dat een werkplaats ten dienste staat van het bestaande podiumlandschap. Zij schatte het gewicht van elke scene of genre binnen de sector in en verdeelde de middelen van de werkplaats ongeveer volgens die verhoudingen. Dat is legitiem, maar als je het veld in je selectie louter weerspiegelt, kopieer je volgens mij ook de structurele problemen van dat veld. En dat zijn er vandaag wel wat. De verhouding tussen instroom en doorgroeimogelijkheden is totaal uit balans. De klassieke netwerken lopen vast. We slagen er niet echt in om een wezenlijk divers publiek te enthousiasmeren. En de disciplinaire scheidslijnen die door veel instellingen worden gehanteerd, weerspiegelen steeds minder de artistieke realiteit.

S.H.: Hoe speelde workspacebrussels in op die verschuivingen?

M.R.: In de sector worden die evoluties wel gethematiseerd, maar ze hebben tot nog toe heel weinig impact op de manier waarop we de organisatie en omkadering van kunst vormgeven. Eigenlijk produceren, tonen en distribueren we grotendeels nog zoals veertig jaar geleden. Onze theaters en musea bieden een selectie van blackbox- en white cube-werk aan dat je veelal passief moet consumeren. Ik heb niets tegen die formats, maar door het overwicht van dergelijke presentatievormen laten we vandaag veel kansen liggen. Als ik dan naar de kunstenaarspraktijken kijk, zie ik ongelooflijk veel mogelijkheden, omdat zij veel kleiner en wendbaarder zijn, en veel directer inspelen op wat er om hen heen gebeurt. Veel kunstenaars maken heel divers werk dat in verschillende contexten en netwerken getoond kan worden aan heel verschillende publieken. Alleen vinden die nieuwe werkvormen niet even snel toegang tot de reguliere kunstencentra. Met workspacebrussels probeerde ik daar iets aan te veranderen.

S.H.: Onder jouw coördinatorschap verliet workspacebrussels vaak die reguliere kunstencentra. Waarom vind je het belangrijk om extra muros te gaan?

M.R.: Het kunstenveld bulkt van de relevante kennis en creativiteit, en toch slagen we er onvoldoende in om die in de maatschappij te laten doorstromen. Veel kunstvormen dragen het potentieel tot verbinding wel in zich, maar als sector zijn we volgens mij nog te veel op onszelf gericht. Ook dat heeft te maken met de invloed van de bestaande infrastructurele logica op de artistieke praktijk. White cubes en blackboxes zijn ontstaan vanuit de noodzaak om de directe omgeving deels te abstraheren. Hoe belangrijk die uitgepuurde ruimtes ook zijn, ze zijn zo alomtegenwoordig dat ze het contextuele en lokale in de schaduw hebben geplaatst.

S.H.: Wat is het verschil tussen contextuele kunstpraktijken en locatieprojecten?

M.R.: Het gaat me om gecontextualiseerde cocreatie. Een kunstenaar brengt zijn theaterstuk bijvoorbeeld niet zomaar in een school, maar tracht zijn kunstpraktijk in te passen, aan te passen aan die school, met die school, voor die school. We moeten durven het louter artistieke te overstijgen. Het uitgangspunt van de kunstenaar blijft artistiek. Hij blijft de auteur, maar opereert in samenwerking met het onderwijs, de zorgsector, de sociale sector, de economie, wetenschappelijke onderzoeksinstellingen. Werk zoals dat van Gosie Vervloessem, Christian Bakalov, Roel Heremans, Peter Aers, Karl Van Welden, Emi Kodama of Benjamin Vandewalle weet door die wendbaarheid publieken te bereiken die je nooit in theaters ziet. Doordat hun werk andere formats aanneemt, zoals immersieve installaties, wandelingen, kijkdozen of audio-instructies, kan het vaak gemakkelijker worden geïntegreerd in scholen, parken, musea, winkels, bars, publieke ruimtes, bejaardentehuizen, universiteiten enzovoort.

S.H.: Op welke manier ondersteunde workspacebrussels dergelijke artistieke praktijken? 

M.R.: Vanuit de zoektocht naar een duurzamere omkadering van die initiatieven ontwikkelde zich binnen WSB wat ik contextuele residenties ben gaan noemen. Aanvullend op de klassieke infrastructurele residenties die theaterstudio’s ter beschikking stellen, begonnen we kunstenaars bij te staan in het vinden van en omgaan met die meer diverse contexten. Vooral makers die het publiek of de omgeving een belangrijke rol toekennen in hun werk hebben nood aan een sociale context om hun werk te ontwikkelen. De Working Title Festivals werden daarom op steeds diversere plekken georganiseerd. De laatste WTF in en rond Recyclart verbond een kunstencentrum, een station, een school, een kerk en een bejaardentehuis. Zo kan je echt een boeiende test- en ontmoetingsruimte creëren waarin zowel noden als kennis vanuit heel verschillende perspectieven samenkomen. Ons project Dark Matter Games in Venetië evolueerde zelfs tot een collectief onderzoeksproject naar hoe je met kunst kan inspelen op de omringende stedelijke realiteit.

S.H.: Kwamen die contextuele residenties er op vraag van de kunstenaars? Of waren het suggesties van jouw kant?

M.R.: Beide. Soms merk je dat kunstenaars bewust zoeken naar een specifieke context voor de ontwikkeling van hun traject en ga je samen op zoek. Soms formuleer ik voorstellen vanuit mijn dramaturgische analyse van iemands praktijk, om de mogelijkheden van het werk zo volledig mogelijk af te toetsen, om praktijken uit te dagen. Het werk van Roel Heremans bijvoorbeeld hebben we in vijf verschillende contexten gepresenteerd, voor vijf totaal verschillende publieken. Je krijgt zo een veel diversere input. Zeker wanneer je al tijdens het conceptie- en maakproces met andere publieken leert omgaan. Op die manier vermijd je geïsoleerde artistieke praktijken.

S.H.: Dat workspacebrussels niet over een eigen infrastructuur beschikt, vergemakkelijkt dat die contextuele aanpak?

M.R.: Dat is inderdaad tekenend voor de werking van WSB: we zijn verbonden met verschillende instituten en alternatieve contexten, maar hebben geen eigen ruimte. En dat blijkt een voordeel. Het genereert een grote vrijheid om in te spelen op wat zich voordoet binnen kunstenaarstrajecten. Het is niet eenvoudig om buiten de gekende paden te treden. Vandaar het belang van een evenementiële focus: die laat je toe om de krachten te bundelen en de mogelijkheden tot contextualisering samen af te tasten. Ik zie die oefeningen in contextualisering echt als een vorm van productionele en inhoudelijke begeleiding, als concrete input. Ze stimuleren een organisatie ook om voortdurend te experimenteren, bij te leren, te veranderen. Daarom zijn die Working Title Festivals zo belangrijk. Je zoekt in groep een plek op, je gaat er heel verschillende relaties mee aan, en herdenkt tijdelijk je hele werking. Doordat je een divers publiek aanspreekt van professionals uit podiumkunst, beeldende kunst, sociaal werk, naast buurtbewoners en liefhebbers, genereert dat een heel interessante kruisbestuiving.

S.H.: workspacebrussels zette dus niet alleen in op de ontwikkeling van kunstenaarstrajecten, maar ook op de eigen ontwikkeling als organisatie.

M.R.: De twee gaan hand in hand. Als we het echt over diversiteit willen hebben, dan moeten we niet alleen kunstenaars met een meer diverse achtergrond werk laten tonen in onze theaters en musea. Diversiteit moet zich ook weerspiegelen in de formats van het werk dat we presenteren en in de aanpassing van de structuren errond. Dat is net de dubbele invulling van de term ‘ontwikkeling’ binnen het nieuwe kunstendecreet: zowel de artistieke praktijken als de productiewijzen, de spreiding, de publiekswerking en het presenteren moeten we proefondervindelijk kunnen blijven ontwikkelen. Het fijne aan het projectmatige karakter van festivals is dat ze je toestaan om niet te veel voor de toekomst vast te leggen, maar echt in te spelen op wat zich voordoet.

S.H.: De raad van bestuur van workspacebrussels vroeg je in juni om op te stappen. Hoe verklaar je zelf je ontslag?

M.R.: Ik heb altijd gepleit voor een kunstenwerkplaats die met één been binnen de instellingen staat en met één been erbuiten. Eenvoudigweg omdat dat de interessantste ruimte oplevert om in te spelen op de kunstenaarstrajecten. Tegelijk voelde ik via de raad van bestuur al langer de druk van de gevestigde instellingen als Kaaitheater en Rosas [die als oprichters van WSB zetelen in de raad van bestuur, S.H.] om meer binnen de krijtlijnen van de geijkte sector te opereren. Dat wil zeggen: je toeleggen op infrastructurele residenties, je uitsluitend binnen de klassieke netwerken inschrijven en minder zichtbaarheid opzoeken, want dat is in de klassieke taakverdeling weggelegd voor de theaters. Ik begrijp dat sommige grote instellingen de krijtlijnen van onze sector niet graag gewijzigd zien, omdat ze in het klassieke systeem de grootste invloed bezitten. Tegelijk kan ik in een systeem dat volledig vastzit kunstenaars niet langer aansporen om doodgewoon verder te gaan met het produceren van blackbox-werk waar steeds minder ruimte en draagvlak voor is. Het duurt zo ontzettend lang vooraleer je de nodige institutionele partners bijeenkrijgt om zelfs maar te beginnen aan een productie, dat ik vooral ben gaan zoeken naar wat we ondertussen wél konden doen.

S.H.: Moet workspacebrussels zich in jouw ogen helemaal losmaken van de focus op voorstellingen?

M.R.: Zeker niet. Het gaat net om die diversiteit. Sommige mensen beschouwen die nieuwe formats niet meer als podiumkunst. Zelf denk ik dat elke generatie zijn eigen invulling aan begrippen moet kunnen geven – dat heeft de generatie van de tachtigers evengoed gedaan. De structuren die we nu kennen zijn destijds organisch voortgekomen uit de praktijken van makers zoals Anne Teresa De Keersmaeker en Jan Lauwers. Maar ik heb het altijd fout gevonden om vanuit de bestaande infrastructuur vereisten te gaan opleggen aan het werk van een nieuwe generatie. Ik vind dat een werkplaats bottom-up moet kunnen werken om haar ontwikkelingsfunctie geloofwaardig vorm te geven. Gelukkig leeft bij vele organisaties het besef dat die innovatie en ontwikkeling essentieel zijn voor de verdere evolutie van onze creatieve sector.

S.H.: Wat zijn je toekomstplannen?

M.R.: Ik ga binnenkort bij Buda vzw in Kortrijk aan de slag, een werk- en presentatieplaats voor transdisciplinaire samenwerkingen tussen kunst, onderwijs, industrie en de sociale sector. En ook als freelancer blijf ik een pak projecten begeleiden. Ik doe dus gewoon verder, maar dan binnen andere organisaties.

 

 

Festivalitis in de podiumkunsten (en elders)

Festivals zijn van oudsher sterkhouders binnen de podiumkunsten, zie bijvoorbeeld Salzburg of Avignon. In Vlaanderen mondde het Kaaitheaterfestival (1977-1985) midden jaren tachtig uit in de stichting van het Brusselse Kaaitheater en tijdens de jaren tachtig en negentig speelde het Leuvense Klapstukfestival een centrale rol in de uitbouw en vervolgens in de consolidering van een eigenstandig veld voor hedendaagse dans. Maar net als de biënnaleformule binnen de beeldende kunsten, lijkt het festivalformat thans door overgebruik te zijn uitgehold. Niet alleen is het aantal festivals in strikte zin toegenomen, de festivalformule duikt ook almaar vaker op in de reguliere programmatie van bijvoorbeeld kunstencentra. In het kielzog van deze ontwikkeling won binnen de podiumkunsten ook de praktijk van het cureren en de figuur van de curator, naast die van de jaarprogrammator, aan belang. Hoe moeten we deze festivalisering juist begrijpen? Wat zijn de mogelijke oorzaken en gevolgen, de pro’s en de contra’s? Daarover praten we met Pieter De Buysser, Charlotte De Somviele, Guy Gypens, Liv Laveyne en Karel Vanhaesebrouck.

Pieter De Buysser heeft een achtergrond in de filosofie en is schrijver en film- en theatermaker. In 2016 richtte hij samen met Thomas Bellinck ROBIN op, ter ondersteuning van beider werk. Charlotte De Somviele werkt bij de vakgroep Theater- en Filmwetenschap van de Universiteit Antwerpen. Daarnaast schrijft ze over dans en performance voor onder andere de krant De Standaard en is ze redactrice van het podiumkunstentijdschrift Etcetera. Guy Gypens heeft een achtergrond in de economie en is sinds 2007 directeur van het Brusselse Kaaitheater. Eerder was hij zakelijk leider bij Rosas en de Beursschouwburg, en leidde hij een tijdlang het Spring Dance Festival in Utrecht. Liv Laveyne werkt voor cultuurcentrum De Grote Post in Oostende; daarvoor was ze verbonden aan Theater aan Zee. Ze cureert tevens het festival Smells Like Circus en schrijft voor diverse media (De Morgen, Circusmagazine…). Karel Vanhaesebrouck legde een gemengd parcours af binnen het kunstonderwijs (RITCS) en de universiteit (ULB, theater- en cultuurstudies). Hij is voorts actief als essayist en dramaturg.

 

Rudi Laermans: De stelling die ons hier bijeenbrengt, is dat er sprake is van een toenemende festivalisering in de kunstensector in het algemeen, en in de podiumkunsten in het bijzonder.

Charlotte De Somviele: Het uitgangspunt klopt alvast voor de podiumkunsten. Filip Tielens heeft dat onderzocht in zijn meesterproef aan de Universiteit Antwerpen en zijn voornaamste bevindingen samengevat in een artikel voor rekto:verso. [1]

R.L.: Dat brengt ons dan meteen bij het waarom van die festivalitis.

Guy Gypens: Bij mij is er altijd een positieve motivatie geweest om de festivalformule in te zetten. Toen ik in het Kaaitheater begon, wilden we als instelling aan een herpolitisering werken. Daar zijn die festivals eigenlijk de formules voor geworden. Ik heb het dan niet over ons festival Performatik, maar over de drie andere festivals die min of meer gelijktijdig werden opgestart. Burning Ice ging over de ecologische kwestie, Spoken World richtte zich op de globale interdependentie, en Festival Kanal ging over het samenleven op basis van cultureel verschil in de hedendaagse kosmopolitische stad – ik vereenvoudig het nu heel sterk. Die drie festivals waren gekoppeld aan de vraag hoe je een context creëert om te werken aan meervoudige en andersoortige burgerschapsvormen, zoals ecologisch burgerschap, cultureel burgerschap of globaal burgerschap. Trouwens, die nieuwe festivals betekenden niet dat we onze corebusiness – het langdurig samenwerken met kunstenaars – afbouwden. Ik heb de festivalisering in onze sector eigenlijk nooit als een probleem ervaren, maar veeleer als een uitdrukking van het verlangen van organisaties of instellingen om relevante maatschappelijke of politieke uitspraken te doen. Dat is nog altijd mijn instelling, bijvoorbeeld ook in de discussie over het cureren. Ik vind het prima dat men zich kritisch uitspreekt over dat fenomeen, maar ik heb altijd ook de neiging om het positief te benaderen omdat ik die behoefte aan politisering zo belangrijk vind.

Dirk Pültau: De link die je legt tussen de festivalformule, cureren en politiek engagement bevestigt mijn indruk dat de curator als geen ander op een haast pathologische wijze verknocht lijkt aan ‘het discours van het politieke engagement’, vooral als het erop aankomt het nut en belang van zijn praktijk te verantwoorden. Als je ervan uitgaat dat het festivalformat een diepgang mogelijk maakt die je binnen een langetermijnprogrammatie niet kan bereiken, of geschikter is om bepaalde uitspraken te doen, waarom wordt dat format dan niet ook gebruikt om bijvoorbeeld de artistieke autonomie op de agenda te zetten?

R.L.: Het valt trouwens ook op dat overheden de voorbije jaren niet meer tevreden zijn met ‘alleen maar kunst’ omdat ze vinden dat autonome kunst op zichzelf geen legitimiteit meer bezit. Je zou daarom kunnen stellen dat curatoren en kunstinstellingen een vraag van buitenaf hebben verinnerlijkt. Bovendien kan heel veel kunst die wordt getoond onder een politieke vlag ook onder een andere vlag koers varen. De relatie tussen de politieke inzet van een festival en de mogelijke betekenissen van het werk dat er wordt getoond, is vaak bijzonder los. Wat mij tot het argument brengt dat festivalisering een manier is om hetzelfde anders te verpakken of te verkopen. Het gaat om de tekenwaarde en uiteindelijk niet om de politieke zeggingskracht, en daarnaast ook om een publieksstrategie die dingen verzamelt en er een strik omdoet waarop geschreven staat: ‘dit is voor u, burger, en niet alleen voor de hoge cultuurliefhebber’. Kortom, je bedient én je subsidiegever, én een publiek. Het in elkaar haken van die twee logica’s maakt van festivalisering een bijzonder efficiënte formule.

Pieter De Buysser: Ik vind dat verschrikkelijk cynisch klinken. In mijn ervaring als kunstenaar vallen festivals helemaal niet zo gemakkelijk tot iets kwaadaardigs te reduceren. Een festivalverantwoordelijke wil in de eerste plaats iets agenderen. Die heeft gewoon een zorg: ‘ik wil het daarover hebben’. Het is zoals wanneer jullie met De Witte Raaf een themanummer maken. Als een festivalcurator je over een thema aanspreekt, is dat omdat hij een gelijkaardige bekommernis in je werk herkent – al hoop ik altijd dat ik werk maak dat in 34 verschillende themafestivals terecht kan. Maar er is steeds ook een marge die ervoor zorgt dat ik een inhoudelijk gesprek kan hebben met zo’n curator. Die wisselwerking is voor mij een van de redenen waarom ik dingen wil maken.

D.P.: Goed, we moeten misschien geen intentieprocessen maken. Maar zelfs indien veel curatoren het goed menen, blijft nog altijd mijn vraag: waarom altijd dat politieke engagement, dat mobiliseren van burgers?

G.G.: Anders dan Rudi denk ik alvast niet dat de belangrijkste motivatie van overheidswege komt. Het is ook niet zo dat je meteen aan sociale instrumentalisering doet wanneer je over het publieke karakter van kunst nadenkt. Dat laatste gebeurt ook vanuit een analyse die vertrekt van de vraag wat thans nog het publieke karakter van kunst uitmaakt.

P.D.B.: Een generatie curatoren en een aantal kunstenaars vinden elkaar inderdaad juist in een gedeelde interesse voor het politieke. Daarbij gaat het tevens over dringende ethische vragen, bijvoorbeeld inzake duurzaamheid of multicultureel samenleven, die we niet langer kunnen negeren. Ik ben dus niet op zoek naar een legitimering van een kunstpraktijk. Je wil gewoon dingen in beweging zetten, meer helderheid verkrijgen, betekenissen laten verschuiven opdat er een nieuwe open ruimte kan ontstaan in de verbeelding. Daarom doe je het, niet omdat je op zoek bent naar een legitimering van een kunstwerk, niet om een overheid tevreden te stellen die zegt: ‘je wordt irrelevant’.

C.D.S.: Er zijn ook nog wel festivals die voor autonomie gaan. Zo kiezen de curatoren van Bâtard, die zelf ook kunstenaars zijn, niet bewust voor een politiek geëngageerd programma. Ook al is er een overkoepelend thema, het festival vertrekt van de dynamiek van de uitwisseling tussen die kunstenaars.

G.G.: Misschien is Bâtard geen voorbeeld van een politiek festival, maar van het maken van een festival op een politieke manier.

C.D.S.: Ja, maar ik denk wel dat de autonomie van de kunst vooropstaat.

 

Festivals in soorten

Liv Laveyne: Of dat politieke sterk speelt bij een festival, hangt ook af van de discipline. Neem bijvoorbeeld circus: die discipline is thans nog zoekende naar wat ze als kunstvorm kan zijn, of vraagt zich nog af of ze wel een kunstvorm is. Gaat het om een autonome kunstvorm of een transdisciplinaire praktijk, dat is de kwestie die ter discussie staat, dus daar zijn we nog lang niet aan politisering toe. Wat de festivals betreft moet je verder echt wel een onderscheid maken tussen programmatorfestivals, die gewoon de kwaliteit en diversiteit van het aanbod weerspiegelen en waar alle ingrediënten simpelweg naast elkaar staan, en curatorfestivals die naar verdieping zoeken en een context aanreiken. Beide formules zijn even legitiem. In het eerste geval maakt een programmator een selectie van boeiende trefwoorden, zonder daar ook per definitie een overkoepelend kader voor te creëren. Een goede curator is daarentegen iemand die geen woorden naast mekaar plaatst, maar een zin vormt en context schept. De secties rond jong werk op Theater aan Zee of het Antwerpse festival Love at First Sight zijn typische voorbeelden van nevenschikking. Beide festivals draaien rond het tonen van jong werk: ze zijn bedoeld als vitrine en willen niets ‘framen’. Een goed voorbeeld van een context scheppend festival is Burning Ice, waar de voorstellingen en het discursieve sterk aan elkaar gekoppeld zijn.

Karel Vanhaesebrouck: Ook zo’n nevenschikkend festival kan echt wel werken. Bij een première van Wim Vandekeybus tijdens Theater aan Zee zaten naast mij allemaal mensen in zwembroek die net van het strand kwamen. Met grote nieuwsgierigheid en open ogen zaten ze te kijken. Dat is toch geweldig? Want je zit hoe dan ook met de realiteit dat je moeilijk publiek aantrekt voor bijvoorbeeld werk van nog onbekende makers. Festivalformules of thematische clusters zijn middelen om voor minder evident werk toch publiek in de zaal te krijgen of om, zoals in mijn voorbeeld, moeilijk bereikbare publieken door een soort feestelijke context aan te spreken.

G.G.: Ook de Zomer van Antwerpen maakt die functie heel goed waar. Tijdens de voorbije editie was Rosas danst Rosas er achttien keer uitverkocht.

P.D.B.: Oerol in Nederland is vergelijkbaar.

C.D.S.: Terreur! Al die participatiekunst, je moet de hele tijd meedoen. Het gaat soms niet meer over de kunst, maar over een belevenis aanbieden aan het publiek. En zij eisen dat ook. We are here now, entertain us.

L.L.: Ja, maar je hebt ook heel veel mensen die gewoon naar Oerol trekken en geen enkele voorstelling zien: die gaan gewoon voor de sfeer.

P.D.B.: Ik heb tien keer Book Burning op Oerol gespeeld: telkens een stampvolle zaal en nooit zoveel boeken verkocht. Ik dacht eerst, ‘dat lukt nooit’, maar daar is heel veel uitgekomen.

C.D.S.: Dan hebben wij twee verschillende edities meegemaakt.

R.L.: Je hebt dus duidelijk publieksgerichte festivals. Zou je in dat verband ook kunnen stellen dat je makkelijker media-aandacht genereert met een festival dan met een reguliere programmatie?

C.D.S.: Dat denk ik niet. Vanuit mijn eigen ervaring bij de krant is dat festivalformat niet echt een troef. In de zomer, als het komkommertijd is, worden festivals gretig opgepikt, zeker bij muziek, maar door het jaar is het festivalgegeven zeker geen extra factor om gecoverd te worden in de krant. Er zijn zoveel festivals in Vlaanderen dat ik zelfs van een soort journalistieke vermoeidheid durf spreken.

D.P.: Misschien krijg je als festival wel vaker ‘steekvlamaandacht’ op televisie?

C.D.S.: Dat zou je moeten nagaan. Theater aan Zee is op televisie gecoverd, net als bijvoorbeeld het Theaterfestival. Maar mijn ervaring is dat er minstens evenveel aandacht gaat naar bijvoorbeeld een première van Anne Teresa De Keersmaeker in de Munt. Mocht er op hetzelfde moment een festival zijn in Bozar, dan zou het nog altijd de voorstelling van De Keersmaeker zijn die in het nieuws gaat komen.

R.L.: Een spraakmakend festival en een première van een internationaal geconsacreerde Belgische artieste passen natuurlijk beide binnen de evenementiële logica van de media. In de zogeheten belevingsmaatschappij, waar mensen in hun vrije tijd naar unieke ervaringen op zoek gaan, motiveert diezelfde logica echter ook een belangrijk deel van het publiek bij het maken van keuzes. Een rapport van de Nederlandse Raad van Cultuur uit 2014 stelt vast dat het aantal culturele omnivoren gedurig toeneemt, en dat het aantal festivalgangers onder hen sterk stijgt. [2] Juist die alleseters zijn passanten zonder een vast abonnement, zelfs zonder strikte genrevoorkeuren: ze zijn op zoek naar bijzondere belevenissen.

C.D.S.: Festivals zijn inderdaad gemaakt op maat van shoppers. Het is een manier om een publiek te verleiden, en daarnaast ook om je als huis te profileren. Voor zover ik weet werkt deSingel in Antwerpen weinig met het festivalformat, en dat lijkt me geen toeval. Die instelling kan nog bogen op een oudere generatie die abonnementen binnen een of meerdere genres koopt. Een kunstencentrum als Buda in Kortrijk daarentegen, dat eerder in de periferie ligt, heeft festivals zoals Budavista en NEXT nodig om zichzelf zichtbaar te maken. Tegelijk heb je centrale spelers die voor festivalisering kiezen. Dat geldt in extreme mate voor het Gentse kunstencentrum Vooruit: hun seizoenprogrammatie is bijna volledig gefestivaliseerd. In zo’n geval wordt de festivalformule toch een beetje geperverteerd.

L.L.: In ons huis, De Grote Post in Oostende, een van de grotere culturele centra in Vlaanderen, is festivalisering deels inderdaad verkoopstrategie. Je wil gewoon jong werk programmeren en daarvoor publiek genereren, maar om de zaal voor één productie gevuld te krijgen, moet je wel de communicatiemachine op volle toeren laten draaien. Steek die productie daarentegen in een festival als Theater aan Zee, en je krijgt zonder noemenswaardige inspanningen volle zalen. Binnen de context van een festival kan je over dezelfde voorstellingen met groter gemak en bovendien op een inventievere manier communiceren. Dan is de afweging natuurlijk gauw gemaakt. Ik betwijfel overigens of festivals unieke belevenissen bieden. Je ziet toch ook vaak hetzelfde publiek, dus zo uniek kan dat toch allemaal niet zijn. En binnen het internationale festivalcircuit circuleren dezelfde namen en voorstellingen, waardoor je één pot nat krijgt. Op het Kunstenfestivaldesarts en op Spring Dance zie je dezelfde artiesten: die maken gewoon één tournee.

G.G.: Voor de mensen uit Utrecht zullen de voorstellingen op Spring Dance wel uniek zijn, en dat geldt evenzeer voor het publiek in Brussel. Jij reist naar de twee, maar je bent dan ook een programmator. 

L.L.: Goed, maar binnen onze regio krijg je bij festivals wel deels hetzelfde publiek. Ik weet niet of het eigen is aan festivals of aan onze sector, maar bij Love at First Sight of Extract of Theater aan Zee zie je dezelfde gezichten in de zaal.

G.G.: Dat vind ik niet. Theater aan Zee probeert bijvoorbeeld mensen die op vakantie zijn en normaal niet naar het theater gaan naar bepaalde voorstellingen te krijgen. Ik vind dat het festival daar zeer goed in slaagt. Dat brengt ons opnieuw bij de diversiteit aan festivals. Love at First Sight bijvoorbeeld is eigenlijk een platform om jong werk voor te stellen. Programmatoren zijn een belangrijk doelpubliek. Het is de organisatoren dus deels om een vorm van marketing voor de kunstenaars te doen. Iets helemaal anders is een stadsfestival dat wordt opgezet vanuit een streven naar meer verbinding. Voor Festival Kanal was dat een belangrijke doelstelling: in de Brusselse Kanaalzone verschillende, heel diverse, partners bij elkaar brengen en samen een festival organiseren. Daardoor kreeg je artistiek gezien een raar amalgaam met een onduidelijke identiteit, maar de primaire bedoeling was dan ook het maken van verbindingen. Kortom, festivals kunnen meerdere verdedigbare functies hebben. Daarom vind ik het ook moeilijk om in algemene en pejoratieve termen over festivalisering te spreken. Vanuit een systemische analyse valt dat te begrijpen, want binnen een breder perspectief zijn festivals inderdaad een veruiterlijking van een kapitalistisch marktmodel. Maar zeggen dat ze geen interessante rol kunnen spelen, gaat me iets te ver.

R.L.: Point taken. Inhoudelijk zijn er inderdaad ook goed doordachte curatorfestivals. Die tonen dat kunst een specifieke kennis- of representatievorm en eigenstandige onderzoekspraktijk kan zijn, naast bijvoorbeeld het boek of het academisch onderzoek. Tegelijk verandert het type festival dat effectief context biedt in een soort totaalkunstwerk. Voorstellingen, lezingen of gesprekken, films, vaak ook een boek…: binnen de context van een interessant festival resoneren die verschillende media zodanig sterk met elkaar dat de pure nevenschikking inderdaad overstegen wordt. In dat geval vormt het curatorfestival een nieuw medium van presentatie en representatie, wat consequenties heeft voor hoe de constituerende delen verschijnen. Maar het heeft ook gevolgen voor het publiek. Want tenzij je een professional bent, heb je te maken met tijdsbeperkingen. En dus bezoek ik in het kader van pakweg Burning Ice enkel een paar voorstellingen, niet ook de ermee verbonden lezingen. Wat mij vervolgens het gevoel geeft dat ik het geheel, ja het festival heb gemist.

G.G.: Dat is een erg belangrijk punt. Je werkt een festivaleditie uit omdat je, zoals Pieter zei, iets wil agenderen. Maar of het dan ook nog werkt? Zo hebben we Spoken World al na vier edities afgevoerd, omdat je heel veel voorstellingen moest gaan zien om de context een beetje mee te krijgen, wat niet realistisch bleek. Dat is een fundamenteel verschil met een gecureerde tentoonstelling: al naargelang de grootte, kan je de opzet in twee tot vier uur snappen.

P.D.B.: De vaststelling dat een goed gecureerd festival inderdaad een nieuw medium laat ontstaan, vind ik interessant. Misschien moeten we daar een ander woord voor gaan gebruiken dan ‘festival’ en ook de consequenties qua tijd durven te trekken: ‘Dit duurt zes dagen. En nee, het is geen durational performance.’

R.L.: Zo’n beetje als een wetenschappelijk congres… Bij mijn benadering van het curatorfestival denk ik overigens aan de poststructuralistische idee dat een roman of een gedicht en het commentaar daarop een discursief geheel vormen.

L.L.: Sommigen zijn van mening dat het belangrijkste van een festival het meeting point is: niet de voorstellingen, zelfs niet de debatten, maar wat er in het meeting point over beide wordt gezegd, doet er het meeste toe.

 

Een nieuwe productielogica

L.L.: Bij vele curatorfestivals vallen toch ook wel kanttekeningen te maken, zeker als je de etymologische betekenis van het woord curator voor ogen houdt. Op grond daarvan verwacht je dat een curator ‘zorg zou dragen’ voor de kunstenaars waarmee wordt samengewerkt, maar meermaals blijkt dat die zorg in de eerste plaats het eigen profiel als curator geldt.

K.V.: Curatorschap houdt vaak ook een soort vorm van branding in, waarbij de naam van de curator als uithangbord dienstdoet.

G.G. De beeldende kunsten kennen inderdaad veel freelancecuratoren die symbolisch kapitaal willen vergaren en vooral met hun eigen marktwaarde bezig zijn. Maar zie je dat ook al in de podiumkunsten?

L.L.: Ik voel dat we daar naartoe aan het evolueren zijn. Vanuit mijn eigen praktijk observeer ik ook dat de zorg voor je artiesten binnen een festivalcontext nooit dezelfde kan zijn als bij een programmatie op langere termijn. Als curator hol je van de ene naar de andere plek: je luistert met één oor en zit ondertussen alweer te denken aan de problemen die je elders hebt. In die zin is curatorschap een heel foute term als het aankomt op het zorg dragen voor artiesten.

P.D.B.: Zoals ik al aangaf, gaat mijn ervaring met festivals net de tegenovergestelde kant op. Met curatoren is een gesprek mogelijk: die weten waarom ze iets doen en waarom ze mij uitnodigen. Dat is helemaal anders bij een tournee of in de contacten met een klassiek cultuurhuis.

L.L.: Het benieuwt mij wel hoe je eventueel de publieke perceptie van programmeren in een huis en het cureren in een festivalcontext zou kunnen veranderen. Wanneer je binnen je instelling bijvoorbeeld met artists in residence werkt, is de perceptie dat je goed zorgt voor artiesten en op de lange termijn denkt. Engageer je daarentegen een artiest een tweede of een derde keer binnen de context van een festival, dan krijg je als reactie: ‘Het zijn altijd dezelfde namen die worden getoond.’ Die perceptie zou je moeten kunnen veranderen zodat mensen gaan inzien dat ook een festival op lange termijn zorg kan dragen voor artiesten, bijvoorbeeld door ze te volgen en hun werk tijdens opeenvolgende edities te tonen.

K.V.: Voor mij is de grote vraag of er achter het presentatiemodel van het festival niet ook een specifiek productiemodel zit, met grote gevolgen voor de betrokken artiesten. Bij een doorgedreven festivalisering veranderen artiesten haast in content-toeleveraars. Dat zorgt bij veel kunstenaars voor frustratie. Ze krijgen veel vragen om iets te doen in functie van vooraf gegeven inhoudelijke kaders, maar worden zo permanent afgeleid van wat ze willen doen. Sterker nog, ze krijgen het gevoel dat er minder interesse is voor wat hun eigenlijk na aan het hart ligt. Bij het festivalformat is het dus moeilijk om een evenwicht te vinden tussen aan de ene kant het legitieme zoeken naar ‘publieksoplossingen’ en aan de andere kant het achterliggende productiemodel.

P.D.B.: Wat je zegt, is heel erg aan de orde. In Vlaanderen is er geen probleem zolang je eigen voorstellingen kan maken met structurele of projectsubsidies, of voldoende wordt gesteund door enkele grote huizen. Maar je wordt inderdaad ook bestookt met vragen die heel tijdrovend zijn, genre ‘kijk, ik heb 1200 euro, kom iets doen’. 1200 euro, dat klinkt aanlokkelijk, maar je bent wel drie, vier weken aan het werken. In feite ben je dus volstrekt onderbetaald. Bovendien maak je iets dat drie keer op een specifiek festival wordt getoond, waarna het ophoudt: je bent het kwijt, het circuleert niet meer.

K.V.: Festivalisering leidt tot een soort kortademigheid, zowel in de manier van produceren als in de engagementen. Als artiest moet je je praktijk voortdurend herdenken vanuit een specifieke context. Je wil bijvoorbeeld graag iets performatiefs doen, maar blijkbaar is het de bedoeling dat je ergens in de kelder met een soort lecture uitpakt… Behalve voor kortademigheid zorgt dat voor een sterke individualisering of fragmentering van de productiekant: als kunstenaar word je gedurig aangesproken op een individuele bijdrage tot een specifiek festival, los van je langetermijntraject en de daarmee samenhangende interesses.

G.G.: Ik vind het een beetje vreemd dat je dat alles aan festivalisering koppelt. Er is inderdaad een sterkere scheiding gegroeid tussen productie en distributie in de podiumkunsten, naar analogie met de meeste andere disciplines. Tijdens de jaren zestig was die scheiding er nog nauwelijks: ze is daarna ontstaan, uit de onvrede van artiesten met gevestigde instituten als de stadstheaters. Vandaar dat men in Duitsland van de Freie Szene spreekt. In Vlaanderen heeft die ontkoppeling zich versterkt doorgezet tijdens de jaren tachtig met de zogenaamde Vlaamse golf. Van Hove, De Keersmaeker, Lauwers, Fabre… wilden niet werken binnen de bestaande instellingen: ze wensten hun eigen organisaties. Zij vonden ook een partner in de nieuwe festivals en kunstencentra.

P.D.B.: Maar dat is thans wel even anders. Ondertussen zijn er veel meer festivals dan huizen waar kunstenaars langdurig kunnen werken.

K.V.: Bovendien is er het gegeven waar Liv eerder al op zinspeelde. Heel kort door de bocht, bij wijze van knuppel in het hoenderhok: als je een onderscheid maakt tussen een festival, met wat voor soort doelstelling ook, en festivalisering-als-formattering, dan zie je dat het laatste resulteert in een soort internationale of kosmopolitische inwisselbaarheid. Ik vind de nieuwe Volksbühne onder Chris Dercon daar echt het pijnlijkste voorbeeld van.

P.D.B.: Dat is inderdaad een zorgwekkend voorbeeld van hoe het niet moet: het overnemen van een bepaalde visie op het globaal spreiden van kunstwerken in een lokaal verankerd huis dat de middelen heeft om op langere termijn diepgaand te werken. Je krijgt een soort hub van internationale kunstproducten. Dat is eigenlijk volledig copy conform aan een globaliserend supermarktmodel, met de curator als inkoper van de fijne vleeswaren. Je had een heel goed stadstheater dat – zoals de vorige intendant Frank Castorf zelf zei – eigenlijk al dertig jaar een prima functionerend internationaal wijktheater was, en dat wordt ingeruild voor een geïnterioriseerd globaliseringsmodel.

G.G.: Dat festivals artiesten delen, is op zich niet zo’n probleem. Wie heeft er last van het feit dat ze sterk op elkaar lijken, behalve de programmatoren? Problematischer is dat ze in de regel exclusiviteit vragen, kwestie van lokaal uniek te zijn. Daarbij geldt dat vele festivals niet meteen de armste organisatoren zijn. Om die exclusiviteit te garanderen, wordt de prijs nogal eens opgedreven, wat helemaal ingaat tegen de vaak gehoorde claim dat een festival goed is om een artiest lokaal in de markt te zetten. Dat speelt des te sterker bij het fenomeen van de superfestivals, de echte grote en hele rijke festivals à la Ruhrtriennale, die stilaan de rol overnemen van de grote instituten met veel middelen. Zij laten producties maken die zodanig duur zijn dat ze haast onmogelijk nog ergens anders kunnen spelen. Ze noemen zich festival, maar de facto zijn dat productiehuizen.

R.L.: Dat méér aan middelen kan ook positief worden aangewend. Ik denk bijvoorbeeld aan het Kunstenfestivaldesarts. Dat brengt een aantal producties uit het buitenland die je wellicht anders moeilijk naar hier zou krijgen, en geeft zo mee vorm aan een internationale context voor het lokale werk. Daarbij verweeft het beide niveaus van het globale en het lokale ook op een interessante manier door in elke editie meerdere in Brussel of Vlaanderen werkende kunstenaars een creatieopdracht te geven. Last but not least betoont het ook commitment: kunstenaars worden gevolgd en van een aantal onder hen wordt regelmatig nieuw werk getoond.

P.D.B.: Die lokale verankering is inderdaad een van de uitdagingen, zo niet verval je in de genoemde logica van een hypergeglobaliseerde uitwisseling van kunstwerken.

L.L.: Eens een festival afgelopen is, houdt het meestal voor een jaar op; hoe onderhoud je dan bijvoorbeeld de relatie met een buurt of een publiek? Dat vergt een andere mentaliteit, die ervan uitgaat dat de festivalwerking niet stopt na de laatste dag van je festival. Dat is nog bijlange niet bij alle festivals doorgedrongen.

K.V.: Bij Theater aan Zee is die lokale inbedding wel goed gelukt.

L.L.: Ja, net omdat het festival een jaarwerking heeft, maar dat is vrij uitzonderlijk.

K.V.: Voor mij was de editie van 2003 van het Time Festival, gecureerd door Geert Opsomer en Enrique Vargas, een schoolvoorbeeld van hoe je de link moet leggen tussen een internationaal en een lokaal verankerd verhaal. Dat heb ik nadien nooit meer meegemaakt. De programmatie leek gewoon bij elkaar geschraapt, met bijvoorbeeld William Phlips die in de voormalige fabriek van Acec een soort van tribaal dorp had gebouwd met bakovens en andere toestanden. Pas achteraf werd mij duidelijk hoe consistent dat allemaal in elkaar zat. Het was echt een festival dat het idee van een feestelijk ritueel helemaal herdacht in en met de stad. Het sneed door alle verbanden en lagen heen, van studenten tot seniorenclubs, dat was echt onwaarschijnlijk. Om 4 of 5 uur ’s morgens stond je daar met zijn allen, terwijl Phlips brood aan het bakken was en er nog een performance doorging…

P.D.B.: Hier in Brussel creëert het Kunstenfestivaldesarts, dat meer dan een maand duurt, toch ook de vrij unieke situatie dat de Brusselse huizen, of ze nu Frans- of Nederlandstalig zijn, onderling samenwerken. Samen zeggen ze: ‘Oké, wij bieden onze infrastructuur aan, wij werken mee met de mensen die wij hebben.’ En het programma wordt niet thematisch gecureerd, maar is op artistieke keuzes gebaseerd, wat voor een heel grote verscheidenheid aan stemmen, blikken, esthetica‘s… zorgt. Bovendien zit het vol, heel de tijd stampvol, het werkt ook echt in de stad Brussel.

 

Gecureerde interdisciplinariteit?

D.P.: Bij festivalisering denk ik ook aan de neiging van zowel monodisciplinaire instellingen als festivals om andere (kunst)disciplines in huis halen. Daarbij spelen allicht uiteenlopende redenen: een ander publiek aanspreken dan je gewoonlijk bereikt, of een soort van event creëren, zoals een concert in een museum of een tentoonstelling in een concertgebouw. Is dat verschijnsel volgens jullie toegenomen?

G.G.: Ik heb het gevoel dat eerder het omgekeerde geldt en er een grotere specialisatie ontstaat. Volgens mij is interdisciplinariteit of het mixen van allerhande media of praktijken vandaag niet meer echt een motor achter festivalisering.

D.P.: Misschien is multidisciplinariteit op zijn retour, maar wat motiveerde de doorbraak ervan? Ik had op een bepaald moment toch de perceptie dat steeds meer instellingen, zowel musea als theaters of concerthuizen, iets van de andere kunsten meenden te moeten tonen.

K.V.: We spreken over twee verschillende dingen: enerzijds het meer interdisciplinair of hybride worden van de kunstpraktijk zelf en anderzijds het maken van multidisciplinaire programmatiekeuzes. In de kunstpraktijk merk ik ook een soort specialisatie, met een grotere focus. Het multidisciplinair programmeren daarentegen heeft meer te maken met de gewijzigde verwachtingen van de bezoekers waar we het eerder al kort over hadden. They want a good experience, een totaalervaring. And they want a good night out.

P.D.B.: Speelt toch niet voor alles het gegeven dat de praktijk van veel kunstenaars echt hybride is?

D.P.: Ja, maar als het Concertgebouw Brugge een beeldendekunsttentoonstelling of het S.M.A.K in Gent een concert organiseert – ik noem nu lukraak twee voorbeelden – heeft dat niets met de interdisciplinariteit van de kunstpraktijk te maken.

G.G.: Er zijn altijd meer en minder geslaagde voorbeelden te geven. Performatik hebben we in het Kaaitheater opgezet omdat op een bepaald moment in de artistieke praktijk terug een sterkere verbinding ontstond tussen de podiumkunsten en de beeldende kunst, zowel vanuit de eerste als de tweede discipline. Je moet daar dan een specifieke context voor creëren. Bij performance kan het eigenlijk niet anders, dat is een eigen discipline met vaak korte voorstellingen. Maar ik snap ook wel Dirks punt: het festival als container waar je van alles ingooit en naast elkaar zet…

D.P.: Een enigszins ander fenomeen is de recente trend om dans of performance in een museumcontext te tonen. Anne Teresa De Keersmaeker die voor WIELS een bestaande voorstelling, Vortex Temporum, herdenkt in functie van de presentatie in een beeldende kunstruimte. [3] Of Museum Ludwig in Keulen, dat opeens een retrospectieve van Yvonne Rainer organiseert. [4] Bij die laatste case viel meteen op hoe het presentatiedispositief van het museum wrong met de aard van het werk. Je kreeg een verschraling, omdat je in zo’n tentoonstelling vooral op het presenteren van documenten bent aangewezen. De films van Yvonne Rainer werden gewoon in de zalen gespeeld, in allesbehalve ideale lichtomstandigheden, terwijl het toch veel beter was geweest om ze enkel in een blackbox-cinema te tonen. Wie ging nu die films, die in totaal meer dan tien uur duren, tussen 10 en 6 in het Museum Ludwig bekijken?

G.G.: De twee voorbeelden die je geeft liggen wel heel ver uit elkaar. De Rainertentoonstelling is gewoon een retrospectieve. Bij De Keersmaeker, of bijvoorbeeld ook bij Xavier Le Roy, wordt liveperformance op een permanente manier getoond tijdens de openingsuren van een museum. Dan worden de aspecten van tijd en toegankelijkheid heel belangrijk. Het museum genereert een andere tijdsbeleving, zowel bij de mensen die er werken als bij de bezoekers, dan in een theater. En dat is, denk ik, een van de motieven geweest, al waren er wellicht nog andere.

C.D.S.: Ja, die houdbaarheid van dans is zeker voor De Keersmaeker een belangrijk thema: wat blijft er over van een dansvoorstelling? In die zin zorgt de musealisering van dans voor een legitimering die er misschien lang niet was, terwijl omgekeerd het museum als het ware wordt gerevitaliseerd door dans binnen te halen.

D.P.: Nu een bepaald soort danspraktijk stilaan geschiedenis wordt, zijn veel mensen uit de danswereld misschien wel jaloers op de beeldende kunst. Want die kan natuurlijk heel gemakkelijk worden gecanoniseerd omdat ze met blijvende producten is verbonden.

P.D.B.: Dat is opnieuw zo’n kwaadaardige suggestie: dans die jaloers is op de canonvorming binnen de beeldende kunst en daarom naar een groot kunstcentrum of museum trekt. Terwijl ik gewoon heel nieuwsgierig ben naar wat er gebeurt wanneer iemand met de frames begint te rammelen van het museum of van een dansvoorstelling. Hoe verandert je medium wanneer je het een andere ruimtelijke context geeft en met de tijd speelt? Welke betekenissen verschuiven? Misschien ontstaat er zo een nieuw werk.

G.G.: Je hebt ook wel heel bizarre voorbeelden. In het Duitse paviljoen op de Biënnale van Venetië staat dit jaar Anne Imhof met een performance. Ik was er op een maandag, maar er viel die hele dag niks meer te beleven. Aan de inkombalie kreeg ik te horen dat de performance die dag niet te zien was, en ’s anderendaags enkel tussen elf en twaalf. Tja, dan kan je je afvragen waarom in godsnaam die link tussen beeldende kunst en performance wordt gemaakt? Twee jaar voordien was er in het Zwitserse paviljoen ook een performancewerk, maar dat liep de hele tijd. Dan werkt het, dan kan je een spannend spel met de tijd krijgen. Zeggen dat die migratie van dans of performance naar beeldendekunstcentra hoofdzakelijk om publieksredenen plaatsvindt, klinkt mij overigens een beetje te negatief. Work/Travail/Arbeid van De Keersmaeker in WIELS is door ontzettend veel mensen gezien, waarvan velen de voorstelling Vortex Temporum niet hadden bijgewoond.

R.L.: Tegelijk is het een schoolvoorbeeld van een heel doordachte musealisering van een dansstuk, precies omdat het net níét wordt gemusealiseerd en omdat voor alles de museumtijd in de tijd van de dans wordt getrokken. Zoals de titel aangeeft, gaat het ook om het tonen van ‘werk’, in de eerste plaats de arbeid van de performers. Maar even belangrijk is dat het potentieel van het werk Vortex Temporum wordt opengeplooid: je krijgt als het ware alle stukken te zien die potentieel in die voorstelling zitten en die tijdens het werkproces minstens gedeeltelijk als mogelijk materiaal werden verkend. Daarentegen snijdt Dirks opmerking wel hout voor al die vele kleinere musea of kunsthallen die zo nodig ook eens voor geen geld, tussen twee schilderijen en twee sculpturen, iets live willen laten gebeuren.

 

Evenementialisering en decanonisering

R.L.: Laten we even terugkeren naar het fenomeen festivalisering. Bij een festival speelt een sterk conjuncturele en thematische logica, die niet meer draait om de artiesten en hun oeuvre, maar focust op de relatie tussen het werk en de specifieke context gecreëerd door een curator. Die logica gaat hoe dan ook in tegen de idee van het doorgeven van een canon, al dan niet in geactualiseerde vorm. In Duitsland bijvoorbeeld speelt die opdracht nog volop, de idee van bildung leeft daar nog. In het Vlaams-Brusselse podiumkunstenlandschap werken daarentegen op de keper beschouwd enkel nog de operahuizen met het axioma dat je een canon dient te actualiseren en daarnaast te vernieuwen door het geven van creatieopdrachten. Bij de theaters is de canonidee haast volledig weg: er wordt nog nauwelijks repertoire gespeeld. Je hebt dus grof gesteld twee algemene modellen, het ene gebaseerd op festivalisering, het andere op canonisering en het doorgeven van repertoire. En bij het samengaan van een doorgedreven festivalisering en sterke decanonisering, wat in Vlaanderen toch wel ten dele aan de hand is, blijft alleen nog pure actualiteit over. De vraag luidt natuurlijk: is dat interessant? Kan een visie op het heden niet juist interessanter worden wanneer ze langs een historische omweg wordt geformuleerd, via werk uit het verleden – waardoor tegelijkertijd altijd ook iets over dat verleden wordt gezegd. Ik vind het alvast helemaal niet evident dat het repertoire weg is, of nog slechts incidenteel in functie van een festivalthema of de subjectieve nood van een regisseur wordt getoond. Ook vanuit cultuurpolitiek standpunt is dat aanvechtbaar.

L.L.: Je hebt zeker een punt, maar je kan er toch moeilijk omheen dat het aandeel van performance in verhouding tot de klassiekere theatervormen sterk is toegenomen binnen de podiumkunsten.

K.V.: Wat ook een economische oorzaak heeft: performance past beter bij een economisch precaire situatie.

P.D.B.: Ik deel die zorg over het verdwijnen van het repertoire, maar huiver tegelijk voor een terugkeer naar het theater oude stijl.

G.G.: De canon omvat natuurlijk niet alleen de teksten en hun inhoud, maar ook specifieke praktijken om daarmee om te gaan. En ja, dat ensembletoneel was een belangrijke basis voor de repertoirepraktijk, en is inderdaad aan het verdwijnen. Enkel Discordia heeft dat binnen de zogeheten Freie Szene proberen te incorporeren.

P.D.B.: Bepaalde gezelschappen brengen nog wel repertoire, maar dan op een eerder klassieke manier, zodat ik op mijn honger blijf zitten, net als wellicht een groot aantal curatoren.

R.L.: Sociologisch heeft die relatieve implosie van het repertoiretheater er wel voor gezorgd dat een niet onbelangrijk deel van het potentiële theaterpubliek als het ware niet meer wordt bediend in Vlaanderen. Anders dan de afwezigheid van zeer specifieke groepen in de theaterzaal wordt dat spreekwoordelijke gat haast nooit gethematiseerd. Laat mij het opnieuw cynisch-bourdieusiaans formuleren: de antiburgerlijkheid van een zekere hoogopgeleide middenklasse bepaalt in hoge mate de norm binnen het Vlaamse podiumkunstenlandschap. Voor de meer ouderwetse kleinburger voelt die norm als symbolisch geweld aan.

L.L.: Ik ben daar allemaal nogal basic in. Het gaat gewoon om een evolutie: de ene canon wordt vervangen door een andere, net zoals het ene publiek plaats maakt voor een ander. Of is dat te simpel gesteld?

G.G.: Wat Rudi omschrijft speelt volgens mij sterker binnen de dans dan in het theater. In de hedendaagse dans blijft een deel van het publiek letterlijk verweesd achter omdat het niet over de nodige tools beschikt voor het lezen van voorstellingen. In het theater ligt dat toch nog altijd ietwat anders. Er kan wel minder repertoire zijn, maar bij het niet-repertoiretheater blijft de drempel wel een stuk lager omdat het probleem van leesbaarheid zich veel minder stelt. In ons huis merk ik dan ook een verschil tussen het publiek voor theater en dat voor dans of performance. Er zijn maar weinig choreografen die dat weten te doorbreken. De Keersmaker slaagt daar bijvoorbeeld in, maar dat is dan ook een artistieke BV. Met Rudi’s veralgemening over wat in het theater gebeurt, heb ik het hoe dan ook wat moeilijk.

R.L.: Mijn stelling gaat in de eerste plaats over decanonisering, en vooral ook over de-institutionalisering en re-institutionalisering. Daarbij is het burgerlijke theatermodel zowel in zijn institutionele praktijk als in zijn principiële historische gerichtheid op het verleden vervangen door achtereenvolgens de kunstencentra, de festivalformule en, nog recenter, de globale markt en haar inwisselbare kunstproducten, die doorgaans maar even in de mode zijn. De tendens is om enkel nog individuele werken te tonen, los van een oeuvre en vooral ook zonder veel relatie met een artistiek verleden, binnen een context van zeg maar loutere actualiteitsgerichtheid.

G.G.: Ik zie natuurlijk ook die inhoudelijke eenmaking in het kielzog van het proces van artistieke globalisering. Maar je kan niet zeggen, op zijn Trumps: ‘Voortaan doen we het allemaal zelf.’ Het antwoord op globalisering kan geen loutere herlokalisering van kunst of cultuur zijn. Veeleer moeten we zoeken naar een nieuwe, postkoloniale canon die op een interessante manier de globalisering meeneemt. We zijn daar nog lang niet aan toe, maar veel organisaties denken wel na over een andersoortige internationale praktijk, waarbij ze de canon niet noodzakelijk gaan herdenken op een postmoderne manier, als een louter patchwork, waarbij componenten van uiteenlopende herkomst zonder meer naast elkaar worden geplaatst. Eerder proberen ze andere verbindingen te leggen en van daaruit te re-institutionaliseren.

R.L.: Maar in de huidige context van festivalisering zit je hoe dan ook met een vorm van – ietwat overtrokken gesteld – actualiteitshysterie, wat toch ook wel problematisch is.

K.V.: Nu-centrisme: de obsessie voor het nu.

G.G.: Dat is inderdaad problematisch, maar het alternatief is niet de terugkeer naar de Koninklijke Nederlandse Schouwburg uit 1962.

R.L.: Uiteraard niet. Maar ik blijf wel geloven in de kracht, ook politiek, van wat Walter Benjamin het telescoperen van het heden door het verleden noemde – en vice versa natuurlijk: het telescoperen van het verleden door het heden. Het heden door de lens van het culturele verleden bekijken, en omgekeerd, is tevens de essentie van een interessante omgang met een repertoire of canon.

P.D.B.: De mensen waar ik mee samenwerk of die werk maken dat ik interessant vind, zijn vaak toch heel actief bezig met het verleden, met wat repertoire betekent, met betekenisvolle teksten die doorwerken tot vandaag. Ze doen dat niet om het heden te versnellen, maar om meer helderheid te krijgen. En ze gaan vormelijk op een andere wijze met repertoire om dan Discordia. Ik vind dat prima. Je zou Discordia een prachtige ruïne van dat klassieke repertoiremodel kunnen noemen. In een veranderde vorm blijft die relatie tot het repertoire of de canon doorleven in heel veel andere praktijken. Maar dat zou dus moeten worden gedocumenteerd, dat moet nu beschreven worden.

G.G.: We moeten er misschien eens een festival rond organiseren. [gelach]

K.V.: Het Shakespearefestival.

 

Transcriptie: Wim Lievens

Redactie: Rudi Laermans

 

 

Noten

1 Filip Tielens, Festivalitis in de podiumkunsten, in rekto:verso nr. 59, december 2013 – januari 2014, online:

rektoverso.be/artikel/festivalitis-de-podiumkunsten.

2 Raad voor Cultuur, De cultuurverkenning. Ontwikkelingen en trends in het culturele leven in Nederland, Den Haag, 2014. (cultuur.nl/upload/documents/tinymce/De_Cultuurverkenning.pdf) Over culturele omnivorisering, zie ook de bijdrage van Henk Roose in dit nummer.

4 Anne Teresa De Keersmakers Work/Travail/Arbeid liep in het Brusselse kunstencentrum WIELS van 23 maart tot 15 mei 2015.

5 Yvonne Rainer: Raum, Körper, Sprache, 28 april – 29 juli 2012, Museum Ludwig, Keulen.

De verzamelaar als autobiografisch project

Want het is altijd zichzelf dat men verzamelt.

Jean Baudrillard

 

Talloos zijn de manieren waarop een kunstverzameling aangelegd kan worden, en veelvoudig de drijfveren van de verzamelaar. Zijn motieven zijn niet makkelijk te achterhalen en bovendien zelden ondubbelzinnig. Stellen dat een verzameling een rechtstreekse afspiegeling is van de persoonlijkheid van een verzamelaar, is te eenvoudig. Maar de schepper van de collectie is uiteraard een sleutelfiguur, zonder wie de afzonderlijke werken vaak als los zand zijn; de verzamelaar is de bindende factor, zijn visie smeedt de stukken aaneen tot zoiets als een verzameling.

Tijdens de eerste interviewronde die ik dit voorjaar met acht verzamelaars hield in het kader van een dissertatie over collectioneurs van hedendaagse kunst in Nederland, viel vooral op dat het in de meeste gevallen de verzamelaars zelf zijn die de link leggen tussen hun collectie en hun private leven. En zeer tegen mijn verwachting in lijkt de neiging tot projecteren net zo groot ten aanzien van abstracte kunst als jegens figuratieve en realistische.

Als er kennelijk een biografische band bestaat tussen – sommige – collecties en hun schepper, hoe ziet die verhouding er dan precies uit? Immers, kunst is geen betrouwbare spiegel van de ziel, ze spreekt veelal in vormen- of symbolentaal die voor velerlei uitleg vatbaar is. Maar juist daarom is ze zo ideaal als projectiescherm: ze is de beste spiegel die er is, want ze liegt. Ze vertekent, flatteert, camoufleert. Jean Baudrillard zegt hierover: “Het verzamelobject is ideaal omdat het geen beeld van de werkelijkheid reflecteert, maar verlangens en wensdromen.” Dit geldt volgens mij in hoge mate voor collectioneurs van beeldende kunst, omdat het – behalve bij oplagen uiteraard – gaat om unieke objecten. Hoe unieker (zeldzamer, duurder, enzovoort), des te groter de neiging van de verzamelaar om het kunstwerk een strict particuliere betekenis te verlenen, zo laat zich uit de interviews aflezen.

De verzamelaars vertelden hoe zij bepaalde kunstwerken hebben ‘ontmoet’ en verworven, waarbij steeds de conclusie was: dit kunstwerk komt mij toe, het kan niemand anders toebehoren want… Baudrillard verwoordt dit verschijnsel aldus: “De absolute uniciteit van het object hangt volledig af van het feit dat ik het bezit – wat mij, vervolgens, in staat stelt mezelf erin te herkennen als een absoluut uniek wezen.”

In wat volgt, wil ik een aantal uitspraken van verzamelaars voorleggen die – zonder met Baudrillards ideeën te zijn geconfronteerd – zeer dicht deze hypothese lijken te naderen. Het ‘spiegelen’ van autobiografische aspecten in een verzameling wordt door hen kennelijk niet als freudiaanse nonsens van de hand gedaan. En waarom eigenlijk ook? Aardig is het statement van een geïnterviewde verzamelaar die tevens kunstcriticus is: “Met verzamelen is het net als met psychoanalyse: als je niet zelf betaalt, werkt het niet.”

De citaten hieronder zijn anoniem, omdat de verzamelaars slechts toestemming hebben gegeven voor publikatie in het uiteindelijke proefschrift.

 

De kunst/collectie als een reflectie van de eigen persoon(lijkheid)

Tijdens een rondgang door het huis zei een verzamelaar tegen me: “Het is niet belangrijk wat er hangt: het zijn allemaal stukjes van mezelf. Een aankoop heeft altijd te maken met dat waar ik op dat ogenblik mee bezig ben, of een reflectie daarover.” Van elk verworven stuk weet hij nog precies welk gevoel zich indertijd met een schok aan hem voordeed, toen hij het kunstwerk voor het eerst zag. Zijn aankopen noemt hij “kleine traumaatjes”, hevige emoties die hij “fixeert” door het werk aan te kopen. Als hij nu zo’n werk weer bekijkt, voelt hij die emotie opnieuw. Verzamelen noemt deze man daarom “het afzinken van gemoedstoestanden”. Zijn sterke emoties voor kunst komen voort uit herkenning. Meerdere malen stelt hij: “Die man op dat schilderij, dat ben ik.” Of hij verhaalt hoe op een cruciaal moment in zijn leven precies dit kunstwerk op zijn pad kwam dat exact zijn stemming van dat moment weerspiegelde. Die herkenning, het om zo te zeggen samenvallen met een kunstwerk, ziet hij als overduidelijke aanwijzing dat dit kunstwerk alleen hèm toekomt. De prijs van zo’n stuk maakt dan niet meer uit: hij moet en zal het hebben, hoezeer hij zich er ook voor in de schulden moet steken. Een andere collectioneur schreef in een brief: “Verzamelen is voor mij het schrijven van een essay in beelden voor en over mijzelf” (cursivering door hemzelf).

 

Kunst als een aanvulling op het eigen leven

Voor andere verzamelaars, die misschien bescheidener zijn dan de hierboven aangehaalde, of minder tevreden met hun leven, is kunst een manier om de eigen werkelijkheid aan te vullen. Een verzamelaarsechtpaar dat van huis uit geen enkele culturele opvoeding meekreeg, vertelde: “Door kunst hebben we een ruimere manier van denken gekregen. Een andere, niet-letterlijke manier van kijken, en het vermogen om je in de geest van een ander, de maker, te verplaatsen.” Deze geestelijke en intellectuele ontwikkeling die zij door kunst hebben ervaren, scheidt hen definitief van hun eigen achtergrond. Hun familieleden reageren met onbegrip en zelfs agressie op de in hun ogen ‘dure rotzooi’ die aan de wanden hangt. Kennelijk wordt feilloos begrepen dat het echtpaar zich hiermee van hen onderscheidt, en dat zien de ‘achterblijvers’ als een vorm van ontrouw.

 

Kunst als spiegel van het arbeidsleven

Een advocatenechtpaar dat veertig jaar heeft verzameld, stelt: “In de advocatuur ben je goed voorbereid op het verzamelen: je kunt inschatten of je een zaak kunt verdedigen tegenover anderen die niet jouw overtuiging zijn toegedaan. Op dezelfde wijze beoordeel je een kunstwerk of het oeuvre van een kunstenaar: of je hun ‘zaak’ naar eer en geweten kunt behartigen. En of je er door de tijd heen achter kunt blijven staan.” Een self-made man legde met een aanzienlijk budget een grote collectie aan zonder adviseurs in te schakelen of te steunen op intensieve contacten met galeriehouders: “Je moet je eigen lessen leren, je eigen fouten maken,” meent hij – zoals hij dat ook in zijn carrière heeft gedaan. De eerder aangehaalde verzamelende kunstcriticus trekt een opmerkelijk parallel met zijn werk: “Schrijven is eigenlijk hetzelfde als kopen.” Beide ervaart hij kennelijk als een vorm van toeëigening.

 

Kunst als tegenhanger van, en aanvulling op het werkende bestaan

Een vrouw die een hoge functie heeft in de financiële wereld typeert zichzelf als ‘Jekyll and Hyde’ vanwege het enorme verschil tussen de ‘koele’ kant van haar persoonlijkheid die op het werk tot uiting komt en de ‘warme’ kant die in het privéleven – waarvan de verzamelactiviteit een groot deel in beslag neemt – de boventoon voert. Ik citeer: “Uit het werk krijg ik ten dele een kick, maar het is een wereld die verstoken is van emotie. En dan zoek je toch de warme aspecten, en die vind ik heel erg in de kunst. Dus het zal wel een vorm van sublimatie zijn, zeker.” Tot nu toe sprak ik geen andere vrouwelijke collectioneurs; uit verdere interviews kan blijken of vrouwen vaker een breuk tussen werk en verzameling/privéleven ervaren als mannen, en of dit af te lezen is van hun collecties.

 

Kunst als substituut voor een (ideale) partner of voor seks

De zojuist geciteerde vrouw stelt dat “verzamelen is: elke keer opnieuw verliefd worden. Het is een verliefdheid die later overgaat in houden van. Als je het werk een tijdje thuis hebt, is de prikkel er vanaf. Dan komt er een nieuwe verliefdheid.” Zij heeft, vanwege haar hoge functie, problemen met het vinden van een partner: een man vindt het volgens haar nog steeds moeilijk als een vrouw een hogere maatschappelijke functie en een hoger salaris heeft dan hij. Haar kunstenaarsvrienden daarentegen noemt ze ‘kindred spirits’ voor wie haar hoge functie geen belemmering is voor een gelijkwaardige uitwisseling. Wellicht omdat kunstenaars niet in een arbeidshiërarchie zijn in te delen.

Geïnterviewde mannelijke verzamelaars benadrukten tot nog toe eerder het seksuele dan het relationele compensatie-aspect van het collectioneren. “Hoe meer seks, hoe minder er verzameld wordt,” stelt één van hen boudweg. Hoewel hij zich in het vraaggesprek aanvankelijk verzette tegen elke freudiaanse duiding van de verzamelactiviteit, betoont hij zich hier een Freud-adept in optima forma.

Een ander suggereerde dat als zijn vrouw hem beter zou begrijpen, “de hele verzameling misschien niet zou bestaan.” En een derde collectioneur wees op een voorstelling van Judith die het afgehouwen hoofd van Holofernes triomferend in haar hand houdt, en sprak: “Zo [als dat afgehouwen hoofd] voelde ik me ook toen mijn vrouw van mij wilde scheiden.”

Pittige uitspraken, maar wat zegt dit alles nu over de psychologie, en met name de autobiografische componenten van het verzamelen? Hier begeeft het onderzoek zich onherroepelijk op het terrein van het fictionele. Want of de verhalen die verzamelaars mij (en zichzelf) vertellen wáár zijn, is niet te achterhalen. Met deze fictie zal de onderzoeker het moeten doen, want de verzameling, het enig tastbare in het onderzoek, zal zelden ‘spreken’ zonder de persoon die haar tot stand bracht, zoals aan het begin van dit artikel al werd gesteld.

Dit alles in beschouwing nemend, lijkt de verhouding tussen de verzamelaar en zijn verzameling het best verbeeld te worden in het bekende schilderij “La reproduction interdite” (1937) van René Magritte. Wij, de toeschouwers, zien een man op de rug die in een spiegel kijkt – maar zichzelf op de rug ziet. Verzamelen is als jezelf in de spiegel op de rug zien: je weet dat jij het bent, maar wie ben jij? [en wat is kunst?]

De onderzoeker die verzamelaars interviewt, kan niet méér autobiografische trekken in hun verzameling onderscheiden dan de verzamelaar zelf ziet (en wil tonen). Andersom zou dat ook kunnen verklaren waarom verzamelaars dikwijls graag en intiem met mij over kunst willen spreken: behalve hun liefde voor de kunst en hun trots over de collectie, willen ook zijzelf beter begrijpen wat hun motieven zijn.

Daarbij gebruiken zij onderzoeker dezes als spiegel, die weergeeft hoe merkwaardig de verhouding tussen de verzamelaar en zijn persoonlijkheid is, en tussen de verzamelaar en zijn collectie. De onderzoeker is dus onderdeel van het psychologische proces geworden dat altijd gaande is bij verzamelaars: zij is de spiegel in het schilderij van Magritte.

Pirandello beschrijft in zijn roman “Iemand, niemand en honderdduizend” een personage dat zichzelf wil betrappen in de spiegel op een onbewuste handeling of mimiek, omdat hij zichzelf wil kunnen zien zoals een ander hem ziet: objectief. Als een voorwerp, een object. Omdat dit niet kan, zijn er verzamelaars. En ik verzamel hun verhalen.

 

De proloog van het onderzoek over collectioneurs van hedendaagse kunst in Nederland verscheen in aflevering 58 van “De Witte Raaf”, dat overigens hoofdzakelijk handelde over het private verzamelen.

Tweelingen

1. Zoon van een dominee

Koen Brams: Wybrand, in welk nest ben jij geboren?

Wybrand Ganzevoort: Ik ben in Gent geboren, in 1930, als oudste van een kroost van tien kinderen. Vóór de Tweede Wereldoorlog kreeg ik er vijf broers en twee zussen bij — de laatste vier kinderen waren twee keer een tweeling — zodat het gezin van de dominee uit Nederland met acht kinderen de oorlog inging. Na de oorlog kregen we er nog een zus en een broer bij.

K.B.: Hoe kon een Nederlandse dominee in Gent belanden omstreeks 1930?

W.G.: Mijn vader kwam uit Zwolle en had gestudeerd aan de Theologische Hogeschool in Kampen. Hij was avontuurlijk ingesteld — zij het niet in zijn studiekeuze — en kon met zijn einddiploma ook in het buitenland solliciteren. Maar solliciteren was niet nodig, want voordat vader met zijn studie klaar was, kwam een ouderling — een lid van de kerkenraad uit Gent — met de vraag of hij aldaar als dominee de Gereformeerde Kerk wilde komen leiden.

K.B.: Waar was de Gereformeerde Kerk in Gent gelokaliseerd?

W.G.: In de Lange Boomgaardstraat, niet ver van het stadscentrum, was een groepje vrijwilligers uit de kleine kerkgemeenschap de ruimte van een drukkerij aan het ombouwen tot een vergaderzaal voor een zestigtal personen. Op de bovenverdieping van het gebouw werd een leefruimte voor de dominee en zijn gezin ingericht. Een ruime kamer aan de straatkant diende als leslokaal voor de School van de Bijbel. De Nederlandse Gereformeerden wilden niet alleen hun kerk maar ook hun onderwijs onafhankelijk van de Staat organiseren. Dat gebeurde vanuit Nederland, waar de Synode van Dordrecht onder andere voor salarissen van dominees en onderwijzend personeel instond. In de Gereformeerde Kerken in Nederland werden daartoe elke zondag collectes gehouden. In het begin waren de meeste gemeenteleden van het kerkje protestantse Nederlanders die in Gent en omstreken woonden. Later kwamen er meer autochtonen bij, dikwijls waren dat katholieke ‘bekeerlingen’.

K.B.: Wat was die School van de Bijbel?

W.G.: Ik belandde meteen in de eerste klas. Er was geen kleuterklas – dat zeer creatieve stadium heb ik dus overgeslagen. In het schooltje werden alle vakken van de lagere school door een mannelijke of vrouwelijke leerkracht aan maximaal vijftien leerlingen onderwezen — de leeftijden liepen enorm uiteen en in het lokaal zaten jongens en meisjes tot twaalf jaar gezellig samen. Gemengde scholen waren voor Nederlanders gebruikelijk. Een ander unicum was dat leerlingen van hogere klassen bij te hoge werkdruk van de onderwijzer(es) opdracht kregen om leerlingen van een lagere klas te helpen. De didactische aanleg die kinderen hebben, werd bij mij al vroeg geprikkeld. Nog een andere anekdote: vanuit het brede raam van ons schoollokaal hadden we een interessant uitzicht op het café De Blauwe Engel aan de overkant. De dames die daar in- en uitgingen, trokken mijn aandacht en ik begon hen te tekenen. De onderwijzeres kreeg dat in de gaten: ‘Wat zit jij daar te doen, Wybrand!’ Ze griste de tekening uit mijn handen… en schoot in de lach. Daar kon ze moeilijk straf op laten volgen. De sfeer in het schooltje was eerder familiaal, en totaal niet autoritair.

K.B.: Heb je de volledige lagere school in de Bijbelschool doorlopen?

W.G.: Neen, het laatste jaar ging ik naar een ‘gewone’ lagere school om de overgang te maken naar de middelbare school, die in de volksmond ‘den Ekolmoyen’ [Ecole Moyen] heette. Dat was een grote verandering. Na de familiale sfeer zat ik plots in een grauw klaslokaal met dertig onbekende leeftijdgenoten. Als de onderwijzer ’s morgens binnenkwam, moesten we allemaal rechtstaan — dat was volledig vreemd voor mij. Het Frans werd er in het Frans onderwezen. Dat was ook nieuw. Omdat ik achteraan in de klas zat, moest ik naar het schoolbord lopen om te zien wat erop stond. Zo ontdekte ik dat ik bijziend was. Ik kreeg mijn eerste bril. De wereld werd een wonder, kijken een feest.

K.B.: Hoe verliep het contact met de familie die in Nederland woonde?

W.G.: Mijn grootouders aan beide kanten woonden in Zwolle. Ik ging graag op vakantie bij Oma Ganzevoort, de moeder van mijn vader. Zij woonde boven een winkel van orgels en piano’s. Onder de winkel, in de kelder, was een atelier waar twee schrijnwerkers aan de houten klankkasten werkten. Daar mocht ik als zes- of zevenjarige met houtblokken torens timmeren. Een ander verhaal heeft mijn moeder me later in herinnering gebracht. Ze vertelde me dat ik, een kleuter nog, in een onbewaakt moment in vaders studeerkamer aan het rondneuzen was en zijn schrijfmachine had ontdekt. Toen ik aan de rol draaide, kwam er een blad papier uit! Ik scheurde het papier in snippers en strooide die naar beneden in het kerkzaaltje. Wat was dat een prachtig zicht! Vader dacht daar heel anders over. Een hele middag is hij bezig geweest om de snippers van dat heel belangrijke document te verzamelen en aan elkaar te puzzelen. Hout en papier: een levenslange fascinatie.

K.B.: Je was tien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Welke herinneringen heb je daaraan overgehouden?

W.G.: Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers binnen… drie weken later werd ik tien jaar. Voor die verjaardag was mij een fiets beloofd. Door de oorlog kwam daar niets van in huis: het salaris van mijn vader dat uit Nederland moest komen, raakte niet over de grens. Negen maanden lang moesten mijn ouders zelf proberen de eindjes aan elkaar te knopen. Gelukkig kwam er hulp van de kerkgemeente. Tijdens de oorlogszomers werden mijn broer en ik ondergebracht bij boeren in Zeeuws-Vlaanderen waar we moesten werken voor de kost. We hebben aardappelen helpen rooien en ik ben koeherder geweest. Het was hard werk, maar er was genoeg lekker eten. Op het vlak van geloof waren de boeren streng in de leer — strenger dan mijn vader: ‘Een brief naar je ouders op zondag? Dat zullen ze toch niet goed vinden?’ Op jeugdige leeftijd maakte ik zo kennis met de Nederlandse Bijbelgordel. Mijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog betreffen vooral mijn tijd in Zeeuws-Vlaanderen. Uiteraard heb ik ook het nodige oorlogsleed gezien.

K.B.: Hadden je ouders belangstelling voor de kunsten?

W.G.: Neen, totaal niet. Mijn vader studeerde verder zijn bijbelse talen. Als hij in zijn studeerkamer hardop Hebreeuwse teksten aan het debiteren was, mochten we hem niet storen. Hij had een imposante bibliotheek, maar die stond vooral in het teken van de theologie. Ik herinner me wel dat we een boek hadden met Rembrandts etsen van bijbelse taferelen. Mijn moeder was gecharmeerd door etsjes met Brugse stadsgezichten — daar hield haar interesse voor beeldende kunst op.

K.B.: Wat is je bijgebleven van Gent, meer bepaald de Gentse kunstscene?

W.G.: Niet zo heel veel. Mijn interesse voor kunst werd pas later gewekt. Ik herinner me wel dat aan de Nederkouter een galerie was gevestigd — Vyncke-Van Eyck — waarvan door mijn vriendjes werd verteld dat er schilderijen met blote madammen werden tentoongesteld. Ik was daar enorm nieuwsgierig naar. Toen ik er op een dag binnen durfde te stappen, zag ik eigenlijk alleen maar grote doeken met kleurvlekken. Waren dat blote madammen? Het waren impressionistisch geschilderde naakten. Dat was wellicht mijn eerste kennismaking met de beeldende kunst.

K.B.: Tot hoelang heeft het gezin Ganzevoort in Gent gewoond?

W.G.: Na de Tweede Wereldoorlog — ik was toen vijftien — verhuisden we uit Gent. We gingen in Boechout wonen omdat mijn vader in Hoboken was aangesteld als dominee. Ik verkaste naar het Atheneum van Berchem waar ik de laatste jaren van de Grieks-Latijnse afmaakte. Ik studeerde er samen met Raymond De Belser, die later als Ward Ruyslinck bekend zou worden. Na mijn humaniora vond ik een job bij de firma Sluys in Boechout. In de streek stond het bedrijf bekend als het stinkfabriek. Er werden parfums gefabriceerd, vandaar die geuzennaam. Ik was er gedurende een jaar tewerkgesteld in de drukkerij van het bedrijf en verzorgde de lay-out van hun maandblad, een soort reclameblaadje. Ik had niet zoveel verstand van ontwerpen, maar het boeide me wel enorm. Ik leerde ook snel. In de drukkerij waren maar enkele fonts beschikbaar, maar ik trok me goed uit de slag. Ik deed dat werk echter enkel om den brode. Ik wist dat ik kunstenaar wilde worden.

K.B.: Hoe wist je dat?

W.G.: Na de oorlog had ik enige tijd gelogeerd bij een neef in Ede (Gelderland). Hij was een paar jaar ouder dan ik. Hij maakte illustraties en dat sprak me enorm aan. Het verlangen om zelf ook beelden te maken liet me vanaf dat moment niet meer los. Toen ik bij Sluys begon te werken, besloot ik om me in te schrijven voor een aantal avondcursussen in de Violetstraat in Antwerpen. René Guiette was mijn leraar Tekenen. Dat was een ongelofelijk belangrijke ontmoeting. Hij bracht me niet enkel tekenvaardigheden bij, hij liet me ook kennismaken met de abstracte kunst. Een echte openbaring! Guiette gaf zijn kennis op een zeer natuurlijke manier door. Hij formuleerde bijvoorbeeld de opdracht om een ontbijttafel te schilderen, waarbij hij adviseerde om meteen ook iets te doen met de gevoelens die zo’n ontbijttafel ’s ochtends kan oproepen. Het ging dus niet om een realistische weergave van de ontbijttafel. Als je zo’n opdracht krijgt, dan ontdek je iets. Guiette wees me de weg. Ik had een goed contact met hem en heb hem ooit een bezoek gebracht in zijn door Le Corbusier ontworpen huis. We hebben ook een werkje geruild. In de Violetstraat heb ik tevens een cursus Lettertekenen gevolgd. Ik had me ook kunnen inschrijven voor het vak Reclameschilderen, maar dat interesseerde me niet echt. Kunst en typografie waren mijn echte passies.

K.B.: Heb je overwogen om je aan een kunstacademie in te schrijven?

W.G.: Neen. Met het geld dat ik bij Sluys had verdiend, kocht ik een fiets. Ik was nauwelijks twintig jaar en koos voor de vrijheid. Ik wilde iets van de wereld zien. Ik fietste tot aan de Middellandse Zee; op de terugreis ben ik in Parijs blijven plakken. Parijs leek me de beste plaats om mijn kunstenaarsdroom waar te maken. Het reguliere kunstonderwijs sprak me niet aan.

K.B.: Waren je ouders blij met je keuze om kunstenaar te worden?

W.G.: Mijn vader zag in mij zijn gedroomde opvolger. Dat was voor mij uitgesloten. Zonder afscheid te nemen pakte ik mijn biezen. Wel schreef ik nadien een brief naar mijn ouders waarin ik mijn beweegredenen toelichtte. Toen ik lange tijd later terugkeerde, leverde me dat geen problemen op. Mijn ouders waren blij dat de verloren zoon terug was. Uiteindelijk is mijn jongste broer, Douwe, in de voetsporen van mijn vader getreden. Hij werd dominee en week uit naar Zuid-Afrika.

 

2. Parijs

K.B.: Hoe pakte je het aan in Parijs?

W.G.: Ik heb eerst gedurende een maand in het atelier van Fernand Léger getekend. Ik denk dat hij dat open atelier had om een beetje zakgeld te verdienen. Léger heb ik slechts eenmaal gezien; de rest van de tijd werden we begeleid door zijn assistente. Léger was een indrukwekkende figuur, maar zoals de meeste kunstenaars in die dagen beschikte hij niet over het vocabularium om zich genuanceerd uit te drukken over het werk van zijn studenten. Hij was een kunstenaar, geen docent. Er waren toen ook geen opleidingen om docent te worden. Léger liet de leerlingen met hun werk langskomen. Als het epigonen waren, dan zei hij ‘Au suivant’; in andere gevallen viel hij terug op zijn theorieën of zei hij iets in de trant van ‘J’aime bien… mais je n’aime pas les gris… quand même c’est bien’. In Parijs waren ook enkele zogenaamde ‘vrije academies’, zoals La Grande Chaumière op de Rive Gauche. Je kon er op middagen — van twee tot zes — een opleiding volgen tegen een democratisch tarief. Ik tekende er naar naaktmodel. Ik had voordien nog nooit een menselijke figuur geschilderd, laat staan een gezicht; stillevens had ik wel al gemaakt op mijn chambre de bonne. De tekensessies vonden plaats in een soort amfitheater en waren als volgt georganiseerd: eerst was er een poseersessie die twee uur duurde, dan volgde een sessie van een uur en ten slotte nog een van twintig minuten. Op die manier leer je goed kijken en goed tekenen. Je kan ook veel opsteken van je medestudenten. Je ziet hoe zij het aanpakken. De hele winter — van 1950 op 1951 — werkte ik in de vrije academie.

K.B.: Maakte je er vrienden?

W.G.: Ja, ik leerde een Amerikaanse kunstenaar kennen, David, met wie ik goed kon opschieten. Ik deelde ook korte tijd een kamer met de Antwerpse kunstenaar Vic Estercam, met wie ik voordien in het Antwerpse kennis had gemaakt. Hoewel we uiterst benepen woonden, hebben we nooit woorden gehad. We sliepen met ‘gewassen voeten’.

K.B.: Hoe bedoel je?

W.G.: We deelden een eenpersoonsbed: zijn voeten lagen langs mijn hoofd en vice versa. Vic en ik waren goede vrienden. Onze gemeenschappelijke passie was de kunst.

K.B.: In biografische notities over Estercam is te lezen dat hij ook aan de vrije academies les volgde, meer bepaald aan de Académie Julian en de Académie de la Grande Chaumière.

W.G.: Dat kan ik niet bevestigen. Ik weet wel dat zijn vriendin enkele keren naar Parijs overkwam en dat ik me dan terugtrok. Ik vond het geen straf om in Parijs rond te wandelen. Lang hebben we echter niet samengewoond. In het zuiden van Parijs vond ik een leuke stek.

K.B.: Hoe voorzag je in je levensonderhoud?

W.G.: In de eerste maanden leefde ik van het geld dat ik bij Sluys had verdiend. Toen dat op was, ging ik in Parijs aan de slag als ophaler van oud papier. Er was een studentenvereniging actief die de collection des vieux papiers organiseerde. Een dag voor de ophaling werden briefjes in de bussen gestopt om onze komst aan te kondigen. In de loop van zo’n ophaaldag werd op alle adressen in een buurt het oud papier uit kelders, zolders of andere plaatsen verzameld — soms lag het al klaar. Het team bestond steeds uit twee leden: ik en een vrouwelijke of mannelijke maat. ’s Avonds huurden wij een taxi en brachten we de stapels naar de chiffonnier. We werden per kilo betaald. Als je drie dagen werkte, kon je een week leven. Je kon ook veel geluk hebben. Ik kwam ooit een copain tegen die de kelders van de Socialistische Partij had mogen leeghalen. Van de opbrengst had hij zich een auto kunnen aanschaffen. Dat is me nooit overkomen, maar ik verdiende genoeg om aangenaam te leven. Fijn was ook dat ik de Parijse huizen aan de binnenkant leerde kennen. Het papier dat we ophaalden, was zelf soms ook prachtig. Papier heeft me altijd geboeid.

K.B.: Welke indruk maakte Parijs op jou?

W.G.: Ik gaf mijn ogen de kost; er was ontzettend veel te doen. Ik bezocht de musea met hun indrukwekkende collecties. Daar ontdekte ik heel wat. Ik kwam echter ook zelf tot ontdekkingen door te tekenen. Ik kreeg in de gaten dat je de illusie van beweging kon oproepen door met de toonwaarden van de kleuren te spelen. Het was het werk van Cézanne dat me tot dat inzicht bracht – hij leerde me dat de blik van de kijker kan worden geleid door een gradatie van tonen. Via de studie van zijn werk begreep ik ook hoe de illusie van een volume tot stand kan worden gebracht. Cézanne heb ik in mijn Parijse jaren ontdekt en bestudeerd. Over het vraagstuk van de compositie had ik al een en ander geleerd door het werk van Bruegel, bijvoorbeeld De val van Icarus en De boerendans. Bruegel is meesterlijk op het vlak van de compositie. Vele middagen was ik in de vrije academie te vinden. Nadat ik die summiere opleiding had genoten, keerde ik terug naar Antwerpen.

K.B.: Waarom?

W.G.: Ik ging terug omdat er een job op me wachtte. Ik kreeg een betrekking in een zogenaamde ‘lijnderij’ in de Prinsstraat. Bij Overbeke werd gelinieerd papier geproduceerd. Het papier werd gedrukt op cilinders met wieltjes. Ik moest het papier onder de in drukinkt gedrenkte cilinders schuiven. Ik ontdekte wat de effecten waren als ik het papier een beetje schuin onder de cilinder doorschoof. Ik heb heel veel geleerd tijdens dat soort klusjes. Ik liet die proefjes later zien aan een vriend van me, Walter Leblanc. Hij was er echt van onder de indruk. Hij heeft met die belijnde papieren een aantal werken gemaakt.

K.B.: Was je in je vrije tijd nog bezig met kunst?

W.G.: Jazeker, ik ben altijd blijven tekenen en schilderen. In 1952 besloot ik om me kandidaat te stellen voor het Hoger Instituut voor Schone Kunsten (H.I.S.K.) in Antwerpen.

K.B.: Was dat een logische stap? Je had niet eens een gewone academieopleiding achter de rug.

W.G.: Naar een diploma werd niet gevraagd. Als je voor het ingangsexamen slaagde, werd je toegelaten.

K.B.: Waaruit bestond de toelatingsproef?

W.G.: Ik moest een naaktmodel schilderen. Omdat er veel plaatsen bezet waren, kwam ik dicht bij het model te zitten. Ik kon letterlijk geen afstand nemen en moest naar boven kijken — ik schilderde dus vanuit een kikkerperspectief, wat ik nooit eerder gedaan had. Het naaktmodel kreeg zo enorme proporties. Het hoofd had ik slechts summier geschilderd. Het monumentale karakter van mijn werkstuk viel zeer in de smaak van Julien Van Vlasselaer, het hoofd van de afdeling Monumentaal Schilderen en Sierkunsten. Hij zorgde ervoor dat ik in het Hoger Instituut kon werken. Zijn werk was zeer decoratief en sprak me om die reden niet aan. Ik werd echter vrij gelaten om een afdeling te kiezen, maar hoe kon ik weten wie welke kunstopvatting of -praktijk voorstond? Ik wist nergens van.

K.B.: Welke keuze heb je uiteindelijk gemaakt?

W.G.: In het Hoger Instituut was Anna Zarina werkzaam, een Letse kunstenares, maîtresse van Isidoor Opsomer, de voormalige directeur van het H.I.S.K. Opsomer was in 1949 opgevolgd door Julien Creytens, maar die directeurswissel had geen gevolgen gehad voor de positie van Madame Zarina. Omdat ik dacht dat ik bij haar vrij zou kunnen werken, viel mijn keuze op haar atelier, de afdeling Vrije Schilderkunst. Ik had de situatie goed ingeschat: ik kreeg alle vrijheid die ik wou. Er was ook een groep Waalse meisjes. We hebben veel plezier gemaakt. Madame Zarina had een impressionistisch palet; het was heel kleurig en vrolijk wat ze maakte. De Waalse meisjes deden dat ook. Ik wilde verder ontwikkelen wat ik in Parijs had ontdekt. Soms kwam Creytens het atelier binnengewandeld. Hij had evenmin als Léger een opleiding als docent genoten. Als hij bijvoorbeeld het atelier van de schilders binnenstapte om feedback te geven, kon je commentaren krijgen als: ‘Zijn dat tetten? Dat zijn precies patatten.’ Met die oprisping moest je het doen. De opleiding stelde dus niet veel voor. Ik voelde me niet thuis in het Hoger Instituut. Er werden heel veel grijze naakten geschilderd. Die kleur genoot de algemene voorkeur.

K.B.: Hoelang heb je het uitgehouden in het H.I.S.K.?

W.G.: Ongeveer negen maanden. Ik zal zeker niet zeggen dat ik er niets heb opgestoken, maar het niveau was toch bedroevend laag. Over het Bauhaus bijvoorbeeld vernam je niets. Die kennis moest je elders zien te verwerven. Wat er in het buitenland aan het gebeuren was, sijpelde eenvoudigweg niet door. De lessen van Jan Vaerten en Antoon Marstboom zijn me wel bijgebleven.

K.B.: Wat heb je van Vaerten en Marstboom geleerd?

W.G.: Ze werkten niet academisch. Marstboom was op de hoogte van wat toen als progressief werd aanzien. Ook Vaerten schilderde op een manier die niet gebruikelijk was in het Hoger Instituut. Vaerten gaf ’s avonds tekenles. Als hij apprecieerde wat ik aan het doen was, dan zuchtte hij eens heel diep. Hij kon niet onder woorden brengen waarom hij het goed vond. Gelukkig was er een levendige uitwisseling tussen de studenten. Van hen heb ik veel geleerd, van Dan Van Severen bijvoorbeeld. Mijn medestudenten waren belangrijker dan mijn leermeesters. Om die reden beschouw ik me eerder als een autodidact.

K.B.: Met welke andere medestudenten had je een goede relatie?

W.G.: Ik raakte bevriend met de Nederlandse kunstenares Yvonne Kracht, die aan de Haagse Academie had gestudeerd. Zij had reeds werk gezien van Hollandse experimentelen zoals Karel Appel en werkte eerst ook in die richting. Later evolueerde ze naar het constructivisme. Er werkten verder in Antwerpen een aantal Nederlanders uit Zeeland en Noord-Brabant: Jan Strijbosch, Janus Nuiten… Ik had een goed contact met Ad Molendijk, een beeldhouwer uit Bergen op Zoom, die ook een kennis was van Yvonne. Ad werd een goede vriend. De Nederlanders hadden een opleiding achter de rug die meer aansloot bij mijn interesses. Ik stak veel van hen op.

K.B.: Wat voor soort werk maakte je in het Hoger Instituut?

W.G.: In het atelier van Madame Zarina verwerkte ik de invloed uit Parijs. Ik maakte geometrische stileringen van naaktmodellen. Ik raakte daarbij weleens het spoor kwijt. Madame Zarina kon me niet uit die impasse helpen: ‘Il a du talent, mais il est têtu, ce garçon…’

K.B.: Bekostigde jij zelf je studies?

W.G.: Ja, ik had allerlei kleine jobs. Ik vond bijvoorbeeld werk in het decoratelier van de K.N.S. en de Opera, op de zolder van het jeugdtheater dat schuin tegenover de Opera gelegen was. Lode Ivo, de decorontwerper van de K.N.S., zwaaide er de plak. De Opera beschikte over decors die dateerden van de eeuwwisseling en die door Italianen waren vervaardigd. Bij heropvoeringen moesten ze een opknapbeurt krijgen. Dat gebeurde daar. Het was de eerste keer dat ik als schilder professioneel aan de slag ging. Ik kende er weinig of niets van en heb er heel veel geleerd. Men werkte nog met verfpoeder en konijnenlijm als bindmiddel. Ik verdiende een centje en kwam heel veel te weten over technieken en materialen. Dat was een ideale combinatie. Ik deed in die tijd meer van die tijdelijke jobs. Ivo betrok me ook bij de productie van decors voor de televisie. Ik herinner me dat ik in Brussel heb meegewerkt aan een decor dat het interieur van een vliegtuig moest voorstellen. De decors werden zeer realistisch in grijstinten geschilderd. Op technisch vlak heb ik veel opgestoken bij Lode Ivo.

K.B.: In Gazet Van Antwerpen heb ik een artikel van Marc Callewaert gevonden die over een tentoonstelling van Nederlandse H.I.S.K.-studenten schrijft. De expo vond plaats in de Hollandse Club (Bexstraat 11, Antwerpen) en omvatte het werk van twaalf studenten, onder wie jijzelf.

W.G.: De Hollandse Club zegt me vaag iets, maar aan die tentoonstelling heb ik geen herinnering overgehouden.

K.B.: In zijn artikel noemt Callewaert slechts vijf namen. Hij schrijft: ‘Tot het merkwaardigste behoort wel het werk van Wybrand Ganzevoort en van Adelbert Zeylmans van Emmichoven; er zijn goede portretten van de hand van Ernst van Hattum, Willem Schutz en Paul Kerkhof.’

W.G.: Dat is fijn om te horen, maar ik weet echt niet meer wat ik daar geëxposeerd heb. De H.I.S.K.-opleiding was voor mij een mislukking. Na een klein jaar, in 1953, gaf ik er de brui aan. Ik trok opnieuw naar Parijs en vervolgde op eigen houtje mijn artistieke en technische opleiding in de vrije academies. In de winter van ’53 op ’54 was ik opnieuw in de Grande Chaumière te vinden.

 

3. H.I.S.K./De Nevelvlek

K.B.: Volgens een cv dat ik in het Letterenhuis heb gevonden, keerde je in 1954 terug naar Antwerpen. Op het cv staat vermeld dat je opnieuw ging studeren aan het H.I.S.K.

W.G.: Dat herinner ik me niet. Een atelier had ik er in ieder geval niet. Dat weet ik zeker. Ik had wel veel contact met studenten van het Hoger Instituut. Heb ik het daarom op mijn cv vermeld? Het Hoger Instituut was in die tijd een open instelling. Studenten, afgestudeerden en geïnteresseerden liepen er vrij in en uit.

K.B.: Had je elders een atelier?

W.G.: Neen, ik werkte in een kamer die deel uitmaakte van mijn woonst.

K.B.: Hoe zag je sociale leven eruit?

W.G.: Ik trok veel op met mijn kameraden; we gingen vaak op café waar we gesprekken voerden over kunst. Het was la vie de bohème. André Bogaert en Dan Van Severen waren goede vrienden. Via Dan kwam ik ook in contact met Mark Verstockt.

K.B.: Hoe had je André Bogaert leren kennen?

W.G.: Op een bepaald moment betrok ik een appartementje in het Kipdorp, tegenover de brandweerkazerne. André woonde er ook, evenals andere kunstenaars. Ik leerde hem en zijn vrouw Geneviève kennen. Zij was zijn model geweest. Geneviève was een ware ‘kunstenaarsmoeder’. André was toen nog maar net in Antwerpen komen wonen. Hij was afkomstig uit de Durmestreek, het Oost-Vlaamse Zele. Hij was een stuk ouder dan ik en kwam ook uit een heel ander milieu. Hij was een echte Vlaamse schilder. André werd een zeer goede vriend. Gedurende een aantal zomers ben ik bij hem op vakantie geweest. We trokken er dan op uit om te schilderen. André was de man van het landschap. Ik heb ook veel buiten getekend en ben dat steeds blijven doen, ook tijdens reizen naar Italië en Griekenland. Zulke tekeningen gaf ik dikwijls aan mijn vrienden, onder wie Raymond De Belser.

K.B.: Heb je lang in dat appartementje gewoond?

W.G.: In het Kipdorp hebben André, Geneviève en ik slechts kort verbleven. Nadien zijn we naar de Gratiekapelstraat verhuisd. Die straat was een belangrijk centrum.

K.B.: Waarom?

W.G.: Er stond een oud klooster dat inmiddels is afgebroken. Aan de voorkant waren kamers voor kunstenaars. In het midden woonden André en Geneviève. Aan de overzijde van de gang was er een ruimte waar drie kunstenaars sliepen, allen Nederlanders — Janus Nuiten, Joost Sikking en ikzelf. Nuiten en Sikking kwamen allebei uit Noord-Brabant. Ze waren beide minder valide: Janus had één arm, Joost één oog. We sliepen in de Gratiekapelstraat op drie veldbedden. In de kelder van het klooster organiseerden we feesten. Het was André die de kelder ontdekt had. Hij was heel nieuwsgierig en had tijdens een van zijn exploratietochten een valse wand gevonden waarachter zich de kelder bevond. We richtten daar een soort café in. We hebben er echter niet alleen gefuifd. Nog tijdens mijn tijd aan het Hoger Instituut hadden de kunstenaars contacten gelegd met architecten. Nadat ik vertrokken was aan het Hoger Instituut en na vele gesprekken met André, wilden we er echt werk van maken. Onder de noemer Academia — dezelfde naam als ons café — organiseerden we overleg met architecten om na te gaan of we tot een vruchtbare samenwerking zouden kunnen komen.

K.B.: Waren er bepaalde denkers waarop jij je beriep om het contact tussen architectuur en beeldende kunst te bewerkstelligen?

W.G.: Neen, het was intuïtief. De geest van het Bauhaus hing wel enigszins boven die gesprekken, maar dat werd niet als dusdanig uitgesproken. Léger zat misschien ook in mijn achterhoofd — hij heeft veel opdrachten in de publieke ruimte verwezenlijkt. Van de samenwerking is uiteindelijk niet veel terechtgekomen, want het water tussen de kunstenaars en de architecten bleek te diep. Tijdens discussies waren we het vaak oneens. De architecten hadden ook meer pretentie dan de kunstenaars.

K.B.: Welke architecten waren bij Academia betrokken?

W.G.: Etienne De Pessemier en Raymond Govaerts waren er zeker bij. Raymond volgde mij en wees me op het werk van moderne kunstenaars die ik nog niet kende. Raymond was verantwoordelijk voor een van de eerste hoogbouwprojecten in Antwerpen, aan de Mechelsesteenweg. De vloeren in dat flatgebouw waren gemaakt van marmerplaten die uit Carrara kwamen. Raymond was een slimme man. Op het dak van zijn appartementsblok staat een soort villa, waar hij woonde. Hij was getrouwd met een zus van Jaap Kruithof. Zo leerde ik ook Kruithof kennen. We zochten elkaar soms op om te discussiëren over politieke en filosofische onderwerpen. Vader Kruithof heeft een werk van me gekocht. Toen het Academia-project op niets bleek uit te lopen, ben ik vertrokken uit de Gratiekapelstraat.

K.B.: Je bleef in Antwerpen?

W.G.: Ja. Ik verhuisde naar een oud magazijn in de Raapstraat. Het was een mooi gebouw met een ijzeren draaitrap. Ik betrok de zolderverdieping die ik een tijdje deelde met Ad Molendijk. Jan Dries en Willy Meysmans hadden ook een studio in dat pand, maar zij woonden er niet. Zij waren bezig met keramiek. We voerden eindeloze gesprekken. Er ontstond zoiets als een gemeenschappelijke taal om over kunst te spreken. Dat gebeurde vanzelf. We hadden het bijvoorbeeld over ‘overgangen’: als twee sterk van elkaar verschillende kleurvlakken naast elkaar zijn geplaatst, zorgt een tussenkleur voor een overgang. Soms werkte ik mijn goede vrienden, zoals Jan Dries, ook weleens op de zenuwen. Ik kon soms ironisch uit de hoek komen, vooral als Dries zich bezondigde aan mooipraterij. Een keer is hij erg kwaad geworden, toen ik hem geplaagd had nadat hij de geboorte van een sculptuur met een bevalling had vergeleken: ‘Met al die hoeken zal dat geen makkelijke bevalling zijn geweest.’ Dries kon er niet om lachen. Nadien hebben we het bijgelegd. Rancuneus was hij zeker niet. Ik kon me vrolijk maken over mensen die zich te veel au sérieux namen. Als ik zelf te ernstig was, durfde ik ook de spot drijven met mezelf.

K.B.: Gebruikte Molendijk de ruimte ook als atelier?

W.G.: Neen, hij had een atelier in de Academie.

K.B.: Dries, Meysmans en jij waren betrokken bij Het Cahier, het blad van de Antwerpse kunstkring De Nevelvlek. Het eerste nummer van Het Cahier verscheen in 1953; nadien werden jaarlijks twee nummers uitgebracht. In 1955 droegen jullie illustraties bij aan het derde en vierde nummer van het tijdschrift.

W.G.: De redacteurs van Het Cahier — onder anderen Hugo Raes, Hugues C. Pernath en Jan Christiaens — hadden we op café leren kennen, vermoedelijk een van de cafés aan de Stadswaag. Dat was the place to be op dat moment. Er waren ook enkele theaterzaaltjes gevestigd.

K.B.: De illustraties die jij, Dries en Meysmans bijdroegen, lijken erg op elkaar.

W.G.: Dat klopt. Zoals ik reeds zei, hadden we vaak discussies over kunst. Het lag voor de hand dat we elkaar beïnvloedden. We werkten vooral abstract en zetten ons af tegen de collega’s die nog waren blijven steken in de figuratie. Omstreeks 1955 betrok ik een ander atelier in de Raapstraat.

K.B.: Waarom verhuisde je naar een ander atelier?

W.G.: Ik schoot goed op met Dries en Molendijk. Met meningsverschillen had het dus niets te maken. Op het eerste adres beschikte ik echter over te weinig plaats. Ik besloot uit te wijken naar een grotere ruimte. Het was een oud pakhuis, waar ook Paul Van Hoeydonck en Herman Jacobs een studio hadden.

K.B.: Was er opnieuw sprake van artistieke uitwisseling met die kunstenaars?

W.G.: Met Jacobs had ik een goed contact, met Van Hoeydonck heb ik nooit een gesprek gehad. Als ik voel dat iemand afstand wil bewaren, dan zal ik die afstand zelf niet overbruggen. Van Hoeydonck was vreselijk ambitieus. Ik had het gevoel dat hij op me neerkeek. Hij zat in een groepje met Jef Verheyen, Bert De Leeuw en Dany Franque, de vrouw van Jef. Het was een tamelijk gesloten gezelschap. Ik had het gevoel dat ik niet gewenst was. Maar dat is niet het ergste wat me daar is overkomen.

K.B.: Wat dan wel?

W.G.: In september 1955 brak in het pand brand uit. Een groot deel van mijn oeuvre is toen in vlammen opgegaan. Dat was een ramp.

K.B.: Kan je iets vertellen over het kunstklimaat in Antwerpen omstreeks 1955?

W.G.: In 1955 bezocht ik een Van Goghretrospectieve die door De Nevelvlek en het Centrum voor Artistieke Werking (C.A.W.) was georganiseerd in de Stadsfeestzaal aan de Meir. Dat was een revelatie, al had ik al werken van Van Gogh gezien toen ik eerder met leerlingen van het Atheneum van Berchem een bezoek had gebracht aan het Museum Kröller-Müller in Otterlo. Onvoorstelbaar echter dat zoveel werken van Van Gogh, waaronder De aardappeleters, in een zaal aan de Meir te zien waren.

K.B.: Het C.A.W. programmeerde ook regelmatig tentoonstellingen. Bracht je daar een bezoek aan?

W.G.: Ik liep er weleens binnen, maar een echte binding met het programma had ik niet. Ik vond het te traditioneel.

K.B.: Je nam in 1955 deel aan een groepstentoonstelling in Kunsthandel Niveau. De andere exposanten waren Dan Van Severen en Ad Molendijk. Niveau was een initiatief van Hugo Raes, een notoir Nevelvlek-lid. Heb je nog herinneringen aan die expo?

W.G.: Neen, ik ben dat eerlijk gezegd totaal vergeten. Dan en Ad waren goede vrienden. Met Raes en de andere leden van De Nevelvlek had ik eveneens goede contacten.

K.B.: Nadat Jan Dries in 1953 en 1954 decors had ontworpen voor theatervoorstellingen van De Nevelvlek, werd jij in 1956 aangetrokken om de scenografie te verzorgen voor Slachtoffers van de plicht, een stuk van Eugène Ionesco, en De koningin der eilanden, een eenakter van Jan Christiaens. Beide voorstellingen werden geregisseerd door Walter Tillemans. Ze werden opgevoerd door De Nevelvlek in het Theater op Zolder, dat gelegen was in de Lange Brilstraat in Antwerpen. Had jij voordien al de scenografie van theatervoorstellingen verzorgd?

W.G.: Neen, maar ik had wel ervaring opgedaan in het decoratelier van Lode Ivo. Dat ik voor De Nevelvlek een decor kon maken was een opsteker. De genoemde voorstellingen van Ionesco en Christiaens herinner ik me echter niet. Aan enkele acteurs bewaar ik nog wel goede herinneringen, met name aan Hugo Creve en Julienne De Bruyn. Zij speelden vaak in stukken van De Nevelvlek. Met de ironische houding van Creve had ik veel affiniteit. Julienne De Bruyn was een zeer gedreven actrice. Ze acteerde met hart en ziel.

K.B.: Had Lode Ivo iets te maken met je eigen decorcreaties?

W.G.: Neen, in geen geval.

K.B.: In 1957 stond je in voor het decor van Een bruid in de morgen van Hugo Claus, in een regie van Tone Brulin. Het stuk werd opgevoerd in de K.V.S. in Brussel.

W.G.: Dat decor staat me wel nog voor de geest. Het suggereerde twee vertrekken boven elkaar. Ze waren zeer schetsmatig uitgevoerd met houten latten. Het ging dus niet om realistische kamers. Het was een open, abstract decor.

K.B.: Wilde jij je verder ontwikkelen als scenograaf?

W.G.: Neen. Ik heb wel nog decors gemaakt voor enkele andere voorstellingen, waaronder De Stoelen van Ionesco, opgevoerd in het Arca-theater in Gent, en Voorlopig Vonnis van Jozef Van Hoeck, dat op de planken kwam in de K.V.S. in Brussel, maar dat was het dan zowat. Ik werkte graag samen met creatieve geesten zoals Walter Tillemans en Tone Brulin, en ik denk ook dat ik het er niet slecht van afbracht als decorbouwer. Maar mijn hart lag bij de vrije kunst.

K.B.: Wat maakte je in die periode?

W.G.: Ik was bezig met lyrische abstractie. Jazz was heel belangrijk voor mij op dat moment — niet alleen voor mij, ook voor iemand als Mark Claus. Mijn kunst ontstond als het ware op het ritme van de jazz.

K.B.: Marc Callewaert verwijst in een recensie van een solotentoonstelling van jou in Galerie Accent (december 1956-januari 1957) expliciet naar de jazz. Hij schrijft: ‘Liever dan een poging te doen om Ganzevoort al maar dadelijk van een etiket te voorzien en hem in te lijven bij de experimentelen (met wie hij wel enige verwantschap heeft, vooral met zijn landgenoten Appel, Ouborg en Corneille), geef ik hem krediet op basis van zijn kennelijke lust-aan-kleur, zijn chattoyante kleurakkoorden, zijn krachtige gesyncopeerde ritmen. Zij doen denken aan goede jazz, want er zijn, visueel dan, dezelfde hoofdelementen: improvisatie en swing. Hier zijn picturale kwaliteiten aanwezig die, wat meer geleid door de intelligentie en met smaak gemanieerd, alles mogelijk maken.’

W.G.: Dat had hij goed gezien! Jazz was enorm belangrijk voor mij. Mijn werk kwam grotendeels intuïtief tot stand. Ik was aan het zoeken.

K.B.: Dat merkt Callewaert ook op: ‘Geen twee werken, in het sympathieke en ongelijke ensemble dat hij toont in galerie Accent (Lange Nieuwstraat 91, tot 10 januari) of zij zijn anders — verschillend van opzet, van toon: kennelijk het werk van iemand die volop bezig is zijn mogelijkheden te verkennen, vol vitaliteit en vol ongeduld.’

W.G.: Ik kan hem geen ongelijk geven. Ik was zoekende.

K.B.: Callewaert heeft je hele vroege carrière gevolgd en van commentaar voorzien. In de lente van 1958 publiceerde hij het artikel Drie jonge Nederlanders, dat handelde over Daan Graafmans, Jef Kersting en jijzelf.

W.G.: Grappig dat ik als Nederlander werd voorgesteld. Ik voel me eerder een geboren Gentenaar. Maar op mijn paspoort staat inderdaad dat ik een Nederlander ben. Marc Callewaert is een belangrijke stem geweest. Hij was heel lucide. Hij begeleidde ons eigenlijk en het was geen vage woordenbrij die hij produceerde. Hij wist wat er internationaal gebeurde en hij kon duiden wat hij zag. Soms vergeleek hij werk van kunstenaars van hier met het werk van buitenlandse kunstenaars die wij nog niet kenden, terwijl wij als makers meenden autonoom tot het werk te zijn gekomen. Maar hij wist het te plaatsen en als je daarna op onderzoek uitging, had je weer wat bijgeleerd.

K.B.: Callewaert was jullie – Graafmans, Kersting en jij –komen opzoeken in jullie ateliers. Hij schrijft over je werk: ‘Het palet, dat helder en vrolijk was, met een voorliefde voor experimentele effecten, enigszins in de richting van Ouborg en Appel, is nu verzacht, verbleekt en versomberd.’ En verder: ‘Er zijn wazigheden, waarin onbepaalbare vormen elkaar ontmoeten en zich oplossen, zoals in het doek Wolken, dat uitsluitend in grijzen is geschilderd, en waarin een vreemde poëzie is en een nevelig, zilverig licht.’

W.G.: Marc Callewaert was een Tweeling, net zoals ik. Hij voelde mijn karakter en werk intuïtief goed aan. Ik neigde zowel naar het gevoelsmatige als naar het rationele, zowel naar het serieuze als naar het luchtige. Had ik eerder het pad van de vrolijkheid en het kleurrijke bewandeld, dan was ik nadien op mijn stappen teruggekeerd en verkende ik een sobere en meer doordachte beeldtaal. Bij het artikel verscheen overigens een foto van Wolken. Het schilderij zelf heb ik niet meer, maar die reproductie heb ik bewaard.

 

4. G 58

K.B.: In 1958 was je betrokken bij de stichting van de Antwerpse kunstenaarsgroep G 58. Hoe is die oprichting verlopen?

W.G.: Het sociale leven van de meeste kunstenaars — ook het mijne — speelde zich grotendeels af in de straten rond de Koninklijke Academie en het Conscienceplein. Als er iets op til was, verspreidde het nieuws zich als een lopend vuurtje in de cafés. Ik was zeer enthousiast toen ik hoorde dat er initiatieven werden genomen om de krachten te bundelen.

K.B.: Waaraan dankte G 58 zijn ontstaan volgens jou?

W.G.: Er was iets aan het broeien. De Wereldtentoonstelling van 1958 stond voor de deur en de Antwerpenaars wilden ook een stukje van de aandacht. Dat Brussel de dominante stad was op het vlak van de beeldende kunst, was ons een doorn in het oog. We waren bovendien niet tevreden over de mogelijkheden die aan de kunstenaars in Antwerpen geboden werden. Het ongenoegen betrof ook de gebrekkige opleiding die we genoten hadden. We waren ondertussen een beetje op de hoogte geraakt van wat er in het buitenland gebeurde. Als we de vergelijking maakten tussen de situatie in België en die in het buitenland, dan moesten we wel tot de conclusie komen dat het hier pover gesteld was.

