De aanbidding van het beeld

Jeroen de Rijke en Willem de Rooij vormen een, aan de Rietveld academie afgestudeerd, in Amsterdam woonachtig kunstenaarsduo, dat als De Rijke/De Rooij heeft geëxposeerd in het Van Abbemuseum, in aansluiting op Cinéma Cinéma, terwijl hun werk dit najaar in het Stedelijk Museum te Amsterdam te zien zal zijn. Ze werken consequent met film, 16 mm en 35 mm, en hun films zijn expliciet voor musea bedoeld, waar ze een of enkele malen per uur dienen te worden vertoond, want het is de bedoeling dat de bezoeker ze van begin tot einde bekijkt (ze duren een minuut of tien). De films die mij boeiden waren I’m Coming Home in Forty Days (1997) en Of Three Men (1998). De eerste film bestaat uit drie shots: de eerste een stilstaand aanzicht van een ijsberg, blijkbaar opgenomen vanuit een schommelende boot; het tweede een langdurige rider rond de ijsberg vanaf een boot; en de derde een bovenaanzicht op het zeewater, een vreemd, lichtgroen, kadervullend beeld. Ik meende dat deze film mij boeide, omdat ik telkens weer om voor mij ondoorgrondelijke redenen bewogen raak door beelden van ijsbergen, zoals te zien in natuurprogramma’s. Maar ook de tweede film sprak mij aan. Of Three Men bestaat uit één shot, waarin aanvankelijk een persoon in donkere mantel pal voor de camera beweegt, en als die wegloopt, kijk je recht in een kerk, waarvan je al snel ontdekt dat deze in gebruik is als moskee. Achter in het beeld zit rechts een groepje van drie personen, die de film lang blijven zitten. De enige handeling is dat er op een gegeven moment een persoon rechts de moskeeruimte inloopt (en verdwijnt), maar vooral dat het licht voor in het beeld een aantal maal dramatisch verandert. Het beeld roept onvermijdelijk, maar niet hinderlijk, herinneringen op aan de kerkinterieurs van Saenredam. Beide films hebben iets monumentaals, aandachtigs, weloverwogens.

 

Arjen Mulder: Waarom werken jullie met film en bijvoorbeeld niet met video?

De Rijke/De Rooij: Vanwege de beeldkwaliteit. Video heeft een ander soort beeld, en die andere beeldkwaliteit heeft een andere betekenis. Maar in eerste instantie gebruiken we film omdat we het geprojecteerde beeld heel mooi vinden, en die kwaliteit kan door video nog steeds niet worden benaderd. Omdat de dingen die we maken onder andere over de schoonheid van het plaatje gaan, zochten we de beste beeldkwaliteit. Daar komt bij dat we de manier van werken bij film prettig vinden. Dus dat je lang moet nadenken voor je iets gaat doen, dat je een hele productie moet opzetten, en dat dan alles in één punt samenkomt op het moment dat je schiet. Dat is het magische moment: het moet echt op dat ene moment goed gaan. Ook omdat we met kleine budgetten werken en niet duizend takes kunnen nemen. Dat vind ik heel fijn: dat het moment van het beeld maken net zo lang duurt als het werk zelf, en dat de rest voorbereiding is. We willen echt de selectieve aandacht op geselecteerde beelden vestigen.

Arjen Mulder: Wat is de eigen betekenis van film die je aanduidde?

De Rijke/De Rooij: De mythe over de magie ervan. Dat is een wollig gegeven, maar het werkt wel. We willen niet refereren aan de filmgeschiedenis, maar je kunt er niet onderuit dat je te maken hebt met een medium dat altijd met magie wordt geassocieerd. Zie de mythische namen van bioscopen: Calypso, wereldwonderen als Alhambra, exotische steden als Luxor. Ik kan me voorstellen dat de eerste keer dat mensen ernaar keken, ze het als mirakelachtige verschijning zagen, iets wat je met z’n allen moest gaan beleven.

Arjen Mulder: De magie werkt op de kijker, de bezoeker?

De Rijke/De Rooij: Het werkt op ons als makers tijdens het werkproces, en ik denk dat het ook op een kijker werkt. Als je zo’n beeld in het halfduister van begin tot einde bekijkt, heb je een andere ervaring dan wanneer je door een lichte ruimte loopt en je wordt vrijgelaten om naar binnen naar buiten te lopen wanneer je maar wilt. Daarom werken we met viewings: als je het begin niet ziet, heb je iets gemist, en het einde idem dito. Het begin en einde zitten er ook bewust aan. In feite vertellen we altijd verhalen, omdat ze een begin en een middenstuk en een eind hebben. Dat is de definitie van een verhaal. Film kan nooit ontsnappen aan het verhaal, tenzij je heel abstracte of schematische technieken toepast.

Arjen Mulder: Het gaat je om de immersieve kwaliteit van film, dat je er helemaal in opgenomen wordt?

De Rijke/De Rooij: Nee, want het is geen hypnose. Het gaat er niet om dat je jezelf vergeet en er aan het eind als een soort gekookt ei weer uitkomt. Je hebt in onze films ook de mogelijkheid om af en toe aan iets anders te denken, en dan kom je terug. Zo kun je een aantal ervaringen hebben terwijl je naar de film kijkt.

Arjen Mulder: Wat voor beelden willen jullie maken?

De Rijke/De Rooij: We maken een redelijk traditioneel beeld. We zijn er niet op uit een nieuwe manier van beelden maken uit te vinden. Er zijn mensen die dat mooi doen, maar homevideoachtige invloeden of effecten gebruiken wij helemaal niet. Wij willen dat je het beeld herkent als je het ziet. Als je een bepaald soort beeldopbouw hebt, denk je dat je het herkent, en zet je er geen vraagtekens bij. Je moet niet gaan denken: goh, wat zit ik hier naar een innovatieve manier van beelden maken te kijken. Je moet je afvragen: wat zie ik, wat staat er op het plaatje?

Arjen Mulder: Zoeken jullie aansluiting bij de klassieke schilderkunst, het perspectivische beeld?

De Rijke/De Rooij: We hebben een abstracte film gemaakt: de film over de ijsberg. Op die film zitten we aan de randen van ons materiaal. De ijsberg was zo wit dat het materiaal van 16 mm dat bijna niet registreert. Er zijn stukken waar sommige randen van de berg wegvallen en samenvallen met de lucht, en dan zit je eigenlijk naar de projectiewand of het geprojecteerde licht te kijken. Je weet ook niet goed wat de formaten van de ijsberg zijn, iets wat wijzelf ook nauwelijks konden inschatten toen we daar waren. We keken in die tijd veel naar abstracte kunst, de abstract-expressionisten. Het had ook met onze bemoeienis met de presentatie te maken. Op de Rietveld academie was de gebruikelijke route dat je op filmavonden je werk liet zien, en zo kwamen wij er snel achter dat wij dat niets vonden, omdat je geen invloed hebt op wat er voor en na jou wordt vertoond. Dat beïnvloedt sterk de manier waarop er naar je film wordt gekeken. Bovendien bestaat in een klassieke cinemasetting altijd de verwachting dat je naar een speelfilm gaat kijken. Dat wilden we ook vermijden. Toen begrepen we dat we naar de witte kubus wilden. En in zo’n witte kubus hangen de abstract-expressionisten. Dat werk vonden wij heel mooi, ook omdat het over religieuze onderwerpen gaat, terwijl je daar niets van kunt zien, je kunt het alleen ervaren. We keken ook naar Theorema van Passolini vanwege de poëtische cameravoering. Met dit in ons achterhoofd gingen we naar Groenland.

Arjen Mulder: Er zit voor jullie een religieuze dimensie in het beeld?

De Rijke/De Rooij: Er zit een religieuze dimensie aan een hoop andere dingen en ervaringen, maar ook in het beeld.

Arjen Mulder: Kun je die religieuze dimensie omschrijven?

De Rijke/De Rooij: Nee.

Arjen Mulder: Wat beschouwen jullie als je onderwerp, je thematiek?

De Rijke/De Rooij: Die verschilt per film. Maar als je het hebt over de presentatie ervan en het medium, dan is een onderdeel van de thematiek dat we vinden dat de beelden aandachtig bekeken moeten worden. Niet alleen onze beelden, maar ook andere beelden. En dat je als beeldend kunstenaar, als beeldenmaker, je ervan bewust moet zijn hoeveel beelden er bekeken worden. En dan moet je je afvragen of er mogelijkheden zijn om mensen een beeld te laten ervaren op een manier die het beeld het best tot zijn recht doet komen. Niet alleen onze beelden, maar ook beelden van de televisie, uit tijdschriften, andere kunstwerken.

Arjen Mulder: Jullie zetten je af tegen de huidige beeldcultuur?

De Rijke/De Rooj: Nee, daar horen wij ook bij, want we maken ook beelden. Ik vind de productie van al die beelden nog tot daar aan toe, al zit er een hoop bagger bij. Maar dat kun je niet tegenhouden, en het wordt ook steeds meer. Ik verzet me eerder tegen de willekeurige, compulsieve consumptie ervan. Mensen moeten leren selectiever te kijken en niet zeuren dat ze bedolven worden onder de beelden. Je gaat ook niet klagen dat de banketbakker te veel taartjes in de aanbieding heeft, die ga je ook niet allemaal kopen en opeten. Je moet daar een grens in zien te vinden, en dat is aan de kijker.

Arjen Mulder: Waarom vind je dat jullie werk het best tot zijn recht komt in musea?

De Rijke/De Rooij: We houden erg van musea, van ruimtes die bedoeld zijn voor kunst. We houden van dat reservaat, we houden van die ervaring. Het komt dus mede uit liefde voor het instituut voort. Ik vind het ook goed om naar een plek te gaan om een beeld te ervaren. In de bioscoop heb je een andere context, omdat je je daar in de filmgeschiedenis positioneert. En daar zijn we niet op uit.

Arjen Mulder: Toch maken jullie van de zaal waarin je je werk vertoont een bioscoopje, verduisterd en met stoelen.

De Rijke/De Rooij: We gebruiken de praktische elementen van de bioscoop, omdat je die nodig hebt. Maar we doen concessies. We schilderen de ruimte bijvoorbeeld nooit zwart, al krijg je dan een betere beeldopbrengst. Maar wij vinden het ook fijn dat je het zaaltje waarin je zit nog kunt zien en niet in zo’n spookhuis zit. Dat je nog een gevoel hebt wat de proporties van zo’n plek zijn, waar je bent.

Arjen Mulder: Is jullie werk een eerbetoon aan de traditie van de museumkunst?

De Rijke/ De Rooij: Nee, het is eerder een eerbetoon aan het beeld. We hebben diep ontzag voor het beeld. Er zijn ook wel andere dingen aan de hand. We waren zeer religieus gestemd toen we naar Groenland gingen. Bij de film over de moskee was dat veel minder. Dat ging over Turken, en dat er een beeldverbod heerst in moskeeën. Dat leek ons heerlijk, dat je in een lege ruimte kan zitten zonder dat je wordt afgeleid door allerlei afbeeldingen.

Kunst en traditie

1. Definities

Koen Brams/Dirk Pültau: Zou je traditie kunnen definiëren als ‘de gewoonten die van generatie op generatie worden doorgegeven’?

Joëlle Tuerlinckx: Ja, en als je vernieuwing als het antoniem van traditie beschouwt, dan is het de kunst waarin beide tegelijk onderscheiden en verenigd worden: in de kunst is er altijd een beweging die de verbinding met de traditie maakt, terwijl kunst en traditie terzelfdertijd toch onderling tegenstrijdig zijn. Je kan je immers moeilijk voorstellen dat iemand aan de traditie vasthoudt en ze tegelijkertijd vernieuwt. Alleen in het scheppend bezig zijn kan die strijd tussen twee onverzoenbare principes worden gevoerd. Enkel daar kan je de traditie ernstig nemen én ze tegelijk proberen te herdenken. Wellicht hebben we die gedachte te danken aan het modernisme, waar we blijkbaar nog steeds niet klaar mee zijn…

K.B./D.P.: Traditie is iets passiefs wanneer het om rituelen gaat, om zeer gecodeerde betekenissen die over generaties heen echt ongewijzigd kunnen blijven. Kunst is echter, net zoals taal, een historisch gegeven dat steeds in ontwikkeling is: als je met kunst bezig bent, zit je meteen in de geschiedenis. In de kunst heeft de traditie dus een andere betekenis dan in de religie, waar rituelen alsmaar worden herhaald. Ben je het daarmee eens?

J.T.: Ja, traditie is iets passiefs als je niet tegelijkertijd probeert om aan die overgeërfde kennis en vaardigheden te sleutelen. Wat mij betreft: van zodra ik me ben gaan bezighouden met tradities, was ik ze ook aan het veranderen. In de beeldende kunst, en waarschijnlijk net zozeer in de muziek, is het onmogelijk om codes en conventies ongemoeid te laten.

K.B./D.P.: Wanneer kwam je voor ’t eerst tot het besef dat je deel uitmaakte van een groter geheel, dat je je inschreef in de traditie?

J.T.: Dat besef gaat al terug tot mijn kindertijd, toen ik over de Grote Markt van Mechelen wandelde en mijn grootmoeder me op het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk wees. Op een van de zijden van de sokkel staat de naam van de beeldhouwer: Joseph Tuerlinckx. Ik vind het geen mooi beeld, het is wat aan de grove kant. Ik ben er helemaal niet trots op… maar het ging wel om mijn overgrootoom. Ik voelde me persoonlijk aangesproken door dat beeld. Anderzijds herinner ik me dat ik toen meteen dacht dat ik ook graag standbeelden wilde maken, maar dan op een andere manier. Op een dag heb ik geprobeerd een standbeeld te maken met aarde en water, maar het bleef niet staan, en toen heb ik de gevel van ons huis met modderballen bekogeld. Die transgressie betekende iets voor mij, de moddersporen bevielen me wel… maar om terug te keren naar ons onderwerp: ik kreeg het vermoeden dat beeldhouwkunst andere vormen kon aannemen. 

K.B./D.P.: Je wilde standbeelden maken, maar op een ‘andere’ manier. Wat stoorde jou het meest in de standbeelden van je overgrootoom?

J.T.: Ik wantrouwde het figuratieve, en tegelijk voelde ik me toen al aangetrokken tot een abstractere vormentaal. Iets in me vermoedde dat monumentaliteit andere vormen kon aannemen. Later, toen ik een jaar of vijftien was, maakte ik alleen nog tekeningen in zwart-wit; van kleur bleef ik af – ik ontwikkelde me dus door weglating. Al de tekeningen uit mijn tijd van vóór de kunstschool waren abstract.

K.B./D.P.: Kan je aangeven waar dat wantrouwen jegens figuratie vandaan kwam?

J.T.: Nee. Het was geen onvermogen, geen misnoegdheid over mislukte pogingen om figuratief te werken. Ik was perfect in staat om realistische tekeningen te maken. Dat weet ik zeker, want toen ik solliciteerde voor het docentschap aan de erg [école de recherche graphique, Brussel], moest ik een dossier met tekeningen voorleggen. Ik heb toen mijn ‘klassieke’ tekeningen laten zien. Ik had ze nog nooit getoond. Pierre Sterckx, de toenmalige directeur, was er zo van onder de indruk dat hij me een baan aanbood als tekenlerares! Tekenen leek me toen een privéaangelegenheid; ik beschouwde die maaksels als studies, zonder enig belang voor de buitenwereld.

K.B./D.P.: Kan je iets over die bladen vertellen?

J.T.: Ik tekende van alles: appelen, peren, water, bladeren. Een portret van Mondriaan. Zelfportretten ook, gemaakt met behulp van carbonpapier. Het figuratieve diende er haast als voorwendsel. Ik werkte met een droge naald, maar onder het blad zat een vel carbonpapier dat de lijnvoering registreerde. Die tekeningen hadden iets cinematografisch; ik zag niet wat ik deed en tekende het ene portret over het andere. Al die tekeningen sterkten mij alleen maar in mijn overtuiging dat ik naar iets anders op zoek was. Ik heb die bladen bewaard en hecht er nog steeds enorm veel waarde aan. Meer dan al mijn andere werken bewijzen ze voor mij dat ik het figuratieve — de héle bagage van de westerse figuratieve kunst — in zekere zin moest vernietigen om ermee in het reine te komen.

K.B./D.P.: Zou de traditie kunnen worden omschreven als de bagage die je onbewust met je meedraagt, en die pas aan het licht komt wanneer je met andere culturen wordt geconfronteerd?

J.T.: Die definitie bevalt me wel: de bagage waarvan je je pas bewust wordt op het moment dat je op vreemd terrein komt en de controle over jezelf moet opgeven.

K.B./D.P.: Is die ervaring een stimulans om te reizen?

J.T.: Dat zou ik niet zeggen… Ik heb niet de indruk dat ik veel heb gereisd. Ik beantwoord althans niet aan het beeld dat ik me van een echte reiziger voorstel: iemand die op onderzoek uittrekt, in het landschap verdwaalt…

K.B./D.P.: Waarom reis jij dan wel?

J.T.: Ik ga mijn werk achterna. Meer is het niet. Ik zoek de plekken op waar mijn werk me heen brengt. Dat klinkt een beetje gek, maar zo is het. De landen waar ik naartoe ben gereisd, zou ik zelf nooit hebben gekozen. Het zou nooit bij me zijn opgekomen om naar Sint-Petersburg te gaan. Maar precies dan begint het voor mij interessant te worden. Niet kiezen… Die ‘functionele reizen’ bieden me niet alleen stof voor de opbouw van een tentoonstelling, ze maken er soms het hoofdthema van uit. Dat was bijvoorbeeld het geval met Chicago studies: Les étants donnés in The Renaissance Society (Chicago, 2003): alle architecturale of museografische elementen die mij aanspraken tijdens mijn reis naar de V.S., heb ik toen gefilmd, en die beelden heb ik in mijn tentoonstelling verwerkt. In die zin contextualiseren de reizen mijn oeuvre; maar nog belangrijker is dat ze het vocabularium verstoren waarvan ik doorgaans gebruik maak. Ze zijn een antidotum voor het obsessionele.

K.B./D.P.: De verstorende elementen verbind je met het museografische. Tijdens jouw reizen toef je vooral in musea?

J.T.: Ja. Maar mijn museografische ‘aantekeningen’ zijn niet de enige vorm van inspiratie. Soms baseer ik me op conventionele museografische praktijken, waarvan de bronnen – volledig of ten dele – aan het publiek worden meegedeeld, onder meer met behulp van verklarende platen. Ik denk in dat verband ook aan het schietlood dat ik al heb getoond, en dat in een handboek over modelleer- en beeldhouwkunst uit de vorige eeuw wordt omschreven als ‘een ware leermeester voor de kunstenaar, die hij steeds bij zich moet hebben.’ Dat schietlood heeft me op zijn beurt geïnspireerd om een tekening van beeldhouwersstatieven als presentatiesokkels te tonen. Het is dus overduidelijk dat de traditie een uitdagende werking op mij heeft.

 

2. De persoonlijke canon

K.B./D.P.: Zou je de traditie kunnen omschrijven waarin jouw werk zich inschrijft? We bedoelen dan niet de traditie die je onbewust met je meedraagt, maar de traditie die je voor jezelf hebt gekozen, je persoonlijke canon als het ware.

J.T.: Cézanne is allicht de schilder die me het meest heeft geïntrigeerd, omdat het me waanzinnig leek telkens weer datzelfde motief aan te pakken, altijd weer diezelfde berg te schilderen. Misschien was het de naam van die berg – Mont Saint-Victoire – die hem daartoe bracht? Die naam plaatst elk schilderij immers in het teken van de strijd om de (onmogelijkheid van de) voorstelling. In ieder geval geloof ik dat hij een soort muur van weerstand opzocht; hij wilde immers niet zozeer die berg schilderen, maar veeleer al datgene wat tussen hem en de berg in stondinstond, met inbegrip van de lucht – elke weerstand die hem van het thema afhield. Maar om terug te keren tot de canon: Cézanne is natuurlijk niet de enige. Als ik alle kunstenaars overloop die in aanmerking komen, dan valt het me op hoe verschillend ze zijn, en hoe uiteenlopend de aantrekkingskracht is die van hun werk uitgaat. Wanneer ik in een museumzaal sta, blijkt het altijd een ‘Mondriaan’ te zijn die mijn uiteindelijke voorkeur wegdraagt, als niet een schilderij van Malevich me eerder heeft weten te strikken. Kortom, een geometrisch-abstract doek. Voor mij gaat daar een directe aantrekkingskracht van uit.

K.B./D.P.: Hoe moeten we jouw interesse voor het geometrische begrijpen?

J.T.: Het is moeilijk om die voorkeur voor geometrische werken uit te leggen. Ik ben gefascineerd door geometrie omwille van de irrationaliteit die erin schuilgaat. Het is iets… libidinaals. Er gaat een eindeloze aantrekkingskracht van uit. Zelfs al krijg ik Malevich’ zwarte vierkant voor de duizendste keer te zien, in een museum of in een tentoonstelling, als reproductie in een boek of op een prentkaart, iedere keer zuigt dat werk me weer naar zich toe. Je kan echt spreken van een grenzeloze bekoring. Een andere kunstenaar die tot mijn canon behoort – de Belgitude zit ook mij in het bloed – is Georges Vantongerloo, die ik pas later ontdekte dankzij Dirk Snauwaert. Toen Dirk voor het eerst mijn atelier bezocht, was ik gaten in de muur aan het maken die ik opvulde met gekleurde plasticine. Bij het zien van die ‘kleurdruppels’ vertelde hij me over Vantongerloo en diens onderzoek naar de relatie tussen kleur en ruimte. Meteen begreep ik dat Dirk in mijn werk een dimensie had aangewezen waarvan ik me tot dan toe niet bewust was geweest; in één klap werd mijn eigen werk geherformuleerd of kreeg het een andere onderbouw. Ik vatte ineens waarom het enige werk dat ik had bewaard uit mijn eerste jaren in het kunstonderwijs, een postkaart was met een reproductie van een schilderij van Vincent van Gogh: een groen veld met rode bloemen, waarvan ik de keerzijde rood had gekleurd en met een potloodpunt had doorboord. Die verhouding tussen kleur en ruimte was precies wat ik zocht in de geometrie en wat ik in de figuratie niet kon vinden, omdat ik daar altijd de ‘keerzijde’ miste. Toen pas begreep ik dat ik niet met kleur werkte in het verlengde van een schilderkunstige traditie of in functie van een voorstelling van de wereld. Ik gebruikte kleur juist veeleer om er afstand van te nemen. Dat deed ik door de kleur die verbonden is met een motief los te laten in de ruimte, om zo haar fysieke hoedanigheid zichtbaar te maken – wat je de ‘kleurlading’ van de kleur zou kunnen noemen. In die zin benaderde ik kleur eerder als een huisschilder – of nog beter: als een metselaar die zich bekommert om de kleur van zijn mortel.

K.B./D.P.: Dat sterkte je in jouw voorkeur voor de beeldhouwkunst?  

J.T.: Precies. Ik had het gevoel dat die fysieke verhouding tot het kunstwerk geconceptualiseerd werd in de beeldhouwkunst, maar daarnaast ook in de film, in het theater en in de muziek. Toen ik me als jong meisje op de Grote Markt in Mechelen herkende in ‘de beeldhouwer’, maar het tegelijk ‘anders’ wilde doen, hield dat geen verband met het representatieve karakter van sculptuur: nee, ik was letterlijk gegrepen door de presentatie, door het toonsysteem dat verbonden is met zo’n beeldhouwwerk. Enkele jaren geleden ben ik bijvoorbeeld met andere materialen beginnen te werken, zoals lappen stof. Op die doeken legde ik objecten met een zeker gewicht – zoals ijzeren of houten staven – en ik manipuleerde ze zodat ze het ‘presentatiedoek’ tot leven brachten. Zo beschreef ik figuren met een houten staaf, of voerde rotaties en andere bewerkingen uit die de stof in plooien trokken en ‘betekenden’. Het resultaat noemde ik Still-sculptures. Pas nadat ik die werken had gerealiseerd, vond ik een foto terug die al lang allang in mijn bezit was. Het was een foto van de vroege figuratieve sculpturen van Vantongerloo, tentoongesteld op sokkels bekleed met stof, wat destijds wellicht gebruikelijk was. Een beeldhouwwerk op stof, hoe vreemd en inspirerend ziet dat eruit voor ons! Ook dat is traditie: een beeld dat onopvallend rondslingert en waar je gebruik van maakt zonder dat je er zelf weet van hebt. Dat is de manier waarop traditie ons voedt. De ontdekking van de vermoedelijke oorsprong van de Still sculptures, van de rol van dergelijk erfgoed en van de gehechtheid aan traditionele, maar ook universele toonconventies, heeft mijn denken over nalatenschap en schatplichtigheid echt vooruitgeholpen. Men ziet de relatie tot het erfgoed altijd als iets lineairs, terwijl ze in werkelijkheid juist onbestemd is: een spel van lijnen die plots afbreken of vervagen, om even plots weer op te duiken – denk aan Darwin, die in zijn tekeningen van koralen en hun doelloze vertakkingen een voorafspiegeling zag van de evolutie der soorten. Zo krijg je een minder nostalgisch beeld van de erfenis die traditie is: ze blijkt immers uit onwaarschijnlijkheden te zijn opgebouwd.

K.B./D.P.: Cézanne, Vantongerloo en Malevich zijn dus belangrijk in jouw persoonlijke canon. Wie nog meer?

J.T.: Mijn canon verandert voortdurend. Vooral de jongste jaren wordt hij geregeld herschikt. Ik doe voortdurend ontdekkingen. Zo werd ik tijdens het werken aan het ’theater-laboratorium’ That’s it! (2014) misschien wel voor het eerst getroffen door het werk van Jheronimus Bosch. Een speling van het lot heeft daarvoor gezorgd. De voorbereiding van That’s it! verliep in bijzondere omstandigheden, want ik had een voet gebroken. Aldus beperkt in mijn bewegingsvrijheid, deed ik de bewegingen voor die ik de acteurs wilde laten uitvoeren. Tegelijk raakte ik verdiept in een boek over Bosch… en gek genoeg: pas door de onorthodoxe manier waarop we op dat moment repeteerden, drong het tot me door hoezeer het in zijn wereld van de kreupelen wemelt. Ik heb toen foto’s gemaakt die getuigen van mijn nieuwe kijk op Bosch’ oeuvre en zo is zijn wereldbeeld in That’s it! binnengeslopen. Het merkwaardige daarbij is dat ik me slechts voor die schilderijen ging interesseren nadat ik dat soort verhalende details had opgemerkt. Nochtans heb ik bij Malevich’ vierkanten nooit een behoefte aan narrativiteit gevoeld! Het spoor van Malevich in mijn canon – of noem het de weg van de abstractie – wordt nog door andere paden doorkruist. Toen ik achttien was, bezocht ik de tuin van Claude Monet. Ik kreeg de stellige indruk dat die tuin zijn belangrijkste werk was, eerder dan zijn schilderijen. Rond dezelfde tijd raakte ik ook geïntrigeerd door de experimenten van de pointillisten. Georges Seurat maakte me ontzettend nieuwsgierig, ik bestudeerde zijn doeken met een vergrootglas en maakte er in het Kröller-Müller Museum (Otterlo) macro-opnamen van. Zoals gewoonlijk was ik niet geïnteresseerd in zijn thematiek, maar in de manier waarop hij zijn voorstellingen construeerde. Ik weifelde dus tussen onverenigbare genres. Vreemd om al die contradicties in zich te dragen. Hoe kan je nu tegelijkertijd van Malevich houden en van de tuin van Monet? Wat ik bij Malevich miste, kon ik terugvinden in Monets omgang met het vluchtige, in zijn verhouding tot de tijd, in zijn aandacht voor licht.

K.B./D.P.: Misschien kwam het combineren van beide kunstenaars voor jou neer op het samenbrengen van geometrie en tijd: de ‘eeuwige’ vorm van de geometrie tot iets vluchtigs maken?

J.T.: De allereerste foto die ik van een van mijn werken maakte, ging precies daarover. Ik had een blad papier in vier stukken geknipt en legde die op een terras in de zon. Ik schoof de stukken wat verder uiteen, bracht ze weer dichter bij elkaar, en intussen maakte ik van bovenaf foto’s van het evoluerende ensemble. Er werd dus een zekere afstand geschapen tot het onderwerp; tussen de verschillende opnamen verliep een zekere tijd, die ik nodig had om terug te keren naar de plek waar de camera stond. Intussen werd de werkelijke tijd gemarkeerd door het verschuiven van de schaduw die een aanpalend gebouw tegen de muur wierp. Ik werd er me toen van bewust dat ik, door de stukken papier verder of minder ver uit elkaar te leggen, als het ware kon marchanderen met de tijd: middels een doodeenvoudige bewerking kon ik hem uitrekken, vertragen – in tegenstelling tot de impressionisten, die net met alle mogelijke middelen probeerden het werkelijke tijdsverloop, de fysieke werkelijkheid van de tijd te benaderen. Door de snippers verder uit elkaar te leggen, terwijl de schuivende schaduw het werkelijke tijdsverloop waarneembaar maakte – het geknoei met de tijd was dus slechts schijn – slaagde ik erin om de elasticiteit van de tijd tot onderwerp te maken. Tijd heeft van meet af aan een centrale rol gespeeld in mijn werk, al heb ik dat pas veel later ingezien. Misschien is het omdat die dimensie niet meteen aan bod kwam in het werk van Malevich, dat ik verder ben gaan kijken, onder meer naar film. En fundamenteler nog, naar de diverse verschijningsvormen ervan… In die mate dat ik misschien zelf ook films maakte, maar dan op mijn manier, in de ruimte. De film, bij uitstek de kunst van het weglaten, bracht me recentelijk bij Mallarmé. Plots is hij me vertrouwd geworden. Mallarmé is nu even de hoofdfiguur in mijn persoonlijke canon. De Pléiade-uitgave van zijn ‘verzamelde werken’ ligt al enkele dagen opengeslagen op het enige meubel in mijn atelier.

 

3. De nationale canon

K.B./D.P.: Je kent het cliché dat ‘alle Belgische kunstenaars kinderen zijn van Magritte en Broodthaers’. Men heeft het dan over Walter Swennen, Guy Rombouts, Guillaume Bijl, Jan Vercruysse… Heeft men jou ook al eens bestempeld tot een van Broodthaers’ nakomelingen? 

J.T.: Meer dan eens, ja, maar er werd nooit dieper op ingegaan. Sommige critici gebruikten de term ‘wettig kind’ – of was het ‘onwettig kind’, ik weet het al niet meer – van Broodthaers, maar ik voelde niet zo veel voor die al dan niet legale afstamming. Iets in me kwam er tegen in opstand. 

K.B./D.P.: Omdat je niet veel voelt voor de valse veralgemeningen waaraan dat discours zich bezondigt? Terwijl er nochtans ook ernstige redenen zijn om je werk te vergelijken met dat van Broodthaers. 

J.T.: Ja, wat we gemeen hebben is een bepaalde manier om heel kort op de bal te spelen, om ‘live’ te denken. In de persoonlijke canon spelen een gevoel van verwantschap en de nationale identiteit onvermijdelijk een bepaalde rol. Toen ik Broodthaers ontdekte, herkende ik eenzelfde cultureel erfgoed; mijn werk wordt gevoed door dezelfde context, dezelfde situaties, en dus door beelden en tekenen van belgitude. We koesteren eenzelfde twijfel jegens de taal, of liever, ze brengt ons op eenzelfde manier in de war, omdat ze altijd weer op een dubbele manier op ons inwerkt. Neem nu een melkfles: omdat we nu eenmaal in België wonen, heet die fles aan de ene kant ‘MELK’, maar draai je ze een halve slag, dan heet ze plots ‘LAIT’ (wat bijna klinkt als ‘laid’ [lelijk]). Onze geboortegrond zaait twijfel over het onbetwistbare gezag van de taal. Die onzekerheid delen we met z’n allen. Net als het oeuvre van Magritte en Broodthaers staat mijn werk in relatie tot die conditie.

K.B./D.P.: De band tussen jouw werk en dat van Broodthaers is zelfs heel intiem. Jouw compulsieve en repetitieve gebruik van tekens vinden we bij hem terug. En net als hij werk je met de iconografie van het tentoonstellings-‘dispositief’: toonkasten, sokkels…

J.T.: Inderdaad. We ondermijnen allebei het gezag van het museale decor, hoewel we er een grote fascinatie voor koesteren. Je kan gewagen van een bepaalde strategie, die we beiden op een andere manier toepassen, maar die we wel degelijk gemeen hebben. Elk op onze eigen manier reageren we tegen het institutionele en conventionele kader – ik denk bijvoorbeeld aan de conventies van het inlijsten – door categorieën overboord te gooien of de gevestigde indeling in genres op losse schroeven te zetten. Broodthaers ging me daarin voor en anderen gingen hém voor, zoals Dieter Roth en wie al niet. Het klopt dat ik me met die strekking verwant voel, waartoe ik ook Jean-Luc Godard reken, die het op een heel andere manier deed, vanachter zijn camera. Om dezelfde reden spreken de boeken van Dieter Roth me zo aan. Ik heb ze onlangs met een immens genoegen herontdekt: de verbeeldingskracht waarvan ze getuigen, die strijd om de vrijheid van de kunstenaar af te dwingen. Die boeken zijn een steun in de rug in een gevecht dat ik nog elke dag moet voeren: in het hedendaagse curatorial system moeten we meer dan ooit op zoek gaan naar die leuke en frisse plek die Roth ons aanwijst. Wat een geschenk!

K.B./D.P.: Net als Broodthaers ben je erg geïnteresseerd in institutionele structuren.

J.T.: Ik koester een affiniteit met al wie zich erop heeft toegelegd het kader te breken en tegelijkertijd de werkelijkheid te framen – Broodthaers deed dat, in zijn Musée d’Art Moderne, Département des Aigles, Section Documentaire (1969), gerealiseerd op het strand van De Haan, of in de zaal van zijn museum dat ‘wegens faillissement gesloten’ is. Wellicht is het als vrouw minder evident om dat soort verhouding, dat soort rollenspel te ensceneren. Ik heb dat zelf kunnen ondervinden, want ik heb het geprobeerd: mijn allereerste werk, gepresenteerd in het Paleis voor Schone Kunsten ter gelegenheid van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst in 1988, was een kritische fictie… Ik ontleende in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten zo’n klein aanplakbiljet met de vermelding ‘Schilderij tijdelijk verwijderd’. Ik kopieerde het op meerdere exemplaren en hing ze op in het Paleis voor Schone Kunsten, zogenaamd ‘ter vervanging’ van werken die ik had gekozen in het Museum voor Oude Kunst: het was dus alsof ze in het P.S.K. van de muren waren gehaald en tijdelijk opgehangen in het Museum voor Oude Kunst, dat wil zeggen, op de plek waar ze feitelijk gewoon thuishoren en nooit waren weggeweest. Inspelend op de geografische nabijheid van beide instituten, keerde ik hun rollen om: ik verving de schilderijen die ik zelf had uitgekozen in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten door een label waarop vermeld stond dat ze waren verplaatst. Met behulp van fosforescerende ‘lijsten’ liet ik de werken van Rubens, Van der Weyden en Van Eyck op ware grootte oplichten in de verduisterde zaal: in het schemerdonker zag je dus plots de omtrek van de afwezige schilderijen opdoemen. Zo kon je zien dat het doek van Rubens boven het plafond doorliep: het was te groot voor het Paleis voor Schone Kunsten. Het was de tijd van de heropleving van de figuratieve schilderkunst op groot formaat, en de monumentale afmetingen leken iets vernieuwends. Toch was geen enkel werk zo groot als de Rubens uit mijn selectie! Ik herinner me dat op de aanplakbiljetten plaats was voorzien voor de ‘handtekening van de conservator’. Ik aarzelde om te tekenen, en heb ze uiteindelijk met potlood gesigneerd. Die rolverwisseling bracht me in verlegenheid. Het irriteerde me dat ik uit noodzaak, ter wille van de opzet, moest tekenen als conservator en niet als kunstenaar. Sindsdien besef ik dat ik meer geïnteresseerd ben in de overplaatsing, niet van het atelier naar het museum, maar van het atelier naar de galerie: het fenomeen van de exposition translatée [overgeplaatste tentoonstelling], zoals ik het heb genoemd. Weinig kunstenaars hebben zich volgens mij beziggehouden met de overgang van atelier naar galerie. Het verschil tussen die twee plekken kan niet groter zijn. De galerie en de kunstbeurs hebben tegenwoordig een steeds grotere impact op de productie, de circulatie en de meerwaarde van werken, maar in Broodthaers’ tijd was dat systeem nog lang niet zo florissant. Ik verwees trouwens niet echt naar Broodthaers in mijn werk: ik had wel van hem gehoord, maar precies vanwege de verwantschap die ik voorvoelde, bleef ik op veilige afstand!

K.B./D.P.: Broodthaers heeft ook tentoonstellingen gemaakt die in zekere zin retrospectieven waren van zijn eigen werk. Hetzelfde heb jij gedaan in WIELS met WOR(LD)K IN PROGRESS?, een tentoonstelling die was opgevat als een meta-retrospectieve.

J.T.: Ja, in drie delen – want ze was bedacht als een trilogie van tentoonstellingen in Brussel, München (Haus der Kunst) en Bristol (Arnolfini), waarbij in elk luik de mogelijke stellingen aan bod kwamen die je kon bedenken met de begrippen waaruit de woordspeling of lapsus uit de titel was samengesteld – WORK, WORLD, WORD – en telkens de vooruitgangsgedachte werd bevraagd: IN PROGRESS? Het was de eerste keer dat een curator me uitnodigde om een retrospectieve te maken. Een retrospectieve door de kunstenaar zelf, zoals de ondertitel van het drieluik luidde. Jammer genoeg hebben slechts weinig mensen de drie luiken van het project gezien. En er was geen geld voor een publicatie, wat de perfecte uitweg zou zijn geweest. Alleen in een boek hadden de drie constructies kunnen samenkomen en vergeleken worden – want het gaat wel degelijk om een constructie. Met WOR(LD)K IN PROGRESS? trachtte ik voor het eerst mijn werk als geheel tot specifiek onderwerp van een tentoonstelling te nemen, en voor het eerst kon dit onderwerp in relatie tot de context en op comparatieve wijze worden bestudeerd. Maar tentoonstellingen maken met een retrospectieve inslag, dat doe ik eigenlijk al vanaf het prille begin… In 1998 was ik te gast in het S.M.A.K. (Gent), waar ik de inhoud van mijn atelier – papieren, stenen, beelden – zo compleet en exhaustief mogelijk heb gepresenteerd in de vorm van een museale tentoonstelling. Ik deed dat op de wijze van een retrospectieve en met een retrospectieve blik, terwijl het strikt genomen om mijn eerste museale tentoonstelling ging. Het leek me beter om de retrospectieve benadering al van bij aanvang te introduceren als een dimensie die inherent is aan het oeuvre. De ‘retrospectieve door de kunstenaar zelf’ heeft in de grond niets te maken met retrospectieve tentoonstellingen die door instituten worden gemaakt. Voor mij is het een manier om het oeuvre met zichzelf te laten afrekenen. Zoals in elke vorm van interpretatie ben ik ook geïnteresseerd door in zo’n terugblik: ze hij maakt duidelijk hoe de traditie die door het oeuvre wordt geproduceerd tot stand is gekomen, als een uitvinding van het oeuvre zelf; de retrospectieve zit in het oeuvre verweven en schetst de geschiedenis ervan.

K.B./D.P.: Zou je iets over de verschillen tussen Broodthaers en jouw werk kunnen zeggen?

J.T.: Daar hebben Catherine Mayeur en Anny De Decker reeds de vinger op gelegd: het verschil zit in mijn aanvoelen – in de geest van Musils De man zonder eigenschappen – dat het mogelijke gelijkwaardig is aan het waarschijnlijke. Het zit in de oneindigheid der dingen, het eeuwige begin dat nooit ophoudt te beginnen, in alles wat me – ver van Broodthaers – eerder naar Brancusi voert, naar wat te maken heeft met ruimte en tijd op zich. Ik had het ooit over de vierkantige hoedanigheid van de tijd; ik heb stukken van een ruimte afgebakend die niet bestaat (AREA-EARA, Mechelen, 2008) en ik heb in het mijnstadje Cransac een 34 meter hoog ‘museummonument’ (2011) opgericht zonder muren. De tijd als fundamentele dimensie, het koppelen van tijd aan geometrie, het ontbinden van het teken in zijn constitutieve elementen, door bijvoorbeeld vorm en kleur te bevrijden of kleur te verbinden met ruimte: dat zijn elementen die bij Broodthaers geen of veel minder een rol spelen.

 

4. De vernieuwing van de canon

K.B./D.P.: Je zei dat je persoonlijke canon voortdurend wordt verstoord en bijgesteld. Hoe kan iemand zijn eigen canon vernieuwen?

J.T.: Wel, precies door storende elementen toe te laten. Door open te staan voor verrassingen. Door jezelf in zekere zin bijna geweld aan te doen en te laten treffen door een werk waarvan je misschien eerst had gedacht dat het je totaal niet zou raken. Zo is het allicht verrassend dat ik enorm ontroerd was door Petting Zoo, Mike Kelley’s bijdrage aan Skulptur Projekte Münster 2007, met al die verschillende dieren die op zo’n een bizarre manier in een soort circuspiste waren bijeengebracht. Ik denk dat de schoonheid van dat werk, zoals bij elk meesterwerk, voortvloeit uit de broosheid ervan. Toevallig was ik er bij valavond, op het moment dat de dieren dichterbij kwamen, en de op doeken geprojecteerde videobeelden in de installatie uit het duister opflikkerden. Er hing iets heel teders en erotisch in de avondlucht, er gebeurde iets onnoemelijks waardoor het geheel werd omgetoverd in een aangrijpende scène: doordat de dieren uit hun natuurlijke context waren gehaald en overgeplaatst naar de stad, kregen ze iets menselijks. Ik had echt het gevoel iets te leren, voor het eerst de werkelijkheid te beleven… Een dergelijke emotie heb ik onlangs in WIELS ervaren bij het werk van de Engelse kunstenaar Mark Leckey. Opnieuw kwam ik onder de indruk van die vermenging van onverenigbare genres, van de vrijheid die de kunstenaar zich in die presentatie veroorloofde. Misschien ben ik vandaag in de eerste plaats geïnteresseerd in kunstenaars die uitgaan van bepaalde, schijnbaar chaotische vormen. Ik moet wel bekennen dat ik in mijn eigen werk meestal vanuit chaos vertrek. Of liever, ik tracht orde te brengen in mijn chaos. Dat is een manier om vooruit te komen. Bijgevolg ben ik gevoelig voor kunstenaars die soortgelijke methodes toepassen. Dat is wat me bijvoorbeeld aanspreekt bij Anna Oppermann (1940-1993). Persoonlijk krijg ik vaak zin om kunst te maken wanneer ik kunst zie. Sommige kunstenaars stimuleren de werklust, geven je zin om naar het atelier terug te keren en aan de slag te gaan. Dat is een persoonlijke definitie, een ultiem maar vrij effectief criterium om een goede tentoonstelling te herkennen… En het werkt onmiddellijk. Mark Leckey bijvoorbeeld staat mijlenver af van mijn esthetica, mijn wereld, mijn universum. En toch vond ik zijn sprekende, vol getaste Amerikaanse koelkast meteen prachtig. Een briljante en geestige kritiek. Zo’n tentoonstelling bezoeken is een genoegen, en nadien heb je echt zin om in het atelier aan de slag te gaan.

K.B./D.P.: Ervaar je dat ook met het werk van oudere kunstenaars in musea voor schone kunsten? In historische musea?

J.T.: Jawel, daar werkt het nog veel directer! In de Matisse-zalen van het Hermitage bijvoorbeeld word ik door álles getroffen: het kanten gordijn, het tafeltje waaraan de bewakers zitten te drinken en te kaarten, de lichtgroen geverfde muur, de buitengewoon symmetrische accrochage… Alles geeft me zin om te werken: de spots, de bewakers, de werken, de vitrines… alles!

K.B./D.P.: Je zei eerder dat galeries en kunstbeurzen een steeds grotere impact hebben op de kunst. Wordt de hedendaagse canon niet vooral door deze spelers bepaald?  

J.T.: Ja, vandaag wordt de traditie vooral door galeries, en meer nog door art fairs geconstrueerd. Daar halen veel museumconservatoren de mosterd voor hun programma’s. Wat daar wordt gepresenteerd, wordt dus ook gecanoniseerd. Dat wordt stilaan verontrustend. Het Chinese model verovert de wereld: hoe groter de kunstwerken en hoe meer assistenten ze vergen, hoe hoger hun waarde. De schilderijen moeten veertig meter lang zijn, willen ze als meesterwerk in Venetië te kijk worden gesteld; de sculpturen moeten van brons zijn, ze moeten blinken… of beter nog: worden uitvergroot en gereproduceerd in verschillende soorten synthetische hars, namaakhout of namaaksteen, wat handenvol geld kost en behoorlijk wat toxische stoffen in omloop brengt. De beurs kan alleen tot eenvormigheid leiden. We moeten dringend andere formules bedenken.

K.B./D.P.: Wat zou je tegen deze evolutie kunnen ondernemen?

J.T.: We moeten op zoek gaan naar alternatieve vormen, die van de traditie afwijken. Precies het onderzoeken of heruitvinden van de traditie is in galeries en op beurzen vaak onmogelijk. We hebben nood aan individuele initiatieven waar kunst kan ontstaan. Toen ik in Mumbai te gast was om er in het kader van een residentie een workshop te geven, werd ik getroffen door de Cona Foundation. Een kunstenaarspaar heeft er zijn eigen woning opengesteld om in zijn eentje weerwerk te bieden tegen het hele galerie- en kunstmarktgebeuren dat ik net beschreef. Dat systeem is in het hedendaagse India extreem dominant, waardoor, net als overal elders in de wereld trouwens, steeds meer verwarring wordt gezaaid over kunst, het meesterwerk, de functie van het kunstwerk. Ik denk ook aan initiatieven als het Institut de Carton in Brussel, waar ik recentelijk Suchan Kinoshita’s Operating Theatre zag. Ze had een theatertje ingericht op de benedenverdieping van het huis waar ze samen met andere ‘operatoren’ live objecten manipuleerde. Van dat gebeuren maakte ze tegelijk films die in realtime op de verdiepingen werden geprojecteerd. Het Operating Theatre van Suchan zegt iets over haar Japanse erfenis: de manier waarop de voorwerpen worden gehanteerd, de trage gebaren herinneren aan het Kabuki-theater… Ik geloof dat we dergelijke alternatieve plekken moeten steunen. Dit soort initiatieven is nodig om nieuwe vormen van beeldproductie te doen ontstaan, die niet meteen in galeries aan bod zullen komen. Vormen die van de traditie afwijken, moeten kansen worden geboden om zich te ontplooien. Ik raak er echter ook steeds meer van overtuigd dat mythen, cultussen en bepaalde rituelen moeten worden geherwaardeerd, want zij kunnen een tegengif zijn voor de door de beurzen en media georkestreerde normalisering van de wereld. Het is een van de functies van de kunst geworden om zich bezig te houden met de riten en te onderzoeken wat zij aan ons doorgeven.

 

5. De overlevering van de traditie

K.B./D.P.: De traditie wordt ook doorgegeven via het kunstonderwijs. Hoe duid jij dat? 

J.T.: Het kunstonderwijs gaat altijd het kader van de onderwijsinstelling te buiten. Aan de erg, de kunstschool waar ik ben opgeleid, ging het er anders aan toe dan in de klassieke academie. We werden er eerder toe aangezet het stuk traditie te ontdekken dat eenieder in zich draagt.

K.B./D.P.: Je hebt vast leermeesters gehad die jou een stuk traditie hebben bijgebracht. Wie waren dat?

J.T.: Mijn docenten waren geen kunstenaars, en om die reden laten ze zich stricto sensu moeilijk als leermeesters benoemen – een term die ik voorbehouden zie aan de overlevering van de eigenlijke artistieke praktijk. Die leraars hebben me ongetwijfeld geleerd om standpunten in te nemen. Een van hen citeerde Glenn Gould: ‘Wat vermag een leraar anders dan vragen stellen? Meer kan hij niet doen.’ Die docent had zo zijn eigen manier om ons voortdurend opnieuw in vraag te stellen. Ik heb het over Marc Vanhove, aan wie ik een werk heb opgedragen in de tentoonstelling Academy in het M HKA (2006). Dat werk omvat een foto van Glenn Gould, op de cover van een boek dat Marc me cadeau had gedaan en waarin hij een opdracht had geschreven. Het boek met Marcs opdracht gebruikte ik op mijn beurt om een werk te maken dat ik aan hem opdroeg. Het kunstonderwijs zoals ik het opvat – als ‘onderwijzen in traditie’ – houdt de belofte in dat je iets teruggeeft aan diegene van wie je een geschenk ontving; een wedergift in integrale maar tegelijk getransformeerde vorm, met nieuwe betekenis beladen door het verstrijken van de tijd. En dan waren er de theoretici, onder wie Birgit Pelzer, die esthetica en kunstfilosofie gaf, en ons door haar eigen radicaliteit – ze hield hartstochtelijk van drie of vier kunstenaars en kon er hoogstens nog drie andere velen – tot nadenken dwong. Ivan Thomas gaf ons zijn liefde voor de film door, en onderrichtte ons over de diepte van het beeld en de vrije indirecte rede. Hij werd later de vader van mijn dochter Juliette, een onweerlegbaar bewijs van kennisoverdracht! Leermeesters… het zijn er zovelen geweest dat ik ze moeilijk allemaal kan opnoemen, met uitzondering misschien van diegenen die ik eerder als geestelijke leermeesters beschouw. Daar zijn aangrijpende figuren bij zoals Alberto Giacometti. Ik herinner me dat ik ooit een film zag waarin hij journalisten te woord stond, terwijl hij ondertussen doorging met beeldhouwen en haast zonder te kijken een figuur modelleerde. Giacometti was iemand die zijn gedachten in de eerste plaats voor zichzelf formuleerde, en de manier waarop hij dat deed, maakte hem voor mij tot een leermeester. Eenzelfde intensiteit vond ik later terug in een interview met Jean Genet, die me eveneens zou leren wat vrijheid betekent. Mijn geestelijke leermeesters waren niet noodzakelijk kunstenaars, velen kwamen uit de filmwereld, zoals Jean-Luc Godard. Een andere cineast die ik zeker moet noemen, is Michelangelo Antonioni met zijn typische camerabeweging van binnen naar buiten, door een raam naar de hemel. Doordat ik me in een ander medium moest verplaatsen, gaf de film me stof tot nadenken en dat hielp me vooruit, in die mate zelfs dat het me soms toescheen dat ik zelf films maakte, zij het met andere middelen dan pellicule, en zonder dezelfde verhalen te vertellen.

K.B./D.P.: Er wordt vaak gezegd dat hedendaagse kunstenaars niet langer in opstand komen tegen de vorige generaties, dat ze geen ‘vadermoord’ meer plegen zoals hun voorgangers in de jaren zeventig en tachtig dat deden. Misschien is die ‘vadermoord’ voor vrouwelijke kunstenaars niet zo’n noodwendigheid?

J.T.: In de westerse wereld dan… want alle hedendaagse kunstenaressen uit radicaal islamitische staten of uit Korea, India en zeker Vietnam, waar ik een aantal vrouwelijke collega’s heb ontmoet, zullen van het tegendeel getuigen. En zelfs hier in het Westen moeten nog enkele vaderfiguren worden omgebracht: curatoren, museumdirecteurs en kunstreporters – ik noem ze bewust geen critici – van de oude stempel, die van mening blijven dat kunst toch geen vrouwenzaak is. Dat vrouwen een plaats opeisen en het woord nemen, en vooral dat zij dat op een ándere manier doen, is nog steeds niet vanzelfsprekend. Voor technici, tentoonstellings- en theatermakers, jonge curatoren of nieuwe directeurs van kunstinstituten lijkt die andere manier om tentoonstellingen te bedenken of te bouwen vaak een beproeving. Ze willen dat kunstenaars hun plaats bewezen hebben, ze hebben nood aan standaardisering. Het lijdt evenwel geen twijfel dat wij als kunstenaressen ons oeuvre haast uitsluitend hebben opgebouwd vanuit een identificatie met mannelijke voorbeelden: wat mij betreft kan ik stellen dat mijn grote voorbeelden, met uitzondering van Eva Hesse, voornamelijk Amerikaans en mannelijk zijn geweest, en dan denk ik evengoed aan de soliditeit van Sol LeWitt of Carl Andre als aan de fragiliteit van Richard Tuttle. De bijdrage van de twintigste-eeuwse vrouwelijke kunstenaars heeft de tand des tijds nog niet doorstaan. En zolang is er geen bewijs geleverd. ‘Kortom, er is nog veel werk aan de winkel’, noteerde Harald Szeemann enkele dagen voor zijn dood op het plan van het tentoonstellingscircuit van het Paleis voor Schone Kunsten waar in 2005 Visionair België plaatsvond. Die handgeschreven voetnoot, die eigenlijk op de voorbereiding van de tentoonstelling sloeg, is sindsdien een soort van motto van mij geworden.

K.B./D.P.: Wat heb jij aan jouw studenten doorgegeven? Heb jij hen jouw bagage meegegeven? 

J.T.: Daar ben ik voorzichtig mee. Als je te sterk aanwezig bent in een kunstschool, dan zie je algauw overal je eigen werk opduiken. Het makkelijkst door te geven, en dat gebeurt onbewust, is de esthetica van je werk, het meest formele aspect. Ik herinner me bepaalde eindejaarstentoonstellingen waar ik – het was sterker dan mezelf – de accrochage veranderde omdat ik die echt saai vond en weinig dynamisch. Na de interventie zei iedereen: ‘Ah, helemaal Tuerlinckx.’ Ik bespreek of toon zelden mijn eigen werken, en toch wordt er iets doorgegeven. Het is de eigenlijke paradox van het onderwijs: de overlevering gebeurt via een soort van zelfontkenning, zelfvergetelheid. Maar de geschiedenis is er, ze wordt overgedragen op tal van manieren. Wat ik mijn studenten hoop bij te brengen heeft eerder te maken met een methode, een manier om de wereld te benaderen, wat dan logischerwijze in een andere esthetica zou moeten uitmonden. Maar de manier waarop je een onderwerp benadert — hoe je een verhaal vertelt, de omgang met de ruimte, datgene wat je hebt ontwikkeld, die dagelijkse training, datgene wat geleidelijk aan eigen is geworden — is precies het moeilijkste om door te geven.

K.B./D.P.: Welke pedagogische methoden pas je toe?

J.T.: Die methoden ontwikkelen zich en worden voortdurend aangepast. Afhankelijk van de student die ik voor me heb, trek ik eerst de tijd uit die nodig is om naar zijn of haar werk te kijken, en ik doe dat niet als een verplicht nummer of omdat de conventie het voorschrijft. Ik kan heel lang kijken naar datgene wat de student me voorlegt. Soms verwonderen ze zich over het feit dat ik daar zoveel tijd aan besteed. Het is een manier om de tekening, het tafereel over te doen. Ik denk hier opnieuw aan Giacometti, die zei dat hij pas wist wat hij zag wanneer hij aan het werk was. Je gaat op die manier behoorlijk veel dingen zien, ook de zwakke plekken. Sommige kunsttheoretici hanteren een soortgelijke methode, zoals Yve-Alain Bois, die Mondriaans Victory Boogie Woogie (1942-1944) in de gedetailleerde beschrijving die hij ervan gaf, letterlijk ‘overdeed’. Vervolgens tracht ik de studenten aan de praat te krijgen. Ik benader het werk vanuit de verbeelding die getriggerd wordt door wat hij of zij erover vertelt. De student beschrijft ook wat hij/zij daarnaast aan het schilderen, bouwen, filmen is, ofwel zijn/haar atelier, of hoe hij/zij het aanpakt om een doek aan te vatten of een beeld te kiezen. Sommigen beantwoorden mijn vragen al lopend, een microfoon in de hand; soms maak ik aantekeningen. Ik vraag ook waar ze naar gaan kijken, of niet, en waarom. Ik neem hen mee naar tentoonstellingen, deel mijn enthousiasme of twijfels met hen en vraag vooral naar hun mening. Na een onderbreking van enkele jaren ben ik naar de erg teruggekeerd; ik geef mezelf nu alle tijd om mijn nieuwsgierigheid bot te vieren. Lesgeven interesseert me nu veel meer dan vroeger, vanwege de tijd die is verlopen tussen hun generatie en die van mij. Het benieuwt me wat dat tijdsverloop aan het licht kan brengen. Toen ik ongeveer even oud was als mijn studenten, kon ik die vragen niet stellen, kon ik niet op zoek gaan naar wat ons verbond of onderscheidde: ‘Voelen jullie, voelt jullie generatie zich door dit schilderij aangesproken?’ Die vraag stel ik nu telkens weer, razend nieuwsgierig naar het immer verrassende antwoord. Los van deze onderwijspraktijken ben ik echter al een hele tijd bezig met het op punt stellen van een methode die ik heb omschreven als ACTION WITHOUT KNOWING. Die werkwijze is nog fundamenteler. Ik formuleerde mijn methode voor het eerst enkele jaren geleden toen ik te gast was aan de universiteit van Gent voor een experimenteel project, waarvoor ik een aantal architecten, beeldende kunstenaars en theoretici had samengebracht om die benadering uit te werken en te beproeven. Het doel was om de aannames die ten grondslag liggen aan de kennis waarop alle sociale omgangsvormen steunen, en die men ook in het onderwijs terugvindt, radicaal in vraag te stellen. Leren gaat gewoonlijk over iets anders: de bagage van de traditie wordt eenvoudigweg heraangeleerd; de kennis wordt niet in vraag gesteld, maar louter geactualiseerd. Ik probeer integendeel onderwijs aan te bieden op basis van een heel andere aanpak, die er uiteindelijk op neerkomt dat je vooruitgang boekt en bijleert zonder te weten waar je heengaat. Meer nog: dat je handelt zonder te weten waar je vandaan komt. Het interessante aan deze werkwijze is dat ze dingen naar boven brengt die dichter bij het onbewuste dan bij het bewuste aanleunen. Wat de school, ook de kunstschool, je nooit kan leren is: hoe stel ik vertrouwen in mijn onbewuste. De school blijft immers de plek bij uitstek waar alles wordt uitgelegd en rationeel verantwoord. Precies dat andere aspect van de overlevering van de traditie vind ik belangrijk. Ik pas die methode om ’te handelen zonder te weten’ vandaag nog steeds toe, en ontwikkel ze op de meest uiteenlopende manieren. Onlangs heb ik sessies georganiseerd waarbij we — de studenten en ik — een uur lang met elkaar spraken over de onderwerpen die zich aandienden. Al deze interviews werden opgenomen, en leverden in juni jongstleden de stof voor een voorstelling in de theaterzaal van Netwerk (Aalst). Opnieuw bleek dat die methode om te ‘praten en handelen zonder te weten’ op een verrassende manier bepaalde tradities naar boven brengt.

K.B./D.P.: Denk je dat de verschillende generaties andere manieren hebben om met de traditie om te gaan? 

J.T.: Je merkt wel verschillen tussen de studenten van deze generatie en die van enkele jaren terug. Het gaat in golven. Een tiental jaar geleden verwierpen studenten musea en tentoonstellingen. Die generatie maakte een breuk. Vandaag begrijp ik beter dat die overgang nodig was. De kunst heeft zich nadien in alle domeinen en op alle mogelijke manieren ontwikkeld, nieuwe figuren zijn opgedoken, zoals Tino Sehgal, die de idee verwierpen dat je als kunstenaar een bagage met je meedraagt. De vernieuwde aandacht voor de performance speelde hierin een belangrijke rol. Alle kunstscholen hebben nu een Performance-afdeling. Ik heb er wel eens de draak mee gestoken, maar het biedt kunstenaars zonder geld, materiaal of atelier, zoals diegenen die ik recent in India leerde kennen, de kans om toch geloofwaardig werk te ontwikkelen dat stelling inneemt. De performance geeft hen een plaats en verleent hen geloofwaardigheid, en dit alles zonder dat ze een beroep hoeven te doen op de autoriteit van het museum. Maar onder het de banier van de performance gebeurt ook wel van alles en nog wat. Er wordt geen kennis meer verworven, geen vertoog meer gevoerd, geen metier aangeleerd… alles heet performance en onder die noemer is alles mogelijk. Sinds een drietal jaar merk ik op school echter opnieuw een verlangen naar de fysieke aanwezigheid van het kunstwerk, alsook, wellicht daarmee verbonden, een behoefte aan kennis. De studenten stellen ons vragen, ze willen opnieuw de geschiedenis kennen en leren van het verleden. Opnieuw… — zo lijkt het althans.

 

6. De overlevering van het oeuvre

K.B./D.P.: In 1994 koos je voor je eerste solotentoonstelling in een kunsthal een provocerende titel: Pas d’histoire, Pas d’histoire (Witte de With (Rotterdam)). Waarom?

J.T.: Wanneer je voor het eerst door een grote instelling wordt gevraagd voor een solotentoonstelling, leer je jezelf en je werk meteen veel beter kennen. In bepaalde mate geldt dat overigens voor elke tentoonstelling, zeker wanneer het om een individuele presentatie gaat. De titel van deze eerste solo moest zich manifesteren als de aankondiging van het hele oeuvre. Hij moest beslissend worden. Omdat hij, voorbij de beslotenheid van deze tentoonstellingsruimte, verwees naar het project van het toekomstige oeuvre als geheel, moest hij wel, zoals jullie heel juist opmerken, ‘provocerend’ zijn. Daarnaast kon ‘Pas d’histoire’ op verschillende manieren worden begrepen. Het woordje ‘pas’ kan immers als negatie én als zelfstandig naamwoord worden gelezen, in de betekenis van een stap, een beweging. Om vooruit te komen en niet stil te blijven staan, is echter een tweede ‘pas’ nodig. Door de geschreven formulering simpelweg te verdubbelen, werd de betekenis ambigu: het betekent zowel een ‘stap in de geschiedenis’ als ‘geen gedoe, geen gezever’. Wellicht was dat mijn antwoord op de verbaasde reacties over het feit dat ik werd uitgenodigd in dat zeer vermaarde instituut — 1200 square meters of brain, zoals ik het noemde, 600 vierkante meter per verdieping – terwijl niets in mijn curriculum een dergelijke eer scheen te rechtvaardigen. Ook in die zin had die titel iets provocerends. Pas tijdens de discussie over de vraag of de titel al dan niet kon worden vertaald, werd ik me volledig bewust van de mogelijke interpretaties. De titel werd immers vertaald als No Story, No History. Aanvankelijk stoorde ik me aan die vertaling, maar ik zag algauw dat het niet onjuist was. ‘No Story’: er was geen verhaal, geen voorstelling, niets anders dan de geschiedenis van deze presentatie. De inzet, het idee van de tentoonstelling, was inderdaad zo’n beetje het ‘uitpakken’ van iets, wat dat ook moge wezen, op de eerste verdieping, om het dan op de bovenste verdieping weer in te pakken. Het was een tentoonstelling die alles van zichzelf zou laten zien, zonder verhaal — tot en met de rebussen en restjes die uitgestald lagen in een laatste toonkast. Die toonkast, die ik ter plaatse had aangetroffen, maar die nu deel uitmaakt van een privéverzameling, blijft voor mij een fundamentele peiler van het oeuvre en zijn grillen. Met die eerste titel verkende ik al de mogelijkheden van de paradox die ons kunstenaars alle vrijheid biedt om onszelf tegen te spreken. Is de afschaffing van de geschiedenis dan mogelijk, is het mogelijk dat er geen geschiedenis is?

K.B./D.P.: Ging het inderdaad ook om een soort droom van een tabula rasa?

J.T.: Droom én werkelijkheid, want het wás inderdaad een tabula rasa, de lei wás inderdaad proper. Ik vertrok van een beginscène, of nog anders, van een soort weddenschap: uit nieuwsgierigheid wilde ik proberen een terrein te betreden zonder dat ik werken bijhad. Ik wilde het begin tot onderwerp nemen, met een minimum aan objecten en materialen. Het was een van mijn overzichtstentoonstellingen waar het retrospectieve gedeelte zo beperkt was dat er niets hoefde te worden getransporteerd. Er was niet eens een zaal met schetsen. Het enige retrospectieve element was een vitrine met vijf opnamen van mijn eerste fotosessie, die met de vier vierkanten wit papier die ik eerder heb beschreven. Ze werden gepresenteerd zonder bijschrift. In die zin was het een vrij radicale tentoonstelling. Nú weet ik dat in een schijnbare leegte een veelheid van verhalen schuilt. Pas meer dan twintig jaar later besef ik dat! De aanmaning ‘pas d’histoire’ wordt trouwens meestal gebruikt wanneer men het veel te bont maakt, wanneer men ’te veel verhaal haalt’. De titel sluit zijn eigen ontkenning in, en ik heb de ervaring daarvan tot het uiterste doorgedreven. Er was een desk waar gewoonlijk dia’s werden getoond van eerdere tentoonstellingen. Ik vond dat onzinnig: het was absurd om een werk, geïnstalleerd in zo’n grote ruimte, te willen inschatten of begrijpen aan de hand van een stukje pellicule van 24 bij 36 mm. De traditionele tentoonstellingsfotografie paste niet bij de grotere uitdaging die ik was aangegaan: de tentoonstellingsmachinerie zou zélf haar opnamen voortbrengen. En dus waren aan die desk ‘dia’s’ van de ‘lopende’ tentoonstelling te zien, die ik op een middag met viltstift had getekend: punten, puntenrasters, lijnen, vierkanten op gekleurde folie, die tegelijk herinneringen waren aan de tentoonstelling en projecties van toekomstige thema’s, ter plaatse en met de hand gemaakt. Frank Vande Veire had dat aspect van mijn werk goed begrepen. In zijn artikel Iets over hoe de Tuerlinckx-machine door de tentoonstellingsmachine heen stapt had hij het over een soort van menselijke machine die het verschijnsel van de museografische machinerie analyseert, maar die ook zaken tot zich neemt, verteert en reproduceert. Elk proces dat door de museografische machine wordt ingeleid of door haar logica wordt gedicteerd, draagt mijn belangstelling weg. Ik sta er voor open. Ook dat aspect van Pas d’histoire, Pas d’histoire zou achteraf beslissend blijken: het ligt aan de basis van latere attitudes en keuzes, onder meer in verband met het aftasten van de territoriale grenzen tussen kunstenaar en instituut. Zo wordt de traditie soms gevestigd in het heden, in de vorm van een soort rechtstreekse data van een nog niet bewuste toekomst…

K.B./D.P.: Bij latere tentoonstellingen opteerde je er steeds vaker voor om je bagage mee te brengen.

J.T.: Het is logisch dat de bagage mettertijd aangroeit. Dit jaar ben ik voor het eerst begonnen kopieën te maken van jeugdwerken. Ik reproduceer ze, maar dan in bijgewerkte, getransformeerde, geannoteerde vorm. Remakes noem ik ze, verwijzend naar het filmjargon. Op de beurs van Basel kon je vorig jaar oude tekeningen van me zien, met puntenrasters en lijnen, opgebouwd uit binaire punten, in zwart of wit, en hun hedendaagse kopieën, uitvergroot, gemonteerd op aluminium, bijgewerkt met zwart, gecorrigeerd met wit, verbeterd, doorstreept. Het oeuvre ontpopt zich als een verteringsmachine, die voortaan mijn eigen werk gebruikt en reactualiseert. Nog los van de strategie die je er ongetwijfeld in kan ontwaren, namelijk het zichzelf citeren als middel om de oorspronkelijkheid van oude tekeningen te versterken, is het fascinerend om via dit procédé procedé te ontdekken waar je nog steeds met jezelf in overeenstemming blijft, en waar je je te ver van de centrale peiler van je werk verwijdert en begint te twijfelen: ‘Ben ik er nu of ben ik er niet meer?’

K.B./D.P.: Meer dan twintig jaar na Pas d’histoire, Pas d’histoire kan men zich de vraag beginnen te stellen of je werk overdraagbaar is. En indien niet, is dat een bewuste strategie?

J.T.: Een strategie misschien wel, maar dan niet als een plan dat ik vooraf heb uitgestippeld. Het is een strategie ondanks mezelf. Dat sprak me zo aan in de tekst die Luc Derycke schreef naar aanleiding van de uitreiking van de Cultuurprijs van de universiteit van Leuven aan Luc Tuymans en mezelf in 1998. Die tekst droeg de veelbetekenende titel Een archeologie van het fluïde. Misschien is dat antagonisme, en wat erachter schuilgaat, het vrouwelijke aspect van mijn werk. Vaak houdt kunst van vrouwen op een of andere manier verband met beweging, veranderlijkheid, licht, het verlangen om uit het kader te ontsnappen… Mijn laatste tentoonstelling bij Stella Lohaus, met het werk CARACTÈRE CARRÉ du TEMPS (2010), ging precies daarover. Ik begreep toen zelf mijn eigen titel niet. Wat werd er bedoeld met die ‘vierkantige aard’ die aan de tijd werd toegeschreven? Pas later drong het tot me door dat het misschien over conventies ging — conventies die zowel de vierhoekige vorm betreffen waarin het schilderij de wereld representeert, als het monolithische museum waar de verschillende uitingen van dit wereldbeeld worden bewaard. De werkelijkheid is echter in feite totaal ongrijpbaar, de wereld blijft maar ontsnappen – het licht, het leven, de tijd, deze tafel, jullie en ik. Vreemd genoeg heeft de kunst steeds geprobeerd de wereld in een kader te vatten. Heel haar geschiedenis is rond die onwaarschijnlijke poging geconstrueerd.

K.B./D.P.: Je wantrouwt kaders. Vaak komt je antwoord op een uitnodiging neer op een ontdubbeling, waarbij je de vraag op zichzelf terugplooit. Stelt men jou een retrospectieve voor, dan maak je een retrospectieve over een retrospectieve…

J.T.: Laten we het eerder zo stellen dat het mij, hoezeer ik ook de schilder bewonder die er wel in slaagt, nooit lukt om binnen het kader te blijven. En vaak is het inderdaad een ontdubbeling die het kader oprekt, waardoor ik eruit kan ontsnappen. Ik knip bijvoorbeeld het woord ‘culture’ uit de krant, en plak het op een blad papier dat zelf op een ander blad is gekleefd — dat soort collage noem ik een Surcollage. Het is een manier als een ander om het onderwerp lichter te maken en, steunend op de traditie en de code van het inkaderen, de overstap te maken van het onderwerp naar de context of, omgekeerd, van de tentoonstellingsplek naar het onderwerp. Dat is nog maar eens een voorbeeld van hoe ik soms op de traditie en haar conventies steun, terwijl ik er tegelijk van afwijk.  

K.B./D.P.: Laat ons nog even terugkeren naar de overleverbaarheid van het oeuvre. Welke strategieën heb je daartoe – bewust of onbewust — ontwikkeld? 

J.T.: Als je het hebt over het nalaten van het oeuvre, en de consequenties die dat heeft in de economische sfeer, dan kan je wel zeggen dat ik een strategie probeer te ontwikkelen. Ik leg er althans de grondslag voor – al moet ik misschien eerder spreken van het zoeken naar een methode. Dat is een taak op zich, waar Anna Oppermann en haar naasten, in tegenstelling tot Joseph Beuys, zich schitterend van hebben gekweten. Ik voel nogal voor het concept en de notie van de ‘vertolker’, en zou het muzikale model willen benaderen. Mijn gedachten gaan eerder die richting uit: dat alles ooit hervertolkt zou kunnen worden, maar volgens verscheidene modellen. Om die reden vind ik jullie idee van ontdubbeling, van de dubbelganger of doublure, die toch eerder verwijst naar de wereld van de podiumkunsten, van theater en opera, inspirerend. Niet één ontdubbeling, maar een eindeloze reeks ontdubbelingen… En uiteraard met de bedoeling, ja zelfs de eis, dat de naam van de vertolker ergens zou worden vermeld. Ik herinner me een experiment van Gabriel Kuri, dat hij in 2003 ten uitvoer bracht in het M HKA. Hij was toen nog een jonge kunstenaar. Hij had toestemming gevraagd om een van mijn werken te gebruiken en had allerlei dingen bedacht met een wasmachine die verbonden werd met een van mijn overheadprojectoren. Het was fantastisch, maar ik was niet langer de auteur van het werk: naar mijn gevoel was het een werk van Kuri, gemaakt met elementen uit het oeuvre van ‘Tuerlinckx’. Ik wil die manier om een werk ‘over te dragen’ best overwegen, op voorwaarde dat het publiek de nodige informatie krijgt, bijvoorbeeld via het titelbordje – wat toen niet meteen het geval was. De vraag stelt zich trouwens ook bij het installeren van werken. De zeldzame keren dat ik iets heb laten installeren door anderen, zoals Stella Lohaus, heb ik de installatie wél bijgewoond, met veel genoegen en nieuwsgierigheid, en zonder al te veel bezorgdheid — al zeg ik niet: ‘hier is het werk, ga je gang, doe er maar mee wat je wil’. Nee, dat vind ik dan weer verdacht. Dat is nooit goed. Bij elk werk hoort vandaag een lijvig dossier met vermelding van de dubbels – van de als ‘Figuren’ tentoongestelde varianten, in mijn geval. In het dossier wordt alles van naaldje tot draadje verteld en opgetekend, om te vermijden dat de installatie de vorm van een nabootsing zou aannemen. Door de betekenis toe te lichten, geef je volgens mij juist meer vrijheid aan diegene die het werk installeert. Opnieuw laat ik me hier door de muziek inspireren, en duikt de idee van de vertolker op… De vertolker zou een model kunnen zijn om het werk als deel van de ’traditie’ door te geven. 

K.B./D.P.: Kortom, de manier waarop je werk aan volgende generaties zal worden doorgegeven, houdt je bezig.

J.T.: Daar heeft het alle schijn van. Jullie interview over het archief [De Witte Raaf nr. 153, september-oktober 2011] heeft daar trouwens een belangrijke rol in gespeeld. Ik slaagde er toen niet in jullie vragen te beantwoorden; het was nog niet tot me doorgedrongen dat er een immense taak op me wachtte, namelijk het ordenen van mijn archief. Vijf jaar geleden hield dat me gewoon niet bezig. Vandaag is mijn atelier een echt instrument geworden; er is een geweldige vooruitgang geboekt in de ordening van het materiaal. De bedoeling daarvan is uiteraard dat we — mijn assistenten en ik — er onze weg in zouden vinden, maar we doen het ook met het oog op een mogelijke overdracht. Sindsdien wordt gestaag gewerkt aan de ontwikkeling van een methode van veranderlijke classificatie, met assistenten die allemaal tot een jongere generatie behoren, sommigen kunstenaars, anderen grafici, musici of kunsthistorici. Uiteraard is ook de retrospectieve WOR(LD)K IN PROGRESS? uit 2012-2013, waar onder meer de idee van de progressie van een oeuvre aan de orde werd gesteld, hierbij bepalend geweest. Ik besef nu dat ze iets te vroeg heeft plaatsgevonden. Noch het oeuvre, noch de toestand waarin de archieven zich toen bevonden, waren erop voorzien, of het nu ging om het lokaliseren van de opslagplaatsen en het bepalen van de herkomst, de archivering van de werken in collecties, titels en afmetingen, of de verpakkingen en conservatievereisten: alles was nog aan de gang of moest nog gebeuren. Ons gesprek, mijn leeftijd en de ervaring van een retrospectieve door de kunstenaar zelf, ze hebben de organisatie van mijn eigen werk danig in de war gestuurd, maar meer nog hebben ze de manier veranderd waarop ik er vandaag naar kijk. Vandaag snak ik naar helderheid. Wat ik graag aan toekomstige generaties zou willen doorgeven, is die plek waar ik zelf zo graag had willen werken. Met het oog op die overlevering denk ik nu na over een stichting, een fondation in de letterlijke betekenis van ‘fundering’: ik wil een gebouw kunnen doorgeven dat op een optimale manier is leeggehaald. Dat leeghalen veronderstelt dat de inhoud zo compact mogelijk wordt gemaakt. Om de geschiedenis van die instrumentalisering van het archief over te leveren, is er nog heel wat werk aan de winkel op het vlak van het ordenen en conserveren van het fysieke archief, iets wat door de digitalisering mogelijk is geworden. Plaats inruimen voor de leegte is volgens mij de ideale manier om iets over te dragen… al moet er wel een kantoortje overblijven waarin de historiek van de plek, van de totstandkoming van het oeuvre tot aan zijn uiteindelijke verdwijning, wordt toegelicht.

 

Transcriptie: Camille Barbasetti

Eindredactie in het Frans: Laurine Tuerlinckx

Vertaling uit het Frans: Catherine Robberechts

De aansprakelijkheid van de beschouwer

Bart Verschaffel: Een groot deel van de twintigste-eeuwse kunst meet zich met twee limietbegrippen van wat het kunstwerk kan zijn: de readymade, of de bevestiging dat álles, en om het even wat, kunst kan zijn, en het witte, monochrome doek, dat kunst is en tegelijk niet of niets afbeeldt. U heeft veel over de readymade en over de abstractie nagedacht en geschreven. Ook in uw nieuwe boek vormen ze de voornaamste referentiepunten.

Thierry de Duve: Ik heb in vroeger werk getracht te begrijpen hoe bij Duchamp een schilderkunstige vraagstelling geleid heeft tot een antwoord onder de vorm van een object. De readymade komt immers niet voort uit een reflectie op het object of uit de sculpturale traditie, maar vormt een beslissende stap in het proces waarbij Duchamp afstand neemt van zijn eigen kubistisch schilderwerk. Daarover gaat Le nominalisme pictural. Deze geboorte van de readymade in 1913, die lang zonder gevolg zal blijven, valt samen in de tijd met het zoeken van andere kunstenaars – Kandinsky, Malevich, Mondriaan en anderen – naar de zuivere abstractie. De limiet van de abstractie – Greenbergs canvas op een drager, zo aan de muur gehangen – is trouwens zelf een vorm van readymade. Duchamps readymade is belangrijk omdat hij de voorwaarden onthult waaronder, binnen de moderniteit, iets, en dus om het even wat, kunst kan zijn: je hebt een object nodig, een auteur, een instelling of een institutie, en een publiek. De readymade formuleert het recept om kunst te maken.

BV: U heeft de readymade ergens omschreven als le moderne comme fait accompli. De readymade voltrekt dus als het ware een beweging. Hij toont zo een einde van een ontwikkeling, en volgens sommigen meteen het einde van de kunst. Immers, wanneer alles kunst kan zijn, is niets nog echt kunst. Alle kunst na Duchamp is kunst die komt ná de readymade. Het is kunst die zich op niets meer kan beroepen?

TDD: Duchamp maakt duidelijk dat alles kunst en dat iedereen kunstenaar kan zijn, maar tegelijk dat het niets meer betekent dat iets kunst is of dat iemand een kunstenaar is. Dat maakt de readymade niet tot een norm of een organiserend principe waar het maken van kunst moet van uitgaan. Evenmin kondigt de readymade een einde aan. De readymade is immers essentieel een reflectie op de condities van het moderne kunst-maken zoals die zich in de 19de eeuw hebben gevormd: de readymade reflecteert en maakt een bilan op van het verleden. Ik moet, om dit uit te leggen, even teruggaan in de geschiedenis. Duchamp becommentarieert door middel van de readymade de veranderende condities van het kunst-maken sedert de 19de eeuw. Het is bekend dat de kunst zeer lange tijd gemaakt werd voor het hof en de adel en voor de kerk, door een gesloten beroepsgroep van kunstenaars. De enige plaats waar het volk kunst kon zien was in de kerk. Vanaf de achttiende eeuw beginnen, min of meer gelijktijdig, de dingen te schuiven. Vooreerst ontstaat in Frankrijk de nieuwe institutie van het Salon, waar het volk niet alleen de kunst kon zien, maar waar die kunst aan het volk – de massa, de anonieme bezoeker – werd aangeboden. Een tijdlang wordt de keuze van wat daar getoond wordt nog gecontroleerd door een jury, maar die selectie wordt steeds meer betwist, en de jury’s worden helemaal buitenspel gezet wanneer concurrerende Salons worden gehouden – het Salon des Artistes Indépendants in 1884 – en tegelijk door het nieuwe circuit van de marchands, die kunst tonen en verkopen buiten de Salons om. Onder meer door die Salons verliest de Academie ook haar controle op het beroep: ieder die bijvoorbeeld een lidkaart koopt van het Salon des Indépendants verklaart zichzelf kunstenaar en kan zijn kunst tonen. Inmiddels zijn een aantal andere drempels ook weggevallen, men kan bijvoorbeeld al verf in tubes kopen, men hoeft dus de geheimen van het verf maken niet meer te kennen om te kunnen schilderen, enzovoort. De readymade constateert met andere woorden de gerealiseerde utopie: iedereen die zich kunstenaar noemt is kunstenaar, er is niets of niemand meer die iemand kan beletten kunst te maken. De instelling van het Salon houdt ook in dat iedereen kunst kan zien en zijn mening kan hebben. De filosofie heeft ondertussen, sedert de 18de eeuw, onder meer door Kant, de theorie van de smaak en van het esthetische oordeel ontwikkeld die dit bekrachtigt. Kennis over kunst is immers geen gespecialiseerde, bijzondere kennis. Ieder redelijk wezen kan ook zelf esthetisch oordelen. Kennis van kunst is niet sociaal gebonden, het is geen beroepskennis, en ze kan niet gesuperviseerd worden. De conclusie is dat ieder het recht heeft te zeggen dat iets kunst is of geen kunst is, en dat het iedereen vrij staat te oordelen of iets goede kunst is of niet. Dat is uiteindelijk wat Duchamps readymade voor mij inhoudt. Dat is wat Duchamp proefondervindelijk duidelijk maakt op het moment dat hij zijn Fontein presenteert op de Amerikaanse Independents Show in 1912 in New York. Diegenen die daar zijn Fountain willen buitenhouden, krijgen ongelijk en bewijzen de ongeldigheid van elk gezag over de kunst.

BV: De readymade als opdracht, als principe van fait n’importe quoi, is toch ook, kunsthistorisch en artistiek, een valstrik gebleken? Wanneer men uitgaat van dit principe en écht om het even wat wil doen, raakt men in de maxime verstrikt en blijft maar binnen de premoderne condities kunst maken: men doet uiteindelijk met uw woorden om het even wat als het maar kunst is – pourvu que ce soit de l’art. Kunst-maken wordt een strategisch spel met de condities van het kunstbedrijf, als gemakkelijk middel om kunst te blijven maken en op de oude manier kunstenaar te blijven.

TDD: De geschiedenis van de artistieke receptie van de readymade moet nog geschreven worden. Maar men zou, vereenvoudigend, kunnen verdedigen dat in de 20ste eeuw opeenvolgende generaties van kunstenaars elk gewerkt hebben op één van de vier condities die de readymade aan het licht heeft gebracht. De surrealisten zijn uitgegaan van de kunstenaar en van de soevereiniteit van de kunstenaar of de auteur: het is zijn keuze die het object oplaadt en tot kunst maakt. De pop art gaat uit van de objecten, die zelf voor hun betekenis lijken in te staan, en de kunstenaar en de institutie niet nodig hebben: het object vult de scène, zoals bij Arman die zijn werken met verftubes maakt door readymade op readymade te stapelen. En dan komt een generatie van conceptuelen die begint te werken met het kader van de kunst. Ze willen met Wittgenstein en anderen de regels van het taalspel kunst tonen, varianten en vormen van institutionele contexten blootleggen, en het gebruik van de institutie kunst analyseren. Dat wordt snel een spelen met de grenzen van de kunst, waarbij het spelen slechts een manier is om de kunst binnen te komen en te slagen: conceptuele kunst verwordt tot kunst als strategie. Het wordt een spel met een tautologie: het museum is een kunstmuseum als het gevuld is met kunst, en alles wat het museum vult is kunst. Broodthaers heeft de conclusie getrokken en heeft zichzelf van kunstenaar tot museumdirecteur gepromoveerd. Ik vind dat een fantastische zet, maar nu zijn we wel verder. Een aantal dingen die ik zelf einde jaren ’80 heb geschreven over de readymade zijn – tegen mijn bedoelingen in – begrepen en mede gebruikt om die conceptuele oeuvres te maken en te legitimeren. Terwijl goede kunst theorie uitlokt! Theorie moet na het werk komen, en niet gebruikt worden om werk te maken en te verantwoorden. Na de generatie van de conceptuelen blijft er echter nog één voorwaarde over, waar relatief weinig mee gewerkt is, en die ik nu, in de reflectie en in de tentoonstelling, als uitgangspunt wil nemen: het publiek, en daarmee verbonden het esthetische oordeel en de verantwoordelijkheid van de beschouwer. Daarover wil ik het nu hebben. Ik wil de readymade nu interpreteren als een esthetisch oordeel, en niet als een conceptueel oordeel of een institutioneel statement. Duchamps readymade concludeert dat, in de nieuwe sociale omstandigheden, het esthetische oordeel – het geraakt worden en zich laten raken door de kunst – iedereen toekomt. Duchamp maakt die vrijheid niet, maar hij toont ze.

BV: Ik wil even terugkomen op de abstractie of het witte monochroom als tweede ijkpunt van het moderne. Het begint met de vrijheid die de avant-garde zich toe-eigent – van zodra de kunst niet meer weet wat ze moet maken of voor wie ze werkt – om álles te schilderen. Courbet schildert zijn dorpelingen, Manet schildert asperges, enzovoort. Dat loopt uit op de geleidelijke verbanning van de figuur uit het beeld. Waarom?

TDD: Dat weet ik niet. Op het moment dat de kunst vrij en voor iedereen toegankelijk wordt, wordt ze ook reflectief. De kunst is natuurlijk altijd reflectief geweest, maar ze wordt modern wanneer ze zich aan die reflectie wijdt. Greenberg stelt dat de avant-garde vanaf dan de conventies van de schilderkunst de één na de ander uittest, ze als overbodig toont, en ze één na één uit de weg ruimt. De kunstenaar test de mogelijkheden van zijn medium door de conventies op de proef te stellen, en op de proef stellen betekent de conventies breken, en de conventies breken betekent ze liquideren. Zo liquideert Manet het clair-obscur, Cézanne het lineair perspectief, het kubisme de euclidische ruimte, de abstractie de figuur, het monochroom de figuur-dieptewerking, en tenslotte het witte monochroom de kleur. Greenberg ziet een streng lineaire ontwikkeling van Manet tot Pollock en de monochromisten, en natuurlijk zet hij zo vele namen buitenspel en vergeet hij dwarslijnen. Ik zou zelf niet zeggen dat de ontwikkeling van de kunst naar de abstractie moest gaan. Wat mij echter heeft beziggehouden, is het feit dat Greenberg in dit verband spreekt over de conventies van de schilderkunst, zonder echt in te gaan op wat die conventie inhoudt. Ik ben binnen Greenbergs hypothese van die streng lineaire geschiedenis gebleven, van Manets modernisme tot Stella’s laatste monochromen, maar ik heb getracht die geschiedenis te herdenken vanuit die notie van conventie. Greenberg maakt nooit duidelijk dat elke conventie een sociaal pact is. Maar die conventies, dat zijn toch de middelen van de schilderkunst, dat zijn haar werkwijzen, het is alles wat de schilder leert, dat zijn de aaneengekoekte afspraken van vroeger. Elke conventie vooronderstelt en fundeert een ‘wij’, of stelt in elk geval een verhouding in tot iets gemeenschappelijks en tot een publiek. Wie tekent het pact van de kunst? Het pact van de kunst werd natuurlijk eerst gesloten tussen groepen – tussen de groep van de opdrachtgevers en de corporatie van de kunstenaars bijvoorbeeld. Dat pact tussen aanwijsbare groepen spat echter uiteen wanneer de massa het Salon binnenstroomt. In de reflectie op het medium en die conventies verhoudt men zich tot een overeenkomst of een pact. Ik heb mij dan afgevraagd tussen wie dat pact gesloten wordt. De moderne kunst begint wanneer men niet meer weet tot wie de kunst zich richt. Voor wie schilderen?

BV: Hoe wordt dat besef ontwikkeld?

TDD: Neem Courbet. Courbet is één van de eersten die het probleem stelt, wanneer hij de conventie van de historieschilderkunst breekt en een dorpse begrafenis schildert. Voor wie schildert Courbet, tot wie richt hij zich? Zijn de dorpelingen het onderwerp en tegelijk het publiek van het schilderij of niet? Is het doek (ook) geadresseerd aan die dorpelingen? Het utopisch moment van het realisme is de mogelijkheid dat de mensen in het beeld en het publiek van het beeld overlappen. Courbet heeft de begrafenis eerst getoond waar hij ze geschilderd heeft. Vervolgens heeft hij het werk getest door het in steeds bredere kring te tonen, weg van zijn geboortestreek, tot hij het uiteindelijk getoond heeft in Parijs op het Salon, waar de intellectuelen en kunstenaars en critici het zien. Essentieel voor Courbet is dat zijn publiek zich verdeelt tussen, enerzijds, de plaats waar hij zijn werk geschilderd heeft, en het Salon in Parijs waar over succes en schildercarrières beslist wordt.

BV: Is de Courbet die met zijn werk nog bij zijn dorp blijft een voorbeeld van wat u in het boek aanduidt als het zoeken naar ‘een nieuwe verhouding van de toeschouwer tot het beeld’, nog buiten, voor of zonder de institutie van de kunst?

TDD: Manet is daar zeker een voorbeeld van, en dat tracht ik aan te tonen in mijn boek, maar van Courbet zou ik dat niet zeggen: hij trekt toch met zijn kunst naar Parijs.

BV: Eén van de verrassende stellingen van uw boek is dat zelfs de limiet van de abstractie – het witte monochroom – minder abstract is dan Greenberg denkt, en dat zijn duiding onder meer voorbijgaat aan wat het betekent een monochroom te maken.

TDD: De avant-gardekunst heeft geen opdrachtgever meer. Wanneer de schilder niet meer schildert voor een welbepaald publiek, kan hij geen transparant beeld meer maken dat zich richt tot het publiek achter het beeld, en dan adresseert hij zich aan het doek zelf. Wanneer het publiek wegvalt richt men zich tot het doek, en het doek staat voor la peinture zelf: la peinture als mythische instantie, zoals l’écriture voor Blanchot de mythische instantie is waartoe men zich al schrijvend verhoudt. La peinture staat voor het geheel van conventies dat de schilder toelaat om te schilderen. Wat betekent het om zich tot een conventie te richten? Vermits elke conventie een gemeenschappelijkheid en traditie vooronderstelt, richt de kunstenaar zich in het doek tot een ‘nous’ of een ‘wij’ dat, doordat het geadresseerd wordt, een ‘vous’ wordt. De kunstenaar richt zich tot het doek/vous, hij raakt het doek aan, hij toucheert het doek. Deze geste om zich, zo, lichamelijk, tot het doek te verhouden, resulteert – onder andere – in het monochroom.

BV: Ook radicaal ‘abstracte’ kunst richt zich tot de beschouwer. Hoe kan u Greenbergs flatness betrekken op Frieds notie van facingness?

TDD: Het feit dat de figuur-diepteverhouding afwezig blijft, en niets in een beeldruimte terugwijkt, geeft de monochromie een frontaliteit en een presentie: de flatness waarnaar de abstractie voor Greenberg zoekt, houdt – met de term van Michael Fried – facingness in. Het monochroom, meen ik, richt zich ook tot de toeschouwer, het adresseert zich aan de toeschouwer. In Absorption and Theatricality maakt Fried het onderscheid tussen een – eerder aristocratisch gecodeerde – beeldtraditie die Diderot voorstaat, waarin de figuur niet lijkt te beseffen dat er een beeldvlak en een toeschouwer is, en een meer theatrale – meer vulgaire – traditie, waarin het beeld zich expliciet naar de toeschouwer keert. Fried wil zelf niet ingaan op de sociale achtergronden of implicaties van die ‘absorption’. Maar hij heeft wel een heel boek geschreven om te begrijpen hoe Manet tegelijk een groot schilder is en zich toch tot zijn publiek richt zonder dat zijn beelden – in de slechte zin van het woord – theatraal worden. Ikzelf vind niets uit, ik breng gewoon Fried en Greenberg samen, en ik begrijp de zogenaamde flatness van de abstractie als een vorm van facingness: het radicaal abstracte vlakke werk toont zich aan de beschouwer en stelt hem zo tegenwoordig. Maar op deze stellingen en argumenten moet ik terugkomen in een volgend boek waaraan ik nu werk.

BV: Het adresseren van het doek door de kunstenaar heeft de vorm van het aanraken of van de toets. De penseeltoets of ‘la touche’, tot de laatste toets die het werk voltooit, maakt kunst tot een zaak van ‘toucher’. Het werk richt zich vervolgens, essentieel, tot de toeschouwer, en wil de toeschouwer raken. De vierde voorwaarde die de readymade onthult is het ‘toucher-être touché’: het esthetische oordeel is begrepen in, en wordt steeds voorondersteld in het omgaan met kunst?

TDD: Voor het verhelderen van het adresseren van de kunst – en ik kan daar wat romantisch in lijken, ik moet dat nog verder uitwerken – gebruik ik het vocabularium dat op de grens zit van de erotiek en de ethiek: het vocabularium van het getoucheerd zijn, van het raken en het geraakt of geroerd worden. Kunst is, zoals de erotiek, een zaak van raken en geraakt worden. De erotiek gaat toch niet zomaar over het produceren van aangename gewaarwordingen – ook al weet iedereen wel hoe het is de liefde te bedrijven zonder te beminnen – maar over het adresseren aan een lichaam. En het lichaam begrijpt dat; wanneer het lichaam aangesproken wordt, gaat het spreken, de lichamen worden vlees in de diepe zin van het woord. Ze incarneren. Het geraakt zijn is meer dan een noodzakelijke metafoor, ik zou bijna zeggen dat het geen metafoor is – de grond van de metafoor is niet metaforisch.

BV: Wanneer dit geraakt zijn het eindpunt is van een reflectie over de kunst, en het esthetische oordeel of het roeren en geraakt worden, de basis is van het omgaan met kunst, en men trekt daarmee naar het museum, vindt men daar dan niet vele beelden of vele soorten kunst, die daarmee niet beschreven of begrepen kunnen worden?

TDD: Dat is waar. Maar die kunst is niet aanwezig in de tentoonstelling.

BV: De gedachte dat niet enkel genres zoals het portret bijvoorbeeld, maar ook het abstracte beeld en zelfs de readymade de beschouwer adresseren en tegenwoordig stellen, en de beschouwer willen raken, gaat lijnrecht in tegen de verspreide stelling dat het principe en de essentie van het modernisme één of andere vorm van negativiteit is. Kunst is: kritiek, weigering, verschil of uitstel, afwezigheid, zwijgen. De gedachte dat een (modern) kunstwerk essentieel negatief geladen is…

TDD: …is vals. Ze is vals alhoewel ik ze in veel geschriften of uitspraken van kunstenaars terugvind. Let wel: veel kunstenaars en ook critici spreken wel met negatieve termen, maar gebruiken die woorden eigenlijk met positieve connotaties, en positief geladen. Ook recente woorden, zoals l’abject of l’informe en dergelijke. Er zit in de kunst veel schijnbare negativiteit. Maar die negativiteit, de flatness bijvoorbeeld, die de pure afwezigheid van diepte lijkt te zijn, kan zich vijftien jaar later anders tonen. Of neem bijvoorbeeld het werk van Bruce Nauman in de tentoonstelling. Men kan dat werk zeer cynisch vinden en in het geheel niet ontroerend, maar men kan er ook om glimlachen; en ook humor is een vorm van geroerd worden. Het werk kan bijvoorbeeld doen denken aan Kierkegaard, aan diens Dagboek van een verleider, aan humor als een weg naar spirituele groei enzovoort. Nauman is in mijn ogen trouwens een tragisch kunstenaar, en absoluut geen cynicus. Al zijn werken over geweld en zo, ze gaan over het leven, over het werkelijke leven. Greenberg heeft eens gezegd: ik ken geen cynische kunstenaar. Ik heb daar veel over nagedacht. Is het waar? Misschien is het waar, ik weet het niet. Het hangt er natuurlijk van af wat we cynisme noemen. Maar ik geloof dat, meer dan het cynisme, het nihilisme de 20ste eeuw bedreigd heeft. Ik versta onder een cynische kunstenaar een artiest die van het publiek minder eist dan van zichzelf. Kitsch bijvoorbeeld is cynisch. Een kitschkunstenaar is iemand die zijn eigen smaak verraadt om een pact met het publiek te sluiten, terwijl hij dat pact vervolgens onmiddellijk verbreekt. Conceptuele kunst die strategisch wordt en zich opsluit in de kunstinstitutie kan onbewust cynisch worden. Dat heb je met de school van de zogenaamde institutionele kritiek. Neem bijvoorbeeld die Amerikaanse kunstenares Andrea Fraser, die zich voordeed als een museumgids en de mensen rondleidde met fake-verhalen en parodieën van dat soort van licht vervelende kunstcommentaren. Ze nam de mensen mee in de toiletten om daar kunst te tonen, en ze in verwarring te brengen tot ze boos werden – en zij daar blij mee was. Ik vind dat onverdraaglijk, en een belediging van het publiek. En haar hele ding was helemaal niet institutioneel kritisch, want ze deed dat met medeweten en op uitnodiging van het museum! Dat is kunst als strategie. Dat cynisme, dat misschien onbewuste cynisme, ik verdraag dat niet meer. Maar ik heb wat hoop gekregen nu ik sedert zo’n tien jaar zie dat ook veel jonge artiesten dat soort kunst vervelend vinden. Ze zijn met andere dingen bezig, ze willen in de wereld zijn, in het sociale, in de media of de nieuwe technologieën. Ze weten wellicht niet altijd goed wat ze doen of wat ze willen, maar dat doet er nu even niet toe. Het is in elk geval toch iets anders dan zich de hele tijd bezighouden met strategieën om de kunstwereld binnen te komen of er zich staande te houden. Het spelen met de tautologie van de kunst is niet interessant meer.

BV: Een cynische kunstenaar is dus moeilijk voorstelbaar, maar wat met cynische toeschouwers?

TDD: Die bestaan wellicht wel, maar ze gelden voor mij niet. Waarom zich met kunst bezighouden, als men cynisch is? Ik heb daar geen antwoord op, ik tenminste zie hier in de tentoonstelling geen cynische toeschouwers. Wel mensen die boos worden omdat ze een andere smaak hebben, maar dat is geen cynisme.

BV: Heeft u niet eerder een ander soort van kritiek te verwachten op het boek en de tentoonstelling, namelijk van diegenen die er van uitgaan dat de moderne kunst vertrekt van een negatief moment, en dat ze dat kritische gehalte moet ontwikkelen?

TDD: Ja. Maar hier moeten we een onderscheid maken. Er is een soort van journalistieke negativiteit die simpelweg geestelijke luiheid is. Men herhaalt steeds maar negatieve termen alsof het positieve waarden zijn: men zegt dat de kunstenaar breekt met de traditie of dat hij antikunst maakt, enzovoort. Dat soort van negatieve uitspraken is zo gemakkelijk geworden, ze gelden ondertussen als een soort van compliment voor kunstenaars die precies zo negatief doen als van hen verwacht wordt. Laten we het daar niet over hebben. Wanneer we de negativiteit inhoud moeten geven, komen we eerst terecht bij Hegel. Bij Hegel roept elke negatie haar eigen Aufhebung op, en dus een nieuwe positiviteit waarin ze wordt opgenomen: de negativiteit drijft de geschiedenis aan in een utopisch perspectief. Adorno daarentegen beoefent een radicale utopiekritiek, die onophefbaar negatief is: de utopiekritiek is zelf de laatste utopie. Ik persoonlijk vind dat zoiets, vandaag, uiteindelijk naar wanhoop voert. Dat blijft vastzitten in wanhoop! Het discours van het einde van de kunst is nihilistisch geworden. Mijn strategie bestaat erin om rond de ideologische utopiekritiek heen te lopen. Ik wil de kunstwerken losmaken van de ideologieën die deze werken zijn gaan rechtvaardigen of funderen, en ik wil een geschiedenis van het modernisme maken zonder radicale eindes of beginpunten. Zelf wil ik de zaak opnemen vanuit het punt: kunst richt zich tot anderen. Zich tot de andere richten: wat gebeurt er dan? Altijd die retoriek van het eerste of het laatste kunstwerk! De kunst is niet gestopt na de readymade of de monochromie. Veel kunstenaars en critici hebben zich gevoed met die apocalyptische fantasma’s, die niet bevrijdend maar beperkend zijn. Maar daarom hebben ze nog geen gelijk.

 

De tentoonstelling Kijk, 100 jaar hedendaagse kunst (curator Thierry de Duve) loopt nog tot 28 januari 2001 in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel, Ravensteinstraat 23, Brussel (02/507.84.66). De catalogus verscheen bij Ludion, Muinkkaai 42, 9000 Gent (09/233.48.16).

Dertig jaar buiten de perken

Op 2 juni aanstaande zal in Arnhem de negende aflevering van de internationale beeldententoonstelling in en rond Park Sonsbeek worden geopend. De artistieke leiding is dit keer in handen van Jan Hoet. Zijn directe voorgangers waren Valerie Smith (1993) en Saskia Bos (1986).

‘Sonsbeek’ is in 1949 gestart als een klassieke tentoonstelling van Europese beeldhouwkunst in de open lucht. De tweede aflevering in 1952 was getiteld Van Rodin tot Moore en die karakterisering bleef in feite steeds van toepassing, totdat de traditie in 1971 met veel kabaal en publiciteit werd doorbroken. Onder invloed van de minimal art, conceptuele kunst en land art brak Sonsbeek 71 – beter bekend als Sonsbeek buiten de perken – door de grenzen van het park naar buiten. Wim Beeren schortte zijn conservatorschap in het Amsterdamse Stedelijk Museum voor langere tijd op om kunstwerken te laten maken voor locaties verspreid over heel Nederland, van Schiermonnikoog tot Maastricht, en van Emmen tot Zuid-Beveland. Het overkoepelende thema luidde ‘ruimte en ruimtelijke relaties’. Deelnemende kunstenaars waren onder anderen Carl Andre, Richard Artschwager, Joseph Beuys, Ronald Bladen, Stanley Brouwn, Daniel Buren, Jan Dibbets, Robert Grosvenor, Douglas Huebler, Donald Judd, On Kawara, Hans Koetsier, Sol LeWitt, Richard Long, Robert Morris, Claes Oldenburg, Panamarenko, Ulrich Rückriem, Ed Ruscha, Wim T. Schippers, Tony Smith, Robert Smithson, Shinkichi Tajiri, Carel Visser en Lawrence Weiner. Belangrijk onderdeel van de manifestatie was een door Frans Haks samengesteld film- en videoprogramma.

Het opzienbarende van Sonsbeek buiten de perken zat niet zozeer in de keuze van kunstenaars. Veel van hen hadden hun werk al laten zien op tentoonstellingen zoals Minimal art (Gemeentemuseum Den Haag, 1968) en Op losse schroeven (Stedelijk Museum Amsterdam, 1969). Wel vernieuwend waren de grootschaligheid van de manifestatie, de doorbraak naar het buitenmuseale domein en de koppeling van de formule van een openluchttentoonstelling aan de procesmatige en conceptuele tendensen in de kunst van dat moment. Eén en ander leidde tot veel commotie in de pers en zelfs tot protestacties van de kunstenaarsvakbond BBK, die verwikkeld was in een ideologische strijd met de vermeende artistieke elite.

Voor Sonsbeek buiten de perken werd een wijdvertakt informatie- en communicatienetwerk aangelegd dat geïnteresseerden in staat zou moeten stellen om in één van de regionale informatiecentra kennis te nemen van de projecten. De tentoonstelling behoorde tot de vroegste voorbeelden van institutionele toe-eigening van de site specificity – het locatiegebonden productiemodel dat kunstenaars in de jaren zestig ontwikkeld hadden. Op dat punt had zij nog iets puur en onbedorven. Sonsbeek buiten de perken speelde zich af in de prehistorie van het cultuurtoerisme. Er werd welgeteld één busreisje voor journalisten georganiseerd; verder durfde men erop vertrouwen dat het publiek zijn weg wel zou vinden. Een dergelijk geloof is tegenwoordig ondenkbaar. De land art mag dan allang door latere kunststromingen zijn overvleugeld, het fenomeen van de locatietentoonstelling is een geheel eigen leven gaan leiden. Namen als Münster, Diepenheim en Fort Asperen worden nu direct geassocieerd met periodieke beeldententoonstellingen op locatie. De grote schaal waarop Sonsbeek 71 zich afspeelde, wordt nooit meer gehanteerd: men beperkt zich liever tot de relatieve overzichtelijkheid van één stad of regio.

De tijd lijkt rijp voor een hernieuwde evaluatie van Sonsbeek buiten de perken. Op 19 juni aanstaande is het precies dertig jaar geleden dat de tentoonstelling werd geopend. Het officiële startsein werd destijds gegeven door de nieuwslezer van het NOS-televisiejournaal, die rechtstreeks in honderdduizenden huiskamers melding maakte van “een kunsttoestand” en “een molshoopachtige tentoonstelling”. In de collectieve herinnering is de tentoonstelling sindsdien uitgegroeid tot een legendarisch evenement. Maar het effect van die reputatie lijkt vooral dat veel van het specifieke karakter uit beeld is verdwenen. Wat was er in 1971 aan de hand? Waarom riep de tentoonstelling zoveel weerstand op? Hoe verhield de tentoonstelling zich tot de culturele en maatschappelijke omstandigheden van die tijd? In welk opzicht was zij een mislukking, in welk opzicht een succes? Wat heeft zij betekend voor de latere ontwikkelingen in de kunst en voor de direct betrokkenen persoonlijk? Wat is er met het erfgoed van Sonsbeek gebeurd?

Cor Blok, Judith Cahen en Lambert Tegenbosch hebben Sonsbeek buiten de perken van zeer nabij meegemaakt, de eerste twee als lid van de organisatie, de laatste als kritisch buitenstaander. Het hierbij afgedrukte gesprek met Blok (67), Cahen (62) en Tegenbosch (75) vond plaats op 2 april van dit jaar.

 

Camiel van Winkel: Cor Blok, u was educatief adviseur bij Sonsbeek buiten de perken. Wat hield die functie in?

Cor Blok: Ik verzorgde de educatieve begeleiding, wat neerkwam op diaprogramma’s maken en discussiëren met het publiek. Verder was ik beschikbaar voor de publiciteit. In zekere zin werd ik de officiële woordvoorder en verdediger van Sonsbeek. Ik heb interviews gedaan met verschillende kranten en heb ook voor een schriftelijke begeleiding gezorgd: een uitgebreide folder en een ‘kijkwijzer’ met tekeningen die lieten zien hoe je tegen een aantal van de objecten aan kon kijken. Hoe je de thematiek van ruimte, afstand en dergelijke concreet kon verbinden met de kunstwerken. Wat ik verder deed was de rondleiders instrueren, dat waren studenten van de kunstacademie van Arnhem.

C.V.W.: Hoe verliepen de discussies met het publiek?

C.B.: De discussies begonnen in de opblaastent die door de Eventstructure Research Group in Park Sonsbeek was opgetrokken. Dat bleek geen succes want die tent was zo leuk, met een soort trampoline als vloer, dat er weinig terecht kwam van serieuze discussie. We zijn daarom uitgeweken naar de kelder van Huis Sonsbeek. Uiteindelijk bleef het bij vrij klassieke diavertoningen met af en toe wat vragen en opmerkingen vanuit het publiek. Het is me niet bijgebleven als een levendige zaak. Er werd lauw gereageerd.

C.V.W.: Het publiek had een afwachtende houding?

C.B.: Ja. Nou was de situatie ook niet ideaal. Je moest naar het park toekomen, je moest geïnteresseerd zijn in wat daar te zien was, je moest door het hek heen, je kon niet zomaar binnenlopen. De opzet nodigde niet uit tot participatie.

C.V.W.: In ons voorgesprek noemde u Sonsbeek buiten de perken een afknapper. Waarom was het een afknapper?

C.B.: De verwachtingen waren hoog gespannen. We kwamen uit de musea, en waren allemaal hevig betrokken bij wat er in de jaren zestig aan nieuwe dingen in de kunst was gebeurd. Onze mentaliteit was zo dat we ons tamelijk kritiekloos inzetten voor alles wat nieuw was. Sonsbeek zou in dat opzicht een hoogtepunt worden; het zou allemaal bij elkaar komen, zonder de beperkingen van een museum of beeldenpark. De dingen gebeurden op grote schaal, het hele land door, met een enorm communicatienetwerk eromheen. Het moment leek aangebroken voor de grote doorbraak van de nieuwe ontwikkelingen naar het publiek. De noemer van ruimte, tijd en afstand was ook bedoeld om het gebeuren te verbinden met meer dan de kunstwereld alleen. Maar in dat opzicht viel de uitkomst erg tegen. Er was van tevoren al veel weerstand tegen Sonsbeek en de publieke respons was matig.

C.V.W.: Ging het om een tegenvallende publieksopkomst?

C.B.: Die opkomst was moeilijk te meten omdat Sonsbeek over het hele land was verspreid. Maar we kregen totaal niet het gevoel dat de zaak werd opgepakt, dat de mensen nu eindelijk begrepen wat er al die jaren in de kunst was gebeurd, dat ze er iets mee konden. Ook de kunstwereld zelf bleef vrij afzijdig. Er was even een uitbarsting van energie, maar daarna viel alles weer stil. De energie van Sonsbeek verdween in een zwart gat. Daarna werd het een tijd heel rustig in de kunstwereld.

C.V.W.:Waren uw verwachtingen naïef?

C.B.: Dat denk ik wel. We hebben de potentie van die kunst overschat en ons te weinig gerealiseerd hoe het grote publiek aankeek tegen datgene wat er al die tijd in de musea was gebeurd. Ik herinner me dat ik één keer een serieus gesprek heb gehad met twee arbeiders, die wilden weten waarom het eigenlijk zo nodig was dat zij ‘leerden kijken’ en ‘met de ruimte leerden omgaan’. Dat waren mensen die bepaald niet afwijzend stonden tegenover Sonsbeek, maar in een totaal andere wereld leefden. Ik had op dat moment geen antwoord op hun vraag. Ik ben me toen nog sterker dan voorheen gaan realiseren dat de kunstwereld en de wereld daarbuiten echt verschillende werelden zijn. Dat het verschillende manieren van leven zijn die elkaar maar heel weinig raken.

C.V.W.: Judith Cahen, u was assistent van Wim Beeren. Hebt u Sonsbeek ook als een afknapper ervaren?

Judith Cahen: Jawel, maar vanuit een andere invalshoek. Ik kwam net van de universiteit en voor mij was Sonsbeek de eerste werkzame confrontatie in de praktijk. Mijn taak was om projecten op gang te brengen en te begeleiden, zorgen dat de dingen op tijd klaar waren, praktische oplossingen aandragen. Cor zat meer met een inhoudelijk probleem: hoe hij de gedachten van de kunstenaars kon vertalen naar het publiek. Ik heb later in mijn dagelijkse praktijk gemerkt hoe moeilijk en frustrerend het kan zijn om je ideeën door te geven aan de mensen. Bij Sonsbeek heb ik de basis gekregen van hoe ik mij later heb opgesteld ten opzichte van mijn vakgebied en de beeldende kunst in het algemeen. Ik heb Sonsbeek ervaren als een geweldig avontuur. Sonsbeek heeft mij gevormd.

C.V.W.:Herkent u dat beeld van naïeve verwachtingen over een doorbraak naar het publiek?

J.C.: Ja. Je deed een hoop dingen waarvan je wist dat ze moesten gebeuren, maar waarvan je je afvroeg waar ze eigenlijk goed voor waren. Die twijfel had ik ook. Maar er was nog iets anders. Voordien beantwoordde Sonsbeek aan een heel ander decorum dan wat er in 1971 te voorschijn kwam. We waren gewend dat de tentoonstellingen in Park Sonsbeek fraaie esthetische beelden te zien gaven, dat je er heerlijk kon wandelen en sculpturen kon bewonderen van museale kwaliteit. De manifestie van 1971 doorbrak dat patroon. De gigantische, grof geconstrueerde beelden die toen in het park stonden waren niet elegant en, een uitzondering daargelaten, niet goed gemaakt. Je kon zien dat ze weinig subtiel in elkaar waren gezet. Het gipsen beeld van Ad Dekkers bijvoorbeeld was als model prachtig, maar werd zo slecht uitgevoerd dat het er in het park als een lor bijstond. Ik denk dat het, met uitzondering van de roestvrijstalen kogel van André Volten en de structuur van Kenneth Snelson over het water, een tamelijk gammele handel was allemaal. Dat betekende op zich al een ontgoocheling voor de mensen die naar Sonsbeek waren gekomen om daar mooie beelden te zien uit verre oorden, die ze tot dusver in Nederland niet hadden kunnen zien.

C.V.W.: Hoe heeft Wim Beeren de kritiek ervaren?

J.C.: De kritiek sneed door zijn hart. Iedere aantijging was er voor hem één te veel. Hij had daar persoonlijk erg last van. Hij vond het onbegrijpelijk dat veel mensen waarvan hij had gehoopt dat ze in zijn gedachtegang mee zouden gaan, die sprong niet konden of wilden maken.

C.B.: Wim werd volledig met Sonsbeek vereenzelvigd.

J.C.: Dat kwam door de gedreven manier waarop hij er mee bezig was geweest en iedereen had aangestoken. Hij was het voor wie we ons allemaal uit de naad werkten.

Lambert Tegenbosch: En daarna is hij naar Groningen gegaan. Dat was een vreselijke trendbreuk in zijn leven.

C.V.W.: Was hij gedesillusioneerd?

C.B.: Het is voor hem een enorme teleurstelling geweest. Ik heb zijn vertrek naar de universiteit opgevat als een uitwijkmanoeuvre. Hij wilde op dat moment weg uit het tentoonstellingsbedrijf.

 

Stencils!

C.V.W.: Lambert Tegenbosch, u hebt als criticus in de Volkskrant en in een aantal tijdschriften harde kritiek geuit op Sonsbeek buiten de perken. Wat was de kern van uw kritiek?

L.T.: Ik heb geen artistiek concept aan Sonsbeek overgehouden, ik heb het niet gezien of gehoord, het is ook niet verdedigd, het was er gewoon niet. Sonsbeek was een geweldig duur, miljoenenverslindend project, dat was alles. Het concept bleef beperkt tot wat stichtingsvoorzitter Piet Sanders in de catalogus schreef: dat alles anders zou worden dan bij de vorige Sonsbeekshows. En wat Wim Beeren betreft, het enige concept dat hij te berde heeft gebracht, luidde dat alles ‘maxi’ zou worden. Opgeblazen. En dat werd het: opblazen wat al enige jaren in de musea en de tijdschriften te zien was geweest. Niets nieuws. Hele hete soep, maar van oude kluiven.

C.V.W.: U vond het concept ridicuul en de kunst onbelangrijk?

L.T.: Er waren enkele objecten, waaronder de Snelson, die ik mooi vond. Maar mijn kritiek ging over de opzet van het geheel. Het buiten de perken treden maakte het onmogelijk om de hele tentoonstelling ook werkelijk te zien. Alsof je iemand een encyclopedie geeft en zegt: we vragen zo dadelijk wat je ervan vindt. Sonsbeek was een waanzinnige antipubliekstoestand. Er werd wel gesproken over communicatie, maar de hele zaak was bijzonder oncommunicatief.

C.V.W.: Was uw probleem niet het probleem van de criticus die met de veelheid moest zien om te gaan?

L.T.: Dat zou ik zo niet willen stellen. Het was het probleem van de tentoonstelling zelf. Sonsbeek was een zeer slechte, onintelligent gemaakte tentoonstelling. Een intelligente tentoonstelling moet toch kunnen overtuigen? De afknapper was een ingebouwde afknapper.

C.V.W.: Maar om dat te kunnen beoordelen moest u toch eerst…

L.T.: …naar Groningen, naar Emmen, naar Maastricht, enzovoort. Het was een slechte tentoonstelling omdat je niet van mensen kunt verlangen dat ze veertien dagen uittrekken om een tentoonstelling te bekijken.

C.V.W.: Judith Cahen, verwachtte de organisatie inderdaad dat mensen een week lang het land zouden doorkruisen?

J.C.: Het kon niet in een week en het hoefde ook niet in een week.

L.T.: Je moest in die twee maanden minstens veertien dagen uittrekken.

C.B.: Er is natuurlijk een verschil tussen het algemene publiek en een criticus die beroepsmatig te maken heeft met een tentoonstelling. Van het publiek werd zeker niet verwacht dat ze het hele land zouden afreizen. Uiteindelijk werd Sonsbeek bij ze voor de deur gezet, weliswaar niet het geheel, maar toch een aantal dingen. Je kon je beperken tot de projecten die bij jou in de buurt waren, dat moest op zichzelf voldoende zijn. Op de critici deed Sonsbeek inderdaad een zwaar beroep, hoewel het ook weer niet nodig was dat je werkelijk alles zag. Ikzelf heb ook niet alles gezien.

J.C.: Ik ook niet.

C.V.W.: Het tentoonstellingsmodel van Sonsbeek, met zijn enorme spreiding in ruimte en tijd, verhinderde u om überhaupt een ervaring te hebben, goed of slecht?

L.T.: Ik weet niet eens of er zoveel te zien was. Er was niet zo bar veel nieuws. Het enige nieuwe was de geweldige poeha eromheen.

J.C.: Dat is niet waar, kom op zeg.

L.T.: De enige echte maxikunstenaar die mij overtuigde, die ook nog iets te zeggen had en wiens werk veel mensen aansprak, was Christo, maar die ontbrak op deze tentoonstelling.

J.C.: Christo was wel uitgenodigd, maar hij kwam met een flauw plan dat bovendien niet uitvoerbaar was.

C.V.W.: Kon u niet accepteren dat het verhaal van Beeren over ruimte en ruimtelijke relaties een vrij globale noemer was waaronder allerlei verschillende dingen werden gepresenteerd?

L.T.: Nee. Ruimte en kunst, wat is dat? Is dat architectuur? Er bestaan geen beelden die niet in de ruimte staan. En als je er ook nog de tijd bij haalt, krijg je misschien film, maar dan is er nog steeds geen sprake van beeldende kunst. In beginsel heb je twee soorten kunstkritiek. De ene, dat is dan de mijne, veronderstelt dat je vanuit de traditie hebt ervaren wat kunstwerken zijn, wat ze betekenen en oproepen – emoties bijvoorbeeld, iets wat Wim Beeren expressis verbis heeft verworpen. Daaraan kun je toetsen wat je ziet. Sonsbeek had gerekend op een ander soort kritiek, van mensen die aannemen dat museumdirecteuren en galeristen het beter weten, en die daar verslag van uitbrengen, als objectief te behandelen nieuws. Zo heb ik het nooit gezien, ik zag het als een subjectieve ervaring.

C.V.W.: U noemde Sonsbeek buiten de perken “een leugenachtige affaire”, en u bent herhaaldelijk ingegaan op wat u de “fraseologie” van Sonsbeek noemde, het verhaal, de gebruikte terminologie. Waarom koos u ervoor om vooral dáárover te schrijven?

L.T.: Wat was er verder? Een prachtig werk van Snelson, en wat nog meer?

C.V.W.: U kreeg voortdurend stencils thuisgestuurd…

L.T.: Stencils!

C.V.W.: …over lokale projecten in steden als Enschede of Rotterdam. Er was toch een enorm aanbod?

L.T.: Aan beeldende kunst? Er was informatie te over, maar ik heb het over beeldende kunst.

C.V.W.: Een van uw verwijten was dat de thematiek van ruimte en ruimtelijke relaties uitsluitend formeel werd ingevuld: “Over de ruimte als leefruimte geen enkel idee bij Sonsbeek”, schreef u, “wel over ruimte als plastisch probleem”. U verweet de organisatoren dat ze niet ingingen op de mogelijkheden om de maatschappelijke kant van het ruimtebegrip, zoals dat toen actueel was, uit te werken.

L.T.: Ik heb opgemerkt dat dit aspect ontbrak. Het was geen verwijt, want ik zag dat niet als beeldende kunst.

C.V.W.: Toch waren die projecten er wel. In Rotterdam liep een project dat ging over hoe je flats in een moderne buitenwijk leefbaarder kon maken door begroeiing aan te brengen. Een ander project ging over het dagelijks aantal meldingen van smog in het Rijnmondgebied. Ook in Enschede deed men projecten die gericht waren op het leefmilieu. Had u daar geen overzicht over of viel het buiten uw definitie van beeldende kunst?

L.T.: Dat laatste. Als het wel kunst was, dan was het kunst die ik nooit heb begrepen, waar ik geen relatie mee had en die me ook niet interesseerde. Het had niet dezelfde betekenis als een beeldend kunstwerk.

C.V.W.: Maar om dat te kunnen toetsen moest u het toch zelf ervaren?

L.T.: Mijn ervaring was dat je iedere keer tegen dezelfde fraseologie opliep.

 

Kunst en publiek

C.V.W.: Is niet de les van Sonsbeek dat, wanneer je kunst op ongebruikelijke plekken buiten het museum gaat presenteren, het publiek, om daarvan kennis te nemen, toch altijd afhankelijk is van het informatiecircuit van de kunstinstituties, waardoor de expansie heel relatief is?

C.B.: Misschien was Sonsbeek wat dat betreft te vroeg en te groot, te grootschalig ineens. Maar ook bij de huidige kunstmanifestaties op locatie zie je steeds dezelfde problemen opduiken. Hoe leg je contact met het publiek – en niet alleen het publiek dat toch al bereid is een museum of galerie binnen te stappen. Je valt al snel terug op catalogi en andere museale vormen. Ik heb wel het idee dat er op het ogenblik steeds meer kunstenaars actief zijn die daar een uitweg voor proberen te vinden. Sonsbeek buiten de perken kwam voort uit de museale kunstwereld, haalde daar zijn kunstenaars vandaan en ging van daaruit naar buiten. Nu heb je te maken met kunstenaars die maatschappelijke situaties of ‘het leven’ als uitgangspunt nemen en van daaruit proberen te komen tot vormen van kunstenaarschap. In hoeverre dat dan strikt beeldend is…

L.T.: Het einde van die ontwikkeling is dat je de beeldende kunst opheft.

J.C.: Die heft zichzelf nooit op.

C.V.W.: Een belangrijk aspect van Sonsbeek waaraan nog weinig gerefereerd wordt, is de communicatietechnologie. Kunst werd geheel opgevat in termen van informatie. De bedoeling was om de meest moderne communicatiemiddelen – video, telex, televisie, telefonie – aan elkaar te breien tot een immaterieel netwerk waar iedereen op elke plek in Nederland zou kunnen inpluggen. Zo wisselden de lokale informatiecentra in Groningen, Enschede, Leiden, Maastricht en Rotterdam voortdurend informatie over projecten uit met elkaar en met het hoofdkwartier in Arnhem. Het publiek zou alles kunnen ervaren zonder steeds ter plaatse te hoeven zijn.

C.B.: Dat was een aspect waar ik zelf weinig greep op had. En Carel Blotkamp schreef in zijn stuk over Sonsbeek juist dat lang niet alles wat er gebeurde via de informatiekanalen te achterhalen was.

C.V.W.: Hoe kwam dat?

C.B.: Gebrekkige techniek, gebrekkige organisatie, ik heb er geen precies zicht op.

C.V.W.: Maar zou het ook theoretisch onmogelijk zijn geweest?

C.B.: Dat lijkt me niet. Maar misschien zijn de technische voorwaarden daarvoor pas later geschapen. Of is er toch te weinig over nagedacht.

C.V.W.: Waarom is die mogelijkheid later nooit meer opgepakt? De meeste locatietentoonstellingen benadrukken vooral dat je de werken zelf ter plaatse moet ondergaan. Zo wordt toch voortdurend het probleem onderdrukt dat de bezoeker eerst zijn foldertjes en plattegrondjes moet ophalen? Dat kunst ervaren neerkomt op informatie vergaren?

C.B.: Ik denk dat dit aspect inderdaad niet voldoende aandacht heeft gekregen. Dat komt mede doordat het daarna geheel stilgevallen is. Sonsbeek buiten de perken was iets waar je voorlopig liever niet meer over sprak. Daar kwam het wel op neer. Sonsbeek 86 was weer een brave beeldententoonstelling en Sonsbeek 93 heeft het wiel opnieuw trachten uit te vinden, zoals dat meestal gaat. Ik heb in die tussenliggende jaren veel les gegeven op academies. Wat ik daar heb ervaren, was een groot hiaat in de historische continuïteit. De studenten aan wie ik in de jaren tachtig les gaf op de Rietveld Academie hadden geen idee van wat er in de jaren zestig en zeventig was gebeurd. Warhol kende iedereen, maar verder was er een groot gat in het historisch bewustzijn.

C.V.W.: Dat is toch eigenlijk de schuld van uzelf, van u beiden, of althans van uw generatie, de generatie die zelf is gevormd door de kunst van de jaren zestig? Hoe komt het dat u er nooit in geslaagd bent om die kennis over te dragen?

J.C.: Ik voel me daar niet schuldig over. Het gevoel dat Cor verwoordt, ken ik niet, maar dat heeft misschien te maken met het feit dat ik direct na Sonsbeek voor de PTT ben gaan werken, waar ik heel pragmatisch met het begeleiden van kunstopdrachten ben doorgegaan en vaak met kunstenaars over Sonsbeek heb gesproken. Zo’n ontkenningsfase is bij mij persoonlijk niet aan de orde geweest. Integendeel – ik voelde me ook naderhand altijd bevoorrecht dat ik aan die tentoonstelling heb mogen meewerken.

C.V.W.: Was uw probleem misschien dat de avant-garde van de jaren zestig – minimalisme, postminimalisme, conceptuele kunst – implicaties heeft die dat werk extra moeilijk verteerbaar maken voor een algemeen publiek, in vergelijking met de historische avant-garde van de vroege twintigste eeuw?

J.C.: Ik denk dat de historische avant-garde net zo moeilijk heeft gelegen. Wie zegt dat het niet zo was? Ik denk dat bij de beleving van die nieuwe ontwikkelingen – of het nou binnen De Stijl was of het constructivisme of het Bauhaus – maar een zeer kleine club mensen was betrokken, die toch altijd als een stel halvegaren werd aangekeken.

C.V.W.: Maar díe kunst had enorme metafysische pretenties, dat is het verschil waar ik op doel. Vergelijk Mondriaan eens met On Kawara die een telegram verstuurt of Carl Andre die elektriciteitsbuizen neerlegt in het gras van Park Sonsbeek, of Michael Asher – kunstenaars die in feite alleen maar de condities van de kunstproductie reflecteren en dat dan als kunst presenteren. Uw generatie is er niet in geslaagd om de implicaties van dat werk bij het publiek te laten doordringen. Ook Rudi Fuchs grijpt altijd terug op de historische avant-garde: om Judd uit te leggen verwijst hij naar Mondriaan, terwijl dat onvergelijkbare werelden zijn.

J.C.: Ik ben het niet met je eens dat we daar niet aan gewerkt hebben. De uitstraling en invloed van dat werk zijn gewoon marginaal gebleven. En sprekend voor mezelf, ik denk dat ik een vrij schoon geweten heb. Naast de dingen die ik moest doen om een dagelijkse boterham te verdienen, heb ik me altijd ingespannen om bepaalde ideeën te bevorderen en een mentaliteit in de beeldende kunst te ondersteunen die in musea weinig aan bod kwam.

 

Specialisme

J.C.: Ik denk dat het ook met de tijdgeest te maken heeft, die beweegt, die rouleert… Mijn grote identiteitscrisis in de kunst kwam toen ik moest toegeven dat ik de schilderkunst van Lüpertz, Kiefer en Baselitz ook weer geweldig vond. Dat voelde als een verraad aan mezelf – een verraad aan het immateriële gebeuren waarmee ik me in de jaren zeventig had geïdentificeerd.

C.V.W.: Maar na de kater van Sonsbeek kwam die nieuwe picturale kunst eigenlijk als geroepen.

J.C.: Die kunst was er toen al. Ik herinner me dat ik in 1969 in Düsseldorf de eerste omgekeerde schilderijen van Baselitz heb gezien.

C.V.W.: Ik doel meer op de golf van ‘spontane’ en ‘expressieve’ jonge schilderkunst vanaf het eind van de jaren zeventig. Die kon het vacuüm vullen waarmee u was blijven zitten.

J.C.: Ja. Maar het was voor mij heel moeilijk om toe te geven dat ik ook dat aspect van de moderne kunst weer geweldig vond.

C.B.: Ik had meer moeite met die immateriële en conceptuele kant. Ik denk dat ik van nature meer verwantschap voel met schilderkunst. Desondanks kwamen de Neue Wilden en de Transavanguardia voor mij niet bepaald als een vrolijke verrassing. Daar zat veel bij dat ik al eens eerder had gezien. Maar wat betreft de publieke uitstraling van de kunst van de jaren zestig: ik denk dat het ascetische karakter van dat werk inderdaad een belemmering is geweest. Er was zo weinig te zien, het publiek werd zo sterk op zichzelf teruggeworpen, dat moet voor veel mensen toch een probleem zijn geweest.

C.V.W.: Dus die transformaties binnen de kunst hebben het publiek nooit mee kunnen transformeren?

C.B.: Nee. De pop art, die direct is aangeslagen en nu ten onrechte wordt gevierd als de echte kunst van de consumptiemaatschappij, kon het publiek veel gemakkelijker veroveren dan Lawrence Weiner of Dan Graham.

C.V.W.: U legde een paar maanden voor de opening van Sonsbeek al een bom onder de doorbraakgedachte. In een artikel in De Groene Amsterdammer schreef u: “Kunst is een gespecialiseerd terrein, d.w.z. dat het publiek voor de informatie erover afhankelijk is van een kleine groep.” Dat is door actievoerders van de BBK meteen opgepikt als een onwillekeurige erkenning van het elitaire karakter van Sonsbeek. Heeft de kater van Sonsbeek misschien te maken met de ontdekking van de exclusiviteit van dat specialisme?

C.B.: Ja, het was exclusiever dan we hadden gehoopt. Met dat specialisme bedoelde ik dat beeldend kunstenaars gezien konden worden als mensen die op ruimtelijk-visueel terrein bezig zijn met vormgeving, in algemene zin. Kunstenaars waren voor mij specialisten op het gebied van de communicatie door middel van zichtbare en tastbare vormen. De specifieke interesse van kunstenaars in hoe de dingen eruitzien, hoe ze ruimtelijk in elkaar zitten, hoe ze aanvoelen, zou veel algemener gedeeld kunnen worden, omdat iedereen een zintuiglijk contact met de omgeving deelt en omdat het voor iedereen van belang is hoe die omgeving wordt ingericht. Maar op dat punt is er toch een enorme afstand ontstaan tussen de kunstenaars als specialisten en het grote publiek dat van het specialisme zou kunnen profiteren. Dat werd in de loop van Sonsbeek opnieuw duidelijk. Ik heb destijds in al mijn artikelen over Sonsbeek die twijfel wel meegenomen. De strekking was: we gaan het proberen, we hopen dat het lukt, maar realiseer je dat het niet gemakkelijk zal zijn.

C.V.W.: Door beeldende kunst te benoemen als een specialisme wilde u de relevantie ervan aannemelijk maken.

C.B.: Ja. Daarmee ging ik in tegen opvattingen die onder andere door de BBK werden geventileerd: dat het betreffende ‘specialisme’ slechts een elitaire behoefte van bepaalde groepen was om zich te onderscheiden van de rest. Een jongen die in het Vondelpark op zijn fluit zat te spelen zou maatschappelijk relevanter zijn dan het Concertgebouworkest. Alsof de toespitsing op de vorm geen enkel belang zou hebben. Ik verzette me tegen de gedachte dat iedereen een kunstenaar is en dat het publiek zelf wel uitmaakt wat het mooi of lelijk vindt.

C.V.W.: Is er in de dertig jaar die sindsdien zijn verstreken ooit een oplossing bedacht voor dat dilemma?

C.B.: Een oplossing niet, maar doordat de beeldende kunst nu zulke verschillende vormen heeft aangenomen, is de kwestie veel meer ontspannen geworden. Toen ging het nog hard tegen hard. Neem bijvoorbeeld de huidige populariteit van het werken in opdracht voor de openbare ruimte. Dertig jaar geleden deden kunstenaars dat hooguit als schnabbel; het echte werk gebeurde in het atelier. Dat onderscheid is inmiddels verdwenen. Jonge kunstenaars gaan zelf uit van de openbaarheid. Niet dat daaruit nu een duidelijk algemeen antwoord rolt op de vraag naar de inhoud van het kunstenaarschap. Daar moet nog steeds naar worden gezocht.

 

Anderhalf ding

C.B.: Voor mij is Sonsbeek buiten de perken toch vooral een eindpunt geweest van wat er in de jaren zestig aan de hand was. Ik zie weinig continuïteit met de situatie van vandaag. Er is zoveel veranderd in de kunst, en meer nog in het kunstbedrijf, in de positie van de musea. De situatie is zoveel diffuser geworden.

C.V.W.: Een belangrijk verschil is dat de actuele kunst in die tijd weerstand opriep en nu alleen nog maar onverschilligheid. Als u moest kiezen tussen weerstand en onverschilligheid, wat zou u dan prefereren?

J.C.: Weerstand.

C.B.: Klopt het wel wat je beweert? Denk eens aan de discussie die in 1997 losbarstte na de vernieling van Barnett Newmans Cathedra. Je zou denken dat de abstracte kunst inmiddels wel geaccepteerd was, maar de kwaadaardigheid van sommige reacties deed mij denken aan de tijd van de entartete Kunst.

C.V.W.: In het algemeen is een ideologische discussie zoals die toen zo fel werd gevoerd over Sonsbeek, nu toch ondenkbaar?

C.B.: Jawel, maar die ideologische discussie moet je ook niet overschatten. Het kwam vanuit een kleine groep neomarxisten die bezig waren met kunst. De terminologie is daarna opgepikt door de BBK en een aantal kunstenaars. Inhoudelijk stelde het niet veel voor. Er was even een opleving van de klassenstrijd, maar die klassenstrijd was feitelijk allang gestreden. De ideologische oprisping ging ook weer snel voorbij, zeker in de kunst.

J.C.: Aan de academies heeft het nog een tijdje doorgesudderd.

C.V.W.: De felle polemiek tussen Blok en Tegenbosch, voor en tegen nieuwe kunstvormen, is nu onvoorstelbaar.

C.B.: Die tijd is wel voorbij denk ik, en eerlijk gezegd was het toen ook al op zijn retour. Ik heb nog steeds het gevoel dat het een rollenspel was. Ik had de rol van woordvoerder van Sonsbeek en vertegenwoordigde de bende van vier – de critici Blotkamp, Haks, Von Graevenitz en Blok, die bovenop de actualiteit zaten, tegenover de rest die het allemaal niet zag zitten. En ik had het idee dat Lambert zich ook bewust opwierp als de verdediger van de gangbare waarden en de belastingbetaler.

L.T.: Ik heb het nooit een interessante discussie gevonden, omdat ik Sonsbeek zelf niet serieus kon nemen. Ik heb Sonsbeek hoofdzakelijk geridiculiseerd.

C.B.: Mijn grootste grief was dat jij je meest geruchtmakende kritiek al spuide voor de tentoonstelling überhaupt geopend was.

J.C.: Inderdaad, aan de hand van de foldertjes van Wim Beeren.

C.B.: Je dacht dat je aan de hand van de informatie vooraf al kon voorspellen dat het niks zou worden.

L.T.: Dat is ook uitgekomen.

J.C.: In jouw ogen.

L.T.: Die teksten zijn toch niet voor niets verspreid?

C.B.: Ze waren bedoeld ter informatie, maar dat wil niet zeggen dat je alleen op grond daarvan…

L.T.: …niet over het concept van de tentoonstelling mag spreken?

C.B.: Over het concept misschien wel, maar er was nog geen beeld van…

L.T.: Ik heb geen enkel kunstwerk afgekraakt op basis van de voorpubliciteit.

C.V.W.: Maar ook na de opening bleef u vooral op de kretologie inhakken. Alsof die als een scherm tussen u en de kunstwerken in stond.

L.T.: De tentoonstelling was de gebeurtenis, niet de auto van Wim Schippers. De tentoonstelling was de gebeurtenis, en het concept maakte daar deel van uit.

C.B.: Maar de tentoonstelling was ook het totaal van alle objecten die daar te zien waren en die je ook los van het concept kon bekijken. Als het concept je niet aanstond, kon je altijd nog gaan kijken wat er te zien was.

L.T.: Zeker. Bij anderhalf ding was dat ook de moeite waard.

C.B.: Ik had het bij meer dan anderhalf ding.

J.C.: Ik ook.

C.V.W.: U vond het onbelangrijke, slechte kunst. Vindt u dat nu nog steeds?

L.T.: De kunstenaars die aan Sonsbeek meededen, zijn nu allemaal museale, geconsacreerde figuren.

C.V.W.: Bent u nog steeds negatief over hun werk?

L.T.: Ik denk niet dat het mijn favoriete kunstenaars zijn. Voor Lawrence Weiner zou ik geen stuiver geven.

C.V.W.: Maar u genoot wel van uw rol in het rollenspel rond Sonsbeek?

L.T.: Dat heeft me nooit verveeld. Met mijn beperkte intellect heb ik daar intellectueel ook wel van genoten. En met mijn gebrekkig sociaal vermogen…

C.B.: Het heeft iets van een martelaarschap.

L.T.: Dat zou kunnen. Dat is het eerste wat me heeft aangetrokken in mijn leven, martelaar te zijn.

C.V.W.: U koestert een uiterst sacraal kunstconcept.

L.T.: Ik denk het. Zou kunnen. En dat andere, daar heb ik weinig gevoel voor. Als ik dat hoor over informatie en ruimte… Voor mij gaat het in de kunst allemaal om oneindigheid. Ja. Dat is tamelijk lastig.

C.V.W.: Lastig? Dat wordt nu toch weer helemaal geaccepteerd. Ik denk dat veel mensen zo’n kunstconcept hebben.

C.B.: Infinity in a grain of sand. Dat kan toch ook?

 

Met dank aan Koen Brams (Jan van Eyck Akademie, Maastricht) en Valentijn Byvanck (Witte de With, Rotterdam).

 

Van 3 juni tot 16 september 2001 is in De Gele Rijder in Arnhem de expositie Sonsbeeld, de tentoonstellingen van Sonsbeek 1971, 1986 en 1993 te zien. Zij biedt een terugblik op de laatste drie Sonsbeekmanifestaties en schept daarmee een historisch kader voor de negende editie van Sonsbeek die in dezelfde periode plaatsvindt. De tentoonstelling is gemaakt door studenten museumstudies en kunstgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van de Arnhemse stichting Gemeenschap Beeldende Kunstenaars (GBK). Bij deze tentoonstelling verschijnt een publicatie met kritisch-historische essays van Jeroen Boomgaard, Antje von Graevenitz, Marga van Mechelen en Camiel van Winkel, aangevuld met een volledige fotodocumentatie van de drie tentoonstellingen. 

De tentoonstelling (tentoongesteld); Over het collectieonderzoeksproject betreffende de expositie Kunst in Europa na ’68 (Museum van Hedendaagse Kunst/Sint-Pietersabdij, Gent, 1980)

1.

Koen Brams: Richard, kan je toelichting geven bij jouw ontwerp van de tentoonstelling over Kunst in Europa na ’68? Hoe ging je te werk?

Richard Venlet: Toen ik benaderd werd om de inrichting van de tentoonstelling te verzorgen, was het collectieonderzoek over Kunst in Europa na ’68 (en de na afloop van die tentoonstelling verworven kunstwerken) zo goed als afgerond. Ook de beslissing over de zalen waar de tentoonstelling zou plaatsvinden, was reeds genomen: de centrale ruimte achter de ontvangsthal en de rechtervleugel op de benedenverdieping van het museum. Het gebouw van het S.M.A.K. is op veel vlakken zeer problematisch, maar het specifieke probleem waarvoor ik me gesteld zag, betrof de gebrekkige samenhang tussen de centrale ruimte en de rechtervleugel. Een van de uitdagingen was dan ook om die twee delen van het gebouw samen te brengen in functie van het tentoonstellingsparcours. In eerste instantie dacht ik eraan om de hoogte van de plafonds in beide ruimten gelijk te trekken of om te werken met identieke plafondverlichting in beide delen van het gebouw. Oplossingen die me uiteindelijk niet bevredigden. Tijdens het ontwerpproces raakte ik geïnteresseerd in de vormgeving van de affiche die voor Kunst in Europa na ’68 was ontworpen. Het ging om een driehoekige poster. Het ontwerp was grafisch misschien niet briljant, maar wel eigenzinnig, vooral omwille van de vorm en het kleurgebruik (wit, geel, groen en rood). De driehoek bleek in alle communicatiemiddelen van de oorspronkelijke tentoonstelling te zijn gebruikt, ook op de kaft van de catalogus en de bezoekersgids. Ik besloot het ‘thema’ van het grafisch ontwerp – de driehoek – in te zetten voor het ontwerp van de tentoonstelling. De driehoek – toch geen evidente vorm – bood vreemd genoeg de gewenste oplossing.

K.B.: Deed je ook onderzoek naar de totstandkoming van het grafisch ontwerp?

R.V.: Nee, dat interesseerde me niet echt. Mij ging het vooral om het vinden van een oplossing voor een ruimtelijk probleem. Ik legde de driehoekige poster letterlijk op het plan van het museum en constateerde dat de centrale ruimte en de rechtervleugel op die manier op elkaar konden worden betrokken. Dat was de belangrijkste functie van de driehoek. Nadien ontwierp ik in elke zijde van de driehoekige constructie een aantal deuropeningen zodat er een verrassend parcours ontstond; een belangrijk onderdeel van de ingreep. In elke ruimte ontstond hierdoor een eigen grondplan en een specifiek ‘klimaat’. Het ontwerp omvatte ruime plaatsen om grotere kunstwerken te tonen, maar ook restruimtes en intiemere plekken, die eveneens als volwaardige tentoonstellingsruimte werden ingezet. De banaliteit van de gangbare ruimteopdeling in het S.M.A.K. was volledig verdwenen. Het gebruikelijke parcours was zelfs nog nauwelijks herkenbaar. Naast de zalen met de overlappende driehoek bleven er nog vier zijruimten ‘onaangeraakt’ door de driehoek. We besloten om in die ruimten de archiefstukken te groeperen – het archiefmateriaal werd aldus losgekoppeld van de eigenlijke tentoonstelling. De nieuwe inrichting bood ook de mogelijkheid om te spelen met de ’toegang tot de expositie’. Een van de twee scherpe hoeken van de rechthoekige driehoek kwam in de ontvangstruimte van het museum terecht. In de kleine doodlopende driehoekige ruimte hebben we een postkaartstaander opgesteld met postkaarten naar foto’s van de oorspronkelijke tentoonstelling. Het is een soort hommage aan de overleden fotograaf Rony Heirman, die destijds de tentoonstelling Kunst in Europa na ’68 had gedocumenteerd. De eigenlijke tentoonstelling begint als dusdanig al in de ontvangsthal van het museum, wat met de presentatie van L’entrée de l’exposition van Marcel Broodthaers in diezelfde hal nog wordt beklemtoond.

K.B.: Jouw bijdrage omvat een kritische component. Je noemt het museumgebouw ‘zeer problematisch’ en je bent op zoek gegaan naar een oplossing om het door jou gedefinieerde ruimtelijke probleem op te lossen. Je speelt ook met de ‘ingang van de tentoonstelling’ – een thema dat kunstenaars als Marcel Broodthaers en Daniel Buren agendeerden om de functie van het museum en andere kunstruimten onder de loep te nemen. Mocht je onderzoek hebben gedaan naar de geschiedenis van de poster, dan had je misschien nog andere institutioneel-kritische munitie kunnen vinden.

R.V.: Ik was enkel op zoek naar een manier om het museumgebouw buiten spel te zetten, niet alleen omdat het gebouw problematisch is, maar vooral omdat ik een nieuwe ruimte voor de tentoonstelling wilde optrekken. Ik wilde die kunstwerken op zo’n manier exposeren dat de toeschouwer zou kunnen denken dat die werken pas gemaakt zijn. De tentoongestelde werken moesten naar mijn mening fris en scherp ogen. Ook om die reden was het belangrijk om de archiefstukken in aparte kamers onder te brengen. In het begin dachten we dat het interessant was om de archiefstukken in de nabijheid van de betrokken werken te presenteren, maar toen we daarvan afstapten, merkten we dat die keuze heel veel vrijheid opleverde. Alle aandacht kon vanaf dan uitgaan naar de werken zelf.

Fieke Konijn: De term ‘fris’ vind ik zeer goed gekozen. Toen ik de tentoonstelling bezocht, had ik meteen het gevoel dat de werken mijn aandacht afdwongen. Het is bijzonder dat je dat met een enscenering kan bewerkstelligen. Ook het labyrintische parcours sprak me enorm aan: ik kreeg als toeschouwer de indruk dat ik uit het gebouw werd getild.

R.V.: Het parcours in de tentoonstellingsruimte is volgens mij in hoge mate bepalend voor de manier waarop de kunstwerken de toeschouwer aanspreken. Opmerkelijk daarbij is dat er geen enkel werk op de wand van de driehoek zelf hangt, alhoewel die muur ontzettend veel extra vierkante meters toevoegt. Opmerkelijk is wellicht ook het feit dat slechts één klein deurtje toegang verschaft tot de eigenlijke tentoonstelling en dat je hierdoor als individu – lichamelijk – op schaal van de ruimte wordt gebracht. Ik denk dat de menselijke maat van die doorgang belangrijk is. Door de deuren te markeren met de kleuren die ik eveneens aan de poster ontleende, vestigde ik ook nadrukkelijk de aandacht op de overgang van de ene naar de andere ruimte. Het doet me denken aan bepaalde reconstructies van Assyrische, Babylonische of Perzische gebouwen in het Pergamonmuseum in Berlijn. De monumentaliteit van die tentoongestelde gevels wordt benadrukt door de menselijke maat van de deuropeningen die de verschillende museumzalen verbinden en er toegang toe bieden.

F.K.: Het parcours, de opstelling van de werken en de inrichting van de ruimten zijn bijzonder geslaagd in deze tentoonstelling. Dat kan ik nog het best verduidelijken met een tegenvoorbeeld: in 2009 presenteerde het Van Abbemuseum (Eindhoven) een perfecte replica van de Zomeropstelling van de eigen collectie, die in 1983 werd ingericht door toenmalig directeur Rudi Fuchs. Alle werken werden in 2009 opnieuw uit het depot gehaald en precies op dezelfde plaats in het museum opgesteld. Als je de foto’s van beide accrochages vergelijkt, vallen echter onmiddellijk grote verschillen op. De vloer in het gerestaureerde museumgebouw was in 2009 geverfd met een spiegelende lak; de plinten die normaal de afbakening tussen muur en vloer markeren, waren wit geschilderd; ook de scheiding tussen de wanden en het plafond was zo goed als opgeheven. Het resultaat was dat de werken in de gereconstrueerde expositie haast leken te zweven. De replica oogde perfect, maar de geest was uit de fles! Die conclusie sloot wonderwel aan op de ambitie van de huidige directeur, Charles Esche, die naast de zogenaamde ‘herhaling’ van Fuchs’ expo een eigen expositie had samengesteld, Strange and Close getiteld, waarin hij in tegenstelling tot zijn voorganger geen pleidooi hield voor de autonomie van de kunst, maar voor de maatschappelijke inbedding ervan. Naar mijn mening speelden de gewijzigde presentatiemodaliteiten in het gerestaureerde museumgebouw perfect in de kaart van Esche. De autonomie van de kunst in de gereconstrueerde expo van Fuchs leek een heuse farce.

Bart Verschaffel: Je wijst terecht op het belang van een aantal ruimtelijke elementen – de aard van de vloer, de articulatie van de scheiding tussen vloer en wand en tussen wand en plafond. Het is inderdaad belangrijk om de institutionele inbedding en de plaats van het kunstwerk duidelijk aan te geven. Als vloer, plint, wand en plafond in elkaar overvloeien, wordt het instituut als het ware uitgewist. Alles begint te vlotten; de werken hebben alles en niets met elkaar te maken. De kunstwerken lijken zichzelf te exposeren. Een tentoonstelling moet daarentegen een discours schuiven tussen het instituut en de kunstwerken. Als je het daarmee eens bent, dan moeten de ‘limieten’ van het instituut duidelijk zichtbaar zijn. Dat gebeurt mijns inziens in de door Richard vormgegeven tentoonstelling. Deze expositie zie ik overigens niet als een replica van Kunst in Europa na ’68. De tentoonstelling wordt niet tentoongesteld: er worden een aantal werken uit Kunst in Europa na ’68 gepresenteerd en de tentoonstelling zelf wordt gedocumenteerd in de zalen met de archiefstukken.

R.V.: Voor mij stond voorop dat de tentoonstelling de uitkomst was van het onderzoek naar een belangrijk onderdeel van de collectie van het S.M.A.K. De focus lag op de werken die na afloop van Kunst in Europa na ’68 aan de collectie van het Museum van Hedendaagse Kunst – zoals het S.M.A.K. toen heette – waren toegevoegd. Een reconstructie van de oorspronkelijke tentoonstelling zou mij niet geïnteresseerd hebben; dat was ten andere onmogelijk. Kunst in Europa ging immers op twee plaatsen door: in het Museum van Hedendaagse Kunst en in het Centrum voor Kunst en Cultuur aan het Sint-Pietersplein. De tentoonstelling komt uiteraard aan bod, ze vormt het algemene kader, maar de klemtoon ligt op de verworven kunstwerken, ook al zijn niet alle werken die destijds aangekocht werden opgenomen in de huidige tentoonstelling.

K.B.: De collectie was het uitgangspunt, stel je, maar het idee achter de tentoonstellingsvormgeving gaat toch terug op de affiche van Kunst in Europa na ’68? Ook de titel van de begeleidende catalogus stelt de oorspronkelijke expo centraal. Voluit luidt die immers: Art in Europe after ’68 – Ghent/21st June-31st August 1980.

R.V.: Het collectieonderzoek naar de in 1980 verworven kunstwerken was voor mij het uitgangspunt.

 

2.

K.B.: Door te refereren aan de confrontatie tussen de Zomeropstelling van de eigen collectie, die Rudi Fuchs in 1983 had gemaakt, en Charles Esches Strange and Close van 2009, wees Fieke reeds op het politiek-institutionele belang van ‘herinneringstentoonstellingen’. Deze vaststelling brengt me bij de vraag welk belang het S.M.A.K. voor ogen kan hebben gehad om deze tentoonstelling over Kunst in Europa na ’68 te organiseren?

B.V.: Met deze expositie geeft het S.M.A.K. in zekere zin aan dat het bewind van Jan Hoet als definitief afgesloten mag worden beschouwd. Het is een terugblik op iets dat voorgoed voorbij is. De stadstentoonstelling Track was daarvan reeds een voorbode – die manifestatie kon immers worden gelezen als een repliek op Hoets Chambres d’Amis en Over the Edges. De huidige tentoonstelling kan je interpreteren als een zoektocht naar een eigen identiteit. De omgang met de erfenis van Hoet is overigens opmerkelijk. Bij het binnenkomen krijg je een filmpje te zien waarin Hoet toelichting geeft over Kunst in Europa na ’68. Dat beeld van de alleen optredende conservator van het Museum van Hedendaagse Kunst wordt verderop genuanceerd. In een van de ‘archiefzalen’ wordt het selectieproces uit de doeken gedaan. Daaruit blijkt dat Kunst in Europa na ’68 het resultaat was van een ingewikkelde procedure waarbij meerdere personen betrokken waren, niet alleen de leden van het ‘uitvoerend comité’ – Germano Celant, Johannes Cladders, Rita Dubois, Karel Geirlandt, Sandy Nairne, Piet van Daalen en Jean-Pierre Van Tieghem – maar ook de door het ‘uitvoerend comité’ geselecteerde kunstenaars, die zelf elk een andere kunstenaar mochten uitnodigen. De conclusie kan enkel zijn dat Hoet het niet alleen voor het zeggen had – en dan druk ik me nog voorzichtig uit.

K.B.: Had deze presentatie vijf jaar geleden kunnen plaatsvinden? Of was de tijd er nu pas rijp voor?

B.V.: Het is heel moeilijk om over het werk van iemand onderzoek te doen als die persoon zich daarin voortdurend kan mengen. Ik zeg niet dat dat gebeurd is, maar in algemene zin durf ik die uitspraak wel doen.