K.B.: Met welke andere oprichters voelde jij je het meest verwant?

W.G.: Met Vic Estercam had ik een goed contact opgebouwd tijdens mijn verblijf in Parijs. Met André Bogaert en zijn vrouw trok ik nog steeds veel op. Dan Van Severen behoorde eveneens tot mijn vriendenkring. We luisterden samen naar muziek. Ik maakte ook kennis met Pol Bervoets. Hij was een zeer in zichzelf gekeerde man, maar dat stond onze vriendschap niet in de weg.

K.B.: Hoe gingen jullie te werk?

W.G.: We vergaderden enkele malen, naar ik meen onder meer in de woning van Dan Van Severen in de Keizerstraat, waar we een soort open brief aan het Antwerpse stadsbestuur opstelden. In Marc Callewaert vonden we een gedreven voorzitter, in stadsambtenaar Jan Gloudemans een efficiënte secretaris.

K.B.: De open brief viel niet in dovemansoren.

W.G.: Onze actie wierp inderdaad vruchten af. Eerst kregen we de beschikking over een ruimte in het kasteeltje van het Middelheim. Daar hebben een aantal groepstentoonstellingen plaatsgevonden.

K.B.: Jij hebt in het Middelheimkasteeltje tentoongesteld in de zomer van 1958. Het was de tweede groepstentoonstelling op die locatie.

W.G.: Ik denk dat Marc Callewaert de tentoonstellingen in het Middelheim samenstelde. Ik herinner me dat Vic Gentils, Filip Tas en Rita Crombecq ook aan de groepsexpo deelnamen. Het was een goede mix. Ik exposeerde er de werken die Marc Callewaert enkele maanden voordien in mijn atelier had bekeken. Vic Gentils heb ik niet leren kennen toen hij en ik aan het Hoger Instituut studeerden, maar tijdens de vernissage van de eerste expo in het kasteeltje van het Middelheim. We spraken nadien met elkaar af en leerden elkaars werk kennen.

K.B.: Hoe zou jij jouw rol in G 58 karakteriseren?

W.G.: Ik hoorde bij de infanterie; tot officier heb ik het nooit geschopt. Ik engageerde me echter voor de volle honderd procent. We moesten bijvoorbeeld zelf voor de bewaking van onze tentoonstellingen instaan. Ik deed dat met plezier. Ook mijn toenmalige vriendin, de schrijfster en pianiste Lucienne Stassaert, heeft toezicht gehouden.

K.B.: Wie waren volgens jou de ‘officieren’?

W.G.: De mannen die meer met hun ellebogen werkten. Namen? Jef Verheyen en Paul Van Hoeydonck waren officieren. Jef was iemand die contacten legde. Marc Callewaert was ook een officier. Als kunstcriticus genoot hij veel aanzien. Hij speelde een zeer belangrijke rol.

K.B.: Jef Verheyen heeft mogelijk een rol gespeeld bij de oprichting van G 58, maar hij is geen stichtend lid geworden. Waarom niet?

W.G.: Omdat hij niet genoeg in de pap te brokken had en liever zijn eigen weg wilde gaan? Ik weet het niet. Met dat soort kwesties heb ik me nooit beziggehouden.

K.B.: Hoe schat je de rol van Jan Gloudemans in?

W.G.: Hij was een trouwe medestander. Hij identificeerde zich helemaal met de groep en verzette heel veel werk. Maar het was toch vooral Callewaert die de bakens verzette. Door zijn goede contacten met Burgemeester Lode Craeybeckx konden we na verloop van tijd beschikken over de zolderverdieping van het Hessenhuis. De zolder deed op dat moment dienst als opslagplaats van schoolbanken en ander schoolmeubilair. Aan de opening van de eerste groepstentoonstelling in het Hessenhuis is veel labeur voorafgegaan. Ik heb heel levendige herinneringen aan het schoonmaken van de zolder. We hebben dat met een tiental mensen gedaan, mannen en vrouwen. We zijn daar twee à drie weken samen aan het werk geweest. Op een van de foto’s ben ik te herkennen: ik heb een stofmuts op. Het was heel plezant. Om het stof weg te spoelen belandden we heel vaak in café Zonnestraal aan de Paardenmarkt. Daar hebben tal van drinkgelagen plaatsgevonden, onder meer ook de beruchte Hoedenfuif op het einde van 1958.

K.B.: Welke werken toonde je in de eerste groepstentoonstelling die liep van november 1958 tot januari 1959?

W.G.: Ik herinner me dat ik drie werken presenteerde, waaronder een rechthoekig olieverfschilderij. Het was geometrisch abstract en volledig in het rood geschilderd. De achtergrond was donkerrood. Centraal was een zeshoekig vlak te zien, waarvan de contouren lichter waren aangezet. Onderaan de zeshoek liepen twee lichtrode banen, alsof de geometrische figuur op poten rustte. Het leek enigszins op een hoofd en een hals, maar ik was niet uitgegaan van de waarneembare werkelijkheid.

K.B.: In de zolderruimte hingen alle werken tussen en onder de monumentale balken die het dak van het Hessenhuis stutten.

W.G.: Dat klopt, ook mijn werken. Op de zolder was er nauwelijks wandoppervlakte. Het feit dat de werken in de grote ruimte tussen en onder de balken hingen, was interessant. Als kunstenaar was je haast verplicht om in ruimtelijke termen te denken over je werk. Voor mij is dat in elk geval de belangrijkste les geweest die het Hessenhuis me heeft geleerd.

K.B.: Hoorde jouw schilderij tot een reeks of stond het op zichzelf?

W.G.: Het hoorde niet tot een serie. Ik had het schilderij ook niet speciaal voor de groepstentoonstelling gemaakt. Ik was nog steeds diverse mogelijkheden aan het exploreren. Zo maakte ik bijvoorbeeld werken die waren opgebouwd uit witte horizontale en verticale verftoetsen, die ik op Unalit aanbracht. Ik schilderde de panelen niet helemaal vol. Vanonder de witte verflaag doemde een diffuse donkere ovalen vorm op. In deze trant maakte ik meerdere werken, sommige ook op doek. Het ene was pasteuzer dan het andere, en soms maakte ik alleen gebruik van een paletmes. Met enkele van die werken nam ik deel aan de Talens’ Prijs in 1959. Ik kreeg een vermelding en mocht deelnemen aan een groepstentoonstelling in Le Zodiaque in Brussel.

K.B.: In 1959 had je ook een solo in het Hessenhuis. Wat stelde je tentoon?

W.G.: In een kleine ruimte aan de voorkant van het Hessenhuis vonden de solotentoonstellingen van de G 58-leden plaats. Daar was wel wandruimte. Ik presenteerde er de schilderijen met horizontale en verticale verftoetsen, naast lyrisch-abstracte tekeningen. Die tekeningen in Chinese inkt bestonden uit een groot aantal snel en intuïtief getrokken lijnen. Het ging me om de suggestie van beweging en ritme, en de illusie van diepte en ruimtelijkheid, door te spelen met donkere en lichtere partijen.

K.B.: Marc Callewaert recenseerde andermaal jouw eenmanstentoonstelling: ‘Wanneer nu […] allereerst zijn overgang naar een lossere, vrijere schildering opvalt, blijft toch de constante van deze licht-obsessie hoofdzaak. […] soms faalt de schilder en slaagt hij er niet in zijn doek tot leven te wekken. Waar hem dit echter wèl gelukt ontstaat een subtiel zilverig licht dat a.h.w. verwekt wordt door het trillen en wriemelen van talloze fijne, korte arceringen, die over en door elkaar geweven zijn in doorschijnende stratificaties. Men denkt onweerstaanbaar aan Mark Tobey bij sommige werken, waarin de compositie vervangen is door het organische ‘weefsel’, de kleur door het licht, en de verbeelding door de welhaast wetenschappelijke waarneming van biologische verschijnselen.’ 

W.G.: Ik had nog nooit van Tobey gehoord. Toen ik na het lezen van de recensie op zoek ging naar afbeeldingen van zijn werk, vielen me de gelijkenissen op. Callewaerts vergelijkingen waren trefzeker.

K.B.: Bestond de ‘begeleiding’ van Callewaert enkel uit zijn teksten of spraken jullie ook met elkaar?

W.G.: We hadden gesprekken; hij was een vriend. Het gebeurt niet zo vaak dat je een dergelijke op inhoudelijke gronden gebaseerde vriendschap kan opbouwen — met iemand bovendien die als kunstcriticus actief was. Hij is mijn werk lange tijd blijven volgen.

K.B.: In het Hessenhuis vonden niet alleen solo- en groepstentoonstellingen van de leden plaats. Er werden ook andere manifestaties georganiseerd. In 1959 werd onder meer een tentoonstelling ingericht met werken van de laureaten van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst. Wie stond in voor deze manifestaties?

W.G.: Ik denk dat Marc Callewaert de motor was. Wie anders? Er was maar één man die de kennis en de diplomatieke vaardigheden had om het indrukwekkende programma van het Hessenhuis uit te bouwen en dat was Callewaert. Hij wist ook wat er in het buitenland gebeurde.

K.B.: Hij nam als voorzitter de honneurs waar tijdens de vernissages, maar als curator of organisator werkte hij anoniem. Waarom?

W.G.: Uit bescheidenheid? Of moest zijn rol in nevelen gehuld blijven omdat hij als journalist werkzaam was bij de Gazet van Antwerpen? Ik weet het niet.

K.B.: Aan welke andere tentoonstellingen tijdens het eerste werkingsjaar van G 58 heb je herinneringen?

W.G.: Vision in motion maakte zonder twijfel de grootste indruk op mij. Dat was een openbaring. Die expo liep trouwens deels gelijktijdig met mijn solo. De kinetische kunst van Pol Bury sprak me enorm aan. De werken van Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker leken haast voor de zolder te zijn ontworpen; ze hadden een enorme ruimtelijke werking. Vooral het werk van Uecker sprak me aan: de spijkers die door het licht beroerd werden en onvoorspelbare schaduwen wierpen. Ook het fundamenteel veranderlijke van de perceptie van zijn werk boeide me zeer. ‘Het licht schildert het werk’, zo voelde ik zijn werk aan. De prikkel die het Hessenhuis gaf om in ruimtelijke termen over kunst na te denken en de werking van het licht op de spijkers van Uecker zijn voor mij van het grootste belang geweest. Mijn praktijk werd er ten diepste door beïnvloed.

K.B.: Vision in motion heeft dus een impuls gegeven aan jouw kunstenaarschap?

W.G.: Een hele grote impuls. Ik begon na te denken over licht, ruimte en ritme in driedimensionale termen. In de kleine zaal exposeerde ik tweedimensionale lyrisch-abstracte werken waarin ik de suggestie van licht, ruimte en ritme wilde oproepen. Nadien — vanaf omstreeks 1960 — ging ik aan de slag met houten plankjes die ik met zilververf beschilderde en in verschillende schuine richtingen met schroeven, moeren en sierspijkers op een grote houten drager aanbracht. In de houten dragers waren ook gaten gemaakt. Het licht had vrij spel op de zilveren plaatjes, op de spijkers en in de gaatjes. Het ging me om de illusie van beweging, ruimtelijkheid en ritmiek. Ik heb verschillende van die werken gemaakt. Dat ik plots met driedimensionaliteit aan het experimenteren was, betekende echter niet dat ik niet meer tekende. Beide praktijken stonden elkaar niet in de weg.

K.B.: Wanneer heb je die driedimensionale werken geëxposeerd?

W.G.: Ik heb ze getoond in een groepstentoonstelling van G 58, de derde als ik me niet vergis.

K.B.: Op de uitnodiging van de derde groepstentoonstelling, die van 15 oktober tot 13 november 1960 in het Hessenhuis liep, wordt je naam niet vermeld, terwijl van alle andere kunstenaars naam en adres zijn opgenomen. Om die reden word je in geen enkel overzichtswerk als deelnemer genoemd. Het werd me pas duidelijk dat je aan de tentoonstelling deelnam omdat Marc Callewaert in een recensie over je werk schreef.  

W.G.: Dat zijn dingen die gebeuren. Ik was blij dat ik de reliëfs kon tonen. Ik werkte evenwel niet enkel aan reliëfs. Ik begon ook te experimenteren met nieuwe materialen, zoals polyester. Dat was een belangrijke ontdekking.

K.B.: Hoe kwam je ertoe om met polyester aan de slag te gaan?

W.G.: Ik had een vriend, Etienne Bertozzi, die in Jumet, nabij Charleroi, werkzaam was in een klein fabriekje waar voor het eerst in België met polyester geëxperimenteerd werd. Etienne maakte op dat moment eerder decoratief werk. Hij was door de eigenaar van het fabriekje gevraagd om samen met collega-kunstenaars met dat materiaal te komen werken. Het doel was om tot ontwerpen te komen die in gebouwen konden worden geïntegreerd. De fabriekseigenaar was een beetje mythomaan.

K.B.: Wat maakte je in Jumet?

W.G.: Ik heb me vooral beziggehouden met de verkenning van dat nieuwe materiaal. Ik ben in Jumet hoogstens zes weken bezig geweest. Pas nadien leerde ik werken met polyester én glasvezel. Ik had een man leren kennen die carrosserieën maakte met die materialen. Samen met mijn jongere broer, Wessel, ben ik werkzaam geweest in zijn garage. Ik leerde mallen maken, maar werken in polyester heb ik pas later gerealiseerd. Eerst ging ik aan de slag met gegalvaniseerde ijzerdraad.

K.B.: Welke werken maakte je daarmee?

W.G.: Ik werkte met draden van gelijke lengte. In elke draad maakte ik hoeken, telkens op een andere plaats, waarna ik de ijzerdraden op een houten drager monteerde. Op die manier wilde ik de illusie van golfbewegingen oproepen. Gedurende een aantal jaren heb ik zulke draadreliëfs vervaardigd.

K.B.: Was er enige verwantschap tussen jouw draadreliëfs en de werken van Walter Leblanc?

W.G.: Even waren er gelijkenissen tussen zijn en mijn werk, maar we zijn zeer vlug elk ons weegs gegaan. Ik was meer bezig met het spel van het licht op de materie en met ritmes die niet noodzakelijk streng geometrisch van aard waren. Eén draadreliëf is in de collectie van Paul De Vree terechtgekomen. Hij kocht het, een bewijs dat hij affiniteit had met mijn werk.

K.B.: Was je erop uit om jouw werk te verkopen?

W.G.: Ja. Omstreeks 1960 kreeg ik een aanbod van een marchand, een zekere Perraudin, een Franstalige Belg. Zijn moeder was weduwe en had een restaurant bij Brussel-Centraal. Perraudin vond mijn werk prachtig en had ook belangstelling voor de kunst van Wout Vercammen. Hij stelde mij en Wout een overeenkomst in het vooruitzicht. Hij zou ons maandelijks elk een bedrag betalen in ruil voor de productie en levering van werken. Wout en ik openden voor de eerste keer in ons leven een bankrekening, waarop elke maand een bedrag zou worden gestort waarvan we konden leven. Perraudin kwam de werken ophalen, maar geld heeft hij nooit op de bankrekening overgemaakt. We maakten met hem een afspraak om te vragen waarom hij niet betaalde. Hij stopte ons een bedragje toe of betaalde een etentje. Hij zegde nadien toe om ons opnieuw te ontmoeten, maar kwam niet meer opdagen. Telkens stelde hij een andere plek voor waar hij te vinden zou zijn, een café of een andere gelegenheid. Keer op keer was hij er niet. Ik heb de overeenkomst opgezegd omdat ik het niet meer verdroeg, maar ik was mijn werken kwijt — minstens vijftien in totaal, waaronder reliëfs met houten plankjes en draadreliëfs. Het was een zeer slechte start van mijn carrière. Wout is ook gestopt met hem. Ik had op dat moment geen rechtstreeks contact meer met Wout. Het waren donkere tijden.

 

5. Binnen- en buitenland

K.B.: Wat deed je vervolgens?

W.G.: Ik ging aan de slag bij de Standaard Uitgeverij op de Belgiëlei. Ik werd verantwoordelijk voor het persklaar maken van de schoolboeken. Ik deed dat in de periode tussen 1960 en 1970. Typografie werd een ware passie voor me. Ik was druk in de weer met letters en heb er enorm veel geleerd. Mijn opleiding heb ik in dergelijke bedrijven gekregen.

K.B.: G 58 kreeg in 1960 rake klappen. Op initiatief van Jef Verheyen en Paul De Vree werd de Nieuwe Vlaamse School opgericht. Verheyen en De Vree wisten enkele G 58’ers aan zich te binden, onder wie Mark Claus, Herman Denkens, Jan Dries, Vic Gentils, Jef Kersting en Wim — Wannes — Van de Velde.

W.G.: Waarom was dat nodig? We waren goed bezig met G 58. Waarom moest er een nieuwe vereniging worden gesticht? Jef Verheyen moest zich laten gelden, dat was duidelijk.

K.B.: Ben jij benaderd om deel te nemen aan de Nieuwe Vlaamse School?

W.G.: Ik denk het niet. Als Jef of Paul me gevraagd hebben, dan ben ik dat vergeten.

K.B.: Weet je waarom kunstenaars zoals Jan Dries, Vic Gentils en Jef Kersting — goede kennissen, zoniet vrienden van jou — het manifest van de Nieuwe Vlaamse School ondertekenden?

W.G.: Neen, ik heb me daar niet mee ingelaten. Ik vond het niet belangrijk. Ik was meer met kunst bezig dan met kunstpolitiek. Ik vroeg me wel af waarom de Franstalige Brusselaar Englebert Van Anderlecht het manifest ondertekend had. Dat was voor mij een raadsel.

K.B.: Je stond een eerder pragmatische benadering voor?

W.G.: Dat is het helemaal. In het Hessenhuis was veel mogelijk. Dat was mijn mening.

K.B.: Guy Mees was ook een van de ondertekenaars van het manifest van de Nieuwe Vlaamse School. Heb je hem gekend?

W.G.: Ja, maar we voelden ons niet tot elkaar aangetrokken. Ik ben weleens in Mees’ atelier in de Keizerstraat langsgelopen op het moment dat hij met houtskool bezig was. Zijn hele atelier zag pikzwart. Nadien heeft hij zijn hele atelier wit geschilderd. Ik vond zijn werk interessant, maar we waren geen dikke vrienden. Guy Mees was nogal gesloten. Ik heb nooit met hem gesproken over zijn werk. Hij had geen behoefte om er met mij over te spreken en hij wist wellicht ook niet wat ik deed.

K.B.: Het grote verschil tussen G 58 en de Nieuwe Vlaamse School is het programmatische: G 58 had geen programma, de Nieuwe Vlaamse School wel. Akkoord?

W.G.: Ja, G 58 wilde kansen bieden aan kunstenaars, dat klopt. De Nieuwe Vlaamse School had een programma dat je politiek zou kunnen noemen. Het was zeker niet zuiver artistiek. De Vlaamse zaak sprak me als zoon van twee Nederlandse ouders niet echt aan. Dat was te ver van mijn bed. Ik wil niet zeggen dat ik me een Nederlander voelde, maar een Vlaming voelde ik me evenmin. Misschien voelde ik me het meest een Gentenaar.

K.B.: De politieke boodschap van de Nieuwe Vlaamse School is dat de leden opkwamen voor de Vlaamse kunst: ‘De Nieuwe vlaamse school erkent in zichzelf DEZE vlaamse traditie, dat het universele van de moderniteit in de eigen, d.i. vlaamse, vervat ligt.’

W.G.: Als ik een van de ondertekenaars van dat manifest tegenkwam, dan praatten we gewoon met elkaar. We waren geen vijanden, maar ik begreep hun initiatief totaal niet.

K.B.: Hoe zou je jouw verhouding tot Jef Verheyen typeren?

W.G.: Met Jef kon ik goed opschieten, ook al was hij bij tijd en wijle een echte ruziemaker. Ikzelf heb echter nooit een conflict met hem gehad. Jef was ook een genereuze man. Hij werkte aan zijn carrière, maar gebruikte zijn contacten niet alleen voor zichzelf. Ik heb hem een keer vergezeld naar Zwitserland en Italië. In Solothurn introduceerde hij me bij zijn galerist Hans Liechti. Van daaruit reden we door naar Milaan, waar ik aan zijn vrienden en kennissen werd voorgesteld, onder wie Lucio Fontana. Fontana was een open man. We hebben werken uitgewisseld, Fontana en ik.

K.B.: Reeds in 1959 had Verheyen bewerkstelligd dat de Milanese Galleria Pagani del Grattacielo de tentoonstelling Nuove Tendenze degli Artisti Belgi-Giovani Pittori Belgi programmeerde. Aan die expo namen Jan Dries, Vic Gentils, Guy Mees, Englebert Van Anderlecht, Guy Vandenbranden, Dan Van Severen, Jef Verheyen en Marc Verstockt deel. Was jij gevraagd om te participeren?

W.G.: Neen. Vond Jef mijn werk niet goed genoeg? Of had hij meer van me verwacht nadat hij me met zijn Zwitserse en Italiaanse partners in contact had gebracht? Ik weet het niet.

K.B.: Marc Callewaert was niet te spreken over de Nieuwe Vlaamse School. Zijn artikel over een tentoonstelling van de groep in het C.A.W. (oktober 1960) luidde veelbetekenend Nieuwe Vlaamse School: noch nieuw, noch Vlaams, noch school. Hij schreef verder: ‘Met het naïef anachronisme van het pamflet dat n.a.v. deze manifestatie werd uitgegeven, en waarvan de geest neerkomt op een artistieke versie van het oude Vlaams-nationalisme, heeft de tentoonstelling zèlf gelukkig zeer weinig te maken. Zij vormt er zelfs een scherp contrast mee, want men vindt er navolgers in van heel wat Amerikaanse, Italiaanse en Franse voorbeelden.’

W.G.: Callewaert sloeg, zoals vaak, de nagel op de kop.

K.B.: In 1961 nam je deel aan de tentoonstelling Hedendaagse kunst uit Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika in de grote zaal van het Hessenhuis. In zijn bespreking heeft Callewaert het over ‘het experimenteel aspect […] dat niet ontbreekt dankzij de opzoekingen met reliëf en in polyester van Ganzevoort’.

W.G.: Ik stelde er de draadreliëfs voor — de reliëfs met gegalvaniseerde ijzerdraden. Ze waren niet van polyester zoals Callewaert verkeerdelijk suggereerde.

K.B.: In hetzelfde jaar werd je uitgenodigd om deel te nemen aan de eerste Forum-tentoonstelling die plaatsvond in het Centrum voor Kunstambachten — de Sint-Pietersabdij — in Gent. De organisatie was in handen van het Nationaal Centrum voor Moderne Kunst, een vehikel dat het Modernistisch Centrum — zelf een samengaan van G 58 en de redacties van enkele tijdschriften — en andere progressieve verenigingen bundelde. Wat exposeerde je?

W.G.: Ik meen dat Paul de Vree, voorzitter van het Nationaal Centrum voor Moderne Kunst, ervoor gezorgd had dat ik eraan kon deelnemen. Ik stuurde drie reliëfs in.

K.B.: Wat waren de verschillen tussen de G 58-tentoonstellingen in Antwerpen en de Forum-expositie in Gent?

W.G.: Dat is een moeilijke vraag. De groepstentoonstellingen van G 58 waren zeer divers, maar dat was Forum 61 evenzeer. In mijn herinnering was de Gentse tentoonstelling enigszins coherenter.

K.B.: Zou je het klimaat van beide steden kunnen beschrijven?

W.G.: Gent en Antwerpen verschilden enorm van elkaar. Gent was aardser, minder intellectualistisch. Je zal me niet horen zeggen dat Gent provincialer was, maar het was wel heel anders.

K.B.: Er werden ook heel wat tentoonstellingen van G 58 opgezet die niet op Antwerps grondgebied plaatsvonden, onder meer in de New Vision Centre Gallery te Londen in de herfst van 1961. Aan die expo nam je deel.

W.G.: Naar Londen ben ik niet gereisd omdat ik geen geld had. Ik weet ook niet wie verantwoordelijk was voor de samenstelling van de tentoonstelling in de New Vision Centre Gallery. Ik vermoed dat er van mij tekeningen of reliëfs zijn getoond. In datzelfde jaar stelde ik solo tentoon in de Vécu in Antwerpen. Ik bracht er een selectie tekeningen. Ik had geen geld om werken in te kaderen en ik was op het lumineuze idee gekomen om de tekeningen, formaat A4, aan touwtjes in de ruimte op te hangen. Ik installeerde alle werken, maar toen ik de dag daarna terugging, bleken ze allemaal te zijn losgekomen en op de grond te liggen. Ik kon van voren af aan beginnen met de installatie van mijn werk. Ik vond het belangrijk dat de tekeningen in de ruimte hingen.

K.B.: Callewaert schreef lyrisch over de expo: ‘In ragfijne arceringen, in nerveuze haaltjes, in een wriemelende warreling wordt hier een nieuwe ruimte, een nieuw licht, een nieuw ‘leven’ geboren, dat elk blad — al naar de beweging — tot een intens-levende, of lumineus microcosmos [sic] maakt. Men kan naar de invloed van Mark Tobey en, via hem [sic] naar de Oosterse kalligrafie verwijzen.’

W.G.: De tekeningen die ik in de Vécu presenteerde, behoorden tot dezelfde groep waaruit ik eerder — in 1959 — een selectie had gemaakt voor mijn solo in het Hessenhuis. Ik vulde die selectie evenwel aan met tekeningen die ik sindsdien had gemaakt.

K.B.: In 1961 vond in het Hessenhuis de tentoonstelling Toneel Televisie Decor plaats. Uit archiefstukken blijkt dat je naam voortdurend valt in correspondentie met personen die om advies worden verzocht. Op de uitnodiging prijkt je naam evenwel niet.

W.G.: Ik heb inderdaad niet deelgenomen aan de expositie. Vraag me echter niet wat daarvoor de reden is geweest. De decors die ik had ontworpen voor De Nevelvlek, de K.N.S. en Arca bestonden niet meer. Na de laatste voorstelling waren ze afgebroken. Beschikte ik niet over ander materiaal dat kon worden tentoongesteld? Ik weet het niet.

K.B.: Marc Callewaert trok zich in 1961 terug uit G 58. Weet je waarom?

W.G.: Neen. Ik denk dat hij heel veel kritiek kreeg, maar ik heb dat niet gevolgd. Ik vond dat tijdverlies. Die ruzies interesseerden me niet. Hij heeft me ook niet verteld waarom hij weggegaan is. Zo’n nauw contact had ik nu ook weer niet met hem. Dat hij wegtrok, had echter geen gevolg voor zijn belangstelling voor mijn werk.

K.B.: Na zijn ontslag ging het pijlsnel bergaf met G 58.

W.G.: Inderdaad, en dat is het onrechtstreekse bewijs van de grote invloed van Callewaert op het programma van het Hessenhuis. In 1962 vond nog wel een belangrijke tentoonstelling plaats, Anti-Peinture, georganiseerd door Walter Leblanc.

K.B.: In de uitnodiging aan de kunstenaars werd uitdrukkelijk de relatie gelegd met Vision in motion (1959): ‘Deze tentoonstelling wordt streng selectief opgevat op een universeel niveau waarbij wij U herinneren aan een gelijkaardige manifestatie in het Hessenhuis: Vision in motion als allereerste om de extrapicturale tendensen samen te brengen en er een historisch feit van te maken.’ De inleiding lijkt haast op maat van jouw werk te zijn geschreven: ‘Hoewel zij [de anti-peinture] ook de ruimte zoekt, integrerend echter, zich oplost in het licht, trillend, bewegend wordt, of slechts een voorwerp zijn, zich inspireert aan fisische fenomenen, men kan haar niet abstract noemen, niet figuratief, maar tegen beide in, beide verenigend tot een nieuwe realiteit, de realiteit van het zuiver reële, de zuivere creatie uit andere ervaringen dan de welbekende, de reflecterende, men kan haar niet louter kunst noemen, niet enkel actie, noch alleen stimulans, maar het zien zelf, flitsen, verglijden tussen rustpunten, weglokken, verschuiven, terwijl wel en niet figuratief hun tegenstellingen verliezen, in elkaar versmelten tot onbetwistbaar classicisme.’

W.G.: Die zinnen pasten inderdaad zeer goed bij mijn werk! In Anti-Peinture pakte ik voor het eerst uit met een reliëf dat uit vierkante polyestertegels bestond. Het ging om reliëftegels met piramidevormige uitstulpingen. De vier schuine vlakken van de piramides waren verschillend, maar de tegels zelf waren identiek. Als de tegels op verschillende wijze naast elkaar werden gelegd, kwam een dynamisch landschap tot stand. Opnieuw had het licht vrij spel om schaduwen of andere effecten op de tegels te toveren.

K.B.: Realiseerde je dat werk in Jumet?

W.G.: Neen, ik heb het vervaardigd bij Walter De Buck in Gent. De Buck had een atelier aan de Leie waar dat soort werk kon worden uitgevoerd. Nadat ik genoeg tegels had afgegoten, vertrok ik en liet ik de mal achter. Een jaar later liep ik door de inkom van een nachtclub en viel mijn oog op ‘mijn reliëf’: het waren afgietsels van mijn ontwerp! Tegen het plafond hingen ze. Ik had mijn lesje geleerd: voortaan zou ik eerst een patent nemen vooraleer iets uit te voeren of tentoon te stellen.

K.B.: Hoorden die werken bij het streven om architectuur en beeldende kunst met elkaar te verbinden, zoals je dat reeds in de tijd van Academia had beoogd?

W.G.: Ik had de panelen niet in functie van een architecturale inpassing ontworpen. Ik zag ze als puur geometrische vormen. Later bleek dat sommige werken in gebouwen of hun omgeving konden worden geïntegreerd.

K.B.: In 1962 en 1963 nam je deel aan enkele internationale tentoonstellingen, onder meer in Frankfurt en Bochum.

W.G.: Zonder mijn participatie aan G 58 zou ik wellicht niet zijn uitgenodigd om mee te doen aan die exposities. Het was er echt een regelrecht gevolg van.

K.B.: Profile II — Belgische Kunst Heute in de Städtische Kunstgalerie van Bochum werd samengesteld door twee Belgische tentoonstellingsmakers: Paul De Vree en Jean Dypréau. Jouw werk maakte deel uit van de sectie van De Vree.

W.G.: De Vree had waardering voor mijn kunst; hij had zelf ook al een werk van me gekocht.

K.B.: In de catalogus wordt vermeld dat alle werken die je er presenteerde in zijn bezit waren.

W.G.: Dat is een mysterie voor mij, temeer daar ik in Bochum nota bene een werk verkocht heb, een draadreliëf. De Duitsers waren heel enthousiast over de Vlamingen, zelfs de zaalwachters. Zulke kunstenaars waren ze niet gewoon.

K.B.: Een ander opvallend feit is dat De Vree het in zijn inleiding heeft over de Antwerpener Gruppe. In een voetnoot geeft hij aan dat het niet meer gepast is om te spreken over de Nieuwe Vlaamse School: ‘Die Antwerpener Gruppe ist jetzt eine lockerer gewordene Verbindung, nachdem die zu umstrittene Benennung Nieuwe Vlaamse School abgelehnt wurde.’ Weet jij wat er aan de hand was?

W.G.: Ik weet dat aan de tentoonstelling gehakketak is voorafgegaan, maar ik heb me daar niet mee bemoeid. Ik vond dat verloren energie. Het gebeurt vaak dat in groepen problemen ontstaan omdat de ene of de andere zich benadeeld voelt of omdat iemand neerkijkt op iemand anders, maar daar wilde ik niets mee te maken hebben. Ik ben nooit toegetreden tot de Nieuwe Vlaamse School en evenmin tot de Antwerpener Gruppe. Voor De Vree waren dat soort etiketten misschien belangrijk, voor mij totaal niet. Ik vond zulke dingen tijdverlies.

K.B.: Je deelname aan Europäische Avantgarde in de Schwanenhalle des Römers in Frankfurt in 1963 was opmerkelijk. Je participeerde in een tentoonstelling die haast alle kunstenaars omvatte die meegedaan hadden aan Vision in motion, inclusief Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker.

W.G.: Ja, het was een mooi gezelschap.

K.B.: Was je aanwezig op de vernissage?

W.G.: Ja, ik was pas getrouwd met Lucienne en we zijn samen naar Frankfurt gereisd. We hadden alleen geld om de reis te betalen. De nacht hebben we onder de blote hemel doorgebracht.

K.B.: Welke werken toonde je?

W.G.: Ik presenteerde de draadreliëfs. Die kwamen goed tot hun recht in het gezelschap van het werk van Mack, Piene en Uecker.

K.B.: Heb je met je buitenlandse collega’s gesprekken gevoerd?

W.G.: Neen, ik ben verlegen in zo’n gezelschap. Ik was sowieso een stille. En men was ook niet zo toeschietelijk. Er was veel pretentie. Ik sprak wel met bezoekers en daar had ik veel aan. Dat was heel positief.

K.B.: Een jaar later, in 1964, raakte je betrokken bij het door Jef Bierkens, Marcel Van Maele, Leon Van Essche, Hugo Neefs en Ivo Vroom in 1962 opgerichte literaire tijdschrift Labris. Hoe was die samenwerking tot stand gekomen?

W.G.: Leon Van Essche kende ik via Serge Largot, die een kunstenaarsgroep leidde die hij Onderaards noemde. Dat was een tamelijk zweverig gezelschap. Largot had mystieke ideeën, waar ik me nooit toe aangetrokken heb gevoeld. Het beeldend werk van Serge Largot was wel interessant en intrigerend. Hij had een prachtige kleurentheorie. Hij werkte niet alleen rond complementaire kleuren maar ook rond overgangskleuren. Hij maakte systematisch schilderijen met drie kleuren: geel, blauw en de tussenkleur groen. Ten dele liepen de contacten met Labris ook via Lucienne, die teksten aan het tijdschrift bijdroeg. Ik verzorgde enkele omslagen en publiceerde een paar tekeningen in het tijdschrift. Mijn positie was eerder ironisch. Zo droeg ik een tekening van twee muizen bij die vergezeld ging van de tekst: ‘voel jij je hier ook zo vreemd?’ Leon Van Essche, die niet zoveel gevoel voor humor had, vond dat niet zo prettig.

K.B.: Heb je nog meer van die humoristische werken gemaakt?

W.G.: Daar bezondigde ik me af en toe aan. Zo vervaardigde ik een Hommage à Marcel Duchamp, sourire descendant un escalier. In een ander nummer van Labris dreef ik de spot met de Nobelprijshysterie. Zoals ik eerder zei: iets wat als bloedserieus werd voorgesteld kon me daartoe verleiden. Het omgekeerde was evenzeer het geval. Als iedereen moppen aan het tappen was, kon ik soms heel nuchter uit de hoek komen. Beide trokken me aan: het ernstige en het luchtige.

‘Vormovereenkomsten dwingen je naar de kern van het kunstwerk te peilen’

Van 18 oktober 2008 tot 31 januari 2010 organiseerde Michel François in het S.M.A.K. (Gent) een tentoonstellingsprogramma onder de titel Faux Jumeaux [Valse tweelingen] in twee identieke, gespiegelde zalen. De kunstenaar vroeg vijftien gastcuratoren twee kunstwerken uit te zoeken die naar de vorm of de gebruikte materialen op elkaar leken, maar toch onafhankelijk van elkaar tot stand waren gekomen. Welke inhoudelijke overeenkomsten of verschillen zouden er aan het licht komen als je die twee kunstwerken met elkaar confronteert? Het eerste voorstel – met werken van Ann Veronica Janssens en Michelangelo Pistoletto – was afkomstig van Michel François zelf (18 oktober 2008 – 11 januari 2009). Na enkele weken werd het tweede voorstel van Loïc Vanderstichelen hieraan toegevoegd (filmbeelden uit 7 ans de malheur van Max Linder (1921) en Duck Soup van de Marx Brothers (1933), 17 november 2008 – 11 januari 2009), nog wat later gevolgd door het derde voorstel van Daniel McClean (het Atl-blauw van de Mexicaanse kunstenaar Dr. Atl en het IKB-blauw van Yves Klein, 1 december 2008 – 11 januari 2009). De zalen werden weer leeggemaakt voor het vierde voorstel van Yves Brochard (Andy Warhol, Blow job, 1963, en Dorothy Iannone, I was thinking of you III, 2006, 13 januari – 15 februari) en opnieuw voor Guillaume Désanges (een groepstentoonstelling met het plastic zakje als centraal motief, 1 maart – 1 april 2009). Vervolgens werden – met gedeeltelijke overlap, zoals bij voorstellen 1 tot 3 – de voorstellen geëxposeerd van Laurent Jacob, Raya Lindberg, Hans Theys, Frank Maes, Philippe Van Cauteren, Rainier Lericolais, Christine Macel, François Curlet, Joël Benzakin, Léa Gauthier en Jean-Paul Jacquet. Elk van deze voorstellen werd ingeleid door de curator in kwestie, al dan niet bijgestaan door personen die hij of zij daartoe had uitgenodigd. In de loop van de tentoonstelling konden bezoekers zelf hun valse tweelingen in kopievorm aan de muur van de ‘conferentieruimte’ prikken. Faux Jumeaux gold als prelude voor Michel François’ retrospectieve Plans d’évasion in het S.M.A.K., die plaatsvond van 10 oktober 2009 tot 10 januari 2010.

 

Raphaël Pirenne: Hoe ben je op het idee van Faux Jumeaux gekomen?

Michel François: Het begon allemaal in 1991, toen Ann Veronica Janssens, met wie ik toen samenwoonde, me vroeg een oogje in het zeil te houden bij de installatie van een werk van haar op de stand van Galerie Micheline Szwajcer op de FIAC, de internationale beurs voor hedendaagse kunst in Parijs. Het ging om een nieuw werk, Absence d’infini (1991), een glazen kubus bestaande uit zes vierkante spiegels van elk 70 cm met het spiegelend oppervlak aan de binnenzijde, dus met de spiegelvlakken als het ware naar elkaar toe gekeerd, en met de randen tegen elkaar geplakt, waardoor je alleen de ondoordringbare, industrieel grijs of groen geverfde achterkanten ziet. Toen ik aankwam, bleken Dominique Bozo, de toenmalige directeur van het Centre Pompidou, en Jean-François Taddei, directeur van de Frac (Fonds régional d’art contemporain) des Pays de la Loire, voor de sculptuur van Ann Veronica in een verhit debat verwikkeld. Bozo leek enorm boos, omdat hij voor het Pompidou net een werk van Michelangelo Pistoletto uit 1966 met als titel Metrocubo d’infinito had aangekocht, dat deel uitmaakt van de beroemde serie Oggetti in meno [‘Minusobjecten‘] waarmee Pistoletto een beroep doet op het abstractievermogen van de waarnemer. Metrocubo d’infinito is een kubus bestaande uit zes vierkante spiegels van elk 120 x 120 cm die met de spiegelkant naar elkaar toe zijn gekeerd en met een koord zo aan elkaar zijn bevestigd dat er een binnenvierkant van exact een kubieke meter ontstaat. Bozo vond het onacceptabel dat een jonge kunstenares niet op de hoogte was van dat beroemde werk van Pistoletto, dat ruim twintig jaar ouder is dan het hare, of dat ze deed alsof ze het niet kende. Ann Veronica had een taboe geschonden. ‘Plagiant’ of ‘onnozelaar’, dat waren de stempels die je haar kon opdrukken. Jean-François Taddei was daarentegen vertrouwd met Ann Veronica’s werk, haar studies met licht, haar pogingen het ontastbare vorm te geven, de manier waarop ze tentoonstellingsruimtes manipuleert. Hij plaatste Absence d’infini in de context van haar persoonlijke ervaringen en zag het als een logische stap in haar ontwikkeling als kunstenares. Voor hem was het werk zonder meer een uiting in haar eigen artistieke taal en paste het naadloos in de rest van haar oeuvre.

Dirk Pültau: Heb jij op dat moment meer uitleg gegeven bij het werk?

M.F.: Nee, ik heb de stand vrijwel onmiddellijk verlaten, en ben op zoek gegaan naar een afbeelding van het werk van Pistoletto, dat ik niet kende. Ik heb ook Ann Veronica gebeld om het voorval te vertellen. Weet je wat ze zei? Dat ze het werk van Pistoletto evenmin ooit had gezien… en dat ik de opdracht moest geven om haar werk onmiddellijk te laten vernietigen! Zo gezegd, zo gedaan: ik loop terug naar de stand van Szwacjer en vertel haar welke taak Ann Veronica me heeft toevertrouwd. ‘Te laat’, zegt Micheline, ‘zonet heeft Jean-François, om zijn woorden kracht bij te zetten en de discussie te sluiten, het werk van Ann Veronica voor de Frac gekocht.’ Ik vond dat geweldig. Het feit dat twee totaal verschillende kunstenaars als Pistoletto en Ann Veronica, die elk toch een volstrekt eigen artistiek idioom hadden ontwikkeld, werken hadden voortgebracht die zo sterk op elkaar lijken, vond ik even onvoorstelbaar als fascinerend. En bij elk van hen ging het om een integrerend deel van hun oeuvre. Absence d’infini was een van Ann Veronica’s talrijke pogingen om te ontsnappen aan materialiteit en gewicht, door ‘objecten’ te creëren die iets dubbelzinnigs hadden: er is sprake van schemering, verdwijningen, afwezigheid… van het gebruik van gas, mist, vervaging… of denk aan de extreme lichtheid, de voortdurend vluchtende gezichtspunten… aan het ongrijpbare, onbestemde, ondefinieerbare in veel van haar werken. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw maakte ze veelvuldig gebruik van spiegels – ook dat moet je in die context zien. De vraag is dus niet of zij al dan niet de rechtmatige auteur is van Absence d’infini, en of ze heeft gesjoemeld door het werk van Pistoletto te kopiëren – want toen ze hoorde van het bestaan van Metrocubo d’infinito gaf ze meteen de opdracht haar eigen sculptuur terug te trekken. En aangezien ik zelf niet wist van het bestaan van Pistoletto’s sculptuur, twijfel ik geen moment dat dat ook voor haar gold. De echte vraag is: hoe komt het dat beeldend kunstenaars, in alle oprechtheid en onschuld, zonder elkaars werk te kennen, objecten produceren die in formeel opzicht enorm sterk op elkaar gelijken? Je kunt dat natuurlijk een soort diffuse, onbewuste beïnvloeding noemen, zeitgeist, toeval… Maar veel interessanter vind ik dat die vormovereenkomsten ons ertoe dwingen om naar de inhoud en de context van die werken te kijken, en te achterhalen hoe ze van elkaar verschillen. 

R.P.: Je hebt voor ons ook een foto klaargelegd van een meisje dat in een groot vierkant blok chocola bijt. Het gaat om L. au chocolat, een werk van jou uit 1992… Heeft dat beeld ook een rol gespeeld in de totstandkoming van Faux Jumeaux?  

M.F.: Ja, dat vormde een tweede element. Het was het verjaardagfeestje van mijn dochtertje Léone. Ik besloot haar een stuk chocola te geven van maar liefst tien kilo, gegoten in de vorm van een kubus, 20 cm in het vierkant. Ze genoot er met volle teugen van; ze zette haar vier tandjes in de randen van het blok, drukte haar lippen ertegen, likte eraan, pulkte er stukjes af, zat erop, duwde het door de kamer, keerde het om, kortom, ze ging er helemaal op los. Later, toen ik een paar ‘actiefoto’s’ van haar had genomen en het blok chocola helemaal vies was geworden, haalde ik het weg en zette het in mijn atelier. Nog later besloot ik het tentoon te stellen en foto’s ervan te publiceren… Op een dag was ik in New York en bezocht er de Whitney Biennial. Tot mijn grote verbazing trof ik er een werk aan van Janine Antoni, dat bestond uit een blok chocola van een ton waaruit met een enorme mond stukken leken te zijn gehapt. Het ging om consumptiegoed, letterlijk. Een half opgegeten stuk snoep, het overblijfsel van een schranspartij, een trofee van een zieke maatschappij. Het kunstwerk haalde de cover van Flash Art.

R.P.: Het interessante is niet alleen dat je in beide gevallen sterke formele overeenkomsten aantrof, maar dat het telkens om kubussen gaat: vier kubussen, totaal verschillend van aard, maar desalniettemin kubussen, eenvoudige en minimalistische vormen waar iedereen mee vertrouwd is. 

M.F.: Inderdaad. De kubus is een alledaagse geometrische vorm, die iedereen kent. Zoals gezegd dwingt die vormovereenkomst ons echter om naar het verschil tussen beide werken op zoek te gaan. De minieme vormelijke verschillen kunnen ons helpen om de conceptuele intentie of de specifieke betekenis van het werk op het spoor te komen. De titels geven alvast een aanwijzing: aan de ene kant, bij Ann Veronica, is er sprake van een ontkenning, een afwezigheid (Absence d’infini); aan de andere, bij Pistoletto, van een bevestiging, een aanwezigheid (Metrocubo d’infinito). De titel van Pistoletto lijkt uitdrukking te geven aan een gekend optisch fenomeen (de mise en abyme die ontstaat door tegenover elkaar geplaatste spiegels) dat evenwel aan het zicht is onttrokken; die van Ann Veronica vertrekt juist vanuit die onzichtbaarheid om de gedachte eraan op een positieve manier tot uitdrukking te brengen. De verschillende titels komen voort uit tegengestelde percepties van een en hetzelfde object. 

R.P.: Wat je zegt over de verbreding van de perceptie vind ik erg interessant. Als je verder kijkt dan de sterke overeenkomst tussen de twee werken, merk je inderdaad allerlei details op die je eerder niet opvielen. Je fantasie wordt geprikkeld, je bekijkt het werk met andere ogen en herdefinieert wat je ziet. Ook het tentoonstellingsdispositief, met die twee elkaar spiegelende ruimtes, moet voor de waarnemer heel reflexief hebben gewerkt.

M.F.: Ja, ik had een zaal ter beschikking gekregen en die in tweeën gedeeld, een linker- en een rechterhelft. Je kwam de zaal binnen in het midden, en keek recht op de kop van de scheidingswand, één oog links, één oog rechts. Ook de ruimte zelf wekte dus die suggestie van bipolariteit. 

R.P.: Je laat ons ook een dubbele pagina uit het dagblad Libération zien, van halverwege de jaren negentig, waar twee afbeeldingen op een zonderlinge manier op elkaar lijken, hoewel ze twee totaal verschillende gebeurtenissen tonen. Was dat ook van belang voor Faux Jumeaux? 

M.F.: Precies. De foto’s zijn vrijwel identiek – in beide gevallen wordt er een bus omvergeduwd – maar de ene gaat over oproer in de straten van Istanboel, de andere over een toneelstuk in Avignon dat op dezelfde dag plaatsvond. Ik was destijds erg bezig met de manier waarop beelden, onder meer mediabeelden, de werkelijkheid veranderden en er een soort fictie van maakten; in die krant werd het probleem glashelder blootgelegd. Ik heb die dubbelpagina eruit gehaald en zonder enige aanpassing op meerdere exemplaren laten herdrukken, als facsimile’s die konden worden uitgedeeld. Daarbij speelde ook algemenere vragen in mijn hoofd, vragen als: hoe sta je in de wereld, hoe blijf je op de hoogte, hoe voel je empathie. En anderzijds: hoe maak je tegelijk kunst? Hoe ga je om met die poreuze scheiding tussen feit en fictie? Hoe ver laat je uiterlijke noden doordringen in een oeuvre dat eerder beantwoordt aan innerlijke noden? De ’tweelingfoto’s’, de een van een cultureel evenement, de ander van een politiek protest, gelijktijdig gepubliceerd in een krant, vormden een soort antwoord op die vragen en maakten deel uit van de talloze documenten die ik voor het project Faux Jumeaux heb verzameld.

 

Déjà-vu

D.P.: Zijn er in jouw eigen praktijk elementen die corresponderen met de fascinatie voor vormovereenkomsten die achter het project Faux Jumeaux schuilgaat? Je bent immers vast niet de enige kunstenaar die al eens verrassende gelijkenissen tussen kunstwerken heeft opgemerkt, maar alleen jij kwam op het idee om er een tentoonstelling over te maken…  

M.F.: Ik heb lange tijd gewerkt aan een project dat ik de naam Déjà-vu gaf. Het bestond uit video’s, foto’s, installaties en boeken die ik allemaal van diezelfde titel voorzag. Het was rond het begin van deze eeuw en ik zat toen in een, laten we zeggen, meer psychoanalytische periode van mijn leven. In 2004 nam ik deel aan de groepstentoonstelling Amicalement vôtre in het Musée des Beaux-Arts van Tourcoing (2004). Ik richtte er twee identieke zalen in en behing ze volledig met zwart-witfoto’s van een fragment van een boom, een berkenstam met een ‘oog’, afwisselend rechtop en ondersteboven. Inkt druppelde op identieke kranten die in elk van de vertrekken opengeslagen op de grond lagen. Elke dag kocht ik opnieuw twee exemplaren van dezelfde krant. De twee zalen waren op alle punten identiek, alleen de vorm die de inktvlekken op die kranten aannamen had ik niet onder controle, en daardoor ontstonden er verschillen. 

D.P.: Wat verstond je toen onder ‘déjà vu’? Had je het over de herinnering aan een bepaald beeld uit het verleden? 

M.F.: Ja. Recent wetenschappelijk onderzoek naar het intrigerende gevoel van ‘déjà vu’, dat we allemaal weleens hebben gehad, stelt een beetje teleur. Het blijkt te gaan om een kortstondig disfunctioneren van het brein waarbij iets dat we hier en nu waarnemen aan een oude herinnering wordt gekoppeld. Onze hersenen slaan de waarneming verkeerd op, nog voor we ons goed en wel bewust zijn van wát we waarnemen. Die verklaring is een beetje ontgoochelend. We vinden het immers spannend om te geloven dat we iets hebben gezien waarvan we ons niet langer bewust zijn, of waaraan we de herinnering zijn verloren, een eerder leven bijvoorbeeld. 

D.P.: Werkte je bewust toe naar het oproepen van een déjà vu?  

M.F.: Nee, de vormen die werden opgeroepen kwamen meestal bij toeval tot stand. In de video Déjà-vu (Hallu) (2003), waarin ik in het wilde weg stukken aluminiumfolie verfrommel, valt uiteindelijk een hele serie vormen te herkennen: maskers, vogelfiguren; dingen die je ‘her-kent’, die je ook al ergens anders hebt gezien. Daar komt nog bij dat iedereen er iets anders in ziet. 

R.P.: Er ligt dus geen vooropgesteld plan aan dat werk ten grondslag, het is het product van zuiver toeval: aluminiumfolie dat gaandeweg bepaalde vormen krijgt. 

M.F.: In tweede instantie is er ook sprake van bewuste manipulatie, zowel in de letterlijke als de figuurlijke betekenis. Het beeld wordt meteen verdubbeld op het moment dat het shot wordt genomen. Daar heb je een speciale camera voor nodig, die zo’n verdubbeling meteen maakt, want je kunt het wel achteraf doen, maar het resultaat van die bewerking overtuigt niet. De beeldend kunstenaar in mij probeerde dus ook welbepaalde vormen tevoorschijn te laten komen, en déjà vu’s te stimuleren, door ze vluchtig op te roepen. In de chaos van de verfrommelde aluminiumfolie dacht ik soms een bepaalde figuur te herkennen, en dan bewoog ik langzamer, of probeerde ik de figuur te vervolmaken, een soort fijnregeling te bekomen zodat de vorm beter tot zijn recht kwam… om dan weer terug te keren naar de chaos. De camera filmde alleen mijn linkerhand en verdubbelde die, waardoor ik met twee linkerhanden in beeld kwam. Mijn rechterhand kon dus doen wat ze wilde zonder in beeld te komen. Ik ontdekte de vreemdste figuren, die weer even snel in de permanente beweging van hand en aluminiumfolie verloren gingen. 

R.P.: Bij veel van de elementen die je hier beschrijft draait het om visuele en formele, maar ook ‘mnemonische’ gelijkenis. Er zit iets van ‘déjà vu’ en visuele splitsing in de manier waarop dit werk functioneert. Alsof vormen die zonder gedachte vooraf tot stand komen resoneren met iets wat er al was, altijd al, in het verleden, iets wat alleen in het heden ooit opduikt. Verder heb je dat fenomeen van spiegeling, van splitsing en verdubbeling in het opnameproces. Dat komt duidelijk tot uitdrukking in die video.

D.P.: Verzamelde jij in die periode ook al beelden van ’tweelingwerken’?

M.F.: Ja, en van tijd tot tijd voegde ik reproducties van tweelingwerken aan die verzameling toe, een beetje vanuit de gedachte dat het bij gelegenheid tot een mooi project zou kunnen uitgroeien, in de vorm van een boek of een tentoonstelling. In 2008, een jaar voor mijn solotentoonstelling Plans d’évasion in het S.M.A.K., gaf Philippe Van Cauteren, de directeur van het museum, me carte blanche om gedurende één jaar in een zaal van het museum een project op te zetten, als een soort prelude op Plans d’évasion. Ik besloot meteen om iets met mijn ‘valse tweelingen’ te doen. Als ik met anderen over dat project sprak, kon iedereen meteen een paar van die tweelingwerken noemen. Ze hadden ook allemaal hun mening klaar over het onderwerp. Dat bracht me op het idee dat het goed zou zijn als ik een aantal mensen zou uitnodigen om als gastcurator deel te nemen aan het project. Dat zou de ideeënrijkdom alleen maar ten goede komen. 

 

Het mysterie van de verdubbeling

R.P.: Vanaf het begin van de jaren negentig had je dus verschillende ervaringen van beelden en werken die een grote gelijkenis met elkaar vertoonden. En dat is vervolgens een tentoonstellingsproject geworden.

M.F.: Ja, een project dat je niet bepaald politiek correct kan noemen. Het is namelijk niet erg politiek correct om werken met elkaar te confronteren die in formeel opzicht erg op elkaar lijken, want dan krijg je al snel een polemiek: wie heeft wie geplagieerd? Als conservatoren en curatoren kunstwerken samenbrengen, dan doen ze dat vanuit een bepaald concept of nemen ze een thema als gemeenschappelijke noemer, en vermijden ze juist om werken te selecteren die uiterlijk sterk op elkaar lijken. In Faux Jumeaux deed ik net het tegenovergestelde: geen vooropgezette thematiek, alleen overeenkomst naar vorm en materiaal, zodat je gedwongen werd om de uiteenlopende intenties achter het kunstwerk bloot te leggen. Je werd genoodzaakt om terug te keren naar het werk zelf, om het werk telkens weer op zichzelf te bekijken. Een ‘gewone’ curator zou zoiets nooit hebben gedaan.  

R.P.: Had je met het exposeren van die vormovereenkomsten ook de bedoeling om je los te maken van de opvatting dat jonge beeldend kunstenaars de kunstgeschiedenis moeten kennen en zich daar rekenschap van moeten geven? En in het verlengde daarvan: wilde jij je losmaken van een soort cultus van de oorspronkelijkheid die je in het modernisme kan aantreffen, een cultus die het postmodernisme in een kwaad daglicht heeft proberen te stellen, zonder daar ooit echt in geslaagd te zijn? 

M.F.: Persoonlijk heb ik nooit geprobeerd om uitspraken te doen over de kunstgeschiedenis, of om er een kritiek op te formuleren. De kwestie van de oorspronkelijkheid speelt vooral in het westen, het democratische en kapitalistische westen. Het is waar dat die tweelingobjecten steeds vaker opduiken in de twintigste eeuw, misschien sinds Duchamp, vanaf het moment dat iedereen de hand kon leggen op een industrieel vervaardigd object, het een titel kon geven en als kunst kon signeren. In die context hoeft het geen verbazing meer te wekken dat kunstenaars los van elkaar dezelfde vormen en objecten scheppen of als uitgangspunt nemen. Ik vermoed dat je die formele gelijkenissen ook als een neveneffect kan beschouwen van het gebruik van concepten, van de ‘conceptuele kunst’ dus – concepten en ideeën zijn namelijk van iedereen. Maar Faux Jumeaux is toch vooral een project dat is ontsproten aan de fantasie van een beeldend kunstenaar, ook al treedt die dan strikt genomen op als ‘curator’. En mij ging het in de eerste plaats om het mysterie dat voelbaar wordt als je die tweelingwerken in onderlinge samenhang ontdekt. Dat mysterie zou je nooit ervaren als je ze afzonderlijk zou bekijken.

R.P.: Niettemin zit er een heel subtiele, kritische onderstroom in Faux Jumeaux. Die kritiek maakt het mogelijk om afstand te nemen van de modernistische originaliteitscultus en terug te keren naar een productiemodus die gebaseerd is op isomorfisme, analogie, gelijkenis, overeenkomst… Pas als je de reeks van zestien presentaties hebt gezien, en de lezingen die erbij hoorden op je in hebt laten werken, wordt duidelijk dat de tentoonstelling een dergelijk ‘analogisch denken’ heeft voortgebracht. 

D.P.: De tentoonstelling nodigt je niet alleen uit om de idee van originaliteit in vraag te stellen, ze confronteert je ook met de tegenstrijdigheden die in dat begrip schuilgaan. Aan de ene kant verwijst de notie ‘oorspronkelijkheid’ naar iets nieuws, naar een radicale breuk met alles wat eraan voorafgaat; aan de andere kant roept het begrip echter ook een verlangen naar de oorsprong op – en dan hebben we het vanzelfsprekend over een utopische oorsprong, een oorsprong die voorafgaat aan de ‘ontaarding’ van de moderniteit. Die twee betekenissen zijn tegenstrijdig omdat een terugkeer naar de oorsprong een herhaling impliceert van wat er altijd al was.

M.F.: Mij was het er vooral om te doen naar de kern van elk werk te peilen, om de toeschouwer te verplichten dieper en zorgvuldiger in het volledige oeuvre van een kunstenaar te duiken, zowel om het beter te leren kennen als om er, paradoxaal genoeg, de originaliteit van te onderkennen. 

R.P.: Kun je ons iets vertellen over de manier waarop de keuze voor de gastcuratoren tot stand is gekomen?

M.F.: Het ging om personen uit mijn entourage, mensen met wie ik regelmatig omging, met wie ik over het project had gepraat, die belangstelling hadden getoond en die meteen ‘dubbels’ hadden genoemd of interessante invalshoeken hadden aangebracht. Er zaten niet alleen echte curatoren, maar ook kunstenaars, kunstliefhebbers, schrijvers en gewoon vrienden bij. 

R.P.: Hoe heb je ze benaderd? 

M.F.: Ik stelde hen voor om in hun eigen persoonlijke kunstgeschiedenis op zoek te gaan naar voorbeelden van tweelingwerken.

R.P.: Ging iedereen meteen in op je voorstel?  

M.F.: Sommige ‘curatoren’ reageerden aanvankelijk wat geprikkeld. Hans Theys schreef me: ‘Nee, het klopt niet, het uitgangspunt klopt niet, want als twee werken naar de vorm identiek zijn, zijn ze dat noodzakelijkerwijs ook naar de inhoud.’ 

D.P.: Waren er voorstellen die je niet wilde opnemen in de expositie? 

M.F.: Sommige voorstellen waren erg polemisch en hadden meer weg van een afrekening – een jacht op plagianten. Daar liep ik met een wijde boog omheen. Ik probeerde kunstenaars uit te sluiten die bewust of onbewust werk van hun collega’s hadden gekopieerd; dat was niet wat me voor ogen stond. En monochromen nam ik ook niet in overweging, want dat zou wel erg makkelijk worden. Bovendien leek het moeilijk om daar een debat over op gang te krijgen. 

D.P.: Misschien had je nog verder kunnen gaan en alle abstract-geometrische kunst kunnen weren. Heel die traditie werkt immers met elementaire vormen en is gebaseerd op de idee dat de abstracte vormentaal een universele taal is die we allemaal beheersen en begrijpen, wat betekent dat die taal wordt gekenmerkt door structurele herhaling.  

M.F.: Ik wilde dat de gelijkenis zo onbewust mogelijk was, zo onschuldig mogelijk, zo toevallig mogelijk, om nieuwe ideeën over die werken tot bloei te laten komen, om te voorkomen dat je kon terugvallen op wat de maker er zelf over had gezegd. Maar er waren uitzonderingen, zoals het voorstel van Joël Benzakin: de ‘tweeling’ van Bernard Bazile. Benzakin had meteen aan het begin al tegen me gezegd: ‘Nee, het klopt niet, er zijn geen onschuldige tweelingen, kunstenaars zullen zéggen dat ze elkaars werk niet kennen, maar ze kennen het wél, ze hebben dat andere werk gezien, maar doen alsof dat niet zo is, of ze hebben het verdrongen en denken er nooit meer aan.’ Om die reden koos Joël ervoor Elaine Sturtevant uit te nodigen, die immers bewust werk van andere kunstenaars kopieert. Voor een van haar werken had Sturtevant een installatie van Bazile gekozen, een werk waarin een naakte vrouw, gelegen op een soort platform dat met een dierenvel was bekleed, in de tentoonstellingsruimte wordt geëxposeerd. Het werk van Bernard Bazile is overigens op zijn beurt op de pin-uptableaus van de Amerikaanse popkunstenaar Mel Ramos gebaseerd – Bazile heeft Ramos’ vrouwen als het ware in 3D omgezet en live tentoongesteld. Benzakin besloot om die twee werken met elkaar te confronteren… maar Sturtevant weigerde aan het project mee te werken, met het ietwat vreemde argument dat ze nog nooit zo’n voorstel had gehad. Ze had er wel eerst een paar nachtjes over geslapen! Als reactie op haar weigering hebben we twee werken uit de Mel Ramosreeks van Bazile geëxposeerd, telkens met een andere vrouw, wat op zich ook heel interessant was. 

R.P.: In dat geval is er sprake van een verdubbeling, want het gaat om twee werken van Bazile uit dezelfde reeks. 

M.F.: Precies. Een andere uitzondering betreft de bijdrage van Daniel McClean. Daniel stelde Dr. Atl (pseudoniem voor Gerald Murillo) voor, een Mexicaanse kunstenaar uit het begin van de vorige eeuw die schilderijen maakte, vooral van vulkanen. Murillo had een eigen verfsoort ontwikkeld, een soort kruising van olieverf en pastel, die zoals bij een waskrijtje met een stick op het doek moet worden aangebracht. Hij had in zijn tijd zoveel succes, zijn tijdgenoten waren zo dol op zijn zelfgemaakte kleuren, dat hij de samenstelling ervan openbaar maakte en ze op industriële schaal begon te produceren. Tot op de dag van vandaag zijn er kleuren als Atl-blauw, Atl-rood en Atl-oranje te koop. Daniel had het idee opgevat om op een muur in een van de zalen een vierkant in Atl-blauw te schilderen. Hij wist ook de formule van het typische blauw van Yves Klein te achterhalen en liet op de wand in de gespiegelde zaal een vierkant aanbrengen in monochroom IKB, International Klein Blue. 

R.P.: Zat er verschil in het blauw van Dr. Atl en dat van Klein?

M.F.: Ja, het waren verschillende blauwen, en ze waren ook op een andere manier opgebracht.

R.P.: Dat verklaart het onderscheid in textuur. Het IKB is heel gelijkmatig opgebracht, terwijl het Atl-blauw vrij veel textuur vertoont. Strikt genomen zien we dus niet twee identieke blauwe monochromen op de foto’s van die expositie.

M.F.: Dat komt dus onder meer omdat het Atl-blauw aangebracht is met een verfstick, zoals bij pastel, en het IKB met een penseel. McClean leek tevreden met het eindresultaat. Aanvankelijk vroegen we ons af of de weduwe van Yves Klein ons wel toestemming zou geven om IKB te gebruiken, maar we beseften algauw dat haar toestemming helemaal niet nodig was, omdat het in feite om een doodnormaal ultramarijn gaat. Het bijzondere aan IKB is dat het bindmiddel na verloop van tijd volledig verdwijnt, waardoor alleen het pigment op de drager overblijft. Van tovenarij is nochtans geen sprake.

D.P.: Wat de vraag opwerpt – die Daniel McClean tijdens zijn lezing ook stelde – naar het spanningsveld tussen de oorspronkelijkheid van de kunstenaar en de standaardisering van de gebruikte materialen. Als alle materialen gestandaardiseerd zijn en kunstenaars alle materialen kunnen verkrijgen, hoe kun je dan nog oorspronkelijk zijn? Tegelijk is juist de twintigste eeuw geobsedeerd door de behoefte om origineel te zijn, als een soort verzet tegen de industrialisering.

M.F.: In het specifieke geval van Yves Klein is dat opvallend, omdat hij juist streeft naar personalisering. Hij doet alsof zijn kleur door hemzelf is uitgevonden en in het diepste geheim ontwikkeld werd, terwijl het om een industriële verf gaat, een massaproduct. Voor Dr. Atl geldt precies het tegenovergestelde, want die ontwikkelde zijn kleur helemaal zelf en gaf de formule ervan aan de industrie voor massaproductie. Zoals gezegd kun je die kleur tot op de dag van vandaag overal in Mexico krijgen.

D.P.: Heb je aan al jouw gasten gevraagd om twee werken of creaties met elkaar te confronteren? Want er is ook een gastcurator die een heuse groepsexpositie heeft samengesteld…

M.F.: Zelf was ik vooral op zoek naar duo’s, maar Guillaume Désanges heeft het inderdaad anders aangepakt. Het was hem opgevallen dat het motief van het plastic zakje vanaf de jaren negentig in het blikveld van de kunst was gekomen, en zelfs opdook in films – denk aan de bekende scène in American Beauty uit 1998. Ik moest meteen aan Zoe Leonard denken. Ik weet niet of je die zwart-witfoto van haar kent van een boom in New York met een plastic zakje gevangen in de takken? Dat is de oudste herinnering die ik heb aan het plastic zakje in de hedendaagse kunst. Sindsdien hebben talloze kunstenaars zich over het plastic zakje ontfermd en er werken mee gemaakt, films of installaties. Het motief van het plastic zakje vormde dus het element dat de vormovereenkomst tussen de verschillende werken bepaalde. Wat de verschillende kunstenaars ermee gedaan hadden, was minder belangrijk. Laten we zeggen dat Guillaume eerder een thema had gekozen dat centraal stond bij verschillende kunstenaars.

R.P.: Er was ook een aflevering die conform was aan het ’tweelingprincipe’ van Faux Jumeaux, maar geen twee werken van verschillende kunstenaars tegenover elkaar stelde. Ik heb het over het voorstel van Jean-Paul Jacquet om de wand die de zaal in tweeën deelde weg te halen en op de plek van dat sloopwerk één werk van Félix Gonzáles-Torres te installeren: twee identieke gloeilampen die de sporen uitlichtten van de verwijderde wand.

M.F.: Ja, dat was het laatste voorstel in de reeks. Jacquets bijdrage voerde ons terug naar het uitgangspunt en gaf daar een andere draai aan. Er was nog steeds sprake van een vormovereenkomst, van de complementariteit en tegenstelling die je bij Janssens-Pistoletto terugvond, maar dan binnen één en hetzelfde werk. Het tweelingaspect bleef een rol spelen, maar het zat in één werk ingebouwd.

D.P.: Ook van andere werken in Faux Jumeaux kan je zeggen dat ze het tweelingaspect thematiseren. Bij Michelangelo Pistoletto en Ann Veronica Janssens zit de idee van de tweeling bijvoorbeeld in het gebruik van spiegels vervat, dat natuurlijk de idee van het dubbel oproept. Eenzelfde soort verdubbeling keert terug in meerdere werken uit Faux Jumeaux.

M.F.: Ja, bijvoorbeeld in die twee scènes uit de films van Max Linder en de Marx Brothers, waar Loïc Vanderstichelen mee op de proppen kwam. Aan de ene kant de beroemde scène uit Duck Soup van de Marx Brothers uit 1933 waarin een grote spiegel aan scherven valt, maar een van de broers zijn uiterste best doet de indruk te wekken dat hij nog steeds intact is. Aan de andere kant de scène uit Seven Years Bad Luck van Max Linder uit 1921 met hetzelfde thema: een man scheert zich en tegenover hem doet een andere man exact hetzelfde, alsof er een spiegel tussen hen in staat.

R.P.: Weet je wat me frappeert? Uitgerekend in de tijd dat jij aan dit tentoonstellingsprogramma werkte, trad het gedachtegoed van Aby Warburg heel erg op de voorgrond in de kunstfilosofie — ik denk aan diverse publicaties van Georges Didi-Huberman, Philippe-Alain Michaud, Giorgio Agamben… Voor Warburg is de geschiedenis van de kunst geen lineaire evolutie, maar een golfbeweging waarbij vormen gedurende lange periodes latent aanwezig zijn, om op bepaalde momenten in de geschiedenis plots manifest te worden.

M.F.: Ik heb zelf niet aan Warburg gedacht. Ik denk dat de herhalingen en gelijkenissen in Faux Jumeaux vooral te maken hebben met de industriële wereld waaraan we materialen en vormen ontlenen.

D.P.: Je vindt de idee van een ’terugkeer der vormen’ inderdaad ook terug in de moderne kunst. Zoals Guillaume Désanges in zijn lezing zei, zijn er abstracte werken uit het begin van de twintigste eeuw en werken uit de jaren zestig die een sterke gelijkenis met elkaar vertonen en die je zo zij aan zij kunt hangen.

M.F.: Ja, de modernisten zochten oplossingen voor de lange termijn, de zeer lange termijn.

 

 

Transcriptie in het Frans: Aurélie Bouvart

Redactie in het Frans: Raphaël Pirenne

 

Vertaling uit het Frans: Richard Kwakkel

De privatisering van het kunstenveld

Inleiding

Vanaf de jaren tachtig is de Nederlandse museumwereld uitgebreid met een aantal private museumstichtingen. Sinds 2007 werden diverse Belgische (of Vlaamse) privécollecties opengesteld voor het publiek. Deze eenvoudige vaststelling vormt het uitgangspunt van het onderstaande Vlaams-Nederlandse panelgesprek rond de ‘privatisering’ van het veld van de beeldende kunst in de Lage Landen.

Waarom kiezen steeds meer verzamelaars ervoor hun collectie zelf openbaar te maken? Waarom schenken ze hun werken niet aan een publiek museum? Waarom kiezen Nederlandse verzamelaars voor een privémuseum en Vlaamse verzamelaars voor een minder ‘museale’ vorm (een Stichting, ‘Collection’ of ‘Art Center’)? Wijzen deze privé-initiatieven erop dat de houding van privéverzamelaars tegenover de publieke kunstsector is verschoven? Welke ontwikkelingen in de wereld van de publieke musea spelen daarbij een rol? Over deze en nog meer vragen gaan we met twee Vlamingen en twee Nederlanders in gesprek. De Vlaamse kunsthistorici Joost Declercq (thans directeur Museum Dhondt-Dhaenens) en Lieven Van Den Abeele (momenteel verbonden aan het Museum voor Schone Kunsten te Gent) hebben verschillende malen rond óf met Vlaamse privéverzamelaars gewerkt. De Nederlandse Caroline Roodenburg is freelancekunsthistorica en werkt regelmatig voor zowel private als publieke musea in Nederland. Haar landgenote Fieke Konijn is ‘museumhistorica’, gespecialiseerd in de geschiedenis van het museum van moderne kunst.

Om de discussie van stof te voorzien, kozen we tien cases oftewel ‘publiek gemaakte privécollecties’ in Nederland en Vlaanderen. Het oudere Singer Laren (voluit: Stichting Singer Memorial Foundation) werd in 1954 opgericht door Anna Singer-Brugh, de weduwe van de Amerikaanse schilder William Henry Singer Jr. De stichting beheert de nalatenschap van het echtpaar Singer, bestaande uit een collectie van ruim drieduizend kunstwerken, een museum, een theater en hun voormalige woonhuis met tuin, Villa De Wilde Zwanen (singerlaren.nl). Museum De Pont (Tilburg) is het geesteskind van de Nederlandse jurist en zakenman Jan de Pont (1915-1987), die bepaald had dat een deel van zijn vermogen voor een stichting ’ter stimulering van de hedendaagse kunst’ moest worden aangewend. De Pont opende in september 1992 en kan dankzij het legaat van de stichter functioneren zonder gebruik te maken van overheidssubsidies of sponsoring (depont.nl). Museum Beelden aan Zee (Scheveningen) werd in 1994 gesticht door het verzamelaarsechtpaar Theo Scholten en Lida Scholten-Miltenburg, en richt zich exclusief op moderne en hedendaagse beeldhouwkunst, met een accent op figuratieve tendensen (beeldenaanzee.nl). Museum MORE (MORE = ‘Modern Realisme’) in Gorssel werd opgericht in 2015. De kern van de verzameling wordt gevormd door de collectie van de zakenman Hans Melchers. Deze gaat op haar beurt terug op de verzameling van Dirk Scheringa, die in 1997 het – inmiddels ter ziele gegane – Frisia Museum (later Museum Scheringa voor Realisme) in zijn woonplaats Spanbroek in Friesland had opgericht (museummore.nl). Tot slot werd de kunstverzameling van Joop van Caldenborgh — algemeen bekend als de Caldic Collectie – recentelijk in Museum Voorlinden ondergebracht, dat in 2016 zijn deuren opende. In de nabijheid bevindt zich Beeldentuin Clingenbosch waar sculpturen uit de collectie in openlucht worden gepresenteerd (voorlinden.nl).

De Belgische – of Vlaamse – privé-initiatieven zijn van jongere datum. Drie ervan openden in 2007. VanhaerentsArtCollection (Brussel) is een initiatief van bouwpromotor Walter Vanhaerents. Zijn verzameling omvat kunst van het einde van de jaren zeventig tot heden (vanhaerentsartcollection.com). Collection Vanmoerkerke (Oostende) is gebaseerd op de verzameling van Mark Vanmoerkerke. ‘The Vanmoerkerke Collection aims to be the best holding of European and American contemporary artists active in various disciplines, sculpture, photography and video’, zo klinkt het op de site (artcollection.be). Verbeke Foundation is de ‘private kunstsite’ van kunstverzamelaars Geert en Carla Verbeke-Lens. Hun verzameling bestaat uit twee kernen: hedendaagse kunst (met onder meer een accent op ‘bio-art’) en een 4500-tal collages en assemblages uit de twintigste eeuw (verbekefoundation.com). Art Center Hugo Voeten (Herentals) werd in 2012 opgestart. De collectie van Hugo Voeten omvat Belgische moderne en hedendaagse kunst (van Leon Spilliaert tot Thierry De Cordier), moderne kunst uit West-Europa (Auguste Rodin, maar ook Arno Breker), internationale hedendaagse kunst (Christo & Jeanne Claude, Vanessa Beecroft, Mircea Cantor…) en ‘de grootste verzameling Bulgaarse kunst buiten Bulgarije’. In Geel worden beelden in openlucht gepresenteerd (artcenter.hugovoeten.org). Tot slot opende in 2013 de Herbert Foundation. De collectie van Annick en Anton Herbert bestaat uit een hoogstaande selectie kunst vanaf de jaren zestig, met accenten op minimal, arte povera en ‘conceptuele kunst’ (de eerste generatie), en driedimensionaal werk van kunstenaars van de jaren tachtig als Mike Kelley, Martin Kippenberger, Reinhard Mucha, Thomas Schütte, Jan Vercruysse, Heimo Zobernig… (de tweede generatie). ‘Zowel binnen de tijdelijke tentoonstellingen met werken uit de eigen Verzameling als binnen de evenementen die plaatsvinden (zoals masterclasses, lezingen, speciale rondleidingen), nemen de Collectie en het Archief een evenwaardige positie in. Vanuit een symbiose tussen beide wenst Herbert Foundation een voedingsbodem te bieden voor onderzoek naar het artistieke gebeuren van de tweede helft van de twintigste eeuw’ (herbertfoundation.org).

 

Een eerste ronde

Dirk Pültau: Kunnen jullie kort toelichten welke relatie jullie onderhouden met de ‘private sector’ in de beeldende kunst, dus met privé-instellingen, private musea, privéverzamelaars…?

Joost Declercq: Ik heb mijn leven lang met privéverzamelaars te maken gehad. Van 1979 tot 1986 leidde ik samen met Jan Debbaut het Gewad in Gent. Het Gewad was een Vereniging voor Actuele Kunst die kunstenaars uit binnen- en buitenland voor het voetlicht bracht en de steun genoot van een aantal verzamelaars, onder wie Annick en Anton Herbert. Na het stopzetten van het Gewad leidde ik van 1986 tot 1992 de Galerie Joost Declercq, wat mijn contacten met verzamelaars uiteraard nog intensifieerde. Van 1994 tot 2004 was ik verbonden aan de Fondation Hans Hartung & Anna-Eva Bergman in het Franse Antibes. Ik was betrokken bij het beheer van het patrimonium van de stichting, maar hield me in de eerste plaats bezig met de internationale relaties met kunstenaarsmusea, universiteiten en galeries, en de organisatie van de internationale tentoonstellingen over het werk van Hans Hartung waar de stichting haar medewerking aan verleende. Dat is misschien wel het meest leerzame deel van mijn carrière geweest als je het hebt over de rol van de ‘private sector’ in de beeldende kunst.

D.P.: Kan je daar wat meer over vertellen?

J.D.: Met de Fondation Hartung-Bergman hebben we enorme inspanningen geleverd om het werk van Hartung via publicaties en langs digitale weg toegankelijk te maken. We hebben gewerkt aan het samenstellen van een archief en een catalogue raisonné – in dat kader werkten we onder meer intens met veilinghuizen samen – we hebben tentoonstellingen opgezet, publicaties uitgegeven en symposia georganiseerd. Al die inspanningen hebben ertoe bijgedragen dat het werk van Hans Hartung nu veel beter kan worden gesitueerd in het bredere kader van de abstracte kunst van de jaren twintig, wat van essentieel belang is om de belangstelling van musea, galeries, private verzamelaars en critici of onderzoekers te wekken. Je zou kunnen zeggen dat de stichting op uiteenlopende manieren bezig is met de kunstenaar Hans Hartung ‘in de markt te zetten’. De les die ik in die periode heb geleerd, kan je dan ook in één zin samenvatten: als je een kunstenaar niet ‘in de markt zet’, dan bestaat hij niet. Ik heb het over ‘de markt’ in de breedst mogelijke zin van het woord: je hebt niet alleen de puur speculatieve markt van Sotheby’s en Christie’s, en het klassieke galeriecircuit, maar ook alternatieve markten, zoals de biënnales en de triënnales. Als een kunstenaar niet vermarkt wordt, bloedt de interesse in zijn oeuvre dood. Vaak is dat proces onomkeerbaar. Het gevolg van die desinteresse is immers dat ook het archiefmateriaal verdwijnt dat toelaat om een kunstenaar te bestuderen. Daardoor wordt het moeilijk om de kunstenaar in een later stadium nog een plaats in de kunstgeschiedenis te bezorgen. De reserves van onze musea zitten vol met werken van fantastische kunstenaars waar geen kat meer naar omkijkt, en die je eigenlijk ook niet meer grondig kan inschatten of plaatsen, precies omdat ze nooit vermarkt zijn.

D.P.: Intussen ben je een twaalftal jaar directeur van Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle, dat eveneens uit een private collectie is ontstaan. Een belangrijke krachtlijn van jullie tentoonstellingsbeleid betreft de rol van de privéverzamelaar in België. Zo organiseerden jullie reeds tentoonstellingen over de collectie van Tony Herbert, die tot stand kwam in het interbellum en waarin het Vlaamse expressionisme centraal stond, en over de verzameling Roger Matthys, die haar wortels heeft in de jaren zestig en sterk door de pop art wordt gedomineerd. Kan je daar iets over vertellen?

J.D.: We zijn vertrokken van de vraag hoe de acceptatie van moderne en hedendaagse kunst zich in België voltrokken heeft. Anders dan in Nederland en Frankrijk, waar de overheid op dat vlak belangrijke initiatieven heeft genomen, heeft de overheid bij ons nooit enige serieuze belangstelling voor kunst – laat staan voor moderne en hedendaagse kunst – aan de dag gelegd. De receptie van de moderne kunst is daardoor zeer traag verlopen en werd volledig door privéverzamelaars gestuurd.

D.P.: Kan je daar wat dieper op ingaan?

J.D.: Je kan in Vlaanderen grosso modo vier generaties van verzamelaars onderscheiden. Een eerste generatie was vooral actief tijdens het interbellum en kort na de Tweede Wereldoorlog. Voor deze collectioneurs, waaronder Tony Herbert, hing verzamelen sterk samen met de zoektocht naar een politieke en culturele identiteit, in een Belgische context. Zij zetten zich af tegen de behoudsgezinde Brusselse bourgeoisie, tegen het koninklijke hof en de Belgische adel, die zich qua smaak vooral op de Franse beaux-artstraditie richtten. Om die reden kochten deze verzamelaars bewust Vlaamse moderne kunst. Voor de tweede generatie – waartoe Roger Matthys (1920-2016) behoort – speelt die identiteitskwestie veel minder. Bij hen leefde in de eerste plaats een sterke behoefte om zich binnen een internationaal kader te situeren. In tegenstelling tot Tony Herbert en zijn generatiegenoten opereren deze verzamelaars haast vanaf het begin internationaal, zowel wat de aangekochte kunstenaars als wat de galeries betreft, die zich situeren in Brussel, Parijs, Londen en New York — destijds de belangrijkste of zowat de enige relevante centra op het vlak van hedendaagse kunst. Verzamelaars als Hubert Peeters en Roger Matthys waren welgestelde artsen die zich door het kopen van vrij ‘agressieve’ of radicale kunst trachtten te identificeren met de progressieve strekkingen in de samenleving waar ze zelf geen deel van uitmaakten – in dat opzicht werd hun verhouding tot hedendaagse kunst getypeerd door een onmiskenbare ambiguïteit. De derde generatie is die van Annick en Anton Herbert. Die is niet enkel geïnteresseerd in het object, maar ook in de houding van de kunstenaar en alles wat rond het kunstenaarschap hangt. De Herberts besteden in hun stichting bijvoorbeeld zeer veel aandacht aan documentatie- en archiefmateriaal, dat er haast een even groot belang krijgt als het unieke kunstwerk. En tot slot is er de vierde generatie, die haar verzamelactiviteiten aanvatte omstreeks het einde van de jaren tachtig en de Val van de Berlijnse muur, met collectioneurs als Walter Vanhaerents en Wilfried Cooreman. Zij heeft de globalisering van de kunstwereld meegemaakt en bekijkt de kunst in een mondiaal perspectief. Het westen staat voor deze collectioneurs niet meer in het middelpunt van de kunstwereld; westerse noties van radicaliteit, vernieuwing en progressiviteit hebben voor hen aan geldigheid verloren.

D.P.: Lieven, kan jij je parcours in de private kunstsector kort toelichten?

Lieven Van Den Abeele: Na mijn afstuderen als kunsthistoricus in 1981 was er in de musea zo goed als geen werk voor een jonge kunsthistoricus. Er was wel een vacature bij de Bank Brussel Lambert (BBL, thans ING) in Kortrijk. Ik werd aangesteld en kreeg de opdracht om allerlei culturele activiteiten van de bank te organiseren. De BBL beschikte zelf over een belangrijke collectie moderne kunst die in de jaren tachtig met internationale hedendaagse kunst werd uitgebreid. Ik ben niet lang bij de BBL gebleven, maar niettemin heeft die periode heel wat deuren voor mij geopend. Ik ontdekte dat in het Kortrijkse talrijke verzamelaars actief waren die zich nadrukkelijk toelegden op hedendaagse kunst, zoals Lieven Declerck en Filiep Libeert. In 1987 ben ik hoofdredacteur geworden van het Antwerpse ’tijdschrift voor hedendaagse kunst in Europa’ Artefactum, dat in 1983 was gesticht door Flor Bex, en nog wat later verhuisde ik naar Frankrijk, waar ik 25 jaar lang lesgaf aan de École des beaux-arts de Bordeaux. Tussendoor heb ik echter verschillende tentoonstellingen gemaakt met de collectie van de BBL, en mede daardoor heb ik mijn goede contacten met verzamelaars uit Zuid-West-Vlaanderen steeds behouden. Dat heeft uiteindelijk onder meer geleid tot de tentoonstelling Spiegel van het Verlangen, die ik in 2001 samen met Veerle Van Durme organiseerde, met werk uit twintig Kortrijkse verzamelingen verspreid over drie locaties in de stad Kortrijk.

J.D.: Een tweetal jaar geleden heeft Caroline David met werken uit achttien Zuid-West-Vlaamse collecties een tentoonstelling gemaakt die je als een vervolg op Spiegel van het Verlangen kan zien (Passions Secrètes. Collections Privées Flamandes/Verborgen passies. Vlaamse privé-collecties, 2014-2015, Tripostal, Rijsel). De werken waren gemiddeld van een ongemeen hoge kwaliteit.

D.P.: Hoe verklaren jullie die ongewone bloei?

L.V.D.A.: De streek van Kortrijk is rijk aan kosmopolitische ondernemers die beschikken over veel kapitaal – onder meer dankzij de textielindustrie – en een grote zin voor risico en avontuur aan de dag leggen. En wie weet is het niet zonder betekenis dat in de streek lang schildersdoek werd vervaardigd? Veel werken van de Amerikaanse abstract-expressionisten, van Pollock tot Rothko, zijn op Vlaams doek uit de streek van Kortrijk geschilderd. In Waregem wordt nog altijd doek gefabriceerd dat over de hele wereld verkocht wordt.

J.D.: Identiteitsvorming is ook een belangrijke factor.

L.V.D.A.: Maar op dat vlak kan je wel een verschuiving constateren. Het gaat niet meer om de identiteit van de groep als politieke of culturele entiteit, maar om de identiteit van het individu. Identiteitsvorming wordt gezien als een manier om jezelf te ontdekken en te verrijken. De ene doet dat met het beoefenen van yoga, de andere met het verzamelen van kunst.

D.P.: Lieven, voor de publicatie die uitkwam bij Disorder in the House, de eerste collectiepresentatie van Vanhaerents in zijn pand aan de Brusselse Anneessensstraat (16 maart 2007 – 27 juni 2007), schreef jij een uitgebreide inleiding. Kan je iets over jouw relatie en samenwerking met Walter Vanhaerents vertellen?

L.V.D.A.: Ik heb Walter leren kennen in 2005, kort nadat ik van Frankrijk naar Oostende was verhuisd. Het waren de laatste jaren van het directoraat van Willy Van den Bussche in het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst [PMMK, thans Mu.ZEE]. Samen met een aantal Oostendse vrienden vond ik dat we daar iets tegenover moesten stellen. Op zoek naar een gepaste locatie voor een overzichtstentoonstelling van jonge Belgische kunstenaars viel ons oog op het Militair Hospitaal op de Oosteroever, dat al jaren leeg stond. Toen ik vernam dat Walter plannen had om deze site om te bouwen tot woningen, heb ik met hem contact opgenomen met de vraag of we er een tentoonstelling mochten maken. Hij was onmiddellijk voor ons voorstel gewonnen. Als projectontwikkelaar begreep hij meteen dat zo’n initiatief ertoe kan bijdragen om de plek bekend te maken. Bovendien koestert Walter een authentieke belangstelling voor kunst. Samen met zijn zoon Joost, die ook hedendaagse kunst verzamelt, heeft hij alle faciliteiten verleend voor de tentoonstelling Freestate, die er in de zomer van 2006 als een soort tegenhanger van de triënnale voor hedendaagse kunst Beaufort georganiseerd werd.

D.P.: Wat vind je precies aantrekkelijk aan de samenwerking met privéverzamelaars?  

L.V.D.A.: Dat je kunst ontdekt die je niet in onze musea terugvindt. Ik hou ook erg van het persoonlijke karakter van private collecties en ik vind de persoonlijke gedrevenheid van verzamelaars heel stimulerend. Wat ze bezitten, hebben ze zelf betaald, wat een groot engagement ten opzichte van de kunstenaar impliceert. Ze zijn ontzettend gepassioneerd door hun collectie: hun werken zijn hun kinderen. Je ervaart die persoonlijke dimensie ook als je bij hen op bezoek komt. Walter Vanhaerents leidt de mensen persoonlijk rond in zijn collectie. Ik bezoek ook vaak de collectiepresentaties van Mark Vanmoerkerke aan het Oud Vliegveld in Oostende en ben enorm gecharmeerd door de ‘artisanale’ manier waarop daar gewerkt wordt. Naast Mark is er welgeteld één assistente die zorg draagt voor de collectie; haar bureau bevindt zich in een van de zalen van de hangars waarin de collectie is ondergebracht en gepresenteerd wordt. De praktijk van die Vlaamse verzamelaars staat vaak dichter bij een kunstenaarspraktijk dan bij een museumwerking. Het is alsof je een atelier bezoekt; je hebt totaal niet het gevoel dat je met een instituut te maken hebt. Voorts vind ik het prettig werken met privéverzamelaars omdat alles zoveel efficiënter verloopt. Als zo’n verzamelaar een beslissing neemt, dan wordt die zonder dralen uitgevoerd, terwijl je in musea altijd met de administratieve molen te maken krijgt.

Caroline Roodenburg: Ik vind de band van privéverzamelaars met hun collectie ook heel boeiend, maar er is een schaduwzijde. Omdat ze hun collectie als hun kinderen beschouwen, kunnen privéverzamelaars heel moeilijk tegen kritiek. Ze hebben uitgesproken voorkeuren die je onmogelijk ter discussie kan stellen. Ik kan dat misschien met een voorbeeld uit het verleden illustreren. Ik heb onderzoek gedaan naar de collectie Regnault, die nog steeds deel uitmaakt van de kern van de klassiek-moderne kunst in het Stedelijk Museum Amsterdam. Pierre Alexandre Regnault verzamelde de modernistische kunst die hoogtij vierde in Parijs – Picasso, Braque, Chagall, Soutine… – maar had daarnaast ook een Nederlandse favoriet, een zekere Quirijn van Tiel, die hij vanwege zijn expressieve stijl als een nieuwe Van Gogh beschouwde, die door anderen ten onrechte nog niet op waarde werd geschat. Kritiek daarop verdroeg hij niet. Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk, kreeg grijze haren van de onderhandelingen met Regnault omdat de verzamelaar bij elke bruikleen of schenking ook werken van Quirijn van Tiel in de collectie van het Stedelijk trachtte binnen te smokkelen. Dat zegt natuurlijk veel over het machtsspel tussen museum en verzamelaar…

J.D.: Maar ook over het engagement van de collectioneur.

D.P.: Caroline, jij bent momenteel actief als freelancekunsthistorica gespecialiseerd in de periode 1850-1970. Je schrijft teksten en maakt tentoonstellingen voor zowel publieke musea (bijvoorbeeld het Gemeentemuseum Den Haag) als private musea – zo stelde je onlangs een tentoonstelling samen over Johan van Hell (1889-1952) voor het recent opgerichte Museum MORE (Museum voor Modern Realisme) in Gorssel. Is het ‘anders’ om met privémusea te werken?

C.R.: Ik merk weinig verschil. Net als in de publieke musea heb ik in privémusea immers met professionele kunsthistorici te maken. Zij kennen het klappen van de zweep. De directeur van het Singer Museum, Jan Rudolph de Lorm, was eerder conservator en hoofd tentoonstellingen van het Rijksmuseum. Museum MORE wordt door Ype Koopmans geleid, die lang conservator in Museum Arnhem is geweest. Hans Melchers, de stichter van MORE en eigenaar van de collectie die eraan ten grondslag ligt, heb ik tijdens de voorbereiding van de expositie nooit ontmoet. Wellicht zijn privémusea iets flexibeler in hun werking, maar veel verschillen met de publieke instellingen zijn er niet – en de verschillen die er zijn worden steeds kleiner. Veel privémusea putten inmiddels uit dezelfde geldstromen om aankopen en projecten of tentoonstellingen te financieren. Een ouder privémuseum zoals het Singer Museum in Laren, dat werd geopend in 1956, is vandaag een professioneel museum met een dito tentoonstellingsbeleid. Het museum krijgt onder meer subsidies van de Gemeente Laren en ontvangt jaarlijks – net als Beelden aan Zee en andere publieke en private instellingen – een aanzienlijk bedrag van de BankGiro Loterij. Aan de andere kant: ook De Pont is een heel professioneel museum, maar wil om principiële redenen geen overheidsmiddelen ontvangen.

Fieke Konijn: De Pont gaat overigens niet terug op een ‘basisverzameling’ van een particulier, zoals de andere musea. Het startte vrijwel zonder verzameling. Dat illustreert hoe de situatie per initiatief verschilt.

C.R.: Inhoudelijk staat Singer Museum inmiddels vrijwel los van de oorspronkelijke stichters, die een nogal conservatieve collectie hadden vergaard rond de Haagse en Larense School. Sinds eind jaren tachtig wordt veel meer ingezet op het expressionisme en modernisme, waarmee nadrukkelijk aansluiting is gezocht met de canon van de twintigste-eeuwse kunst.

D.P.: Fieke, jij was tot 2015 als docent verbonden aan de afdeling Kunst en Cultuur van de Vrije Universiteit Amsterdam. In 2003 heb je namens de VU, in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, een master Museumconservator opgericht. Mede daardoor heb jij jezelf steeds meer tot museumhistoricus ontwikkeld. Zie jij verschillen tussen publieke en private musea?

F.K.: Ik heb als enige van dit gezelschap nooit rechtstreeks met private musea of kunstinitiatieven te maken gehad en enkel publieke musea bestudeerd; maar als je naar hun voorgeschiedenis kijkt, stel je onmiddellijk vast dat zowat alle overheidsmusea uit privéverzamelingen of vorstelijke verzamelingen zijn ontstaan. Het onderscheid is dus niet absoluut. Ik denk voorts dat er internationaal vergelijkend onderzoek nodig is om de vergelijking tussen private en publieke musea zinvol te maken. Ik heb in dat verband veel gehad aan het onderzoek van Jesús Pedro Lorente. Hij toont aan dat er tussen de museumtradities van verschillende landen grote verschillen bestaan. Nederland heeft een heel sterke traditie van stedelijke musea, die min of meer met de Duitse situatie kan worden vergeleken, maar totaal verschillend is van de gecentraliseerde museumstructuur in Frankrijk. De Nederlandse situatie levert een heel gedifferentieerd ‘museumstelsel’ op en dat geldt ook voor de particuliere musea die er de laatste tijd zijn bijgekomen.

 

De commercialisering van de kunstwereld

Rudi Laermans: We komen nog terug op die nationale verschillen, in het bijzonder tussen Nederland en Vlaanderen. Voor dit gesprek over ‘de privatisering van het kunstenveld’ zijn we evenwel vertrokken van de algemene observatie dat – ongeveer – vanaf de jaren tachtig steeds meer verzamelaars, in de Lage Landen maar ook elders, hun collectie openbaar maken via een eigen initiatief. Welke verklaringen zien jullie voor dit fenomeen?

J.D.: Een mogelijke verklaring is van economische aard. Tot enkele decennia geleden werkten de meeste verzamelaars met een budget dat maximaal tien procent bedroeg van hun persoonlijke winst. Ze hadden niet de middelen om een museaal project volledig zelf te bekostigen en waren dus op een alliantie met de overheid aangewezen indien ze hun verzameling publiek wilden maken. Veel musea — in Nederland bijvoorbeeld Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Van Abbemuseum in Eindhoven – zijn op die manier ontstaan. De grote verzamelaars van dit moment, zoals François Pinault of Joop van Caldenborgh, zijn echter vele malen kapitaalkrachtiger. Ze hebben de overheid niet meer nodig.

L.V.D.A.: Er zit ook een ideologische kant aan dat verhaal. De collecties van Pinault en Saatchi, of van Joop van Caldenborgh, zijn het resultaat van het nieuwe kapitalisme, en dat steunt op een ideologie die haaks staat op de burgerlijke opvatting die aan de grote publieke musea ten grondslag ligt. De leidende gedachte achter die musea, die tot de nadagen van de Franse Revolutie kan worden teruggevoerd, luidde dat de rijkdommen, en dus ook de kunstcollecties, van de geprivilegieerde klasse – vorst, kerk en adel – moesten worden onteigend en ter beschikking gesteld van het publiek. De idee van maatschappelijke relevantie speelt bij deze nieuwe verzamelaars geen enkele rol.

J.D.: Ook in de manier waarop een verzameling zich verhoudt tot de tijd is er iets veranderd. Tot ongeveer het einde van de twintigste eeuw werd het museum als een instituut gezien dat kunstwerken voor de eeuwigheid verzamelt en de kennis erover archiveert. Museumbezit mocht niet worden verkocht. Die eeuwigheidslogica werd ook door veel privéverzamelaars gehuldigd. Bij oudere schenkingen bepaalde de schenker niet alleen wat hij schonk, maar legde hij vaak ook vast op welke plek en in welke samenhang de werken gepresenteerd moesten worden. Veel van de huidige collectioneurs — en vaak gaat het om de interessantste – hebben geen boodschap meer aan die museale eeuwigheidsgedachte. Ze zien hun eigen kunstverzameling als een bezigheid of project dat begrensd is in de tijd en vinden het dus ook niet meer noodzakelijk om hun collectie een institutionele bestemming te geven. Ook in de musea zelf is de klassieke eeuwigheidsgedachte op de achtergrond geraakt. In veel grote musea voor moderne kunst is het belang van de collectie naar de achtergrond verschoven. Grote huizen als Tate Modern of Centre Pompidou zijn agora’s geworden, ontmoetingsplekken waar ‘rond’ de kunst wordt gediscussieerd en waar het kunstwerk haast niet meer dan een aanleiding lijkt om allerlei events en debatten te laten plaatsvinden. De musea zijn ook steeds meer in de ban geraakt van le grand public.

C.R.: Ja, de musea zijn ‘geëconomiseerd’. Ze worden steeds meer gerund als een bedrijf.

J.D.: Terwijl ze tegelijk op een puur economisch niveau de rol hebben moeten lossen, zeker in Europa. Vroeger kon een groot museum zich nog een werk van een gearriveerde vedette als Picasso aanschaffen. Vandaag spelen de musea simpelweg niet meer mee. Ze worden compleet overvleugeld door de private kunstsector – de galeries, de grote verzamelaars… – die over veel meer middelen beschikken. Daardoor zijn ze zich steeds speculatiever gaan opstellen: musea van moderne en hedendaagse kunst kopen in een steeds vroegere fase werk van een kunstenaar aan omdat ze vrezen dat het anders onbetaalbaar wordt. Dat heeft ertoe bijgedragen dat de canon steeds minder door de musea en in steeds grotere mate door de grote galeries en de verzamelaars wordt bepaald.

R.L.: Misschien past die ontwikkeling binnen een bredere tendens die vaak als the enclosure of the commons wordt aangeduid en waarbij een aantal private global players functies overnemen die vanuit een klassiek perspectief als publieke diensten kunnen worden beschouwd — denk aan Facebook. In de kunst zie je een gelijkaardig fenomeen: private partijen – in casu verzamelaars – nemen een rol op die traditioneel door de overheid werd gespeeld, en ze kunnen dat in het bijzonder dankzij hun financiële slagkracht, zie een Arnault of een Pinault. Zij opereren op een schaal waar overheden geen invloed meer kunnen op uitoefenen, hoe rijk ze ook mogen zijn. In die zin vallen privémusea tot op zekere hoogte te begrijpen als een vorm van privatisering van ‘het publieke’.

J.D.: Ik denk dat de publieke musea daar slecht op hebben gereageerd en dat ze hun geloofwaardigheid daardoor ondermijnd hebben.

F.K.: Maar je mag dat niet veralgemenen, zeker niet als het over oudere kunst gaat. Er zijn nog steeds musea die hun autoriteit kunnen laten gelden. Een museum als de National Gallery in Londen koopt bijvoorbeeld zeer selectief aan en beperkt zich tot de allerhoogste kwaliteit. De National Gallery begeleidt onder meer rijke verzamelaars bij hun aankoopbeleid en slaagt er geregeld in om in ruil daarvoor belangrijke schenkingen in de wacht te slepen. Zo’n museum bezit dan weliswaar niet de macht van het grote geld, maar het heeft wel kennis en expertise in huis waarover veel verzamelaars niet beschikken en het ontleent daar nog steeds een grote status aan. Ik zou dus oppassen om te stellen dat de geloofwaardigheid van de musea niet meer bestaat. De situatie varieert per land en kan ook per museum behoorlijk verschillen.

 

Nederland en Vlaanderen

D.P.: Laten we de ‘privatisering van het kunstenveld’ in Nederland en Vlaanderen onder de loep nemen. In Nederland hebben sinds de jaren tachtig nogal wat privémusea de deuren geopend. Caroline, hoe kijk jij tegen dat fenomeen aan?

C.R.: Eigenlijk kan je het verhaal van die privémusea al veel eerder laten beginnen, namelijk in de jaren dertig met het Kröller-Müller Museum in Otterlo. Helene Kröller-Müller was een uitgesproken idealiste. Dat geldt ook voor de eerder genoemde Regnault, maar terwijl mevrouw Kröller-Müller haar eigen museum oprichtte, te midden van de natuur, als een monument voor de eeuwigheid, koos Regnault nadrukkelijk niet voor een privémuseum. Zijn woonplaats Laren – waar onder meer ook de conservatieve Singers woonden – vond hij daarvoor te provinciaal. Liever zocht hij het centrum van de moderne ontwikkelingen op, en dat bevond zich volgens hem in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij vond dat zijn verzameling in de gehele museumcollectie moest opgaan. Beiden, zowel Kröller-Müller als Regnault, waren aansprekende voorbeelden. Maar vanaf de jaren vijftig en zestig zie je ook op een breder terrein initiatieven. Toen kwamen hier de bedrijfscollecties op en iets later meldden zich meer particuliere verzamelaars in de openbaarheid. In 1971 opende bijvoorbeeld Museum Bommel Van Dam in Venlo, gesticht door het Amsterdamse echtpaar Maarten en Reina van Bommel-van Dam.

J.D.: Eigenlijk zijn haast alle belangrijke Nederlandse musea in oorsprong privémusea…

D.P.: Bij die oudere musea sloot de privéverzamelaar echter telkens een alliantie met de overheid; bij de nieuwere privémusea gebeurde dat niet.

C.R.: Dat klopt, maar in sommige gevallen komt daar na een tijd alsnog verandering in. Een voorbeeld is het Museum Henriette Polak in Zutphen, dat al in 1975 de deuren opende, een jaar na het overlijden van de mecenas en stichtster. Dat museum begon volledig als een privé-initiatief, maar werkt sinds 2011 samen met het Stedelijk Museum Zutphen. Bovendien gaan veel van die nieuwe privémusea na een tijdje voor allerlei projecten toch weer uit dezelfde subsidiepotjes snoepen als de publieke musea. De verschillen tussen private en publieke musea liggen daardoor erg subtiel.

F.K.: Verder vind ik het moeilijk om algemene uitspraken te doen omdat deze privémusea toch behoorlijk verschillend zijn. Museum Voorlinden en Museum De Pont hebben een brede collectie die dicht aanleunt bij de publieke collecties in Nederland. Museum Beelden aan Zee en Museum MORE venten eerder een nichepositie uit: ze leggen zich respectievelijk toe op figuratieve tendensen in de sculptuur vanaf de twintigste eeuw en realistische tendensen in de moderne kunst. Niet alleen op inhoudelijk vlak, ook inzake motivatie en verhouding tot het openbare bestel zijn de verschillen groot. Museum Voorlinden spiegelt zich aan de grote musea in Nederland – het lijkt wel een tweede Stedelijk te willen zijn. Museum MORE en Museum Beelden aan Zee zetten zich daar juist tegen af. Ze specialiseren zich in kunst die in hun ogen door de publieke musea ten onrechte is veronachtzaamd. Ze willen een tegenbeeld aanbieden van de modernistische canon die door de publieke musea tot ‘kunsthistorische norm’ zou zijn uitgeroepen.

D.P.: Van Caldenborgh had zijn verzameling aan het Boijmans kunnen schenken. Hans Melchers had zijn verzameling moderne realisten kunnen doneren aan het Museum Arnhem, waar die kunst een van de zwaartepunten van de collectie vormt. Beide verzamelaars zijn evenwel voor eigen musea gegaan, met respectievelijk Museum Voorlinden en Museum MORE als resultaat. Zou je niet ook kunnen stellen – in lijn met wat Lieven al opmerkte – dat deze verzamelaars zich minder identificeren met de burgerlijke notie van het ‘algemeen belang’?

R.L.: Misschien moeten we hier een nuance aanbrengen en zijn sommige van deze verzamelaars wel degelijk nog gevoelig voor de idee van het algemeen belang, maar identificeren ze die notie niet langer automatisch met de staat en haar instellingen, waaronder de overheidsmusea. De identificatie van de gemeenschap en de publieke ruimte met de staat heeft vandaag in de ogen van velen zijn geldigheid verloren.

F.K.: Ik betwijfel of je dat als een algemene trend mag beschouwen. Er zijn in Nederland wel degelijk nog verzamelaars die het publieke belang willen dienen én het museum als belichaming daarvan blijven zien. De familie Sanders – Piet Sanders en zijn zonen Pieter en Martijn – is een goed voorbeeld. In het verleden heeft vader Piet Sanders verschillende malen delen van zijn collectie aan het Stedelijk Museum Amsterdam geschonken. Zijn zonen zetten die traditie verder. Nog in 2013 hebben Pieter en Marieke Sanders een groep van meer dan honderd werken gedoneerd. Hun gift omvatte onder meer heel wat fotografisch werk, en Hripsimé Visser, conservator fotografie van het Stedelijk, heeft uit dat gedeelte de stukken mogen kiezen waarvan zij meende dat ze de collectie van het Stedelijk konden versterken. Overigens heeft ook het verzamelaarsechtpaar Theo en Lida Scholten, de stichters van Museum Beelden aan Zee, aanvankelijk geprobeerd om hun collectie twintigste-eeuwse beeldhouwkunst in een museum onder te brengen. Hun plan om een eigen museum te bouwen kwam er slechts nadat gebleken was dat geen enkel museum interesse had.

D.P.: Hoe zit het langs de kant van de musea? Vallen daar ontwikkelingen te noteren die de ‘private reflexen’ van verzamelaars mee kunnen verklaren?

C.R.: Jazeker. De laatste tien, vijftien jaar hoor je steeds vaker dat er te veel geld naar de publieke musea is gegaan en dat zij nu ‘hun eigen broek moeten ophouden’.

F.K.: Ja, de musea moeten ‘meer gaan ondernemen’.

C.R.: Heel wat publieke musea zijn inmiddels zélf ‘geprivatiseerd’ – het Stedelijk Museum Amsterdam is bijvoorbeeld een stichting geworden. Musea hanteren zoals eerder gezegd steeds vaker een economische logica: ze worden hoe langer hoe meer gerund als een bedrijf. Ze zijn naarstig op zoek naar manieren om te bezuinigen – jammer genoeg wordt vaak in de eerste plaats op onderzoeksconservatoren bespaard, terwijl onderzoek toch een wezenlijke opdracht is van de musea. Die bedrijfsmatige trend wordt onder meer ook geïllustreerd door het debat over ontzamelen dat sinds enkele jaren woedt. Dat debat draait in hoge mate om economische kwesties: moet je werken bijhouden die al decennialang niet meer de moeite waard werden bevonden om op zaal te hangen? Kan je ze dan niet beter verkopen? Depots kosten immers veel geld. Aan alles zit een prijskaartje, zo wordt er geredeneerd. Dat is trouwens ook de reden waarom musea almaar kritischer met schenkingen omgaan. Ze weigeren steeds vaker donaties of koppelen allerlei voorwaarden aan zo’n gift, waarbij ze vaak alleen maar in de krenten uit de aangeboden verzameling zijn geïnteresseerd. Een verzamelaar vindt het natuurlijk niet leuk dat enkel zijn ’topstukken’ worden afgeroomd en op dat moment wordt een eigen initiatief algauw een aantrekkelijker oplossing. Overigens is er bij Museum Boijmans ook een heel nieuw ‘businessmodel’ in de maak. Daar verrijst over een jaar het ‘Collectiegebouw’, dat enerzijds zal functioneren als een openbaar depot voor de museumcollectie, maar waar anderzijds particuliere verzamelaars expositiezalen en opslagruimtes zullen kunnen huren voor hun collectie, en gebruik kunnen maken van bijvoorbeeld wetenschappelijke kennis en restauratiefaciliteiten van het museum. Ik ben heel benieuwd of het museum op die manier veel meer – interessante –verzamelaars aan zich zal weten te binden.

D.P.: Misschien heeft de ‘privatisering’ van overheidsmusea daarbij ook inspirerend gewerkt? Verzamelaars zijn van nature ondernemers. Als ook musea zich als ondernemingen gaan gedragen, dan hoeft het niet te verbazen dat zij op het idee komen om op hun beurt een museum op te richten.

C.R.: Ja, wie weet.

D.P.: Alle Nederlandse verzamelaars kiezen voor het format van een volwaardig (privé)museum dat zich qua personeelsbezetting, programmatie, educatie, publieksbemiddeling en toegankelijkheid niet echt van de publieke musea onderscheidt.

F.K.: In Nederland is het aantrekkelijk om als museum erkend te worden. Als volwaardig museum kan je lid worden van de International Council of Museums (ICOM) en de Nederlandse museumvereniging. Opmerkelijk is bovendien dat de Vereniging Rembrandt, die zich ten doel stelt het nationale openbare kunstbezit te verrijken, ook particuliere musea ondersteunt bij aankopen.

C.R.: En je kan toetreden tot de pool van musea die toegankelijk zijn met een Nederlandse museumjaarkaart, waardoor je het grote museumpubliek over de vloer krijgt en allerlei geldstromen kan aanspreken.

D.P.: Voor de Belgische verzamelaars geldt kennelijk niet dat ze zich aan het klassieke museummodel spiegelen. Zij beginnen een stichting (Herbert Foundation, Verbeke Foundation) of een ‘kunstcentrum’ (Art Center Hugo Voeten), of ze openen simpelweg een pand waar de betreffende privécollectie kan worden bezocht (Collection Vanmoerkerke en VanhaerentsArtCollection). Geen van deze initiatieven houdt er een museale werking op na; hun openingsuren zijn dan ook (veel) beperkter.

J.D.: Veel hangt af van het specifieke verlangen van de collectioneur. Waarom verzamelt hij? Van Caldenborgh doet dat kennelijk – onder meer – omdat hij van een echt museum, een instituut voor de eeuwigheid droomt, net als mevrouw Kröller-Müller. Voor Mark Vanmoerkerke is dat totaal niet het geval. Mark verzamelt omdat hij door kunst gepassioneerd is en stelt de collectie open voor het publiek omdat hij het spannend vindt om erover van gedachten te wisselen en benieuwd is wat anderen erover zullen zeggen. Wat er later met de verzameling gebeurt, laat hij aan zijn kinderen over.

L.V.D.A.: Veelzeggend is ook de naam van die Vlaamse initiatieven: Collection Vanmoerkerke, VanhaerentsArtCollection, Art Center Hugo Voeten, Herbert Foundation en Verbeke Foundation. Er spreekt een groot engagement uit. De verzameling is hun initiatief, ze is op individuele gronden en met eigen middelen tot stand gekomen, en dat onderstrepen zij door hun collectie onder eigen naam open te stellen.