K.B.: De tentoonstelling en het boek werden geconcipieerd toen Jan Hoet nog leefde. Hij werd trouwens uitgebreid geïnterviewd over Kunst in Europa na ’68. De catalogus omvat heel wat uitspraken van hem.

B.V.: Dat heeft de makers van de tentoonstelling er klaarblijkelijk niet van weerhouden om zonder schroom de ontstaansgeschiedenis van de expo te schetsen. Wat ik ook zeer frappant vind, is dat de kunstenaars die geselecteerd werden om deel te nemen aan Kunst in Europa na ’68 grotendeels opnieuw hun opwachting maken als Hoet Chambres d’Amis (1986) op touw zet. Dat is een vaststelling van formaat! Het betekent namelijk dat hij ook bij de samenstelling van Chambres d’Amis nog leunde op de selectie die door hem, het ‘uitvoerend comité’ en de voor Kunst in Europa na ’68 genodigde kunstenaars was gemaakt. De tentoonstelling is zonder meer een antidotum tegen de persoonsverheerlijking rond Hoet, die in Vlaanderen ongekende vormen heeft aangenomen.

K.B.: Waarom is de keuze op deze tentoonstelling gevallen? Men had bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor andere tentoonstellingen, bijvoorbeeld Open Mind (gesloten circuits) (1989)?

B.V.: Jan Hoet oogstte heel veel waardering voor Kunst in Europa na ’68, terwijl vele mensen aan het succes ervan hadden bijgedragen, zoals deze tentoonstelling duidelijk maakt. Dat de verzameling van het Museum van Hedendaagse Kunst na de expo op spectaculaire wijze werd uitgebreid, zal zeker een belangrijk argument geweest zijn om terug te blikken op Kunst in Europa na ’68. Open Mind (gesloten circuits) was een interessante expositie, maar na afloop werden slechts enkele werken voor de collectie behouden.

F.K.: Ik denk dat de keuze inderdaad heel interessant is, omdat de tentoonstelling van groot belang is geweest voor de geschiedenis van het museum. De expositie stijgt om die reden zonder meer boven alle andere manifestaties uit. Terzijde wil ik wel opmerken dat met ‘herinneringstentoonstellingen’ steeds het gevaar om de hoek loert dat een organisatie te veel met zichzelf en de eigen geschiedenis bezig is. Het is zaak om de vraag te stellen voor wie men die tentoonstelling over een tentoonstelling eigenlijk organiseert. Voor de inner circle of voor een breed publiek?

K.B.: De Canadese kunsthistorica Reesa Greenberg heeft de volgende prikkelende uitspraak gedaan: ‘What we remember is often determined by how we remember.’ De plaats die we Kunst in Europa na ’68 zullen geven, zal mede door deze ‘herinneringstentoonstelling’ worden bepaald – ook een term trouwens die door Greenberg werd gemunt. Wat zou de impact kunnen zijn van deze tentoonstelling op onze perceptie van Kunst in Europa na ’68? 

R.V.: Moeilijke vraag. Ik hoop dat de huidige tentoonstelling haar eigen bestaansrecht opeist, los van de historische expo waaruit de kunstwerken afkomstig zijn.

F.K.: Door de keuzes die ten grondslag liggen aan deze tentoonstelling, word je als toeschouwer aan het denken gezet. Er wordt weliswaar uitgebreid ingegaan op Kunst in Europa na ’68, maar je weet dat deze expositie geen herhaling is van haar historische voorganger. Dat is uitermate belangrijk. Tijdens de recentste aflevering van de Biënnale van Venetië was een reconstructie gemaakt van een van de belangrijkste tentoonstellingen van de afgelopen vijftig jaar: When attitudes become form: Works – Concepts – Processes – Situations – Information: Live in your head, georganiseerd door Harald Szeemann, in de Kunsthalle Bern in de lente van 1969. De expo werd door Germano Celant op initiatief van de Fondazione Prada in het Palazzo Ca’ Corner della Regina georganiseerd. Er was op geen inspanning gekeken om When attitudes become form zo nauwkeurig mogelijk te reconstrueren, maar identiek was de tentoonstelling uiteraard niet. Processen kan je nu eenmaal niet opnieuw opvoeren. Van de historische tentoonstelling is bijvoorbeeld een foto bekend waarop te zien is hoe Lawrence Weiner een vierkant ‘sculpteert’ door met een hamer het plaaster van een muur weg te kappen. Die haast revolutionaire geste was in Venetië volledig afwezig. Celants replica was een ‘botox’-versie! Problematisch was evenwel dat de expo in het Palazzo Ca’ Corner della Regina als een volmaakte replica werd aangekondigd. Door die communicatie en door de overdonderende indruk die de tentoonstelling maakte, schoof het beeld van de gereconstrueerde tentoonstelling over die van de historische. Op die manier wordt de ‘herinnering’ uiteraard enorm gestuurd.

K.B.: Werkt de tentoonstelling over Kunst in Europa na ’68 ook niet sturend, ook al is het in de verste verte geen replica-expositie?

B.V.: Ik heb een documentaire tentoonstelling gezien over Kunst in Europa na ’68 enerzijds, een expositie met belangwekkende werken anderzijds. Ik denk dat het cruciaal is dat de werken afzonderlijk, als aparte entiteiten zijn gepresenteerd. Er zijn geen ensembles gemaakt; de werken zoeken niet te dialogeren met elkaar. Ze zijn ook bijna allemaal gedecentreerd opgehangen of opgesteld, waardoor ze de aandacht naar zich toezuigen. Dat zijn boeiende oplossingen. Hoe is trouwens de opstelling van de werken precies tot stand gekomen, Richard?

R.V.: De opstelling is in dialoog met de afdeling Collectie van het museum bepaald. Omdat de driehoekige structuur heel dwingend is, waren de opties beperkt. Wat ik belangrijk vond, is dat er geen enkel werk op de driehoekige wand werd opgehangen.

K.B.: Ik zou toch nog even willen terugkomen op de vraag wat deze tentoonstelling zal betekenen voor onze herinnering aan Kunst in Europa na ’68.

B.V.: Ze bevestigt de canon. Dat is een aspect waar je niet omheen kunt, maar ik vind dat niet problematisch. Integendeel. De canon is de droesem van alle discussies, oordelen en toevalligheden omtrent culturele uitingen, waaronder tentoonstellingen en kunstwerken. Het is een korst waarvan je kan vertrekken of waartegen je je kan afzetten. Ik denk niet dat je zonder de canon kan.

F.K.: Het is wel een probleem dat de meeste ‘herinneringstentoonstellingen’ over manifestaties gaan die hun plaats in de canon reeds verworven hebben. Ik gaf reeds het voorbeeld van When attitudes become form. Een ander voorbeeld betreft de legendarische tentoonstelling Primary Structures (Jewish Museum, 1966), die dit jaar door Jens Hoffman opnieuw voor het voetlicht werd gebracht. Hij maakte evenwel geen replica, maar stond een vrije bewerking van de oorspronkelijke tentoonstelling voor, waarbij hij werken van niet-westerse kunstenaars toevoegde. Je zou het kunnen zien als een correctie op de geschiedenis. Dat vind ik relevant.

K.B.: Zou het ook niet interessant zijn om na te gaan hoe de canon vorm krijgt? Een interessante case zou bijvoorbeeld het werk La Colonne, Villa Adriana (1979) van Anne & Patrick Poirier geweest zijn. Het werd aangekocht in 1979, maakte deel uit van Kunst in Europa na ’68 en werd nadien ook nog regelmatig geëxposeerd. Jaren later viel het uit de gratie van Jan Hoet. In deze tentoonstelling over Kunst in Europa na ’68 is het eveneens spoorloos. Enkel een foto in de archiefafdeling herinnert eraan dat het Museum van Hedendaagse Kunst er ooit in geloofd heeft. De tentoonstelling had deze aspecten van canonvorming expliciet kunnen thematiseren. Is dat ooit onderwerp van gesprek geweest, Richard?

R.V.: Nee. Ik denk dat het museum vooral wou tonen dat het bezig is met zijn collectie. Wat gebeurt er als werken getoond worden in samenhang met documenten over de herkomst en de geschiedenis van die werken? Dat was wellicht de inzet van deze tentoonstelling.

 

Transcriptie: Isabelle Vanden Hove

Redactie: Koen Brams

 

De paneldiscussie De tentoonstelling (tentoongesteld), die werd voorafgegaan door korte lezingen van Fieke Konijn, Richard Venlet en Bart Verschaffel, vond plaats op 7 december 2014 in het S.M.A.K. (Gent).

 

Op 1 februari 2015 geeft Koen Brams in het S.M.A.K. een lezing over de totstandkoming en de inhoudelijke inzet van Kunst in Europa na ‘68. Na deze uiteenzetting volgt een discussie met Frederik Leen, gemodereerd door Iris Paschalidis. 

Over een opvallende affiche met gemengde kleuren

Koen Brams: In de catalogus van Kunst in Europa na ’68 wordt vermeld dat jij betrokken was bij de ‘artistieke presentatie van de tentoonstelling’. Was jij een vrijwilliger of was je in dienst van het Museum van Hedendaagse Kunst (M.H.K.)?

Rik Lemaitre: Iets tussen de twee: ik was tewerkgesteld in een nepstatuut. Het M.H.K. had in 1978 de beschikking gekregen over een Bijzonder Tijdelijk Kader (B.T.K.), waarmee vijf in de tijd beperkte contracten aan werklozen konden worden aangeboden. Een voormalige studiegenote, Marleen Deceukelier, met wie ik gedurende een jaar had gestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K., Gent), had me getipt dat er vacatures waren in het museum.

K.B.: Welke richting had je aan het K.A.S.K. gevolgd?

R.L.: Ik wilde animatiefilmer worden, maar omwille van mijn vooropleiding — geen kunsthumaniora, maar algemeen secundair onderwijs — was ik verplicht om eerst een jaar Toegepaste Kunst te volgen. Alle mogelijke vormen van toegepaste kunst kwamen in dat jaar aan de orde. Het onderwijs aan het K.A.S.K. stelde in die dagen echter niets voor en na een jaar gaf ik er de brui aan. Aanvankelijk ging mijn keuze uit naar tuinarchitectuur, maar ik opteerde algauw voor studies aan de Rijksmiddelbare Normaalschool (R.M.N.S., Gent) waar Octave Landuyt lesgaf. Nadat ik mijn diploma had gehaald, begon ik aan examens bij de Middenjury om les te mogen geven aan studenten van de hogere graad.

K.B.: Jan Hoet had zelf een opleiding aan de R.M.N.S. genoten.

R.L.: Dat klopt. Het was bepaald geen slechte introductie dat ik mijn diploma van de Normaalschool kon voorleggen. Tegenover afgestudeerden van het K.A.S.K. stond men in het Museum van Hedendaagse Kunst veel sceptischer, meen ik. Dat was niet meer dan terecht. In vergelijking met het K.A.S.K. stond de opleiding aan de Normaalschool op een veel hoger niveau. Als pedagoog was Landuyt briljant; ik heb ontzettend veel van hem opgestoken. Alle aspecten van de plastische kunst bracht hij aan de orde, in hun onderlinge samenhang.

K.B.: Wanneer kwam je in dienst van het Museum van Hedendaagse Kunst?

R.L.: In 1978, onmiddellijk nadat de tentoonstelling Henri Matisse en de Hedendaagse Franse Kunst (6 oktober-20 november 1978) de deuren had geopend. Ik herinner me dat Jan Hoet niet echt tevreden was over de affiche die de expo aankondigde. Hij had die nochtans samen met zijn vriend Rony Heirman in elkaar geknutseld. 

K.B.: Wat was jouw functieomschrijving toen je in het M.H.K. aan de slag ging?

R.L.: Officieel was ik aangesteld als medewerker van de educatieve dienst van het museum; in de praktijk was ik een manusje van alles. Ik maakte koffie, werkte als gids, leverde hand- en spandiensten bij de accrochages van tentoonstellingen en werkte mee aan de collectiecatalogus. Een anekdote: ik was nauwelijks in dienst of Hoet zei me dat ik precies een week de tijd had om groepen rond te leiden in Henri Matisse en de Hedendaagse Franse Kunst. Zo zat hij in elkaar en iedereen plooide zich dubbel, ook ik. Hoet beulde zichzelf nog het meest af. Overdag werkte hij met ons; ’s avonds en ’s nachts ging hij alleen door.

K.B.: Uit de jaarverslagen van het M.H.K. blijkt dat Hoet heel veel nadruk legde op de werking van de educatieve dienst van het museum. Was dat een werkelijke bekommernis van hem?

R.L.: Ja, zonder enige twijfel. Het museum moest zich bewijzen: een gedegen pedagogisch programma en een wetenschappelijk onderbouwde collectiecatalogus werden als onontbeerlijke instrumenten gezien. Het M.H.K. was nog helemaal niet aanvaard. Ik herinner me dat Hoet zelf eens uit het museum is gezet door de conciërge. Hij wilde die avond in het museum werken, maar dat werd hem eenvoudigweg niet toegestaan.

K.B.: Hoe was de werksfeer in het M.H.K.?

R.L.: Geestig, soms ook heftig, maar hoge woorden bleven nooit lang hangen. Er werd met heel weinig middelen, maar met des te meer enthousiasme gewerkt aan de uitbouw van het eerste museum van hedendaagse kunst van België. Het was ook wel wat chaotisch en er werd veel geïmproviseerd. Zo herinner ik me dat ik door Hoet gevraagd werd de transportfirma te begeleiden die in Düsseldorf de werken moest gaan ophalen van Imi Knoebel, een kunstenaar die deelnam aan Kunst in Europa na ’68. Daar aangekomen bleken we niet over goed beschermingsmateriaal te beschikken. Ik was niet eens geïnformeerd over de aard van de werken die we moesten vervoeren! Aan de Duits-Nederlandse grens zijn we dan tegengehouden. We mochten de werken niet in Nederland invoeren! Uiteindelijk is Hoet helemaal vanuit Gent naar de grens moeten reizen zodat de werken van Knoebel met de nodige papieren vrij konden worden gegeven door de douane. Het is slechts een anekdote, maar ze is veelzeggend voor de manier van werken in die dagen.

K.B.: Was jouw betrokkenheid bij Kunst in Europa na ’68 dezelfde als die bij voorafgaande exposities zoals Henri Matisse en de Hedendaagse Franse Kunst?

R.L.: Uiteraard. Jan Hoet bedacht me echter met een bijkomend klusje. Hij vroeg me om de affiche van de tentoonstelling te ontwerpen.

K.B.: Beschikte jij over de noodzakelijke vaardigheden om die opdracht tot een goed einde te brengen?

R.L.: In de Normaalschool had ik enige noties van grafische vormgeving meegekregen. Ze kwamen aan bod in de cursus die Landuyt verzorgde. Ik was geen ontwerper, laat dat duidelijk zijn, maar ik kon me behelpen.

K.B.: Gaf Hoet tips of richtlijnen toen hij jou die opdracht toevertrouwde? 

R.L.: Afgezien van de suggestie dat de affiche moest opvallen, liet Hoet me volledig vrij. Hij vroeg me een aantal voorstellen te presenteren. Ik kwam met een aantal versies op de proppen, sommige eerder klassiek, andere wat buitenissiger, waaronder het driehoekige ontwerp dat Hoet uiteindelijk verkoos. In de driehoek kon ik heel veel informatie kwijt, terwijl er twee driehoeken in een drukvel pasten. Opvallend was die vorm alleszins. Ik was tot die driehoek gekomen omwille van de gelijkenis met een vlag of wimpel.

K.B.: In welke zin was dat belangrijk voor jou?

R.L.: Sommige werken van Joseph Beuys, zoals The Pack (Das Rudel, 1969), zijn beroemde Volkswagencamionette waaraan sleeën zijn bevestigd, roepen de associatie op met ‘beweging’. Ik stelde me daar een vlag of wimpel bij voor; dat beeld paste ook bij sommige acties, waarbij hij als een ‘goeroe’ optrok met zijn volgelingen.

K.B.: Een ander belangrijk aspect van de affiche betreft de kleurkeuze: wit, groen, geel en rood, waarvoor je telkens gemengde varianten koos. Waarom?

R.L.: Kunst in Europa na ’68 bracht werken van een groot aantal kunstenaars samen die met ‘arme’ materialen werkten: Slate line van Richard Long, Les maisons tournent autour de nous ou nous tournons autour des maisons van Mario Merz, Scultura per purificare le parole van Gilberto Zorio enzovoort. Het zou volstrekt onzinnig zijn geweest om pop-artkleuren te gebruiken voor de affiche.

K.B.: De poster berust uitsluitend op typografische middelen. Heb je ooit overwogen om een of meerdere beelden te gebruiken?

R.L.: Dat was geen optie. Het was uitgesloten om de tentoonstelling op te hangen aan één afbeelding van een kunstwerk.

K.B.: Jouw ontwerp werd als sticker op de matgrijze kaft van de catalogus van Kunst in Europa na ’68 gekleefd. Was dat vanaf het begin de bedoeling?

R.L.: Neen, dat is pas beslist toen Hoet het definitieve ontwerp had gekozen. Met de catalogus hield ik me ook niet bezig. Dat was het werk van Marleen Deceukelier, die van Hoet de opdracht had gekregen om de catalogus te ontwerpen.

K.B.: Was het geen probleem dat jouw ontwerp plots op een boek terechtkwam dat door iemand anders was ontworpen?

R.L.: Hoezo? Ik heb altijd op een prettige manier met Marleen samengewerkt en de toevallige samenloop van omstandigheden in het kader van Kunst in Europa na ’68 zorgde niet voor de minste rimpeling. De manier waarop de affiche en de catalogus tot stand kwamen, was opnieuw een staaltje van de improvisatiekunst van het M.H.K.-team en haar vertolker bij uitstek, Jan Hoet.

K.B.: Hadden jullie inbreng in de inhoud van de catalogus?

R.L.: Neen, ik had niets met de catalogus te maken, behalve dat mijn afficheontwerp gebruikt werd op de cover. Ook Marleen voerde uit wat Hoet opdroeg. Hij stond in voor de inhoudelijke invulling en de praktische organisatie.

K.B.: Heb je nadien nog affiches gemaakt voor het museum?

R.L.: Jazeker, onder andere de affiches voor Prospect 81/1 (Duister kristal, Fabro/Pasolini, 22 mei-11 juni 1981) en Prospect 81/2 (Omtrent Raveels Herinnering aan het doodsbed van mijn moeder, 13 juni-12 juli 1981). Het was altijd prettig om voor dat soort klussen te worden gevraagd. 

K.B.: Tot wanneer heb je uiteindelijk voor het Museum van Hedendaagse Kunst gewerkt?

R.L.: Na drie jaar kwam er een einde aan het B.T.K.-contract. Ik had geen enkel ander perspectief en ik ging dan ook in op de vraag om verder te werken voor het museum als tewerkgestelde werkloze. Veel vooruitzicht bood die oplossing niet en ik begon uit te kijken naar een betaalde betrekking. Die vond ik in het kunstonderwijs, eerst in het Atheneum van Ninove, nadien in het Atheneum Pottelberg in Kortrijk. Ik behaalde vervolgens het tweede deel van de proef bij de Middenjury en ging aan de slag in de hogere graad van de humaniora, waar ik tot aan mijn pensioen actief ben geweest als leraar.

Onopgeloste mediaraadsels: Dr.Joseph Goebbels 2.0

Wat voorafging

Het eerste deel van een uitgebreid interview met Paul De Vylder (°1942), gepubliceerd in de vorige editie van De Witte Raaf, handelde over zijn artistiek werk tot 1973. Vanaf 1966 tot omstreeks 1970 laat De Vylders ontwikkeling zich lezen als een steeds radicalere afrekening met het subjectivisme in de kunst, met als hoogtepunt zijn ‘cybernetische werken’ die – in de woorden van de kunstenaar – als ‘visuele simulaties van een volkomen gedesubjectiveerde vormenwereld’ kunnen worden opgevat. Door de reacties van het publiek en zijn lectuur van onder andere de Frankfurter Schule neemt De Vylder gaandeweg afstand van zijn cybernetische werk. In de jaren 1971-1973 maakt hij enkele werken waarin hij zijn onvrede over de cybernetica ventileert en de positivistische ideologie die eraan ten grondslag ligt op de hak neemt. Zijn ontevredenheid over zijn artistiek werk en enige traumatische ervaringen in de kunstwereld doen hem in 1973 besluiten om een lange sabbatical te nemen.

 

1. Signal

K.B./D.P.: Wat heb je tijdens je sabbatical gedaan?

P.D.V.: Eerst was ik van plan om wiskunde te gaan studeren. Op de dag dat ik naar Gent trok om me in te schrijven, sloeg de twijfel evenwel toe. Dat ik me uit de kunstwereld zou terugtrekken, stond als een paal boven water, maar moest ik uitgerekend wiskunde gaan studeren? Was ik nu niet een beetje aan het overdrijven? Aangekomen in Gent heb ik me bedacht. Ik besloot studies aan te vatten aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (H.I.K.O.) van de Universiteit Gent. Daar heb ik geen moment spijt van gehad.

K.B./D.P.: Je vond de opleiding uitstekend?

P.D.V.: De academische kwaliteiten van de opleiding doen hier niet terzake; voor mij was het vooral belangrijk dat de universiteit mij een kader bood om mij op een gestructureerde manier in kunst te verdiepen. Ik werd er uitgedaagd om mijn visie op kunst scherp te stellen. Aan de lessen van een aantal professoren heb ik veel gehad. Dankzij Roger D’Hulst, die het vak Plastische Kunsten van de Nederlanden doceerde, leerde ik bijvoorbeeld Erwin Panofsky kennen, de bekende ‘iconoloog’ en specialist van de ‘Vlaamse primitieven’. Ik las eerst Early Netherlandish Painting, Panofsky’s tweedelige studie over de 15e-eeuwse schilderkunst in onze gewesten, die door D’Hulst als cursus werd gebruikt. Meteen heb ik zowat alles verslonden dat ik van Panofsky te pakken kon krijgen. Ik verdiepte me niet enkel in kunsthistorische literatuur. Ik greep mijn ‘studententijd’ ook aan om mijn filosofiestudies te intensifiëren, waarbij ik naast het werk van de Frankfurters ook het oeuvre van denkers als Friedrich Nietzsche en Michel Foucault bestudeerde. Via Panofsky’s ‘iconologische’ hypothese ben ik tegelijkertijd de Franse structuralisten gaan lezen — mijn semiotische obsessie was geboren! Jaren aan een stuk heb ik bijna onafgebroken gelezen en geleerd. Voor mijn visie op kunst is die periode van onschatbare waarde geweest.

K.B./D.P.: In welke zin?

P.D.V.: Ik leerde om met een onbevangen blik naar kunst te kijken. Van de onuitputtelijke mogelijkheden en strategieën om beelden te maken, had ik geen flauw benul! Mijn kijk op kunst was helemaal bezoedeld geraakt door het afschuwelijke kunstmilieu waarin ik vertoefd had. Mede door toedoen van mijn lectuur van de Frankfurter Schule raakte ik gefascineerd door de burgerlijke cultuur van de 19e eeuw en de Romantiek. Zo vatte ik interesse op in de academische kunst van de 19e eeuw, de schilderijen van de pompiers waar op dat moment nauwelijks iemand enige belangstelling voor had en die voor het overgrote deel in de reserves van de musea lagen te verkommeren. L’art pompier was niet enkel symptomatisch voor de burgelijke esthetiek van het vroege kapitalisme, het onthulde meteen de regressieve tendensen in de iconografie van de nationaalsocialistische kunst. Op een gegeven moment deed ik een geweldige ontdekking in een groezelig tweedehandszaakje in Antwerpen, waar onder meer pornoblaadjes en fotoromans werden verkocht.

K.B./D.P.: Vertel!

P.D.V.: Ik was tijdens mijn studies begonnen met een collectie van zwart-witstills uit Hollywoodfilms. De winkel had een ongelofelijk aanbod van dat soort foto’s, maar al snuisterend viel mijn oog op een stapeltje nummers van Signal, het Duitse propagandatijdschrift dat in verschillende talen werd uitgegeven om het imago van het fascistisch regime in het buitenland op te krikken. Ik kende het blad al uit de tijd dat ik nog bij mijn ouders woonde; als puber was ik op zolder ooit op een pak nummers van Signal gestoten. Ik vond het destijds ook al een unheimlich tijdschrift, maar toen ik de blaadjes in dat louche winkeltje begon te doorbladeren, vielen de schellen mij van de ogen. Het was alsof ik op het graf van Toetanchamon was gestoten!

K.B./D.P.: Wat was er zo spectaculair?

P.D.V.: Wat ik verbluffend vond, was dat die nazistische boekskes – in tegenstelling tot wat je zou denken – haast als twee druppels water leken op de ‘normale’, niet-fascistische publicaties die indertijd werden uitgegeven. Signal beschikte weliswaar over een uitgesproken designconcept – gekenmerkt door een aparte typografie en een typisch grijzige zwart-witdruk van slechte kwaliteit, doorbroken door lettertekens en formele accenten in het rood – maar als je naar de foto’s en de advertenties keek, dan bleek er nauwelijks een verschil te zijn met de beeldtaal die je in niet-fascistische bladen kon aantreffen, zoals Le patriote illustré, LIFE en zovele andere tijdschriften die ik eveneens in mijn ouderlijk huis had leren kennen. Het magazine Signal heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Het was alsof ik gevoelig werd voor de hidden persuaders die in álle vormen van propaganda verscholen zitten – terwijl ik via mijn belangstelling voor de iconografie en de iconische structuren van het 19e-eeuwse academisme op een nieuwe manier naar de beeldcultuur van het fascisme leerde kijken. Ik vroeg aan mijn promotor Marcel De Maeyer, die het vak Plastische Kunsten in Europa doceerde, of ik er mijn scriptie aan mocht wijden.

K.B./D.P.: Werd je voorstel aanvaard?

P.D.V.: Ja, het vormde niet het minste probleem. De titel van mijn thesis luidde De iconografie van het naakt in de Franse schilderkunst van 1848 tot 1863. Ik behandelde de ontwikkeling van het naakt — dé artistieke uitdrukkingsvorm bij uitstek sinds pakweg Botticelli – in de korte, maar beslissende periode die volgde op de revolutie van 1848 tegen de Julimonarchie in Parijs. De begin- en einddatum koos ik uiteraard niet toevallig. Omstreeks 1848 formuleerde Courbet met zijn Baigneuses een compleet nieuwe visie op het naakt. In 1863 vond het eerste Salon des Refusés plaats en schilderde Edouard Manet zijn Olympia, waarin een naakte prostituée de toeschouwer schaamteloos aankijkt – de definitieve breuk met het klassiek-humanistische naakt. Het is trouwens helemaal geen ‘historisch toeval’ dat de 80-jarige Ingres in hetzelfde jaar van het eerste Salon des Refusés zijn Bain Turc voltooide, het hoogtepunt en de zwanenzang van het geïdealiseerde naakt in de schilderkunstige traditie! Ik betitelde de merkwaardige verschuiving in de periode 1848-1863 dan ook ‘De iconografische helling’. Mijn scriptie, waarvoor ik een schat aan beeldmateriaal verzamelde, was een stevig boekwerk. Ik trok er een extra thesisjaar voor uit. Dat was overigens ook nodig omdat ik inmiddels een job had; reeds in 1968 was ik als leraar in het jeugdatelier van de Stedelijke Academie van Sint-Niklaas aan de slag gegaan.

K.B./D.P.: Overwoog je nadien om een doctoraat te maken?

P.D.V.: Heel even. Het enthousiasme was er wel, en zelfs de aanmoediging; de praktische bezwaren wogen echter door: ten eerste had ik geen zin om mijn vaste benoeming in het jeugdatelier op te geven voor een tijdelijke baan als assistent aan de universiteit. Op de koop toe had professor De Maeyer mij al verwittigd omtrent de nakende afbouw van het H.I.K.O.: de tijd van voltijdse profs met een schare assistenten was voorbij. De Maeyer — die mij verwende met een vaderlijke vriendschap — stelde het scherp: ‘Ofwel kies je voor de kunst, ofwel voor een job in een museum.’ Dit was wel het tweede en zwaarwichtigste bezwaar: wie doctoreert kiest voor een voltijdse baan, tenzij je van de kunst een lucratieve hobby wil maken. Dit betekende dus het einde van mijn ‘innere Emigration’, de retraite was voorbij. Het was nu aan mij en aan mijn esthetische spoken. Daarbij is vooral het denken van Adorno doorslaggevend geweest. Het heeft me in staat gesteld om mij als kunstenaar te heroriënteren. Ik was ervan overtuigd geraakt dat je als kunstenaar wel degelijk een omgang met de moderniteit kan ontwikkelen zonder decoratieve opsmuk te produceren. Voortaan zou ik enkel nog volkomen tegendraadse werken maken. Ik zag de uitdaging zeer klaar: je zou al op je kop gevallen moeten zijn om mijn werk ‘mooi’ te vinden. Vanaf 1980 heb ik dit motto in praktijk gebracht.

 

2. Discipline

K.B./D.P.: In de catalogus van jouw tentoonstelling Gringo Total, die in 1983 plaatsvond in het I.C.C. te Antwerpen, zijn een aantal werken afgebeeld die dateren van de jaren 1977-1979. Je was dus al vóór 1980 opnieuw aan de slag gegaan als kunstenaar.

P.D.V.: Het waren probeersels. Ik heb eerst enkele jaren – grofweg van 1977 tot 1980 – geëxperimenteerd vooraleer ik tot voldragen werken kwam. Ik was op zoek naar een nieuwe beeldtaal. Een voorbeeld daarvan is de reeks BlackBox n° 11 van 1977.

K.B./D.P.: Het gaat om werken die je als een combinatie van fotocollage en mixed media kan omschrijven. Een van die beelden bestaat bijvoorbeeld uit een onbewerkte en een bewerkte foto waarop telkens een kamerjas te zien is. In het onbewerkte beeld wordt die kamerjas vergezeld van een naakte vrouw; in de bewerkte foto is die dame gemuteerd in een bizar dubbelwezen, deels vrouw, deels monster.

P.D.V.: Ik vertrok van één beeld, dat ik in twee beelden opsplitste. De twee beelden verschilden van elkaar, maar het was niet makkelijk om die verschillen te benoemen. Als toeschouwer twijfel je over wat je te zien krijgt. Zit de betekenis in het verschil tussen de twee beelden? Of is het juist betekenisvol dat je twee verschillende beelden ziet van één iconografische figuur? Is dit een uitbeelding van ‘tussen de regels lezen’? In een ander werk, dat niet opgenomen is in de catalogus van Gringo Total, paste ik dat principe op een meer systematische wijze toe. Het gaat over een werk dat bestaat uit vier identieke zwart-witfoto’s van een meisjesgezicht. Ze zijn met ecoline ingekleurd en geherfotografeerd. Op die geherfotografeerde beelden kleefde ik een paskruis, bestaande uit twee over elkaar gelegde micastrips. In elk van de beelden kruisten die micastrips elkaar op een andere plek van het gezicht – ter hoogte van het linkeroog, van de neus… – en waren ze in een andere richting aangebracht. Opnieuw is het onmogelijk om de verschillen tussen de beelden te verbinden met wat er op elk beeld te zien is. Er gebeurt iets ‘in’ die beelden, maar waar situeert dat gebeuren zich precies? Zit het in wat we zien? Of zien we het niet? Je krijgt een beeldraadsel voorgeschoteld. Net als mijn kritisch-cybernetische werken van de jaren 1972-1973 gaf ik deze werken een Black Box-nummer. Ik wilde namelijk de ‘blinde’ differentie van de ‘zwarte doos’ uitbeelden. Het ging me om de suggestie dat de resultaten van een mechanisme duidelijk zichtbaar zijn, maar niet de gebeurtenissen zelf die deze resultaten produceerden.

K.B./D.P.: In de catalogus van Gringo Total is nog een ander vroeg werk (zeefdruk, 1979) opgenomen. Het bestaat uit twee foto’s die vergezeld gaan van een commentaartekst. Op beide foto’s zien we twee netjes uitgedoste heren die een opengeklapt juwelendoosje ‘demonstreren’.

P.D.V.: De beelden gingen terug op advertenties voor dure juwelen, die ik uit Amerikaanse magazines haalde. 

K.B./D.P.: De heren treden door middel van tekstballonnen met elkaar in dialoog: ‘Dring!! Dring! hier komt de kunst’, zegt de ene. ‘Allo? Allo? Kom binnen, kom binnen’, repliceert de andere. Het is een grappig werk…

P.D.V.: …ja, maar die grap is meer dan een kwinkslag. Door kunstwerken met dure juwelen te associëren, formuleerde ik een sinistere visie op de plaats van de kunst. Ik was er door mijn lectuur van het werk van Adorno volledig van doordrongen geraakt dat het kunstwerk een onmogelijke plaats bekleedt in een wereld die door het spektakel wordt gedomineerd. In de tekst onderaan het werk doe ik er nog een schepje bovenop door kunst met psychopathologie en autoriteit in verband te brengen. Ik vind dit overigens nog steeds een van mijn beste probeersels uit die jaren.

K.B./D.P.: Vanwege de kritische inhoud?

P.D.V.: Nee, omdat ik afstand deed van het collageprincipe, het knip- en plakwerk dat nog aan de basis lag van de andere experimenten. In de eerste werken na mijn studies trachtte ik de ambivalentie van het beeld te suggereren door het beeld in meerdere beelden uit te splitsen. Vanaf de jaren 80 bouwde ik de ambivalentie ín het beeld in – een beeld dus dat één en ondeelbaar was. In het werk met de tekstballonnen kwam ik het dichtst bij de werken die ik niet meer als ‘pogingen’, maar als een volwaardig deel van mijn oeuvre beschouw.

K.B./D.P.: Wat was dan jouw eerste volwaardige werk?

P.D.V.: Discipline I (1980), een installatie die uit enorme vaandels bestaat, gemonteerd op stangen en beschilderd met synthetische rubber. Het was het eerste werk waarin ik met dat materiaal aan de slag ging.

K.B./D.P.: Waarom ging je voorkeur uit naar synthetische rubber?

P.D.V.: Ik was op zoek gegaan naar een materiaal waarin geen spatje leven meer zat. Als je bijvoorbeeld ivoorzwart op paneel aanbrengt, is er nog sprake van lichtweerkaatsing, hoezeer die ook door het zwarte pigment gedempt wordt. Synthetische pek slorpt daarentegen alle licht op, zeker als je het dik opbrengt. Voorts is pek een afvalproduct van de petroleumindustrie. Pek is werkelijk de gemeenste bucht die er bestaat. Je kan je geen afschuwelijker, geen doodser materiaal voorstellen.

K.B./D.P.: Kan je iets over de vorm van de installatie vertellen?

P.D.V.: Ik inspireerde me op de zwarte vaandels die vroeger in de dorpen bij een overlijden werden uitgehangen. Mijn pekvlaggen stonden in een strakke rij tegen de muur opgesteld. Ze waren op alle mogelijke manieren met het woord ‘discipline’ beschreven, in horizontale, verticale of diagonale richting, met talloze variaties en permutaties. Ik wilde naar de meest ceremoniële vormen van disciplinering verwijzen. De associatie met het zwart van de SS-vlaggen was geen toeval. Ik heb de installatie nog in hetzelfde jaar getoond in het Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle. Voor de gelegenheid voorzag ik ze van een uitgebreide ‘omkadering’.

K.B./D.P.: Waaruit bestond die ‘omkadering’?

P.D.V.: Ik toonde allerlei beeldreeksen die naar hedendaagse vormen van disciplinering verwezen. In de tentoonstellingsruimte stonden twee diaprojectors opgesteld die gelijktijdig beelden spuwden. De ene caroussel omvatte dia’s van hedendaagse consumptieparadijzen – winkelstraten, supermarkten… – de andere dia’s van pagina’s uit het Belgische strafwetboek, waarin alle betekenisvolle woorden doorstreept waren. Op panelen waren twee reeksen van 15 zwart-witfoto’s aangebracht: de bovenste reeks toonde villa’s in Sint-Martens-Latem, de beelden daaronder leken op morsige versies van dezelfde foto’s. Als de toeschouwer dichterbij kwam, kon hij of zij er zich rekenschap van geven dat de foto’s uit het woord ‘discipline’ waren opgebouwd. Een achttal affiches waren bedrukt met schijnbaar incongruente beelden en motieven: kasregisters en andere ‘telapparaatjes’, jaren 50-foto’s van ‘kantoorlandschappen’, een kaft van een boek over adaptive control systems… Buitenmaatse zwarte monochromen, dodenvaandels, rouwstoeten, optochten van SS-vlaggen: rituelen en ceremonies. Ik wilde de hedendaagse technieken van normalisering en controle als lijkwades presenteren.

K.B./D.P.: Welk werk heb je na Discipline I gemaakt?

P.D.V.: Nog in hetzelfde jaar realiseerde ik Discipline II: een installatie van tien stalen kokers met een loden en schuimrubberen bekleding waarin het woord ‘discipline’ gestanst is. In de buizen zitten staaldraden die verbonden zijn met een ruisgenerator, die permanent gestoord wordt door een random-signaal – het geluid klinkt alsof iemand de hele tijd aan de knoppen van een transistorradio aan het draaien is. Dat laatste element kan je zien als een overblijfsel uit mijn cyberperiode. In mijn ietwat oververhitte verbeelding zag ik de kokers van Discipline II als de verpakking van de opgerolde vlaggen van Discipline I. De kokers en de vlaggen zijn namelijk even groot. Ik toonde de installatie voor het eerst in de 16 meter lange ‘etalageruimte’ van de nieuwbouw van het Stedelijk Museum in Sint-Niklaas. Ik had het etalagevenster volledig beplakt met kalkpapier waarop het woord ‘discipline’ tienduizenden keren werd herhaald. Een boodschap aan de bevolking! Na Discipline I en II ben ik echter op ander soort werk overgeschakeld. Ik had het gevoel dat het nog niet helemaal juist zat.

K.B./D.P.: Wat was het probleem?

P.D.V.: In Discipline II werkte ik met lood en staaldraad – ik teerde op de expressiviteit van zware materialen en texturen, zoals je die bijvoorbeeld in de arte povera terugvindt. Mijn probleem was echter niet het expressief vermogen van materialen — hoe banaal of hoe agressief ook. Mijn probleem was de exploitatie van het beeld, ongeacht of dit voor commerciële of ideologische doeleinden was gemaakt. In de strategieën van de ‘conceptuele kunst’ geloofde ik niet meer.

K.B./D.P.: Op welke strategieën doel je precies?

P.D.V.: De ‘conceptuele kunst’ had de aanval ingezet tegen het materiële kunstwerk – het kunstwerk dat je aan de muur kan hangen of op een sokkel kan zetten. Dat gevecht was uitgemond in de afschaffing van het beeld. Het kunstwerk was geen drager meer van een voorstelling. Maar zoals Lucy Lippard reeds had aangetoond in haar boek The Dematerialization of the Art Object from 1966 to 1972 (1973) was die strategie in een kapitalistische grap uitgemond. Het resultaat was dat voortaan alles wat als kunst op de markt te koop is, waardevol wordt van zodra het effectief gekocht wordt. Hoe meer gegadigden voor het afwezige kunstwerk, hoe hoger zijn prijs. De artistieke pioniers van de hedendaagse hedgefunds! Ik begreep weliswaar dat het beeld verdacht was – het beeld als gijzelaar van de spektakelindustrie — maar volgens mij was de oplossing erger dan de kwaal. Ik ergerde me aan de zogenaamde ontoonbaarheid van de kunst, die belichaamd werd door de white cube, en ik moest niets hebben van een ‘conceptuele kunst’ die de afwezigheid en de onmogelijkheid van de voorstelling in geschenkverpakking presenteerde. Volgens mij moest de voorstelling terug op het spel worden gezet. Ik wilde opnieuw proberen om beelden te maken. Vandaar dat ik mijn werk sinds 1980 beeldprojecten noem. Via de raadselachtige werking van iconische figuren kon het kunstwerk weer als een kritisch paradigma worden gelezen.

K.B./D.P.: Hoe ging je daarbij te werk?

P.D.V.: Ik besloot om te vertrekken vanuit de 19e-eeuwse cultus van ‘les Beaux Arts’ die — erg letterlijk — belichaamd werd in de theatrale gestiek van stervende helden en smachtende vrouwen. Ik trachtte het onbehagen dat deze ensceneringen bij ons, postmodernen, opwekt om te zetten in een volgehouden ambivalentie tussen het schone en het lelijke, tussen het verhevene en het afzichtelijke. In plaats van de afwezigheid van de voorstelling te cultiveren, wilde ik haar binnenstebuiten keren.

 

3. Quarantaine

K.B./D.P.: De eerste reeks werken waarin je van beelden gebruikmaakte, is getiteld Quarantaine (1981-1982). Ze omvat één installatie – Quarantaine: Split Screen, bestaand uit een groot vierdelig schilderij, een zetel en een pseudo-oosters kitschtapijt, allemaal beschilderd met pek – gevolgd door tien eveneens met pek geschilderde doeken. Alle schilderijen uit die reeks betreffen volgestouwde kitschinterieurs waarin personages te zien zijn. Hoe ben je tot die beelden gekomen?

P.D.V.: De composities gingen grotendeels terug op de zwart-witfilmstills die ik reeds enige tijd aan het verzamelen was. Nadien – in oktober 1984 – heb ik met dat materiaal een tentoonstelling gemaakt in de Galerij van de Academie (GA) te Waasmunster: De onzichtbare man. Filmstills: de kunst van de verzwegen prototypes. Wilfried Huet van de GA wist dat ik stills verzamelde en nodigde me uit om er een tentoonstelling mee samen te stellen. Ik combineerde mijn eigen zwart-witfilmstills met foto’s uit een Antwerps filmarchief en stelde een soort ‘galerij van de emotionele stereotypieën’ samen. De beelden werden thematisch gerangschikt: de boze man, het verschrikte meisje…

K.B./D.P.: Op welke manier hanteerde je de filmstills in de Quarantaine-reeks?

P.D.V.: De beelden zijn meestal uit fragmenten van verschillende stills opgebouwd. Ik vond het enorm uitdagend om met dat soort versleten iconografie aan de slag te gaan. Precies dát het om ‘afgeschreven’ beelden ging, vond ik aantrekkelijk. Voor bepaalde details heb ik echter nog andere bronnen gebruikt. De schaal met aangesneden brood in Quarantaine: scène met ontbijttafel is bijvoorbeeld een letterlijke weergave van een van de laatste stillevens van Edouard Manet.

K.B./D.P.: Waarom noemde je de reeks Quarantaine?

P.D.V.: Die titel kan je – zoals al de titels van mijn schilderijen in de jaren 80 – vanuit een tegendraads adorniaans perspectief lezen. Je kan denken aan alles wat met de vreemdheid, de onmogelijkheid, kortom de negativiteit van de voorstelling te maken heeft. Meer in het bijzonder verwijst Quarantaine naar de specifieke inzet van de reeks, die draait om het burgerlijke, liberale subject dat zich in zijn private leugens opsluit. 

K.B./D.P.: De interieurs in Quarantaine worden bevolkt door figuren, maar hun gezicht krijg je nooit te zien.

P.D.V.: Inderdaad. Ofwel kijken ze de andere kant uit, ofwel wordt hun gelaat afgedekt door een lamp of door een salontafeltje. In heel veel gevallen wordt hun hoofd door de rand van het schilderij afgesneden.

K.B./D.P.: Vaak liggen ze als een stel benen zonder hoofd plompverloren in het beeld. Ze fungeren eerder als decorstukken van de protserige meubels dan dat het omgekeerde het geval is. De ondertitels alluderen daar soms op: Scène met vaas, Scène met ontbijttafel

P.D.V.: Dat klopt.

K.B./D.P.: De voorstellingen zijn verstikkend. De interieurversieringen — de oosterse tapijten, de gemarmerde oppervlakken… — en de weerkaatsingen van het koude licht op de leren zetels doen de ruimte dichtslibben.

P.D.V.: De schilderijen roepen inderdaad een horror vacui op, maar wat ik nog belangrijker vind, is dat die valse oppervlakken een dikke laag vormen die als behangpapier ‘op’ het schilderij ligt. Het schilderij wordt zélf behangpapier. Vandaar dat ik bijvoorbeeld de valse marmers opzettelijk ‘slecht’ schilder. Ik had die partijen ook door een professionele marmerschilder kunnen laten invullen, maar ik wilde niet dat het gelukte imitaties zouden zijn. Mijn marmerimitaties zijn geen imitaties van echte, maar van geïmiteerde marmer. Ze zijn overdone. De texturen zijn vals in het kwadraat – ze zijn zo fake dat het creepy wordt.

K.B./D.P.: De werken zijn kleurloos. Ze zijn zwart-wit.

P.D.V.: Nee, grijs! De schilderijen uit de Quarantaine-reeks zijn, net als de filmstills waarvan ik vertrok, volledig in grijstonen opgebouwd. Het zijn geen zwart-witschilderijen, maar grisailles. Er is geen spatje wit te bekennen in die doeken. Hou er maar eens een wit blad naast: zelfs de lichtste toon valt nog donkerder uit dan lichtgrijs.

K.B./D.P.: Je gebruikt zonderlinge perspectieven. De blik van de kijker wordt bijna steeds naar de grond gericht. Hij wordt als het ware in het tapijt geduwd, te midden van de zetels, een glimmend salontafeltje, een somptueuze canapé…

P.D.V.: Ik gebruik altijd verschillende vluchtpunten. In Quarantaine: scène met slapende man worden meerdere perspectieven door elkaar gebruikt, zodat de ruimte in stukken uiteenvalt. Mijn verhakkelde perspectieven komen rechtstreeks uit de trukendoos van de schilderkunstige traditie. 

K.B./D.P.: De verbinding van meerdere perspectieven heeft een claustrofobische uitwerking.

P.D.V.: Ja, het is alsof de personages in een doos gevangen zitten. De figuren zijn vaak iets kleiner dan levensgroot en dat levert een bizar en confronterend effect op. Daarnaast is het kolossale formaat van de schilderijen van belang. Ze zijn zo groot dat je ze onmogelijk in je huis kan presenteren – als ze al binnengeraken, dan zijn ze zo dominant dat er niet mee te leven valt. Door het wandvullende formaat gaan mijn schilderijen als een toneelstuk werken – een toneelstuk dan wel waarin alle leven in de kiem is gesmoord. De Quarantaine-werken zijn dode spiegels.

K.B./D.P.: In dat verband is jouw ‘verfbehandeling’ enigszins verrassend, met name in de eerste werken uit 1981. Die schilderijen zijn heel vet en vuil, ja zelfs ‘vrij’ geschilderd. Doodse, verstikkende beelden in een ‘vrije’ schildertrant, het is een paradoxale combinatie.

P.D.V.: Ik heb nu eenmaal leergeld betaald.

K.B./D.P.: Je wilde helemaal niet vrij schilderen?

P.D.V.: Natuurlijk niet! Ik had een hekel aan de bad painting die in die tijd gecultiveerd werd door de zogenaamde Neue Wilde, de jonge schilders uit Keulen en Berlijn. Ik had immers een appeltje te schillen met de kitsch painting… In de eerste werken lukte het me nog niet om dat standpunt consequent in de praktijk te brengen. Ik schilderde met grote borstels op grote formaten en kon soms niet weerstaan aan de geestige picturale oplossingen die dat kan opleveren. Ik besefte dat ik ze in de kiem moest smoren, en hier en daar deed ik dat ook – je kan in de eerste schilderijen zien dat ik bepaalde effecten de pas afsnij. Ik had echter nog niet het lef om het volledige beeld systematisch dood te schilderen. Lang heb ik er evenwel niet over gedaan vooraleer me dat lukte. In de schilderijen uit de tweede helft van de reeks is elke vorm van picturaliteit volledig platgewalst. Het schilderen zélf wordt in die werken gesaboteerd. Je komt als het ware voor een muur te staan. In die zin gebeurt in mijn schilderijen precies hetzelfde als in de beelden waarvan ik gebruik maakte.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

P.D.V.: Ik vertrok altijd van iconografie die voor iedereen herkenbaar is. De interieurs uit mijn Quarantaine-reeks zijn elk van ons vertrouwd. Maar tegelijk zijn die beelden totaal ondoordringbaar. Ik kan dat het best verduidelijken door de vergelijking met oudere stijlperiodes te maken, zoals de barok. Bij een barokke voorstelling merk je meteen dat ze een bedoeling heeft en een effect beoogt. Ze toont dat ze ons wil manipuleren, dat ze de massa wil verleiden. Die propagandistische beelden worden bovendien steevast door een discours begeleid – denk aan de zedenpreken, de dreigementen met hel en verdoemenis… In de beelden die je in de hedendaagse media aantreft, kan je met de beste wil van de wereld geen werking of geen effect meer herkennen. Het is alsof je voor één grote muur van geregisseerd behagen of geregisseerd onbehagen staat. Als je niet uit alle macht probeert om tussen de regels te lezen, zie je gewoon een pure weerkaatsing. Je kijkt tegen een grijnzende spiegel aan!

K.B./D.P.: Ook die zogenaamd alledaagse taferelen uit de hedendaagse media zijn ‘propaganda’, maar in tegenstelling tot de demagogische leerstukken van de barok weten zij dit feilloos te verbergen?

P.D.V.: Precies. Daarom heeft het ook geen zin om de werking van die propagandamachine te ontcijferen. Om met de iconografie van de hedendaagse spektakelmaatschappij om te gaan zijn andere strategieën aangewezen.

K.B./D.P.: Hoe zou jij jouw strategieën omschrijven?

P.D.V.: Ik probeer het systeem op een lapsus te betrappen. Ik tracht de vinger te leggen op het punt waar de normaliseringen en de rationaliseringen falen. Vergelijk het met iemand die zegt: ‘dat is toch een mooie zetel’… terwijl iedereen op het eigenste moment van die uitspraak het monsterlijke van die zetel opmerkt. Ik heb in de tijd van mijn Quarantaine-reeks overigens een échte horrorzetel gemaakt: een zetel met een moussevulling, die ik volledig met lood had bekleed. Ik stelde hem in mijn tentoonstellingen naast mijn schilderijen op. In dezelfde tijd heb ik in Galerie De Nieuwe Tijd in Sint-Niklaas (5 december – 27 december 1981) een tentoonstelling gemaakt onder de titel Compulatie en Manifort, een anagram van ‘manipulatie en comfort’. Ik heb er onder meer werken uit de Quarantaine-reeks getoond. In Quarantaine wordt niet openlijk naar het fascisme verwezen, maar het kost niet veel moeite om te zien dat de schilderijen van mijn visie op de doorwerking van de fascistische normaliseringstechnieken in onze hedendaagse consumptiemaatschappij doortrokken zijn. Net als Adorno ben ik ervan overtuigd dat het fascisme geen eenmalige uitschuiver was, maar naadloos past in de logica van rationalisering en werkelijkheidsbeheersing die het Westen al minstens sinds de 18e eeuw in de greep houdt. Het fascistoïde geweld is niet verdwenen, integendeel, het is nu alomtegenwoordig geworden. Het heeft zich op een listige en subtiele manier in de kieren en gaten van de hedendaagse spektakelmachine genesteld. In Quarantaine probeer ik me met die machine te identificeren en de werking ervan op de spits te drijven, in de hoop dat het spektakel zichzelf onthult, dat het zijn monsterlijk gelaat toont.

 

4. Gringo Total

K.B./D.P.: De volgende reeks schilderijen waarin je met beelden werkte, is Gringo Total (1982-1983), die je van 11 juni tot 3 juli 1983 in het I.C.C. te Antwerpen presenteerde. De iconografie van die reeks oogt veel diverser. We zien een roepende man op een bergtop en een man met verrekijker in een berglandschap (Het geroep); een hert in een bos, met op de achtergrond een man bij een auto (Het mystieke universum); een hoop naakte kerels in een berghut, met een besneeuwd landschap op de achtergrond (Het gezonde lichaam)… De beelden lijken te refereren aan toerisme, avonturenfilms, de amusementsindustrie en – opvallend vaak – het nazisme: het hoofd van een Arno Brekersculptuur in Triple Buster, een nazistisch decorum met lauwerkransmotief in Hermaphrodite en atletische torso’s in Het gezonde lichaam.

P.D.V.: Terwijl Quarantaine vooral op mijn verzameling filmstills gebaseerd was, gebruikte ik voor Gringo Total de meest uiteenlopende iconografische bronnen. Ik haalde beelden uit Signal, maar citeerde ook uit Amerikaanse tijdschriften zoals National Geographic, glossy woonbladen zoals Art et Décoration en Schöner Wohnen. Ik putte ook uit mijn geliefde pompier- en salonschilderkunst, noem maar op. Met die beelden zocht ik allerlei vreemdsoortige combinaties op. Het hert uit Het mystieke universum is ontleend aan Monarch of the Glen (1851) van de 19e-eeuwse Britse salonschilder Sir Edwin Landseer. Het boszicht op de achtergrond van dat schilderij komt uit een advertentie van Mercedes in National Geographic. De man op de bergtop in Het geroep (1982-1983) gaat terug op het personage Vigo (Mathias Wieman), de minnaar van Junta (Leni von Riefenstahl) uit de film Das blaue Licht (1932) van Leni von Riefenstahl, de regisseuse van de propagandaspektakels van het Derde Rijk. De figuur met verrekijker links komt uit een advertentie voor Zeiss Ikon, gepubliceerd in Signal; het landschap op de achtergrond heb ik uit een kalender van de oliemaatschappij Shell geplukt. De stoere torso van de zeiler uit Triple Buster is aan een Amerikaans bodybuildertijdschrift ontleend, maar zijn hoofd komt, als ik het me goed herinner, uit een filmstill. De buste in het medaillon is een bijna letterlijk citaat van Arno Breker.

K.B./D.P.: In Gringo Total is geen sprake meer van de verwrongen intimiteit van Quarantaine. De beeldtaal is publieker en propagandistischer.

P.D.V.: Dat klopt. In Quarantaine stond de private leugen van het burgerlijke subject centraal. Met Gringo Total focus ik op de geïnstitutionaliseerde, de publieke leugen van de macht. Vandaar dat ik zowel verwijs naar de kapitalistische als naar de nazistische iconografie. Met haar verwrongen pathetiek vormt die laatste immers een waar theater van de macht.

K.B./D.P.: Je noemt de reeks Gringo Total. Total is een bekende oliemaatschappij…

P.D.V.: …en het zijn de eerste letters van het woord ‘totalitair’. Gringo is dan weer een scheldnaam die in Spaans en Portugees sprekende landen aan de blanke Amerikaan – of soms ook aan de blanke westerse mens in het algemeen – wordt toebedeeld. De titel Gringo Total heeft dus zowel kapitalistische als imperialistische connotaties. Op een treffende manier vat hij het thema van het publieke machtsvertoon samen. Net zoals de schilderijen samenstellingen zijn van diverse iconografieën is de titel een buitenissige assemblage.

K.B./D.P.: Hoe zou je zelf het effect van die geschilderde montages omschrijven?

P.D.V.: In hun oorspronkelijke context – een tijdschrift, een film, een schilderij – bekijken we de iconografie steevast vanuit vaststaande categorieën. We noemen ze bijvoorbeeld ‘fifties’, ‘typisch Amerikaans’ of ‘fascistoïde’. Als je ze uit die context haalt en met elkaar confronteert, kunnen die categorieën niet meer worden gehanteerd. Enerzijds ga je verbluffende gelijkenissen zien, overeenkomsten die zo verpletterend zijn dat je je ogen niet gelooft. Anderzijds merk je subtiele verschillen, zo subtiel dat je ze nauwelijks onder woorden kan brengen. Je zou het kunnen vergelijken met de paradox die Michel Foucault met betrekking tot de geschiedschrijving vaststelde.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen?

P.D.V.: Historici benaderen de tijd vaak als een volstrekt continuüm. De gebeurtenissen lijken naadloos op elkaar aan te sluiten. Terwille van de schijn van volledigheid wordt evenwel negentig procent van de historische informatie weggefilterd. Wat wij geschiedenis noemen, heeft dus niets te maken met een objectieve weergave van de feiten; het is één grote narratieve constructie! Je kan ‘de geschiedenis’ dan ook niet reconstrueren, aldus Foucault. Als historicus moet je je richten op de breuken die in de loop van de geschiedenis tussen bepaalde discourstypes optreden. Anders gezegd: je moet het breukvlak opsporen waar de bronnen níét hun anekdotisch verloop demonstreren, maar juist de plek waar hun verschillen tegelijk synchroon én incompatibel zijn. Je moet het narratief in termen van oorzaak en gevolg naast je neerleggen om de barsten in de geschiedenis te zien.

K.B./D.P.: Foucault is echter geen iconoloog; hij bedrijft een ‘archeologie van het discours’.

P.D.V.: Inderdaad, maar door me in zijn teksten te verdiepen raakte ik ervan overtuigd dat je zijn inzichten net zo goed op beelden kan toepassen. De samengestelde beelden van Gringo Total zijn compleet eigensoortig en onvervangbaar. Ze zijn onmogelijk ‘op verhaal’ te brengen. Het enige wat je kan doen, is ze met elkaar vergelijken door gefascineerd tussen de ‘paradigma’s’ – om de linguïstische terminologie van de structuralisten te gebruiken – heen en weer te springen.

K.B./D.P.: Niet alle schilderijen kan je echter als constellaties van meerdere beeldelementen lezen. Het gezonde lichaam lijkt bijvoorbeeld een coherent tafereel: een groepje naakte mannen die in een sauna zitten, met achteraan een zicht op een berglandschap.

P.D.V.: Vergis je niet, het betreft wel degelijk een configuratie, alleen zie je dat niet meteen omdat de diverse beeldfragmenten in elkaar zijn gevlochten.

K.B./D.P.: Kan je de samenstelling toelichten?

P.D.V.: Ik ben vertrokken van een foto uit Signal waarop een groepje naakte soldaten in een sauna te zien is. De achtergrond is donker. Dat tafereel heb ik naar een Zwitsers chalet verplaatst, met op de achtergrond een raam dat uitzicht biedt op een besneeuwde bergtop. De compositie heb ik herschikt. In het Signal-beeld zitten de mannen dicht op elkaar. Ik heb ze naar de zijkanten van het beeld verschoven en centraal op de voorgrond een personage toegevoegd. Zijn aangezicht heb ik ontleend aan een portretfoto uit Signal van een hooggeplaatste militair van het Derde Rijk. Voor zijn zithouding heb ik me geïnspireerd op twee traditioneel-christelijke motieven: ‘Christus op de koude steen’, dat de gegeselde Christus toont terwijl hij op een steen zit, moederziel alleen en getooid met een doornenkroon, en ‘Christus omringd door zijn kwade beulen’. Die dubbele – christelijke en nazistische – lectuur krijgt een echo in — en wordt tegelijk gecompliceerd door — de gelaatsuitdrukkingen. De mannen rond Christus hebben een angstaanjagende blik, terwijl Christus’ gelaatsuitdrukking heroïsch is, helemaal in lijn met de beeldtaal van het nazisme; die nazilook staat echter haaks op zijn rol als gegeselde Messias. De grijnzende figuur, links van de centrale held, lijkt trouwens sprekend op Goebbels. De figuur van de held/messias is voorts zeer laag in de compositie geplaatst zodat zijn voeten door de onderste rand worden afgesneden. Het lijkt wel alsof hij bokkenpoten heeft — een knipoog naar de duivel! Op het eerste zicht lijkt Het gezonde lichaam een homogeen beeld, ondanks de incongruentie van de iconografische bronnen. Het is zelfs zodanig gemanipuleerd dat men het kan lezen als een ietwat ongelukkig promobeeld voor sauna’s en voor fitnesscentra, voor Zwitserse skivakanties en voor blokhutromantiek. Is dit geen goede reclame voor een spannende vakantie!

K.B./D.P.: Het gezonde lichaam handelt ook over het Christendom.

P.D.V.: Dat vormt eveneens een inhoudelijke laag, al heb ik die christelijke verwijzingen niet zozeer om inhoudelijke redenen gekozen. Het gezonde lichaam is trouwens het enige schilderij waarin ik specifiek christelijke motieven heb verwerkt.

K.B./D.P.: Waarom heb je ze in dat schilderij gebruikt?

P.D.V.: Ik zocht naar een manier om verschillende motieven op een dusdanige wijze met elkaar te verbinden dat je het gevoel krijgt naar een theaterstuk te kijken, waar alles zich binnen één tijdruimtelijke eenheid afspeelt. Tot mijn grote verrassing constateerde ik dat je haast onvermijdelijk bij de klassieke meesters van altaarstukken uit de Renaissance en de Barok terechtkomt als je dat resultaat wil bereiken. Zij beheersen als geen ander de kunst om verschillende motieven in één pakkende totaalenscenering samen te brengen. Het zijn de beste, meest professionele beeldregisseurs die je je kan voorstellen. Ik heb in Gringo Total meermaals van hun kundigheid gebruikgemaakt. In Het gezonde lichaam vormden de iconografische formules van de eenzame, verlaten Christus en van de Christusfiguur tussen die griezels het perfecte bindmiddel om de Arische held met het quality moment van blote jongelingen tot één dramatisch geheel te versmelten. Wie de christelijke motieven herkent, mag er voor mijn part een kritiek op christelijke beeldpropaganda in lezen, maar mij was het niet in de eerste plaats om die kritische knipoog te doen.

K.B./D.P.: Eigenlijk gebruik je die klassieke iconografische formules om een perfecte vervalsing te maken. Je kan de voorstelling immers onmogelijk tot zijn samenstellende delen herleiden.

P.D.V.: Waar het om gaat, is dat het beeld ongemakkelijk is. Je ziet een stelletje onbenullige kerels in een sauna zitten, met een vals dennenboompje op de achtergrond. Het is een vreselijk onnozele scène, maar om een of andere duistere reden heeft dat onbenullige tableautje de monumentale allure van een altaarstuk uit de barok. Mag ik terzijde opmerken dat ik met de buitenissige formaten van al deze werken niet enkel een theatraal effect beoogde? Het was tegelijk hét middel om de toeschouwer met een enorm ‘doodgeschilderd’ oppervlak te confronteren. De valsheid van de iconografische enscenering kan men desnoods nog van een klein formaat aflezen, maar de dode dramatiek van een volgeschilderd oppervlak van circa zes vierkante meter is slechts te slikken als je er op je twee benen voor staat. Op het einde van deze periode werd die geschilderde kilte zelfs een obsessie. La morte di Cesare uit 1986 sluit deze periode van de ‘kolossale’ formaten af met een burleske lofzang op de dode Keizer. Op dezelfde manier worden de grijnzende en heldhaftige figuren in Het gezonde lichaam herwerkt tot pathetische karikaturen; ze zijn nog niet dood, maar ze zijn — schilderkunstig gezien — al aan het sterven. Ook met de centrale figuur is iets raars aan de hand. Zelfs als je niet doorhebt dat ik hem lager in het beeld heb geplaatst, waardoor zijn benen op een ongewone manier worden afgesneden, voel je dat het beeld wringt. Je moet geen Panofsky-expert zijn om dat door te hebben.

K.B./D.P.: Hoe minder je het in de gaten hebt, hoe groter de ‘interne ambivalentie’ van het beeld.

P.D.V.: Precies.

K.B./D.P.: Je gebruikt daarnaast nog een andere strategie om beelden te combineren. In Oh! Cangaceiro bijvoorbeeld, het middenluik van de triptiek For Wagner, is een portret van Baudelaire met behulp van een keurige cirkelvormige uitsnede in de voorstelling van de modernistische stad Brasilia ingepast.

P.D.V.: Af en toe hanteerde ik inderdaad een andere methode en schoof ik een motief in een ander beeld, zoals een medaillon op een grafzerk.

K.B./D.P.: Anders dan in Het gezonde lichaam zie je hier wél meteen hoe het beeld in elkaar is gezet. Dat lijkt in strijd met jouw streven naar ‘interne ambivalentie’.

P.D.V.: Niet noodzakelijk. Ik pas mijn insertmethode immers op zo’n manier toe dat de globale ambivalentie van het beeld er niet door wordt aangetast. In Jane’s Dreamboot (1983) – een enorm schilderij van een duikboot, dat niet in Gringo Total, maar in een aparte reeks met de titel Hocus Pocus thuishoort – heb ik bijvoorbeeld in de linkerbenedenhoek een minuscuul medaillon met een lauwerkransje ingevoegd. Het motief is op een haast heimelijke manier, als een minuscule visuele voetnoot, in het zwarte vlak van het water ingepast. Je moet het doek met een vergrootglas afspeuren om dat lauwerkransje op te merken.

K.B./D.P.: In Oh! Cangaceiro is het medaillon echter duidelijk zichtbaar aangebracht.

P.D.V.: Akkoord, maar ook daar vormt het slechts een ‘voetnoot’ in een uiterst complex geheel. Vergeet niet dat Oh! Cangaceiro deel uitmaakt van een drieluik. Het middendeel is de voorstelling van een 18e-eeuws bloementapijt. Het rechterluik is gebaseerd op een foto uit Signal waarop dignitarissen van de NSDAP een concert bijwonen. Ook de violist op het podium komt uit Signal – ik heb hem ontleend aan een foto van de concerterende Spaanse violist Juan Manén (1883-1971). Rechts heb ik een spookje toegevoegd, waardoor ik een link leg met de mythische violist-componist Niccolò Paganini (1782-1840), van wie gefluisterd werd dat hij zijn virtuoze kunststukjes aan een duivelspact te danken had. Het monstertje ziet er evenwel allesbehalve 19e-eeuws uit. Het lijkt zo uit een stripverhaal geplukt.

K.B./D.P.: De iconografie in het linkerluik van Oh! Cangaceiro is echter heel leesbaar: we herkennen meteen Charles Baudelaire en Brasilia.

P.D.V.: Ik heb de cityscape van Brasilia echter gemanipuleerd. Je herkent het door Oscar Niemeyer ontworpen Museu de Arte Contemporanea – de zogenaamde ‘vliegende schotel’ van Brasilia – maar de kerk met ars-sacraglasraampjes die ik in de voorstelling verwerkte, zal je op foto’s van Brasilia niet terugvinden. Net als in Het gezonde lichaam zijn er heimelijke toevoegingen in het schilderij verstopt.

K.B./D.P.: De figuur van Charles Baudelaire en de stad Brasilia zijn eenduidige historische referenties.

P.D.V.: Dat klopt. In die zin mogen jullie het Baudelaire-medaillon als een didactische toegeving beschouwen. Het is een regelrechte verwijzing naar de moderniteit, waarvan de Franse dichter als het ware het prototype is. Allicht vreesde ik dat het betekenisconglomeraat van het drieluik te divers en te verwarrend zou zijn. De thematiek van de triptiek For Wagner is evenwel dezelfde als die van alle andere werken van de Gringo Total-reeks: de neoliberale fase van de kapitalistische moderniteit, van onze hedendaagse media- en consumptiemaatschappij.  

K.B./D.P.: Als je de reeks overschouwt, dan kan je de gebruikte iconografie globaal genomen in twee groepen onderscheiden: de ‘gewone’ kapitalistische en de nazistische.

P.D.V.: Dat kan je zo stellen.

K.B./D.P.: Mogen we Gringo Total dan ook als een uitspraak over de relatie tussen nazisme en kapitalisme lezen?

P.D.V.: Voor mij staat het in elk geval als een paal boven water dat het fascisme een historische configuratie van het kapitalisme is. Het fascisme is het kapitalisme in zijn totalitaire vorm. Of je zou het kapitalisme – omgekeerd – als een consumeerbare vorm van het totalitarisme kunnen zien, waarbij het geweld van het oude fascisme tot spektakel is getransformeerd.

 

5. Dr. Joseph Goebbels

K.B./D.P.: In dezelfde periode heb je onder de titel Onopgeloste mediaraadsels: Dr. Joseph Goebbels een reeks van vijftig tekeningen met viltstift op kalkpapier gerealiseerd, die je voor het eerst exposeerde van 13 februari tot 4 maart 1983 in de Antwerpse Ruimte Morguen. Elk blad omvat een tafereeltje met een of meerdere personages, begeleid door een zinsnede. De titel verwijst ondubbelzinnig naar het nazisme, maar in de tekeningen zelf is geen enkel rechtstreeks verband met het nazisme te bespeuren. Bij een zonnig vakantietafereeltje van een jongen en twee meisjes in zwempak lezen we: ‘Hoeveel van dergelijke plaatsen heeft deze stad niet nodig?’. Bij een vrouw die soepborden volschept: ‘Volkomen concentratie is vereist voor deze verantwoordelijke dienst’. Bij een groep touwtrekkende, sportieve jongens: ‘Le sport, l’école de combat’. De tekeningen roepen een vaag onbehagen op, maar met Joseph Goebbels – de propagandaminister van het Derde Rijk – zou je ze nooit associëren.

P.D.V.: Dat komt door de manier waarop ik met mijn ‘bronnen’ ben omgegaan. De beelden van Dr. Joseph Goebbels zijn allemaal afkomstig uit Signal; enkel de uitsnede heb ik soms veranderd. Op basis van die beelden heb ik schetsjes gemaakt – dat doe ik altijd tijdens de voorbereiding van een werk – die ik op grote bladen kalkpapier heb overgezet. De teksten heb ik deels uit de bijschriften bij die Signal-plaatjes overgenomen, deels aan allerlei reportages of onderschriften bij illustraties in andere magazines ontleend. Ik gebruik het materiaal zoals een archeoloog die scherven vindt en er, in plaats van de oude vaas te reconstrueren, een nieuwe vaas mee samenstelt. De citaten zijn uit hun context gerukt; in veel gevallen heb ik ze heimelijk gewijzigd; de betekenissen zijn verschoven zoals in een droom.

K.B./D.P.: Dat de beelden uit Signal afkomstig zijn, kan je daardoor eigenlijk niet weten…

P.D.V.: Precies.

K.B./D.P.: …te meer daar jij het nergens vermeldt. Bij de tentoonstelling in Ruimte Morguen kwam een catalogus met een toelichting van jouw hand uit; in 2004 gaf de vzw Droom & Daad in samenwerking met het K.A.S.K. te Gent een boek met de tekeningen uit, die naast die korte tekst ook een algemeen essay van Lieven De Cauter, Rudi Laermans en Bart Verschaffel omvat. In geen van beide publicaties wordt aangegeven dat de tekeningen teruggaan op Signal. Was het een bewuste keuze om de kijker/lezer over de bron van jouw tekeningen in het ongewisse te laten?

P.D.V.: Nee. Eerlijk gezegd heb ik me dat nooit afgevraagd. Op zich vind ik het ook niet zo belangrijk dat de beelden uit dat specifieke tijdschrift afkomstig zijn. Signal is voor mij immers een pars pro toto. Er waren vast andere tijdschriften die ik net zo goed had kunnen gebruiken, maar die ik nooit grondig heb bestudeerd.

K.B./D.P.: Of je de bron kent of niet kent, is evenwel bepalend voor de lectuur van de tekeningen. Als je weet dat ze uit Signal afkomstig zijn…

P.D.V.: …dan ben je verwittigd, dat is juist. Nu moet je er zelf ‘inrollen’.

K.B./D.P.: De beelden zien er vrij onschuldig uit.

P.D.V.: Vaak wel, maar niet altijd. Hier en daar zit er een behoorlijk gemeen tekeningetje bij.

K.B./D.P.: Akkoord, maar de expliciet ‘gewelddadige’ beelden zijn in de minderheid.

P.D.V.: Dat is juist.

K.B./D.P.: De opschriften zijn veel duidelijker. Ze bevatten allerlei aansporingen. Ze gaan over ‘meer genieten’, ‘beter presteren’, ‘betere technieken’, ‘langer volhouden’. De beelden confronteren ons met onze eigentijdse propaganda, ze gaan over de wereld die ons omringt?

P.D.V.: Ja. Ik zei al dat je de obsceniteit van de hedendaagse propaganda alleen kan tonen door ze op een lapsus te betrappen of door zo’n lapsus te ensceneren, wat ik deels in de tekeningen doe.

K.B./D.P.: Eigenlijk is er in jouw werk zelden een moment waarop het geweld dat met het fascisme – of bij uitbreiding met onze hedendaagse media- en consumptiemaatschappij – gepaard gaat, kan worden aangewezen. Ook gewelddadige handelingen worden zelden of nooit in beeld gebracht.

P.D.V.: Nee, want het geweld hoort voor mij zonder meer thuis in het domein van het onvoorstelbare. In de jaren 70 zijn er heel wat kunstenaars geweest die geprobeerd hebben om het geweld in zijn pure brutaliteit te representeren. Ze gingen met nazipropaganda of met de gruweldocumenten van de holocaust aan de slag. Met de horrorbeelden van Auschwitz maakten ze beeldreeksen of collages, waar ze dan bijvoorbeeld de kampnummers in verwerkten van alle geïnterneerden die in de concentratiekampen op één bepaalde dag vermoord waren. Bestaande beelden werden nog eens dunnetjes overgedaan en artistiek ‘aangedikt’ zodat iedereen zogenaamd zou kunnen zien hoe gewelddadig het nazisme wel was. Ik werd onpasselijk van dat soort kunst. Ik vond dat die kunstenaars de gruwel van de holocaust in de etalage zetten – het was de spectacularisering van de horror in zijn zuiverste vorm. Anderzijds was ik evenmin te vinden voor de ‘cultus van de ontoonbaarheid’ waarin het bewustzijn van de impasse van de voorstelling was uitgemond. In die context koos ik ervoor om de beeldstrategieën die ingezet werden om het geweld te spectaculariseren in hun valsheid te tonen. Dat vond ik veel interessanter dan de Weltschmerz en het gekreun à la Kierkegaard dat werd tentoongespreid in veel werken van kunstenaars die de holocaust thematiseerden.

K.B./D.P.: In die zin is het logisch dat jij op Goebbels focuste – de minister van propaganda die instond voor de ‘esthetische verpakking’ van het nazisme – in plaats van op Himmler, die als leider van de SS het fysieke geweld van het Derde Rijk incarneerde.

P.D.V.: Uiteraard. Himmler was de superbeul, maar Goebbels was de orkestleider van het propagandacircus van de nazi’s. In het tijdperk van de spektakelindustrie is het veel onthullender om de valse glimlach van de geweldenaar te tonen dan om zijn mateloze slechtheid breed uit te smeren.

K.B./D.P.: Goebbels vormt dus dé link tussen het fascisme en onze hedendaagse tijd?

P.D.V.: Absoluut. Je moet niet zozeer naar Hitler of Himmler verwijzen als je iets wil begrijpen van wat er in onze maatschappij gaande is. Bij Goebbels ben je aan het juiste adres.

 

Transcriptie: Toon Beerten

Redactie: Dirk Pültau

De geboorte van het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Op 10 juli 1965 werd je benoemd tot lid van de Aankoopcommissie van het Museum voor Schone Kunsten van Gent (M.S.K.). Hoe was die benoeming tot stand gekomen? Het lijkt voor de hand te liggen dat je was voorgedragen door commissielid Karel Geirlandt. Hij was voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (V.M.H.K.), sinds haar oprichting in 1957, en hij had je eerder al benaderd om Jeugd en Plastische Kunsten te leiden – een vereniging die daarbij aanleunde.

Marc De Cock: Karel en ik zagen en spraken elkaar regelmatig. Op een gegeven moment vroeg hij me of ik interesse had om toe te treden tot de Aankoopcommissie. Zijn vraag hield echter in dat ik politiek kleur moest bekennen. De leden van de commissie werden immers benoemd door de Gentse gemeenteraad, die er nauwlettend op toezag dat de vigerende politieke verhoudingen werden gerespecteerd.

K.B./D.P.: Welke politieke partij genoot jouw voorkeur?

M.D.C.: Karel Geirlandt was een liberaal, die het volle vertrouwen genoot van de P.V.V. (Partij voor Vrijheid en Vooruitgang), de toenmalige liberale partij. Als hij een voorstel deed, werd er naar hem geluisterd. Geirlandt was een charismatisch man. Hij kon iedereen enthousiasmeren. Vanaf het moment dat ik toezegde, stond ik als liberaal geboekstaafd. Andere fracties stelden soms zonder overleg met het kunstenveld een kandidaat voor. Dat kon totaal verkeerd uitpakken.

K.B./D.P.: In welke zin?

M.D.C.: Als de keuze zou vallen op iemand die geen flauw benul had van beeldende kunst of bekendstond als een eeuwige dwarsligger, dan was dat een regelrechte ramp. Het was zaak om de politieke fracties op goede – of betere – ideeën te brengen.

K.B./D.P.: Waarom wou jij in de Aankoopcommissie zetelen?

M.D.C.: Ik was ondertussen lid van de raad van bestuur van de Vereniging en haar doelstelling – vervat in haar naam – lag me nauw aan het hart. Als ik in de commissie mijn steentje kon bijdragen tot een aankoopbeleid dat meer aandacht zou hebben voor werken van levende kunstenaars, dan was mijn missie geslaagd.

K.B./D.P.: Hoe lagen de krachtsverhoudingen in de Aankoopcommissie toen jij er in 1965 lid van werd?

M.D.C.: Auguste Taevernier, een CVP-er, was voorzitter. Verder maakten onder meer Georges Bontinck, Walter De Rave, Pierre Kluyskens, Roger Matthys en Jozef Mees deel uit van de commissie. Niet onbelangrijk was dat Paul Eeckhout, de parttime-conservator van het Museum voor Schone Kunsten, de vergaderingen van de Aankoopcommissie bijwoonde, zonder evenwel zelf stemrecht te hebben.

K.B./D.P.: Hoe verliepen de werkzaamheden in de commissie?

M.D.C.: Het ging behoorlijk moeizaam. In 1966 kwam de commissie bijvoorbeeld tot het voorstel om een Concetto spaziale van Lucio Fontana aan te schaffen. Het werk had deel uitgemaakt van Fontana’s bijdrage aan de 33e Biënnale van Venetië (1966), waarvoor hij trouwens de Gouden Leeuw had ontvangen. Tijdens de openingsdagen van de Biënnale had Geirlandt reeds afspraken met hem gemaakt in verband met de aankoop. Ondanks het feit dat de Aankoopcommissie instemde met het voorstel, weigerde de gemeenteraad haar goedkeuring te verlenen. Iets gelijkaardigs gebeurde met een sculptuur van Pol Bury. In het geval van Fontana kon de Vereniging er een mouw aan passen: zij legde het bedrag op tafel en zo kwam de Concetto spaziale alsnog naar Gent.

K.B./D.P.: Had de weigering van de gemeenteraad te maken met financiële overwegingen?

M.D.C.: In geen geval! De commissie keek nauwgezet toe dat het aankoopbudget niet werd overschreden. Neen, er waaide een zeer conservatieve wind door de Gentse gemeenteraad. Ik kon me ook niet van de indruk ontdoen dat Eeckhout sommige gemeenteraadsleden benaderde om aan bepaalde aankoopvoorstellen geen goedkeuring te geven. Het was in elk geval duidelijk dat de conservator vaak talmde om aankoopvoorstellen die hem niet zinden aan de gemeenteraad voor te leggen. Soms verbaasde hij ons echter in positieve zin. Tegen alle verwachtingen in bepleitte hij de aankoop van een werk van Enrico Baj, dat tot dan als bruikleen van de Brusselse verzamelaar Philippe Dotremont ter beschikking had gestaan van het Museum voor Schone Kunsten. Aan dat advies was een bezoek van hem aan Milaan voorafgegaan. Eeckhout was bijzonder onder de indruk geraakt van de Italiaanse kunstenaar, die tevens als advocaat actief was. Zonder Geirlandts onverdroten inzet had zich echter nooit de mogelijkheid voorgedaan om een werk van Baj op de kop te tikken.

K.B./D.P.: Hoezo?

M.D.C.: In hetzelfde jaar waarin ik de commissie vervoegde, hadden Geirlandt en Matthys het voorstel gelanceerd om de collectie van Philippe Dotremont als bruikleen in het Museum voor Schone Kunsten onder te brengen. Aan die vraag waren intense contacten voorafgegaan. Zo had de Vereniging reeds in 1962 een zogenaamde up-to-date-avond georganiseerd met de Brusselse verzamelaar in het Museum voor Schone Kunsten. Ook in 1963 was Dotremont van de partij, als deelnemer aan een door de Vereniging georganiseerd debat over ‘kunsttoerisme’. Geirlandts voorstel werd uiteindelijk aangenomen: 30 werken uit Dotremonts collectie werden als bruiklenen ondergebracht in het Museum. Toen daarop de onderhandelingen startten over de aankoop van sommige werken, kregen enige voorstellen – waaronder Tu quoque Brute, Fili Mi van Enrico Baj – groen licht van de gemeenteraad. Voor andere aankopen – werken van Arman, Gaston Bertrand en Martial Raysse – stond de Vereniging in. Die beslissing was in feite opnieuw een noodoplossing.

2.

K.B./D.P.: In 1966 werd je benoemd tot secretaris van de Aankoopcommissie van het Museum voor Schone Kunsten. Wat hield die functie in?

M.D.C.: Een erefunctie was dat niet. Het was een klusje erbij: het maken van de verslagen van de vergaderingen.

K.B./D.P.: Een andere benoeming die in 1966 plaatsvond, is merkwaardig. Niemand minder dan Karel Geirlandts zakenpartner, advocaat John Bultinck, nam zitting als lid van de Aankoopcommissie van het M.S.K. Had Geirlandt daar ook de hand in?

M.D.C.: Ik vermoed van wel, al was Bultinck van socialistische signatuur. Geirlandt en Bultinck waren advocaat en hielden kantoor aan de IJzerlaan in Gent. Bultinck had een ruime culturele interesse, maar zijn belangstelling ging vooral uit naar literatuur. Samen met notaris Joseph Verbrugghen was hij betrokken bij het tijdschrift Cyanuur, waarin naast literatuur ook aandacht was voor plastische kunst. De keuzes die hij op het vlak van de beeldende kunst maakte, waren niet noodzakelijk dezelfde als die van Geirlandt.

K.B./D.P.: Het kwam goed uit dat Geirlandt op de steun van de liberale fractie en Bultinck op die van de socialistische kon rekenen.

M.D.C.: Akkoord. Het was niet onbelangrijk dat de liberalen en de socialisten onze medestanders waren, gezien de Burgemeester en de Schepen van Cultuur tot de CVP behoorden, net als Paul Eeckhout. Tegelijkertijd moet die politieke steun niet worden overdreven: in elke partij zaten voor- en tegenstanders van de actuele kunst. Dat is mijn vaste overtuiging.

K.B./D.P.: Welke artistieke opties stonden jullie in die tijd voor?

M.D.C.: Het volstaat het programma van de Vereniging te bekijken om daarop een antwoord te geven. In 1967 benaderden we Maurice Wyckaert, Valerio Adami en Karel Appel om een premie voor de Vereniging te vervaardigen. Leden van de Vereniging konden een premie bekomen als ze 300 frank lidgeld betaalden. Wilden ze meer premies, dan konden ze die aan een gereduceerd tarief verwerven. In datzelfde jaar nodigden we Michael Sonnabend uit om tijdens een up-to-date-avond van gedachten te wisselen over de kunstactualiteit. Zijn galerie, die hij samen met zijn vrouw Ileana runde, was gevestigd in Parijs. De Sonnabends speelden een belangrijke rol bij de introductie van de Amerikaanse pop art in Europa. Wij waren enthousiast over die nieuwe ontwikkelingen, pop art, nouveau réalisme, kinetische kunst… In 1967 richtten we bijvoorbeeld ook een gesprek in tussen nouveau réaliste Martial Raysse en de Franse criticus Otto Hahn. Dichter bij huis ging onze belangstelling uit naar de protagonisten van de Nieuwe Visie: Roger Raveel, Etienne Elias en Raoul De Keyser. We organiseerden onder meer een bezoek aan het kasteel van Graaf de Kerckhove de Denterghem in Beervelde, waar Raveel, De Keyser, Elias en Reinier Lucassen wandschilderingen hadden gemaakt. Ook voor jonge kunstenaars hadden we aandacht, getuige een avond die we inrichtten met Willy Plompen, Jan Van den Abbeel en Yves De Smet, allen lid van de Plus-Groep. Als Vereniging hielden we voeling met de nieuwste ontwikkelingen. Het was een razend spannende tijd.

K.B./D.P.: Na Bultinck in 1966 trad in 1968 een ander zwaargewicht toe tot de Aankoopcommissie: Anton Herbert, zoon van industrieel en verzamelaar Tony Herbert, die medeoprichter was geweest van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst. Met Herbert werd het legioen van de belangenbehartigers van de actuele kunst in de Aankoopcommissie opnieuw versterkt.

M.D.C.: Dat is ontegenzeggelijk zo. Herbert verdedigde de zaak van de hedendaagse kunst, maar hij maakte geen deel uit van de vriendenkring rond Karel Geirlandt. Hij nam steeds een eigen positie in, los van de standpunten van Geirlandt, Matthys, Bultinck en ikzelf. Herbert heeft ook niet heel lang deel uitgemaakt van de commissie.

K.B./D.P.: Het is bepaald indrukwekkend hoe Geirlandt er in korte tijd in geslaagd was om zijn stempel te drukken op de samenstelling van de Aankoopcommissie van het M.S.K. Was zijn strategie onderwerp van gesprek tussen jullie?

M.D.C.: Jazeker. We organiseerden regelmatig vergaderingen van de beheerraad en spraken dan over de strategische opties. Ons verbond een belangrijk doel: de oprichting van een museum van hedendaagse kunst. Alle leden van de Vereniging koesterden die ambitie, maar Geirlandt had er de meest uitgesproken ideeën over, die hij ten andere op papier zette. In 1967 vertolkte hij bijvoorbeeld zijn visie in de tekst De musea en de politiek der plastische kunsten, die gepubliceerd werd in een uitgave van het Willemsfonds. De Vereniging zag de vorming van een collectie als een eerste belangrijke stap in de richting van een autonoom Museum van Hedendaagse Kunst. We ondervonden echter voortdurend tegenstand. Ofwel lag Eeckhout dwars, ofwel stokte het aankoopproces in de gemeenteraad. Zeer vermoeiend.

K.B./D.P.: Jullie hadden inmiddels een absolute meerderheid in de Aankoopcommissie, 5 stemmen op 9. Konden jullie dan niet beslissen wat jullie wilden?

M.D.C.: Was het maar zo simpel geweest. Zo was er in 1968 een rel rond het voorstel van Paul Eeckhout om een werk van Frits Van den Berghe aan te kopen. De meerderheid van de commissie stemde tegen, maar de conservator wilde het voorstel toch overmaken aan de gemeenteraad. Een precedent zonder voorgaande! Een meerderheid hebben in de commissie voldeed niet, zoveel was duidelijk.

K.B./D.P.: Waarom hadden jullie verzet aangetekend tegen de aankoop van een werk van Van den Berghe?

M.D.C.: Eeckhout en zijn medestanders waren gefixeerd op het Vlaams expressionisme, terwijl het Museum voor Schone Kunsten eertijds verzuimd had om werken van De Smet, Van den Berghe of Permeke aan te schaffen. Zelfs Ensor was aan de aandacht van de toenmalige directie ontsnapt. Wij vonden het ongepast dat Eeckhout die historische fout wilde goedmaken, ten koste van de kunst van ónze tijd.

K.B./D.P.: In 1968 vierde de Vereniging haar tiende verjaardag. De kunstwerken die tussen 1957 en 1968 verworven waren, werden tentoongesteld in het Museum voor Schone Kunsten. Naar aanleiding hiervan werden toespraken gehouden door Roger Matthys, secretaris van de Vereniging, en Karel Geirlandt, voorzitter. Matthys blikte terug op de door de Vereniging ontwikkelde activiteiten. Geirlandt kondigde in zijn speech het volgende aan: ‘Bij deze feestviering willen wij heden aan de stad ten titel van bewaargeving tien werken aanbieden: het betreft werken van Adami, Arman, Bertrand, Eemans, Fontana, Gillet, Jespers, Jones, Raysse en Van der Giesen. Het is de zienswijze van de Vereniging dat zij zich vooral omtrent de aankoop van jonge kunst enige bedenktijd moet gunnen. Zij wil aldus de mogelijkheid voorbehouden om terug te komen op een aankoop en een werk te vervangen door een dat belangrijker is. […] Door de inbewaargeving van de werken aangekocht door de Vereniging vrijwaren wij deze mogelijkheid.’

M.D.C.: De inbewaargeving was een geste om onze goede wil te tonen. We wilden duidelijk maken dat de Vereniging in het algemeen belang handelde.

K.B./D.P.: Opvallend is dat de Vereniging de werken in bruikleen gaf. Bij vorige gelegenheden had de Vereniging de werken geschonken aan het Museum. Had die gewijzigde strategie enkel te maken met de mogelijkheid om ‘werken te vervangen door werken die belangrijker zijn’?

M.D.C.: Er speelde inderdaad iets anders. We zagen dat we op weinig medewerking van Eeckhout konden rekenen om onze primaire doelstelling – de oprichting van een museum van hedendaagse kunst – te verwezenlijken. Op het einde van 1969 ontstond er bovendien een heus dispuut tussen de conservator en de vertegenwoordigers van de Vereniging in de Aankoopcommissie.

K.B./D.P.: Waarover verschilden jullie van mening met Paul Eeckhout?

M.D.C.: Te veel om op te noemen! De Vereniging wenste over een eigen lokaal in het museum te beschikken en wilde dat een zaal voor hedendaagse kunst werd ingericht. De eerste eis werd nooit ingewilligd, de tweede schoorvoetend. Van zijn kant verweet Eeckhout ons bemoeizucht. Hij had het ook steeds moeilijker met de kritiek van de Vereniging op zijn beleid, die zowel de artistieke keuzes betrof als de infrastructuur van het Museum. Ten slotte ontstond er ook heibel naar aanleiding van de aankoop van het werk Tour de Babel van de Franse kunstenaar Jean-Pierre Raynaud. De Vereniging had Raynauds werk verworven, maar Eeckhout tekende bezwaar aan tegen het onderbrengen van Tour de Babel in het depot van het museum. Dat was volstrekt onaanvaardbaar voor ons.

K.B./D.P.: Hoe liep die zaak af?

M.D.C.: De Vereniging besliste in eerste instantie om niet terug te komen op de eerder gemaakte bruikleenafspraken. We wilden de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1970 afwachten. We waren benieuwd of dezelfde behoudsgezinde coalitie opnieuw de stad zou besturen. In afwachting daarvan werden contacten gelegd met de protagonisten van de Gentse politieke wereld om hen vertrouwd te maken met onze standpunten.

K.B./D.P.: Brachten de verkiezingen de gewenste veranderingen?

M.D.C.: We gaven het nieuwe College van Burgemeester en Schepenen eerst even respijt, maar toen bleek dat er niets wezenlijks veranderde, beslisten we om onze werken aan de reserve van het Museum te onttrekken. We bleven weliswaar lid van de Aankoopcommissie van het M.S.K., maar onze collectie brachten we onder in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.). De discussieavonden vonden voortaan plaats in de theaterzaal van het K.A.S.K. Reeds eerder waren Roger Matthys, Karel Geirlandt, Anton Herbert, Jozef Mees en ikzelf als stichtende leden betrokken geweest bij de oprichting van PROKA, de vereniging van promotors van de academie. PROKA stond in voor een boeiend programma van lezingen, theater- en filmopvoeringen en tentoonstellingen. Ook een eigen lokaal in het M.S.K. hadden we niet meer nodig. We huurden een geschikte ruimte in een herenhuis aan de Coupure waar het secretariaat van de Vereniging werd ondergebracht. Daar vonden voortaan de vergaderingen van de raad van bestuur plaats. Voor het eerst beschikten we over een representatieve ruimte, waar we vanaf begin 1971 de (kandidaat-)leden s’ zaterdags te woord konden staan over de Vereniging, de premies en onze andere grafiekuitgaven.

K.B./D.P.: De Vereniging keerde het Museum voor Schone Kunsten dus echt de rug toe?

M.D.C.: Ja, we waren bijzonder strijdvaardig. In 1970 publiceerden we ook een fel pamflet, met als titel Museumcrisis – Gent. In de tekst laakten we de passieve houding van de conservator van het M.S.K. en formuleerden we wederom onze eisen aangaande een museum van hedendaagse kunst. We vonden het van het grootste belang dat er meer aandacht kwam voor de kunst van onze eigen tijd. Sinds 1964 had het M.S.K. geen enkele tentoonstelling van hedendaagse kunst opgezet, een herdenkingstentoonstelling van Gentse kunstenaars uitgezonderd. Dat was volstrekt onaanvaardbaar. Als Vereniging wilden we daar tegen ageren en we voegden zelf de daad bij het woord. In 1971 vond de tentoonstelling Kunst na 45 plaats in de Sint-Pietersabdij – een expositie van 125 kunstwerken die door de Vereniging tot dan toe waren verworven. De expo reisde in 1972 naar het Provinciaal Begijnhof in Hasselt. In 1971 en 1972 werden tevens verschillende presentaties van de grafiekuitgaven van de Vereniging ingericht – niet alleen in kunstruimten, maar ook in scholen bijvoorbeeld. De Vereniging kreeg in 1972 bovendien een ruimte ter beschikking in het gebouw van de Bank van Parijs en de Nederlanden aan de Kouter en vestigde er het Cultureel Informatief Centrum (C.I.C.).

K.B./D.P.: Hoe was de samenwerking tussen de Vereniging en de Bank van Parijs en de Nederlanden tot stand gekomen?

M.D.C.: Er waren reeds geruime tijd goede contacten tussen de Vereniging en Maurits Naessens, directeur van de Bank van Parijs en de Nederlanden. Reeds in 1962 had hij de leden van de Vereniging te woord gestaan over de verzameling moderne kunst van de bank. Tien jaar later nodigde hij Karel Geirlandt uit een tentoonstelling te maken in het bankgebouw aan de Kouter. Gent ’72, een expo met meer dan twintig Gentse kunstenaars, was een succes. Naessens verwierf meerdere werken en bood de Vereniging prompt de tentoonstellingsruimte aan. We moesten geen huur betalen; zelfs water, elektriciteit en verwarming waren gratis.

K.B./D.P.: Wie stond in voor de programmatie van de tentoonstellingsruimte in de Bank van Parijs en de Nederlanden?

M.D.C.: De beslissingen werden formeel genomen door de beheerraad van de Vereniging, maar ik kreeg zeer veel ruimte om initiatief te nemen. De praktische organisatie nam ik in ieder geval helemaal op mij. Geirlandt had steeds minder tijd ter beschikking en de andere bestuurders hadden ook een zeer drukke agenda. Ze gaven advies en ik werkte voorstellen uit. Ook met betrekking tot de aankopen kreeg ik meer werk te verrichten. In 1969 was binnen de Vereniging onenigheid ontstaan over Grand empaquetage noir (1969) van Christo. Om dergelijke discussies in de toekomst te vermijden, besloten we om het jaarlijkse aankoopbeleid vanaf 1970 telkens aan één, twee of drie leden toe te vertrouwen. We hadden hierover uiteraard overleg, maar de vrijheid van handelen was zeer groot. Hoewel we het nu en dan oneens waren over aankopen, verstonden we elkaar en hadden we enorm veel vertrouwen in elkaar. De Vereniging was een hechte vriendenclub. Dat was de sterkte van de Vereniging tijdens de eerste decennia.

K.B./D.P.: Jij had zelf tijd genoeg? 

M.D.C.: Ik had een voltijdse betrekking in het onderwijs, maar al mijn vrije tijd ging op aan de Vereniging: het organiseren van tentoonstellingen, het prospecteren in functie van aankopen, het opstellen van de gestencilde circulaires, die een zeer uitgebreide agenda bevatten… Voor de permanentie in het C.I.C. konden we gelukkig voor het eerst beroep doen op een professionele kracht, in de persoon van Marie-Jeanne De Necker, de vrouw van Roger Wittevrongel. Het was ook nieuw dat we gewetensbezwaarden in dienst konden nemen. Een van de eersten was Octave Scheire, de latere secretaris van Roger Raveel.

K.B./D.P.: Welke tentoonstellingen organiseerde je tijdens het eerste werkjaar van het C.I.C.?

M.D.C.: De eerste expo betrof een presentatie van de grafiekuitgaven van de Vereniging. We toonden ook af en toe de nieuwe aanwinsten uit onze collectie. Voor de Vereniging was het belangrijk om op die manier aanwezig te zijn in de stad en uitdrukking te geven aan onze ambitie. Het was het middel par excellence om contact te houden met onze leden en om eventueel nieuwe zielen voor onze doelstelling te winnen. We wilden de hedendaagse kunst bij een zo groot mogelijk publiek ingang doen vinden. We brachten een grote diversiteit van tentoonstellingen. Naast solo-exposities van gevestigde kunstenaars zoals Jan Cox (1974), stelden we nieuw werk van jonge kunstenaars tentoon, zoals Leo Copers (Water en vuur, 1973). Reeds in 1974 gingen we van start met Coming People, een serie groepstentoonstellingen met aankomend talent. De eerste aflevering omvatte werk van onder anderen Robert De Boeck, Cis Degand, Erik De Volder en Bernard Queeckers. Dat intiatief wordt thans nog steeds voortgezet in het S.M.A.K. We toonden ook de edities van Marcel Broodthaers (1979). In die dagen was Yves De Smet, Gents kunstenaar en voormalig galerist, een belangrijk klankbord voor mij. Ik kende hem al een hele poos. In 1967 had hij in samenwerking met de Vereniging een Plus-meeting georganiseerd, waar Michel Seuphor, Paul De Vree, Jaak Fontier en Herman de Vries toespraken hadden gehouden.

K.B./D.P.: Heb je ook projecten in samenwerking met Yves De Smet gerealiseerd?

M.D.C.: Ja, op het einde van 1973 heb ik met hem een tentoonstelling gemaakt die we Fotoschilderijen titelden. Het betrof een onorthodoxe combinatie van fotorealisme, conceptuele kunst, pop art enzovoort. Enige tijd later realiseerden we samen Tekenen van leven waarin vooral minimal en concept art centraal stonden. De Smet brachte goede ideeën aan en was een uitstekend organisator.

K.B./D.P.: Vanaf 1973 lag ook in het aankoopbeleid van de Vereniging meer nadruk op minimal en concept, met aankopen van werken van Marcel Broodthaers, Jan Dibbets, Bernd & Hilla Becher, Gilbert & George… Speelde Yves De Smet ook een rol bij de totstandkoming van de collectie?

M.D.C.: Neen. De aankopen werden verricht door de beheerraad van de Vereniging. Omdat we wisten dat minimal en concept sowieso een brug te ver zouden zijn voor de Aankoopcommissie van het M.S.K. – om nog te zwijgen van de Gentse gemeenteraad – achtten we het raadzaam om die werken zelf aan te schaffen. We werkten daarbij samen met verschillende galeries: Art & Project (Amsterdam), Nigel Greenwood (Londen), Wide White Space (Antwerpen), Konrad Fischer (Düsseldorf) en MTL (Brussel). Al in 1972 had Fernand Spillemaeckers van MTL in ons lokaal aan de Coupure een videonamiddag over land art, concept en arte povera ingericht. Vooral Roger Matthys en André Goeminne stonden in nauw contact met hem.

3.

K.B./D.P.: Terwijl de Vereniging zich vanaf 1973 haast volledig richtte op minimal en concept, kocht het Museum voor Schone Kunsten voornamelijk werken aan van Belgische kunstenaars, zoals Marcel Maeyer, Joseph Willaert, Roland Van den Berghe en Marthe Wéry.

M.D.C.: Als leden van de Aankoopcommissie stonden we achter die aankopen. De leden van de Vereniging die zelf verzamelden, pinden zich doorgaans niet op één kunststroming vast. De collectie van het echtpaar Matthys-Colle omvatte zowel pop art als concept, om slechts een voorbeeld te noemen. De Vereniging stond eenzelfde pluralisme voor.

K.B./D.P.: Toch is het verschil in benadering van de Vereniging en die van de Aankoopcommissie opmerkelijk.

M.D.C.: Akkoord. Na alle schermutselingen tussen de Aankoopcommissie, de conservator en de gemeenteraad, was die rolverdeling haast organisch gegroeid. Dat we elkaar op dat vlak beter begrepen, verhinderde ons evenwel niet om nog feller dan voorheen in te zetten op een eigen museum voor hedendaagse kunst. Nadat in 1971, na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1970, een nieuwe museumcommissie was geïnstalleerd – uiteraard een trouwe afspiegeling van de politieke verhoudingen in de Gentse gemeenteraad – werd een nieuw reglement voorbereid. Wij zagen onze kans schoon en ondernamen een poging om twee commissies op poten te zetten, een voor de traditionele kunst, een andere voor de hedendaagse kunst. Het College van Burgemeester en Schepenen wilde daar echter onder geen beding van weten.

K.B./D.P.: Wat was jullie tegenzet?

M.D.C.: We bleven onze visie bepleiten, onder meer tijdens een reis van de Vereniging naar New York.

K.B./D.P.: New York!?

M.D.C.: Ja, van 9 tot 19 april 1973 organiseerden we onze eerste transatlantische trip, waarvoor we Robert Vandewege, Schepen van Cultuur, en Antoon Wyffels, directeur van de Dienst voor Culturele Zaken, hadden uitgenodigd. Het was een overweldigende ervaring, met bezoeken aan alle belangrijke New Yorkse musea. We kregen ook toegang tot enkele belangrijke privéverzamelingen, zoals die van de Chase Manhattan Bank in Wall Street, en hadden contact met tal van belangrijke personaliteiten, onder wie Harry Torczyner, een New Yorks advocaat van Belgische afkomst die bevriend was geweest met René Magritte. Karel Geirlandt leidde alles in goede banen. Er nam een ongelofelijk grote groep mensen aan deel, een honderdtal, als ik me niet vergis. Ik herinner me dat ook Amedée Cortier en Walter De Rave van de partij waren. Een andere opgemerkte deelnemer was Jan Hoet.

K.B./D.P.: Tijdens de reis voerden jullie overleg met Vandewege en Wyffels over de Gentse museumproblematiek?

M.D.C.: Uiteraard. We hebben daar ook nooit doekjes om gewonden. In onze circulaires deden we er openlijk verslag van. We wilden Vandewege en Wyffels kennis laten maken met enkele lichtende voorbeelden, zoals het Museum of Modern Art.

K.B./D.P.: Wat leverde het overleg concreet op?

M.D.C.: In de zomer van 1973 werd het nieuwe reglement van kracht. De Toezichtscommissie – de nieuwe naam voor wat eerder de Aankoopcommissie heette – kon haar macht voortaan delegeren aan ‘beperkte aankoopcommissies’. Er werden twee subcommissies geformeerd: een voor de traditionele kunst en een voor de hedendaagse strekkingen. Jozef Mees werd voorzitter van de unitaire Toezichtscommissie en woonde de vergaderingen van beide subcommissies bij. Subcommissie A (traditionele kunst) omvatte vier leden; subcommissie B (hedendaagse strekkingen) negen leden, onder wie alle leden van de Vereniging: Georges Broget, John Bultinck, Karel Geirlandt, Roger Matthys, Jozef Mees en ikzelf. De oprichting van de subcommissies was een eerste – toegegeven, zeer bescheiden – stapje in de richting van een vorm van autonomie.

K.B./D.P.: In de verslagen van de besprekingen van de Toezichtscommissie lazen we dat het budget gelijk werd verdeeld over de twee subcommissies. Betekende dat niet dat de subcommissie die verantwoordelijk was voor de hedendaagse strekkingen de facto minder middelen ter beschikking had? Voordien hadden jullie immers de meerderheid en konden jullie naar goeddunken adviezen geven in functie van jullie belangstelling voor hedendaagse kunst.

M.D.C.: Het was niet uitgesloten dat we minder geld konden besteden aan aankopen van hedendaagse kunstwerken, maar de symbolische splitsing van de unitaire commissie was voor ons van het allergrootste belang. Vanaf dan was het zaak om een volgende stap voor te bereiden: de splitsing van het Museum voor Schone Kunsten in twee afdelingen, een voor oude kunst, een voor hedendaagse kunst. In de herfst van 1974 was het zover: er werd een benoeming van een conservator voor de sectie Hedendaagse kunst in het vooruitzicht gesteld.

K.B./D.P.: Een autonoom Museum van Hedendaagse Kunst, zoals de Vereniging dat van bij haar oprichting voor ogen had gehad, was dat toch niet?

M.D.C.: Neen, maar dat was slechts een kwestie van luttele tijd. Vanaf het moment dat het idee van de afzonderlijke afdelingen ingang had gevonden en een vacature voor het ambt van conservator Hedendaagse Kunst was uitgeschreven, stond het vast dat het College van Burgemeester en Schepenen zou overgaan tot de oprichting van een zelfstandig Museum van Hedendaagse Kunst. Maar eerst moest een geschikte kandidaat voor de functie van conservator Hedendaagse kunst worden gevonden.

wordt vervolgd

Met dank aan Laura Coosemans en Roger Matthys

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

‘Men vergeet dat onderwijs een precaire relatie is tussen student en docent’

Daniël van der Poel: Hoe heb je het onderwijs als student aan de Universiteit Gent ervaren?

Wouter Davidts: Mijn studententijd was een periode met een hoge graad van zelfredzaamheid. Toen ik in 1992 architectuur ging studeren, bestond de opleiding aan de ingenieursfaculteit net een paar jaar en waren er nog veel losse eindjes. Maar als studenten klaagden wij niet wanneer vakbeschrijvingen onduidelijk waren of programma’s gedurende het jaar veranderden; we namen de gelegenheid te baat om onze zin te doen en allerlei zaken uit te proberen. Onduidelijkheden zagen wij niet als gebreken, maar als vrijheden. We grepen ze aan om de opdrachten voor onszelf interessant te maken – wat er in mijn geval meestal op neerkwam dat ik er beeldende kunst bij betrok. Ik denk trouwens dat de docenten ons min of meer bewust aan ons lot overlieten. Tot op vandaag neem ik die situatie als uitgangspunt. Ik weiger bijvoorbeeld om in het eerste college een volledig omlijnd lesprogramma te presenteren, laat staan al mee te delen wat het examen zal inhouden.

D.v.d.P.: Na je studie promoveerde je aan de Universiteit Gent. Vervolgens werkte je daar vijf jaar als postdoc en daarnaast verrichtte je onderzoek aan onder meer het Londense Goldsmiths College en het Henry Moore Institute in Leeds. In 2009 trad je aan als hoogleraar Kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Welke verschillen ervoer je tussen het onderwijs aan de VU en de opleiding die je zelf aan de Universiteit Gent had genoten?

W.D.: Toen ik in Nederland begon, duurde het enige tijd voordat ik begreep hoe studenten er een studietraject aflegden. Ze werken het curriculum vaak in hun eigen tempo af, zonder veel externe druk. In Gent was het de gewoonte dat een student zich inschreef voor een compleet studiejaar en alle bijhorende vakken in twaalf maanden afrondde. Het kon zelfs gebeuren dat je herexamens kreeg of in extremis een heel jaar moest overdoen, omdat je één of meerdere vakken niet haalde. De docenten hadden de verantwoordelijkheid om te bepalen wat je redelijkerwijs binnen een bepaalde periode kon verwerken. Als student werd er van je verwacht dat je die leerstof binnen de gezette termijn tot je nam. Dat was moeilijk, maar vanuit een later beroepsperspectief erg waardevol. De aanpak is op dit vlak echter drastisch veranderd.

D.v.d.P.: Hoe verklaar je die verandering?

W.D.: In de loop der jaren is de organisatie van het onderwijs steeds meer in handen gekomen van de administratie. Academici hebben dat aanvankelijk toegejuicht omdat het hun werklast verlaagde, maar gaandeweg werd het gehele onderwijs onderworpen aan een bureaucratisch systeem van regels, afspraken, studieadviezen, handleidingen enzovoorts. Tegenwoordig krijgen studenten op de eerste dag van hun opleiding urenlang uitleg over klachtenregelingen, het opvragen van cijfers en andere organisatorische zaken. Op een zeker moment kwam ik zelfs een handleiding voor een studiehandleiding tegen. Wanneer je studenten op die manier blijft aanspreken, dan verliezen zij het besef dat het onderwijs in essentie vertrekt van een precaire relatie tussen student en docent, die vorm krijgt tijdens de colleges.

D.v.d.P.: Heeft de Bolognaverklaring daar een rol in gespeeld?

W.D.: De Bolognaverklaring biedt een antwoord op de vraag hoe je binnen het hoger onderwijs in Europa uitwisseling mogelijk kunt maken. Dat is een positief uitgangspunt; het is goed dat er nu meer mogelijkheden tot uitwisseling zijn. Er is echter een zeer bureaucratisch systeem ontstaan dat op allerlei niveaus de plaats heeft ingenomen van wat voorheen via menselijke contacten en afspraken verliep. Het studiepuntensysteem bijvoorbeeld, dat voortkwam uit de Bolognaverklaring, heeft van de student een soort cliënt gemaakt die zelf bepaalt hoe hij of zij een opleiding samenstelt en doorloopt. Ik heb het meegemaakt dat studenten papers indienden voor vakken die ze twee jaar voordien hadden gevolgd of dat ze twee jaar niets van zich lieten horen om dan plots een scriptie in te leveren. Het gekke is dat ik op zulke momenten niet bleek te beschikken over formele middelen waarmee ik hen duidelijk kon maken dat de redelijke termijn voor het inleveren van die stukken ruimschoots was overschreden.

D.v.d.P.: Heeft de instroom van studenten wel eens problemen opgeleverd, bijvoorbeeld omdat ze onvoldoende kennis bezaten?

W.D.: Een gebrek aan voorkennis kun je meestal oplossen door lees- en kijkwerk op te dragen. Veel lastiger is het wanneer een masterstudent voorheen heel schools is aangesproken. Dat is binnen een jaar bijna niet te overkomen. Ik vind het overigens te verkiezen dat studenten binnen een opleiding – en liefst op dezelfde dag – te maken krijgen met docenten die op zeer diverse manieren omgaan met het materiaal. Zulke interne verschillen worden door sommigen als problematisch of zelfs als inconsequent gezien, maar volgens mij is het heel leerzaam.

D.v.d.P.: Is de formalisering van het onderwijs prominenter in Nederland dan in België?

W.D.: Mijn indruk is dat de formalisering van het onderwijs in heel Europa en de Verenigde Staten toeneemt. Om vanuit mijn eigen ervaring te spreken… ik ben nu twee maanden gastdocent aan de Universiteit Gent. Doordat mijn aantreden van recente datum is, klopt de beschrijving van mijn vak in de studiegids nog niet met de nieuwe invulling die ik eraan geef. Daar heb ik de studenten in het eerste college op gewezen; maar na twee weken is een student naar de ombudsman gestapt om zijn zorgen te uiten over de discrepantie tussen de beschrijving en de feitelijke inhoud van het vak, zonder mij hierover persoonlijk aan te spreken. Ik vind het vreemd dat zaken die in principe onderdeel zijn van een onderhandeling tussen student en docent nu meteen via de administratieve weg worden benaderd. De vraag is wie voor die ontwikkeling verantwoordelijk is. Je kunt boos worden op de studenten – en ik heb na dit incident een college aan studeerethiek gewijd – maar ik denk dat deze manier van handelen vooral voortkomt uit de manier waarop ze worden aangesproken.

D.v.d.P.: Hoe vind je dat studenten dan wel moeten worden aangesproken en hoe doe je dat in het huidige onderwijsklimaat?

W.D.: Laat me nog een voorbeeld geven. Enige tijd geleden voerde het Nederlandse kabinet-Rutte I een inmiddels gewijzigde regeling in tegen het langstuderen. Ik vond het in principe goed dat er iets werd gedaan tegen onnodig lang studeren, maar de beleidsmakers interpreteerden de situatie uitsluitend in financiële en politionele termen. Dat resulteerde in een regeling die docenten hun verantwoordelijkheid ontzegde. Wanneer er bij problematisch studiegedrag automatisch een boete wordt uitgedeeld, word je als docent buitenspel gezet. Kort na de invoering van de regeling heb ik bij het begin van een college aan de Vrije Universiteit aan mijn studenten verteld dat ik die regeling verfoei omdat ze studenten aanspreekt als potentiële delinquenten. Ik heb ze uitgelegd dat een vak draait om samenwerking en dat ik verwachtte dat iedereen aan het einde van het semester het examen zou doen. Uiteindelijk heeft ook bijna iedereen dat gedaan. Sommigen hebben het niet gehaald, maar in ieder geval zijn ze op een volwassen manier aangesproken.

D.v.d.P.: Onlangs verscheen een rapport dat kritisch is over de kwaliteit van het onderwijs aan de Vrije Universiteit. De problemen zouden voortkomen uit een eenzijdige nadruk op expansie en een gebrek aan contact tussen het universiteitsbestuur en de werkvloer. Kort na het verschijnen van het rapport trad de rector magnificus af. Zelf nam je vorig jaar afscheid als hoogleraar. Hoe ervoer jij de contacten tussen de verschillende lagen van de universiteit?

W.D.: Kort voor mijn vertrek hebben we met de voltallige Opleidingscommissie van de afdeling Kunst & Cultuur, waarvan ik twee jaar lang voorzitter was, een brief geschreven aan de onderwijsdirecteur, de decaan en het afdelingshoofd. Die brief was een opsomming van knelpunten op het vlak van onderwijs waar we in die twee jaar mee waren geconfronteerd. Van het toenmalig afdelingshoofd ontving ik een officiële brief terug met de mededeling dat er kennis was genomen van de inhoud van onze brief, maar dat het verder een zaak was voor de onderwijsdirectie. Deze vreemde combinatie van bestuurlijke afstandelijkheid ten opzichte van het onderwijs en het delegeren van verantwoordelijkheid kwam ik gedurende mijn aanstelling voortdurend tegen en heeft me telkens erg verbaasd. Als ik terugkijk op de ontwikkelingen aan de Vrije Universiteit, dan zijn de nu veelbesproken problemen bij het college van bestuur duidelijk. De verantwoordelijkheid die de afdelingshoofden en decanen dragen, komt echter onvoldoende aan bod. Hebben zij wel voldoende gestreden voor de eer en de integriteit van hun respectievelijke vakgebieden? Het is te makkelijk om als hoogleraar of afdelingshoofd te wijzen naar het faculteitsbestuur, als faculteitsbestuur naar het college van bestuur, en als college van bestuur naar Den Haag. Degenen die bestuurlijke verantwoordelijkheid hadden, ook de academici onder hen, verscholen zich daar vaak achter. Ze vulden hun mandaat in als een plichtpleging in plaats van de kans te grijpen om het instituut mede vorm te geven en te handhaven. De neiging tot persoonlijk zelfbehoud in de middenlaag van de universiteit was voor mij een belangrijke reden om mijn ontslag in te dienen.

D.v.d.P.: Kun je een concreet voorbeeld geven van de gevolgen van dergelijk zelfbehoud?

W.D.: Op een zeker moment kregen we als stafleden de opdracht na te denken over nieuwe studierichtingen die veel studenten zouden trekken. Eigenlijk ging het daarbij in eerste instantie over het financieel behoud van de universiteit. Het risico van consumentenlogica in het onderwijs is dat de nadruk komt te liggen op fashionable studies ten koste van klassieke, traditionele opleidingen. Het is belangrijk dat men blijft nadenken over de manier waarop een studie in het heden staat, maar niet vanuit een eenzijdig financieel perspectief. Ik geloof ook niet dat een klassieke discipline als kunstgeschiedenis tegenwoordig op dezelfde manier wordt onderwezen als veertig jaar geleden; zowel traditie als vernieuwing speelt daarin een rol. In reactie op die opdracht heb ik gezegd dat ik niet wil weten wat mensen willen studeren, laat staan dat ik de keuze van mijn lesstof in functie daarvan wil bepalen. Ik zie het zo: als je als docent wordt aangesteld, dan ben je tegelijk verantwoordelijk en aansprakelijk voor het onderwijs dat je de studenten aanbiedt. Dat neem ik erg serieus, maar beschouw ik tevens als een privilege. Ik wil echter wel zelf kunnen bepalen wat mijn studenten te leren krijgen, om ze daar vervolgens zo goed mogelijk in bij te staan. Wanneer ze vragen hebben bij de selectie van het lesmateriaal, dan verwacht ik dat ze mij uitleggen waarom, zodat ik daar vervolgens op kan reageren. Zo krijg je een heel interessante uitwisseling, die veronderstelt dat je als docent volledig achter je onderwijs staat, maar die ook vereist dat je het relatieve karakter van je eigen keuzes en kennis durft te onderkennen.

D.v.d.P.: Hoe kan een docent zonder functionele macht de situatie verbeteren?

W.D.: Het is belangrijk dat we als docenten beseffen dat we ons niet aan de regels moeten houden. Er is bijvoorbeeld vastgelegd hoeveel woorden een student per week mag lezen. Natuurlijk moet je rekening houden met de studielast, maar je kunt je studenten best uitleggen dat ze een keer niet één maar twee boeken moeten lezen, omdat ze anders de week daarop geen goede discussie kunnen voeren over het betreffende onderwerp. Ze zullen dan mopperen, maar ook beseffen dat het gaat om hun ontwikkeling. Als we als docenten dat soort dingen niet meer durven, dan geven we uiteindelijk alle verantwoordelijkheid weg.

D.v.d.P.: Keert jouw omgang met de regels zich wel eens tegen je?

W.D.: Eén keer ging het glorieus mis. In het voorjaar van 2011 zaten mijn collega’s en ik ermee dat er op korte termijn van alles moest worden geregeld voor het volgende collegejaar: de beschrijvingen van de vakken, de vakcodes, de opmaak van de studiegids et cetera. Nu hadden de werkcolleges eigenlijk allemaal dezelfde structuur. Ik stelde daarom voor om te breken met de regel dat elk vak een administratieve eenheid is en al die colleges onder één vak met één eindverantwoordelijke en één vakcode onder te brengen. Die onconventionele aanpak zou een pak administratie schelen en bovendien hoefde niet alles op voorhand vast te liggen, zodat we gedurende het jaar interessante activiteiten konden inlassen. Mijn plan liep echter uit op een nachtmerrie. Het systeem was zo dwingend dat de docenten geen cijfers konden uitdelen voor hun onderdeel omdat er geen aparte vakcodes waren. Uiteindelijk hebben we alsnog al die aparte vakken moeten aanmaken, wat al met al veel extra werk betekende. Tegenover mijn collega’s heb ik deemoedig moeten erkennen dat mijn voornemen naïef was geweest.

Vlaams-nationalisme & de kunsten/cultuur

Inleiding

De Witte Raaf bracht drie eminente onderzoekers rond de tafel om een discussie te voeren over de relevantie en de potentie van een onderzoeksproject over ‘Vlaams-nationalisme en de kunsten/cultuur van 1955 tot heden’. De drie gesprekspartners waren Geert Buelens, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht en wetenschappelijk medewerker aan het onderzoeksproject Literatuur, Vlaamse Beweging en Maatschappij (1914-1950) (Instituut voor de studie van de letterkunde in de Nederlanden (ISLN), Universiteit Antwerpen, 2004-2008) en co-redacteur van De Trust der Vaderlandsliefde. Over literatuur en Vlaamse Beweging 1890-1940 (Antwerpen, AMVC-Letterenhuis, 2005); Marnix Beyen, hoofddocent aan het Departement Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen en co-initiator van het onderzoeksproject Alteriteit en natievorming. Het beeld van de nationale ‘andere’ in vertogen van subnationale bewegingen en instellingen in België, 1830-2010 (Power in History – Centrum voor Politieke Geschiedenis, Universiteit Antwerpen, 2010-2014); en Ico Maly, coördinator van Kif Kif, docent aan het Rits (Brussel) en auteur van N-VA – Analyse van een politieke ideologie (Berchem, EPO, 2012).

 

1.

Koen Brams: We willen eerst de relevantie van een onderzoeksproject over Vlaams-nationalisme en de kunsten/cultuur bevragen. Is het zinvol om een onderzoek op te zetten over de relatie tussen de ontwikkeling en/of de articulatie van een Vlaams natiebewustzijn enerzijds, en de betekenis en de rol van cultuur en de kunsten in deze anderzijds?

Geert Buelens: In mijn vakgebied, de Moderne Nederlandse Letterkunde, ligt het antwoord op die vraag voor de hand: het is een evidentie – of misschien moet ik nuanceren: het is een evidentie geworden. De geschiedenis van de Vlaamse literatuur is helemaal verweven met die van de Vlaamse Beweging en met discussies over identiteit. Schrijvers waren lange tijd de belangrijkste woordvoerders en critici van de Beweging, en ook vandaag gaan velen er nog doorlopend mee in debat. Literatuur is per definitie talig en om die reden is het vanzelfsprekend om de band met de opkomst en de ontwikkeling van het Vlaams-nationalisme te onderzoeken. Maar ook in verband met niet-talige kunstuitingen – en cultuur in de meest brede zin – is het een wezenlijke onderzoeksvraag. Zowel op het vlak van institutionele ontwikkelingen als met betrekking tot algemeen maatschappelijke tendensen, zoals de manier waarop regio’s worden gepromoot via city marketing of evenementen als de WOI-herdenking, speelt de kwestie van natievorming op de achtergrond mee. Mijn antwoord is dus ronduit affirmatief.

K.B.: Marnix, kan jij je in dat standpunt vinden?

Marnix Beyen: Alhoewel ik het vraagstuk van het Vlaams-nationalisme vanuit een andere disciplinaire invalshoek benader – die van de geschiedenis – kan ik Geerts stelling onderschrijven. De meeste historici die zich op de studie van het nationalisme toeleggen, benaderen de materie vanuit een overwegend ‘constructivistisch’ standpunt. De ‘constructivisten’ gaan ervan uit, in tegenstelling tot de zogenaamde ‘primordialisten’, dat een natie wordt ‘geconstrueerd’ door een elite die daarbij gebruikmaakt van of terugvalt op allerlei culturele middelen – taal, literatuur, geschiedbeelden enzovoort. De natie is dus een product van de verbeelding. Volgens de ‘primordialisten’ gaat de natie integendeel aan alles en iedereen vooraf. In de jaren 90 van de vorige eeuw voerden ‘constructivististen’ en ‘primordialisten’ een strijd op leven en dood; vandaag de dag gaat zo goed als iedereen ervan uit dat linguïstische, literaire en culturele middelen een belangrijke rol spelen in de processen van natievorming, al zullen er nog weinig historici zijn die de natie uitsluitend als het resultaat van constructie zien. Om die reden is het zeer relevant om de relatie tussen cultuur en nationalisme te onderzoeken.

Ico Maly: Ik sluit me daar volledig bij aan. Ik beschouw elk nationalisme als een ideologische strijd. Die stelling impliceert dat nationalisten een beroep (moeten) doen op culturele middelen zoals kunst en literatuur, maar ook op andere media om de natie te construeren. De Vlaamse Regering heeft een nieuw logo en een nieuwe baseline geïntroduceerd – in het Nederlands luidt die: Verbeelding werkt; in het Engels: Flanders, state of the art. Op die manier wordt een bepaald idee over de subnatie gearticuleerd, dat mag duidelijk zijn. Zelfs heel veel nationalisten zijn er nu van overtuigd dat de natie op die manier ‘geconstrueerd’ wordt. Ook iemand als Bart De Wever is die mening toegedaan. Hij heeft ooit eens heel duidelijk gezegd dat de Vlaamse (deel)natie een objectief feit is, maar dat dat nog niet betekent dat iedereen dat ook al op die manier aanvoelt. Hij riep op om daar werk van te maken – om vorm te geven aan de ‘constructie’ Vlaanderen, met de steun en de hulp van de massamedia. Hij stelde dat heel expliciet. Zijn partij pleit ook ondubbelzinnig voor een kunst en cultuur die het gevoel van gemeenschap bevorderen. Met Zygmunt Bauman zou ik willen stellen dat de opbouw van een homogene natie onder druk van de globalisering en de superdiversiteit complexer is dan ooit. En dus moet alles en iedereen ingeschakeld worden om die natie te construeren. De vraag is echter in hoeverre ‘gemeenschapsbevorderende kunst’ vandaag nog werkt. We zien eerder een antinationalistisch verzet in de kunsten en De Wever en co zijn daar niet blij mee. Kunstenaars die kritisch staan ten opzichte van het Grote Vlaamse Project, zijn niet geliefd in N-VA-middens.

M.B.: De receptie van die in elkaar gestoken verhalen over de natie houdt de ‘nationalisme-onderzoekers’ vandaag enorm bezig. Hoe worden die geconstrueerde beelden ervaren? Welke effecten hebben ze? Gaat het volk daarin mee of niet? Het zijn vragen die heel moeilijk te beantwoorden zijn. De ‘beelden’ die door kunstenaars en mediamensen worden gecreëerd, zijn niet altijd makkelijk inzichtelijk te maken – al kan je wel putten uit vele bronnen – maar de effecten daarvan zijn nog vele malen moeilijker met zekerheid vast te stellen. Niettemin staat dat vandaag hoog op de agenda van de onderzoekers die zich inlaten met nationalisme en natievorming.

Dirk Pültau: Jullie zijn er blijkbaar allen van overtuigd dat het onderzoeksvoorstel zinnig is, maar is het ook een belangrijke kwestie? En zo ja, waarom is het belangrijk?

G.B.: Ik zou die vraag willen relateren aan mijn vakgebied, de neerlandistiek. Vele decennia lang is de gedachte uitgedragen dat de Nederlandse literatuur – de Nederlandse én de Vlaamse – een homogeen veld is. Dat is manifest onjuist, maar deze opvatting kon op veel goodwill rekenen, onder meer vanwege de Nederlandse Taalunie. Er was niet alleen institutionele steun, aan beide kanten van de landsgrenzen hielden heel veel literatoren en intellectuelen eraan vast.

M.B.: Logisch, want als je die gedachte aanhing, dan had je meteen een belangrijk wapen in handen om je als Vlaming te emanciperen ten opzichte van de Franstalige landgenoten…

G.B.: …klopt! Aangezien de Vlaamse cultuur eigenlijk niet ernstig genomen werd in België, was het een wereld van verschil om te stellen dat het in feite niet om een Vlaamse, maar om dé Nederlandse cultuur ging. Het belangde dan niet slechts 5 miljoen boeren aan, maar een dikke 15 miljoen cultuurdragers! Deze opvatting, die ten grondslag heeft gelegen aan initiatieven zoals het tijdschrift Ons Erfdeel en de Nederlandse Taalunie, is in eerste instantie emancipatorisch van aard geweest. De effecten ervan kunnen ook nauwelijks worden overschat, zowel in positieve als in negatieve zin. Wat dat laatste betreft: de specificiteit van de in Vlaanderen bedreven literatuur werd eenvoudigweg onder de mat geveegd. Het was enorm belangrijk om die ‘universalistische’ bril af te zetten om allerlei bijzondere aspecten van de Vlaamse literatuur op het spoor te komen. Liepen Vlaamse neerlandici vervolgens het risico om die Vlaamse eigenheid uit te vergroten? Zonder twijfel! Bij die kritiek zou ik me zeker iets kunnen voorstellen.

D.P.: Wanneer is er meer aandacht gekomen voor de specificiteit van de Vlaamse literatuur?

G.B.: Ik situeer die paradigmawissel omstreeks 1993, toen het befaamde Sint-Michielsakkoord werd afgesloten: België werd een federale natie; Vlaanderen en Wallonië kregen zelfverkozen parlementen. Vanaf dat moment was het niet meer nodig dat Vlaanderen bij Nederland aanleunde. Nadat Vlaanderen een eigen regering kreeg, kon het zich op cultureel vlak emanciperen. In academische kringen gingen onderzoekers – niet alleen letterkundige neerlandici, maar ook historische taalkundigen – zich gaandeweg andere vragen stellen. De academische bedrijvigheid is net als elke andere activiteit gevoelig voor institutionele en politieke omwentelingen. Grote internationale ontwikkelingen in de wetenschap spelen hierbij uiteraard ook een rol. De ‘autonomistische’ close reading van literatuur stond veel minder centraal, historische context werd belangrijker, de cultural studies braken finaal door. Ik wil dus zeker niet beweren dat onderzoekers van vorige generaties oogkleppen droegen. Iedereen is kind van zijn eigen generatie. In het geval van de literatuurwetenschappen speelde het loslaten van Nederland vanaf het midden van de jaren 90 een belangrijke rol. In 2004 publiceerde Kris Humbeeck de geruchtmakende tekst Schrijf Vlaamse literatuur, geen Zuid-Nederlandse in De Standaard – daarmee werd deze visie ook op het publieke forum gepresenteerd.

D.P.: Was dit enkel aan de hand in academische middens?

G.B.: Hoegenaamd niet. Twintig jaar geleden kon je geen prominent Vlaams auteur zijn als je uitgever Vlaams was. Vandaag is dat wel het geval. Het Vlaams Fonds voor de Letteren speelt een cruciale rol. Er zijn ook een aantal Vlaamse uitgeverijen bijgekomen en de Vlaamse bijhuizen van Nederlandse uitgevers hebben meer autonomie verworven. Kijk maar naar De Bezige Bij Antwerpen (voorheen: Meulenhoff/Manteau), dat duidelijk een eigen koers vaart. Er wordt veel meer Vlaamse literatuur in Vlaanderen uitgegeven, en die is overigens niet noodzakelijk in de rekken van Nederlandse boekhandels te vinden. Er lijkt vooralsnog voldoende financiële slagkracht te zijn en sommigen koesteren heel duidelijk de intellectuele ambitie om het hier waar te maken.

 

2.

K.B.: In de omschrijving van het onderzoeksproject hebben we bewust de mogelijkheid opengelaten om het Vlaams-nationalisme in verband te brengen met cultuur in het algemeen en/of met de kunsten in het bijzonder. Hoe zien jullie dat? Moet het onderzoeksproject zo breed mogelijk worden opgevat en alle cultuuruitingen omvatten of enkel de kunsten – en alle kunsten of slechts één kunstdiscipline, de literatuur bijvoorbeeld?

G.B.: In verband met een onderzoeksproject over het Vlaams-nationalisme zou ik een brede benadering voorstaan. Ik bereid nu een artikel voor over de herdenking van de Eerste Wereldoorlog waarbij ik naga of de Grote Oorlog sinds 1918 als een Belgische, een Vlaamse of een internationale gebeurtenis is beschouwd. Ik neem daarbij zowel strips, literaire werken als televisieprogramma’s ter hand. Laatst zag ik een aflevering van het televisiemagazine Fans of Flanders. De voice-over meldde dat ‘de Duitsers in augustus 1914 Vlaanderen binnenvielen’. Helemaal onwaar is het natuurlijk niet, maar zo had ik het nog nooit gehoord. Het is een betekenisvolle verwoording, die ik gemist zou hebben als ik me enkel op de ‘grote’ literatuur zou hebben gericht. Evengoed neem ik een aflevering van Suske & Wiske over de Eerste Wereldoorlog ter hand. Je verliest natuurlijk aan accuratesse door breed te gaan, maar liever breed en een beetje slordig, dan correct tot drie getallen na de komma op de vierkante millimeter.

M.B.: Het is natuurlijk veel uitdagender om meerdere disciplines bij zo’n onderzoek te betrekken, maar onderzoek moet altijd specifiek zijn en je moet altijd keuzes maken. Het verband tussen de beeldhouwkunst van de jaren 50 en het Vlaams-nationalisme? Ik zou dat niet oninteressant vinden, maar het lijkt me niet evident om daar onderzoek naar te doen.

K.B.: Waarom niet?

M.B.: Talige kunstdisciplines – literatuur, theater… – zijn voor de hand liggende onderzoeksobjecten als je het Vlaams-nationalisme of de Vlaamse identiteitsvorming wil bestuderen. ‘De tael is gansch het volk’: de naam van het mede door Prudens Van Duyse in 1836 opgerichte genootschap zegt in feite alles. Niet-talige cultuurobjecten kunnen slechts als ‘nationaal’ worden ervaren van zodra er een nationalistisch discours rond wordt geproduceerd.

I.M.: De relatie tussen taal en identiteit wordt mijn inziens schromelijk overschat.

D.P.: Nochtans worden cultuur en taal door nationalisten voortdurend met elkaar verbonden en op elkaar betrokken.

I.M.: Ja, en dat is problematisch. In het boek Superdiversiteit en democratie (EPO, 2014) betogen Jan Blommaert, Joachim Ben Yakoub en ikzelf dat dominante identiteitsvormen allang niet meer enkel tot de ‘moedertaal’ terug te voeren zijn. Ze zijn trouwens ook niet louter ‘nationaal’ meer. Het referentiekader van iemand die met hiphop bezig is, is per definitie niet ‘nationaal’, zelfs als die muzikant zich bedient van een specifieke taal, het Nederlands bijvoorbeeld. Hipsters kunnen we niet begrijpen los van een mondiale hipstercultuur. Je moet ook een onderscheid maken tussen wat iemand zegt over zichzelf, over zijn of haar zogenaamde identiteit enerzijds, en anderzijds hoe hij of zij zich gedraagt in de concrete realiteit. Als je de gedragingen bekijkt, dan komen andere vormen van identiteit aan het licht.

M.B.: Er is dringend nood aan grondig onderzoek over het belang van taal voor ‘identificatie’ – een term die ik verkies boven ‘identiteit’. Met identificatie geef je immers aan dat het om een dynamisch gegeven gaat.

I.M.: Niet alleen ‘identificatie’ is een proces, ook de taal zelf is voortdurend aan verandering onderhevig. Vaak wordt gesteld dat ‘het Nederlands’ bedreigd is. De zuivere taal of de eigen cultuur zou verloren dreigen te gaan. Het is een klassiek nationalistisch idee dat al eeuwen meegaat. Lachend zeggen sociolinguïsten dan dat het Nederlands in de 18e eeuw nogal wat geweest moet zijn! Alsof we er steeds maar op achteruit zouden gaan… Vanuit sociolinguïstisch perspectief gaan wij er eerst en vooral van uit dat hét Nederlands niet bestaat. Er zijn heel veel varianten in omloop, die stuk voor stuk met bepaalde vormen van identiteit in verband kunnen worden gebracht. Elk van die varianten is bovendien in voortdurende staat van verandering. Jongeren van 16 jaar mixen nu woorden als ‘wollah’ en ‘inshalah’ in hun Nederlands. Zij zijn bezig hun eigen variant aan te maken, die ook niet het eeuwige leven zal hebben. Voor puristen die het gebruik van een standaardtaal voorstaan, is dat natuurlijk een regelrechte nachtmerrie; voor ons is het staande praktijk.

K.B.: Als ik jouw stellingen beluister, Ico, en de voorbeelden die je aanvoert – met name hiphop – dan lijk je te suggereren dat de discussie over nationalisme en identiteitsvorming in algemene zin moet worden gevoerd. Niet de kunsten, laat staan een specifieke kunstdiscipline, zouden moeten worden bestudeerd, maar cultuur in de brede zin van het woord. Klopt deze interpretatie?

I.M.: Ja, zonder meer. En wat gebeurt er als je dat doet? Als je bijvoorbeeld de hiphopscene onder de loep neemt, dan zie je dat die ene specifieke cultuuruiting op verschillende schalen of niveaus beleefd wordt. Het gaat niet zonder meer over een geglobaliseerde monocultuur. Strikt lokaal, regionaal of nationaal is het evenmin. Flip Kowlier produceert hiphop in het Izegems, maar zijn muziek verhoudt zich tot een geglobaliseerde hiphopcultuur. Het is een enorm complex krachtenspel. Met een bepaalde natie kan je die uiting volgens mij niet in verband brengen, maar net dat zie je voortdurend gebeuren.

K.B.: Hoe dan?

I.M.: Ten eerste wordt die Nederlandstalige hiphop door sommige Vlaams-nationalisten als Vlaams voorgesteld, wat ze volgens mij niet is. Van de kleinere en grotere schalen of niveaus wordt simpelweg abstractie gemaakt. Dat is een groot probleem. Ze hakken betekenisvolle verbanden – lokale en internationale – zonder meer weg. Ze houden één niveau over. Ten tweede wordt die culturele uiting gebruikt om Vlaanderen internationaal te positioneren. Het is een heel nieuwe evolutie: in de handen van nationalisten is cultuur koopwaar geworden. Cultuur, erfgoed onder andere, wordt ingezet in city marketing. Kunstenaars, makers van zowel autonome als toegepaste kunst, worden culturele ondernemers genoemd. De consequentie van deze vorm van newspeak is dat zij het moeten zien te rooien met geen of zo weinig mogelijk subsidies.

G.B.: De multifunctionele en transnationale benadering die Ico voorstaat, vind ik zeer relevant. Hoe werken lokale en globale factoren op elkaar in? In hoeverre bewerkstelligt het krachtenspel van die factoren andere effecten op het veld van de literatuur of dat van de beeldende kunst? Welke internationale kunstscenes zijn van belang voor onze kunstenaars en schrijvers in de jaren 50, en wat zijn de verschillen met de jaren 80? Waren Parijs en Amsterdam van belang voor de intellectuelen in de jaren 60 en hebben Londen of New York het nadien overgenomen? Het zijn vragen die duidelijk maken dat niet alles zich onder een stolp heeft afgespeeld of afspeelt. Internationale gebeurtenissen – culturele of politieke – hebben wel degelijk een invloed op een lokale, regionale of nationale culturele scene. Die gelaagdheid, waar Ico op wijst, is van groot belang. Het zou interessant zijn om de oefening te maken van de effecten van institutionele en geopolitieke factoren op de nationale cultuur sinds 1830. Tot welke configuraties hebben die geleid?

 

3.

D.P.: In de schets van het onderzoeksproject hadden we het jaar 1955 genoemd…

G.B.: …ja, waarom?

D.P.: Het onderzoek kan een langere of kortere periode bestrijken. Je kan het laten aanvangen in 1815 (de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden), 1830 (de oprichting van België), 1918 (het einde van de Eerste Wereldoorlog en de kwestie van de ‘activisten’, de flaminganten die collaboreerden met de Duitsers om enige of volledige onafhankelijkheid te bekomen), 1945 (het einde van de Tweede Wereldoorlog en de kwestie van de collaboratie)… We kwamen echter uit bij 1955, het jaar volgend op de oprichting van de Volksunie. Hoe kijken jullie naar dit voorstel?

M.B.: Misschien is een andere reden interessant om het onderzoek pakweg het midden van de jaren 50 van start te laten gaan. Vanaf dan – en zeker vanaf 1958, het jaar waarin de Wereldtentoonstelling in Brussel plaatsvond – wordt de culturele wereld in België uitgedaagd door ontwikkelingen op internationaal vlak. Het denken over kunst en cultuur wordt kosmopolitisch, willens nillens. Het is de geboorte van de andere schalen of niveaus waar Ico het over had. Ik heb ooit een onderzoek gevoerd naar tijdschriftjes van de Vlaamse jeugdbewegingen: tot halverwege de jaren 50 stonden die nog in het teken van een Vlaams-romantische traditie, nadien kwam ‘de wereld’ binnen. Ook een partij als de Volksunie werd vanaf haar ontstaan geconfronteerd met de dialectiek tussen het lokale en het internationale. De Vlaamse romantiek was niet meer evident.

G.B.: De jaren 50 zijn razend interessant: de televisie gaat van start in Vlaanderen; de wereld wordt veel groter omdat hij langs die weg bij de mensen binnendringt. De interactie tussen het lokale en het globale vind ik zonder meer belangwekkend. Een interessante casus is het tijdschrift De Tafelronde van Paul De Vree, die voordien zelf een romantisch Vlaams-nationalisme had voorgestaan. De Tafelronde was eerst een lokaal platform en werd daarna steeds internationaler. De Vree groeide via die internationale netwerken uit tot een referentiefiguur voor de concrete poëzie. Zeer interessant, die ontwikkeling tot een internationale kunstbeweging.

M.B.: Geert, je zou ook kunnen verwijzen naar je eigen proefschrift over de receptie van het werk van Paul Van Ostaijen.

G.B.: Ja, Van Ostaijen was een flamingant, en tegelijk was hij op intellectueel en artistiek vlak op een vanzelfsprekende manier internationaal georiënteerd. Zijn basisinstelling was altijd kritisch. Hoe flamingantisch verantwoord een werk ook kon zijn, als het geen blijk gaf van de juiste (technische, poëticale) inzichten, kon Van Ostaijen genadeloos streng zijn. Ook in de receptie van zijn werk – vanaf het prille begin tot op heden – botsen lokale en internationale belangen voortdurend met elkaar. Maar dat is slechts één dwarsdoorsnede. Je zou veel meer van dat soort cases moeten uitwerken om algemenere uitspraken te kunnen doen.

D.P.: Ico, welk jaartal zou jij betekenisvol vinden?

I.M.: Mijn antwoord op die vraag is uiteraard gekleurd door het onderzoek waar ik me al enige tijd voor inzet. Vanuit die optiek zou ik het jaar 1989 kiezen: de val van de Berlijnse muur – de voorloper van de splitsing van de Sovjet-Unie; de start van VTM en de commercialisering van het medialandschap; de beleidsjaren van ‘minister-president’ Luc Van den Brande (1992-1999), inclusief de Culturele Ambassadeurs van Vlaanderen (1993-2000). Omstreeks die tijd begint tevens een nieuwe fase in de globalisering, die ook op het vlak van de migratie niet zonder gevolgen is gebleven. Het Vlaams-nationalisme leek rond 1989 een stille dood te sterven; op het einde van de jaren 90 was het weer alive and kicking.

M.B.: 1989 is een zeer interessant moment, dat is duidelijk. Het zou een spannend onderzoek kunnen opleveren – radicaler dan een klassiek historisch project over een kunstbeweging of een cultureel protagonist.

G.B.: Beide voorstellen – 1955 en 1989 – vind ik zeer relevant, maar als je de onderzoeksvraag een politiek-institutioneel kader wil geven, dan is het noodzakelijk om verder in de geschiedenis af te dalen. Mij zou het in dat geval interesseren om de nationalistische visie op kunst en cultuur na te trekken vanaf de oprichting van de Frontpartij in 1919 tot de onlangs geformuleerde cultuurvisie van N-VA. Dat zou ik buitengewoon belangwekkend vinden.

D.P.: Hoe zou je dat aanpakken?

G.B.: Ik zou de partijprogramma’s van alle Vlaams-nationalistische partijen naast elkaar leggen en nagaan wat hun visie op kunst en cultuur was. En natuurlijk ook kijken naar hun tussenkomsten in het parlement, wat ze wel en niet van belang vinden, waar ze parlementaire vragen over stellen en dergelijke. Daarnaast zou het interessant zijn om die oefening eveneens te doen met betrekking tot de ’traditionele’ partijen, om te kijken wat de gelijkenissen en de verschillen zijn. De vraag is immers of de positie van de nationalistische partijen zoveel verschilde van die van de andere leidende partijen in Vlaanderen. Een volgende stap zou dan kunnen zijn om die theoretische, programmatische visies te vergelijken met de concrete activiteiten van middenveldorganisaties zoals het Davidsfonds en het IJzerbedevaartcomité.

 

4.

K.B.: Wat zijn voor jullie de belangrijke referentieteksten, de teksten die eerst zullen moeten gelezen worden in functie van de drie door jullie voorgestelde onderzoeksprojecten, die de geschiedenis van de relatie tussen het Vlaams-nationalisme en de kunsten/cultuur vanaf pakweg 1919, 1955 en 1989 tot heden in het vizier zouden nemen?

I.M.: Het oeuvre van Eric Hobsbawm vind ik ontzettend belangrijk. Marnix refereerde reeds impliciet aan zijn werk. Hij is ontzettend belangrijk geweest als ‘constructivistisch’ denker over het fenomeen van de natiestaat.

K.B.: En als we het dichter bij huis moeten zoeken?

I.M.: Het boek Nationalismen in België. Identiteiten en beweging 1780-2000 kan ik ook aanbevelen. Dat werk van redacteurs Kas Deprez en Louis Vos handelt ook expliciet over kunst en cultuur.

M.B.: Een interessant boek, dat klopt.

G.B.: Het is geen verkeerd werk, maar op de vragen die hier op tafel liggen, geeft het slechts zeer beperkte antwoorden.

M.B.: Marc Reynebeau heeft belangrijk werk verzet, bijvoorbeeld Het klauwen van de leeuw, waarin hij talloze ‘mythen’ over de Vlaamse identiteit heeft gedeconstrueerd.

G.B.: Toch ook wel veelzeggend dat we een boek noemen van iemand van buiten de universiteit. Moeten we ons niet voor het hoofd slaan dat hij vragen heeft gesteld – en niet te vergeten: antwoorden heeft pogen te geven – die sindsdien zelden systematisch aan de orde zijn gebracht in academische middens? Het boek is bijna twintig jaar geleden uitgegeven. Loonde het niet om dat soort grote vragen opnieuw te stellen?

K.B.: Hebben jullie daar zelf een verklaring voor?

M.B.: Misschien hebben academici te veel andere opdrachten?

G.B.: Reynebeau heeft óók een andere job. Hij is in eerste instantie journalist; Het klauwen van de leeuw heeft hij bij wijze van spreken in zijn vrije tijd geschreven. Dat is zeer opmerkelijk.

M.B.: Een aantal onderzoekers, onder wie bijvoorbeeld ook David Van Reybrouck, heeft zich uit de academische wereld teruggetrokken en blijkt veel meer tijd en vrijheid te hebben om belangwekkend werk te leveren. Het zijn ontegenzeggelijk effecten van de manier waarop Vlaanderen haar wetenschappelijk onderzoek organiseert. Waarom is het belangrijker om gespecialiseerde artikelen in Angelsaksische tijdschriften te publiceren als die onderzoekstijd ook gebruikt had kunnen worden om tot een grote synthese te komen?

G.B.: Grote Vragen zijn vaak minder populair bij subsidiërende instanties omdat referenten dan allerlei valkuilen gaan opsommen, waardoor het lijkt dat die vragen toch niet beantwoord kunnen worden. Zo worden kansen gemist om ambitieuze projecten op de rails te zetten. Ook al weet je dat de antwoorden onvolmaakt zullen zijn, volgens mij moet je dat wel proberen. Het heeft wellicht ook te maken met de begrijpelijke zin voor precisie in de universitaire wereld. Veel collega’s vinden dat ze nog geen globale studie kunnen schrijven. Ze willen nog enkele jaren studenten aan het werk kunnen zetten om casestudies uit te werken.

M.B.: Wat je nu stelt, brengt mij op de gedachte dat het bijzonder zinvol zou zijn om na te gaan wat er allemaal reeds aan onderzoek is verricht. De verwevenheid van het Vlaams-nationalisme met de kunsten/cultuur wordt in tal van disciplines en onderzoeksgroepen onder de loep genomen, gaande van literatuurwetenschappen over (kunst)geschiedenis tot communicatiewetenschappen en antropologie. Er zijn al ontzettend veel licentiaatsverhandelingen en masterscripties geschreven, maar we beschikken niet over een overzicht. Dat zou er dringend moeten komen. Vervolgens zouden we op zoek kunnen gaan naar de conceptuele samenhang en de missing links.

G.B.: Daar ben ik het helemaal mee eens.

K.B.: Ik zou nog een ander onderwerp aan de orde willen stellen: de theorievorming omtrent Vlaams-nationalisme en de kunsten/cultuur. Toen ik de bibliografie in De Trust der Vaderlandsliefde. Over literatuur en Vlaamse Beweging 1890-1940 doornam, bleef ik wat dat betreft op mijn honger zitten.

G.B.: Ja, daar kan ik me iets bij voorstellen. Er was tien jaar geleden gewoonweg niet zo heel veel theorie voorhanden op het specifieke gebied van het Vlaams-nationalisme en de letterkunde. Het Antwerpse project Literatuur, Vlaamse Beweging en Maatschappij (1914-1950), waar Marnix en ik deel van uitmaakten, was overigens nog niet eens van start gegaan toen het congres werd georganiseerd waar dat boek de neerslag van vormt. Congres en boek hadden ook niet in de eerste plaats de ambitie aan theorievorming te doen, maar wilden casestudies presenteren binnen een grotere vraagstelling over de verhouding tussen literatuur, flamingantisme en antiburgerlijke ideologieën, zowel extreem-linkse als extreem-rechtse. We wilden vanuit de literatuur het debat over de betekenis en de ontwikkeling van het activisme heropenen – een kwestie die toch in belangrijke mate losstaat van internationale theorievorming.

I.M.: Er zijn toch behoorlijk wat theoretische werken gepubliceerd over nationalisme? Michael Billig, om nog iemand anders dan Hobsbawm te noemen. Ik kan daar nog vele andere namen aan toevoegen. Een gebrek aan theorie zie ik absoluut niet.

M.B.: Ik eerlijk gezegd ook niet.

K.B.: Als we het internationale veld overschouwen, kan ik me daarbij aansluiten. Maar moeten wij, vanuit onze specifieke geschiedenis en met onze bijzondere kennis, daar niet ons steentje toe bijdragen?

G.B.: Dat was de expliciete doelstelling van het genoemde onderzoeksproject, maar door personele wissels is dat helaas maar in zeer beperkte mate waargemaakt. We wilden Vlaamse casestudies uitwerken en die naast vergelijkbare onderzoeken betreffende – bijvoorbeeld – Schotland en Catalonië leggen. ‘Is die Vlaamse situatie uniek of niet?’ We wilden van de empirie vertrekken om tot theoretische inzichten te komen. Helaas is dat laatste er nauwelijks van gekomen. In mijn boek over de Europese WOI-poëzie heb ik de Vlaams-nationalistische lyriek vergeleken met onder meer Ierse en Letse voorbeelden, waardoor ik heb ingezien dat oproepen tot het gebruik van geweld, die ik eerder geneigd was metaforisch te lezen, veelal letterlijk genomen mogen worden. Maar of je dat een theoretische gevolgtrekking mag noemen?

K.B.: Voelen jullie zelf de behoefte om aan theorievorming te doen?

I.M.: Ik vertrek steeds vanuit etnografie. Ik probeer te beschrijven en te begrijpen wat er gebeurt. De praktijk staat bij mij dus voorop. Het doel is te verklaren wat er is. Uiteraard doe ik dat vanuit een theoretisch kader. Dat spreekt voor zich. Ik ben zo opgeleid en het doctoraat dat ik maakte, is daarvan het resultaat.

G.B.: Mijn benadering is min of meer dezelfde als die van Ico. Theorie is, helaas, ook niet mijn sterkste punt. Het zou wel goed zijn mochten anderen zich bezighouden met de theoretische verdieping van de onderzoeksvoorstellen die we besproken hebben.

 

5.

K.B.: Ik zou een laatste vraag aan jullie willen voorleggen, die misschien het hele gesprek onder een noemer kan brengen: mochten jullie een hypothese willen formuleren over de genoemde onderzoeksonderwerpen die geënt zijn op de jaartallen 1919, 1955 en 1989, hoe zou die dan luiden?

G.B.: De hypothese die ik zou willen formuleren, heeft te maken met het draagvlak van het Vlaamse emancipatorisch discours. Ik denk dat het Vlaams-nationalisme zowel in sociale en politieke middens, als in culturele en artistieke milieus zeer breed gedragen is, en dat sinds het einde van de 19e eeuw. We zijn geneigd om de Vlaamse zaak weg te zetten in de hoek van gematigde dan wel extreme Vlaams-nationalistische partijen, maar dat doet mijn inziens afbreuk aan de feiten. We moeten niet alleen de ideeën van Vlaams-nationalistische partijen in ogenschouw nemen, maar ook verenigingen en partijen die zich zogenaamd niet met een Vlaams-nationalistisch programma hebben geprofileerd, maar die actief hebben bijgedragen aan de verwezenlijking ervan.

I.M.: Ik onderschrijf die hypothese, maar wil graag weten hoe jij ertoe bent gekomen.

G.B.: Ik zie het nagenoeg overal. Een voorbeeld: in het kader van het genoemde onderzoek naar de perceptie van de Eerste Wereldoorlog heb ik ook naar HUMO gekeken. Bij het doorbladeren van jaargang 1964 van het ‘onafhankelijke’ magazine viel me het links flamingantische, emancipatorische discours op van iemand als Willy Courteaux, die toen zowel televisiekritieken schreef als de brievenrubriek coördineerde. Hij schreef striemende commentaren op het niveau van het Nederlands van de Vlaamse nieuwslezers en sportpresentatoren, maar uitte ook onverholen kritiek op het nationaal défilé omdat er uitsluitend aandacht was voor het koningshuis en niet voor de onderdrukking destijds van de arme Vlaamse frontsoldaten. Dat forum heeft Courteaux veertig jaar gehad in het meest gelezen blad van Vlaanderen! Voor alle duidelijkheid: Courteaux kan niet verdacht worden van enige rechtse sympathieën. Hij is een notoir links, communistisch intellectueel. Courteaux was bovendien geen uitzondering. Is een tijdschrift als HUMO ooit in een onderzoek over Vlaams-nationalisme aan bod gekomen? Volgens mij nauwelijks en dat is een huizenhoog probleem. Zoals ik al aangaf: we hebben het onderzoek naar het flamingantisme te veel opgehangen aan de partijen die het gepatenteerd hebben. Vandaar mijn hypothese.