C.R.: In Nederland doen de privémusea dat de laatste jaren juist liever niet. Museum Voorlinden, Museum MORE, Museum Beelden aan Zee…: geen enkel van deze musea is naar de stichter genoemd.

L.V.D.A.: De Nederlandse verzamelaars willen duidelijk met de publieke musea concurreren. Dat interesseert hun Vlaamse tegenhangers totaal niet.

R.L.: Misschien kan je de verschillende keuzes van de Belgische en Nederlandse verzamelaars als volgt verklaren: in Nederland vormen de musea — zoals Joost al aangaf – een krachtig model om kunstbezit publiek te maken. Bijgevolg richten ook privéverzamelaars instituten op die zich qua programmatie of publiekswerking aan de Nederlandse kunstmusea spiegelen – een goed voorbeeld is Museum De Pont. Vlaanderen kent echter géén traditie van sterke overheidsmusea voor moderne en hedendaagse kunst. Je zou kunnen verwachten dat de Vlaamse verzamelaars op die situatie reageren door deze leemte op te vullen en zelf privémusea op te richten, maar kennelijk werkt het andersom: juist omdat de publieke musea in Vlaanderen geen krachtig model vormen, zijn ook de verzamelaars niet geneigd om een museaal voorstel te doen.

D.P.: In Nederland hebben verzamelaars tot vrij recent ook allianties met de overheid gesloten, met publieke musea als resultaat, en zijn er blijkbaar nog altijd verzamelaars te vinden – zoals de familie Sanders — die bereid zijn werk aan publieke musea te schenken. Deze traditie kennen we in België ternauwernood als het over moderne of hedendaagse kunst gaat.

J.D.: Het gegeven dat de overheid in België en Vlaanderen zich, anders dan in Nederland, nooit heeft bekommerd om de moderne en hedendaagse kunst zorgt voor wantrouwen. Je schenkt jouw collectie niet aan een overheid die geen belangstelling heeft voor kunst.

F.K.: Je moet wel oppassen om Nederland al te zeer te idealiseren. De Nederlandse museumdirecteuren hebben in de loop van de geschiedenis voortdurend slag moeten leveren tegen hun voogdijoverheid – denk aan de heroïsche schermutselingen tussen Willem Sandberg en de Amsterdamse gemeenteraad. Tekenend is ook het optreden van de Vereniging Rembrandt, die in 1883 door een groep particulieren werd opgericht en zich sterk wilde maken voor het kunstbezit in Nederland. Aanvankelijk was deze vriendenclub vooral actief op het terrein van de oude kunst, maar vanaf een bepaald moment ging zij zich ook met moderne kunst bezighouden. De Vereniging is vaak ingesprongen op momenten dat belangrijk artistiek erfgoed voor de openbare collecties in Nederland verloren dreigde te gaan. Dat dergelijke inspanningen nodig zijn, wijst erop dat de verhouding van de Nederlandse overheid met de kunstsector niet altijd een idylle is geweest.

J.D.: Je kan toch niet ontkennen dat er op dat vlak een verschil is tussen Nederland in België. Toen Victory Boogie Woogie, het laatste onafgewerkte schilderij van Piet Mondriaan, in 1997 op de markt kwam, heeft de Nederlandse overheid geen seconde getwijfeld: Nederland moest en zou dat werk kopen. In Vlaanderen hebben we een zogenaamd ’topstukkendecreet’ om te beletten dat roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijke waarde naar het buitenland verdwijnt, maar dat is een lachertje. Er staan zo weinig middelen tegenover dat men hooguit een fractie van het benodigde bedrag op tafel kan leggen als er morgen een Ensor naar het buitenland dreigt te verhuizen. De Victory Boogie Woogie van Mondriaan heeft veertig miljoen dollar gekost. De Nederlandse overheid heeft dat bedrag zonder verpinken op tafel gelegd.

F.K.: De aankoop van Victory Boogie Woogie is beslist niet van een leien dakje gegaan. De koop werd pas mogelijk gemaakt door een bijzondere gift van De Nederlandsche Bank, wat tot een fel debat in de Tweede Kamer heeft geleid. De recente aankoop van twee portretten van Rembrandt kreeg daarentegen meteen steun van politici, maar daar zit naar mijn gevoel ook een onfris kantje aan. Het sluit aan bij een nieuw fenomeen: de obsessie voor de Nederlandse identiteit, zoals die zich ook in de opkomst van het extreemrechts populisme in Nederland manifesteert.  

D.P.: Zijn er ook ontwikkelingen in de werking van de Belgische/Vlaamse musea die – zoals in Nederland — hun aantrekkelijkheid voor potentiële schenkers hebben verkleind?

L.V.D.A.: De meeste Vlaamse musea voor hedendaagse kunst kampen met plaatsgebrek waardoor de collectie amper te zien is. In een dergelijke situatie zijn schenkingen niet echt aantrekkelijk. Anderzijds zijn deze musea voor hun tijdelijke tentoonstellingen ook aangewezen op bruiklenen uit privécollecties, waarop meestal wel enthousiast wordt ingegaan.

F.K.: Er is in Nederland een omslag geweest van het almaar produceren van tentoonstellingen naar een herwaardering van de collectie. De leuze onder museumcollega’s luidt: ‘de collectie is ons kapitaal’. Het enige waarmee musea zich kunnen onderscheiden, zo is men steeds meer gaan beseffen, zijn hun collecties met hun enorme pedigree, hun talloze aanslibsels uit het verleden. Zo zijn er publieke musea die er prat op kunnen gaan dat ze nog stukken bezitten die aan een regent uit de zeventiende eeuw hebben toebehoord. Publieke collecties hebben een soort historische gelaagdheid die je bij een privécollectie niet terugvindt. Die rijkdom is typisch voor alle stedelijke musea, het Centraal Museum Utrecht, Museum de Lakenhal in Leiden, noem maar op.

D.P.: Het zinnetje ‘onze collectie is ons kapitaal’ zou ook bij musea als het S.M.A.K. opnieuw ingang moeten vinden.

J.D.: In het S.M.A.K. wisselen de tentoonstellingen elkaar in snel tempo af. Vaak zijn ze snel gemaakt en ze worden slechts zelden door onderbouwde catalogi begeleid. Het S.M.A.K. legt voorts, deels onder druk van de plaatselijke politiek, heel erg de nadruk op de verankering in de stad — denk aan de parcourstentoonstelling Track. Dat staat haaks op de opvatting van veel belangrijke collectioneurs, die juist tegen het lokale ingaan en een internationale visie huldigen. Tot slot moet je weten dat het S.M.A.K. sinds 1 januari 2014 – samen met het Museum voor Schone Kunsten en het Designmuseum – deel uitmaakt van een Autonoom Gemeentebedrijf, de AGB Kunsten en Design van de stad Gent. Sindsdien zetelen politici van de verschillende politieke partijen in de raad van bestuur van het S.M.A.K. Het museum wordt dus strikt genomen door politici en niet door deskundigen uit de kunstwereld bestuurd. Welke verzamelaar wil er nu kunstwerken aan politici schenken?

L.V.D.A.: Je hebt gelijk. Misschien willen sommige verzamelaars best aan het museum schenken, maar niet aan de stad. Anderzijds vraag ik me wel af of de musea zich voldoende inspanningen getroosten om de banden met verzamelaars aan te halen. Van de meesten hoor ik bijvoorbeeld dat er vanuit de museumwereld weinig belangstelling is voor hun initiatieven. Er verschijnen nauwelijks mensen uit de Belgische museumwereld op de openingen van hun collectiepresentaties, en dat vinden ze erg jammer.

D.P.: Laten we de private en de publieke collecties ook even inhoudelijk vergelijken, en naar de verschillen op dat vlak tussen Vlaanderen en Nederland kijken. De verzamelingen van sommige Nederlandse privémusea – ik denk met name aan Museum Voorlinden en Museum De Pont – vertonen opvallend veel verwantschappen met Nederlandse publieke collecties. Kunstenaars die in de Nederlandse publieke musea gretig worden verzameld of tentoongesteld – James Turrell of Roni Horn, om er slechts twee te noemen – kunnen vaak ook in de privémusea op aandacht rekenen. In België vertoont de verzameling van Herbert Foundation een zekere verwantschap met de collectie van het S.M.A.K.: belangrijke protagonisten van de zogenaamde arte povera, minimal en concept, of figuren van de jaren tachtig als Jean-Marc Bustamante, Reinhard Mucha, Thomas Schütte en Jan Vercruysse, zijn in beide verzamelingen vertegenwoordigd. Voor het overige zijn er echter nauwelijks raakpunten tussen de private en de publieke verzamelingen. In de collectie van Mark Vanmoerkerke kan je bijvoorbeeld een krachtlijn ontwaren die loopt van de kunst van de Amerikaanse westkust uit de jaren zestig en zeventig – met een opvallend accent op Edward Ruscha – naar de Amerikaanse kunstenaars van de zogenaamde Pictures Generation (Sherrie Levine, Cindy Sherman, Robert Longo…). Dat spoor – en die kunstenaars — vind je in de publieke collecties in België/Vlaanderen nauwelijks terug.

J.D.: De verzameling van Mark Vanmoerkerke vertoonde aanvankelijk een diffuus beeld en bestond uit een tweeduizendtal werken van zo’n honderdvijftig verschillende kunstenaars. Maar de laatste jaren is Mark zijn verzameling gaan uitkuisen tot er nog zes- à zevenhonderd werken van een vijftigtal kunstenaars overbleven. Dat uitzuiveringsproces is grotendeels een proces van canonisering geweest, waarbij de zonet aangehaalde krachtlijn werd gevolgd.

L.V.D.A.: Walter Vanhaerents vertrekt dan weer van de pop art en verzamelt onder andere de kunst van de jaren tachtig en negentig die als een uitloper van de pop art kan worden beschouwd. Ook daar is nauwelijks overlap met de Belgische museumcollecties.

J.D.: Maar je kan wel parallellen met heel wat buitenlandse musea trekken. Voor wat de jaren tachtig betreft, vind je de canon die het MoMA hanteert terug in de collectie van Mark Vanmoerkerke.

D.P.: Ook de collecties van Verbeke Foundation en Art Center Hugo Voeten vertonen nauwelijks linken met de Belgische museumwereld. Geert Verbeke verzamelt enerzijds hedendaagse kunst – veelal zogenaamde bio-art en kunst die gebruikmaakt van levende materialen – en anderzijds collages en assemblages uit de twintigste eeuw. Daarbij zit veel kunst die tot de ‘art brut’ of ‘outsider art’ wordt gerekend, maar ook collages van allerhande minder bekende kunstenaars uit de Belgische surrealistische traditie.

C.R.: Ja, een heel vreemde combinatie. Dat is nou eenmaal typisch voor een privéverzamelaar.

D.P.: Dat idiosyncratische heb je eveneens bij Hugo Voeten. Hij bezit werk van bekende Belgische kunstenaars, maar legt zich daarnaast heel erg toe op het verzamelen van moderne Bulgaarse kunst – zijn verzameling Bulgaarse kunst zou de grootste zijn buiten Bulgarije, zo klinkt het op de site. Daarnaast heeft hij onder meer een ensemble van meer dan dertig sculpturen van de Duitse (nazi)beeldhouwer Arno Breker verworven. Die collecties kan je niet alleen moeilijk met het Belgische museumlandschap, maar ook nauwelijks met een museale canon verbinden.

J.D.: Ik zie wel een verschil tussen Verbeke en Voeten. Geert Verbeke doet vanuit een eigenaardige kronkel heel interessante dingen. Bij Voeten stel ik daarentegen een nationalistische reflex vast die je thans op heel wat plekken terugvindt…

F.K.: Mij lijken die ‘idiosyncratische’ verzamelingen heel interessant. De andere Belgische collecties – Herbert, Vanhaerents en Vanmoerkerke — komen dan weer sterk museaal op mij over. Ze bevestigen een canon die je onder meer ook in de Nederlandse musea van moderne kunst, maar zeker ook elders te zien krijgt. Vanuit Vlaams perspectief tonen deze verzamelingen misschien wat de Vlaamse musea lieten liggen, maar vanuit Nederlands perspectief kijk je er helemaal anders naar: ze vormen een aardig geheel van gecanoniseerde museumkunst.

 

De publieke musea herdacht?

D.P.: Wat is het globale effect van de nieuwe privémusea, stichtingen of publiek gemaakte collecties op het veld van de beeldende kunst? Vormen ze een aanwinst? Kan die ontwikkeling ook perverse effecten hebben, bijvoorbeeld doordat publieke musea zich anders gaan gedragen?

J.D.: Ik zie het als een positieve evolutie. Misschien komt dat omdat ik uit een generatie kom waarin het bestaansrecht van kunst – met name in België – fundamenteel werd in vraag gesteld. Niemand was geïnteresseerd, de overheid niet en ook in de privésector was de interesse aanvankelijk heel beperkt. Slechts een handvol verzamelaars – onder wie Anton Herbert, Herman Daled, André Goeminne – bekommerden zich om hedendaagse kunst.

L.V.D.A.: Ik denk dat het landschap diverser wordt door die nieuwe initiatieven, maar ik pleit wel voor meer samenwerking en uitwisseling van knowhow en expertise. Er moeten meer bruggen geslagen worden tussen de private en publieke sector. Ik denk ook dat de private initiatieven voor klassieke musea een uitdaging vormen om hun mission statement en maatschappelijke relevantie beter in de verf te zetten. Daar moeten ze dringend werk van maken, zeker in Nederland waar de private musea zich enten op de klassieke musea, en dus ook subsidies aanvragen voor educatie en allerlei projecten.

C.R.: In Nederland vind ik de concurrentie uit private hoek niet slecht. Zo houden de musea elkaar wakker, denk ik.

F.K.: Toen De Pont openging, verscheen een kritisch stuk van Carel Blotkamp waarin hij betreurde dat de middelen achter dat initiatief niet naar een bestaand museum waren gegaan. Ik gaf in die jaren les op de academie in Tilburg en tot mijn verbazing stelde ik na een tijdje vast dat mijn studenten Robert Ryman niet meer kenden uit het Stedelijk, maar uit De Pont. De Pont had dus een belangrijke oriënterende functie voor kunstenaars in opleiding in de regio. Dat heeft mijn ogen geopend. Getuigt het niet van een soort Randstadarrogantie om zich smalend over dat Tilburgs museumpje uit te laten, ging ik me plots afvragen.

C.R.: Maar ik zou willen dat de musea meer hun eigen invalshoek hebben. Nu lijkt het allemaal te veel op elkaar. Ik zou meer verschillen willen zien.

F.K.: Dat gevoel heb ik ook. Er is een redelijke profilering, maar die zou nog wat scherper kunnen. De Pont schurkt wat mij betreft te dicht aan tegen de canon, of de Nederlandse consensus. Museum MORE en Beelden aan Zee vind ik dan weer een goede aanvulling. Ze bekleden een positie die iets toevoegt aan het veld. Het is bijvoorbeeld een verrijking dat Museum Beelden aan Zee rond sculptuur werkt.

D.P.: Maar vanuit een zeer beperkte versie. Het katholiek-humanistische mensbeeld dat aan de verzameling van Theo en Lida Scholten ten grondslag ligt, sluit bijvoorbeeld uit dat de belangrijkste tendensen in de sculptuur vanaf de jaren zestig kunnen worden gerepresenteerd.

F.K.: Dat vind ik ook een probleem, maar ik waardeer wel dat er voor een specifieke invalshoek wordt gekozen. Dat een heleboel sculptuur niet aan bod komt, neem ik er dan maar bij. Die vind je trouwens al in andere musea in Nederland.

C.R.: Het is wel grappig dat de huidige artistiek directeur van MORE, Ype Koopmans, die voordien in Arnhem conservator was, met zijn beleid in Gorssel hetzelfde probeert te realiseren wat hij eerst in Arnhem deed: via het begrip ‘modern realisme’ de omschrijving van de notie ‘realisme’ uitbreiden, ruimer interpreteren.

D.P.: Dat kan wel rampzalige gevolgen hebben. Tot 15 januari jongstleden liep er bijvoorbeeld een tentoonstelling van Isabella Werkhoven (°1969). Zij vertrekt van foto’s gemaakt met haar mobiele telefoon, die ze uitvergroot en op doek overbrengt. Je denkt echt dat je in een lokaal dienstencentrum terecht bent gekomen als je naar dat werk staat te kijken. In het Singer Museum te Laren vond overigens een verkoopstentoonstelling van een zekere Bob ten Hoope plaats, een lokale, pas overleden kunstenaar. Ook daar leek je in een achterafzaaltje te zijn beland.

F.K.: Maar worden alle tijdelijke tentoonstellingen in Museum MORE door Ype Koopmans bepaald? Ik heb ook wel eens een tentoonstelling in MORE gezien die onder de maat was, maar misschien heeft de stichter Hans Melchers daar een rol in gespeeld?

C.R.: Nee, dat is volgens mij niet zo.

J.D.: Wat ik aan Museum Voorlinden waardeer is de zorg die er besteed wordt aan de plek, de omgeving en de kwaliteit van het gebouw. Er is geen blusapparaat, geen signalisatie die afleidt van de beleving van kunst. Op dat vlak ken ik geen tweede museum in Nederland. Dat apprecieer ik trouwens ook aan Fondation Beyeler (Basel, CH), waar Voorlinden heel erg op geïnspireerd is – op architecturaal vlak misschien te nadrukkelijk.

D.P.: Ik vind het wel een beetje ironisch dat je naar Fondation Beyeler verwijst, Joost. Fondation Beyeler is een topmuseum dat zwaar investeert in onderzoek. In Museum Voorlinden merk ik daar niets van.

J.D.: Daar ga ik mee akkoord, maar ik waardeer de inspanningen die men zich heeft getroost om de ervaring van kunst te optimaliseren. Bij mijn weten is Museum Voorlinden een van de weinige musea waar alles gericht is op de geconcentreerde beleving van kunst. Men maakt komaf met de marktkramersattitude die in zoveel musea overheerst, waarbij alles draait om publieksbemiddeling en educatie. Ik heb het daar stilaan mee gehad. Ik wil geconcentreerd naar kunst kunnen kijken, zonder met educatieve uitleggerigheid te worden lastig gevallen.

D.P.: Toen ik er was slenterden in Museum Voorlinden ook bosjes mensen met gidsen rond. Er waren minstens evenveel bezoekers die mij met audiogidsjes voor de voeten liepen als in andere musea. Volgens mij draait de educatieve machine er op een even hoog toerental.

J.D.: Maar uit de conceptie van de architectuur, van het gebouw, spreekt een houding die exclusief gericht is op de kwalitatieve beleving van kunst. Dat waardeer ik ten zeerste.

D.P.: Je zou wel een paar merkwaardige paradoxen kunnen signaleren, op basis van observaties die eerder tijdens dit gesprek werden gemaakt. Van publieke musea zou je verwachten dat ze commerciële impulsen onderdrukken, maar nogal wat instellingen zijn tentoonstellingsmachines met een sterke publieksgerichtheid geworden. Van privé-initiatieven zou je daarentegen een commerciële ingesteldheid verwachten, maar soms vormen ze op dat vlak juist een uitzondering. De collectiepresentaties van Vanmoerkerke hebben een looptijd van een half jaar of meer, die van Vanhaerents duren zelfs meerdere jaren. Daardoor kan je telkens weer terugkeren en je blik op de getoonde kunst verdiepen. Van evenementialisering en publieksdrukte is geen sprake. De hangars van Vanmoerkerke en Vanhaerents vormen een oase waar je in alle rust kunstwerken kan contempleren.

F.K.: Ja, ook De Pont heeft zich – zeker in het begin – duidelijk gepositioneerd als een museum dat niet als een malle tentoonstellingsmachine doldraaide, maar waar een tentoonstelling vrij lang zou blijven staan. Het heeft zich ook duidelijk geprofileerd als een soort kloosterlijk oord van concentratie. 

D.P.: Een andere paradox doet zich op het vlak van onderzoek voor. Zoals gezegd bouwen steeds meer publieke instellingen hun onderzoeksfunctie af. Tegelijk profileren twee private initiatieven – Museum Beelden aan Zee en Herbert Foundation – zich expliciet als onderzoeksinstelling. De onderzoeksfunctie van Museum Beelden aan Zee is ondergebracht in het Sculptuur Instituut, dat in 2003 als aanvulling bij het museum werd opgericht en onderzoek doet naar moderne en hedendaagse internationale beeldhouwkunst.

C.R.: Er is ook een link met de universiteit: Jan Teeuwisse, de artistiek directeur van Beelden aan Zee, is hoogleraar aan de universiteit in Leiden, en dat is voor universiteit én museum een goede zaak.

J.D.: De banden tussen musea en universitaire wereld zouden aangehaald moeten worden, zeker in België.

D.P.: Herbert Foundation wil zich in de toekomst tot een onderzoekscentrum ontpoppen rond de kunst van de tweede helft van de twintigste eeuw, waarbij de nadruk vanzelfsprekend zal liggen op de kunst vanaf de jaren zestig die in de verzameling centraal staat. Twee initiatieven is niet veel, maar als je weet dat de onderzoeksfunctie bij de publieke musea onder druk staat, dan stelt zich misschien toch de vraag of het onderzoek in de Lage Landen niet naar de private sector verschuift.

J.D.: Dat is een bredere ontwikkeling. Veel van de research die ten grondslag ligt aan tentoonstellingen in het MoMA of Centre Pompidou wordt eveneens door de privésector gegenereerd. De research en kennis over Philip Guston is in handen van de Guston Foundation en van Hauser & Wirth. Ook op het vlak van onderzoek spelen musea niet meer mee.

F.K.: Dat geldt misschien voor het onderzoek naar bepaalde kunstenaars.

C.R.: Ik ben wel bang dat de musea hun kennisfunctie overboord gooien. Dat gevaar is alleen maar groter geworden sinds ze verzelfstandigd zijn.

F.K.: Ze bezuinigen allereerst op onderzoek… 

C.R.: …en gooien een pak conservatoren eruit.

F.K.: Dat is een punt van zorg, zeker in Nederland. Tegelijk denk ik niet dat het zo’n vaart zal lopen. Het klopt weliswaar dat musea zich afsloven om hun publieksbereik te vergroten, maar de meeste onder hen huldigen wel degelijk nog de taakopvatting dat een museum ernstig onderzoek dient te verrichten en degelijke publicaties moet realiseren. Alleen zijn niet alle musea daarvoor toegerust. Het Van Gogh Museum en het Rijksmuseum hebben de meeste armslag en kunnen dus een solide team onderzoeksconservatoren tewerkstellen. Andere musea – zoals het Stedelijk – kampen voortdurend met geld- en personeelstekort om hun onderzoekstaken waar te nemen. Ook is het helaas een trend van de laatste decennia om voor wetenschappelijke publicaties mensen van buiten in te huren.

J.D.: Dat is niet noodzakelijk negatief – zolang het onderzoek maar gebeurt.

D.P.: Hoe moeten de musea op de nieuwe situatie van verschuivende krachtsverhoudingen en toenemende privatisering reageren?

J.D.: Ik hoop dat ze het wantrouwen ten aanzien van de privésector laten varen. Als je kijkt hoeveel compleet vergeten kunstenaars door de Gagosians, de Zwirners, de Hauser & Wirths in het verleden zijn opgevist, bestudeerd en terug in de markt gezet… De musea zouden het werk dat de private sector doet meer moeten waarderen en hen als een mogelijke samenwerkingspartner moeten zien, die hetzelfde werk doet als zij.

F.K.: Anderzijds ben ik wel argwanend als een private actor als Galerie Zwirner onderzoek publiceert. Helemaal belangeloos is dat natuurlijk ook niet. Als zij een monografie over een kunstenaar publiceren, dan zijn daar ook forse economische belangen mee gemoeid, ben ik geneigd te denken.

J.D.: Absoluut, maar dat hoeft niet negatief te zijn. Veel musea zouden er voorts goed aan doen om zich van een instituut dat verzamelt tot een kenniscentrum om te scholen.

R.L.: Je zou ook kunnen zeggen — het is een gewaagde hypothese – dat musea dat voor een stuk al aan het doen zijn door zich steeds meer als een publieke agora te manifesteren, en het debat óver het kunstwerk, de kennis- of reflectiefunctie centraal te stellen, deels los van het materiële kunstwerk of van de inhoud van de collectie. Misschien is men zich bij de musea al de vraag gaan stellen wat men nog kan tonen of aankopen, nu een aantal private spelers zoveel machtiger zijn geworden, en is men zijn institutionele functie al aan het herdenken. 

J.D.: Misschien moeten de musea gewoonweg stoppen met het verzamelen van kunst. Musea zijn in het verleden niet altijd de beste verzamelaars geweest – hun aankopen komen al te vaak uit compromissen voort – en nu ze steeds meer achterophinken bij de privésector wordt het hoog tijd dat ze hun activiteiten grondig herbekijken. Ik zou in dat verband een onderscheid willen voorstellen tussen l’objet de connaissance en l’objet de valeur. Het objet de valeur – het kunstwerk dat men bezit en dat een (geld)waarde vertegenwoordigt, die eventueel kan stijgen en in klinkende munt kan worden omgezet – kan men beter aan de privésector overlaten. Zelf zouden de publieke kunstmusea zich voluit moeten concentreren op het objet de connaissance – het kunstvoorwerp dat men bestudeert en waardeert omwille van de kennis die het oplevert. Moeten zij dat kunstwerk dan nog bezitten? Niet noodzakelijk. Maar het moet voor de publieke instellingen beschikbaar zijn, zodat zij ermee kunnen werken.

 

Transcriptie: Wim Lievens

Redactie: Rudi Laermans & Dirk Pültau

 

Van neoliberalisme naar nieuwe vormen van politieke gemeenschappelijkheid

Dat we in neoliberale tijden leven is geen nieuws. Maar wat houdt dit precies in voor de wijze waarop aan politiek wordt gedaan, voor het bestuur van gesubsidieerde sectoren als de zorg, het onderwijs of de kunsten, of voor de manier waarop burgers worden aangesproken? Wat kan de politiek nog betekenen binnen een context waarin de notie van algemeen belang steeds verder lijkt te eroderen ten gevolge van privatiseringen of de eis van ‘een marktconforme werking’? Krijgt ‘het algemene’ of ‘het gemeenschappelijke’ in het kielzog van deze ontwikkelingen niet ook een meer gediversifieerd karakter? Winnen niet-representatieve vormen van handelen die zijn verbonden met oude en nieuwe ‘commons’, gaande van gemeenschappelijke stadstuinen tot energiecoöperatieven, niet hoe langer hoe meer aan belang tegenover het klassieke niveau van de nationale staat? Over deze vragen praten we met Thomas Decreus, Tine Hens, Jan Masschelein en Willem Schinkel.

Thomas Decreus doctoreerde in de filosofie op een proefschrift over politieke representatiemechanismen en werkt momenteel als journalist voor dewereldmorgen.be. Zijn proefschrift inspireerde ten dele zijn boek Een paradijs waait uit de storm. Over markt, democratie en verzet (2013). Recent publiceerde hij samen met Christophe Callewaert Dit is morgen (2016), waarin mogelijke recepten om onze samenleving uit de impasse te halen worden besproken. Tine Hens is historica en werkte als freelancejournaliste onder meer voor De Standaard, Humo en Knack. In 2014 trok ze door Europa om de vele praktijken te documenteren die zijn gericht op een andere economie, een die niet langer groei als alleenzaligmakende maatstaf heeft. Dat resulteerde in het boek Het klein verzet: de wereld na het kapitalisme (2015). Jan Masschelein is hoogleraar wijsgerige pedagogiek aan de KU Leuven, waar hij het Laboratorium voor Educatie en Samenleving leidt. Hij publiceerde talrijke artikelen en boeken waarin hij, samen met Maarten Simons, de huidige ontwikkelingen in het onderwijs kritisch onder de loep neemt, waaronder De schaduwzijde van onze welwillendheid. Kritische studies van de pedagogische actualiteit (2008), Apologie van de school: een publieke zaak (2012) en Wat als we nu verkeerd zijn? Klein pleidooi om de universiteit opnieuw uit te vinden (midden 2017). Willem Schinkel is bijzonder hoogleraar sociale theorie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Naast meer theoretisch georiënteerde publicaties komt hij regelmatig kritisch tussen in het debat over immigranten en de democratie, getuige onder meer zijn boeken De nieuwe democratie: naar andere vormen van politiek (2012) en Imagined Societies: A Critique of Immigrant Integration in Western Europe (2017).

 

Rudi Laermans: Als het over privatisering of ‘de terugtrekkende overheid’ in de zorgsector of het cultuurbeleid gaat, duikt al snel de notie van neoliberalisme op. Is dat een bruikbaar begrip en, zo ja, wat moeten we daar juist onder verstaan? Wat maakt zoal de kern uit van neoliberaal bestuur en wat zijn er veelzeggende uitingen van?

Tine Hens: Het neoliberalisme doet alsof er geen ideologie is, terwijl we eigenlijk binnen een heel strikt ideologisch kader leven. Zoals Michael Sandel mooi schetst in Niet alles is te koop wordt de markt als een waardevrij systeem voorgesteld en geldt het vrijemarktdenken als de logica zelve. Nochtans klopt het voor heel veel sectoren gewoon niet dat alleen marktefficiëntie de doorslag kan of moet geven. Het neoliberalisme negeert bijvoorbeeld boudweg het belang van het morele denken of de ethische dimensie.

Thomas Decreus: Ook voor mij heeft het woord neoliberalisme, dat ondertussen een containerbegrip is geworden, vooral te maken met een specifieke ideologie rond de vrije markt: het idee dat de vrije markt de beste manier is om een samenleving te ordenen en dat zij daarom binnen zoveel mogelijk domeinen ingang moet vinden. Terwijl een vrije markt op zich niet bestaat. Elke zogezegd vrije markt wordt immers altijd ook politiek gestructureerd. Daarnaast verbind ik neoliberalisme met de privatisering van het publieke. Het neoliberale discours wordt dominant vanaf de jaren tachtig, met Margaret Thatcher en Ronald Reagan, en hun beleid heeft in veel sectoren geleid tot privatiseringen. Daarmee continueerden zij een strategie die al eigen was aan het kapitalisme, namelijk de enclosure of the commons. Het neoliberalisme is dus geen historische uitzondering en was in wezen een reactie op de naoorlogse welvaartsstaat, die via het publieke domein bepaalde commons of vormen van solidariteit heeft kunnen vrijwaren. Misschien is dat wel belangrijker en gaat het dus niet zozeer om marktdominantie als zodanig, maar om de privatisering van het publieke, en daardoor ook om een depolitisering en een de-democratisering van vele sociale domeinen.

T.H.: In de documentaire Requiem for an American Dream maakt Noam Chomsky een vergelijkbare analyse. Je had na de Tweede Wereldoorlog een grote consensus, van onderuit ontwikkeld door de vakbonden, over de wenselijkheid om via de verzorgingsstaat een vorm van solidariteit te organiseren tussen de meer en de minder welstellenden. Daar werd een sterke democratiseringsgedachte aan gekoppeld, bijvoorbeeld inzake het onderwijs. Wat tijdens de jaren zeventig en tachtig heeft plaatsgevonden, noemt Chomsky the great backlash. Net na de Tweede Wereldoorlog had het neoliberalisme geen kans, maar blijkbaar heeft het die tijdens de crisisjaren gegrepen. Het is heel belangrijk om te bestuderen hoe dat juist is gebeurd, want dat kan ons iets leren over hoe je het ideologische tij kan keren.

Jan Masschelein: Ik hanteer een beperktere invalshoek en vertrek van Michel Foucaults analyse van wat hij zelf het geavanceerde liberalisme noemt, dat hij beschrijft als een specifieke vorm van bestuurlijkheid. Ik interesseer mij vooral voor de context van het onderwijs, en ook wel die van het onderzoek, aangezien beide domeinen binnen de universiteit op welbepaalde manieren samenkomen. Eigen aan het geavanceerde liberalisme is een ‘economisering’ van het discours. Doorslaggevend is dat het denken en spreken over onszelf en over ons handelen, evenals over de instrumenten die we daarvoor ontwikkelen, in economische termen wordt opgevat. In de context van het onderwijs wordt bijvoorbeeld voortdurend in termen van investering of meerwaarde gesproken. Die laatste uitdrukking valt niet te reduceren tot een strikte notie van winst of functionaliteit, maar sluit wel per definitie de idee van verlies uit. Tijdverlies kan bijvoorbeeld niet, alle tijd – ook de tijd die je bijvoorbeeld besteedt aan kunst – moet ‘een meerwaarde hebben’, en dus in zekere zin productief zijn. Alles wordt een soort van kapitaal: we spreken over sociaal kapitaal, menselijk kapitaal… Deze kapitalisering is wellicht bijna niet denkbaar zonder een vorm van toe-eigening, en dus van privatisering. Maar ik weet niet of al deze processen allemaal onder één noemer kunnen worden gebracht. Het interessante aan benaderingen à la Foucault is precies dat ze de wereld in haar meervoudigheid tonen, als een amalgaam van uiteenlopende processen. Op bepaalde momenten kunnen die in elkaar grijpen en een zekere stabiliteit tot stand brengen, maar dat betekent niet dat je ze kan toeschrijven aan één overkoepelende logica. Terwijl het spreken over neoliberalisme juist heel vaak een eenheid in de gemaakte analyses suggereert.

T.H.: Het klopt dat uitdrukkingen als return on investment zich al helemaal in ons hoofd hebben genesteld, terwijl ze eigenlijk uit het bedrijfsleven komen. We zijn allemaal aangetast door een ideologie die nooit als zodanig benoemd wordt, maar als een soort van neutrale logica geldt: ‘Het is toch evident dat onderwijs moet opbrengen.’ Dat maakt het zo moeilijk om naar alternatieven uit te kijken.

J.M.: Ik heb wel een probleem met het woord ideologie. Het suggereert een vorm van vals bewustzijn, een foute voorstelling van de realiteit. Terwijl voor mij de manier waarop we naar onszelf kijken, of naar de dingen die we doen, in de eerste plaats verbonden is met een specifieke taal of discours, waarmee tevens bepaalde instrumenten of technologieën overeenstemmen om bijvoorbeeld met jezelf of met studenten om te gaan.

T.D.: Je vertrekt nu wel vanuit een heel klassieke interpretatie van het ideologiebegrip… Mijn probleem met Foucault is dat de politiek in zijn analyses soms verdwijnt en dat het enkel nog over machtstechnieken gaat, die ontstaan zonder een koppeling met politieke macht of met politieke subjecten zoals een partij. Terwijl het neoliberalisme duidelijk ook een politiek verhaal is. Die ideologie is op een bepaald moment ontstaan. Via denktanks en departementen economie zijn er netwerken gecreëerd met het oog op ideologische hegemonie. Als in de jaren zeventig een economische crisis uitbreekt en de welvaartsstaat in het slop raakt, hebben de neoliberalen een gedetailleerd recept klaarliggen.

Willem Schinkel: Ik denk dat de politieke dimensie ook wel te vinden is bij Foucault. Uiteindelijk gaat het bij bestuurlijkheid om een manier van besturen van het zelf, de ander én de staat. Het neoliberalisme kalibreert het zelf als een soort van ondernemer en verwerpt tegelijk de klassieke liberale idee dat de staat zo klein mogelijk moet zijn. Bijgevolg is er vandaag niet per se sprake van een terugtrekking van de overheid, maar van een herijking van de staat. De staat creëert en bewaakt de voorwaarden van een vrije markt en oefent meer of minder repressie uit op mensen die niet voldoen aan het ideaalbeeld van de neoliberale burger. Overigens mag je niet vergeten dat ook links op dat vlak de neoliberale kar mee heeft getrokken, al dan niet onder de vlag van ‘de derde weg’. Het neoliberale project wil juist het traditionele links-rechtsonderscheid omploegen, precies omdat het een depolitiserende inslag heeft. Het zegt dat er geen fundamenteel alternatief is, en dus dat ‘ideologie niet echt meer nodig’ is. Vandaar de door iedereen gedeelde vanzelfsprekendheid dat politiek gaat over het technocratisch oplossen van problemen.

R.L.: Hoe zie jij dat neoliberalisme dan doorwerken op het individuele niveau?

W.S.: Daar heb je heel sterk de idee dat we onszelf dienen te beschouwen als een project dat zich moet ontwikkelen en waarin we inderdaad behoren te investeren. Maar anderzijds is dat een bestuur via vrijheid, wat cruciaal is voor het neoliberalisme. Inhoudelijk is het neoliberale subject volledig leeg en klaar om met allerlei momentane substanties te worden opgevuld, door consumptie of wat dan ook. Het gaat om een permanent flexibel subject dat iedere keer weer iets anders moet kunnen of zijn. Je moet bijvoorbeeld een leven lang leren; je kunt niet vier jaar naar de universiteit gaan en het dan allemaal weten.

T.D.: Maar die marktgerichtheid blijft toch ook cruciaal, waardoor het neoliberalisme depolitisering met de-democratisering combineert. Je observeert in het politieke spreken vaak een verschuiving van het principe van volkssoevereiniteit naar wat je bijna een vorm van marktsoevereiniteit zou kunnen noemen. Soms gebeurt dat heel expliciet: ‘We weten dat de meeste mensen dit niet willen, maar de markten dwingen ons tot deze maatregelen.’ Dat is de-democratisering, een uitschakeling van het democratische discours. In de manier waarop Griekenland door Europa werd behandeld, gebeurde dat voortdurend, maar de hele Europese bezuinigingspolitiek baadt in deze sfeer, wat een enorm probleem is.

W.S.: Angela Merkel spreekt van de ‘marktconforme democratie’, dat zegt alles. De socioloog Wolfgang Streeck heeft het in dit verband over het verschil tussen het staatsvolk en het marktvolk. Dat het primaat bij het tweede is komen te liggen, heeft veel te maken met de daadwerkelijke binding door schuld, die maakt dat mensen moeilijk in verzet komen. Bij publieke schuld zie je dan weer hoe sterk de veronderstelling geldt dat al het geld in principe privaat is. Daarom moet geld dat aan publieke instellingen, kunst of wetenschap wordt besteed, naar de private sector terugkeren, uiteraard met een meerwaarde, een ‘rente’. Dat is een heel bizar idee omdat al het geld uiteindelijk publiek is. De lender of last resort is immers een publieke autoriteit die de waarde van geld garandeert. In de manier waarop thans geld wordt gecreëerd, werkt de premisse dat geld ‘privaat’ is niet louter discursief, maar ook feitelijk door. Thans creëren banken geld via private schulden: ze wachten niet tot ze geld binnenkrijgen om dat dan uit te lenen. Telkens iemand een lening krijgt, wordt er dus geld gecreëerd. Tegelijkertijd vindt er zogeheten quantitative easing plaats: de ECB en de FED in Amerika pompen miljarden euro’s en dollars in de banken. Dat geld wordt publiek gecreëerd, maar omdat het naar de banken gaat, precies in de hoop dat het uitgeleend wordt, volgt meteen een vertaalslag richting private schuld. Daardoor zullen banken straks te grote schulden hebben, zodat weer met publiek geld moet worden tussengekomen. De noties van publiek en privaat lopen hier dus volstrekt door elkaar. De definitie van geld of van schuld is een soort amalgaam van publiek en privaat.

T.D.: Een vraag die ik mezelf vaak stel, is of we nog wel in neoliberale tijden leven. Met iemand als Trump krijg je een openlijke vorm van crony capitalism waarin kapitaal en politiek sterk met elkaar verweven zijn. Of neem de enorme machtsconcentratie qua data of kennis bij spelers als Google, Amazon…

W.S.: Als het bij neoliberalisme om een concentratie van klassemacht gaat, dan is het juist niet voorbij. Hetzelfde als je het definieert in termen van een steeds verdere monetarisering van het dagelijks leven. Wie een smartphone bezit, verricht de hele tijd gratis arbeid door data aan te leveren.

T.D.: Akkoord, maar tegelijk nemen de grote wereldspelers niet eens meer de moeite om te verbergen dat hun monopoliepositie niets met een vrije markt heeft te maken of dat ze nationale overheden kunnen dwingen om belastingvoordelen te verlenen.

 

Solidariteit

R.L.: De basisidee waarop Willem lijkt te zinspelen is dat we meer en meer neigen naar een de-differentiatie van politiek en economie. Enerzijds krijg je daardoor de bekende draaideurpolitiek, waarbij ex-politici het zakenleven ingaan en datzelfde zakenleven via ex-lobbyisten of kabinetsleden een sterke greep op overheden heeft; anderzijds leveren global players als Google of Facebook in het digitale tijdperk diensten die je binnen een klassiek perspectief als publiek zou beschouwen, maar die nu volledig geprivatiseerd zijn. Dat je bijvoorbeeld op een gestructureerde manier informatie bij elkaar moet kunnen surfen, is in digitale tijden een algemeen belang — maar het is dus Google dat deze dienst wereldwijd op private basis verleent.

T.D.: Die bedrijven zijn tegelijk een mooi voorbeeld van de hedendaagse enclosure of the commons. Eigenlijk krijg je een volledige privatisering van menselijke communicatie. Bedrijven eigenen zich letterlijk alle data toe die je produceert, om ze vervolgens te verhandelen. We staren ons daarbij te veel blind op Facebook of Twitter, want het ware gevecht vindt plaats in de industriële context. Er worden bijvoorbeeld veel digitale platformen gecreëerd binnen bedrijven, maar door wie worden die vandaag vooral aangeleverd? Door Amazon. De data op die platformen vloeien bovendien terug naar bedrijven als Amazon, wat voor een enorme monopolievorming zorgt. Het blijft neoliberalisme, maar met een nieuwe enclosure-beweging erbovenop.

W.S.: Enclosure is eigenlijk een dubbele term. Omwille van de monetarisering van participatie werpen Facebook en Google juist géén barrières op. Ze bewerkstelligen enclosure net via openness.

J.M.: Ik begrijp die monetarisering, althans binnen het onderwijs, zoals gezegd ook als een soort kapitalisering, in de brede betekenis van het woord. Niet alleen wordt alles kapitaal in de letterlijke zin dat je er geld mee kan verdienen. We denken ook over onszelf en over wat we doen in termen van een kapitaal dat op een of andere manier een soort meerwaarde tot stand moet brengen. En dat is toch niet enkel een gevolg van een machtsgreep door één groep, maar hangt samen met heel verschillende logica’s en discours. Je kan het bijvoorbeeld niet los zien van het discours dat allerlei alternatieve bewegingen tijdens de jaren zeventig hebben ontwikkeld over persoonlijke ontplooiing, authenticiteit, creativiteit… Die termen pasten toen binnen een contestatie, maar werden ondertussen gemeengoed en hebben tegelijk een andere betekenis gekregen. Dat kan je niet op het conto schrijven van één machtige groep. Naast de economie heeft bijvoorbeeld de psychologie in deze ontwikkeling een grotere rol gespeeld dan vaak wordt gedacht.

T.D.: Daar kan je toch ook een meer economisch verhaal over vertellen, zoals binnen het Italiaanse autonoom marxisme gebeurt. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig kwam er steeds meer kritiek op het fordistische model, waarbinnen arbeid gebaseerd is op discipline, het onderdrukken van het individu, het onder controle houden van communicatie. De groep die daartegen rebelleerde, zeg maar die van Mei ’68, werd de avant-garde van een nieuw type van postfordistisch kapitalisme, met een nieuw arbeidsethos dat draait rond flexibiliteit, communicatie, zelfontplooiing door arbeid… De vroegere onderdrukking van de individualiteit heeft plaatsgemaakt voor een bijna totale mobilisatie van de persoonlijkheid in het arbeidsproces.

W.S.: Dat individualiserende discours en de bijhorende noties van creativiteit en dergelijke zijn volgens mij gekoppeld aan de druk op de publieke uitgaven van overheden die tijdens de jaren zeventig is ontstaan. Onder meer de teruglopende belastinginkomsten zorgden ervoor dat publieke gelden onder druk kwamen te staan, wat resulteerde in meer accounting van overheidsuitgaven binnen de wetenschap, de kunst, de zorgsector… En accounting heeft uiteindelijk kleinste eenheden nodig die liefst telbaar zijn. Daarom wordt het onderwijs van mijn kinderen in termen van individuele skills gedefinieerd, die bij elkaar opgeteld een opleiding vormen. Tegelijk is die benadering direct gekoppeld aan het al genoemde ‘besturen door vrijheid’. Jij bent verantwoordelijk of accountable voor de skills die je verwerft in de loop van je individuele onderwijstraject.

T.D.: Die individualisering was en is ten dele ook een bewuste machtsstrategie. Op de werkvloer zie je een complete fragmentering of versplintering van het arbeidsproces, waarbij individuen tegen elkaar worden uitgespeeld als concurrenten, wat een disciplinerend effect heeft. Dat speelt niet enkel binnen de zogeheten creatieve economie. Bij de grote bedrijven in de Antwerpse haven bijvoorbeeld werkt eveneens een substantieel aantal mensen als freelancers. In de jaren vijftig of zestig creëerde de doorsneefabriekssituatie een solidaire gemeenschap met een zekere machtspositie. Binnen het thans dominant wordende model van freelancearbeid heb je daarentegen individuele micro-ondernemingen die met elkaar concurreren en elkaar zo in een houdgreep houden. In combinatie met het proces van globalisering kunnen we ons daardoor nog maar moeilijk vormen van gemeenschappelijkheid inbeelden. Hedendaagse protestbewegingen als Occupy proberen met vallen en opstaan – en vooral vallen – nieuwe manieren van gemeenschappelijkheid te creëren. Mensen komen samen op een plein en pogen een soort van demos te scheppen die we eigenlijk verloren zijn, en die dan ook weer snel versplintert.

T.H.: Het interessante daaraan is de fysieke rol van de plek, naar analogie met de arbeidsplek of de wijk. In een recent onderzoek gaat DieGem (Diversiteit en Gemeenschapsvorming) na hoe we solidariteit kunnen herdefiniëren. De onderzoekers zijn op zoek gegaan naar de kleinst mogelijke vormen van solidariteit en kwamen uit bij gemeenschappelijke plekken, gaande van de arbeidsvloer en de wijk – nog altijd – tot een woongemeenschap. Solidariteit of de idee van gemeenschappelijk belang moet je van daaruit opbouwen, gekoppeld aan de idee van de natiestaat als herverdelend solidariteitsmechanisme. Vanuit een plek die gemeenschappelijk is, komen ook gemeenschappelijke verlangens, gemeenschappelijke eisen naar boven. Dat gaat gepaard met discussie en zo deels ook met het heruitvinden van wat democratie is, namelijk in dialoog gaan met elkaar en met mensen die anders denken dan jezelf.

W.S.: Ik ga even vervelend zijn. Jij zegt dat gemeenschappen binnen het kapitalisme versplinteren, wat een traditioneel verhaal is. En je stelt ook dat we meer moeten communiceren. Maar dat is eveneens een heel kapitalistisch verhaal.

T.H.: Nee, ik zeg dat we naar nieuwe manieren van gemeenschappelijkheid of solidariteit moeten zoeken en dat het bij het afbakenen van het algemeen belang belangrijk is om te praten met mensen die niet zoals wij zijn. Vandaar het belang van de publieke ruimte in een stad.

W.S.: Ja, maar dan gaat het ook over uiteenlopende schaalniveaus. Er bestaat een verschil tussen het publieke belang en de publieke ruimte in een stad. Publiek belang is in een massamaatschappij tamelijk anoniem, wat ik eigenlijk wel prima vind. Ik hoef echt niet met iedereen een gesprek te hebben als we met vijftien of twintig miljoen mensen samenleven. We moeten daarom het publieke belang zo kunnen definiëren en organiseren dat onze solidariteit via anonimiteit vorm krijgt. Dat hebben we ook een tijdlang gedaan en dat ging best goed. En daarbij hadden we niet eerst gemeenschappen die vervolgens verloren gingen. Je moet veeleer kijken naar de verschillende kapitalistische regulatieregimes. Dan zie je dat de eerdere arbeidersgemeenschappen een effect waren van een bepaalde productievorm en tot op zekere hoogte nuttig waren voor het toenmalige fordistisch kapitalisme. Het huidige kapitalisme stoelt veeleer op de kapitalisering van individuele waarden rond creativiteit.

T.H.: Het valt mij wel op dat we zo sterk vanuit de natiestaat blijven denken als het over solidariteit gaat. Dat kan je toch in vraag stellen, ook al omdat de natiestaat een jong begrip is.

R.L.: Die natiestaat heeft aan het kapitalisme wel een georganiseerde vorm gegeven en ze heeft de anonieme solidariteit die Willem aanhaalt via een hele reeks – inderdaad vaak corporatistische – mechanismen geïnstitutionaliseerd, wat zijn voorgaande niet heeft gekend in de wereldgeschiedenis.

W.S.: Ja, en evengoed heeft de natiestaat zonder voorgaande op grote schaal de democratie gelegitimeerd.

T.D.: Die sociale en politieke evenwichten binnen de natiestaat hadden ook te maken met globale machtsverhoudingen en niet enkel met de natiestaat op zich. Je had een relatief gesloten intraraciale economie, er was bijvoorbeeld een ijzeren gordijn… Thans is de natiestaat veeleer een manier om globale ongelijkheden in stand te houden. We kennen allemaal de vluchtelingenproblematiek, de problematiek van grenzen. Ergens zouden we dus wel afstand moeten nemen van het idee van een afgegrensde natiestaat met een min of meer homogene cultuur.

W.S.: Het nationalisme was tijdens de negentiende eeuw wel een extreem internationaal en ontzettend creatief fenomeen. Het riep immers iets in het leven wat helemaal niet bestond. In 1850 sprak bijvoorbeeld tachtig procent van de Fransen geen Frans; het Franse nationalisme moest dus enorm veel werk verzetten. Dat deed het op erg gewelddadige wijze, maar ergens blijft het ook inspirerend. Nationalisme is een vorm van solidariteit waarvan de successen niet zomaar weggegooid moeten worden met de nare kanten ervan. De gecreëerde solidariteit was exclusief, en toch kan ze als voorbeeld dienen om opnieuw solidariteit tot stand te brengen. Het is belangrijk om ons het nationalisme toe te eigenen en het niet helemaal aan rechts over te laten.

R.L.: Het succes van het nationalisme hangt ook samen met het feit dat het erin geslaagd is om voormoderne vormen van solidariteit, in het bijzonder familiale, te integreren. Ik ben solidair binnen de natiestaat omdat ik via bijdragen het pensioen van mijn vader mee betaal. En mijn vader heeft ervoor gezorgd dat ik onderwijs kon volgen. Binnen het kader van de natiestaat lopen dus vormen van micro- en macrosolidariteit, en ook van voormoderne en moderne solidariteit, door elkaar.

T.H.: Die solidariteitsmechanismen zijn niet inherent aan de natiestaat. Bismarck heeft ze in Duitsland voornamelijk na druk van onderuit ingevoerd. Het is altijd ook een gevecht om rechten geweest, bijvoorbeeld om de afschaffing van het cijnskiesrecht, om de uitbreiding van het zogezegd algemeen stemrecht naar vrouwen, om de definiëring van sociale rechten… Het is dus niet zo dat de natiestaat als het ware vanzelf en op natuurlijke wijze de behoeder is van alle rechten. En thans weten we ook dat het in stand houden en blijven voeden van de sociale verzorgingsstaat verbonden is met de idee van permanente economische groei, terwijl je dat onmogelijk vol kan houden. Ook dat is een crisis waar we nu mee worden geconfronteerd: die economische groei kan niet eeuwig blijven duren, want ze gaat gepaard met een ecologische kost die tot nu nooit in rekening is gebracht.

T.D.: Een ander onderbelicht aspect is het verband tussen het ontstaan van het industrieel kapitalisme, de enclosures of the commons en het beperken van de bewegingsvrijheid van mensen binnen het kader van de natiestaat. Sommige mensen mogen zich vrij bewegen, anderen zijn aan grenzen gebonden. In die zin heeft de natiestaat ook een bijzonder donkere kant: soevereine machtsuitoefening is altijd gepaard gegaan met zware vormen van uitsluiting en onderdrukking.

W.S.: Klopt, maar we zitten nu eenmaal met natiestaten en hun potentieel, dat thans politiek is bezet. Het blijft ontzettend belangrijk om dat niveau van de natiestaat terug te pakken, waarbij we ook gebruik dienen te maken van de solidariteit die de natiestaat, met al haar nare effecten, juist mogelijk heeft gemaakt. Het is ook dé les van het populisme. Het enige wat populisten bindt, is dat nationalisme. Dat zorgt blijkbaar voor een affect waar mensen nog de straat voor willen opgaan of waarvoor ze nog op een andere partij willen gaan stemmen. Het nationalisme leeft overal, alleen wordt het nu voornamelijk regressief en reactionair ingevuld. Terwijl het wel degelijk de potentie van een andere politiek inhoudt. De natiestaat is voorts belangrijk omdat je een hoger schaalniveau nodig hebt. Ik heb heel veel sympathie voor bottom-updemocratie in allerlei vormen, maar zodra je met meer dan enkele honderdduizenden mensen bent, volstaat dat niet meer. We moeten het niveau van de natiestaat dus terug claimen van het populisme en van de neoliberale kaste die het thans bezet. De natiestaat blijft onze beste ingang als we het publieke belang willen definiëren op een manier die sterk genoeg kan zijn om met anonimiteit om te gaan.

R.L.: In elk geval lijkt het mij dat je een ‘wij’ dient af te lijnen waarvoor een overheid werkt, zo niet wordt het moeilijk om het publieke belang of het algemene karakter van die overheid, of van instellingen die werken met overheidsgeld, te definiëren.

 

Gedeelde grond

J.M.: Gewoon een vraag vanuit het onderwijs en het onderzoek: wie is het ‘wij’ waar de universiteit zich op richt? Kan je dat ook verbinden met een soort van nationaal project?

R.L.: Dat is ook de centrale vraag in de discussie over de verengelsing van het hoger onderwijs die in Vlaanderen af en toe de kop opsteekt. Vlaams-nationalisten zijn daar koele minnaars van, waardoor de verengelsing bijlange niet zo ver staat als in Nederland. Zelf kan ik er overigens niet omheen dat ik voornamelijk aan Vlamingen lesgeef, al zal dat in de computer- of ingenieurswetenschappen misschien anders liggen.

J.M.: Maar je zou juist kunnen zeggen, in de lijn van wat Willem net zei over de constructie van de Franse natie via de taal, dat wij aan de universiteiten een nieuw soort Engels aan het maken zijn. Wij spreken geen native English, maar iets dat we samen construeren en waarmee misschien een soort ‘wij’ overeenstemt of kan worden gevormd. Kan je dat hoger onderwijs dus nog wel nationaal duiden? Tegelijk zie ik in dat er op dat nationale niveau een potentieel aanwezig is en dat we iets kunnen leren van de manier waarop daar een specifiek soort solidariteit gecreëerd is en gereproduceerd wordt.

W.S.: Een links nationalisme installeert een solidariteit op basis van het delen van grond. Dat is een heel ecologisch principe. Het is evenwel nog maar de vraag welke grond wij delen en waar de grenzen ervan liggen. Voor mij hoeven die niet met de grenzen van Nederland, Duitsland, België of Frankrijk samen te vallen. Het gaat erom dat mensen beseffen dat die grond relationeel is en dat ze zich verantwoordelijk voelen voor die gedeelde grond. In de tijd van het antropoceen is het onzin om de grond in stukken te verdelen en die los van elkaar te beschouwen. Dat is de traditionele idee van nationalisme: natiestaten zijn afgebakende territoria. Als je dat weet te doorbreken, creëer je meteen ook een opening naar een veel bredere solidariteit, alleen sluit die wel aan bij een semantiek en een repertoire die thans door het rechts-populisme worden gedomineerd.

T.D.: Eigenlijk geloof ik niet dat het per se de natie of de taal is die eenheid creëert, maar wel het conflict waarin je verwikkeld bent. In lijn met wat Claude Lefort schrijft, wordt de eenheid binnen een democratie net gecreëerd door de gezamenlijke verdeeldheid met elkaar. Je discussieert met elkaar en over gemeenschappelijke kwesties, op een manier die min of meer gereguleerd is door procedures, maar niet door de natie.

R.L.: Aansluitend bij Benedict Andersons notie van de natie als verbeelde gemeenschap kan je die juist opvatten als een fictief kader dat toelaat om ‘wij’ te zeggen.

T.D.: Je hebt enkel een ‘wij’ via het aanhoudende debat over wie dat ‘wij’ is, dat op zijn beurt berust op de onmogelijkheid van een reëel of substantieel wij. Daarom heeft het ‘wij’ van de natiestaat nooit bestaan. Wat was of is bijvoorbeeld het ‘wij’ van de Verenigde Staten? Een natiestaat wordt altijd verdeeld door conflict en onderdrukking, door groepen die strijden om er deel van uit te kunnen maken. Dat zorgt voor een gemeenschappelijke politieke ruimte, niet ook voor een natie.

W.S.: Die natie is inderdaad contrafactisch, maar ook altijd toe te eigenen door strijd en mobiliseerbaar met reële gevolgen. Solidariteit geschoeid op een soort van nationalisme is daarom geen verloren zaak, net zoals we de politieke instituties die we nu hebben niet moeten laten zitten. Mensen die het transitiedenken onderschrijven, zien dat vaak anders en benadrukken de noodzaak om direct en lokaal aan de slag te gaan. Ik vind dat ook belangrijk, maar ik zal daarnaast altijd benadrukken dat we het bestaande politieke schaalniveau moeten terugpakken.

T.D.: Ja, maar bij veel mensen is er een zekere tweestrijd. Want in hoeverre kan je die bestaande instituties nog vertrouwen? Veel mensen willen die daarom zelfs niet meer veroveren, wat strategisch wellicht niet de verstandigste keuze is. Maar er leeft wel een grote weerzin, zowel ter linker- als ter rechterzijde, tegenover het traditionele apparaat van de representatieve democratie. Dat heeft mij bijvoorbeeld heel sterk getroffen toen ik vorig jaar in Parijs het Nuit debout-protest bijwoonde. Bij veel van de jonge deelnemers, ook linkse mensen, observeerde ik niet alleen een totale afkeer van de instituties die eigen zijn aan de representatieve democratie, maar ook van de welvaartsstaat, de vakbonden… Die afwijzing gaat samen met de idee dat je het hele systeem eerst volledig moet afbreken en dan pas kan beginnen herop te bouwen. Het is een vorm van ultrapolitiek die tegelijk ontzettend depolitiserend werkt.

W.S.: Tegelijk blijft de staatsmacht een enorm sterke factor in alles wat we nu bespreken. Met het opgeven van dat staatsniveau, worden ook alternatieven op de andere schaalniveaus bijna tot helemaal onmogelijk. Forget it als je niet ook die staat terugpakt.

T.D.: Maar wat als blijkt dat ook het veroveren van de staat eigenlijk niet veel uitmaakt? Is dat niet de les van Griekenland? Als morgen een radicaal-linkse partij met een absolute meerderheid aan de macht komt in België, zal er niks veranderen. We zitten in een globale machtsconstellatie waarbinnen nationale staten nog heel weinig zeggenschap hebben, behalve misschien grote natiestaten als de VS, het Verenigd Koninkrijk, Rusland, China…

W.S.: Deze diagnose lijkt mij iets te makkelijk. Tenslotte heeft het grootste deel van onze handel een regionaal en geen mondiaal karakter, en vindt die binnen Europa plaats. Tegelijk klopt het dat de macht van staten wordt beperkt door financiële markten en door schuldwerking. Juist daarom moet je je eigen munt kunnen controleren. Zo niet ben je in Europa machteloos en commanderen daarbinnen de noordelijke staten de zuidelijke.

T.H.: Wat ik een interessant begin vind, ook al zal veel ervan mislukken, zijn coalities binnen en van steden. Kijk naar wat er in Barcelona of in Grenoble is gebeurd: daar heeft de bevolking de politiek opnieuw in handen genomen en probeert ze een gemeenschappelijk project uit te bouwen op stedelijk niveau. Dat gebeurt echter niet enkel binnen de muren van de stad, want men werkt tegelijkertijd samen met andere steden. De sterkste beweging ter bestrijding van de klimaatopwarming is op dit moment bijvoorbeeld een alliantie van steden die heel verschillende krachten van verandering bundelt. Die alliantie heeft onder meer een belangrijke economische kracht. Er nemen immers ook burgemeesters van wereldsteden aan deel, steden waar evenveel mensen wonen als in België. De stedelijke schaal is ook voor heel veel mensen behapbaar: ze vormt een kader waarbinnen die gedesillusioneerde jongeren van daarnet concreet aan de slag kunnen gaan. Daarnaast denk ik dat je ook op nationaal niveau een ander mechanisme nodig hebt dat van onderuit wordt opgebouwd, wat natuurlijk tijd nodig heeft. Politieke vertegenwoordiging kan niet meer alleen via partijen lopen. Dat is het interessante aan de lopende experimenten in deliberatieve democratie.

W.S.: Akkoord, maar het kapitalisme heeft finaal ook een back-up nodig. En dat is fysiek geweld, dat is staatsmacht. Dat mogen we onder geen beding vergeten. Die macht en dat geweld vallen nooit helemaal te assimileren door het kapitalistisch systeem.

T.H.: Inderdaad, daarom heb ik ook al veel discussies gehad met transitiemensen die ik in feite totaal onpolitiek vind. Zij zijn gewoon heel blij met hun tuin. En dan denk ik: ‘neen, dit is je terugtrekken en overgeven’. Soms is dat dan weer niet het hele verhaal en kunnen verschillende niveaus of handelswijzen op elkaar inhaken.

W.S.: Zelf wil ik in Nederland activisten die voor verschillende issues vechten, met elkaar verbinden door na te gaan waar ze elkaar overlappen. Een heel scala aan publieke belangen en activistische streefdoelen staat onder druk. Om dat tegen te gaan, moet je zoeken naar equivalenties, zoals Ernesto Laclau dat bepleit in zijn diagnose van hegemoniepolitiek. Naast het terugpakken van de staat, is het dus belangrijk om coalities tussen bijvoorbeeld de antiracisme- en de klimaatactivisten te smeden.

T.H.: In Vlaanderen werkt Hart boven hard daaraan.

T.D.: Ik ben ergens ook wel hoopvol. Je krijgt hoe langer hoe meer jongere mensen, vooral binnen steden, die in een hyperdiverse omgeving zijn opgegroeid en zelfs niet meer snappen waar het culturele neoconservatisme ook maar over gaat. Tegelijk is er een eerste kristallisering van wat misschien een nieuw links project kan zijn. Dan gaat het over experimenten met participatieve en directe democratie all over the world, over de commons-beweging, over een nieuw ecologisch bewustzijn… Tegelijk zijn er de discussies over het basisinkomen of arbeidsduurvermindering. Al die zaken kunnen zich uitkristalliseren in een nieuw links programma en een nieuwe linkse beweging. Dat kan snel gaan…

W.S.: Als iemand met charisma dat weet te bundelen, kan het inderdaad plots heel hard gaan lopen. Maar we mogen ook nooit vergeten dat er altijd veel meer mogelijk is. Al die dingen waar we het al over hadden, bestonden eerst niet en zijn dan mogelijk geworden dankzij een creatieve, vaak ook gewelddadige verbeelding. Als we dat negeren, eindig je eigenlijk met niks. Uiteindelijk is ook dat schijnbaar heel stevige bouwwerk van democratie en kapitalisme op allerhande contrafactische ficties gebouwd. Ook daar zit een werk van verbeelding in dat we wel degelijk voor iets anders en beters kunnen mobiliseren.

T.D.: Een van de redenen waarom het neoliberalisme blijft winnen, is juist dat een andere sociaaleconomische orde historisch onvoorstelbaar lijkt te zijn geworden. Hoewel het bestaande communisme heeft gefaald, versterkte het op het niveau van het imaginaire de idee dat een andere orde mogelijk was. Ook de sociaaldemocraten refereerden daaraan, alleen waren zij reformisten en geen revolutionairen. Eens die idee van een mogelijke andere orde wegvalt, krijg je een enorme crisis in de sociale verbeelding.

W.S.: Fredric Jameson zegt dat het tegenwoordig makkelijker is om zich het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.

T.H.: Tegelijkertijd is dat een heel westerse visie. Ten tijde van die zogenaamde twee wereldblokken zijn er altijd veel alternatieve economieën blijven bestaan, die er ook nu nog altijd zijn, maar die we meestal gewoon niet erkennen als reële economieën. Het idee van een economie gebaseerd op commons bijvoorbeeld is nooit helemaal verdwenen. Daarnaast is er de factor tijd. Door de klimaatverandering en alle andere ecologische crisissen is de tijdsdruk om te veranderen nog nooit zo groot geweest. Ook al is dat geen optimistische noot, het vormt een niet te onderschatten factor bij het uittekenen van en mobiliseren voor een alternatief project.

J.M.: Als het over het bedenken van andere toekomstscenario’s gaat, komen ook de eerder technologische milieus in aanmerking… Daarbij speelt vaak een transnationale schaal. Denk binnen de context van het onderwijs bijvoorbeeld aan de MOOC’s of massive open online courses. Deels hebben die initiatieven een corporate karakter, maar er zijn ook ’tegenbezettingen’ als Linux of de opensourcebeweging. Voor mij zouden die mee de inzet moeten vormen van een publiek debat. Als we blijven zeggen dat het onderwijs een emanciperende betekenis heeft, dan kunnen wij niet accepteren dat Google zijn algoritmes niet op tafel legt. Want het onderwijs is er eigenlijk om ons in staat te stellen ons te verhouden tot datgene wat ons leven bepaalt. En wat vandaag ons leven ongelofelijk bepaalt, is Google.

T.D.: Sommige linkse denkers, zoals Paul Mason, poneren dat de digitale mogelijkheden de potentie scheppen om bijvoorbeeld voor de eerste keer een geslaagde planeconomie te organiseren. De idee van een centraal geleide planeconomie liep voorheen immers stuk op een gebrek aan accurate informatie over wat de mensen wilden en wat er kon worden geproduceerd.

T.H.: Dat is toch ook een sterk onpolitieke benadering.

T.D.: Ja en nee, Mason en anderen zien het als een mogelijkheid om een systeem te organiseren dat efficiënter en beter is dan het kapitalisme.

W.S.: De geschiedenis van internet spreekt tot nog toe niet in hun voordeel.

T.D.: Internet is begonnen als een vrije libertaire associatie en is nu volledig gecontroleerd en geprivatiseerd via Facebook, apps…

T.H.: Iets vergelijkbaars is gebeurd met de deeleconomie. Er is een verschil tussen het delen van een auto onder particulieren, en het delen van een auto via autodeelbedrijven of een rit delen via Uber. De evolutie gaat van het coöperatieve naar winstgedreven, van winst die geïnvesteerd wordt in een gemeenschappelijk project naar private winsten, van transparantie naar geheime algoritmen.

T.D.: Ja, het mooiste voorbeeld is natuurlijk couchsurfing, het idee dat individuen gratis ruimtes aan elkaar ter beschikking stellen. Airbnb is de complete commercialisering daarvan: een bedrijf komt tussen en verdient daar een hoop geld mee, al is Airbnb voorlopig niet ook winstgevend.

T.H.: Couchsurfing als loutere dienst blijft een voorbeeld van het soort alternatieve praktijken dat in mainstreammedia te weinig aan bod komt, wat de idee dat er geen andere orde of toekomst mogelijk is mee bestendigt. Het benoemen en tonen van alternatieve praktijken die méé de realiteit maken, kan het gevoelen helpen counteren van ‘dat kan niet, dat bestaat niet, dat is onmogelijk’.

T.D.: Laat ik proberen te synthetiseren met de stelling dat je voor een echte tegenstrategie drie sporen nodig hebt. Dat is ten eerste wat Tine mooi beschrijft als klein verzet: een heel netwerk van grassroots-bewegingen, van burgerbewegingen die alternatieve praktijken ontwikkelen met een meer of minder politieke inslag. Daartoe behoren ook actiegroepen, activisten die zaken kunnen blokkeren of de directe democratie praktiseren, bewegingen als Black Lives Matter… Daarbovenop dien je inderdaad te streven naar het veroveren van de staat, misschien met een links-populistisch discours. Gegeven ons electorale systeem heb je daarvoor een partij nodig. En ten slotte is het ook nodig te werken aan de uitbouw van een netwerk van linkse denktanks, academici, onderzoekers… die alternatieve praktijken zowel intellectueel als praktisch mee ondersteunen.

 

Transcriptie: Wim Lievens

Redactie: Rudi Laermans

Verzameling Vlaanderen: een gesprek met Robert Hoozee

Met de tentoonstelling Paris-Bruxelles/Brussel-Parijs, een coproductie met het Musée d’Orsay, neemt Robert Hoozee afscheid als conservator van het Gentse Museum voor Schone Kunsten. Hij leidt met ingang van 1 oktober 1997 het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. In de bijdrage over herprogrammering en mobiliteit van kunstcollecties binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt gesteld dat de Musea voor Schone Kunsten van Gent en Antwerpen hun kunstschatten zouden moeten uitwisselen – precies de instellingen waartussen Robert Hoozee verhuist. Een goede gelegenheid om hem, mede op basis van de genoemde bijdrage, voor een gesprek uit te nodigen.

 

Conservatormobiliteit

Dirk Pültau: Wat maakt het voor u interessant om de twee musea te ruilen?

Robert Hoozee: Antwerpen is een museum van de Vlaamse Gemeenschap, dat om te beginnen. Er zijn meer middelen, er is meer personeel, het is kortom een grotere instelling. Dat is historisch gegroeid. Als nationale instelling heeft dit museum altijd meer middelen gehad. Al sinds conservator Buschman in de jaren ’20 was er een volwaardige staf die wetenschappelijk werk deed.

In Gent was het een lijdensweg om een tentoonstelling te maken, zowel voor het bekomen van geld als van bruiklenen. Vlaams Expressionisme in Europese context bijvoorbeeld was een echte krachttoer, zeker om die internationale context te kunnen tonen. Zo’n dingen worden makkelijker als je eigen collectie sterker is – alles is geven en nemen in die wereld. Kortom, in Antwerpen hoop ik de thema’s zelf te kunnen bepalen, en minder afhankelijk te zijn van omstandigheden.

D.P.: …en als we nu enkel naar de collectie kijken, waarom dan van Gent naar Antwerpen?

R.H.: De Antwerpse collectie is sterker, zeker wat de oude kunst betreft. Het is een nationale collectie, maar die kunst is zo universeel belangrijk dat je dat niet als een gemis ervaart. Van dat gedeelte zou je bij wijze van spreken af kunnen blijven. Je moet het goed presenteren, toegankelijk maken voor wetenschapsmensen, maar het is niet nodig om nog te bewijzen dat er een Jordaens naast een Rubens moet komen. Natuurlijk, moesten we er met het Van Dyckjaar in het vooruitzicht in kunnen slagen om een Engelse of Italiaanse Van Dyck toe te voegen, dat zou mooi zijn. Als dat soort kapitale aankopen niet kunnen gebeuren, dan hebben correcties niet veel zin. Waarom nog een tweederangs genreschilder toevoegen, alleen maar omdat hij nog niet in de collectie zit?

D.P.: Ondertussen bent u wel gespecialiseerd in de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw.

R.H.: Ik heb twee specialiteiten. Ten eerste de periode van de 19de tot begin 20ste eeuw. Ten tweede het museum als zodanig. Dat is een specialiteit op zich: de kunst om aan te voelen hoe een verzameling kan worden getoond, wat teveel is en wat ontbreekt. Ik ben altijd meer geïnteresseerd geweest in collecties dan in tentoonstellingen, en ik zie Antwerpen niet als een museum voor oude kunst. Ik vind dat de 19de eeuw er goed past, ik heb zelfs de indruk dat de correcties die ik in Gent heb aangebracht daar nog makkelijker aan te brengen zijn.

D.P.: Hoe ziet u de verschillen tussen Gent en Antwerpen, om te beginnen in de 19de-eeuwse collectie?

R.H.: De Gentse collectie heeft een eerder bescheiden collectie met een aantal zeer interessante accenten, zoals Géricault en de Franse groep. Dat op zich maakt deze verzameling interessant. In Antwerpen zijn de nationale scholen, die in de meeste collecties de basis leggen, veel sterker uitgebouwd. Denk maar aan de werken van Ensor en Laermans, van De Braekeleer en Leys. In dat moderne gedeelte zijn echter correcties nodig. Wat de Belgische kunst betreft, moet de collectie subtieler worden. Daarmee bedoel ik dat het accent nu te zeer op een aantal blokken ligt, De Braekeleer, Ensor, Smits, Wouters. De finesse van het symbolisme ontbreekt, de minder realistische en expressionistische, meer intellectuele tegenstromen zijn ondervertegenwoordigd. Er is mooi werk van Mellery, een prachtig portret van Khnopff, een mooi beeld van Dillens, maar dat kan nog serieus aangevuld worden. De verfijning van de Belgische kunst kan trouwens al beginnen vanaf het midden van de 19de eeuw, al zal het einde van de 19de eeuw het meest moeten worden bewerkt.

 In tweede instantie moet de collectie internationaler worden, zowel voor de 19de als de 20ste eeuw. Ik zou dus Ensor niet verplaatsen, zoals jij voorstelt, maar verdiepen. Stel bijvoorbeeld dat je naast Ensor een Nolde kan krijgen. Of naast de Vlaamse expressionisten een Schmidt-Rottluff. Hetzelfde geldt voor de rest van de 20ste eeuw. Het surrealisme is bijvoorbeeld veel te weinig aanwezig, en het modernisme ook. Dat het modernisme er zo schamel bij ligt, is echt onbegrijpelijk. Het heeft nochtans een rol gespeeld in Antwerpen.

 

Collectiemobiliteit

R.H.: In jouw voorstel zou de Antwerpse collectie de periode van de middeleeuwen tot halverwege de 19de eeuw bestrijken. Zo zie ik er niet veel in Europa.

D.P.: Ik denk dat mijn basisschets voor een collectie oude kunst behoorlijk wat gemeen heeft met het Rijksmuseum van Amsterdam
– op een generatie na misschien. In de laatste zaal van het Rijksmuseum koppelt men de vroege Mondriaan aan Floris Verster, Jacobus van Looy, waarbij bruiklenen uit het Stedelijk Museum. Die keuzes zijn gebaseerd op gesprekken tussen de drie grote musea in Amsterdam, waarbij men geen rigoureuze scheiding heeft beoogd. Waarom zou het ondenkbaar zijn om, zoals de drie Nederlandse musea Van Gogh en Mondriaan in verschillende verhalen inschrijven, bijvoorbeeld Ensor in Antwerpen te situeren in het verlengde van een 19de-eeuwse traditie, én in een moderner verhaal dat begint met de Barbizongeneratie in Gent.

R.H.: Dan stopt de Antwerpse collectie bij Ensor, en knip je er nog altijd het expressionisme af. Of ga je nog verder vervagen, ga je toegevingen doen?

D.P.: Toegevingen? De grenzen moeten altijd een gespreksonderwerp kunnen zijn. ‘Oude kunst’ en ‘moderne kunst’ zijn voor mij geen reservaten die je niet mag verlaten, maar in de eerste plaats thematische invalshoeken. Als we echter in Vlaanderen nog één consistente collectie moderne kunst willen, moeten we in eerste instantie voor zo’n focus kiezen en ook de mobiliteit van stukken overwegen.

R.H.: Ik vind dat toch wat fascistoïde, om de bestaande krachtvelden te willen afbreken en van nul te beginnen. Is het geen energieverspilling om te gaan dromen dat zoiets ooit zou kunnen, en daar vervolgens maar op voort te bouwen? Men heeft nog maar pas de nieuwe gemeentelijke boekhouding ingevoerd: elk kunstwerk staat erin vermeld, vergezeld van een bedrag. Daardoor worden collecties nog sterker aan de kleine besturen gebonden. Kortom, het lijkt mij een stuk virtuele realiteit.

D.P.: Dat klopt, ik stel me bewust op een kritisch standpunt, en denk niet meteen aan wat politiek haalbaar is. Anders kom je nergens. Zo’n herdenkingspiste houdt natuurlijk allerlei valstrikken in, maar als we inhoudelijk iets willen realiseren, moeten we die misschien gewoon zien als op te lossen hindernissen.

R.H.: Jouw analyse van de museumsituatie is zeker juist, dat is één punt. Ik ben echter niet akkoord met de oplossing. Waarom kunnen verschillende musea niet aan gelijklopende programma’s werken? Waarom de Antwerpse collectie tot oude kunst beperken? Stel dat in Antwerpen heel de onderste verdieping eraf geknipt is, dan doe je toch iets wezenlijks teniet, namelijk de combinatie van oude en moderne kunst. Het is toch aangenaam en belangrijk om Rubens en Ensor in eenzelfde gebouw terug te vinden. Veel museumbezoekers, zoals ook ik, hechten misschien meer belang aan het verhaal van het museum dan aan het verhaal van de kunstgeschiedenis. De Ensors van Antwerpen bijvoorbeeld zijn het gevolg van een plaatselijke golf van modernisme, zij het nogal verlaat en Vlaams gericht. De Barbizoncollectie van Gent is er gekomen door een groep kunstliefhebbers uit de streek, die oog had voor kunst uit het buitenland. Natuurlijk kan je beweren dat zoiets in catalogi verderleeft, maar dat is een schrale troost. De eis dat zoiets in de collectie vastligt, is ook verdedigbaar.

D.P.: Met goede collectiecatalogi en een kritische geschiedschrijving van de collecties ben je niettemin een stap verder. Als daaraan gewerkt wordt en als de uitgeleende werken naar de oorspronkelijke collectie blijven verwijzen, dan ben je al gewapend tegen de uitwissing van de geschiedenis. En waarom je aan de historiek van een museum vastklampen, als zoveel werken meer betekenis krijgen indien beide collecties op elkaar betrokken worden. We moeten zaken ook vanuit het heden durven bekijken.

R.H.: Dan laat je de kunstgeschiedenis renderen, en niet de geschiedenis van het museum. Trouwens, er is nog iets. In jouw kunstgeschiedenis ligt de nadruk op de piloten, degenen die grenzen verlegd hebben. Die benadering is stilaan achterhaald. Tegenwoordig laat de kunstgeschiedenis een veel lateraler en breder veld meespelen dan alleen maar de hoofdrolspelers. Het probleem is ook dat je er dan van uitgaat dat een museumcollectie de illustratie moet zijn van de kunstgeschiedenis, wat in wezen neerkomt op een modernistisch verhaal. Het herschikken van collecties komt makkelijk neer op het completer maken van dat verhaal. Dan krijg je gespecialiseerde collecties, maar wat heb ik eraan als ik in Londen in een museum alle Constables zie hangen. Als je op jouw uitgangspunt doorredeneert, kom je daar terecht.

D.P.: Dat is overdreven, de collectie moderne kunst die ik voorstel, is duidelijk fragmentair. Ik pleit niet voor volledigheid, ik poog een minimale consistentie te bereiken op drie knooppunten, de plein-airisten, Les Vingt en het expressionisme. Drie thematische kernen waarrond geconcentreerd – en bijgevolg ook lateraal – kan worden gewerkt. Je moet erkennen dat een museum altijd een verhaal vertelt, en het modernistische verhaal is niet zomaar achterhaald, het is veeleer problematisch geworden. Natuurlijk, het is noodzakelijk om tussen die as door te tonen hoe ook de zogenaamde salonkunst of academische kunst blijven verderleven.

R.H.: Zeker. In Antwerpen situeert de eerste internationaliserende reflex zich trouwens op dat vlak. Op de Antwerpse academie gold de regel dat kunstenaars die erelid werden een werk moesten afstaan. Een paar internationale stukken zijn zo in de collectie gekomen, bijvoorbeeld het werk van Ingres, maar ook werken van Cabanel, Von Schadow, Overbeck, Von Kaulbach. Dat vind ik een interessante piste. Tegen de achtergrond van de Antwerpse academie kan je de academische kunst en de kunst van de Nazareners belichten. Van daaruit heb je de band met Leys, en de prerafaëlieten die in Antwerpen kwamen studeren. Er zijn twee mooie tekeningen van Burne-Jones. Daar is heel wat mee te doen.

 

Enkele werkgroepen

D.P.: De vroege abstracten of het formele modernisme in de Antwerpse collectie zijn louter regionaal – van niveau en van herkomst. Hoe wilt u dat uitbouwen?

R.H.: Daar kunnen enkele werken van Vantongerloo aan toegevoegd worden, die hier duidelijk wordt gemist.

D.P.: …en het surrealisme telt twee werken van Delvaux en drie van Magritte, tenzij je die sculptuur meetelt.

R.H.: Tja, dat beeld. Ik vroeg me af of we daar toch geen afstootscenario moesten overwegen. Stel dat een Spaans of Amerikaans museum daarin geïnteresseerd zou zijn, en dat we dat konden ruilen voor een klein, vroeg surrealistisch werk van Max Ernst. Dat zou perfect passen. Misschien kunnen we nog iets oppikken van wat indertijd bij Le Centaure te zien was. Daar moet nog veel van in privé-collecties zitten. Antwerpen heeft toch een paar internationale stukken. Ze zijn naar de veiling getrokken om een Grosz te kopen – dat is een verschil met Gent, waar men de moderne kunst pas echt verwaarloosd heeft. Het museum van Antwerpen heeft bijvoorbeeld een mooi beeld van Zadkine. Dan denk ik: plaats dat werk naast Minne, en voeg daar nog een Barlach aan toe.

D.P.: Ik redeneer dan: die Zadkine zou een prima brugstuk kunnen zijn tussen de ruime Minne-collectie en de Duitse expressionisten die Gent heeft, en Antwerpen niet. Het werk van Grosz krijgt naast de Gentse Kokoschka en in de buurt van de Duitse expressionisten toch meer betekenis. Zo kan je nog voorbeelden geven: de Barbizoncollectie in Gent kan aansluiten op die in Antwerpen. Als je binnen Antwerpen blijft, lijkt het inhaalmanoeuvre me te groot. Waarom laat Antwerpen sommige werken van buitenlandse moderne meesters in de reserves? Het lijkt op een bekentenis dat men ze niet zinvol kan contextualiseren.

R.H.: Ik begrijp je redenering, maar er zijn twee mogelijkheden. Ofwel breng je Ensor naar Gent, ofwel omkader je Ensor binnen de Antwerpse collectie. Dat laatste hoop ik te doen. Je hebt zelf vastgesteld – en dat doet me plezier – dat in Gent een zekere consistentie is bereikt. Waarom zouden we niet op ruimere schaal kunnen realiseren, wat ik in Gent op beperkte schaal heb gedaan. Of vind jij het energieverspilling als je de Gentse én Antwerpse collecties op zich samenhangender tracht te maken?

D.P.: Geen verspilling, maar u stelt zelf terecht dat alleen al de Belgische kunst serieus moet worden bewerkt. En ik kan nog voorbeelden geven. Onze collecties kunnen niet eens de impact van het pointillisme op de Belgische kunst tonen. Met één doek van Van Rysselberghe en één van Van de Velde hebben we het gehad. Dan is er nog de kunst na ’45.

R.H.: Daar zitten nog twee eilandjes, een groep Cobrawerken en een Zero-ensemble. Daar kunnen we ook iets mee doen.

D.P.: Kom nou, daar moet je toch van nul beginnen. Die Cobrawerken van Appel, Lucebert en Alechinsky vormen het enige materiaal van de jaren ’50, die werken van Uecker, Piene en Fontana zijn het enige internationale materiaal van de jaren ’60. Nee, voor het naoorlogse deel moeten we gewoon de vraag stellen hoe die paar werken wél kunnen functioneren. Als je dan weet dat die Cobrawerken in het Gentse Museum van Hedendaagse kunst een goede context vinden…

R.H.: Wellicht kan je die werken aan de Belgische kunst in de collectie van het Koninklijk Museum koppelen. Je zou je kunnen voorstellen dat men bijvoorbeeld – letterlijk – een segment tussen Schone Kunsten en Hedendaagse Kunst in schuift, precies voor die periode van de jaren ’50 en ’60. Zo denk ik ook dat het mogelijk moet zijn om rond hedendaagse kunst te werken. Financieel is het natuurlijk makkelijker om van het MUHKA een depot te maken, en de moderne kunst naar Gent over te brengen, zoals jij voorstaat. Maar met de steun van de privésector is het wellicht mogelijk om zowel in Antwerpen als in Gent rond moderne kunst te werken.

D.P.: Belgische kunst, internationale aankopen, ik denk dat u nog veel werk hebt. Als we dan weten dat de Kokoschka die u in Gent kocht, sinds lang de enige klassiek moderne aankoop van die allure was in een Vlaams museum…

R.H.: Dat was een belangrijke aankoop. Ze past er uitstekend, temeer omdat er nogal veel fysionomie in de collectie zit, bijvoorbeeld Bosch, Géricault,…. Natuurlijk, dat werk kostte 18 miljoen Bfr. Het werk van Ensor dat de Boudewijnstichting aankocht, kostte 41 miljoen Bfr. Met die bedragen moet men rekenen. Je doet mij wel een beetje schrik krijgen. Hopelijk kan ik in Antwerpen iets realiseren met de steun van de bedrijfswereld. Ik blijf het vreemd vinden dat sponsors zo moeilijk te winnen zijn voor aankopen. Voor tentoonstellingen zijn er mogelijkheden, dat zijn events, maar een bedrijf zou toch ook 20 miljoen Bfr. voor een belangrijke aankoop kunnen uittrekken. De Boudewijnstichting is goed bezig, maar die Ensor in Gent heeft veel geld gekost, terwijl ze enkele aankopen per jaar zouden moeten kunnen doen.

D.P.: U hebt in de moderne collectie van Gent voor een paar waardevolle aanvullingen gezorgd, maar als uw opvolger minder in moderne kunst geïnteresseerd is, wordt dat deel misschien voor jaren bevroren. Zou het niet al een goed begin zijn, moest men een kader vastleggen waarbinnen de omgang met moderne kunst permanent mogelijk blijft.

R.H.: Het nieuwe decreet is misschien al een eerste stap. De Vlaamse Gemeenschap wil de versnippering van middelen tegengaan. Ze wil zich voortaan richten op tien à twintig musea, niet enkel kunstmusea, om daarin meer te investeren. Voor een erkend museum kan de dotatie vervier- of vervijfvoudigen. Al bij al zou het mij interesseren, moest je jouw radicale standpunten achterwege laten en voor meer synergie tussen de musea en meer coördinatie in het aankoopbeleid pleiten. Ik zou de nadruk leggen op je volkomen terechte oproep aan de Vlaamse Gemeenschap om meer middelen vrij te maken, waardoor bepaalde verhalen beter kunnen worden uitgewerkt. De Vlaamse Gemeenschap moet zich voor de belangrijkste musea engageren, zover volg ik. En dat kan je koppelen aan inhoudelijke afspraken tussen de musea. Maar die kunnen ook anders dan jij voorstelt. Je zou bijvoorbeeld Les Vingt of het Belgische fin de siècle kunnen uitwerken in Brussel en je in Antwerpen toespitsen op Ensor in zijn internationale context. Zo kan elk museum zijn historisch gegroeide terrein behouden.

Onder Gieren

In het vorige nummer van De Witte Raaf formuleerde Dirk Pültau een reeks kritische vragen bij het project van het Duitse tijdschrift Texte zur Kunst. Dirk Pültau en Koen Brams ontmoetten Isabelle Graw en Stefan Germer op 11 april 1997 in Keulen. Het gesprek begon met een vraag over de interviews in Texte zur Kunst…

 

Intro

Isabelle Graw: Vroeger publiceerden we veel interviews, maar de laatste tijd is dat sterk teruggelopen. Ten onrechte vind ik, want het is een interessante vorm. Op een gegeven moment werden we het wel beu om beroemde intellectuelen te interviewen, zoals Pierre Bourdieu of Cornelius Castoriadis. De rondetafelgesprekken anderzijds, ontaardden vaak in een redactionele nachtmerrie. Iedereen wilde maar aanpassingen en correcties doorvoeren. Het resultaat wordt artificieel en gaat uiteindelijk meer over zelfrealisatie en competitie. De selectie van de deelnemers moet met zorg gebeuren.

Stefan Germer: Interviews en discussies zijn interessant omwille van de meervoudigheid van stemmen.

 

Dirk Pültau: Kan je met het interview iets anders bereiken dan met een andere tekstsoort?

I.G.: Jazeker. Maar de interviewer moet zeer goed voorbereid zijn, hij moet alles gelezen hebben dat de geïnterviewde ooit gezegd of geschreven heeft, om dan de confrontatie met de geïnterviewde aan te gaan – wat niet noodzakelijk tot een antagonistische relatie moet leiden. Door de onderbrekingen, uitwisselingen en interacties – in die zin begrijp ik het interview als een semiologisch spel – kan iets tot uitdrukking gebracht worden dat anders misschien niet aan de oppervlakte was gekomen.

S.G.: Als ik de eerste nummers doorblader, ben ik verrast door hun intensiteit. Recente nummers zijn vaak aan de homogene kant. Te veel mensen spreken over hetzelfde thema, schrijven hetzelfde soort tekst en reproduceren dezelfde discoursstereotypes.

I.G.: De eerste nummers bevatten veel verschillende teksttypes. Na verloop van tijd begonnen mensen waarschijnlijk te denken dat ze op een welbepaalde manier moesten schrijven. Wij van onze kant redigeerden hen op een bepaalde manier, en corrigeerden ook mekaar in dezelfde zin. Gevolg was dat een Texte zur Kunst- teksttype ontstond. Een gevolg van de institutionalisering van het tijdschrift. Ik denk dat we onszelf opnieuw moeten dwingen om aandacht op te brengen voor andere soorten tekst, en ze zelf te schrijven.

 

I.1.

D.P.: Wat zijn de grote inhoudelijke ontwikkelingslijnen van het tijdschrift?

I.G.: We kijken niet zo vaak achterom, we zijn voortdurend met het volgende nummer bezig. Recentelijk hebben we echter het plan opgevat om buitenstaanders uit te nodigen om het laatst verschenen nummer te bekritiseren. Volgens mij waren we aanvankelijk nogal snel geneigd om aan kunst een sociale functie toe te schrijven, en om een haast mechanische relatie te veronderstellen tussen een kunstwerk en de mogelijke effecten die het kan sorteren. Momenteel zien we de sociale werking van kunst als slechts één van de vele functies. In de loop van de jaren hebben we ons ook nadrukkelijker ingelaten met andere problematieken, bijvoorbeeld de kwestie van de identiteit. We hebben de mogelijkheden van feministische analyses onderzocht. Hoe kan je het feit in rekening brengen dat een kunstenaar of cultuurproducent maatschappelijk als vrouw is gepositioneerd? Hoe beïnvloedt dat de manier waarop men over het werk spreekt, enzovoort. Dat zijn natuurlijk geen nieuwe discussies, ze vinden ook elders plaats. Vandaag is de grens tussen wat binnen en buiten het kunstwerk valt, permanent onderwerp van discussie. Het is moeilijker om tot een eenduidige en zaligmakende conclusie te komen.

S.G.: In de voorwoorden van onze eerste nummers lees je opvallend klare taal. We wisten goed waarvoor we stonden en wie de vijand was. Bij onze start voelden we ons sterk verbonden met een groep kunstenaars, wier activiteit in hoge mate parallel liep met de kritische activiteit van het tijdschrift. Naarmate zij zich ontwikkelden, verweekte hun betrokkenheid met Texte zur Kunst, en werden ook onze positiekeuzes minder makkelijk te omschrijven. In het begin hebben we ons ook geconcentreerd op een bij uitstek Amerikaans discours. Sommige ideeën namen we vrij letterlijk over, maar met de jaren ontwikkelden we een eigen perspectief. Een discours importeren dat geen locale basis heeft, is natuurlijk problematisch. En je wil niet zomaar importeur zijn. Je wil een discours terugkoppelen naar wat er hier en nu aan de hand is, en onderzoeken hoe je een kritische partner kan zijn.

Koen Brams: Niettemin bestaan sommige nummers bijna uitsluitend uit vertalingen.

I.G.: Klopt, maar je moet wel weten hoe de Duitse situatie er uitzag rond 1990. In Amerika bestond een lange traditie van methodologische disputen, te beginnen bij Clement Greenberg. Geen spoor daarvan in Duitsland, Greenberg was niet eens vertaald. De Amerikaanse situatie leek ons benijdenswaardig, en we probeerden hun discours en discussies op te pikken, in de hoop om hier de mensen bijeen te brengen die gelijkaardige kritische functies zouden kunnen vervullen. Het overnemen van teksten was toen zeker zinvol. Het is soms nuttig om niet meteen te poneren wat hier wenselijk is, en eerst te kijken naar wat elders gebeurt – al heeft die aanpak vanuit Duits perspectief zeker ook een politiek correct kleurtje. Maar door zeg maar social history of het discours van Benjamin Buchloh te introduceren, werd ons ook de dogmatische en stereotiepe kant van die paradigma’s duidelijk. Zo zal je vruchteloos zoeken naar reflecties over populaire cultuur in die benaderingen, iets dat wij vrij vroeg hebben trachten te ondervangen. We ontwikkelden dus eigen invalshoeken voor de problematieken die ons nauw aan het hart lagen.

S.G.: Mensen hebben schrik van een vreemd discours. Wij hebben echter het betoog over hedendaagse kunst altijd willen deprovincialiseren. Door de verwijzing naar verschillende auteurs en kritische oeuvres, en door te tonen dat er nog iets anders bestaat dan een monografische, geïsoleerde benadering van kunst, wordt men zich bewust van zijn eigen kritische criteria.

K.B.: U omschreef de aanvankelijke keuze van Texte zur Kunst voor welbepaalde artistieke praktijken als bewust anti-pluralistisch.

I.G.: We proberen nog altijd te allen prijze pluralisme te vermijden, al ziet het tijdschrift er nu misschien pluralistischer uit dan in het begin. Elk project dat van start gaat, positioneert zich wat dogmatisch. Je wil je onderscheiden door te stellen dat je dit ene steunt en tegen dat andere bent. Dat is eigen aan het formuleren van uitgangspunten, maar blijkt uiteindelijk steeds van voorbijgaande aard.

D.P.: De start van Texte zur Kunst was in hoge mate verbonden met de zogenaamde context-kunst. Unter Geiern, het artikel van Stefan Germer was een scharniermoment in die belangstelling. Het artikel herdacht de oriëntatie op deze kunst, in het licht van ontwikkelingen van de afgelopen jaren, meer bepaald de toe-eigening van deze kunst door iemand als Peter Weibel. Ging deze herziening gepaard met een breuk in uw interesse voor kunst? Welke andere kunstvormen dragen sindsdien uw belangstelling weg.

I.G.: Dezelfde posities, maar anders bekeken. (lacht)

S.G.: Wij azen niet op trends. We doen geen uitspraken in de trant van ‘dit is de nieuwe schilderkunst’. We gaan steeds uit van problemen, en onderzoeken vervolgens hoe die voor de kunstwereld relevant zijn. De verbinding tussen die kwesties en de kunstwereld is soms nogal losjes. Dat lokte al commentaar uit.

I.G.: Men kan ons verwijten dat we ons weinig bekommeren om niet-gesteunde of niet-gecanoniseerde artistieke posities. Maar een kunstenaar ‘ontdekken’, is ook hoogst problematisch. We zijn gekant tegen die speurtocht naar onbekende kunstenaars. Engagement heeft alleen zin als er sprake is van een fundamentele verwantschap – we publiceerden bijvoorbeeld wel stukken over Poster Studio en Messe 2 ok.

 

I.2.

D.P.: In het stuk Unter Geiern beschreef u, Stefan Germer, hoe zogenaamde context-gerelateerde kunst haar kritisch potentieel prijsgeeft van zodra een bepaalde publieke werking niet meer gegarandeerd is – bijvoorbeeld doordat de werken in private handen komen (van de verzamelaar Wilhelm Schürmann) of toegeëigend worden door een tentoonstellingsmaker (Peter Weibel). U beschrijft de werken als een soort communication units die kritische reflecties op de context inhouden, daarbij allerlei thema’s en problemen aankaarten, en door de wijze waarop ze dat doen in hoge mate op antwoord en participatie berekend zijn. Vandaar het belang van de openbaarheid die de kritische uitwisseling moet waarborgen. Is echter niet precies dit geloof in een bewuste, publieke en contextuele reflectie een problematische illusie? Is dit een reden voor jou om deze werken te bevragen?

S.G.: Misschien hebben we te weinig stilgestaan bij het feit dat de publieke sfeer gestructureerd is door machtsrelaties, gevormd door kunstenaars, verzamelaars en critici. Dat maakt de mogelijkheidsvoorwaarden voor kunst die haar context kritisch reflecteert erg precair. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met deze kunstwerken wanneer ze van een publieke in een private sfeer terechtkomen? Dat is toch een probleem. De structuur van de werken verandert. De installatie van Fareed Armaly bij de Galerie Nagel is maar voor de helft in de Schürmann-collectie terechtgekomen. Het is een onverkoopbaar werk, dat in de verzameling niet meer thematiseert wat het in de galerie aan de orde stelde. Het is ook niet meer in dezelfde zin betrokken op een publiek. Maar de vraag is natuurlijk of zo’n werk überhaupt een bestaan heeft buiten de publieke plek waar het in een discours betrokken is. En wie wijs je dan met de vinger: de kunstenaar, de verzamelaar of jezelf, omwille van je eigen fantasieën over contextuele reflecties?

I.G.: Niemand hoeft met de vinger gewezen te worden, die moralistische benadering wil ik vermijden. Geloven in de mogelijkheid van controle is sowieso een fantasie. Geen enkele kunstenaar kan volledig controleren hoe zijn werk gerecipieerd zal worden en welke wijzigingen het als gevolg daarvan zal ondergaan. Anderzijds moet het mogelijk zijn te stellen dat een bepaalde artistieke positie zijn relevantie verloren heeft. Nu we geconfronteerd worden met de verandering van de betekenis van site specificity, kan je onmogelijk nog even naïef en enthousiast over die dingen denken als wij indertijd. Als Michael Asher door een curator in Wenen wordt uitgenodigd om ‘dat soort werk’ nog eens over te doen – nog een keer de architectuur van een plaats wijzigen of de institutionele structuren blootleggen – dan hebben we het inderdaad over een ander soort werk.

 

D.P.: Moet het werk niet het feit reflecteren dat deze fetisjering vandaag sowieso een gegeven is?

I.G.: Sommige kunstenaars hebben dat gedaan. Christian Philipp Müller presenteerde zijn werk bijvoorbeeld als een serie artikelen die je kon verzamelen. Kunstproducten die gebruikt waren tijdens performances, verkocht hij als fetisj-objecten. Elke goede kunstenaar, als ik die notie mag gebruiken, reageert tegen mogelijke reducties op het niveau van de receptie. Over het werk van Renée Green werd op een gegeven moment enkel gesproken in termen van haar identiteit als zwarte vrouw. Dat trachtte ze te compliceren, door zich ervan te verzekeren dat het werk als kunst werd gezien. Ze gaf het een overzichtelijke, formele kwaliteit, waarbij ze een vrij demonstratieve interesse aan de dag legde voor artistieke strategieën zoals minimalisme. Receptie is altijd verweven met productie. Niet dat deze kunstenaars enkel reactief te werk gaan, maar als de receptie nadrukkelijk in een bepaalde richting evolueert, bouwen ze dat in.

D.P.: Kan een werk echter telkenmale zijn afhankelijkheid van bepaalde receptievoorwaarden bewust reflecteren? Je zou kunnen zeggen: door ze bewust te reflecteren, wordt de reflectie al dingmatig, een verkoopbaar label van contextuele reflectie.

I.G.: Hebt u schrik van verkopen? Natuurlijk kan het allemaal gebruikt worden en kan ook een verruimd bewustzijn verkocht worden. Dat doet er toch niet toe.

D.P.: Ik heb het niet over verkopen. Ik stel mij vragen bij de mogelijkheid van bewuste reflexiviteit, geïncorporeerd in een kunstwerk. Een werk dat zijn eigen voorwaarden bewust reflecteert, pretendeert van zijn eigen voorwaardelijkheid weet te hebben, als iets waar het van buitenaf op kan toezien. Dat is een paradoxale illusie, want hoe kan een werk datgene waardoor het gedetermineerd is, bewust reflecteren. Daarmee negeert het de eindigheid waardoor het geconstitueerd wordt. Zo restaureer je een geloof in een verlichte subjectiviteit.

S.G.: Volgens mij is de vraag niet zozeer of het werk een object wordt dat toegeëigend kan worden – dat is een economische vraag, die betrekking heeft op verkoop. De wezenlijke vraag is van curatoriale aard: hoe kan je de toegankelijkheid van het werk en het discours garanderen? Toen wij populaire cultuur in het Duitse discours over kunst binnenhaalden, deden we dat voor een deel omdat het mercantiele aspect daar altijd aanwezig is. Men is er te lang van uitgegaan dat de kunst al die smerige handel uit haar denken kon en moest uitbannen. Populaire cultuur of cultuurindustrie waren denigrerende begrippen, vuile woorden. Voor ons maakt verkopen deel uit van een kunstenaarsbestaan, al voeg ik eraan toe dat de kunstenaars waar wij over schrijven, niet bepaald kassuccessen zijn.

D.P.: Kan de notie ‘reflexiviteit’ niet worden verruimd? Kan ze niet worden herdacht als een perverse affirmatie van de eindigheid van het werk, en dus ook van het fetisjkarakter dat bij voorbaat al deel uitmaakt van de conditie van kunst? Wat tevens een ‘op zich nemen’ zou inhouden van de onmogelijkheid om bewust toe te kijken op deze condities. Op die manier wordt reflexiviteit minder gesteld in termen van bewust schouwen en spiegelend bemeesteren van de condities.

I.G.: Zeker, maar ik zou het kind niet met het badwater weggooien. Het probleem is ten dele dat auto-reflexiviteit vandaag de status van een fetisj heeft verkregen. Wij zijn ons daarvan bewust, maar dat een concept tot het gebruikelijke begrippenarsenaal is gaan behoren, betekent nog niet dat het verworpen moet worden. Als u stelt dat wij kunstwerken en kunstenaars te veel auto-reflexief vermogen toeschrijven, dan zegt dat misschien meer over onze projecties en onze analyses. De claim van reflexiviteit komt niet alleen van kunstenaars maar ook van critici. Het is op zich al een constructie. Niettemin verwijst het begrip ook naar een kenmerkend facet van die werken. Vergelijk ze bijvoorbeeld met Hans Haacke. Daar is geen sprake van het bevragen van de eigen positie, er is altijd de veronderstelling dat de kunstenaar een buitenstaander is. Die belangrijke accentverschuiving in het werk van jongere kunstenaars wilden wij aan bod brengen.

 

II.1.

D.P.: Als ik in grote lijnen de inhoudelijke evolutie van het tijdschrift overloop, dan lijkt de flap van het eerste nummer – een close-up van Clement Greenberg – veelzeggend. Het komt mij voor dat u eerst uw positie trachtte af te lijnen in functie van de modernistische erfenis. Na deze confrontatie, die onder meer weerspiegeld wordt in uw belangstelling voor social history, begint u meer aandacht te ontwikkelen voor thema’s als identiteit, seksualiteit, feminisme – die nummers heten Sexuelle Politik, Männer enzovoort.

S.G.: Die beschrijving lijkt me adequaat. We vertrokken van een glasheldere positiekeuze, maar na verloop van tijd werden verschillende andere thema’s relevant, voor ons en voor de kunstwereld. Zo gingen we ons in toenemende mate toeleggen op identiteitspolitiek, wat ten dele te maken had met de groeiende twijfel in grote verhalen, zoals het marxistische model.

I.G.: Een doorgedreven focus op identiteitskwesties houdt wel het gevaar in dat het zicht op maatschappelijke, klasse- en economische verhoudingen verwatert. Dat probleem willen we in de nabije toekomst aan de orde stellen.

K.B.: Beantwoordt deze evolutie aan een ontwikkeling in uw houding tegenover kunst?

I.G.: In het begin waren we in hoge mate op onze hoede om kunst aan zichzelf over te laten, of als autonoom te beschouwen – wat ook de keuze voor specifieke referentiepunten en tradities met zich meebrengt. Onze houding was erop gericht kunst te demystifiëren en te analyseren in het licht van haar sociale functies. Maar gaandeweg concludeerden we dat het reducerend is om over kunst enkel in termen van contextuele functies te denken. Wat ook een erkenning betekent van de inherente wetmatigheden van kunst.

S.G.: Wanneer iemand het werk van een feministisch kunstenaar gebruikt om er alle variëteiten van feministische theorievorming op in kaart te brengen, vraag je je stilaan af of die kunst enkel een illustratie is van de theorie.

I.G.: Ook in onze taakomschrijving van de criticus deed zich een breuk voor. In 1990 stonden we zeer weigerachtig tegenover de idee dat de criticus een bemiddelaar is die de betekenis van een werk medieert of vertaalt naar de buitenwereld. Het leek ons belangrijker om het werk van een tekst te voorzien, om het in een logische culturele productie in te schrijven. Niet dat we ons nu weer als kunstbemiddelaars beschouwen, maar we erkennen de noodzaak om informatie te verstrekken en de actualiteit te volgen.

K.B.: Hoe gaat u daarbij te werk? Hoe komt u bijvoorbeeld tot de thema’s of labels die u met elk nummer verbindt?

I.G.: We hebben niet altijd zo’n thema.

S.G.: Voor de eerste nummers hadden we een heus programma opgesteld: high and low, social history, de kwestie van de andere. Zoals reeds gezegd, verschoof onze aandacht gaandeweg naar andere problematieken. We deden twee nummers over feminisme, één over sponsorship, het recentste nummer handelt over mode. Soms dienen de onderwerpen zich vanzelf aan. Andere keren gebeurt het net omgekeerd. We hebben een aantal artikels, mensen doen suggesties, we zien een paar tentoonstellingen en al die dingen samen blijken plots tot een thema uit te kristalliseren.

D.P.: Vreest u niet, door labels op de flap te zetten, dat u dingen belooft die het nummer niet kan waarmaken. Eén nummer heet bijvoorbeeld Versprechen Berlin, maar slechts in één artikel is er een directe link met het thema.

S.G.: We hadden van alles gepland voor dat nummer. Maar soms heb je een welomschreven idee over wat een benadering zou moeten zijn, en blijft die idee ergens halverwege hangen.

I.G.: Berlijn is geen geografisch centrum van eender wat, Berlijn gaat in hoge mate over projecties. Daarover probeerden we na te denken.

S.G.: Maar vaak zijn die labels louter pragmatisch.

I.G.: Tamelijk geïmproviseerd en intuitief. Zo zijn we naar adverteerders toe gedwongen om in het begin van het jaar met vier thema’s op de proppen te komen. Vaak maken we dan maar gebruik van werktitels. Voor het julinummer hadden we een titel die wat te lang was, en nu bevinden we ons in een vervelende situatie. We hebben namelijk geen idee hoe we dat nummer moeten noemen. (lacht)

K.B.: Soms gebruikt u metaforen als label.

I.G.: Zoals GruppenBeziehungZwänge (lacht). Zo’n dingen vinden we op de valreep uit. Een keer hebben we een associatief concept op de flap gezet, omdat we de ervaring hadden dat het nummer slechter verkoopt als er niets op staat.

S.G.: Klanten bellen en zeggen, ik wil dit nummer, het heet zus of zo. Dat onthoudt makkelijker dan een nummer met groene bolletjes op.

K.B.: In het voorwoord bespreekt u het thema soms in termen van die metafoor. Dat lijkt me gevaarlijk. Het kan best dat een tekst iets met een tweede te maken heeft, en deze vervolgens met een derde, maar dat betekent dan nog niet dat de drie een gemeenschappelijke basis hebben.

I.G.: Er is iets arbitrairs in de manier waarop we de artikels met elkaar verbinden. Maar waarom geen relaties leggen tussen zaken die op het eerste zicht niet bij elkaar horen? We zitten ons niet af te vragen hoe we die imaginaire constructie nu weer in elkaar zullen steken. In de voorwoorden doen we soms alsof. Dat is onze speeltuin. Dat gaat over verkopen, dus is elk compromis toegelaten.

S.G.: Mensen houden vaak meer van thematische nummers dan van mengelmoesjes. Ook met die verwachtingen moet je rekening houden. Bovendien is een zekere thematische oriëntatie nodig om te kunnen werken. Maar we zitten ons zeker niet uit te sloven om elk artikel in het thematische korset te wringen. Als u wilt, kunnen we dat doen.

 

II.2.

D.P.: Texte zur Kunst besteedt aandacht aan verschillende vormen van visuele cultuur, niet alleen beeldende kunst, maar ook mode, architectuur, media, enzovoort. Ik heb soms de indruk dat u deze domeinen als gelijkwaardige componenten beschouwt binnen het veld van de visuele cultuurproductie. Is dat zo? Wat is voor u de plaats van beeldende kunst in relatie tot deze andere domeinen?

S.G.: Die domeinen zijn gescheiden én ook weer niet. Wie ze als louter visuele fenomenen beschouwt, geeft heel wat specificiteit op. Beeldende kunst functioneert binnen specifieke economische structuren, wordt gerecipieerd in galeries of getoond in musea. Toch lijkt het ons moeilijk om een grens te trekken. Je kan geen hiërarchie aanbrengen en stellen dat schilderkunst essentieel verschillend is van, of waardevoller dan architectuur. Anderzijds is er dan weer een goede reden waarom we niet over popmuziek schrijven en we het enkel hebben over een bepaald soort film. Kunst houdt zich op in een veld dat bepaald wordt door specifieke institutionele kaders.

I.G.: In het begin waren we hevige voorstanders van een interdisciplinaire aanpak, omdat we tegen de idee wilden ingaan als zou kunst op essentialistische gronden een eigen statuut hebben. Maar na verloop van tijd moesten we wel inzien dat je die verschillende gebieden niet kan gelijkschakelen. Kunst wordt geproduceerd in een specifieke sfeer, al is dat geen autonoom eiland waar de eenzame kunstenaar zich ongeremd kan uitdrukken. Het interesseert me om die mythe te ontlopen en tot een herdefiniëring te komen van de autonomie-idee. Het door ons gepubliceerde essay van Rosalind Krauss was zo’n poging. Het hield ook een kritiek in op het inflatoire begrip ‘interdisciplinariteit’.

S.G.: Het goede aan cultural studies is dat het afrekende met grenzen die stoelden op een vastgeroeste autoriteit, en een ideologische houding weerspiegelden. Maar als je particuliere configuraties zoals kunstgeschiedenis, kunstkritiek, filmkritiek of architectuur schrapt, verlies je elk perspectief op de specifieke impact van een fenomeen.

I.G.: Je geeft ook de mogelijkheid van een zeer specifieke symbolische politiek uit handen.

D.P.: Als ik het goed begrijp, definieert u de specificiteit van de beeldende kunst voornamelijk in institutionele termen?

I.G.: Institutionele én economische.

S.G.: Het specifieke van de kunstwereld berust op vele dingen: institutionele aspecten, gewoontes, discourstypes. De fantasie van het kunstobject als iets autonooms vervult daarin een specifieke rol. De angst dat kunst gecompromitteerd wordt, delen we echter geenszins, want elke vorm van distributie gaat samen met bepaalde economische structuren. We sluiten aan bij Bourdieu’s denken over het culturele veld, door uit te gaan van de specificiteit van ons gebied, én ons terzelfder tijd te realiseren dat er een wisselwerking bestaat tussen dit ene veld en andere velden.

D.P.: Door de klemtoon te leggen op de analyse van institutionele, sociale, economische condities en op de receptievoorwaarden, kiest u een observatieplaats in de marge, ook wanneer u individuele oeuvres bespreekt – zoals bijvoorbeeld in stukken over Elke Krystufek of Yves Klein. Wordt op die manier niet de illusie in het leven geroepen dat het werk een loutere afgeleide is van bepaalde condities?

I.G.: Mechanistische formuleringen trachten we zeker te vermijden. In mijn stuk over Klein trachtte ik de sociale implicaties van Kleins technieken te onderzoeken – zonder Klein te beschouwen als iemand die gedoemd was om zus of zo te handelen. Een dusdanige visie op Klein was nog niet ontwikkeld, terwijl ik meende dat dit van belang was, zeker in het licht van de receptie van de Klein-tentoonstelling in Keulen, die deze probleemstelling onbesproken liet. Kleins gebruik van vrouwen werd enkel getheoretiseerd met een soort van slachtofferdiscours, waar ik evenmin mee akkoord ga.

S.G.: Mij lijkt het in elk geval interessant om de mechanismen te analyseren die kunstenaars op een gegeven moment belangrijk maken. In Oostenrijk bijvoorbeeld heb je steeds een zogenaamde vrouw-in-de-marge gehad. De recentste hype draaide rond Krystufek. Het stuk dat Christian Kravagna voor ons schreef, analyseerde dat fenomeen en trachtte uit te maken waarom Krystufek zo belangrijk werd. Als wij nu het enige tijdschrift in Duitsland waren, zou je ons eenzijdigheid kunnen verwijten. Maar dat is niet het geval.

D.P.: Feit is echter dat een werk zich weliswaar met bepaalde ambities en mechanismen identificeert, maar ze in dezelfde beweging ook tegen de haren strijkt, ze op zichzelf terugplooit. Een al te systematische focus op de context dreigt dat te negeren, en ik vraag me af of een verscherpte observatie van het kunstwerk deze tendens niet kan bevragen. Zou dat niet ook gepaard kunnen gaan met een poging om de autonomie van kunst niet enkel als de autonomie van een veld te lezen, maar ook vanuit structurele eigenschappen van het kunstwerk zelf?

I.G.: Ik denk dat het moeilijk is om over kunst te denken als een geïsoleerd object, onafhankelijk van zijn context.

D.P.: Zeker, maar waarom overgaan tot een polarisering van de autonomie ten opzichte van maatschappelijke condities? Moet de idee van de autonomie per se als het negatief van haar maatschappelijkheid worden gelezen? Mij lijkt dat de sociale betekenis juist in dit autonome moment schuilt, omdat daar de productie van betekenis op zichzelf wordt teruggeplooid.

I.G.: Er is uiteraard steeds een moment van onherleidbaarheid in kunst, een moment dat tussen de vingers glipt en dat je niet kan rationaliseren. Ik ga wel akkoord dat er wellicht een tendens in onze kritiek is om zo’n rationalisering door te voeren, om alles volledig tot zijn componenten te herleiden tot je de zaak volledig hebt opgelost en er niets overblijft. Maar het omgekeerde is mystificatie, wat nog meer te vermijden is, zeker in de Duitstalige context. We willen dus niet de idee van autonomie opgeven, maar de ideologische bagage ondervragen die deze idee met zich meesleept.

S.G.: Wij houden ons inderdaad niet bezig met de monografische beschrijving van een oeuvre. We analyseren hoe kunstenaars functioneren, hoe ze vermarkt worden, zonder dit enkel op te vatten in termen van kunst die in een systeem functioneert of erdoor gebruikt wordt. Door zo te werk te gaan, vervullen wij een supplementaire kritische functie. Natuurlijk zijn we ook beschuldigd omwille van die achter-de-coulissen benadering, dat demystifiërend trekje in ons betoog. Maar afgezien daarvan is ons enthousiasme over de notie ‘context’ ook wel afgenomen. In het begin was de contextualiteit in relatie tot kunst iets om op te hameren, maar je mag de context ook niet essentialiseren. Door de auteur meer in te tekst in te schrijven, kan tegen die tendens ingegaan worden. Mij werd kwalijk genomen dat ik Unter Geiern vanuit een ik-perspectief had geschreven. Ik moest die problematiek op die manier aanpakken, vond ik, anders was het een documentair verslag geworden, beschreven door een zogenaamde objectieve waarnemer, een outsider, terwijl ik een belanghebbende partij was – net als het tijdschrift overigens.

I.G.: De ongeschreven regel dat kunst gelegitimeerd moet worden vanuit een maatschappelijke noodzaak of een context, is een gevaarlijke en normatieve eis. Ik kan me dan ook voorstellen dat wij kunstenaars die gewoonlijk tot de context worden gereduceerd of vanuit het noodzakelijke verband met een context worden gelegitimeerd, op een compleet verschillende manier zouden benaderen, door ze bijvoorbeeld vanuit vormelijk oogpunt te analyseren. De laatste jaren hebben we gepoogd om de autonomie van het kunstwerk te herbepalen, en kunst niet te herleiden tot de verschillende functies die ze kan worden verondersteld te hebben. Toch verwerpen we daarmee niet de ideologie-kritische dimensie. Ik ben het eens met de noodzaak om meer over beide aspecten na te denken, de contextuele dimensie en de specifieke, inherente kenmerken van het kunstwerk, maar het zou conservatief zijn om functionalistische benaderingen zonder meer opzij te schuiven ten voordele van immanente.

K.B.: Het tijdschrift had dus meer energie kunnen investeren in het ontwikkelen van strategieën of in methodologische vragen die het kunstwerk an sich aangaan. Vragen als: hoe beschrijven we een kunstwerk?

I.G.: We gaan daarover een nummer maken. De titel wordt Methodenstreit.

S.G.: We zijn ons bewust geworden van de gegroeide afstand met sommige door ons geprefereerde invalshoeken. In zekere zin zijn we een aantal van onze Amerikaanse modellen aan het verbeurdverklaren. Dat leidt ons weer tot de vraag die u opwierp: wat is de plaats van het werk?

D.P.: Ik had graag nog een laatste punt aangesneden. U benadert kunst vaak in betekenispolitieke termen. Soms geeft u de indruk daarbij een activistische dimensie te ontwikkelen, als hoopt u dat kunst toch nog een emancipatorisch effect zou sorteren. U, Isabelle Graw, eindigt bijvoorbeeld een stuk over Barbara Kruger, de V-Girls en Mary Kelly door te stellen dat, ’terwijl de benadering van Kruger vrij publieksgericht is, Kelly en de V-girls meer complexe identiteitsbeelden aanbieden’. Op het einde suggereert u dat een combinatie van de complexe beelden van Kelly en de V-girls met de publiekswerkzame vorm van Kruger opportuun zou zijn.

I.G.: Noemt u dat activistisch?

D.P.: Uw voorstel op het einde is alleszins gesteld in termen van feedback, van publieke respons. Ik vraag me dan af in hoeverre u kunst beschouwt als visuele inzet in een politiek debat?

I.G.: Wij hebben interesse gekoesterd voor activistische initiatieven in de Verenigde Staten, maar we geloven niet in onmiddellijke effecten, tenminste toch niet meer. In het geval van het stuk over Kruger, de V-Girls en Kelly wilde ik de productieve feministische idee ‘het private is politiek’ ter discussie stellen, in relatie tot verschillende vrouwelijke kunstenaars die met die idee omgaan: enerzijds Kelly en de V-Girls, die het concept van het private hebben gecompliceerd, anderzijds Kruger, met haar pragmatische benadering van het politieke en het publieke, minder bekommerd om complexiteit en meer om effectiviteit. Dat was het kader. Mij leek het interessant, moest iemand over de twee aspecten samen nadenken, door met het private en het publieke om te gaan, in de plaats van enkel één aspect uit te werken. Die combinatie leek me een vruchtbare symbolische politiek. Nu kan een symbolische politiek uiteraard effecten sorteren, op symbolisch of op reëel niveau, zonder dat zoiets meetbaar is. Maar dat is nog geen oproep aan feministische kunstenaars om de wereld te veranderen. Wat u zegt over het retorische slot van die bijdrage, kan wel kloppen. Ik dacht niettemin dat een soort productief voorstel aan het slot nodig was.

S.G.: Er zijn mensen die een stuk activistischer ingesteld zijn dan wij. Wij zijn geïnteresseerd in kunstenaars met een specifieke praktijk.

I.G.: Niet in kunst als agit prop. Maar ik zou niet ontkennen dat artistieke praktijken een symbolische of reële impact hebben gehad, al zou ik het dubieus vinden als iemand zou trachten dat te meten, en zijn oordeel over kunst daarop zou afstemmmen.

 

Bij wijze van besluit

K.B.: Als u thans terugkijkt, beschouwt u het tijdschrift dan als een succes?

I.G.: Als een economisch succes, in die zin dat het nog bestaat. Onze auteurs worden echter niet betaald. Zij betalen de prijs.

S.G.: Toen we van start gingen, vonden we dat auteurs moesten worden betaald, maar dat bleek economisch niet haalbaar.

I.G.: Niettemin dragen we een verantwoordelijkheid, op politiek vlak, en op grond van onze betrokkenheid bij feministische, maatschappelijke analyses. Een forum waarop deze aspecten aan bod komen als een geïntegreerd deel van een discussie over kunst, is zeldzaam. Ik beschouw het als een succes dat we een plek hebben weten open te houden, waar teksten kunnen worden gepubliceerd die anders nooit verschenen zouden zijn. Daarin geslaagd te zijn in tijden van een verslechterd politiek klimaat, is een succes. Maar natuurlijk staan we erg kritisch tegenover de dingen die we gedaan of gepubliceerd hebben, dat hebt u waarschijnlijk al gemerkt.

K.B.: Hoe ziet u de toekomst?

S.G.: We verhuizen naar Berlijn en nemen het roer van de kunstwereld over. (lacht)

I.G.: Die verhuis heeft niets te maken met Berlijn als hoofdstad, wel met bepaalde mensen waarmee we willen werken omwille van hun politieke agenda en hun standpunten ten aanzien van bepaalde problemen. Net zozeer is het onze bekommernis om ons feministisch programma te continueren. We zullen onder meer een congres organiseren dat gewijd is aan de analyse van institutionele seksismen en bepaalde vormen van seksisme binnen de kunstwereld.

D.P.: U verwijst naar de agenda’s van bepaalde personen. Vormen de grenzen van het Duitse taalgebied een ernstige beperking, gesteld in termen van het bestand van auteurs dat u kan aanspreken.

I.G.: Het is eigenlijk erg moeilijk om auteurs te vinden die willen nadenken over problemen op de door ons geprefereerde manier. Je kan niet zeggen dat in Duitsland een heleboel mensen zich intens bezighouden met onze problematieken, wel integendeel, en steeds minder en minder. Dus als u in termen van succes of falen wil spreken: op dit vlak hebben we gefaald. We zijn er niet in geslaagd om een bredere kring van mensen te vormen die zich bekommeren om de kwesties die voor ons van belang zijn.

 

 

Het recentste nummer van Texte zur Kunst handelt over mode, met bijdragen van onder meer Andrew Ross, Stefan Germer, Josephine Pryde, Isabelle Graw en Lukas Duwenhögger. Texte zur Kunst, Gereonshof 30, 50670 Köln (221/139.04.45).

‘Esthetica, een buitenbeentje’

Inleiding

Els Desmedt (°1965) studeerde musicologie en filosofie aan de Universiteit Gent, en geeft sinds 1990 les in diverse Academies Muziek, Woord en Dans van het Deeltijds Kunstonderwijs. Eerst gaf ze Muzikale Cultuur, daarna en tot op vandaag Muziekgeschiedenis. Sinds 2002 werkt ze ook in het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) en geeft ze Esthetica aan de richtingen Latijn-Talen en Humane Talen (derde graad) van het Koninklijk Atheneum Voskenslaan te Gent. Over die laatste lesopdracht gaat het volgende gesprek.

 

Dirk Pültau/Koen Van Baelen: Kun je iets vertellen over het Atheneum Voskenslaan op het moment dat jij er aan de slag ging? In welke omstandigheden vatte jij je lesopdracht aan?

E.D.: Er was niets: geen handboeken, geen vast lokaal. De eerste tijd moest ik van de ene naar de andere klas verhuizen. Ik beschikte niet over een beamer of diaprojector. Er werd van mij verwacht dat ik het – onder meer – over beeldende kunst zou hebben, maar ik kon niets laten zien! Ik besloot dan maar om boeken naar de klas mee te brengen en ze te laten rondgaan. Eén keer, toen ik de David van Michelangelo wilde bespreken, heb ik een jongen verzocht om vooraan in de klas als ‘David’ te poseren. Zeer grappig, maar natuurlijk ook een beetje pijnlijk dat ik mijn toevlucht tot dit soort creatieve oplossingen moest nemen. Na een tijdje kreeg ik gelukkig een eigen lokaal mét beamer, maar het begin van mijn lesopdracht is moeizaam verlopen.

D.P./K.V.B.: Jouw school koos er wel voor om het – niet verplichte – vak Esthetica aan te bieden…

E.D.: Ja, maar dat moet je relativeren. Het vak Esthetica wordt op het Atheneum Voskenslaan enkel aangeboden in de richtingen Latijn-moderne talen en Humane Wetenschappen-talen. Alle andere richtingen – waaronder Grieks-Latijn, Grieks-wetenschappen, Latijn-wetenschappen, Latijn-wiskunde, Economie-moderne talen, Economie-wetenschappen… – blijven volledig van Esthetica verstoken. Je kan met andere woorden net zo goed stellen dat het Atheneum een negatieve keuze maakt: het kiest ervoor om het vak in deze richtingen niet aan te bieden. Vier uur Esthetica op een grote school met een populatie van 1300 leerlingen, dat is uiteindelijk bitter weinig.

D.P./K.V.B.: Esthetica is een multidisciplinair vak. De bedoeling is dat zowel beeldende kunst, architectuur en design, als dans, film en mode worden behandeld. Om dat allemaal aan bod te laten komen op één uurtje per week…

E.D.: Dat is onmogelijk, inderdaad. Volgens de leerplannen moet je de leerlingen van elke kunsttak laten ‘proeven’: een beetje fotografie, een beetje film, architectuur, design, schilderkunst… Het is dus niet de bedoeling dat je heel erg diep op de zaken ingaat, al probeer ik dat wel te doen.

D.P./K.V.B.: Hoe pak je dat aan?

E.D.: Door scherpe keuzes te maken en bijvoorbeeld een volledige les aan één welgekozen kunstwerk te besteden. Daarbij probeer ik de leerlingen vooral zin te geven in kunst.

D.P./K.V.B.: Kan je een voorbeeld geven?

E.D.: Een van mijn lessen gaat over het utopische in de muziek van Beethoven. Op welke manier vertolkt Beethoven de utopie van de Franse Revolutie, zo luidt de kernvraag van die les. Natuurlijk laat ik Beethovens negende symfonie dan horen en leg ik uit wat er in dat stuk gebeurt, hoe het in elkaar zit. Daarnaast laat ik echter ook fragmenten uit films over Beethoven zien, zoals Copying Beethoven of Immortal Beloved, waarbij ik zoveel mogelijk voor stukken kies die bij de inhoudelijke inzet van mijn les aansluiten. In de film Immortal Beloved, bijvoorbeeld, vlucht de jonge Beethoven weg van zijn tirannieke vader om op te gaan in een mooiere wereld, door het kijken naar de sterren. Op dat moment weerklinkt het bekende Ode an die Freude. Op die manier zorg ik ervoor dat de leerlingen geboeid raken en dat er iets blijft hangen van wat ik over dienen Beethoven vertel, zoals mijn leerlingen hem plegen te noemen.

D.P./K.V.B.: Houdt die aanpak niet het gevaar in dat het onderwerp in het luchtledige blijven hangen? Om een kunstwerk te begrijpen, moet je het in zijn historische context plaatsen…

E.D.: Ja, en daar is amper ruimte voor. Het vak is te breed en te alomvattend om historische lijnen te trekken. Bovendien wordt een historiserende benadering vandaag expliciet afgeraden. Tegenwoordig – en dat was al zo toen ik begon — zweert men bij een modulaire aanpak, waarbij je los van elke historische context op diverse onderwerpen of ‘items’ ingaat en — via allerlei thematische bruggetjes – van het ene naar het andere kunstwerk overspringt. Je kan die verschuiving heel goed aflezen aan de handboeken die voor het vak werden of worden gebruikt. Het oude handboek Van Altamira tot heden, een klassieker die tientallen herdrukken kende, is nog helemaal historisch-chronologisch opgebouwd. Die chronologische leidraad ontbreekt in de nieuwere leerboeken volledig. Uiteenlopende kunstwerken uit de meest diverse kunsthistorische periodes worden er aan elkaar gekoppeld, waarbij niet de historische periodes, maar allerlei thema’s – bijvoorbeeld ‘kunst als politiek pamflet’, ‘schoonheid in de kunst’, ‘het lichaam in de kunst’… – als bindmiddel fungeren. Het is totaal niet meer de bedoeling dat je kunsthistorische overzichten geeft. Het kunsthistorische is zelfs bijna taboe.

D.P./K.V.B.: Hoe ga je daarmee om?

E.D.: Door voet bij stuk te houden en historische context toe te voegen waar ik het nodig vind, hoe moeilijk en ‘ongewenst’ dat ook is. Als je Beethoven wil uitleggen, dan heb je Haydn en Mozart nodig – zij hebben de vormen ontwikkeld waarmee Beethoven werkt – en dus vertel ik iets over Haydn en Mozart, en over hoe Beethoven zich tot hen verhoudt. Ik smokkel kleine historisch deeloverzichtjes in mijn lessen binnen. Regelmatig vraag ik aan de leraren Geschiedenis van de school om mij de tijdslijn door te spelen waarmee zij hun lessen ondersteunen. Die kan ik dan gebruiken om de kunstwerken die ik bespreek in de tijd te situeren. Maar het blijft behelpen. De ironie is bovendien dat de leerplannen Esthetica van het ASO in het verleden onderwerpen suggereerden die je met een modulaire aanpak onmogelijk kan belichten en die nadrukkelijk vragen om een historisch perspectief. Het leerplan uit het eerste jaar dat ik in het ASO lesgaf – vandaag zijn er geen leerplannen meer in het Gemeenschapsonderwijs! – stelde bijvoorbeeld voor om het onderwerp ‘postmodernisme’ aan bod te laten komen. Het is zonneklaar dat je de geschiedenis van het modernisme moet kennen om uit te leggen wat postmodernisme is, maar dat wordt onmogelijk gemaakt door de aanpak die in dezelfde leerplannen en via de handboeken wordt gepromoot. Weet je wat ik zo leuk vind aan lesgeven in het Deeltijds Kunstonderwijs? In mijn cursus Muziekgeschiedenis van het DKO is er wél ruimte voor historische diepgang. Daar krijg ik wél de ruimte om Haydn, Mozart én Beethoven uit te leggen, en die componisten in een brede historische ontwikkeling te plaatsen. Heerlijk! Maar ik geef ook graag les in het ASO en ik aarzel niet om tegen de stroom op te roeien. Ik zou het doodzonde vinden dat leerlingen het Secundair verlaten zonder enig kunsthistorisch besef. 

D.P./K.V.B.: Een ander probleem hangt met het multidisciplinaire karakter van het vak samen. Jij bent opgeleid als musicologe en je hebt daarnaast aan projecten rond moderne beeldende kunst meegewerkt. Je bent dus goed geplaatst, maar geen enkele leraar heeft alle disciplines in de vingers, ook jij niet.

E.D.: Dat klopt. Over film weet ik bijvoorbeeld relatief weinig.

D.P./K.V.B.: Hoe los je dat op?

E.D.: Ik kies voor films die ik goed ken en waar ik een persoonlijke band mee heb. En ja, ik durf al eens vaker op een handboek terug te vallen. Is dat erg? Ik denk het niet. Per slot van rekening leid ik geen professionele kunsthistorici op. De ambities van het vak zijn relatief bescheiden.

D.P./K.V.B.: De school is niet verplicht om voor een complementair vak als Esthetica een examen in te richten, maar ze kan er wel voor kiezen om dat te doen. Hoe gaat het er bij jullie aan toe?

E.D.: Ik mag van de directie beslissen wat ik doe. En ik kies ervoor om een examen af te nemen, ook al besef ik dat het eindresultaat tijdens de deliberatie niet meetelt, aangezien het slechts om een complementair vak gaat dat niet verplicht moet worden ingericht door de school.

D.P./K.V.B.: Hoe is jouw examen opgevat?

E.D.: Het bestaat uit twee delen, die elk goed zijn voor de helft van de punten. Het eerste deel omvat een creatieve oefening. Ik vraag de leerlingen bijvoorbeeld om een creatieve herinterpretatie te maken van de Romantiek, waarbij ze zelf het medium mogen kiezen – film, fotografie, een tekening of een schilderij, het maakt niet uit. Bij zo’n opdracht krijgen ze een vrijheid die ze niet gewoon zijn in het ASO en die voor sommigen zelfs confronterend en verontrustend kan zijn. Het artistieke niveau van die proef vind ik daarbij van ondergeschikt belang. Ik ben tevreden als ik het gevoel heb dat de leerlingen een zoekproces hebben doorgemaakt.

D.P./K.V.B.: Eigenlijk ga je met die opdracht in tegen het louter beschouwelijke karakter van het vak, en zoek je aansluiting bij de – deels actief-creatieve, deels beschouwelijke – vakken Muzikale Opvoeding en Plastische Opvoeding uit de lagere graden van het ASO.

E.D.: Ja, en dat is een bewuste keuze. Ik denk dat jongeren óók – of misschien wel des te meer – op latere leeftijd de behoefte hebben om zich uit te drukken, zeker in een tijd waarin de nadruk steeds meer ligt op het ontwikkelen van ‘gerichte’ – economisch inzetbare – competenties. Vaak ervaren zij die nood ook zelf. Vorig jaar zaten er in mijn klas twee leerlingen die er door toedoen van mijn creatieve examenopdrachten als het ware opnieuw aan ‘herinnerd’ werden dat ze altijd al verzot waren geweest op tekenen – ze waren dat in de tussentijd gewoon ‘vergeten’. Vooral in het Gemeenschapsonderwijs zou men meer inspanningen mogen doen om in de latere jaren ruimte te scheppen voor creativiteit.

D.P./K.V.B.: Waaruit bestaat het tweede deel van het examen?

E.D.: Dat is schriftelijk opgevat. Ik vul het op wisselende manieren in. Soms bestaat de opdracht erin een schilderij te bespreken en historisch te situeren. Of ik toon de leerlingen één kunstwerk – een foto, een schilderij… – en ik vraag hen expliciet om er zeer lang naar te kijken en er zoveel mogelijk uit te halen. Daarbij kunnen ze gebruikmaken van de hulpvragen in een kijkwijzer, zoals ‘welke ritmische patronen herken je?’, ‘worden er complementaire kleuren gebruikt?’… Ik vind het uiterst belangrijk dat ze daar de tijd voor nemen, dat ze leren om bij een kunstwerk stil te staan. Ik wil die trage aandacht stimuleren. Daarbij formuleer ik de opdracht bewust zo algemeen mogelijk omdat ik wil dat de leerlingen het kunstwerk met open vizier tegemoet treden en de onzekerheid die met die confrontatie gepaard gaat aan den lijve ervaren. Eerlijk gezegd kan ik er ontzettend veel plezier aan beleven om die jongelui zo lang naar één beeld te zien turen. Het is voor jongeren in deze flitsende wereld heel moeilijk om tijd en aandacht voor iets op te brengen, maar het is van kapitaal belang dat ze dat leren.

D.P./K.V.B.: En wat verwacht je in dit deel van de leerlingen? Dat ze toetsbare feiten ophoesten of hun eigen interpretatie geven? Anders gezegd, hoe ga je om met de – bij kunst o zo moeilijke – balans tussen objectiveerbare feiten en subjectieve interpretatie?

E.D.: Als de leerlingen een bepaalde stijl of een bepaald schilderij in de tijd moeten situeren, dan verwacht ik een objectief antwoord. Maar bij de meer beschouwende oefening die ik zonet schetste ligt dat natuurlijk anders. In zulke gevallen zeg ik er altijd heel duidelijk bij: Opgepast, hier kan je fouten maken. Je kan verkeerd kijken. De leerlingen hebben het erg moeilijk om dat te aanvaarden. Ze staan vaak erg afwijzend tegenover de gedachte dat je óók ‘juist’ of ‘fout’ kan zitten als het over kunst gaat, en dat leidt weleens tot discussies. ‘Maar mevrouw, dat is toch mijn eigen mening!’: hoe vaak krijg ik dat niet te horen als ik hen op fouten tracht te wijzen.

D.P./K.V.B.: We leven in een tijd van meninkjes: elke mening is evenveel waard, zeker in het geval van de kunst…

E.D.: Vreselijk! Voor mijn leerlingen is iets mooi of lelijk, daarmee is de kous af. Argumenteren vinden ze overbodig. Ze kunnen zich dan ook nauwelijks voorstellen dat je je in kunst kan verdiepen, dat je erover kan lezen en er systematisch onderzoek naar kan doen. Ze accepteren niet dat de geïnformeerdheid en de grondigheid waarmee je het kunstwerk observeert en bestudeert, medebepalend is voor de ‘kwaliteit’ van je interpretatie en dat die nooit steekhoudend kan zijn als je je huiswerk niet hebt gemaakt. Dat is misschien wel een van de grootste problemen waar ik mee te maken krijg.

D.P./K.V.B.: En wat doe je daartegen?

E.D.: Twee dingen. Enerzijds ga ik altijd met hen in dialoog. Ik probeer te begrijpen waarom ze iets goed of slecht vinden, ik tracht ‘redenen’ en zo mogelijk ‘argumenten’ voor hun esthetisch oordeel boven water te krijgen. Op die manier worden zij er zich hopelijk van bewust dat dat oordeel op premissen stoelt die niet louter subjectief zijn. Anderzijds probeer ik hen op de mogelijkheid van een andere – meer gesteunde – interpretatie te wijzen, door bijvoorbeeld te tonen wat ze over het hoofd hebben gezien. Ook het langdurige kijken tijdens het examen waarover ik het net had, is een manier om hen ervan bewust te maken dat een meninkje niet volstaat.

D.P./K.V.B.: En werkt dat?

E.D.: Ja, eigenlijk wel. Ik maak me althans sterk dat het merendeel van de leerlingen mettertijd inziet dat kunst een studieobject kan zijn, of anders gezegd, dat kunst een serieuze zaak is – daar gaat het me namelijk om.

D.P./K.V.B.: Tot slot: hoe wordt het vak gewaardeerd door de directie, door collega’s, leerlingen, ouders?

E.D.: Mijn vorige directeur vergeleek de complementaire vakken – zoals Esthetica – met ‘bloemschikken’. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over! De huidige directeur staat er wel voor open, heb ik de indruk, al is het misschien overdreven te stellen dat hij er nadrukkelijk voor kiest – hij had het aantal uren Esthetica bij zijn aanstelling immers ook kunnen optrekken en daar heeft hij kennelijk niet aan gedacht. Maar hij gaat gelukkig niet zonder meer mee in de economische logica die stelt dat alle kennis moet ‘opbrengen’. Hij vindt het goed dat er een vak bestaat waarin leerlingen eens ‘op een andere manier naar de dingen kunnen kijken’. De leerlingen houden van Esthetica, denk ik. Ze appreciëren de totaal andere aanpak van het vak. Ze ervaren bij mij een vrijheid die ze elders niet krijgen. Ook heel wat collega’s staan er positief tegenover. Een wiskundeleraar op de school organiseert buiten de lessen uitstappen, naar jazz- en klassieke concerten, dansvoorstellingen enzovoort. Ik speel daar op in en stimuleer de leerlingen om zoveel mogelijk van zijn activiteitenprogramma mee te pikken. Binnen de school heb ik dus geen reden tot klagen. Alleen van de ouders hoor ik eigenlijk niets. Op de jaarlijkse contactmomenten heeft nog geen enkele ouder mij over het vak Esthetica aangesproken.

D.P./K.V.B.: Wat is jouw globale indruk over de toekomst van het vak?

E.D.: Daar ben ik niet zo optimistisch over. Ik heb de indruk dat de legitimiteit van het vak in de Vlaamse onderwijscontext steeds meer afbrokkelt. Dat geldt zeker voor het Gemeenschapsonderwijs, waar Esthetica traditioneel minder sterk staat; maar ook in het katholieke onderwijs wordt het vak steeds meer in vraag gesteld – dat hoor ik onder meer van mijn man, die directeur is van een katholieke school in Antwerpen.  

D.P./K.V.B.: De Vlaamse Overheid startte enkele jaren geleden met het project Cultuur in de Spiegel Vlaanderen, dat cultuur meer aanwezig moet maken in het onderwijs. De grondgedachte is dat ‘cultuur’ — want over kunst gaat het niet meer – zo’n beetje in alle vakken zou worden geïntegreerd.

E.D.: Ik geloof niet in zo’n homeopathisch verdund esthetica- of cultuuronderwijs. Hoe ga je verifiëren of leerkrachten die creatieve, artistieke of culturele dimensie serieus nemen?

D.P./K.V.B.: In principe zou dat moeten gebeuren via de zogenaamde vakoverschrijdende termen (VOETen). Die zijn in 1997 ingevoerd en omvatten in hun huidige versie ook één eindterm over kunst: ‘Kunstgerelateerde cultuurexploratie als onderdeel van een sociale identiteit, sociale interactie en maatschappelijke participatie. Door bewust om te gaan met kunst, media en erfgoed vat krijgen op zowel individuele als sociale leerprocessen, is hierbij de boodschap.’

E.D.: De VOETen lijken me een erg zwak en vaag controle-instrument. Leerkrachten kunnen in hun jaarplan gewoon aankruisen aan welke vakoverschrijdende eindtermen ze aandacht hebben besteed. Ze hoeven dat niet te verantwoorden en kunnen de desbetreffende ‘verplichting’ dus makkelijk negeren. Zelf hoef ik me ook niet uitgebreid te verantwoorden, te meer omdat de onderwijsinspectie nooit enige belangstelling heeft betoond voor mijn vak. In de twaalf jaar dat ik het geef heb ik nog geen enkele inspecteur over de vloer gekregen. Meer zelfs, een inspecteur fluisterde me ooit toe dat ik op beide oren kon slapen: ik zou nooit worden gecontroleerd! Is dat het officiële beleid? Ik weet het niet. Ik vind het best aangenaam, al zal het ook wel veel misbruiken met zich meebrengen.

D.P./K.V.B.: Als je weet dat het vak Esthetica vaak gegeven wordt door leerkrachten die geen Kunstwetenschappen gestudeerd hebben, is inspectie allicht niet overbodig.

E.D.: Dat mag je wel zeggen.

D.P./K.V.B.: Conclusie: de ‘esthetische opvoeding’ van onze jongeren hangt helemaal af van de goodwill van de scholen en van de individuele leerkrachten, als die er zijn tenminste.

E.D.: Ik zal jullie een anekdote vertellen die me werd toevertrouwd door een collega, een heel toegewijde kunsthistoricus die al zo’n dertig jaar Esthetica geeft. Tijdens de deliberaties op zijn school gebeurt het soms dat een leerling voor een zogenaamd belangrijk vak – bijvoorbeeld Economie in de richting Economie-Talen – een paar percentjes tekortkomt. Wat doet men dan? Men gaat die punten bij het vak Esthetica halen! Je ziet, het is een speciaal vak, Esthetica, een buitenbeentje.

 

Transcriptie: Wim Lievens

‘Esthetica, een buitenbeentje’

Inleiding

Els Desmedt (°1965) studeerde musicologie en filosofie aan de Universiteit Gent, en geeft sinds 1990 les in diverse Academies Muziek, Woord en Dans van het Deeltijds Kunstonderwijs. Eerst gaf ze Muzikale Cultuur, daarna en tot op vandaag Muziekgeschiedenis. Sinds 2002 werkt ze ook in het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) en geeft ze Esthetica aan de richtingen Latijn-Talen en Humane Talen (derde graad) van het Koninklijk Atheneum Voskenslaan te Gent. Over die laatste lesopdracht gaat het volgende gesprek.

 

Dirk Pültau/Koen Van Baelen: Kun je iets vertellen over het Atheneum Voskenslaan op het moment dat jij er aan de slag ging? In welke omstandigheden vatte jij je lesopdracht aan?

E.D.: Er was niets: geen handboeken, geen vast lokaal. De eerste tijd moest ik van de ene naar de andere klas verhuizen. Ik beschikte niet over een beamer of diaprojector. Er werd van mij verwacht dat ik het – onder meer – over beeldende kunst zou hebben, maar ik kon niets laten zien! Ik besloot dan maar om boeken naar de klas mee te brengen en ze te laten rondgaan. Eén keer, toen ik de David van Michelangelo wilde bespreken, heb ik een jongen verzocht om vooraan in de klas als ‘David’ te poseren. Zeer grappig, maar natuurlijk ook een beetje pijnlijk dat ik mijn toevlucht tot dit soort creatieve oplossingen moest nemen. Na een tijdje kreeg ik gelukkig een eigen lokaal mét beamer, maar het begin van mijn lesopdracht is moeizaam verlopen.

D.P./K.V.B.: Jouw school koos er wel voor om het – niet verplichte – vak Esthetica aan te bieden…

E.D.: Ja, maar dat moet je relativeren. Het vak Esthetica wordt op het Atheneum Voskenslaan enkel aangeboden in de richtingen Latijn-moderne talen en Humane Wetenschappen-talen. Alle andere richtingen – waaronder Grieks-Latijn, Grieks-wetenschappen, Latijn-wetenschappen, Latijn-wiskunde, Economie-moderne talen, Economie-wetenschappen… – blijven volledig van Esthetica verstoken. Je kan met andere woorden net zo goed stellen dat het Atheneum een negatieve keuze maakt: het kiest ervoor om het vak in deze richtingen niet aan te bieden. Vier uur Esthetica op een grote school met een populatie van 1300 leerlingen, dat is uiteindelijk bitter weinig.

D.P./K.V.B.: Esthetica is een multidisciplinair vak. De bedoeling is dat zowel beeldende kunst, architectuur en design, als dans, film en mode worden behandeld. Om dat allemaal aan bod te laten komen op één uurtje per week…

E.D.: Dat is onmogelijk, inderdaad. Volgens de leerplannen moet je de leerlingen van elke kunsttak laten ‘proeven’: een beetje fotografie, een beetje film, architectuur, design, schilderkunst… Het is dus niet de bedoeling dat je heel erg diep op de zaken ingaat, al probeer ik dat wel te doen.

D.P./K.V.B.: Hoe pak je dat aan?

E.D.: Door scherpe keuzes te maken en bijvoorbeeld een volledige les aan één welgekozen kunstwerk te besteden. Daarbij probeer ik de leerlingen vooral zin te geven in kunst.

D.P./K.V.B.: Kan je een voorbeeld geven?

E.D.: Een van mijn lessen gaat over het utopische in de muziek van Beethoven. Op welke manier vertolkt Beethoven de utopie van de Franse Revolutie, zo luidt de kernvraag van die les. Natuurlijk laat ik Beethovens negende symfonie dan horen en leg ik uit wat er in dat stuk gebeurt, hoe het in elkaar zit. Daarnaast laat ik echter ook fragmenten uit films over Beethoven zien, zoals Copying Beethoven of Immortal Beloved, waarbij ik zoveel mogelijk voor stukken kies die bij de inhoudelijke inzet van mijn les aansluiten. In de film Immortal Beloved, bijvoorbeeld, vlucht de jonge Beethoven weg van zijn tirannieke vader om op te gaan in een mooiere wereld, door het kijken naar de sterren. Op dat moment weerklinkt het bekende Ode an die Freude. Op die manier zorg ik ervoor dat de leerlingen geboeid raken en dat er iets blijft hangen van wat ik over dienen Beethoven vertel, zoals mijn leerlingen hem plegen te noemen.

D.P./K.V.B.: Houdt die aanpak niet het gevaar in dat het onderwerp in het luchtledige blijven hangen? Om een kunstwerk te begrijpen, moet je het in zijn historische context plaatsen…

E.D.: Ja, en daar is amper ruimte voor. Het vak is te breed en te alomvattend om historische lijnen te trekken. Bovendien wordt een historiserende benadering vandaag expliciet afgeraden. Tegenwoordig – en dat was al zo toen ik begon — zweert men bij een modulaire aanpak, waarbij je los van elke historische context op diverse onderwerpen of ‘items’ ingaat en — via allerlei thematische bruggetjes – van het ene naar het andere kunstwerk overspringt. Je kan die verschuiving heel goed aflezen aan de handboeken die voor het vak werden of worden gebruikt. Het oude handboek Van Altamira tot heden, een klassieker die tientallen herdrukken kende, is nog helemaal historisch-chronologisch opgebouwd. Die chronologische leidraad ontbreekt in de nieuwere leerboeken volledig. Uiteenlopende kunstwerken uit de meest diverse kunsthistorische periodes worden er aan elkaar gekoppeld, waarbij niet de historische periodes, maar allerlei thema’s – bijvoorbeeld ‘kunst als politiek pamflet’, ‘schoonheid in de kunst’, ‘het lichaam in de kunst’… – als bindmiddel fungeren. Het is totaal niet meer de bedoeling dat je kunsthistorische overzichten geeft. Het kunsthistorische is zelfs bijna taboe.

D.P./K.V.B.: Hoe ga je daarmee om?

E.D.: Door voet bij stuk te houden en historische context toe te voegen waar ik het nodig vind, hoe moeilijk en ‘ongewenst’ dat ook is. Als je Beethoven wil uitleggen, dan heb je Haydn en Mozart nodig – zij hebben de vormen ontwikkeld waarmee Beethoven werkt – en dus vertel ik iets over Haydn en Mozart, en over hoe Beethoven zich tot hen verhoudt. Ik smokkel kleine historisch deeloverzichtjes in mijn lessen binnen. Regelmatig vraag ik aan de leraren Geschiedenis van de school om mij de tijdslijn door te spelen waarmee zij hun lessen ondersteunen. Die kan ik dan gebruiken om de kunstwerken die ik bespreek in de tijd te situeren. Maar het blijft behelpen. De ironie is bovendien dat de leerplannen Esthetica van het ASO in het verleden onderwerpen suggereerden die je met een modulaire aanpak onmogelijk kan belichten en die nadrukkelijk vragen om een historisch perspectief. Het leerplan uit het eerste jaar dat ik in het ASO lesgaf – vandaag zijn er geen leerplannen meer in het Gemeenschapsonderwijs! – stelde bijvoorbeeld voor om het onderwerp ‘postmodernisme’ aan bod te laten komen. Het is zonneklaar dat je de geschiedenis van het modernisme moet kennen om uit te leggen wat postmodernisme is, maar dat wordt onmogelijk gemaakt door de aanpak die in dezelfde leerplannen en via de handboeken wordt gepromoot. Weet je wat ik zo leuk vind aan lesgeven in het Deeltijds Kunstonderwijs? In mijn cursus Muziekgeschiedenis van het DKO is er wél ruimte voor historische diepgang. Daar krijg ik wél de ruimte om Haydn, Mozart én Beethoven uit te leggen, en die componisten in een brede historische ontwikkeling te plaatsen. Heerlijk! Maar ik geef ook graag les in het ASO en ik aarzel niet om tegen de stroom op te roeien. Ik zou het doodzonde vinden dat leerlingen het Secundair verlaten zonder enig kunsthistorisch besef. 

D.P./K.V.B.: Een ander probleem hangt met het multidisciplinaire karakter van het vak samen. Jij bent opgeleid als musicologe en je hebt daarnaast aan projecten rond moderne beeldende kunst meegewerkt. Je bent dus goed geplaatst, maar geen enkele leraar heeft alle disciplines in de vingers, ook jij niet.

E.D.: Dat klopt. Over film weet ik bijvoorbeeld relatief weinig.

D.P./K.V.B.: Hoe los je dat op?

E.D.: Ik kies voor films die ik goed ken en waar ik een persoonlijke band mee heb. En ja, ik durf al eens vaker op een handboek terug te vallen. Is dat erg? Ik denk het niet. Per slot van rekening leid ik geen professionele kunsthistorici op. De ambities van het vak zijn relatief bescheiden.

D.P./K.V.B.: De school is niet verplicht om voor een complementair vak als Esthetica een examen in te richten, maar ze kan er wel voor kiezen om dat te doen. Hoe gaat het er bij jullie aan toe?

E.D.: Ik mag van de directie beslissen wat ik doe. En ik kies ervoor om een examen af te nemen, ook al besef ik dat het eindresultaat tijdens de deliberatie niet meetelt, aangezien het slechts om een complementair vak gaat dat niet verplicht moet worden ingericht door de school.

D.P./K.V.B.: Hoe is jouw examen opgevat?

E.D.: Het bestaat uit twee delen, die elk goed zijn voor de helft van de punten. Het eerste deel omvat een creatieve oefening. Ik vraag de leerlingen bijvoorbeeld om een creatieve herinterpretatie te maken van de Romantiek, waarbij ze zelf het medium mogen kiezen – film, fotografie, een tekening of een schilderij, het maakt niet uit. Bij zo’n opdracht krijgen ze een vrijheid die ze niet gewoon zijn in het ASO en die voor sommigen zelfs confronterend en verontrustend kan zijn. Het artistieke niveau van die proef vind ik daarbij van ondergeschikt belang. Ik ben tevreden als ik het gevoel heb dat de leerlingen een zoekproces hebben doorgemaakt.

D.P./K.V.B.: Eigenlijk ga je met die opdracht in tegen het louter beschouwelijke karakter van het vak, en zoek je aansluiting bij de – deels actief-creatieve, deels beschouwelijke – vakken Muzikale Opvoeding en Plastische Opvoeding uit de lagere graden van het ASO.

E.D.: Ja, en dat is een bewuste keuze. Ik denk dat jongeren óók – of misschien wel des te meer – op latere leeftijd de behoefte hebben om zich uit te drukken, zeker in een tijd waarin de nadruk steeds meer ligt op het ontwikkelen van ‘gerichte’ – economisch inzetbare – competenties. Vaak ervaren zij die nood ook zelf. Vorig jaar zaten er in mijn klas twee leerlingen die er door toedoen van mijn creatieve examenopdrachten als het ware opnieuw aan ‘herinnerd’ werden dat ze altijd al verzot waren geweest op tekenen – ze waren dat in de tussentijd gewoon ‘vergeten’. Vooral in het Gemeenschapsonderwijs zou men meer inspanningen mogen doen om in de latere jaren ruimte te scheppen voor creativiteit.

D.P./K.V.B.: Waaruit bestaat het tweede deel van het examen?

E.D.: Dat is schriftelijk opgevat. Ik vul het op wisselende manieren in. Soms bestaat de opdracht erin een schilderij te bespreken en historisch te situeren. Of ik toon de leerlingen één kunstwerk – een foto, een schilderij… – en ik vraag hen expliciet om er zeer lang naar te kijken en er zoveel mogelijk uit te halen. Daarbij kunnen ze gebruikmaken van de hulpvragen in een kijkwijzer, zoals ‘welke ritmische patronen herken je?’, ‘worden er complementaire kleuren gebruikt?’… Ik vind het uiterst belangrijk dat ze daar de tijd voor nemen, dat ze leren om bij een kunstwerk stil te staan. Ik wil die trage aandacht stimuleren. Daarbij formuleer ik de opdracht bewust zo algemeen mogelijk omdat ik wil dat de leerlingen het kunstwerk met open vizier tegemoet treden en de onzekerheid die met die confrontatie gepaard gaat aan den lijve ervaren. Eerlijk gezegd kan ik er ontzettend veel plezier aan beleven om die jongelui zo lang naar één beeld te zien turen. Het is voor jongeren in deze flitsende wereld heel moeilijk om tijd en aandacht voor iets op te brengen, maar het is van kapitaal belang dat ze dat leren.

D.P./K.V.B.: En wat verwacht je in dit deel van de leerlingen? Dat ze toetsbare feiten ophoesten of hun eigen interpretatie geven? Anders gezegd, hoe ga je om met de – bij kunst o zo moeilijke – balans tussen objectiveerbare feiten en subjectieve interpretatie?

E.D.: Als de leerlingen een bepaalde stijl of een bepaald schilderij in de tijd moeten situeren, dan verwacht ik een objectief antwoord. Maar bij de meer beschouwende oefening die ik zonet schetste ligt dat natuurlijk anders. In zulke gevallen zeg ik er altijd heel duidelijk bij: Opgepast, hier kan je fouten maken. Je kan verkeerd kijken. De leerlingen hebben het erg moeilijk om dat te aanvaarden. Ze staan vaak erg afwijzend tegenover de gedachte dat je óók ‘juist’ of ‘fout’ kan zitten als het over kunst gaat, en dat leidt weleens tot discussies. ‘Maar mevrouw, dat is toch mijn eigen mening!’: hoe vaak krijg ik dat niet te horen als ik hen op fouten tracht te wijzen.

D.P./K.V.B.: We leven in een tijd van meninkjes: elke mening is evenveel waard, zeker in het geval van de kunst…

E.D.: Vreselijk! Voor mijn leerlingen is iets mooi of lelijk, daarmee is de kous af. Argumenteren vinden ze overbodig. Ze kunnen zich dan ook nauwelijks voorstellen dat je je in kunst kan verdiepen, dat je erover kan lezen en er systematisch onderzoek naar kan doen. Ze accepteren niet dat de geïnformeerdheid en de grondigheid waarmee je het kunstwerk observeert en bestudeert, medebepalend is voor de ‘kwaliteit’ van je interpretatie en dat die nooit steekhoudend kan zijn als je je huiswerk niet hebt gemaakt. Dat is misschien wel een van de grootste problemen waar ik mee te maken krijg.

D.P./K.V.B.: En wat doe je daartegen?

E.D.: Twee dingen. Enerzijds ga ik altijd met hen in dialoog. Ik probeer te begrijpen waarom ze iets goed of slecht vinden, ik tracht ‘redenen’ en zo mogelijk ‘argumenten’ voor hun esthetisch oordeel boven water te krijgen. Op die manier worden zij er zich hopelijk van bewust dat dat oordeel op premissen stoelt die niet louter subjectief zijn. Anderzijds probeer ik hen op de mogelijkheid van een andere – meer gesteunde – interpretatie te wijzen, door bijvoorbeeld te tonen wat ze over het hoofd hebben gezien. Ook het langdurige kijken tijdens het examen waarover ik het net had, is een manier om hen ervan bewust te maken dat een meninkje niet volstaat.

D.P./K.V.B.: En werkt dat?

E.D.: Ja, eigenlijk wel. Ik maak me althans sterk dat het merendeel van de leerlingen mettertijd inziet dat kunst een studieobject kan zijn, of anders gezegd, dat kunst een serieuze zaak is – daar gaat het me namelijk om.

D.P./K.V.B.: Tot slot: hoe wordt het vak gewaardeerd door de directie, door collega’s, leerlingen, ouders?

E.D.: Mijn vorige directeur vergeleek de complementaire vakken – zoals Esthetica – met ‘bloemschikken’. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over! De huidige directeur staat er wel voor open, heb ik de indruk, al is het misschien overdreven te stellen dat hij er nadrukkelijk voor kiest – hij had het aantal uren Esthetica bij zijn aanstelling immers ook kunnen optrekken en daar heeft hij kennelijk niet aan gedacht. Maar hij gaat gelukkig niet zonder meer mee in de economische logica die stelt dat alle kennis moet ‘opbrengen’. Hij vindt het goed dat er een vak bestaat waarin leerlingen eens ‘op een andere manier naar de dingen kunnen kijken’. De leerlingen houden van Esthetica, denk ik. Ze appreciëren de totaal andere aanpak van het vak. Ze ervaren bij mij een vrijheid die ze elders niet krijgen. Ook heel wat collega’s staan er positief tegenover. Een wiskundeleraar op de school organiseert buiten de lessen uitstappen, naar jazz- en klassieke concerten, dansvoorstellingen enzovoort. Ik speel daar op in en stimuleer de leerlingen om zoveel mogelijk van zijn activiteitenprogramma mee te pikken. Binnen de school heb ik dus geen reden tot klagen. Alleen van de ouders hoor ik eigenlijk niets. Op de jaarlijkse contactmomenten heeft nog geen enkele ouder mij over het vak Esthetica aangesproken.

D.P./K.V.B.: Wat is jouw globale indruk over de toekomst van het vak?

E.D.: Daar ben ik niet zo optimistisch over. Ik heb de indruk dat de legitimiteit van het vak in de Vlaamse onderwijscontext steeds meer afbrokkelt. Dat geldt zeker voor het Gemeenschapsonderwijs, waar Esthetica traditioneel minder sterk staat; maar ook in het katholieke onderwijs wordt het vak steeds meer in vraag gesteld – dat hoor ik onder meer van mijn man, die directeur is van een katholieke school in Antwerpen.  

D.P./K.V.B.: De Vlaamse Overheid startte enkele jaren geleden met het project Cultuur in de Spiegel Vlaanderen, dat cultuur meer aanwezig moet maken in het onderwijs. De grondgedachte is dat ‘cultuur’ — want over kunst gaat het niet meer – zo’n beetje in alle vakken zou worden geïntegreerd.

E.D.: Ik geloof niet in zo’n homeopathisch verdund esthetica- of cultuuronderwijs. Hoe ga je verifiëren of leerkrachten die creatieve, artistieke of culturele dimensie serieus nemen?

D.P./K.V.B.: In principe zou dat moeten gebeuren via de zogenaamde vakoverschrijdende termen (VOETen). Die zijn in 1997 ingevoerd en omvatten in hun huidige versie ook één eindterm over kunst: ‘Kunstgerelateerde cultuurexploratie als onderdeel van een sociale identiteit, sociale interactie en maatschappelijke participatie. Door bewust om te gaan met kunst, media en erfgoed vat krijgen op zowel individuele als sociale leerprocessen, is hierbij de boodschap.’

E.D.: De VOETen lijken me een erg zwak en vaag controle-instrument. Leerkrachten kunnen in hun jaarplan gewoon aankruisen aan welke vakoverschrijdende eindtermen ze aandacht hebben besteed. Ze hoeven dat niet te verantwoorden en kunnen de desbetreffende ‘verplichting’ dus makkelijk negeren. Zelf hoef ik me ook niet uitgebreid te verantwoorden, te meer omdat de onderwijsinspectie nooit enige belangstelling heeft betoond voor mijn vak. In de twaalf jaar dat ik het geef heb ik nog geen enkele inspecteur over de vloer gekregen. Meer zelfs, een inspecteur fluisterde me ooit toe dat ik op beide oren kon slapen: ik zou nooit worden gecontroleerd! Is dat het officiële beleid? Ik weet het niet. Ik vind het best aangenaam, al zal het ook wel veel misbruiken met zich meebrengen.

D.P./K.V.B.: Als je weet dat het vak Esthetica vaak gegeven wordt door leerkrachten die geen Kunstwetenschappen gestudeerd hebben, is inspectie allicht niet overbodig.

E.D.: Dat mag je wel zeggen.

D.P./K.V.B.: Conclusie: de ‘esthetische opvoeding’ van onze jongeren hangt helemaal af van de goodwill van de scholen en van de individuele leerkrachten, als die er zijn tenminste.

E.D.: Ik zal jullie een anekdote vertellen die me werd toevertrouwd door een collega, een heel toegewijde kunsthistoricus die al zo’n dertig jaar Esthetica geeft. Tijdens de deliberaties op zijn school gebeurt het soms dat een leerling voor een zogenaamd belangrijk vak – bijvoorbeeld Economie in de richting Economie-Talen – een paar percentjes tekortkomt. Wat doet men dan? Men gaat die punten bij het vak Esthetica halen! Je ziet, het is een speciaal vak, Esthetica, een buitenbeentje.

 

Transcriptie: Wim Lievens

1996-2000: het eindspel

Wat voorafging

In het najaar van 1957 werd te Gent de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (V.M.H.K.) opgericht. [*] Onder leiding van haar opeenvolgende voorzitters – Karel Geirlandt (1957-1974), Roger Matthys (1974-1979) en Marc De Cock (1979-1995) – timmerde de V.M.H.K. aan de weg. Tal van activiteiten werden georganiseerd om de zaak van de hedendaagse kunst te dienen: tentoonstellingen, lezingen, debatten, excursies en de uitgave van grafiek. Met het oog op de oprichting van een Museum van Hedendaagse Kunst (M.H.K.) werd tevens een verzameling uitgebouwd, met topstukken zoals Concetto spaziale (1966) van Lucio Fontana, Two Hearts (Opera) (1970) van Jim Dine, Petrus-Paulus-Rubens (1973) van Marcel Broodthaers en Sixtyseventh Copper Cardinal (1974) van Carl Andre.

In 1975 werd het statutaire doel van de V.M.H.K. eindelijk bereikt. Achttien jaar na de stichting van de Vereniging zag het Museum van Hedendaagse Kunst het levenslicht. De 39-jarige kunsthistoricus Jan Hoet kreeg de leiding over een instelling die voorlopig gehuisvest was in het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.). Pas op het einde van 1993 werd een oplossing voor deze onhoudbare situatie in het vooruitzicht gesteld. Het Gentse College van Burgemeester en Schepenen besliste om het M.H.K. onder te brengen in het Casinogebouw op de Floraliënsite, recht tegenover het M.S.K. Voor de verbouwing werd een beroep gedaan op stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse. Vooraleer de renovatiewerkzaamheden aanvingen, werd werk gemaakt van een nieuw depot voor het M.H.K. in een ruimte naast het Casino.

Kort nadat de verbouwingsplannen in 1995 waren gepresenteerd, kwam er onder druk van Jan Hoet een einde aan het mandaat van Marc De Cock als voorzitter van de V.M.H.K. De voorzittershamer kwam in handen van Dirk Schutyser. Het was niet het enige signaal dat de conservator streefde naar een andere relatie tussen de Vereniging en het Museum. Eveneens in 1995 werd in de schoot van de V.M.H.K. een stichting opgericht die de bedrijfswereld warm moest maken voor het sponsoren van het Museum.

 

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In de herfst van 1996 verlaat het Museum van Hedendaagse Kunst haar lokalen in het M.S.K. om zijn intrek te nemen in de inmiddels opgeleverde depotruimte naast het Casino. Ook de Vereniging maakt de oversteek naar de Floraliënsite. Hoe heb jij die verhuis beleefd?

Marc De Cock: Ik heb er niet aan meegewerkt. Vanaf het najaar van 1995 beperkte mijn engagement zich tot het bijwonen van de vergaderingen van de raad van beheer van de V.M.H.K. Dat de museummedewerkers en de personeelsleden en vrijwilligers van de Vereniging voortaan in een en dezelfde ruimte zouden werken, vond ik geen goede ontwikkeling.

K.B./D.P.: Uit verslagen van de raad van beheer van de V.M.H.K. die we hebben kunnen consulteren in het archief van Roger Matthys blijkt dat de spanningen tussen de Vereniging en Jan Hoet gauw hoog opliepen. Steen des aanstoots was het autonome expositieprogramma van de Vereniging.

M.D.C.: Dat de V.M.H.K. zelf tentoonstellingen op poten zette, ergerde Hoet reeds geruime tijd. De raad van beheer hield echter voet bij stuk. Een meerderheid van de bestuurders vond dat aan de traditie van een eigen programma niet mocht worden getornd.

K.B./D.P.: Uiteindelijk werd een commissie gevormd om een voorstel in verband met het tentoonstellingsprogramma uit te werken. De commissie bestond uit museummedewerkers – Hans Martens en Bart De Baere – en leden van de V.M.H.K. – Philippe Kempeneers, Dirk Schutyser en Marc Van de Velde.

M.D.C.: De autonomie van de Vereniging kreeg een serieuze deuk. Voordien waren weliswaar reeds exposities op aangeven van Hoet en zijn stafleden in de ruimte van de Vereniging tot stand gekomen, maar het was ongezien dat museummedewerkers op permanente basis vorm zouden geven aan het programma van de Vereniging.

K.B./D.P.: In de depotruimte van het M.H.K. vond op het einde van 1996 de tentoonstelling De Rode Poort plaats. Voor het eerst kreeg het publiek de kans om de nieuwe opslagruimte te bezoeken — tevens een kennismaking met de Floraliënsite waar de verbouwing van het Casino werd voorbereid. Welke herinnering heb jij aan die tentoonstelling?

M.D.C.: Mij is vooral het spektakelgehalte van De Rode Poort bijgebleven. De Chinese kunstenaar Cai Guo-Qiang ontstak een vuurwerk in de tentoonstellingsruimte. Er waren performances. Het was een indrukwekkend gebeuren.

K.B./D.P.: Uit het verslag van de raad van beheer d.d. 10 juni 1997 blijkt dat reeds in de lente van 1997 gesprekken hebben plaatsgevonden met het Gentse College van Burgemeester en Schepenen over de opvolging van Jan Hoet als conservator van het Museum van Hedendaagse Kunst. Hoet was toen nog vier jaar verwijderd van zijn pensioen. Waarom werd zijn opvolging reeds geagendeerd in 1997?

M.D.C.: Bij die besprekingen met Burgemeester Beke was ik niet aanwezig. Ik herinner me wel dat Hoets afscheid vaak onderwerp van gesprek was in de raad van beheer.

K.B./D.P.: In diezelfde vergadering werd ook overlegd over een studieopdracht rond het behoud en het beheer van hedendaagse kunst. Minister van Cultuur Luc Martens wilde die opdracht toevertrouwen aan de V.M.H.K. Waarom werd de Vereniging hiervoor aangezocht?

M.D.C.: Toen de Vlaamse Gemeenschap beslist had om de verbouwing van het Casino te subsidiëren, was de Vereniging benaderd om de toegezegde middelen te beheren — 35 miljoen Belgische frank [875.000 €]. In verband met de studieopdracht werd dezelfde constructie opgezet. Het onderzoek werd verricht onder leiding van museummedewerkers, maar de financiële afhandeling kwam voor rekening van de Vereniging. Ook voor de externe opdrachten van Jan Hoet fungeerde de Vereniging steeds vaker als doorgeefluik. Onproblematisch was dit niet: de Vereniging diende steeds meer financiële middelen te beheren waarover het geen zeggenschap had. De financiële verwevenheid tussen Museum en Vereniging werd steeds groter, de boekhouding van de V.M.H.K. almaar complexer. Omdat het voeren van de boekhouding steeds hogere eisen stelde, werd beslist om deze uit te besteden. Omstreeks die tijd werd ook af en toe geopperd dat de V.M.H.K. beter zou worden geleid door een manager.

K.B./D.P.: Niet alleen het Museum was vragende partij om gelden via de Vereniging naar het Museum te sluizen, ook de Vlaamse Gemeenschap was die oplossing blijkbaar genegen. Welke houding nam de Stad Gent aan?

M.D.C.: Het College van Burgemeester en Schepenen kon zich in deze regeling vinden. Het verzette er zich bijvoorbeeld niet tegen dat de cafetaria en de bookshop van het toekomstige museum door de Vereniging zouden worden beheerd. Verschillende bestuurders hebben zich met deze dossiers beziggehouden in de aanloop naar de opening van het Museum.

 

2.

K.B./D.P.: Op 14 mei 1998 vond een belangrijke persconferentie plaats. Niet alleen de openingsdatum van het Museum werd bekendgemaakt – 6 mei 1999 – maar ook de nieuwe naam: Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.).

M.D.C.: De Vereniging had van haar kant besloten om tijdens dit persmoment de lijst bekend te maken met de werken die ze zou schenken aan het S.M.A.K. Niet alle werken die de Vereniging had verworven in de voorbije veertig jaar werden echter overgedragen.

K.B./D.P.: Waarom niet?

M.D.C.: We vonden het belangrijk om een aantal strategische werken – zoals de Miroir d’époque regency (1973) van Marcel Broodthaers – achter de hand te houden. Mocht de relatie met de Stad Gent onverwacht verzuren – bijvoorbeeld naar aanleiding van de opvolging van de conservator – dan had de V.M.H.K. een stok achter de deur.

K.B./D.P.: De opvolging van Jan Hoet bleek dus andermaal mee te spelen bij het nemen van een strategische beslissing, terwijl er nog ruim drie jaar moesten verstrijken vooraleer het zover was.

M.D.C.: Over zijn opvolging is heel vaak gepalaverd. Uiteindelijk besloot de Vereniging Hoets wensen in te willigen.

K.B./D.P.: Hoets eisen konden tellen! In een verslag van de raad van beheer zijn ze netjes opgesomd. Hij wilde niet alleen dat een internationaal samengestelde jury zou oordelen over de kandidaten, hij wou zelf ook in de selectiecommissie zetelen. Dat de kandidaten niet enkel Vlamingen zouden zijn, was een andere wens. Wilde het College alle eisen inwilligen?

M.D.C.: Ik heb altijd opgevangen dat de gesprekken hierover in een goede sfeer verliepen. Enkel de vereiste dat de toekomstige conservator de Nederlandse taal machtig moest zijn, bleef terugkomen als een mogelijk struikelblok.

K.B./D.P.: Op 6 mei 1999 vond de opening van het S.M.A.K. plaats. Waar de Vereniging 42 jaar voor gestreden had, werd eindelijk gerealiseerd.

M.D.C.: Het was een heuglijke dag. De belangstelling voor het nieuwe museum was overweldigend. Tienduizenden mensen bezochten het S.M.A.K. in de eerste maanden. Het enthousiasme voor de zaak van de hedendaagse kunst was enorm. De Vereniging deelde in het succes. Ze beschikte over een eigen tentoonstellingsruimte in de vleugel waar ook de depotruimte van het S.M.A.K. te vinden was. Zowel voor het S.M.A.K. als voor de Vereniging was 6 mei 1999 een mijlpaal.

K.B./D.P.: Waren de dossiers van de cafetaria en de bookshop naar voldoening afgesloten?

M.D.C.: Voor de cafetaria was een bevredigende oplossing gevonden. Bernard Filliers en Jos Vandermolen hebben er zich enorm voor ingezet. Er was een overeenkomst bereikt met Palm en Duvel, die als sponsors samen een aardig bedrag inbrachten. De uitbating van het café werd toevertrouwd aan de zoon van Jan Hoet, die zich ermee akkoord had verklaard om maandelijks een bedrag af te dragen aan de V.M.H.K.

K.B./D.P.: Werden er vragen gesteld over het feit dat de zoon van de conservator de leiding zou hebben over de cafetaria?

M.D.C.: In de wandelgangen waren twijfels te horen. Laten we het erop houden dat er weinig enthousiasme was om met Jan Hoet junior in zee te gaan.

K.B./D.P.: En het dossier van de bookshop?

M.D.C.: Bij de opening van het S.M.A.K. beschikte het museum nog niet over een boekenwinkel. Samen met Jos Vandermolen, Bernard Filliers en André Goeminne engageerde ik me om een oplossing uit te werken. Maarten Van Severen had een ontwerp gemaakt voor de balie, de bibliotheek en de bookshop van het museum. Hilde Peleman van boekhandel Copyright had na lang aarzelen interesse betoond om de shop uit te baten. Haar voorwaarde was dat de Vereniging zelf ook in het project zou stappen. We bereikten hierover overeenstemming. Het was vanaf het begin de bedoeling dat de bookshop in de museumhal zou worden ingericht, zodat ook niet-museumbezoekers toegang hadden tot het boekenaanbod. Op het allerlaatste moment blies Hoet het akkoord echter op. Plots wilde hij niet langer dat de bookshop op die plaats zou komen. De hal moest een ‘flexibele ruimte’ worden. De twee partijen waarmee we moeizame onderhandelingen hadden gevoerd – Hilde Peleman van Copyright en Maarten Van Severen – trokken zich daarop terug. De relatie tussen de Vereniging en het Museum stond weer onder hoogspanning. Er vielen harde woorden.

K.B./D.P.: Uit een verslag van de raad van beheer blijkt dat Hoet niet lang voordien had voorgesteld om een dagelijks bestuur te installeren. Urgente beslissingen inzake het Museum en de Vereniging moesten volgens hem voortaan door een klein comité worden genomen. Ook het idee van de aanwerving van een manager werd opnieuw op de agenda geplaatst. Waarom?

M.D.C.: Er speelden mijns inziens meerdere overwegingen. Ten eerste werd nog meer dan voorheen in financiële en commerciële termen gesproken over de samenwerking tussen de V.M.H.K. en het S.M.A.K. Ik herinner me dat gesteld werd dat het Museum en de Vereniging moesten worden geleid als een ‘bedrijf’. Daarnaast wilde Hoet de inspraak van de beheerraad van de Vereniging inperken. Er werd in elk geval aangestuurd op minder vergaderingen van de raad van bestuur.

K.B./D.P.: Op het einde van 1999 werd consultant Marc Van den Broeke gevraagd om de V.M.H.K. en het S.M.A.K. door te lichten en een taakomschrijving van de manager op te stellen.

M.D.C.: Dat klopt. Ook de Stad liet zich niet onbetuigd. Het College liet verstaan de aanstelling van een zakelijk directeur genegen te zijn.

K.B./D.P.: Het dagelijks bestuur werd in de lente van 2000 verkozen. Namens de V.M.H.K. zetelden voorzitter Dirk Schutyser en Bernard Filliers. Het Museum werd vertegenwoordigd door Jan Hoet. Ook Marc Van den Broeke, die inmiddels als tijdelijk manager was aangesteld, maakte er deel van uit. Dirk Schutyser besloot daarop een bijzondere raad van beheer samen te roepen om het te hebben over de missie van de Vereniging. Welke beslissingen werden genomen?

M.D.C.: De voorzitter kreeg een volmacht om een werkgroep samen te stellen die voorstellen moest doen over het beheer van de Vereniging. Tevens werd beslist dat de Vereniging een andere ruimte toegewezen zou krijgen. Voortaan zou zij ín het museum huizen, namelijk in de achterste ruimte, met zicht op de Floraliënhal. Het expositieprogramma van de Vereniging was eerder al opgeschort. De ruimte die de V.M.H.K. tot dan toe betrokken had, was door de brandweer als onveilig bestempeld.

K.B./D.P.: Wie maakte deel uit van de werkgroep die de opdracht van de V.M.H.K. moest herijken?

M.D.C.: Middels een brief maakte voorzitter Schutyser de namen van de leden bekend: Marc Van den Broeke, Sam Eggermont — die Van den Broeke had geassisteerd bij de doorlichting van het Museum en de V.M.H.K. — Bart De Baere, Adrien De Vos (lid van de Toezichtscommissie van het S.M.A.K.), Dany Vandenbossche en Jan Vermassen.

K.B./D.P.: Op 12 september 2000 zou het voorstel van de werkgroep besproken worden door de raad van beheer. Nog voor die vergadering plaatsvond, was er echter een opmerkelijk bericht in de kranten te lezen. Jan Hoet zou na zijn pensionering op 1 juli 2001 in dienst komen van de Vereniging en zijn taken als conservator gewoon voortzetten! De opvolging waarover zo vaak gesproken was, werd uitgesteld! Ook raakte bekend dat Paul Corthouts zou worden aangesteld als zakelijk directeur.

M.D.C.: Het was een donderslag bij heldere hemel.

K.B./D.P.: Jij had die benoemingen helemaal niet zien aankomen?

M.D.C.: Ik was niet alleen, mijn collega’s waren even verrast. Kennelijk waren de belangrijkste beslissingen al genomen nog voor de raad van beheer was samengeroepen! Enkele beheerders waren zo verbolgen dat ze ontslag namen. Marc Van de Velde, Martine Debruyne en Julien Revis stapten op. Hen bleef aldus de grootste verrassing bespaard.

K.B./D.P.: Welke?

M.D.C.: Op voorstel van de werkgroep werd de volledige raad van beheer ontslagen! Op een buitengewone algemene vergadering in het voorjaar van 2001 zou een nieuwe beheerraad worden benoemd. De raad van bestuur van de Vereniging die aan de wieg had gestaan van het Museum van Hedendaagse Kunst en het latere Stedelijk Museum van Actuele Kunst was volledig geëlimineerd! Ik herinner me dat we na de vergadering van de raad van bestuur beduusd op de stoep voor het museum stonden, ervaren bestuurders zoals Jos Vandermolen, André Goeminne, Paul Thiers en oudgediende Herman Burssens, die nog bij de oprichting van de V.M.H.K. betrokken was geweest. Wat was ons overkomen, vroegen we ons af. Langzaamaan drong tot ons door dat we uit onze eigen vereniging waren gezet!

K.B./D.P.: Het statutaire doel van de V.M.H.K. was bereikt. Er was een museum van actuele kunst opgericht dat bovendien over een autonoom gebouw beschikte. Was het niet logisch dat de opdracht van de Vereniging onder de loep werd genomen?

M.D.C.: Uiteraard, maar waarom moesten de personen worden afgedankt die decennialang de oprichting van een museum van hedendaagse kunst hadden nagestreefd. Hoe was het mogelijk dat zovele liefhebbers van hedendaagse kunst, die bovendien in sommige gevallen uitstekende verzamelaars waren, eenvoudigweg buitenspel werden gezet? Toen de V.M.H.K. in 2007 haar vijftigjarig bestaan vierde, bleven de meeste voormalige beheerders afwezig.

K.B./D.P.: In 2010 werden de drie laatste voorzitters van de Vereniging benoemd tot erevoorzitter van de Vrienden van het S.M.A.K. – Roger Matthys, Dirk Schutyser en jijzelf. Hoe beleefde je die late erkenning?

M.D.C.: We hebben het aanvaard, maar waarom moest het prachtige verhaal van de Vereniging op deze manier eindigen?

 

Met dank aan Roger Matthys (1920-2016) en Nele Vanhoutte.

 

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

 

* De eerste vijf delen van het interview met Marc De Cock, over de periodes 1961-1965, 1965-1974, 1974-1982, 1982-1989 en 1989-1995 werden gepubliceerd in De Witte Raaf nrs. 168, 171, 180, 181 en 183.

Bildung heractualiseren

Brigitte Dekeyzer studeerde Wijsbegeerte en Kunstwetenschappen aan de KU Leuven. Ze startte haar carrière als gids voor Antwerpen 93 en werkte verschillende jaren als freelance gids voor allerlei tentoonstellingen. In 1994 trad ze als studie(traject)begeleider in dienst van de KU Leuven. In 2002 promoveerde ze met een proefschrift over het Breviarium Mayer van de Bergh, een handschrift uit het begin van de zestiende eeuw. Nadien werkte ze als postdoctoraal medewerker vooral voor Illuminare – Studiecentrum voor de middeleeuwse kunst. Vanaf 2006 werd ze docent met een dubbele taak: lerarenopleider Kunst enerzijds en studiebegeleider aan het monitoraat van de Faculteit Letteren, dat ze van 2008 tot 2011 leidde. Sinds haar aanstelling in 2006 is ze de verantwoordelijke vakdidacticus voor de sectie Kunst binnen de Specifieke Lerarenopleiding Geschiedenis, Kunst en Muziek (SLO GKM). Over die opdracht gaat het volgende gesprek.

 

Dirk Pültau/Koen Van Baelen: Hoe was de lerarenopleiding Kunst eraan toe toen jij in 2006 de verantwoordelijke vakdidacticus werd?

Brigitte Dekeyzer: Ze zat een beetje in het slop. De vakken werden door verschillende docenten Kunstwetenschappen gegeven, maar dat was niet evident omdat zij binnen de onderzoeksgroep Kunstwetenschappen al door heel wat andere lesopdrachten en onderzoeksprojecten in beslag werden genomen. Dus zocht de faculteit naar iemand die de lerarenopleiding als core business zou kunnen behartigen. Vermits ik jaren studiebegeleider Kunstwetenschappen was geweest — een job die heel wat raakpunten vertoont met de lerarenopleiding – is die taak aan mij toevertrouwd.

D.P./K.V.B.: Wat heb je aan de opleiding veranderd?

B.D.: De lerarenopleiding was helemaal toegespitst op het lesgeven in het secundair onderwijs. Dat is opengetrokken. Toen de opleiding in 2009 werd vernieuwd en de naam Specifieke Lerarenopleiding kreeg, deed zich bijvoorbeeld de kans voor om een nieuw vak ‘Kunst en publiek’ uit de grond te stampen. Het vak richt zich op de volledige kunstwereld. Niet alleen het onderwijs, ook de museumwereld en alle andere aanbieders van kunsteducatieve programma’s komen er aan bod – op termijn is het trouwens de bedoeling om ook aandacht te besteden aan kunsteducatie op radio en televisie. Parallel daaraan heb ik ook het stageprogramma uitgebreid. Vroeger liepen studenten enkel stage in het secundair onderwijs; nu zijn ze verplicht om ook een traject te volgen in de publieksbemiddeling van musea.

D.P./K.V.B.: Hoe ziet de lerarenopleiding Kunst er vandaag uit?

B.D.: Ze omvat een theoretisch en een praktisch luik. Het theoretisch gedeelte is vierdelig. Het eerste deel bestaat uit twee algemeen pedagogische vakken: ‘Onderwijs, opvoeding en samenleving’ en ‘Leren en onderwijzen’, die voor alle SLO-studenten van de KU Leuven verplicht zijn. Daarnaast volgen de studenten van de lerarenopleiding Kunst drie vakdidactieken (Kunst, Muziek én Geschiedenis, samengebracht onder de noemer Geschiedenis- kunst- en muziekdidactiek), het Seminarie Kunst- en Muziekdidactiek (dat de theoretische inzichten van de algemeen pedagogische vakken en de vakdidactieken vertaalt naar methodes die in concrete lessituaties kunnen worden ingezet), en het vak Kunst & publiek of, voor wie het vak al in zijn basisopleiding volgde, een ander onderwijsgericht keuzevak.

D.P./K.V.B.: Alle specifieke vakken binnen de SLO GKM worden dus door de studenten Geschiedenis, Kunst én Muziek gevolgd.

B.D.: Neen, enkel de studenten van de SLO Kunst en Muziek volgen de drie vakdidactieken; historici hebben de keuze tussen vakdidactiek Kunst of Muziek. Voor studenten Kunstwetenschappen is vakdidactiek Geschiedenis nuttig omdat sommigen ook Geschiedenis zullen geven in het secundair onderwijs. Een kunstwetenschapper is daar immers uitstekend voor geplaatst, omdat hij in zijn basisopleiding drie historische overzichtsvakken heeft gevolgd. Dat studenten Kunst ook Muziekdidactiek volgen – en vice versa – heeft dan weer met de multidisciplinaire inhoud van het vak Esthetica te maken, dat door de meeste katholieke ASO-scholen in de derde graad wordt aangeboden. Het vak Esthetica handelt niet alleen over beeldende kunst en architectuur, maar ook over muziek, en over andere disciplines die aan de universiteit jammer genoeg minder aan bod komen, zoals dans, film, opera, performance…

D.P./K.V.B.: Waaruit bestaat het praktijkgedeelte?

B.D.: In de eerste plaats uit stages. Alle studenten lopen stage op school en in de publieksbemiddeling van een museum, zoals ik al zei. De schoolstages vallen uiteen in twee delen. De eerste focust op lessen Kunstgeschiedenis en kunstinitiatie in het Kunstsecundair Onderwijs en het Deeltijds Kunstonderwijs; de tweede is gericht op de lessen Esthetica en Cultuurwetenschappen, die in de tweede en derde graad van het Algemeen Secundair Onderwijs worden georganiseerd. Daarnaast dienen studenten ook een cultuurproject uit te werken en een onderzoek te verrichten over een onderwijskundige problematiek. Het thema verandert jaarlijks – dit academiejaar is dat bijvoorbeeld ‘de introductie van de actualiteit in de lessen Kunst’.

D.P./K.V.B.: Benader je de bestaande vakken op een andere manier dan jouw voorgangers?

B.D.: Toch wel, ja. Vroeger werden de vakdidactische lessen gegeven vanuit een kunsthistorisch en formalistisch perspectief, waarbij vooral formele aspecten (compositie, licht, kleur, lijn, beweging, expressie), stijlkenmerken en iconografie aan bod kwamen. Zelf benader ik de vakken meer vanuit een kunstbeschouwelijk oogpunt, waarbij ik – letterlijk – uitga van een publiek dat kunst beschouwt. Met een historische, formalistische of iconografische benadering kan je niets zeggen over de manier waarop de toeschouwer een kunstwerk ervaart. Precies daarom ben ik me gaan toeleggen op een semiotische, neuropsychologische en psychoanalytische visie waarin het ‘nu’ van de kunstervaring een belangrijke rol speelt. Ik vind het belangrijk dat studenten – en bijgevolg ook de leerlingen waar ze les aan zullen geven – over het kunstwerk leren praten, dat ze hun persoonlijke ervaringen weten te verwoorden en in staat zijn om het kunstwerk op grond daarvan te interpreteren. Om dat te kunnen, moeten ze beseffen dat er meerdere interpretaties zijn en dat de betekenis van een kunstwerk niet vaststaat. De opleiding Kunstwetenschappen was in het verleden sterk op wetenschappelijk verifieerbare, objectieve feiten toegespitst. Daardoor hadden de studenten – en sommigen schijnen daar nog altijd last van te hebben – moeite om te aanvaarden dat je kunstwerken op verschillende manieren kan interpreteren, en dat interpretaties altijd ook bepaald worden door de context waarin je leeft. Dat inzicht probeer ik hen bij te brengen. Je zou dus kunnen zeggen dat ik het besef van de onvermijdelijkheid én relativiteit van de interpretatie in de lerarenopleiding heb binnengebracht.

D.P./K.V.B.: Het probleem is dat het kunsthistorische aspect in het secundair onderwijs helemaal door de kunstbeschouwelijke benadering is weggedrukt. Uit gesprekken met leraren esthetica blijkt dat leerlingen in het ASO geen enkel besef (meer) hebben van de kunstgeschiedenis. Ze zijn niet in staat kunstwerken in de tijd te plaatsen.

B.D.: Ja, dat is een serieus probleem, dat overigens evengoed speelt aan de universiteit. Ook daar is de kunsthistorische kennis sterk afgenomen. Vroeger kregen de studenten grote hoeveelheden kunsthistorische cursussen te verwerken en werden de verschillende periodes over aparte vakken verdeeld, zodat ze grondig en gedetailleerd besproken konden worden. Vandaag is de zuiver kunsthistorische kennis in het eerste jaar beperkt tot drie introducerende vakken Geschiedenis van de beeldende kunst en architectuur: van de middeleeuwen tot 1600, van 1600 tot 1860, en van 1860 tot vandaag. Als je weet dat aan elke periode maximaal 26 lesuren kunnen worden besteed, dan besef je dat de kennis van de studenten relatief beperkt blijft. Gelukkig komen daar in het tweede en derde jaar nog enkele overzichtsvakken bovenop: Kunst van de oudheid, Byzantijnse kunst, Toegepaste kunsten en design, en Kostuum en modegeschiedenis. Dat het streven naar een zo volledig mogelijke kennis werd losgelaten, heeft voor een deel te maken met de, overigens terechte, kritieken op de kunsthistorische canon. De afgelopen decennia is men de canon steeds meer gaan beschouwen als een machtsinstrument dat vooral dient om grote delen van de kunstproductie in het verleden weg te moffelen en alleen datgene over te houden wat het ‘culturele establishment’ welgevallig is. Bovendien is de wereld – en dus ook de kunstwereld en onze blik op de kunstgeschiedenis – zo ontzettend veel breder en globaler geworden. Daardoor is het kunsthistorische totaalbeeld, dat op de canon steunt, beginnen af te brokkelen. Als je de canon openbreekt en de kunst bijvoorbeeld niet alleen meer vanuit een westers perspectief bekijkt, kom je tot het besef dat je alleen nog fragmenten van de mondiale kunstgeschiedenis kan kennen. Een volledige kunst- en cultuurhistorische Bildung is onmogelijk geworden. Toch mag dat ons er niet van weerhouden om een zo ruim mogelijke kennis na te streven. Ik voel er veel voor om de notie van een kunsthistorische Bildung te heractualiseren, weliswaar in het besef dat de droom van het ultieme totaalbeeld onmogelijk en problematisch is geworden.

D.P./K.V.B.: Moet de conclusie dan niet zijn dat de kunsthistorische dimensie zowel in de lerarenopleiding als in het secundair onderwijs – en voeg de universiteit er ook maar aan toe – aan herwaardering toe is?

B.D.: In principe wel, maar de realiteit is dat wij studenten voorbereiden op lesopdrachten in de tweede en derde graad van het actuele secundair onderwijs en dat de meeste vakken kunstbeschouwelijk zijn opgevat. Enkel in het Kunstsecundair Onderwijs (KSO), het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) en de richting Toerisme van het Technisch Secundair Onderwijs (TSO) wordt nog een echt kunsthistorisch vak aangeboden. Het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) gaat ervan uit dat leerlingen in het vak Geschiedenis een chronologisch overzicht van de stijlperiodes krijgen dat hen in staat stelt om kunstwerken in een bepaald tijdperk te situeren. Jammer genoeg is dat puur theorie. In de praktijk moeten de leraren Geschiedenis zo veel stof behandelen – politieke, sociaal-economische, religieuze en algemeen culturele geschiedenis – dat ze nauwelijks aan kunst toekomen. Bovendien zijn ze er niet voor opgeleid. Vroeger waren historici verplicht om meerdere kunsthistorische overzichten te volgen, nu worden die vakken enkel nog als keuzevak aangeboden. Het gevolg is dat leraren Geschiedenis de kunsten, zeker die van de twintigste en eenentwintigste eeuw, nauwelijks kennen en waarderen — terwijl zij in het leerplan Esthetica nochtans centraal staan. Een van de invalshoeken van het leerplan Esthetica is bijvoorbeeld ‘Hoogtepunten en breuklijnen in de kunst van de 20e eeuw’.

D.P./K.V.B.: Kunstwetenschappers zijn geschoold in de beeldende kunst, maar die vormt maar een klein onderdeel van het vak Esthetica. Zoals je al aangaf wordt van de leerkrachten verwacht dat ze ook dans, film, muziek… in hun lessen aan bod laten komen, disciplines waar ze misschien niet of nauwelijks in thuis zijn. Hoe bereiden jullie de studenten daarop voor?

B.D.: Ik raad hen aan om te vertrekken vanuit datgene wat ze kennen en van daaruit verbanden te leggen met disciplines waar ze minder mee vertrouwd zijn. Ben je als kunstwetenschapper opgeleid, dan zal je natuurlijk eerder de nadruk leggen op de beeldende kunsten. Maar vanuit het beeld kan je ook de relatie leggen met andere disciplines. Je kunt zo bij film en muziek terechtkomen, maar ook bij enscenering en dus bij theater en architectuur. Je bent als leraar Esthetica vaak een even grote leek als je leerlingen, maar dat is ook boeiend, omdat je van alles kan ontdekken. De bestaande handboeken kunnen daarbij een hulpmiddel zijn, maar de meeste leraren maken hun lesinhouden liever zelf – ook al omdat de bestaande handboeken niet van de beste kwaliteit zijn.

D.P./K.V.B.: De leraren Esthetica hebben veel vrijheid om hun lessen vorm te geven. Er bestaan zelfs geen eindtermen voor het vak.

B.D.: Nee, en daaruit kan je afleiden dat de overheid het belang van Esthetica niet echt hoog inschat. De enige toetssteen ervoor zijn de vakoverschrijdende eindtermen, de VOETen, waar elke leraar rekening mee moet houden. Iedereen moet bijvoorbeeld iets doen rond sociale aspecten of de klimaatopwarming. Ook als leraar Esthetica moet je in principe aan die VOETen beantwoorden, wat concreet wil zeggen dat je kunstwerken niet alleen als objecten mag behandelen, maar dat je ze moet ‘laten leven in de maatschappij’. Dat kan je bijvoorbeeld doen door een impressionistisch werk waarop een fabrieksschouw staat afgebeeld, vanuit een ecologische insteek te benaderen.

D.P./K.V.B.: Een leerkracht vertrouwde ons toe dat zij in de twaalf jaar waarin zij Esthetica geeft nooit inspectie over de vloer kreeg. Heeft dat ook te maken met het feit dat er voor het vak geen eindtermen bestaan?

B.D.: De scholen moeten inderdaad enkel kunnen aantonen dat zij van de VOETen werk maken. Bijgevolg heeft het voor de inspectie weinig zin om de lessen Esthetica bij te wonen. Vergeet niet dat het vak niet tot de basis- of optievakken behoort, maar door de scholen vrij in de complementaire keuzeruimte kan worden geprogrammeerd.

D.P./K.V.B.: De VOETen zijn erg vaag. Leerplannen Esthetica zijn er in GO! en het OVSG de laatste jaren ook al niet meer.

B.D.: Ja, enkel het KOV heeft nog een leerplan Esthetica. Daarnaast zorgen de VOETen weliswaar voor een referentiekader, maar het is inderdaad heel gemakkelijk om te beweren dat je werk maakt van die vakoverschrijdende eindtermen. Toch probeer ik de studenten duidelijk te maken dat zij de VOETen serieus moeten nemen en een poging moeten doen om kunstobjecten in de klas ’tot leven te wekken’ door ze niet louter als objecten uit het verleden te beschouwen. Niet dat ik ervoor pleit kunst op een puur instrumentele manier in te zetten, wel integendeel. Ik benadruk steeds weer dat het een ‘en-en’-verhaal moet zijn.

D.P./K.V.B.: De rol van de overheid met betrekking tot de kunstvakken in de tweede en derde graad beperkt zich dus tot een paar zeer algemeen geformuleerde VOETen. Bovendien mogen we – zo blijkt uit jouw tekst in dit nummer – niet veel goeds verwachten van het beleid.

B.D.: Het beleid heeft nooit bijzonder veel gedaan voor de kunsten. Het aantal uren Esthetica is in het secundair onderwijs nooit erg groot geweest, en de laatste jaren is er zelfs sprake van een systematische afbouw. Niets wijst erop dat het beleid zich daar zorgen over maakt.

D.P./K.V.B.: Wordt er vanuit het veld dan geen georganiseerde actie ondernomen?

B.D.: Nauwelijks. De vzw Muzes, een vakvereniging voor leraren en andere betrokkenen bij het onderwijs in de kunst- en cultuurvakken, doet momenteel pogingen om een drukkingsgroep onder leerkrachten Esthetica te vormen, maar dat komt amper van de grond. Ik vraag me echt af hoe dat komt.

D.P./K.V.B.: Misschien heeft het te maken met de erg uiteenlopende ‘profielen’ van de leraren. Een vak als Esthetica wordt niet enkel gegeven door Kunstwetenschappers, maar ook door leraren Geschiedenis of Nederlands. Die hebben misschien toevallig nog een uurtje nodig om tot een volwaardig uurrooster te komen… Het is allicht niet evident om zo’n heterogene groep tot solidaire actie te bewegen.

B.D.: Inderdaad. Voor een aantal leraren is het vak Esthetica niet hun core business. Tegelijk zie ik bij de leraren die Kunstwetenschappen studeerden ook weinig engagement.  Misschien zijn ze gewoon te individualistisch ingesteld, zoals zoveel mensen in de kunstwereld? In ieder geval, als iedereen op zijn eilandje blijft zitten, dan zal er nooit iets veranderen. Meer zelfs, als er niet snel tot actie wordt overgegaan, zal het vak Esthetica over enkele jaren niet meer bestaan.

 

Transcriptie: Wim Lievens

1989-1995: een nieuw museum, een nieuwe voorzitter

Wat voorafging

Op initiatief van advocaat Karel Geirlandt werd in het najaar van 1957 de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent (V.M.H.K.) gesticht. [*] De Vereniging ontpopte zich onder leiding van haar opeenvolgende voorzitters – Karel Geirlandt (1957-1974), Roger Matthys (1974-1979) en Marc De Cock (vanaf 1979) – tot een bijzonder dynamische speler binnen de Gentse, Belgische en internationale kunstscene. Er werden niet alleen kunstwerken aangekocht voor een toekomstig museum van hedendaagse kunst, de Vereniging zette ook tentoonstellingen op, programmeerde lezingen en debatten, gaf edities uit en organiseerde reizen naar steden en landen waar de situatie van de hedendaagse kunst onder de loep werd genomen. Bovenal functioneerde de V.M.H.K. als een lobbygroep die de lokale en nationale bewindvoerders poogde te overtuigen van het belang van haar statutaire doel: de oprichting van een Museum van Hedendaagse Kunst (M.H.K.).

In 1975 was het eindelijk zover: achttien jaar na de stichting van de Vereniging kreeg het M.H.K. groen licht van de plaatselijke autoriteiten. Het nieuwe instituut ging van start onder de bezielende leiding van de 39-jarige kunsthistoricus Jan Hoet. Een eigen gebouw had het M.H.K. echter niet – het huisde in de lokalen van het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.). Het belette de conservator niet om een boeiend en spraakmakend programma te ontwikkelen, met tentoonstellingen zoals Inzicht/overzicht – Overzicht/inzicht (1979), Kunst in Europa na ’68 (1980), Chambres d’Amis (1986) en Open Mind (Closed Circuits). Hommage aan Vincent (1989).

Op 11 mei 1989 overleed Karel Geirlandt, de godfather van de Vereniging, die op dat moment als opdrachthouder in dienst was van Vlaams Gemeenschapsminister van Cultuur Patrick Dewael. Met zijn dood komt een einde aan een belangrijk hoofdstuk van de geschiedenis van de Vereniging.

 

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1989 word jij aangesteld als commissaris van de tentoonstelling Artisti (della Fiandra)/Artists (from Flanders) die in de zomer van 1990 plaatsvond in het Palazzo Sagredo te Venetië. Hoe was jouw benoeming tot stand gekomen?

Marc De Cock: Die opdracht had ik te danken aan de – wellicht – laatste briljante zet van Karel Geirlandt. In 1988, een jaar voor zijn dood, was hij op het idee gekomen om tijdens de Biënnale van Venetië van 1990 een manifestatie te organiseren in het centrum van de Dogenstad – het was in dat jaar immers de beurt aan de Franse Gemeenschap om het Belgische paviljoen in de Giardini te betrekken. Het was de eerste keer dat Vlaanderen een dergelijke tentoonstelling op touw zou zetten. Er werd bovendien een aardig budget in het vooruitzicht gesteld, 10 miljoen Belgische frank [250.000 €]. Het kabinet van Patrick Dewael, de Vlaamse Gemeenschapsminister van Cultuur, benaderde mij om de tentoonstelling in te richten. De Beoordelingscommissie Beeldende Kunst verklaarde zich hiermee akkoord. Ik aanvaardde de uitnodiging en besloot een jaar vroeger dan gepland op pensioen te gaan. Tot dan was ik als leraar Frans actief geweest in het Atheneum aan de Voskenslaan in Gent.

K.B./D.P.: Waarom was de keuze voor de functie van tentoonstellingscommissaris op jou gevallen?

M.D.C.: Dat is me nooit duidelijk gemaakt. Ik had een goede verhouding met Geirlandt. Dat was geen nadeel. Verder had ik zelf enige tijd in de Beoordelingscommissie voor Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap gezeteld. Aan dat lidmaatschap was omstreeks 1988 een einde gekomen toen ik gevraagd werd om de Museumraad te vervoegen. Het kabinet Dewael wist dat ik de nodige institutionele ervaring had omdat ik reeds jarenlang de exposities verzorgde van de Vereniging, en dus ook goede contacten onderhield met een schare jonge Vlaamse kunstenaars.

K.B./D.P.: Had Geirlandt zelf een locatie in gedachten toen hij zijn voorstel formuleerde?

M.D.C.: Neen, hij had enkel het idee geopperd. Ik herinner me wel dat ik in 1988 de Biënnale van Venetië bezocht. Ik had er een afspraak met Geirlandt; we gingen samen bij de Venetiaanse Ereconsul van België op bezoek om het te hebben over het voornemen om een tentoonstelling te organiseren. Hij zegde zijn medewerking toe. Een locatie was toen nog niet in beeld. Na Geirlandts dood moest ik zelf op zoek gaan naar een geschikte ruimte. Ik nam verschillende panden in overweging, onder meer de Chiesa di Santa Stae, maar die kerk werd traditioneel door de Zwitsers afgehuurd. De keuze viel uiteindelijk op het Palazzo Sagredo, waar curator Gijs van Tuyl in 1988 een expositie over Nederlandse beeldhouwkunst had georganiseerd. Ik nam contact met hem op en kreeg de bevestiging dat Sagredo een goede keuze was. De Vlaamse Gemeenschap huurde het gebouw. Verder moesten we zelf voor alles instaan, tot de begeleiding en de bewaking toe. Het was een enorme onderneming, mede omdat ik nog nooit een expo had opgezet in het buitenland.

K.B./D.P.: Hoe ging je te werk?

M.D.C.: Het Palazzo Sagredo was in handen van een Braziliaanse familie die zelden in Venetië verbleef. Ze liet alles over aan een plaatselijk architect, Paolo Bidorini, met wie ik contact opnam. Hij heeft ons ontzettend veel diensten bewezen. Bidorini kende de desiderata van de eigenaar, hij was op de hoogte van de Venetiaanse voorschriften inzake historische panden en bereid met ons mee te denken om een boeiende tentoonstelling te maken. In de persoon van Danny Deweerdt, ambtenaar van de Vlaamse Gemeenschap, vond ik een helpende hand om de administratie en andere praktische aangelegenheden waar te nemen. Ik had het budget zelf kunnen beheren, maar daar deinsde ik voor terug, gezien ik niet kon steunen op een organisatie.

K.B./D.P.: Voor de inhoudelijke invulling van Artisti (della Fiandra) besloot je een beroep te doen op Bart De Baere. Waarom?

M.D.C.: Ik had met Bart reeds samengewerkt tijdens de organisatie van Initiatief 86. Nadien was hij in dienst getreden van het Museum van Hedendaagse Kunst. We spraken elkaar geregeld in die dagen. Het was eigenlijk vanzelfsprekend dat we de opdracht samen zouden aanpakken. Ik toetste mijn ideeën bij hem af en vroeg hem om in te staan voor de samenstelling van de catalogus. Zelf ben ik immers geen schrijver.

K.B./D.P.: De kern van de tentoonstelling betrof het werk van zeven kunstenaars – Thierry De Cordier, Ludwig Vandevelde, Philip Van Isacker, Wim Delvoye, Patrick Van Caeckenbergh, Walter Swennen en Jan Fabre. Met de meesten van hen had je voordien reeds projecten op touw gezet in de Vereniging.

M.D.C.: Dat klopt. Enkel met Jan Fabre had ik nog niet samengewerkt, maar hij had wel reeds tentoongesteld in het Museum van Hedendaagse Kunst. Met alle kunstenaars hadden Bart en ik dus goede contacten en we hadden veel waardering voor hun werk. Dat was een solide basis om een goede tentoonstelling te verwezenlijken.

K.B./D.P.: In de inleiding van de catalogus schrijf je: ‘De Vlaamse kunst van vandaag is zo sterk precies omdat ze haar kracht niet haalt uit groepsvorming maar uit krachtige, individuele posities.’ Waarom zette je zo hoog in op het individuele?

M.D.C.: De geselecteerde kunstenaars behoorden niet tot dezelfde generatie. Ze vormden geen groep en vertegenwoordigden evenmin een stroming. Ze waren op eigen kracht tot een specifieke plastische taal gekomen. Het ging ons niet om zogenaamd typische Vlaamse kunst. Om die reden kozen we er ook voor om de woorden ‘Flanders’/’Fiandra’ in de titel van de tentoonstelling tussen haakjes te plaatsen. De kunst vonden we belangrijker dan de afkomst van de kunstenaar. Toch was de opzet van de tentoonstelling bij een van de geselecteerde kunstenaars in het verkeerde keelgat geschoten.

K.B./D.P.: Wie?

M.D.C.: Thierry De Cordier twijfelde lang of hij zou participeren aan de tentoonstelling. Hij had het moeilijk met het etiket van ‘Vlaamse kunstenaar’. Afzeggen deed hij echter evenmin. Zijn beslissing bleef lange tijd onduidelijk. Op een gegeven moment wist Bart hem te ontfutselen dat hij zou deelnemen, maar de aard van zijn bijdrage bleef in nevelen gehuld. Tot op de dag dat de kist met zijn werk in Venetië arriveerde, wist ik niet wat hij zou exposeren. Toen de kist openging, bleek het om een urinoir te gaan. Ik was erover verwonderd, maar legde me bij zijn bijdrage neer. Dit soort situaties hoort er nu eenmaal bij. Ook zijn bijdrage aan de catalogus was apart. Een overzicht van zijn tentoonstellingen of foto’s van zijn werken mochten we niet opnemen. In de plaats daarvan volstond een zinnetje – in het Frans: ‘Mon seul désir était qu’il n’y ait pas d’illustrations.’ Gelukkig had hij wel ingestemd met de publicatie van het interview dat Bart De Baere had afgenomen. Gevolgen voor onze vriendschappelijke relatie had zijn provocerende houding niet. Onze verhouding is steeds goed gebleven.

K.B./D.P.: Artisti (della Fiandra) wil overduidelijk geen ‘Vlaamse’ tentoonstelling zijn. Om het werk van de zeven individuele kunstenaars historisch te situeren, kozen jullie werken van oudere kunstenaars: van de Franstalige Belgen René Magritte en Marcel Broodthaers, over Roger Raveel, René Heyvaert en Raoul De Keyser, tot Bernd Lohaus, Panamarenko, Guillaume Bijl, Philippe Van Snick, Leo Copers, Jan Vercruysse en Guy Rombouts/Monica Droste. Werd deze ‘Belgische’ introductie in dank afgenomen door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap?

M.D.C.: Onze keuze vormde geen enkel probleem. Geen enkele Vlaamse politicus of ambtenaar is erover gestruikeld. Van de andere kant van de taalgrens kwam er wel protest. Onder meer Valmy Féaux (P.S.), toenmalig Minister van Cultuur van de Franse Gemeenschap, kon onze keuze voor Magritte en Broodthaers moeilijk verkroppen. Hij maakte publiekelijk zijn beklag. Afgezien van deze valse noot kon Artisti (della Fiandra) op veel bijval rekenen. Onze missie om de schijnwerpers te richten op de Vlaamse kunst tijdens een van de belangrijkste internationale manifestaties was zonder meer geslaagd. Karel Geirlandts idee bleek een schot in de roos. Dat de expositie na Venetië naar het Museum van Hedendaagse Kunst reisde, was een erkenning van het belang van het project.

K.B./D.P.: Karel Geirlandt werd na zijn dood eervol herdacht door de oprichting van de Leerstoel Karel Geirlandt aan de Universiteit Gent. Hoe was die Leerstoel tot stand gekomen?

M.D.C.: Voordien had de Vereniging reeds eer betuigd aan haar initiator door de uitgave van een hommagegrafiekmap met negen prenten van Pierre Alechinsky, Gaston Bertrand, Bram Bogart, Rony Heirman, Jules Lismonde, Luc Peire, Roger Raveel, Dan Van Severen en Maurice Wyckaert. Het werd een eclatant succes. De map werd gepresenteerd tijdens de Gentse kunstbeurs Lineart in het najaar van 1990. De Leerstoel werd pas in 1992 opgericht. Zowel de Vereniging, het M.H.K., de Universiteit Gent als het kabinet van Gemeenschapsminister Patrick Dewael hadden daarvoor geijverd. Claire Van Damme van de Vakgroep Kunstwetenschappen leidde alles in goede banen. In de herfst van 1992 was het zover. Niemand minder dan Harald Szeemann gaf de eerste lezing in het kader van een academische zitting in de Aula van de UGent. Met Szeemann hadden Geirlandt en ik steeds goede contacten onderhouden.

K.B./D.P.: Was Artisti (della Fiandra) het hoogtepunt in jouw lange carrière als tentoonstellingsmaker?

M.D.C.: Het was in ieder geval ‘een’ hoogtepunt. Ik bewaar ook goede herinneringen aan de tentoonstellingen die ik in de jaren zestig samen met Karel Geirlandt verwezenlijkte. In 1969 en in 1973 was ik verantwoordelijk voor twee edities van het Forum van de Grafiek, waarvoor ik veel onderzoek verrichtte. Dat was een goede leerschool, net zoals het organiseren van de tentoonstellingen van de Vereniging. Het klopt echter dat Artisti (della Fiandra) een veel belangrijkere manifestatie was.

 

2.

K.B./D.P.: Jan Hoet was in 1989 benoemd tot künstlerische Leiter van Documenta. Hoe heb jij de totstandkoming van zijn Documenta beleefd?

M.D.C.: De Documenta is de belangrijkste tentoonstelling ter wereld. Hoets uitverkiezing tot artistiek directeur was dus een gebeurtenis zonder weerga. Als een van zijn assistenten koos hij voor Bart De Baere, zijn rechterhand in het Museum van Hedendaagse Kunst. In het M.H.K. vond ook een van de zogenaamde marathondebatten over de Documenta plaats. Gedurende uren werd er gedebatteerd over de artistieke keuzes die zouden worden gemaakt. Naarmate de opening van de Documenta naderde, stond het beleid van het M.H.K. meer en meer in het teken van de Kasselse manifestatie, die in 1992 zou plaatsvinden. Het M.H.K. organiseerde in 1990 Ponton Temse, dat als een soort try-out van de Documenta werd voorgesteld. Later – in 1992 – volgde een tentoonstelling met werken van de Belgische Documenta-deelnemers in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle.

K.B./D.P.: Hoe waren jouw contacten met Jan Hoet in die dagen?

M.D.C.: We zagen en spraken elkaar minder omdat hij zeer vaak in Kassel vertoefde of in het buitenland op prospectie was. Zelf had ik in 1989 en 1990 mijn handen vol met Artisti (della Fiandra). We bleven wel in contact, voornamelijk op zondagnamiddagen. Sommige tentoonstellingen die ik in de Vereniging op touw zette, kwamen op aangeven van hem tot stand, zoals de expo Fotowerken van kunstenaars uit Documenta IX (1992). Ook voor het programma van de lezingen en de productie van grafiekuitgaven bleef hij voorstellen leveren. De Vereniging nodigde Hoet en zijn medewerkers menige malen uit om over de laatste stand van zaken van de Documenta te spreken. De periode tussen 1989 en 1992 herinner ik me bovenal als een tijd waarin ik me kon richten op het tentoonstellingsprogramma van de Vereniging. Omdat Hoet lange periodes in het buitenland was, kwam er ook minder kritiek op de exposities die ik opzette.

K.B./D.P.: Aan welke tentoonstellingen die je organiseerde, bewaar je goede herinneringen?

M.D.C.: In onze ruimte aan de Hofbouwlaan zette ik in 1989 presentaties op met onder meer Willy De Sauter en Ann Veronica Janssens. In 1990 bood ik Luc Tuymans een solo aan. Niet alleen voor de Vereniging was dit een belangrijke manifestatie, ook voor hemzelf, wat hij me nadien meerdere malen toevertrouwde. Zijn samenwerking met Frank Demaegd van Zeno X Gallery ging omstreeks die tijd van start. De tentoonstelling was een waar succes, ook commercieel gezien. Het ontlokte Hoet enkele commentaren. In 1991 en 1992 volgden nog opmerkelijke tentoonstellingen van Documenta-deelnemers Mike Kelley, Robert Gober en Thomas Schütte. Van deze kunstenaars werden werken uit Belgische privéverzamelingen samengebracht. Schütte was zelf betrokken bij de keuze van zijn werken en kwam voor de opstelling zelfs speciaal over uit Duitsland. Die laatste reeks expo’s kwam tot stand in samenwerking met medewerkers van het M.H.K. en met sommige beheerders, onder wie Marc Van de Velde. Hij was nog maar kort voordien op merkwaardige wijze lid geworden van de raad van beheer van de Vereniging.

K.B./D.P.: Hoezo?

M.D.C.: Marc Van de Velde en vier anderen – Karel Hooft, Paul Thiers, Ignace Vandenabeele en Bernard Filliers – stuurden mij en de overige leden van de raad van beheer in de lente van 1990 een ongewone brief. Ze stelden zichzelf voor als kandidaat-beheerders. Normaal gezien werd je als beheerder gevraagd; zij dienden zichzélf aan ‘als vertegenwoordigers van deze generatie met haar internationale denkwijze en professionele mogelijkheden’. Als directe aanleiding werd verwezen naar de benoeming van Jan Hoet tot directeur van de Documenta. ‘Deze hefboom moet voor 100% benut worden.’

K.B./D.P.: Hoe schatte jij die brief in?

M.D.C.: Het was een initiatief dat ik zeker niet als aangenaam ervoer. Ging het werkelijk uit van deze vijf kunstverzamelaars? Of waren ze door iemand op dat idee gebracht? Ik weet het niet. Ik heb het nooit tot op de bodem uitgezocht. Uit de brief sprak een zeker wantrouwen, als zou het toenmalige bestuur van de Vereniging onvoldoende zijn toegerust om de zaak van het Museum van Hedendaagse Kunst op adequate wijze te bepleiten. De brief kon anderzijds ook op positieve wijze worden gelezen. De vijf wilden mee de kar trekken van het M.H.K. De raad van beheer was deze benadering genegen. Er werd een vergadering samengeroepen met de kandidaat-beheerders. De slotsom was dat zij tot het bestuur van de V.M.H.K. werden toegelaten. Daarnaast pleitte Hoet ervoor dat bedrijfsleider Ronald Everaert, gedelegeerd bestuurder van Mercator Verzekeringen, eveneens als beheerder zou worden aangezocht. Hij zou de aangewezen persoon zijn om bedrijven warm te maken fondsen ter beschikking te stellen van de Vereniging en het Museum. Hoet wilde ook dat twee museummedewerkers voortaan in de raad van beheer zouden zetelen: Norbert De Dauw en Bart De Baere. Het resultaat was dus dat de greep van het Museum op de Vereniging versterkt werd. Dat kan niet worden ontkend.

K.B./D.P.: Zorgden de nieuwe beheerders voor een frisse wind in de Vereniging?

M.D.C.: De kersverse bestuurders zetten zich met verve in voor de Vereniging en onze samenwerking verliep zeer goed, maar de resultaten van de verschillende werkgroepen die vervolgens werden geïnstalleerd, waren niet overtuigend.

K.B./D.P.: Welke werkgroepen werden opgericht?

M.D.C.: Het ging over diverse onderwerpen, zoals sponsoring, het tentoonstellingsprogramma, de aankoop- en eventuele verkooppolitiek van de kunstwerken van de Vereniging en – niet onbelangrijk – de huisvesting van het M.H.K. Hoet bepleitte tevens dat een werkgroep zou worden samengesteld om te onderzoeken of de boekhouding van de Vereniging met die van het Museum zou kunnen worden samengesmolten.

K.B./D.P.: Waarom wilde hij dat?

M.D.C.: Er werd geschermd met het argument dat de financiële verrichtingen nauwgezetter zouden kunnen worden opgevolgd, maar volgens mij was het de bedoeling van Hoet om de V.M.H.K. om te vormen tot een dienstverlenend orgaan dat verantwoordelijk was voor de verwerving van fondsen en het financiële beheer. Uiteindelijk is de commissie Boekhouding onder het voorzitterschap van Ronald Everaert van start gegaan.

K.B./D.P.: Met welk advies kwam ze op de proppen?

M.D.C.: De commissie kwam tot het besluit dat de tijd nog niet rijp was om over te gaan tot een samenvoeging van de boekhoudingen. Hoet bleef evenwel hameren op een nauwere samenwerking tussen het Museum en de Vereniging op het vlak van financiën.

K.B./D.P.: Waren er nog andere werkgroepen die met voorstellen kwamen?

M.D.C.: Enkel de werkgroep Tentoonstellingen, waarbij ikzelf betrokken was, kwam regelmatig samen. Alle andere werkgroepen leidden een sluimerend bestaan.

K.B./D.P.: Hield de oprichting van de werkgroep Tentoonstellingen in dat jijzelf minder zeggenschap kreeg op het vlak van de exposities?

M.D.C.: Ik maakte de tentoonstellingen voortaan in samenwerking met de andere beheerders, onder wie Bart De Baere, Marc Van de Velde en Jean-Paul Deslypere. In 1994 stelde Deslypere voor om de Spaanse kunstenaar Perejaume en de Oostenrijkse kunstenares Elke Krystufek uit te nodigen. Ik vond dat boeiende keuzes en zette mijn schouders onder de organisatie van deze manifestaties. Zolang ik bij de beslissingen was betrokken en in gesprek kon treden met mijn collega’s en de kunstenaars, bleef de organisatie van de tentoonstellingen zeer boeiend.

 

3.

K.B./D.P.: Een van de dossiers die aan een werkgroep was toevertrouwd, betrof de huisvesting van het M.H.K. Wat gebeurde er op dat front?

M.D.C.: In het begin van de jaren negentig streed Hoet verbetener dan ooit voor een eigen museumgebouw. Het was duidelijk dat hij zijn functie als curator van de Documenta wilde verzilveren. Hij kon daarbij rekenen op de hulp van de werkgroep Museumvisie, maar vond toch vooral een bondgenoot in de persoon van Piet Van Eeckhaut, die op dat moment voorzitter was van de Toezichtscommissie van het M.H.K. Piet Van Eeckhaut was lid van de S.P. (Socialistische Partij, thans sp.a) en had goede contacten met toenmalig Burgemeester Gilbert Temmerman, ook een socialist. Hoet en Van Eeckhaut vormden een stevige tandem.

K.B./D.P.: Jij was ook lid van de Toezichtscommissie van het M.H.K. Welke rol speelde de Toezichtscommissie in de discussie over de huisvesting van het Museum?

M.D.C.: Het was vooral Hoet die met ideeën en voorstellen kwam. De Toezichtscommissie poogde hem zoveel mogelijk te steunen. Zoals gezegd kon hij in de eerste plaats rekenen op Van Eeckhaut, ook als het zaak was om de ondermaatse werkingsmiddelen aan te kaarten. Het Museum kwam in die periode geregeld in de problemen omdat de toelagen van de Stad te laat werden uitgekeerd of plots werden verminderd. Van Eeckhaut was een gezaghebbend figuur. Hij schreef brieven of legde contacten met partijgenoten en politici van de coalitiepartner, de V.L.D. (thans Open Vld). In Schepen van Cultuur Rudy Van Quaquebeke (V.L.D.) vond hij een goede gesprekspartner. Op een gegeven moment woonde de Schepen een vergadering van de Toezichtscommissie bij. Toen bleek dat hij het plan genegen was om het M.H.K. eindelijk een autonoom museumgebouw te gunnen.

K.B./D.P.: Wat waren de opties op dat vlak?

M.D.C.: Lange tijd zag het ernaar uit dat het M.H.K. naar de Sint-Pietersabdij zou trekken. Nog in de lente van 1992 – het jaar van Hoets Documenta – werd de verhuis naar de Abdij in het vooruitzicht gesteld. De Schepen van Cultuur maakte zich hiervoor sterk.

K.B./D.P.: Waarom werd deze optie niet weerhouden?

M.D.C.: Hoet verzaakte eraan omdat hij van mening was dat er te veel beperkingen zouden worden opgelegd – de abdij is immers een historisch monument. Hij was niet de enige die deze mening was toegedaan. Vanuit de Stad werd een andere mogelijkheid aangereikt: het Casinogebouw. In april 1993 was het dan eindelijk zover: Rudy Van Quaquebeke kondigde aan dat het Casino zou worden verbouwd tot Museum van Hedendaagse Kunst. Het College van Burgemeester en Schepenen, bestaande uit mandatarissen van de V.L.D. en de S.P., legde 35 miljoen Belgische frank [875.000 €] op tafel voor de renovatie van het Casino; de Vlaamse Gemeenschap was bereid om hetzelfde bedrag bij te passen.