M.B.: Ik ben ook de mening toegedaan dat het Vlaams-nationalistische gedachtegoed een breed draagvlak heeft gehad. Tegelijkertijd heeft het veel weerstand opgeroepen en zal het dat volgens mij ook blijven doen. Die verwijzing naar de arme Vlaamse frontsoldaat werkt volgens mij niet meer bij de doorsnee Vlaamse lezer.

I.M.: Die ‘arme Vlaamse frontsoldaat’ heeft inmiddels plaats geruimd voor andere ‘symbolen’ die de Vlaams-nationalistische winkel doen draaien. Misschien moeten we daar eens onderzoek naar doen?

 

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

‘Ik huiver van een identiteitsdiscours als het over cultuur gaat’

1. Belgian Art Preview

Koen Brams/Dirk Pültau: Je eerste solotentoonstelling vond plaats in 1985 in het Palais des Thermes te Oostende. Hoe was die expositie tot stand gekomen?

Luc Tuymans: Aanvankelijk was het plan dat ik samen met Bert De Beul gedurende één dag in het zwembad van het Palais des Thermes in Oostende zou tentoonstellen. Bert stond toen al op de loonlijst van het M HKA, alhoewel het museum nog maar in oprichting was. Hij had de hand weten te leggen op de adressenlijst van het museum. We drukten evenveel uitnodigingen – 5.000 in totaal – en stuurden die op met de uitdrukkelijke vraag aan de genodigde om zich aan te melden voor onze eendaagse expo. Onze p.r.-actie viel echter in het water – zo goed als niemand reageerde op onze uitnodiging. Voor Bert was dat voldoende reden om af te haken. Ik was echter vastbesloten om door te zetten en heb zodoende mijn eerste expositie georganiseerd – geen kat die ze gezien heeft, op een handvol familieleden na.

K.B./D.P.: Waarom was de keuze uitgegaan naar het Oostendse Palais des Thermes?

L.T.: Ik kende het gebouw al sinds 1981. In dat jaar had ik in de buurt van het Thermenpaleis Feu d’artifice gerealiseerd, een performance – in feite een reeks tableaux vivants – waarvoor ik samenwerkte met de acteur Johan Heestermans en de regisseur Moshe Leiser, die twee jaar later aan de slag zou gaan in de Opéra de Lyon. Het Thermae Palace dateert uit het interbellum, maar de geschiedenis ervan gaat terug op de plannen van Leopold II om van Oostende de zogenaamde ‘koningin der badsteden’ te maken. Ik was toen al gefascineerd door de grootheidswaanzin van Leopold II, die eerder reeds de Koninklijke Galerijen had laten bouwen. Ik koesterde Oostende ook omdat de stad met de namen van Léon Spilliaert en James Ensor verbonden is. Van jongsaf was ik door hun werk gefascineerd; vooral Spilliaert is voor mij erg belangrijk geweest. Het sprak voor mij haast vanzelf dat mijn debuuttentoonstelling op die plek zou plaatsvinden.

K.B./D.P.: Waarom ging de voorkeur uit naar het zwembad van het hotel?

L.T.: Het Palais des Thermes was een eminent Belgische plek, die tegelijk het einde van een bepaald soort België symboliseerde. Die idee van een vervlogen oud-België werd door dat zwembad krachtig opgeroepen omdat het – in tegenstelling tot de Turkse baden van het hotel – niet meer operationeel was.

K.B./D.P.: De expo had ook een merkwaardige titel: Belgian Art Review

L.T.: …die titel is verkeerdelijk terechtgekomen in het boek dat Phaidon in 1996 over mijn werk op de markt bracht. De juiste titel luidde Belgian Art Preview. Bert en ik hadden besloten een corporate enterprise in het leven te roepen omdat het project bijzonder bewerkelijk was. We pakten het heel professioneel aan. We hadden briefpapier laten maken en beschikten zelfs over een logo: de foto van een zeeofficier! Toen Bert zich uiteindelijk terugtrok, besloot ik om de titel te behouden. De uitnodigingen waren immers al verstuurd.

K.B./D.P.: Waarom werd in de titel naar België verwezen en waarom was de naam van de ‘firma’ in het Engels gesteld?

L.T.: Omdat we in België woonden en we de uitnodigingen ook naar het buitenland wilden sturen. Meer moeten jullie daar niet achter zoeken. Dat fictieve agentschap was trouwens ironisch bedoeld. Het was een hoax.

K.B./D.P.: Waren er in Oostende werken te zien die naar België of naar de Belgische geschiedenis verwezen?

L.T.: Ja, er was één werk met een Belgische connotatie in de tentoonstelling: Refribel, een drieluik dat zich inmiddels in de collectie van MuZEE bevindt. Op dat werk zijn onder meer koelinstallaties in de Antwerpse haven en onderstellen van treinen te zien. De naam is ontleend aan een Belgisch bedrijf dat opgericht werd tijdens het interbellum.

K.B./D.P.: Waarbij het suffix ‘-bel’ aan België refereert?

L.T.: Ik heb de titel inderdaad gekozen met België in het achterhoofd, maar erg grondig had ik er niet over nagedacht. Pas later ontwikkelde ik in mijn werk een bewuste omgang met de Belgische geschiedenis. 

 

2. Joséphine n’est pas ma femme / Ceci n’est pas une pipe

K.B./D.P.: Pas drie jaar na Belgian Art Preview had je een tweede solotentoonstelling, die door Ruimte Morguen (Antwerpen) georganiseerd werd: Joséphine n’est pas ma femme. Opnieuw koos je voor een titel met een Belgische lading: Joséphine n’est pas ma femme is namelijk een verwijzing naar het beroemde zinnetje ‘Ceci n’est pas une pipe’, dat René Magritte in La Trahison des Images (1928) onder de voorstelling van een pijp zette. Hoe was je tot die titel gekomen?

L.T.: Joséphine n’est pas ma femme is de titel van een Zydeco-liedje. Zydeco is een muziekvorm uit Louisiana, een samensmelting van de traditionele muziek van de Cajuns – de Franstalige bewoners van Louisiana die afkomstig zijn uit het Canadese Acadië – met Afrikaans-Amerikaanse tradities. De versie van Joséphine n’est pas ma femme die ik ken, is gezongen door een tandenloze zwarte, die zichzelf begeleidt op een wasbord, een primitief ritmisch instrument dat als een schort voor de borst van de muzikant hangt. Het liedje intrigeerde me. Toen ik het verband zag met Ceci n’est pas une pipe, besloot ik om mijn tentoonstelling naar het liedje te noemen.

K.B./D.P.: Waarom was die link met Magritte belangrijk?

L.T.: De tentoonstelling bij Ruimte Morguen vormde mijn debuut in de Belgische kunstwereld – mijn solo in Oostende was immers totaal onopgemerkt voorbijgegaan. Ik vond het een gepast moment om te refereren aan Magritte, een belangrijk Belgisch kunstenaar.

K.B./D.P.: Wilde je ook Magrittes belang voor jouw persoonlijke oeuvre aangeven?

L.T.: Uiteraard, al is dat op louter schilderkunstig gebied eerder gering of onbestaand te noemen. Magritte is als reclamevormgever opgeleid. Dat kan je niet alleen aflezen van zijn vlakke schilderstijl, maar ook van de kristalheldere taal waarvan hij zich bedient. Hij zet die taal evenwel op een tegendraadse manier in om complexe filosofische constructies te visualiseren. In Les Vacances de Hegel (1958), het bekende schilderij van een glas water op een paraplu, weet hij bijvoorbeeld het hegeliaanse probleem van de these en de antithese in een beeld vatten. Verbluffend! Daarnaast ben ik geïntrigeerd door het claustrofobische in zijn werk. Ik vind het ten slotte net als Magritte cruciaal om titels aan mijn werken te geven. Zonder titel zijn mijn schilderijen niet compleet. Als je voor Gaskamer (1986) staat – een schilderij dat in Joséphine n’est pas ma femme was opgenomen – en de titel niet kent, zie je enkel een wazig beeld van een ruimte. Met de titel erbij wordt het werk op een ander niveau getild; het wordt bijna even conceptueel als Magrittes La Trahison des images.

K.B./D.P.: Het zinnetje ‘Joséphine n’est pas ma femme’ lijkt elke uitspraak op te schorten – we vernemen enkel dat ‘Joséphine ‘niet’ zijn vrouw is’, de rest wordt in het ongewisse gelaten. Dat doet denken aan de visuele strategie die je veelvuldig in je werk toepast: de identiteit van wat er te zien is, is onachterhaalbaar.

L.T.: Dat klopt. Ik hou niet van kunst met een eenduidige betekenis. Precisie daarentegen vind ik uiterst belangrijk. 

K.B./D.P.: Er spreekt ook een grote afstandelijkheid uit de titel van de Morguen-tentoonstelling. Je koos voor een liedje waarin de liefde wordt afgezworen.

L.T.: Ik had er jaren over gedaan om een zekere afstandelijkheid op te roepen in mijn werk. Omstreeks het midden van de jaren 80 was ik daar mijns inziens in geslaagd. De titel van mijn expo in Ruimte Morguen was een manier om daar uitdrukking aan te geven.

 

3. Een alternatief verhaal over Belgische kunst

K.B./D.P.: Jij hebt je in interviews meermaals over de geschiedenis van de Belgische kunst uitgelaten. Een sleutelfiguur in jouw opvatting over de Belgische kunst is Léon Spilliaert (1881-1946). Wanneer is jouw belangstelling voor Spilliaert ontstaan?

L.T.: Ik maakte kennis met zijn werk tijdens mijn studies aan Sint-Lukas in Brussel. Zijn oeuvre sprak me aan, maar ik wist nog niet de vinger te krijgen achter wat me precies boeide. Enige tijd later – in 1982 – bezocht ik in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België een omvangrijke Spilliaertretrospectieve. Ik was er ondersteboven van. Ronduit uniek is de extreme reductie waaraan hij het beeld onderwerpt. Net als Ensor is Spilliaert een einzelgänger, maar Ensor gelooft nog in het genie en droomt ervan om te wedijveren met ‘de grote meesters’ uit het verleden, zoals Rubens. Ensors hang naar het grootse en opzienbarende kunstwerk is Spilliaert totaal vreemd. Er heerst een totale verstilling in zijn beelden. Het is alsof ze onder een stolp zitten. Het ingesnoerde van het beeld fascineert me mateloos.

K.B./D.P.: Hoe sta jij tegenover de receptie van  Spilliaert als symbolist?

L.T.: Zijn allervroegste werken kunnen misschien als symbolistisch worden gekenschetst, maar zijn rijpe oeuvre? Het minste wat je kan zeggen, is dat hij het symbolisme op een extreem eigenzinnige manier verwerkt heeft. In tegenstelling tot de meeste symbolisten heeft hij oog voor de alledaagse omgeving: een leeg restaurant, een stuk van een kamer. Hij vertrekt van zeer onmiddellijke waarnemingen, om er een indirecte en afstandelijke interpretatie aan te geven. Ook de cinematografische dimensie van zijn werk is totaal nieuw. Een werk als Duizeling (1908) herinnert vaag aan het symbolisme, maar de dynamiek van het lijnenspel verbindt het tegelijkertijd met het opkomende medium van de film.

K.B./D.P.: Spilliaert heeft een intrigerend werk gemaakt over de overleden Leopold II. De koning ligt opgebaard onder de Belgische vlag…

L.T.: …waarbij de ster op de achtergrond verwijst naar de vlag van Belgisch Congo. Een politiek statement dat kan tellen! Ensor heeft zeker ook politiek geladen werk gemaakt – denk aan de Intrede van Christus in Brussel of zijn verwijzingen naar de slag van Waterloo – maar het politieke karakter van zijn werk situeert zich op een ander vlak. Het berust in de manier waarop hij – bijvoorbeeld in een werk als De intrede van Christus in Brussel – de angst van de bourgeoisie voor de massa verbeeldt. Het unieke aan Spilliaerts Leopold II is de directheid van de politieke uitspraak en de uiterste precisie waarmee hij zijn ‘doelwit’ heeft gekozen. Spilliaert zal altijd een ‘kleine meester’ blijven omdat hij ‘slechts’ op papier heeft gewerkt, maar voor mij vormt hij een essentiële schakel in het verhaal van de Belgische kunst.

K.B./D.P.: Je zou de manier waarop jij Spilliaert tussen Ensor en Magritte ‘invoegt’ als een impliciete kritiek kunnen zien op het klassieke verhaal over de Belgische kunst, dat steevast aan drie kunstenaars wordt opgehangen: Ensor, Magritte en Broodthaers. Dat verhaal heb je daarnaast echter ook in meer expliciete bewoordingen ter discussie gesteld. Als Juan Vicente Aliaga in een gesprek uit 1996 (Phaidon, 1996/2003) het belgicistische refreintje opdreunt – ‘even today most contemporary Belgian art is considered to somehow be related to the Surrealist tradition, the absurdity in Magritte, Marcel Mariën and Marcel Broodthaers’ – dien jij hem bars van antwoord: ‘I am fed up with associating Belgian art with Surrealism and the grotesque.’

L.T.: Het irriteerde mij mateloos dat Ensor, Magritte en Broodthaers steeds opnieuw om de verkeerde redenen als belangrijke Belgische kunstenaars naar voor werden geschoven. Ensor werd tot in den treure opgevoerd als ‘grootmeester van het groteske’ en ‘voorloper van het surrealisme’, terwijl hij volgens mij minstens ook een voorloper van het expressionisme is – eigenlijk is zijn oeuvre te complex en idiosyncratisch om bij één enkele beweging te worden ondergebracht. Magritte is in mijn ogen helemaal geen surrealist – althans niet in de strikte betekenis van het woord die André Breton eraan gaf, de goeroe van de surrealistische beweging in Frankrijk. Ik zie Magritte eerder als een ‘realist’; voor mij is hij in eerste instantie bezig met het verwerken en herschikken van de werkelijkheid.

K.B./D.P.: Je gaat in bovenvermeld gesprek nog verder en noemt René Magritte ‘een groter intellectueel’ dan Marcel Broodthaers. Dat is een bijzonder provocerende uitspraak.

L.T.: Het was zeker niet mijn bedoeling om Broodthaers als een oninteressant kunstenaar te bestempelen, maar het stoorde me dat de complexe relatie tussen Magritte en Broodthaers, en de talloze verschillen tussen hun oeuvres nooit aan bod komen. Magritte was als reclameschilder opgeleid, Broodthaers beoefende de dichtkunst, wat impliceert dat hij een andere opvatting had over de taal. In het werk van Magritte staat de bevraging van de werkelijkheid centraal; Broodthaers integreert de beeldtaal van Magritte in een gesloten systeem, een ‘artistiek universum’. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Broodthaers de – tweedimensionale – beeldtaal van Magritte heeft gefetisjeerd door ze in driedimensionale objecten om te zetten. Over dat soort cruciale verschillen wordt nooit gesproken omdat Magritte en Broodthaers in een stereotiep kunsthistorisch narratief worden ingepast. Voortdurend worden dezelfde clichés gespuid: het groteske, de surrealistische Belgische traditie… – clichés die tot overmaat van ramp een totaal aberrante visie op België in het leven hebben geroepen. België zou een ‘eigenaardig’, ja zelfs een ‘surrealistisch’ land zijn. Wat een onzin!

K.B./D.P.: Je zou evenwel ook vragen kunnen stellen bij een aantal alternatieve opvattingen die jij met betrekking tot de Belgische kunst formuleert. De idee om Ensor als een expressionist te beschouwen, herinnert bijvoorbeeld aan een ouder – ‘Vlaamsvoelend’ – discours waarin Ensor als voorvader van een authentiek en in de Vlaamse bodem geworteld Vlaams expressionisme wordt ingezet.

L.T.: Ik vind het geen probleem om dat soort lokale verbanden te leggen, zolang het maar niet in een regressieve verheerlijking van het lokale uitmondt en je tegelijk ook aandacht voor bovenlokale verbanden hebt – wat in het discours waarop jullie alluderen natuurlijk niet het geval is. Om een voorbeeld van die internationaliteit te geven: ik vind het interessant dat het werk van Permeke en Gustave De Smet óók overeenkomsten vertoont met veel kunst uit de beginperiode van de Russische avant-garde. Lokale referenties zijn niet per se kleingeestig zolang je ze óók binnen een ruimere context plaatst.

K.B./D.P.: Een nog krassere uitspraak wordt door Jean-Paul Jungo (in Luc Tuymans, Doué pour la peinture. Conversations avec Jean-Paul Jungo, Genève, Mamco, 2006) aan jou toegeschreven: ‘Tuymans revendique une filiation directe avec la grande époque de la peinture primitive flamande, particulièrement avec Jan Van Eyck dont il se déclare l’héritier.’ Zie jij je echt als een erfgenaam van de Vlaamse primitieven?

L.T.: Die uitspraak was bedoeld als een provocatie, maar dat neemt niet weg dat ik een enorme bewondering koester voor Jan Van Eyck. Tot op de dag van vandaag ben ik haast getraumatiseerd door de perfectie van zijn werk. Het zelfbewustzijn dat eruit spreekt, is fenomenaal. Van Eyck werkte in een tijd die nog volledig door christelijke dogma’s werd beheerst. Toch weerhield dat er hem niet van om zich in verregaande mate van de christelijke iconografie los te maken en het beeld door een drastische verhoging van zijn werkelijkheidsgehalte naar de wereld te openen. Hij demonstreert dat zelfbewuste in het bijzonder in het huwelijksportret van de Arnolfini’s, dat zich nu in de Londense National Gallery bevindt: achteraan zie je een bolle spiegel waarin de kunstenaar zichzelf heeft afgebeeld, nadat hij de kamer is binnengetreden en aldus getuige is van het moment waarop het huwelijk voltrokken wordt. Je houdt het niet voor mogelijk dat een kunstenaar in die tijd tot zo’n ‘conceptuele’ benadering van het kunstwerk in staat was.

K.B./D.P.: De meest schokkende uitspraak – temeer omdat ze op het eerste zicht niet provocerend bedoeld lijkt – valt eveneens in het boekje van Jean-Paul Jungo: ‘Je suis né dans un pays ou la peinture fait presque partie du code génétique.’

L.T.: Tja, als inwoner van een klein land heb je soms de neiging om wat fel van je af te bijten… maar eigenlijk sta ik nog altijd achter wat ik toen gezegd heb. Ik ben de mening toegedaan dat in onze gewesten een zintuiglijke beeldcultuur gestalte heeft gekregen. Voor een groot deel heeft dat allicht met het katholieke geloof te maken. De dominantie van het katholicisme in de 17e eeuw heeft er in combinatie met het kosmopolitisme en de geopolitieke situatie – omdat we met Antwerpen over de grootste haven van de toenmalige wereld beschikten – voor gezorgd dat er zich een intuïtieve en haast viscerale sensibiliteit voor het beeld heeft ontwikkeld. Anders dan in Nederland wordt het beeld bij ons eerder ervaren dan bevraagd.

K.B./D.P.: Dat soort essentialistische uitspraken zijn toch even problematisch als het belgicistische refreintje dat alle Belgische kunstenaars tot de kinderen van Ensor, Magritte en Broodthaers bestempelt?

L.T.: Zulke statements zijn enkel onverdedigbaar als ze tot ultieme en absolute waarheden worden verheven, wat allerminst mijn bedoeling is. Ik geloof dat er verschillende visies op een onderwerp als de Belgische kunst mogelijk zijn en in interviews doe ik suggesties om de starre beeldvorming over de Belgische kunst open te breken. Je moet die uitspraken zien als een uitnodiging voor verder onderzoek.

K.B./D.P.: Gebeurt dat ook? Worden zulke hypotheses onderzocht?

L.T.: Ik denk dat hier en daar aanzetten zichtbaar zijn, maar het probleem is dat de meeste ‘vakspecialisten’ kiezen voor vereenvoudiging in plaats van complexiteit. Dat is uiteraard link, want dan komen we in een identiteitsdiscours terecht en dat vind ik – zeker als het over cultuur gaat – bijzonder gevaarlijk.

K.B./D.P.: Is jouw werk reeds binnen een dergelijk identiteitsdiscours gebruikt?

L.T.: Natuurlijk. Als je in gereputeerde buitenlandse instellingen tentoonstelt, word je van tijd tot tijd geconfronteerd met Belgische ambassadeurs of vertegenwoordigers van de Vlaamse regering die je werk als een exportproduct van hun land of regio behandelen. Vorig jaar nog werd mijn werk tijdens de opening van mijn tentoonstelling in de Menil Collection (Houston, 2013-2014) aangeprezen alsof het zich in niets onderscheidde van het bier dat de vertegenwoordiging van de Vlaamse regering had meegebracht. Maar doorgaans valt het wel mee.

K.B./D.P.: Wat was de ergste ervaring die je op dat vlak hebt meegemaakt?

L.T.: Die betrof zonder twijfel de tentoonstelling Fascinerende facetten van Vlaanderen. Over kunst en samenleving, georganiseerd in het Centro Cultural de Belém te Lissabon in het kader van de 1998 Lisbon World Exposition, de Expo ‘98. In plaats van een klassieke presentatie wilde de Vlaamse Gemeenschap met een kunsttentoonstelling uitpakken, die samengesteld werd door Barbara Vanderlinden. Op de opening liet de Vlaamse vertegenwoordiging onder leiding van de toenmalige Minister-President Luc Van den Brande en Minister van Cultuur Luc Martens een standaard met een Vlaamse Leeuw aanrukken. Samen met Raoul De Keyser, die eveneens aan de tentoonstelling deelnam, ben ik toen gedegouteerd weggelopen. We voelden ons zonder meer misbruikt.

K.B./D.P.: Is het al gebeurd dat jouw werk in een Vlaamse genealogie werd ingepast?

L.T.: Eén keer heeft het niet veel gescheeld. Willy Van den Bussche liep namelijk ooit met het idee rond om een tentoonstelling Ensor-Spilliaert-Tuymans te maken. Gelukkig is daar niets van in huis gekomen. 

K.B./D.P.: Omdat jij het hebt tegengehouden?

L.T.: Dat bleek niet nodig. Het plan stierf een stille dood. Ik wil geen kwaad woord zeggen over Willy Van den Bussche – ik heb namelijk mijn eerste museumtentoonstelling aan hem te danken – maar ik vind het een onzalig idee om kunstenaars louter op grond van de regio waarin ze werkzaam zijn op één lijn te stellen. In 2010, toen een werk van mij bij het MAS werd ingewijd – Dead Skull, een grote mozaïek – werd ik door de Antwerpse Schepen van Cultuur Philip Heylen in een ‘Antwerpse traditie’ gesitueerd die tot Rubens terugging. Het is totaal belachelijk en bovendien gevaarlijk om op die manier met het begrip traditie om te gaan. Alles wordt in lineaire schema’s en starre categorieën gepropt… maar wat mij het meest verontrust, is dat traditie met oorsprong wordt verward.

K.B./D.P.: Omdat ze dan gezien wordt als een ‘grond’ waarin we ‘geworteld’ zijn en steeds naar kunnen terugkeren?

L.T.: Ja. Alleen al de structuur van onze herinnering, die uit louter brokstukken bestaat, maakt het onmogelijk om bij een oorsprong aan te knopen. Volgens mij kom je automatisch in vormen van pseudoreligie of bijgeloof terecht als je het tegendeel gelooft.

K.B./D.P.: En als je ’traditie’ definieert als de artistieke taal die je als kunstenaar erft zonder dat ze jou toebehoort of een grond verschaft?

L.T.: Met die omschrijving zou ik kunnen leven. In dat geval ga je er immers van uit dat de traditie voortdurend bevraagd of onderzocht kan worden. Ik ontken bijvoorbeeld niet dat mijn werk past in de geschiedenis van het ‘westers beelddenken’. Ik kan me daar onmogelijk van losmaken. Maar het is dan wel belangrijk om te beseffen dat die traditie niet bij de landsgrenzen ophoudt. Je kan cultuur niet tot het lokale terugschroeven. Het is niet Antwerpen dat Rubens groot heeft gemaakt – het omgekeerde is veeleer het geval. 

 

4. Heimat

K.B./D.P.: In 1995 kaartte je met de tentoonstelling Heimat in de Zeno X Gallery (Antwerpen) het thema van het Vlaams-nationalisme aan. Waarom?  

L.T.: Omdat mijn ‘buikgevoel’ me zei dat ik dat moest doen. Ik heb Heimat uit walging voor mijn eigen stad gemaakt, waar een op drie kiezers in 1994 op het extreemrechtse, oerconservatieve, separatistische en racistische Vlaams Blok had gestemd. Ik schaamde me dat ik Antwerpenaar was! Ik verafschuwde de ranzigheid die met het succes van het Vlaams Blok tot uiting kwam, en die volgens mij trouwens nog altijd niet verdwenen is.

K.B./D.P.: De opmars van het Vlaams Blok was voordien al begonnen. Op 24 november 1991 – ‘Zwarte Zondag’ – had de extreemrechtse partij in Antwerpen een monsterscore behaald. Waarom had je toen niet reeds uiting gegeven aan je ongenoegen?

L.T.: Omdat ik allerminst een ambulance chaser wil zijn. Er moest enige tijd overheen gaan vooraleer ik tot een zinvolle artistieke uitspraak kon komen. Zwarte Zondag markeerde de doorbraak van het Vlaams Blok, dat klopt, maar de verkiezingen van 1994 toonden aan dat de partij geen eendagsvlieg was – in tegenstelling tot wat velen gedacht hadden. Dat tweede feit maakte het des te relevanter om het thema op de agenda te zetten.

K.B./D.P.: Heimat omvat onder meer een aantal werken waarin ‘iconische’ motieven van het Vlaams-nationalisme aan bod gebracht worden: The Flag, Flemish Village, Yser Tower en A Flemish Intellectual. Waarom ging je keuze precies naar die beelden uit?

L.T.: Omwille van het oubollige, ja regressieve karakter van die beelden. Ik had ook een portret van de Antwerpse Vlaams Blokkopman Filip Dewinter kunnen schilderen, maar dat vond ik te voor de hand liggend. In plaats daarvan leek het me veel spannender om motieven te kiezen waarvan niemand het in zijn hoofd zou halen om ze op doek te brengen. Je kan je toch niet voorstellen dat iemand op het idee zou zijn gekomen om de Vlaamse Leeuw te schilderen? Precies die onmogelijkheid leek me uitdagend. De IJzertoren koos ik omdat het een besmuikt Vlaams symbool is. De toren werd in 1930 opgericht als een pacifistisch monument om de Vlaamse gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog te herdenken, maar groeide tijdens de jaren dertig uit tot de ontmoetingsplaats van de Vlaamse aanhangers van de Nieuwe Orde, die collaboreerden met nazi-Duitsland. De heimatschrijver Claes, die ik portretteerde, was trouwens een van de aanhangers van het Vlaams Nationaal Verbond. Flemish Village ten slotte vormde mijn reactie op een paar Vlaams Blokkers die mij ervan beschuldigden dat ik kunst maakte die louter voor ‘enkelingen’ en niet voor iedereen was bedoeld. Als repliek besloot ik de Vlaamse idylle bij uitstek te schilderen: het Vlaamse dorp met kerktoren.

K.B./D.P.: Flemish Village kan je niet alleen met de Vlaams-nationalistische ideologie, maar ook met de Vlaamse kunstgeschiedenis verbinden. Het schilderij doet onder meer denken aan de animistische kunst uit de jaren 30 van War Van Overstraeten en consoorten: schilderijtjes die vredige stilte en warme harmonie willen oproepen, maar door hun uitgeteerde koloriet soms in het tegendeel kantelen.

L.T.: Voor mij is belangrijk dat het beeld er totaal ongeloofwaardig en niet levensvatbaar uitziet. Je moet voelen dat die dorpsidylle niets met het echte leven te maken heeft. Om dat gevoel over te brengen heb ik me op vroege kleurreproductietechnieken geïnspireerd, waarbij verschillende kleuren over elkaar worden gedrukt, wat een weeïg en onecht effect oplevert. Ook het licht is compleet onnatuurlijk. Het verfoppervlak is bovendien gecraqueleerd. Het is alsof het van binnenuit aan het afbrokkelen is. Het beeld krijgt daardoor iets necrofiels.

K.B./D.P.: Kan je toelichting geven bij de formele keuzes die je maakte in The Flag, Yser Tower en A Flemish Intellectual?

L.T.: De vlag hangt er als een vod bij en is in een waas gehuld. In plaats van donker zwart en fel geel heb ik fletse kleuren gebruikt. De IJzertoren is niet als een monumentale constructie, maar als een wegdeemsterend silhouet afgebeeld. De toren zit bovendien geprangd tussen twee gele kleurbanen en is omgeven door een bruinige kleur die aan militaire uniformen doet denken. Het beeld van Ernest Claes is totaal uitgehold. De ogen van de geportretteerde zijn onzichtbaar, ze zitten achter witte brillenglazen verstopt; de kop is een onwerkelijke karikatuur. Ik heb al die motieven op zo’n manier geschilderd dat je hun holheid en leegheid voelt.

K.B./D.P.: In de vijf andere werken van de Heimat-reeks – Bossom, Fingers, Home Sweet Home, Resentment en Heimat (Television) – heb je je niet van iconische motieven bediend. Je kan die beelden nauwelijks met het Vlaams-nationalisme associëren.

L.T.: Die werken betreffen gevoelens en ideeën die de voedingsbodem vormen voor een nationalistische ideologie. In Bossom heb ik de torso van een zwangere vrouw geschilderd die een Dirndl draagt, de folkloristische Beierse klederdracht. Het ging me om de ‘katholieke’ topos van de ‘vrouw als oorsprong van het leven’ – een allusie op de sterke katholieke onderstroom die binnen de Vlaamse beweging bestond – maar ook het infantiele van het beeld was belangrijk; de vormen en de rozige en witte tinten doen aan slabbetjes en babybillen denken. De bleke schaduw van een sfeerlamp, die op een tafel staat, vormt het onderwerp van Home sweet home; het ging me in dat doek om het ambigue verlangen om ‘thuis’ te zijn. Heimat (Television) gaat terug op mijn herinneringen aan de beruchte documentairereeks van Maurice De Wilde over het Belgische collaboratieverleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Mij waren de talloze door De Wilde geïnterviewde vrouwen met brillen met zware monturen en dikke glazen bijgebleven, terwijl je achter hen op de schouw steevast een keramisch schildje met een Vlaamse leeuw zag staan… In Fingers – een gigantische close-up van twee vingers – was het me te doen om het akelige gevoel van nabijheid. In Resentment ten slotte focuste ik op het gezicht van een man met vage gelaatstrekken en een indringende blik, dat achter een kabbelend wateroppervlak opdoemt: een beeld dat bol staat van pathos en valse heroïek.

K.B./D.P.: Enerzijds gebruik je dus belegen beelden die onlosmakelijk met het Vlaams-nationalisme verbonden zijn, anderzijds bestaat Heimat uit werken die weliswaar als een metacommentaar op het Vlaams-nationalisme kunnen worden begrepen, maar door hun openheid en ambiguïteit ook een andere lectuur mogelijk maken. Heb je ooit overwogen om die open benadering in de volledige reeks voor te staan?

L.T.: Neen, want ik vond dat ik er niet onderuit kon om een beeldende omgang te ontwikkelen met die holle en gedateerde iconen – de Vlaamse vlag, de IJzertoren en het Vlaams dorp. Evident was die stap niet; ik heb er lang over gedaan vooraleer ik dat aandurfde – net zoals ik in het begin van mijn kunstenaarschap een hele poos het onderwerp van de Tweede Wereldoorlog in het vizier had genomen alvorens ik tot werken als Our New Quarters (1986), Schwarzheide (1986) en Gaskamer (1986) kon komen.

 

5. De ontvangst van Heimat

K.B./D.P.: Reeds in het jaar dat ze voor het eerst tentoongesteld werden, 1995, werden Flemish Village en Yser Tower aangekocht door de Vlaamse Gemeenschap. Hoe schat jij de betekenis van die aankoop in?

L.T.: Om eerlijk te zijn: niet zo positief.

K.B./D.P.: Waarom niet?

L.T.: Omdat ik weet wat er vervolgens met die werken gebeurd is – of althans met een ervan, Flemish Village. Dat schilderij heeft onder meer in het bureau van Bert Anciaux gehangen toen die van 1999 tot 2002 namens VU&ID21 – het samenwerkingsverband van de Volksunie met Anciaux’ vernieuwingsbeweging ID21 – Vlaams Minister van Cultuur was. Nadien is het terechtgekomen in de Belgische ambassade in Berlijn. Ik vind dat merkwaardig.

K.B./D.P.: Waarom?

L.T.: Als een werk in het kantoor van de Minister hangt, kan slechts een kleine schare partijgetrouwen het werk zien. Het was mijns inziens een poging om het werk te neutraliseren.

K.B./D.P.: Anciaux was zich inderdaad bewust van wat er in Heimat op het spel stond, getuige het volgende citaat uit zijn inleiding in de catalogus van Mwana Kitoko, jouw tentoonstelling in het Belgische paviljoen tijdens de Biënnale van Venetië in 2001: ‘Tuymans heeft ooit de IJzertoren geschilderd, en een Vlaams dorp, dat weet ik en als ik me niet vergis ook nog Vlaamse koppen. De geschilderde IJzertoren heeft de Vlaamse Gemeenschap gekocht, de echte subsidieer ik als cultureel erfgoed waaraan we in het heden nieuwe invalshoeken willen geven.’ Het citaat geeft in onmiskenbare bewoordingen het spanningsveld weer dat Heimat oproept.

L.T.: De spanning was in elk geval te snijden tijdens de opening van de Biënnale. Ik heb toen geïnsisteerd dat er naast een Vlaamse ook een Belgische vlag op het paviljoen zou worden gehesen. Daar was Anciaux duidelijk niet mee opgezet.  

K.B./D.P.: Anciaux blijkt niet alleen gevoelig voor de kritische inzet van Heimat, zijn omgang met jouw werk is in feite agressief. Terwijl jij de IJzertoren schildert om de extreem problematische lading van dat bouwwerk aan te kaarten, geeft de Minister laconiek te kennen dat hij dat monument ‘subsidieert’. Als provocatie kan dat tellen.

L.T.: Het was niet de enige vorm van agressie die me in die tijd te beurt viel. Ik ben bijvoorbeeld ook op nachtelijke scheldtelefoons van Vlaams-Blokkers getrakteerd.

K.B./D.P.: Eigenlijk kan je dus stellen dat de Vlaams-nationalisten jouw Heimat-reeks het best begrepen hebben.

L.T.: Absoluut. Natuurlijk was het de bedoeling dat zij zich zouden aangesproken voelen. Ik heb die reacties uitgelokt en vervolgens heb ik ze ook gekregen. Voor mij bewijst het dat mijn strategie gewerkt heeft.

K.B./D.P.: Flemish Village en Yser Tower zijn inmiddels door de Vlaamse Gemeenschap in bruikleen gegeven aan het M HKA. Hoe functioneren die beelden als ze los van de reeks worden gepresenteerd?

L.T.: Het is goed dat het M HKA twee werken uit de reeks kan tonen, maar het is spijtig dat het twee schilderijen zijn waarin manifest wordt verwezen naar het Vlaams-nationalisme. Het Musée des Beaux-Arts in Nantes — waar de reeks Heimat na de eerste presentatie in Zeno X Gallery in Antwerpen getoond werd – heeft wat dat betreft een interessantere keuze gemaakt door A Flemish Intellectual – het portret van Ernest Claes – en Fingers te verwerven.

K.B./D.P.: Is het niet vreemd dat het portret van Ernest Claes door een Frans museum is aangekocht? Weet iemand in Frankrijk wie Ernest Claes was?

L.T.: Niemand! Haast iedereen denkt dat het om Sigmund Freud gaat als ik A Flemish Intellectual in het buitenland toon, maar ik struikel daar niet over. Voor mij gaat het erom dat beide werken een krachtig en betekenisvol duo vormen. In mijn tentoonstelling in de Menil Collection heb ik ze dan ook opnieuw naast elkaar gepresenteerd. In mijn solotentoonstelling in Haus der Kunst (München, 2008) heb ik The Flag met Resentment gecombineerd, en er enkele schilderijen naast gehangen die geen deel uitmaakten van Heimat. Ik vind het soms zinvol om werken van een andere context te voorzien.

K.B./D.P.: Je zou er echter ook naar kunnen streven om de reeks in zijn geheel samen te houden.

L.T.: Dat heb ik bewust nooit willen doen. Ik vind het onzinnig om te eisen dat mijn reeksen samenblijven. Hoe meer ze over de globe verspreid zijn, hoe liever ik het heb… maar ik moet er wel meteen bij zeggen waarom ik er zo over denk: ik vind het namelijk belangrijk dat men uitgedaagd wordt om de reeks opnieuw samen te brengen. Ik begrijp niet dat het M HKA nooit een poging heeft ondernomen om de Heimat-reeks opnieuw in zijn geheel te presenteren.

K.B./D.P.: Op de site van het M HKA wordt de reeks als volgt toegelicht: ‘Vlaams dorp kadert in de Heimat-serie uit 1995, waarin Tuymans naast een oervlaams dorp ook de IJzertoren en de Vlaamse leeuw afbeeldt.’ De schilderijen zonder Vlaams-nationalistische iconen blijven onvermeld.

L.T.: Dat is typisch. Men onthoudt enkel de spectaculaire highlights van een tentoonstelling. De werken die gebaseerd zijn op de Vlaams-nationalistische iconen hebben de gemoederen het meest verhit en zijn dus in eenieders geheugen gegrift. De rest wordt vergeten. Dat betreur ik.

K.B./D.P.: Op de betreffende webpagina van het M HKA valt nog iets anders op: de titels worden – anders dan in alle andere catalogi, incluis de eentalig Franse publicatie van het Musée des Beaux-Arts te Nantes – in het Nederlands gespeld: Vlaams dorp en IJzertoren.

L.T.: Dat weet ik. Ik heb de indruk dat er een nieuwe wind waait in het M HKA. Dat de titels van mijn werken nu plots per se in het Nederlands moeten, lijkt me een teken aan de wand.

K.B./D.P.: Hoe ga jij daarmee om? Heb je daar tegen geprotesteerd?

L.T.: Neen, want ik kan me niet met alles bezighouden, maar het spreekt vanzelf dat dit voor mij niet door de beugel kan. Men mag best een vertaling toevoegen, maar de originele titels moeten gerespecteerd worden – en die luiden tot nader order Flemish Village en Yser Tower.

 

6. N-VA

K.B./D.P.: Jij hebt je in het verleden verschillende keren ongezouten over het Vlaams-nationalisme uitgelaten. Dat deed je doorgaans iets minder genuanceerd dan in je beeldend werk.

L.T.: Je moet mijn persoonlijke opinies en mijn werk van elkaar onderscheiden. Ik ben mijn werk niet. Ik hoop dat mijn werk iets helderder is dan ikzelf.

K.B./D.P.: Als in het gesprek met Juan Vicente Aliaga de Heimat-reeks ter sprake komt, zeg je bijvoorbeeld: ‘Fascism also has a cultural basis. It goes beyond politics, because politics is about compromises, about life. Nationalism is uncompromising.’ Je gebruikt er fascisme en nationalisme haast als synoniemen. Is zulke stelling verdedigbaar?

L.T.: Ik doe af en toe een impulsieve uitspraak in een interview. Het probleem is dat veel journalisten enkel dat soort uitspraken afdrukken.

K.B./D.P.: Recenter heb je verschillende keren in dezelfde zin naar de N-VA uitgehaald. Zijn dat soort uitlatingen niet contraproductief?

L.T.: Dat zijn ze vast en zeker.

K.B./D.P.: Waarom doe je dat dan?

L.T.: Omdat ik het niet kan laten! Ik word af en toe door journalisten opgebeld om mijn mening te ventileren – bijvoorbeeld over de N-VA – en wie mijn mening vraagt, kan ze krijgen. Het is gewoon sterker dan mezelf. Eén keer – tijdens de perscampagne naar aanleiding van mijn tentoonstelling in Bozar te Brussel (2011) – heb ik zelf een aantal journalisten gecontacteerd omdat ik vond dat er dringend klare wijn over de N-VA moest worden geschonken. Ik vind namelijk dat die partij doelbewust verwarring sticht.

K.B./D.P.: In welke zin?

L.T.: De N-VA stelt een zogenaamde ‘verandering’ in het vooruitzicht, maar ze verzuimt erbij te vertellen wat de inhoud daarvan is en wat de gevolgen ervan zullen zijn. Volgens mij komen de voorstellen van de N-VA op een rechtse omwenteling neer, eerder op een vernauwing dan op een verandering. Ik heb dat in gesprekken met journalisten al meermaals uitgebreid toegelicht, maar jammer genoeg wordt mijn betoog steevast tot spectaculaire oneliners gereduceerd. 

K.B./D.P.: Waaraan lees jij die rechtse omwenteling af?

L.T.: De N-VA staat een neoliberale politiek voor, die tot de ontmanteling van de sociale zekerheid kan leiden. Dat is niet het enige wat me stoort. Ik vind het bijvoorbeeld vreselijk dat de N-VA armoede als een ziekte bestempelt. Of neem de manier waarop de N-VA met migranten omgaat. De Antwerpse N-VA-Schepen voor Sociale Zaken, Wonen, Diversiteit en Inburgering Liesbeth Homans besliste om 250 euro inschrijvingsgeld te vragen aan mensen die zich aan het Antwerpse vreemdelingenloket willen inschrijven, terwijl dat regelrecht tegen de Europese wetgeving ingaat. Alleen al het politieke dilemma dat aan zo’n maatregel ten grondslag ligt – welk soort vreemdeling willen we, een bemiddelde of een onbemiddelde? – vind ik gruwelijk. Of herinner je hoe de immer mager wordende leider van de N-VA – in zijn hoedanigheid als Burgemeester van Antwerpen – de Antwerpse procureur Herman Dams bijtrad. Dams had voorgesteld om mensen aan te sporen hun buren te verklikken als blijkt dat zij zich verplaatsen in een wagen die ze niet kunnen betalen – want dat betekent meer dan waarschijnlijk dat het om drugsdealers gaat. Dat vond De Wever een prima idee! In wat voor een samenleving komen we terecht als dat soort praktijken wordt gepropageerd? Om nog te zwijgen van de systematische manier waarop de N-VA Wallonië stigmatiseert. Kennen we dat zondebokmechanisme niet al langer? Is dat geen oud politiek model?

K.B./D.P.: Hoe kijk jij aan tegen de migratie van het kiezerspotentieel van het Vlaams Belang naar de N-VA?

L.T.: Heel somber. Mij ga je immers niet wijsmaken dat die kiezers plots een ander stel hersenen hebben gekregen. Ik heb er als een van de eersten voor gewaarschuwd dat de N-VA erger is dan het Vlaams Belang. De voormalige burgemeester van Antwerpen Patrick Janssens kwam na zijn verkiezingsnederlaag in 2012 voor de camera’s vertellen dat mijnheer De Wever het Vlaams nationalisme een democratisch gelaat heeft gegeven. Hij bedoelde dat positief. Het is een mening die ik allerminst deel. 

K.B./D.P.: Je kan toch niet ontkennen dat er verschillen zijn tussen het Vlaams Belang en de N-VA?

L.T.: Die verschillen zijn er zeker, maar ik vind het belangrijk om ook de verontrustende gelijkenissen tussen het discours van de N-VA en dat van het Vlaams Belang of andere extreemrechtse bewegingen uit het verleden te onderstrepen. Dat niet enkel ik die mening toegedaan ben, mag trouwens blijken uit de massale overstap van Vlaams Belangmandatarissen naar de N-VA! De N-VA schermt voortdurend met noties als ‘gemeenschapszin’ en ‘lotsbestemming’. Wat gebeurt er als je dat soort concepten in beleid wil omzetten? Mijns inziens krijgen ze bij uitstek een politieke vertaling op het culturele en linguïstische terrein: één cultuur, één taal. Dat is wellicht een van de redenen waarom de N-VA overhoop ligt met de culturele sector, die zich daar totaal niet in herkent. Voor sommigen klinken termen als ‘gemeenschapszin’ en ‘lotsbestemming’ misschien acceptabel, mij herinneren ze aan politieke denkbeelden die me koude rillingen bezorgen.

 

Transcriptie: Wim Lievens

Redactie: Dirk Pültau

Van Jeugd en Plastische Kunst naar de Forums: hedendaagse kunst in Gent (in de jaren 60)

1. Jeugd en Plastische Kunst

Koen Brams/Dirk Pültau: Marc, jij werd in 1961 — op 31-jarige leeftijd — voorzitter van Jeugd en Plastische Kunst in Gent. Hoe was die benoeming tot stand gekomen?

Marc De Cock: Voorzitter ben ik in feite nooit geweest, die titel heb ik met terugwerkende kracht gekregen, vermoed ik. In de eerste jaren bestuurde ik Jeugd en Plastische Kunst trouwens niet alleen — ik deed het samen met mijn vrouw Doris, een oud-studente van Dan Van Severen en Luc Claus. Hoe was men bij ons uitgekomen? Mijn vrouw gaf les in de school waarvan de directie werd waargenomen door dokter Hilda Colle, de vrouw van dokter Roger Matthys, bestuurder van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent (V.M.H.K.). Zelf had ik in de zomer van 1960 een bezoek gebracht aan de tentoonstelling Contrast, Belgische kunst van heden, die Karel Geirlandt in het Casino van Blankenberge had georganiseerd. Ik denk dat ik omstreeks die tijd voor het eerst in contact kwam met Karel, die voorzitter was van de V.M.H.K. In 1961 vielen de puzzelstukjes samen: Matthys en Geirlandt benaderden Doris en mij om leiding te geven aan Jeugd en Plastische Kunst. Het feit dat ik ook leraar was, zal daar niet vreemd aan zijn geweest — ik was in 1952 afgestudeerd als licentiaat Romaanse talen en had eerst een tiental jaren in de normaalschool van Blankenberge lesgegeven alvorens in het Atheneum aan de Voskenslaan in Gent aan de slag te gaan.

K.B./D.P.: Was jij al vóór 1960 met hedendaagse kunst in aanraking gekomen?

M.D.C.: Ja, reeds als adolescent had ik veel interesse in kunst en cultuur: ik las veel, ging vaak naar de bioscoop en bezocht tentoonstellingen in musea en galeries. De Gentse Galerie Vyncke-Van Eyck volgde ik bijvoorbeeld op de voet.

K.B./D.P.: Was jij op enige wijze betrokken geweest bij de oprichting van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent in 1957?

M.D.C.: Nee, dat kwam te vroeg voor mij. Tussen 1957 en 1961 heb ik het programma van de Vereniging ook niet gevolgd. Volgens mij ontplooide de V.M.H.K. in die tijd ook niet heel veel activiteiten. Het was de tentoonstelling Contrast in Blankenberge die me echt de ogen geopend had. Vanaf dat moment droeg vooral de beeldende kunst mijn interesse weg. Toen ik eenmaal in contact was gekomen met Geirlandt en Matthys ging het vlug. Zij waren van mening dat er een Vlaamse vleugel van Jeunesse et Arts Plastiques moest worden opgericht. De in Brussel gevestigde vereniging verzorgde immers een eentalig Frans programma. In het Kortrijkse was eerder al door Emiel Veranneman en Octave Landuyt een poging ondernomen om een Vlaamse afdeling uit de grond te stampen, maar dat initiatief is snel doodgebloed. In Gent was het echter meteen raak, vooral dankzij de groeiende dynamiek die van de V.M.H.K. uitging. Doris en ik hadden tijd en belangstelling om jongeren warm te maken voor hedendaagse kunst. Dat was de belangrijkste doelstelling van Jeugd en Plastische Kunst.

K.B./D.P.: Wat was de relatie tussen de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst en Jeugd en Plastische Kunst?

M.D.C.: In het begin waren het twee aparte entiteiten, maar gaandeweg vielen beide meer met elkaar samen. Het feit dat er nooit een aparte vzw is gesticht voor Jeugd en Plastische Kunst was daar een van de oorzaken van. Ik was zelf ook meteen lid van de Vereniging geworden. De ledenadministraties zijn wel steeds gescheiden gebleven en elke vereniging had eigen briefpapier. Op dat van Jeugd en Plastische Kunst stond mijn persoonlijk adres in de Voskenslaan.

K.B./D.P.: Volgens onze gegevens had Jeugd en Plastische Kunst na het eerste werkjaar reeds 650 leden.

M.D.C.: Het liep ontzettend vlot, vooral als we de juiste contactpersonen in colleges en athenea gevonden hadden — de leraren zelf waren belangrijk, niet de directies, want die waren meestal niet in hedendaagse kunst geïnteresseerd. We rekruteerden trouwens ook leden in Sint-Lucas en in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.).

K.B./D.P.: Benaderden jullie vooral leraren die het vak plastische kunst verzorgden?

M.D.C.: Neen, dat kon bijzonder ongunstig uitpakken. De praktijkleraren waren vaak conservatiever en stonden veel sceptischer tegenover hedendaagse kunst. We gingen vooral op zoek naar leerkrachten die reeds affiniteit hadden met actuele kunst. Als iemand enthousiast was, ging het aantal leden in zijn of haar school pijlsnel de hoogte in.

K.B./D.P.: Welke activiteiten initieerde Jeugd en Plastische Kunst?

M.D.C.: We richtten voornamelijk voordrachten in. Vele sprekers werden ons aangeboden door Jeunesse et Arts Plastiques. Pierre Sterckx, Henri Van Lier en Bob Claessens waren bijvoorbeeld regelmatig te gast in Gent. Het waren vlotte, enthousiasmerende sprekers die hun lezingen vergezeld lieten gaan van diabeelden. Ook Geirlandt hield gepassioneerde uiteenzettingen. Ik herinner me voorts een lezing van René Magritte, die ingeleid werd door Jan Walravens, en een voordracht van René Bolle-Reddat, die sprak over de Notre Dame du Haut, de kerk die Le Corbusier in Ronchamp (Franche-Comté) had gebouwd – Bolle-Reddat was priester van die kerk. De jeugd was meestal gedisciplineerd. Het was immers een vrijwillige activiteit, het ging niet van de school uit. Bijwijlen ging een en ander wel eens gepaard met wat rumoer, maar dat was niet te vergelijken met wat er soms gebeurde tijdens de theatermatinees die door de school werden georganiseerd. Dat was altijd gevaarlijk.

K.B./D.P.: Van Lier en Bolle-Reddat hielden lezingen in het Frans in Gent?

M.D.C.: Ja, dat vormde in die tijd geen enkel probleem. De circulaires van de V.M.H.K. waren in de begintijd trouwens tweetalig, Nederlands-Frans. Er zaten ten andere enkele Franstaligen bij de stichtende leden van de V.M.H.K., onder meer de kunstenaar Philippe Morel de Boucle St. Denis, die later zijn atelier en inboedel zou schenken aan de Vereniging. Er was ook een goede verstandhouding met de Cercle artistique et littéraire, die activiteiten op touw zette in haar zetel aan de Recollettenlei, en met de Ecole des Hautes Etudes die in een gebouw aan de Korenlei gevestigd was. De Ecole des Hautes Etudes programmeerde onder andere voordrachten van gereputeerde sprekers zoals Henri Maldiney en Gaëtan Picon, twee uitmuntende causeurs. Ik meen dat Picon nog leiding heeft gegeven aan de Ecole des Hautes Etudes.

K.B./D.P.: Welke andere activiteiten programmeerde Jeugd en Plastische Kunst?

M.D.C.: We richtten ook daguitstappen in, bijvoorbeeld naar het Museum Kröller-Müller in Otterlo of het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik herinner me ook dat we bij de eerste voorstellingen van het Ballet van de XXste Eeuw, het dansgezelschap van Maurice Béjart, van de partij waren.

 

2. De Forummanifestaties 

K.B./D.P.: In 1961 vond in de Sint-Pietersabdij in Gent Forum 61 plaats. Het was de derde editie, na het Eerste en Tweede Forum, die telkens in Oostende hadden plaatsgegrepen, respectievelijk in 1959 en 1960. Had jij het Eerste of het Tweede Forum bijgewoond?

M.D.C.: Nee, maar Forum 61 heb ik wel bezocht. Wat me van die editie is bijgebleven, zijn de zogenaamde Forum-dagen, een tweedaagse met lezingen, met sprekers zoals Peter Callebaut, K.N. Elno, Adelbert Van de Walle en Paul De Wispelaere. Tijdens die dagen werden ook de zogenaamde signaalprijzen uitgereikt. Marc Callewaert werd in de bloemetjes gezet voor zijn activiteiten als kunstcriticus, Jef Verheyen kreeg als kunstenaar een onderscheiding, Celbeton werd bekroond in de categorie ‘groepsactiviteit’ en… Doris en ik kregen de signaalprijs voor de ‘jeugdwerking’, een aanmoediging voor onze werkzaamheden voor Jeugd en Plastische Kunst.

K.B./D.P.: Dat was snel: Jeugd en Plastische Kunst was nog maar pas opgericht!

M.D.C.: Ja, het was niemand ontgaan dat Jeugd en Plastische Kunst meteen een daverend succes was.

K.B./D.P.: Wat was het objectief van de Forum-manifestaties?

M.D.C.: Een aantal ‘progressieve verenigingen’, waaronder G 58 (Antwerpen), Celbeton (Dendermonde), Raaklijn (Brugge), de tijdschriften Het Kahier, De Tafelronde en Frontaal (Antwerpen), en de V.M.H.K. (Gent) — hadden de krachten gebundeld in het Nationaal Centrum voor Moderne Kunst. Paul De Vree was voorzitter, Jack Schelfhout secretaris van het Nationaal Centrum. Voorts zaten Karel Geirlandt (V.M.H.K.) en Paul De Wispelaere (Raaklijn) in het bestuur. De bedoeling van het Nationaal Centrum was om het grote publiek in contact te brengen met vooruitstrevende hedendaagse kunst. In 1959 en 1960 hadden in Oostende enkel colloquia plaatsgevonden, vanaf 1961 behelsden de Forums tevens een tentoonstelling in de Sint-Pietersabdij in Gent. Aan de eerste expositie namen enkel Belgische kunstenaars deel. Vanaf 1962, toen ik zelf betrokken was bij de organisatie van de Forum-manifestatie, werden ook buitenlandse kunstenaars uitgenodigd. Forum 62 omvatte een ruime selectie van werken van de zogenaamde Zero-groep, waartoe onder meer Pol Bury, Lucio Fontana, Yves Klein, Jesus Rafaël Soto, Jef Verheyen, Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker gerekend werden.

K.B./D.P.: Hoe was je bij Forum 62 betrokken geraakt?

M.D.C.: Geirlandt had grote waardering voor mijn rol als verantwoordelijke voor het programma van Jeugd en Plastische Kunst. Hij vroeg me vervolgens om ook hand- en spandiensten te leveren bij het op poten zetten van de Forum-tentoonstelling. Ik fungeerde aanvankelijk als zijn secretaris, zou je kunnen zeggen. Ik nam contact op met de kunstenaars die geselecteerd waren om te participeren aan de expositie. Soms moest ik ook de galeries benaderen die sommige van de kunstenaars vertegenwoordigden. Moeilijkheden waren er zelden; alles verliep in een goede verstandhouding. Het was geen enkel probleem om belangrijke werken van buitenlandse kunstenaars voor de expo te pakken te krijgen. Dat ging ook niet met enorme kosten gepaard. Voor de Zero-sectie bijvoorbeeld werkten we samen met John Trouillard van de Antwerpse galerie Ad Libitum.

K.B./D.P.: Stonden jullie, Geirlandt en jij, ook in voor het programma van de Forum-dagen?

M.D.C.: Nee, wij hielden ons enkel met de tentoonstelling bezig; de verantwoordelijkheid voor de lezingen berustte bij het Nationaal Centrum voor Moderne Kunst, waarin Geirlandt als bestuurder uiteraard wel zijn zeg had. In de editie van 1962 stond er slechts één forumdag op het programma. Die stond vooral in het teken van het theater en de literatuur, de twee domeinen die De Vree, De Wispelaere en Schelfhout het meest interesseerden.

K.B./D.P.: Was jij betrokken bij de selectie van de kunstenaars die deelnamen aan Forum 62?

M.D.C.: Neen. Ik was aanwezig bij de discussies, maar had geen stem bij de samenstelling van de Forum-edities van 1962 en 1963.

K.B./D.P.: Wie waren Geirlandts discussiepartners?

M.D.C.: Ik herinner me dat Jan Burssens en Roger Wittevrongel vaak te vinden waren in het advocatenkantoor dat Geirlandt samen met John Bultinck runde aan de IJzerlaan in Gent — Geirlandt procedeerde veel voor de Belgische Staat; Bultinck was een gereputeerd assisenpleiter. Sommige leden van de raad van bestuur van de V.M.H.K. liepen daar ook langs en gaven hun advies, onder meer Roger Matthys. Ik hing er vaak ’s avonds rond. Het was prettig om rechtstreeks met al die betrokkenen — kunstenaars en verzamelaars — in contact te komen. Alles werd daar in feite beslist.

K.B./D.P.: Welke kunstenaars volgde jij in die tijd, de periode rond 1961 en 1962?

M.D.C.: Kunstenaars als Paul Van Hoeydonck en Vic Gentils. Het grote debat in die dagen betrof de abstracte versus de figuratieve kunst. Conservatieven zoals Jos Murez en Achille Cavens, kunstcritici van respectievelijk De Vooruit en La Flandre Libérale, het Gentse Franstalige dagblad, verdedigden de figuratieve kunst. Geirlandt en co droegen daarentegen de abstracten een warm hart toe. Het debat verliep op het scherp van de snee. Het gebeurde al eens dat een voordracht brutaal verstoord werd door een oproerkraaier. Ik herinner me bijvoorbeeld een rel tussen Paul Van Hoeydonck, die het voor de abstracte kunst opnam, en de figuratieve schilder Camille D’Havé, die in iemand als Achiel Pauwels een medestander vond — Pauwels was als tekenleraar aan het K.A.S.K. verbonden. Ook naar aanleiding van Forum 62 ontstond er een dispuut. Joseph Verbrugghen, notaris van beroep en actief als secretaris van de Vereniging, had een uiterst giftig artikel over de Forum-tentoonstelling geschreven voor La Flandre Libérale. De raad van bestuur van de V.M.H.K. werd in spoedzitting samengeroepen en Verbrugghen werd uit zijn functie als secretaris ontzet. Het secretariaat werd voortaan waargenomen door Roger Matthys. Er hing voortdurend elektriciteit in de lucht. Je had echt het gevoel dat er iets op het spel stond.

K.B./D.P.: Hoe verliep de samenwerking met het Centrum voor Kunstambachten, dat toen in de Sint-Pietersabdij gevestigd was?

M.D.C.: Om te kunnen beschikken over de Sint-Pietersabdij moesten we in eerste instantie toestemming krijgen van de stad, maar dat liep eigenlijk van een leien dakje. Adelbert Van de Walle, die directeur was van het Centrum voor Kunstambachten, was een merkwaardig persoon, maar de samenwerking met hem verliep al bij al vlot. In feite rustte de volledige totstandkoming van de Forum-expo’s in onze handen. Het merendeel van het werk werd door vrijwilligers opgeknapt, zoals ik. Ik hield me met alles bezig, van het begin tot het einde, maar steeds in een eerder dienende rol.

K.B./D.P.: Stonden jullie ook in voor de ophanging van de werken?

M.D.C.: Nee, in de Sint-Pietersabdij werden de accrochages steeds verzorgd door twee kunstenaars, Jan Burssens en Pierre Vlerick. Met hen hadden we een goede relatie. Jan Burssens had mee aan de wieg gestaan van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent, samen met zijn broer Herman, die penningmeester was van de V.M.H.K. Met beiden, Jan en Herman, had ik al contact toen ik nog kind was. Mijn ouders woonden aan de Brusselsesteenweg in Gentbrugge, op een steenworp van het huis van de familie Burssens. Jan Burssens was in de jaren 60 een van de meest toonaangevende kunstenaars in het Gentse.

K.B./D.P.: Was Forum 62 een succes?

M.D.C.: Jazeker! We telden 9.000 bezoekers, een enorme opkomst.

K.B./D.P.: In 1963 stond de volgende Forum-manifestatie op het programma. Kreeg jouw rol een andere invulling dan het jaar voordien?

M.D.C.: Ik fungeerde nog altijd als assistent van Geirlandt, maar door mijn verregaande betrokkenheid bij en groeiende kennis van de hedendaagse kunst kreeg ik een bijkomende taak: ik werd — samen met Doris — verantwoordelijk voor de opvolging van de catalogus, inclusief de lay-out. Het was een zeer boeiende tijd. De kennissenkring van Geirlandt groeide gestaag. We reisden af en toe naar Parijs om contacten te leggen met kunstenaars, galeristen en kunstcritici. Ik herinner me gesprekken met Pierre Restany, de grote voorvechter van het Franse Nouveau Réalisme. Hij kwam vaak in Gent, bij Geirlandt, en werd een vriend des huizes. Restany was een uitbundige figuur en had een grote interesse in België; hij discussieerde heel graag over de ‘Belgische toestanden’, zoals de taalkwestie. Kunstenaars als Niki de Saint-Phalle en Arman reisden in zijn zog mee.

K.B./D.P.: Lag de focus van het Belgische kunstmilieu toen op de Franse kunstscene?

M.D.C.: Onze blik was inderdaad op Frankrijk gericht, meer dan op welk ander land. Forum 63 omvatte bijvoorbeeld een ruime keuze aan werken van de Nouveaux Réalistes, de Franse kunstenaars waarvoor Restany als spreekbuis optrad. Niet alleen Restany was trouwens een graag geziene gast in Gent, ook de Franse kunstcriticus Otto Hahn behoorde tot onze kennissenkring.

K.B./D.P.: Volgens onze gegevens werd in 1963 het Forumfonds opgericht. De stichters waren Karel Geirlandt, John Bultinck, Paul De Vree, Jean Dypréau, Roger Matthijs en Jack Schelfhout. Wat was het doel van het Forumfonds?

M.D.C.: Het Forumfonds bestond al eerder, maar nog niet als vereniging zonder winstoogmerk. In 1963 werd de vzw opgericht. Met het fonds werd de werving van financiële middelen voor de Forum-manifestaties beoogd. Niet alleen bedrijven werden genodigd om financieel bij te dragen, ook kunstenaars, verzamelaars en andere geïnteresseerden werden benaderd. John Bultinck was voorzitter van het Forumfonds. Bultinck was minder betrokken bij plastische kunst dan Geirlandt, maar hij heeft later ook zijn steentje bijgedragen, als lid van de raad van bestuur van de Vereniging en als voorzitter van de Toezichtscommissie van het Museum van Hedendaagse Kunst.

K.B./D.P.: Forum 63 was de laatste in zijn soort. In de inleiding van de catalogus van Forum 63 had Geirlandt geschreven: ‘Voor het bestendigen en uitbreiden der Forum-tentoonstellingen werd het Forumfonds v.z.w. gesticht. Het tracht de geldelijke middelen te verzamelen om Forum te laten uitgroeien tot een gebeurtenis met internationale weerklank, ten bate van de nationale kunst en de kunst in het algemeen. Van zijn succes hangt het lot van Forum af.’ Was Forum 63 de laatste expo van het Nationaal Centrum omdat aan Geirlandts oproep geen — of te weinig — gevolg werd gegeven?

M.D.C.: Over de precieze toedracht tast ik zelf in het duister. Ik was niet betrokken bij de vergaderingen van het Nationaal Centrum. Ik weet wel dat de Stad Gent na Forum 63 het voortouw nam om een prestigieuze tentoonstelling te organiseren in het Museum voor Schone Kunsten van Gent: Figuratie en defiguratie. De menselijke figuur sedert Picasso. Betekende het initiatief van de Stad Gent de facto het einde van de reeks Forum-manifestaties? Ik vermoed het.

K.B./D.P.: Hoe kwam Figuratie en defiguratie in concreto tot stand?

M.D.C.: Er werd een selectiecomité samengesteld waarvan Emile Langui, Robert Giron, Jean Dypréau, Paul Haesaerts, Paul Eeckhout, Georges Chabot, Karel Geirlandt en ikzelf deel uitmaakten. Het was echter voornamelijk het uitvoerend comité dat zich met de daadwerkelijke organisatie bezighield. Daarin zetelden Karel en ik, Paul Eeckhout, de conservator van het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.), en Georges Chabot, de voorzitter van de Aankoopcommissie van het M.S.K. Figuratie en defiguratie was een mijlpaal. Voor de expo konden we beschikken over een groter budget dan voor de Forum-expo’s en over de toen pas gerenoveerde zalen van het Museum voor Schone Kunsten. We konden uitzonderlijke werken van toonaangevende kunstenaars ontlenen. De selectie was ronduit overweldigend: van Max Beckmann tot Picasso, van Paul Klee tot Francis Bacon, van al deze kunstenaars hingen er belangrijke werken in het M.S.K. Voor de tentoonstelling werkten we niet alleen samen met de belangrijkste musea van die tijd, maar ook met topverzamelaars. Geirlandt, Doris en ik brachten bijvoorbeeld een bezoek aan Robert Masurel, een verzamelaar die over een indrukwekkende collectie beschikte. We mochten zijn hele verzameling bekijken en kregen de kans om verschillende werken te ontlenen. Nadien heeft hij zijn indrukwekkende collectie geschonken aan het Musée d’art moderne van Villeneuve-d’Ascq.

K.B./D.P.: Waaruit bestond jouw taak bij de totstandkoming van Figuratie en defiguratie?

M.D.C.: Ik hield me zoals gebruikelijk met alle praktische zaken bezig, maar ik stond daarnaast, samen met mijn vrouw, in voor de realisatie van de catalogus — al hield Karel gewoontegetrouw een oogje in het zeil. Ik herinner me dat hij bij het maken van de maquette aanwezig was en mee de rang- en nevenschikking van de afbeeldingen van de kunstwerken bepaalde. Voor onze werkzaamheden aan de catalogus ontvingen Doris en ik voor het eerst een kleine vergoeding. Tot dan toe had ik alles als vrijwilliger gedaan.

K.B./D.P.: Opmerkelijk is Geirlandts betoog in de catalogus omtrent de keuze voor de figuratieve kunst. Hij stelt uitdrukkelijk de verzoening van de figuratieve met de abstracte kunst voor te staan: ‘De revival der figuratie gaat ook gepaard met een psychologische omkeer die wijst op de geestesgesteldheid der jongere generaties, nl. deze van de verdraagzaamheid tussen de verschillende richtingen. Een vreedzame coëxistentie doet zich eveneens in de kunst voor. […] Voortaan groeit in een pluralistische maatschappij een pluralistische kunst.’

M.D.C.: Geirlandt refereerde wellicht aan de eerder vermelde debatten over figuratieve en abstracte kunst die in Gent talloze malen waren opgevoerd. Hij was van mening dat de strijdbijl beter kon worden begraven.

K.B./D.P.: Aan het einde van zijn tekst stelt Geirlandt: ‘De abstractie had de menselijke figuur verbannen. De moderne figuratie heeft ze meestal verminkt en ontheiligd.’

M.D.C.: Dat was een verwijzing naar de titel van de tentoonstelling waarin het woord ‘defiguratie’ werd gebruikt. Die term werd niet door alle kunstenaars even goed begrepen. Dat kan ik illustreren met een anekdote. Toen Geirlandt, Doris en ik de inhoud van de catalogus bespraken, waren we op het idee gekomen om een enquête te verspreiden onder de deelnemende kunstenaars. We vroegen hen een tekstje te bezorgen over het thema van de expo: figuratie/defiguratie. Vele kunstenaars reageerden, maar de meesten onder hen hadden het woord ‘defiguratie’ begrepen als ‘non-figuratie’, terwijl voor ons die term ‘verminking’ betekende. De reacties brachten om die reden niet veel bij. Het was een misverstand en uiteindelijk beslisten we om die bijdragen niet te publiceren. Sommige tekstjes waren evenwel geestig.

K.B./D.P.: Figuratie en defiguratie kreeg nadien geen opvolger. Wat was daarvoor de reden?

M.D.C.: In 1968 vond in de Sint-Pietersabdij Kleur in beweging plaats, een expo waarmee het tienjarig bestaan van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst werd gevierd. Een jaar later werd het Forum van de Grafiek georganiseerd, waarvan vier jaar later — in 1973 — een tweede editie op het programma stond.

K.B./D.P.: Van Kleur in beweging en de Forums van de Grafiek ging toch niet dezelfde uitstraling uit als van de Forum-tentoonstellingen en Figuratie en defiguratie?

M.D.C.: Dat klopt, maar voor de Forums van de Grafiek werden ook internationale kunstenaars aangetrokken en er waren ook belangrijke werken te zien, bijvoorbeeld de multipels van Marcel Broodthaers. De keuze van het medium was niet zonder belang. Ten eerste was er in die tijd sprake van een echte hausse van de multipel. In Keulen had in 1968 bijvoorbeeld de grote multipel-tentoonstelling Ars Multiplicata plaatsgevonden. Aan de Keulse expo namen interessante organisaties deel, zoals de Petersburg Press, die ook meewerkte aan ons Forum van de Grafiek. Ten tweede zag de Vereniging in grafiek het ideale middel om leden te werven en hen aan zich te binden. Grafiek leefde heel erg, ook in Gent. Het initiatief tot de Forums van de grafiek ging ten andere volledig uit van de Vereniging; het Centrum voor Kunst en Cultuur bood enkel de locatie en assistentie bij de accrochage aan. In feite stond ik grotendeels borg voor de hele organisatie. Karel hield er zich nauwelijks nog mee bezig.

K.B./D.P.: Toch blijft de vraag waarom er geen grote representatieve tentoonstellingen meer werden georganiseerd na Figuratie en defiguratie in 1964?

M.D.C.: Een precies antwoord op die vraag heb ik niet. Ik weet wel dat de Vereniging in die tijd op volle toeren draaide — het maken van tentoonstellingen was slechts één activiteit; er werden werken aangekocht, er vonden voordrachten plaats en er werden reizen voor de leden geprogrammeerd. Vergeet ook niet dat de hele werking van de Vereniging volledig op vrijwilligers rustte.

 

wordt vervolgd

 

 

Transcriptie: Eva Decaesstecker

 

Redactie: Koen Brams

Waar en hoe kan Vlaanderen stedelijk worden? Een gesprek over glokaliteit

Vlaanderen mag dan wel historisch een land van steden zijn, de dominante socialisatie is er niet meteen een van stedelijkheid. De fiere stede van weleer werd beteugeld door een gemeentelijk ‘lokalisme’ en opgesloten binnen de contouren van de 19e-eeuwse natiestaat. De gemeentewet van 1834 gaf aan zowel dorp als stad het statuut van een gemeente. België, en later Vlaanderen, zou geen stedenland worden, maar een bonte verzameling van zeer kleine gemeentelijke territoria. Ook de sociale verbeelding lijkt hier te lande moeilijk aan de lokale wortels te ontsnappen. Lokaliteit blijft in Vlaanderen een recept tegen vervreemding en dat is een rem op de ontwikkeling van stedelijkheid als mentaal venster op de 

 Drie personen die zich de afgelopen jaren lieten opmerken in het stadsdebat, gaan op initiatief van De Witte Raaf in gesprek over stedelijkheid en lokaliteit in Vlaanderen. André Loeckx is professor emeritus Architectuurtheorie aan de KULeuven. Hij is reeds meer dan 15 jaar een van de bezielende krachten achter het Vlaamse Stedenbeleid. Eric Corijn is professor emeritus Sociale en Culturele Geografie aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij de stadsonderzoeksgroep Cosmopolis oprichtte. Hij is een uitgesproken pleitbezorger van metropolitaanse stedelijkheid als noodzakelijke voorwaarde om met diversiteit in de samenleving om te gaan. Joachim Declerck is oprichter en directeur van de denk-en-doe-tank Architecture Workroom Brussels. Hij cureerde de groepstentoonstelling in het Belgisch paviljoen tijdens de Architectuurbiënnale Venetië in 2012. De drie sprekers zijn het eens dat Vlaanderen behoefte heeft aan meer stedelijkheid, maar leggen andere accenten als het erop aankomt te bepalen waar die stedelijke emancipatie moet plaatsvinden. Michiel Dehaene, hoofddocent stedenbouw aan de Universiteit Gent, modereert het gesprek.

 

Stedelijkheid en lokaliteit: een spanningsveld

Michiel Dehaene: Ik zou dit gesprek willen beginnen met de complexe relatie tussen stedelijkheid en lokaliteit. Stedelijkheid sluit lokaliteit niet uit, maar kan er ook nooit mee samenvallen. Vaak gaat men ervan uit dat stedelijkheid begint waar elke vorm van lokale binding ophoudt.

Eric Corijn: Hoe definieert men lokaal? Ik denk dat er twee perspectieven op ‘lokaliteit’ zijn. In het eerste perspectief wordt lokaliteit gezien als een plaats, met concentrische cirkels eromheen die een territorium afbakenen. In de andere visie wordt lokaliteit begrepen als een verknoping van stromen en interacties. In dat geval gaat het niet zozeer om geografische nabijheid of afstand; lokaliteit is hier een knoop in een netwerk. ‘Lokaliteit’ is de manier waarop mensen hun adres verbinden met de rest van de wereld. Daarbij is de vraag hoe ver die wereld uitdijt. De manier waarop mensen die verbinding maken, hangt samen met hun levensverhaal en hun mobiliteit.

M.D.: Hoe verhouden die twee versies van het lokale zich tot elkaar?

E.C.: Hun onderlinge relatie kun je het best verduidelijken via de notie ‘glokalisering’, dat een samentrekking vormt van ‘globalisering’ en ‘lokalisering’. In het discours van de glokalisering wordt lokaliteit begrepen als de manier waarop plekken verknoopt zijn. Om dat uit te leggen, gebruik ik graag het lacaniaanse beeld van het point de capiton. Een matras bestaat uit twee aparte lagen, twee territorialiteiten die op zich los van elkaar staan, maar die tegelijk gestructureerd worden door de punten waar ze met elkaar verbonden of samengeknoopt worden. Die verknoping geeft structuur aan beide lagen.

M.D.: Hoe verbind je dat met stedelijkheid? 

E.C.: Voor mij is stedelijkheid een woord dat in eerste instantie niet naar ruimte verwijst, maar naar cultuur en mentaliteit – naar de mental map van mensen. Stedelijkheid staat tegenover nationaliteit. Het stedelijke is in mijn ogen een postnationale manier van samenleven, voorbij de monoculturele ‘imagined community’ van de natiestaat. Maar tegelijk geloof ik sterk in de mentaal structurerende effecten van ruimte en ruimtelijke ordening. Je hebt een aantal ruimtelijke kenmerken van een stad die te maken hebben met densiteit: de dichtheid van de bewoning, het feit dat verschillende functies op een klein oppervlak samenkomen, het geconcentreerde samenleven van een heterogene, zeg maar hyperdiverse bevolking. Die kenmerken vallen niet met elkaar samen, maar zijn wel lokaal verknoopt.

M.D.: Maar door die stedelijkheid ‘postnationaal’ te noemen, suggereer je dat stedelijkheid en mondialisering haast hetzelfde zijn… terwijl steden toch al veel langer bestaan.

E.C.: Ja, laatmiddeleeuwse steden ontstaan als een ommuurde markteconomie te midden van een domaniale ruraliteit. Vervolgens krijg je de industriële revolutie van de 19e eeuw en de 20e eeuw, die steunt op dit ruraal gestructureerde territorium, maar wordt aangedreven door het verlangen om economie en territorium onder te brengen in een nieuwe container: de natiestaat. Het volk wordt verenigd binnen de natie. De natiestaat gaat ervan uit dat een cultuur een eenheid vormt en is gebaseerd op de idee van een verbeelde gemeenschap. De stad schrijft zich daarin in. Sterker nog, heel de socialiteit van de moderniteit steunt erop.

M.D.: En met de mondialisering verandert dat?

E.C.: Precies, de afgelopen dertig jaar is de ban gebroken. De markt neem het over van de politieke regulering. We maken ook de transitie mee van een industriële naar een postindustriële economie. Of beter, we zijn getuige van een mondiale herverdeling van het industrialiseringsproces, waarbij ons T-shirt misschien nog wel hier wordt ontworpen, maar in China wordt gemaakt. Tot slot krijg je een instroom van migranten, mensen uit andere tradities die vaak – ook territoriaal gesproken – met één voet hier en met een andere voet elders geworteld zijn, en die dagelijks worden uitgedaagd om de verschillende werelden in de mental map van hun lokale leefwereld samen te houden.