K.B./D.P.: Was jij enthousiast over het voorstel om het M.H.K. onder te brengen in het Casino?

M.D.C.: De locatie, recht tegenover het Museum voor Schone Kunsten, was zonder meer uitstekend. Mits het gebouw grondig zou worden aangepakt, waren er mogelijkheden, maar eerst moesten tal van nieuwe hindernissen uit de weg worden geruimd.

K.B./D.P.: Welke? Het College had toch een besluit genomen?

M.D.C.: Vooreerst was er tegenkanting van de vzw Internationale Jaarbeurs, die op dat moment het Casino huurde. De Jaarbeurs wilde niet verhuizen naar hal 6 in het aanpalende Floraliëncomplex. Daarnaast was er ook een juridisch conflict gerezen. De Vlaamse Gemeenschap wilde haar bijdrage enkel uitkeren aan de V.M.H.K. en niet aan de Stad Gent. De Vereniging wilde de rol van financieel beheerder spelen, maar achtte zich niet gewapend om zelf bouwheer te zijn. De Stad Gent was geen voorstander van deze constructie.

K.B./D.P.: Waarom wilde Minister van Cultuur Hugo Weckx (C.V.P., thans CD&V) het bedrag enkel overmaken aan de V.M.H.K.? Of waren vooral de Vereniging en het M.H.K. voorstander van deze financiële constructie omdat deze toeliet maximale controle uit te oefenen op de besteding van de toegezegde middelen?

M.D.C.: Het is zonder meer waar dat het Museum en de Vereniging deze regeling gunstig gezind waren. Ze liet ons toe om de beschikbare middelen zonder veel bureaucratische rompslomp te gebruiken zoals wij dat wilden. Het kabinet van de Minister van Cultuur en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap hadden echter van hun kant ook positieve ervaringen met deze werkwijze. Als de Vereniging kunstaankopen deed, dan werden subsidies aangevraagd bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De verantwoording van deze middelen verliep altijd perfect. Bij de afhandeling van de aankopen van het Museum zelf, die via de Stad moesten lopen, werd daarentegen veel tijd verloren – als de aankoop al werd goedgekeurd door de Gemeenteraad. Er waren nog andere precedenten. Op een gegeven moment – in 1987 – wilde Laurent Jacob van het Luikse Espace 251 Nord een reeks tentoonstellingen met Belgische kunstenaars opzetten in Rome. De Vlaamse Gemeenschap werd benaderd om de bijdragen van de Vlaamse kunstenaars te sponsoren. De Beoordelingscommissie Beeldende Kunst adviseerde positief en werd hierin gevolgd door de Gemeenschapsminister. De enige voorwaarde was dat de subsidie zou worden toegekend aan de Vereniging, die de middelen kon uitkeren aan Espace 251 Nord van zodra facturen werden voorgelegd. Ik werd zelf gevraagd om een inhoudelijk en financieel verslag te maken over dat project. Het Ministerie had vertrouwen in de Vereniging, dat mag duidelijk zijn.

K.B./D.P.: Als de Stad Gent de bypass via de Vereniging niet wenselijk vond, dan was het misschien toch aangewezen om een andere oplossing uit te werken?

M.D.C.: Misschien wel, maar dat was niet het enige obstakel. Er werden ook partijpolitieke conflicten op de rug van het M.H.K. uitgevochten. Zowel binnen de S.P. als in de schoot van de V.L.D. waren er voor- en tegenstanders van de renovatie van het Casino. Burgemeester Temmerman (S.P.) was een koele minnaar van het project. Hij leek niet zinnens om de plannen van zijn partijgenoot Piet Van Eeckhaut met veel enthousiasme te steunen. De beruchte salamimethode van Schepen van Cultuur Van Quaquebeke – het opdelen van de totale financiële kost (om en bij 200 miljoen Bfr. [5 miljoen €]) in kleinere schijven die jaarlijks in de begroting zouden worden opgenomen – kon in de V.L.D. op weinig bijval rekenen. Het werd duidelijk dat Van Quaquebeke steeds minder steun genoot in zijn eigen partij. In november 1993 weigerde het College het aanvankelijke akkoord uit te voeren. Het luidde dat de V.M.H.K. een onbetrouwbare partner was. De impasse was compleet, vooral omdat Hugo Weckx ermee dreigde het toegezegde bedrag in te trekken als er geen oplossing werd gevonden voor het jaareinde. Het werd een regelrechte thriller.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de Vereniging en het Museum?

M.D.C.: We volgden alle ontwikkelingen op de voet en vergaderden in die dagen haast wekelijks. Daarnaast richtten we brieven aan alle gemeenteraads- en collegeleden waarin we de aantijgingen stuk voor stuk weerlegden. We lichtten ook de pers in over de moeilijke situatie. Jan Hoet en Bart De Baere schreven zelfs een brief aan de pas aangetreden Koning Albert II! Alle middelen waren goed om de scheve situatie recht te trekken.

K.B./D.P.: Waren die acties succesvol?

M.D.C.: Neen, maar we waren bereid tot het uiterste te gaan. Als er tijdens de laatste bijeenkomst van de Gemeenteraad in 1993 geen gunstige beslissing uit de bus zou komen, dan zouden we een lokale, nationale en internationale petitie lanceren. Tevens hadden we reeds de datum vastgelegd waarop we een persconferentie zouden houden waarin we in niet mis te verstane woorden lucht zouden geven aan ons ongenoegen. In de weken die aan de genoemde zitting van de Gemeenteraad voorafgingen, werd eindelijk een akkoord bereikt.

K.B./D.P.: Wat hield het vergelijk in?

M.D.C.: Op een gegeven moment kreeg ik een telefoontje van Burgemeester Temmerman. Hij vroeg me om stante pede naar het Stadhuis te komen waar een vergadering van het College aan de gang was. Ik kreeg er te horen wat de Burgemeester en Schepenen hadden bekokstoofd. Het compromis bestond erin om het huurcontract met de Internationale Jaarbeurs met een jaar te verlengen en eerst een nieuwe depotruimte voor het M.H.K. te bouwen in de linkerzijhal van het Floraliëncomplex, een ruimte naast het Casino. Pas na de oplevering van het nieuwe depot zou de Internationale Jaarbeurs naar hal 6 verhuizen waar tot dan de reserve van het M.H.K. was ondergebracht. Op hetzelfde moment kon in het vrijgekomen Casino worden begonnen met de renovatie van het gebouw. Het was bijzonder frustrerend dat de verbouwing van het Casino met minstens een jaar werd uitgesteld – tot na de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 – maar het was het hoogst haalbare. Jan Hoet en de raad van beheer van de Vereniging waren bereid hiermee in te stemmen.

K.B./D.P.: In 1994 vonden gemeenteraads- én Europese verkiezingen plaats. Hield dat geen risico in? Welke garantie was er dat een nieuw College de plannen van het vorige ten uitvoer zou brengen?

M.D.C.: Zonder risico was de beslissing niet. Was dat de reden dat Jan Hoet zich in het voorjaar van 1994 verkiesbaar stelde op de Europese lijst van de C.V.P.? Over zijn politieke carrière legde Hoet tegenstrijdige verklaringen af. Nu eens zei hij dat hij uitdrukkelijk op het beslissingsproces inzake het gebouw van het M.H.K. wilde wegen, dan weer verklaarde hij dat hij zich als intellectueel wilde engageren. Een jaar later was hij in ieder geval alweer politicus af.

K.B./D.P.: Het nieuwe Gentse College van Burgemeester en Schepenen onder leiding van Frank Beke (S.P.), dat in 1995 aantrad en uit dezelfde partijen bestond, S.P. en V.L.D., hield uiteindelijk woord. De depotruimte werd gebouwd en in het voorjaar van 1995 werden de plannen voor de verbouwing van het Casino tot het Museum van Hedendaagse Kunst gepresenteerd. Op de door het vorige College gemaakte keuze van stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse kwam veel kritiek. Terecht?

M.D.C.: Jan Hoet had eerst voorgesteld om een architectuurwedstrijd uit te schrijven, maar die suggestie werd afgeblokt door Burgemeester Temmerman en Schepen van Cultuur Van Quaquebeke. Er zou te veel tijd verloren gaan, zo luidde het. Dat was een vreemd argument, aangezien het College zelf voor veel tijdverlies verantwoordelijk was. Hoet wilde vervolgens in zee gaan met Paul Robbrecht en Hilde Daem, die voor zijn Documenta de Aue-paviljoenen hadden ontworpen. Het Museum moest echter met minimale middelen worden gerealiseerd. Temmerman en Van Quaquebeke stelden voor om de opdracht toe te vertrouwen aan de stadsarchitect. Dat was de goedkoopste oplossing. Het College onder leiding van Frank Beke heeft die beslissing niet meer gewijzigd. Niemand – ook Hoet niet – vond het een goed idee om met de stadsarchitect in zee te gaan, maar er was geen andere optie.

 

4.

K.B./D.P.: Nauwelijks waren de plannen voor de verbouwing van het Casino gepresenteerd of je trad terug als voorzitter van de Vereniging. Waarom nam je ontslag?

M.D.C.: Er was geen andere mogelijkheid.

K.B./D.P.: In welke zin?

M.D.C.: Mijn voorzitterschap was Hoet reeds lange tijd een doorn in het oog. In verhulde termen – vaak echter rechttoe rechtaan – gaf hij iedereen die het horen wilde te verstaan dat de V.M.H.K. aan een nieuwe voorzitter toe was.

K.B./D.P.: Waarom was Hoet die mening toegedaan?

M.D.C.: Onze relatie was reeds enige tijd verzuurd. Hoet was van mening dat de Vereniging zich niet genoeg inzette voor het Museum, vooral op het vlak van fondswerving. Hij beweerde dat de Vereniging – en ik als voorzitter – hem tegenwerkte. Ik heb geen idee waarop hij zich baseerde. Ook het feit dat de Vereniging exposities organiseerde, was voor hem een permanente bron van ergernis. Het luidde dan dat de tentoonstellingen van de V.M.H.K. verwarring konden zaaien over de programmatische keuzes van het Museum. Nadat de beslissing over het autonome museumgebouw was gevallen, voerde hij de druk op, maar hij haalde zijn slag pas na enige tijd thuis.

K.B./D.P.: Waarom?

M.D.C.: Mocht ik enkel voorzitter zijn geweest, dan zou men snel een opvolger hebben gevonden. Ik deed echter meer dan het leiden van de vergaderingen van de beheerraad. De dagelijkse leiding was eveneens mijn verantwoordelijkheid. Ik zorgde ervoor dat het tijdschrift Kunst Nu werd uitgegeven, stond in voor de tentoonstellingen, volgde de grafiekuitgaven op en was betrokken bij de organisatie van de uitstappen en reizen. Gelukkig kon ik daarbij een beroep doen op andere geëngageerde beheerders, onder wie vooral penningmeester Julien Revis. Ook de gewetensbezwaarden die in de Vereniging actief waren, namen veel werk voor hun rekening. Ik vond het voorts belangrijk dat er iemand aanwezig was om met de leden van de Vereniging persoonlijk contact te hebben. Ook die functie nam ik waar, samen met Julien. Er was niet echt een kandidaat om al die taken over te nemen. Dat frustreerde Hoet in hoge mate. Tal van keren haalde hij vlijmscherp naar me uit, ook tijdens vergaderingen van de raad van beheer, die hij als waarnemer bijwoonde.

K.B./D.P.: Wat zei hij dan?

M.D.C.: Als ik moeilijk vervangbaar was omdat ik al dat werk op mij nam, dan moesten die taken misschien worden afgebouwd, suggereerde hij meermaals. Hij had het vooral gemunt op het tentoonstellingsprogramma. Zijn visie werd niet door iedereen op applaus onthaald. Een meerderheid in het bestuur vond dat de Vereniging actief moest blijven als organisator van exposities zodat de leden van de Vereniging elkaar tijdens de vernissages konden ontmoeten. Hoet haalde zijn slag niet thuis. Hij speelde echter op de man in plaats van op de bal. Op een gegeven moment fulmineerde hij dat hij slechts één politieke partij kende waarvan de voorzitter ook voor het leven benoemd was…

K.B./D.P.: …vergeleek hij jou met Karel Dillen van het Vlaams Blok?

M.D.C.: Het was een verwijt dat me diep raakte. Mij niet alleen trouwens. Uit onvrede met die uitspraak nam Guy Joly ontslag als beheerder. In de herfst van 1995 stelde ik mijn mandaat als voorzitter ter beschikking. Ik was bereid om een stap opzij te zetten, temeer omdat ik zo lang voorzitter was geweest – meer dan vijftien jaar. De manier waarop ik afscheid moest nemen, was echter pijnlijk.

K.B./D.P.: Je bleef wel zetelen in de raad van bestuur?

M.D.C.: Ja.

K.B./D.P.: Waarom?

M.D.C.: De Vereniging was een belangrijk stuk van mijn leven. Ik bleef met hart en ziel bij de V.M.H.K. Daar veranderde mijn ontslag als voorzitter niets aan. Advocaat Dirk Schutyser, die al vele jaren actief lid was van de Vereniging, werd bereid gevonden om mij op te volgen. Hij had ook de steun van Hoet. Dirk vroeg me om nog een aantal taken op mij te nemen, maar daar had ik geen zin in. De diverse taken die ik tot dan toe had waargenomen, werden verdeeld onder de overige bestuurders.

K.B./D.P.: Wat waren de laatste tentoonstellingen die je organiseerde?

M.D.C.: Het ging om twee solo’s: Dirk Braeckman (september-oktober 1995) en Jan Van Imschoot (oktober-december 1995). Aan de expo van Van Imschoot hou ik zeer goede herinneringen over. Ik werkte hiervoor samen met Luc Tuymans, een goede vriend van Jan Van Imschoot. Tuymans koos de werken en bepaalde de accrochage. Daar had ik tot dan toe mijn plezier uit gepuurd: de contacten met de kunstenaars en de opbouw van de tentoonstellingen. Ook de debatten over de aankopen vond ik boeiend, maar die discussies werden zo goed als niet meer gevoerd omstreeks 1995. De aankopen werden bepaald door Hoet en zijn museumstaf. Het volstond dat de Vereniging de middelen op tafel legde om de aankopen te betalen. De kunstwerken van Pier Paolo Calzolari en Bruce Nauman waren reeds in het museum gearriveerd toen ons de factuur werd bezorgd. Een uitzondering betrof Weinende Frau van Thomas Schütte. In die aankoop hadden de beheerders van de Vereniging de hand.

K.B./D.P.: Welke beheerders verrichtten voortaan jouw taken?

M.D.C.: Het tentoonstellingsbeleid werd toevertrouwd aan Hans Martens – hij was als curator in dienst geweest van het Museum, maar was tijdelijk ontslagen omwille van terugvallende werkingsmiddelen. Kunst Nu kwam in handen van Jean-Paul Deslypere; de daguitstappen en reizen werden zoals voorheen georganiseerd door Aimé Van Heddeghem; de grafiekuitgaven werden voortaan opgevolgd door Karel Hooft.

K.B./D.P.: Hoe reageerde de buitenwereld op jouw ontslag als voorzitter?

M.D.C.: We hebben zeer terughoudend gecommuniceerd over de gang van zaken. Nadat de beslissing bekend was gemaakt en ik tijdens de nieuwjaarsreceptie in januari 1996 gehuldigd werd, ontving ik veel reacties. Kunstenaars en sympathisanten van de Vereniging stuurden me brieven. Die respons had ik niet verwacht. Dat was echt ontroerend. Bij sommige ontwikkelingen in de werking van de Vereniging had ik evenwel bedenkingen.

K.B./D.P.: Welke ontwikkelingen?

M.D.C.: Op het einde van 1995 werd een commissie gevormd die met voorstellen moest komen over de aangewezen structuren om de bedrijfssponsoring in goede banen te leiden. Er lagen drie opties op tafel: de oprichting van een nieuwe stichting, de oprichting van een tweede v.z.w. of de oprichting van een stichting binnen de bestaande v.z.w. Uiteindelijk kon een meerderheid zich vinden in de derde mogelijkheid. Een vertegenwoordiger van een bedrijf dat zich garant stelde om gedurende drie jaar de ronde som van 250.000 Belgische frank [6.250 €] te schenken aan de Stichting van de Vereniging, werd beheerder van de V.M.H.K. Aan de sponsoring hing dus een mandaat in de Vereniging vast. De statutenwijziging werd in 1996 goedgekeurd. Toen werden ook enkele beheerders aangezocht die goede banden hadden met politieke partijen, zoals Dany Vandenbossche (S.P.), die in 1995 Schepen van Cultuur was geworden, en Jan Vermassen, die werkzaam was op het kabinet van Minister van Cultuur Luc Martens (C.V.P.), de opvolger van Hugo Weckx.

K.B./D.P.: Was de Stichting een succes?

M.D.C.: In het eerste jaar werd slechts één sponsor bereid gevonden om steunend lid te worden: Sidmar, vertegenwoordigd door Pierre Bouckaert, het hoofd van de juridische dienst van het Gentse staalbedrijf. Jaar na jaar groeide het aantal bedrijfssponsors echter aan. Met de financiële middelen die aldus werden vergaard, wou Hoet de collectie met significante aankopen verrijken. Op financieel vlak was de Stichting een goede zaak, maar de constructie vertoonde duidelijke mankementen.

K.B./D.P.: Welke?

M.D.C.: De V.M.H.K. werd de facto een vereniging met twee snelheden. Er werden aparte activiteiten voor de bedrijfssponsors ingericht, waarbij Hoet de honneurs waarnam. In 1997 werd een uitstap naar Documenta X georganiseerd voor de sponsors, begeleid door Hoet, terwijl de Vereniging voor haar leden een eigen excursie diende in te richten. Voortdurend moesten we vragen naar de financiële overzichten van de Stichting, zowel wat de inkomsten als wat de uitgaven betreft. Het was toch niet normaal dat de beheerders een dergelijk verzoek aan voorzitter Schutyser moesten richten! De Stichting maakte immers integraal deel uit van de Vereniging. Penningmeester Julien Revis maakte meermaals zijn beklag over de gang van zaken.

K.B./D.P.: De aparte vereniging waarnaar Hoet zo vaak verlangd had, was eigenlijk een feit geworden?

M.D.C.: Dat is misschien te sterk uitgedrukt, maar volledig onjuist is die beoordeling niet.

 

wordt vervolgd

 

Met dank aan Roger Matthys (1920-2016) en Nele Vanhoutte.

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

 

* De eerste vier delen van het interview met Marc De Cock, over de periodes 1961-1965, 1965-1974, 1974-1982 en 1982-1989 werden gepubliceerd in De Witte Raaf nrs. 168, 171, 180 en 181.

 

Rechtzetting i.v.m. Initiatief 86

In tegenstelling tot wat ik gezegd heb in de vorige aflevering van dit interview (De Witte Raaf nr. 181, pp. 25-27) was Bart Cassiman reeds in 1985 bij het project Initiatief 86 betrokken. Hij heeft het centrale deel van Initiatief 86 in de Sint-Pietersabdij, met de buitenlandse curatoren, opgestart en begeleid, en later ook de catalogus gerealiseerd.

Marc De Cock

 

1974-1982: de triomfen van een (vereniging voor een) spookmuseum

Wat voorafging

Op 8 november 1957 werd in Gent de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst gesticht door een heterogeen gezelschap van onder anderen industriëlen, geneesheren, professoren, kunstenaars en architecten. Voorzitter werd de advocaat Karel Geirlandt. In de eerste helft van de jaren zestig zette Geirlandt, hierbij geassisteerd door Marc De Cock, drie Forum-manifestaties over actuele kunst op in de Sint-Pietersabdij te Gent, gevolgd door de belangwekkende tentoonstelling Figuratie en defiguratie (1964) in het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.).* In de tweede helft van de jaren zestig kwam de klemtoon steeds meer te liggen op de realisatie van de doelstelling die in de naam van de Vereniging is vervat: de oprichting van een Museum van Hedendaagse Kunst. Geirlandts lidmaatschap van de Toezichtscommissie van het Museum voor Schone Kunsten fungeerde daarbij als hefboom. Door handig te manoeuvreren kon Geirlandt diverse leden van de raad van beheer van de Vereniging in de Toezichtscommissie loodsen: Marc De Cock (in 1965) en John Bultinck (in 1966). Anton Herbert, een notoir voorvechter van de hedendaagse kunst, vervoegde de Toezichtscommissie in 1968. Reeds voordien waren Roger Matthys en Jozef Mees, twee andere Vereniging-mandatarissen, tot lid van de Toezichtscommissie verkozen. Aldus vormden de belangenbehartigers van de actuele kunst aan het einde van de jaren zestig een meerderheid in het belangrijkste beleidsorgaan van het M.S.K. Een volgende tussentijdse ambitie van de vertegenwoordigers van de Vereniging was de oprichting van twee Aankoopcommissies, een voor traditionele, een voor hedendaagse kunst. Het College van Burgemeester en Schepenen van Gent sputterde lang tegen, maar gaf zich uiteindelijk in 1973 gewonnen. Nadat het aankoopbeleid de facto was ontdubbeld, was het slechts een kwestie van tijd tot de volgende stap kon worden gezet: de oprichting van een autonoom Museum van Hedendaagse Kunst, onder leiding van een fulltime conservator…

 

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In het najaar van 1974, nog voor de statutaire oprichting van het Museum van Hedendaagse Kunst (M.H.K.), wordt een vergelijkend examen georganiseerd om de vacature van conservator in te vullen. Uit een verslag van de Toezichtscommissie van het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.) blijkt dat twee leden worden aangeduid om de examencommissie te adviseren: Jozef Mees en Roger Matthys. Waarom ging de keuze niet uit naar Karel Geirlandt, de oprichter van de V.M.H.K.?

Marc De Cock: Karel Geirlandt trad op 1 september 1974 in dienst als Directeur-Generaal van de Vereniging van Tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel (P.S.K.). Hij was reeds in het voorjaar van 1974 teruggetreden als voorzitter van de V.M.H.K. Geirlandt bleef de vergaderingen van de Vereniging bijwonen, maar hij nam steeds minder taken op zich. Dat was ook begrijpelijk, gezien zijn loodzware functie in het P.S.K. Roger Matthys volgde hem op als voorzitter. Het was dus logisch dat Matthys als adviseur van de examencommissie werd aangezocht.

K.B./D.P.: En Jozef Mees?

M.D.C.: Mees was voorzitter van de unitaire Toezichtscommissie van het Museum voor Schone Kunsten. Hij leidde ook beide Aankoopcommissies, die van oude en die van hedendaagse kunst. Mees was een flamboyante persoonlijkheid en genoot enorm veel respect. Hij hoorde bij de socialistische zuil en was nog bevriend geweest met Frits Van den Berghe. Mees was van opleiding architect, maar daarnaast ook kunstenaar. Hij maakte abstracte schilderijen.

K.B./D.P.: Kreeg jij als lid van de Aankoopcommissie Hedendaagse Kunst iets mee over de beraadslagingen van de examencommissie?

M.D.C.: Neen, behalve de conclusie: de voordracht van Jan Hoet als eerste conservator van het Museum van Hedendaagse Kunst.

K.B./D.P.: Waren de namen van de andere kandidaten niet uitgelekt?

M.D.C.: Van enkele kandidaten was de identiteit bekend geraakt. Ik weet dat onder anderen Johan Werner Van den Bossche, Jan Emiel Daele en Wim Van Mulders mee hadden gedaan aan het examen, maar dat is zowat de enige informatie die naar de Aankoopcommissie was doorgesijpeld. Wim Van Mulders gaf les aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent (K.A.S.K.). Jan Emiel Daele verkeerde in de kringen van de Gentse Honest Art Movement; hij was kunsthistoricus en schrijver. Ook Johan Werner Van den Bossche was een kunsthistoricus; hij had gepubliceerd over Henry van de Velde.

K.B./D.P.: Uit een document dat we hebben kunnen consulteren in het archief van Roger Matthys blijkt dat de naam van Jan Hoet reeds in 1968 was gevallen tijdens een vergadering van de Vereniging over personen die konden worden benaderd om lid van de beheerraad te worden. Er wordt eveneens vermeld dat Hoet op dat moment kunstgeschiedenis studeert aan de Universiteit Gent.

M.D.C.: Het klopt dat Hoet studies kunstgeschiedenis had aangevat. Hij maakte een thesis over Victor Servranckx. Dat zijn naam viel tijdens een vergadering van de beheerraad is mogelijk, maar ik heb daar geen herinnering aan overgehouden. Wat ik zeker weet, is dat hij geen beheerder van de Vereniging is geworden.

K.B./D.P.: Had jij vóór Hoets deelname aan het vergelijkend examen reeds met hem kennisgemaakt?

M.D.C.: Hoet had deelgenomen aan de eerste trans-Atlantische reis van de Vereniging. In 1973 waren we met een grote groep leden naar New York gevlogen. Hoets aanwezigheid was aan niemand onopgemerkt voorbijgegaan. Voordien had ik reeds vluchtig met hem kennisgemaakt ten kantore van Karel Geirlandt. Geirlandt was een vriend van Hoets vader, een bekend verzamelaar. Ik denk echter niet dat Geirlandt zijn invloed heeft aangewend om Hoets kansen op een benoeming te vergroten.

K.B./D.P.: Wat voor indruk maakte Hoet toen je hem voor het eerst ontmoette?

M.D.C.: Hij kwam zeer dynamisch en enthousiast over. Het contact was zonder meer positief. Als Hoet in de buurt was, gebeurde er altijd wel iets. Hij kon enorm begeesterend praten over kunst. Hij stond ook bekend als een goed pedagoog. Voordat hij de functie van conservator in de wacht sleepte, was hij actief geweest als leraar, eerst in Koksijde, in de Westhoek Academie die hij samen met Walter Vilain had opgericht, nadien in de Rijksmiddelbare school in Oostakker. Hoet was bijna veertig toen hij voorgedragen werd om de leiding van het M.H.K. op zich te nemen.

K.B./D.P.: De benoeming van Hoet laat tot 10 juni 1975 op zich wachten. In een besloten zitting van de Gentse gemeenteraad worden nog twee andere conservators aangesteld: Rita Dubois-Van de Capelle voor het Centrum van Kunst en Cultuur (Sint-Pietersabdij) en Joan Vandenhoute voor de Dienst Archeologie en Historische Monumenten.

M.D.C.: Dat klopt. Schepen van Cultuur Robert Vandewege pakte uit met drie namen.

K.B./D.P.: ‘Van de acht conservators die ik benoemd heb, waren er toevallig zeven C.V.P.’ers. Maar het waren goede elementen, dat hebben ze toch wel bewezen’, zou Vandewege later – op zijn tachtigste verjaardag in 2000 – hebben verklaard. Had Hoet in 1975 een partijkaart van de C.V.P.?

M.D.C.: Dat weet ik niet. Het is wel bekend dat hij in 1994 – in de herfst van zijn carrière – op een C.V.P.-lijst kandideerde voor de Europese verkiezingen. In de jaren zeventig was het in ieder geval gebruikelijk dat de politieke partijen zich met topbenoemingen bemoeiden.

K.B./D.P.: Toen Hoet in dienst trad, was het Museum van Hedendaagse Kunst nog steeds niet officieel opgericht. Dat gebeurde pas op 1 augustus 1975. Welke taak wachtte hem? 

M.D.C.: Een zeer grote uitdaging! Het Museum voor Schone Kunsten en het Museum van Hedendaagse Kunst werden gedwongen om samen te leven binnen de muren van het gebouw van het M.S.K. Alles moest worden uitgevonden. Jan Hoet en Paul Eeckhout, de parttime conservator van het Museum voor Schone Kunsten, moesten hun werkterrein afbakenen – letterlijk én figuurlijk. Over de afbakening van de historische periodes die beide musea zouden behandelen zijn de twee conservators het in feite nooit volledig eens geworden. Er kwam een compromis uit de bus. Eeckhout kreeg de toelating om traditionele naoorlogse kunst te blijven aanschaffen – werken van lokale figuratieve schilders zoals Gaspard De Vuyst of Jef Wauters.

K.B./D.P.: Het Museum voor Schone Kunsten moest worden heringericht om er het nieuwe Museum van Hedendaagse Kunst in onder te brengen. In een beleidsdocument van de stad Gent (d.d. 1 augustus 1975) is het volgende te lezen: ‘Inmiddels werden de voorbereidende werkzaamheden aangevat om een volledige splitsing van beide instellingen door te voeren. Dit behelst o.m. de uitrusting van een dertigtal ongebruikte ruimten en het aanleggen van een afzonderlijke toegang tot het Museum van Hedendaagse Kunst.’

M.D.C.: Jarenlang hebben wij gestreden om een aparte ingang voor het Museum van Hedendaagse Kunst te verkrijgen. Onze eis heeft zelfs de officiële nota’s van de stad gehaald, maar een eigen toegang is er jammer genoeg nooit gekomen. Dat was echter niet de belangrijkste zorg. Het was vooral zaak om de museumzalen in te richten met het oog op de opening van het Museum. Hoet moest het allemaal alleen zien te rooien. Toen hij begon, kon hij enkel een beroep doen op een secretaresse, Lucienne Leplae. Niet alleen de infrastructuur, ook de personeelsbezetting baarde ons lange tijd grote zorgen. Slechts mondjesmaat werd de omkadering uitgebreid, waarbij Hoet niet zelden aangewezen was op personeelsleden die in nepstatuten werden tewerkgesteld.

K.B./D.P.: De statutaire oprichting van het M.H.K. op 1 augustus 1975 gaat gepaard met een opvallende gift, namelijk het werk 300 pots van de Franse kunstenaar Jean-Pierre Raynaud, een installatie van driehonderd met cement gevulde bloempotten. Hoet noemde het werk ‘Cartesiaanse kunst, met het accent op orde en systematiek; psycho-objecten die een weldoend effect zullen hebben op de bezoekers van ons museum’.

M.D.C.: De aankoop van een vroeger werk van Raynaud door de V.M.H.K., gevolgd door de weigering van Paul Eeckhout om dit werk onder te brengen in de depotruimte van het museum, had in 1971 tot een vertrouwensbreuk geleid. De V.M.H.K. had al haar werken uit de reserves van het M.S.K. gehaald en verhuisd naar een ruimte in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Dat de oprichting van het Museum van Hedendaagse Kunst Raynaud op het idee had gebracht om een werk te schenken was dus bijzonder betekenisvol! Hoet besloot overigens meteen om de werken uit het K.A.S.K. terug te halen om ze een plaats te geven in het depot van het nieuwe museum.

K.B./D.P.: Een significante aanwinst is Panamarenko’s Deltavliegtuig P-1 (Piewan) (1975), dat in het oprichtingsjaar van het M.H.K. wordt verworven.

M.D.C.: In de Aankoopcommissie was er grote consensus over het belang van Panamarenko. Er werden verschillende pogingen ondernomen om werken van hem aan te kopen. Uiteindelijk viel de keuze op de ‘Piewan’. Iedereen was uitermate gelukkig met de aanwinst. Ook het College van Burgemeester en Schepenen was meteen bereid om zijn handtekening onder de aankoop te zetten. De problemen rond de verwerving ontstonden later in de pers – in een radioprogramma van Jan Van Rompaey als ik me niet vergis.

K.B./D.P.: In Janenalleman van Jan Van Rompaey zou kunstcriticus Lambert Jageneau hebben gezegd dat het werk van Panamarenko alleen ‘kan dienen om een verzameling van wansmaak te vervolledigen’. En nog: ‘Op een veiling zou men nog geen 50 fr. aan het geval spenderen.’

M.D.C.: Het M.H.K. was niet eens officieel geopend en de poppen gingen al aan het dansen! Burgemeester Geeraard Van den Daele wilde tekst en uitleg om de aankoop ten aanzien van pers en publiek te kunnen verantwoorden. Zowel Geirlandt als Hoet putten zich uit om die beslissing te legitimeren.

K.B./D.P.: Kon het College van Burgemeester en Schepenen worden overtuigd?

M.D.C.: Ja, maar de toon was gezet. Het College was nog meer dan vroeger op zijn hoede als er een voorstel tot aankoop van een hedendaags kunstwerk werd ingediend. Het moge duidelijk zijn: het Museum was opgericht, maar de problemen van weleer waren niet van de baan.

K.B./D.P.: De Piewan en een honderdtal tekeningen van Panamarenko worden aan het publiek voorgesteld nog voordat het Museum officieel voor open was verklaard.

M.D.C.: Het valt niet te betwijfelen dat Jan Hoet te popelen stond om de hand aan de ploeg te slaan. Voordien had het M.H.K. ook reeds zijn medewerking verleend aan een tentoonstelling met werken van Dan Van Severen, die in samenwerking met Openbaar Kunstbezit tot stand was gekomen.

K.B./D.P.: Op 26 mei 1976 is het dan eindelijk zover: met een tentoonstelling van de collectie wordt het M.H.K. officieel geopend. Hoe beleefde je die dag?

M.D.C.: Het was een bijzondere gebeurtenis, zonder meer. Waar haast twintig jaar voor was gestreden, werd eindelijk werkelijkheid. De opening ging gepaard met een voortreffelijke presentatie van de verzameling. Het bewijs werd geleverd dat het M.H.K. recht van bestaan had. Naar aanleiding van de tentoonstelling werd overigens ook een bescheiden catalogus gepubliceerd.

K.B./D.P.: Het M.H.K. kan aanvankelijk slechts gebruikmaken van twee zalen: de twee grote bovenzalen van het M.S.K., die door de Technische Diensten van de Stad Gent voor de gelegenheid gerenoveerd waren. 

M.D.C.: Sommige tentoonstellingen gingen elders in het Museum voor Schone Kunsten door. De renovatie van bijkomende ruimten, zowel voor artistieke als voor administratieve doeleinden, werd in het vooruitzicht gesteld. De Schepen van Cultuur kondigde die werkzaamheden zelf aan tijdens de vernissage.

K.B./D.P.: Met de retrospectieve van Jan Burssens in het najaar van 1976 en de presentatie van het werk van een ander Gents kunstenaar, Jos Verdegem, kleurt het tentoonstellingsprogramma aanvankelijk erg lokaal. Ben je het hiermee eens?

M.D.C.: Akkoord. Burssens was een toonaangevend kunstenaar die in de kringen van de Vereniging zeer veel aanzien genoot. Hij stond met veel kunstenaars in contact en wist talloze verzamelaars te overtuigen van de kwaliteit van het werk van zijn collega’s, onder wie de Frans-Roemeense kunstenaar Horia Damian. De V.M.H.K. had reeds in 1961 werk van Damian verworven. Burssens was incontournable. Ook Verdegem, die reeds overleden was in 1957, was een lokale held. Het initiatief tot die tentoonstelling was uitgegaan van de Provincie Oost-Vlaanderen. Hoet verleende loyaal zijn medewerking aan deze exposities.

 

2.

K.B./D.P.: Ook na de officiële opening van het Museum van Hedendaagse Kunst blijft de Vereniging activiteiten organiseren: tentoonstellingen in het Cultureel Informatief Centrum (C.I.C.) en presentaties (lezingen, filmvoorstellingen…) in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.) en in het Museum van Hedendaagse Kunst zelf. Daarnaast verzorgt de V.M.H.K. groepsreizen naar culturele metropolen en is ze actief als uitgever van grafiek.

M.D.C.: De Vereniging beschikte over een zeer goed gelegen tentoonstellingsruimte aan de Kouter. In het C.I.C. vonden expo’s plaats van lokale gevestigde kunstenaars zoals Jan Burssens en Amédée Cortier (in 1976), maar ook van kunstenaars die nog niet zover stonden in hun carrière, zoals Marthe Wéry, Lili Dujourie, Danny Matthys (tevens in 1976) en Bernd Lohaus (1977). Ook de jonge kunst had onze aandacht. Zo organiseerden we in 1976 een tentoonstelling met jonge Amerikaanse kunstenaars in samenwerking met de Brusselse Alexandra Monett Gallery. De reeks Coming People, waarin werk werd gepresenteerd van aankomend talent, ging van start in 1974. In 1976 stond K.A.S.K.-docent Wim Van Mulders in voor de selectie. Met onze reizen en up-to-dateavonden wilden we onze leden nader informeren over de recentste ontwikkelingen. Onze activiteiten sloegen aan. Het was belangrijk dat we hier ook na de opening van het M.H.K. mee doorgingen. Vergeet ook niet dat wij een autonoom Museum van Hedendaagse Kunst voorstonden, volledig onafhankelijk van het Museum voor Schone Kunsten. Dat doel was verre van verwezenlijkt. Over aankopen en tentoonstellingen kon de commissie van het M.H.K. op onafhankelijke wijze beslissingen nemen, maar over tal van andere aangelegenheden was steeds overleg nodig met de conservator van het M.S.K.

K.B./D.P.: In 1976 wijdt de Vereniging een expo aan de activiteiten van de Galerie Paul Maenz. Kan je daar toelichting bij geven?

M.D.C.: Met die tentoonstelling blikten we terug op de activiteiten die Paul Maenz tussen 1970 en 1975 had opgezet, zowel in Keulen als in ons land. Maenz had enige tijd een dependance in de winkelgalerie Le Bailli, aan de Louizalaan in Brussel, waar ook de Wide White Space, MTL en Plus-Kern actief waren geweest. De idee om de spots te richten op het programma van een galerie sloeg aan. In de daaropvolgende jaren nodigden we tal van galeristen uit, onder wie Albert Baronian (Brussel) (1977), Françoise Lambert (Milaan) (1978), Manette Repriels (Galerie Vega, Luik) (1979) en Liliane & Michel Durand-Dessert (Parijs) (1981). Elke galerist bracht uiteraard zijn of haar kunstenaars, maar stond ook een specifieke benadering voor. Zo herinner ik me dat Paul Maenz al zijn uitnodigingskaarten presenteerde, helemaal in de lijn van de conceptuele kunst. Daarnaast was er een installatie van Giulio Paolini te zien. Paolini was zelfs aanwezig op de opening.

K.B./D.P.: In het Museum van Hedendaagse Kunst is hét evenement in 1977 de tentoonstelling van tekeningen, aquarellen, gouaches, collages en olieverven van Joseph Beuys. Reeds in de vergadering van de unitaire Toezichtscommissie (d.d. 22 juni 1976) was aan die manifestatie goedkeuring verleend ‘mits zekere voorwaarden, te bespreken met de inrichters’. De expo kwam met andere woorden niet tot stand op initiatief van Jan Hoet, maar van een externe partij?

M.D.C.: De tentoonstelling van Joseph Beuys kaderde in Europalia, dat in 1977 in het teken stond van de Bondsrepubliek Duitsland. Het was de eerste keer dat Europalia de vleugels uitsloeg buiten Brussel. Had de Brusselse organisatie het Gentse museum benaderd om de Beuysexpo te onthalen? Onmogelijk is dat niet. Europalia bood mogelijkheden die je niet onbenut kon laten. Ik herinner me dat Hoet met ongelofelijk veel passie aan de tentoonstelling heeft gewerkt.

K.B./D.P.: Ook de pers is laaiend enthousiast. Een citaat uit De Gentenaar: ‘De Beuys-tentoonstelling in het Museum van Hedendaagse Kunst is ongetwijfeld een der markantste facetten van de Europalia Bundesrepublik Deutschland die in heel het land wordt georganiseerd.’

M.D.C.: Iedereen stond vierkant achter die manifestatie, ook het publiek: zowel de opening, de tentoonstelling zelf als een up-to-dateavond met Joseph Beuys konden op een massale publieksopkomst rekenen. Het was een enorm succes, dat ook Beuys met verstomming leek te slaan.

K.B./D.P.: In het najaar maakt Hoet zijn tentoonstellingsplannen voor 1978 bekend aan de Toezichtscommissie van het M.H.K. Hij geeft aan solo’s te willen organiseren van de Fransman Jean-Pierre Raynaud en de Brit Richard Long, een kleine groepsexpo met Raoul De Keyser, Ulrich Rückriem, Richard Tuttle en Philippe Van Snick, en een thematische tentoonstelling gewijd aan kindertekeningen en werk van kunstenaars die inspiratie uit kindertekeningen putten. Alleen de solo van Raynaud en de kwartettentoonstelling werden uiteindelijk gerealiseerd – in die laatste werd Ulrich Rückriem overigens vervangen door David Rabinowitch.

M.D.C.: De Vereniging had al een werk gekocht van Jean-Pierre Raynaud, die – zoals gezegd – zelf een installatie aan het M.H.K. had geschonken. Misschien was dat een van de redenen om die tentoonstelling te maken? Het is voor mij onduidelijk waarom die andere twee projecten niet tot stand zijn gebracht. Dat de plannen van Hoet voortdurend wijzigden, was evenwel geen probleem voor de commissie. Integendeel, we hadden het volste vertrouwen in hem. Hoet deed voorstellen, concrete meestal, en in het algemeen ging de commissie daar pal achter staan. Ik zat al heel lang in de commissie – sinds 1965 – en ik herinner me dat er in de periode vóór het aantreden van Hoet geregeld pittige discussies werden gevoerd. De diverse commissieleden deden suggesties en er werd fel over gedebatteerd. Het was ontzettend begeesterend. Toen Hoet eenmaal conservator was geworden, werden de rollen omgekeerd. Hij trad de commissie tegemoet met allerlei voorstellen die haast in alle gevallen gunstig onthaald werden. Het initiatief lag bij de conservator en dat was goed.

K.B./D.P.: Ook inzake aankopen? Uit de verslagen van de Toezichtscommissie blijkt dat er in die tijd – eind jaren zeventig, begin jaren tachtig – gestreefd wordt naar een weloverwogen en breed gedragen collectiebeleid. Een citaat: ‘Het beleid moet gevoerd worden volgens een taakverdeling met de Vereniging van het Museum van Hedendaagse Kunst, bijvoorbeeld: betreffende de concept art prospecteert de V.M.H.K. voor werken van L. Weiner, R. Barry en S. Brouwn, zodat het M.H.K. zich best richt op D. Huebler, On Kawara en H. Darboven’ (verslag van de Toezichtscommissie, d.d. 1 maart 1978).

M.D.C.: Akkoord. We poogden tot een goede rolverdeling te komen. Het was de bedoeling dat de Toezichtscommissie, de Vereniging en de conservator de violen stemden. Ik wil echter herhalen dat het overleg in zeer goede verstandhouding plaatsvond.

K.B./D.P.: In 1978 vergadert de Toezichtscommissie talloze malen over het probleem van de behuizing van het Museum van Hedendaagse Kunst. Er wordt een beperkt comité samengesteld dat zich over de problematiek buigt. In het voorjaar van dat jaar schuift dat comité het park de Ghellinck in Zwijnaarde als mogelijke locatie naar voor. Van wie kwam dit voorstel?

M.D.C.: Dat weet ik niet meer. Ik vermoed dat de Toezichtscommissie door het College of door de Schepen van Cultuur gevraagd was om met een concreet voorstel te komen voor het huisvestingsprobleem. Iedereen die het M.S.K. bezocht, kon met eigen ogen constateren dat de cohabitatie van twee musea in één gebouw niet ideaal was. Ook de politieke wereld was inmiddels van mening dat naar een oplossing moest worden gezocht. Een verhuis naar een nieuwbouw in de natuur leek de beste optie. Voorbeelden als het Middelheim (Antwerpen) en het Kröller-Müller Museum (Otterlo) spraken velen aan. Ik meen dat er zelfs een excursie is georganiseerd naar het Kröller-Müller, in aanwezigheid van Schepen van Cultuur Robert Vandewege, om de mogelijkheden van een dergelijke locatie te onderzoeken. De Toezichtscommissie was haast unaniem van mening dat deze oplossing de beste was. Alleen commissielid Georges Broget was een andere overtuiging toegedaan. Hij vond dat het M.H.K. in het centrum van de stad moest worden gehuisvest. Broget was een zeer loyaal beheerder van de Vereniging en een toegewijd lid van de Toezichtscommissie, maar hij had steeds een eigen visie waarvan hij slechts zelden af te brengen was. 

K.B./D.P.: Hoe lagen de kaarten bij de politiek verantwoordelijken? 

M.D.C.: Het College van Burgemeester en Schepenen heeft het voorstel van de Toezichtscommissie zorgvuldig bestudeerd. Dat blijkt uit talloze notities uit de periode van 1978 tot 1980. Het College onderzocht echter ook een vestiging in het Citadelpark, tussen het Museum voor Schone Kunsten en het Casino. De Vereniging was dit voorstel niet genegen. We wilden een nieuwbouw die kansen op uitbreiding bood. Met hand en tand werd een nieuw gebouw in Zwijnaarde bepleit, zonder succes evenwel.

K.B./D.P.: Hoe kwam dat?

M.D.C: Zoals ik reeds aangaf, kon geen unanimiteit worden bekomen in de schoot van de Toezichtscommissie. Broget bleef dwarsliggen. Hij was een socialist en had goede connecties met partijgenoten. Heeft de B.S.P. – de toenmalige socialistische partij – de vestiging in Zwijnaarde weten te verhinderen of kwam het alle politieke partijen goed uit dat de Toezichtscommissie geen overeenstemming wist te bereiken? Feit is dat het voorstel op een gegeven moment van tafel verdween, net als het idee overigens om het museum tussen het M.S.K. en het Casino te bouwen. We waren weer bij af.

K.B./D.P.: Op een gegeven moment wordt in de commissie ook gepalaverd over een textielfabriek aan de Drongensesteenweg en het E.G.W.-gebouw in het Zuidpark. Van wie kwamen deze voorstellen?

M.D.C: Geen idee, maar ik weet wel dat die opties niet serieus zijn onderzocht. Na de afwijzing van het Citadelpark en de site in Zwijnaarde als mogelijke locaties voor het M.H.K. werd de discussie over de huisvestingsproblematiek een poosje opgeschort. Omdat er maar geen oplossing kwam, noemden we het M.H.K. in die dagen een ‘spookmuseum’.

 

3.

K.B./D.P.: 1979 is een belangrijk jaar voor jou: je volgt Roger Matthys op als voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst. Waarom trad Matthys terug als voorzitter?

M.D.C: Roger Matthys had een functie opgenomen als professor aan de Universiteit Antwerpen. Hij was van mening dat hij niet meer genoeg tijd kon vrijmaken om zijn verplichtingen als voorzitter van de Vereniging na te komen. Zelf was ik tot dan toe actief geweest als secretaris. Dat hield in feite in dat ik me met de dagelijkse werking van de V.M.H.K. bezighield.

K.B./D.P.: Waren er andere kandidaten om het voorzitterschap waar te nemen?

M.D.C: Bij mijn weten niet. Ik denk dat alle andere leden van de raad van beheer opzagen tegen de werklast.

K.B./D.P.: Wat veranderde er vanaf het moment dat jij de voorzittershamer hanteerde?

M.D.C: Niet bijster veel. Geirlandt zat weliswaar in Brussel, Matthys in Antwerpen, maar we hielden nauw contact over de werking van de Vereniging. Ik zette me zoals voorheen in voor de tentoonstellingen, de reizen, de grafiekpremies, de omzendbrieven, kortom de dagelijkse werking van de V.M.H.K.

K.B./D.P.: In 1979 vindt in het Museum van Hedendaagse Kunst de tentoonstelling Aktuele kunst in België. Inzicht/overzicht – Overzicht/inzicht plaats. Hoe kijk jij terug op die manifestatie? 

M.D.C: Uiterst positief! Het was een belangrijke expositie. De selectie van kunstenaars houdt tot op de dag van vandaag stand, de titel van de tentoonstelling misschien minder, maar dat is een detail. Het was duidelijk dat Hoet een goede kijk had ontwikkeld op het Belgische kunstlandschap.

K.B./D.P.: In haar aankoopbeleid trekt de Vereniging in die dagen voornamelijk de buitenlandse kaart. Opvallend is de voorkeur voor ‘conceptuele’ kunst, met werken van Joseph Kosuth (1976), Sol LeWitt (1976), Stanley Brouwn (1977), Robert Barry (1978), Lawrence Weiner (1978) en Douglas Huebler (1979).

M.D.C: Het overgrote deel van die werken werd aangeschaft bij MTL, de bakermat van de conceptuele kunst in België. In die jaren kocht de V.M.H.K. echter ook een belangrijk werk van een Belg, Sculpture de socle/zuil (1980) van Didier Vermeiren. Het klopt evenwel dat de blik van de Vereniging in de eerste plaats op het buitenland was gericht. Hoet bleef echter niet achter. In 1980 organiseerde hij een ambitieuze tentoonstelling: Kunst in Europa na ’68…. Onder de 26 Europese kunstenaars die deelnamen aan die expo waren er slechts twee Belgen: Panamarenko en Marcel Broodthaers.

K.B./D.P.: De expositie komt op een zeer bijzondere manier tot stand. Hoet omringt zich met een commissie waarin Germano Celant, Johannes Cladders, Sandy Nairne, Karel Geirlandt, Jean-Pierre Van Tieghem en Piet van Daalen zetelen. Nadat de commissie vijftien internationaal opererende kunstenaars selecteerde, kregen zij de kans een collega uit te kiezen. Méér kon Hoet zich nauwelijks hebben weggecijferd. Hij stelde zich zeer bescheiden op.

M.D.C: Voelde hij zich nog niet bekwaam om het laken volledig naar zich toe te trekken? Naar het antwoord op die vraag heb ik het raden. Hoet mag dan externe steun hebben willen zoeken, hij deed dat niet in samenspraak met de Toezichtscommissie van het M.H.K. of de raad van beheer van de V.M.H.K. Dat was ook geen probleem. Zoals ik eerder stelde, hadden de Toezichtscommissie en de Vereniging het volste vertrouwen in hem. De steun van Celant en co. zal wel belangrijk zijn geweest, maar wat voor mij telt, is het resultaat. Kunst in Europa na ’68… was een uitermate belangrijke tentoonstelling. Haast alle werken die in Gent getoond werden, zijn in museale of private collecties terechtgekomen. Het was een mijlpaal, zoveel is zeker.

K.B./D.P.: Opvallend is dat ook Karel Geirlandt in de selectiecommissie van Kunst in Europa na ’68… zetelt.

M.D.C: Geirlandt stond aan het hoofd van de Vereniging van Tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten. Hij haalde belangrijke exposities naar België en had een uitgebreid internationaal netwerk. Het was niet meer dan logisch dat Hoet hem erbij betrok.

K.B./D.P.: Het Museum van Hedendaagse Kunst krijgt van de Stad een ongezien bedrag ter beschikking om kunst aan te kopen uit de tentoonstelling. Het gaat om meer dan 7 miljoen BEF [175.000 euro], een veelvoud van het gebruikelijke jaarlijkse aankoopbudget. Hoe was die beslissing tot stand gekomen?

M.D.C: Het kan niet anders dan dat Hoet hierin een rol heeft gespeeld. Dat de Toezichtscommissie hem volmondig steunde, was ongetwijfeld ook een belangrijk signaal voor het College van Burgemeester en Schepenen.

K.B./D.P.: In de marge van Kunst in Europa na ’68… organiseert de Vereniging een expo met werken uit haar eigen verzameling. Het is de eerste tentoonstelling die plaatsvindt op een nieuwe locatie, namelijk de Cercle Artistique et Littéraire aan de Recolettenlei. Waarom was de Vereniging verhuisd?

M.D.C.: De ruimte aan de Kouter was ons destijds – eind 1972 – ter beschikking gesteld door Maurits Naessens van de Bank van Parijs en de Nederlanden. In het begin moesten we geen huur betalen; zelfs de kosten voor water en verwarming werden door de bank gedekt. Toen Naessens op pensioen ging, werd de Vereniging gevraagd om te betalen voor de nutsvoorzieningen. Dat was niet onoverkomelijk. In 1980 trok de bank echter zelf weg aan de Kouter en opende een filiaal aan de Korenmarkt. Het C.I.C. ging dus onherroepelijk dicht. We moesten ons beraden. Wilden we nog tentoonstellingen organiseren of niet? De beheerraad besliste om ermee door te gaan. Als voorzitter en coördinator van de exposities was ik deze beslissing zeer genegen. Het contact met de leden was immers essentieel. We ontmoetten elkaar steeds bij de openingen van de tentoonstellingen. Daarnaast waren ook de voordrachten, de omzendbrieven en de grafiekuitgaven belangrijk. Die contactmogelijkheden wilden we bestendigen. Roger Matthys en ik namen contact op met de Stad om na te gaan of ons een ruimte ter beschikking kon worden gesteld. We belegden een afspraak met Antoon Wyffels, directeur van de Dienst voor Culturele Zaken. Hij zei dat hij ons niet van dienst kon zijn omdat een dergelijke tussenkomst van de Stad een precedent zou vormen. We keken vervolgens zelf uit naar interessante locaties en kwamen uit bij de Cercle aan de Recolettenlei, waar we in de jaren zestig reeds activiteiten hadden georganiseerd. We konden de tweede verdieping van het gebouw betrekken. Dat betekende echter een zware financiële inspanning. We moesten immers niet alleen de kosten van de nutsvoorzieningen, maar ook de huur ophoesten.

K.B./D.P.: Bleef jij de belangrijkste motor van het tentoonstellingsprogramma?

M.D.C.: Ik was er voortdurend mee bezig, maar de ideeën kwamen zeker niet alleen van mij. Zowel André Goeminne als Anton Herbert leverden heel wat boeiende voorstellen. Het was prettig om met hen te werken, al werd de discussie soms op het scherp van de snee gevoerd. Vooral Anton Herbert verdedigde zijn voorstellen steeds met klem. In het begin van de jaren tachtig maakten we zeer verdienstelijke tentoonstellingen, onder meer van Giovanni Anselmo, Stephen McKenna, Didier Vermeiren, Gérard Garouste, Stanley Brouwn, Art & Language en Francesco Clemente. Door de sterke betrokkenheid van Goeminne en Herbert, en door onze goede contacten met galeristen, konden die tentoonstellingen bovendien met een minimum aan middelen worden gerealiseerd.

K.B./D.P.: Zowel de Vereniging als het Museum van Hedendaagse Kunst beleven in de periode vanaf het midden van de jaren zeventig tot het begin van de jaren tachtig heuse triomfen. 1982 vormt in zekere zin een culminatiepunt: in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel vindt een presentatie plaats van de collectie van (de Vereniging voor) het Museum van Hedendaagse Kunst. Deze tentoonstelling gaat bovendien gepaard met de uitgave van de eerste volwaardige collectiecatalogus, een pil van niet minder dan zeshonderd bladzijden.

M.D.C.: Die catalogus heeft bloed, zweet en tranen gekost, maar het was zonder meer de moeite waard. Nadat de Vereniging 25 jaar actief was geweest, kon op een bijzonder geslaagd parcours worden teruggeblikt.

K.B./D.P.: Blijkens een verslag van een vergadering van de Commissie van het M.H.K. ziet ook Schepen van Cultuur Robert Vandewege het belang in van deze manifestatie: ‘Schepen Vandewege onderstreept het belang van de tentoonstelling van de MHK-verzameling in het PSK.’

M.D.C.: Iedereen zag de draagwijdte in van de verwezenlijkingen van de Vereniging en het Museum van Hedendaagse Kunst: een stevige collectie, gebundeld in een lijvige catalogus, een spannend tentoonstellingscurriculum en een boeiend nevenprogramma van lezingen, discussies, filmvertoningen en performances. 1982 was een topjaar. De publicatie van de collectiecatalogus vormde de bekroning van de inspanningen die Karel Geirlandt zich sinds 1957 getroost had. 1982 was echter ook een verkiezingsjaar. Het was verre van duidelijk wat de toekomst zou brengen.

 

wordt vervolgd

 

Met dank aan Laura Coosemans en Roger Matthys

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

 

* De eerste twee delen van dit interview met Marc De Cock, over de periodes 1961-1965 en 1965-1974, werden gepubliceerd in De Witte Raaf nrs. 168 en 171.

 

De auteurs zijn dr. Roger Matthys (8 maart 1920 – 22 februari 2016) zeer erkentelijk voor het toegestane gesprek en het beschikbaar stellen van zijn archief.

De woorden en de schilderijen

Hoe schrijf je over schilderkunst? Welke schrijvers wisten een schilderij tot spreken te brengen? In hoeverre is het kijken en het schrijven erover te leren en over te dragen? Kunsthistoricus en essayist T.J. Clark (Bristol, 1943) heeft in de loop van zijn oeuvre gezocht naar het juiste antwoord. Clark debuteerde op zijn dertigste met twee studies naar het werk van Gustave Courbet en zijn tijd (The Absolute Bourgeois. Artists and Politics in France 1848-1951; Image of the People. Gustave Courbet and the 1848 Revolution – beide 1973). Twaalf jaar later volgde een monografie over Manet en de impressionisten (The Painting of Modern Life, 1985) en aan het eind van het millennium publiceerde hij een verzamelbundel over het modernisme in de beeldende kunst: Farewell to An Idea (1999). Clark staat bekend als een van pioniers van de social-historybenadering in de kunstgeschiedschrijving, die zich vooral onderscheidt door de aandacht voor de maatschappelijke context van de kunstproductie. Hij heeft zich echter nooit naartoe beperkt. Als essayist heeft Clark altijd de tijd genomen om te kijken naar het werk zelf. Het herhaalde en zichzelf corrigerende kijken treedt expliciet op de voorgrond in The Sight of Death uit 2006, een als dagboek gestructureerd relaas van Clarks uiteenzetting met twee schilderijen van Poussin, die hij drie maanden lang dagelijks in het Getty Museum ging (her)bekijken.

 

Daniël Rovers: Waarom wordt iemand kunsthistoricus? Is er een moment aan te wijzen in jouw jeugd waarin de voorkeur of voorliefde voor schilderkunst naar boven kwam?

T.J. Clark: Ik geloof niet dat er echt één moment te noemen valt, eerder dat er een soort instinctieve, haast primitieve hang naar pictures, naar afbeeldingen was, al kan je je vervolgens natuurlijk weer de vraag stellen hoe die er gekomen is.

D.R.: Geen eerste herinnering?

T.J.C.: Niet meteen. Ik herinner me natuurlijk wel de plaatjes uit de boeken uit mijn jongste jeugd, kinderboeken. De tv was er al wel in de jaren vijftig, maar speelde nog amper een rol. Op school kregen we ook les over kunst, maar dat was heel rudimentair, en vooral gericht op zelf tekenen. Ik maakte echt heel slechte tekeningen, zelfs voor een kind. Op een keer mochten we schrijven over een schilderij, de gele kamer van Van Gogh, De slaapkamer (1888). Dat ging me echt goed af. Ik herinner me nog dat de leraar – hij heette meneer Heap of Heath en had hetzelfde rode haar als Van Gogh – zei: ‘Als je zo goed kunt schrijven over dat schilderij, waarom teken je zelf dan zo slecht?’ Schrijven en lezen maakten deel uit van mijn opvoeding. Mijn vader was namelijk schrijver: onder diverse pseudoniemen schreef hij, helaas zonder veel succes, radiohoorspelen, sciencefiction, jongensboeken, alles waar hij brood mee op de plank kon krijgen. Mijn hang naar afbeeldingen is daarentegen aangeboren, vermoed ik. Dat willen kijken – het was een behoefte die ik al vroeger had.

D.R.: Wanneer kwam je voor het eerst in een museum?

T.J.C.: Wat ik me goed herinner is mijn eerste bezoek – het moet vroeg in de jaren vijftig zijn geweest – aan de National Gallery, waar ik van mijn sokken geblazen werd door Constable. Als in trance heb ik daar urenlang naar The Cornfield (1826) staan kijken. Mijn ouders wisten niet wat hen overkwam, maar waren ook wel aangenaam verrast. Ik moet zestien of zeventien geweest zijn toen ik voor het eerst naar Parijs ging om er de musea te bezoeken. Ik had het geluk meteen een paar cruciale tentoonstellingen mee te maken, zoals de prachtige en legendarische Poussinexpositie uit 1960 – samengesteld door toen nog Sir Anthony Blunt, de latere Sovjetspion – en de beroemde Delacroixtentoonstelling van 1962. Ik weet nog goed dat ik me, door al die werken van Poussin bij elkaar te zien, realiseerde dat die schilderijen voor iets groters stonden: dat ze op de een of ander manier een wereldbeschouwing bezaten, een eigen visie op het leven formuleerden. Natuurlijk moet je het geheugen wantrouwen en lijkt dit op een vorm van retrospectieve projectie. In ieder geval heb ik nu het gevoel dat ik toen een cruciale ervaring te pakken had, al kon ik die destijds nog niet echt verwoorden.

D.R.: Wanneer werd de kiem voor dat verwoorden gelegd?

T.J.C.: Ik was op de middelbare school hevig geïnteresseerd in literatuur en literatuurkritiek. De Britse literatuurbeschouwing maakte in die tijd, eind jaren vijftig, begin jaren zestig, onder F.R. Leavis een grote bloei door. Leavis leerde een hele generatie de nieuwe, moderne poëzie van Eliot en Pound lezen. Hij toonde aan dat de werelden die zij schiepen even betekenisvol waren als die van de gecanoniseerde dichters. Hij legde de nadruk op de tekst zelf en probeerde door een zeer nauwgezette lectuur recht te doen aan de complexiteit van het gedicht. Leavis keerde zich bovendien tegen de gevestigde orde van de zeer conservatieve literatuurbeschouwers die in Oxford en Cambridge de lakens uitdeelden; die vakgroepen waren sterk gevormd volgens de mores van de upper class. De strijdbaarheid van Leavis, die sprak mij, een jongen uit de lagere middenklasse, heel erg aan. Op de middelbare school had ik twee uitmuntende literatuurdocenten, van wie er een bij Leavis had gestudeerd. Literatuur en het nauwkeurig lezen ervan – wat men close reading noemt – waren voor hen de sleutel tot de cultuur en boden toegang tot de waarden en de waarheden van het leven zelf. De inzet was ontzettend groot. Zonder die inzet had het geen zin kunstuitingen te bestuderen, dat besef hield ik eraan over.

D.R.: Toch ging je kunstgeschiedenis studeren en koos je niet voor een literatuurstudie.

T.J.C.: Ik wilde meer weten over de schilderijen die ik bewonderde; ik was gefascineerd door het beeld. Beïnvloed door mijn docenten literatuur was ik geneigd om ook die beelden, schilderijen in de eerste plaats, aan close reading te onderwerpen. Ik besefte dat ze hetzelfde kunnen doen als goede gedichten en romans. Ze kunnen een alternatieve kijk op de wereld bieden waarin we leven en ons leren om die wereld op een andere manier te waarderen. Meer nog: juist vanwege hun woordloosheid doen ze ons aspecten van die wereld zien zoals we die nog niet eerder zagen. Beelden kunnen sceptisch en koppig en complex zijn op een manier waarop teksten en taal dat nooit zijn. Precies omdat we in een door en door talige wereld leven, zijn ze belangrijk. Schilderijen maken het mogelijk dat te beseffen en daarover na te denken. Ze doen ons inzien dat de werkelijkheid veel meer dan die taligheid om het lijf heeft. Ze tonen wat er allemaal uitgaat van een wereld zonder woorden.

D.R.: Hoe beviel het in Cambridge?

T.J.C.: Niet geweldig. Ik was toen erg ongelukkig met Engeland, en vooral met de intellectuele cultuur. Aan de universiteit van Cambridge heerste nog altijd die aristocratische houding die voorschreef dat je vooral niet je best moest doen, of althans nooit mocht laten blijken dat je ergens je best voor deed. Ik schrok ook hoezeer het vak er door het woord gedomineerd werd, met name door de gerichtheid op betekenis en symboliek. Neem alleen al de titel van Erwin Panofsky’s bekende studie Meaning in the Visual Arts, dat op Cambridge een canonieke status bezat. In aparte essays ontvouwt Panofsky zijn specifiek iconologische kijk op de Middeleeuwen en Renaissance. Het is een heel goed boek, en het was destijds terecht een standaardwerk. Ik ga ook niet ontkennen dat schilderijen – Panofsky indachtig – deel uitmaken van en deels gebaseerd zijn op de wereld van het verbale, en dat ze dus betekenissen dragen, maar ze doen veel meer dan dat! Gelukkig zaten er ook uitwisselingsstudenten op Cambridge die uit New York kwamen. Ze studeerden er aan de Columbia University. Dat is voor mijn ontwikkeling heel belangrijk geweest.

D.R.: Wat leerden die Amerikaanse medestudenten jou?

T.J.C.: Ze waren veel zelfbewuster en staken hun ambitie niet onder stoelen of banken. Ze geneerden zich totaal niet voor hun kennis en stelden zich zonder valse bescheidenheid als intellectueel op. Die houding heeft mij er later toe aangezet om naar de VS te trekken, een land waar ik me in heel wat opzichten beter thuis zou voelen dan in Engeland. Berkeley was een verademing vergeleken met Cambridge. In de gesprekken die mijn Amerikaanse jaargenoten voerden was er één naam die steeds weer terugkwam: de kunsthistoricus Meyer Schapiro (1904-1996), die aan Columbia verbonden was en in zijn colleges hamerde op de sociale inbedding van kunst. Schapiro heeft weinig gepubliceerd, maar hij had een enorme invloed op zijn studenten. Op een dag, en dat was echt een groots gebaar van vriendschap, kreeg ik van een van mijn Amerikaanse studiegenoten de aantekeningen van Schapiro’s colleges over impressionisme en postimpressionisme te lezen. Dat was onvoorstelbaar leerzaam. Ik ging Schapiro’s boeken lezen en ontdekte een schrijver die werkelijk verliefd was op de schilderkunst. Als geen ander kon hij verwoorden wat er allemaal op een schilderij te zien viel. Heel belangrijk was daarbij – denk aan zijn latere boek Words and Pictures uit 1973 — dat hij vooral de revelerende verschillen en minder de overeenkomsten tussen beelden en schriftelijke bronnen (zoals de Bijbel) benadrukte. Tegelijk legde hij bloot hoe belangrijk het maken van beelden in de loop van de geschiedenis is geweest, en wees hij op de macht die beelden en beeldenmakers hebben om in te grijpen in de geschiedenis. Schapiro was een marxist, maar hij was vooral navolgenswaardig omdat hij nooit schematisch of dogmatisch te werk ging. Het ging hem er niet om dat schilderijen de klassenstrijd illustreerden, maar dat ze een rol in de geschiedenis speelden. Die rol bestudeerde hij.

D.R.: Waren er meer van dit soort voorbeelden: essayerende kunsthistorici die leerden hoe je moest kijken – en hoe een kunsthistoricus moest schrijven over dat kijken?

T.J.C.: Ruskin! Tijdens mijn studie ontdekte ik John Ruskin en wat hij voor de negentiende-eeuwse schilderkunst betekend had. Verdediger van Turner, die hij superieur achtte aan de oude meesters van het landschap, pleitbezorger van de prerafaëlieten. Het was een openbaring. Ik had nog nooit iemand gelezen die de schilderkunst zo ontzettend serieus nam – die in het schilderij kon opgaan zonder ooit de maatschappelijke verankering van het werk uit het oog te verliezen. Het zegt wel iets over de kunstgeschiedenis als academische discipline dat Ruskin er na zijn aanvankelijke populariteit zo bekaaid van af is gekomen; nog altijd wordt hij als een soort excentriekeling gezien, een vreemde snuiter, een vreselijke conservatief die ook nog eens het slachtoffer zou zijn geweest van zijn bekrompen opvattingen over seksualiteit. De kunsthistorische wetenschap, zo luidt het officiële verhaal nog steeds, begint met Warburg, Panofsky, Gombrich en Wittkower. Ik hoef niet te herhalen dat deze kunsthistorici leidinggevende figuren waren van een briljante generatie en dat ze, nadat ze naar Engeland of de VS waren gevlucht, de kunstgeschiedschrijving diepgaand hebben beïnvloed. Maar zelf geef ik toch de voorkeur aan Ruskin. Het is waarschijnlijk ook een kwestie van temperament.

D.R.: Welke tekst van Ruskin zou school moeten maken?

T.J.C.: Mornings in Florence is de eerste titel die in me opkomt: op het eerste gezicht een toeristisch niemendalletje, maar het bevat de meest fantastische passages over de Florentijnse kunst – met dat heerlijke wilde proza van hem, vol terzijdes en springerige gevolgtrekkingen. Hij schrijft bijvoorbeeld over Giotto’s fresco’s in de Santa Croce en behandelt het tafereel waarin zowel Sint-Franciscus als de tovenaars door de sultan van Egypte worden uitgedaagd door het vuur te gaan. Alleen Franciscus waagt die stappen, maar dat is niet het punt. Ruskin vraagt zich af: waarom werpt dat vuur niet dat flikkerende, gloedvolle licht op de omgeving of gezichten; waarom is er geen rode kleur, geen rembrandteske schaduw? Want Giotto wist natuurlijk wel dat vuur schaduw werpt, alleen, zo stelt Ruskin, hij kon zich niet voorstellen dat je dat kon schilderen. Hij kon dat licht, net als het licht van de zon, niet in een beeld vangen. En juist dat onvermogen laat hij zien. Op de fresco’s is de hitte van het vuur namelijk wel indirect zichtbaar, via de tovenaars die hun gezicht van het vuur afwenden. Dat is heel scherp gezien. Bij Ruskin zie je een heel sterk geloof in de kracht van beelden – hij was ook begaan met woorden, en historisch zeer onderlegd, maar net als Schapiro was hij zich scherp bewust van het feit dat je een beeld niet tot een tekst kan herleiden. Het schilderij verzet zich tegen parafrase, al kun je daar ook weer niet te lang bij stilstaan. Ik bedoel: alleen maar je aarzeling bij het verwoorden beschrijven levert een oninteressante tekst op. De vraag is daarom eerder waarom sommige configuraties moeilijker onder woorden te brengen zijn dan andere.

D.R.: Voelde je toen al de aandrang om die ‘wilde’ manier van kunstbeschouwing, zoals Ruskin die had gedemonstreerd, te gaan beoefenen?

T.J.C.: De tijd nodigde er in elk geval toe uit. De jaren zestig waren een periode waar alles aan het schuiven ging. Een hele generatie die was opgegroeid met of zelfs les gekregen had van Warburg en Gombrich, ging zijn eigen weg, emancipeerde zich, en verwerkte ook de invloed die Leavis en zijn leerlingen uitoefenden. We gingen op zoek naar een manier om de praktijk van close reading – waarbij de nadruk op het kunstwerk zelf komt te liggen – toe te passen op schilderijen en tegelijk de historische context erbij te betrekken. Dat laatste gebeurde volgens ons te weinig.

D.R.: Je debuteerde in 1973 met twee boeken: The Image of the People over het werk van Courbet, en The Absolute Bourgeois over de jaren van de Tweede Republiek (1848-1851) waarin Courbet opnieuw een vooraanstaande rol speelt. Die boeken onderscheiden zich door hun zogenaamde social-historybenadering, waarmee jij in hoge mate wordt geïdentificeerd. De kunstwerken worden er op een uiterst doorgedreven manier in hun sociale context ingeschreven. De – marxistische – benadering van Schapiro werkt sterker door dan de ongetemde schriftuur van Ruskin. 

T.J.C.: Schapiro had me laten zien hoe onlosmakelijk maatschappij en kunst verbonden zijn, van de Renaissance tot de moderne schilderkunst. Maar die twee boeken zijn zeker ook beïnvloed door de ontwikkelingen van die tijd, de jaren zestig: de turbulentie en de politieke agitatie, die parallelen vertoonde met de context van de revolutie van 1848 waarbinnen Courbets werk betekenis kreeg. Ik koos ook voor Courbet omdat hij een haalbare kaart was.

D.R.: Hoe bedoel je?

T.J.C.: Ik was nog niet zo zeker van mijn zaak. Adorno heeft eens verzucht dat we toch een manier zouden moeten vinden om over de verhouding tussen een individueel kunstwerk en een historische situatie te spreken zoals we over de structuur van een compositie spreken. Dat was precies de moeilijkheid waar ik tegenaan liep. Natuurlijk bestaan er veel banden tussen de historische context en het werk van een kunstenaar, maar hoe toon je die aan, en wat is hun precieze aard? Het is haast angstaanjagend om te bedenken hoeveel factoren onzeker zijn als je over kunst gaat schrijven. In het geval van Courbet was de relatie tussen het werk en de maatschappelijke en historische context aantoonbaar. Aan de hand van zijn werk was het mogelijk aan te tonen welke reacties en interferenties er waren met de afgewende revolutie van 1848.

D.R.: In The Painting of Modern Life (1985) verleg je de aandacht naar Manet en de impressionisten. Er wordt in dat boek beduidend meer plaats ingeruimd voor de immanente analyse van individuele kunstwerken. In de eerste pagina’s zoom je bijvoorbeeld – letterlijk – in op Coin de village, effet d’ hiver (1877) van Pissarro.

T.J.C.: Pissarro is ook zo’n kunstenaar die zich op het breukvlak tussen kunst en wereld heeft bewogen. Hij was een van de eersten die ondervond wat een belemmerende werking de kunstmarkt kan hebben, met haar obsessie voor ‘karakteristieke werken’ van een kunstenaar – dat wil zeggen: werken die voldoen aan het beeld van de kunstenaar dat door toedoen van diezelfde kunstmarkt in het leven is geroepen. En tegelijk is hij een schilder die het experiment zocht – die nieuwe manieren probeert te ontwikkelen om de werkelijkheid in verf te vangen. Later, in Farewell to an Idea (1999), heb ik een heel hoofdstuk aan hem gewijd waarin ik, uitgaand van Twee jonge boerenvrouwen uit het Metropolitan, zowel de historische context als de nuances en mogelijkheden van zijn werk bespreek.

D.R.: De historische context blijft een rol spelen, maar lijkt niet langer het vertrekpunt. Was dat een vanzelfsprekende ontwikkeling?

T.J.C.: Deels vraagt elke kunstenaar om een eigen benadering. Cézanne is hier een mooi voorbeeld. Met hem ben ik al mijn hele leven bezig; ik wijdde een hoofdstuk aan zijn werk in Farewell to an Idea en ben van plan een monografie over hem te schrijven. Als ik een schilderij van hem zie, is er steeds weer die schok, dat gevoel van: mensen, wat heb ik hier voor me? Dat hadden zijn tijdgenoten ook al. Monet bezat bijvoorbeeld schilderijen van Cézanne en liet die gewoon afdekken wanneer hij ontevreden was over de voortgang van zijn eigen werk: hij kon er niet meer tegen!

D.R.: Wat maakt Cézanne zo anders dan de rest?

T.J.C.: Cézanne gelooft niet dat het mogelijk is om de wereld en de vorm die ze aanneemt te verklaren. Maar hij is er wel van overtuigd dat je je kan openstellen voor een object en dat je het ‘ding an sich’ kan zien. Cézanne heeft een manier gevonden om over de wereld verslag uit te brengen die je nergens anders vindt; maar daarover te schrijven – om te schrijven over zijn wereldbeschouwing en zijn gave om die visie in een beeld om te zetten waarbij het gros van de andere beelden tot conventionele, saaie plaatjes verbleekt – dat is héél, héél moeilijk. Dan is het bijvoorbeeld relatief eenvoudig iets te zeggen over een kunstenaar als Poussin, die tenslotte een verhalenverteller is.

D.R.: Maar The Sight of Death, jouw Poussin-boek, handelt niet zomaar over de ‘verhalen’ die de kunstenaar vertelt. Het boek gaat eerder over wat je de verborgen inhoud van zijn werk zou kunnen noemen.

T.J.C.: Ook dat was weer een reactie op de tijd.

D.R.: In welke zin?

T.J.C.: Ik stond – en sta nog steeds – huiverachtig tegenover wat de afgelopen tijd onder ‘progressieve kunstgeschiedenis’ wordt verstaan. Schilderkunst wordt door een bepaald soort progressieve kunsthistorici al te vaak als een vorm van machtsaffirmatie gezien. Neem Bruegel, over wie ik momenteel een boek aan het schrijven ben, Visions of Paradise. Volgens de meeste kunsthistorici, onder wie Keith Moxey, behoort hij tot de aristocratie en vertolken zijn schilderijen in de eerste plaats weerzin voor de boerenstand. Maar als ik naar Bruegels schilderijen kijk, bijvoorbeeld De Boerendans (ca. 1569) uit Wenen, zie ik een overtuigde materialist, iemand die geniet van de boerenfeesten, van het groteske en het carnavaleske. Ik wil daarmee niet zeggen dat Bruegel een revolutionair is, maar het is wel belangrijk om in te zien dat kunst meer kan zijn dan de dienaar van een of andere ideologie.

D.R.: Welke macht had Bruegel – als kunstenaar?

T.J.C.: Bruegel overtuigt in de eerste plaats omdat hij zijn onderwerp – de boerenstand – bijzonder serieus neemt. Links georiënteerde kunstkritiek is dan geneigd zich af te vragen: kiest hij de kant van de boeren of niet? Maar die vraag valt moeilijk te beantwoorden en doet er misschien ook niet zoveel toe. Misschien moet je je eerder afvragen: wat betekent dat, een kant kiezen? Je ziet in ieder geval, denk ik, dat Bruegel het aardse en de openheid van de boerencultuur op waarde weet te schatten. Boeren hebben een diepe band met het land dat ze bewerken, een band die teruggaat tot het neolithicum. Daar houdt een schilder als Bruegel zich mee bezig. Hij probeert dat fenomeen van het boerenleven te grijpen in zijn veelvormigheid en er de menselijkheid van te tonen; hij laat zien wat voor onzekerheden er zijn, zowel voor de beschouwer als voor de boeren zelf. En daarin zullen schilders als Pissarro en Millet hem eeuwen later volgen – zonder Bruegel zouden die kunstenaars niet denkbaar zijn geweest. Schilderkunst kan op allerlei onvoorziene manieren ongehoorzaam of zelfs ondermijnend zijn.

D.R.: Probeer je uit het werk van al die schilders een bepaalde wereldbeschouwing af te leiden?

T.J.C.: Een allesomvattende wereldbeschouwing niet, maar ik ben wél op zoek naar een bijzondere obsessie, een volhardend pogen van de kunstenaar om tot een bepaalde vorm van kennis te komen. Anders gezegd: ik ga op zoek naar een verwerking van de menselijke ervaring die je essentieel of fundamenteel zou kunnen noemen. Kunstenaars hebben natuurlijk een wereldbeschouwing. En ze zijn evengoed vaak vooringenomen en houden er dubieuze ‘meningen’ op na, denk aan Picasso’s toenadering tot Stalin. Of denk aan Poussin. Poussin was een hofschilder en in sommige opzichten conservatief; als onderdaan streefde hij naar orde en continuïteit. Anderzijds staat het allerminst vast dat hij zo gemakkelijk bij de reactionairen kan worden ingedeeld, zeker als je beseft dat het tegendeel – het verstoren van de orde en de lofzang op het onstabiele – evengoed zeer conservatief kunnen uitpakken. Maar de belangrijkste vraag is natuurlijk: wat leert zijn kunst ons over zijn wereldbeschouwing als kunstenaar? Waar het om gaat is de praktijk: de manier waarop een kunstenaar, los van de door hem gearticuleerde opinies, omgaat met de textuur en structuur van de wereld.

D.R.: Heel opvallend aan je boek over Poussin is het methodische herhaalde kijken dat eraan ten grondslag ligt. Via dagboekaantekeningen wordt blootgelegd hoe het herhaalde bezoek in het Getty Museum aan twee van Poussins schilderijen – Paysage avec un homme tué par un serpent (1648) en Paysage par temps calme (1651) telkens nieuwe details en inzichten oplevert.

T.J.C.: The Sight of Death was een ontdekking, in de letterlijke zin. Zoals ik in de inleiding opmerk, was ik aanvankelijk immers helemaal niet van plan een boek te schrijven. Mijn dagboeknotities zijn spontaan tot stand gekomen. Ik was getroffen door die schilderijen, die voor het eerst sinds eeuwen naast elkaar hingen, en ben beginnen noteren wat ik zag. Dat maakte het een en ander los. Ik begon bijvoorbeeld weer poëzie te schrijven, wat ik al heel lang niet meer gedaan had. Ik wist niet wat me overkwam! Maar ik realiseerde me wel vanaf het begin: dit is wat kijken in wezen is, dit is wat ik altijd al heb willen doen. Nu was het opeens mogelijk, nu lukt het me. En toch was ik bang dat ik aan een belachelijke onderneming was begonnen. De eerste keer dat ik het manuscript van het boek aan anderen liet lezen, vreesde ik echt dat ze het te ideosyncratisch, te associatief, te persoonlijk zouden vinden.

D.R.: En die angst bleek onterecht?

T.J.C.: Achteraf gezien wel. Ik heb nooit zoveel reacties gekregen op een boek, van allerlei lezers. Van al mijn boeken is The Sight of Death het meest intens gelezen – wat niet hetzelfde is als het meest gelezen.

D.R.: Je schrijft in The Sight of Death dat het herhaalde ‘aandachtige kijken’ tegen het onuitgesproken geloof ingaat dat het beeld zich in één keer voltrekt. Is dat de belangrijkste les die het boek leert?

T.J.C.: Er is me wel eens gezegd dat ik de ondertitel van The Sight of Death, die An Experiment in Art Writing luidt, had moeten schrappen, omdat de kunsthistorici het zo kunnen afdoen als slechts een probeersel, iets marginaals. Daar zit iets in, maar tegelijk is schrijven over kunst, goed en overtuigend schrijven over kunst, altijd een marginaal fenomeen geweest. Het is nu eenmaal eenvoudiger om te praten en te schrijven over de historische context, over de psychologie van de kunstenaar en over zaken als gender en andere deelaspecten, dan over het onvatbare visuele karakter van een schilderij.

D.R.: Valt die manier van kijken en schrijven te onderwijzen? Kan de kracht van het herhaalde kijken als een methode worden aangeleerd?

T.J.C.: Ik heb in ieder geval een poging gedaan.

D.R.: Op welke manier?

T.J.C.: In Berkeley heb ik een collegereeks gegeven over het specifieke moment van het kijken en de beschrijving van wat er tijdens dat kijkproces gebeurt. Dat was wel een beetje polemisch bedoeld, omdat juist de tijd van het kijken, het registreren van wat we zien en het opnieuw kijken, vaak verwaarloosd wordt. We hebben in dat kader onder meer een aantal auteurs gelezen die laten zien hoe je nauwgezet en werkelijkheidsgetrouw een schilderij beschrijft, en hoe je woorden kan proberen te vinden voor wat je ziet. Auteurs zoals Ruskin en Shapiro dus, of Michael Baxandall…

D.R.: Baxandall?

T.J.C.: Wanneer je op zoek bent naar spannende kunstessayistiek, lees dan zijn Words for Pictures. In dat boek schrijft hij buitengewoon avontuurlijk over Piero della Francesca’s De verrijzenis van Christus. Baxandall kende de theologische traditie waarin over de herrijzenis wordt geschreven als geen ander, maar hij wist ook dat die passages geen handvest opleveren om het fresco te begrijpen of om het werkelijk te zien. Op een gegeven moment wijst hij er in zijn tekst bijvoorbeeld op dat een van de drie wachters geen benen heeft. Hij suggereert vervolgens wat de kunstenaar hiermee bedoeld zou kunnen hebben; het heeft met een streven naar de juiste verhoudingen te maken, van de wachters als groep ten opzichte van Jezus Christus – je moet het maar eens lezen, heel knap wat hij daar doet. Wat hij zegt is soms moeilijk te vatten, maar dat is ook logisch. Zuiver academisch gezien is zo’n kijk- en schrijfproces onherhaalbaar. Er is namelijk geen methode, alleen intuïtie, ervaring, aandacht en fascinatie.

D.R.: Op een gegeven moment merk je in The Sight of Death op dat de zogezegde beeldcultuur waarin we vandaag zouden leven in feite meer dan ooit gehoorzaamt aan de wetten van het woord – van de slogan en het logo. Tegenover deze cultuur van pseudovisuele boodschappen plaats je de werken van Poussin en andere meesters, die een andere ‘ethiek van het beeld’ zouden aanwijzen. Dat is een krasse stelling.

T.J.C.: Ja, dat besef ik. Maar ik ben ervan overtuigd dat schilderkunst een alternatief kan bieden. We worden overspoeld door beeldinformatie die vaak vluchtig en oppervlakkig is en diepgaand door het kapitaal wordt bepaald. Het gaat hier om controle, sociale controle, en de mogelijkheid om je te onttrekken aan die stortvloed van beelden. Juist in die context is het belangrijk dat je de notie hooghoudt dat afbeeldingen niet alleen maar transparant, of manipulatief, of volstrekt autonoom hoeven te zijn. Dat ze eerder deel zijn van een dialoog, en dat je kennis en ervaring aan ze kunt onttrekken, zolang je herhaald en diepgaand aandacht aan ze besteedt.

Het gesprek als methodiek

Riet Wijnen (1988, Venray, Nederland) maakt voornamelijk gebruik van fotografie, video en tekst. In haar werk verkent ze de relaties tussen abstractie, perceptie en taal. Vaak produceert ze ‘reconstructies’ die de verschillende lagen van een bepaald (historisch) onderwerp blootleggen, een proces waaraan intensief onderzoek voorafgaat. Ze publiceert ook boeken en cahiers, zoals Marlow Moss (2013) en Abstraction Création: Art non-figuratif (een vertaling en heruitgave, 2014). Bovendien onderhoudt ze The Registry of Pseudonyms, een bestand met pseudoniemen, te vinden op registryofpseudonyms.com. Deze publicaties en website functioneren autonoom, maar vormen tegelijkertijd een belangrijk referentiekader voor haar werk. Momenteel werkt ze aan de zestiendelige cyclus Sixteen Conversations on Abstraction, waarvan de eerste twee ‘gesprekken’ ondertussen afgewerkt zijn.

 

Steyn Bergs: Sinds 2012 vormen abstractie en abstracte kunst – met name uit het vroege modernisme – het voornaamste onderwerp van jouw werk. Hoe ben je in dat thema geïnteresseerd geraakt? 

Riet Wijnen: Moeilijke vraag. Mijn belangstelling voor kunst in het algemeen werd zeker gevoed door het feit dat ik op de middelbare school uitgebreid kunstgeschiedenis kreeg. Dat verklaart allicht waarom ik tijdens mijn studie aan het Sandberg Instituut ook enkele vakken op de Universiteit van Amsterdam hebt gevolgd, waaronder Inleiding in de kunstgeschiedenis I en II… Toch denk ik dat onderwijs niet de voornaamste voedingsbron is geweest voor mijn interesse voor abstracte kunst. Ik moet eigenlijk steeds aan een ervaring uit mijn jeugd terugdenken als ik mijn fascinatie voor abstractie wil verklaren. 

S.B.: Vertel op!  

R.W.: Ik herinner me dat we op de basisschool elke week een dictee hadden, op maandag een oefendictee, en op vrijdag het echte dictee waar we een cijfer voor kregen. Wanneer je het oefendictee op maandag foutloos maakte, hoefde je niet meer aan het echte dictee op vrijdag deel te nemen. Via de oude schriften van mijn zus kwam ik er al snel achter dat de dictees nog exact hetzelfde waren als twee jaar daarvoor. Elke zondagavond stampte ik de woorden in mijn hoofd. Ik wist niet precies wat ze betekenden of hoe bijvoorbeeld de vervoeging van werkwoorden exact in elkaar stak, maar wel hoe ze eruitzagen. Op maandagochtend reproduceerde ik dat letterbeeld, zodat ik op vrijdag het echte dictee niet hoefde te maken. Voor mij waren die woorden op dat moment niet meer dan vormen die uit ‘letters’ bestonden. Ze hadden geen enkele betekenis. Die abstracte relatie met de taal ervaar ik opnieuw wanneer ik naar abstracte kunst kijk. 

S.B.: Kan je dat uitleggen?

R.W.: In een museum loop ik vaak rechtstreeks naar de zaal waar de abstracte kunst van het begin van de 20e eeuw gepresenteerd wordt. Ik hou ervan om ‘gewoon te kijken’ naar de vlakverdelingen en kleuren, maar onmiddellijk ontstaat er ook een mentale strijd. Mijn hersenen willen het ‘ding’, het ‘abstracte’, ‘non-figuratieve’ werk namelijk uitleggen of op zijn minst beschrijven. Simpele woorden en omschrijvingen als ‘zwarte lijnen’, een ‘gele, blauwe en zwarte rechthoek’ of ‘meerdere witte rechthoeken’ spoken door mijn hoofd. Onbewust schrijf ik al een ‘introductie’ of ‘voorwoord’ – en de zaalteksten in het museum doen daar nog een schepje bovenop. Ratio en logica krijgen meteen de bovenhand. Dit doet me denken aan wat de Britse constructivistische kunstenaar Marlow Moss schrijft in het derde nummer (1934) van het historische tijdschrift Abstraction Création: Art non-figuratif (1932-1936): ‘To help the inexperienced observer I advise him to look at my work without prejudice.’ Ik zou zelf niets liever willen… maar kunnen we eigenlijk wel kijken zonder meteen te beschrijven of te interpreteren, zonder de tussenkomst van taal? Is het mogelijk om totale abstractie waar te nemen? Ik denk helaas van niet – en precies dat onvermogen houdt mijn fascinatie gaande.

S.B.: Je eerste werk over abstractie, A Conversation on Reality (2012), is een tekst, meer bepaald een script dat je in uitgeprinte vorm tentoonstelt. Het gaat om een fictief gesprek tussen prominenten uit kunst en wetenschap – Piet Mondriaan, Wassily Kandinsky, Rainer Goebel, Leo Steinberg en Evelyn Fox Keller – die vanuit wisselende gezichtspunten (wetenschappelijk versus artistiek, rationeel versus intuïtief) van gedachten wisselen over hun perceptie van abstractie. De gespreksvorm keert opvallend vaak terug in je werken over abstractie. Waarom?

R.W.: A Conversation on Reality kwam voort uit de scriptie die ik voor mijn master aan het Sandberg Instituut (Amsterdam) schreef, en die een persoonlijk onderzoek naar perceptie omvatte. Het eerste deel was een essay, een vorm waarmee ik worstelde. Daarom schreef ik het tweede deel in gespreksvorm. Het resultaat was een fictieve discussie waarbij ik bestaande bronnen als uitgangspunt nam voor de uitspraken van de diverse karakters, maar ze gedeeltelijk ook fictionaliseerde. Rainer Goebel heeft het over de mogelijkheid met behulp van fMRI te ‘lezen’ wat iemand denkt of ziet; Steinberg bespreekt de relatie tussen de opkomst van abstracte kunst en de uitvinding van de microscoop en de telescoop, en Keller onderzoekt onder meer de constructie van de werkelijkheid op basis van wat men ziet met het geestesoog. Maar ook Mondriaan en Kandinsky verschijnen ten tonele in dit gesprek, dat uiteindelijk uitmondde in A Conversation on Reality. Ik had meteen het gevoel dat het gesprek als vorm bij het thema van de abstractie paste.

S.B.: Waarom was juist de gespreksvorm zo geschikt om abstractie te bespreken?

R.W.: Omdat van het gesprek een transformerende kracht uitgaat. In een gesprek is er altijd die andere aan wie je iets duidelijk moet maken. De ruimte tussen de gesprekspartners zorgt ervoor dat de inhoud van de conversatie voortdurend aan verandering onderhevig is en de betekenis steeds kan ontsporen. Een tekst van één enkele auteur is vaak naar een conclusie toegeschreven of volledig op het onderbouwen van een bepaalde stelling gericht – teksten bevorderen het lineaire denken. In een gesprek ligt de nadruk daarentegen op non-lineair denken, het hardop nadenken, op het formuleren an sich. Om die reden ben ik dol op transcripties van gesprekken tussen kunstenaars uit het verleden, zoals Investigating Sex: Surrealist Discussions (1928-1932), Artists’ Sessions at Studio 35 (1950) en The Waldorf Panels on Sculpture (1965). Door zijn openheid en transformerende kracht is de gespreksvorm ook geschikt om de relatie tussen taal en abstractie te thematiseren.

S.B.: Je tweede werk over abstractie was een kleine uitgave over de Britse constructivistische kunstenaar Marlow Moss. Wat bewoog je om met haar aan de slag te gaan? 

R.W.: Voor A Conversation on Reality deed ik onderzoek naar onder anderen Piet Mondriaan, en op een gegeven moment botste ik op een schilderij – Compositie met dubbele lijn en blauw vlak uit 1934 – dat sprekend op een Mondriaan leek, maar waar de naam van een zekere Marlow Moss onder stond. Dat maakte me nieuwsgierig en dus ben ik me in haar gaan verdiepen. Marlow Moss wordt vaak gezien als een volgelinge of, erger nog, een epigoon van Mondriaan. Nochtans heeft ze een aantal belangrijke ‘uitvindingen’ gedaan, die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het vocabulaire van het neoplasticisme, waaronder de ‘dubbele lijn’ die doorgaans als een vondst van Mondriaan wordt beschouwd. Om diverse redenen bleef ze echter onbekend: ze was een einzelgänger en werd pas op latere leeftijd kunstenaar; ze sprak of schreef niet graag over haar werk; een groot deel van haar oeuvre werd vernietigd toen het landhuis dat ze samen met haar levenspartner, de schrijfster A.H. Nijhoff (de androgyne schrijversnaam van Netty Nijhoff), in Gauciel bewoonde in 1944 gebombardeerd werd. En alsof dat nog niet volstond, stierf ze vlak na de opening van haar tweede solotentoonstelling op 69-jarige leeftijd aan kanker. Haar werken werden geërfd door Nijhoffs zoon Stephan, fotograaf en assistent van Man Ray, en verdwenen uiteindelijk in een kluis in of nabij Zürich. Het is onduidelijk hoe ze daar terecht zijn gekomen en aan wie die kluis toebehoort.

S.B.: Marlow Moss heeft de vorm van een nogal droge lijst ‘feiten’ over de kunstenaar.

R.W.: Tijdens mijn onderzoek botste ik steeds meer op contradicties in de weinige bronnen die over Moss bekend zijn. Die zijn onder meer te wijten aan het feit dat Nijhoff een karakter van haar roman Het Veilige Hotel op Moss baseerde en de details van haar relaas als harde feiten werden geïnterpreteerd. Ik besloot om de diverse bronnen grondig te analyseren en lijstjes te maken om de tegenstrijdige gegevens in kaart te brengen. Dat leidde tot de uiteindelijke vorm van de publicatie, die enkel uit lijstjes met ‘feiten’ over Moss bestaat.

S.B.: Wat had je daarmee op het oog?

R.W.: Ik wilde een alternatieve biografie opstellen, die op een indirecte wijze blootlegt hoe geschiedenis, soms via misverstanden, wordt geconstrueerd. Die interesse in de vermenging van fictie en realiteit keert ook terug in The Registry of Pseudonyms, een ‘work in progress’ op het net (registryofpseudonyms.com) dat bestaat uit een lijst van pseudoniemen met daarnaast de echte naam, waarbij soms ook de redenen worden aangegeven waarom iemand zijn naam geheim wilde houden. Ook Moss is erin opgenomen – ze is namelijk geboren als Marjorie Jewel Moss, en veranderde haar voornaam op haar dertigste in het androgyne Marlow.

S.B.: Je vindt het gesprek een geschikte vorm om het over abstractie te hebben, maar in Marlow Moss en The Registry of Pseudonyms verlaat je de gespreksvorm ten faveure van loutere opsomming – zowat het omgekeerde van een uitwisseling, zou je kunnen zeggen.

R.W.: Dat klopt, in die publicaties staat de relatie tussen vorm en taal niet centraal, al neigt Marlow Moss wel naar een gespreksvorm: een ‘gesprek’ tussen de ‘feiten’ uit de verschillende bronnen. Behalve een toenemende interesse in de relatie tussen vorm en taal en in de methodiek van de gespreksvorm, lokte A Conversation on Reality ook een interesse uit in historische bronnen, en de vervorming en manipulatie van deze bronnen. Die problematiek heeft dan weer te maken met de dunne scheidingslijn tussen fictie en non-fictie, en de rol van een auteur. Dat thema duikt niet alleen op in mijn publicaties Marlow Moss en The Registry of Pseudonyms, maar ook in Abstraction Création: Art non-figuratif (reprint & translation) (2014), een heruitgave van het historische cahier van de gelijknamige groep kunstenaars (1931-1936).

S.B.: Hoe kwam je bij dat cahier terecht?

R.W.: Via Moss. De enige teksten die zij over haar werk heeft gepubliceerd, zijn namelijk in dat tijdschrift verschenen. Toen ik voor het eerst een van de heruitgaven onder ogen kreeg en een aantal bijdragen provisorisch vertaalde, had ik meteen het gevoel dat het om een belangrijke historische bron ging. Ik besloot om een facsimile van de cahiers met een Engelse vertaling uit te geven.

S.B.: De cahiers van Abstraction Création: Art non-figuratif waren nochtans al in 1968 heruitgegeven bij Arno Press in New York, en in 1973 door Paule Nemours in Parijs.

R.W.: Ja, maar ze zijn nauwelijks nog te vinden, en enkel in het Frans. De oorspronkelijke cahiers verschijnen af en toe op de markt voor woekerprijzen, de heruitgaven zijn alleen beschikbaar via collecties en bibliotheken – zo bezit het Stedelijk Museum in Amsterdam naast de oorspronkelijke nummers 1, 4 en 5 ook de heruitgave uit 1968. Alleen al omwille van de kwestie van toegankelijkheid leek het me logisch om deze herdruk te initiëren.

S.B.: Los van de beschikbaarheid blijft toch de vraag waarom je voor een zuiver facsimile – een appropriatie – van deze cahiers hebt gekozen.

R.W.: Omdat ik het ‘gesprek’ tussen de kunstenaar en hun werken wilde behouden zoals het in de cahiers afgedrukt staat. Waar het bij Marlow Moss ging om het aantonen van tegenstrijdigheden in de constructie van de geschiedenis, wilde ik bij Abstraction Création: art non-figuratif zoveel mogelijk de bron in haar oorspronkelijke vorm behouden. De vereniging Abstraction Création, die de cahiers uitgaf, was opgericht om abstractie te promoten en tegenwicht te bieden aan het figuratieve surrealisme dat in de jaren dertig sterk aan invloed won. De enige twee criteria waaraan men moest voldoen om lid te worden was dat men kunstenaar was en non-figuratief werkte. Dat resulteerde in een ledenlijst met figuren als Moholy-Nagy, Mondriaan, Van Doesburg, Calder en Brancusi, maar ook een heel aantal vergeten kunstenaars. De cahiers bestonden uit documentatie van werk van de leden, en uit teksten die door de leden zelf waren geschreven. Die teksten konden de meest uiteenlopende vormen aannemen: exposés over het eigen werk, uitleg bij de gepubliceerde documenten, epistels over de ware betekenis van de abstracte kunst, maar het kon bijvoorbeeld ook gaan om een betoog over de vraag waarom een locomotief geen kunst is, of een gedicht waarin God als een na-aper wordt bestempeld. Door die gevarieerde ledenlijst en extreme diversiteit van de teksten vormen de cahiers een fascinerende en ongeredigeerde versie van een stuk kunstgeschiedenis. Er is geen sprake van selectie, en er zijn ook geen teksten van critici of andere ‘externen’ in te vinden die de praktijk van een kunstenaar interpreteren of het werk gebruiken om een bepaald betoog aan op te hangen.

S.B.: De herdruk en vertaling van Abstraction Création: Art non-figuratif raakt natuurlijk ook aan de problematische relatie tussen taal en beeldende abstractie: die problematiek staat namelijk centraal in de meeste kunstenaarsteksten uit het cahier… Sterker nog, de eerste zin van de eerste uitgave luidt: ‘abstraction / création / art non figuratif / nous avons choisi ces mots pour désigner notre groupement et notre activité parce que nous n’en avons pas trouvé de moins obscurs ou de moins contestables.’

R.W.: Die zin is een perfect voorbeeld van wat me in de Cahiers fascineert: het benoemen van abstractie in taal gebeurt er heel vaak op negatieve wijze. Voortdurend beschrijven kunstenaars hun werk door het te hebben over wat het niet is. Het lijkt alsof ze hun punt makkelijker kunnen maken door te verwijzen naar datgene waar hun werk afstand van wilde nemen – de werkelijkheid buiten het werk – dan via een positief geformuleerd manifest. Je zou het natuurlijk op zich reeds merkwaardig kunnen vinden dat deze abstract werkende kunstenaars woorden, teksten en uitspraken – en een cahier – nodig hadden om te bestaan. Alleen het abstracte werk was kennelijk niet genoeg!

S.B.: Werken als Marlow Moss getuigen van je fascinatie voor de constructie van de (kunst)geschiedenis. In de transcripties van gesprekken tussen kunstenaars en een werk als Abstraction Création ben je dan weer in ‘primaire bronnen’ geïnteresseerd.

R.W.: Ja, maar ook de werken die rond primaire bronnen zijn gebouwd vertellen – indirect – een verhaal over het construeren van geschiedenis en kunstgeschiedenis. Via deze historische casussen kunnen we geleidelijk aan begrijpen – op een bijna postkolonialistische manier – hoe we onze (kunst)geschiedenissen, en mogelijk onze cultuur in het algemeen, construeren.

S.B.: Momenteel werk je aan Sixteen Conversations on Abstraction, een complexe cyclus werken die zal bestaan uit zestien tekstuele conversaties, zestien beeldende werken in verschillende media – die elk aan een van de conversaties gekoppeld zijn – en één veranderlijke sculptuur. In de conversaties gaan – net als in A Conversation on Reality –prominenten uit de wetenschap of de kunst uit verschillende historische periodes in gesprek over abstractie, waarbij telkens één sleutelterm als leidraad fungeert. In Conversation One: A Preface discussiëren bijvoorbeeld een aantal kunstenaars uit de jaren dertig, die allemaal lid waren van Abstraction Création en non-figuratief werkten, over ’taal’. Nieuw aan Sixteen Conversations on Abstraction is het evolutieve karakter van het werk. Zo zal de sculptuur, die als een soort diagram van de gesprekken fungeert, in de loop van deze zestiendelige cyclus – en in het licht van de gesprekken – van vorm veranderen…

RW: …net zoals een gesprek van vorm verandert en de betekenissen in een gesprek verschuiven zolang het blijft duren. De cyclus is door het gebruik van de gespreksvorm te vergelijken met A Conversation on Reality, maar het verschil is dat het gesprek nu ook wordt ingezet als methodiek. In A Conversation on Reality realiseerde ik me al dat de gespreksvorm erg geschikt is om de relatie tussen taal en abstractie te thematiseren. In Sixteen Conversations on Abstraction heb ik de strategie van het gesprek tot op het niveau van de vorm doorgetrokken: de verschillende onderdelen van de cyclus – de teksten, de beeldende werken en de sculptuur – gaan een open ‘gesprek’ met elkaar aan.

S.B.: Al is er tegelijk de sculptuur die de gesprekken ‘samenvat’ en dus telkens even stilzet.

R.W.: Dat is waar. Als de gehele cyclus zal zijn afgerond, zal de sculptuur misschien als een visuele conclusie gaan werken. Maar in principe is de cyclus eindeloos uitbreidbaar. De vorm ervan is even vluchtig, veranderlijk en ongrijpbaar als de abstractie zelf.

 

 

Hedendaagse kunst, vandaag – Tweede paneldiscussie

KB: Koen Brams

HB: Hans Brugman

WD: Wouter Davidts

RL: Rudi Laermans

QSS: Q.S. Serafijn

CvW: Camiel van Winkel

BV: Barbara Visser

 

De zin en onzin van het verzamelen van kunst

Koen Brams: Ik zou willen beginnen met een vraag voor u, Hans Brugman, omdat uw observaties als kunstliefhebber voor mij, en wellicht ook voor de anderen, het meest onbekend of mysterieus zijn. Ik zou u willen vragen of het volgens u nog zin heeft om te verzamelen. Het antwoord op die vraag brengt ons misschien bij een probleem of een aantal problemen waarmee de kunst en de kunstwereld vandaag de dag worstelen.

Hans Brugman: Voor alle duidelijkheid: ik beschouw me niet als een verzamelaar. Het verzamelen van kunst ervaar ik van langsom meer als problematisch, maar met die evolutie heb ik geen problemen, integendeel. Het is moeilijker geworden om te verzamelen, een ontwikkeling die enerzijds parallel loopt met andere maatschappelijke evoluties, en anderzijds te maken heeft met de aard van de actuele kunst, meer bepaald de ervaringsgerichte kunst. Als de ervaring van kunst de wezenlijke inzet is, dan is het verzamelen op zijn minst van bijkomstig belang, of zelfs contraproductief.

Q.S. Serafijn: Ik zou wat voorbeelden willen horen van moeilijk te verzamelen ervaringen.

HB: Ik heb in Bonn zojuist de tentoonstelling Zeitwende bezocht. Wat valt daar nog aan te verzamelen? In een particuliere omgeving werkt die kunst gewoonweg niet. Ik vind dat kunst meer voor het publiek moet openstaan. De pluriformiteit en het democratische gehalte van de kunst zijn gediend met het particuliere initiatief, maar dat betekent volgens mij niet: kopen en bewaren, of opstapelen in een kelder- of zolderruimte om er dan vroeg of laat mee voor de dag te komen om pecuniaire resultaten te boeken. Ik ben ervan overtuigd dat de ervaring van kunst per definitie tijdelijk is. In zekere zin consumeer je kunst… Door met bepaalde kunstwerken te leven, verslapt de aandacht. De confrontatie wordt een gewoonte. Het belang van het verzamelen, behoudens dat er ergens een documentaire rest wordt bewaard, waar latere generaties op kunnen terugvallen, zie ik niet meer echt, en zeker niet voor een particulier persoon. Als je je bewust bent van je eigen eindigheid, dan is het niet moeilijk meer om in te zien dat het verzamelen een vrij absurde bezigheid is.

KB: Het probleem is dat we zo weinig over verzamelaars weten. Ze zijn de grote onbekende, maar dat betekent nog niet dat ze geen – of een verminderde – rol spelen. Hoe die mensen handelen, met welke middelen, welke geldstromen, wit en zwart, enzovoort, daarover weten we zo goed als niets. Vooral die zwarte geldstromen maken een echt onderzoek zo goed als onmogelijk.

HB: Ik denk dat dat een doodlopende straat is, dat traditionele verzamelen van hedendaagse kunst, eerst en vooral door de evolutie in de aard van de kunst, maar ook door wat je zegt over die geldstromen, maar ik vind dat niet slecht.

KB: Wat zijn jouw ervaringen met verzamelaars, Q.S., want jij maakt misschien wel dat soort kunst waar Hans het over heeft, namelijk moeilijk te verzamelen kunst.

QSS: Ja. Ik ben betrokken bij Omission, een stichting die omissies opspoort in het beeld van de werkelijkheid, en de ervaring en de deskundigheid van de kunst, en niet de kunst als product aanbiedt om die tekortkomingen gedeeltelijk weg te werken. Wij gaan ervan uit dat die deskundigheid ingezet kan worden op andere terreinen en dat andere disciplines gebruik kunnen maken van de ervaring van de kunst. Dat hebben we in de praktijk nog maar heel weinig gedaan. We zijn begonnen met daarover te adverteren, in kunstbladen zoals De Witte Raaf, om onze achterban of onze beroepsgroep daarover in te lichten en daarvoor te mobiliseren. De volgende stap zou zijn om ook buiten de kunstbladen andere groepen te mobiliseren. Wat het verzamelen van dit soort kunst betreft: toen de stadsconservator vertrok en naar aanleiding daarvan een tentoonstelling organiseerde in Boijmans Van Beuningen, richtte hij een vitrine in met onze folder en de verschillende advertenties. De acties van Omission worden gearchiveerd, en daar kunnen mensen kennis van nemen. Het enige voordeel was dat ze een keer bij elkaar kwamen, en dat ze voor een keer in één blik te zien waren.

De institutionalisering

De kunst als product

KB: Die acties die jullie opzetten, moet ik die begrijpen als reacties op praktijken in de kunstwereld?

QSS: Een beetje wel. We vinden het zonde dat van de talloze goede dingen die kunst ontwikkelt er heel veel binnen de instituten blijft hangen. We willen die ervaringen of inzichten ook inzetten buiten die institutionele kaders, buiten de galeries, buiten de musea. In die zin is het er een soort reactie op. Kunst is misschien nog steeds teveel een soort hardware-pakket dat aangeleverd wordt. Wij maken alleen maar software, dus we zien af van het werkelijk maken van dat ding, en we pluggen in op een ander domein. Wat kan kunst als software betekenen, of kan het iets betekenen, dat is onze vraagstelling.

KB: Software?

QSS: Kwalijk zijn bijvoorbeeld de vastgeroeste regels in het opdrachtenbeleid in Nederland. Meestal neemt de procedure de vorm aan van een drietrapsraket, eerst het voorlopige schetsontwerp, dan het definitieve schetsontwerp en tenslotte de uitvoering. Het meeste geld gaat naar de uitvoering, wat helemaal niet relevant is omdat bijna niemand nog een beeld gaat houwen of zo. Toch gaat daar de grootste hap uit het budget naartoe. Daar kan je ook weleens over nadenken. Je zou het kunnen omkeren en het accent kunnen leggen op het voorlopige en definitieve schetsontwerp, kortom op de ideeën die aan een realisatie voorafgaan.

KB: Wat zijn op dit moment jullie ervaringen en inzichten?

QSS: Ja, dat varieert. We zijn bijvoorbeeld ingeschakeld in projecten over de openbare ruimte, meer bepaald een project in Rotterdam, de Poort van Noord. Daar werken we met de politie, met de deelgemeente, en met de ingenieurs-ambtenaren van de dienst stedenbouw en volkshuisvesting. Er zal niets aan kunst te zien zijn maar het heeft wel een bepaalde kwaliteit gekregen, denken we, die anders is dan datgene waar die ambtenaren en die diensten altijd mee voor de dag komen.

De aura van het kunstwerk

De aanspraken van de kunst op het publiek

De infiltratie van de cultuur in de kunst

De inzetbaarheid van de kunstenaar buiten het institutionele kader

Het aantal kunstenaars

KB: Geloof jij in de kansen van kunst om buiten de instituties te opereren, Rudi?

Rudi Laermans: We moeten natuurlijk een onderscheid maken tussen het kunstwerk en de kunstenaar. Allereerst, de aura van het kunstwerk is weg, het is definitief gebroken. Kunstwerken laten zich moeilijker verzamelen, omdat het installaties zijn, of gewoonweg interventies. Deze ontwikkeling gaat hand in hand met een nieuwe verkoopbaarheid van kunst in termen van een groot publiek. Het resultaat is kunst die voor een publiek gemaakt wordt. Ik noem dat retorische of theatrale kunst. Ik sta daar heel ambivalent tegenover. Enerzijds moet je vaststellen dat kunst daardoor veel meer met publieke betekenissen werkt – publieke betekenissen rond ‘lichaam’, ‘vrouw’, ‘man’, ‘nacht’, ‘donker’, ‘slapen’, ‘eten’, noem maar op – wat ik een goede zaak vind. De andere kant van het verhaal is natuurlijk dat je vaak heel makkelijke retorische kunst krijgt, ongelooflijk makkelijke ervaringskunst die echt inspeelt op een soort directe sensatie en eigenlijk indrukskunst wordt.

Een tweede reeks observaties heeft te maken met het werkterrein van de kunstenaar. In de afgelopen vijftien, twintig jaar is dat werkterrein enorm verbreed. De kunstenaar wordt vandaag de dag niet alleen meer op het klassieke institutionele terrein ingezet, maar op alle mogelijke terreinen – de publieke ruimte, in sociaal-culturele instellingen, in scholen,… Vanuit een sociologische invalshoek bekeken heeft dat volgens mij met iets heel eenvoudigs te maken, namelijk dat er een ongelooflijk groot aanbod van kunstenaars is. Het is normaal dat die uitwegen beginnen te zoeken, naast dat systeem dat uiteindelijk toch piramidaal blijft functioneren. Deze ontwikkeling gaat evenwel terug op een geloof dat ik heel betwijfelbaar vind, namelijk dat de kunst of beter gezegd de kunstenaar als ideeënleverancier of reflector in alle betekenissen van het woord inzetbaar is met een zeer moeilijk omschrijfbare expertise.

QSS: Met die nauwelijks te omschrijven expertise loop je ook steeds met je kop tegen de muur.

Camiel van Winkel: Maar jij kan die expertise toch ook niet definiëren?

QSS: Nee.

CvW: Maar je gaat er wel van uit dat die er is.

QSS: Ja, want in de praktijk kan je het wel demonstreren, zoals in ons project voor de Poort van Noord, maar het duurt zo lang voor iemand die praktijksituaties met je wil aangaan.

Barbara Visser: Ik zou daar toch iets concreters over willen horen. Wat was jullie rol?

QSS: In de deelgemeente Noord in Rotterdam, onder de A20, ligt al zeer lange tijd een gebied braak. Er zijn al eerder kunstenaars gevraagd om iets met die plek te doen, afgezien van het spaarbekken, dat de dienst stedenbouw en volkshuisvesting er gepland had. Op initiatief van het CBK Rotterdam hebben wij een plan uitgetekend. We maken alles zichtbaar, ook het rioleringswater dat soms naar boven komt. Dat hoef je niet weg te stoppen, maar je kan dat water ook een zelfreinigend vermogen geven door een soort propstroom aan te brengen. Concreet betekent dat dat er een middendijk komt en daarachter een systeem van heel veel kleine dijkjes waar het water langs geloodst wordt, en waar riet geplant wordt. Dat is weliswaar louter pedagogisch, want uiteindelijk wordt het water toch weer in de riolering gestort. De viaduct dateert van de jaren ’70, een prachtige viaduct, je kijkt tegen de onderkant aan en dat wordt van onderen uit vergelicht zoals een monument, zoals je een kathedraal zou kunnen verlichten. Het gemaal wat normaal onder de grond wordt weggestopt, hebben we naar boven laten komen, dat soort ingrepen allemaal, dat is onze rol geweest.

BV: Dus eigenlijk wat een stedenbouwkundige normaal doet.

QSS: Ja, dat krijgen we dus ook altijd te horen.

Het gebruik van de kunst

BV: Ik vind het heel goed dat kunstenaars zich met de praktische kant bezighouden, in plaats van slechte architectuur op te vrolijken, wat vaak bij 1%-regelingen gebeurt. Maar natuurlijk zou je er ook voor kunnen zorgen dat er een goede architect aangeduid wordt die een ontwerp maakt waarvoor je zo’n kunstenaar in feite helemaal niet meer nodig hebt.

De maatschappelijke status van de kunstenaar

KB: Q.S., hoe zou jijzelf de expertise omschrijven die jij hebt ingebracht, in dit specifieke geval.

QSS: Wij zijn visueel en conceptueel getraind. Dat kunnen we zeker inbrengen. Het gebrek aan status van de kunstenaar maakt het ook mogelijk om overal tussen te gaan staan, tussen de verschillende disciplines. De interne communicatie in de dienst stedenbouw en volkshuisvesting verloopt bijvoorbeeld heel erg slecht. Omdat we een tussenpositie kunnen innemen, kunnen we die diensten beter op elkaar afstemmen.

BV: Grappig dat je dat gebrek aan status noemt.

CvW: Mij lijkt het juist het tegendeel.

KB: Inderdaad.

BV: Dat gebrek aan specialisatie maakt wel dat je geen belangen hebt, of toch niet het soort belangen dat die verschillende fracties hebben. De kunstenaar kan een verbindende rol opnemen tussen partijen die wel belangen hebben.

KB: Het feit dat kunstenaars bij zo’n project in de openbare ruimte betrokken worden, heeft toch niet te maken met een gebrek aan status, maar met het tegenovergestelde.

QSS: Ik vind het wel een prettige omschrijving: gebrek aan status. Het voorkomt ook een hele hoop vooroordelen.

RL: Maar het is helemaal geen lage status, wel integendeel. Naast de kunstenaar die voor het museum werkt, is een ander soort kunstenaar opgestaan, die als een bepaald type intellectueel erkenning geniet. Het zijn mensen die op een intellectuele, conceptuele wijze kunnen kijken, wat ze door hun training hebben meegekregen. Historisch gezien is dat toch een opwaardering van de status van de kunstenaar: dat zijn stem met wisselend gewicht meetelt naast die van architecten, stedenbouwers, ingenieurs of programmatoren. Het is trouwens ook één van de manieren waarop de kunstenaar in communicatie treedt met de overheid. Als je een beurs aanvraagt, dan moet je toch ergens een project kunnen omschrijven. Kunstenaars worden aldus een soort zelfstandige projectontwikkelaars.

De institutionalisering

Het gebruik van de kunst

CvW: Ik geloof niet in die tweedeling tussen het museum en alles wat daarbuiten is. Dat is een fictieve oppositie. Kunst kan gewoonweg niet buiten de kunstcontext om: het is een soort ideële omgeving waarin kunstwerken zich bevinden zo gauw ze door een kunstenaar gemaakt worden, of dat nu in een museum is of onder een viaduct. Alleen al omdat men niet kan zien wat een kunstwerk is. Je kunt niet zeggen: als iets aan die en die visuele eisen voldoet, dan is het een kunstwerk. Het kunstwerk heeft altijd de handeling nodig van iemand die een kunstenaar is en die zegt: dit is een kunstwerk en dit presenteer ik als zodanig. Dat is de erfenis van de avant-garde. Sommigen vinden dat iets negatiefs, dat er geen criteria meer zijn voor beeldende kunst, maar ik denk dat dat een verworvenheid is van de 20ste eeuw, iets waar je niet meer omheen kan. Je kan niet meer terug naar een soort resocialisering van de kunst. Als de kunstenaars zeggen dat het niet uitmaakt of je het kunst noemt of niet, dan sluipt er een zekere dubbelheid in dit soort projecten. Feitelijk blijft dat werk onzichtbaar zolang ze het niet terugbrengen in die kunstcontext door middel van artikelen, boekjes, of wat dan ook.

QSS: Dat is ook zo. Kunst is ons achterland en dat slepen we met ons mee. Dat is vrij logisch en we maken er ook in die zin gebruik van.

CvW: Maar ik geloof niet dat er een soort expertise is waarop jij als kunstenaar kan bogen. Ik denk dat stedenbouwkundigen en architecten net zo goed een visuele en conceptuele intelligentie hebben.

QSS: Jazeker.

De maatschappelijke status van de kunstenaar

CvW: Om de opwaardering van kunstenaars te legitimeren worden die andere velden omlaaggehaald en gediskwalificeerd.

QSS: Waarom hebben ze dan gedurende twintig jaar geen stedenbouwkundige op dat gebied gezet? Dat verbaast ons ook. Op het moment dat die vraag dan aan ons wordt voorgelegd, dan zouden wij moeten zeggen: neen, we zijn niet bekwaam om dit soort problemen op te lossen.

CvW: Omdat er ruimte genoeg was! Het was helemaal niet urgent. In Rotterdam had je tot vijftien jaar geleden nog een groot stuk weiland midden in de stad, naast het Centraal Station. Er was gewoonweg ruimte genoeg om te bouwen. Het is pas de laatste jaren dat het urgent wordt en dat iedere vierkante meter wordt opgeëist en in geld wordt omgezet.

Het cultuurtoerisme

RL: Je kan ook stellen dat steden zich veel meer bewust geworden zijn van hun uiterlijk imago. Steden denken vandaag de dag in termen van city marketing en kunstenaars worden daar voor een stuk bij ingeschakeld.

CvW: Het is inderdaad een politiek verhaal, denk ik.

KB: Q.S., toch nog even over jullie project. Hoe omschrijven jullie het resultaat van jullie werkzaamheden? Is het een kunstwerk? Of wordt het pas iets artistieks vanaf het moment dat jullie het documenteren en tentoonstellen?

QSS: Het is geen kunstwerk, tenminste zo willen wij het niet noemen. Iets artistieks is het ook niet.

CvW: Waarom is het geen kunstwerk?

QSS: Omdat niemand daarin een kunstwerk kan herkennen. En eigenlijk vind ik die vraag ook helemaal niet zo interessant, of iets een kunstwerk is, of niet. Als jij zegt dat het een kunstwerk is, en iemand anders zegt dat het helemaal geen kunstwerk is, of als nog iemand anders zegt dat hij het alleen als een kunstwerk kan zien omdat het later in een kunstcontext wordt teruggebracht via een kunsttijdschrift, het maakt me echt niet uit.

CvW: Maar dat doe jij toch zelf ook. Jij zet het toch ook in je curriculum vitae.

QSS: Maar ik zet wel meer in mijn c.v.

CvW: Maar je kunt niet pretenderen dat het de kunstwereld is die dat doet, dat doe je zelf ook.

QSS: Ja, het is mijn werk. Alles wat mijn werk is, dat zet ik in mijn c.v. Dat doet iedereen toch?

CvW: Maar waarom kun je die vraag niet beantwoorden?

QSS: Er is een citaat van Valéry: “Niets is de mensen en de kritiek moeilijker aan het verstand te brengen dan de incompetentie van de maker nadat het werk gemaakt is.” En dat gevoel heb ik steeds.

RL: Enerzijds is er de institutioneel gedefinieerde kunst, kunst die beantwoordt aan een aantal heel makkelijk op te sommen institutionele criteria. Je zou dit de core business van het kunstbedrijf kunnen noemen. Eenmaal je je daarbuiten begeeft, beland je in een soort grijze zone, maar ik zie daarin geen probleem eigenlijk. Je kan bovendien van het een in het ander komen.

KB: We zouden het als een vaststelling kunnen opnemen dat de tendens om over kunst te spreken in termen van core business en de grijze zone errond, dat dat een recent verschijnsel is. Of is dat niet zo?

De inzetbaarheid van de kunstenaar buiten het institutionele kader

CvW: Ik denk dat voor kunstenaars als Q.S. die grijze zone juist hun core business wordt.

BV: Maar dat is misschien ook het interessantste gebied.

QSS: Tijdelijk kan dat zo zijn, want je hoeft toch niet iets voor je hele leven vast te leggen. Je kan toch blijven schuiven, meebewegen met allerlei ontwikkelingen die gaande zijn. Juist die verschuivingen zijn het meest interessante, niet hoe dat weer gaat stollen. Als je zegt dat dat de core business wordt, dan denk ik ja, ik weet het niet. Voor dat zo is, zijn we misschien alweer vertrokken.

De interdisciplinariteit

CvW: Ik geloof niet in die grijsheid. Al die verschillende deelgebieden blijven toch grotendeels aan hun eigen discours hangen, hun eigen codes, begrippen, theorieën. Er wordt natuurlijk heel veel gesproken over interdisciplinariteit. Maar op het moment dat dingen worden bijgezet, of worden geïnterpreteerd, en worden terugvertaald naar een discours, trekken ze zich weer terug op een eigen discipline.

QSS: Wat ook een omissie is natuurlijk.

RL: Wat mij inderdaad blijft frapperen, is dat iedereen in mijn omgeving in één circuit vastzit. Ook in de kritiek zitten die schotten muurvast. Dat die organisatoren vastzitten, o.k., maar het publiek zelf, of nog erger, de makers, dat begrijp ik niet goed.

BV: De toenadering is er toch wel een heel klein beetje.

RL: Die segmentering blijft mij verbazen. Theater is nog altijd iets dat op een podium gebeurt, dus een discussie over theatraliteit vanuit de invalshoek van video is iets dat afgewezen wordt, of vreemd bekeken.

CvW: Zo’n circuit of segment representeert ook een discours, een vrij gesloten discours, wat op zichzelf is gericht. Dat discours zorgt ervoor dat dingen betekenis krijgen in dat verband, en niet in een ander verband. Interdisciplinariteit is nog lang niet in zicht.

BV: Maar, denk ik soms, het is toch al moeilijk genoeg om bij te blijven op het eigen terrein. Het is toch onmogelijk om je ook nog eens in theater, architectuur en design te gaan verdiepen. Het is ook vreemd dat er geen tijdschriften zijn die dingen aan elkaar koppelen. Hoewel het soms wel een heel klein beetje geprobeerd wordt om verschillende disciplines in een tijdschrift aan bod te laten komen.

CvW: En dan nog blijven de verschillende onderdelen netjes van elkaar gescheiden. Het is heel moeilijk om dat te doorbreken, en volgens mij komt dat omdat je toch een referentiekader nodig hebt, en dat is toch nog altijd gebonden aan die ene discipline.

RL: Ik zou willen pleiten voor dilettanten, voor transversale dilettanten.

CvW: Ja, natuurlijk, maar die zijn er niet veel.

BV: Als enkeling kan je dat wel doen, alleen het kader waarbinnen zich dat afspeelt, is dan toch vaak weer de eigen discipline.

KB: Barbara, jij zei daarnet dat je die grijsheid het interessantste vindt. Waarom?

BV: Camiel heeft gelijk als hij zegt dat dingen uiteindelijk toch weer in hun eigen gebied worden getrokken op het moment dat het de mensen uitkomt. Als kunstenaar heb je daarvan nog het meeste last.

KB: Op welke manier?

BV: Het wordt enorm gewaardeerd als je bepaalde grijze gebieden opzoekt, maar aan de andere kant hebben mensen natuurlijk ook handvaten nodig. Die worden met plezier aangereikt door tentoonstellingsmakers of critici, met een kwalijke vernauwing tot gevolg.

KB: Kan je een voorbeeld geven van wat jij als grijze zone beschouwt?

BV: Om een voorbeeld uit mijn eigen praktijk te noemen: als ik een gastrol speel als mezelf, als kunstenaar, in een Litouwse fictieserie, dan is dat voor de Litouwse televisiekijker totaal niet te zien dat dat kunst is, ze zien wel een Nederlandse kunstenaar, ze zien een tentoonstelling, want die wordt opgenomen in het verhaal. Een half jaar later word ik door een galerie gevraagd of ik geen vertaling kan maken van die aflevering van het feuilleton. En dat interesseert me ook wel: kan dat, en wat is dat dan, wat is de status ervan? Is het dan documentatie? En laat je het echt als documentatie zien, en zo ja, is dat dan te koop? En wat verkoop ik dan? Daardoor moet je wel heel erg gaan nadenken: waar gaat het je dan precies om? Daar kom je soms uit, en soms niet.

De kunst als systeem

KB: Volledig onschuldig aan die ontwikkeling ben jij als kunstenaar natuurlijk ook niet?

BV: Voor een deel ben je natuurlijk afhankelijk van het systeem. Ik zou wel kunnen zeggen dat ik er niets mee te maken heb, maar dat is gewoon heel naïef.

CvW: Jij bent het systeem…

BV: Nou dat zou mooi zijn, maar…

CvW: …net als iedereen hier aan tafel. Het systeem dat ben je toch met zijn allen.

BV: Ja, je houdt het met zijn allen in stand. Ik kan bijvoorbeeld zeggen dat ik het niet doe, want het ging me om die ene verschijning in die serie, maar langs de andere kant heb ik dat ook kunnen doen omdat ik uitgenodigd was door een instituut, dat het televisiestation overtuigde om het verhaal van hun soap aan te passen aan mijn werk. Het zijn natuurlijk allemaal systemen, naïviteit is dus uit den boze, maar je kan die systemen wel onderzoeken en infiltreren.

CvW: Hoe heb je dit opgelost?

BV: Ik heb het documentair opgelost. Ik heb die ene aflevering vertoond, en documentatie van de serie laten zien.

CvW: Het was dus niet te koop als een werk van jou.

BV: Als documentatie van mijn werk.

CvW: Dus het was wel te koop?

HB: Maar natuurlijk!

BV: In theorie wel, maar in de praktijk verkoop je zoiets niet.

Het vaste rollenpatroon

HB: Dat is eigenlijk het spijtige. Men doet altijd stappen vooruit, naar en in die grijze zone, maar dan merk je dat men eerder vroeg dan laat terugvalt op het klassieke systeem van kadertjes maken, relikwies produceren, die zoals vanouds terechtkomen boven de dressoir.

BV: Maar het interesseert me om zo’n totaal efemeer project uit te werken, en het dan terug te brengen tot een relikwie, want dat is het natuurlijk ook. Het is toch niets anders.

QSS: Maar dat is wat jij spijtig vindt, Hans?

HB: Ik denk dat het pecuniaire een heel belangrijke rol speelt. En dat het eigenlijk nog weinig voorkomt dat galeristen en ook het geïnteresseerde publiek bereid zijn om de stap te zetten naar het verlaten van dat traditionele rollenpatroon van producent en koper.

RL: Het commercialiseren van restproducten was een heel karakteristieke strategie van de historische avant-gardes, en die hebben het ook altijd gedocumenteerd, en het uiteindelijk in hun discours, in hun werk, in hun c.v.’s proberen op te nemen. Dat is de spanning die de avant-garde definieert: de kunst uit zijn cocon halen en het leven binnenbrengen, maar wat daar gebeurt, moet wel terug de kunst binnen, want there’s the money. Daar is ook het symbolische kapitaal, daar wordt de erkenning gegeven.

BV: Dat commerciële aspect heeft voor mij geen grote rol gespeeld. Ik had bijvoorbeeld een videostill uit zo’n serie als een soort werk kunnen verkopen, maar daar ben ik absoluut tegen.

KB: Maar dat gebeurt wel permanent.

HB: Natuurlijk.

BV: Ik vind dat je dat moet bekritiseren om te zorgen dat daarin iets verandert. Er moet gewoon geld op tafel komen voor die video’s zelf.

HB: Waarom zoekt men altijd die zekerheid? Waarom zoekt men eigenlijk niet naar een alternatief?

KB: Zijn er alternatieven?

BV: Ja, zijn die er?

HB: Ik denk dat de rol van de galerist herdacht moet worden. Hij moet niet alleen meer als verkoper van goederen optreden, maar eerder een intermediaire functie opnemen, tussen de kunstenaar en het publiek.

QSS: Een curator kan die rol toch ook op zich nemen?

HB: Ik zou het bijzonder boeiend vinden, mochten mensen die stap zetten. Er moet uiteraard een kader gevonden worden waarbinnen iedereen kan overleven. Wat kan de kunstliefhebber bijvoorbeeld in ruil krijgen? Daarover moet een discussie ten gronde worden gevoerd.

QSS: Er zijn best wel kunstenaars die dat willen, maar van de andere kant komt het ook niet.

HB: Misschien moet er een dialoog op gang gebracht worden.

KB: Geloof jij in zo’n herdefiniëring van het kunstsysteem, Rudi?

De inzetbaarheid van de kunstenaar buiten het institutionele kader

RL: Ik ben er zeker van dat we nog maar het begin meemaken van verregaande ontwikkelingen. Ik acht het mogelijk dat scholen bijvoorbeeld geld krijgen om een kunstenaar in dienst te nemen. Dat is een heel goed denkbaar systeem. Als steden bouwmeesters hebben, waarom zouden bijvoorbeeld grote scholencomplexen niet één of meerdere kunstenaars in dienst hebben? Het gaat hier om ontwikkelingen voorbij de institutionele kaders van de kunst. Zolang je binnen de veilige muren van de galerie of het museum werkzaam blijft, moet er op één of andere manier werk zijn. In musea en galeries draait het rond het werk, en niet rond kunstenaars, terwijl de kunstenaar in andere maatschappelijke instituties ingepast kan worden. Kunstenaars weten nog niet wat professionalisering is, want in andere beroepsgroepen is dat allang realiteit. Maar ja, kunstenaars zijn op zichzelf bezig en denken nog altijd voor een groot stuk in termen van werk dat aan de man moet worden gebracht in het institutionele circuit. Het is ook vreemd dat de opleidingsinstituten achter blijven, en geen oog hebben voor deze ontwikkelingen.

KB: Onproblematisch is die ontwikkeling toch niet?

De consensus

RL: Natuurlijk niet! Het hele veld is weliswaar volledig gefragmenteerd geraakt, maar op al die kleine deelterreintjes komen instituties tussen. Alles is dus geïnstitutionaliseerd, wat volgens mij de definitieve dood is van de avant-garde. Op het moment dat dat hele complex gefragmenteerd en geïnstitutionaliseerd wordt, op dat moment is het echt gedaan, want het is dan volledig maatschappelijk erkend. Om die reden denk ik dat kunst die niet publiek is het enige interessante is dat nu gebeurt. Ik ben het volledig eens met Debords analyse dat alles wordt kapot gemaakt door het spektakel en de media. Tenzij geheime kunst.

CvW: Die bestaat dus niet. Dat kan helemaal niet. Kunst die niet in dat publieke discours wordt gepresenteerd, is er niet. Hoe weet jij dat die er is?

RL: Via vrienden. Ik ben er niet mee bezig, met geheime kunst, maar ik ben wel bezig met alternatieve muziek. Je hebt een cassettecircuit en zelfgemaakte c.d.’s.

CvW: Maar dat is toch ook een vorm van publicatie.

RL: Ja, maar het geheime wil nooit iets te maken hebben met de officiële instituties. Natuurlijk is dat romantisch, natuurlijk is dat imaginair. Dat is zoals Broadway, en off off Broadway, en natuurlijk is off off alleen mogelijk omdat Broadway er is, dat weet ik ook wel. Maar het is interessant om te zien dat het blijft bestaan. Dat mensen dat risico nemen en ook geen kunstenaarsloopbaan willen maken, bijvoorbeeld. Absoluut op geen enkele manier professioneel willen functioneren.

CvW: Maar dat komt gewoon tien jaar later, als ze wat ouder zijn.

QSS: Dat neemt niet weg dat je het kan doen. Een virus zal zich ooit ook manifesteren, maar ondertussen heeft het wel zijn werk gedaan.

De inhaligheid van de kunstwereld

KB: Q.S., jij hebt ooit ook nog geflirt met dat soort dingen, tijdelijke autonome zones en dergelijke.

QSS: Het OCI, refereer je daaraan? Ja, inderdaad.

KB: Hoe sta je daar nu tegenover? Wat is er van die idee van tijdelijke autonome zones overgebleven en hoe sta je daar nu tegenover?

QSS: Het OCI is kort na de oprichting uiteengespat, maar Omission is wel weer een soort vervolg daarop, met het streven om zichzelf nog minder te institutionaliseren, dan toen het geval was.

KB: Hoe overleven jullie?

QSS: We worden gewoon per uur uitbetaald door de opdrachtgever.

KB: Dat is toch ook een vorm van institutionalisering of van officialisering. Jullie werken met officiële instanties, het zijn witte geldstromen, terwijl de cassettes waar Rudi het over heeft…

RL: Ook op het Internet vind je sites van mensen die zich uit de circuits willen houden. Dat vind ik interessant, want daar worden een heel pak discussies praktisch kortgesloten. Ik weet wel dat je dat in verhouding moet blijven zien met een officieel circuit, maar er gebeurt iets, hic et nunc. Overal te velde, zeker in Vlaanderen, lopen er rare gasten rond die een aantal jaren op een plek met iets bezig zijn en die niet geïnteresseerd zijn in geld of erkenning. Af en toe wordt zo’n figuur ontdekt. Een voorbeeld in Vlaanderen is René Heyvaert: een local hero uit het Gentse, die eigenlijk alleen met zijn huis bezig was, als architect, en met figuurzagen. Zijn huis was zijn kunstwerk. Nu men zijn werk wil canoniseren, is het eigenlijk fantastisch dat precies zijn huis is afgebroken.

KB: Maar de kunstwereld is toch zo kannibalistisch dat zulke figuren binnen de kortste keren opgeslokt worden in het systeem. Heyvaerts werk belandde binnen de kortste keren in een galerie. In hoeverre verdraagt de kunstwereld zo’n geheime kunst?

De veranderde kunstenaarsloopbaan

CvW: Is dat precies niet al heel lang tot de kern van het kunstbedrijf geworden? Kunstenaars worden steeds jonger van de academie geplukt, krijgen een tentoonstelling in een museum, en na twee jaar hoor je er niets meer van. Ze krijgen niet de kans om te groeien. Het werk wordt heel snel opgeblazen en overal naartoe gevlogen. Twee jaar later komt het iedereen de strot uit en is het voorbij. Die golfjes worden steeds korter.

Het aantal kunststudenten

De verstarring

De opleiding tot kunstenaar

RL: Het aantal mensen dat afstudeert aan allerlei kunstscholen is ongelooflijk gegroeid de laatste twintig, dertig jaar. Veel afgestudeerden hebben misschien twee straffe ideeën. Daar kan je twee, drie jaar mee werken en laat het dan ook opgebrand zijn.

CvW: Dat gold waarschijnlijk ook voor veel kunstenaars die twintig jaar geleden van school afkwamen, maar die kregen tenminste de tijd om die twee ideetjes te ontwikkelen tot een oeuvre, of tot zoiets als een fundament. En pas dan kregen ze de kans op een tentoonstelling.

RL: Maar waar ik naartoe wil, is dat het kunstenaarschap iets kan zijn dat je heel tijdelijk opneemt. Vijf jaar en daarna ga je iets anders doen.

CvW: De academie is een beroepsopleiding. Daar leer je een beroep voor de rest van je leven. Niet dat ik dat goed vind, maar zo is de praktijk.

KB: Kennen jullie kunstenaars die die tijdelijkheid hebben waargemaakt? Ik zou niet weten wie.

BV: Niet uit eigen keuze, neen.

CvW: Je hebt natuurlijk wel steeds meer kunstenaars die webdesigner worden of zo, en die definitief de knop omdraaien.

KB: Maar van jezelf beseffen dat je enkele straffe ideeën hebt, en die ideeën uitwerken en er dan mee stoppen, dus een bewust einde voorzien na de afwerking van een programma?

BV: Maar dan gaat iemand toch vanzelf iets anders doen, als het op is, tenzij dat die straffe ideeën…

CvW: Nou, die ideeën worden nog dertig jaar uitgemolken.

BV: Ja, dat zie je inderdaad heel veel.

HB: Maar het vergt bijzonder veel moed om dat niet te doen. Veel zogenaamd goede kunstenaars vriezen een of meer goede ideeën in en produceren tien, twintig jaar hetzelfde.

De consequentie

Het cultuurtoerisme

QSS: Die praktijk gaat helemaal terug op het recept van de avant-garde: consequentie zou kwaliteit en diepgang inhouden. Met die ideeën word je opgevoed in de academie. Ik denk dat inconsequentie ook kwaliteit kan opleveren. We zitten echt met die erfenis. De tendens van steeds kortere golfjes zie je natuurlijk in de maatschappij in zijn geheel. Enerzijds staan ontwikkelingen onder het dictaat van het cultuurtoerisme – disneyfying the world – anderzijds zit je nog met die erfenis van de avant-garde, die nog altijd tegen die wereld wil ingaan. Dat is een soort van schizofrenie waar de kunst nu mee te maken krijgt en dat is best interessant, alleszins niets om diep treurig over te worden. Waar het allemaal toe zal leiden, dat weet ik niet.

De kunstenaar als leverancier van tijdelijke kunstwerken

De return

De productiedwang

KB: Barbara, jij hebt onlangs een interessante beslissing genomen: je hebt je opnieuw ingeschreven aan een academie, de Jan van Eyck Academie. Welke motieven lagen aan die beslissing ten grondslag? Had jouw keuze te maken met die angst voor opbranding?

BV: Neen, dat was al gebeurd! Ik ben letterlijk op mijn eindexamententoonstelling door een galerie opgepikt. Een jaar later deed ik mee aan de jaarlijkse Peiling-tentoonstelling in Nederland, in Boijmans Van Beuningen. Ik vond dat allemaal fantastisch want ik had me rot verveeld op de academie. Toen ik een paar jaar in die grijze gebieden geopereerd had, merkte ik plots dat die praktijk zich tegen mij keerde. Het bleek dat ik niet meer een plek in de buitenwereld kon uitzoeken waar ik wilde werken, neen, er kwamen vragen om iets te komen doen. Ik merkte dat ik als een soort hofnar aan het functioneren was. Ik werd gevraagd om even te reageren op een situatie of een vraag. Ik merkte dat ik de controle heel erg verloor. Het was natuurlijk flatterend om gevraagd te worden, maar dat ontkrachtte niet de indruk dat ik gewoon iemand anders zijn programma aan het invullen was. Het draaide gewoonweg nog maar voor een heel klein deel om mijn passie of wat mij echt interesseerde. Op een gegeven moment dacht ik: het is gewoon op. Als ik me bijvoorbeeld de vraag stelde over wat ik nu terugkreeg van al mijn werkzaamheden, dan moest ik tot de conclusie komen dat het eigenlijk heel weinig was. En ja, ik dacht toen dat ik maar een tijdje niet aan dingen moest meedoen en dat ik me op een plek als de Jan van Eyck Academie opnieuw kon oriënteren. Ik had het idee dat het een werkplaats was waar mensen elkaar zien en waar het niet in de eerste plaats draait om productie maar om discours. De productiedwang in de kunstwereld vind ik eigenlijk heel erg. Niemand lijkt er echt op vooruit te gaan, heel veel kunstenaars zijn zichzelf aan het uithollen. Terwijl aan de ene kant juist heel enthousiast wordt gedaan over nieuwe productie- en presentatieconcepten, lijkt er aan de andere kant toch gewoon een leuke video te moeten draaien.

QSS: Ik denk er precies zo over. Toen Omission onlangs door de Appel werd uitgenodigd om deel te nemen aan een groepstentoonstelling, hebben we een aantal voorstellen gedaan en in de loop van de tijd gaan we die ook ontwikkelen, dus niet met het oog op een presentatie die vlak voor de opening op punt moet staan. Eén van de ideeën is om met de Stichting Ideële Reclame een landelijke campagne op te zetten ten bate van kunst of de nieuwe positie en rol van kunst. Dat kunnen we met Omission niet alleen, daar hebben we steun voor nodig, en dat zou de Appel kunnen doen, als ze het willen. En zou dat gaan lopen, dan zou dat misschien pas binnen anderhalf jaar gaan gebeuren. Zo gebruik je een tentoonstelling meer als een generator, en treed je niet als hofnar op.

BV: Het is natuurlijk wel zo dat ze uiteindelijk iets visueels willen, hoe je het ook draait of keert.

QSS: Dat is ook niet erg…

BV: En als bezoeker van de Appel ben ik ook blij dat er wat te zien is. Ik wil daar ook niet komen en er enkele papiertjes aan de muur aantreffen over wat er binnen anderhalf jaar gaat gebeuren. Het is dus heel dubbel.

De afwezigheid van werkplaatsen

KB: Had je het gevoel dat die productiedwang in de academie minder speelde?

BV: Ik had niet het gevoel dat er een dwang achter zat, maar integendeel dat er echt geproduceerd werd uit noodzaak. Maar ik was verbaasd dat kunstenaars met wie ik jaren geleden weleens in een tentoonstelling had gezeten, en die nu mijn toelating moesten beoordelen, me het gevoel gaven dat ik me verlaagde door me opnieuw aan te bieden. Ik denk juist dat het bijzonder spijtig is dat er geen plekken zijn waar kunstenaars rustig kunnen reflecteren en werken. Uiteindelijk merkte ik wel dat als je al zolang in de praktijk zit, je niet meer alles kan laten varen en van nul af opnieuw kan beginnen, maar dat neemt niet weg dat ik denk dat je dat als kunstenaar altijd moet blijven doen en dat het heel lastig is om dat in je eentje te doen. Je hebt natuurlijk collega’s waarmee je ook min of meer op die manier kan omgaan, maar een kritische omgang is toch erg zeldzaam.

De invloed van de regelgeving van de overheid

De professionalisering

BV: Als je niet alleen werkt maar met een groep mensen krijgt het werk vrijwel onmiddellijk het karakter van een project omdat je een structuur moet aanbrengen. Je moet zo’n idee ook heel concreet kunnen omschrijven omwille van het geld, om al die mensen te kunnen betalen, om de financiële middelen bij elkaar te krijgen. Zo krijgt het project iets heel bedrijfsmatigs, maar ik heb helemaal niets tegen deze vorm van professionalisering.

CvW: Het woord ‘project’ wijst erop dat jouw activiteit kadert binnen een bepaalde subsidiestructuur.

BV: Ik gebruik dat woord niet omdat het zo goed staat in de subsidieaanvraag maar omdat de productie van werk zoveel meer omvat dan alleen maar mijn handwerk.

CvW: Je hebt een begroting nodig, een doelstelling, al die dingen worden toch voor een groot deel opgeroepen door het bestaan van een subsidiestructuur. Het ‘project’ staat helemaal niet buiten het systeem, wel integendeel.

KB: De professionalisering van de kunstenaar loopt alleszins achter op de professionalisering van de kunstsector. De kunstsector is de laatste jaren eigenlijk een even geprofessionaliseerde sector geworden als klassieke dienstensectoren, maar de kunstenaar hinkt nog een beetje achterop.

RL: Maar dat gaat toch ook in razend tempo.

CvW: Wil je dat de kunstenaar zich professionaliseert?

KB: Ik vind die professionalisering ook problematisch, want ze voltrekt zich volgens bekende procédés en scripts, en zo maakt ze meer onmogelijk dan mogelijk.

QSS: Er zouden dus nieuwe scripts moeten worden geschreven?

BV: Ik droom van een totale professionalisering. Ik zou willen dat ik niet meer al dat randwerk hoef te doen, want daar spendeer ik 80% van mijn tijd aan. Ik zou me het liefst bezig kunnen houden met waar het over moet gaan.

RL: Maar alle min of meer internationaal opererende kunstenaars werken zo, die hebben een bureau met één of meerdere assistenten.

KB: Ook voor die job, de assistent van de kunstenaar, worden er nu opleidingen aangeboden. De professionalisering is echt grenzeloos.

Het vaste rollenpatroon

HB: Ik wil inpikken op wat Barbara daarnet zei, namelijk over het verlies van controle en het feit dat je dat betreurt. Ik vind het jammer dat weinigen de behoefte hebben om die controle te laten varen, en dat geldt voor de kunstenaar, de galerist, de verzamelaar, de geïnteresseerden. Ik verlang hevig naar een soort samenwerking – en die kan zeer tijdelijk zijn – tussen die actoren. Maar jij wil blijkbaar een vast kader, dat je zekerheid biedt.

BV: Nou, als ik het voor de zekerheid moest doen, dan was ik allang gewoon fotograaf geworden. De gedachte dat de kunstenaar los staat van alles en nergens iets mee te maken heeft, die slaat nergens op.

HB: Ik had gehoopt dat jouw projecten nergens in zouden kaderen, en echt projecten zouden zijn. Iets nieuws.

BV: Maar iets nieuws kost ook geld. Wat is dat voor een rare gedachte om te denken dat iets zonder geld tot stand kan komen.

HB: Uiteraard, maar door jouw drang naar zekerheid val je terug op een geïnstitutionaliseerd systeem en verlies je een stuk artistieke vrijheid.

KB: Laten we een beetje praktisch worden. Jij hebt een managementbureau, je bent actief als management consultant, heb jij dan de behoefte om daar een kunstenaar bij te betrekken?

HB: Als er iemand met een goed idee komt, waarom niet?

KB: Heb je al eens zo’n samenwerking opgezet?

HB: Niet echt. Maar ik verlang er wel naar, en voor mij hoeven er geen materiële sporen van over te blijven.

KB: Q.S.?

QSS: Wij hebben een aantal jaren geleden met een informatiebedrijf uit Baarn twee gesprekken gehad. Ze zeiden dat ze niets van ons verwachtten. We mochten zelf bepalen hoe we de opdracht invulden, of we een ochtend per week in het bedrijf zouden vertoeven, of iets anders. Maar het probleem was dat het bedrijf gereorganiseerd moest worden. Managers hebben geen tijd. Van het plan is dus niets in huis gekomen.

HB: Ik vind niet dat de kunstenaar zich ten dienste moet stellen van een bedrijf, zelfs die eis wil ik niet stellen.

KB: Hoe zie je het dan?

HB: Het gaat meer om de personele relatie. Het hoeft helemaal niet rendabel te worden voor mijn bedrijf. Ik heb daar geen vooropgestelde ideeën over, om die reden doe je precies een beroep op een kunstenaar. Ik verlang dat die kunstenaar zichzelf is.

CvW: Het kost toch ook niets, relatief gezien. Is het voor een bedrijf niet een heel goedkope en risicovrije manier om eens wat te proberen. Als het niets oplevert dan is er niets verloren.

HB: Wat kost er niets?

CvW: Kunstenaars zijn goedkoop. Als jij voor een bedrijf werkt als adviseur, dan krijg jij een veel hogere vergoeding dan Q.S.

QSS: Spijtig genoeg.

De steun van de private sector

De financiële steun van de overheid

HB: Ik zou het wel interessant vinden, mochten zulke samenwerkingen aangemoedigd worden, met fiscale stimuli bijvoorbeeld. Ik ben de mening toegedaan dat de taak van de overheid zich dient te beperken tot het creëren van een ruimte waarin particulier initiatief mogelijk wordt. Ik merk echter dat bij de kunstenaars weinig animo bestaat om zelf een alternatief of een hedendaagse vorm van mecenaat uit te denken. Neen, zij kiezen voor de zekerheid en richten zich naar de overheid.

RL: Maar de meeste regelingen zijn voorlopig, op de musea na, en die worden ook geëvalueerd. Er is niet veel zekerheid voor kunstenaars en kunstinstellingen. Het is altijd weer dossiers indienen en altijd opnieuw bewijzen dat je iets te zeggen hebt.

HB: Maar is dat niet een vernederende positie?

BV: Ik stoor me er wel aan dat ik altijd in die onzekere positie verkeer, maar ik vind het niet vernederend. Het is niet de overheid die voor mijn zekerheid zorgt, het is de overheid die iets mogelijk maakt. Ik vind het heel normaal dat de overheid ervoor zorgt dat er kunst gemaakt kan worden. Omdat kunst niet direct iets oplevert dat meetbaar is, of waarvan de functie aantoonbaar is, wordt er niet door iedereen geld aan uitgegeven, maar dat de overheid dat doet, vind ik heel normaal. Ik denk trouwens dat commerciële bedrijven door de manier waarop ze zelf functioneren eerder geneigd zijn om meetbaarheid te verlangen van het kunstwerk. Als ik bijvoorbeeld een bedrijf vraag of het een aandeel wil hebben in een project, dan komt vrijwel onmiddellijk de tegenvraag: wat doe jij dan voor ons. Ik vind dat een heel relevante vraag, maar vaak kan ik gewoonweg niet aan de wensen van dat bedrijf voldoen zonder het project om zeep te helpen.

RL: Vanuit een individueel standpunt bekeken, is het aangewezen dat je zeker niet van één bron van inkomsten afhankelijk bent – een deel uit docentschap, een deel van een aantal projecten, een deel van verzamelaars… Er zijn weinig beeldende kunstenaars die uitsluitend op overheidsgeld draaien, in het theater ligt dat anders.

BV: Zo gaat het er in de praktijk inderdaad aan toe. Maar het blijft een onzekere situatie.

HB: Maar waarom is het nu echt zo moeilijk denkbaar dat als een kunstenaar een idee heeft, hij een beroep doet op een galerist om dat uit te werken, en om dat naar sommige mensen uit de buitenwereld te vertalen…

QSS: Er zijn geen galeristen die daar interesse voor hebben.

HB: Om die reden moet de functie van de galerist herbekeken worden. Het zou me alleszins verwonderen, mocht er niemand voor openstaan.

BV: Een galerist heeft meestal ook meer dan één kunstenaar. Hij heeft een winkel met tien à vijftien kunstenaars, hij kan maar tot op zekere hoogte iets doen, denk ik, en daarbij is het ook nog zo dat hij vaak niet de financiële middelen heeft. Door die bemiddeling wordt het uiteindelijke product bovendien ook duurder. Want als een verzamelaar graag iets van mij zou willen bekomen, met een verhaal erbij, of met iets persoonlijks, dan is dat een stuk goedkoper als we dat direct doen, en niet met de bemiddeling van een derde.

HB: Waarom kan een project voor de kunstenaar niet economisch rendabel zijn en ook voor de galerist.

BV: Omdat de markt voor datgene wat ik doe zo klein is. Er zijn heel veel mensen in geïnteresseerd, en ik kan altijd tentoonstellen als ik wil, maar de verkoop is iets heel anders, bijvoorbeeld omdat een particulier, zoals we al eerder hebben gezegd, mijn werk niet in zijn huis kan tentoonstellen.

De sociale steun van de overheid

Wouter Davidts: Hans, jij verlangt van kunstenaars dat ze particulier geld zoeken, jij zou in zekere zin een bemiddelende rol kunnen vervullen, jij bevindt je toch in een goede positie om een dergelijke werking te stimuleren. Het interesseert me om jouw persoonlijke positie te horen toelichten.

HB: Laat het duidelijk zijn dat ik niet van kunstenaars verwacht dat ze productief zijn in een of ander economisch systeem, wat mij persoonlijk ten lange laatste financieel goed zou uitkomen. Dat zou nog erger zijn dan het verzamelen van kunst. Maar ik vind dat een geïnteresseerde in kunst, met bemiddeling van een galerist, in relatie zou moeten kunnen treden met een kunstenaar, en diens initiatieven zou moeten kunnen mogelijk maken. Waarom is men daar zo angstig voor? Zo gauw ideeën in die richting geformuleerd worden, komt men met de sociale zekerheid op de proppen. De sociale zekerheid geldt toch voor iedereen.

RL: Er is nog altijd geen sociaal statuut voor de kunstenaar. Die mensen zitten met enorm grote problemen.

HB: Ten onrechte, ja. Maar ik denk dat er geen enkele reden is om ervan uit te gaan dat de particuliere sector niet wil meedenken.

KB: Maar dat kan toch ook onvrijheid opleveren?

HB: Ja, maar het is een relatie die je op vrijwillige basis aangaat.

KB: Met de overheid toch evengoed? Of ik mij als kunstenaar of als criticus wend tot een overheid om subsidies te ontvangen of tot een particuliere sponsor, in beide gevallen zal ik mijn vrijheid of mijn ideeën moeten verdedigen.

HB: Ja, maar de overheid is een permanente partner, terwijl een particuliere partner van vandaag op morgen kan wisselen.

KB: Dus nog meer onzekerheid. Ik denk trouwens dat er nu reeds zo’n relaties bestaan tussen kunstenaars en mecenassen. Sommige kunstenaars worden voor bepaalde projecten of voor langere tijd ondersteund door particulieren. Het geld van een mecenas produceert niet noodzakelijk onvrijheid, al denk ik dat de druk veel groter is.

RL: Het geld dat je krijgt van de overheid beslist noch over wat je maakt, noch over de manier waarop het geëvalueerd wordt, dat is de autonomie van het kunstsysteem, uiteraard met zijn combines en deals. Bovendien is er niet één overheid, er zijn vele overheden, gelukkig. Ik vind dat er loketten moeten zijn waar je op een reguliere, juridisch beveiligde manier, met beroepsmogelijkheden liefst, een minimuminkomen kunt proberen te verzekeren mits kwaliteitsstandaarden. Een kunstenaar heeft ook het recht om zijn huis te hypothekeren, en dat zou hij nooit hebben als hij volledig van de vrije markt afhankelijk was. De welvaartsstaat moet ook gelden voor de kunstenaars, en dan wordt nog heel veel gevraagd van kunstenaars, in vergelijking met loontrekkenden. Het is eenvoudigweg een ideologische kwestie. Een bedrijf wordt altijd gedeeltelijk door de overheid gefinancierd, altijd. De wegen, enzovoort. Daardoor kan een bedrijf staan waar het staat, dus men werkt altijd al met overheidsgeld. Waarom dan de kunstenaar in de armen van de particuliere sector drijven?

QSS: Ik vind het vreemd dat kunstenaars zich moeten verantwoorden voor dat hele kleine beetje dat ze krijgen, terwijl de meeste multinationals van subsidies kunnen profiteren. Waar lullen we dan over? De individuele vrijheid zit in je hoofd, niet in je portemonnee.

CvW: We moeten natuurlijk geen illusies hebben over vrijheid. Je hebt ook schilders die wachtlijsten hebben, wachtlijsten van mensen die graag een schilderij willen kopen. Is dat vrijheid? De grootste onvrijheid zit natuurlijk in jezelf. Hoe langer je bezig bent, hoe groter de ballast die je achter je aansleept. Wat je gedaan hebt, wat jouw identiteit is, waar je aan vastzit. Dat is natuurlijk ook onvrijheid.

RL: Markt versus staat, dat zijn geen theoretische concepten, dat zijn ideologische concepten. Over onderwijs hoor je die discussie nooit voeren, en daar gaan andere budgetten in om. Of sociale huisvesting, daar wordt ook niet in die termen gediscussieerd. En dat alleen al wijst erop dat het om een ideologisch debat gaat. Ik vind het een displaced ideological discussion.

De contactarmoede van de kunstenaar

De commercialisering

HB: Ik heb ook de indruk dat de kunstenaar niet met het publiek in dialoog gaat. Hij praat met institutionele partners, de overheid die hem subsidies toestopt, of het bedrijf dat hetzelfde doet, maar niet met het publiek. Ik merk ook dat de kunstenaar bijzonder veel moeite heeft om zijn kunst democratisch te maken, ook wat het prijsniveau betreft. Als hij dan het lef heeft om van de gemeenschap geld te vragen, waarom vraagt hij dan daarnaast ook nog eens honderdduizenden of miljoenen voor zijn kunstwerken. Zo houden ze toch het verfoeilijke kapitalistische systeem mee in stand, want ze maken hun kunst niet bereikbaar voor het publiek.

KB: Enerzijds zeg je dat de kunstenaar meer marktgericht moet werken, dat de overheidssubsidies moeten worden afgeschaft, en anderzijds problematiseer je het principe van de markt, namelijk het principe van vraag en aanbod, en op basis daarvan de prijsstelling. Ik begrijp dat niet zo goed.

HB: Maar het is toch merkwaardig dat men er altijd naar streeft om de prijzen op te drijven. Ik vind dat veel kunstenaars daar gewoon zonder nadenken in meestappen, en zich daardoor op een bepaalde manier laten prostitueren.

KB: Waarom bepleit je dan de afschaffing van de subsidies? Subsidies corrigeren het spel van vraag en aanbod. Het feit dat je enerzijds de kunstenaar volledig aan de markt wil overleveren, en anderzijds op zoek wil gaan naar nieuwe modellen waarin particulieren hun verantwoordelijkheid opnemen, levert de kunstenaar onwillekeurig uit aan het spel van vraag en aanbod.

HB: Ik ontken niet dat de kunstenaar ook een beroep moet kunnen doen op de sociale zekerheid.

KB: Het spel van vraag en aanbod creëert ook onvrijheid voor het publiek.

RL: Het werk van de kunstenaar wordt meestal niet meer gezien nadat het door een particulier is aangekocht.

KB: Het is volledig onzichtbaar geworden. De Vlaamse Gemeenschap koopt werken aan, en dat patrimonium wordt wel ontsloten voor het publiek.

HB: Ik zeg niet dat op dat vlak voor de overheid niet een beperkte rol is weggelegd.

KB: Maar die rol is reeds uiterst beperkt. De Commissie Beeldende Kunst heeft lange tijd met 45 miljoen BEF gewerkt, voor alle regelingen. Zelfs als dat bedrag verdubbeld wordt, is het nog een belachelijk laag budget, zeker als je het vergelijkt met de middelen die op de gehele markt rondgaan.

Het geld

Het gebruik van de kunst

RL: Als we het hebben over de rol van de overheid, dan moeten we niet enkel stilstaan bij de behoeftes van de actuele kunst. Het gaat ook om het beheer van een geschiedenis. Het gaat om een heel historisch apparaat, en ik vind dat we met die geschiedenis heel genuanceerd en zo onideologisch mogelijk moeten omgaan. Hoe beheer je die erfenis op een zodanige manier dat je ook met de publiekscomponent rekening houdt, naast de andere taken die het museum heeft, de conserverende taak, de onderzoekstaak, enzovoort? Je moet dat hele apparaat dat historisch gegroeid is op een zo goed mogelijke manier proberen te beheren en ook nog met de kunstenaar rekening houden. Dat is moeilijk. Kunstbeleid is moeilijk. Wat ik problematisch vind, is dat het kunstbeleid gereduceerd wordt tot de verdeling van financiën. Het gaat steeds over financiën en niet over hoe je op een andere manier een kunstbeleid zou kunnen voeren.

CvW: In Nederland is dat kunstbeleid pas volledig geherideologiseerd. Kunst wordt weer nadrukkelijk om politiek-ideologische redenen ingezet. En dat is ook niet wat je wil.

KB: Om welke politiek-ideologische redenen?

CvW: Het gaat heel ver. Er wordt vastgesteld dat er een probleem is met allochtonen, want die hebben een onderwijsachterstand, die wonen in slechte wijken en presteren niet goed. In plaats van dit probleem in het onderwijs aan te pakken, wordt de cultuurbegroting aangesproken. De instellingen moeten meer minderheden aantrekken, en zich daarop richten. Terwijl het feit dat die cultuurparticipatie zo gering is bij minderheden, gewoon te maken heeft met hun onderwijsachterstand.

BV: Een ander voorbeeld: iedereen die overheidsgeld heeft gekregen, moet verantwoording afleggen over hoeveel allochtonen ze bereiken, hoeveel mensen ze sowieso bereiken. Het gaat dus over kwantiteit, en het elitarisme moet er gewoon uit.

CvW: Kunst in de openbare ruimte is weer nadrukkelijk een politieke prioriteit. Het is een middel om de kunst weer dichter bij de mensen te krijgen. En de respons is enorm. Als je ziet hoeveel kunstenaars zich nestelen in de openbare ruimte om er te werken…

QSS: Dat heeft toch veel meer te maken met de gelden die daar rondgaan… Als het economisch wat slechter draait, zal het snel afgelopen zijn.

CvW: De Stichting Kunst en Openbare Ruimte, het voormalige praktijkbureau, wordt extra opgetuigd op basis van dat soort politieke motivaties.

 

De oordeelkracht van de kritiek

KB: Camiel, krijg jij naar jouw gevoel genoeg terug van de kunst of van de kunstwereld?

CvW: Ik ben ook op een moeilijk punt beland. Ik heb eerst acht of negen jaar gewerkt als schrijver van kritische stukjes en gaandeweg ook als auteur van catalogusteksten. Je krijgt daar inderdaad zeer weinig van terug. Op een gegeven moment begon ik door te krijgen dat de enige rol die voor jou als schrijver is weggelegd in dat kunstwereldje het verzorgen van de promotie is. Ik was altijd heel blij als ik gevraagd werd om een stuk bij te dragen aan een catalogus, maar eigenlijk begrijp ik nu pas waarom mensen die teksten nooit lezen: het is een deftige vorm van reclame, waarbij het happy end bij voorbaat al vaststaat. Ik heb dan wel geprobeerd om die vorm op te rekken maar dan kreeg ik af te rekenen met enorme conflicten met de kunstenaar en het instituut gaat dan bij voorbaat achter de kunstenaar staan. Tijdschriften en bladen zijn ook van langsom minder een geschikt podium als je iets ambitieuzere stukken wil schrijven. Ik heb dan een boek geschreven en dat was voor mij eigenlijk de oplossing. Ik merk dat het wordt gewaardeerd. Je krijgt er in ieder geval meer van terug. Het is ook een veel grotere investering, je moet echt een urgentie ontwikkelen om dat punt te bereiken, denk ik, dus daar had ik die acht jaar ook wel voor nodig. Ik zie me niet onmiddellijk terugkeren naar dat journalistieke handwerk.

De maatschappelijke status van de kunstenaar

Het gebruik van de kritiek

De oordeelkracht van de kritiek

KB: Hoe kijk je nu tegen die kunstwereld aan, nu je iets meer afstand hebt?

CvW: Ik vind dat het een kleuterbewaarplaats is geworden. Tenminste in mijn zwartste momenten zie ik het zo. Die expertise van de kunstenaar, dat is zijn naïviteit, denk ik, en die naïviteit vinden de mensen prachtig. Nergens kun je zo uit de voeten met zulke domme platvloerse ideeën, met zulke simpele wereldbeelden. Ik heb een vrij pessimistisch gevoel maar ik weet niet of dat te maken heeft met het feit dat ik al een aantal jaren meedraai. Op een gegeven moment zie je dat dingen zich beginnen te herhalen…

BV: Op zich ben ik het er helemaal mee eens. Ik heb zelf ook jarenlang gedacht dat ik er helemaal niet wilde bij horen. Maar ik heb me ook gerealiseerd dat je het niet moet doen omdat je iets terugverwacht van de kunstwereld, maar alleen voor je eigen plezier. Als je je met de hedendaagse beeldende kunst inlaat, moet je gegarandeerd door 95% troep heenwaden. Het is natuurlijk zeer deprimerend om altijd maar alles te zien, maar misschien dat goede dingen toch ergens moeten ontstaan.

CvW: Het gaat er niet alleen om dat er veel rotzooi wordt gemaakt maar ook hoe er met die rotzooi wordt omgegaan. Veel rotzooi wordt naar boven gehaald, er wordt discours rond ontwikkeld, dat dan weer twee, drie jaar de boventoon voert in de kunstbladen.

QSS: Heb je het nu eerder over het systeem, of over de kunst op zich.

CvW: Dat valt toch samen.

RL: Ik vind dat er over het algemeen veel te weinig wordt geoordeeld. Er wordt veel te veel theoretische promotion talk geschreven. Veel kunst kan dat filosofisch-theoretisch betoog niet schragen.

De veranderde kunstenaarsloopbaan

KB: Critici draaien doorgaans heel kort mee. Kunstenaars gaan mee tot ze erbij neervallen, maar critici stoppen na vijf of tien jaar. Slechts enkele uitzonderingen blijven zich wijden aan de kunstkritiek.

BV: En jij weet niet waarom dat is?

KB: Ik stel het vast.

RL: Dat klopt ten dele. Een criticus groeit altijd mee met een kunstenaarsgeneratie. Een criticus die oordeelt, maakt zijn maatstaven aan de hand van het werk van zijn generatiegenoten. Vroeger was dat een stroming, een isme, maar die tijd is voorbij. Ik denk dat het nu veel moeilijker is geworden om oud te worden als criticus, omdat ook de carrières van kunstenaars veel sneller opgebrand zijn. In de jaren ’50 en ’60 was je tien jaar bezig, minstens, vooraleer je een tentoonstelling aangeboden kreeg in het binnenland. Pas op je vijftigste belandde je op een biënnale. De carrières van critici verliepen op hetzelfde trage ritme. Nu loop je inderdaad de kans om na twee jaar midden in the picture te zitten… Critici worden opgepikt door die jonge kunstenaars maar zien hun kunstenaar al spoedig in de internationale zee verdwijnen.

De fragmentatie

De labeling

De afwezigheid van verschillen

De werkvoorwaarden voor de kunstenaars

De verstarring

Het vaste rollenpatroon

BV: Het hele veld is gewoonweg veel meer gefragmenteerd. Kunstenaars gaan minder snel over tot clubvorming. Waar zou die criticus dan zijn wagonnetje aan kunnen hangen? Als er al clubs geformeerd worden, dan niet op basis van politieke ideeën, maar op instigatie van externe partijen, zoals in Engeland.

KB: Wat de Engelse kunst betreft, is de rol van de British Council niet onbelangrijk. In Frankrijk speelt de AFAA een grote rol. Elk land heeft tegenwoordig wel een instantie met een nationalistische agenda, Nederland met de Mondriaan Stichting, Vlaanderen laat zich ook niet onbetuigd.

RL: Er zijn inderdaad organisaties aan het werk die in samenspraak met media labels aanbrengen. Er zijn quasi geen subculturen en artistieke stromingen meer. Ik ben daar soms nostalgisch over. Maar dat is juist de prijs van de verzakelijking en de professionalisering. Ik denk dat je dat niet kan terugdraaien. Het heeft voor kunstenaars ook betere werkvoorwaarden gecreëerd.

QSS: Maar heeft het er ook niet mee te maken dat de kunstkritiek te laat of te log is om mee te schuiven als er dingen verschuiven in de kunstwereld? Moet de kunstkritiek niet opnieuw gedefinieerd worden?

CvW: Ja, ik denk het wel.

QSS: Dat zelfonderzoek is er helemaal niet, of de wil is er niet.

KB: Je hebt het over verschuivingen in de kunst. Wat versta je daaronder?

QSS: Kunstenaars kunnen er bijvoorbeeld voor opteren om het rechtlijnige parcours te verlaten dat rechtstreeks van de academie, via de galerie, naar het museum loopt. Ze kunnen proberen om de lege ruimtes tussen de verschillende instituten te benutten. Als die scenario’s uitgetekend worden, lijkt het me logisch dat de andere instanties ook veranderen, of dat er in ieder geval een discours op gang komt wat anders is dan de klassieke kunstkritische benadering.

BV: Er kan blijkbaar alleen nog maar worden gesignaleerd.

QSS: Ik heb me er steeds over verbaasd waarom het niet mogelijk is om samenwerkingen op te zetten die de vastgeroeste rolverdeling tussen criticus en kunstenaar aan hun laars lappen. Vanuit deontologisch standpunt begrijp ik die professionele distantie, maar anderzijds zou het ook spannend kunnen zijn om die afstand af en toe te overbruggen.

CvW: Daar zijn redacties helemaal niet in geïnteresseerd.

QSS: Dat blijkt dus. Ik vind het vreemd dat zulks niet eens als een proefopstelling gerealiseerd kan worden. Het verbaast me steeds, want we zijn toch met hetzelfde bezig.

CvW: Nou, neen. Dat heb ik nu ontdekt. Als ik me criticus of schrijver voel, dan kan ik me niet identificeren met jou, of met de kunstenaar.

QSS: Neen, niet met mij, maar wel met het object van aandacht.

CvW: Ik kan dat alleen maar doen door me niet meer in die kunstenaar te verplaatsen. Het gevolg is dan wellicht dat er geen te instrumentaliseren conclusies uitkomen en dat zullen sommigen heel erg jammer vinden maar dat is dan hun probleem.

De omgangsvormen in de kunstwereld

De input op het vlak van personeel

De verstarring

Het geld

RL: Ik ben heel blij dat ik nooit professioneel met de kunstwereld te maken heb gehad. Ik ben socioloog en daarnaast volg ik het theater en de dans, en een beetje de beeldende kunst. In 1991 vroeg Anne-Teresa De Keersmaeker me om een tekst over haar oeuvre te maken en dat is eigenlijk wat ik ben blijven doen, namelijk het schrijven van teksten over gevestigde mensen. Ik doe dat eigenlijk steeds vanuit een gevoel van liefde voor dat werk, iets teruggeven aan mensen wier werk mij jarenlang heeft beziggehouden. Ik kan me niet voorstellen dat ik binnen een faculteit letteren of kunstgeschiedenis bezig zou zijn. Ik wil professioneel met iets heel anders bezig zijn, met systeemtheorie, met empirisch onderzoek. Ik zou niet willen werken in de kunstwereld.

KB: Waarom niet?

RL: Ik vind de academische wereld hard, de bedrijfswereld is nog een stuk harder, maar ik vind de kunstwereld echt… Daar komt bij dat er in de kunstwereld vaak met een aplomb gesproken wordt waar ik plaatsvervangende schaamte van krijg. Ik ben erover verbijsterd dat dat allemaal zomaar kan. Het veld van de kunst heeft zo ontzettend weinig zelfkritiek. Er wordt veel gepolemiseerd, maar er is bijzonder weinig zelfkritiek. Ik vind ook dat het een wereld is waar heel vaak met verborgen agenda’s wordt gewerkt. Waarom er niet gewoon voor uitkomen dat men er op een zakelijke of professionele manier mee wil bezig zijn? Waarom dan nog met dat dure theoretische discours uitpakken?

KB: De kunstwereld is de meest harde?

RL: Ja, dubbel, ik heb heel vaak een gevoel van dubbelheid in de kunstwereld.

KB: Niet van hardheid?

RL: Maar die dubbelheid vind ik hard.

BV: Wat in de kunst de zaken zo ondoorzichtig maakt, is dat het sociale en het professionele op een of andere manier in elkaar overlopen. Het is totaal onduidelijk wanneer je met iemand sociaal of professioneel iets aan het doen bent. Sommigen zijn daar vrij bedreven in, anderen niet, maar het is heel ingewikkeld.

CvW: Is het niet tegelijk zo dat die troebelheid bijdraagt aan de aura van de kunst? Dat geldt ook voor wat Rudi zegt, namelijk over dat filosofische luchtbellengeblaas. En dat aura wordt in geld omgezet, of je dat nu leuk vindt of niet. Ook de opgeklopte hypes die rond bepaalde kunstenaars worden gecreëerd, zijn zeer troebel en commercieel zeer aantrekkelijk.

RL: Ik ga nooit naar recepties, openingen of premières, niet eens naar danspremières. Ik vind het altijd dubbel. Op interactioneel vlak kan ik daar heel moeilijk mee om. Mijn ervaring is dat er in de kunstwereld enorm veel vriendjespolitiek is, maar zeer weinig vriendschap.

WD: Is een personele relatie wel het ideale uitgangspunt voor een productie van enige betekenis?

RL: Voor een criticus kan de persoonlijke band met de kunstenaar heel belangrijk zijn. Met een paar mensen uit het theater en de dans heb ik een vriendschappelijke verhouding en ik schrijf over hun werk uit vriendschap. Vriendschap, voor het werk en de kunstenaar, voor beide, alstublieft. En het werk moet domineren. Maar het wordt me helemaal niet in dank afgenomen dat ik over het werk van mijn vrienden schrijf. Het is alleen omdat ik een zekere positie heb in de theater- en danswereld in Vlaanderen, dat ik me dat kan permitteren. Ik vind dat nochtans een van de weinige te verdedigen posities om te schrijven, dicht bij de kunstenaar en het werk.

BV: Over kunst objectief schrijven, lijkt me sowieso niet mogelijk. Het is natuurlijk eerlijk om ervoor uit te komen dat het uit waardering en vriendschap is.

KB: Rudi, jij bent sinds kort ook betrokken geraakt bij de uitgave van een aantal catalogi over beeldende kunstenaars. Zijn er grote verschillen tussen die verschillende werelden van het theater, de dans en de beeldende kunst?

RL: Er zijn natuurlijk elementaire verschillen. In West-Europa speelt het private geld in de theater- en dansscène quasi geen rol, in de Verenigde Staten ligt dat uiteraard anders. Maar de andere tendensen die we reeds besproken hebben – verzakelijking, professionalisering en de differentiëring in de soorten loopbanen van kunstenaars – doen zich in alle kunstvelden voor. Ik denk ook dat in al die kunstvelden de kwaliteit op dezelfde wijze verdeeld is: 80% onzin, 10% o.k., en 10% waar je echt aandacht aan kan geven.

KB: Zijn er nog verschillen?

RL: Theater en dans zijn per definitie sociale kunstvormen. Dat heeft nogal wat gevolgen voor de wijze van functioneren. Je moet met meerderen zijn om theater of dans te maken. Je hebt ook zoiets als de uitvoerder, een rol die niet bestaat in de beeldende kunst. Ik vind dat dansen iets heel anders is dan choreograferen, en acteren iets heel anders dan regisseren. Ik vind die uitvoerders zeer interessante mensen. Ze hebben eigenlijk een zeer marginale positie, ook economisch trouwens, terwijl ze het product zijn: een acteur en wat hij acteert, dat is wat er gebeurt op een scène. Dat is het product, terwijl men altijd over het regieconcept spreekt. We zijn daar allemaal schuldig aan, ik ook hoor. Het is immers veel makkelijker om het over het regieconcept te hebben dan over wat een acteur daar staat te doen. Ik trek graag met acteurs en dansers op. Eigenlijk vinden we mekaar in onze marginaliteit tegenover de organisatoren en de regisseurs.

De contactarmoede van de kunstenaar

BV: Ik wil ook altijd graag projecten opzetten waar anderen bij betrokken zijn, waar anderen invloed op hebben. Mij heeft het isolement nooit aangetrokken in de kunst.

KB: Samenwerking, als factor van plezier?

BV: Ja, en ook als manier om je eigen positie te relativeren. De zelfingenomenheid van kunstenaars is erg groot en misschien is het ook wel noodzakelijk omdat hun weinig andere middelen ter beschikking staan om hun gelijk te halen. Ik weet niet of het ermee te maken heeft dat ik een vrouwelijke kunstenaar ben, maar ik associeer die zelfingenomenheid heel erg met mannelijke kunstenaars, al zie je dat ook veel vrouwen er last van hebben.

RL: Volgens mij komt dat macho-gedrag veel meer voor in het milieu van de beeldende kunst, in tweede orde in het theater, en in derde orde de dans. Van alle sectoren die ik ken, is dans de meest conviviale. Het is ook zo’n marginale kunst, die speelt niet erg mee, bijvoorbeeld intellectueel. In denken over kunst, of over maatschappij, is dans quasi afwezig. Je vindt daar niet de haantjes de voorsten, want die trekken naar sectoren die het meest maatschappelijk en mediaal zichtbaar zijn. Dans is ook een heel vrouwelijke gemeenschap, wellicht is dat een van de redenen waarom ik me er zo lang mee heb beziggehouden. Theater kan ik zo soms twee maanden links laten liggen, maar dans…

Het geheugen

De vernieuwing

KB: Jij wil nog een probleem op tafel leggen, Camiel?

CvW: Een deel van mijn scepsis over de kunstwereld heeft te maken met de vaststelling dat het geheugen zo snel achteruitgaat. Het geheugen speelt steeds minder een rol. Het discours draait voortdurend rond vernieuwing. Het maakt zich langzamerhand grandioos belachelijk als je ziet hoe kort de cycli worden. Wat in de jaren ’60 of ’70 werd gemaakt, wordt schaamteloos herhaald door jonge kunstenaars en er is eigenlijk niemand die dat opmerkt. Dingen die nog maar zo kort geleden zijn gebeurd, spelen al helemaal geen rol meer in het discours.

QSS: Als wij met Omission ergens komen, dan worden we wel voortdurend geconfronteerd met het verleden, dan wordt gezegd dat we dat engagement van de jaren ’70 proberen op te warmen. Dat opnieuw in circulatie brengen van ideeën is ook niet per definitie fout, alleen moet je niet voortdurend over vernieuwing spreken, want vernieuwend is het niet. Het is anders, we proberen het net iets anders in te zetten dan in de jaren ’70.

BV: Dat gebrek aan geheugen is iets van deze tijd, en zeker iets van mijn generatie. Toen ik studeerde, hoefde kunstgeschiedenis helemaal niet. Daar heb ik nadien enorm veel last van gehad, maar het was iets wat toen heel goed bij die tijd hoorde, het ging alleen maar om zelfontplooiing. Het was blijkbaar ook een keuze om niet te refereren aan andere kunstenaars. Je mocht met iets bezig zijn wat dicht in de buurt kwam van bijvoorbeeld Boltanski, maar je werd er niet op geattendeerd.

QSS: Je kan toch ook zeggen dat die vooruitgangsidee niet meer bestaat. Volgens mij kan je in die enorme accumulatie van beeld en media niet meer vernieuwen.

BV: Dat je je niet meer bewust bent van je geschiedenis waar je toch ook het product van bent. Zonder dat je misschien aan vooruitgang denkt…

QSS: Misschien is dat wel een heel fijne positie.

CvW: Dat vooruitgang in de kunst niet bestaat, daar is iedereen het natuurlijk over eens, maar je kunt niet stellen dat de manie van het nieuwe niet meer bestaat. Volgens mij is dat nog steeds de grote motor in het hele kunstwereldje en dat betekent dus ook dat het systeem er belang bij heeft om dat geheugen te laten versloffen.

BV: Zo heb ik het nog nooit bekeken, ja.

Het historicisme

RL: Maar je stelt toch tegelijkertijd vast dat er nooit zoveel musea voor hedendaagse kunst zijn gebouwd.

CvW: Ja, maar die zijn volledig a-historisch.

RL: Maar die verzamelen toch kunst vanaf de jaren ’50, en die tonen ze ook.

CvW: Maar wat tonen ze dan? Stromingen, minimal art in een zaal, abstract expressionisme in een andere zaal, qua geschiedenisconcept is dat jaren ’50. Het seksmuseum in Amsterdam hanteert hetzelfde geschiedenismodel als eender welk kunstmuseum in Nederland en elders.

RL: Die hele periodisering is natuurlijk onzin, dat model komt van de kunsthistorici, eigenlijk zou je daar in de praktijk niet mee mogen werken.

CvW: Neen, maar dat gebeurt nog steeds, het is het enige model dat men kent en dat men gebruikt.

De input op het vlak van personeel en Financiën

RL: De financiële en personele middelen die in artistieke velden worden gestoken, zijn ongelooflijk toegenomen, de professionalisering is meer dan exponentieel gestegen in vergelijking met de eerste helft van de 20ste eeuw, en wellicht dat de variatie groter is geworden, maar ik vind dat er alles bij elkaar genomen zeker niet meer sterk werk wordt gemaakt. Als je nu een sterk werk ziet, heb je de indruk dat het een interessante variatie is. Het is een kleine slag. Na de jaren ’60 gaan de dingen heel snel, er is een enorme aanwas, almaar meer werk en almaar meer kunstenaars, en je hebt iets van it has all happened. Hetzelfde doet zich voor in de wetenschap: hoeveel energie, man- en vrouwkracht en geld om uiteindelijk zo hier en daar nog echt iets strafs te doen. Als je dat serieus neemt, heeft dat voor mij de implicatie dat als je nu met hedendaagse kunst bezig bent, in welk veld dan ook, dat je iets heel anders moet verwachten dan de nieuwheid met de grote N, of de grote doorbraak.

BV: Maar zoals je zegt, is dat in de wetenschap en de industrie ook het geval. De stappen worden steeds kleiner, maar daarom niet minder belangrijk.

RL: Maar het punt is dat we vaak blijven spreken alsof dat niet zo is. Alsof er nog altijd vooruitgang wordt geboekt met grote stappen.

BV: De media spelen daar een belangrijke rol in.

RL: Maar de kunstenaars zelf ook.

BV: Je zit wel met de vertekening dat aan elke stroming ook veel meer kunstenaars werkten, maar door de perceptie vanuit diegenen die zijn blijven bovendrijven, lijkt het alsof er slechts enkele per stroming actief waren. Maar het klopt wel dat er nu veel meer mensen actief zijn in de kunst. Meer academies, meer geld, de vertekening is er toch ook, denk ik.

De consensus

RL: Toch moet je ook vaststellen dat op bijzonder korte termijn een consensus bereikt wordt, ondanks die massa. Ondanks de kwantitatieve groei, is het even makkelijk om die consensus te bereiken.

BV: Al kan je je wel afvragen op basis waarvan die consensus tot stand komt, en of dat dezelfde wijze is waarop dat veertig, vijftig jaar geleden gebeurde.

 

Transcriptie en redactie: Koen Brams

 

Colofon

Koen Brams Hoofdredacteur van De Witte Raaf.

Hans Brugman Management consultant. Observator van de kunst en de kunstwereld.

Wouter Davidts Ingenieur-architect. Als onderzoeker verbonden aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de R.U.Gent, waar hij een proefschrift voorbereidt over museumarchitectuur.

Rudi Laermans Doceert cultuursociologie aan de K.U.Leuven en is actief als essayist. Recentste publicaties: Schimmenspel, essays over de hedendaagse onwerkelijkheid (Van Halewijck, 1998) en Communicatie zonder mensen. Een systeemtheoretische inleiding in de sociologie (Boom, 2000).

Q.S. Serafijn Mede-oprichter van Omission, een stichting die omissies opspoort in het beeld van de werkelijkheid. Recentelijk was Omission betrokken bij het stedenbouwkundige project Poort van Noord (Rotterdam). Omission neemt deel aan de tentoonstelling unlimited.nl # 3 (De Appel, Amsterdam).

Camiel van Winkel Kunstcriticus. Recentelijk verscheen bij Uitgeverij SUN zijn boek Moderne leegte. Over kunst en openbaarheid.

Barbara Visser Beeldend kunstenaar. Diverse solotentoonstellingen en meervoudige deelname aan groepstentoonstellingen. Stelde recentelijk als laureate van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst (1999) tentoon in het Paleis voor Schone Kunsten (Brussel).

Hedendaagse kunst, vandaag – Derde paneldiscussie

KB: Koen Brams

DB: Daniel Buren

WD: Wouter Davidts

 

De kunstenaar als leverancier van tijdelijke kunstwerken

De commercialisering

Koen Brams: Daniel, ik zou willen beginnen met dezelfde vraag die ik je vijf jaar geleden in Rotterdam voorlegde: wat zijn de problemen van de hedendaagse kunst? Destijds wees je op het regressieve karakter van de figuratieve kunst. Volgens mij zijn er op dit moment andere problemen.

Daniel Buren: Ja. Om te beginnen doet zich een probleem voor op het vlak van de groepstentoonstelling. De kunstenaar wordt steeds meer als een nietsnut behandeld. Hij is alleen nog maar een soort leverancier van een productje dat kan dienen als illustratiemateriaal voor de catalogus van de organisator van de tentoonstelling. Dat heb ik ook in het begin van de jaren ’70 al aan de orde gesteld, maar het valt me steeds meer op en is naar mijn mening zeer slecht voor ons werk.

De tweede zeer kwalijke ontwikkeling die ik constateer, is dat er een nieuwe markt voor hedendaagse kunst aan het groeien is via de veilinghuizen, Sotheby’s en Christie’s, om alleen maar de grootste te noemen. Als die tendens zich doorzet, zullen de veilinghuizen in een jaar of tien een einde maken aan het galeriewezen zoals we dat nu kennen, en uiteindelijk de kunstproductie manipuleren op een manier die onvermijdelijk negatief is. Het zal zeker een paar jaar duren voordat we mogelijkheden zien om tegen een dergelijke markt te ageren. In de jaren ’60 spuiden we volop kritiek op de kunstmarkt, maar de markt voor hedendaagse kunst was toen nog niet zo belangrijk, en was evenmin ‘controleerbaar’. Nu proberen de veilinghuizen boven de galeries en de musea een internationale markt op te bouwen die hen in staat zou kunnen stellen om de actuele kunstproductie te controleren. Bij geen enkele galerie, zelfs niet bij de beroemdste zoals die van Leo Castelli of Konrad Fischer, heb ik ooit gemerkt dat er controle werd uitgeoefend, behoudens misschien wat betreft de verkoop van werk van hun eigen kunstenaars. Hun macht, bijvoorbeeld op financieel gebied, bleef dus uiterst beperkt. Bovendien was die macht zelfs positief omdat de galeries die inzetten voor kunstenaars in wie ze geloofden. Maar volgens mij vechten de grote veilinghuizen uiteindelijk voor niemand. Ze vechten om een markt te laten draaien. En tevens om die markt, waar in principe alles verkocht kan worden, vooral te vullen met zaken die heel gemakkelijk verkoopbaar zijn. Het ligt voor de hand dat ze vooral commerciële kunst willen verkopen. Dat wil zeggen, zelfs als het om nieuwe kunstvormen gaat, moeten het toch altijd objecten zijn die de koper gemakkelijk kan transporteren en accrocheren. Als je daar even over doordenkt, begrijp je onmiddellijk dat niemand nog een halve stuiver zal inzetten op experimenten die niet de belofte op een financiële meerwaarde inhouden. Dus alles wat niet toegesneden is op de markt, valt uit de boot, nog meer dan nu al het geval is.

KB: En zie je al tekenen van die evolutie of is het grotendeels hypothetisch wat je beschrijft? Kun je voorbeelden geven?

DB : Er zijn al voorbeelden. Anders kan ik niet verklaren waar die ongelooflijke aandacht voor de fotografie vandaan komt. Een foto is grosso modo een volledig manipuleerbaar object, meestal herkenbaar, figuratief, kortom met een heleboel aspecten die iedereen in het algemeen, zij het niet altijd, schijnt te kunnen begrijpen. Anders kan ik niet verklaren waarom mensen voor fotowerken van jonge kunstenaars die gigantische sommen neertellen die je tegenwoordig hoort noemen – ik heb het niet over heel oude, klassieke foto’s, dat is een ander verhaal. Die manipuleerbaarheid en herkenbaarheid verklaren ongetwijfeld ook het succes van bijvoorbeeld de traditionele schilderkunst, een van de meest gewaardeerde sectoren van diezelfde markt.

In mijn ogen gaat de markt van de veilinghuizen terug op een levensgrote leugen die klakkeloos wordt overgenomen door het publiek: het zou de echte markt zijn omdat de prijzen zogenaamd door het publiek worden bepaald! Die bewering klopt uiteraard van geen kant, want alles wordt gemanipuleerd. Het is niet de echte markt, maar een markt met eigen spelregels. De markt van de veilinghuizen biedt bovendien veel meer gelegenheid om te manipuleren dan het klassieke galeriesysteem. Een galeriehouder die opkomt voor zijn vijftien kunstenaars maakt zich al verdacht. Welnu, de inkopers geven de indruk dat ze voor iedereen opkomen terwijl ze in feite alleen opkomen voor wat het interessantst is voor hen. Je begrijpt meteen waar dat toe kan leiden.

Er hebben in de kunst altijd markten naast elkaar bestaan die niets met elkaar te maken hadden. Je hebt de markt van de schilders die doeken verkopen op de Brug der Zuchten in Venetië of op de Place du Tertre in Parijs. En je hebt het fenomeen van de huidige galerie, een zeer persoonlijke markt, met verzamelaars en liefhebbers. Dan zijn er de instellingen die de kunst direct van de kunstenaars of van de galeries betrekken, dat is weer een ander type markt. En je hebt de liefhebbers die direct, zonder tussenkomst van de galeries, van de kunstenaars kopen. Dus de veilingen vormen naar mijn mening een van de vele markten. Maar ze proberen de zogenaamd ‘echte’ markt te worden.

De globalisering

KB: Welke tekenen wijzen in die richting?

DB: Ten eerste groeit het aantal veilinghuizen aan. Omdat ze altijd heel slecht zijn geweest in de zogeheten eigentijdse kunst, nemen die grote huizen deskundigen aan die een baan zoeken, mensen die misschien geen galerie of museum meer hebben of door de veilinghuizen beter betaald worden. Ik ken er zelf al een stuk of zes, die vroeger museumconservator of galeriehouder waren en nu als acquisiteur werken bij Sotheby’s of Christie’s. Die veilinghuizen hadden natuurlijk al deskundigen voor de afdeling 17de-eeuws porselein en voor de kunst van het begin van de 20ste eeuw, om maar een paar voorbeelden te noemen. Nu rekruteren ze mensen die de zogeheten eigentijdse kunst en de verzamelaars goed kennen. Eenmaal aangesteld als hoofd van de afdeling kunst tussen ’70 en ’90, leggen die deskundigen lijsten aan en stellen rapporten op over kunstenaars van over de hele wereld. Met de middelen die ze ter beschikking hebben, kunnen ze dat uiteraard gemakkelijker doen dan welke galerie ook. Zelfs voor de kleinste veiling van zogeheten eigentijdse kunst bij Sotheby’s of Christie’s wordt een catalogus uitgegeven. Die wordt van de ene op de andere dag verspreid, van Tokyo tot Buenos Aires via New York, Parijs, Londen en Düsseldorf, alle plaatsen waar eventuele verzamelaars te vinden zijn. Als een vloedgolf zoekt die catalogus zijn weg over de hele wereld, nu ja, de wereld die kunst koopt – op Groenland en in Afrika lopen waarschijnlijk erg weinig klanten rond – maar in elk geval over de hele westerse of neo-westerse wereld. Met die uitgebreide verspreiding bereik je een enorme massa van potentiële kopers, en daar kan geen enkele galerie tegenop, zelfs de meest prestigieuze ter wereld niet.

De relatie tussen kunst en politiek

KB: Gaan de musea niet dezelfde kant op?

DB: Ja, ik geloof dat Rudi Fuchs als eerste het plan lanceerde om de onvervreemdbaarheid van museumstukken op te heffen. Toen ik hem dat plan hoorde verdedigen, voelde ik meteen dat het niet goed zat, ik was er onmiddellijk tegen. Het is in mijn ogen niet alleen onverdedigbaar, maar bovendien op een tragische manier misdadig. Ik ga daarin heel ver, maar ik weet wat ik zeg. Dat het museumbezit in Europa onvervreemdbaar is, beschouw ik als een enorm voordeel in vergelijking met de Amerikaanse en Japanse situatie. De kunst in onze musea behoort tot het nationaal erfgoed. Eeuwenlang hebben kunstwerken de museumcollecties verrijkt, de musea zijn openbaar en de kunstwerken onvervreemdbaar. Niet dat het allemaal uitsluitend meesterwerken zijn, gelukkig niet, en dat zal ook niemand beweren. Als iemand nu zou voorstellen om bijvoorbeeld werken van verschillende collecties uit te wisselen, dan is dat helemaal geen gek idee. Maar op het moment dat je een bepaald kunstwerk verkoopt om een ander te kopen, kom je in een molen terecht waarin de kunst niet meer onvervreemdbaar zal zijn. Een heel verstandige conservator kan dan proberen de mooiste Mondriaan in huis te halen in ruil voor een volledig tinnen servies, en in zo’n geval zou je nog kunnen zeggen dat iedereen erop vooruitgaat. Maar wie durft te zeggen dat morgen de bazen van de musea en de politiek verantwoordelijken net zo verstandig zullen zijn? Niemand! Als er bijvoorbeeld plotseling geen geld meer is om de suppoosten te betalen, waarom zouden ze dan niet een kunstwerk verkopen: we bezitten vijf werken van X, maar vier is toch ook heel mooi. Dus laten we het vijfde verkopen, dan kunnen we de suppoosten betalen. Dat gebeurt overigens al in de Verenigde Staten. Maar volgens mij is dat het begin van een heilloze weg. De discussie over de vervreemdbaarheid mag niet worden gevoerd. Ik geloof dat alle musea door de eeuwen heen aan een wet hebben gehoorzaamd, een wet met veel kwaliteiten en enkele kleine onvolkomenheden, maar als je iets aan die onvolkomenheden wil doen, loop je het risico het kind met het badwater weg te gooien.

KB: Kunstenaars worden door openbare instellingen tegenwoordig ook verzocht om werk te leveren met het oog op een openbare verkoop. Met de opbrengst kunnen dan bepaalde projecten worden gefinancierd.

DB: In het algemeen ben ik daar geen groot voorstander van…

KB: Omdat je op die manier de veilingmarkt imiteert en legitimeert, of om een andere reden?

DB: Net als openbare veilingen bestaan die praktijken al erg lang. Ik ben geen historicus maar ik geloof dat ook die trend hierheen is komen waaien van de overkant van de Atlantische Oceaan, waar armlastige musea een beroep doen op de generositeit van de kunstenaars. Dat moeten we in Europa vermijden, want we mogen de politici niet de kans geven om te zeggen: ‘Hé, ze redden het uitstekend zonder ons, waarom zouden we nog geld steken in al die dingen die ons ten eerste niet interesseren en die bovendien geen miljoenenpubliek lokken.’ Daarop zitten de politici precies te wachten om de geldkraan nog verder dicht te draaien, en om die reden vind ik het een absoluut kwalijke tendens. Het lijkt een prachtig idee, ik begrijp ook de achtergrond, en als uiteindelijk op die manier de mogelijkheid ontstaat om een mooie tentoonstelling in te richten, zal ik een van de eersten zijn die er, hoe moet ik het zeggen, het slachtoffer van word. Maar ik zie toch vooral de gevaren, zelfs als zo’n veiling wordt georganiseerd om het voortbestaan van het museum te garanderen, en een bewijs levert van de toewijding van de gemeenschap en de steun van de kunstenaars, enzovoort. Dus de bedoelingen zijn goed maar, zoals het spreekwoord luidt, de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Vroeg of laat blijken de centen ineens op. En dan bevinden we ons in de haast rampzalige situatie van de Amerikaanse musea, die niets interessants meer kunnen ondernemen, behalve op klassiek of modern-klassiek terrein. Je ziet het duidelijk in een stad als New York, waar alle activiteiten op intellectueel gebied verdwenen zijn. Als particulieren of sponsors een museum geld toesteken, dan is het volstrekt logisch – ik zou bijna heel banaal zeggen: is het volstrekt menselijk – dat die financiers stellen: ‘wij geven u geld, maar dan willen wij het zus en zo’. Dat zie je alleen in Amerika. Alleen daar geeft de staat heel weinig, en als er een tentoonstelling is die niet in de smaak valt bij de burgemeester, krijg je dat van hem te horen en moet je de tentoonstelling weghalen, anders trekt hij de subsidie in. Dat is absoluut onaanvaardbaar. En ik vind het fundamenteel rampzalig dat het ene museum kunstwerken verkoopt aan een ander museum om geld in kas te krijgen of om andere kunstwerken in huis te halen, en dat er aan de kunstenaars gevraagd wordt mee te werken aan veilingen om zodoende een tentoonstelling in elkaar te kunnen draaien of geld te vinden voor de salarissen van de personeelsleden. Als die trend zich doorzet, kan dat op den duur alleen maar uiterst negatieve gevolgen hebben voor het museum zelf, als instituut, en uiteindelijk ook voor de kunstenaar.

KB: Heb je gehoord over de hulp die het automobielconcern Audi heeft aangeboden bij de uitbreidingsplannen van het Stedelijk Museum? Audi zou de uitbreiding betalen, maar eiste als tegenprestatie zeshonderd vierkante meter om auto’s te etaleren, binnen het museum.

DB: Je meent het niet, echt waar?

KB: Ja, en ik vraag me af waar de kritiek van de kunstenaars blijft op al die ontwikkelingen.

DB: Ik hoef daar niet eens over na te denken, zo’n plan vind ik ronduit gruwelijk en rampzalig! Maar ik kijk er zeker niet van op! Het past in een bepaalde logica die wordt nagestreefd door politici en door enkele personen voor wie ik me haast geneer dat ik met ze bevriend ben geweest. Ik vind het tragisch en onverdraaglijk dat een sponsor zegt: ‘ik moet zeshonderd vierkante meter hebben om mijn auto’s te showen’. Dat is onverdraaglijk! Ik herinner me dat ik in Amerika was, met een paar anderen, vijfentwintig jaar geleden. Op een gegeven moment zagen we de volgende aankondiging van een tentoonstelling: ‘Dankzij Philip Morris – in koeienletters – kunt u deze schitterende tentoonstelling zien met werk van…’, en daaronder, in kleinere letters: Rembrandt, Velazquez of El Greco, ik weet niet meer wie. We vonden dat stuitend, maar het ergste was dat we merkten dat er op die tentoonstelling eigenlijk alleen maar over Philip Morris werd gesproken. Het was ongehoord.

Nu worden er echter rampzalige tentoonstellingen georganiseerd zoals de expositie van motoren in het Guggenheim in New York, die qua toeschouwersaantallen alle records heeft gebroken. Als ik morgen in Londen of Parijs een tentoonstelling maak met een peepshow erbij, dan trek ik daarmee nog meer publiek dan een peepshow gewoonlijk trekt, dat spreekt vanzelf. Overigens zijn er heel bekende formules om mensen naar een museum te lokken die er normaal nooit zouden komen. Maar wat win je daarmee? Wat heeft het Guggenheim, behalve geld, gewonnen door op de hellende vloer van Wright een stuk of honderd motoren te exposeren? Maar goed, in de Verenigde Staten met hun privé-musea redden ze zich op die manier. Er zijn daar alleen privé-musea, dus ze zitten in een regelrechte jungle. Maar als je dat soort abominabele marketingtechnieken probeert te introduceren in een bestel dat niet uitsluitend op privé-eigendom is gebaseerd, zoals in Europa, denk ik dat je in een misdadige spiraal terechtkomt.

De consensus

KB: Maar, nogmaals, de kunstenaars reageren niet.

DB: Als zo’n geval als waarover je vertelt zich in Frankrijk zou voordoen, dan zeg ik niet dat er veertig kunstenaars zouden reageren, maar als er maar één was die reageerde, dan was ik dat. Ik geloof eigenlijk al heel lang niet meer in handtekeningenacties. Iedereen zit in zijn eigen hoekje. Als je een petitie opstelt, denkt iedereen iets van zijn originaliteit kwijt te raken door zijn handtekening te zetten. Maar niemand zou zich daardoor moeten laten weerhouden, want je wordt bijna gedwongen een soort overdreven individualisme aan de dag te leggen. Al is het natuurlijk wel bijna folklore, het innemen van stellingen en het uitdelen van rake klappen…

We zitten helaas in een periode, niet alleen in Frankrijk maar ook bijna overal elders, waarin de mensen hun mond houden. We zitten in een status quo, dat zie je ook op het politieke en sociale vlak. Goed, er is weleens een stakinkje hier of daar, maar de mensen zijn heel passief. Er gebeuren vreselijke dingen en iedereen houdt zijn mond, zelfs over zaken die veel crucialer zijn dan het plaatsen van drie auto’s in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Wat het grootste deel van de kunstwereld betreft kijk ik daar niet zeer van op, maar wel verbaast het me enigszins dat de jongeren het gevaar niet duidelijk onderkennen en er geen conclusies uit trekken. Niet dat ze nu direct met bommen moeten gaan gooien, maar ze zouden een radicale positie kunnen innemen, althans degenen die aan het begin van een carrière staan. Later doet iedereen wel een beetje water in de wijn, dat is een bekend fenomeen, maar in het begin hebben ze niets te verliezen, en kunnen ze best hun mouwen opstropen en erop los stormen. Ik weet nog dat ik in het begin van mijn loopbaan als kunstenaar het Franse systeem leerde kennen en tegen mezelf zei: ‘in zoiets pas ik niet; ik moet dat systeem dus opblazen’ – ik geef toe, het klinkt nu een beetje utopisch. Maar het systeem waartegen ik meende mijn stem te moeten verheffen, was zo onschuldig als een kind vergeleken met het huidige systeem. Ik moet moeite doen me te herinneren waar ik me destijds zo boos over maakte, en dan constateer ik dat ik dwaas was me op te winden over de toenmalige situatie. Vandaag zijn al de problemen vijftig keer zo ernstig!

De kunst zelf

Het engagement

KB: Hoe verklaar je dat er zo weinig kritiek is, van kunstenaars en intellectuelen?

Wouter Davidts: Zou het niet te maken kunnen hebben met het feit dat veel jonge kunstenaars een esthetiek hanteren die dicht aanleunt bij het commerciële?

DB: Ik had bijna iets heel lelijks gezegd, namelijk dat er vandaag de dag zoveel kunstenaars zijn die in de musea Mercedessen en Audi’s tonen dat ze zich er niet tegen kunnen verzetten, ze hebben zelf het pad geëffend. Maar toch verbaast het me dat er niemand in opstand komt. Van mijn generatie hebben weinig mensen zich serieus tegen hun omgeving verzet, maar van de jongeren, niemand! Terwijl zij naar mijn idee alles plat zouden moeten gooien. Natuurlijk, misschien hebben ze iets anders te doen, misschien zijn er groepen kunstenaars die weten dat je zelfs dat niet meer moet doen. Uiteindelijk hebben ze er dus lak aan. Maar in dat geval hoop ik dat ze het zullen kunnen redden, en geen last hebben van de nieuwe ontwikkelingen in de kunstwereld. Anders ziet het er niet mooi voor ze uit.

 

wordt vervolgd

 

Transcriptie uit het Frans: Lionel Devlieger

Redactie: Koen Brams, Daniel Buren & Sophie Streefkerk

 

Colofon

Koen Brams Hoofdredacteur van De Witte Raaf.

Daniel Buren Beeldend kunstenaar. Woont en werkt in situ. Tot 16 april loopt de tentoonstelling D’un déplacement, l’autre in Encore…Bruxelles (Brussel), tot 15 mei de tentoonstelling Une traversée, Peintures 1964-1999 in het Musée d’Art Moderne (Villeneuve d’Ascq), en tot 21 mei de tentoonstelling Mises en demeures, Cabanes Eclatées, 1999-2000 in het Institut d’Art Contemporain (Villeurbanne).

Wouter Davidts Ingenieur-architect. Als onderzoeker verbonden aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de R.U.Gent, waar hij een proefschrift voorbereidt over museumarchitectuur.

Hedendaagse kunst, vandaag – Eerste paneldiscussie

KB: Koen Brams

BC: Bart Cassiman

JC: Jef Cornelis

WD: Wouter Davidts

WO: Willem Oorebeek

LtB: Lex ter Braak

RV: Richard Venlet

BV: Bart Verschaffel

 

Koen Brams: Om de discussie te openen, zou ik eerst een vraag willen stellen aan jou, Jef Cornelis. Jij hebt jarenlang kritisch gerapporteerd over actuele kunst voor de Vlaamse televisie. Op een gegeven moment ben je daarmee gestopt, omdat de productieomstandigheden grondig veranderd waren, maar wellicht ook omdat je zelf ontevreden was over jouw rol in de kunstwereld. Kan je toelichting verschaffen bij jouw onvrede? Of was er helemaal geen sprake van ontevredenheid?

Jef Cornelis: Heb je het over 1972?

KB: Ik heb het niet specifiek over 1972, maar over jouw activiteit als observator in het algemeen.

JC: Ik verwijs naar 1972, want dat kan ik persoonlijk duiden. Ja, op dat moment heb ik in zekere zin afgehaakt. Ik ben altijd met zeer verschillende dingen bezig geweest. Ik ben in eerste instantie op architectuur gericht geweest, maar dat lag, zeker in Vlaanderen, moeilijk. Het was makkelijker om iets te doen binnen het veld van de beeldende kunst. De eerste keer dat ik iets met architectuur deed, ben ik, samen met Geert Bekaert, aan de deur gevlogen. Met de beeldende kunst lag dat iets minder ernstig. Toch heb ik ook de beeldende kunst na verloop van tijd de rug toegekeerd. Na 1985 heb ik de beeldende kunst weer opgezocht, wat samenviel met de successtory van een aantal individuen, maar toen had ik het eigenlijk al voor een groot stuk gezien.

De publieke plaats van de kunst

Bart Verschaffel: Je verwijst nu naar die marathonuitzending naar aanleiding van Chambres d’Amis. Op dat moment gebruik je het medium televisie om een soort overzicht te maken van wat de kunst voorstelt. Je hebt daarna nog een aantal kleine operaties opgezet, en uiteindelijk ben je ermee gestopt. Dat is echter meer dan een individueel parcours: wat jij maakte op televisie, is nu volledig van het scherm verdwenen.

JC: Ik heb het genoegen of het ongenoegen gehad om Europa af te reizen met dat probleem. Hoe het komt dat we dat soort programma’s gedurende enige tijd hebben kunnen realiseren? Dat heeft volgens mij te maken met de achterstand die deze contreien altijd gekenmerkt heeft. Niemand wou dat veld bezetten, en ze moesten toch iets doen, dus hebben ze me daar een tijdje laten doen. Op een moment dat het publiek werd, letterlijk publiek, hebben ze daar natuurlijk iets aan gedaan.

KB: Dat je gestopt bent, heeft toch ook te maken met het feit dat je niet meer de promotie wilde verzorgen van megamanifestaties als Documenta en Chambres d’Amis?

BV: Koen, je bent veel te beleefd. Jef, men weet dat jij de voorzitter bent van de Commissie voor Beeldende Kunst, maar heb jij eigenlijk nog iets te zeggen, publiek, over kunst in het algemeen? Wil je zelf nog een microfoon om iets te zeggen?

JC: Voor mezelf ben ik natuurlijk nog altijd op die tocht, maar publiek zegt me dat steeds minder en minder. Er zijn teveel kunstenaars. Er zijn veel mensen die heel hun leven niets meemaken.

De mediatisering

BV: Is dat een persoonlijke vermoeidheid, of heeft het te maken met de aard van de kunst, want daar gaat het hier eigenlijk over?

JC: Ik zie steeds minder en minder. Er is gewoon bijzonder weinig de moeite waard om je voor te verplaatsen. Terwijl ik altijd de neiging heb gehad om die dingen naar het medium te trekken waarmee ik bezig was, blijkt dat hele veld zelf in dat medium te zijn gekropen. Een komische, maar niet interessante operatie, vind ik. De audiovisuele aanpak van beeldende kunstenaars is niet alleen déjà vu, het is oervervelend.

Bart Cassiman: De beeldende kunst heeft zich inderdaad georiënteerd op de media, die de mogelijkheid bieden tot een ongekende expansie. Als een bepaalde kunstenaar een werk maakt, een videowerk van vijf minuten, in loop, dan kan dat gekopieerd worden, en in tien of meer tentoonstellingen tegelijkertijd vertoond worden.

KB: Met de multipel was dat ook mogelijk.

BC: Ja, maar dat is toch een ander verhaal. Om weer in te pikken op wat je zonet zei, Jef, namelijk over de inpalming van het multimediale domein door de kunst, de afgelopen tien jaar: hoe sta jij dan tegenover het feit dat films die je gemaakt hebt voor de televisie in tentoonstellingen worden getoond? Hoe percipieer jij je eigen aanwezigheid in tentoonstellingen?

JC: Ik ben daar weinig in aanwezig.

BC: Maar het is een aantal keren gebeurd.

KB: Bijvoorbeeld jouw werk over de rijksweg werd getoond in de tentoonstelling Fascinerende facetten.

JC: Dat ze hun plan trekken.

BC: Vind je het zinloos dat ze het je vragen?

JC: Natuurlijk, ik vind dat het er echt niets mee te maken had. En dan komen er mensen die allerlei verbanden zien…

Lex ter Braak: Je zegt dat je niet meer enthousiast bent over beeldende kunst. Naar aanleiding van de heropening van het Centraal Museum zei Sjarel Ex iets vergelijkbaars, namelijk dat hij liever directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam zou zijn dan directeur van het Stedelijk Museum, want er zou niet zoveel interessants meer gaande zijn in de beeldende kunst.

De popularisering

De maatschappelijke status van de kunstenaar

JC: Mijn eigen betrokkenheid met beeldende kunst heeft in 1972 een serieuze knauw gekregen. Het was duidelijk voor iedereen dat er voor die Documenta urbana te weinig financiële middelen waren, en dat je op de gebruikelijke wijze ook geen 250.000 tickets kon verkopen. Harald Szeemann heeft dus andere middelen aangewend om dat doel te bereiken. Zonder die ticketverkoop was hij verloren. Szeemann moest zorgen dat hij aan geld geraakte.

BV: De tentoonstelling krijgt plots een totaal andere schaal. Vóór Documenta 5 wordt de grote openbaarheid van de kunst – van kunstwerken, en niet van kunstenaars – waargenomen door het museum. De openbaarheid van de kunstenaars is minimaal. Die zit in kleine contacten, op werkplekken, in galeries. Vanaf Documenta 5 krijg je in een keer een grote publieke ruimte, waarin niet alleen de geconsacreerde kunst verschijnt, maar die in een keer ook dat kleine bezig zijn met kunst opzuigt.

De mediatisering

BC: In die zin is niet 1986, en Chambres d’Amis, maar 1972 en Documenta 5 voor jou van wezenlijk belang?

JC: Ja. Het probleem is dat de media en de rest er zoveel macht over gekregen hebben. Het ding heeft zich laten inpakken. Inpakken, daar bedoel ik mee dat het niet genoeg weerstand meer heeft.

BC: Maar als je nu zegt dat je afgehaakt hebt in 1972, is dat niet iets dat je nu stelt?

JC: Nee, nee, ik was daar op dat moment zeer duidelijk over.

BC: Je hebt toch nog veel dingen gedaan?

JC: Natuurlijk, waarom niet?

BC: Je haakt af, maar ondertussen ga je wel door.

JC: Natuurlijk, ik heb dingen kunnen doen die mij interesseerden, maar de echte betrokkenheid heeft in 1972 een serieuze knauw gekregen.

KB: En dat heeft te maken met het feit dat jij je gebruikt voelde door dat nieuwe systeem.

JC: Je kon daarin meestappen, maar dan brandde je snel op. Ik vond dat ik dan maar best ging lopen.

KB: Maar dat had toch met meer te maken dan alleen maar zelfbehoud?

JC: Ja, je moet zorgen dat je je niet door de anderen op sleeptouw laat nemen. Ik had dan al heel wat ervaring.

LtB: Jef, ben jij dan sinds ’72 niet meer ontroerd of geraakt geweest door een kunstwerk?

JC: De vraag is of ik toen geraakt was.

LtB: Ja, dat begrijp ik uit jouw woorden. Als ik die vraag zou moeten beantwoorden, dan zou ik zeggen dat ik elke week wel door een andere kunstenaar ontroerd word.

JC: Ik heb een aantal mensen proberen te begrijpen, die aan dat ding aan het schudden waren, en die ernstige pogingen deden – om duidelijk te maken wat het niet was, en waar we stonden.

BC: De vraag is natuurlijk, aangezien we in de tweede helft van de jaren ’60 een bepaald proces van meer mediatisering en dergelijke zien ontstaan, of het niet gemakkelijk, of voor de hand liggend was dat een aantal kunstenaars, onder wie Daniel Buren en Michael Asher, hun artistieke vragen daarop gingen enten. Als dat zo is, dan zou dat een verklaring kunnen bieden voor het feit dat kunstenaars vandaag de dag tot de conclusie komen dat het geen zin meer heeft om daaraan te beginnen, want het is niet meer zo duidelijk of helder.

LtB: Jef, je geeft geen antwoord, word je nu nog geraakt door een werk van een individuele kunstenaar of niet? Los van al die strategische of andere overwegingen?

JC: Ik zie alleen maar strategieën van kunstenaars.

LtB: Nou, dat vind ik onzin.

BV: Je oog blijft toch haperen?

JC: Weinig of niet.

BV: Het werkt niet bij Jef als het over ontroering gaat.

JC: Wat kan je daar nu ook mee communiceren, alstublieft zeg.

De macht van de tentoonstellingsmaker

JC: Wat gebeurt er in 1972? Dan moeten we eerst een jaar terug, naar 1971, en Sonsbeek buiten de perkenvan Wim Beeren, een tentoonstelling die op de rand zit. Daar zijn het de kunstenaars zelf die rond de tafel gaan zitten en van gedachten wisselen. Een jaar later komt er een nieuwe speler – met een slechte omschrijving: de organisator. En die organisator wordt zo dominant in dat landschap dat hij, bij wijze van spreken, de kunstenaars op hun plaats zet. De enige die er nog even uitbreekt, is Daniel Buren, die als eerste de analyse maakt van die nieuwe situatie. Hij wijst de organisator aan als kunstenaar. Met deIJsbreker-uitzending over Chambres d’Amis liet ik dertien jaar later die kermis nog eens zien.

BC: Op die korte tijdspanne van drie jaar, tussen When attitudes become form en Documenta 5, wordt de rol, of het naar buiten treden van de organisator inderdaad totaal verschillend.

JC: Beeren ziet er van af, en Harald Szeemann loopt erin mee. En nu loopt dat systeem vanzelf. DeDocumenta van Catherine David, dat draaide vanzelf.

BV: Szeemann is een soort regisseur, en de regisseur speelt mee. Tegelijkertijd krijg je een mediatisering van de kunst.

JC: Als kunstenaars niet in staat zijn om het onder mekaar te houden, dan zit je met gevaarlijke dingen.

BC: Kan het niet zijn dat je die ontwikkeling overroept. Het kan best zo zijn dat zeer velen zichzelf als zonen en dochters en kleinkinderen van die bewuste figuur zien, maar dat wil nog niet zeggen dat ze het ook kunnen waarmaken. Sommige activiteiten krijgen, door de schaalvergroting, meer belangstelling dan voorheen, maar niet alle programmatoren geven toe aan de verleiding om zich voor de camera’s te laten plaatsen.

De expansie van kunst en cultuur

Willem Oorebeek: Wat er gebeurd is sinds 1972, is dat alles tot de tiende macht is uitgebreid. En dat is een tamelijk groot probleem, denk ik.

JC: Er zijn nieuwe spelers bijgekomen in de jaren ’70, en ik heb er een sterke speler uitgenomen, en die heeft de andere spelers meegesleurd, en dat zorgt voor nogal wat ravage.

BC: Een tegenvoorbeeld: als men het over Kasper König heeft, dan heeft men het alleen over zijn grote projecten. Maar ondertussen zit hij aan de 101ste tentoonstelling in Portikus, dus het is heel raar om alleen maar figuren te taxeren op mediagevoelige evenementen.

KB: Dan kunnen we niet zeggen dat de media geen effect hebben, dàt effect hebben ze bijvoorbeeld dus wel.

JC: Bart, dat is Macao, je hebt een gevel staan, en daarachter ligt China, sorry, ik maak een grapje. Dat is een casino.

BC: Ik denk ook dat de nieuwe spelers voor zichzelf kunnen bepalen en beslissen in hoeverre ze in dit spel meespelen. Je kan bepaalde criteria hanteren. Bijvoorbeeld: drie minuten in een programma om het daarover te hebben, is voor mij niet genoeg, ik doe niet mee. Ten dele kan je zelf de aandacht voor tentoonstellingen sturen.

KB: Catherine David heeft dat bijvoorbeeld gedaan. Zij heeft het programma uitgetekend, en de rest, de sponsoring, overgelaten aan anderen. Zonder mee te spelen, is er evenveel, zelfs nog meer volk op afgekomen. Bart, wat daagt jou uit om nog iets met kunst te maken te willen hebben.

BC: Ik deel niet dat negatieve gevoel van Jef.

JC: Negatief? Ik ben niet negatief geweest.

BC: Wat mij uitdaagt, is het feit dat je dagelijks met bepaalde problemen wordt geconfronteerd.

KB: Welke problemen?

BC: Als je een tentoonstelling maakt met kunstenaars die jou interesseren, dan moet je ervoor zorgen dat die tentoonstelling de aandacht krijgt die de kunst nodig heeft. Of dat lukt, is een andere vraag.

BV: Ik kan snappen dat je wil dat kunstenaars tentoonstellingen maken. Maar er is toch een algemenere vraag: waar breng je de kunst op het moment dat je de kunst op het platform van de tentoonstelling brengt? Aan wie vraag je aandacht voor die tentoonstelling? Dat zijn de media van de beeldende kunst, en je probeert die wat te sturen, maar dan gaat alles naar omhoog…

BC: Ik kan proberen dat in de hand te houden.

WO: Alsof jij dat kan, daar geloof ik helemaal niets van.

LtB: Dat kan je niet.

BC: Ik zei dan ook: proberen.

De relatie tussen kunst en politiek

BC: Jan Hoet is het meest expliciete voorbeeld van die andere spelers.

KB: Maar er is toch een groot verschil tussen Harald Szeemann en Jan Hoet. Harald Szeemann preekte voor zijn eigen parochie, de hele parochie moest ernaartoe. Jan Hoet staat op de grote markt.

BV: Ja natuurlijk.

KB: Tegelijkertijd heeft in zijn museum zelf, sinds het geopend is, geen enkele discursieve activiteit voor de parochie plaatsgevonden. Wel modeshows, optredens van Luk Alloo,…

WO: …kinderoppas.

KB: Alles, pannekoekenbak, alles gaat daar nu door. Alles behalve dissensus en daar was de plek toch voor bedacht.

BV: Ik denk dat daar iets de berg aan het afrollen is, op een tragische manier.

KB: Maar het is wel doordacht, het is geen toeval, het is niet iets dat hem overkomt, hij heeft het heel duidelijk in handen.

BV: Het is een lokale situatie.

KB: Maar het is niet de burgemeester die eist dat er zoveel bezoekers over de vloer komen, het is niet de Minister van Cultuur die kwantitatieve normen oplegt, of alleszins minimale. Het is Jan Hoet zelf die deze keuzes maakt. En dat lijkt me een heel belangrijk gegeven.

BV: Ik denk dat het heel tekenend is wat hij doet, en ik denk dat hij een aantal ontwikkelingen uitvergroot, maar ik denk niet dat je het problematische karakter of de diagnose van de kunst vandaag mag uitvergroten vanuit wat Hoet aan het doen is. Dat denk ik niet.

BC: Daar ben ik het mee eens. Hij is een uitzondering.

KB: Hij is de avant-garde. Hij brengt beleidsmakers alleszins op slechte ideeën. Die tienduizenden mensen die hij op de been brengt, dat zal zeker een issue zijn voor zijn opvolger.

BV: Het is zeker gevaarlijk wat hij doet, maar ik denk dat het niet veel zegt over de toestand van de kunst. Je kan natuurlijk wel pessimistisch worden omdat je dat ziet gebeuren.

JC: Ik word daar vrolijk van.

LtB: Wat je zegt over die discussie in het museum, Koen, dat lijkt me een interessant punt, dat het dus kennelijk niet meer een plek is waar je tot reflectie kan komen. En dan zou je ook kunnen zeggen dat het museum als instelling op die manier heeft afgedaan. Die reflectie vindt voortaan misschien elders plaats?

WO: Of ze lost op?

BC: De cijfers, hoe hoog ze ook zijn, doen natuurlijk geen uitspraak over de kwaliteit van wat er te zien is.

LtB: Nee, maar omgekeerd ook niet. Dat is heel moeilijk wat je nu zegt.

KB: Wie heeft die kwantitatieve benadering op de agenda gezet? Wie? De politiek?

JC: De nieuwe spelers.

KB: Inderdaad.

JC: Maar natuurlijk, dat heb ik daarstraks al gezegd.

BV: Samenvattend: de kunstcontext van de afgelopen 25 jaar is bepaald door a) de opkomst van de regisseur, b) de opkomst van de grote tentoonstelling als een soort van publieke ruimte waarin de kunst en de kunstenaars tegelijkertijd zichtbaar worden op grote schaal, c) het gebruik van televisie als een soort van technisch device dat die operatie versterkt.

JC: En versnelt!

BV: In 2000 is er met die drie factoren iets aan de hand. Jij zegt dat je dat al in 1972 gezien hebt. Anderen zien het pas nu, namelijk dat we die megatentoonstellingen niet meer zien zitten, dat we van die regisseur, die de grote totaalspektakels maakt, niets meer moeten hebben, en dat we die televisie zelf gaan gebruiken voor iets anders, in plaats van de camera als een extern oog op ons te laten vallen.

Het cultuurtoerisme

De publieke plaats van de kunst

BC: Ja maar, terwijl iedereen zegt dat grote tentoonstellingen weinig of geen zin hebben, komen er elk jaar twee of drie steden bij die starten met een biënnale. Ik denk ook dat de relatie tussen de kunst en de media ergens eind jaren ’70, begin jaren ’80 fundamenteel veranderd is: vroeger had een tentoonstelling de media nodig, nu heeft de televisie tentoonstellingen nodig.

JC: Ze hebben het overgenomen.

Richard Venlet: Is het echt waar dat de media tentoonstellingen nodig hebben?