M.D.: Waarom leg je zo sterk de nadruk op dit mondialiseringsproces? Was de moderne stedelijkheid niet ook postcommunautair – betrokken op de massa eerder dan op de gemeenschap?  

E.C: Natuurlijk, maar die moderne stad was gestructureerd en ingeperkt door de territorialiteit van de natiestaat. Het stedennetwerk van wat nu in Nederland de Randstad heet, bijvoorbeeld, zorgde wel voor de nodige interstedelijke dynamiek, maar lag essentieel binnen Nederland. Wat we vandaag meemaken is dat de nationale container openbreekt. De Randstad maakt zich los van Nederland. De twee lagen van mijn matras – het nationale, geografische enerzijds en de stedelijke netwerkterritorialiteit anderzijds – zijn aan het loskomen… natuurlijk zullen ze zich vervolgens weer op een andere manier verknopen.

Joachim Declerck: Mondialisering is een postnationaal fenomeen. Maar tegelijk kan je stellen dat de natiestaat in de geschiedenis van de steden een soort uitzonderingssituatie was, waarin de stad als motor van onze culturele en economische ontwikkeling lange tijd is genegeerd. Vanuit stedelijk oogpunt is de natiestaat misschien wel een historische vergissing…

E.C.: Daar heb je wel gelijk in. Op een weliswaar andere wijze zijn de late Middeleeuwen een minstens even belangrijk vergelijkingspunt als het systeem van natiestaten.

André Loeckx: Als ik meteen even een nuance mag aanbrengen. Er is niet alleen een geschiedenis van de verstedelijking. Ook de ruraliteit heeft zijn geschiedenis, ook het platteland ontwikkelt zich langs de lijnen van een mondiaal moderniseringsproces, en wel zonder dat het daarom meteen in de stad oplost. De industrialisering van het platteland loopt niet steeds langs de stad. De verspreide verstedelijking van Vlaanderen is   onvoldoende stedelijk, en tegelijk noch ruraal noch  ‘postruraal’. De suburbane conditie is ‘infra-urbaan’ en tegelijk ‘subruraal’, waarmee ik bedoel dat ze ook niet past binnen het rurale en binnen de eisen die men aan de ontwikkeling van het rurale moet stellen, bijvoorbeeld inzake landbeheer en de controle van het voedselsysteem. Ik vind dat we met een semantische lacune zitten als het erom gaat de complexiteit van dat soort realiteiten te beschrijven.

M.D.: En waar situeert die semantische lacune zich precies?

A.L.: Al de termen over de niet-stedelijke ruimte zijn stedelijke termen. We hebben het voortdurend over ‘stedenbouw’; over ‘suburbs’ – dat moet dan iets zijn dat zich onder de ‘urbs’ bevindt. We produceren neologismen als Zwischenstadt (Sieverts), citta diffusa (Indovina), Tapijtmetropool (Neutelings)… We lijken niet in staat om termen te verzinnen die een niet-stedelijke moderniteit verbeelden. Nochtans bestaat die wel degelijk in Vlaanderen. Ook elders in de wereld zijn er notoire voorbeelden van de modernisering van de rurale ruimte terug te vinden.

M.D.: Geef eens een voorbeeld?

A.L.: Wel, het staat misschien ver van dit gesprek, maar ik denk ineens aan de muziek waar ik van hou: Woody Guthrie bijvoorbeeld, songs over de dustbowl en over vakbondsstrijd; of Tom Waits’ Mule Variations, of Bruce Springsteen die over Nebraska zingt. Die muziek gaat over het platteland en de kleinstedelijke realiteit. Of Ry Cooders Chavez Ravene, muziek uit en over een intussen  platgegooide buitenwijk van Los Angeles. De muziek van Guthrie, Waits, Cooder of Springsteen doorbreekt het bekrompen beeld dat van de rurale of kleinstedelijke gemeenschap circuleert, zij brengt een verhaal van openbreken, van strijd en emancipatie. Maar daar hebben wij geen termen, geen beelden en geen namen voor.

 

Op zoek naar glokaliteit in ‘antistedelijk Vlaanderen’

M.D.: Eric, als we vertrekken van jouw uiteenzetting over glokaliteit – of van de spanning tussen twee perspectieven op lokaliteit die je zonet schetste – waar situeert Vlaanderen zich volgens jou dan?

E.C.: Als je lokaliteit definieert als de manier waarop mensen hun adres verbinden met de rest van de wereld en daarbij de vraag stelt hoe ver die wereld uitdijt – zoals ik zonet deed — dan staan we in Vlaanderen nog niet zo ver. Uit een onderzoek van de KULeuven naar verhuisbewegingen in Vlaanderen blijkt bijvoorbeeld dat de helft van de Belgen, wanneer ze verhuizen, dat doen binnen een straal van minder dan 5 kilometer. Onder de kerktoren, dus. Die lokale verankering is niet alleen ruimtelijk bepaald, er zit een premoderne, rurale rest in. De industrialisatie in Vlaanderen – die laat komt, na de Tweede Wereldoorlog – is gestoeld op een politiek die de verstedelijking om ideologische redenen actief probeerde tegen te gaan. De christendemocratische politieke hegemonie koos voor de familie in plaats van de arbeid als hoeksteen van de samenleving, en stelde het normen- en waardenstelsel van de religie en niet dat van de lekenstaat centraal. Dat model houdt op kleine territoria makkelijker stand. Er werd nauwlettend op toegezien dat arbeid niet destructurerend zou werken.

M.D.: Er was toch ook een industrieel spreidingsbeleid?

E.C.: Ja, maar dat past in hetzelfde verhaal! Arbeid is de context waarin je met andere mensen leert samenwerken, waar je individuele verschillen overstijgt. Arbeid deconstrueert de traditie. Bovendien is het bij uitstek de biotoop van de socialisten en de vakbonden. Allemaal goede redenen voor het katholieke Vlaanderen om de nieuwe industrie in the middle of nowhere te zetten, op industrieterreinen in Geel, Tessenderlo en Mol, om vervolgens de mensen eerst met de buurtspoorwegen uren te doen reizen en later met de auto in de file te laten staan. De ruimtelijke spreiding is, met andere woorden, niet alleen een kwestie van suburbaan wonen, maar is bepalend voor de wijze waarop mensen zichzelf in de samenleving situeren. Vele Vlamingen zitten generaties lang gebeiteld op een specifieke plek, ook al ontplooien ze elders tal van activiteiten. Ze blijven in feite pendelaars. Dat feit is gepaard gegaan met een heel verspreid woonpatroon, waarbij die mensen zelden geconfronteerd zijn geworden met de spreekwoordelijke ander, met de noodzaak om intercultureel, interreligieus – kortom, op basis van verschil – connecties aan te gaan. De stad daarentegen biedt een ander kader, is een ander soort maatschappelijke werf. Daar moet je samenleven met verschillende taalgroepen en je plan trekken. De grote stad is als de koolmijnen. In de mijn was iedereen zwart en heerste een heel transversale solidariteit. Het is die andere socialiteit, maar ook de andere binding met de plek die kenmerkend is voor de stad.

M.D.: En als we al steden hebben in Vlaanderen, dan beantwoorden ze nauwelijks aan dit beeld van metropolitaanse stedelijkheid…

E.C.: Niet alleen de spreiding, ook de realiteit van onze steden werkt contraproductief. Je zou kunnen zeggen dat de economische boom en de ‘golden sixties’ rijke, kleine steden hebben opgeleverd, waardoor de Vlaming van de functionele voordelen van de stad kon genieten zonder ooit in een echte stad te moeten komen. Vanaf 100.000 inwoners had je autovrije winkelstraten waar alle grote merken werden aangeboden. Je hoefde er niet voor naar Brussel te komen, en dus kreeg je bijna nooit een Afrikaan te zien. Als de voorstad naar Brussel kwam, dan ging het richting Nieuwstraat en terug. Als de Vlaming vandaag in Brussel komt werken, gaat het van het Centraal Station naar de Wetstraat en weer huiswaarts. De confrontatie op lokaal niveau met het andere en dus de noodzaak om te onderhandelen, om te ruilen, om het verschil te socialiseren is ruimtelijk tegengewerkt. Daar ligt voor mij ook de verklaring voor het feit dat deze rijke, ontwikkelde en sterk geïndustrialiseerde regio zich laat kennen als etnocentrisch, dat extreem-rechts in sommige landsdelen tot 30 procent van de stemmen haalde, dat we een zwak georganiseerde arbeidersbeweging hebben. Allemaal dingen die heel verklaarbaar worden wanneer je die premoderne kern van ons ruimtelijk bestel ernstig neemt. Vandaag, in het licht van de mondialisering, wordt dit stilaan onhoudbaar en speelt dit steeds meer in ons nadeel.

M.D.: Kan je dat concreet maken? 

E.C.: Neem bijvoorbeeld de crisis in het onderwijs in de grote steden – en dan heb ik het niet enkel over Brussel. Die crisis heeft onder andere te maken met het feit dat de leerkrachten zelf te weinig stedelijke ervaring hebben. Ze gaan op een puur abstracte manier met diversiteit en stedelijkheid om. Ze wonen residentieel in de voorstad en projecteren die leefwereld op kinderen die wél stedelijke ervaring hebben. Die ervaring is niet zoals de dorpse leefsfeer gebaseerd op verschillen tussen zwart of blank, of tussen religies – in de stad lopen die immers allemaal door elkaar. Stedelijkheid draait om publieke ruimten, om veiligheidsdomeinen en gebruiksregels. Kan je op een bepaalde plek met vrienden gaan skaten zonder dat je gsm gestolen wordt? Hoe moet je dat aanpakken? Over dat soort dingen gaat het, maar de leerkrachten uit suburbaan Vlaanderen hebben daar niets over te vertellen. Het maakt mij zeer argwanend tegenover collega’s die nogal makkelijk stellen: ‘Laat ons toch maar wat stedelijkheid injecteren in de sprawl van verstedelijkt Vlaanderen. We zijn allemaal van goede wil en willen wel bijleren over het verschil in de wereld, maar dan liefst vanuit onze residentiële lintbebouwing.’ Dit werkt niet. Je kan cultuur – want dat is stedelijkheid – niet zomaar injecteren in de ruimte.

J.D.: Herleid je de stedelijke discussie nu niet te veel tot de problematiek van de grootstad? En dus tot Brussel? De grootstad waarin we wonen als enige echte vorm van stedelijkheid propageren is volgens mij contraproductief, omdat we de discussie zo reduceren tot een tegenstelling tussen goed en kwaad, tussen de grootstad en suburbaan Vlaanderen. Daarmee speel je finaal in de kaart van het dominante antistedelijk discours, én negeer je een groeiende realiteit: stedelijke vraagstukken vinden we niet alleen in de grootstad, ze verspreiden zich over het hele territorium. Door de processen van migratie, demografische groei, vergrijzing, maar ook de oplopende ecologische maatschappelijke kost, is er in heel Vlaanderen – en grote delen van Europa – een familie van problematieken ontstaan die steeds meer lijken op wat jij omschrijft als typisch Brussels. Steden als Aalst, Mechelen of Kortrijk kunnen de gevolgen van de grootstedelijke dynamiek niet langer negeren. Die tendensen zijn onomkeerbaar, en dus moeten ook de ‘kleinstedelijke’ bestuursploegen op zoek naar nieuwe antwoorden. Maar je kan ook plekken als voorbeeld nemen die geen centrumsteden zijn, zoals Borgloon in Haspengouw. De groepen ‘vreemde’ seizoensarbeiders die worden aangetrokken om te werken in de internationaal exporterende fruitteelt, leven in spanning met de plaatselijke bevolking. Is dat metropolitaanse stedelijkheid? Zeker niet, maar het heeft er wel een relatie mee. Als we dat allemaal in rekening nemen, dan ligt het grootste bewijs van de Vlaamse antistedelijkheid voor mij precies daar: namelijk in de onbegrensde capaciteit in Vlaanderen om deze families van stedelijke problematieken die over het hele territorium zijn uitgezaaid toch systematisch te negeren. Dat vermogen tot miskenning van een onloochenbare realiteit vind je bij de bevolking, maar wordt vervolgens ook bevestigd en versterkt door de politieke klasse. We voeren een soort struisvogelpolitiek. We willen het behoud van de welvaart, maar vertalen dit als een status quo. Dat kan niet. Welvaart veronderstelt ontwikkeling. Je kan in Vlaanderen alleen maar ontwikkelen door de realiteit van de verstedelijking onder ogen te zien, en van daaruit een toekomstproject uit te bouwen. Vandaag negeert het dominante toekomstproject voor Vlaanderen zijn stedelijke oorsprong én zijn stedelijke realiteit.

M.D.: André, deel jij deze antistedelijke analyse van Vlaanderen?

A.L.: Ja, want ze wordt nog steeds door de actualiteit bevestigd. Neem bijvoorbeeld de VSGB-studie, die in 2011 werd uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Regering. Aanvankelijk stond de S in de naam van die studie voor ‘Stedelijk’ – het betrof namelijk een onderzoek naar het Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel – maar in de uiteindelijke studie werd de term ‘Stedelijk’ ingeruild voor ‘Strategisch’. Bijzonder veelzeggend is de reactie van de afgelopen weken tegen het rekeningrijden. De Vlaamse antistedelijkheid vertaalt zich in een beperkte horizon en beperkte contacten met alles wat vreemd is.

M.D.: En is die antistedelijkheid het gevolg van een lokale oriëntatie?

A.L.: Volgens mij wel. Op dat punt ben ik het met Eric eens: ook ik denk dat de stedelijke beleving geconditioneerd wordt door de woonplaats… maar ik vind wel dat het spectrum breder en meer geschakeerd is.

M.D.: Kan je dat uitleggen?

A.L.: Het is niet de mythische grote stad versus het mythische kleine dorp van Cyriel Buysse. Zoals er lagen grootstedelijkheid zijn, zijn er ook allerlei vormen van kleinstedelijkheid en vind je ook dorpse gedragingen in de grootstad. Ik kan mijn eigen geschiedenis hier als voorbeeld nemen. Ik kom uit Halle. Ik herinner me dat ik op mijn zestien  jaar tijdens de vakantie ging werken in de Colruyt. Ex-metallo’s afkomstig van de inkrimpende staalfabrieken in Clabecq en ex-boeren van het Pajottenland speelden er samen kaart in de kantine. Mijn zus trok op haar 18 jaar naar Tubeke om in het Frans te studeren, en ging daarna als kleine bediende werken in de Generale Bank in Brussel. Ze verzeilde er niet alleen in de Nieuwstraat om naar de winkels te kijken, maar ook in het politieke straatgeweld van 1960-61, en dat werd allemaal gespreksstof aan onze keukentafel. Mijn vader was geëngageerd in de christelijke arbeidersbeweging. Als hij thuiskwam van zijn werk, werkte hij in de tuin en hield hij kleinvee – zo probeerde hij zijn karig loon aan te vullen. In diezelfde tuin speelde ik met vrienden ‘Fidel Castro tegen Batista’, met voetzoekers en pancartestokken uit mijn vaders reserve, die hadden gediend tijdens de grote schoolstrijdbetogingen. ‘Het andere’ drong wel degelijk door tot onder onze kerktoren. Het zijn slechts anekdotes, maar ze tonen een realiteit die ambivalenter is dan de tegenstelling ‘de stad versus de buiten’ suggereert; een realiteit  waarbij mensen ook buiten de stad betrokken raken in een uitwisseling tussen zeer verschillende culturen, talen en gedragingen. Daarbij treedt een vermenging op tussen verschillende categorieën: ruraal, suburbaan, kleinstedelijk, grootstedelijk. Dat mengsel is ambivalent en instabiel, en kan kantelen in de ene of andere richting.

E.C.: Ik wil best meegaan in de nuances die je aanbrengt, André, maar ik wil toch opmerken dat jouw voorbeelden zich allemaal binnen de schaal van de natiestaat België afspelen, en dat ze zich ten tweede – dat geldt ook voor het voorbeeld van jouw favoriete muziek – situeren in een industriële samenleving, waar de maatschappelijke positie van mensen bepaald werd door de sociale laag waartoe ze behoren. Die sociale stratificatie was inderdaad moderner dan de familie, of de streek, maar vandaag staan we verder.

M.D.: Het referentiekader is volgens jou ruimer geworden…

E.C.: …of zou dat toch moeten zijn, ja. Er zijn voor mij twee zaken die de ontwikkeling van een stedelijke mindset blokkeren in Vlaanderen. Ten eerste blijft het een feit dat – ondanks de hybriditeit die André beschrijft – onze elites antistedelijk zijn. Zij zien de stad als een gebruiksvoorwerp, maar niet als een leefomgeving. De stedelingen, zij die de stedelijke omgeving als leefomgeving hebben, zijn daardoor sinds de jaren zestig systematisch achteruitgesteld in de sociale stratificatie. Ten tweede: die elite ziet de samenleving nog altijd essentieel vanuit een monolinguïstisch, monocommunautair ideaalbeeld, als een natie, waarbij het vreemde enkel kan erkend worden op voorwaarde dat het bereid is zich in te passen in het eigene. Die twee punten samen maken het onmogelijk om zich voluit in de nieuwe wereld te positioneren. In een eerste ontwikkeling van de industriële samenleving was het nog mogelijk om Brussel en België vanuit Halle te incorporeren. Maar in de mondiale orde wordt het veel moeilijker om ook Oekraïne en Latijns-Amerika op eenzelfde existentiële manier te bevatten.

A.L.: Voor mij gaat het erom dat er in de geschiedenis én in het heden talloze belevingen van ambivalentie aanwijsbaar zijn waarbij verschillende dimensies elkaar kruisen en zich met elkaar verknopen, op een lokaal niveau en in één en hetzelfde moment. Tussen het rurale en het stedelijke bestaat een onstabiel middenveld waar de condities kunnen kantelen. Om dat middenveld is het op ruimtelijk, sociaal en politiek vlak te doen.

E.C.: Allemaal mooi, maar met die ambivalentie kom je in een flou artistique terecht. Het echte, fundamentele stedelijke probleem is het samenleven met onherleidbaar verschil. Anders gesteld, hoe kan je samenleven als de verschillen te groot zijn om nog van ambivalentie te kunnen spreken. Neem het probleem van de lekenstaat of de lekenstad, van het samenleven tussen radicaal gelovigen en radicaal ongelovigen. Dat is geen kwestie van ambivalentie, maar van harde tegenstellingen. Je hebt daarvoor een maatschappelijk model nodig waarin verschil erkend, aanvaard en vermaatschappelijkt wordt.

M.D.: En daarvoor heb je de stad nodig? 

E.C.: Volgens mij bezit de monofunctionele residentiële wijk te weinig diversiteit en multifunctionaliteit om de mondialiteit plaatselijk te ervaren. Die ervaring kan je beter opdoen in de Matongewijk of in Molenbeek dan in de Brusselse rand. In Molenbeek leren samenleven is een mondiaal vraagstuk.

A.L.: De vraag is waar het strijdtoneel vandaag ligt. De ambivalente ruimte is voor mij de ruimte waar de politieke strijd zich zal afspelen, en die situeert zich niet enkel in Molenbeek. Ik vind die ambivalentie interessant en belangrijk omdat ze onstabiel is. Ze kan naar de ene kant kantelen, maar ook naar de andere. Ze kenmerkt ook de architectuur en de ruimte in de meest concrete zin. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat het avant-gardistische Schroederhuis van Gerrit Rietveld zo doordeweeks bewoonbaar was voor mevrouw Schroeder en haar kinderen? Omdat die woning erin slaagde de moderniteit van de jaren 20 te domesticeren, en er een locus van te maken die toeliet om met het moderne om te gaan – althans als je er zoals mevrouw Schroeder helemaal voor openstond, meer nog, ernaar op zoek was. Voor mij is het lokaliseren van die moderne impulsen uiterst belangrijk, en misschien wel de echte stedelijke opgave. De uitdaging om in pakweg Deinze, een klein stadje in de rand van Gent, voldoende stedelijkheid te injecteren is in mijn ogen minstens even complex en uitdagend.

E.C.: Nu ben ik het met je eens. Het winnen of verliezen van de strijd om de stad zal afhangen van de goede kanteling. Het komt erop aan Deinze te overtuigen dat het beter een kleine stad kan zijn dan een groot dorp. We moeten Aalst overtuigen om rond het station functies op te nemen die ook voor een Brussels publiek betekenis hebben. Anders blijft de provinciestad met de rug naar de stad staan. Het probleem is intussen wel dat geen enkele politieke partij bezig is met die vraagstukken, vermits de sterke sociale groepen, zoals de elites met cultureel kapitaal en de middenklasse, die strijd nog moeten voeren. En ondertussen blijven we in de Brusselse kanaalzone zitten met een jeugdwerkloosheid van vijftig procent en meer, een totaal onaangepaste tewerkstelling en de vraag naar een nieuwe stedelijke maakindustrie.

A.L.: Het inzetten op ambivalentie en de kantelmomenten ervan is niet evident, je hebt gelijk. Maar dat is niet alleen een strategie voor de suburb, ook Brussel kan bij zo’n strategie gebaat zijn. Voeg aan Brussel het ‘verlinte’ Pajottenland toe, voeg daar het Zoniënwoud, de slordige urbanisatie van Waals Brabant en de Eise-vallei bij, of waarom niet, de drie valleien van Dender, Zenne en Dijle, en maak een groot Brussel waar je ambivalentie voluit kan laten spelen, ook voor de Brusselaars die nu opgesloten zitten in de grenzen van het gewest. De ambivalentie is er. Je kan er maar beter het voordeel van hebben.

 

De rasterstad – een oefening in ambivalentie en kanteling

 M.D.: De ambivalentie waarop jij, André, zo sterk de nadruk legt, stond ook centraal in het Witboek Stedenbeleid waar jij en Eric aan meeschreven. Het Witboek – met als ondertitel De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden – werd gerealiseerd in opdracht van Vlaams minister Paul Van Grembergen, toen bevoegd voor stedenbeleid, en moest een langetermijnvisie inzake stedelijkheid voor Vlaanderen uittekenen. Het Witboek pleit voor de kanteling van dubbelzinnigheid, halfslachtigheid, versnippering en betekenisinflatie – allemaal vooronderstelde kenmerken van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen – naar een nieuw patroon van positieve ambivalentie. Deze strategie wordt samengevat in het ‘Leitbild’ van de rasterstad. 

E.C.: De term van de rasterstad vat perfect het historisch compromis van het Witboek samen.

A.L.: Het Witboek was inderdaad een compromis tussen de compacte metropool en de Vlaamse sprawl. De rasterstad mikt op de ‘complete stad’, of juister: op het benutten van de kansen om datgene wat er al is completer te maken. De term rasterstad is misschien niet geweldig, maar het was wel een poging om iets te doen aan de semantische lacune in het spreken over het stedelijk-landelijk continuüm. Met de term probeerden we ook een taal te ontwikkelen die de nadruk legt op relationele verbanden zonder de fysieke ruimte achterwege te laten, om in te zoomen op de netwerkstad van relaties en flows en het tegelijk te hebben over wegen, spoorlijnen, hellingen, bermen, weefsels en types… Door te spreken over rasters geef je maat aan het netwerk en aan de ruimtes die erdoor bediend worden. Rasters hebben velden, die eerder homogene lokaliteiten kunnen herbergen, maar ook lijnen en knooppunten. In die zin kunnen zij de verschillende soorten van lokaliteit waar Eric over sprak opvangen. Een raster is ook meerschalig. Je kan inzoomen. Er zijn regionale rasters, grootschalige rasters in de open ruimte, grootstedelijke rasters, buurtrasters en zelfs rasters binnen de structuur van een gebouw. Ze vormen meervoudige frames waarop meervoudige programmatische logica’s geënt kunnen worden.

M.D.: Jullie wilden datgene wat er in Vlaanderen is completer maken, zei je. Kan je daar iets meer over zeggen? Welk beeld van toekomstig Vlaanderen hadden jullie precies voor ogen?

A.L.: Het beeld van de rasterstad was een pleidooi voor het cultiveren van de ambivalentie in de bestaande stedelijke structuur. Het beeld gaat in op het latent stedelijke/landelijke karakter van het verstedelijkt landschap en pleit ervoor om dit bestaande landschap uit te zuiveren en de aanwezige verschillen op te drijven: enerzijds om de identiteit van de velden te versterken, anderzijds het contactvlak tussen de velden te activeren. Een veld komt het best uit als het zich duidelijk kan aftekenen ten aanzien van de andere velden in het raster. Het joods kwartier kan maar beter voluit joods zijn, little italy is best zo Italiaans mogelijk – specifiek in zijn lokaliteit. Het Zoniënwoud liefst zo veel mogelijk ‘woud’ en het Pajottenland best helemaal het land van de Pajotten. Maar op de lijnen en in de knooppunten van het raster sta je steeds te midden van een meervoudige realiteit met een uitgesproken connectiviteit. En een veelheid van eigenzinnige velden vormen samen het meervoudig raster; little italy wordt deel van New York.

M.D.: Nevenschikking eerder dan menging?

A.L.: Vooral variatie en connectie. Er zijn afgewerkte en halfgevormde rasters, rasters met grote en kleine mazen, maar ook dichte en ondichte; er zijn volkse mazen en hele chique, mazen met gemengde milieus en andere met monocultuur. Sommige zijn open, andere bebouwd, maar alle mazen maken deel uit van de bemiddelende structuur van het raster. Eerder dan vast te leggen en te begrenzen, negotiëren de rasters over eigenheid, connectie en overgang. In die zin was de rastermetafoor ook bedoeld als een tegenzet, vanuit het stedenbeleid, gericht tegen de methodiek van de structuurplanning met haar obsessie van afbakening en zonering.

E.C.: Wat opvalt in het Witboek is dat het concept van de rasterstad ontwikkeld wordt in de hoofdstukken geschreven door planners en ontwerpers en eigenlijk geen antwoord biedt op het governance-vraagstuk. De rasterstad focust op de hardware, maar vergeet de software van de stad. Daardoor is er met dit beeld al bij al niet zo heel veel gebeurd. De kanteling die moet gedacht worden is niet alleen een verandering in het ruimtelijke patroon en de relationele verbanden ertussen, maar ook in het monocultureel samenwonen. Wij lijken nog steeds te denken dat samenleven gebaseerd moet zijn op wat ‘we’ delen en gemeenschappelijk hebben; die idee leeft door van de traditionele clan tot in de moderne traditie van de arbeidersbeweging. De stedelijke revolutie, die voor mij de nieuwe conditie vormt aan het begin van de 21e eeuw, vertrekt vanuit de vraag: hoe kunnen we samenleven anders denken dan op basis van gemeenschappelijkheid. Een dergelijk maatschappelijk project is geen bovenbouw op een communautaire onderbouw, maar moet een brug zijn tussen verschillende maatschappelijke werven. Maatschappelijkheid als brug tussen verschillende gemeenschappen. Dat is iets wat we in de filosofie, in de literatuur nog te weinig gedacht hebben. Het uiteindelijke stedelijke samenleven in Brussel is geen Brussels nationalisme, maar een vorm van Brussels patriottisme waarbinnen het verschil kan blijven bestaan.

 

The Ambition of the Territory – de territoriale achtergrond als politiek-ecologische basis

 M.D.: Joachim, in 2012 coördineerde jij The Ambition of the Territory, een collectief project dat uitmondde in een groepstentoonstelling, die de Vlaamse bijdrage vormde aan de Architectuurbiënnale in Venetië. De tentoonstelling wilde laten zien dat de stedelijke problemen in Vlaanderen overal zitten. Die problemen werden vervolgens gebruikt om het hele territorium te mobiliseren en aan oplossingen te werken: het Vlaams stedelijkheidsvraagstuk als één grote reconversieopgave die de opgelopen maatschappelijke kost van de verspreide verstedelijking moet oppakken. Kan je vertellen hoe de tentoonstelling was opgevat?

J.D.: The Ambition of the Territory probeerde twee zaken aan elkaar te koppelen: enerzijds is er het natuurlijke fysieke systeem van de vruchtbare bodems en de vele bevaarbare rivieren; en anderzijds is er een ingrijpende verstedelijking van grote en kleine kernen. De grootte van die kernen varieerde in de loop van de geschiedenis (Mechelen was ooit de grootste stad), maar de constante is dat deze gebieden altijd extreem ‘meerkernig’ zijn geweest en dat de verstedelijking zich altijd complementair aan het fysieke systeem van de rivieren heeft ontwikkeld. Er was ook een enorme synergie tussen stad en platteland: de economische activiteiten in bepaalde steden ontstonden in functie van de landbouwteelten rondom die steden, en dankzij het goedkope transport via de waterwegen. Daarbij is het cruciaal te beseffen dat beide systemen open zijn. Zowel het verstedelijkt netwerk als het fysiek ruimtelijk systeem zijn grensoverschrijdend. Beide vormen samen een stedelijk systeem dat is ontstaan in de Delta van de Rijn, de Maas en de Schelde. Vandaag noemen we dit de Eurodeltametropool of kortweg de Deltametropool.

E.C.: Dat is dus niet Vlaanderen. De evidentie waarmee jullie Vlaanderen als betekenaar veronderstellen, stoort me.

J.D.: Vlaanderen als territorium was voor ons niet de inzet. Integendeel, onze oefening wil laten zien dat we af moeten van een eenheidsbehandeling voor Vlaanderen. Dat Vlaanderen niet zomaar één territorium is.

E.C.: De notie ‘metropool Vlaanderen’ uit het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen slaat dus op niets. Dat mag toch wel even gezegd worden.

J.D.: Ons bestuurlijk systeem – en de term uit het beleidsplan waarnaar je verwijst toont dit andermaal aan – miskent inderdaad de historische en huidige logica van het stedelijk systeem. In Nederland en Frankrijk is dit al veel minder het geval. De natiestaat probeert de ontwikkeling van én het netwerk tussen de steden te faciliteren en te organiseren, maar is daar eigenlijk niet zo goed voor geplaatst. Daarom woedt momenteel ook daar een politiek debat over het delegeren van meer macht aan de regio’s van de steden en de metropolen. Met de Ambition of the Territory wilden we net ingaan tegen de heersende gedachte dat Vlaanderen gekenmerkt zou worden door een sterke eigenheid en interne coherentie, en net die andere territoriale verbanden tonen die aan dit eeuwenoude stedensysteem zijn gelinkt. Tegen een ‘one size fits all’-beleid dus. Vlaanderen is een bestuurlijke tussenschakel tussen een groter en een kleiner schaalniveau. Op de schaal van Europa en de wereld is de Deltametropool onze sociaal-economische en stedelijke leefwereld. Zoals een stad uit wijken is samengesteld, bestaat die Deltametropool uit een reeks territoria of stedelijke regio’s met erg verschillende kwaliteiten en problemen. De as Brussel-Antwerpen heeft een andere rol en kwaliteit dan de kustpolders of de grensoverschrijdende regio tussen Lille, Doornik en Kortrijk. Elk van die territoria vraagt dus om een eigen visie en beleid.

M.D.: Maar de Vlaamse sprawl houden jullie in stand…

J.D.: We starten vanuit de realiteit van een gespreide bebouwing, en dus niet vanuit het ideaalbeeld van de duurzame, compacte stad. Dat ideaalbeeld is volgens ons onaangepast – en de laatste decennia bewijzen dat ook – om de verspreide verstedelijking van Vlaanderen echt aan te pakken. Vandaag pleit het beleid voor verdichting in de steden, terwijl de verkaveling van Vlaanderen intussen gewoon verdergaat. We pleiten absoluut niet tegen de verdichting van steden, maar stellen voor om ook die verdergaande spreiding aan te pakken. We pleiten er dus voor om op te houden met het gelijk uitsmeren van de demografische groei over het hele grondgebied. De stedelijke structuur in Vlaanderen is erg divers en kent verschillende intensiteiten. De demografische groei kan worden ingezet om die verschillen te versterken. Op reeds sterk verstedelijkte plaatsen (zoals de as Antwerpen-Brussel) lijkt het slimmer om verder te verstedelijken, maar dan met een visie en een project – en niet om het even waar en op gelijk welke manier. Op andere plaatsen is het misschien beter om de verspreide verstedelijking af te bouwen en in te zetten op andere vormen van ontwikkeling: natuur, landbouw enzovoort. Vlaanderen ontwikkelen uitgaande van de verschillen in kwaliteiten en intensiteiten kan je alleen aan de hand van gelokaliseerde, kleinschalige processen die afgestemd zijn op de plek, en die tegelijk systematisch en cumulatief ontwikkeld kunnen worden.

E.C.: Het probleem met mijn beide collega’s in dit gesprek is dat het architect-stedenbouwkundigen zijn. Zij kunnen dus zomaar spreken over de ‘ambitie van een territorium’ – wat op zich een mooie uitdaging is — terwijl de echte vraag natuurlijk luidt: is dit ook de ambitie van de bevolking van dat territorium?

A.L.: Voor mij is het territorium een minstens even belangrijke actor als om het even welke sociale groep. Het weefsel, de ruimtelijke structuur, is een heel sterke actor. Het vervangt het politieke en het sociale niet, maar levert onmiskenbaar een eigen bijdrage aan de mentaliteitsvorming.

J.D.: De titel ‘de ambitie van het territorium’ is uiteraard een samentrekking. De lange versie zou zijn: ‘De ambitie van een samenleving kan alleen gerealiseerd worden door de logica van zijn territorium als uitgangspunt en hefboom te nemen om die andere processen vorm te geven.’ Als je het zo uitlegt, dan denk ik dat onze verhalen zeer dicht bij elkaar liggen.

E.C.: Akkoord. Politiek is altijd ook territoriaal. Dat wordt vaak veronachtzaamd en is een cruciaal politiek-filosofisch vraagstuk. Heel de Belgische staatshervorming heeft een splitsingslogica geïnstalleerd omdat de bevolking en de territoria niet op elkaar pasten. Dus werd het idee van de  ‘persoonsgebonden materies’ uitgevonden. In Vlaanderen werden de persoonsgebonden en gewestelijke materies vervolgens onmiddellijk terug gefusioneerd. Een van de Brusselse problemen is dat de Belgische staat weigert om van Brussel een territoriale entiteit te maken. Als gewest is Brussel te klein om een metropool te zijn. Bovendien is de stad afgesneden van zijn hinterland en kan het zonder persoonsgebonden materies ook geen fatsoenlijk stedelijk beleid voeren. Politiek heeft altijd met de erkenning van territoria te maken.

M.D.: En dus moeten we een strijdpunt maken van die lokaliteit en het territoriaal/politiek project dat ermee verbonden is?

E.C.: Ja, maar wat daarbij tegelijk ook gedacht moet worden is de biotoop, waarbij populatie en omgeving één systeem vormen. We moeten de scheiding tussen populatie en omgeving overstijgen. Dat roept meteen een volgende vraag op: wie zijn de burgers van dat ecosysteem. Wie is er lid van? Wie maakt aanspraak op de voordelen van de biotoop? Wie heeft er zeggenschap en trekkingsrecht? Ik ben er bijvoorbeeld voor te vinden dat pendelaars zeggenschap krijgen over het openbaar vervoer in Brussel. Ik vind namelijk dat de woonplaats niet de enige referentie is voor de constructie van het burgerschap, en dat je je burgerschap ook in een netwerksamenleving moet kunnen inzetten. Je moet dan wel ook fiscaal bijdragen in die zeggenschap. Maar waar ligt dan de grens? Moet ik mijn burgerschap dan niet ook kunnen inzetten bij de verkiezing van de volgende Amerikaanse president? Wie in de Verenigde Staten president wordt, is immers van heel groot belang voor de ontwikkeling van het wereldsysteem waar ik deel van uitmaak. We denken in elk geval te klein. We vinden het logisch om de rand van Brussel te betrekken bij een discussie over mobiliteit, maar waarom niet ook de bewoners van Leuven of Hasselt?

J.D.: In Vlaanderen betalen we vandaag de prijs voor de collectieve verwaarlozing van het ecosysteem. Die ecosystemische crisis treft zowel de stad als de sprawl. We moeten daarom dringend in families van problemen, en dus ecosystemisch beginnen te denken. En niet langer vanuit de tegenstelling tussen wat we vandaag stad en platteland noemen.

 

Waar te beginnen – de lokale utopie

M.D.: Als ik tot slot een utopische vraag mag stellen: wat staat er ons nu te doen? We kunnen wachten tot de burgers bijvoorbeeld ook ecosystemisch beginnen denken. Of we kunnen proberen om een maatschappelijk debat op gang te brengen, iets waarvoor de politiek naar mijn gevoel nog helemaal niet klaar is.

E.C.: Ik ben van mening dat er in dergelijke discussies te veel met een ongedefinieerd ‘we’ wordt gesproken. Aan de ene kant spreken ‘wij’, zoals in dit gesprek, vanuit analyses en stellingnames. We moeten ons spreken aanpassen aan de betrokken doelgroepen, zodat er voor hen een handelingsperspectief ontstaat. Het planningsdiscours richt zich te veel naar mensen die in een machtsverhouding zitten: financiers, de overheid die ideeën in de praktijk brengt, de diensten bevoegd voor ruimtelijke ordening. Daarmee missen we de groepen die de stedelijkheid uiteindelijk moeten maken, die de stad co-creëren. Hoe kunnen die groepen de ruimte verbeteren of veranderen zonder voorafgaand akkoord van de overheid en de financiers? Wat is er te doen aan ruimtelijke ordening en kwaliteitsverbetering van de levensconditie op basis van een collectieve mobilisatie?

J.D.: We zijn het gesprek heel pessimistisch gestart, met de vaststelling van een antistedelijk status quo. Maar ik zie ook heel veel processen die hoopgevend zijn. Die moeten we versterken vanuit een positieve dynamiek. Ik zie vandaag op verschillende plekken de kiemen van de ‘rasterstad’. Ik zie ze bij actoren die zichzelf hebben georganiseerd en de stedelijke uitdagingen lokaal hebben opgepakt. Ik denk dat het belangrijk is om dat te doen. De dominante krachten gaan absoluut niet in die richting en de politiek loopt hopeloos achterop, maar tegelijk beweegt er van alles. Daar zou eigenlijk een boek over gemaakt moeten worden. Van die evolutie in Vlaanderen kan je een echt succesverhaal maken.

M.D.: En waar zie jij de ‘hoopgevende processen’ die dat boek kunnen vullen?

J.D.: Het Nationaal Park Hoge Kempen in Limburg vind ik bijzonder interessant. Verschillende actoren – Natuurpunt, plaatselijke boeren – hebben zich daar verenigd en zijn er finaal in geslaagd Vlaanderen ervan te overtuigen dat het huidige Park Hoge Kempen een zeer belangrijke regionale ontwikkelingspool kon worden. In het postmijnentijdperk is dit park nu al een belangrijke factor in de ontwikkeling van dat gebied. Ik ben ook gefascineerd door de agrobeheersgroepen, die in het buitengebied zelf de waterproblematiek aanpakken.

E.C.: Toch weer voorbeelden met een zeer Vlaamse en weinig stedelijke inslag. Om er een stedelijk voorbeeld naast te leggen: het multidisciplinaire kunstcentrum Recyclart aan het station Kapellekerk in Brussel. De afgelopen 10 jaar maakte Recyclart van de historische stedelijke breuklijn van de Brusselse Noord-Zuid-spoorverbinding de uitvalsbasis voor een geëngageerd programma van sociaal-artistiek werk in de aanpalende wijken.

J.D.: Altijd diezelfde tegenstelling. Daar gaat het voor mij echt niet over. Ik vind dat we een boek zouden moeten maken waarin we die agrobeheersgroepen naast Recyclart en het CityDepot Hasselt zetten en argumenteren dat dit over hetzelfde maatschappelijke proces en project gaat.

E.C.: Dat vind ik geen slecht idee. Het vraagstuk van de lokaliteit, dat hadden jullie al begrepen, is voor mij het vraagstuk van de glokaliteit. Als men mij vraagt wat dit concreet betekent, speel ik mensen graag de bal terug en stel ik de vraag: ‘Wat is jouw plaats in de wereld? Hoe situeer jij je in het wereldgebeuren?’ Die vraag is noodzakelijk om los te komen van lokaliteit als nabijheid. Het gaat niet om een lokale oriëntatie, maar om wat we hier kunnen doen en welk ‘vlindereffect’ dat zou kunnen hebben op het hele systeem.

A.L.: Zowel bij lokale actoren die zichzelf organiseren als bij het lokale dat zijn plaats in de wereld inneemt, stel ik de vraag naar lokalisme als alibi. Performant lokalisme mag geen reden zijn om de grote aberrante structuren en machtsverhoudingen onbesproken te laten. We moeten niet zeggen: we doen het zelf want de machthebbers doen het niet. De verantwoordelijkheden van machthebbers, overheden en de politieke klasse moeten ter discussie blijven staan.

E.C.: We moeten voorts durven toegeven dat er een tekort is aan kennis over de interactie tussen ruimtelijke ordening en sociale praktijk. Dat is een historische erfenis. De ‘ruimtemakers’ zijn traditioneel bouwers, ingenieurs. De sociale wetenschappers hebben zich van hun kant onvoldoende met de ruimte ingelaten. Zij serveren een verhaal over hoe mensen kunnen omgaan met een ruimte die niet door hen is gebouwd. Echte dialectiek tussen ruimtelijke ordening en sociale praktijk, daar hebben we weinig collectieve kennis over.

M.D.: Dan vormt het lokale – in de oude betekenis van de plek – alsnog de sleutel van het probleem? Dan moeten we op concrete, fysieke plekken gaan kijken hoe de verknoping van ruimte en sociale praktijk plaats kan en moet vinden?

E.C.: Ja, en in die dialectiek tussen ruimte en sociale praktijk is een van de sleutelvragen: wat is de mediatie? Wat is de bemiddeling? Hoe kunnen de collectieve utopie en de realisatie ervan samengaan? De huidige praktijk werkt zo dat een klein machtsconsortium de utopie kan realiseren en de andere mensen daarmee moeten leven. Co-creatie vereist dat mensen een andere positie innemen en bereid zijn de collectieve utopie mee te máken, en zichzelf niet enkel te positioneren als consument. De moeilijkheid is de ongelijk verdeelde capaciteit van burgers om die actieve rol op te nemen, om de brug te slaan tussen het ruimtelijk kader en de sociale praktijk. In dergelijk perspectief is lokaliteit niet enkel een ruimtelijk uitgangspunt, maar tegelijk ook een plaats van aankomst.

 

Transcriptie: Isabelle Vanden Hove

Redactie: Michiel Dehaene

De infantiliseringscultuur

Sven Lütticken: In films en reclame wordt de kindertijd voortdurend op sentimentele wijze geïdealiseerd, terwijl anderzijds in veel praatprogramma’s, documentaires en krantenartikelen kinderen vooral als (potentieel) slachtoffer worden voorgesteld. Werk van u waarin u knuffelbeesten hebt gebruikt, werd geïnterpreteerd als een toespeling op kindermisbruik of zelfs als een aanwijzing dat u zelf als kind bent misbruikt. In ander werk gaat u met die interpretaties een discussie aan. In uw tekst Architectural Non-memory Replaced with Psychic Reality brengt u uw Educational Complex (1995) in verband met de populariteit van het ‘repressed memory syndrome’ of het ‘false memory syndrome’: de theorie dat mensen hun herinneringen aan misbruik verdrongen hebben, zodat psychologen ze weer naar boven moeten halen – of ze zelf creëren, zoals sommigen menen.

Mike Kelley: Sinds het midden van de jaren ’80 is er een heksenjacht op kindermisbruik aan de gang. Het begon in de VS, met het schandaal van het McMartin-kinderdagverblijf, en verspreidde zich vervolgens over Europa. De speelgoedbeesten die ik gebruikte, leken in de ogen van velen te verwijzen naar het thema van het kindermisbruik, maar toen ik ermee begon, dacht ik daar helemaal niet aan. En in mijn maquette Educational Complex begon ik me onomwonden met die interpretaties bezig te houden.

Het was mij er met dat werk om te doen de aandacht te verschuiven, van het gezin naar institutioneel misbruik. Ik wou de kunstopleiding poneren als een vorm van misbruik. In zekere zin is dat natuurlijk een belachelijk idee. Niemand ontsnapt eraan dat hij of zij door de cultuur gevormd en gekneed wordt, maar momenteel heeft men de neiging om eender welke invloed als een vorm van misbruik voor te stellen. Victimization, het cultiveren van het slachtofferschap, is zowat de belangrijkste ideologie geworden. De obsessie van onze cultuur met het slachtofferschap van kinderen is daar een metafoor van. In een recente videoinstallatie, Extracurricular Activity Projective Reconstruction #1 A Domestic Scene, heb ik een melodramatische televisiefilm over die obsessie gemaakt. De film ging over een disfunctioneel volwassen, mannelijk stel.

Ik wil me niet uitsluitend met kindermisbruik bezighouden, omdat onze slachtoffercultuur niets te maken heeft met de psychologie van het kind – als volwassenen projecteren we onze preoccupaties op kinderen. Ik zou het beeld van het kind liever helemaal buiten beschouwing laten en me concentreren op de volwassenen die dat wereldbeeld hebben geconstrueerd.

S.L.: Je kunt misbruik zien als een bedreiging voor het ideaal van de volmaakte kindertijd, zoals dat te vinden is in Disney- en Spielbergachtige films en op een andere manier ook in het werk van Jeff Koons. Maar misschien is het idee van misbruik op een vreemde manier geruststellend geworden. De culturele obsessie met misbruik lijkt te wijzen op een verlangen naar een gruwelijke, verborgen werkelijkheid, een werkelijkheid die tenminste niet geheel en al banaal en vervelend is.

M.K.: Volgens mij is dat de nieuwe versie van Freuds ‘familieroman’ – een volmaakte kindertijd is niet meer genoeg, wat men wil is een opwindende, dramatische kindertijd. Het archetype van de volmaaktheid – je échte moeder is een sprookjesprinses – maakt plaats voor het negatieve ideaal, waarin je vader eigenlijk aan ritueel kindermisbruik doet. Disney-zoetsappigheid is gewoon niet spannend genoeg meer.

S.L.: In de populariserende psychologie heeft het begrip ‘verdrongen herinneringen’ tot rare dingen geleid. Dat neemt niet weg dat het begrip verdringing in uw werk een belangrijke rol blijft spelen.

M.K.: Het begrip verdringing is de steunpilaar van de populaire psychologie geworden, terwijl het in meer serieuze kringen intussen als passé wordt beschouwd, omdat het niet te verifiëren valt. Dat laat me koud: zelf gebruik ik het Freudiaanse begrip verdringing [Engels: repression, S.L.] eerder als een metafoor voor politieke en sociale repressie, en niet als een verklaring voor onbewuste psychische drijfveren.

S.L.: The Uncanny, de tentoonstelling die u voor Sonsbeek 93 hebt gemaakt, was gebaseerd op Freuds theorie van het Unheimliche: onze verdrongen animistische overtuigingen keren terug om ons te kwellen. Dat koppelde u aan een vorm van artistieke ‘verdringing’: vormen van unheimliche figuratieve beeldhouwkunst die het modernistische formalisme niet kon tolereren.

M.K.: The Uncanny ging voor een deel over het feit dat de impuls achter tentoonstellingen – de impuls om dingen te verzamelen, bijeen te brengen – iets heel primairs is. Dingen verzamelen en bijeenbrengen komt voort uit een impuls die je ook bij kinderen aantreft. Onze cultuur houdt het romantische beeld overeind van de kunstenaar als een grote baby, die op een volslagen onbewuste manier allerlei dingen voortbrengt. Bovendien infantiliseren tentoonstellingsmakers de kunstenaar door hem of haar te beroven van zijn woorden en zijn intenties: ze spreken in naam van de kunstenaar, ze leveren zelf de verklaring voor het kunstwerk. Mijn curatorschap was een vorm van wraak. Ik onderwierp de praktijk van het curatorschap aan een psychoanalyse; ik infantiliseerde de curatoren en reduceerde hun praktijk tot een stompzinnige, ‘natuurlijke’ activiteit. Ik opperde – natuurlijk ironisch, want mijn tentoonstelling vormde wel degelijk een ernstig onderzoek naar beeldhouwkunst in relatie tot het thema van het Unheimliche – dat het opzetten van een tentoonstelling zoiets is als het verzamelen van postzegels of kevers door kinderen.

S.L.: Uw activiteiten als schrijver zijn gericht tegen wat u het infantiliseren van de kunstenaar noemt. Anderzijds staan de kunstbladen vol met interviews – er is een enorme vraag naar kunstenaars die zichzelf toelichten.

M.K.: Ja, maar dat gebeurt vaak heel letterlijk – ‘wat betekent dit?’ Men wil de kunstenaar zijn werk horen verklaren, maar men wil niet horen waar het werk écht over gaat. Van mij wil men iets horen als: “Ja, ik werd als kind misbruikt, daarom heb ik in mijn werk speelgoedbeesten gebruikt.” Wat men niet wil horen, is: “Het ging erom de esthetica te verkennen van de industrie die dat speelgoed maakt, het ging om de formele constructie van speelgoed, om wat volwassenen op kinderen projecteren.” Als je daarover begint, haakt men af, omdat het niet spannend genoeg is en omdat het niet strookt met het beeld dat de populaire cultuur van de kunstenaar heeft – iemand die simpelweg zijn ‘creatieve persoonlijkheid’ uitdrukt.

S.L.: Uw werk We Communicate Only Through Our Shared Dismissal of the Prelinguistic (1995) bestaat uit reproducties van kindertekeningen, begeleid door psychologische kanttekeningen die in volkomen normale tekeningen aanwijzingen zien voor allerlei psychische afwijkingen en ontwikkelingsstoornissen. Maar de titel lijkt te suggereren dat het werk ook een kunsttheoretisch aspect heeft.

M.K.: Ik wou reageren tegen de romance die sommige hedendaagse kunstenaars met bepaalde theorieën hebben aangeknoopt. Ik denk bijvoorbeeld aan het gebruik dat kunstenaars hebben gemaakt van Julia Kristeva’s concept van de chora, in een poging om terug te keren naar de primaire, prelinguïstische ervaring. Ook de manier waarop men zich heeft beroepen op deleuziaanse noties van een schizo-cultuur leek me gevaarlijk dicht in de buurt te komen van romantische of modernistische pogingen om terug te keren naar een primitief of infantiel stadium. Dat is nu eenmaal onmogelijk, het kan niet – in de kunst kun je zo’n regressie wel representeren, maar dan alleen symbolisch. Het idee van de ‘edele wilde’ en van zijn tegenhanger, het onschuldige kind, is allang in diskrediet gebracht, en de manier waarop ideeën zoals die van Kristeva werden misbruikt, irriteerde me. Ik denk dat kunstenaars de geschriften van Deleuze en Guattari hebben misbruikt als een excuus om te ontsnappen aan de verantwoordelijkheid die ze voor de sociaal-culturele betekenissen van hun werk dragen.

S.L.: Dus opnieuw een soort infantilisering. Maar in We Communicate Only Through Our Shared Dismissal of the Prelinguistic gaat het niet om een vlucht uit de betekenis: het gaat om betekenissen die bepaalde beelden met geweld krijgen opgelegd.

M.K.: Natuurlijk kunnen die beelden gemakkelijk worden verklaard vanuit normale culturele invloeden, en het spreekt vanzelf dat de analyses die ik aan het werk heb toegevoegd van de pot gerukt zijn. Ik heb ze zelf geschreven, maar de formuleringen heb ik wel gehaald uit literatuur over kunsttherapie en over ontwikkelingspsychologie. Niets is verzonnen; ik heb het materiaal herschreven om het wat vreemder te doen lijken, maar eigenlijk is het nauwelijks vreemder dan het oorspronkelijke materiaal.

Een belangrijk aspect van dat werk, iets waar zelden op gewezen wordt, is dat er een computer bij hoort waarop de kijkers de teksten naar eigen smaak kunnen herschrijven. Eigenlijk gaat dat werk over de manier waarop je de producten van die kinderen verandert in je eigen projecties. Door de tekst te herschrijven kun je je eigen ideologische constructie van het kind realiseren.

S.L.: Kinderen lijken wel ons ultieme projectiescherm. Allerlei primitieve ideeën projecteren op niet-westerse volken of op geesteszieken mag niet meer, maar kinderen blijven beschikbaar.

M.K.: Ja, op kinderen kunnen we blijven projecteren, terwijl de political correctness dat bij bijna elke andere sociale groep onmogelijk heeft gemaakt.

Vertaling uit het Engels: Eddy Bettens

 

Illustratie

Mike Kelley, Educational Complex (1995), reconstructieschets van Wayne High

De geschiedenis van het NICC – aflevering 5

Wat voorafging

Met de bezetting op 1 februari 1998 van het ICC aan de Meir te Antwerpen door een 50-tal kunstenaars – waaronder het zeskoppige collectief Hit & Run dat het initiatief tot de bezetting had genomen – werd het startsein gegeven van de oprichting van het NICC. In de eerste vier afleveringen van De geschiedenis van het NICC ging De Witte Raaf aan de hand van meerdere gesprekken met rechtstreekse betrokkenen in op diverse aspecten van de (voor)geschiedenis van de kunstenaarsvereniging. In aflevering 1 (De Witte Raaf nr. 131, januari-februari 2008) spraken we met Hit & Run-leden Christine Clinckx & Patries Wichers alsook met Danny Devos over de turbulente eerste weken na de bezetting van het ICC en voorafgaand aan de oprichting van het NICC. In aflevering 2 (De Witte Raaf nr. 137, maart-april 2009) lieten we vijf kunstenaars (Guillaume Bijl, Danny Devos, Marc Schepers, Narcisse Tordoir en Luc Tuymans) aan het woord over hun keuze om zich in het NICC te engageren, en de formalisering daarvan met de oprichting van werkgroepen binnen het NICC. De twee belangrijkste waren de Werkgroep Sociaal Statuut, die de verbetering van de sociale situatie van de kunstenaar ter harte nam, en de Werkgroep Tentoonstellingen, die verantwoordelijk werd voor de artistieke werking van het NICC. In aflevering 3 (De Witte Raaf nr. 138, mei-juni 2009) spraken we opnieuw met vijf kunstenaars (Philip Aguirre, Guillaume Bijl, Danny Devos, Koen Theys, Paul Gees en Hans Van Heirseele) over de uitbreiding van het NICC buiten Antwerpen en de oprichting van afdelingen in Brussel, Luik, Hasselt en Gent. In aflevering 4 (De Witte Raaf nr. 145, mei-juni 2010 & De Witte Raaf nr. 146, juli-augustus 2010) werd de geschiedenis van één specifieke werkgroep – de Werkgroep Sociaal Statuut — en de rol van het NICC in de realisatie van het Sociaal Statuut behandeld via gesprekken met kunstenaars Danny Devos, Marc Schepers, Axel Claes en Guillaume Bijl, met de advocate van de vereniging Yasmine Kherbache, en met extern deskundige Jean Canivet.

In deze aflevering van De geschiedenis van het NICC gaan we in op de activiteiten van de Werkgroep Tentoonstellingen van het NICC, die vanaf september talloze, veelal door kunstenaars samengestelde exposities organiseerde. Op 10 september 1998 opende de allereerste tentoonstelling die door het NICC geïnitieerd werd: Door de smeerpijp, een groepstentoonstelling met zes kunstenaars, samengesteld door Fred Eerdekens. Aanleiding voor de tentoonstelling was het ontslag van Piet Vanrobaeys als directeur van het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten (P.C.B.K.) te Hasselt. In deze aflevering spreken we met Fred Eerdekens over de tentoonstelling en zijn engagement in het NICC.

 

Koen Brams & Dirk Pültau: Het eerste spoor van jouw betrokkenheid bij het NICC treffen we aan in het verslag van de vergadering van de Raad van Beheer van het NICC, die op 31 mei 1998 plaatsvond te Antwerpen. Onder het agendapunt ‘Hasselt’ lezen we: ‘Gert Robijns en Fred Eerdekens komen binnen, waarmee het punt van de eerste tentoonstelling aan bod komt’. Het NICC had al een tijdje plannen om een tentoonstelling te maken naar aanleiding van het plotse ontslag van Piet Vanrobaeys, die op 1 augustus 1996 Urbain Mulkers was opgevolgd als directeur van het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten te Hasselt, maar reeds op 1 april 1998 was bedankt voor bewezen diensten. Uit het verslag kunnen we opmaken dat Gert Robijns door het NICC gepolst was om die expo te verwezenlijken, dat hij vervolgens heeft voorgesteld om die opdracht aan jou toe te vertrouwen en dat jij zo bij het NICC betrokken raakte…

Fred Eerdekens: Dat klopt. Gert was de enige kunstenaar uit Limburg die op dat moment in de Raad van Beheer van het NICC zetelde — die Raad bestond trouwens voornamelijk uit Antwerpse kunstenaars. Hij vond het belangrijk dat andere Limburgse kunstenaars zich eveneens in het NICC zouden engageren. Hij vertelde me ook dat het NICC het idee had opgevat om een Limburgse kunstenaar te benaderen om een tentoonstelling te maken naar aanleiding van het ontslag van Vanrobaeys. Omdat Gert de enige Limburger was die in Antwerpen mee aan tafel zat, was die vraag eerst aan hem voorgelegd, maar hij wilde er niet op ingaan en speelde de bal door naar mij. Zo ben ik inderdaad bij het NICC beland.

K.B./D.P.: Waarom wilde Robijns de tentoonstelling zelf niet organiseren?

F.E.: Allicht vond hij dat hij nog te jong was voor een dergelijke opdracht? Gert was in 1998 nog maar 26 jaar oud en had amper zijn eerste stappen gezet in de kunstwereld. Als je zo jong bent, beschik je nog niet over de autoriteit om als spreekbuis op te treden van ‘de Limburgse kunstenaars’. Om begrijpelijke redenen vond hij het vast verstandiger dat een oudere kunstenaar die taak op zich zou nemen. Kennelijk vond hij mij de geknipte kandidaat.

K.B./D.P.: Waarom?

F.E.: Gert en ik waren al lang heel goed bevriend. We kennen elkaar sinds ik eind jaren 80 les aan hem gaf in de Hasseltse kunsthumaniora (PHIKO). Gert kent me dus door en door, en weet bijvoorbeeld dat ik makkelijk mensen met elkaar kan verzoenen – een eigenschap die je als tentoonstellingsmaker van pas kan komen.

K.B./D.P.: Afgaand op het reeds geciteerde verslag was iedereen – incluis jijzelf – enthousiast over het plan om een tentoonstelling te organiseren. Een citaat: ‘Luc Tuymans stelt voor het potentieel van Hasselt te benadrukken, uitgebreid met minstens één internationale figuur. Fred Eerdekens vindt het principe fantastisch, en verwacht een gelijkaardige opvolging voor Brussel.’ Wat verderop in het verslag wordt jouw aanstelling tot curator op euforische wijze bekrachtigd: ‘Fred Eerdekens kan uiteraard ook beroep doen op iemand extern, advies vragen. Gert Robijns zal hem alleszins bijstaan. Fred neemt de tentoonstelling op zich (onder luid applaus).‘

F.E.: Ik herken het enthousiasme van die vroege vergaderingen van het NICC volledig… maar ik aarzelde toch even toen Gert mij benaderde.

K.B./D.P.: Wat deed jou twijfelen?

F.E.: Ik had geen flauw benul hoe ik aan zo’n project moest beginnen! Ik had nog nooit een tentoonstelling samengesteld… Nu ja, misschien moet ik dit lichtjes nuanceren: het jaar voordien had ik namelijk op vraag van het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten een manifestatie opgezet rond poëzie en beeldende kunst: Too much inner voice and real images (artworks, texts and lyrics by Fred Eerdekens, Mauro Pawlowski, Peter Verhelst) (1997), een tentoonstelling met tekst- en beeldwerken waarvoor ik twee auteurs of ‘tekstschrijvers’ had uitgenodigd, Peter Verhelst en Mauro Pawlowski. Ik nam echter ook zelf deel aan de expo — ik realiseerde onder meer een werk in samenwerking met Peter Verhelst en Mauro — waardoor ik helemaal niet het gevoel had dat ik als curator van de tentoonstelling optrad. In het geval van de NICC-expo was daarentegen vanaf het begin duidelijk dat ik enkel als samensteller zou fungeren. Het zou mijn vuurdoop als curator worden en dat bezorgde me koudwatervrees.

K.B./D.P.: Waarom heb je uiteindelijk toegehapt?

F.E.: Omdat ik een dergelijk initiatief noodzakelijk vond! Het NICC wilde protesteren tegen de plannen van de Provinciale Deputatie met het P.C.B.K. Ik maakte me daarover eveneens grote zorgen.

K.B./D.P.: Wat vond je zorgwekkend aan die plannen?

F.E.: Dat de actuele beeldende kunst in Limburg op een zijspoor zou belanden! In De Morgen stelde Sylvain Sleypen, Gedeputeerde van Cultuur, dat het Begijnhof een multimediaal expositiecomplex zou worden ‘voor globale totaalprojecten die zich op een breder publiek richten’. ‘Jonge beeldende kunst kan daar een facet van zijn, als het past’, voegde hij eraan toe. Stel je voor: het Provinciaal Museum voor Beeldende Kunsten was sinds haar ontstaan in 1959 de enige grote instelling in Limburg die zich op de hedendaagse beeldende kunst toelegde. Daar kon en mocht men niet aan tornen. Het NICC pleitte terecht voor het volledige behoud van de werking van het P.C.B.K.

K.B./D.P.: In hetzelfde artikel stelde Sleypen ook nog het volgende: ‘Met de aanstelling van Piet Vanrobaeys wilden we het beperkte aanbod in het museum openbreken, maar we hebben vastgesteld dat daar geen publiek voor is’.

F.E.: Met Piet Vanrobaeys was in 1996 nog gekozen voor iemand die resoluut de kaart van het experiment trok. Aanvankelijk genoot hij volop de steun van het provinciebestuur. Zo schreef Sleypen naar aanleiding van de experimentele groepstentoonstelling Openstelling – waarvoor Joëlle Tuerlinckx, die het concept had bedacht, een kleine 20 kunstenaars had uitgenodigd – dat het P.C.B.K. ‘nogmaals bewezen had het internationale uithangbord van de hedendaagse beeldende kunst bij uitstek te zijn’. Een half jaar later werd Vanrobaeys door diezelfde Sleypen aan de deur gezet omdat de nieuwe kunstvormen die hij bracht te weinig bezoekers zouden lokken. Ik heb dat – samen met veel collega’s in de provincie – als een schaamteloze knieval voor het dictaat van de ‘kijkcijfers’ en als een heuse kaakslag voor de actuele kunst beleefd. De situatie rond het P.C.B.K. was hét actiepunt van de Limburgse afdeling van het NICC, die omstreeks dezelfde tijd van start ging onder de naam Collectief NICCHasselt en waarvan, naast ikzelf, Gert Robijns, Jan Carlier en Herman Maes deel uitmaakten.

K.B./D.P.: Welk soort acties hebben jullie ondernomen?

F.E.: Vanaf augustus 1998 oefenden wij systematisch druk uit op het provinciebestuur opdat men werk zou maken van een ernstig beleid inzake hedendaagse beeldende kunst, waarbij we als kunstenaars ook inspraak eisten. Ik kon het alleen maar toejuichen dat de Raad van Beheer van het NICC eveneens aandacht aan de Hasseltse problematiek wilde besteden. Ik vond het bovendien een uitstekend idee om dat door middel van een tentoonstelling te doen.

K.B./D.P.: Het resultaat is de groepstentoonstelling Door de smeerpijp (10 september – 24 oktober 1998), die werk van zes kunstenaars omvatte: Ricardo Brey, Jan Carlier, Walter Daems, Mauro Pawlowski, Els Vanden Meersch en Jethro Volders. Merkwaardig is dat de tentoonstelling niet in Limburg plaatsvond – de provincie waar het allemaal om te doen was – maar in de nieuwe ruimte van het NICC aan de Pourbusstraat te Antwerpen, die op dat moment nog in renovatie was. Was het niet logischer geweest om de tentoonstelling in Limburg te organiseren?

F.E.: Ik begrijp jullie opmerking, maar er was een goede reden om dat juist niet te doen.

K.B./D.P.: Welke?

F.E.: We wilden aangeven dat er in Limburg geen plaats meer was voor kunstenaars, dat ze op brutale wijze uit de provincie verdreven werden. Het was een manier om de gedwongen emigratie van de Limburgse kunstenaars aan te klagen.

K.B./D.P.: Slechts vier van de zes kunstenaars – Jan Carlier, Walter Daems, Mauro Pawlowski en Jethro Volders – zijn van Limburg afkomstig. Els Vanden Meersch is een Antwerpse kunstenares, Ricardo Brey een in Gent woonachtige Cubaan.

F.E.: Ja, dat klopt.

K.B./D.P.: Een verklaring voor de deelname van Brey vinden we wellicht in het reeds geciteerde verslag: ‘Luc Tuymans stelt voor het potentieel van Hasselt te benadrukken, uitgebreid met minstens één internationale figuur.’ Kan het zijn dat jij Brey op aangeven van Tuymans hebt geselecteerd?

F.E.: Ik herinner me dat niet precies, maar het is best mogelijk. Tuymans en Brey kenden elkaar goed. Ik geloof dat ze met elkaar hadden kennisgemaakt tijdens Documenta IX (1992), waar ze beiden aan hadden deelgenomen.

K.B./D.P.: En waarom nodigde je Els Vanden Meersch uit?

F.E.: Ik had Els even voordien ontmoet toen ik gastdocent was in het H.I.S.K., waar zij een postacademische opleiding volgde. Afgezien van Brey heb ik enkel kunstenaars uitgenodigd die ik persoonlijk kende: met Jethro Volders was ik eveneens in het H.I.S.K. in contact gekomen; Walter Daems en Jan Carlier zijn kunstenaars van mijn generatie, die evenals ikzelf in Limburg wonen en daardoor haast vanzelfsprekend tot mijn kennissenkring behoren, en met Mauro Pawlowski had ik kennisgemaakt naar aanleiding van de reeds genoemde tentoonstelling Too much inner voice and real images (1997); die samenwerking was me zo goed bevallen dat ik absoluut opnieuw met hem wilde samenwerken. Maar natuurlijk vormde mijn persoonlijke band met de kunstenaars niet het enige selectiecriterium. Ik wilde in de eerste plaats een goede tentoonstelling maken. Ik begreep best dat het NICC op een expositie met Limburgse kunstenaars aanstuurde, maar nog belangrijker vond ik de coherentie van het project. Els mocht dan wel een Antwerpse zijn, vanuit artistiek oogpunt vond ik dat ze erbij hoorde.

K.B./D.P.: Wat waren je artistieke uitgangspunten?

F.E.: Dat is een moeilijke vraag. Het is vast geen toeval dat alle zes kunstenaars installaties maken. Er zat geen enkele typische schilder of beeldhouwer in de selectie. Ik vind het evenwel lastig om mijn uitgangspunten te expliciteren. Ik heb mijn keuzes in de eerste plaats op intuïtieve gronden gemaakt.

K.B./D.P.: Heb jij de werken gekozen?

F.E.: Nee, alle kunstenaars kregen carte blanche. De accrochage verzorgde ik samen met Gert Robijns, die me aldoor met raad en daad had bijgestaan. Els Vanden Meersch werkte als enige ter plekke: ze creëerde een soort landschap, waarbij ze onder meer werkte met het poeder van een arduinsteen. Voorts bestond de installatie uit zwart-witfoto’s die ze van de steen had gemaakt en die ze op de grijze vloer legde – de hele installatie was in een allesoverheersend grijs ondergedompeld. Ricardo Brey, Jan Carlier, Walter Daems en Jethro Volders stelden elk een bestaand werk voor. Ik kon me telkens uitstekend vinden in hun keuze.

K.B./D.P.: Kan je iets over hun bijdragen vertellen?

F.E.: Walter Daems’ inbreng bestond uit een rechthoekige metalen structuur, die opgedeeld was in vakken en overspannen was met nylonkousen. Tussen die panty’s waren allerlei fragiele en vaak transparante objectjes aangebracht: plastic fruitschaaltjes en darmpjes – al dan niet bewerkt – glazen bolletjes, stukjes haar… Het geheel kon als een kamerscherm in de ruimte worden geplaatst. Het was een heel mooi werk. Van Jan Carlier herinner ik me vaagweg een metalen karretje waar hij blacklightbuizen in had gestoken en een schedel op had gezet. De bijdrage van Ricardo Brey heette Oxidations en bestond uit twee tekeningen op zwaar karton die boven elkaar werden gepresenteerd en die met de meest diverse materialen waren bewerkt – acryl, olieverf, zand, potlood en het pigment Kasselse aarde… Mauro Pawlowski’s bijdrage was een schriftje met strafwerk, dat hij in een vitrine had opengelegd. Alle pagina’s waren volgeschreven met de zin ‘Don’t fuck your children’. Jethro Volders ten slotte presenteerde een reusachtige foto waarop hijzelf te zien was… terwijl hij in lichterlaaie stond. Hij had een geïmproviseerd brandweerpak aangetrokken – een natte training met een jeansbroek en een overall eroverheen – en zichzelf vervolgens in brand gestoken! Omringd door gretig likkende vlammen, toverde hij een brede glimlach op zijn gelaat, alsof het vuur hem totaal niet kon deren. Volders maakte bijzonder schokkend werk. Niet dat hij bewust wilde choqueren, maar wat hij deed, was heel confronterend.

K.B./D.P.: Werden het destructieve geweld in het werk van Volders of het strafwerk van Pawlowski in verband gebracht met de feiten die jullie wilden aanklagen – de ‘destructie’ van de plaats van de hedendaagse kunst in Limburg en de ‘bestraffing’ van Limburgse kunstenaars?

F.E.: Ik geloof niet dat die link werd gelegd. Dat vond ik trouwens ook niet wenselijk. Ik wilde niet dat de kunst ten dienste zou worden gesteld van een politieke agenda.

K.B./D.P.: Voor de tentoonstelling koos je wel een politiek klinkende titel: Door de smeerpijp. Kan je die keuze toelichten?

F.E.: Kennen jullie het verhaal van de fameuze smeerpijp Limburg-Antwerpen? Die ‘pijp’ was in de jaren 70 aangelegd om het afvalwater van een groot aantal Limburgse fabrieken via het Albertkanaal naar de Schelde in Antwerpen te leiden. Het project kostte waanzinnig veel geld, maar heeft uiteindelijk nooit gediend waarvoor het bedoeld was. In de jaren 90 kwam het zelfs tot een gerechtelijk onderzoek waarbij verschillende politici van de toenmalige CVP [thans CD&V] die bij de aanbesteding betrokken waren – in de eerste plaats de Limburger Leo Delcroix – in opspraak kwamen. Via het beeld van die smeerpijp wilde ik aangeven dat Limburgse kunstenaars zich gedwongen zagen om elders betere oorden op te zoeken.

K.B./D.P.: Je zou de titel nog een stuk ‘vuiler’ kunnen lezen: de kunstenaars worden geloosd als afval…

F.E.: Ik weet dat Door de smeerpijp allerlei connotaties oproept omdat het woord ‘smeer’ – van bijvoorbeeld ‘smeergeld’ – erin voorkomt, maar mij ging het er enkel om de ‘vluchtroute’ van Limburg naar Antwerpen aan te geven.

K.B./D.P.: Als je de titel leest, verwacht je een uiterst polemische, radicaal politieke tentoonstelling — een tentoonstelling die de problematiek van de hedendaagse kunst in Limburg in onbedekte termen aan de orde stelt, met documenten of via geëngageerde kunst.

F.E.: Ik zeg niet dat die interpretatie geen steek houdt, maar het was niet mijn intentie dat de titel op de kunstwerken zelf zou worden betrokken. Ik zei het al: ik wilde niet dat de kunst ten dienste zou worden gesteld van een politieke agenda.

K.B./D.P.: Waarom koos je dan zo’n polemische titel?

F.E.: Om de penibele situatie in Hasselt aan te klagen! Ik vind dat je een onderscheid moet maken tussen de aanleiding van de tentoonstelling en de artistieke inhoud ervan. Voor mij zijn dat twee verschillende dingen. Dát de tentoonstelling plaatsvond, had een politieke reden — daar liet de titel Door de smeerpijp geen twijfel over bestaan. Maar de artistieke inhoud moest daar in mijn ogen los van staan. Precies omdat de kunstenaars in Limburg zo schandalig werden behandeld, vond ik het belangrijk dat de tentoonstelling een onvoorwaardelijk vertrouwen in de autonomie van de kunst zou uitstralen.

K.B./D.P.: Hoe verliep de opening? 

F.E.: Volk was er genoeg, maar ik vond het jammer dat er zo weinig mensen van het NICC waren komen opdagen. Ik had gehoopt dat we op die avond hadden kunnen doorbomen over de problematiek van de actuele kunst in Limburg.

K.B./D.P.: Drie dagen later, op 13 september, werd daar evenwel gelegenheid toe geboden in de Monty te Antwerpen, waar in het kader van de tentoonstelling een avond plaatsvond onder de titel Naar een politiek van de kijkcijfers. Op het programma stonden lezingen van Julian Heynen en Piet Vanrobaeys, en een debat gemodereerd door Jef Lambrecht, met als – aangekondigde – panelleden Koen Brams, Lief Brijs, Chris Dercon, Benedicte Jacobs, Sylvain Sleypen, Piet Vanrobaeys en Jan Vermassen. Wat is er zoal gezegd?

F.E.: Eerlijk, ik herinner me daar niets meer van.

D.P.: Koen, jij was ook van de partij?

K.B.: Vreemd genoeg heb ik er al even weinig van onthouden!

F.E.: Wat me wel is bijgebleven, is dat Sylvain Sleypen zijn kat had gestuurd. Ik vond dat beneden alle peil. Ik was woest op hem! Toevallig liep ik de Gedeputeerde enkele dagen later op het lijf tijdens de pauze van een theatervoorstelling. Prompt vroeg ik hem waarom hij het niet nodig had gevonden om naar Antwerpen te komen. Sleypen reageerde gepikeerd en binnen de kortste keren waren we in een verhitte discussie beland. Het liep totaal uit de hand! Het gesprek eindigde abrupt toen een danig opgewonden Sleypen zijn mening over kunstenaars ten beste gaf.

K.B./D.P.: En die luidde?

F.E.: Weet je wat hij zei? ‘Ik heb mijn buik vol van die kunstenaars. Geef mij een zwembad, blote vrouwen en een paar flessen whisky, en ik maak ook kunst!’ Ziedaar hoe de Gedeputeerde van Cultuur van de Provincie Limburg werkelijk over kunstenaars dacht. Ik heb mijnheer Sleypen na dat statement meteen een goedenavond gewenst.

K.B./D.P.: Twee weken later, op 27 september 1998, werd de tentoonstelling – in jouw afwezigheid – geëvalueerd door de Raad van Beheer van het NICC. De teneur was niet bepaald positief. ‘Dit is een tentoonstelling zoals er overal één kan zijn’, merkte iemand op; ‘er is nu geen enkel werk dat op de problematiek van ons uitgangspunt – Hasselt – inspeelt’, kloeg iemand anders. Iets evenwichtiger klinkt de Evaluatie na 1e Hasselttentoonstelling en debat die opgesteld werd door Artistiek Commissaris Guillaume Bijl, die verontschuldigd was op de genoemde vergadering. Bijl schrijft: ‘Kwalitatief en organisatorisch is deze tentoonstelling bevredigend, maar wijkt visueel niet veel af van een klassieke groepstentoonstelling […].’ Over de artistieke kwaliteit was Bijl dus positief, maar hij deelde de kritiek van andere kunstenaars dat het NICC geen verschil maakte met deze tentoonstelling. Het was een tentoonstelling zoals die eender waar had kunnen plaatsvinden.

F.E.: Ik heb die commentaar opgevangen. Ik heb er ook met een aantal mensen van het NICC – onder wie Guillaume Bijl – over gediscussieerd, al herinner ik geen details meer van die gesprekken.

K.B./D.P.: Kon jij die kritiek onderschrijven?

F.E.: Eigenlijk wel, ja. Misschien had ik de problemen die met de organisatie van zo’n tentoonstelling gepaard gaan toch een beetje onderschat. Het was mijn eerste tentoonstelling. Ik had niet voor niets geaarzeld om aan die opdracht te beginnen.