BC: Als je bijvoorbeeld een analyse maakt van de kunstbijlagen in de Europese kranten, dan merk je dat op vijfentwintig jaar tijd het aantal pagina’s vermenigvuldigd is. Voor bepaalde culturele evenementen worden extra katernen uitgegeven van twintig, dertig pagina’s.

BV: Zeer veel mensen in het veld hebben het gevoel dat ze daar afstand van moeten nemen, op de een of andere manier…

JC: Ik hoop het.

BC: De media hebben er ook voor gezorgd dat de laatste drie decennia zoiets als een kunsttoerist is ontstaan. Vroeger kwamen op de Biënnale van Venetië of de Documenta alleen geïnteresseerden af. Nu gaan heel veel mensen naar vier tentoonstellingen op vier jaar tijd, daarbij zit de Biënnale van Venetië en de Documenta, dat is een ander publiek dan de mensen die zich daar iets intenser of veel intenser mee bezighouden.

WO: Men wil zich eigenlijk enkel maar onttrekken aan die mechanismen.

BC: Om een concreet voorbeeld te geven. Je maakt een tentoonstelling met honderdvijftig kunstenaars en je stelt tien persfoto’s ter beschikking. De repercussies van die eenvoudige beslissing, waarachter ongetwijfeld enorme machinaties schuilgaan, zijn verregaand, zowel voor het actuele discours, als voor de geschiedschrijving op lange termijn.

RV: Ik denk dat heel veel kunstenaars gewoon hun werk doen. Ik heb het gevoel dat het belang van de media overdreven wordt.

WO: Als je je werk maakt, dan ontsnap je eraan, maar op het moment dat je je werk ergens voor maakt, dan word je er wel bij betrokken.

BC: Ja, maar aan de andere kant zijn wij allemaal in staat zeer snel te vergeten. Tien, vijftien jaar geleden gebeurde er ook al ontzettend veel, maar je moet tot de vaststelling komen dat er toch veel vergeten geraakt. Wat op zich geen probleem is.

De veranderde kunstenaarsloopbaan

De maatschappelijke status van de kunstenaar

BC: Als kunstenaars op een bepaald moment een interessante aanbieding krijgen, dan zijn er volgens mij maar weinigen die weigeren, ook als ze van zichzelf vinden dat ze er nog niet aan toe zijn. De overgrote meerderheid van de kunstenaars zal op dat moment een extra vitesse zoeken in hun versnellingsbak, een aantal assistenten in dienst nemen, en het toch doen.

WO: Ik merk dat er steeds meer mensen op een of andere manier zouden willen ontsnappen aan die mechanismen. Dat je niet meer hoeft te kiezen om na drie jaar op te branden als je toevallig succes hebt.

BC: Mede onder de invloed van de manier waarop de media functioneren, is in de jaren ’80 ook het kunstenaarschap zelf veranderd. Als kunstenaar sta je voortaan voor de keuze: ofwel kies je voor het maken van een oeuvre, ofwel kies je voor de snelle roem. Als je voor dat laatste kiest, loop je de kans dat je na een paar jaar al vergeten bent.

JC: Keith Haring is een goed voorbeeld.

BC: Jeff Koons en Damien Hirst zijn andere voorbeelden.

WO: Ik zou ons voor een vergissing willen behoeden: we moeten het niet over kunstenaars hebben, maar over mechanismen, die het mogelijk maken dat die kunstenaars zoiets overkomt.

KB: Welke mechanismen?

BC: De rol die gespeeld wordt door managers, galeristen…

RV: …en curators.

JC: Maar jij hebt het niet alleen over kunstenaars die snelle roem willen vergaren, maar ook over kunstenaars die op het einde van de jaren ’80 terug bij een 19de-eeuwse kunstenaarstraditie trachten aan te sluiten. Het is natuurlijk pijnlijk om te zeggen, maar dat kan uiteraard niet, omdat die hele drive erachter zit. Binnen de kortst mogelijke tijd zitten ze in hetzelfde verhaal. Met zijn levenskeuze heeft de kunstenaar zelf niet veel meer te vertellen.

De consensus

KB: Keith Haring, Jeff Koons en Damien Hirst hebben met hun provocatieve kunst de media uitstekend bespeeld.

WO: Iedere vorm van provocatie wordt zo snel ingekapseld en geaccepteerd, dat je helemaal niet meer kan provoceren, zelfs de provocaties van Damien Hirst zijn totaal onzinnig.

BC: Dan moet je de vraag stellen of we provocatie als criterium voor al dan niet interessante kunst kunnen hanteren?

KB: Het feit dat provocatie niet meer mogelijk is, is wel een probleem. Je hoeft het daarom niet na te streven, maar het feit dat het onmogelijk is geworden…

BC: Het lijkt mij zeer logisch dat jonge kunstenaars ofwel streven naar een herdefiniëring van het woord provocatie, of met totaal andere dingen bezig zijn.

RV: Ik denk dat het meer het laatste is.

LtB: Ja.

BC: Er zijn bijvoorbeeld veel kunstenaars die werken hebben gemaakt die te maken hebben met de metafoor van het zich terugtrekken, het op zichzelf zijn, dat soort dingen, niet alleen in de jaren ’80, maar ook in de jaren ’90.

BV: Zo kom je dicht bij wat Richard zei…

BC: Er is wel een verschil tussen de attitude enerzijds, en dat als onderwerp van je kunst uitspelen anderzijds.

BV: Thierry De Cordier.

BC: De kamer van Vercruysse als niet-plaats kan ook op die manier gelezen worden. Bijvoorbeeld door doelbewust kunst te maken die appelleert aan mechanismen die niets te maken hebben met welke provocatie dan ook, kan op een of andere manier een andere vrijplaats gecreëerd worden, die ook, maar dan natuurlijk niet in de klassieke betekenis van het woord, als een provocatie begrepen kan worden.

BV: Dat is geen provocatie, maar irritatie.

BC: Wat irriterend is, heeft vandaag de dag alleszins een persoonlijker toets. De kunstenaar kan minder een monolithische opinie te lijf gaan. Die monolithische opinie is versnipperd en we moeten daar op een andere manier mee omgaan.

KB: Alsof er nu geen consensus is, er is wel degelijk een consensus.

JC: De consumentenconsensus.

BC: Was er vroeger dan zo’n sterke consensus? Wij hebben zo’n beeld van het verleden, maar of dat juist is, durf ik te betwijfelen.

BV: Nu is er een soort globale tolerantie. Maar dat betekent niet dat er in het sociale geen afstemmingsmechanismen zijn, die onder die tolerantie eigenlijk heel rigide zijn. En die misschien niet geprovoceerd, maar wel geïrriteerd kunnen worden. Kunst kan op een of andere manier weerstand oproepen.

JC: Maar dat doet ze niet meer.

BV: In de jaren ’70 heb je de situatie dat er een consensus is en dat de kunst provoceert. Wat gebeurt er als kunst niet meer kritiek en/of provocatie is, maar weerstand?

BC: Juist, jouw vraag impliceert dat we moeten nadenken of het nog wel zin heeft om op dezelfde manier te spreken over de kunst van vandaag en de kunst van vroeger. Niettegenstaande dat we weten dat de moderniteit eind jaren ’60 ophoudt – en dus ook de utopische modellen, en provocatie is daar een onderdeel van – zijn we er ons te weinig van bewust dat kunstenaars vandaag de dag niet meer op dezelfde manier actief kunnen zijn en op dezelfde wijze in de wereld kunnen staan. Het systeem op zich is zodanig veranderd dat we ook andere criteria moeten hanteren of andere kwaliteiten van de kunst kunnen eisen. Om die reden is het zeer moeilijk om verschillende generaties met mekaar te vergelijken. De contextuele elementen zijn zo verschillend dat generaties niet met elkaar vergeleken kunnen worden.

WO: Toch hoor je almaar zeggen dat wat er nu gebeurt een exacte kopie is van wat er in de jaren ’60 gebeurde. Jonge kunstenaars worden daar voortdurend mee om de oren geslagen…

LtB: Een onjuiste taxatie, vind ik.

De infiltratie van de kunst in de cultuur

De consensus

JC: Ik pleit voor elitarisme, is dat nu duidelijk. Als dat niet snel gebeurt, dan kan je het echt vergeten, omdat je het ook snel kwijtraakt…

WO: Ik pleit ervoor dat het oplost.

JC: Oplost?

WO: Het moet zo verdunnen, dat het totaal oplost.

LtB: Waarom zou het elitair moeten zijn?

JC: Omdat het anders te snel verbrandt. Ik heb nogal wat kunstenaars gevolgd die door de versnelling opgebrand zijn.

LtB: Je pleit er dus voor ter bescherming van de kunstenaars en de kunst.

JC: Zeker van de kunstenaars.

BV: Wat bedoel je met elitair?

JC: Heel veel mensen snappen er niets van. Maar vandaag snapt zogezegd iedereen het.

RV: Dat denk ik niet.

BV: Jef pleit volgens mij voor een soort plek met kleine zichtbaarheid om kunst te laten ontstaan en een omgang met kunst te ontwikkelen.

JC: Een beperkte toegang.

BV: Willem wil een soort verdunning.

WO: Voor mij moet dat niet gebeuren…

BV: Als mogelijkheid dan?

WO: Als je het elitair wil maken, dan moet je een beroep doen op weet ik wat voor fascistische ingrepen.

JC: Nee, dat bedoel ik niet.

WO: Maar die beschutte plekken zijn er nog steeds. Elitair wordt het niet meer uit zichzelf.

LtB: Die beschutte plekken zijn er inderdaad nog steeds, je hebt bijvoorbeeld kunstenaarsinitiatieven, maar hoeveel mensen komen daar? En dat elitarisme kan ook een persoonlijke kunstenaarshouding zijn.

JC: Zo’n pogingen zijn er ondernomen, en die zijn ook op de kortst mogelijke tijd opgebrand. Herkenbaarheid, dat is alles wat er nog rest.

LtB: Het hoeft niet noodzakelijk elitair te zijn, maar het kan toch een bewuste beslissing van een kunstenaar zijn om niet mee te gaan in de maalstroom van de mediatisering. Het omgekeerde gaat ook op: het kan een bewuste keuze zijn om erin mee te gaan.

WO: Je hebt het zelf niet meer voor het zeggen.

BC, LtB: Dat weet ik niet

WO: Ik denk het wel.

BC: Wat versta jij eigenlijk onder die verdunning, Willem?

WO: In de kunst spookt een verlangen om zich in te laten met het dagelijkse leven. Het zal nooit lukken, het is een paradox, maar als het zou lukken, dan lost de kunst op, dan bestaat de kunst bij wijze van spreken niet meer als iets wat opgemerkt moet worden.

Bart Cassiman haalt de editie van 28 januari 2000 van De Morgen boven, op de achterste pagina prijkt een publiciteit waarin Jan Hoet Mobistar aanprijst.

JC: Dat is pas verdunning!

WO: Ja maar, vorige maand maakte hij over het hele land publiciteit voor de KBC!

JC: Maar dat kan nog een tijdje doorgaan. Waarom, omdat er genoeg consumenten zijn die er zich aan verlekkeren. Als die verschillende velden met elkaar vermengd raken, dan krijg je gewoon een heel vervelend product, en dat vervelend product is sinds een aantal jaren stabiel op de markt. Kunst is voor mij iets wat een zekere weerbarstigheid heeft, en wat geen gemakkelijke ingang vertoont. En dat is wat ik elitair noem. Dat wil niet zeggen dat ik elitair wil zijn, maar ik heb het soms te gemakkelijk. Het gaat te snel, nu. En ik denk dat kunst daar heel moeilijk mee om kan.

De infiltratie van de kunst in de cultuur

BV: Weet je, over die verdunning… Ik denk dat er effectief een aantal vormen van denken, die binnen de kunst tot ontwikkeling zijn gebracht, elders terechtkomen, zoals de adellijke etiquette van zeshonderd jaar geleden ook verdund en overal terechtgekomen is. Heel wat artistieke procédés zijn het dagelijkse kijken en omgaan met betekenissen binnengedrongen.

LtB: Als je bijvoorbeeld kijkt naar de grote publieksfilm American beauty, daar zit zo ongelooflijk veel beeldende kunst in.

WO: De advertentie van de film Dogma is exact volgens de beeldstrategieën van Gilbert & George gemaakt. Het is een glas-in-loodraam. De mensen staan er precies op afgebeeld zoals Gilbert & George hun werken maken.

BC: De vraag is, is de maatschappelijke penetratie van kunst vandaag de dag vergelijkbaar met dertig jaar geleden. En als ze anders is…

WO: …ze is totaal anders.

BC: Als ze anders is, wat ik ook denk, dan is de vraag, moeten we ons niet bezinnen over die andersheid.

BV: Hoe zou je die andersheid benoemen?

WO: Die advertentie bijvoorbeeld, dat is een maatschappelijke penetratie vanuit de kunst.

BV: Maar is dat penetratie, die term heeft toch een agressieve connotatie?

LtB: Ik zou dat woord ook niet gebruiken.

BV: Is dat verdunning of penetratie?

JC: Verdunning.

WO: Ik denk een combinatie van beide.

KB: Het is toch compleet nieuw, en volgens mij ook vrij uniek in de westerse kunstwereld.

BC: Voor de tijd dat het duurt.

KB: Het duurt al twintig jaar.

JC: Langer.

BV: Er is toch iets eigenaardigs aan de hand met die publiciteit. Die advertentie heeft alleen maar zin als je vooronderstelt dat die krantenlezers al vrij veel kunst gezien hebben.

BC: Ze hebben hèm gezien.

BV: Dat is niet waar, je moet eens kijken, hij staat niet standbeeldgewijs, maar hij staat voorovergebogen, hij staat een beetje op de fragiele manier van figuratieve beelden uit de jaren ’80.

WO: Hij staat exact zoals dat wassen beeld dat Guillaume Bijl van hem gemaakt heeft voor Documenta 9.

BV: Ik denk dat de advertentie toch vooronderstelt dat de mensen die dat zien, weet hebben dat er zoiets bestaat als kunst, min of meer weet hebben van het feit dat er zich daar beeldstrategieën in afspelen, die benoembaar zijn, en dat ze de figuur van Jan Hoet daar in zekere zin een beetje aan relateren.

BC: In zekere zin.

BV: Het is een beetje zoals met de goede manieren die afgeleid zijn van de etiquette. Hier zijn manieren van kijken verondersteld, die eigenlijk uit het artistieke veld komen. Als je kijkt naar de manier waarop gecommuniceerd wordt, waarop reclame gemaakt wordt: er worden betekenissprongen gemaakt, drie tussenstappen, flashbacks,…

KB: Hier is toch ook iets anders aan de hand.

WO: In de jaren ’70 was reclame een avant-gardistisch middel om kunst mee te maken.

LtB: Precies, en het is nu net omgekeerd.

RV: Het is toch een oppervlakkige recuperatie. Het gaat zuiver over het oppervlak.

WO: Ik denk dat het niet alleen maar om de oppervlakte gaat.

BC: Ik denk het ook niet.

LtB: Ik zou hier toch graag een ander geluid willen laten horen. Je zou deze foto bijvoorbeeld heel anders kunnen duiden. Aan de ene kant is het een vrij oubollige foto, gewoon een klassiek standbeeld op een sokkel, met een wat rozige belichting.

En de figuur die erop staat, is algemeen bekend, en dient dus als cliffhanger voor het product dat verkocht moet worden. Maar tegelijk is het voor het publiek wel duidelijk waar die figuur voor staat, en dat hij dus met beeldende kunst te maken heeft. Maar dat vind ik op zich wel weer verheugend, want dat betekent dat het dus voor veel mensen iets is om zich mee te identificeren.

WO: Ik geloof dat we hierover helemaal niet zo negatief waren. Ik althans niet.

KB: Wat vind je dan positief?

WO: Ik vind dat er interessante bewegingen plaatsvinden.

LtB: Dat vind ik ook.

JC: Maar kan de kunst daar tegen?

LtB: Nogmaals, ik vind dat een clichématig cultuurpessimisme ons gesprek binnensluipt. Er zijn toch al talloze discussies gevoerd over de teloorgang van de kunst, de achteruitgang van de kunst, het verdwijnen van de kunst. In de jaren ’60 kon je niets anders horen. En zo kan je je ook afvragen of de discussie die we hier nu voeren ook niet die kant uitgaat. De vraag die ik nu zou willen stellen, is de volgende: wat met de werkelijke nieuwe kunst? Moet die niet met andere criteria, andere normen, andere attitudes, andere uitgangspunten worden benaderd? Moeten de criteria uit het verleden niet losgelaten worden?

BC: Absoluut.

JC: Cultuurpessimisme? Nee, het gaat over de wijze waarop dat ding gestuurd kan worden. En wie het vandaag stuurt, en wat daar, bij wijze van spreken, zou kunnen aan veranderen.

BC: Ja maar, er zijn zovele sturen, dat ik mij eigenlijk afvraag of je dat beeld nog wel kan gebruiken.

LtB: Je zou ook kunnen betogen dat de mediatisering een aantal positieve effecten heeft gehad. De kunst is bijvoorbeeld onder de aandacht van veel meer mensen gebracht, de geestelijke reikwijdte van beeldende kunst is ruimer geworden. De ruimere aandacht heeft ook veel meer mogelijk gemaakt, er is veel meer geld, er zijn veel meer facilitaire mogelijkheden. Als je een pleidooi zou houden voor een terugkeer naar het elitaire van een heel smal platform, dan zou dat allemaal verdwijnen, en dan zouden we een aantal belangrijke impulsen mislopen.

JC: Ik ben altijd persoonlijk met beeldende kunst bezig. Dat is dus een zeer ouderwetse uitspraak. Ik ben nog altijd op zoek naar iemand die een steen zo legt dat ik zeg: tiens, ik kan er iets mee doen! Maar we hebben de voorwerpen definitief achter ons gelaten, en kunnen er nog enkel de relicten van laten zien. Dat is een voorbeeld van de wijze waarop de wereld zich er meester van heeft gemaakt, en daar kan niemand veel aan doen. Dat is geen ontevredenheid, ik ben daar niet ongelukkig over.

LtB: Ik zal het zo formuleren: iemand die in 1972 zijn geloof aan de wilgen heeft gehangen en die in 2000 nog steeds praat over beeldende kunst, maar geen antwoord kan geven op de vraag of werken hem in die tussentijd nog geraakt hebben,… dan vind ik dat er sprake is van cultuurpessimisme, en dan vraag ik me ook af wat zo iemand in de beeldende kunst doet.

JC: Sorry, maar ik doe niet mee aan het noemen van namen en het vertellen van persoonlijke verhalen. Ik vind dat niet relevant als je met mensen aan tafel zit die proberen de dingen iets scherper te stellen.

De risico’s van de marginaliteit

BV: Wacht, moeten we niet als volgt differentiëren: dat er grote problemen zijn, maar niet overal. Ik denk dat ieder van ons wel contexten heeft waarin het maken of het omgaan met kunst absoluut niet problematisch is. Zeer veel jonge artiesten, en zelfs ook oudere artiesten zijn tamelijk beschut aan het werken, en zijn eigenlijk op een interessante manier bezig met hun eigen werk…

RV: Beschut, nee, niet onmiddellijk.

BC: Beschut is, denk ik, ook niet de goede term.

BV: Ja goed, ik heb het over kleine contexten waar kunstenaars aan het werk zijn. Je kan in de kunstenaar geïnteresseerd zijn, of in zijn thema’s, je kan daar zelf op werken. Eigenlijk is alles zeer goed, de dingen bieden weerstand, het is moeilijk om ermee om te gaan, je hebt er ook plezier aan. Het zijn tamelijk lokale situaties, denk ik, waar het ding werkt.

JC: Wat werkt er daar, Bart, wat werkt er daar?

BV: Je kan er op een intensieve manier werken op beelden, op betekenissen, waarin tegelijkertijd weerstand en begrip zitten.

WO: Een intense ervaring.

BV: Ja, een ervaring, niet als een schok, maar als iets dat bemiddeld is, iets dat weerstand biedt, en iets dat na die weerstand gebeurt. Ik kan bijvoorbeeld aan mijn studeertafel bezig zijn met reproducties van werken om iets te proberen begrijpen, of met herinneringen, of zo. Ik kan hetzelfde hebben in een atelier, in confrontatie met een werk. Ik denk dat dat niet echt het probleem is. En in die zin is er geen reden tot pessimisme.

JC: Dat is een beschermde werkplaats.

BV: Een van de problemen is inderdaad dat er op die kleine plekken geen kritiek binnenkomt. Er is bijna geen afstandelijkheid. Je kan geen kritiek binnenbrengen omdat het een geïsoleerde, lokale situatie is. Als ik in een atelier in de Rijksakademie een gesprek voerde met een kunstenaar, vroeg ik mij niet meer af of het goede kunst was. Je zit gewoon met iemand te werken, je probeert te begrijpen wat hij tracht te formuleren, wat hij aan het doen is, wat lukt er, wat mislukt er,… Maar of je ermee naar buiten kan komen?

LtB: Dat is ook helemaal geen interessante vraag.

 

De publieke plaats van de kunst

JC: Bart, je terugtrekken in het atelier, de knop uitzetten, en vergeten wat er buiten gebeurt, dat troost jou ook niet, om het slecht te zeggen.

BV: Het ontbreekt ons in ieder geval aan een model om die verspreide activiteit zichtbaar te maken. Die versplinterde activiteit botst met de wijze waarop de kunst zichtbaar gemaakt wordt. Het is een grote machine die zichtbaarheid eist, en oplegt, en schept, en die ongelooflijk veel druk naar beneden uitoefent. Op het moment dat iemand naar boven getrokken wordt, wordt alles overbelicht… Maar er is slechts drie procent die opbrandt. Al de rest zit gewoon thuis, met de kleine frustraties: er komt niemand langs, er is niemand die mijn dingen wil kopen,…

BC: De kunstenaar moet zich zeer goed bewust zijn van de aandacht die hij wil, van het ritme waaraan hij zich wil blootstellen. Degene die iets met die kunst doet natuurlijk ook.

BV: De vraag is: wat voor een soort openbaarheid kan je aan de kunst geven?

BC: Bepaalde werken hebben trage aandacht nodig.

BV: Welke positie neem je in het veld in, en voor welke operaties stel je je verantwoordelijk? Dat ik nadenk over kunst die mij interesseert, en dat ik daar met jou over spreek, dat is een private kwestie. Het is iets helemaal anders op het moment dat ik schrijf, en publiceer, op het moment dat jij een tentoonstelling maakt, en een affiche en een catalogus, dat is iets helemaal anders. De vraag is: wat betekent die verschuiving? Dat dingen lokaal kunnen functioneren, dat is allemaal in orde. Dat iemand in een atelier werkt, is in orde. Maar wat gebeurt er als het atelier wordt opengesteld op het einde van het jaar? Als je de deur openzet, zet je een soort mechanisme in gang, dat begint met kleine controleerbare tentoonstellingen, maar dat kan op een oncontroleerbare manier naar boven schieten. Hoe kan je formats ontwikkelen van een soort van openbaarheid, en ruimtes van kritiek en van geheugen, die niet direct in dat oude systeem kantelen?

JC: …en die niet doorschieten.

BV: En wat dat betreft ben ik wel cultuurpessimist. Niet omdat ik denk dat er met de kunst iets aan de hand is, maar met de cultuur in zeer brede zin.

WO: Dat pessimisme komt voort uit de vaststelling van een verandering. Door te vergelijken met wat er geweest is, zie je dat alles naar de…

JC: …naar de kloten gaat.

WO: …naar de kloten gaat. Maar als je het nu-moment probeert te vatten, dan is het helemaal niet zo rampzalig.

LtB: Ik heb in de Vleeshal altijd de kunst gebracht die mij raakte, los van welke strategische, positionele, kritische of welke overwegingen ook. Het moest mij raken. Maar op het moment dat de kunst gepresenteerd wordt, merk je dat je een instrument wordt in een heel andere constellatie, een constellatie die je zelf niet meer in de hand hebt. Je merkt ook dat het oorspronkelijke gevoel steeds meer bezoedeld en besmet raakt door andere dingen, met name de druk om publiciteit te maken. Een deel van je taak als tentoonstellingsmaker bestaat in het maken van publiciteit. Het is een groot probleem dat een deel van de legitimering in de publiciteit gelegen is.

BV: Dan ga je ervan uit dat die tentoonstellingsruimte een etalage is, waarbij je aan de buitenkant signalen moet geven aan een anoniem publiek dat ze binnen moeten komen. Maar dat model is niet het enig denkbare. Je kan bijvoorbeeld ook een project opzetten aan een universiteit, waar twee kunstenaars gedurende een week met zestig studenten werken over geheugen. Dat is een heel intensieve manier van werken, zonder dat je affiches nodig hebt, en uitnodigingskaarten, en champagne en journalisten.

LtB: Jazeker, maar dat is natuurlijk een totaal andere modus.

BV: Misschien is het noodzakelijk om dat soort van openbaarheid te ontwikkelen, om andere vormen van openbaarheid te ontwikkelen.

LtB: Ja. Ik zou in dat verband even terug willen naar wat jij net zei, Bart, want ik vond dat formidabel geformuleerd. Ik heb het zo begrepen. De media zou je kunnen vergelijken met een schijnwerper, die het landschap aftast, en hier en daar blijft zo’n grote lamp stilstaan, op al die kunstenaars die bezig zijn. Datgene waarop die schijnwerper gericht staat, heeft tijdelijk de aandacht, en lijkt interessant. Maar veel interessanter is de vraag naar wat er op al die onverlichte plekken gebeurt, wat die op lange termijn betekenen, en hoe die kunnen inwerken op de maatschappij. Ik vind dat een buitengewoon interessante vraag.

KB: Maar is het mogelijk om die onverlichte plekken zichtbaar te maken?

JC: Valt het sowieso wel te registreren, wat je daar veronderstelt?

WO: En is het wenselijk?

KB: Die trage aandacht doet veronderstellen van wel, maar ik geloof daar eigenlijk niet zo in.

WO: Dat gaat ook helemaal niet, de aandacht is zo versneld, dat je voor gewone aandacht al trage aandacht nodig hebt.

JC: Die trage aandacht is er allang niet meer.

BC: Ik vind het beeld van Lex zeer mooi. Je kan daaruit afleiden dat bepaalde zaken de schijnwerper niet verdragen.

LtB: Dat is waar.

BC: De overbelichting zorgt er ook voor dat wat er verlicht wordt niet goed meer gezien kan worden.

BV: Wie kan er het best tegen het licht? Dat zijn zij die het best het spel van het licht meespelen. Iemand als Jeff Koons bijvoorbeeld.

JC: Dat is een man die goed gekeken heeft, en gezegd heeft, jongens, wat valt er hier te verkopen, en hij zat soms juist ook. Hij is briljant geweest, heel kort.

BV: Je kan in het licht blijven staan, als je een spiegeljas aantrekt. Dat licht valt dan niet alleen op jou, maar je weerkaatst het ook.

JC: Maar die momenten heb ik te weinig meegemaakt de laatste twintig jaar.

BV: Een andere strategie is om er hautain zwijgend naast te gaan staan. En een schaduw te laten vallen. Jan Vercruysse.

WO: We doen alsof die schijnwerpers anoniem worden gehanteerd, maar dat is helemaal niet zo.

BV: Nee, nee, er zit iemand mee rond te draaien.

WO: Er zitten ongelooflijke strakke mechanismen achter.

JC: Daar ben ik het met jou roerend eens.

BC: We kunnen echter ook alternatieve belichtingsmethodes ontwikkelen!

LtB: Precies.

Het geheugen

Het onderzoek

De scheiding van sommige machten

De oordeelkracht van de kritiek

Het museum

De verstrengeling van sommige machten

BV: Er moet een diffuus licht zijn, dat toch een soort van openbaarheid, en een soort van kritiek brengt. Je ziet nu bijvoorbeeld dat jonge kunstenaars de jaren ’60 aan het heruitvinden zijn, omdat ze hun kunstgeschiedenis niet kennen.

JC: Verschrikkelijk.

BC: Het is een algemene vaststelling die je kan maken, dat zeer veel kunstenaars nonchalant omspringen met het verleden.

WO: Dat ligt aan het onderwijs. Als je nooit gezegd wordt dat de jaren ’60 hebben bestaan,… Er is echter nog iets anders aan de hand. In de jaren ’60 hebben veel kunstenaars voor de documentatie van hun activiteiten – performances, enzovoort – een beroep gedaan op toenmalige nieuwe technologieën, zoals de kopieermachine en de video. Al die informatie is niet terechtgekomen in openbare bibliotheken, maar in privé-verzamelingen. En daardoor is er zo’n vertekend beeld van de jaren ’60 ontstaan. De democratisering heeft er dus toe geleid dat er eigenlijk relatief weinig informatie over die hectische jaren ’60 bestaat in publiek bezit.

BC: Als die documenten ontsloten worden, bijvoorbeeld omdat een bepaalde instelling ze opkoopt, dan kan dat de aanleiding zijn om de geschiedenis te herschrijven.

WO: Dat gebeurt eigenlijk zo weinig.

BC: Dat gebeurt omzeggens niet, omdat instellingen zoals musea, waarvan verondersteld zou mogen worden dat ze dergelijke taken waarnemen, dat onderzoek aan hun laars lappen.

WO: Niet alleen de musea schieten tekort, ook de universiteit.

BC: En tussen die beide instellingen – de musea en de universiteit – is er al helemaal geen link. Zeker niet in ons land.

BV: Maar er speelt nog iets anders, iets fundamentelers. De geschiedenis van de moderne kunst, die kan je zo schrijven tot en met het eind van de jaren ’60 of zo, en dan in een keer…

JC: …tuimelt het naar beneden.

BV: O.K.

BC: Je kan zovele geschiedenissen schrijven van de laatste twintig jaar.

BV: En dat is een gigantisch probleem. Maar er is nog iets anders. De kritiek was altijd het instrument om te bepalen wie we moeten onthouden en bewaren in het museum.

JC: Het museum heeft bij wijze van spreken teveel naar zich toe gehaald. Het heeft een dusdanige invloed gekregen op het geheel, dat daar niet veel meer kan gebeuren. Musea komen bijvoorbeeld nog amper toe aan tentoonstellingen omdat ze teveel ander werk hebben. Ik vind dat een aantal instituties zoveel ruimte hebben gemaakt voor zichzelf, dat de kunst ik weet niet waar gebleven is, en dat is mijn zorg. Het museum is een overvraagd instituut.

BV: O.K.

JC: En daarnaast de megatoestanden. Er moet gewoon van alles ontkoppeld worden. Er is een te grote koppeling gekomen tussen alle onderdelen. Hoe kan je dat wegkrijgen?

KB: Maar Jef, jij bent wel voorzitter van de Commissie voor Beeldende Kunst, en jij bent op die plaats verbindingen aan het maken.

JC: Allez jongen, allez,…

KB: Jij bent bezig met die kunstplatforms.

JC: Dat is nu het onderwerp niet.

BV: Even verder over de kritiek. De kritiek is iets wat bijna niet meer pakt. Je kan natuurlijk wel zeggen dat je licht moet brengen naast de grote schijnwerper, maar de vraag is met wat? Op het moment dat je aan kunstkritiek doet, wat kan je dan inbrengen als criteria of als standaarden? Dat is niet zo simpel.

 

De esthetisering

WO: Zolang als ik werkzaam ben in de kunst, wordt er geklaagd over het gebrek aan reflectie.

BV: Terwijl het eigenlijk heel begrijpelijk is dat er zo weinig reflectie is, want waarom zouden we beginnen te reflecteren, als het ons zo ongelooflijk moeilijk gemaakt wordt.

WO: In welk opzicht?

BV: Om te beginnen is er een acute schaarste aan informatie. Ik neem opnieuw een voorbeeld uit de Rijksakademie. Je komt binnen in het atelier, de kunstenaar is aan het werken, en je ziet materiaal, je ziet zeven beelden die weggegooid zijn, en één dat behouden is, en je ziet de beelden veranderen en zo, je krijgt veel informatie. De dingen zijn begrijpelijk, en je snapt waar iemand op werkt. Dan komt het moment waarop de kunstenaar iets moet laten zien. Alles wordt opgekuist, en er worden drie dingen op een witte vloer geïsoleerd neergezet. Waarom zou je dan beginnen na te denken? Het tentoonstellen is het moment waarop driekwart van de relevante informatie over een kunstwerk wordt weggehaald. Dat is esthetiseren. Esthetiseren, dat is ervoor zorgen dat je iets een soort autonomie geeft die het eigenlijk als sculptuur en als geestesproduct niet heeft.

WO: Ik vind dat een interessante stelling.

LtB: Vind ik ook.

BC: Je kan er in de presentatie voor zorgen dat er wel voldoende stof tot reflectie aanwezig is.

WO: Neen, dat heeft niet zoveel te maken met het esthetiseren van het werk door het weghalen van de informatie. Je probeert het op te lossen door de ruimte om het werk heen.

BC: Willem, ik volg je daarin, maar door de relaties tussen bepaalde werken kan je ervoor zorgen dat je duiding aanbiedt. Zo kan je de aanzet tot reflectie geven.

JC: Maar de plekken die we daarvoor gecreëerd hebben, musea, en andere mega’s, zijn echt de plaatsen om het naar de kloten te helpen. Dat is het probleem, zo simpel is dat.

BC: Dat is waar. Men heeft zich in de kunstwereld bijvoorbeeld nog niet afgevraagd of het wel mogelijk is om met vijfentwintig mensen in een bepaalde zaal een werk te zien.

JC: Verdomme toch, dat is nu al tweehonderd jaar aan de gang. Die musea zijn overbevraagd, en die grote machines, dat zijn showrooms waar je beter Renaults toont. Sorry, er zijn al heel wat mensen in de kunst geslopen die vroeger auto’s verkocht hebben. Dat probleem is toch heel eenvoudig. Ik krijg daar de kriebels van. Ik krijg geen kriebels van de kunst, maar van dat soort toestanden.

WO: En wat met de catalogustekst? Kan dat anders?

BC: Het kan een optie zijn om geen catalogus te maken.

WO: Er worden ook catalogi gemaakt met alle faxen die voorheen over de productie van een tentoonstelling zijn geschreven.

KB: Dat is een simulatie.

WO: Inderdaad, dat denk ik ook.

LtB: Die omschrijving van de esthetisering spreekt me wel aan, maar als ik aan andere kunstdisciplines denk, dan zie je daar toch min of meer hetzelfde, of het nu om muziek gaat, of om poëzie.

BV: Ik ben absoluut niet tegen de idee van het kunstwerk.

LtB: Neen, neen, ik begrijp precies wat je bedoelt, maar…

BV: Ik denk dat het tot het artistieke behoort dat iemand op een bepaald moment een keuze maakt, dus als iemand zegt, ik kies niet, dan is dat gewoon flauwekul.

JC: In de jazz gebeurt dat wel. Plotseling kristalliseert iets uit.

BV: Jef, het is één ding om keuzes te maken, het is een ander ding om alle variaties van die keuze te verbergen.

JC: In de jamsession, om het nu even als tegenvoorbeeld te gebruiken, zie je dat men zoekt, en op een zeker moment ligt het naast mekaar, en krijg je een ontwikkeling.

BV: Je kan dat voor mijn part ook met beeldende kunst doen, als een jamsession de juiste manier is om met een thema om te gaan.

De kunst zelf

Wouter Davidts: Tijdens het gesprek wordt al de hele tijd de nadruk gelegd op externe mechanismen die ervoor zorgen dat een bepaalde vorm van kunst niet meer aan de bak komt, maar moet die gedachte ook niet omgekeerd worden? Zijn er met andere woorden ook geen strategieën aan het werk die van binnenuit – vanuit de kunst – komen?

JC: Bij de kunstenaars zelf?

WD: Ja, is de hedendaagse kunst zelf niet zwak?

KB: Jij wil een deel van de verantwoordelijkheid aan de kant van de kunst zelf leggen?

WD: Ja, misschien zit er ook een probleem in het materiaal dat aangedragen wordt.

WO: Maar dan dreigt iedere kunstenaar zijn eigen voorbeeld te worden, van zijn manier om met openbaarheid om te gaan.

KB: Jef heeft bijvoorbeeld wel gezegd dat er ook gewoon niet zoveel interessants meer te zien is, en gemaakt wordt.

WO: Daar ben ik het persoonlijk niet mee eens.

LtB: Dat is een persoonlijk standpunt.

JC: Sorry mensen, als jullie allemaal de gelegenheid hebben om dagelijks vijfentwintig ateliers te bezoeken, mij niet gelaten, maar ik heb het over die publieke plaatsen. En ik heb me daar heel duidelijk over uitgelaten, en ik heb geen behoefte om mijn persoonlijke ervaringen die ik daarbuiten zoek, en voor mezelf wel gecreëerd heb, hier in de discussie te gooien.

WO: In het Paleis voor Schone Kunsten is er de tentoonstelling van twee dia-installaties van James Coleman. Daar ben ik vijf keer naartoe geweest. Dan ben ik er nog niet mee klaar.

JC: Ah, hier komt mijn terminologie van het elitaire opnieuw van pas.

WO: Het is wel een openbare gelegenheid.

JC: Hoeveel keer ben je daar met drie mensen samen geweest?

KB: De twee keren dat ik er na de vernissage was, was ik alleen.

JC: Dan is het elitair. En hoe die filters werken?

BC: Als men met weinigen op hetzelfde moment in iets geïnteresseerd is, betekent dat dan dat het elitair is?

WO: Het is geen beslissing van het Paleis voor Schone Kunsten om er per keer maar zoveel mensen toe te laten.

BC: Ik versta onder elitair het opwerpen van een hoge drempel zodat bepaalde mensen er niet naartoe kunnen gaan. We weten toch waarom er minder volk komt naar James Coleman, dat is toch niet interessant om over te discussiëren.

RV: Daaruit blijkt ook een beetje dat in de hele discussie het belang van de media een beetje overtrokken wordt.

Het geld

De maatschappelijke status van de kunstenaar

KB: O.K., laten we even over de kunstenaars zelf spreken. Lex, jij bent sinds kort de verantwoordelijke van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, jij moet hun zorgen en problemen aanhoren. Wat voor problemen komen daar op tafel, waar we het nu nog niet over gehad hebben.

WO: Geld. Lex is een directeur van een loket. Jef ook.

LtB: Bij het fonds gaat het natuurlijk voornamelijk over geld, en de financiële problemen die kunstenaars hebben bij het realiseren van hun werk, maar ook bij het voorzien in hun levensonderhoud.

KB: Ja, zijn er andere problemen die via jouw professionele praktijk aan het licht komen?

BC: Maar geld is belangrijker dan je vermoedt, want dertig jaar geleden was de discussie over geld onbestaande. Dat is de grote verandering vandaag de dag. In het begin van de jaren ’80 is het bon ton geworden om kunstenaar te zijn. Als je ziet uit welke maatschappelijke segmenten jonge kunstenaars vanaf de jaren ’80 komen… dat is een groot verschil met daarvoor. Ik denk dat je in de jaren ’20 niet naar huis moest komen met de boodschap dat jouw vriend een kunstenaar was.

LtB: Koen, het is een heel lastige vraag, en ik wil zeker niet veralgemenen, maar ik heb de indruk dat kunstenaars op een andere manier werken. Kunstenaars werken meer in groepsverband, in samenwerkingsverbanden, waardoor de auteur van een bepaald project veel lastiger aan te wijzen is. Daarbij zijn vaak ook mensen uit andere disciplines aanwezig. De plek waar zo’n werk dan moet terechtkomen, is veel minder duidelijk gedefinieerd, en daardoor is de financiering van zo’n product veel lastiger.

BC: Kunstenaars werken samen als ze zeer jong zijn, en zich willen affirmeren ten opzichte van de buitenwereld. Na verloop van tijd kunnen ze mekaar niet meer horen of zien. Cobra, arte povera, ga zo maar door. In een massa zie je iemand niet staan, maar zet je iemand op je schouders, en nog iemand, en nog iemand, en nog iemand, dan gaat dat al wat makkelijker. Maar vanaf het moment dat die groep opgemerkt wordt, dan zegt diegene die onderaan staat dat hij ook weleens boven wil staan.

 

De accumulatie

 

De kunstenaar als leverancier van tijdelijke kunstwerken

KB: Is de accumulatie van culturele waar een probleem? Er wordt enorm veel geproduceerd.

LtB: Enorm.

KB: Waar moet het ooit allemaal naartoe?

JC: De Kaspische zee…

BV: …en zien wat er boven komt.

LtB: Maar er wordt veel immaterieels geproduceerd, dus dat scheelt, en heel veel voor slechts een korte tijd. Veel kunstenaars hebben niet meer de pretentie iets voor de eeuwigheid te maken.

KB: Wat denk jij daarvan, Willem.

WO: Die overweging heb ik zelf ook jaren in de praktijk gebracht. Als je je dat voorneemt, als een soort van principe, dan is dat op de duur net zo onbevredigend als het produceren van heel veel dingen voor de eeuwigheid.

LtB: Dat kan ik me voorstellen.

WO: Omdat je dan alleen maar iets voor gelegenheden kan bedenken, waarbij het lijkt alsof je tussen al die gelegenheden droog staat.

LtB: Het wordt de terreur van het moment.

WO: Ik probeer daar een verhouding in te vinden.

De geschiedenis

BV: De accumulatie is natuurlijk een probleem van veelheid, maar dat probleem wordt urgenter als je alles op een en dezelfde plaats wil bewaren, imaginair en feitelijk. Als alles een plaats moet krijgen in de kunstgeschiedenis en in de musea, die dat natuurlijk niet meer allemaal kunnen opzuigen.

LtB: Maar nu spreek je in absolute zin over dé kunstgeschiedenis en dé kunstgeschiedenis bestaat niet.

BV: Jawel, de kunstgeschiedenis zoals die er nu ligt, al die boeken die er allemaal liggen.

JC: En dat zit nogal stevig in mekaar.

BV: Ik denk dat er redelijk op gewerkt is.

LtB: Er zijn talloze geschiedenissen.

JC: Stevig hoor. Ik zit daar elke dag mee.

BV: Probeer Duchamp maar eens weg te krijgen.

JC: Dat lukt niet meer, onmogelijk. Die krijg je niet meer weg.

LtB: Ik ben het toch niet helemaal met jullie eens. Ik geef toe dat het goed klinkt, maar de geschiedenis op die manier, bestaat niet. De geschiedenis is een soort alibi om tot een vorm van eenheid te komen die in laatste instantie niet bestaat.

WO: Het is een groot probleem om het altijd maar vanuit de geschiedenis over de kunst te hebben.

BC: Ik vind dat ook geen hanteerbaar model meer. Er zijn meerdere geschiedenissen.

BV: Er zijn actualiteiten in plaats van geschiedenissen. Geschiedenis is een geordende accumulatie. De actualiteit is een vorm van nevenschikking. De overzichtelijkheid van de geschiedenis werkt niet meer om met die accumulatie om te gaan. Toch bestaat het verlangen naar zo’n geünificeerd beeld nog steeds. Er zijn mensen die proberen om alles in de gaten te houden, die de hele wereld afreizen, die alles gezien hebben, maar dat overzicht werkt niet meer.

LtB: Dat is de wil tot macht, en die moet losgelaten worden, en als je die loslaat, dan krijg je die talloze geschiedenissen en verhalen, die ieder verschillende zijn. En op het moment dat je dat stelt, is er ook geen dominantie van die instituten en geschiedenissen meer.

BV: Daar ben ik het mee eens. Ik probeer al lang niet meer te weten wat er gebeurt. Ik hou me nu bezig met een aantal dingen die ik interessant vind, maar ik probeer niet meer op de hoogte te blijven.

LtB: Dat is voor mij het belangrijkste uitgangspunt.

RV: Ja, dat denk ik ook.

BC: Als je vandaag de dag van alles op de hoogte wil zijn, dan loop je jezelf gewoonweg voorbij.

WO: Er zijn nog steeds mensen die dat willen proberen.

BC: Er zijn mensen die op drie adressen wonen.

BV: Maar als je niet meer de pseudo-objectieve kaders van de kunstgeschiedenis en de kritisch doorgelichte actualiteit gebruikt, hoe oriënteer je je dan wel? Want je werkt toch sowieso met een soort van kader, en de vraag is dan wat voor soort kader dat is? Dat lijkt me het grote probleem. Dat die 19de-eeuwse idee van kunstgeschiedenis niet meer werkt. En dat de actualiteit als een gigantische schijnwerper er bovenop is gekomen, en zelfs die kritische kamer van de kunstgeschiedenis, met zijn vergelijkende oordelen, heeft opgeblazen. Op het moment dat je je wegdraait, en je met je eigen kader het veld nadert, van welk kader maak je dan gebruik?

LtB: Jouw persoonlijke geschiedenis.

BV: Dat is een antwoord.

LtB: Wat je meegemaakt hebt, wat je gelezen hebt.

BC: Hopelijk toch ook iets meer, externe contacten bijvoorbeeld, waardoor het toch iets meer is dan je persoonlijke geschiedenis.

LtB: Net hadden we het over de relativiteit van alle geschiedenissen, hetzelfde gaat uiteraard op voor het persoonlijke oordeel.

De dominantie van de actualiteit

BV: De kwestie blijft uiteindelijk toch dat er een kunstgeschiedenis is, en wat gaan we daarmee doen?

KB: …in het licht van het probleem van de accumulatie van culturele waar.

BV: Ja. De kunstgeschiedenis is een poging tot overzichtelijkheid, het is een temporele ordening, die tegelijkertijd ook een soort van inhoudelijke ordening wordt. De gedachte dat geschiedenis mogelijkheden verbrandt, dat je op bepaalde dingen niet terug kan komen, enzovoort. Terwijl we die geschiedenis nu niet meer kunnen schrijven. De geschiedenis van de jaren ’80 en ’90 valt niet te schrijven.

RV: Misschien over tien jaar wel.

KB: Waarom niet?

BC: Je hebt de filter van de tijd nog niet gehad.

KB: Bart doet hier een heel boude uitspraak. Waarom kan de geschiedenis van de jaren ’80 en ’90 niet geschreven worden?

WD: Ik heb niets van de jaren ’80 bewust meegemaakt, maar ik kan dat wel als een stuk geschiedenis zien.

WO: Het is juist ongelooflijk interessant dat de jaren ’80…

LtB: …al geschiedenis geworden zijn.

KB: Waarom kan die geschiedenis niet geschreven worden, Bart?

BV: Ik ben te ver gegaan in mijn uitspraak natuurlijk.

KB: Zeg dan: ‘ik kan ze niet schrijven’.

BV: Ik kan ze zeker niet schrijven.

RV: Ik heb geen zin om ze te schrijven

BV: Maar toch, ik denk dat er op het vlak van de kennisverwerving iets gebeurd is in de jaren ’80, zodat een geünificeerd, overzichtelijk, gestructureerd beeld gewoon niet meer werkt.

BC: Het is gefragmenteerd.

KB: Waar heeft dat dan mee te maken?

BV: De narratieve structuren – protagonisten, centrum van handeling,… – of de vooronderstellingen daarvan, zijn gebroken. Een voorbeeld. Ik heb een herinnering aan mijn eigen leven. Als ik die herinnering zou opschrijven, dan zit daar een soort narratieve structuur in, waarin ikzelf als hoofdpersoon door een aantal stadia heenga. Maar als ik over mezelf zou nadenken, en me zou afvragen wie ik eigenlijk ben? Dan besef ik heel goed dat ik met dat herinneringsding eigenlijk niet veel kan beginnen.

LtB: Precies.

BV: Er is een probleem van veelheid, en er is het belangrijke probleem dat die herinneringssporen eigenlijk loskomen van een soort van objectiviteit.

JC: …van een soort drager.

LtB: Het heeft gewoon te maken met het feit dat we ervan bewust zijn geworden dat alles een constructie is, en daarmee hebben we het geloof in de geschiedenis verloren. Er is teveel om in dat lineaire verhaal te pompen, maar we weten inmiddels ook dat alles een selectie is.

BV: Een aantal geschiedenissen kunnen we wel vertellen, maar niet meer de manier waarop ze in elkaar schuiven.

LtB: Er zijn talrijke geschiedenissen, alleen maar persoonlijke geschiedenissen, die zich misschien laten vervlechten tot een ruimer, abstracter geheel, maar het is nooit dé geschiedenis.

BV: Hoe geschiedenis schrijven, hoe nadenken, en een soort van geschiedenis schrijven, zonder overzichtelijkheid te betrachten of erop te anticiperen.

BC: De vraag is natuurlijk, was dat dertig of veertig jaar geleden wél het geval? De mensen die toen de bakens hebben uitgezet om de geschiedenis te schrijven, hebben zich ook gericht op een bepaald segment, dat achteraf als een element van de geschiedenis aan de orde is gekomen.

BV: Het is een soort strijd geweest in de 20ste eeuw om de geschiedenis van de moderne kunst te schrijven, en om de illustraties van die geschiedenis van de moderne kunst in het museum te duwen, de geschiedenis als een soort legitimatie van het museum, en omgekeerd. Maar wat je nu krijgt, is een soort actualiteit die al die musea vult, om het even welk Europees museum.

LtB: Er wordt aan de sloten van de kunstgeschiedenis gemorreld.

BV: Je kan nu met een soort grote geste eruit stappen, en zeggen…

JC: …ik lees de gazet niet meer…

BV: …ik betrouw alleen maar op mijn eigen geheugenspoor.

BC: Dat is onvoldoende

BV: Maar het probleem is dat dat onvoldoende is.

LtB: Daar ben ik het mee eens.

BV: De middelen om dat geheugen en die kritiek in te brengen, zijn er niet meer of zijn ongeloofwaardig geworden. Welke bewerking moet je uitvoeren op je eigen geheugenspoor, waardoor er een soort van geheugen en kritiek binnenkomt in jouw ervaring? Vanaf 1972 hebben we geen herinnering meer aan geschiedenis, maar aan actualiteit.

JC: We lijden aan geheugenverlies.

BV: Welke structuur van geheugen kan je ontwikkelen, en welke vorm van kritische resonantie kan je ontwikkelen, die de private omgang met kunst breekt, maar toch geen aanspraak maakt op die grote kaders, die voldoende ruimte creëert om binnen een samenleving een omgang met kunst mogelijk te maken die het louter subjectieve en willekeurige overstijgt?

 

Transcriptie: Wouter Davidts

Redactie: Koen Brams

 

Colofon

Koen Brams Hoofdredacteur van De Witte Raaf.

Bart Cassiman Freelance curator. Stond in voor het programma beeldende kunst van Antwerpen 93 en verzorgde zelf twee tentoonstellingen, Het sublieme gemis en Nieuwe beelden voor Middelheim. In 1997 realiseerde hij de tentoonstelling Groene Pasen in Museum Dhondt-Dhaenens.

Jef Cornelis Voorzitter van de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap. Was als realisator van films over kunst verbonden aan de Dienst Kunstzaken van de VRT.

Wouter Davidts Ingenieur-architect. Als onderzoeker verbonden aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de R.U.Gent, waar hij een proefschrift voorbereidt over museumarchitectuur.

Willem Oorebeek Beeldend kunstenaar. Enkele recente tentoonstellingen: Monolith, lettered rock (Witte de With, 1994), Muren/Walls (Museum Boijmans Van Beuningen, 1996-1997), Biënnale van Venetië (1997) en een solo in de Winnipeg Art Gallery (1998).

Lex ter Braak Directeur van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Voormalig directeur van de Vleeshal (Middelburg).

Richard Venlet Beeldend kunstenaar. Doceert aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de R.U.Gent. Nam recentelijk deel aan de groepstentoonstellingen  Genius loci (Kunsthalle Bern, 1998) enEveryday, de 11de biënnale van Sidney (1998). Hij participeert aan de tentoonstelling Metropolis (Brussel, 2000).

Bart Verschaffel Filosoof. Gebundelde teksten: De Glans der Dingen (Vlees & Beton, 1989) en Figuren.Essays (Vlees & Beton, 1995).

De Belgische Film

Recent verscheen De Belgische Film, een lijvige filmografie die Belgische producties catalogiseert van het prille begin, de zeven films van Lumière-cameraman Alexandre Promio, tot 1996, honderd jaar later. Elke filmtitel is, waar mogelijk, vergezeld van een technische fiche, een foto en een korte tekst, die naast de inhoud van de film ook de productieomstandigheden en de historische context beschrijft. Achteraan is er een bibliografie opgenomen van bronnen en zowel een titel- als een namenindex. Over deze publicatie hadden we een gesprek met Gabriëlle Claes, de conservatrice van het Koninklijk Belgisch Filmarchief en het Filmmuseum in Brussel.

 

Peter Rotsaert: Het boek is er gekomen met de steun van de gewestelijke overheden. Is het de bedoeling dat er meer subsidie van de gemeenschappen komt voor het Filmmuseum, dat in eerste instantie toch afhangt van de federale overheid?

 Gabriëlle Claes: Ik hoop dat, want de federale subsidie is niet echt voldoende voor alle activiteiten. Er is natuurlijk een structureel probleem: de gemeenschappen willen – en terecht, rekening houdend met het federale statuut van het museum – niet verder gaan dan het projectmatig steunen van bepaalde initiatieven die min of meer rechtstreeks met hen te maken hebben. In het geval van de filmografie is dat geen probleem: er zijn Vlaamse producties, er zijn Franstalige producties. Ze wisten natuurlijk van elkaar dat ze meededen. Maar het moet effectief projectmatig gebeuren.

P.R. Geldt dat behalve voor de publicaties ook voor andere activiteiten?

G.C. U mag me niet verkeerd begrijpen. Met onze federale subsidie moeten we de personeels-, conserverings- en restauratiekosten dekken. Men laat het aan ons over of we willen publiceren of niet. Onze prioriteiten zijn uiteraard conservatie en restauratie, publicatie blijft door gebrek aan middelen uitzonderlijk. Wat we doen met de gemeenschappen hoeft echter niet noodzakelijk beperkt te blijven tot publicaties. Ik neem aan dat er ook andere projecten mogelijk zijn. Misschien kunnen we naar de Vlaamse Gemeenschap stappen met een Vlaamse film die dringend gerestaureerd moet worden. De restauratie van Belgische films is sowieso de prioriteit, daar zijn we bij wijze van spreken dagelijks mee bezig. Kort gezegd: we werken weinig met de gemeenschappen omdat daar niet veel aanleiding toe is. Onze werking heeft bijna per definitie een nationaal en vooral internationaal karakter. De grote uitzondering daarop, maar dat is via een partner en niet rechtstreeks, is het Filmmuseum in Antwerpen. Dat is een aparte v.z.w. (het Centrum voor Beeldcultuur) waar we, onder meer wat programmatie betreft, afspraken mee hebben.

P.R. Kan de filmografie De Belgische Film gelezen worden als een soort verlanglijstje van het archief?

G.C. Absoluut. Meer dan de helft van de films is verloren gegaan, voor de beginperiode is dat meer dan 90%. Dat is geen specifiek Belgische, maar een internationale vaststelling. We geven natuurlijk allang het jaarboek van de Belgische film uit en blijven constant op de hoogte van de staat van de productie in ons land, maar niettemin heeft dit boek veel informatie opgeleverd, vooral wat het verleden betreft, en zijn we meer systematisch gaan identificeren wat er ontbreekt. Op basis van die documentatie weten we nu nog beter wat we wel hebben en wat niet. Aan ons om daar, voor zover dat mogelijk is, werk van te maken.

P.R. Op meer inhoudelijk vlak valt op dat de stijl van de bijdragen in het ene geval historiografisch is, en in andere gevallen eerder lijkt op die van de filmkritiek. Is dat louter het gevolg van de optie die André Delvaux in het voorwoord omschrijft: geen droge, objectieve beschrijvingen, maar een mogelijkheid tot uitdrukken van voorkeur of reserve door de auteur, omdat dat een authentiekere indruk van een filmwerk kan overbrengen? Of is er ook sprake van een gebrek aan auteurs voor filmhistorisch werk?

G.C. Eigenlijk allebei. Wat André Delvaux in het voorwoord zegt, is absoluut waar: het was geenszins onze bedoeling een echte geschiedenis te publiceren. Dat heeft onder meer te maken met onze functie als filmarchief: in principe maken we geen selectie, noch voor Belgische, noch voor buitenlandse producties. Dat wilden we ook enigszins weergeven in de publicatie.

We hebben aan de schrijvers gevraagd zo weinig mogelijk te evalueren, maar we hebben inderdaad met veel mensen gewerkt die eerder ervaring hadden als filmcriticus. Filmhistorici zijn er in België niet veel, laat staan historici gespecialiseerd in de Belgische film.

P.R. Vooral bij het onderdeel stille film vinden we onderverdelingen in toeristische films, educatieve films, politieke films enzovoort. Heeft dat met de samenstelling van de collectie te maken, of komt dat voort uit andere overwegingen?

G.C. Onze allereerste optie was een filmografie samen te stellen van films die qua duur de zestig minuten overschrijden. Daar kan de terechte kritiek op worden gegeven dat voor een belangrijk deel, en tot in de jaren ’60, het beste van de Belgische film eigenlijk de kortfilm was. Men denke aan Servais, Storck, de beste films van Dekeukeleire, Deroisy, noem maar op. Het is misschien niet de beste weg om de Belgische film in het algemeen en zijn kwaliteiten in het bijzonder weer te geven, maar het was een handige en gebruikelijke manier om te werk te gaan. De kortfilms kunnen in een tweede fase behandeld worden. Nu bleek die werkwijze voor de periode van de stille film onmogelijk. De meeste films bestaan immers niet meer en tijdens haar opzoekingen is Marianne Thys op heel wat titels gestoten waarover de geschreven bronnen absoluut geen idee gaven van de lengte van de film in kwestie. In plaats van een apart volume te publiceren over de stille film in België hebben we besloten de informatie, nu ze toch verzameld was, ook weer te geven. Dit kan dienen als basis voor eventueel verder onderzoek. De vormgeving daarvan, wat u de ‘categorieën’ noemt, is eerder het werk van Jean Brismée geweest. Het heeft weinig of niets met onze collectie te maken want eigenlijk zijn de bronnen veel breder dan dat. Dat geldt dan vooral voor de stille films, want zoveel hebben we er niet. En ik twijfel er evenmin aan dat die categorieën arbitrair zijn, dat er ook andere hadden gekund.

P.R. Ik dacht niet zozeer aan mogelijke arbitrariteit, maar vroeg mij af of de keuze van categorieën wijst op een bepaalde visie op filmgeschiedschrijving.

G.C. Ik denk van niet. We zijn van de lacunaire materie vertrokken, zoals die door Marianne Thys werd verzameld. Zij heeft langzamerhand een heel corpus ontdekt. Natuurlijk zijn de standpunten met de tijd veranderd, en dan spreek ik niet alleen over ons werk en over de laatste tien jaar, maar ook over de filmgeschiedenis in het algemeen. Een indeling op auteurs bijvoorbeeld, zou wat een grote periode van de stille film betreft nergens op slaan. Dat zou helemaal niets te maken hebben met de werkelijkheid van toen. De filmproductie in studio’s, dat betekende iets, en het feit bijvoorbeeld dat het leger een grote filmproducent is geweest. Voor een indeling zijn dat min of meer voor de hand liggende categorieën. Andere zijn waarschijnlijk meer geforceerd, maar men probeert dat materiaal wat te ordenen, het een zekere coherentie te geven…

P.R. Is het geen goed idee om het feit dat een collectie op zich nog geen geschiedenis vormt, weer te geven in zo’n publicatie?

G.C. Dat is iets wat mij inderdaad bezighoudt, maar ik denk dan eerder op het vlak van programmatie dan van zo’n boek. De vraag is: die collectie, waar is die eigenlijk te zien? Ze is er wel, maar hoe kan men er de eigenschappen van duidelijk maken? Onze zaal van het Filmmuseum is nauw verbonden met het archief, zo’n 80% van wat we programmeren, komt uit de eigen collectie, maar toch wordt dat in de programmatie niet weergegeven. Er wordt voor de vertoningen uit de collectie geput en wat we niet hebben, zoeken we elders, of tonen we niet. Dat is bij de meeste andere archieven ook zo, soms zelfs in veel grotere mate, maar misschien is het geen slecht idee om eens rek nummer 17 te vertonen in de willekeurige volgorde waarin de films op de planken liggen. Dat is natuurlijk een karikatuur, maar er is inderdaad iets dat niet wordt weergegeven. Dat lijkt me een groot verschil tussen een filmmuseum en een museum voor plastische kunsten. Daar loop je rond en bekijk je een fonds of een privécollectie, je ziet de keuzes die iemand heeft gemaakt. De geschiedenis van een verzameling, en ik spreek nu over ons geval, want zo goed ken ik de collecties van de andere archieven ook niet, is natuurlijk voor het grootste gedeelte een puur toeval. Waar komt die collectie vandaan: van de Belgische distributeurs, en de ene heeft zijn films gedeponeerd, de andere niet, de ene kopie is toevallig kapotgedraaid, de andere is nooit in België geweest. Het resultaat daarvan is de collectie. Toeval speelt daar dus een grote rol in, maar niettemin zijn er toch accenten gelegd, door de aanwinsten bijvoorbeeld. Soms kan de programmatie ons doen overwegen een film aan te schaffen. Ook de verzameling experimentele films is zo’n specifiek accent, het filmfestival van Knokke was daar één van de aanleidingen toe. Het lijkt mij echt erg interessant om onze collectie als collectie te bestuderen en dat ook weer te geven via de programmatie en publicaties.

 

Belgian Cinema, Le Cinéma belge, De Belgische Film werd samengesteld door het Koninklijk Filmarchief en in 1999 uitgegeven door Ludion, Muinkkaai 42, 9000 Gent (09/233.48.16). ISBN 90-5544-234-8.

Derde paneldiscussie (vervolg) – 31 januari 2000 – Café Beaubourg (Parijs)

In de vorige aflevering van De Witte Raaf verscheen het eerste deel van het vraaggesprek met Daniel Buren, waarin hij ondervraagd werd over de situatie van de hedendaagse kunst. Het vervolg van de discussie handelt voornamelijk over drie recente tentoonstellingsprojecten van Daniel Buren, meer bepaald de tentoonstelling Une traversée, Peintures 1964-1999 in het Musée d’Art Moderne (Villeneuve d’Ascq), de tentoonstelling Mises en demeures, Cabanes Eclatées, 1999-2000 in het Institut d’Art Contemporain (Villeurbanne) en de tentoonstelling D’un déplacement, l’autre die op initiatief van de vereniging Encore… Bruxelles plaatsvindt op twee locaties in Brussel, namelijk in de Espace Méridien en in La Verrière, een tentoonstellingsruimte die recentelijk opengesteld is door het modehuis Hermès.

 

II.

Koen Brams: Laten we het hebben over Buren en de markt, uw werk en de economische markt. Waar bevindt het zich, op welke markt?

Daniel Buren: Het meeste, dat wil zeggen 95% tot 98% van het werk dat ik gemaakt heb, bevindt zich bij mij thuis, en is dus helemaal niet op de markt. Tenminste, nóg niet! Van die 95% is een flink deel inmiddels vernietigd en zal dus nooit op welke markt dan ook terechtkomen, en verder zijn er relatief veel werken bij die exclusief voor een bepaalde plek zijn gemaakt en die dus van alle mogelijke markten zijn buitengesloten, tenzij ze op een dag worden verworven door de verantwoordelijken van de plek in kwestie.

De werken die in Villeneuve d’Ascq worden tentoongesteld, kunnen allemaal op de markt worden gebracht. Helaas behoren maar twee werken toe aan particuliere verzamelaars, en twee andere aan een kunstinstelling, namelijk het CAPC in Bordeaux. Alle andere, meer dan driehonderd tussen 1964 en 1967 gemaakte werken (daarvan wordt een vijftigtal geëxposeerd), zijn van mij! Het zal me benieuwen of ook maar een van de duizenden bezoekers zich in de loop van de komende drie maanden afvraagt of bepaalde werken te koop zijn en hoeveel ze kosten. Het zou me genoegen doen jullie over drie maanden te kunnen zeggen: ik heb een werk verkocht! Hoe vreemd het ook klinkt, ik geloof dat ik nooit echt gefunctioneerd heb op de markt in de traditionele betekenis van het woord. Ik denk ook dat míjn markt… eigenlijk de meest sympathieke is, want het is een markt van mensen, individuen, amateurs of een paar instellingen, met wie ik doorgaans een persoonlijke band heb. Tot op de dag van vandaag is die markt nog gebaseerd op rechtstreeks contact. En het is dus vrijwel altijd een uitwisseling tussen individuen, rond een specifiek project. Het is met andere woorden de best denkbare markt voor een kunstenaar, met als enig nadeel dat hij zo klein is. Overigens ben ik altijd van mening geweest dat in onze maatschappij alles verkocht kan worden, zelfs datgene wat op het eerste gezicht volslagen onverkoopbaar lijkt. Als ik zie hoeveel werk ik sinds dertig jaar heb gemaakt, hoeveel uitnodigingen ik onophoudelijk krijg, dan ben ik alleen verbaasd dat ik nog maar zo weinig verkocht heb en dat de kring van liefhebbers van mijn werk zo langzaam groeit.

Al geloof ik nog altijd dat a priori alles in de wereld verkocht kan worden, dat betekent niet dat ik verkoop tegen om het even welke prijs, om het even hoe, om het even wat, aan om het even wie. Misschien verklaart dat laatste het eerste! Er moeten een paar regels in acht worden genomen. Het product van de kunstenaar moet niet worden gemaakt met het oog op de verkoop, maar de markt moet komen kopen wat wordt aangeboden en op de wijze waarop het wordt aangeboden. Als je uitgaat van dat theoretisch onwrikbare principe, kan eigenlijk alles te koop worden aangeboden. Uiteraard kost dat tijd. Bij mijn werk lijkt dat het geval te zijn. Op dit vlak is het in elk geval verbazend weerbarstig gebleken, geheel in strijd met het succes dat het in andere opzichten heeft, een succes dat tot op heden voornamelijk symbolisch is. Maar voor alle duidelijkheid, ik geloof niet dat commercieel succes een bewijs is van het matige belang van het werk dat dat succes behaalt, net zomin als ik geloof dat matig commercieel succes het bewijs is van het belang of de ‘zuiverheid’ van het werk in kwestie. In beide gevallen moeten de meervoudige parameters van het werk worden onderzocht, en alleen op grond van zo’n analyse kan een idee worden verkregen van de intrinsieke waarde van een werk, of het nu goed, slecht of helemaal niet verkocht wordt.

K.B.: Zou je het werk voor het modehuis Hermès ook als ‘sympathiek’ kenschetsen?

D.B.: Hoezo?

K.B.: Het samenwerken met een bedrijf als Hermès.

D.B.: Eh, laten we zeggen dat Hermès in dit geval niet echt de markt vertegenwoordigt. Hun inzet was niet het kopen van het werk dat ik in La Verrière heb gemaakt, en de mijne niet het verkopen van dat werk. Het ging er alleen maar om dat ik kon exposeren, meer niet.

K.B.: Wat was de rol van Hermès?

D.B.: Om daarop te kunnen antwoorden moet ik eerst de situatie uitleggen. Hermès had financiële steun in het vooruitzicht gesteld aan de vereniging Encore… Bruxelles voor de realisatie van mijn tentoonstelling in de Espace Méridien. Ik werd gevraagd of ik gelijktijdig bij Hermès zou kunnen tentoonstellen, in een ruimte die in principe in mei aanstaande zou worden geopend. Toen ik het aanbod kreeg van die tweede expositie, was mijn eerste reactie zeer weigerachtig, omdat we al enorm veel werk hadden, de opening heel dichtbij was en ik echt bang was dat het me niet zou lukken. Ik antwoordde dat ik zou komen kijken, maar dat het me erg onwaarschijnlijk leek dat ik buiten het werk dat we al hadden nog iets zou kunnen doen. Toen ik de ruimte zag, die heel groot is en tegelijk in sommige opzichten tamelijk moeilijk, zei ik dat ik een groot risico nam door daar te exposeren, ten eerste omdat het een moeilijke plek is, en ten tweede omdat we zo weinig tijd hadden. Ik stelde dus voor om te verzaken aan de tentoonstelling bij Hermès. Pas toen werd me duidelijk dat de mensen van Encore… Bruxelles op het laatste moment een van hun sponsors waren kwijtgeraakt en dat daardoor het hele project, waar we al minstens drie jaar aan hadden gewerkt, op losse schroeven kwam te staan. Dat zij Hermès bereid hadden gevonden hen te steunen, was een ongelooflijke meevaller, en als ik weigerde in die nieuwe ruimte te exposeren, dan zou de steun van Hermès weleens opnieuw ter discussie kunnen komen te staan. Dat is zo ongeveer het verhaal. Dus heb ik gekeken of ik iets kon doen, en ik heb gedaan wat ik heb gedaan. Wat mij betreft heb ik gewoon een bijkomend werk gemaakt, op een andere plek, en in de geest van de rest van de expositie in de Espace Méridien.

K.B.: Een bewijs dat sponsoring grote gevaren inhoudt…

D.B.: Ja, dat klopt. Een sponsor vraagt iets terug voor zijn financiële bijdrage. Een sponsor is geen mecenas. Waar het om draait, is te weten wat de sponsor vraagt en hoe het mogelijk is daaraan te voldoen, of van de sponsoring af te zien. Ik geloof dat je zulke dingen van geval tot geval moet bekijken. Het is bijvoorbeeld belangrijk om te vermelden dat Encore… Bruxelles een particulier initiatief is, het is geen openbare instelling, geen museum, en die vereniging bestaat slechts bij de gratie van de subsidies die zij in de wacht kan slepen. Daarover bestaat geen enkel misverstand. Het is de privé-sector, en het geld moet ergens vandaan komen. O.K., in dit geval wist ik waar het geld vandaan kwam, en zolang je geen dingen hoeft te doen die tegen je natuur ingaan, vind ik dat er geen principiële bezwaren zijn om op een dergelijke plek te exposeren, die zich trouwens moet ontwikkelen tot een centrum voor de presentatie van kunst – wat voor kunst weet ik niet, maar in ieder geval kunst. Het enige echte probleem voor mij was om uit te vinden wat ik op die plek kon doen, gezien de weinige tijd die me restte. Mij leek dat minder moeilijk dan bijvoorbeeld voor Hermès een foulard te ontwerpen – wat ik trouwens geweigerd zou hebben, ofschoon zoiets best te overwegen valt. Kortom, volgens mij zijn er dus zelfs binnen eenzelfde structuur, afhankelijk van wat je wilt doen, dingen mogelijk, dingen moeilijk en dingen onmogelijk. Maar misschien heb jij een specifiek punt van kritiek ten aanzien van mijn inbreng op die plek, iets wat mij is ontgaan?

K.B.: Ik vind die ruimte niet geschikt voor kunst. Het is niet bepaald aangenaam dat je je een weg moet banen langs luxe-artikelen, foulards en parfums vooraleer je de tentoonstellingsruimte kan betreden.

D.B.: Daarover ben ik het met je eens. Om die reden hebben we er een bord gezet waarop te lezen staat: ‘voorlopige toegang’. Want wat jij opmerkt, was ook niet iets waar ik dolenthousiast over was. En ik moet zeggen dat het voor Hermès evenmin ideaal is. Zodra het nieuwe kunstcentrum La Verrière helemaal operationeel is, is er overigens een andere toegang. Tussen haakjes, als je zegt dat de ruimte ‘niet geschikt is voor kunst’, bedoel je daar dan niet mee dat kunst alleen mag worden getoond in de culturele getto’s, musea en dergelijke, die aan kunst zijn gewijd? Maar om op Hermès terug te komen: ik ben het helemaal eens met jouw kritiek, want hoewel ik er geen onoverkomelijk probleem mee heb om voor deze expositie gedeeltelijk gesponsord te worden door een firma als Hermès, is het niet bepaald ideaal dat je een tentoonstellingsruimte moet betreden via een winkel. Om die reden ook hebben we, zoals je hebt kunnen zien, een soort bufferzone aangebracht tussen de eigenlijke winkel en de galerieruimte – een ruimte waarin je de winkel een beetje kan vergeten en een wat andere sfeer kan betreden, waar video’s over mijn werk worden getoond en je kan gaan zitten om rustig de catalogi te lezen die voor het publiek beschikbaar zijn.

Maar laat ik een voorbeeld geven van een bedrijf dat zulke dingen al veel langer doet, en ik haal het aan zonder enig voorbehoud want ik heb er nog nooit geëxposeerd: de firma Cartier, in Parijs. Cartier heeft een eigen ruimte, en iedereen weet dat ze van Cartier is omdat ze simpelweg Fondation Cartier heet. Ten opzichte van Cartier heeft Hermès dus een voordeel. De ruimte die Hermès wil openstellen voor de presentatie van kunst, noemen ze niet: Kunstgalerie Hermès, of Stichting Hermès. Ze noemen hun plek: La Verrière. Iedereen in Brussel komt er natuurlijk wel achter dat Hermès als financier optreedt, maar hun naam wordt bij die nieuwe activiteit niet gebruikt. Bij mijn Parijse voorbeeld ligt dat helemaal anders. Daar kun je je voorstellen dat een kunstenaar zegt: ‘Ik exposeer bij Cartier’, wat eigenaardig is, want een onmiddellijke vorm van reclame.

Persoonlijk vind ik de expositieruimte van de Fondation Cartier alleszins respectabel, er is niets op die ruimte aan te merken. Het enige probleem is dat alle kunstenaars die er hun werk tonen in meerdere of mindere mate sandwichmannen van Cartier worden. Ik weet niet precies hoe het gaat, want mij hebben ze nog nooit uitgenodigd, maar ze doen allemaal iets terug – sommigen maken een sieraad, anderen weer iets anders, of ze vertegenwoordigen Cartier wereldwijd met een grote vergulde pot of dergelijke dingen meer. En daar raak je toch wel aan een grens. Niet alle kunstenaars zouden zoiets accepteren. En ik weet niet of het een voorwaarde sine qua non is, of dat het toeval is dat sommigen zoiets doen en anderen niet. Maar je begrijpt wat ik bedoel: er is een grens. Hermès is alleszins nog maar net open, er is nog geen voorgeschiedenis. Hoe ze zich zullen opstellen, weet ik niet; niemand weet dat.

K.B.: Hoe verklaar je die nieuwe alliantie tussen parfumeurs en kunstenaars? Van mensen uit de modewereld en de kunstwereld?

D.B.: Dat is echt een ander probleem, dat zeker ingewikkelder is dan op het eerste gezicht lijkt. Ik geloof in de eerste plaats dat er iets vreemds aan de hand is. Terwijl sommigen de hedendaagse kunst aanvallen als zijnde iets stompzinnigs en ongefundeerds of zelfs iets volkomen waardeloos, zijn er ook mensen die met hedendaagse kunst dwepen op een manier die we nog niet eerder hebben meegemaakt. De kunst spreekt bovendien een steeds breder publiek aan. Neem alleen de manifestatie die vorig jaar in september en oktober in Parijs op de Champs-Élysées plaatsvond, Les champs de la sculpture. Daar had je echt rijp en groen door elkaar, het was een onthutsend allegaartje, zoals tegenwoordig meer en meer het geval is bij grote groepstentoonstellingen. Er hebben zich daar op zijn minst vijf miljoen bezoekers gemeld. Vijf miljoen mensen die speciaal gekomen zijn om dat allemaal te aanschouwen. In zekere zin is dat heel jammer, omdat die tentoonstelling niet echt geweldig was, maar tegelijk is het verbazingwekkend, en ook zeer onthullend, die belangstelling van een breed publiek voor beeldende kunst. Met die belangstelling moet rekening worden gehouden. Als je de rijen bij Beaubourg ziet sinds de heropening: hetzelfde verschijnsel. De hedendaagse beeldende kunst is misschien lang genegeerd, maar staat tegenwoordig volop in de belangstelling, zoals ook blijkt uit de ongelooflijke invloed van de kunst op reclame, op design, zelfs op de architectuur en ook op de modewereld. Zodra er zo’n belangstelling ontstaat, denk ik dat mensen die uitermate gevoelig zijn voor wat er in de lucht hangt, en in de modewereld is dat natuurlijk hun vak, begrepen hebben dat er mogelijkheden waren, in creatief opzicht, maar ook in commercieel opzicht, voor hun product, hun imago of wat dan ook.

K.B.: Stoort jou dat niet?

D.B.: Nogmaals, het hangt er maar van af wat je met dat gegeven doet. Ik moet terugdenken aan de tentoonstelling van Germano Celant in Firenze, een paar jaar geleden
– dat was echt verschrikkelijk en erg pijnlijk. Waarom? Omdat de mode daar volkomen overheersend was, op de meest extreme manier. De kunst was alleen nog maar het culturele alibi. Als de verhoudingen zo liggen, vind ik exposeren verfoeilijk, want de kunst wordt dan door de mode in gijzeling gehouden om te kunnen bewijzen dat mode is wat het niet is en nooit zal zijn, namelijk een individueel, riskant, vrij gebaar. Terwijl het in werkelijkheid gaat om een enorme industrie waarin alles al jaren van tevoren vastligt en waarin spontaniteit en improvisatie even onwaarschijnlijk zijn als een vliegtuig bestuurd door een giraffe. In mijn tentoonstelling in La Verrière is van dat soort grensvervaging geen sprake. Het enige verband met de mode is van welomschreven, namelijk uitsluitend economische aard, terwijl Celant met zijn project wou bewijzen dat mode en kunst zeer nabije of zelfs verwisselbare domeinen zijn, met als onloochenbaar doel om de couturiers op het niveau van kunstenaars te plaatsen, zodat het winstbejag dat hen drijft wordt verhuld door het geestverheffende schouwspel dat van kunstenaars wordt verwacht.

In die expositie slokte de mode alles op, werd de kunst zelfs letterlijk verpletterd zodat die niets meer te melden had. Vanwege de aanwezigheid van de kunst veroorloofde de mode zich bovendien dingen die normaliter nooit zouden kunnen. Het was hoe dan ook erg wat er werd vertoond. De standbeelden van de Uffizi aankleden! Om je dood te schamen. Wat wordt daarmee gezegd? Wat is het idee, waar gaat het over? Ik bedoel dat de betekenis die uit een dergelijke promiscuïteit afgeleid kan worden even verschrikkelijk is voor de kunst als onbeduidend voor de mode. Wat was het idee achter die groteske tapijten met hun fletse kleuren en slappe vormen, ontworpen en gedeponeerd door Karl Lagerfeld, en die als ondergrond dienden voor het werk van Tony Cragg? Op dat niveau kan de mode altijd weer iets lolligs verzinnen, mag alles zodra het gemaakt is meteen weer worden vergeten, wat trouwens perfect past bij de mode. Maar al kan de kunst eveneens makkelijk weer worden vergeten, in zo’n context dienen kunstwerken in eerste instantie als waarborg, en worden ze bovendien totaal verminkt en vervalst. Wat daar gebeurt, is dus funest. Het is dus begrijpelijk dat de mode tegenwoordig erg verzot is op de kunst, net als de reclame trouwens, waar de gevolgen voor de kunst nog veel ernstiger en veel schadelijker zijn. De mode ontleent aan de kunst niet alleen plastische, formele, esthetische voorbeelden, maar ook gebaren, een ethiek, een conceptueel instrumentarium. We moeten dus heel voorzichtig zijn met dergelijke vormen van collaboratie, want een kunstwerk komt niet uit hetzelfde domein voort, wordt niet met hetzelfde ijzer gesmeed. Ondertussen weten jullie natuurlijk ook dat veel kunstenaars van een veel jongere generatie dan de mijne juist grote voorstanders zijn van dergelijke grensvervagingen. In dergelijke gevallen kun je niet zonder meer zeggen dat de kunst in gijzeling wordt gehouden, al zei ik dat daarstraks wel naar aanleiding van Celants expositie. Ik wil me niet het recht aanmatigen te verklaren dat sommige kunstenaars die hetzij met mode hetzij met reclame flirten waardeloos of op een dwaalspoor zijn, maar ik sta er persoonlijk erg wantrouwig tegenover. Misschien stellen ze vragen, misschien zijn die vragen interessant? We moeten zien hoe het zich in de loop der tijd ontwikkelt. Het is hoe dan ook zeer ingewikkeld. Tegenwoordig komen we ook grote couturiers tegen die worden uitgenodigd om als auteurs aan exposities van hedendaagse kunst deel te nemen, in dezelfde hoedanigheid als de andere deelnemende kunstenaars. Houdt dat in dat de hedendaagse kunst een couturierskunst geworden is, of dat de couturiers kunstenaars zijn geworden?

K.B.: Maar is het niet denkbaar dat in jouw geval, meer bepaald wat je werk voor Hermès betreft, het naast elkaar staan van artistiek werk dat altijd erg kritisch is geweest en van mode, niet…

D.B.: Op zijn best is het ironisch.

K.B.: Kan zo’n nevenschikking je werk niet ook van zijn kritische lading ontdoen?

D.B.: Ja en nee, want in alles wat ik heb gedaan, is er toch altijd wel een beetje het verlangen om te laten zien dat het werk elke plek gebruikt of kan gebruiken. Er zijn grenzen, maar het kan elke plek gebruiken, en het kan zich verhouden tot de meest uiteenlopende contexten. Het is zeker niet gemaakt om altijd en uitsluitend in een gunstige context te worden getoond. Dus wanneer je een context kiest die a priori misschien ongunstig is, kan dat ook als een vorm van zelfkritiek worden opgevat.

K.B.: Ja, dat wil ik wel geloven, maar naar mijn gevoel is dat geen antwoord, want de firma Hermès was niet je eigen keuze.

D.B.: Pas op, geen enkele plek waar ik tentoonstel, is mijn eigen keuze. Nog nooit heb ik in mijn leven aan een galerie of een kunstcentrum of een museum gevraagd of ze mijn werk niet wilden exposeren omdat ik de plek zo allerprachtigst vond of, nog erger, omdat ik er wel voor voelde mijn fundamentele kritiek eens op die plek los te laten! Nooit. Mijn enige keuze bestaat erin dat ik besluit ja of nee te zeggen, nadat ik ben uitgenodigd. Nooit om zelf mijn plek te kiezen, wat volstrekt strijdig zou zijn met mijn praktijk. Het is natuurlijk weleens voorgekomen dat ik verkoos ergens te exposeren waar ik niet uitgenodigd was, maar steeds waren het dan de externe omstandigheden die me daartoe aanzetten. Ik herhaal dat een plek die op voorhand negatief of ongastvrij is ten opzichte van wat anderen in mijn werk zien of zelfs wat ik erin zie, even belangwekkend kan zijn voor het voortzetten van mijn experimenten als een plek die op voorhand juist geschikt en gastvrij lijkt. Een dergelijke houding moet me toestaan om situaties van zelfkritiek op te zoeken, en ik geloof dat zo’n houding theoretisch van aard is.

Zodra ik had toegezegd om iets te doen in La Verrière, heb ik, rekening houdend met al deze problemen, geprobeerd iets te maken wat zo sterk mogelijk in contrast zou staan met wat al bekend was. Ik ben geen specialist van Hermès of van de producten van Hermès. Ik heb een clichématig, tamelijk oppervlakkig beeld, dat misschien helemaal foutief is, van wat ze maken. En wat ik mezelf voorhield, toen ik op zoek ging naar een mogelijkheid, was dat ik iets zou maken wat in formeel opzicht, dus qua vorm, kleur of iets anders, op geen enkele manier in een esthetisch verband zou staan met wat zij gewoonlijk maken, of tenminste met het beeld dat ik daarvan heb. Meer kan ik niet zeggen. Ik zou hooguit nog kunnen toevoegen dat Hermès een van de grootste en oudste firma’s in luxe-artikelen ter wereld is, en niet zomaar een modehuis. In veel opzichten is het daar zelfs het tegendeel van. Een van de oorzaken van hun succes is dat ze in staat zijn om een leren zadel of schoenen of tassen en koffers te maken die nu nog even deugdelijk zijn als ze vijftig jaar geleden waren, en identiek zijn aan de originele modellen. Heel anders dan in een modehuis, waar de mensen zich vooral uitputten om vandaag het tegendeel te maken van wat ze gisteren hebben gemaakt. Na deze zijdelingse opmerking, die in wezen weinig aan de zaak verandert, dat geef ik toe, kan mijn beslissing om daar te exposeren zeker bekritiseerd worden. Zelf heb ik een moment van twijfel gehad, dus ik kan me goed voorstellen dat anderen dat ook hebben. Nu ik zelf die twijfel heb overwonnen, neem ik de verantwoordelijkheid van de expositie volledig op me.

K.B.: Beschouw je je werk daar als kritisch?

D.B.: In welk opzicht?

K.B.: Ik weet het niet…

D.B.: Aangezien je vraag draait om het woord ‘kritisch’, laten we het daar even over hebben. Om te beginnen zie ik niet in waarom mijn werk automatisch altijd en overal kritisch zou moeten zijn tegenover van alles en nog wat. Vijfentwintig jaar geleden heb ik al met klem betoogd dat werk dat in wezen alleen nog kritisch is, uiteindelijk helemaal niet kritisch meer kan zijn, vooral omdat het onlosmakelijk zou afhangen van datgene waarop kritiek wordt geleverd. Door op het aanbod in te gaan om te exposeren in La Verrière, heb ik mijn werk in een positie van zelfkritiek gebracht, in een positie van afhankelijkheid en zwakte. Het gaat er dan om te onderzoeken wat een dergelijke positie kan opleveren. Je moet een antwoord verzinnen dat krachtig genoeg is om verder te reiken dan de plek zelf. Een antwoord dat die plek transformeert. Als ik jou moet geloven zou het werk alle bestaansgrond verliezen omdat het pal naast de firma Hermès wordt tentoongesteld. Maar laten we eerst eens kijken wat er gebeurt.

Om te beginnen kan het werk, zoals het zich in zijn stoffelijke vorm aandient, door niemand worden toegeëigend. Dat is nogal een contrast met de rest van de winkel, waar je je alles wat geëtaleerd ligt kunt toeëigenen, zij het voor heel veel geld, maar kunst is in het algemeen ook niet goedkoop. Dus zelfs als je de dingen op de spits drijft en je afvraagt of het werk dat ik gemaakt heb te koop is, dan is de verkoopbaarheid van heel andere aard dan die van de dingen in het halletje of zelfs in de winkel van Hermès. Nu wil ik niet beweren dat dàt het kritische gehalte van het werk is, maar zodra je gaat vergelijken, wat je trouwens naar mijn gevoel zo min mogelijk moet doen, ontkom je er niet aan dergelijke dingen op te merken. Dingen die iets zeggen – ze veranderen de wereld niet, ze veranderen Hermès niet, maar ze zeggen iets. Meteen stel ik me de tegenkritiek voor, die zou luiden: typisch de mode, om iets onverkoopbaars te maken met het doel iets anders te verkopen. Maar dat is in mijn geval niet zo, want naast het werk is niets te koop, geen surrogaten, geen derivaten, geen aanhangsels. Dus wat ik eventueel commercieel zou willen noemen, is de gedachte achter een dergelijk werk, maar niet het object als zodanig. En dat is toch tegengesteld aan onze markteconomie. En het is voor een deel ook tegengesteld aan een firma in luxe-artikelen, overigens soms erg mooie, maar die voor exorbitante prijzen worden verkocht aan mensen die het zich kunnen veroorloven. Maar ik wil daar niet te lang bij stilstaan, want naar mijn gevoel heeft dat er weinig mee te maken
– alleen het feit dat Hermès met deze expositie een kunstcentrum inwijdt, is relevant. En dat is natuurlijk de straat niet. Het is een kunstcentrum dat niet wordt gefinancierd door de stad, de staat of door particuliere fondsen, maar uitsluitend door een particuliere firma, tenminste totnogtoe. Nu ik nadenk over jouw vragen merk ik dat zo’n plek eigenlijk veel makkelijker te ontcijferen is dan talloze andere die op voorhand vrij doorzichtig lijken en dat bij nader inzien helemaal niet zijn. Al met al zie ik niet in dat het feit dat ik daar exposeer op enigerlei wijze in strijd is met mijn gebruikelijke werk.

K.B.: Maar is er een echte uitdaging op die plek?

D.B.: Nee. Dat wil zeggen, de uitdaging was voor mij om iets interessants te maken in een uitermate beperkt tijdsbestek. Objectief gezien heeft zo’n persoonlijke uitdaging geen enkele waarde voor anderen en in die zin gaat het niet om een echte uitdaging.

K.B.: En waarom zou je daar dan werken?

D.B.: Om te beginnen omdat het zo nu en dan helemaal niet verkeerd is om voor niets te werken, zonder uitdaging, zonder vooropgezet plan, zomaar, dus om uitsluitend voor het plezier iets te maken en daarnaast om een contract te aanvaarden waarmee de financiële onderbouwing van de rest van een expositie mogelijk wordt. Die twee redenen lijken mij wel afdoende, zonder dat daar verder nog een uitdaging aan te pas hoeft te komen.

Los daarvan beschouw ik het werk als onderdeel van de tentoonstelling, waarvan de titel luidt D’un déplacement l’autre. Ik zou het met andere woorden willen beschouwen als een van de punten van het algehele tentoonstellingstraject dat in het teken staat van de verplaatsing. En in dat verband wordt Hermès, of La Verrière, heel interessant. Wat het idee van verplaatsing betreft, wist ik allang dat ik iets in de stad wilde doen. Maar toen bestond het idee van La Verrière nog niet. Toen de firma Hermès ten tonele verscheen, werd ik in de gelegenheid gesteld om het aantal mogelijke plekken en verplaatsingen te vermeerderen en tegen elkaar uit te spelen. Aan de ene kant de Espace Méridien en zijn vele ongebruikelijke kelderruimtes, aan de andere kant de ruimte van La Verrière, en tenslotte de ruimte van de straat, waarbij al die plekken variaties mogelijk maken op het thema van verplaatsing en context. Bijeengevoegd vormen ze een tamelijk onsamenhangend geheel – een contrastrijk, niet eens noodzakelijkerwijs kritisch, maar wel contrastrijk geheel. Want we bevinden ons dus enerzijds in de souterrains van de Espace Méridien, op zo’n volstrekt buitenissige, ongehoorde plek zoals die in steden tegenwoordig te vinden zijn. Brussel is in dit verband een van de beste voorbeelden ter wereld, met zijn veelheid aan onbekende, verscholen locaties, tussen gebouwen, onder gebouwen, die ooit misschien gebruikt zullen worden en nu in het geheel niet gebruikt worden. Doelloze ruimten, ruimten die verwaarloosd zijn nog voordat ze gebruikt zijn, ruimten van onze tijd, voorlopig nog onsamenhangende, overblijvende ruimten. Tegelijk bevinden zich fragmenten van de tentoonstelling op buitenmuren, andere in kranten, en verder op een plek die symbolisch verbonden is met ongebreidelde luxe. Als je al die ruimten afzonderlijk leest, zijn ze veel minder sterk en interessant dan wanneer je ze met elkaar verbindt en dat in tijd en ruimte ontwikkelde geheel als een enkele tentoonstelling beschouwt – dat is tenslotte ook het geval. Een geheel van niet zozeer ambigue als wel polymorfe contexten, die als het ware van de onderaardse alledaagsheid, waar het enige mogelijke licht elektrisch is, naar de meest banale alledaagsheid, die van de straat, de krant, voert tot op de plek die het meest in natuurlijk licht en
– commercieel gezien – in totale luxe baadt.

K.B.: Maar is dat leesbaar?

D.B.: Tja, niet meer of minder dan anders. Je moet er wel een klein beetje je best voor doen, en je moet je op zijn minst van de ene plek naar de andere verplaatsen. Op de belangrijkste tentoonstellingsplek – ik bedoel de Espace Méridien – vereist het zien van alle gepresenteerde werken dat je drie verschillende verdiepingen bezoekt. Het spreekt voor zich dat iemand die reeds na de eerste verdieping moe is slechts een beperkt, zo niet gebrekkig beeld van de expositie krijgt. En wie niet van de Espace Méridien naar La Verrière gaat, mist eveneens een van de bakens. Maar als je inderdaad de moeite neemt je te verplaatsen, denk ik dat de contrasten tussen de verschillende plekken voor iedereen leesbaar zouden moeten zijn. Dus is het verhelderend om dat te kunnen aantonen. Maar ik gebruik het woord ‘verhelderend’ niet omdat ik bedoel dat het geheel zo geweldig is. Verhelderend, gewoon omdat die contrasten er zijn. En als je dan bij alles wat er in die twee besloten ruimten gebeurt ook nog denkt aan wat er in de stedelijke ruimte plaatsvindt
– billboards die meer of minder ruw worden beplakt met affiches – dan krijg je toch een idee van wat ik bedoel met de invloed van de plek op het werk en vice versa.

K.B.: Met die acties in de openbare ruimte bewerkstellig je misschien een verband tussen de verschillende onderdelen van de tentoonstelling. Maar op het moment dat ik de Espace Méridien en La Verrière bezocht, zag ik gewoon twee afzonderlijke exposities.

D.B.: Dat is nu eenmaal zo omdat je die acties niet kunt aankondigen. Als je dat wel zou doen, zou je precies het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat ik er altijd mee beoogd heb. Maar zelfs als je alleen die twee delen neemt, het werk in La Verrière en de rest van de expositie in de Espace Méridien, dan heb je het grootste, niet het enige, maar toch een van de grootst denkbare contrasten. In dezelfde stad. Een plek van armoede, en een plek van luxe. Zo kijk ik er tegenaan, en niet eens op een zo uitgesproken kritische manier, maar als een situatie die de complexiteit representeert waarin we ons bijna dagelijks bevinden. En vooral natuurlijk op het gebied van de kunst. Een situatie die nooit ideaal is maar bestaat uit compromissen, complexiteiten, contrasten of zelfs contradicties.

 

III.

K.B.: Laten we het hebben over de expositie in de Espace Méridien. Je toont er twee schilderijen uit de jaren ’60. Is dat voor het eerst, na al die jaren, dat ze weer worden tentoongesteld?

D.B.: Die twee wel, ja. Die hebben niet op de expositie bij Claude Berri gehangen, en werden ook niet getoond in de mini-exposities in Villeurbanne, in 1986, waar voor het eerst werk uit die periode werd tentoongesteld. Het doek uit 1965 is nog nooit eerder geëxposeerd, terwijl het doek uit 1964 alleen datzelfde jaar in Parijs werd getoond in een kortstondige expositie in een kleine galerie.

K.B.: Waarom heb je besloten om ze ‘uit te pakken’?

D.B.: Omdat het gaat om schilderijen, en dus om bij uitstek verplaatsbare objecten. Ik zeg: manipuleerbare objecten, objecten die zich lenen voor manipulatie. Voor alle mogelijke manipulaties, formele uiteraard, maar ook conceptuele – anders gezegd, met een dergelijk object doe je wat je wil. In zekere zin heeft dat dus ook weer te maken met verplaatsingen. Het is juist de functie van een schilderij dat het voortdurend wordt verplaatst op initiatief van conservatoren, tentoonstellingsmakers, kopers, verzamelaars… Het is steeds hetzelfde object, maar je kunt het zowat alles laten zeggen wat je wil… Of toch bijna!

Deze oudere schilderijen zijn hier in feite volslagen gemanipuleerd, en krijgen een andere dimensie. Ze vormen immers een soort vertrekpunt voor dingen die zich in de expositie allemaal voordoen als eindige objecten. De schilderijen worden op zo’n manier gepresenteerd dat de ruimte fysiek weinig invloed op ze heeft. Al het andere werk is volledig nieuw, al is het verplaatst, en al heeft het een specifieke oorsprong op een andere plek in een andere tijd. Je zou kunnen zeggen dat het werk opnieuw wordt opgevoerd, zoals je een toneelstuk of een muziekstuk opnieuw kunt opvoeren, met alle denkbare interpretatieverschillen. Weliswaar zijn alle werken gerelateerd aan een specifiek project – zodra dat project is voltooid, voel je dat het specifiek is, en of het er nu voor altijd of voor drie maanden is, het blijft onmiskenbaar verbonden met de plek waar het is ontstaan. Toch denk ik dat je alle werkstukken die ik hier gemaakt heb opnieuw zou kunnen maken. Ze zullen dan steeds verschillend zijn, behalve de twee oude schilderijen, die niet opnieuw gemaakt kunnen worden, en die nooit meer verschillend zullen zijn. In het ergste geval zou je ze bij elke nieuwe vertoning weer iets kunnen laten zeggen dat ze eigenlijk vreemd is, iets waaraan vrijwel al het andere werk op deze expositie ontsnapt. Zo kom ik bij een van mijn ideeën over het kunstwerk: hoe specifieker het bij een bepaalde plek hoort, des te groter de kans dat het conceptueel gesproken geheel aan die plek ontsnapt en
andersom, hoe meer het werk zich van de plek heeft bevrijd, des te meer het afhankelijk is van de plek waar het wordt getoond, zonder enig vermogen om zelf op die plek te reageren. In Villeneuve d’Asq, waar alleen schilderijen en ander vroeg werk worden gepresenteerd, wordt een veel nauwkeuriger beeld gegeven van de wortels van het werk dat ik daarna, sinds eind 1967, tot op de dag van vandaag heb ondernomen.

K.B.: En waarom heb je dat juist nu gedaan? Waarom heb je dat werk nu te voorschijn gehaald?

D.B.: De werken uit die tijd zijn niet allemaal even goed geconserveerd. Vele zijn vernietigd. Omdat ze nu eenmaal bestonden, heb ik ze bewaard. Ik denk dat mensen die belangstelling hebben voor mijn werk kunnen zien dat er altijd iets is waar een bepaald werk uit voortvloeit – iets wat ik altijd gezegd heb, maar het is veel beter om zoiets te zien dan om het te zeggen. Anders dan wat heel veel mensen denken, is een kunstwerk niet het resultaat van een abstracte beslissing. Zo dacht men vroeger, vooral na de conceptuele kunst, die de suggestie wekte dat het idee voorafgaat aan het object en dat het idee dus om het even waar kan ontstaan, waarbij de uitvoering van het idee alleen nog maar berust op de beslissing om het idee ‘zichtbaar’ te maken. Hoewel ik, zoals je weet, vanaf het begin heb deelgenomen aan de tentoonstellingen van conceptuele kunst, hoewel ik deel uitmaakte van die onoverzichtelijke club, heb ik ook al vanaf het begin kritiek uitgeoefend op de neiging die in die school bestond om meer waarde te hechten aan het idee dan aan de uitvoering. Het was logisch dat ik de schilderkunst verliet, niet in een opwelling en evenmin op grond van een abstracte beslissing. Al schilderend belandde ik gaandeweg, door het schilderen zelf, en door het onderzoek dat ik deed, in andere contreien. Ik denk dus dat mensen die belangstelling hebben voor mijn werk, in Villeneuve d’Ascq kunnen ontdekken wat mij tot het werk heeft gebracht dat ze waarschijnlijk beter kennen, en dat dat latere werk niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Er is altijd iets waar een bepaald werk uit voortvloeit, zelfs wanneer het heel ‘zuiver’ is en uiterst radicaal lijkt. Er is altijd een ontstaanslogica, en waarom zou je die ontstaanslogica niet laten zien, als daar nog fatsoenlijke sporen van bestaan?

K.B.: Maar waarom heb je daar juist nu toe besloten?

D.B.: De gelegenheid deed zich voor, zoals altijd in de vorm van een voorstel van derden, dat ik trouwens meteen heb aanvaard, niet alleen omdat het mij een weloverwogen verzoek leek, maar ook omdat het museum in kwestie, het museum van Villeneuve d’Ascq, zich architectonisch buitengewoon goed leent voor het tentoonstellen van schilderijen op muren, aangezien het daglicht in bijna alle zalen uitmuntend is. Verder ben ik van plan met het museum van Villeneuve d’Ascq en het Institut d’Art Contemporain van Villeurbanne een reeks boekpublicaties op te zetten die een algemeen, volledig overzicht van mijn werk zullen geven, vanaf het begin, een soort catalogue raisonné in een twintigtal delen. We hebben besloten om in elk afzonderlijk deel de klemtoon te leggen op hetzij een aantal jaren, hetzij een thema. Toen we daarover nadachten, leek het ons het makkelijkst om te beginnen met wat het verst verwijderd lag in de tijd. Met als voornaamste reden dat ik van die tijd
– behalve wat vernietigd en dus voor altijd verdwenen is – werkelijk alles heb, omdat daarvan nooit iets is aangekocht! De tentoonstelling in Villeneuve d’Ascq gaat dus vergezeld van een eerste boekdeel, dat de periode van 1964 tot 1967 bestrijkt. De tentoonstelling en het boek demonstreren, denk ik, op overtuigende wijze dat het vierkoppige avontuur met Mosset, Parmentier en Toroni niets vandoen had met de keuze door elk van ons van een willekeurige geometrische vorm, de een vierkantjes, de ander horizontale strepen, weer een ander een cirkel en de laatste verticale strepen! Zo’n keuze heeft zich nooit voorgedaan. Het feit dat ik een al bestaand patroon vond, een effen gestreepte stof, had niets te maken met die stof zelf maar met een soort schilderkunst waar de achtergrond werd weggeschilderd door een aaneenschakeling van verticale strepen, die op een paar millimeter na dezelfde afmeting bleken te hebben als de strepen op de stof in kwestie. En omdat het dus voortkwam uit iets anders, uit een specifieke, persoonlijke schilderkunstige ervaring, leek het gebruik van die stof geboden. Het was niet de stof zelf die mij plots een oplossing aanreikte.

K.B.: Die kritiek is veelvuldig geuit in de dertig jaar dat je actief bent, en nu pas… blijk je te willen aantonen dat dat niet het geval is.

D.B.: Nee! Ik heb het altijd al gezegd en geschreven, honderden keren, maar om het te laten zien, moest ik de best denkbare gelegenheid afwachten. De eerste gelegenheid werd me geboden in Parijs in 1996, bij Claude Berri in de Espace Renn, de tweede, en voor het eerst in een expositie van zo’n grote omvang, in Villeneuve d’Ascq. Iets anders wat daarbij niet vergeten mag worden, is dat ik tussen 1967, de tijd van de laatste schilderkunstige werken, en 1987, dat wil zeggen gedurende twintig jaar, wist dat ik ze niet mocht laten zien en ik heb ze dan ook nooit laten zien.

K.B.: Waarom niet?

D.B.: Als ik er toen op gewezen had dat mijn werk niet zomaar uit de lucht kwam vallen, zou dat alleen maar tot zeer voorspelbare reacties hebben geleid. Diegenen die een positieve belangstelling voor het werk hadden, zouden geruststellend geconcludeerd hebben dat het werk in iets heel klassieks geworteld was. Zij die het werk afschuwelijk vonden, zouden de oudere schilderijen net zo vreselijk gevonden hebben als het werk dat erop volgde. Die reacties beletten me dus hoe dan ook, of ze nu gunstig of ongunstig waren, te realiseren wat ik wilde doen. De mensen moesten een discours aanvaarden dat een breuk betekende ten opzichte van het verleden. Een discours dat des te gemakkelijker was, omdat het werk dat dateert van vóór 1967 nooit een massaal publiek had getrokken en ook nooit geëxposeerd was geweest, met uitzondering van een half dozijn doeken waarmee ik paradoxaal genoeg twee prijzen had gewonnen, de Prix Lefranc de la Jeune Peinture en de Prix de la Biennale des Jeunes à Paris.

De tabula rasa waarop het discours sinds het vierkoppige avontuur berust, vereiste ook dat de grote schoonmaak in mijn eigen voorafgaande werk plaatsvond. Ik heb wel vaak over dit onderwerp geschreven om diegenen tegen te spreken die dachten dat ik volledig ex abrupto een keuze had gemaakt voor een materiaal dat mijn visuele gereedschap was geworden. Maar het materiële bewijs voor die stelling heb ik twintig jaar lang niet willen tonen.

K.B.: Wat wil dat zeggen op het vlak… van wat je hebt bereikt…

D.B.: Ik begrijp je vraag niet.

K.B.: Dat je het punt in je loopbaan hebt bereikt, dat je dat werk wel kunt laten zien, wat wil dat dan zeggen?

D.B.: Wel, ik denk dat het tonen van deze schilderijen, op de best mogelijke manier natuurlijk, nu geen verwarring meer kan zaaien ten opzichte van het werk dat erop volgde. Het kan een discours dragen, het kan vragen opwerpen, het kan verrijkend zijn, maar het roept niet langer een dubbelzinnigheid op waarin alles alleen maar onduidelijker wordt. Integendeel. Ik geloof dat zelfs een logica zichtbaar wordt, met inbegrip van de breuk, die veel sterker is dan wat ik zelf voor mogelijk hield.

K.B.: Je bent dus op een punt in je loopbaan beland waarin er minder verwarring is.

D.B.: Nee, wat ik bedoel, is dat het geen verwarring zaait ten opzichte van wat ik sinds dertig jaar doe. Ik zeg niet dat er minder verwarring is. Dat zou te mooi zijn. Nee, het gaat erom dat het discours niet langer verwarrend is, dat het werk van de afgelopen dertig jaar er niet meer door wordt ondermijnd, zoals waarschijnlijk het geval zou zijn geweest als ik die schilderijen veel eerder had getoond. Het kan het werk verrijken dat sinds die schilderijen is ontstaan, terwijl het werk dat erop gevolgd is tegelijkertijd toch een breuk vertegenwoordigt. Je kunt die breuk betreuren, zoals je ook de logica en de leidraad kunt zien tussen de periode vóór ’67 en de periode ná ’67. Wat ik bedoel, is dat het werk nu solide genoeg is om de tegenstrijdigheden te dragen die door de relatie met de oudere stukken aan de oppervlakte zijn gekomen. Tien jaar terug, en a fortiori twintig jaar terug, was ik daarvan niet overtuigd. We moeten niet vergeten dat een van de belangrijkste parameters in mijn werk, daarvan ben ik sinds mijn prille jeugd overtuigd, de tijd is. Er is een tijd voor bepaalde dingen en een tijd voor andere dingen. Wanneer je de intuïtie mist voor wat op een bepaald moment mogelijk is, kun je bij het vervolg van de gebeurtenissen volledig de mist in gaan.

In 1967 begon ik te werken aan een project dat in 1982 het licht zag en dat getiteld was: ‘120 schilderijen’. Als ik in de tussentijd ook maar een keer aan wie dan ook melding had gemaakt van die onderneming, dus voordat ik wist of ik in staat zou zijn haar te voltooien, dan was ze zeker gedoemd geweest te mislukken. Om te kunnen bestaan had het project een rijpingstijd van vijftien jaar nodig, en toen ik begon, was ik absoluut niet zeker dat ik het tot het eind toe zou volhouden. Ik moest vijftien jaar doorzetten in stilte, een andere weg was er niet. Dit specifieke project is sterk verwant met het krachtige besef dat ik bijna al dit werk meer dan vijfendertig jaar geheim moest houden.

Wouter Davidts: Je zegt dat je bijna je hele oeuvre thuis hebt gehouden, en dat bijna niets op de markt is gekomen. Betekent dat niet dat jijzelf, als persoon, op de markt gekomen bent? In de Espace Méridien wordt een CD-rom gepresenteerd waarop al je reizen geregistreerd zijn…

D.B.: Het hangt er maar van af wat je verstaat onder… de markt. Als ik je vraag in engere zin opvat, dan bedoel je dat ikzelf, als persoon, handelswaar geworden ben! Ik hoop dat je zoiets gruwelijks niet letterlijk meent? Natuurlijk word ik, nu al sinds drieëndertig jaar, voortdurend uitgenodigd op allerlei plekken, soms hele goede. Ik word onophoudelijk gevraagd om werk te produceren, en ik kan niet meer doen dan wat ik doe. Als je maar gezond bent, zeg ik altijd… Maar als ik je vraag in meer algemene termen beschouw, dan gaat het erover of de markt de plaats is waar ik word uitgenodigd en waar mijn werk zich afspeelt. Toen ik het daarstraks had over de markt, had ik het over de plek die alles behelst wat gekocht en verkocht wordt. En ik zei niet dat ik dat aspect van de kunstwereld vermijd of dat ik ertegen in het geweer kom. Ik zei alleen dat in mijn geval de markt, als mechanisme van koop en verkoop, eigenaardig genoeg nooit is gevolgd, terwijl mijn werk, getuige de vele uitnodigingen, een bepaalde vorm van succes geniet. En dat is op zijn minst een paradox. Maar zo is het, en ik zeg opnieuw wat ik al dertig jaar zeg, dat kan van de ene op de andere dag veranderen. In de allereerste plaats omdat het niet beheersbaar is door de individuele kunstenaar of door iemand in het bijzonder, want het hangt af van dingen die niet logisch of rationeel zijn.

W.D.: Maar speel je niet voortdurend met die paradox, en is dat spel niet een manier om buiten die logica te blijven?

D.B.: Sommige mensen die ik graag mag, galeriehouders of anderen, hebben me vaak gezegd dat het verbazend was, omdat ik de enige van mijn generatie was voor wie iets dergelijks opgaat. Toen ben ik me echt gaan afvragen wat dat zou kunnen betekenen. En ik moet bekennen dat ik daarop geen bevredigend antwoord heb, behalve dat ik wel weet dat ik ten opzichte van de markt een slecht imago heb, bijvoorbeeld dat mijn werk absoluut onverkoopbaar zou zijn! Want zelfs onder de mensen die mijn werk de moeite waard vinden, is er een groot deel dat vindt dat het hoe dan ook onverkoopbaar en onverhandelbaar is. Sterker nog, een van de redenen om mijn werk mooi te vinden zou voor hen weleens kunnen zijn dat ze denken dat het niet te koop is, dat het niet beantwoordt aan de logica van de commercie maar alleen aan die van de ideeën! Dat is iets wat ik nooit heb gezegd, en volgens mij is het ook je reinste flauwekul. Een dergelijke houding vind ik volslagen belachelijk en onzinnig. Een ander antwoord op de vraag naar de afstand tussen de markt en mijn werk, is dat je inderdaad niet om het even wat en om het even hoe kunt kopen. Dat stemt al iets meer overeen met mijn opvatting van de markt. Iemand die iets koopt, moet een bepaalde regel, een spelregel volgen. Ik ben erg waakzaam. Wanneer een van mijn werken op ondeugdelijke wijze openbaar wordt gemaakt, dan doe ik doorgaans alles wat in mijn macht ligt om het te laten weghalen of om te voorkomen dat het verkocht wordt, wanneer het om een openbare verkoping gaat. Maar al zijn dergelijke voorzorgsmaatregelen onontbeerlijk, in elk geval waar het mijn werk betreft, toch zou mijn werk op de markt gemakkelijk in handen van iemand anders kunnen vallen. Dat gebeurt ook wel, maar op een heel beperkte schaal. Maar dat zal vast steeds vaker gebeuren, daar ben ik zeker van. Om twee redenen: ten eerste, omdat ik uit het feit dat ik word uitgenodigd afleid dat er toch wel een zekere belangstelling bestaat, en vroeg of laat moet die belangstelling uitmonden in een commercieel belang; en ten tweede, omdat er niets onverkoopbaar is, tenzij je je verzet tegen openbare verkoop, wat weer een heleboel andere problemen veroorzaakt. Als ik bijvoorbeeld sinds tien jaar niet zoveel opdrachten in de wacht had gesleept voor het realiseren van openbaar werk, dan zou ik nu vast in een absoluut desastreuze economische positie verkeren. Want ik verkoop vrijwel geen werk: gemiddeld iets minder dan een werk per jaar. Twee jaar geleden heb ik niet een werk verkocht gedurende het hele jaar.