K.B./D.P.: Na Door de smeerpijp komt jouw naam nog enkele keren voor op de aanwezigheidslijsten van de Raad van Beheer van het NICC. Wat heb je daar nog ingebracht?

F.E.: Het klinkt misschien vreemd, maar er is mij bitter weinig van die vergaderingen bijgebleven. Allicht behoorde ik niet tot de actiefste leden van de Raad van Beheer? Op een gegeven moment heb ik het bijwonen van de vergaderingen in Antwerpen trouwens gestaakt omdat ik vond dat ik me in de Limburgse afdeling van het NICC nuttiger kon maken. Er was dan ook werk aan de winkel. Na het ontslag van Vanrobaeys lag het P.C.B.K. helemaal op apegapen. Wie dacht dat het provinciebestuur op zoek zou gaan naar een opvolger, kwam bedrogen uit. Om de zalen van het P.C.B.K. te vullen, mochten intussen allerlei gelegenheidscuratoren en galeristen een nummertje komen opvoeren. Het was beschamend hoe men de zaken op zijn beloop liet. Er was alle reden om de druk op de Deputatie nog op te voeren.

K.B./D.P.: Wat hebben jullie precies ondernomen?

F.E.: Ikzelf heb onder meer namens het Collectief NICCHasselt een brief gericht aan de Deputatie om de laksheid van het provinciebestuur aan te klagen. We eisten dat het bestuur op het vlak van het provinciale Kunstenbeleid met een visiedocument zou komen en hamerden er ook op dat het Collectief NICCHasselt en de Limburgse kunstenaars bij de besluitvorming zouden worden betrokken. Wat later, op 10 juni 1999, hebben we ook een brief naar Jan Hoet gestuurd, in de hoop dat we hem een publieke stellingname over de Hasseltse impasse konden ontlokken. Helaas liet Hoet niets van zich horen. In maart-april 1999 organiseerde Jan Carlier op zijn beurt een tentoonstelling om de Hasseltse situatie aan te klagen: Museum onder Water. Ice Breakers, een groepstentoonstelling met François Curlet, Dmitry Dulfan, Babis Kandilaptis, Michael Dans, Jan Van Den Dobbelsteen, Franciska Lambrechts, The Paradise Boys (Jethro Volders en Filip Dingenen), Alexander Petrelli & de Peppers groep en ikzelf. Dit keer vond de tentoonstelling wél in Limburg plaats, namelijk in het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten zelf! Carlier had de traphal van het museum onder water gezet en zich teruggetrokken in een caravan, die hij op het dak van het P.C.B.K. had geïnstalleerd: een krachtige metafoor voor de situatie waarin het instituut zich bevond. François Curlet had een van de zalen tot een ijszee getransformeerd; centraal was een groot gat geslagen waar enkel een ijzeren visgraat uitstak. Franciska Lambrechts toonde een filmmontage waarin een vrouw vruchteloos probeerde om een vlek van een traptrede te schrobben. In tegenstelling tot Door de smeerpijp had Carlier de uitzichtloze situatie van het P.C.B.K. als uitgangspunt genomen voor de tentoonstelling, en waren er verschillende werken die je met het voorwerp van zijn aanklacht kon verbinden.

K.B./D.P.: Hebben al die acties iets opgeleverd?

F.E.: Dat is moeilijk te zeggen… Een definitieve oplossing voor het P.C.B.K. heeft in ieder geval erg lang op zich laten wachten. Pas in 2001 werd met Jan Boelen een nieuwe directeur benoemd. Wat later, in 2002, is het P.C.B.K. tot Z33 herdoopt, een centrum dat zich voornamelijk toelegt op de presentatie van hedendaagse beeldende kunst en vormgeving. Was dat de ideale oplossing? Ik had liever gezien dat het Hasseltse Begijnhof een vrijplaats voor artistiek experiment was gebleven.

K.B./D.P.: Wat is er verder met het Collectief NICCHasselt gebeurd?

F.E.: Dat is omstreeks de start van Z33 een stille dood gestorven. Ik vond dat niet zo erg. De formule waarvoor de provincie had gekozen, was weliswaar verre van ideaal, maar met de oprichting van Z33 was niettemin een einde gesteld aan een jaren durende patstelling. In die zin had het Collectief geen echte bestaansreden meer.

K.B./D.P.: Eigenlijk geef je daarmee ook aan dat jouw engagement in het NICC vanaf het begin helemaal draaide om wat er met het P.C.B.K. was gebeurd.

F.E.: Laat ik het iets ruimer formuleren: ik heb me in het NICC geëngageerd omdat ik het belangrijk vond dat een vrijplaats voor actuele kunstvormen en experimenten zou blijven bestaan in Limburg. Het P.C.B.K. had bovendien niet alleen een nationale, maar ook een internationale roeping. Voor het behoud van dergelijke instituten heb ik altijd een lans willen breken.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Dirk Pültau

 

De auteurs danken Laura Coosemans voor haar onderzoekswerkzaamheden ten behoeve van dit gesprek in het kader van haar stage. Dank ook aan Fred Eerdekens, de kunstenaars die deelnamen aan Door de smeerpijp en Josine De Roover van het NICC.

Een verhaal uit Limburg

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1996 werd je aangesteld als ‘instellingsverantwoordelijke’ van het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten (P.C.B.K.) in Hasselt. Je volgde Urbain Mulkers op, die in het najaar van 1995 een nieuwe functie was aangeboden in de administratie van de Provincie Limburg. Hoe was jij te weten gekomen dat er een vacature was in het P.C.B.K.?

Piet Vanrobaeys: Het was alom bekend. Dat kon je ook afleiden uit de ruime opkomst van gegadigden voor die vacature.

K.B./D.P.: Op 10 oktober 1995 verscheen in Het Belang van Limburg een artikel waarin een aantal ‘kandidaten’ werden voorgesteld: René Geladé, Bart De Baere, Lief Brijs, Luk Lambrecht, Jan Kenis en Frank Hendrickx. Van alle genoemden kwam alleen Luk Lambrecht ervoor uit een sollicitatiebrief te hebben gericht aan Sylvain Sleypen, de toenmalige Gedeputeerde van Cultuur van de Provincie Limburg.

P.V.: Luk Lambrecht heb ik niet gezien tijdens het examen, Bart De Baere was wel aanwezig. Bart was favoriet, dat was mijn overtuiging. Hij maakte deel uit van de selectiecommissie die het programma bepaalde in de huisjes van het Begijnhof. Hij kende de gang van zaken in het Provinciaal Centrum zeer goed. Iedereen ging ervan uit dat hij de job in de wacht zou slepen.

K.B./D.P.: Je vermeldde reeds dat er een examen werd georganiseerd. Was dat een schriftelijke proef?

P.V.: Ja, eerst was er een schriftelijke test, die collectief georganiseerd werd. Ik heb nog een levendige herinnering aan de autorit naar Hasselt. Er was een enorme file op de Brusselse ring. Het ging geen meter vooruit. Op een gegeven moment reed ik naast een auto waarin Bart De Baere en Hans Martens zaten. Echt hilarisch. Toen we uiteindelijk in het lokaaltje binnenstoven, zaten alle Limburgse kandidaten op hun nagels te bijten. Ze hadden op ons moeten wachten. Het examen omvatte een verhandeling en een vragenlijst. Vraag me niet welke vragen moesten worden beantwoord, want dat weet ik niet meer. Ik herinner me wel dat het zaaltje afgeladen vol zat; er waren wel veertig kandidaten, meen ik. Wie zat daar allemaal? Bart, Hans, Joris Capenberghs, Anna Geukens, Ronald Van de Sompel… De kandidaten die na het schriftelijk examen overbleven, werden uitgenodigd voor een mondelinge proef.

K.B./D.P.: Welke herinnering heb je aan dat gesprek?

P.V.: Ik meen dat er nog maar een drietal kandidaten in de running waren. Ik was echt in vorm die dag — logisch, ik was net vader geworden.

K.B./D.P.: Had je na de mondelinge proef eerst nog een gesprek met Sylvain Sleypen, de Gedeputeerde van Cultuur?

P.V.: Ja, maar toen wist ik al dat de keuze op mij was gevallen. Nog voor ik officieel bericht had gekregen van de Provincie, had Luk Lambrecht mij al tijdens een vernissage toevertrouwd dat ik directeur zou worden: ‘Proficiat, het zal voor u zijn.’ Weinig later werd dat nieuws ook in de media gebracht. Sleypen was not amused. Ik herinner me ook dat er veel tijd overheen ging voordat de Provincie de knoop doorhakte.

K.B./D.P.: Je eerste contact met de Gedeputeerde verliep dus een beetje in mineur?

P.V.: Sleypen was gepikeerd, maar wat had ik met dat lek te maken?

K.B./D.P.: Wist jij wie voor het lek verantwoordelijk was?

P.V.: Neen. Luk Lambrecht had voordien de tentoonstelling Dialogues (26 november 1994 – 22 januari 1995) gerealiseerd in het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten. Misschien had hij daar goede contacten met ambtenaren van de Provincie aan overgehouden?

K.B./D.P.: Voordat je aan de slag ging als instellingsverantwoordelijke van het P.C.B.K., was je actief als curator van de door jou gestichte Gentse vereniging Opus Operandi. Je realiseerde er onder meer projecten van Honoré d’O, Joëlle Tuerlinckx en Francis Alÿs. Heb je in Gent nog tentoonstellingen gemaakt nadat je in dienst van het Provinciaal Centrum kwam?

P.V.: Neen, neen, er was me van bij aanvang meegedeeld dat ik daarmee moest stoppen. Ik heb daar ook meteen gevolg aan gegeven. Men was bang voor belangenvermenging.

K.B./D.P.: Was je voorganger Urbain Mulkers nog aanwezig toen jij aan je opdracht begon op 1 augustus 1996? Heeft hij jou de spreekwoordelijke sleutels overhandigd?

P.V.: Neen, ik heb Mulkers enige tijd later bij toeval in het provinciehuis ontmoet. We hebben elkaar daarna nog verschillende keren gesproken. Urbain was niet mals voor de Limburgse politiek. Jarenlang was hij tegengewerkt, vertelde hij me. Urbain had op een bepaald moment zelf aangestuurd op een andere functie omdat hij de inmenging van de politici spuugzat was. Hij was hoofd van de Grafische Dienst van de Provincie geworden.

K.B./D.P.: Wie leidde dan het Provinciaal Centrum voordat jij er als instellingsverantwoordelijke van start ging?

P.V.: Anna Geukens en Steven Dusoleil waren de twee hoogsten in rang. Ik vermoed dat zij de dagelijkse leiding op zich hadden genomen.

K.B./D.P.: Toen jij aan je mandaat begon, liep in het Provinciaal Centrum de expo Hebben wij het geweten, georganiseerd door Annemie Van Laethem, die de gelijknamige galerie runde in Rekem.

P.V.: Vanaf het vertrek van Urbain werd de programmatie door externe curatoren verzorgd. Na Hebben wij het geweten ging de expo Artificial flowers van start, geïnitieerd door Hilde Teerlinck. Heeft Mulkers de keuze voor Annemie en Hilde nog gemaakt? Het zou me niet verwonderen. Mij kwam het goed uit dat het programma van 1996 al vaststond. Het gaf me tijd om een beleidsplan te schrijven en het programma voor 1997 uit te werken.

K.B./D.P.: Wat waren de hoofdlijnen van je beleidsplan?

P.V.: Ik heb dat niet meer precies op mijn netvlies. Ik weet wel dat ik een programma met zowel lokale, als nationale en internationale accenten voorstelde. Die mix vond ik erg belangrijk.

K.B./D.P.: Reageerde de Gedeputeerde positief op je beleidsplan?

P.V.: Laten we het erop houden dat hij gematigd positief was. Heel enthousiast was hij zeker niet. De volgende anekdote is wat dat betreft sprekend: in een vergadering met Sleypen werd ik een keer door zijn adviseur Jean-Pierre Dewael gepolst of het geen goed idee was om een thematische tentoonstelling op te zetten voor een ruim publiek. ‘Over welk onderwerp?’, vroeg ik. Weet je wat hij antwoordde? ‘Een tentoonstelling over de zee.’ In Hasselt, stel je voor!

K.B./D.P.: Wat was jouw reactie op die suggestie?

P.V.: Ik repliceerde dat ik niet had meegedongen naar de functie van instellingsverantwoordelijke om dat soort plannetjes te verwezenlijken. Het was vlug duidelijk dat we niet op dezelfde golflengte zaten. In het beleid van de Gedeputeerde van Cultuur stonden twee ordewoorden centraal: ‘innovatie’ en ‘gemoedelijkheid’. Als je met een project rond nieuwe media kwam aanzetten, zat je gegarandeerd goed. Maar daarnaast wou men ook dat alles ‘gemoedelijk’ was. Hoe ‘innovatief’ te rijmen was met ‘gemoedelijk’ heb ik nooit begrepen. Waar ik ook mee geconfronteerd werd, was de haast dwangmatige gedachte om Limburgse kunstenaars voor het voetlicht te brengen. Dat werd me al duidelijk bij mijn eerste klusje. Sleypen vroeg me om in de herfst van 1996 een project uit te werken in Stokkem. Het moest razendsnel gaan, want men stond nog nergens toen ik de opdracht kreeg. Ik arriveerde in Stokkem in augustus en begin september moest de tentoonstelling opengaan. Ik benaderde de Gentse schilder Philippe Tonnard, maar er moest ook een Limburger aan te pas komen. Ik kwam uiteindelijk terecht bij Willy Van Parijs. Tonnard en Van Parijs realiseerden het project Nieuwe bewoners geven Stokkem kleur.

K.B./D.P.: Waarom was Stokkem de locatie?

P.V.: Dat is me nooit duidelijk geworden. Is Sleypen niet afkomstig van een dorp bij de Maas? Het project was in ieder geval al vastgelegd toen ik op 1 augustus aan de slag ging in het Provinciaal Centrum. Het moest en zou gebeuren.

K.B./D.P.: Hoe ging je daarna om met de eis om Limburgse kunstenaars een podium te bieden?

P.V.: Ik wilde elk jaar een groot project verwezenlijken met een Limburgse kunstenaar. Het eerste jaar kwam ik daar nog niet aan toe — het was een plan op middellange termijn. De eerste die op mijn lijstje stond, was Jef Geys. Ik nam contact met hem op en hij stemde toe op voorwaarde dat Roland Patteeuw de curator van de tentoonstelling zou worden. Voor mij was dat geen probleem. Maar wat bleek? In het Kabinet van de Gedeputeerde viel die selectie niet goed: ‘Hij is van Balen, dat is eigenlijk Limburg niet; het is geen echte Limburger.’ Ik wist niet wat ik hoorde!

K.B./D.P.: Met welke andere Limburgse kunstenaars had je plannen?

P.V.: Jan Carlier — hem wilde ik ook een grote tentoonstelling aanbieden. Naar dat soort persoonlijkheden was ik op zoek. Maar het hoefden volgens mij niet altijd grote projecten te zijn. In de huisjes van het Begijnhof vonden voortdurend exposities plaats met overwegend Limburgse kunstenaars — soms zelfs meerdere tegelijkertijd. Ik vond dat niet meer dan normaal. De tentoonstellingsaanvragen werden ingediend door lokale verenigingen en het was de selectiecommissie die de uiteindelijke beslissing nam. Die commissie werd evenwel na mijn komst opgedoekt, zodat de programmatie een verantwoordelijkheid van het PCBK werd. Ondertussen was er wel een band met lokale verenigingen ontstaan en die relatie werd in de programmering verdergezet.

K.B./D.P.: Welke verenigingen waren bij de werking van het Begijnhof betrokken?

P.V.: Labo – een vereniging die zich inzet voor vormgeving – stuurde geregeld voorstellen in. In het Begijnhof gingen onder meer ook een tentoonstelling van de Provinciale Hogeschool Limburg en het 5th international Seminar on Photography door. Soms dienden zich ook kunstenaars aan, zoals het Nederlands-Limburgse duo Anke Schäfer en Desirée Palmen. Nederlandse Limburgers of kunstenaars uit de Euregio (Nederlands Limburg, Aken, Luik) hadden een streepje voor op de anderen. Eerst Limburg, dan de Euregio, en ten slotte Vlaanderen, dat was de juiste volgorde. Als er geen voorstel was binnengekomen, lag de bal in mijn kamp. Op het einde van 1996 organiseerde ik in een van de huisjes een project van Walter Daems en Jårg Geismar. Het was eigenlijk Walter zelf die met het voorstel was gekomen om het gaatje in de kalender op te vullen. Geismar was een vriend van hem. In de lente van 1997 programmeerde ik zelf de tentoonstelling Anna komt zo met Gert Robijns, Johan De Wit, Willo Gonnissen en Honoré d’O. Dat was een boeiend kwartet: twee Gentenaren en twee Limburgers.

K.B./D.P.: Waarom had jij er in je beleidsplan niet voor gepleit om de volledige programmatie van het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten, inclusief de Begijnhofsite, in handen te krijgen?

P.V.: Ik ging ervan uit dat men die plaatselijke verenigingen een dienst wilde bewijzen en achtte het raadzaam daar niet in tussen te komen. Het ging in feite om een verkapte subsidiëring en ik wilde mijn vingers niet verbranden door die vorm van ondersteuning in vraag te stellen of in andere banen te leiden.

K.B./D.P.: Of kwam het jou gewoon goed uit dat al die lokale verenigingen kansen boden aan Limburgse kunstenaars of vormgevers, zodat jij je daar niet meer mee moest bezighouden?

P.V.: Dat speelde uiteraard ook mee.

 

2.

K.B./D.P.: In 1997 ging je eigen programma van start in het Provinciaal Museum. Jouw eerste tentoonstelling was getiteld Maakt kunst staat? en omvatte kunstwerken die tussen 1992 en 1996 waren aangeschaft door de Minister van Cultuur van de Vlaamse Gemeenschap op advies van de Vlaamse Commissie Beeldende Kunst (V.C.B.K.). Hoe was je op het idee gekomen om dat project te realiseren?

P.V.: Theo Claes, Limburger en lid van de Commissie Beeldende Kunst, was me komen polsen of ik er iets voor voelde om een expo op te zetten met werken uit de collectie van de Vlaamse Gemeenschap. Het concept was brandnieuw. Voordien was het gebruikelijk dat de aanwinsten van de Vlaamse Gemeenschap om de twee jaar werden gepresenteerd in het M HKA. Het ging dan om een ‘uitstaltentoonstelling’: een expositie van nagenoeg alle aankopen. Theo stelde me voor een echte keuze te maken, niet uit de aankopen van de afgelopen twee jaar, maar uit de aanwinsten van de voorbije vijf jaar. Belangrijk om te vermelden is tevens dat de Commissie Beeldende Kunst zelf een nieuw aankoopbeleid had uitgestippeld. In plaats van honderden kleine werken aan te schaffen, opteerde de V.C.B.K. ervoor om museale stukken te verwerven. Het was dus echt de moeite om aan de resultaten van dat nieuwe beleid een tentoonstelling te wijden. Ik kreeg bovendien carte blanche: ik mocht kiezen wat ik wou presenteren. Het was een waar plezier om die expo samen te stellen en de werken te accrocheren. Zonder erg veel financiële middelen te spenderen, was ik toch in staat een zeer goede tentoonstelling te maken. Ik was ook zeer onder de indruk van de ruimtelijke mogelijkheden van het Provinciaal Museum. De expo kon op bijval rekenen van het publiek en kreeg ook veel goede pers, onder meer in De Morgen en De Standaard, maar in Limburg had ik het meteen verkorven.

K.B./D.P.: In Het Belang van Limburg verscheen inderdaad een ontzettend giftig artikel. De kop sprak voor zich: Slappe beeldende kost in Provinciaal Museum. ‘‘Topkwaliteit’ zou er volgens de brochure te zien zijn. Maar njet, de expo ‘Kunst maakt staat’, is behalve elitair en doodvervelend ook nogal magertjes’. En nog: ‘Vergeleken met de kloof tussen de MB (Modale Belg) en hedendaagse kunst, is de Grand Canyon een spleet. Dat de beeldende kunst zich genoegzaam teruggetrokken heeft in een ivoren burcht en er zich in eigen jargon en esthetische normen wentelt, is bekend.’ Verder werd ook het feit gelaakt dat er geen werk van Limburgse kunstenaars te zien was.

P.V.: Er was wel een werk van Jef Geys opgenomen, maar zoals ik al zei, werd hij niet als een Limburger aanzien. Dat er geen Limburgers in zaten, kwam me duur te staan, maar ik had daar gewoon niet bij stilgestaan. Ik was daar totaal niet mee bezig geweest… Weten jullie hoe ik op dat artikel gereageerd heb?

K.B./D.P.: Neen.

P.V.: Op de achterkant van een kopie van het artikel tikte ik het volgende citaat van Georges-Nicolas Géricault, de vader van de wereldberoemde Franse kunstenaar Théodore Géricault (1791-1824): ‘Ik heb mijn zoon noch zijn werk ooit begrepen. Ik ben een homme d’affaires et de loi. De kunst boeit me niet. Ik heb geen moeite dat te bekennen. Het bestaan heb ik ervaren als een harde, simpele en fantasieloze uitdaging. Al het andere lijkt me gevaarlijke onzin. Wat hebben de schilderijen van mijn zoon betekend of veranderd in de wereld? Niets, compleet niets. Niemand wil ze zelfs hebben. Zijn stem was als die van een vereenzaamde wolf, maar — zoals u weet — wolven roeit men uit. Het spijt me, maar de offers en toewijding die mijn zoon koppig verspilde aan zoiets onnuttigs als de kunst lijken me schandalig.’ Kopie en citaat liet ik aan Peter Dupont bezorgen, een van de twee auteurs van het stuk. Het document hing ik ook uit aan de balie van het Provinciaal Centrum.

K.B./D.P.: Kende jij Peter Dupont voordat je zijn artikel las?

P.V.: Nee, totaal niet. Ik had hem moeten kennen, ik had moeten investeren in contacten met de pers, dat neem ik mezelf kwalijk, maar ik hield het niet voor mogelijk dat iemand in 1997 nog op een extreem negatieve manier zou schrijven over een kunstenaar als Panamarenko. Dupont had aartsconservatieve ideeën over hedendaagse kunst — ideeën die in het Antwerpse, Brusselse en Gentse veertig jaar eerder voorgoed begraven waren. Wellicht was Dupont echter geen reactionaire eenzaat en waren er méér die dachten zoals hij? Maar ik had dat citaat niet naar hem mogen sturen. Dat was niet verstandig.

K.B./D.P.: Had het nijdige artikel in ‘Het Belang’ effect? Werd je erop aangesproken?

P.V.: Het was een valse start. De stemming was meteen negatief. Dat verbeterde er niet op toen er een dossier met valse aantijgingen jegens mij opdook.

K.B./D.P.: Valse aantijgingen?

P.V.: Ja, je houdt het niet voor mogelijk, maar toch is het gebeurd: iemand had zich de moeite getroost om brieven te bundelen, zogenaamd van mijn hand maar niet ondertekend, waarin ik mij minachtend uitsprak over Limburg en Limburgse kunst. Dat valse gerucht wilde men de lucht insturen. Daarnaast werd ik er ook van beschuldigd om de bezoekersaantallen te hebben opgesmukt. Die laatste verdachtmaking kon ik onmiddellijk weerleggen: de vervalste bezoekerscijfers hadden betrekking op tentoonstellingen van mijn voorganger. Heel slim hadden mijn belagers het dus niet aangepakt, maar de beschadiging was een feit. Het was duidelijk dat sommigen mij buiten wilden.

K.B./D.P.: Wie was volgens jou verantwoordelijk voor die operatie?

P.V.: Een belangrijk detail is dat de brieven waren gemaakt op computers van het Provinciaal Centrum. In het P.C.B.K. liepen tal van mensen rond, niet alleen personeelsleden, maar ook personen die bijvoorbeeld aan een tijdelijk project werkten. Sommigen streken daar neer, vertoefden er enkele maanden en verdwenen dan weer. Ik heb vermoedens wie erachter zat, maar ik kan die niet hard maken en doe er dus het zwijgen toe.

K.B./D.P.: Het is curieus dat zowel Duponts vileine tekst als het pakket vervalste brieven reeds tijdens de eerste maanden van je mandaat als instellingsverantwoordelijke opdoken.

P.V.: Dat het zo snel ging is merkwaardig, ja. Het zal te maken hebben gehad met Maakt kunst staat? Achteraf begreep ik dat vele Limburgers die tentoonstelling als betuttelend hebben ervaren. Er heerste in Limburg een gevoel van achterstelling. Die tentoonstelling van Vlaamse kunst wees hen daar nog eens op — volgens henzelf tenminste. ‘De Vlamingen moeten zich hier niet komen moeien’, die reflex overheerste. Als velen die mening toegedaan zijn, dan sta je daar machteloos tegenover. De keerzijde van dat minderwaardigheidscomplex jegens de Vlamingen was de trots Limburger te zijn. Het gaat dan om het zogenaamde Limburggevoel, dat enorm werd aangezwengeld door de plaatselijke krant, Het Belang van Limburg. Geen wonder dat iemand als Sleypen ooit actie heeft ondernomen om het Limburgse dialect niet alleen te beschermen, maar zelfs te bevorderen.

K.B./D.P.: Werd het dossier met de valse beschuldigingen overgemaakt aan Sleypen?

P.V.: Niet rechtstreeks. Het kwam eerst bij de redactie van Het Belang van Limburg terecht. Het Belang heeft het vervolgens aan Sleypen overgemaakt. De macht van dat dagblad kan niet worden overschat. In geen enkele provincie in Vlaanderen is de penetratiegraad van een regionale krant zo groot. Het Belang wikt en beschikt in Limburg.

K.B./D.P.: Heeft Sleypen je over het dossier aangesproken?

P.V.: Ja, er zou ook een intern onderzoek zijn gevoerd, maar het dossier zelf heb ik nooit te zien gekregen. De reactie van Sleypen was: ‘Laat dat maar zo.’ Ik vroeg hem nog of ik geen klacht tegen onbekenden moest indienen, maar hij wimpelde dat af. Ik heb de zaak laten rusten, wellicht ten onrechte.

K.B./D.P.: Kreeg je enige feedback van Sleypen of zijn adviseur op de tentoonstelling Maakt kunst staat? en op het symposium Beleidsbevraging Beeldende Kunst dat je in de context daarvan organiseerde?

P.V.: Nee, niet dat ik me herinner.

K.B./D.P.: Had je het symposium al in gedachten toen je de expo organiseerde? Zag je het als een twee-eenheid?

P.V.: Zonder meer. Er was in de Vlaamse Gemeenschap iets aan het bewegen; het was belangrijk om diverse betrokkenen — filosofen, sociologen, kunstcritici, tentoonstellingsmakers, beleidsmensen — daarover aan het woord te horen.

K.B./D.P.: Voor Beleidsbevraging Beeldende Kunst was ook slechts één Limburger uitgenodigd, Joannes Késenne.

P.V.: Késenne doceerde aan de Provinciale Hogeschool Limburg (P.H.L.), maar woonde toen naar ik meen wel in Brugge. Ik had er meer Limburgers bij betrokken moeten hebben.

 

3.

K.B./D.P.: Tussen Maakt kunst staat? en de volgende tentoonstelling verstreken twee maanden. Waarom was er in die tijd niets te zien in het P.C.B.K.?

P.V.: De tweede tentoonstelling, Openstelling, naar een concept van Joëlle Tuerlinckx, was een zeer zwaar project — en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Ik had geen seconde over om aan een programma tussen die twee tentoonstellingen te denken.

K.B./D.P.: Hoe kwam Openstelling tot stand?

P.V.: Ik wou absoluut een tentoonstelling met Joëlle organiseren. Ik geloof dat ik haar eerst gevraagd had een monografische tentoonstelling te maken in het museum. Daarover hebben we lange tijd gediscussieerd en toen kwam zij met het voorstel om er andere kunstenaars bij te betrekken. Langzaamaan groeide het idee om een procesmatige expo op te zetten waarbij we kunstenaars wilden betrekken die in hun praktijk reflecteren over tijd en ruimte. Ik had al enige ervaring met projecten waarbij ik als curator de kunstenaar in zijn gedachtenontwikkeling poogde te volgen, zoals bijvoorbeeld het project Swallow met Manfredu Schu, Aernout Mik en Honoré d’O in 1994 in het Museum Dhondt-Dhaenens. We wisten absoluut niet waar we zouden uitkomen. Het was een experiment.

K.B./D.P.: Hoe verliep de samenwerking met Joëlle Tuerlinckx?

P.V.: Het was een groot avontuur, even meeslepend als uitputtend. Ik was voortdurend in gesprek met haar en vergat de rest. Ik had wellicht een strakkere regie moeten voeren, maar zoiets ligt gewoon niet in mijn aard. Achteraf gezien denk ik dat ik de juiste keuze maakte. Openstelling was een grandioos project.

K.B./D.P.: Aan de expo namen 19 kunstenaars deel. Werden die allemaal door Tuerlinckx gekozen?

P.V.: Grotendeels — ik heb ook namen gesuggereerd, bijvoorbeeld Daniel Faust, Suchan Kinoshita en Bernard Piffaretti. Maar het heeft eigenlijk geen zin om de deelnemerslijst of de tentoonstelling uit te splitsen op basis van wie met namen of ideeën was komen aandraven. Het was een bijzonder organisch en associatief proces. Terecht betrok Joëlle er ook haar vrienden bij, Orla Barry, Christoph Fink, Michel François, Thibaut Halbardier & Philippe Van Cutsem, Ann-Veronica Janssens… De discussies over de onderwerpen die Joëlle boeiden, liepen al jaren tussen hen. Ze verstonden elkaar blindelings.

K.B./D.P.: In de selectie zaten ook een aantal ‘conceptuelen’ van de eerste generatie: Stanley Brouwn, Douglas Huebler, On Kawara, Guy Mees…

P.V.: We vonden het interessant om die kunstenaars te confronteren met een jongere generatie die hun inzichten verwerkt had. We wilden verbanden op het spoor komen. Dat was een belangrijke inzet van de tentoonstelling.

K.B./D.P.: Vele deelnemers aan Openstelling hadden eerder geëxposeerd in de Galerie Micheline Szwajcer in Antwerpen.

P.V.: De enige reden die ik daarvoor kan aanhalen, is dat Szwajcer ook voor het werk van die kunstenaars belangstelling had, zowel voor de ‘oudere’ conceptuelen als voor de jongere generatie. Meer moet je daar niet achter zoeken.

K.B./D.P.: Je hebt Openstelling zelf al als een bijzonder zwaar project gekarakteriseerd. Dat had onder meer te maken met het openingsprogramma dat in totaal 144 uren besloeg.

P.V.: Dat was een ongelofelijke krachttoer. Het museum was volledig leeggemaakt, het was dag en nacht ononderbroken open, 144 uur lang, en er vonden lezingen, films en artist’s talks plaats, met onder anderen Edwin Carels, Moritz Küng en Anny De Decker. ’s Nachts stonden vooral films geprogrammeerd, maar er vond ook een lezing van Bart De Baere om 4 uur ’s morgens plaats! Een van de hoogtepunten was zonder meer de voordracht La fin des certitudes van Ilya Prigogine over de notie ’tijd’. Een fenomenale gebeurtenis. Het was enorm veel werk geweest om dat allemaal georganiseerd te krijgen.

K.B./D.P.: Was het openingsprogramma op dezelfde manier tot stand gekomen als de tentoonstelling, in dialoog tussen jou en Joëlle Tuerlinckx?

P.V.: Ja.

K.B./D.P.: Werd het programma druk bijgewoond?

P.V.: Ik denk dat er zo’n 350 mensen op afkwamen. Slecht vond ik dat niet. Sommige bezoekers bleven een hele dag hangen; de sfeer was goed. Het was een belevenis. Het lege museum was gevuld met wisselend licht: Joëlles bijdrage — een computergestuurde manipulatie van het licht in de museumzalen. Zo was het museum ook de hele tijd in de stad als een lichtsculptuur actief. Na de ’tentoonstelling’ van het lege museum, ook bekend als The Frame of Time (Ouverture) — van 23 juni tot 29 juni 1997 — gingen de deuren dicht. Joëlle begon dan met de eigenlijke opbouw van de tentoonstelling, die het publiek kon volgen door de ramen van het Provinciaal Museum en op videoschermen. Op 4 juli 1997 ging de expo open, Openmuseum (Propositions) getiteld. Ik was bijzonder opgetogen over het resultaat. Joëlles lichtsculptuur bleef actief zodat de tentoonstelling er op elk moment anders uitzag; er ontstonden interessante interferenties met de werken van de andere kunstenaars. 

K.B./D.P.: De tentoonstelling werd in Vlaanderen zeer goed onthaald. Was dat ook jou indruk?

P.V.: Ja, maar aan het thuisfront zorgde ze opnieuw voor misnoegen. Ik had Limburg weer slecht bediend: in Openstelling was er zelfs geen enkele Limburgse deelnemer te bekennen.

K.B./D.P.: Van de hand van Peter Dupont hebben we geen artikel gevonden, maar wel van Joannes Késenne, die eerder deelgenomen had aan het symposium Beleidsbevraging Beeldende Kunst. De titel van zijn artikel in Het Belang van Limburg voorspelde niet veel goeds: Het geklepper van Tuerlinckx.

P.V.: Het was een heel denigrerend tekstje. ‘Nieuwsgierigen kunnen via beeldschermen volgen wat hare majesteit binnen bekokstooft’: zoiets schrijf je toch niet. Hij had het ook minachtend over ‘de kunst van het rondhossen’. Ik was er niet over te spreken. Joëlle evenmin. Tijdens de opening stapte ze op Késenne af, met zijn artikel in de hand, zeggende: ‘Bonjour monsieur, je vous le redonne.’ Késenne was ongelofelijk pissig.

K.B./D.P.: Een van de geruchten die in Vlaanderen de ronde deed toen de tentoonstelling op zijn einde liep, was dat het budget voor de realisatie ervan enorm overschreden zou zijn geweest. Klopte dat?

P.V.: Ja, daarover moet ik niet rond de pot draaien. In mijn blinde enthousiasme had ik op haast alle voorstellen van Joëlle ja gezegd. Ik verloor het budget uit het oog en op het einde van de rit was er een deficit van om en bij 1 miljoen Belgische frank (25.000 €). Dat was een zware professionele fout.

K.B./D.P.: Hoe reageerde de Provincie daarop?

P.V.: Ik moest het gaan uitleggen aan de Gedeputeerde. Uiteindelijk werd ik gevraagd om voor de voltallige Deputatie te verschijnen en me te excuseren. Dat heb ik ook gedaan omdat ik vond dat het niet hoorde wat ik had aangericht. Je moet binnen het budget blijven. Punt.

K.B./D.P.: In de Limburgse pers werd er met geen woord over het deficit gerept.

P.V.: Gelukkig, mochten ze dat geweten hebben, dan hadden ze het breed uitgesmeerd in de kolommen van Het Belang. Ze hadden er blijkbaar geen hoogte van gekregen.

K.B./D.P.: Openstelling liep tot 7 september 1997. Nog voor het einde van de expo verscheen er een interview met de Gedeputeerde van Cultuur in Het Belang van Limburg, opgetekend door Peter Dupont en Koenraad Nijssen. Opvallend: Sleypen nam jou in bescherming. Hij zei onder meer: ‘de expo rond Joëlle Tuerlinckx was gewoon een goed idee.’ En over de Limburgse vertegenwoordiging: ‘het klopt dat zijn twee expo’s geen Limburgse poot hadden. […] Maar als hij de Limburgse sien kent, ben ik er zeker van dat dit verandert. […] Vanrobaeys zal de Limburgse link versterken. Volgende zomer komt er bijvoorbeeld een kunstroute door de Hasseltse binnenstad.’

P.V.: Ik wou de band met Limburg versterken, dat klopt. Naar mijn mening sloot het ene het andere niet uit. Zoals ik al zei, beoogde ik een mix van regionale, nationale en internationale kunst. Ik wist alleen niet dat ik zo zwaar zou worden afgerekend op de afwezigheid van Limburgse deelnemers in de twee eerste tentoonstellingen.

K.B./D.P.: Een tweede opmerkelijke uitlating van Sleypen betreft zijn inschatting van de Limburgse kunstscene: ‘Op kunstenvlak loopt Limburg nog altijd achterop. Veel getalenteerde kunstenaars hebben we niet en het publiek voor hedendaagse kunst is miniem. […] We willen niet aan collectievorming doen. Alleen Limburgs werk kopen, zou ons in provincialisme doen verzanden.’

P.V.: Hoe meer jullie citeren, hoe meer sympathie ik voor hem begin te krijgen!

K.B./D.P.: In het krantenartikel komen we ook te weten dat aan de Italiaanse architect Tobia Scarpa — de zoon van de wereldvermaarde architect Carlo Scarpa — de opdracht was gegeven om een plan te tekenen voor de herinrichting van de Begijnhofsite. Was jij bij de keuze van Scarpa betrokken geweest?

P.V.: Neen, ik weet zelfs niet wie die keuze heeft gemaakt.

K.B./D.P.: Of is je ooit verteld waarom Scarpa die opdracht had gekregen? Het is toch enigszins contradictorisch dat voor de renovatie van het Begijnhof een Italiaan werd gekozen, terwijl het voor de rest Limburg Boven was.

P.V.: Had Scarpa een voet in Limburg? Was er een connectie? Ik heb echt geen idee.

K.B./D.P.: Heb jij Scarpa ooit ontmoet?

P.V.: Nee, die eer was me niet gegund.

K.B./D.P.: Is het niet vreemd dat de baas van het Provinciaal Centrum niet gehoord wordt als het gaat over de renovatie van zijn infrastructuur?

P.V.: Misschien was de keuze vóór mijn aanstelling gemaakt? Ik weet het niet. Ik kreeg nu en dan een uitnodiging om te kijken hoe de plannen evolueerden. Er werden alsmaar nieuwe maquetjes gepresenteerd. Het was bepaald indrukwekkend; het Begijnhof en het Museum zouden een echte landmark worden. Ik vroeg me wel af hoeveel dat zou gaan kosten en of de Provincie dat kon betalen, en ik vroeg me nog méér af waarom die vragen nooit publiekelijk werden gesteld.

K.B./D.P.: Uiteindelijk is er van het plan van Scarpa niets in huis gekomen.

P.V.: Ik had de indruk dat Scarpa’s plan als een bliksemafleider gebruikt werd. De mensen dachten dat het provinciebestuur goed bezig was. Het ging er de Deputatie vooral om dat signaal uit te zenden. Telkens Sleypen aan het woord kwam, kondigde hij nieuwe en nog megalomanere plannen aan. Er kraaide geen haan naar dat die vervolgens in de prullenmand belandden.

 

Finito

K.B./D.P.: Na Openstelling vond in het P.C.B.K. een solotentoonstelling van Jan Van Imschoot plaats. Gastcurator was Bart Cassiman.

P.V.: Bart had zich bij me aangemeld. Hij deed me een hele reeks voorstellen, waaronder een monografische expo van Jan Van Imschoot. Toen ik dat hoorde, werd ik meteen enthousiast. Ik vind Jan een straffe kunstenaar en ik had er vertrouwen in dat hij en Bart er iets goeds van zouden maken. Het was een project dat ik zelf ook had willen doen, maar ik liet de eer graag aan Bart.

K.B./D.P.: Het was de eerste overzichtstentoonstelling van Jan Van Imschoot?

P.V.: Ja, en die kwam niets te vroeg. Jan stelt vragen en hij maakt confronterende beelden, bijvoorbeeld de reeks schilderijen op basis van de foto’s van François Aubert die de executie van keizer Maximiliaan vastlegden. Indrukwekkende doeken. Politieke en maatschappelijke uitspraken schuwt Jan niet en hij gaat maar door. Hij neemt geen blad voor de mond, hij is heel direct, ‘avec les pieds dans le plat’. Het Provinciaal Museum, met die ontzettend mooie ruimtes, leende zich ook tot een tentoonstelling van schilderkunst. Ik speelde in die tijd ook met het idee om Marthe Wéry uit te nodigen.

K.B./D.P.: Gelijktijdig met de solo van Van Imschoot ging ook een groepstentoonstelling van start die gemaakt werd door Ardi Poels en Nicolette Gast: (P)reservations.

P.V.: Zij hadden me met dat idee benaderd en ik was erop ingegaan.

K.B./D.P.: Wat was de inzet van die tentoonstelling?

P.V.: Het was een tentoonstelling die kunst en ecologie thematiseerde.

K.B./D.P.: Suchan Kinoshita en Honoré d’O namen er onder meer aan deel; jij had hen zelf ook al eens uitgenodigd, respectievelijk voor Openstelling en Anna komt zo.

P.V.: Het kwam me op de kritiek te staan dat ik altijd met dezelfde kunstenaars werkte, maar dat was toeval. Alle deelnemers aan (P)reservations waren immers door Ardi en Nicolette geselecteerd.

K.B./D.P.: Heeft Steve Stevaert, die toen burgemeester van Hasselt was, de tentoonstelling bezocht? Het was een onderwerp dat hem had kunnen boeien.

P.V.: Bij mijn weten niet. Vernissages heeft hij zeker nooit bijgewoond, ik heb hem althans nooit ontmoet.

K.B./D.P.: Heb jij ooit contact met hem gezocht?

P.V.: Neen, dat had ik moeten doen. Ik erken dat. Ik had een appartementje moeten huren in Hasselt en ik had er vaak moeten toeven. Ik was er veel te weinig. In de week in Hasselt en in het weekend in Gent, zo had ik het moeten aanpakken. Ik had het veld moeten verkennen, met alle protagonisten gesprekken moeten aangaan en moeten nagaan met wie ik deals kon sluiten. Dat heb ik allemaal niet gedaan en dat was fout. Ik was te veel in Gent, bij mijn gezin. Ik wou mijn relatie ook niet onder druk zetten. Ik wou die twee combineren: een gezin in Gent en werk in Hasselt, maar dat was in feite niet haalbaar. In maart 1998 barstte de bom. Ik werd ontslagen met onmiddellijke ingang — vanaf 1 april 1998 om precies te zijn.

K.B./D.P.: Hoe werd je daarvan op de hoogte gebracht?

P.V.: Ik werd ontboden op het kabinet van Sleypen…

K.B./D.P.: …wist je wat er boven je hoofd hing?

P.V.: Nee, ik was compleet verrast. Sleypen zei: ‘Het is niet meer haalbaar.’ Hij gaf het een draai: mijn ontslag zou kaderen in een nieuwe visie op het P.C.B.K.

K.B./D.P.: Wat was jouw reactie toen Sleypen jou dat meedeelde?

P.V.: Het was een koude douche. Ik was triest, ontgoocheld en kwaad tegelijk.

K.B./D.P.: In een artikel van Peter Dupont in Het Belang van Limburg gaf Sleypen toelichting bij zijn beslissing: ‘[…] zijn ontslag past in onze nieuwe millenniumplannen. […] In de elf Limburgse kantonhoofdplaatsen komt er tegen het jaar 2000 een millenniumkunstwerk. […] De Begijnhof-site wordt ingrijpend gerenoveerd en haar functie — dus ook die van het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten – verandert radicaal; het Begijnhof-team wordt volledig geherstructureerd, het expo-beleid slaat een totaal nieuwe weg in. Miljoenen franken uitgeven voor het handvol bezoekers dat hier een expo komt bekijken, dat kan niet meer.’

P.V.: Is er iets van die millenniumplannen in huis gekomen? Is de Begijnhof-site ingrijpend gerenoveerd? Ik dacht het niet.

K.B./D.P.: Sleypen maakte een bocht van 180 graden. In september 1997 had hij nog met lof over jou gesproken, nota bene in diezelfde krant, Het Belang van Limburg: ‘Vanrobaeys betekent een opening naar buiten, hij heeft onze geloofwaardigheid een stukje vergroot. Ook niet-Limburgse kunstenaars lijken de weg naar Hasselt gevonden te hebben.’ Zes maanden later moest plots het hele Provinciaal Centrum op de schop.

P.V.: Maar van die plannen is totaal niets in huis gekomen! In mijn ogen was er iets helemaal anders aan de hand.

K.B./D.P.: Wat dan?

P.V.: Ik denk dat Het Belang haar slag heeft thuisgehaald. Er was in die krant een beeld van mij opgehangen dat niet meer kon worden gecorrigeerd, ook niet door Sleypen. Vergeet niet dat de politieke wereld in Limburg toen sidderde en beefde voor Het Belang – en wellicht nu nog. Toen Sleypen merkte dat mijn positie onhoudbaar was in de ogen van Het Belang, is hij overstag gegaan. Hij was in het defensief beland en bracht een offer om zelf politiek te kunnen overleven. Zo zit de politiek in elkaar, niet alleen in Limburg trouwens.

K.B./D.P.: In het zonet genoemde artikel stelde Peter Dupont onder meer: ‘Zijn aanstelling is altijd omstreden geweest. Vanrobaeys kreeg een hele waslijst verwijten naar het hoofd.’ Hij deed of anderen die bagger op je hadden uitgestort, maar was er eigenlijk zelf het meest voor verantwoordelijk.

P.V.: Zoals ik al zei: Het Belang heeft een cruciale vinger in mijn ontslag gehad. Dat is mijn overtuiging tot op de dag van vandaag.

K.B./D.P.: Dupont kwam zelfs terug op dat valse dossier en schreef ook dat jij ‘vooral jouw Gentse vrienden programmeerde’.

P.V.: Ik bracht geen Limburgers en wel mijn Gentse vrienden, dat was Duponts mantra. Dat ik met Joëlle en Honoré samengewerkt had in Gent en daarna opnieuw in Hasselt was hem een doorn in het oog. Ik had met plezier met hen in Opus Operandi gewerkt en in Hasselt waren ze wellicht nog nooit te zien geweest. Voor mij was het logisch dat ik met kunstenaars werkte van wie ik het oeuvre kende en waardeerde. Je toont toch wat je goed vindt? Ik had er in ieder geval geen enkel belang bij, zeker geen commercieel.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er na het gesprek met Sleypen?

P.V.: Omstreeks de bekendmaking van mijn ontslag ging net de tentoonstelling met A. Harold Barreiro, Gert Robijns en Hans Op de Beeck open. Ik had met het werk van Gert en Hans kennisgemaakt in het H.I.S.K. Ik was er enorm van onder de indruk en besloot hun werk te combineren met dat van A. Harold Barreiro. De ironie van het lot was dat Gert Robijns een Limburger is.

K.B./D.P.: Was het een groepstentoonstelling of waren het drie solo’s?

P.V.: Het waren drie solo’s. Het museum was in drieën verdeeld. Na de opening heb ik mijn bureau leeggemaakt en ben ik vertrokken. Ik heb nooit nog een voet in het P.C.B.K. gezet. Het programma dat ik had ingediend bij de Deputatie — en dat was goedgekeurd — is wel uitgevoerd, maar niet door mij.

K.B./D.P.: Op jouw programma stonden nog de tentoonstellingen Zinnen-beelden van Joshua Rozenman, Transient Drapery van Maquette (Dirk Hendrikx & Matthew Stokes) en een duotentoonstelling van Jef Geys en Fabrice Hybert.

P.V.: Rozenman had een grote tentoonstelling gehad in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij maakte sculpturen met zeep en chocola. Ik heb hem met Peter Verhelst in contact gebracht. Zij hebben later nog een aantal projecten gedaan. Met Dirk Hendrikx van Maquette had ik kennisgemaakt via Lucas Vandenabeele, die samen met Hendrikx en Stokes een mimeopleiding had genoten bij Etienne Decroux in Parijs. Maquette had deelgenomen aan De Rode Poort, de openingstentoonstelling van het S.M.A.K. in Gent. Transient Drapery in het Provinciaal Museum was een van hun laatste projecten; daarna viel de groep uiteen.

K.B./D.P.: De tentoonstelling van Jef Geys heb je niet gezien? 

P.V.: Neen, ik kon het niet over mijn hart krijgen om het Provinciaal Centrum te bezoeken. De combinatie Geys/Hybert vond ik wel een uitstekend uitgangspunt, toen Patteeuw met dat voorstel kwam.

K.B./D.P.: Geys’ tentoonstelling ging traditioneel gepaard met de uitgave van het Kempens Informatieblad. Had hij daar met jou over gesproken?

P.V.: Nee, Jef heeft er mij zelf niet over gecontacteerd. Roland Patteeuw had mij wel om een tekst verzocht. Ik wist dus dat er iets op til was, maar dat het hele Informatieblad aan het P.C.B.K. en mijn ontslag gewijd was, was een verrassing — een aangename en leerrijke, moet ik eraan toevoegen. Iedereen had een uitnodiging gekregen van Jef om te reageren. De nevenschikking van al die opinies in het Informatieblad vond ik zeer sterk. Dat er een enorme verscheidenheid van visies — en zelfs tegenstrijdige — op eenzelfde gegeven werd gebracht, vond ik zeer goed. Die contradicties maken duidelijk dat betekenissen geconstrueerd worden en dat ze contextueel bepaald zijn. Inhoudelijk kon ik het Informatieblad dus helemaal onderschrijven, maar het was voor mij persoonlijk ook enorm confronterend.

K.B./D.P.: Het NICC greep jouw ontslag aan om het Limburgse kunstenbeleid onder vuur te nemen. Er werd ook een lokale afdeling gesticht waarvan Gert Robijns, Fred Eerdekens, Herman Maes en Jan Carlier de drijvende krachten waren. Heb jij ooit contact met hen gehad?

P.V.: Neen, ik kreeg wel een uitnodiging om deel te nemen aan een debat in de Monty in Antwerpen, in het kader van Door de smeerpijp, de eerste tentoonstelling van het NICC.

K.B./D.P.: Heb je die NICC-tentoonstelling gezien?

P.V.: Nee.

K.B./D.P.: Wat was je bijdrage aan het debat in de Monty?

P.V.: Ik heb de tekst voorgelezen, die in het Kempens Informatieblad was afgedrukt.

K.B./D.P.: Je maakt in die tekst een analyse die vrijwel identiek is aan wat je ons nu meer dan 15 jaar later vertelt. Een citaat: ‘Het is dan ook binnen de denkrichting van regionale politici begrijpelijk dat zij voor wat de cultuur betreft, eerder belangstelling zullen vertonen voor de recreatieve aspecten dan voor de educatieve of vormende, eerder voor het ontspannende dan voor het inspannende of zoekende. […] Tegenover de vaststelling van het bestaan van bijvoorbeeld een anti-intellectualistisch klimaat bestaat de kans dat, indien deze stroming voldoende kwantitatief is, zij niet remediërend maar (na)volgend wordt benaderd. In dezelfde zin kan het voorkomen dat het uitdragen van enigszins extreem regionalistische standpunten eerder aangewakkerd dan getemperd zal worden.’

P.V.: Het was een allusie op de almacht van ’t Belangske. Van die woorden neem ik inderdaad niets terug. Ondertussen is het allemaal geschiedenis, al blijf ik daarin graag optimistisch. Geschiedenis kan een prima leerschool zijn, die ervoor zorgt dat tijden kunnen veranderen.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan Tim Toubac en Lien Daenen (Z33), Anna Geukens en Robert Nouwen (Provincie Limburg), en Joëlle Tuerlinckx.

1989-2003

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1989 werd Chantal De Smet aangesteld als directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.). Welke veranderingen bracht dat met zich mee?

Wim Van Mulders: Vooreerst hanteerde Chantal een andere bestuursstijl dan Pierre Vlerick. Ze stelde zich veel afstandelijker op tegenover het docentenkorps. Bij Vlerick stond de deur van de directeurskamer altijd open en kon je gewoon binnenlopen als er iets op je lever lag. Als je Chantal wilde spreken, moest je weken op voorhand een afspraak maken en kreeg je amper de tijd om uit te leggen waarvoor je gekomen was. Daarnaast ontstond een heuse vergadercultuur. Concreet werd er een vakgroep Theoretische Omkadering opgericht die voortdurend samenkwam. In de talrijke vergaderingen van de vakgroep werden allerlei normen en regels besproken. We werden verplicht aanwezigheidslijsten bij te houden en te noteren welke studenten tijdens drie opeenvolgende lessen afwezig waren. Zij zouden definitief uitgesloten worden. We moesten de examenvragen vooraf indienen bij het secretariaat en een verslag van elke examinandus afleveren. Enzovoort, enzovoort.

K.B./D.P.: Heb jij absenties afgenomen?

W.V.M.: Niet volgens de regels. Ik heb bijvoorbeeld nooit de namen van de studenten afgeroepen om hun aanwezigheid te controleren. Meestal vulde ik pro forma in dat iedereen aanwezig was, waarbij ik af en toe een ‘afwezige’ registreerde om de lijst geloofwaardig te maken. Ik had totaal geen zin om de studiemeester uit te hangen. Met tucht wilde ik niets te maken hebben. Ik weet niet of al die regels er op initiatief van Chantal zijn gekomen, maar bij haar aantreden begon het K.A.S.K. steeds meer op een kleuterschool te gelijken. Discipline, toezicht en straf: aan dat bekende boek van Michel Foucault heb ik in die jaren meermaals moeten denken. De sfeer verbeterde trouwens niet nadat het ‘Decreet betreffende de Hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap’ in 1994 in voege trad. Aan dat Hogescholendecreet, het werkstuk van Vlaams Minister van Onderwijs Luc Van den Bossche, had Chantal De Smet haar medewerking verleend. De schaalvergroting waartoe het Decreet verplichtte, bracht met zich mee dat het K.A.S.K. deel ging uitmaken van de Hogeschool Gent, die de meest diverse opleidingen (ingenieursstudies, vertalers & tolken, sociale wetenschappen, handelswetenschappen, verpleegkunde…) groepeerde. Vanaf de fusie deed de hang naar regelgeving en bureaucratisering zich nog sterker gevoelen.

K.B./D.P.: Zijn er onder Chantal De Smet ook veranderingen inzake de opleiding doorgevoerd?

W.V.M.: Ja, Chantal heeft onder meer de ateliers hervormd. Zo werden de ateliers Fotografie-Film en Toegepaste Grafiek in aparte entiteiten opgesplitst, het eerste in de ateliers Foto en Film, het tweede in de ateliers Grafische Vormgeving, Driedimensionale Vormgeving en Mode- en Textielontwerp. In het atelier Driedimensionale Vormgeving (3D) konden de studenten onder meer video’s maken en performances realiseren. Voorts ging in 1995 het atelier Mixed Media van start, dat geleid werd door Danny Matthys en waar de studenten een ongeziene vrijheid kregen. De oprichting van de ateliers 3D en Mixed Media vond ik een zeer positieve ontwikkeling.

K.B./D.P.: Traden er ook veranderingen op in jouw lesopdracht?

W.V.M.: De eerste jaren niet. Ik bleef titularis van de vakken Kunstactualiteit en Kunstfilosofie die ik zoals voorheen gaf aan studenten van het tweede, derde en vierde jaar. In september 1993 kwam ik voor een verrassing te staan. Aan het begin van het schooljaar vernam ik plots dat ik beide vakken voortaan alleen nog maar in het derde jaar mocht geven. Om aan een voltijdse opdracht te geraken, werd ik verplicht een projectseminarie op te starten.

K.B./D.P.: Werd jou uitgelegd waarom die verandering er kwam?

W.V.M.: Nee, maar ik denk dat je de verklaring bij de aversie van sommige praktijkdocenten voor theorie moet zoeken. Chantal had intens met de ateliertitularissen vergaderd over de hervorming van de ateliers en ik weet dat sommige praktijkdocenten van die gelegenheid gebruik hebben gemaakt om de afbouw van de theorievakken te bepleiten.

K.B./D.P.: Mocht je zelf de inhoud van het seminarie bepalen?

W.V.M.: Ja, gelukkig wel. Mijn eerste seminarie in 1993 had als titel Het museum: etalage voor de kunst? Ik lichtte er de werking van het museum van hedendaagse kunst toe, waarbij ik aandacht besteedde aan de collectievorming, de tentoonstellingsprogrammatie, de presentatiestrategieën en de discursieve omkadering van de kunst. In de daaropvolgende jaren nam ik de voorgeschiedenis van het museum onder de loep. Zo gaf ik een seminarie over de tentoonstelling Wunderkammer des Abendlandes. Museum und Sammlung im Spiegel der Zeit, die van november 1994 tot februari 1995 plaatsvond in de Kunst- und Ausstellungshalle der Bundesrepublik Deutschland te Bonn, en belichtte ik de wortels van het museum in de 18e eeuw – de eeuw van de Verlichting – waarbij ik de relatie van het museum met de 18e-eeuwse Encyclopedie van Diderot en d’Alembert toelichtte. Ik legde uit dat het museum en de Encyclopedie modellen van de Verlichting zijn om de wereld toe te eigenen. De Encyclopedie was echter gericht op vooruitgang, de groei van kennis en de verspreiding ervan. Het is pas in de 19e eeuw dat het museum deze inzichten van de Encyclopedie overnam en zich als vertegenwoordiger van het historische bewustzijn opwierp. Later heb ik een seminarie gehouden over het boek Le musée imaginaire van André Malraux en het Mouse Museum (1965-1977) van Claes Oldenburg – zijn fictieve ‘minimuseum’ in de vorm van Mickey Mouse waarin hij onder meer de relatie tussen museale en consumptiecultuur aan bod bracht. Ik probeerde de thema’s van mijn seminarie te betrekken op hedendaagse kunst, maar vaak lukte dat niet. In het vak Kunstactualiteit moest ik me dan weer tot de meest recente kunst beperken. Voorheen besteedde ik veel aandacht aan de voorlopers van de hedendaagse kunstenaars van wie ik het werk besprak; door de inperking van mijn lesopdracht was ik echter gedwongen dat gedeelte te laten vallen. Men heeft mij in de laatste jaren van mijn docentschap veel ontnomen. Dat neemt niet weg dat ik de actuele kunst in de jaren 90 nog intens gevolgd en besproken heb. Volgens mij maakte de kunst in dat decennium een interessante ontwikkeling door.

 

2.

K.B./D.P.: Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen die je in het vak Kunstactualiteit aan de orde stelde?

W.V.M.: De jaren 90 werden mijns inziens door twee fundamentele verschuivingen gekenmerkt. Tot eind jaren 80 werd de hedendaagse kunst volledig gedomineerd door de westerse wereld. In 1989 organiseerde Jean-Hubert Martin echter de tentoonstelling Magiciens de la terre in het Centre Pompidou en de Grande Halle de la Villette te Parijs. Magiciens de la terre omvatte werk van een honderdtal kunstenaars, waarvan de helft afkomstig was uit landen die deel uitmaakten van de westerse kunstwereld – Europa en Noord-Amerika – en de andere helft uit niet-westerse landen. Met die tentoonstelling kwamen er voor het eerst barsten in het gesloten bastion van de westerse kunstwereld. Magiciens de la terre kreeg echter veel kritiek omdat de tentoonstelling zou suggereren dat de westerse kunst (vertegenwoordigd door onder anderen Abramovic, Anselmo, Baldessari, Bourgeois, Buren, Byars, Haacke, Rebecca Horn, Kiefer, Long, Merz, Muñoz, Polke, Wall, Weiner…) esthetisch superieur was ten opzichte van de ‘marginale’ kunst van de kunstenaars uit Afrika, Latijns-Amerika, Azië en Australië. Een tweede belangrijke ontwikkeling in de jaren 90 betrof de toenemende onoverzichtelijkheid van de hedendaagse kunst. Tot midden jaren 80 kon je kunstenaars in richtingen onderbrengen zoals minimal art, conceptuele kunst, land art, fundamentele schilderkunst, nieuwe schilderkunst… Vanaf de jaren 90 werd dat onmogelijk. Het lineaire kunsthistorische verhaal, met zijn opeenvolging van stijlen en stromingen, werd onbruikbaar. De kunstproductie zag er ‘rhizomatischer’ uit, om een tot cliché verworden begrip van Gilles Deleuze en Félix Guattari te gebruiken. De kunst ging alle richtingen uit. Ook de klassieke opdeling in media zoals schilderkunst, beeldhouwkunst of fotografie bood geen houvast meer; er waren immers steeds meer kunstenaars die werk maakten waarin alle mogelijke media met elkaar vermengd en gecombineerd werden. Die beide ontwikkelingen hadden een grote impact op mijn lessen.

K.B./D.P.: Heb je lesgegeven over kunstenaars die deelnamen aan Magiciens de la terre?

W.V.M.: Over de niet-westerse kunstenaars niet onmiddellijk. Ik bezat daar toen te weinig informatie over. Magiciens de la terre was voor mij een essentieel breukmoment, maar voor mijn kennismaking met oeuvres van niet-westerse kunstenaars zijn andere tentoonstellingen inspirerender geweest.

K.B./D.P.: Welke?

W.V.M.: Een echte openbaring vond ik America. Bruid van de zon. 500 jaar Latijns-Amerika en de Lage Landen (1992), gerealiseerd door Paul Vandenbroeck in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen: een historische overzichtstentoonstelling over de visuele aspecten van de kolonisatie van Latijns-Amerika door de Lage Landen. Het historische betoog werd aangevuld en doorbroken met werk van hedendaagse kunstenaars uit Latijns-Amerika, die geselecteerd waren door Cathy de Zegher, de drijvende kracht achter Kunststichting Kanaal te Kortrijk. De tentoonstelling stelde onder meer relevante vragen als: in hoeverre was de Europese inmenging in Latijns-Amerika verdedigbaar? Hoe te spreken over een andere cultuur, die tenslotte zelf een lappendeken van verschillende culturen is? Hoe kan men de denkpatronen van diverse Latijns-Amerikaanse culturen tonen binnen het westerse model van de tentoonstelling? Dankzij de toevoeging van het hedendaagse luik ontstond een interessante spanning en wisselwerking tussen ‘centrum’ en ‘periferie’. Om aan het opdringerige westerse tentoonstellingsmodel te ontsnappen opteerde Cathy de Zegher in de eerste plaats voor installaties. Eugenio Dittborn, Jimmie Durham, David Lamelas, Lygia Clark en Ana Mendieta: ik heb ze allemaal in Bruid van de Zon leren kennen. Enige tijd later, in 1995, zag ik in het Kanaal een installatie van de Mexicaan Gabriel Orozco; het jaar nadien maakte ik uitgebreider kennis met zijn werk in de Kunsthalle Zürich. Daarnaast was het nieuwe centrum voor hedendaagse kunst Witte de With in Rotterdam belangrijk voor mijn kennismaking met niet-westerse kunst. Witte de With ontpopte zich onder leiding van Chris Dercon, die directeur was vanaf de oprichting in 1990 tot 1997, tot zowat de eerste grote kunstinstelling in de Lage Landen waar de verschuiving van een westerse naar een geglobaliseerde kunstwereld zichtbaar werd. Ik heb er geweldige tentoonstellingen gezien van de Argentijn Guillermo Kuitca (1990), de Chileen Eugenio Dittborn (1993-1994) en de Braziliaan Hélio Oiticica (1992). Uiteraard heb ik over al de genoemde kunstenaars uitvoerig lesgegeven.

K.B./D.P.: Wat boeide jou in hun werk?

W.V.M.: Bij Ana Mendieta en Lygia Clark werd ik vooral door hun radicale omgang met lichamelijkheid en gender aangesproken. Ik vond het ook interessant dat hun werk aanknopingspunten bood met dat van de Europese performancekunstenaars over wie ik in de jaren 70 had lesgegeven, zoals Marina Abramovic, Gina Pane, Valie Export, Hermann Nitsch, Vito Acconci en Chris Burden. Logisch ook, ze behoorden tot dezelfde generatie.

K.B./D.P.: Waren er ook aspecten in de niet-westerse kunst die je niet bij ‘westerse’ kunstenaars terugvond?

W.V.M.: Ja, wat ik bijvoorbeeld bij Eugenio Dittborn nieuw vond, was dat hij het onomwonden over politiek had.

K.B./D.P.: Hoezo? In de jaren 70 en 80 had je toch ook lesgegeven over politiek geladen kunst?

W.V.M.: Ja, maar Dittborn was veel radicaler. Hij realiseerde mailartprojecten die een eigenzinnige vorm aannamen: op enorme lappen textiel drukte hij bijvoorbeeld foto’s van personen die in zijn land (Chili) vermist werden of om politieke redenen een gevangenisstraf uitzaten. Die doeken verzond hij naar de – in de regel westerse – kunstinstellingen waar hij tentoonstelde. Op die manier bracht Dittborn een verwarrend geheel van politieke relaties en machtsverhoudingen in beeld. Via de voorstellingen op zijn luchtpostprenten had hij het over de relatie tussen onderdrukker en onderdrukte. Door ze te versturen naar westerse kunstinstellingen thematiseerde hij tevens de verhouding tussen de Latijns-Amerikaanse landen die gebukt gingen onder een dictatoriaal regime en het zogenaamde ‘vrije democratische Westen’, én reflecteerde hij over de relatie tussen politiek en kunst. Kunstenaars die zich waagden aan een dergelijke concrete analyse van politieke verhoudingen, was ik in de westerse landen nog niet te vaak tegengekomen, Hans Haacke misschien uitgezonderd. Bij iemand als Beuys – om iemand te noemen die bekendstaat voor zijn politieke engagement – kwamen dergelijke mechanismen bijvoorbeeld totaal niet aan bod. Eigenlijk vond ik dat je via Dittborns werk pas in de gaten kreeg hoe veilig het ‘politieke engagement’ van Beuys wel was. In het werk van Gabriel Orozco vond ik dan weer het ‘antropologische’ aspect van zijn kunstpraktijk interessant. Hij thematiseerde namelijk zijn eigen, Mexicaanse cultuur door op banale en verwaarloosbare objecten en situaties in te zoomen. Met bijvoorbeeld een platte versleten voetbal, blikjes kattenvoer die op meloenen werden geplaatst, een schaakbord met uitsluitend paarden als zetstukken (Horses Running Endlessly, 1994), aan elkaar gelaste fietsen of een middendoor gesneden en versmalde oude Citroën DS (La DS, 1993) etaleerde hij een ontwapenende openheid tegenover de dingen uit zijn directe omgeving.

K.B./D.P.: Welke westerse kunstenaars kwamen aan bod in je lessen in de jaren 90?

W.V.M.: Bij mijn keuze dienaangaande zijn een aantal verschuivingen in het institutionele landschap van groot belang geweest. Tot omstreeks 1990 ging ik voornamelijk naar de grote musea in Nederland – het Stedelijk Museum Amsterdam, het Van Abbemuseum in Eindhoven en – in mindere mate – het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Daarnaast bezocht ik ook geregeld de kunstinstellingen in Nordrhein-Westfalen en Parijs. In 1990 ging echter, zoals gezegd, Witte de With van start in Rotterdam. Nauwelijks twee jaar later opende het Museum voor hedendaagse kunst De Pont in Tilburg de deuren. Een groot deel van de kunstenaars aan wie ik in mijn cursus gedurende de jaren 90 aandacht besteedde, leerde ik in die twee instituten kennen. In Witte de With zag ik — naast de reeds genoemde Latijns-Amerikaanse kunstenaars –indrukwekkende overzichtstentoonstellingen van Hermann Pitz (1991) en Paul Thek (1995), de eerste solotentoonstelling van Joëlle Tuerlinckx (1994) en de fascinerende groepstentoonstelling WATT (1994) – genoemd naar het gelijknamige boek van Samuel Beckett. Aan die expo dank ik mijn kennismaking met het werk van onder anderen Tacita Dean. Ik vond Dercons programma razend interessant. Ik volgde het zo intens dat hij me op een gegeven moment gevraagd heeft om een bijdrage over de tentoonstellingsprogrammatie te leveren voor het vierde nummer (maart 1996) van de Cahiers, de periodieke boekpublicatie die Witte de With als alternatief voor de klassieke tentoonstellingscatalogus uitgaf. In De Pont heb ik onder meer Rosemarie Trockel herontdekt. Als partner van Walter Dahn was ze veel te lang in diens schaduw blijven staan. Mijn dierbaarste herinnering aan De Pont is de kennismaking met Roni Horn. Horns werk is verbonden met IJsland en de fascinatie voor landschappen, water en lucht. Een iconisch werk is haar reeks foto’s van een jong meisje badend in warmwaterbronnen, getiteld You are the weather (1994). Die reeks behoort tot het beste wat de jaren 90 hebben voortgebracht. Ik kon mij als fervent zwemmer volledig identificeren met het water, als oorsprong en eindpunt van het leven. Natuurlijk verloor ik ook musea als het Van Abbe niet uit het oog – ik heb er in 1992 bijvoorbeeld de memorabele tentoonstelling Miss Interpreted van Marlene Dumas gezien, die het begin vormde van een indrukwekkende internationale carrière. In 1996 ontmoette ik er Juan Muñoz, die in het Van Abbe tekeningen, sculpturen en theatrale installaties tentoonstelde. Zijn werk bracht mij uit evenwicht door het bizarre uiterlijk van zijn figuren, door de traagheid die ze evoceren – vaak steunen ze niet op benen, maar balanceren ze op een bol – en doordat ze iets kleiner dan mensen zijn, waardoor ze een onverklaarbaar gevoel van afstand oproepen. Waarschijnlijk hangt zijn beste werk – twee dialogerende figuren hoog in twee bomen (1993) – in het Openluchtmuseum Middelheim van Antwerpen.

K.B./D.P.: Hoe bracht je de toenemende complexiteit van de kunst en de verruiming van het kunstbegrip ter sprake in je lessen?

W.V.M.: Bijvoorbeeld via een kunstenaar als Martin Kippenberger. Ik ben onder meer uitgebreid ingegaan op een van zijn laatste werken: The Happy End of Franz Kafka’s Amerika (Museum Boijmans Van Beuningen, 1994), een installatie die was opgebouwd uit groepjes van tafels en stoelen, die in een rastervormige formatie op een ondergrond van kunstgras waren geplaatst. The Happy End… is een veelduidig werk. Via de tafels en stoelen levert Kippenberger commentaar op arbeids- en machtsverhoudingen. Tegelijk verwijst hij naar literatuur, meer bepaald naar de onafgewerkte roman Amerika van Franz Kafka. In Amerika vertelt Kafka het verhaal van Karl Rossmann. In het korte laatste hoofdstuk bezoekt Rossmann het openluchttheater van Oklahoma en solliciteert er naar werk. Omdat hij geen ingenieursdiploma heeft, dient hij lang aan te schuiven en talrijke interviews te doorstaan. Uiteindelijk gaat hij in het grootste theater ter wereld aan de slag als ‘technisch arbeider’. Met de titel van zijn installatie suggereert Kippenberger de mogelijkheid dat Kafka’s onafgewerkte boek met een happy end eindigt. Een dergelijk werk kan op geen enkele manier worden gecategoriseerd. Het verwijst naar de American dream, het happy end van Hollywood en, in contrast daarmee, naar een deprimerende werkelijkheid. Ik had het dan ook niet makkelijk om Kippenbergers installatie aan de studenten uit te leggen. Zij wisten er geen blijf mee, wat tot lange discussies leidde in de les.

K.B./D.P.: Waarover gingen die discussies precies?

W.V.M.: Weet je wat de studenten me vroegen? ‘Dat is toch een schilder?’ Om Kippenberger te situeren had ik namelijk ook andere werken van de kunstenaar getoond, waaronder schilderijen en tekeningen, en dat bracht hen tot het besluit dat zijn versplinterde oeuvre als ‘schilderkunst’ kon worden beschouwd – zozeer hunkerden ze naar houvast. Ik had alle moeite van de wereld om duidelijk te maken dat zijn werk juist het failliet van dergelijke categorieën aantoonde. Ik legde uit dat een kunstenaar als Kippenberger zich niet meer beperkt tot één medium of één taal. Belangrijk was ook om aan te geven hoe Kippenberger met de idee van zelfexpressie afrekende. De nieuwe schilders van de jaren 80 waren de laatsten die daar nog in geloofden. Voor bepaalde studenten was het echter moeilijk om traditionele zekerheden te laten varen. Gelukkig kon ik in dit geval vertellen dat Kippenberger ook posters en kunstenaarsboekjes maakte, performances realiseerde en dat hij actief was in de muziekwereld. Kippenbergers werk had wortels in de punkbeweging; als je daarmee op de proppen kwam, waren de studenten plots één en al oor.

K.B./D.P.: Gebeurde het dat jij jouw aanpak bijstelde in het licht van de fundamentele verschuivingen in de kunst?

W.V.M.: Jazeker.

K.B./D.P.: Wat deed je dan precies?

W.V.M.: In het geval van Kippenbergers The Happy End of Franz Kafka’s America verplichtte ik de studenten bijvoorbeeld om Kafka’s onafgewerkte roman Amerika te lezen. Ik vond dat je dat boek moest kennen om Kippenbergers werk te begrijpen. Het was niet de enige keer dat ik mijn toevlucht zocht tot een alternatieve aanpak. Ik heb bijvoorbeeld ook een reeks lessen gegeven waarin ik het werk van drie Zuid-Afrikaanse kunstenaars op elkaar betrok: de schrijver John Maxwell Coetzee, beeldend kunstenaar William Kentridge – bekend voor zijn totaalinstallaties en films waarin hij onder meer houtskooltekeningen verwerkt – en de sociaal-geëngageerde fotograaf David Goldblatt. Het ging om drie kunstenaars die uit een totaal andere hoek kwamen, maar ze waren wel alledrie geïnteresseerd in en getraumatiseerd door zowel de geschiedenis als de actuele politieke situatie van Zuid-Afrika – door de impact van het apartheidsregime én de afschaffing ervan. Op die manier trachtte ik zinvolle verbanden te leggen op een moment dat alle traditionele categorieën aan geldigheid hadden ingeboet. Ik bleef dus gemotiveerd om mijn lessen anders op te vatten en nieuwe invalshoeken te bedenken om met recente ontwikkelingen in de kunst om te gaan.

 

3.

 K.B./D.P.: We willen graag terugkomen op het Hogescholendecreet dat op 13 juli 1994 werd ingevoerd. Het Decreet bracht grote institutionele veranderingen met zich mee: schaalvergroting — 164 hogescholen werden in 22 hogeschoolkoepels ondergebracht — nieuwe beleids- en overlegstructuur, nieuwe inschaling van het personeel, nieuwe evaluatiecriteria voor het personeel… Hoe werden jullie in het K.A.S.K. met het Decreet geconfronteerd?

W.V.M.: Wat me eerst en vooral is bijgebleven, zijn de talloze personeelsvergaderingen tijdens dewelke Chantal De Smet – die inmiddels ‘hoofd’ was van het ‘departement Architectuur, Audiovisuele en Beeldende Kunst’ – en een handvol ambtenaren van de administratie van de Hogeschool Gent toelichting gaven over de hervorming. De schaalvergroting, het nieuwe systeem van verloning, de nieuwe regels die met het Decreet gepaard gingen, het werd ons allemaal haarfijn uitgelegd. Ik herinner me ook een vergadering waarin Chantal De Smet onomwonden verkondigde dat alle theorieleraars een doctoraat moesten behalen indien ze niet aan de deur gezet wilden worden. Nochtans had ze voordien beloofd dat iedereen ‘professor’ zou worden. Het Hogescholendecreet maakte namelijk een onderscheid – volgens universitair model – tussen docenten en assistenten, waarbij enkel docenten een vaste benoeming konden krijgen. Om docent te worden, zouden de theorieleraars dienen te beschikken over een doctoraat. Stel je voor, sommigen onder ons gaven al tien of twintig jaar les aan het K.A.S.K. en plots werd ons gevraagd om aan een doctoraat te beginnen.

K.B./D.P.: Jij hebt toch geen doctoraat gemaakt?

W.V.M.: Nee, want uiteindelijk heb ik het docentschap bekomen door mijn ‘artistieke faam’ aan te tonen.

K.B./D.P.: Artistieke faam?

W.V.M.: Ik weet dat het absurd klinkt, maar Chantal De Smet heeft op een gegeven moment aan mij en drie andere theoriedocenten – Stefan Hertmans, Paul De Vylder en Roland Decancq – voorgesteld om onze vakken bij het ‘artistiek gebonden onderwijs’ onder te brengen. Het Decreet bepaalde immers dat personeelsleden die ‘artistiek gebonden onderwijs’ verschaften het docentschap eenvoudigweg konden bekomen indien zij over de nodige ervaring beschikten én hun ‘artistieke faam’ wisten aan te tonen. Ze moesten daartoe een aanvraag met bewijsstukken indienen bij een commissie van de Hogeschool Gent. Ik heb een lijvig dossier ingestuurd dat bestond uit een uitvoerig c.v., een overzicht van mijn kunstkritische teksten en van mijn werkzaamheden voor radio en televisie. Van 1983 tot 1993 had ik in samenwerking met de televisieregisseur Karel Schoetens 13 films gerealiseerd over kunstenaars voor de Vlaamse openbare omroep; in 1987 en 1988 had ik samen met Freddy De Vree op Radio 3 – nu Klara – radio-uitzendingen over kunstkritiek verzorgd. In een grote kartonnen doos zat het nodige bewijsmateriaal, zoals boeken, catalogi en tijdschriften met mijn kunstkritische teksten. Op grond van dat dossier ben ik eind 1995 tot docent benoemd.