W.D.: Zou je kunnen stellen dat ‘verplaatsbare’ kunstwerken vervangen zijn door reizende individuen? Zodat het commerciële aspect vooral gelegen is in de verplaatsing van mensen?

D.B.: Ik ben het faliekant oneens met de suggestie dat het commerciële aspect tegenwoordig vooral gelegen is in de verplaatsing van mensen, terwijl de werken zelf statisch zouden zijn geworden. Ten eerste is het niet zo dat mensen die meer reizen noodzakelijkerwijs statisch werk maken. De meeste kunstenaars die zich verplaatsen, produceren ter plekke objecten die later waar dan ook aangetroffen kunnen worden. Aan de andere kant is het feit dat kunstenaars zich tegenwoordig weer verplaatsen, net als ten tijde van de Renaissance – iets wat nieuw is voor onze tijd, maar helemaal niet nieuw in historisch opzicht – op zichzelf heel interessant. Dat ik me veel verplaats, heeft te maken met de aard van mijn werk. Het is mijn werk dat me min of meer verplicht om me te verplaatsen, uit eerbied voor de specificiteit van plekken, iets wat van groot belang is in mijn artistiek onderzoek. Daarom vind ik het nu ook zo moeilijk om stil te blijven zitten, want tenslotte heb ik het principe weer ingang doen vinden dat de kunstenaar altijd dáár moet zijn waar het werk ontstaat. Ik heb zelfs geen atelier waar ik mijn exposities voorbereid of waar ik objecten maak. Ik ben dus in zekere zin gedwongen de wegen te volgen die mijn werk heeft opengelegd. Maar als je reist om iets te maken in Tokyo wat je probleemloos ook in Istanbul of New York had kunnen maken, dan wordt reizen een spelletje, dat iedereen kan spelen, zelfs een zondagsschilder. Tegenwoordig is dat een beetje in de mode…

Iets anders wat ik altijd bedongen en ook verkregen heb, is om betaald te worden voor mijn exposities, al wordt er niets concreets te koop aangeboden. Betaald te worden om te komen exposeren, al kan die expositie niet onmiddellijk te gelde gemaakt, geruild of vervoerd worden. Je moet weten dat de inrichting van een expositie van een kunstenaar die de wereld afreist, die bij jou het werk komt maken en dan weer naar huis gaat, veel minder duur is dan het organiseren van een expositie met schilderijen of objecten van een kunstenaar die thuisblijft! Dat kan een verklaring vormen voor de mode van kunstenaars die ter plekke werk uitvoeren dat echter wel verhandelbaar is, en door de uitnodigende partij dus tegen geringere kosten te gelde kan worden gemaakt. Een expositie opzetten waarbij je niets anders hoeft te betalen dan de reis- en verblijfkosten van de kunstenaar en het materiaal waarmee het werk wordt vervaardigd, dat is de droom van een galerie. En a fortiori de droom van een museum. Het is iets riskanter, het ligt iets gevoeliger omdat je dan het werk zelf niet hebt gekozen, en je dus voor lelijke verrassingen kan komen te staan.

Wanneer ik zie dat wat voor mijn werk een voorwaarde sine qua non was – het realiseren van een uniek werk voor een specifieke plek – niet alleen in de mode is geraakt maar zelfs een voordelig middel blijkt te zijn om handel te drijven met kunstwerken zonder verzekerings- of transportkosten te hoeven betalen, dan vraag ik me ook onmiddellijk af of mijn positie niet onmogelijk romantisch en verouderd is geworden – wat niet betekent dat ik daarom al mijn werk zou gaan verloochenen! Maar het klopt dat mensen zoals ik, er zijn er zo nog een paar, in verhouding tot de galeriehandel, de kunsthandel, eigenlijk alibi’s zijn geworden, nog enigszins prestigieuze alibi’s voor een veel directere, cynische vorm van handelsverkeer. Ik weet best dat sommige galeries er trots op zijn mijn werk te hebben geëxposeerd en nooit iets te hebben verkocht. Dat is iets wat ik zelf altijd verbijsterend heb gevonden, want ze zouden veel trotser moeten zijn indien ze mijn werk juist wel hadden verkocht, en een beetje beschaamd dat ze nooit wat hebben verkocht. Ze beseffen niet dat wat ze zeggen absurd is, want het betekent simpelweg dat ze àndere dingen hebben verkocht. Om te kunnen voortbestaan. En dat zou weer betekenen dat wat ze hebben verkocht van weinig waarde zou zijn omdat het verkocht is! Of dat ze het verkocht hebben door te leunen op het feit dat ze van een kunstenaar als ik niets hebben verkocht! Er bestaat een wat bespottelijke mythe rond het feit dat het goed zou zijn iets niet te verkopen en minder goed iets wel te verkopen – en andersom, want als het erg goed verkocht wordt, dan is het opnieuw heel goed. Ik vind het vaak vermakelijk om te merken dat die verhouding tot geld in de kunstwereld zozeer omgeven is met irrationaliteit. Veel meer nog dan het geval is bij de meeste kunstwerken zelf. Wat echt irrationeel is, dat is de marktwaarde die aan een kunstwerk wordt verleend – wanneer het niets waard is, wanneer het te veel waard is, wanneer de prijs gemiddeld blijft. Dat slaat allemaal nergens op! En het duurt jaren, het kan tientallen jaren duren voordat die prijzen stabiel worden. En het wordt hoe dan ook steeds irrationeler. Daarom ook is het speculeren op hedendaagse kunst zoals dat tegenwoordig in openbare veilinghuizen gebeurt naar mijn idee een zo rampzalige ontwikkeling. We hebben gezien hoe desastreus de markt zich in de jaren ’80 heeft ontwikkeld, en nu lijkt het erop dat er ongeveer hetzelfde staat te gebeuren! De geschiedenis lijkt zich te herhalen, alsof er uit het verleden geen lering valt te trekken. En ik denk niet dat ik me bezondig aan een onheilsprofetie wanneer ik zeg dat de markt andermaal op instorten staat!

 

Transcriptie uit het Frans: Lionel Devlieger

Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede

Redactie: Koen Brams, Daniel Buren & Sophie Streefkerk

 

De tentoonstelling D’un déplacement, l’autre is verlengd tot 9 juli. Ze kan worden bezocht in de Espace Méridien, Grasmarkt 116, 1000 Brussel (02/513.02.77) en in La Verrière, Waterloolaan 50, 1000 Brussel. De tentoonstelling Une traversée, Peintures 1964-1999 loopt nog tot 15 mei in het Musée d’Art Moderne, 1 Allée du Musée, 59650 Villeneuve d’Ascq (03/20.19.68.68), en de tentoonstelling Mises en demeures, Cabanes Eclatées, 1999-2000  nog tot 30 juni in het Institut d’Art Contemporain, 11 Rue du Docteur Dolard, 69100 Villeurbanne (04/78.03.47.00).

De kunstcollectie en haar territorium: over de samenwerking tussen de Vlaamse musea van oude en hedendaagse kunst op het vlak van collectiebeleid

1. Proloog

Koen Brams: Deze paneldiscussie vindt plaats naar aanleiding van de afsluiting van de solotentoonstelling van Jef Geys (S.M.A.K., 11 april – 6 september 2015), waarin onder meer de samenwerking tussen de vier Vlaamse musea van hedendaagse kunst gethematiseerd wordt. Het gaat daarbij om het Middelheimmuseum (Antwerpen), het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K., Gent), het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen (M HKA) en Kunstmuseum aan zee (Mu.ZEE, Oostende). Dat kwartet is verenigd in het samenwerkingsverband Contemporary Art Heritage Flanders (C.A.H.F.). Els, welk portret hangt Jef Geys op van de vier musea en van het C.A.H.F.? Hoe lees jij, als coördinator van het C.A.H.F., de tentoonstelling?

Els Silvrants-Barclay: Dat is meteen een stevige vraag! De voorzet die Jef met deze tentoonstelling heeft gegeven, is volgens mij redelijk rechttoe rechtaan. Elk museum heeft een zaal gekregen, die verduisterd is. De musea worden geportretteerd aan de hand van screenshots van hun websites, en projecties van de afbeeldingen van de werken van Jef Geys die ze in hun bezit hebben. Er worden in die zalen dus geen fysieke kunstwerken getoond. De werking van de musea wordt gereduceerd tot een virtuele façade; de door hen verzamelde werken van Jef Geys worden getoond in een slideshow. Ik zie beide keuzes als een kritiek op de conditie van het hedendaagse kunstmuseum, dat meer en meer samenvalt met een huisstijl. Met name de collectie van het museum wordt onzichtbaar. De collectie verwordt tot een soort discursief supplement voor een museum dat zich meer en meer als een kunsthal gedraagt, als een monument voor een afwezige collectie. In een vijfde ruimte, zijn wél echte werken van Geys te zien: Zwarte Overall (1991) (collectie M HKA), Gypsophila Elegans (2008) (Mu.ZEE), Sokkel #7 (2014) (Middelheim) en Archief (2001) (S.M.A.K.). Vooral het gesloten archief uit het S.M.A.K. en de zo goed als lege aanplakzuil uit het Middelheim zijn raak gekozen. Het zijn verpletterende metaforen. Geys doet eigenlijk geen uitspraak over de status van de huidige samenwerking, maar brengt de musea terug naar een nulpunt. Hij gebruikt zijn tentoonstelling om hen opnieuw tot samenwerking te bewegen, maar de mogelijkheid van een vruchtbare dialoog krijgt geen invulling. Misschien spoort dat ook wel met de realiteit.

 

2. De genese en werking van V.K.C. en C.A.H.F.

K.B.: Het C.A.H.F. werd opgericht in 2009 onder impuls van Jos Van Rillaer, toenmalig Administrateur-Generaal van het Agentschap Kunsten en Erfgoed. Jos, waarom was het volgens jou nodig om zo’n overkoepelende structuur in het leven te roepen? Welke noden moest het C.A.H.F. lenigen?

Jos Van Rillaer: Om op die vragen antwoorden te bieden, moet ik eerst toelichting geven bij de oprichting van de V.K.C., de Vlaamse Kunstcollectie, het samenwerkingsverband van de drie Vlaamse kunsthistorische musea: het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen (K.M.S.K.A.), het Groeningemuseum in Brugge en het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.) te Gent. Waarom werd in 2006 besloten tot de oprichting van de V.K.C.? De toenmalige regering was tot de conclusie gekomen dat de drie kunsthistorische musea onvoldoende efficiënt waren inzake een aantal basisopdrachten, zoals behoud en beheer. In plaats van de keuze te maken voor een fusie van de drie instituten wilde de regering op een andere manier bekomen dat de drie musea krachtdadige instituten zouden worden. Door een instituut op te richten dat zich exclusief zou bezighouden met behoud en beheer, zouden de drie musea zich meer kunnen richten op hun andere kerntaken: verzamelen, onderzoeken en tonen. Het nieuwe instituut zou worden geleid door een intendant die op autonome wijze uitvoering zou geven aan zijn beleid. Dat was het idee. De drie toenmalige museumdirecteuren – Robert Hoozee (Gent), Paul Huvenne (Antwerpen) en Manfred Sellink (Brugge) – verzetten zich echter vierkant tegen dit voornemen en er is dan ook niets van in huis gekomen. Het enige winstpunt was dat de drie directeuren noodgedwongen met elkaar in overleg gingen. Wat begonnen was als een top-down-benadering werd aldus omgebogen tot een bottom-up-aanpak. De V.K.C. werd een platform voor ideeënuitwisseling. Met de oprichting van het C.A.H.F. beoogden we dat ook de vier musea van hedendaagse kunst in overleg zouden gaan. Bovendien was het de bedoeling dat de V.K.C. en het C.A.H.F. een rol zouden spelen op het vlak van de internationalisering van de werking van onze musea.

K.B.: Manfred, jij was destijds als directeur van het Groeningemuseum betrokken bij de stichting van de Vlaamse Kunstcollectie. Hoe heb jij de oprichting beleefd?

Manfred Sellink: Klaarblijkelijk waren wij acteurs die zich slecht lieten regisseren… Het was voor ons vanaf het begin duidelijk dat het centraliseren van de ateliers voor behoud en beheer geen goede zaak was, zoals trouwens reeds was aangetoond in Nederland en Frankrijk, waar zulke operaties faliekant waren afgelopen. Dat de inrichtende machten van de drie musea verschillend zijn – het K.M.S.K.A. is een instelling van de Vlaamse Gemeenschap, het Groeningemuseum maakt deel uit van de overkoepelende structuur van Brugse musea, het M.S.K. is een stedelijk museum – maakt zo’n constructie bovendien nog vele malen complexer. Toen de oprichting van een nieuw instituut voor behoud en beheer van de baan was, zijn we gaan samenzitten om te kijken welke mogelijkheden tot synergie we zelf zouden kunnen bedenken. Wat bindt ons? Waar kunnen we elkaar versterken? Hoe kunnen we onze werking internationaliseren? We kwamen tot de conclusie dat de Vlaamse overheid ons terecht had gewezen op tekortkomingen op het vlak van behoud en beheer en een aantal andere beleidsaspecten, waaronder de internationalisering. Op die vlakken hebben we de krachten gebundeld. De bottom-up-benadering wierp goede resultaten af, al gingen er soms ook zaken mis, maar dat hoort erbij.

K.B.: Welke rol speelt de Vlaamse Kunstcollectie op het vlak van collectiebeleid? Daarover heb ik op de website van de V.K.C. geen informatie kunnen terugvinden.

M.S.: Je benoemt meteen de achilleshiel van de V.K.C. Het is een van mijn grootste frustraties. Het project van de Vlaamse Kunstcollectie omvat een hele rits resultaten waar ik bijzonder trots op ben, de onlinecatalogus om maar één voorbeeld te noemen, maar op het vlak van het collectiebeleid zijn we tot nog toe tekortgeschoten. Ik had gehoopt dat we tot een veel scherper collectiebeleid en tot een veel actievere collectie-uitwisseling zouden zijn gekomen.

K.B.: Waarom is dat tot dusver niet gelukt?

M.S.: Wie een gemeenschappelijk collectiebeleid tot stand wil brengen, loopt tegen psychologische en emotionele muren. Conservatoren en andere museummedewerkers staan pal voor hun collectie en hebben uitgesproken ideeën over mogelijke nieuwe aanwinsten. Dat is hun sterkte, maar het staat de samenwerking met andere museale instellingen in de weg. Dat zijn obstakels die je wereldwijd in musea aantreft.

K.B.: Herken je dat, Els?

E.S.-B.: Ja, zonder meer. Ondanks het feit dat we in ons beleidsplan heel duidelijk hebben aangegeven dat het de bedoeling is om de dialoog aan te gaan op het vlak van het collectiebeleid, zijn we daar onvoldoende of niet in geslaagd.

K.B.: Waarom niet?

E.S.-B.: De belangen van de individuele instellingen halen het op het geloof in een gemeenschappelijke agenda. Die is er nochtans wel degelijk. Neem nu de problematiek van het auteursrecht. Het heeft weinig zin om dat per instelling op te lossen. Het is veel efficiënter om slechts één expert terzake aan te stellen.

M.S.: Het auteursrecht is inderdaad een zeer complexe materie. Dat kan je als individuele instelling amper behappen. De expertise die je daarvoor moet inhuren, is specialistisch en bijgevolg uitzonderlijk duur. Door samen te werken zouden wij, zowel in Vlaanderen als in de Europese Unie, een beetje kunnen wegen op de ontwikkelingen, en dat zou zeer uitzonderlijk zijn. Een oplossing van de problematiek van het auteursrecht is van cruciaal belang voor onze sector.

E.S.-B.: Een ander aspect is governance, goed bestuur. Er is wat dat betreft nog een heel lange weg af te leggen in de musea van het C.A.H.F., wellicht ook in andere musea in Vlaanderen. Dat heeft te maken met het feit dat het relatief jonge structuren zijn. Als je het bestuur op orde krijgt, heb je al heel veel bereikt. Precies door samen te werken kan je die lange weg aanzienlijk inkorten. Hetzelfde geldt voor de specifieke profielen van de musea. Voor ons is duidelijk wat de kwaliteiten zijn van de vier instellingen. Voor het publiek is dat minder helder. We zouden de profielen beter kunnen communiceren. Ook de internationale profilering wordt beter gezamenlijk aangepakt, maar de directeuren van de musea van hedendaagse kunst willen eigenlijk nog altijd niet met elkaar in gesprek treden. Dat is een pijnlijke conclusie.

K.B.: Waaraan ligt dat?

E.S.-B.: Het heeft wellicht te maken met grote verschillen in hun visies op het veld. Daarnaast mogen we niet vergeten dat de instellingen zelf in uiterst moeilijke omstandigheden functioneren. Hoe kan je samenwerken als je het gevoel hebt dat je eigen positie bedreigd wordt? Het is een grote uitdaging om niet te verzanden in een soort van institutional engineering, waarbij een museum constant in een overlevingsmodus verkeert en alleen maar zichzelf in stand houdt.

K.B.: Jos, was jij als Administrateur-Generaal op de hoogte van de problemen die Els aanstipt?

J.V.R.: Ja. Door een gebrek aan samenwerking worden veel kansen gemist. Dat is een objectieve vaststelling. Wij hebben altijd gepleit om de instellingen zelf aan zet te brengen, maar we moeten constateren dat zij die verantwoordelijkheid tot op de dag van vandaag weigeren op te nemen. Blijkbaar slaagt men er niet in om vanuit de eigen identiteit, die op zich totaal niet problematisch is, een metaverhaal te schrijven, terwijl dat de internationale positie van onze instellingen wel degelijk zou kunnen versterken.

K.B.: Zou ik die analyse ook als een vorm van zelfkritiek mogen zien? Jij hebt als Administrateur-Generaal toch sleutels in handen gehad om de impasse waarin het C.A.H.F. verkeert te doorbreken?

J.V.R.: Dat is deels een illusie. Welke sleutels hadden we in handen? We hebben een heel intense dialoog gevoerd met de verschillende directeuren. Ten tweede hebben we pogen te sturen met financiële prikkels. De regering wou wat dat betreft niet ver gaan. 125.000 euro – het werkingsbudget van het C.A.H.F. – is peanuts; met zo’n klein bedrag kan je geen schot in de zaak krijgen. Ook de onderfinanciering van de landelijke musea door de Vlaamse Gemeenschap heeft als gevolg dat de instellingen niet geneigd zijn om samen te werken.

K.B.: Op welke manier kunnen de moeilijkheden waar Els en Jos over spreken worden opgelost?

M.S.: Het is deels een mentaliteitskwestie. De eerste voorwaarde is dat de directies overeenkomen en de intentie hebben om samen te werken. Als die wil er niet is, dan bieden geld noch structuren soelaas. Als ik de V.K.C. in beschouwing neem, dan ben ik optimistisch omdat in Antwerpen, Brugge en Gent nieuwe directies zijn aangetreden. Ik heb het gevoel dat we veel meer openstaan voor samenwerking, ook op het vlak van de collecties. Eindelijk – na al die jaren – slagen we erin om transparant met elkaar te communiceren, ook over de tentoonstellingen en aankopen die we willen realiseren. Wat mij echter zorgen baart, is de financiering. Onze instellingen krijgen te weinig middelen van de Vlaamse Gemeenschap. Het totale budget van de Brugse musea bedraagt ongeveer 15 miljoen euro, waarvan de Vlaamse Gemeenschap 8 procent bijdraagt. Het komt dan niet geloofwaardig over dat diezelfde Vlaamse Gemeenschap middels een structuur als het V.K.C. impulsen denkt te kunnen geven aan de samenwerking tussen de musea. Hoe kan de Vlaamse Gemeenschap ervan uitgaan dat ze kan bepalen op welke punten de musea moeten samenwerken? Als je hoort dat de Vlaamse Gemeenschap slechts 125.000 euro uittrekt voor de werking van de V.K.C., dan weet je dat ze geen been heeft om op te staan. De stimulerende en regisserende rol van de Vlaamse Gemeenschap is eenvoudigweg niet geloofwaardig. De structurele onderfinanciering van de musea door de Vlaamse overheid valt bovendien samen met wat ik een opkomend stedelijk chauvinisme zou willen noemen: het eigen culturele beleid van de steden gaat prevaleren boven gemeenschappelijke inspanningen. Deze twee tendensen baren me zorgen.

J.V.R.: Wat de V.K.C. betreft ben ik redelijk overtuigd dat er een draagvlak is om samen te werken. Met betrekking tot het C.A.H.F. ben ik veel minder optimistisch.

E.S.-B.: De directies van de vier musea beschouwen hun eigen museum te veel als een persoonlijk project. Dat is een factor die het overleg op dit moment bemoeilijkt. Persoonlijke visies op het eigen museum bepalen de discussies, terwijl die in het teken zouden moeten staan van een breed, overkoepelend maatschappelijk project.

 

3. Het Vlaamse museale landschap

K.B.: De Vlaamse Kunstcollectie heeft zopas, deels naar aanleiding van de recente besparingen, een notitie verspreid die handelt over het Vlaamse museale landschap. Manfred, kan je de belangrijkste ideeën uit de notitie naar voren brengen?

M.S.: Er zijn stemmen opgegaan om instellingen te formeren die zich zouden moeten focussen op één van de domeinen van de museale werking. Zij zouden bakens moeten worden op het gebied van publiekswerking, behoud en beheer, onderzoek of wat al niet meer. De V.K.C. is uitdrukkelijk gekant tegen deze benadering. We kiezen resoluut voor een vorm van horizontale samenwerking tussen de instellingen. Precies de identiteit en de sterktes van de instellingen moeten voor ons het cement van de samenwerking met andere instellingen vormen. Een museum dat zich herkent in de identiteit en de sterktes van een ander museum, kan bij zo’n alliantie aansluiten. Dat hoeft niet te beletten dat het met betrekking tot andere museale taken contact zoekt met een instelling die daar niet bij betrokken is. Een instelling zou dus op een aantal samenwerkingsverbanden kunnen intekenen.

K.B.: Jos, welke visie sta jij voor?

J.V.R.: Ik ben ook een voorstander van de formering van netwerken of coalities. De samenwerking moet op een inhoudelijke en dynamische wijze worden ingevuld. Daar is men tot dusverre nog niet in geslaagd.

E.S.-B.: Ik ben het met Jos eens, maar ik zou nog een argument willen toevoegen. Museumland Vlaanderen bestaat uit een hele grote groep van middelgrote en kleine instellingen. Heel veel van onze musea zijn van onderuit gegroeid. De collecties zijn specifiek, haast persoonlijk en ze zijn ook goed regionaal verankerd, wat met hun particuliere ontstaansgeschiedenis te maken heeft. Het is met andere woorden geen institutioneel verhaal. We hebben ook geen grote vlaggenschepen zoals onze buurlanden. Daarvoor kunnen heel veel verklaringen worden gegeven, bijvoorbeeld de al bij al recente regionalisering van de culturele bevoegdheden. De uitbouw van Grote Instellingen, waarvoor sommige politici openlijk pleiten, zie ik als een bedreiging voor het Vlaamse museale landschap. Gedreven door een vorm van overlevingsdrang verklaren een aantal museumdirecteurs zich te kunnen vinden in dat soort ideeën. Ik geloof er niet in. Ik denk dat we de kleine en middelgrote musea moeten koesteren. We kunnen er volgens mij ook internationaal mee scoren. Een museum dat een volledig overzicht zou bieden van de Belgische kunst sinds 1945 is voor mij een achterhaald concept. Buitenlandse professionals zijn al een tijdje op zoek naar nieuwe erfgoedmodellen en andere manieren om geschiedenis te schrijven. Men is stilaan uitgekeken op de multinationale en monopolistische museummolochs.

K.B.: Kan jij je vinden in dit betoog, Manfred?

M.S.: Ja en nee. Engelse en Nederlandse studies wijzen uit dat juist die kleine en middelgrote musea het zwaarst getroffen worden. Dat heeft niet alleen met teruglopende financiering te maken, maar ook met de toenemende vraag naar professionalisering en de hoge eisen op alle domeinen: behoud en beheer, fundraising, publiekswerking, juridische kwesties… De lat wordt op tal van terreinen steeds hoger gelegd. Voor die kleine en middelgrote instellingen is het volstrekt onmogelijk aan het worden om op al die gebieden expertise in huis te hebben. Ik wil erop wijzen dat er inmiddels al middelgrote musea failliet zijn gegaan in Europa. Anderzijds koester ik die schaalgrootte en de lokale of regionale verankering. Van het concentreren van al die collecties op een of enkele plekken ben ik zeker geen voorstander. De enige uitweg die ik zie, is die van de samenwerking, met name op het vlak van fundraising, juridische knowhow, behoud en beheer enzovoort.

E.S.-B.: Ja, de krachten moeten worden gebundeld om de schaal van de kleine en middelgrote instellingen te kunnen bestendigen. Verder denk ik dat het heel belangrijk is dat we over een veld nadenken op basis van wat uiteindelijk steeds overleeft, de collecties. Een infrastructurele inhaaloperatie is ook noodzakelijk, maar toch denk ik dat de aandacht eerst dient uit te gaan naar de versterking van onze collecties. De aankoopbudgetten zijn nu werkelijk zeer laag. Met sterkere collecties zijn we ook betere partners voor onze buitenlandse evenknieën. De versterking van de collecties moet de basis zijn van een toekomstplan. We betrekken daar best de vele private verzamelaars bij die ook denken aan de bestemming van hun patrimonium. Rekening houdend met de specificiteit van ons veld, moeten we kijken met welke instellingen we dat kunnen realiseren.

J.V.R.: Ik ben het daar volledig mee eens. We hebben wat dat betreft ook beleid ontwikkeld. Ik denk bijvoorbeeld aan het Topstukkenfonds, de Kunstkoopregeling en de Successierechtenregeling. De administratie heeft heel veel werk in deze regelingen gestoken om het aankoopbeleid te stimuleren. Helaas zijn ze niet operationeel. Alles staat administratief op punt, maar het is wachten op groen licht van de politiek verantwoordelijken.

M.S.: Dat zijn inderdaad politieke keuzes. Het Indemniteitsdecreet – dat de invoering van een staatsgarantie voor buitenlandse bruiklenen inhoudt – is ook al een hele poos klaar. Het had reeds de vorige legislatuur geïmplementeerd kunnen worden, maar dat is niet gebeurd.

K.B.: Wat is jouw reactie op het voorstel van Els om eerst en vooral in te zetten op de versterking van de collecties?

M.S.: Ik ben van oordeel dat prioritair moet worden ingezet op de infrastructuur. Als je keuzes moet maken, dan vind ik het belangrijker om met name de gebouwen van de musea van moderne en hedendaagse kunst aan te pakken. Voor de kleinere stedelijke musea dienen noden in verband met depotruimten en andere faciliteiten te worden gelenigd. In een ideale wereld heb je tegelijkertijd aandacht voor collectievorming en infrastructuur, maar het heeft weinig zin om te dagdromen over dingen die geen werkelijkheid zullen worden. Ik ben echter niet overdreven optimistisch over grote investeringen op welk vlak dan ook tijdens deze legislatuur.

K.B.: De V.K.C.-notitie waar ik reeds naar verwees, omvat een tabel waarin enerzijds alle museale taken zijn weergegeven, en anderzijds alle instellingen – zowel musea als andere instituten: steunpunten, expertisecentra, bemiddelende instanties – die een of meer van die taken waarnemen. Uit die tabel kunnen twee conclusies worden getrokken: heel veel instellingen doen hetzelfde, maar bepaalde taken worden door niemand verricht. Tot welke actie nodigt die tabel in feite uit?

M.S.: De V.K.C. bepleit dat er een landschapstekening zou worden gemaakt waarin álle instituten worden opgenomen. Voor ons moet bijvoorbeeld de rol van de steunpunten opnieuw worden bekeken. Wij houden in dat verband helemaal niet vast aan onze eigen structuur. Misschien moet een nieuwe, kleine, flexibele organisatie worden opgericht die de motor van echte structurele samenwerking kan zijn? In het verleden kantte de V.K.C. zich tegen de toetreding van andere musea tot haar overlegstructuur; nu staan we open om andere instellingen bij onze werking te betrekken. We hebben dit ingebracht in de discussie met de directies van alle landelijk erkende musea, waar trouwens ook het C.A.H.F. bij betrokken is.

E.S.-B.: Ik sta open voor het voeren van deze discussie. Het heeft geen zin om een samenwerkingsverband te verdedigen dat niet nuttig is. Het moet een faciliterende, dienende structuur zijn die ervoor zorgt dat de instellingen worden versterkt. Als dat op een andere manier moet worden vormgegeven, dan ben ik bereid om hierover te spreken.

 

4. De gevolgen van de interne staatshervorming

K.B.: In de genoemde notitie neemt de V.K.C. ook een standpunt in met betrekking tot de op til zijnde interne staatshervorming. Omdat de provincies hun bevoegdheden omtrent cultuur zullen verliezen, zal het Vlaamse museale landschap grondig worden hertekend. Het bestuur en de financiering van de provinciale musea zullen ofwel door de steden, ofwel door de Vlaamse Gemeenschap worden overgenomen. Eerste opvallende feit is dat de V.K.C. erin geslaagd is om over zo’n gevoelige kwestie een gezamenlijk standpunt in te nemen.

M.S.: Wij hebben geen standpunten ingenomen ten opzichte van individuele instellingen, laat dat duidelijk zijn. De V.K.C. staat, zoals gezegd, een horizontale samenwerking tussen de instellingen voor.

K.B.: Els, hoe kijk jij tegen die interne staatshervorming aan?

E.S.-B.: Een van de vier C.A.H.F.-musea is een provinciaal museum, Mu.ZEE in Oostende. Over de toekomst van die instelling wordt volop gespeculeerd. Wordt het een stedelijk instituut of wordt de Vlaamse Gemeenschap de voogdijoverheid? Indien dat laatste het geval is, welke voorwaarden zullen daaraan worden verbonden? In de wandelgangen wordt verwoed gediscussieerd over fusieoperaties; er zijn tal van scenario’s in omloop, onder andere een samenwerking met het K.M.S.K.A. en een fusie met het M HKA. De stad Oostende lijkt te hebben afgehaakt en in Antwerpen kunnen de collecties worden versterkt. Alle verhalen over Mu.ZEE hebben een Antwerps randje – Antwerpen blijkt de place to be. Ik begrijp die pragmatische reflex, maar het zou wenselijk zijn dat het debat op inhoudelijke gronden wordt gevoerd. Wat betekent de collectie van Mu.ZEE inhoudelijk? Wat zou op basis daarvan de juíste herbestemming van die collectie zijn? Is het toch niet beter om die collectie te behouden voor Oostende? Die inhoudelijke argumentatie ontbreekt volledig. We zouden dat gesprek zélf binnen de schoot van het C.A.H.F. moeten voeren, maar dat blijkt niet mogelijk en dat vind ik ontzettend spijtig. In tegenstelling tot de V.K.C. zijn wij niet in staat om een gemeenschappelijke visie te formuleren. Waar liggen kansen? Wat zijn onze zwaktes? Welke keuzes moeten we maken? Op welke manier moeten we verder met de collecties? Wat kunnen zinvolle fusies zijn? Welke individuele posities moeten we absoluut behouden? Over al deze kwesties weet het C.A.H.F. op dit moment geen gezamenlijk standpunt in te nemen. Doodjammer.

K.B.: In de notitie stelt de V.K.C. dat zij oproept om niet over te gaan tot onlogische fusies en dat de diversiteit van de individuele collecties moet worden gevrijwaard. Manfred, wat is jouw reactie op de plannen die momenteel circuleren in de Vlaamse wandelgangen?

M.S.: De Vlaamse regering heeft de beslissing genomen dat het K.M.S.K.A. de discussie over de toekomst van Mu.ZEE en het Raveelmuseum dient te regisseren, abstractie makend van de vraag of men daar in Oostende of in de provincie Oost-Vlaanderen oren naar heeft. De inhoudelijke inzet van die fusie ontgaat me. Als ik naar Antwerpen kijk, dan dringt zich volgens mij een andere constructie op: een verregaande samenwerking tussen het Fotomuseum – een provinciaal initiatief – het M HKA en het K.M.S.K.A – beide instellingen van de Vlaamse Gemeenschap. Het zijn drie musea die op een zakdoek bij elkaar zitten. Op het gebied van de beeldcultuur kan een prachtig verhaal worden verteld van de Middeleeuwen tot nu. Met betrekking tot Mu.ZEE lijkt het me heel logisch dat we tot een vorm van samenwerking komen op de terreinen waarop ons onderzoek en onze expertise elkaar overlappen. Ik denk dan met name aan de Ensor- en Spilliaertverzamelingen. Het K.M.S.K.A. beschikt over de grootste Ensorcollectie ter wereld. Samenwerking met Mu.ZEE lijkt mij niet meer dan vanzelfsprekend. Moet daar een fusie uit volgen? Nee. Het enige wat ik kan zeggen is dat wij vanuit het K.M.S.K.A. en de V.K.C. ons best doen om de discussie op inhoudelijke gronden te voeren, wel wetende dat we niet het laatste woord hebben.

K.B.: Jos, heb jij in jouw lange carrière als ambtenaar een dergelijke grootschalige operatie meegemaakt?

J.V.R.: Nee, dit is uniek. Dat men de bevoegdheden inzake kunst, cultuur en erfgoed van de provincies afneemt en herverdeelt, is zonder meer ingrijpend, zeker als je weet dat de provincies op het vlak van erfgoed een zeer grote rol hebben gespeeld. Wat mij echter opvalt, is dat de discussie over de interne staatshervorming wordt aangevuurd vanuit het departement Binnenlandse Zaken. Op die manier wordt het een puur administratieve operatie. De inzichten vanuit het veld worden compleet genegeerd. Manfreds stelling over Mu.ZEE en K.M.S.K.A. kan ik volkomen volgen, maar waarom wordt niet ook het M.S.K. hierbij betrokken? Dat gebeurt niet omdat het M.S.K. een Gents museum is. Het is totaal onbegrijpelijk. Wat moet er gebeuren met de ‘grote kleine’ musea zoals het Roger Raveelmuseum of Museum Dhondt-Dhaenens? Dat zijn geen onbelangrijke spelers. Hoe leggen we verbanden tussen de stedelijke en Vlaamse instellingen en de federale instituten, die onze belangrijkste verzamelingen herbergen? Het departement Cultuur zou het debat met inhoudelijke argumenten moeten voeden. De minister zou zelf met een landschapstekening moeten komen, gevoed door gesprekken met vertegenwoordigers van het museale veld. Ik stel vast dat dit niet of onvoldoende gebeurt, met alle gevolgen van dien. Dat men op die manier met een werkveld omgaat, is volgens mij echt geen goede zaak. Deze aanpak kan alleen maar tot nog grotere brokken leiden. De regering wil deze operatie tenslotte op een bijzonder korte termijn afronden. Op 1 januari 2017 moet alles in kannen en kruiken zijn. Dat is waanzinnig.

K.B.: Hoe kan dit nog worden gerepareerd? Wat zijn mogelijke oplossingen?

J.V.R.: Ik zie slechts één mogelijkheid: dat de instellingen zelf een gezamenlijk gedragen en stevig beargumenteerde visie uitwerken en de politici met een doortimmerd plan onder druk zetten. De politieke klasse kan enkel op deze wijze tot andere inzichten en werkwijzen worden gebracht.

K.B.: Beschouw je de notitie van het V.K.C. als zo’n document?

J.V.R.: Ja, het is in elk geval een goed begin.

K.B.: Als je dat document als een goed begin ziet, hoe zie jij dan het vervolg, Manfred?

M.S.: Zonder te weten hoe Jos hier tegenaan zou kijken, bewandelen we de weg die hij net uittekende. Samen met FARO, het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed, en de directies van de 23 landelijk erkende musea werken we aan een nota die we aan de Minister van Cultuur zullen overhandigen. Gezien het gebrek aan overleg tussen al deze spelers tijdens de afgelopen vijftien jaar is de intensieve gedachtenwisseling die goed anderhalf jaar geleden op gang is gebracht een primeur. We hebben vorig jaar zelfs gemanifesteerd op het Martelaarsplein! Ik geloof echt in de kracht van samenwerking en solidariteit. We moeten het niet over alles eens zijn, maar het innemen van gemeenschappelijke standpunten is echt belangrijk. Er wordt nu hard gewerkt. Zal dat helpen? Als we geen poging doen om tot gezamenlijke standpunten te komen, dan zijn we bij voorbaat verloren.

 

Transcriptie: Wim Lievens

Redactie: Koen Brams

 

De paneldiscussie vond plaats op 6 september 2015 in het S.M.A.K. (Gent).

Het telefoonboek in herdruk en tal van andere titels

Elke kunstliefhebber die niet alleen van kijken maar ook van lezen houdt, kan men in boekhandels of op tentoonstellingen voorovergebogen en verdiept in de uitgestalde kunstenaarsboeken betrappen. In onderstaande tekst vindt u het relaas van een gesprek van Elke de Rijcke met uitgever Dirk Imschoot en één van zijn editors, Kaatje Cusse. Hoe kijken zij tegen het kunstenaarsboek aan? Wat houdt het uitgeven van kunstenaarsboeken in? Welk publiek komt er op af? Een gesprek over het ambacht en het concept, die het kunstenaarsboek maken tot wat het is: de convergentie van kijken en lezen.

 

“Book art has remained a cottage industry which has survived in a technological society”

(Martha Wilson)

 

Wat onderscheidt u van een gewone uitgever?

Dirk Imschoot: Als drukkerij hadden we veel contacten binnen de Belgische hedendaagse kunstscène. Op een bepaald moment voel je dat de cirkel rond is en vraag je je af wat je in de toekomst nog meer kan doen. We wilden een internationale uitstraling geven aan onze drukkerij. In 1988 bestonden we 50 jaar en op dat moment hebben we een fonds ter beschikking gesteld van de hedendaagse kunst, waarmee we “grensverleggende” boeken wilden maken. Als drukker ben je vragende partij maar als uitgever heb je iets te bieden. We wilden voortaan kunstenaars benaderen en hen vragen met ons iets te maken. Dit initiatief leek ons interessant omdat er een ideeënuitwisseling tot stand zou kunnen komen en er anderzijds ook een directe impact op onze drukkerij kon verwacht worden, met name omdat door de confrontatie met kunstenaars, onze uitvoeringstechnieken binnen de drukkerij opnieuw in vraag zouden kunnen gesteld worden.

Hebt u er ooit aan gedacht met dat fonds een galerie op te starten?

Dirk Imschoot: Neen, wij moeten onze plaats kennen. Wat is onze plaats? Een bedrijf te zijn dat dingen kan maken waar kunstenaars heel gelukkig mee zijn. Wij moeten onze mogelijkheden in dienst stellen van de kunstenaars. Zij zijn de spil van het gebeuren, terwijl wij vaak merken dat zij in de kou blijven staan.

Wat zijn uw initiatieven, uw houding naar galeries en musea toe?

Dirk Imschoot: Ik maak bijna geen tentoonstellingscatalogi meer omdat ik een nauwe samenwerking wil met de kunstenaar. Rond een tentoonstelling hangen teveel mensen zoals curators, fotografen, critici – ik werp ze geen steen toe – maar dat is mijn bedoeling niet. Wij werken met levende  kunstenaars en in nauwe samenwerking  met hen.

Door het uitgeven van kunstenaarsboeken in de jaren ’60 verzetten de betrokken conceptuele kunstenaars zich tegen het heersende mercantiele tentoonstellingscircuit. De in die periode actieve tentoonstellingsmaker Seth Siegelaub die met mensen als Douglas Hueber, Lawrence Weiner, Carl Andre, Robert Barry, Sol Lewitt of Joseph Kosuth samenwerkte en het “Xerox Book” publiceerde, zette tentoonstellingen op die met catalogus en kunstwerk samenvielen. Hebben de uitgevers van kunstenaarsboeken, nu hun activiteit zo fel toegenomen is, die instellingen (musea,galeries) waartegen het initiatief aanvankelijk gericht was, niet broodnodig om hun verspreiding te kunnen waarborgen?

Dirk Imschoot: Ja en neen. Als wij iets doen, creëren wij een tentoonstelling op een wijze die betaalbaar is voor mensen die erin geïnteresseerd zijn. Ons initiatief richt zich niet tegen galeries of musea. We moeten complementair zijn. Trouwens, een galerie die een bepaald kunstenaar brengt, heeft er alle belang bij zich voor het kunstenaarsboek te interesseren. Het zijn potentiële klanten.

Kopen ze ook?

Dirk Imschoot: We mogen dat niet overroepen. Voor 80% weet ik eigenlijk niet waar de boeken heen gaan. Wij werken met verdelers naar de musea, galeries en officiële instanties toe. Ik denk niet dat wij hen absoluut nodig hebben, neen, maar het is aangenaam samen te werken. De kunstenaar zelf speelt een grote rol in de verdeling omdat hij binnen een bepaald circuit van galeries en musea leeft. Als je hem goed kan bedienen, krijg je vanzelf een internationale reputatie. De verkoop van kunstenaarsboeken blijft echter minimaal. Maar aangezien de drukkerij achter me staat, ben ik zo vrij als een vogel. Een commerciële uitgeverij met boeken over de drie torens of de Leie zijn we nooit willen worden.

Wat voor publiek hebt u dan eigenlijk? Kunt u rekenen op (musea)bibliotheken? Particulieren? Museumbezoekers?

Dirk Imschoot: Geen enkele officiële instantie koopt mijn boeken. Het besluit van het gesprek is altijd dat ze het fantastisch vinden wat je doet, maar dat ze er één willen krijgen . Aan officiële instanties heb ik de laatste vijf jaar misschien 20 boeken verkocht. Het Museum van Gent heeft er 1 gekocht, de Vlaamse Gemeenschap 10. Internationaal gezien ligt dat anders: het Museum of Modern Art heeft ze allemaal en het MOCA in LA, het Stedelijk Museum Amsterdam, verschillende musea in Frankrijk en Duitsland (Bremen) hebben er meerdere aangekocht. Met het MUHKA zijn er onderhandelingen in het perspectief van de nieuwe bibliotheek. De verdeling ligt voor 60% in de VSA en Japan, en voor 40% in Europa (slechts voor 3% in België). Zo’n boekje van Baldessari kost maar 1500 Fr. Dat is niet veel. Maar men moet het wel willen betalen.

Een uitgever heeft een totaal andere relatie met zijn publiek dan een commerciële of openbare instelling. Een intiemere relatie?

Dirk Imschoot: Inderdaad, de kwestie van het publiek speelt voor de uitgever een grote rol. Schouderklopjes alleen zijn niet voldoende en dan denk ik aan de artikels die over onze boeken verschijnen, de tentoonstellingen die men organiseert in New York (Castelli), in Rotterdam (The Archives), in Ankara. Gelukkig zijn er ook verzamelaars die systematisch iets aankopen. Voor hen blijf ik het doen. Het zou op dit moment interessanter zijn in Parijs of New York te werken. In beide steden heb ik trouwens een bureau. Daar heb ik een achterban die me waardeert.

Welk concept staat u voor als uitgever van kunstenaarsboeken?

Dirk Imschoot: Het concept wordt bepaald in samenspraak met mijn editors, Kaatje Cusse, Bernard Marcadé, Barthomeu Mari, Cornelia Lauf. De ideeën komen voornamelijk van hen. Met Kaatje Cusse (IC-reeks) hebben we tot op heden 9 boeken uitgebracht. Bernard Marcadé (IM-reeks) lanceerde zelf het initiatief. Hij bouwde een reeks tentoonstellingen op in het PSK en wij verzorgden de edities. Het zijn ook kunstenaarsboeken, maar in het verlengde van een tentoonstelling. Deze reeks is bijna voltooid. Barthomeu Mari (IBM-reeks) bracht het zonet verschenen boek van Matt Mullican tot stand en werkt nu aan een boek van Antonio Muntadas.

Ziet u het kunstenaarsboek als een alternatieve tentoonstellingsruimte?

Dirk Imschoot: Dat idee is slechts later opgedoken. Voor mij situeert het interessante zich op persoonlijk vlak. Bepaalde kunstenaars zijn grote vrienden geworden. Neem nu iemand als Lawrence Weiner bijvoorbeeld, van wie we net een vierdubbele poster (“Show & Tell” ), een editie op 60 exemplaren uitgebracht hebben. Onlangs was Dara Birnbaum hier met wie we aan een boek werken. Ook met Joseph Kosuth werk ik graag samen. Hij heeft de poster voor onze tentoonstelling in Rotterdam ontworpen. De uitleg komt later voor mij. Ik beleef veel plezier aan het maken van een boek.

Maken jullie nog meer dergelijke edities en bewandelen jullie nog andere drukwegen?

Dirk Imschoot: Op dit moment niet. We maken ze omdat ze relatief verkoopbaar zijn. De kunstenaars maken deze edities uit plezier en sponsoren me op die manier. We hebben wel een nieuwe reeks, de IL-reeks, opgestart onder leiding van Cornelia Lauf. De IL-reeks zal risicovolle uitgaven brengen. Het zijn onze stoottroepen. De eerste IL-editie is een boek van de Franse jonge kunstenaar Michel Zumpf. De volgende kunstenaar die aan bod komt, is Ken Lum. In de IC-reeks kwamen de gevestigde waarden aan bod. We willen niet nog eens een boekje van Barry of van Weiner uitbrengen. Anderzijds heeft Baldessari ons gevraagd nog een boek met hem uit te brengen. Dat wil zeggen dat hij ons als uitgever waardeert. Zijn eerste boekje, “The Telephone book (with pearls)” , is trouwens in herdruk.

 

Le livre est une certaine maniabilité. Pour peu que les livres aient un sens, ce sens est l’usage de lecture .” (Pascal Quignard)

Hoe verloopt de produktie van een kunstenaarsboek?

Kaatje Cusse: De keuze van de eerste zes auteurs (Barry, Weiner, Downsbrough, Darboven, Mertz en Baldessari) was voor mij heel vanzelfsprekend. De projecten zijn ook heel vlot binnengekomen; vijf van de zes auteurs hadden al heel wat ervaring met het maken van boeken, meer dan ik. De produktie ervan was meestal redelijk eenvoudig en verliep vlot, al was het ene project wel arbeidsintensiever dan het andere. Zo moesten er voor het boek van Hanne Darboven “One Century: Johann Wolfgang von Goethe”  meer dan 800 films gemaakt worden. Christopher Williams daarentegen had nog nooit een boek gemaakt. Hij had me een project beschreven dat hij aan het voorbereiden was en toen hebben we beslist dat een luik van dat project ook in boekvorm kon gebracht worden. Het resultaat was “Angola to Vietnam” , een werk dat uit meerdere lagen bestaat, onder meer uit een alfabetisch gerangschikte lijst van 27 landsnamen die voorkwamen in een rapport van de Independent Commission on Humanitarian Issues, “Disappeared! Technique of Terror”  (1986) en 27 foto’s van glazen bloemen uit het Botanisch Museum van Harvard, die met de naam van het land waarin ze voorkomen ondertiteld worden.

Wat is jouw aandeel in dit alles?

Kaatje Cusse: Ik heb eerst een zestal kunstenaars geselecteerd. Hun boeken konden rechtstreeks naar de repro of op de pers. Daarnaast verricht ik ook soms onderzoekswerk, bijvoorbeeld voor het fotomateriaal in Kosuths boek of voor Carl Andre’s boek “Carl Andre Works in Belgium”, dat in de voorbereidende fase verkeert. Ik verzorg de coördinatie tussen kunstenaar/drukker/uitgever. Het boek dat we met Dan Graham maken, sleept al een tijdje aan. In samenwerking met architecte Marie-Paule Mac Donald werkte hij aan een rock&roll opera die in de Munt zou opgevoerd worden, maar nooit is doorgegaan. Met het libretto en de tekeningen besloten we dan een boekje te maken. Het is gebaseerd op de film “Wild in the Streets”  (1968). Op dit ogenblik onderzoeken we de mogelijkheden om een aantal exemplaren als pop-upboek (boek met uitspringende gedeelten) uit te geven. Voor het project van Dara Birnbaum heb ik gedurende twee jaar met de auteur samengewerkt. We hopen dit boek in februari uit te brengen.

De kunstenaars waarmee je werkt, hebben een afgelijnd idee over het kunstenaarsboek. Hoe zou je dat definiëren? Formuleert het kritiek op hun werk, is het er de onderbouwing van?

Kaatje Cusse: De meesten zien het boek als één van de vormen waarin ze hun werk kunnen brengen. Het zijn mensen die niet aan het ene of het andere gebonden zijn. Hanne Darboven heeft een tijdje geleden een concert gebracht in Hamburg dat op CD wordt verspreid. Robert Barry werkt onder andere met diaprojecties. Mertz heeft films gemaakt. Weiner gebruikt film, theater, muziek. Baldessari heeft meer dan twintig videotapes gemaakt en levert regelmatig bijdragen voor boeken en tijdschriften. Downsbrough heeft met film, video en muziek gewerkt en werkt nu ook met fotografie. Kosuth schrijft, maakt werken en is actief als tentoonstellingsmaker. In zijn boek vinden we 13 paar foto’s die in relatie gebracht worden met de brieven van Wittgenstein naar zijn vriend Engelmann. Birnbaum komt vanuit de architectuur, maar werkt al jaren als videokunstenaar. Ze maakte een plaatjesalbum op basis van straataffiches uit mei 1968 die systematisch vergroot en getransformeerd werden, zodanig dat door de toenemende graad van abstractie alleen nog een gestoord TV-beeld overblijft.

Wat vind je ervan om op deze manier met kunst om te gaan?

Kaatje Cusse: Als ik het niet boeiend zou vinden, zou ik het niet doen. Het belangrijkste is dat er weer een ander kunstenaarsboek gemaakt wordt, dat de kunstenaars tevreden zijn en er mensen zijn die benieuwd zijn naar de volgende uitgave.

De laatste jaren heeft de relatie kunstenaar-boek (tijdschrift) een hoge vlucht genomen. Volgens Daniël Buren zijn de meeste kunstenaarsboeken betekenisloos. Hoe kijk je er zelf tegenaan?

Kaatje Cusse: Een kunstenaarsboek bestaat op zich en heeft de betekenis die men – de auteur, de lezer – eraan geeft. Het neemt plaats in. Het kan gelezen worden. De beslissing om een boek te maken is subjectief. De beslissing om een boek te lezen is dat ook. Het kunstenaarsboek is letterlijk en figuurlijk de plaats waar het kunstwerk kan gelezen worden. Ik wil daarbij verwijzen naar een uitspraak van Lawrence Weiner: LEARN TO READ ART.

Burens uitspraak verwondert me niet. Anderzijds is er wel een wildgroei in de sector geweest. Men moet een onderscheid maken tussen kunstenaarsboeken en ‑bijdragen in tijdschriften. Een interventie binnen een tijdschrift kan niet los gezien worden van de context waarin het gebracht wordt. In een kunstenaarsboek valt de confrontatie met die context weg. De confrontatie die overblijft, is deze met de lezer.

 

Beschouwingen

Kunstaarsboeken verschillen van brieven, geschriften, pamfletten, dagboeken of leerboeken omdat ze niet van programmatische, didactische of registrerende aard zijn. Ze zijn intiemer. Ze hebben een autonoom karakter en liggen in het verlengde van het werk. Daniël Buren heeft het in “Les Ecrits”  over deze verlenging: als de kunstenaar de lijnen die het werk zelf uitgezet heeft, tracht te overschrijden, zal hij nieuwe grenzen opmerken die op hun beurt zijn onderzoek een nieuwe dimensie zullen geven, nieuw leven zullen inblazen. Het kunstenaarsboek: exploratie en uitbreiding van het mentaal grondgebied. Wat zijn kunstenaarsboeken nog meer? Het zijn virtuele ruimten, ze houden het werk “in een zwevende toestand tussen woorden en dingen” (Seth Siegelaub). Dit zwevend aspect maakt hen aantrekkelijk, het verleent hen armslag. En ondanks het feit dat het virtuele kunstwerk eerder gedacht of verondersteld wordt dan gegeven is (Alain), is het even werkelijk. De beelden die wij in deze boeken zien, openbaren ons het kunstwerk zoals in werkelijkheid. We hebben Williams’ glazen modellen van bloemen tussen onze vingers, we staan tussen de met parels en telefoons omgeven personages van Baldessari, reizen mee met of tegen de letter-wijzers van Barry’s klokboek of zitten in Weiners theater  – de “enig mogelijke voorstelling van het leven”. Tot slot: het kunstenaarsboek draagt, veel meer dan een literair werk, de geschiedenis  van het boek in zich mee, omdat de wijze waarop het tot stand gebracht wordt en het systeem of de idee waarvan het de uitdrukking is, een bepaalde leeswijze opleggen die me de lemen schrijfplankjes uit Sumer, de Egyptische papyrusrollen, de Chinese zijdedoeken, verweerde stenen of een stuk beschreven huid voor de geest roepen.

 

Noten

(1)     Kate Linker, The artist’s book as an alternative space, Studio International nr.990, blz.75-79, 1980.

(2)     Frederik Leen, Seth Siegelaub, Conceptual Art; Tentoonstellingen, Forum International, n° 9, Sept-Okt 1991.

(3)     Daniël Buren, Les Ecrits (I, II, III) (1965-1990), CAPC, Bordeaux.

(4)     Alain, Système des Beaux-Arts, Gallimard, 1926.

(5)     Pascal Quignard, Petits Traités (I-VIII), Maeght, Paris, 1990.

 

 

De Imschoot Bookgallery vindt u in Onderbergen 31, 9000 Gent. Het adres van Imschoot, uitgevers: Burggravenlaan 20, 9000 Gent (091/22.55.08).

Informatie over tentoonstellingen van door Imschoot uitgegeven kunstenaars: Van 28 februari tot 12 april vindt in Haus Lange en Haus Esters (Wilhelmshofallee 91/97, 4150 Krefeld, 0251/590.808) de manifestatie “Künstlerbücher I”  plaats met bijdragen van onder andere Baldessari, Buren, Weiner,… Tot 31 januari loopt in Galerie de l’ancienne poste (13, boulevard Gambetta, Calais, 21.36.67.14) de tentoonstelling “No Figure”  met werk van o.a. Peter Downsbrough. Van 16 januari tot eind februari loopt in Galerie Yvon Lambert (108, rue Vieille du Temple, 75004 Paris) een tentoonstelling met werken van Barry, Downsbrough, Graham, Toroni, Weiner, e.a. Lawrence Weiner stelt binnenkort tentoon in Galerie Szwajcer (Verlatstraat 14, 2000 Antwerpen, 03/237.11.27). “Une oeuvre, des maquettes”  van Peter Downsbrough loopt van 21 tot 31 januari in de Fondation pour l’Achitecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel (02/649.02.59). Dan Graham stelt van 29 april tot 1 juni in het Van Abbemuseum (Bilderdijklaan 10, 5611 NH Eindhoven, 040/38.97.30) tentoon. Dezelfde tentoonstelling loopt nog tot 28 februari in Le Nouveau Musée (11 rue Docteur Dolard, 69605 Villeurbanne, 78.03.47.00). “Walker Evans & Dan Graham” , Westfälisches Kunstmuseum (Domplatz 10, 4400 Münster,0251/591.3249) van 14 februari tot 28 maart.

‘Een zekere demonumentalisering van de kunstgeschiedenis’

In hun gezamenlijk werk zetten de kunstenaars en choreografen Manuel Pelmus en Alexandra Pirici professionele performers in om zorgvuldig gechoreografeerde enactments van bestaande kunstwerken uit te voeren, die bovendien inspelen op de context waarin ze plaatsvinden. In 2013 vertegenwoordigden ze Roemenië op de Biënnale van Venetië met An Immaterial Retrospective of the Venice Biennale. Sindsdien was hun werk onder meer te zien in het Centre Pompidou en in de tentoonstelling Confessions of the Imperfect, 1848-1989-today in het Van Abbemuseum te Eindhoven.

Steyn Bergs: Jullie hebben allebei een achtergrond in de podiumkunsten, en zijn beiden nog steeds actief bezig met dans en choreografie. Het bekendst zijn echter jullie samenwerkingen waarin jullie expliciet een relatie aangaan met de canon van de beeldende kunst – of juister: de canon van non-temporele beeldende kunst, van kunstobjecten. Wat was het precies dat jullie daarin aansprak? 

Alexandra Pirici: Om te beginnen zou ik willen zeggen dat kunstobjecten niet non-temporeel zijn, maar simpelweg een andere temporaliteit hebben dan dramatische kunstwerken, waarin het menselijk lichaam als medium fungeert. Zelf ben ik rond 2011 begonnen met enactments in de openbare ruimte, meer specifiek in relatie tot publieke monumenten. Ik refereerde toen nog niet aan tentoonstellingen, het museum, of de werken die daar tentoongesteld worden. Ik trachtte deze openbare objecten of constructies op een dusdanige wijze te benaderen dat de kijker uitgenodigd werd om het monument en de gedramatiseerde enactment met elkaar te vergelijken; ik wilde dat er zowel een spanning als een verwantschap met het ‘originele’ monument ontstond. Wat me vooral interesseerde aan zo’n enactment met liveperformers in relatie tot publieke monumenten, was de mogelijkheid om de geschiedenis terug in overeenstemming te brengen met de schaal van het menselijk lichaam, en duidelijk te maken dat die geschiedenis een redigeerbaar en herschrijfbaar narratief is. Bovendien wilde ik vragen stellen bij keuzes voor een bepaalde esthetiek of bepaalde materialen; welke ideologie schuilt achter dit soort keuzes, en wat voor dynamiek wordt ermee in gang gezet? Dit zijn nog steeds de vragen waarmee ik me vandaag bezighoud, ook in samenwerking met Manuel, alleen zijn de contexten verschillend. Uiteindelijk ben ik geïnteresseerd in het werken met de verschillende vormen van temporaliteit die tussen subject en object liggen, en in alle vraagstukken die dit vandaag de dag met zich meebrengt, zoals kwesties rond immateriële productie en de huidige evenementiële en ervaringsgerichte economie. 

Manuel Pelmus: Persoonlijk voelde ik me meer aangetrokken tot de beeldende kunst als veld. Wat me interesseert in de context van de beeldende kunst is dat verschillende disciplines er naast elkaar kunnen bestaan. Je kan film, muziek, dans, schilderkunst en een lezing samen presenteren. Dit is een heel open manier van werken, die het juist mogelijk maakt om verschillende vormen van temporaliteit en diverse formats te verenigen. In dit opzicht sluit het medium van de tentoonstelling goed aan bij onze hedendaagse sensibiliteit. In 2008 heb ik samen met twee collega’s (Brynjar Bandlien en Stefan Tiron) een enactment van Constantin Brancusi’s De poort van de kus uitgevoerd in Boekarest. We vonden het interessant om de sculpturen van Brancusi, alsook hun geschiedenis, te belichamen om zo hun betekenis om te buigen en vraagtekens te plaatsen bij de ideologische en nationalistische instrumentalisering van Brancusi in Roemenië. De enactment vond echter plaats in een theaterzaal, en ik was erg ontevreden over de beperkingen die het theaterapparaat aan dit werk, dat van nature eerder niet-theatraal was, oplegde. Pas in 2012, toen ik door de Württembergischer Kunstverein in Stuttgart uitgenodigd werd voor de tentoonstelling Acts of Voicing, kreeg ik echt de kans om deel uit te maken van een tentoonstelling. Ik wist toen ook onmiddellijk dat ik de performance naar de tentoonstellingsruimte wilde brengen, in plaats van deel uit te maken van een nevenprogramma met eerder dramatische werken. Ik herwerkte een solostuk dat oorspronkelijk bestemd was voor het theater; in die nieuwe versie was één performer twee weken lang elke dag aanwezig in een verduisterde tentoonstellingsruimte. Dit gaf me de mogelijkheid om te spelen met tijd en herhaling, en ik was erg tevreden over hoe mijn werk functioneerde binnen de tentoonstelling. Ik ben het dus eens met Alexandra dat het format van de tentoonstelling vandaag erg relevant is – ook trouwens omdat het uiterst geschikt is om te reflecteren over thema’s als economie, ervaring, productie, waarde, arbeid en participatie binnen het laatkapitalisme. 

S.B.: Hoe kiezen jullie de werken die jullie willen heruitvoeren voor projecten als An Immaterial Retrospective of the Venice Biennale (2013) of Public Collection of Modern Art (2014)? Toen ik vorig jaar Public Collection of Modern Art zag in het Van Abbemuseum, had ik de indruk dat jullie haast site-specifieke selectiecriteria gebruikten; jullie speelden in op het thema van de tentoonstelling en op de collectie van het museum. Anderzijds was het duidelijk dat er ook andere factoren meespeelden, zoals praktische choreografische overwegingen. Zouden jullie hier iets over kunnen zeggen? 

A.P.: Voor ons werk op de Biënnale van Venetië was de selectie inderdaad in hoge mate afgestemd op die specifieke site. Hetzelfde gold overigens voor Just Pompidou It. A Retrospective of Centre Pompidou (2014). Bij Public Collection is het referentiekader echter veel breder: het wordt gevormd door de kunstgeschiedenis in het algemeen, waarbij we vertrekken van de idee dat een materiële collectie de hoeksteen vormt voor het museum als instituut. Het is ook belangrijk te benadrukken dat we niet enkel een vertaling of herinterpretatie van bestaande kunstwerken beogen, maar deze aangrijpen als vertrekpunt voor de productie van nieuwe werken. Ons selectieproces is grotendeels subjectief, maar er zijn wel een aantal parameters die altijd meespelen: we kiezen werken die niet alleen in hun oorspronkelijke historische context relevant waren, maar ook in het heden kunnen worden ingezet. Ze moeten iets bevatten dat geactualiseerd kan worden, we moeten er een problematiek mee kunnen aansnijden. Verder kiezen we werken, evenementen of situaties van zowel bekende kunstenaars als minder grote namen. En tot slot is het uiteraard belangrijk dat we de geselecteerde werken geloofwaardig kunnen reconstrueren in het medium van het menselijk lichaam – en dit vormt altijd een uitdaging, vooral met abstracte, non-figuratieve kunstwerken. 

M.P.: Ik denk inderdaad dat het accent in ons recentste werk op algemenere thema’s is komen te liggen: kwesties als geheugen en herinnering, geschiedenis, het publieke museum als een plaats voor langetermijnpolitiek, en de economie van live uitgevoerde kunst in instituties die historisch gezien altijd gericht waren op het verzamelen van onveranderlijke, statische kunstwerken. Tegelijkertijd zijn sommige van onze nieuwere werken nog steeds op een heel specifieke context gericht. In onze bijdrage Bet voor de kunstbeurs FIAC in Parijs (2013) hielden we ons bezig met de specifieke ruimtelijke en economische context van de kunstbeurs, en brachten we ‘immateriële’ versies van sommige van de kunstwerken die er te koop waren. De titel van het werk verwijst naar de weddenschap die aan dit werk voorafging: we hadden gewed dat we dertig van onze heruitvoeringen konden verkopen aan duizend euro per stuk. Dit was op zijn beurt een referentie aan een weddenschap tussen de galerist Pierre Huber en Raphaël Julliard, die in 2005 beweerde dat hij tijdens één dag op de FIAC duizend identieke rode monochromen, vervaardigd door handarbeiders in China, zou kunnen verkopen voor honderd euro per stuk – en de weddenschap uiteindelijk ook won. We maakten voor Bet een gevarieerde selectie van werken in heel verschillende media; kunstwerken van grote namen (die dan ook gigantisch duur waren), maar ook van minder bekende kunstenaars die Alexandra en ik konden appreciëren. Ons selectieproces wordt met andere woorden gestuurd door een combinatie van subjectieve voorkeuren met erg precieze overwegingen over welke werken historisch gezien betekenisvol zijn of relevant kunnen zijn binnen de context of het curatoriële kader waarbinnen we werken. Even belangrijk is dat we proberen geen hiërarchisch onderscheid te maken tussen de eerder marginale kunstwerken en de bekendere voorbeelden. Het gaat ons er niet om een gecorrigeerde versie van de geschiedenis van de kunst voor te stellen, maar de bestaande canon ophemelen willen we evenmin. Ons werk moet de spanning tussen die twee uitersten behouden; een gezonde dosis oneerbiedigheid kan in dat opzicht goed zijn, zolang dat niet uitmondt in parodie of spot.

S.B.: Als ik jullie goed begrijp en mag uitgaan van het werk dat ik gezien heb, hanteren jullie een nogal brede opvatting van de ‘site’. De site kan ook historisch zijn, of ze kan bestaan uit een bepaalde politieke of discursieve context.

M.P.: Inderdaad, de site kan de specifieke geschiedenis omvatten van de plaats waar we werken, maar ook de bredere politieke en historische context van die plaats. En om dit nog verder te drijven: het kan bijvoorbeeld ook gaan om de geschiedenis van een bepaald artistiek medium, of van publieke instellingen in het algemeen. Op een nog abstracter niveau is ons werk eveneens een commentaar op de zogenaamde performative turn binnen de beeldende kunst, of op de geschiedenis van live uitgevoerde kunstwerken binnen tentoonstellingen. Ook al gebeurt dit allemaal nogal indirect, toch denk ik dat we ook reflecteren op die specifieke traditie, en de claims die deze performancekunst maakte herbekijken vanuit het perspectief van hedendaagse problemen.

A.P.: Om een ander voorbeeld te geven: Public Collection is een soort hybride die werkt als een adaptieve structuur. We proberen steeds een dialoog aan te gaan met de ideeën van de curatoren van de tentoonstelling waar we dat werk uitvoeren. In het Van Abbe ging het bijvoorbeeld om Confessions of the Imperfect, 1848-1989-today, een expositie die draaide om moderniteit en alles wat hierbij komt kijken. Vandaar dat we onze performers een aantal manifesten lieten reciteren: het Manifesto Antropofago van Oswald de Andrade, het communistische manifest, het futuristische manifest, Donna Haraway’s Cyborg Manifesto en het recente #Accelerate: Manifesto for an Accelerationist Politics. We meenden immers dat het format van het manifest bepalend is voor het ethos van het modernisme. Maar ja, over het algemeen kijken we zowel naar de geschiedenis van een bepaalde site – naar wat andere kunstenaars er gedaan hebben, of naar tentoonstellingen of evenementen die er plaatsvonden – als naar de politieke context en onze eigen concrete werkomstandigheden.

S.B.: Als ik het me goed herinner, eindigde de versie van Public Collection die jullie in het Van Abbe brachten met een re-enactment van Harun Farocki’s Workers Leaving the Factory (1995), een werk dat op zich al een herinterpretatie is van de film die de broers Lumière in 1895 maakten van arbeiders die aan het eind van een werkdag uit de Lumière-fabriek stroomden. De performers verlieten op dat punt ook daadwerkelijk het museum via de hoofduitgang. Dit vond ik om verschillende redenen interessant. Allereerst werd de rol van de performers op dat moment erg ambigu: het ging niet langer simpelweg om levende arbeid (de performers aan het werk) die dode arbeid (de afgewerkte kunstobjecten) ensceneerde; de performers speelden tegelijkertijd zichzelf en de door Farocki in beeld gebrachte arbeiders. Geschiedenis en heden vielen samen.

A.P.: Ik ben het helemaal met je eens, en we hebben dan ook voor dat bewuste werk van Farocki gekozen omdat het arbeid expliciet maakt, en omdat we wilden aantonen dat musea ook gewoon plaatsen zijn waar gewerkt wordt. Ik denk bovendien dat er nog wel meer situaties zijn waarin ons werk tegelijkertijd de aanwezigheid van de performers als kunstwerk en als mensen die aan het werk zijn bevestigt. Ik vind het frappant dat mensen het soms ongemakkelijk vinden wanneer de in een kunstwerk geïnvesteerde arbeid in een kunstinstituut zichtbaar wordt gemaakt door het gebruik van het menselijk lichaam als medium. Alsof in afgewerkte kunstobjecten geen arbeid zit, simpelweg omdat ze in de tentoonstelling niet zichtbaar wordt. Ook vind ik het idee van een shift (die bij ons overigens maximaal vier uur duurt en geen ‘afschuwelijk werkschema’ is, in tegenstelling tot wat een criticus recentelijk beweerde), dat door sommigen als problematisch wordt gezien, juist vrij aantrekkelijk in de hedendaagse context waarin de alomtegenwoordigheid van arbeid het onmogelijk maakt nog een strikt onderscheid aan te brengen tussen werk en vrije tijd. Manuel en ik zoeken naar nieuwe werkmethodes, naar minder veeleisende vormen van arbeid. We proberen eigenlijk zo weinig mogelijk uren te kloppen en toch fatsoenlijke vergoedingen te eisen voor onszelf en voor alle mensen waarmee we samenwerken. Ik kijk enorm uit naar de introductie van een universeel basisinkomen, maar tot die tijd denk ik dat we binnen de context van loonarbeid moeten vechten voor betere lonen en minder werk. Een flexibilisering die de vervreemding van de gehele persoonlijkheid eist – waarbij ‘zelfs de ziel aan het werk wordt gezet’, om Franco ‘Bifo’ Berardi te parafraseren – is niet bepaald mijn favoriete alternatief voor zogenaamd ouderwets, repetitiever werk.

S.B.: Om naar jullie optreden in het Van Abbe terug te keren… het einde waarbij de performers/kunstwerken het museum verlieten leek mij een metafoor voor het verlangen om bestaande kunstwerken nieuw leven in te blazen door ze van hun museale beknotting te emanciperen. Sowieso doet jullie werkwijze in het algemeen mij denken aan wat Adorno over traditie in de kunst te zeggen had: ‘Tegenover het verdict dat iets is verouderd, staat het inzicht in het gehalte van de zaak, waardoor deze wordt vernieuwd. Alleen een houding die ons bewust maakt van de traditie zonder ervoor te buigen, kan daar rekenschap van afleggen.’

M.P.: Voor mij heeft ‘live’ werken in het museum meer te maken met het morrelen aan institutionele grenzen en beperkingen, met de vraag wat een museum of een tentoonstellingspresentatie in de 21e eeuw kan zijn. En met een presentatie bedoel ik dan niet enkel een tentoonstelling van een welbepaald aantal werken, maar een dynamische uitwisseling tussen interventie, object en publiek, tussen tijdelijkheid en permanentie. We streven dus niet per se naar een zogenaamde revitalisering van kunstwerken (sowieso is de dichotomie tussen ‘dood’ en ‘levend’ wellicht te simplistisch), maar willen eerder onderzoeken hoe verschillende modaliteiten naast elkaar kunnen bestaan, hoe een veld waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen livekunst en kunstobjecten zou kunnen werken. Hoe kunnen we bestaande hiërarchieën aan de tand voelen en toewerken naar een hybrider soort tentoonstelling, die haar eigen economie in twijfel trekt? Kunnen we ons het museum als een levende entiteit inbeelden, in plaats van een plek waar alleen maar statische objecten worden verzameld? Het is vooral op die manier dat ik tradities nieuw leven in wil blazen.

A.P.: Het gebruik van het lichaam als medium kan de ervaring van het werk gronden in de ambiguïteit tussen objectieve observatie en empathie. Dit kan belangrijk zijn; het kan nieuwe vormen van affectiviteit en nieuwe ervaringen of trading zones mogelijk maken – om een concept van Peter Galison te gebruiken. Natuurlijk impliceert onze nogal eenvoudige en informele esthetiek – een gevolg van ons gebruik van zulke simpele middelen – sowieso een zekere demonumentalisering van de kunstgeschiedenis en van het aura van het kunstwerk. En ja, ik denk dat dit ook veel te maken heeft met een zekere bereidheid om een soort samenwerking aan te gaan met geschiedenis en traditie, in plaats van hier simpelweg mee te willen breken – een bereidheid, met andere woorden, om zowel in consonantie als in spanning met onze referenties te werken.

 

Deze tekst werd geredigeerd in het Engels en vertaald naar het Nederlands door de auteur.

‘Het geloof dat mensen zullen veranderen wanneer je zorgt voor goede woonblokken, straten en pleintjes, is even onnozel als denken dat ze dat zullen doen wanneer je de godsdienst afschaft’

Mens en agglomeratie (1966)

Koen Brams/Dirk Pültau: Wanneer heb jij Jef Cornelis voor het eerst ontmoet?

Geert Bekaert: Bij de voorstelling van zijn film Abdij van ’t Park (Heverlee), tijdens het Nationaal Festival van de Belgische Film van 1964 in zaal Elckerlyck te Antwerpen. Ludo Bekkers, die als programmator werkte bij de dienst Artistieke en Educatieve Uitzendingen van de toenmalige BRT, had me uitgenodigd om de vertoning bij te wonen. De film maakte grote indruk op mij. Ik heb toen voor het eerst met Jef Cornelis gesproken. Later hoorde ik van Ludo Bekkers dat hij het plan had opgevat om met architect Walter Bresseleers en Jef een film te maken over de urbanisatie in Stockholm, Mens en Agglomeratie.

K.B./D.P.: Hoe had je Ludo Bekkers leren kennen?

G.B.: Ik ben met hem in contact gekomen toen ik redactiesecretaris was bij het weekblad De Linie, een initiatief van de jezuïeten. Wij hadden geen middelen om auteurs te betalen. Ludo Bekkers ging voor de BRT naar al die buitenlandse manifestaties, biënnales en triënnales. Ik heb hem toen gevraagd of hij daarvan verslag wilde doen voor De Linie. Bekkers van zijn kant vroeg me vaak om teksten aan te leveren voor culturele programma’s van de openbare omroep.

K.B./D.P.: Wanneer was jij voor De Linie beginnen te werken?

G.B.: Begin jaren zestig, op een moment dat het weekblad in grote moeilijkheden verkeerde. Ik stelde een hervormingsplan op, maar maakte één fout: ik zorgde ervoor dat de hoofdredacteur Elias Vandenbussche tot algemeen directeur werd benoemd. Ik dacht dat hij daarmee tevreden zou zijn, maar dat was niet het geval. Hij heeft ons de hele tijd dwarsgezeten! De overige mensen waren allemaal nieuw. Frans Van Bladel was hoofdredacteur. Het liep als een trein; het aantal abonnementen piekte. In 1964 maakte de jezuïetenorde echter een einde aan De Linie. We hebben nog even overwogen om ermee door te gaan, maar dat lukte ons niet. Mark Grammens slaagde er wel in. Met de oprichting van De Nieuwe maakte hij van De Linie een lekenblad.

K.B./D.P.: Wat waren nadien je professionele activiteiten?

G.B.: Ik was hoofdzakelijk actief als redactiesecretaris van het maandblad Streven, eveneens geïnitieerd door de jezuïeten. Ik leverde ook teksten voor de openbare omroep, op vraag van Ludo Bekkers. Ik zal niet zeggen dat het een fulltime job was, maar ik was er toch bijna dagelijks mee in de weer. Verder gaf ik les in Bergen, Maastricht, Amsterdam… een beetje overal. Ik werkte ook aan het boek In een of ander huis. Kerkbouw op een keerpunt, dat in 1967 verscheen. In 1968 werd ik in Leuven benoemd tot docent aan de faculteit Kunstgeschiedenis. Vanaf dan schreef ik bijna wekelijks voor de krant De Standaard.

K.B./D.P.: Waarover men niet spreekt (1968) was het eerste project dat je samen met Jef Cornelis realiseerde, maar volgens Jef had hij reeds voordien met jou en Frans Van Bladel contact gezocht, omdat de samenwerking met Bresseleers niet goed liep. Hij zou je ook het scenario van Mens en Agglomeratie hebben bezorgd.

G.B.: Ik herinner me dat enigszins anders. Enige tijd voordat Jef, Ludo Bekkers en Walter Bresseleers begonnen waren met de voorbereidingen voor Mens en Agglomeratie had ik reeds verschillende gesprekken met Bekkers en Bresseleers over de manier waarop architectuur op televisie aan bod werd gebracht. Het was een moment waarop er twijfel heerste over hoe het nu verder moest met het project van het moderne. Welk standpunt moest je innemen aangaande het modernisme? Kon je het idealisme van die moderne urbanisatie, ook van het mensbeeld dat erachter schuilging, volhouden? Het geloof dat mensen zullen veranderen wanneer je zorgt voor goede woonblokken, straten en pleintjes, is even onnozel als denken dat ze dat zullen doen wanneer je de godsdienst afschaft, zoals Michel Onfray in zijn boek Atheologie beweert. Bresseleers, die Jef toen vrij goed kende, was een overtuigd modernist. Terwijl ik een beetje tegen de architecten was – nog altijd eigenlijk, tegen hun ongelofelijke blindheid en pretentie als ze over wonen spreken.

K.B./D.P.: Bestond er op dat ogenblik – eind jaren zestig – een kritisch discours over het modernisme? Was er überhaupt een discours waarmee je je verwant voelde of stond je alleen met je kritiek?

G.B.: Ik stond niet alleen. Het modernisme kwam werkelijk ter discussie te staan. Tot 1958 had je de wederopbouwperiode. Nadien kwam het debat volop op gang – in het buitenland evenwel, in België is er nooit echt veel discussie geweest. Wie schreef er toen over architectuur? Ik zou het niet weten. Karel Elno, voor wie ik veel respect had, was een van de weinigen. Hij is overigens onder mijn impuls over architectuur beginnen schrijven. Voordien was hij vooral met kunst en design bezig. Die weg heb ik zelf ook afgelegd. Ik was eerst als kunstcriticus actief, maar gaandeweg hield ik me meer bezig met architectuur. Ik ben wel altijd de kunst blijven volgen. Niet op dezelfde manier als in het begin, maar toch.

K.B./D.P.: Wat was jouw reactie toen je het scenario van Mens en Agglomeratie onder ogen kreeg?

G.B.: Ik had veel kritiek op dat project. Ik vond dat je op die manier niet meer over urbanisatie of moderne architectuur kon spreken. Je moest daar iets anders mee doen. Wellicht een beetje pretentieus van me, maar feit is wel dat Jef na Mens en agglomeratie niet meer heeft samengewerkt met Bresseleers.

K.B./D.P.: Zijn er op jouw aangeven wijzigingen aangebracht in Mens en agglomeratie?

G.B.: Ik denk het niet. Ik had overigens niet zozeer kritiek op het cinematografische, maar op de inhoudelijke stellingen die in de film verdedigd werden. Het ideaal dat de film naar voor schoof, was dat van de stadsvernieuwing in Stockholm en de achterliggende modernistische opvattingen. Stockholm was echter in zekere zin een verzwakte uitwerking van die opvattingen, net zoals het Scandinavische meubel in die tijd, dat de humanisering van het modernisme incarneerde.

 

Waarover men niet spreekt (1968)

K.B./D.P.: In april 1966 schrijf je een algemene programmatekst, Stad in beweging. Op dat moment wordt het plan opgevat om filmpjes te maken over architectuur, die vijf minuten tot een half uur zouden duren en die ingelast zouden worden tussen allerlei programma’s of zelfs ín verschillende programma’s, als heuse ‘reclameblokken’. In het VRT-archief bevindt zich een document met de titels van die filmpjes. Het gaat om een waaier van onderwerpen: ‘schaalvergroting van het wonen’, ‘idee en werkelijkheid van het individuele wonen’, ‘stad en gezondheid (het stadsklimaat)’, ‘het verkeer’, ‘democratie en representatie’, ‘recreatiegebieden’ enzovoort. Er is tevens een tekst bewaard van Ludo Bekkers waarin hij zijn oversten probeert te overtuigen van het belang van de plannen die hij samen met jou en Jef wilde realiseren. Van wie kwam het idee van Stad in beweging? Van jou, van Ludo Bekkers of van Jef?

G.B.: Ik veronderstel dat het een voorstel van Jef was. Jefs wereld was die van de televisie en dit soort televisietechnische ideeën kunnen alleen maar van hem gekomen zijn. Ik moet er wel aan toevoegen dat onze samenwerking vrij symbiotisch was, wat het niet altijd makkelijk maakt om een idee ondubbelzinnig aan Jef of aan mij toe te schrijven.

K.B./D.P.: Uit het project spreekt een sterk geloof in de mogelijkheden van het medium televisie. Ook in het artikel Urbanisme en film dat je in die tijd voor De Standaard schreef, verdedig je de stelling dat je met televisie of film ideeën op een bijzondere manier zichtbaar kan maken.

G.B.: Dat klopt, maar het project Stad in beweging is nooit van de grond gekomen. Het lag echter wel aan de basis van Waarover men niet spreekt, de trilogie die bestaat uit Home sweet home, Alice in Wonderland en Een hemel op aarde, telkens een half uur lang.

K.B./D.P.: Is er materiaal dat in eerste instantie was bedoeld voor die autonome filmpjes terechtgekomen in Waarover men niet spreekt?

G.B.: Ik denk het niet. Aan de drie films die samen Waarover men niet spreekt vormen, lag een vrij strikt plan ten grondslag.

K.B./D.P.: In welke omstandigheden is de trilogie gerealiseerd?

G.B.: Het is het enige project, denk ik, dat ik van begin tot einde samen met Jef heb gemaakt, inclusief de opnamen op locatie. Voor programma’s zoals Zoeklicht of Openbaar Kunstbezit maakten we afspraken: ik schreef het scenario en Jef ging op prospectie. Ik was er ook niet altijd bij als er gefilmd werd. Filmpjes zoals bijvoorbeeld over de Cogels Osylei (1970 en 1971), zou Jef niet gemaakt hebben zonder mij. Maar de opname, de montage… dat was allemaal volledig zijn werk.

K.B./D.P.: Hoe is de prospectie voor Waarover men niet spreekt verlopen?

G.B.: Er is geen prospectie geweest! We zijn eenvoudigweg naar Frankrijk, Zwitserland, Italië en Engeland gereden en hebben er gefilmd.

K.B./D.P.: Jij, Jef, de camera- en de geluidsman?

G.B.: Ja, we beschikten over een bestelwagentje. Het was niet altijd erg comfortabel. We hebben nog ergens in het Noorden van Italië, in Turijn of zo, autopech gehad.

K.B./D.P.: Is die driedelige structuur tot stand gekomen in dialoog tussen jou en Jef, of was dat eerder jouw bijdrage?

G.B.: Die opbouw was mijn idee. Jef had daar geen opvattingen over. De opsplitsing in drie delen van elk een half uur is echter kunstmatig; televisie verdraagt nu eenmaal geen programma’s van anderhalf uur. Maar de delen vormen een eenheid; Waarover men niet spreekt is echt gedacht als één geheel.

K.B./D.P.: In deel 1, Home sweet home, wordt het droomhuis belicht, het huis in ons hoofd. Het gaat om het burgerlijke archetype van wonen.

G.B.: We hebben nooit het burgerlijke wonen als zodanig verdedigd, zoals Luc Deleu dat heeft gedaan. Deleu zette als architect zijn handtekening onder fermettes, omdat hij van oordeel was dat mensen de vrijheid moesten hebben om te wonen zoals zij dat wilden. Bouwde hij zelf, dan was het nochtans iets helemaal anders. We hebben de burgerlijke woning voorgesteld als iets dat ontstaan was, als iets dat bestond, en dat in tegenstelling tot een modernistisch appartement mogelijkheden bood van beleving, zoals ook tegenwoordig al die aangepaste oude woningen aantonen. Het ging over de betrekkelijke vrijheid van dat burgerlijke wonen tegenover de fixatie van de verschillende functies in het modernistische appartement. Ook in mijn artikelen ben ik blijven zoeken naar de aard van een architectuur die de bewoner ontvangt, maar tegelijkertijd vrij laat. En zoals ik ook in Bouwen in België (1971) schreef: de burgerwoning maakte dat mogelijk. Die had een zodanige structuur dat je ermee kon doen wat je wilde: je kon beneden gaan slapen of boven. Ook de arbeiderswoningen van de negentiende eeuw boden die mogelijkheid. Zij legden evenmin functies vast, tenzij in heel grote lijnen. De modernen hebben dat allemaal gefixeerd. Een modernistische architect zoals Antoine Pompe was er bijvoorbeeld van overtuigd dat de architectuur mensen modern moest maken. Maar met architectuur kan je zo’n transformatie niet teweegbrengen.

K.B./D.P.: In Waarover men niet spreekt wordt de montage als een radicaal discursief instrument ingezet.

G.B.: Ja, door de montage wordt iets gesteld. Het is een betoog. Misschien is het eerste deel het heftigst.

K.B./D.P.: Home sweet home begint met een beeld van een soort Tijl-en-Nelehuis. Op een bepaald moment zoomt de camera in op een deurklopper: we staan op punt het huis binnen te gaan. Vervolgens worden beelden van een ijsrevue op de kijker afgevuurd. De manier waarop die spektakelbeelden in de sfeer van huiselijkheid worden geschoven, doet heel erg denken aan het discours van Guy Debord over de spektakelmaatschappij.

G.B.: De grondidee is dat je de ijsrevue, maar ook de mode bijvoorbeeld, ernstig moet nemen – of toch in bepaalde mate. Ze raken aan een fundamentele behoefte, die danig verschilt van die waar de architecten mee bezig zijn, denk aan hun preoccupatie met vormen bijvoorbeeld. Men is niet verplicht om naar een ijsrevue te gaan. Mensen worden daarentegen wel gedwongen om in flats te gaan wonen. Ze hebben geen andere keuze. Dat is nu wel enigszins veranderd, maar toen was het zo. Neem bijvoorbeeld de Bijlmermeer in Amsterdam. Zo’n ideale stad wilden ze trouwens ook hier voor de buurt van de Cogels Osylei. De Koninklijke Maatschappij van Bouwmeesters van Antwerpen had al een plan klaar. Heel de Zurenborgwijk zou worden gesloopt zodat te midden van het groen kon worden gewoond. Ik ben toen de discussie aangegaan met de burgemeester van Berchem; er werd een openbaar debat tussen ons georganiseerd met Karel Hemmerechts als gespreksleider. Zij hadden altijd geleerd dat de negentiende eeuw niets dan rommel had opgeleverd en dat die huizen die daar bij elkaar stonden niets waard waren. Je moest ze uitleggen dat die burgerlijke woonvorm misschien niet ideaal was, maar dat ze toch iets had wat dat wonen in het groen zou missen. Jef en ik hebben ook twee filmpjes gemaakt over die kwestie. Directeur-generaal Paul Vandenbussche heeft ons nadien op de vingers getikt. Een kritische stellingname was niet toegelaten op de televisie.

K.B./D.P.: In Home sweet home worden appartementen bij het Rivierenhof in beeld gebracht. De kijker wordt rondgeleid in een appartement en het is prachtig: het park, de eendjes. Maar uiteindelijk blijkt dat gebouw toch een soort modernistisch blok dat uit uniforme wooneenheden bestaat. Wat verderop wordt een villawijk in beeld gebracht: een aaneenschakeling van allemaal identieke villa’s. Het gaat nadrukkelijk om serieproductie. De film stelt eigenlijk dat dat huisje van Tijl en Nele door het modernisme in serie wordt geproduceerd.

G.B.: Ja, dat klopt.

K.B./D.P.: De toon is grimmig, vooral in de eerste twee delen. De suggestie is dat alles wordt geformatteerd: van het begin van het leven – kinderen worden na de geboorte opgeborgen in couveuses die keurig op een rij staan – tot de dood, wanneer de lijken in rekken worden geschoven. In de tussentijd woont men in een huis dat in serie wordt gebouwd. Alles wordt in een mal geperst, waardoor het sociale leven uitdooft. Dat is een beetje de stelling.

G.B.: Ja, het sociale leven, maar ook het intellectuele en culturele leven. Het wordt allemaal teruggebracht tot schema’s. Als tegenvoeter hebben we dat getto gefilmd, die bidonville nabij Parijs, die voor mij een revelatie was.

K.B./D.P.: Hoe waren jullie daar terechtgekomen?

G.B.: Ik twijfel of het gepland was. Misschien hebben wij die sloppenwijk ontdekt toen wij daar in de buurt waren. De bidonville bevond zich nabij Sarcelles, een gemeente die deel uitmaakt van de Parijse agglomeratie, gekend omwille van zijn sociale woningbouw. Sarcelles stond in elk geval op het programma, de bidonville wellicht niet. Het bezoek aan die favela was een spectaculaire ervaring. Er was geen elektriciteit… Ik heb onder andere ontdekt dat de regelgeving in een bidonville veel strenger is dan in zo’n blok van Sarcelles. Alleen ben je er niet van op de hoogte. Aan een plank die in het water ligt naast een spelend kind mag je bijvoorbeeld niet komen. Die heeft een bepaalde functie. We zijn ook binnen geweest. Maar dat heeft tijd gekost! Je moet minstens drie etappes afleggen vooraleer je de intimiteit van de huiskamer – als je het zo mag noemen – bereikt. De ervaring van het wonen heb ik nooit zo sterk aangevoeld als daar. Terwijl het, van buitenaf gezien, onmogelijk lijkt. De film laat dat zien, zonder een standpunt in te nemen.

K.B./D.P.: Je zegt dat de film het laat zien, eerder dan het te beargumenteren, maar beide betogen – zowel de beeldmontage als de begeleidende tekst – zijn heel uitgesproken. We denken nu in het bijzonder aan de volgende passage in het tweede deel, Alice in Wonderland: ‘De architect doet zijn werk, de urbanist doet zijn werk, Eichmann deed ook zijn werk.’

G.B.: Ik heb altijd gezegd dat de films van Jef geen teksten nodig hadden. Maar dat mocht natuurlijk niet.

K.B./D.P.: In Alice in Wonderland wordt bij de kijker een half uur lang de boodschap ingepompt dat architectuur en urbanisatie de stad totaal om zeep hebben geholpen. Het is een striemend betoog tegen het werk van de architect en de stedenbouwkundige.

G.B.: Dat was ook mijn overtuiging. Ik heb daar indertijd een stuk over geschreven in De Standaard: Sterft de stad aan stedebouw? Ik denk dat overigens nog steeds. Als ik nu zie hoe ze weer bezig zijn. Die verfraaiing met stedelijk meubilair, de stoep een beetje breder of wat smaller, wat levert dat in hemelsnaam op? Ik ben altijd overtuigd geweest van de mogelijkheden van de architectuur, maar ik moet telkens weer vaststellen dat de architecten het verknoeien. Ik heb altijd de architectuur verdedigd en de architecten aangevallen omdat ze op zo’n domme, zo’n onverantwoorde manier met architectuur omgaan, met haar mogelijkheden. Ik maak de architecten persoonlijk geen verwijten – die stoten op zoveel problemen, maar sommigen slagen er wel in aan die problemen te ontsnappen. Ik heb echter wel een ontwikkeling doorgemaakt. Ik zou nu verdedigen dat een gebouw op zich betekenis heeft, als paradigma. Daar dacht ik heel lang helemaal anders over. Een goede villa in een onnozele wijk kon voor mij niet. Nu zou ik zeggen: bouw een goede villa en laat de rest voor wat het is.

K.B./D.P.: Eertijds was je van oordeel dat de revolutie zuiver moest zijn?

G.B.: Ja, de gedachte dat het allemáál behoorlijk moest zijn, zat er diep in.

K.B./D.P.: Is er verandering gekomen in je houding tegenover de modernistische urbanisatie? Het is toch vreemd dat je zo afrekent met de modernisten, terwijl je er tegelijkertijd toch ook intens mee bezig bent geweest, bijvoorbeeld met Le Corbusier.

G.B.: Ik heb altijd beweerd dat als we Le Corbusier zouden hebben laten bouwen, hij nooit zou hebben gebouwd wat op papier stond, dat hij op een andere manier zou hebben gereageerd op de concrete situatie – wat misschien ook niet helemaal waar is.

K.B./D.P.: De positieve benadering van architectuur en urbanisme in het derde deel van Waarover men niet spreekt, komt enigszins geforceerd over omdat in de eerste delen zo radicaal is afgerekend met het werk van architecten en stedenbouwkundigen.

G.B.: Ja, dat kan ik me voorstellen. Het laatste deel vind ik het meest discutabele omdat de betekenissen nog niet vastlagen. Het stadsvernieuwingsproject in Cumbernauld (Schotland) was men bijvoorbeeld nog volop aan het bouwen. Je kan laaiend enthousiast over iets zijn en veertien dagen nadien moet je al toegeven dat je je misschien hebt vergist. Er zitten niet echt fouten in Een hemel op aarde, maar je zou vandaag andere voorbeelden kiezen. Avoriaz gold als een doorbraak in het denken over het vakantiedorp, maar grote architectuur is dat niet. Het bleek uiteindelijk niets anders te zijn dan een middel om de commercie nog beter te doen draaien.

K.B./D.P.: Gold dat voor alle bouwprojecten? De sociale dienst van Olivetti in Ivrea was toch al iets ouder?

G.B.: Ivrea was ouder en was dan ook een zekerheid. Het is nog altijd een verworvenheid. Avoriaz staat er nog altijd, maar het heeft niet die betekenis van Ivrea. Cumbernauld is ook niet geworden wat men ervan had verwacht. Maar wat we kozen, was het beste dat er was. Je moest laten zien dat er alternatieven waren. Dát is eigenlijk de inzet van het derde deel. Een hemel op aarde is doortrokken van het geloof dat het anders kan. Niet dat we geloven dat er een nieuwe wereld moet worden opgebouwd tegenover en naast de andere, maar wel dat uit de oude wereld een nieuwe kan ontstaan. Dat is wat simpel gezegd, maar daar komt het wel een beetje op neer.

K.B./D.P.: Nadat Waarover men niet spreekt was ingeblikt, werd een persconferentie belegd. Heb je daar nog herinneringen aan?

G.B.: De persconferentie was niet erg overtuigend. Het was heel stug. We wisten niet goed hoe we het moesten aanpakken. Maar de film is uitvoerig becommentarieerd en, voor zover ik mij herinner, vrij gunstig onthaald. We kregen ook enkele interviews.

K.B./D.P.: Er zijn twee interviews in Humo verschenen. Het eerste bij de eerste reeks uitzendingen in 1968 en het tweede bij de heruitzendingen in 1969. De film werd misschien gunstig onthaald omdat men echt het gevoel had, of men nu laaiend enthousiast was of niet, dat Waarover men niet spreekt een soort televisie was die nog niet eerder was vertoond.

G.B.: Je was voor of tegen; de trilogie sprong er in elk geval uit, zelfs internationaal. De pers heeft goed gereageerd. Als je vandaag een programma zou maken met zoveel weerklank, zou dat een succes zijn.

K.B./D.P.: Herinner jij je een of meerdere journalisten die erover geschreven hebben?

G.B.: Nee, ik zat niet in dat milieu. Ik kwam wel veel op de BRT, maar ik maakte er geen deel van uit.

K.B./D.P.: Jij schreef in die periode voor De Standaard. Een paar weken voor de film op antenne kwam, wijdde je een artikel aan urbanisme en film, waarin je tevens Waarover men niet spreekt aankondigde. Op 17 januari 1968 schreef je er zelfs een artikel over in K&C-agenda.

G.B.: Ik verzorgde mijn eigen publiciteit. Dat was ook wel nodig.

 

De straat (1972)

K.B./D.P.: Na Waarover men niet spreekt zetten jullie de kritische visie op stedenbouw en architectuur uit dat programma voort. Bouwen in België uit 1971, ook een film van een half uur, zou je bijna kunnen beschouwen als het vierde deel van Waarover men niet spreekt.

G.B.: We zijn gewoon doorgegaan. Wanneer zich een gelegenheid aanbood, werd een film gemaakt. Zo was de tentoonstelling Bouwen in België in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel een aanleiding om opnieuw aandacht te vragen voor architectuur en stedenbouw in België.

K.B./D.P.: Ook De straat (1972) herneemt jullie kritische boodschap. Hoe kwamen jullie tot die film?

G.B.: Jef en ik waren bezig met het thema van de straat, maar stelden vast dat ook Jean Leering, directeur van het Van Abbemuseum (Eindhoven), dat onderwerp op de agenda had gezet. Hij wou er een tentoonstelling over maken. Ik herinner me dat we in Eindhoven op gesprek zijn geweest om na te gaan of we konden samenwerken, maar al heel vlug bleek dat Leering alles naar zich toe wilde trekken.

K.B./D.P.: In welke zin?

G.B.: Hij schreef ons bijna voor wat we moesten filmen. De film zou helemaal in functie staan van een tentoonstelling waar wij verder niets mee te maken hadden. We beslisten de film alleen te maken.

K.B./D.P.: Wanneer precies kwamen jullie tot die conclusie?

G.B.: Dat weet ik niet meer. Ik herinner me wel dat Jef en ik op een gegeven moment tegen elkaar hebben gezegd dat het zou mislopen.

K.B./D.P.: Verschilden jullie ook in inhoudelijk opzicht van mening met Jean Leering?

G.B.: Ik denk het wel. Leering was het museum en de kunst beu. Hij vond dat het allemaal nutteloos was, dat het sociaal niet meer rendeerde. Hij wou een heel ander beleid gaan voeren. Voor mij betekende dat: afhaken, vluchten voor de echte problematiek.

K.B./D.P.: Dachten jullie ook anders over de straat?

G.B.: Ja. Leering idealiseerde de straat en geloofde zijn eigen illusie zonder zich de vraag te stellen of het nog wel mogelijk was, of het nog een grond had.

K.B./D.P.:Reclaim the streets’, dat soort ideeën?

G.B.: Ja, dat soort gedachten waren toen erg populair. Neem bijvoorbeeld de manier waarop Jane Jacobs de wijk verheerlijkte in de jaren zestig. Nochtans bestond die wijk toen al lang niet meer. Leering dacht er ook zo over. Dat was fake. Leerings hele aanpak, waarvan zijn tentoonstelling De straat. Vorm van samenleven een uiting was, getuigde van een naïeve instelling. Los daarvan bleek dat de tentoonstelling gewoon een lawine van gegevens was, straatopnamen van wat iedereen al dagelijks kon zien zonder dat er iets mee gedaan werd.

K.B./D.P.: In de film De straat suggereren jullie dat de straat ooit een belevingsruimte was. Is het niet evenzeer een vorm van idealisme om te denken dat de straat als harmonieus model ooit bestaan heeft?

G.B.: Die was er zeker! Ik heb die als kind nog meegemaakt. Het was een realiteit die je niet kon negeren. ’s Avonds zat iedereen omgekeerd op zijn stoel voor de deur te praten. Dat was voor de Tweede Wereldoorlog… en tijdens de oorlog, maar dan kwamen er toch al wat spanningen: sommigen waren vóór, anderen tégen de Duitsers. Maar dat die straat er is geweest, dat is zeker. In sommige plekken in de wereld bestaat de straat als belevingsruimte nog steeds. In de film brengen we onder andere overtuigende beelden van het Italiaanse dorpje Alberobello. Je moet daar wel een prijs voor betalen. Met drastische middelen, ideologisch en praktisch, moet je een gebied isoleren en overtredingen van de voorschriften sanctioneren. Er zijn dus een aantal belangrijke voorwaarden.

K.B./D.P.: De straat eindigt conservatief. De stelling is dat het verkeer de stad helemaal kapot heeft gemaakt. Plaatsen waar de auto nog niet is binnengedrongen, moeten worden behouden, dat is het enige wat ons rest. In tegenstelling tot Waarover men niet spreekt wordt er in De straat geen idylle meer opgevoerd; de film opent zelfs geen nieuwe perspectieven.

G.B.: Op een bepaald moment was dat het enige wat je kon doen in steden zoals Antwerpen, waar men dreigde de autosnelweg door te trekken tot op de Meir.

K.B./D.P.: Zowel in Bouwen in België als in De straat overheerst de kritiek op de stedenbouw: er is geen best practice meer. Lieten jullie positieve voorbeelden achterwege omdat jullie achteraf bekeken niet zo gelukkig waren met dat derde deel van Waarover men niet spreekt?

G.B.: Impliciet zal dat wel het geval zijn geweest.

K.B./D.P.: Deelden jullie dat gevoel, Jef en jij?

G.B.: We hebben het daar nooit expliciet over gehad. Jef was daar niet zo mee bezig. Hij zal wel een aantal ideeën hebben gehad, maar dan steeds inhakend op mijn inbreng. Een idee over de toekomst van de straat, ik denk niet dat hij dat had. Maar ik weet het niet; we hebben daar nooit over gesproken.

K.B./D.P.: Hoe werkten jullie dan samen? Hadden jullie geen discussies?

G.B.: Gesprekken wel, maar nooit discussies. We aanvaardden elkaars suggesties. Geen van beiden zijn wij grote praters. Het ging allemaal vanzelf. Samen ideeën ontwikkelen of overleggen waarvoor moest worden opgekomen? Nee, dat niet.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Eveline Vanfraussen

Eindredactie: Koen Brams

 

Dit interview werd afgenomen op 17 maart 2006. Met dank aan argos voor het beeldmateriaal.  

De aanbidding van het beeld

Jeroen de Rijke en Willem de Rooij vormen een, aan de Rietveld academie afgestudeerd, in Amsterdam woonachtig kunstenaarsduo, dat als De Rijke/De Rooij heeft geëxposeerd in het Van Abbemuseum, in aansluiting op Cinéma Cinéma, terwijl hun werk dit najaar in het Stedelijk Museum te Amsterdam te zien zal zijn. Ze werken consequent met film, 16 mm en 35 mm, en hun films zijn expliciet voor musea bedoeld, waar ze een of enkele malen per uur dienen te worden vertoond, want het is de bedoeling dat de bezoeker ze van begin tot einde bekijkt (ze duren een minuut of tien). De films die mij boeiden waren I’m Coming Home in Forty Days (1997) en Of Three Men (1998). De eerste film bestaat uit drie shots: de eerste een stilstaand aanzicht van een ijsberg, blijkbaar opgenomen vanuit een schommelende boot; het tweede een langdurige rider rond de ijsberg vanaf een boot; en de derde een bovenaanzicht op het zeewater, een vreemd, lichtgroen, kadervullend beeld. Ik meende dat deze film mij boeide, omdat ik telkens weer om voor mij ondoorgrondelijke redenen bewogen raak door beelden van ijsbergen, zoals te zien in natuurprogramma’s. Maar ook de tweede film sprak mij aan. Of Three Men bestaat uit één shot, waarin aanvankelijk een persoon in donkere mantel pal voor de camera beweegt, en als die wegloopt, kijk je recht in een kerk, waarvan je al snel ontdekt dat deze in gebruik is als moskee. Achter in het beeld zit rechts een groepje van drie personen, die de film lang blijven zitten. De enige handeling is dat er op een gegeven moment een persoon rechts de moskeeruimte inloopt (en verdwijnt), maar vooral dat het licht voor in het beeld een aantal maal dramatisch verandert. Het beeld roept onvermijdelijk, maar niet hinderlijk, herinneringen op aan de kerkinterieurs van Saenredam. Beide films hebben iets monumentaals, aandachtigs, weloverwogens.

 

Arjen Mulder: Waarom werken jullie met film en bijvoorbeeld niet met video?

De Rijke/De Rooij: Vanwege de beeldkwaliteit. Video heeft een ander soort beeld, en die andere beeldkwaliteit heeft een andere betekenis. Maar in eerste instantie gebruiken we film omdat we het geprojecteerde beeld heel mooi vinden, en die kwaliteit kan door video nog steeds niet worden benaderd. Omdat de dingen die we maken onder andere over de schoonheid van het plaatje gaan, zochten we de beste beeldkwaliteit. Daar komt bij dat we de manier van werken bij film prettig vinden. Dus dat je lang moet nadenken voor je iets gaat doen, dat je een hele productie moet opzetten, en dat dan alles in één punt samenkomt op het moment dat je schiet. Dat is het magische moment: het moet echt op dat ene moment goed gaan. Ook omdat we met kleine budgetten werken en niet duizend takes kunnen nemen. Dat vind ik heel fijn: dat het moment van het beeld maken net zo lang duurt als het werk zelf, en dat de rest voorbereiding is. We willen echt de selectieve aandacht op geselecteerde beelden vestigen.

Arjen Mulder: Wat is de eigen betekenis van film die je aanduidde?

De Rijke/De Rooij: De mythe over de magie ervan. Dat is een wollig gegeven, maar het werkt wel. We willen niet refereren aan de filmgeschiedenis, maar je kunt er niet onderuit dat je te maken hebt met een medium dat altijd met magie wordt geassocieerd. Zie de mythische namen van bioscopen: Calypso, wereldwonderen als Alhambra, exotische steden als Luxor. Ik kan me voorstellen dat de eerste keer dat mensen ernaar keken, ze het als mirakelachtige verschijning zagen, iets wat je met z’n allen moest gaan beleven.

Arjen Mulder: De magie werkt op de kijker, de bezoeker?

De Rijke/De Rooij: Het werkt op ons als makers tijdens het werkproces, en ik denk dat het ook op een kijker werkt. Als je zo’n beeld in het halfduister van begin tot einde bekijkt, heb je een andere ervaring dan wanneer je door een lichte ruimte loopt en je wordt vrijgelaten om naar binnen naar buiten te lopen wanneer je maar wilt. Daarom werken we met viewings: als je het begin niet ziet, heb je iets gemist, en het einde idem dito. Het begin en einde zitten er ook bewust aan. In feite vertellen we altijd verhalen, omdat ze een begin en een middenstuk en een eind hebben. Dat is de definitie van een verhaal. Film kan nooit ontsnappen aan het verhaal, tenzij je heel abstracte of schematische technieken toepast.

Arjen Mulder: Het gaat je om de immersieve kwaliteit van film, dat je er helemaal in opgenomen wordt?

De Rijke/De Rooij: Nee, want het is geen hypnose. Het gaat er niet om dat je jezelf vergeet en er aan het eind als een soort gekookt ei weer uitkomt. Je hebt in onze films ook de mogelijkheid om af en toe aan iets anders te denken, en dan kom je terug. Zo kun je een aantal ervaringen hebben terwijl je naar de film kijkt.

Arjen Mulder: Wat voor beelden willen jullie maken?

De Rijke/De Rooij: We maken een redelijk traditioneel beeld. We zijn er niet op uit een nieuwe manier van beelden maken uit te vinden. Er zijn mensen die dat mooi doen, maar homevideoachtige invloeden of effecten gebruiken wij helemaal niet. Wij willen dat je het beeld herkent als je het ziet. Als je een bepaald soort beeldopbouw hebt, denk je dat je het herkent, en zet je er geen vraagtekens bij. Je moet niet gaan denken: goh, wat zit ik hier naar een innovatieve manier van beelden maken te kijken. Je moet je afvragen: wat zie ik, wat staat er op het plaatje?

Arjen Mulder: Zoeken jullie aansluiting bij de klassieke schilderkunst, het perspectivische beeld?

De Rijke/De Rooij: We hebben een abstracte film gemaakt: de film over de ijsberg. Op die film zitten we aan de randen van ons materiaal. De ijsberg was zo wit dat het materiaal van 16 mm dat bijna niet registreert. Er zijn stukken waar sommige randen van de berg wegvallen en samenvallen met de lucht, en dan zit je eigenlijk naar de projectiewand of het geprojecteerde licht te kijken. Je weet ook niet goed wat de formaten van de ijsberg zijn, iets wat wijzelf ook nauwelijks konden inschatten toen we daar waren. We keken in die tijd veel naar abstracte kunst, de abstract-expressionisten. Het had ook met onze bemoeienis met de presentatie te maken. Op de Rietveld academie was de gebruikelijke route dat je op filmavonden je werk liet zien, en zo kwamen wij er snel achter dat wij dat niets vonden, omdat je geen invloed hebt op wat er voor en na jou wordt vertoond. Dat beïnvloedt sterk de manier waarop er naar je film wordt gekeken. Bovendien bestaat in een klassieke cinemasetting altijd de verwachting dat je naar een speelfilm gaat kijken. Dat wilden we ook vermijden. Toen begrepen we dat we naar de witte kubus wilden. En in zo’n witte kubus hangen de abstract-expressionisten. Dat werk vonden wij heel mooi, ook omdat het over religieuze onderwerpen gaat, terwijl je daar niets van kunt zien, je kunt het alleen ervaren. We keken ook naar Theorema van Passolini vanwege de poëtische cameravoering. Met dit in ons achterhoofd gingen we naar Groenland.

Arjen Mulder: Er zit voor jullie een religieuze dimensie in het beeld?

De Rijke/De Rooij: Er zit een religieuze dimensie aan een hoop andere dingen en ervaringen, maar ook in het beeld.

Arjen Mulder: Kun je die religieuze dimensie omschrijven?

De Rijke/De Rooij: Nee.

Arjen Mulder: Wat beschouwen jullie als je onderwerp, je thematiek?

De Rijke/De Rooij: Die verschilt per film. Maar als je het hebt over de presentatie ervan en het medium, dan is een onderdeel van de thematiek dat we vinden dat de beelden aandachtig bekeken moeten worden. Niet alleen onze beelden, maar ook andere beelden. En dat je als beeldend kunstenaar, als beeldenmaker, je ervan bewust moet zijn hoeveel beelden er bekeken worden. En dan moet je je afvragen of er mogelijkheden zijn om mensen een beeld te laten ervaren op een manier die het beeld het best tot zijn recht doet komen. Niet alleen onze beelden, maar ook beelden van de televisie, uit tijdschriften, andere kunstwerken.

Arjen Mulder: Jullie zetten je af tegen de huidige beeldcultuur?

De Rijke/De Rooj: Nee, daar horen wij ook bij, want we maken ook beelden. Ik vind de productie van al die beelden nog tot daar aan toe, al zit er een hoop bagger bij. Maar dat kun je niet tegenhouden, en het wordt ook steeds meer. Ik verzet me eerder tegen de willekeurige, compulsieve consumptie ervan. Mensen moeten leren selectiever te kijken en niet zeuren dat ze bedolven worden onder de beelden. Je gaat ook niet klagen dat de banketbakker te veel taartjes in de aanbieding heeft, die ga je ook niet allemaal kopen en opeten. Je moet daar een grens in zien te vinden, en dat is aan de kijker.

Arjen Mulder: Waarom vind je dat jullie werk het best tot zijn recht komt in musea?

De Rijke/De Rooij: We houden erg van musea, van ruimtes die bedoeld zijn voor kunst. We houden van dat reservaat, we houden van die ervaring. Het komt dus mede uit liefde voor het instituut voort. Ik vind het ook goed om naar een plek te gaan om een beeld te ervaren. In de bioscoop heb je een andere context, omdat je je daar in de filmgeschiedenis positioneert. En daar zijn we niet op uit.

Arjen Mulder: Toch maken jullie van de zaal waarin je je werk vertoont een bioscoopje, verduisterd en met stoelen.

De Rijke/De Rooij: We gebruiken de praktische elementen van de bioscoop, omdat je die nodig hebt. Maar we doen concessies. We schilderen de ruimte bijvoorbeeld nooit zwart, al krijg je dan een betere beeldopbrengst. Maar wij vinden het ook fijn dat je het zaaltje waarin je zit nog kunt zien en niet in zo’n spookhuis zit. Dat je nog een gevoel hebt wat de proporties van zo’n plek zijn, waar je bent.

Arjen Mulder: Is jullie werk een eerbetoon aan de traditie van de museumkunst?

De Rijke/ De Rooij: Nee, het is eerder een eerbetoon aan het beeld. We hebben diep ontzag voor het beeld. Er zijn ook wel andere dingen aan de hand. We waren zeer religieus gestemd toen we naar Groenland gingen. Bij de film over de moskee was dat veel minder. Dat ging over Turken, en dat er een beeldverbod heerst in moskeeën. Dat leek ons heerlijk, dat je in een lege ruimte kan zitten zonder dat je wordt afgeleid door allerlei afbeeldingen.