K.B./D.P.: Slaagden al jouw collega’s daarin?

W.V.M.: Nee. Als je geen dossier kon voorleggen om je – al dan niet artistieke – faam te bewijzen, dan kon je het docentschap vergeten, hoe briljant je als lesgever ook was. Mijn collega Roland Decancq bijvoorbeeld, die het vak Literatuur gaf, was een fantastische leraar die de studenten enorm op sleeptouw kon nemen en hen stimuleerde om bijvoorbeeld Marcel Proust en The Waste Land van T.S. Eliot te lezen. Roland Decancq was enorm belangrijk voor het K.A.S.K., maar omdat hij nooit had gepubliceerd, kon hij geen bewijzen van ‘faam’ voorleggen en dus onder geen beding het docentschap bekomen. Ik vond dat bijzonder onrechtvaardig. Problematisch was ook dat het de solidariteit onder de leraren ondermijnde. Het feit dat een hiërarchisch onderscheid tussen docenten en assistenten werd ingevoerd, heeft voor heel wat naijver en wrok gezorgd. 

K.B./D.P.: Had de Hogescholenhervorming ook een weerslag op jouw onderwijspraktijk?

W.V.M.: Jazeker, want het Decreet stelde de centrale rol van het hoorcollege in vraag. Met de hervorming deed namelijk de ‘begeleide zelfstudie van de student’ zijn intrede. Elk vak – incluis theorievakken zoals het mijne – werd voortaan in A-, B- en C-uren opgesplitst, waarbij de A-uren stonden voor lesuren – in mijn geval het klassieke doceren – de B-uren voor ‘begeleidingsuren’ en de C-uren voor de tijd die de student aan zelfstudie spendeerde.

K.B./D.P.: Wat betekende die verandering in jouw geval in concreto?

W.V.M.: Dat ik urenlang plompverloren in een lokaal op studenten zat te wachten! Daar kwam het althans in de meeste gevallen op neer. De bedoeling van de begeleidingsuren was dat de studenten me zouden kunnen raadplegen om vragen te stellen over de cursus of – indien ze een opdracht moesten maken – feedback te krijgen, maar in de praktijk kreeg ik nauwelijks iemand te zien. Toen ik hen bij gelegenheid vroeg waarom er niemand opdaagde, kreeg ik te horen dat mijn begeleidingsuren niet op het lesrooster stonden of riposteerden ze simpelweg dat ze niet verplicht waren om er gebruik van te maken. Wat moest ik daarop zeggen? Gelukkig kreeg ik af en toe toch een student over de vloer. Dat resulteerde vaak in een heel interessant gesprek, dat haast de allure van een diepte-interview kreeg. Soms trok ik samen met de student naar het atelier om het werk te bekijken en erover te discussiëren. Het grootste deel van de begeleidingsuren waren echter puur tijdverlies. Sommige van mijn collega’s – naar mijn gevoel vaak mensen die zelf niet graag college gaven – zagen het graag gebeuren dat er aan het hoorcollege getornd werd, maar ik vond het jammer.

K.B./D.P.: De Hogeschool Gent, waar het K.A.S.K. vanaf 1995 deel van uitmaakte, was het resultaat van het samengaan van vijf stedelijke onderwijsinstellingen en zeven hogescholen van het Gemeenschapsonderwijs (AGRO). Wat herinner jij je van de overgang naar die nieuwe structuur?

W.V.M.: Makkelijk is de fusie in ieder geval niet verlopen. Op een gegeven moment is er een conflict gerezen tussen de stedelijke hogescholen en de AGRO-hogescholen over het voorzitterschap van de Raad van Bestuur van de nieuwe Hogeschool. Fientje Moerman, de toenmalige Schepen van Onderwijs van de Stad Gent, eiste namelijk – in tegenstrijd met voordien gemaakte afspraken – het voorzitterschap van de Hogeschool op. Even zag het er zelfs naar uit dat de fusie als gevolg van dat conflict niet zou doorgaan. Voor de stedelijke onderwijsinstellingen – zoals het K.A.S.K. en het Conservatorium – zou dat een ramp zijn geweest. De stad was immers niet meer bereid om in die hogescholen te investeren. Een delegatie van studenten en personeel van het K.A.S.K. – onder wie mijn collega Paul De Vylder – is toen met Fientje Moerman gaan praten. Er is een compromis uit de bus gekomen: het K.A.S.K. werd definitief in de Hogeschool Gent geïntegreerd.

K.B./D.P.: Welke veranderingen bracht die integratie met zich mee?

W.V.M.: Een heel tastbaar gevolg was alvast dat het K.A.S.K. samen met het Conservatorium naar het voormalige neogotische hospitaal op de Bijlokesite verhuisde. Ik vond dat verschrikkelijk.

K.B./D.P.: Waarom?

W.V.M.: Het gebouw stond helemaal leeg. In de gangen hing nog die typische ziekenhuisgeur. Ik kwam terecht in een ellendig lokaal dat zo groot was als een ziekenzaal voor twintig patiënten. De akoestiek was zo erbarmelijk dat ik stemproblemen kreeg omdat ik voortdurend te luid sprak. Om dia’s te kunnen tonen moest ik zwarte plastic voor de hoge ramen aanbrengen. Ik had in het oude gebouw aan de Academiestraat nog maar pas een lokaal weten te bemachtigen dat verduisterd kon worden en van alle noodzakelijke apparatuur was voorzien, zoals een diaprojector, een videomonitor en een dimmer voor het licht… Jarenlang had ik voor dat lokaal gevochten en nu kon ik opnieuw van nul beginnen.

K.B./D.P.: Was de inpassing van het K.A.S.K. in de Hogeschool Gent nog op andere manieren voelbaar?

W.V.M.: Dat kan je wel zeggen. De samensmelting van al die hogescholen heeft tot enorme spanningen geleid. Op een gegeven moment ben ik samen met enkele collega-docenten naar het kabinet van Minister van Onderwijs Luc Van den Bossche getrokken.

K.B./D.P.: Wat wilden jullie hem precies vragen of vertellen?

W.V.M.: Dat de inpassing van K.A.S.K. in de Hogeschool heel stroef verliep en dat we vreesden dat aan de fundamenten – het pedagogisch project – van het kunstonderwijs zou worden geraakt. Het K.A.S.K. kreeg immers forse tegenwind uit de hoek van de andere departementen binnen de Hogeschool. Vooral de ingenieurs stelden onze normen ter discussie. Zij accepteerden het bijvoorbeeld niet dat het K.A.S.K. een diploma uitreikte op basis van vage criteria als ‘motivatie’, ‘engagement’, ‘inspiratie’, ‘gedrevenheid’ en ‘kwaliteit’. Ze eisten dat wij meetbare en verifieerbare criteria zouden toepassen. Het was natuurlijk te voorspellen dat de fusie tot problemen zou leiden.

K.B./D.P.: Wat leverde jullie bezoek aan het kabinet op?

W.V.M.: Een koude douche! Van den Bossche repliceerde botweg dat hij niet geïnteresseerd was in ons pedagogisch, didactisch probleem en dat voor hem enkel ‘de cijfers’ van tel waren. Wie er nog aan twijfelde, wist nu zeker waarom de Hogescholenhervorming was doorgevoerd: het was een zuivere besparingsoperatie. Met de inhoudelijke noden van het kunstonderwijs had het Decreet niets te maken.

K.B./D.P.: In 1996, het jaar na de vorming van de Hogeschool Gent, nam Chantal De Smet ontslag als departementshoofd. Wisten jullie waarom ze zich terugtrok?

W.V.M.: Een officiële uitleg hebben we nooit gekregen, maar ik vermoed dat Chantal het niet makkelijk had om zich in de departementsraad van de nieuwe Hogeschool te handhaven. Ze was het niet gewoon om ten aanzien van zo’n raad verantwoording te moeten afleggen. Misschien werd de druk die ze ervoer als vertegenwoordiger van de academie haar te veel?  

K.B./D.P.: Chantal De Smet werd opgevolgd door Hugo De Belder, die aanbleef tot 1998. Wat was hij voor iemand?

W.V.M.: Een architect die ooit een kleine cursus Vormgeving had gegeven. Hij was uit een tweestrijd tussen twee architecten als winnaar uit de bus gekomen.

K.B./D.P.: Kan je iets zeggen over zijn beleid?

W.V.M.: Het was puur cynisme! De Belder had niet de minste interesse in het debat binnen de academie. Vergaderingen organiseren was het enige waar hij zich mee bezighield. Wie niet op een vergadering verscheen, werd met loonaftrek gesanctioneerd. Naar je excuus werd niet eens geluisterd. Het was de terreur van de bureaucratie!

K.B./D.P.: Na Hugo De Belder werd Eric Ubben van 1998 tot 2004 departementshoofd van het K.A.S.K.

W.V.M.: Ubben was afgestudeerd in het Animatiefilmatelier. Vraag me niet waarom hij voorzitter van het departement werd. Ik kreeg geen hoogte van die man.

K.B./D.P.: Wat veranderde er onder hem?

W.V.M.: Toen hij departementshoofd was, werd een andere hervorming opgestart, de invoering van de bachelor-masterstructuur, zoals opgenomen in de Bolognaverklaring van 1999. Dat bracht opnieuw een hoop regels en bepalingen met zich mee, die tijdens vergaderingen voorgesteld werden. Voor mij waren die marathonvergaderingen een nachtmerrie. K.B./D.P.: Had Ubbens beleid een impact op jouw lesopdracht?

W.V.M.: Niet fundamenteel, al werden de uren van mijn vakken Kunstactualiteit en Kunstfilosofie nogmaals teruggeschroefd.

K.B./D.P.: Wat was deze keer de aanleiding?

W.V.M.: In de late jaren 90 waren het vooral de ateliers Animatiefilm, Film en Fotografie die het nut van mijn lessen voor hun studenten betwistten. Zij zijn hun ongenoegen bij Ubben gaan ventileren en hij is — zonder mij daarin te kennen — op hun eisen ingegaan. Om mijn urenverlies te compenseren werd ik verplicht om een tweede seminarie op te starten, waarin ik dit keer aandacht besteedde aan de klassieke modernen – Kandinsky, Mondriaan, de dadaïsten. Al die kunstenaars kwamen immers in de cursus Kunstgeschiedenis van mijn collega Eddy Muylaert niet aan bod. Ook het werk van Joseph Beuys bracht ik opnieuw ter sprake. Ondertussen was er enorm veel over zijn werk gepubliceerd; een nieuwe interpretatie drong zich op. De sjamaan verdween naar de achtergrond en de plastische kunstenaar werd door een jongere generatie, waartoe onder meer Thomas Hirschhorn en Matthew Barney behoorden, ten volle erkend.

K.B./D.P.: Hoe keek jij aan tegen de wijziging van je lesopdracht?

W.V.M.: Ik kon best met die verschuiving leven. Ik was eind jaren 90 namelijk een beetje uitgekeken op de meest recente kunst.

K.B./D.P.: Hoe kwam dat?

W.V.M.: Het had met een heleboel factoren te maken. Om te beginnen was er de leeftijdskloof met de studenten. Toen ik in 1973 Kunstactualiteit begon te doceren, had ik met mensen van mijn generatie te maken; in de jaren 90 waren mijn studenten veel jonger. Ik dacht soms dat ik in het secundair onderwijs beland was. Bij elke les voelde ik mij als de Sisyphus uit het boek van Albert Camus, die de rotsblok telkens opnieuw de berg opduwt en ziet terugrollen. Ik ervoer de situatie als ‘absurd’. Er was het atelier 3D waar de studenten in contact kwamen met performance, die in de jaren 90 een revival beleefde. Ze werden overstelpt met video’s, installaties en performances, media die bij de jongste generatie studenten een ongeziene populariteit genoten. Surfen op het internet deed zijn intrede. Wat had ik in die context nog toe te voegen? Welke zin had het om die snel veranderende kunstscene toe te lichten in de luttele uren Kunstactualiteit die ik nog ter beschikking had? Jaar in jaar uit had ik kunstinstellingen afgeschuimd, tentoonstellingen bezocht en me over de nieuwste kunst gedocumenteerd. Ik had dat met veel plezier gedaan, maar het constante achternahollen van de waan van de dag was me in de kleren gekropen. En weten jullie wat ook een rol speelde?

K.B./D.P.: Neen.

W.V.M.: Hedendaagse kunst was een hype geworden! Overal schoten kunstmanifestaties en biënnales als paddenstoelen uit de grond. Het was niet bij te houden. Beleidsmensen en politici hadden de mond vol over drempelverlaging. Iedereen moest koste wat het kost met kunst in aanraking komen – en hoe actueler de kunst, hoe beter. Ik vond die hoerastemming rond actuele kunst bedrieglijk, want men sprak vooral over veilingrecords en prijsbeesten zoals Hirst en Koons. Paradoxaal was bovendien dat die boom zich voordeed op het moment dat de kunst ingewikkelder en meerduidiger dan ooit was geworden. Je zou denken dat het discours over die kunst eveneens diepgaander zou worden, maar het omgekeerde bleek het geval: het werd juist eenvoudig en populistisch! Ik ondervond die paradoxale ontwikkeling ook aan den lijve. Tijdens de jaren 90 kreeg ik het steeds moeilijker om mijn kunstkritische teksten gepubliceerd te krijgen. De moed zonk me in de schoenen. Omstreeks 1996 heb ik ingetekend voor een speciale pensioenregeling voor het personeel van de Vlaamse hogescholen die Minister Van den Bossche had uitgewerkt om het personeelsbestand van de hogescholen te verjongen – lees: te saneren. In 2003 ben ik met pensioen gegaan.

K.B./D.P.: Hoe is je afscheid verlopen?

W.V.M.: Feestelijk… en toch wat in mineur.

K.B./D.P.: Waarom?

W.V.M.: Ik werd samen met een tiental collega’s jolig uitgewuifd in een van de nieuwe auditoria op de Bijlokesite. Ieder van ons werd vergast op een ruiker bloemen, twee flessen wijn en een speech, die in mijn geval verzorgd werd door de inspirerende tekenleraar Wouter Coolens – hij had in de academie onder andere een boeiende ‘tentoonstellingscel’ onder de naam De ladder van Pontormo opgezet. Weet je hoe Wouter mij memoreerde? ‘Bij Wim Van Mulders gaat het licht uit en krijg je duizend dia’s in je maag gesplitst.’ Ik weet dat het als een boutade bedoeld was, maar die uitlating zei tegelijk alles over hoe ik in het K.A.S.K. gezien werd.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Dirk Pültau

1992-1993

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1992 schreef jij je in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.) te Gent. Hoe was jouw studiekeuze tot stand gekomen?

Renzo Martens: Ik heb een grillig parcours afgelegd. Ik ben geboren in Zeeland, in de grensstreek nabij Gent. Het was voor mij in de eerste plaats onduidelijk tot welk cultuurgebied ik mij zou verhouden — Nederland of Vlaanderen? Toen ik in 1991 mijn humaniora achter de rug had, besliste ik om politieke wetenschappen te gaan studeren aan de Radboud Universiteit in Nijmegen — heel doelbewust koos ik voor een universiteit in een provinciestadje; ik achtte het immers niet uitgesloten dat ik in een grootstad op het verkeerde pad zou raken. Na een jaar was ik uitgekeken op die opleiding – en zeker op Nijmegen. Het was me duidelijk geworden wat politieke wetenschappen omvatte en aan dat inzicht had ik genoeg. In 1992 verkaste ik naar Gent en vatte studies aan de academie aan.

K.B./D.P.: Waarom ging je keuze uit naar een opleiding tot kunstenaar?

R.M.: Sjoerd Paridaen heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. Sjoerd en zijn vrouw waren goede vrienden van mijn moeder en mijn stiefvader. Van jongs af kwam hij geregeld bij ons thuis over de vloer. Ik vond hem een fascinerende man, vooral omwille van de wijze waarop hij met zijn zoon en met mij omging. Zijn manier van denken was ook anders. Hij had bijvoorbeeld niet de minste interesse in relationele conflicten en stelde zich steeds afstandelijk op als er spanningen waren tussen mensen. Hij was zeer rustig en dat beviel mij ontzettend. Zijn huis was ook op een verrassende manier ingericht. Aan de muren hingen zelfgemaakte collages waarmee hij eer wilde betuigen aan kunstenaars als Beuys en Warhol. Ik herinner me dat ik over die collages ooit een spreekbeurt heb gegeven in de lagere school, die ik trouwens in België heb gelopen. Een andere herinnering betreft Sjoerds belangstelling voor de Italiaanse mail artist Guglielmo Achille Cavellini, over wiens werk hij ooit een tentoonstelling maakte in Eeklo, meen ik.

K.B./D.P.: Je koos voor het K.A.S.K. omdat Sjoerd Paridaen er docent was?

R.M.: Ja, een duidelijke keuze voor het kunstenaarschap had ik nog niet gemaakt. Dat Sjoerd er lesgaf, was een geruststellende gedachte. Het was als thuiskomen. De academie was toen nog gevestigd in de Academiestraat; er hing een prettige sfeer in dat gebouw.

K.B./D.P.: Naar welk atelier ging je voorkeur uit?

R.M.: Naar Sjoerds atelier, dat toen Toegepaste Monumentale heette. Het bestond pas drie jaar en is daarna nog verschillende malen van naam veranderd. Het was een plaats waar in feite alle kunstvormen konden worden beoefend, van schilderkunst tot performance. Op microformaat was het eigenlijk wat een kunstacademie in zijn geheel zou moeten zijn: een vrijplaats, zonder disciplinaire of mediale beperkingen.

K.B./D.P.: Hoe begeleidde Sjoerd je?

R.M.: Heel goed, zoals ik verwacht had. Hij was ook kritisch. Op een gegeven moment zei hij mij zelfs dat ik mijn studies ernstiger moest nemen. Als ik mijn attitude niet zou wijzigen, kon ik beter terugkeren naar Nijmegen, liet hij me verstaan.

K.B./D.P.: Nam je Sjoerds vermaning ter harte?

R.M.: Ja. Gedurende de eerste maanden had ik het moeilijk. Vanaf januari liep het een stuk makkelijker. Ik had notie gekregen van wat kunst was. Langzaam groeide bij mij de overtuiging dat ik een terrein had betreden waarop ik iets zou kunnen betekenen. Eigenlijk was het al bij al vrij snel gegaan.

K.B./D.P.: Heb je herinneringen aan andere docenten?

R.M.: Zeker, aan Stefan Hertmans bijvoorbeeld. Hij raadde ons aan om De toverberg van Thomas Mann te lezen. Het gebrek aan engagement van de sociale klasse die door Mann in dat boek is opgetekend, bracht hij in verband met het opkomend fascisme in de jaren 30. Hij reikte voortdurend dat soort inzichten aan. Ik heb veel aan zijn lessen gehad. Danny Matthys en Anne-Mie Van Kerckhoven waren ook docenten die me inspireerden. Anne-Mie Van Kerckhoven nam ons — de hele klas — mee naar haar tentoonstelling in Lokaal 01 in Antwerpen. Nadien nodigde ze ons uit in haar atelier. Het was pas het tweede kunstenaarsatelier dat ik betrad, na dat van Sjoerd. Ik herinner me dat haar bibliotheek zich aan het uiteinde van haar atelier bevond. Het was bijzonder leerrijk om kennis te maken met de fysieke ruimte waarin zij kunstwerken vervaardigde. Haar tentoonstelling kan ik me niet meer voor de geest halen, de inrichting van haar atelier staat me nog steeds bij – haar tekenlessen overigens ook.

K.B./D.P.: Wie waren je studiegenoten?

R.M.: Ik zat in de klas met Valérie Mannaerts. Met haar kon ik het goed vinden en ook met Benedikte Vanderweeën en IJe Raaijmakers. Vooral met Valérie en Benedikte had ik zeer veel contact. Als ik met hen gesprekken voerde, begreep ik weer waarom ik voor de kunstacademie had gekozen. In hogere jaren zaten ook interessante mensen, zoals Diederik Peeters, die zich toen Felix noemde, en Ilse Roman. Zij waren actief in een vreemd schemergebied, iets tussen kunst, performance en activisme — een gebouw opknappen, dat uitroepen tot een kunstruimte waar vervolgens nooit nog iets gebeurde. Dat soort dingen deden ze. Maar in het algemeen vond ik het niveau van mijn medestudenten aan de lage kant.

K.B./D.P.: In welke zin?

R.M.: Het was frappant dat haast niemand iets van kunst afwist. Ik miste een bevlogen omgeving, waardoor ik boven mezelf kon uitstijgen. Gelukkig had ik wel inspirerende leraars, onder wie Wim Van Mulders die het vak Kunstactualiteit doceerde.

K.B./D.P.: Van Mulders gaf die cursus echter pas vanaf het tweede jaar. Jij hebt dus beslist om zijn vak vrijwillig te volgen.

R.M.: Dat zou kunnen… Ik weet dat ik het vak gevolgd heb, maar hoe ik daar terechtkwam, kan ik mij niet meer precies herinneren.

K.B./D.P.: Welke herinneringen heb je aan die ‘zelfgekozen’ lessen?

R.M.: Van Mulders’ verschijning voor de klas maakte indruk. Hij was eerder mager en droeg een bril. Hij straalde ernst uit. Ook de inrichting van de klas herinner ik me: we zaten in schoolbanken, met tweeën naast elkaar. Het was erg formeel. De samenstelling van de groep was zeer divers. Schilders, beeldhouwers en studenten die een toegepaste richting volgden, zaten bij elkaar. Er werd niet heel veel gediscussieerd en Van Mulders stimuleerde dat ook niet. Daar ging het duidelijk niet om, gelukkig maar. Informatie-overdracht, dat was de inzet van zijn cursus.

K.B./D.P.: Hoe verliep een les van Wim Van Mulders?

R.M.: Hij kondigde het onderwerp van de les aan; meestal was dat heel erg afgelijnd. Daarna toonde hij dia’s van kunstwerken die hij van uitleg voorzag en in een bredere context situeerde. Van Mulders stond een analytische benadering van kunst voor. Hij had aandacht voor de materialiteit van de werken, maar hij bood ook een inkijk in het web van betekenissen dat rond een kunstwerk kan worden gesponnen. Het werd duidelijk dat een kunstwerk een hele wereld omvatte, dat was een wonderlijk inzicht.

K.B./D.P.: Had je het gevoel dat Van Mulders zich aan het intellectuele niveau van de studenten aanpaste?

R.M.: Nee, dat deed hij niet. Hij was zeer helder en had een scherpe kijk op kunst — zijn discours was allerminst wollig, zoals dat van sommige praktijkdocenten. Het waren de enige lessen in het K.A.S.K. waar we werden ingewijd in de actuele kunst. In het vak Kunstgeschiedenis, dat in het eerste jaar op het programma stond, raakten we nauwelijks voorbij de prehistorie.

K.B./D.P.: Welke specifieke onderwerpen die Van Mulders in zijn lessen aan bod bracht, zijn je bijgebleven?

R.M.: Ik herinner me onder meer lessen over Donald Judd en Jan Vercruysse. Een heel sterk beeld dat haast op mijn netvlies is gebrand, is Dead Troops Talk van Jeff Wall. Aan Walls oeuvre wijdde hij een volledige les. Van Mulders’ nauwgezette iconografische lectuur van de beelden van Wall maakte een enorme indruk op mij. Zijn lessen waren haast de enige waarin ernstig over beeldende kunst werd gesproken. Wat is kunst? Hoe verhoudt kunst zich tot de maatschappij? Hij stelde die essentiële vragen en beantwoordde ze nog ook.

K.B./D.P.: Dead Troops Talk dateert van 1992. Je kreeg dus les over een werk dat nog maar pas gecreëerd was!

R.M.: Ja, ongelofelijk. Hij gaf ook les over Documenta.

K.B./D.P.: Over Documenta IX, die in 1992 samengesteld werd door Jan Hoet?

R.M.: Ja, hij besprak de architectuur van de gebouwen waarin de Documenta plaatsvond en stond uitgebreid stil bij de tijdelijke paviljoenen die Paul Robbrecht en Hilde Daem hadden ontworpen. Ik maakte driftig schetsen en notities in mijn aantekeningenboekjes.

K.B./D.P.: Had jijzelf die editie van de Documenta bezocht?

R.M.: Neen, toen ik mijn studies aan het K.A.S.K. aanvatte, had de Documenta reeds de deuren gesloten. Ik herinner me wel dat enkele van mijn studiegenoten de tentoonstelling hadden gezien.

K.B./D.P.: Het jaar daarop — 1993 — was een bijzonder rijk tentoonstellingsjaar. In het kader van Antwerpen Culturele Hoofdstad vonden verschillende belangrijke exposities plaats — Het Sublieme Gemis, Nieuwe Beelden in het Middelheim en Vertrekken vanuit een normale situatie in het MuHKA. In Arnhem stond Sonsbeek 93 op het programma.

R.M.: Geen enkele van die tentoonstellingen heb ik gezien. Later heb ik wel de catalogus van Sonsbeek 93 aangeschaft en gelezen.

K.B./D.P.: Wim Van Mulders was ook actief als kunstcriticus. In 1992 droeg hij aan De Witte Raaf teksten bij over de tentoonstellingen America — Bruid van de Zon, De Grote Utopie. De Russische Avant-garde 1915-1932 en Modernism in Painting; vooral die laatste — uiterst kritische — bespreking was geruchtmakend. Las jij zijn kunstkritische teksten?

R.M.: Nee, ik ben De Witte Raaf pas later beginnen te lezen. Hij maakte volgens mij geen melding van zijn activiteiten als kunstcriticus. Op een tijdschrift als De Witte Raaf werden wij ook niet gewezen.

K.B./D.P.: Voelde jij je door Van Mulders uitgedaagd — impliciet of expliciet — om zelf naar exposities te gaan?

R.M.: Neen, niet dat ik mij herinner. Ik heb enkele tentoonstellingen gezien in het Museum van Hedendaagse Kunst en de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (Gent). Ik was vooral bezig mijn eigen weg te zoeken. Als ik naar andere steden reisde, bezocht ik zelden musea of galeries. Mijn belangstelling ging uit naar andere kunstacademies. In Liverpool, Leeds, Amsterdam, Arnhem en Oslo, overal waar ik kwam, bezocht ik de plaatselijke academie. Ik wou kijken hoe het kunstonderwijs elders was opgevat en hoe leeftijdgenoten leerden om kunst te maken. Dat intrigeerde me mateloos. Ik ben trouwens ook na mijn opleiding kunstacademies blijven bezoeken.

K.B./D.P.: Hoe verliepen die bezoeken in concreto?

R.M.: Ik had een vriendin die in Leeds studeerde. Ik nam de boot en liftte naar Leeds met twee vuilniszakken, want ik had geen rugzak. In de ene zat een slaapzak en in de andere kleren en enkele schetsboeken. In de academie mocht ik gewoon twee dagen meedoen, tekeningen maken en dergelijke. In de academie van Arnhem heb ik ook twee dagen rondgehangen. Er werd eenvoudigweg niet gelet op wie er wel of niet was. Ik herinner me dat ik werk van me had meegenomen. Ik toonde het aan een van de docenten en die zei me dat mijn kleurgebruik onder de maat was. Complete onzin, want ik maakte geen gebruik van kleuren. Ik heb mij nooit voor kleuren geïnteresseerd. Toen niet en nu evenmin. Van die school hield ik de indruk over dat je werk via een soort checklist werd benaderd. Als je te weinig vinkjes had, dan was het einde verhaal.

K.B./D.P.: Hadden die bezoeken aan de kunstacademies nog een ander doel? Wilde jij je heroriënteren?

R.M.: Ja, maar ik wou ook weten hoe leerprocessen elders verliepen. Het was geen abstracte of vergelijkende studie, maar een zoektocht naar een eigen manier om kunst te maken. Tevens wilde ik vrijheid en intensiteit vinden. Het ging mij dus ook om de sfeer. Op een bepaald moment heb ik gedurende drie dagen meegewerkt aan een project in de Rietveld Academie in Amsterdam. Het was die keer geen onaangekondigd bezoek, want Sjoerd had geregeld dat ik erbij kon zijn. Hij was bevriend met Jos Houweling, die toen hoofd was van de Audiovisuele afdeling. Jos was hetzelfde type mens als Sjoerd, in meerdere opzichten trouwens. Na die workshop heb ik de knoop doorgehakt om het K.A.S.K. in te ruilen voor de Rietveld. Het was geen makkelijke beslissing, want ik vond het heel leuk in Gent.

K.B./D.P.: Was het een keuze tégen Gent of vóór Amsterdam?

R.M.: Beide. Niet zozeer het niveau van de docenten van het K.A.S.K., maar dat van mijn medestudenten stond me tegen. Het ging er voortdurend over of iets al dan niet ‘tof’ was. Of: ‘Ik heb het daar moeilijk mee.’ Verder dan die kwalificaties kwam men niet. Er was geen concentratie, geen energie, geen doorzettingsvermogen. Het leek erop dat mijn collega’s geen boodschap aan kunst hadden. Ik dacht in ieder geval dat het niet genoeg vooruitging. In die tijd las ik over Rob Scholte. Ik aanzag hem voor iemand die in elk geval niet was blijven wachten tot het vanzelf zou gaan gebeuren. Zijn dadendrang sprak me enorm aan.

K.B./D.P.: Je hebt dat eerste jaar in Gent wel afgemaakt?

R.M.: Ja. Ik herinner mij nog de talloze examens en vooral hoe onnozel ze waren. Het ging vaak om reproductie. Ik had opnieuw de indruk dat er een checklist werd afgewerkt. Dat vond ik echt niet boeiend.

K.B./D.P.: Wat waren de argumenten pro Rietveld?

R.M.: Ik wou vooral naar de Audiovisuele afdeling van Jos Houweling. Alles voelde er goed aan. Naast de Rietveld schreef ik me overigens ook in voor de richting Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam. Dat heb ik slechts een paar maanden volgehouden; de combinatie was onmogelijk.

K.B./D.P.: Heb je nooit overwogen om bijvoorbeeld naar Leeds of Oslo te trekken?

R.M.: Nee, dat was me te ver. Verder dan Vlaanderen en Nederland reikte mijn horizon op dat moment niet. Ik ben trouwens ook in Gent blijven wonen…

K.B./D.P.: …in Gent!? Waarom?

R.M.: Ik was erg gehecht geraakt aan Gent. Die band met de stad wou ik niet verbreken. Ik had het er enorm naar mijn zin.

K.B./D.P.: Studeerde je dan op afstand?

R.M.: Ik verbleef twee of drie dagen per week in Amsterdam — ik logeerde bij iemand — en sprak dan al mijn docenten. Theorieonderwijs was er haast niet; het ging enkel om wat je zelf deed. Wat ik in Gent maakte, toonde ik aan mijn docenten in Amsterdam, en vice versa.

K.B./D.P.: Je bleef niet alleen contact onderhouden met oud-medestudenten, maar ook met oud-docenten?

R.M.: Ja, ik was niet meer ingeschreven aan het K.A.S.K., maar ik hoorde er nog een beetje bij. Mijn werk werd zelfs in enige mate besproken tijdens docentenvergaderingen in de loop van het jaar. Ik vond dat heel prettig. Ik had overigens het gevoel dat ik op zeer korte tijd grote stappen had gezet als aankomend kunstenaar.

K.B./D.P.: Bleef je ook de lessen van Van Mulders volgen?

R.M.: Nee, ik heb geen enkele theorieles meer bijgewoond. Het ging alleen om contacten met atelierdocenten.

K.B./D.P.: Van welke atelierdocenten stelde jij de feedback het meest op prijs?

R.M.: Benieuwd was ik vooral naar de mening van Danny Matthys. Ja, zijn oordeel vond ik heel belangrijk. Hij had me al in het eerste jaar laten verstaan dat ik ‘mogelijkheden’ had.

K.B./D.P.: Wat beviel je in zijn aanpak?

R.M.: Ik had het gevoel dat hij de lat hoger legde dan zijn collega’s. Matthys had aandacht voor de persoon en voor het werk waar die persoon mee bezig was. Hij was heel hard in het doorbreken van makkelijke oplossingen waarmee studenten kwamen aandraven. Meesterlijk kon hij dat doorprikken. Maar als iemand een kleine doch briljante ingeving had, dan was hij de eerste om zijn waardering uit te drukken.

K.B./D.P.: Kan je het toenmalige niveau van het K.A.S.K. vergelijken met dat van de Rietveld? Vond je daar bij je medestudenten wel veel gesprekspartners?

R.M.: In feite niet. Ik had er grote verwachtingen van, maar uiteindelijk had ik slechts een goed contact met hooguit vier of vijf medestudenten. De wil om te overleven was er wel groter naar mijn gevoel. Er was veel meer wedijver. Ik had het gevoel dat ik uitgedaagd werd, dat ik het mezelf moeilijk kon maken. Die indruk heb ik in Gent nooit gehad. Of er in de Rietveld ook betere kunst gemaakt werd, durf ik echter te betwijfelen.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

Over poorters en geuzen

Eveline Vanfraussen: Is LUCA een goede zaak voor het hoger kunstonderwijs?

Luc Pien: Dat zal de toekomst uitwijzen. Er is met LUCA van bovenaf één algemene structuur opgelegd aan entiteiten die bewezen hebben dat ze kunnen functioneren. Dat is een van de strategieën van de associatie KU Leuven waar ik mijn vragen bij heb. Niet alle hogescholen, niet alle departementen zijn klaar om op dezelfde manier, met dezelfde snelheid, in een bepaald systeem te stappen. Ik zou me eerst afvragen welke samenwerkingsvormen door de scholen gewenst zijn. Men blokkeert de ontwikkeling van een andere opvatting over hoger onderwijs door een autoritaire hervorming. Maar laat me even terugkeren in de geschiedenis. De Hogeschool voor Wetenschap & Kunst was een gedecentraliseerde school: alle departementen beheerden hun eigen budgetten, hadden hun eigen organisatievorm. Drie, vier jaar geleden zijn we tot de vaststelling gekomen dat we voor bepaalde decretale opdrachten beter moesten gaan samenwerken, ons als bondgenoten achter één doel moesten scharen. Er waren ook al gesprekken met Sint-Lukas Brussel, met het KASK, met mensen van de universiteit. De maatschappelijke verzuiling en de associatievorming hebben die langetermijnpolitiek echter doorkruist en versneld, en daardoor de basis voor een goede hogeschool in de kunsten gehypothekeerd. Dat zijn de effecten van de macht. Volgens Plato heeft macht maar zin als ze dienstbaar gemaakt wordt aan diegene die er geen heeft. Dat is de manier waarop je ermee moet omgaan. Maar dat gebeurt niet zo vaak. Ik geloof veel meer in beweging dan in verandering of hervorming. Bewegingen zijn permanent, hervormingen zijn dat niet.

E.V.: Betekent dit dat jullie niet langer in staat zijn jullie eigen beleid te bepalen? Kunnen jullie bijvoorbeeld nog mee beslissingen nemen op het vlak van personeelsbeleid?

L.P.: De opname van Sint-Lucas Gent in een nieuw geheel – LUCA School of Arts – heeft natuurlijk gevolgen voor het statuut van het personeel van de kunsthogeschool. Op dit moment wordt daar geen punt van gemaakt. Zodra bepaalde statuten ter discussie worden gesteld, komt er een maatschappelijk debat. Ik heb het gevoel dat men dat voor zich uitschuift. Bij de implementatie van grote systemen is het nu eenmaal de regel dat men gevoelige kwesties uitstelt. Maar laat ons andere vragen stellen. Vanuit een andere logica, een ander soort denken. Bij de huidige reorganisatie van het hoger onderwijs heeft men bijvoorbeeld veel te veel aandacht voor onderzoek en veel te weinig voor onderwijs, net zoals men veel te veel belang hecht aan het product en veel te weinig aan het experiment, en net zoals men te veel bezig is met resultaten en metingen, en te weinig oog heeft voor processen en evoluties. Ik ben gefascineerd door onderwijs. Ik ben departementshoofd geworden omdat ik aan het onderwijs in de kunsten een nieuwe betekenis wilde geven. Dat is nodig omdat de kunsten zich in de eenentwintigste eeuw opnieuw moeten definiëren: ze zijn te veel met de markt verbonden. Als je vertrekt van de vraag naar de betekenis van de kunsten in de samenleving, dan ga je op een heel andere manier nadenken over de organisatie van de kunstopleidingen.

E.V.: De vroegere structuren konden die rol niet op zich nemen?

L.P.: Ik denk niet dat de kunstscholen van tien jaar geleden in staat zouden zijn geweest om ondersteuning te bieden aan de nieuwe betekenis van de kunsten in de samenleving, voor zover die al bepaald kan worden. We moeten een organisatievorm zoeken die aansluit bij die nieuwe inhoud. Die vorm moet ook recht doen aan de specifieke kenmerken van de kunstopleiding: de heel eigen relatie tussen theorie en praktijk, het bijzondere statuut van de kunstenaar/lesgever, maar vooral ook het persoonlijke engagement dat van de studenten verwacht wordt en waarin subjectiviteit een wezenlijke rol speelt. Het kunstonderwijs moet op een andere manier georganiseerd worden omdat de student er zichzelf moet kunnen ontbloten, ontplooien, ontwikkelen, in de letterlijke zin van het woord: zich van zijn wikkels ontdoen. Wie binnen de kunsten actief is, weet dat de verhouding tussen vorm en inhoud precair is, dat het vinden van een juiste vorm een proces veronderstelt. Maar de associatie kiest ervoor een huis te bouwen voor het kunstonderwijs volgens de systemen en structuren die zij kent. Het is alsof ze een steen van een kubieke meter wil verpakken in een doosje van tien op tien. Ze mag blijven proberen. Dat zal nooit lukken! Achteraf zal ze vaststellen dat dat huis niet past op het kunstonderwijs. Op dat moment wordt het mogelijk om samen op zoek te gaan naar gedeelde horizonten. Dan pas kunnen we elkaar als bondgenoten vinden.

E.V.: Je wijst dat autoritaire systeem af, maar daarmee sluit je niet uit dat de kunstopleidingen tot de academische wereld zouden kunnen behoren?

L.P.: Zeker niet, ik heb de academisering van het hoger onderwijs in de kunsten altijd verdedigd. Vijf jaar geleden heb ik wel gezegd dat de universiteit niet klaar is om de kunsten te ontvangen. Maar het is niet omdat zij er niet klaar voor is, dat wij niet het recht hebben om ertoe te behoren. De kunsten en de kunstenaars hebben hun plaats binnen de wereld van de universiteit. De universiteit is een open wereld, of zou het moeten zijn, zoals ook de opleidingen in de kunsten open zijn, of zouden moeten zijn. Voor mij is de kunstenaar een ander soort mens, een mens die de complexiteit aanvaardt zonder ze te willen bewijzen of oplossen, die anders denkt, anders kijkt, anders handelt, anders ageert en dus ook anders maakt. De kunstopleiding moet de student in de kunsten als mens voorbereiden om in de samenleving een bepaalde meerwaarde te creëren, niet in economische, maar in menselijke zin.

E.V.: Een van de hervormingen die thans doorgevoerd worden, is het afschaffen van de departementen. Hoe sta jij daartegenover?

L.P.: Als departementshoofd had ik voor mezelf elk jaar een sleutelwoord. Ik koos voor het eerste jaar ‘beweging’. Dit jaar, mijn vijfde jaar, was mijn sleutelwoord ‘zelfbeschikkingsrecht’. En net nu schaffen ze ons departement af, wordt ons het zelfbeschikkingsrecht afgenomen. Symbolischer kan niet! Het is me niet om de termen ‘departement’ of ‘departementshoofd’ te doen. Maar de kleine kernen zijn de garantie voor democratie, terwijl grote systemen ze doet falen. De democratie – of wat ik dan het participatiebeleid noem – krijgt pas vorm in kleine kernen. Hier in Gent werden mensen om hun deskundigheid en ongeacht hun statuut uitgenodigd deel te hebben aan het beleid.

E.V.: Hoe zie jij nu je toekomst?

L.P.: Ik heb te kennen gegeven dat men mij niet moet vragen om een leidinggevende functie te vervullen in de nieuwe organisatie. We zijn allemaal geuzen, maar om duizend en een redenen willen we toch bescherming en zekerheid, willen we toch een beetje poorter worden. We vergeten dat we daardoor een stuk van onze vrijheid kwijtspelen. De vraag is hoeveel vrijheid je bereid bent af te staan voor die bescherming. Ik ben steeds blijven herhalen, Multatuli indachtig: zoekt eerst de inhoud, dan wordt de vorm je aangereikt. Men is niet te kwader trouw. Men is ervan overtuigd dat in deze crisissituatie, die overigens de ganse samenleving treft, enkel een financiële, economische redenering kans maakt. Maar wij geuzen zijn niet opgewassen tegen de poorters, tegen de ‘wetenschappers’ en de machthebbers: hun logica maakt ons dood. Wij moeten onszelf blijven, onszelf vinden, onszelf ontwikkelen.

E.V.: Hoe kan jij jezelf blijven binnen LUCA?

L.P.: De heersende logica zal nooit een andere logica accepteren. Hoe kan je een dialoog voeren met iemand die een autoritaire logica volgt? Door een andere logica te ontwikkelen, door die te demonstreren.

E.V.: Jij wil tonen dat het anders kan.

L.P.: Door mijn gedrag, mijn houding, mijn handelingen, door mijn actie. Ik ben vijf jaar boswachter geweest met respect voor de stroper, nu word ik opnieuw fulltime stroper: ik ga opnieuw lesgeven, de corebussiness van het onderwijs. Vanaf 1 oktober – dan is mijn mandaat voorbij – sta ik opnieuw voor de klas. Dat is de enige manier. Er is iets in de kunstopleidingen dat je nooit kan wegkrijgen. Het heeft te maken met het type student dat voor een kunstopleiding kiest, maar ook met de mensen die er lesgeven, mensen die andersdenkende jonge mensen opvangen, hen individueel begeleiden, van wie net zo een onvoorwaardelijk engagement wordt verwacht als van de studenten zelf. Je kan de aard van die mensen niet veranderen. De meesten zijn zelf kunstenaar. Ze kennen de waarde van subjectiviteit en intuïtie. Het hoger kunstonderwijs hangt aan elkaar van mensen uit de werkelijke wereld, mensen die daar veel geleerd hebben. Dat is een onmetelijke kracht die niet verloren gaat door toedoen van een of ander systeem of organisatievorm.

Interview met Jan Van Imschoot over de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Gent) in het algemeen en de lessen van Wim Van Mulders in het bijzonder

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1982 schreef jij je in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent. Vanaf welk jaar kreeg jij les van Wim Van Mulders?

Jan Van Imschoot: Vanaf het tweede jaar. Mijn eerste kennismaking met Van Mulders zal ik niet licht vergeten.

K.B./D.P.: Hoezo?

J.V.I.: Ik had zijn eerste twee lessen moeten missen om medische redenen. Mijn klasgenoten hadden al kunnen wennen aan zijn ongebruikelijke verschijning: hij droeg steevast een lange jas en legerlaarzen; hij kwam binnen met zijn valiesje, zette zich aan een bureau en begon met gebogen hoofd te vertellen waarover hij het die dag zou hebben… De eerste les die ik bijwoonde, stond in het teken van het werk van Donald Judd. ‘Het zal toch niet waar zijn’, dacht ik, ‘we gaan toch geen heel jaar naar geleuter over minimal art moeten luisteren’. Brutaal onderbrak ik hem en vroeg wat het verschil is tussen een konijnenhok dat een boer in elkaar heeft getimmerd en een box van Donald Judd. Patat! Van Mulders was helemaal van zijn melk. Het enige wat hij kon uitbrengen, was dat ik niet verplicht was om zijn les te volgen. ‘Daar is de deur!’

K.B./D.P.: Ben jij het ook afgestapt?

J.V.I.: Neen, ik repliceerde dat hij evengoed het lokaal kon verlaten omdat hij niet verplicht was om les te geven. Ik kwam uit de punk en was in die dagen een provocateur in hart en nieren. Het was een slechte start, maar anderzijds wist hij meteen met wie hij te maken had.

K.B./D.P.: Daagde je op voor de tweede les van Van Mulders?

J.V.I.: Uiteraard, ik heb nooit een les gemist, van geen enkele docent trouwens. Vraag me niet waarover die tweede les handelde, maar ik weet zeker dat het niets met Judd of minimal art te maken had. Het begon me te dagen dat hij helemaal niet de profeet van de minimal art was. Ik moest tot de conclusie komen dat ik me de week voordien schromelijk vergist had.

K.B./D.P.: Hoe verliep een les van Van Mulders?

J.V.I.: Hij gaf eerst een inleiding, toonde vervolgens dia’s en begon de tentoonstelling of het werk van een individueel kunstenaar te interpreteren, vier uur in totaal! Achteraf bleef dat hangen of niet. Saai heb ik zijn lessen nooit gevonden.

K.B./D.P.: Kon jij je vier uur lang concentreren?

J.V.I.: Meestal wel. Het was mentale voeding. Sommige van mijn klasgenoten deden al eens een tukje, maar ik niet. Ik kon er niet bij dat zij zijn uiteenzetting niet met aandacht volgden. Ik wou alles opslorpen. Het unieke was dat hij de kunstactualiteit op de voet volgde en ons daarover onmiddellijk informeerde. Alle interessante tentoonstellingen bezocht hij, in Keulen, Parijs, Londen, Eindhoven… Vermits het aanbod in die steden zeer gevarieerd was, waren zijn lessen dat ook. De ene verrassing volgde op de andere.

K.B./D.P.: Jij was niet vertrouwd met hedendaagse kunst?

J.V.I.: Een blanco blad was ik niet. Ik had twee jaar aan het Stedelijk Secundair Kunstinstituut (S.S.K.I.) in Gent schoolgelopen. De lessen Literatuur van Stefan Hertmans waren van een hoger niveau dan de lessen die ik in de Latijn-Wetenschappen van het Atheneum in Wetteren had gekregen. Ook de vakken over kunstgeschiedenis en actuele kunst werden door bekwame mensen gegeven, maar de informatie die Van Mulders bracht, was toch andere koek. Zijn begeesterende aandacht voor de meest recente ontwikkelingen in de kunst was ronduit uitzonderlijk.

K.B./D.P.: Maakte jij notities tijdens de les?

J.V.I.: Ik herinner me niet dat ik dat deed; ik zag wel menig braaf meisje alles opschrijven wat de meester zei.

K.B./D.P.: Praatten jij en je studiegenoten onder elkaar over de stof die Van Mulders bracht?

J.V.I.: Nee, na de les ging iedereen naar een andere cursus of naar het atelier. Met Johan Creten, een klasgenoot, had ik het er wel eens over. Hij was ook in de wolken over de cursus Kunstactualiteit.

K.B./D.P.: Waren er veel studiegenoten met wie je contact had?

J.V.I.: Neen, het niveau lag niet bijster hoog. De meesten waren bezig met wat verf op een doek te smeren en daarna hun penselen uit te kuisen. Slechts af en toe kwam ik iemand tegen die met enthousiasme stond te werken, zoals Johan Creten.

K.B./D.P.: Ook in het derde en vierde jaar kreeg je de cursus Kunstactualiteit van Van Mulders. Verschilde zijn aanpak in die jaren?

J.V.I.: Nee, hij deed exact hetzelfde: hij bezocht tentoonstellingen en maakte dia’s, die hij aan ons toonde en van uitleg voorzag. De lessenreeks was een getrouwe afdruk van de kunstactualiteit in binnen- en buitenland. Alles was zo vers mogelijk. Ik herinner me bijvoorbeeld dat hij het werk presenteerde van de Italiaanse Transavanguardia en schilderijen van de neoklassieke schilders, onder wie Carlo Maria Mariani. Het lag me totaal niet, maar dat maakte niet uit. Ik stak ontzettend veel op. Hij besprak werken tot in het kleinste detail. Een eerste dia betrof bijvoorbeeld het gehele schilderij, op een aantal volgende dia’s waren dan uitsnedes te zien waarop hij eveneens inging. Vervolgens konden wij zwijgen of vragen stellen.

K.B./D.P.: Op welke vormelijke aspecten ging hij in?

J.V.I.: Op opengelaten stukken in een schilderij, op transparante delen enzovoort. Zijn commentaar was heel droog en in die zin was hij de ideale tegenhanger van de praktijkmensen. De docenten in het atelier konden niet spreken over schilderkunst. Aan de lopende band werden er clichés gespuwd. Echt vreselijk. Ik kreeg bijvoorbeeld te horen dat mijn schilderij ‘moe stond’. Nadine Van Lierde en Jean Bilquin, kunnen we daarover zwijgen? Aan Karel Dierickx heb ik wel iets gehad.

K.B./D.P.: Het werk van de kunstenaars van de Transavanguardia en de neoklassieke schilders kon je niet boeien, zei je. Van welke kunstenaars aan wie Van Mulders aandacht besteedde, beviel het werk je wel?

J.V.I.: Op een gegeven moment toonde hij ons de Bic-tekeningen van Jan Fabre. Ongelofelijk dat hij aandacht had voor het werk van zo’n piepjong Belgisch kunstenaar! Het was misschien de eerste keer dat Fabre die tekeningen exposeerde. Een andere keer besprak hij het werk van René Daniëls. Het was een overrompelende ervaring. Dát was schilderkunst, fris, sterk, scherp. Als je zelf schildert en met de wereld van Daniëls in aanraking komt, dan is dat een echte zuurstofbom.

K.B./D.P.: Was Van Mulders zelf ook enthousiast over de werken van Fabre en Daniëls?

J.V.I.: Wat opviel in zijn benadering, was zijn zin voor objectiviteit. Hij liet de werken zien en gaf er toelichting bij; hij bekritiseerde de werken niet en verdedigde ze evenmin. Dat was wellicht zijn belangrijkste verdienste: dat hij de studenten zelf een mening liet vormen.

K.B./D.P.: Als je al zijn lessen op een rijtje zou zetten, zou je dan kunnen uitmaken waar hij voor stond?

J.V.I.: Nee, ik heb hem steeds als neutraal ervaren. Zijn voorkeuren drukte hij in ieder geval niet uit. Gedreven was hij echter zonder meer, al was dat niet zeer zichtbaar. Hij maakte een eerder timide indruk. Maar als je niet gepassioneerd bent, maak je niet die wekelijkse trips en leg je je niet toe op het maken van die lange beeldverslagen. Hij kocht die dia’s niet in een winkel, hé. Hij moet enorm nieuwsgierig en enthousiast zijn geweest om al zijn vrije dagen op te offeren aan de kunst.

K.B./D.P.: Het is opvallend dat je voortdurend zijn neutraliteit of objectiviteit roemt. In zijn kunstkritische teksten nam hij daarentegen wel scherpe standpunten in. Las jij zijn teksten toen je van hem les kreeg?

J.V.I.: Ja, ik heb gepoogd enkele teksten te lezen die hij aan Artefactum had bijgedragen. Eerlijk gezegd kon ik niet echt volgen.

K.B./D.P.: Als kunstcriticus stond hij voor zeer uitgesproken zienswijzen, die hij in knetterende metaforen verpakte. Als docent vulde hij zijn rol blijkbaar volledig anders in.

J.V.I.: Ja, dat is mijn ervaring geweest. Mocht hij zijn mening voortdurend hebben proberen op te dringen aan mij, dan hadden we elke week ruzie gehad. Als jonge smeerlap had ik dat niet aanvaard. Maar ik heb nooit het gevoel gehad dat hij ons in de een of andere richting probeerde te duwen.

K.B./D.P.: Konden jullie zelf ook onderwerpen suggereren aan Van Mulders?

J.V.I.: Misschien had dat gekund, maar ik denk niet dat iemand dat ooit heeft gedaan.

K.B./D.P.: Gebeurde het dat Van Mulders jou zo enthousiast gemaakt had over een tentoonstelling dat je die ook ging bezoeken?

J.V.I.: Dat is mogelijk, maar ik heb er geen specifieke herinnering aan. Vergeet niet dat wij zeer veel les hadden; de week was goed gevuld.

K.B./D.P.: Ging je in die tijd überhaupt naar tentoonstellingen kijken?

J.V.I.: Ja, maar zeer gedoseerd. Als beginnend kunstenaar had ik veel tijd nodig om alles te verwerken. Ik woonde in het Prinsenhof, vlakbij het Gewad. Ik liep geregeld binnen in de Copyright, de kunstboekhandel die daar toen gevestigd was en bezocht de tentoonstellingen die door Joost Declercq werden georganiseerd. Ik herinner me ook Guillaume Bijls Casino in de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst aan de Recolettenlei. Die tentoonstelling bezocht ik onder impuls van Leo Van Damme, een andere docent van me. In Antwerpen was ik vaak te vinden in Club Moral van Danny Devos en Anne-Mie Van Kerckhoven.

K.B./D.P.: Welk vak doceerde Leo Van Damme?

J.V.I.: Hij gaf Esthetica. Gedurende een geheel jaar lazen we het boek Modern Painting and the Northern Romantic Tradition: Friedrich to Rothko van Robert Rosenblum. Dat was fantastisch. Van Damme en Van Mulders waren twee geëngageerde mensen, maar hun omgang met de studenten was totaal verschillend. Ik herinner me dat ik een keer in de Voldersstraat liep en Leo tegenkwam. Hij vroeg me of ik tijd had en toen ik daar positief op antwoordde, nam hij me mee naar allerlei tentoonstellingen. Met Van Mulders had ik alleen contact tijdens de lessen. Vanaf het tweede jaar doceerde Van Mulders trouwens het vak Esthetica. Zijn werkwijze was helemaal anders dan die van Van Damme.

K.B./D.P.: In welke zin?

J.V.I.: In zijn cursus stonden teksten van kunstfilosofen centraal. We werden uitgedaagd om vragen te stellen en te discussiëren. Hij drong niets op. Hij liet je je eigen mening vormen en het was je eigen verantwoordelijkheid wat je ermee deed. Ik had ook de indruk dat hij losser was. Het waren levendige gesprekken. Het was van belang dat er verschillende visies op kunst werden gearticuleerd. Hij gaf ook stencils aan ons die ik gretig las. Ik herinner me papers over Roland Barthes en Michel Foucault. Soms stond ik argwanend tegen dat soort denkers. Het goede was dat hij dat doorbrak – hij maakte je ervan bewust dat die achterdocht gebaseerd was op clichés. Dat was niet onbelangrijk.

K.B./D.P.: Welke herinnering heb je aan de examens van Wim Van Mulders?

J.V.I.: Ik meen dat ik nooit een mondeling examen bij hem heb afgelegd. We moesten een tekst schrijven die hij beoordeelde. Ik haalde trouwens goede cijfers, onder andere voor een tekst over de schoenen van Van Gogh, refererend aan de tekst De oorsprong van het kunstwerk van Martin Heidegger. Door Eddy Muyllaert, die het vak Kunstgeschiedenis gaf, werden we wel mondeling geëxamineerd.

K.B./D.P.: Aan welke andere docenten hou je goede herinneringen over?

J.V.I.: Aan Dirk Liefooghe, die Filmgeschiedenis doceerde. Hij kon filmscènes op een verbluffende manier duiden. Ook aan Eric Verhal moet ik nu denken, niet zozeer aan zijn lessen, maar aan zijn examen. Hij vroeg ons om Het Lam Gods uit het hoofd te tekenen. Dat kon tellen! Maar hij had gelijk. Je studeert schilderkunst in de stad waar dat meesterwerk hangt: als je niet was gaan kijken, wat zat je daar dan te doen?

K.B./D.P.: Toen we je benaderden met het verzoek om een gesprek met je te hebben over je studietijd aan de Koninklijke Academie en de lessen van Wim Van Mulders, stelde je dat ‘je nog steeds put uit zijn ‘erfenis’’. Kan je daar toelichting bij geven?

J.V.I.: Ten eerste is er de ongelofelijke hoeveelheid informatie die hij heeft doorgegeven in zijn twee cursussen, Kunstactualiteit en Esthetica. Daarnaast – en dat is misschien nog belangrijker – heb ik veel gehad aan zijn houding, zijn mentaliteit, zijn missie om gedachten en inzichten door te geven. Door Van Mulders werd ik me ervan bewust dat een schilderij meer is dan wat verf op een doek, en ook een wereld van kennis en reflectie omvat. Dat is een kapitaal inzicht, waarvan ik me wellicht pas na mijn studies ten volle bewust ben geworden.

K.B./D.P.: Hoe bracht hij dat specifieke inzicht over? 

J.V.I.: Ik herinner me dat hij op een gegeven moment het werk besprak van de Nieuwe Wilden. Een van die schilders had gesteld dat een kunstenaar niet over zijn eigen werk kan spreken. Van Mulders gaf daar geen commentaar op, maar de toon waarop hij het vermeld had, was zonder meer cynisch. Dat ben ik nooit vergeten en ik stelde me de vraag of ik wel iets over mijn eigen werk te zeggen had. Als dat niet het geval is, waar ben je dan eigenlijk mee bezig? Het duurde jaren vooraleer ik dat kon: nadenken, zinnen bouwen, de discipline ontwikkelen om te leren spreken over mijn werk. Het gaat er niet om dat je alles van naaldje tot draadje kan uitleggen, maar dat je een discours hebt over je werk naarmate het zich ontwikkelt. Van Mulders wees ons op het belang daarvan, in tegenstelling tot de praktijkdocenten. ‘Voelt ge dat niet, die materie’, verder kwamen die mensen niet. Of: ‘Steek er nog wat rood in’. Ik dacht bij de start van mijn opleiding dat we massa’s informatie zouden krijgen en dat we voortdurend zouden worden uitgedaagd, maar het was huilen met de pet op. Het was bovendien enorm frustrerend dat de meeste studenten dat normaal vonden.

K.B./D.P.: Waarom bleef je naar het atelier gaan als je er toch weinig of niets opstak?

J.V.I.: Ik kon die mensen niet beter ergeren dan door steeds aanwezig te zijn. Mij kregen ze daar niet buiten. Voortdurend zocht ik de confrontatie op. Claude Yande, die twee jaar hoger zat en vooral met performances bezig was, was mijn spitsbroeder. We hebben het leven van die docenten ontzettend zuur gemaakt. Als we geen amok maakten binnen de muren van de academie, dan erbuiten. Samen met Claude heb ik de UCO-gebouwen in het centrum van Gent gekraakt. We vonden dat we te weinig ruimte hadden om te schilderen.

K.B./D.P.: Wat schilderde je in je academietijd?

J.V.I.: In het tweede jaar schilderde ik grote pornografische schilderijen van menstruerende vrouwen. In het derde jaar waren het homoseksuele dwergen. En daarna bruggen en gebouwen en vijvers. In het vierde jaar was ik compleet het noorden kwijt. Plots merkte ik dat er te veel Dierickx in mijn werk was geslopen. Dat was gebeurd zonder dat ik dat goed en wel beseft had. ‘Godverdomme, ik zit ook in de Gentse school!’ Dat was echt het moment om af te studeren.

K.B./D.P.: Heb je Van Mulders ooit om commentaar op jouw werk gevraagd?

J.V.I.: Neen, dat durfde ik niet. Ik wist dat ik met mijn werk nog nergens stond; het was te vroeg om mijn werk aan een kunstcriticus of -theoreticus te tonen. Bovendien, als hij gedaan had met lesgeven, pakte hij zijn valiesje en verdween hij meteen.

K.B./D.P.: Wat heb je na je opleiding gedaan?

J.V.I.: Ik ben gaan werken bij Volvo. Ik kreeg er een ‘opleiding’ tot ongeschoold arbeider en stond er aan de lopende band. Op die titel ben ik nog steeds trots: ongeschoold arbeider. Met de kunstwereld wou ik even niets meer te maken hebben. Ik wilde me ‘ontgiften’; ik moest die vierjarige academieopleiding uitzweten. Ik smeet alles in een container, inclusief mijn diploma. Wat had ik in de academie opgestoken over de techniek van het schilderen? En over verf, toch het basismateriaal van de schilder? Niets, tweemaal niets! De enige cursus die daarover handelde, werd gegeven door Herman Hilderson, die ook chemie gaf aan de industrieel ingenieurs. Hilderson was een oerconservatieve man, maar zijn materiaalkennis was fenomenaal. Over verven en pigmenten wist hij alles. De praktijkdocenten hadden me daarover nooit iets verteld. Dat is toch niet te geloven!

K.B./D.P.: Was je dan volledig gedemotiveerd toen je de deuren van de academie achter je dichttrok?

J.V.I.: Neen, integendeel, ik was zeer gemotiveerd. De schilderkunst was extreem belangrijk voor mij. Het was mijn roeping om de schilderkunst – en ook de geschiedenis van de schilderkunst – levendig te houden. Over Van Eyck, Tintoretto, Goya en Mondriaan wilde ik leren spreken. Ik wou volledig opnieuw beginnen, niet om schilder te worden, maar om te weten hoe een schilderij in elkaar zit – eigenlijk was dat ook de reden geweest om te gaan studeren aan de Academie.

K.B./D.P.: Hoe ‘leerde je spreken’ over schilderkunst?

J.V.I.: Ik heb mij eerst een jaar lang toegelegd op de studie van het werk van Tintoretto. Ik wilde alles weten over zijn manier van schilderen en zijn beeldtaal.

K.B./D.P.: Schilderde je zelf nog?

J.V.I.: Als je in een bedrijf zoals Volvo werkt, dan kan je niet schilderen. Het eerste jaar heb ik hooguit schetsen en tekeningen gemaakt en teksten geschreven. Mijn vingers jeukten, maar het probleem was dat ik bij Volvo niet buiten raakte. Ik mocht niet stoppen, want dan moesten ze opnieuw iemand opleiden tot ongeschoold arbeider. Toen ik uiteindelijk zei dat ik een academieopleiding achter de rug had, kreeg ik mijn C4. Na twee jaar werkloos te zijn geweest, ben ik als klusjesman bij mimetheater Sabbattini aan de slag gegaan, parttime, in een DAC-statuut. Ik voelde mij schuldig dat ik van een werkloosheidsuitkering leefde.

K.B./D.P.: Vond je toen de tijd om te schilderen?

J.V.I.: Ja, ik ben opnieuw van nul begonnen. Alle mogelijke verven, verdunningsmiddelen, pigmenten en verfborstels heb ik uitgetest. Met de meest diverse technieken heb ik geëxperimenteerd. Op het vlak van materiaalkennis en technische bagage wou ik alles weten. Ik verslond boeken, schuimde musea af en probeerde zoveel mogelijk uit. Met kunstenaars had ik geen contact, tot ik begin jaren 90 Luc Tuymans en zijn vriend Bob Van Ruyssevelt ontmoette. Het was het begin van een langdurige uitwisseling die in het teken van de schilderkunst stond. We spraken elkaar minstens een keer per maand. Eind jaren 80, begin jaren 90 begon ik te geloven dat ik het kunstenaarschap aankon.

K.B./D.P.: Wanneer heb je het werk gerealiseerd dat jij beschouwt als het begin van je oeuvre?

J.V.I.: In 1989, denk ik. Het was een klein paneeltje, waarin ik uitdrukking gaf aan de tegenstrijdigheid van de gruwel van de Eerste Wereldoorlog en de schoonheid van oorlogskerkhoven.

K.B./D.P.: Heb jij na je academieopleiding nog contact gehouden met Van Mulders?

J.V.I.: Nee, ik ben hem nog een keer per toeval tegengekomen in een museum. We hebben elkaar begroet, maar niet met elkaar gebabbeld. Hij is verlegen, denk ik, en zelf ben ik ook niet erg sociaal.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

Gesprek met Wim Van Mulders over zijn docentschap aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent (1973-2002)

1. Esthetica

Koen Brams/Dirk Pültau: Verschilde jouw aanpak als docent in de jaren 80 van die in de jaren 70?

Wim Van Mulders: Niet wezenlijk. Het vak Kunstactualiteit had ik intussen aardig in de vingers. De belangrijkste verandering betrof een uitbreiding van mijn lesopdracht in 1980. Ik werd gevraagd om de cursus Esthetica over te nemen van Chantal De Smet, die directeur was geworden van het Stedelijk Secundair Kunstinstituut (S.S.K.I.). Het ging om een verdubbeling van mijn lesuren, want net als Kunstactualiteit gaf ik Esthetica – of Kunstfilosofie, zoals het vak later is gaan heten – in het tweede, derde en vierde jaar. Het was een hele aanpassing. Tot 1980 had ik immers slechts een halftijdse betrekking. De ironie wil dat ik mezelf niet eens kandidaat had gesteld, terwijl collega’s ijverig hadden gelobbyd om de uren van Chantal in de wacht te slepen. Pierre Vlerick, de directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.), wilde echter graag dat ik het vak zou doceren.

K.B./D.P.: Waarom?

W.V.M.: Omdat hij wist hoe ik de cursus Kunstactualiteit benaderde en mijn werkwijze waardeerde, veronderstel ik. Ik vond het belangrijk om de kunst van een theoretisch kader te voorzien. Als ik over Beuys sprak, verwees ik naar het antroposofische gedachtegoed van Rudolf Steiner, waar Beuys’ pedagogische visie sterk op leunde. Bij de bespreking van het werk van Joseph Kosuth en andere ‘talige’ conceptuele kunstenaars betrok ik de inzichten van Ludwig Wittgenstein. De interventies van Daniel Buren bracht ik dan weer in verband met een meer sociologisch georiënteerd discours.

K.B./D.P.: Hoe was jouw relatie met Vlerick?

W.V.M.: Ik kon het goed met hem vinden. Hij vroeg me geregeld wat ik gezien of gelezen had – ik voelde een oprechte interesse als ik met hem sprak. Zo wist Vlerick dat ik het werk volgde van filosofen als Rudolf Boehm, Jaap Kruithof, Etienne Vermeersch en Leo Apostel – met laatstgenoemde was hijzelf goed bevriend. Vond Vlerick mij om die reden de geknipte man om Esthetica te geven? Ik weet het niet. Over zijn beweegredenen hebben wij het nooit gehad. Zoals gezegd was ik zelf geen vragende partij om het vak te doceren. Gedurende de jaren 70 had ik weliswaar lesgegeven aan het RhoK – Academie voor Beeldende Kunsten in Etterbeek, maar aan die opdracht had ik na drie jaren de brui gegeven. Toen ik in 1973 aan het K.A.S.K. werd aangesteld, heb ik zelfs een bijkomende lesopdracht geweigerd.

K.B./D.P.: Voor welk vak was je benaderd?

W.V.M.: Men had mij voorgesteld om ook in het S.S.K.I. les te geven – de Gentse kunsthumaniora, die toen net als het K.A.S.K. deel uitmaakte van het stedelijk onderwijs. Ik had echter totaal geen zin om voor een klas met opstandige pubers te staan.

K.B./D.P.: Hapte je onmiddellijk toe toen Vlerick je vroeg om de cursus Esthetica op jou te nemen?

W.V.M.: Neen, ik heb geaarzeld. Ik vroeg me af of het vak niet beter zou worden gegeven door iemand met een filosofische achtergrond, maar Vlerick bleef aandringen. Het heeft mij in de zomer van 1980 een pak werk bezorgd.

K.B./D.P.: Je had eigenlijk niet zoveel zin in die bijkomende lesopdracht?

W.V.M.: Toch wel. Ik keek ernaar uit om mij met kunstfilosofie bezig te houden. Het was een gelegenheid om de leerstof van mijn filosofiedocenten – onder wie Rudolf Boehm en Etienne Vermeersch – verder uit te breiden en uit te diepen. Wat me eveneens beviel, was dat ik in het vak Esthetica minder aan de waan van de dag was overgeleverd. Voor het ‘informatieve’ vak Kunstactualiteit was ik dag in dag uit op pad om de belangrijkste tentoonstellingen van actuele kunst in België en het omliggende buitenland te bezoeken. Het was een verademing om een eerder theoretisch vak te geven dat zich leende tot een wat afstandelijker benadering van kunst. Ook de invulling die mijn voorgangster Chantal De Smet aan het vak gaf, vond ik uitnodigend. Op bepaalde aspecten van haar lessen kon ik voortborduren.

K.B./D.P.: In welke zin?

W.V.M.: Ik denk daarbij vooral aan één welbepaald denker die in de lessen van Chantal een belangrijke rol speelde: Nicos Hadjinicolaou (°1938), een Griekse, marxistische kunsthistoricus die in de leer was geweest bij de Franse filosoof Louis Althusser en vooral bekend is geworden door zijn boek Histoire de l’art et la lutte des classes (1973). Wat ik interessant vond aan zijn aanpak is dat hij met het in zijn ogen al te beladen begrip ‘kunst’ af wilde rekenen en voorstelde om het in te ruilen voor het concept ‘beeldideologie’. Met die term trachtte hij de idee van artistieke vrijheid te ondergraven en aan te geven dat ook kunstenaars worden beheerst door wat hij – in marxistische termen – de ‘dominante ideologie’ noemde. Dat vond ik een heel vruchtbare gedachte. In de academie waande men zich immers al te zeer op een eiland. Vooral in de ateliers werd een naïef geloof in de vrijheid van de kunstenaar gepropageerd – terwijl de studenten in de ateliers aan handen en voeten gebonden waren! Ze werden verplicht om te schilderen en te beeldhouwen in een welomlijnde traditie. Het vak Esthetica bood de kans om ideologische constructies als de ‘vrijheid van de kunstenaar’ tegen het licht te houden.

K.B./D.P.: Vatte jij je lessen op als een vorm van ideologiekritiek?

W.V.M.: Ten dele, mijn benadering was veel ruimer. Meestal vertrok ik van kunsttheoretische teksten van filosofen als Theodor W. Adorno, Walter Benjamin, Roland Barthes, Martin Heidegger, Herbert Marcuse, Maurice Merleau-Ponty, Ludwig Wittgenstein… Over een aantal van die denkers schreef ik didactisch opgevatte teksten die ik aan de studenten gaf, zoals ik dat in de cursus Kunstactualiteit voor de belangrijkste kunstenaars deed. Ik heb echter nooit kunstfilosofie pur sang gegeven. Dat was simpelweg niet haalbaar.

K.B./D.P.: Waarom niet?

W.V.M.: Ten eerste ben ik geen filosoof en ten tweede zou het voor de studenten onverteerbaar zijn geweest om een hele les – vier uur, slechts onderbroken door een pauze – naar een abstract exposé over een kunstfilosofische tekst te luisteren.

K.B./D.P.: Hoe vatte jij je lessen dan wel op?

W.V.M.: Ik zorgde ervoor dat ik mijn betoog over een filosoof steeds met concrete voorbeelden uit de geschiedenis van de moderne kunst kon verbinden. Ik lardeerde mijn lessen altijd met beelden van de kunstenaar die in het betoog van een bepaalde filosoof centraal stond.

K.B./D.P.: Welke liaisons tussen filosofen en kunstenaars heb je zoal belicht? 

W.V.M.: Van Martin Heidegger besprak ik bijvoorbeeld Der Ursprung des Kunstwerkes, een tekst die vertrekt van het motief van de boerenschoenen in het werk van Vincent van Gogh. Daarbij confronteerde ik Heideggers abstracte betoog met de concrete reeks van zes doeken die Van Gogh van boerenschoenen had gemaakt. Het had iets laconieks en ironisch. Bij momenten was het zelfs bijna hilarisch om Heideggers betoog rechtstreeks met die schilderijen van banale boerenschoenen van Van Gogh te confronteren, maar dankzij die concrete aanpak onthielden de studenten wel de essentie van mijn betoog: dat Heidegger de boerenschoenen van Van Gogh gebruikte om te komen tot de idee van een object dat zich van zijn functie heeft losgemaakt en daardoor een aura krijgt… wat volgens Heidegger alles met de oorsprong van het kunstwerk te maken heeft. Dezelfde aanpak hanteerde ik ook om het werk van andere denkers toe te lichten.

K.B./D.P.: Kan je voorbeelden geven?

W.V.M.: Ik heb bijvoorbeeld Roland Barthes’ bekende tekst over Cy Twombly besproken, waarbij ik het betoog van de Franse filosoof illustreerde met werken van de Amerikaanse kunstenaar. De schilderkunst van Edvard Munch bracht ik in verband met het denken van Søren Kierkegaard, August Strindberg en met het gedachtegoed van de anarchisten van Kristiania (Oslo). Ik heb ook de tekst De schilderkunst van de Van Velde’s of de wereld en de broek van Samuel Beckett behandeld, over de Nederlandse schilders en broers Bram & Geer van Velde, waarin Beckett het zogenaamde ‘falen van Bram van Velde’ thematiseert – spijts de titel heeft Beckett het enkel over Bram, de oudste en meest bekende van de twee broers. Velen dachten dat Beckett negatief stond tegenover het werk van Bram van Velde omdat hij het voortdurend over diens ‘falen’ had. Het kostte me moeite om uit te leggen dat Beckett met het falen een ‘geslaagde mislukking’ bedoelde.

K.B./D.P.: Sprak je in de cursus Esthetica enkel over klassiek-moderne kunst?

W.V.M.: Nee, ik bracht ook hedendaagse kunstenaars aan bod. Een aantal figuren die in mijn cursus Kunstactualiteit van de jaren 70 prominent aanwezig waren geweest, keerden in de lessen Esthetica terug. Van Joseph Kosuth heb ik bijvoorbeeld Kunst na filosofie [Art After Philosophy] besproken, een van de teksten die Jan Vercruysse in het Nederlands had vertaald voor de bundel Joseph Kosuth. Teksten/textes, uitgegeven naar aanleiding van zijn tentoonstelling in het ICC in 1976. Ik had die teksten reeds in mijn lessen Kunstactualiteit ingezet. Mijn eigen vertalingen van interviews met Joseph Beuys bleef ik eveneens in de cursus Esthetica bezigen. Op het einde van de jaren 70 was ik een beetje op het werk van Beuys uitgekeken, maar in de cursus Esthetica bekleedde zijn werk nog steeds een belangrijke plaats, als een soort ijkpunt. Net als Duchamp bleef ik Beuys als een model voor de hedendaagse kunst naar voor schuiven. Het klopt evenwel dat de meest recente kunst in de cursus Esthetica minder vertegenwoordigd was; die kwam aan bod in het vak Kunstactualiteit.

 

2. Kunstactualiteit in de jaren 80

K.B./D.P.: Van welke kunstenaars die bij het begin van de jaren 80 doorbraken, besprak jij het werk in je lessen Kunstactualiteit? Heb je bijvoorbeeld over de ‘nieuwe schilders’ van de jaren 80 lesgegeven? 

W.V.M.: Jazeker… maar ik deed dat zeer selectief en met de nodige afstand.

K.B./D.P.: Wat bedoel je met ‘selectief’?  

W.V.M.: Enkel de Mülheimer Freiheit heb ik uitvoerig behandeld, de Keulse groep van vijf jonge schilders (Peter Bömmels, Walter Dahn, Jiri Georg Dokoupil, Gerard Kever, Gerhard Naschberger). In november-december 1980 was hun werk – naast dat van enkele andere jonge Duitse schilders – voor het eerst voor het voetlicht gebracht in de tentoonstelling Mülheimer Freiheit & Interessante Bilder aus Deutschland in de Galerie Paul Maenz te Keulen. Andere succesrijke voorbeelden van de nieuwe schilderkunst – de Neue Wilde uit Berlijn, de jonge Italianen, Amerikaanse schilders als David Salle en Julian Schnabel – besprak ik eerder summier.

K.B./D.P.: Wat vertelde je over de Mülheimer Freiheit? 

W.V.M.: Ik was vooral gefascineerd door de samenwerking tussen twee leden van die Keulse groep, Jiri Georg Dokoupil en Walter Dahn. Daarbij liet ik niet na om – net als bij veel kunstenaars die in mijn lessen van de jaren 70 centraal stonden – de relatie te leggen met de klassiek-moderne kunst: in dit geval het Duitse expressionisme en de figuur van Max Beckmann, voor wie ik een bijzondere fascinatie koesterde. Dat kon trouwens geen kwaad omdat de studenten iemand als Beckmann niet eens kenden. Weet je wie ze kenden? De Vlaamse expressionisten! Die kunstenaars werden namelijk behandeld in de cursus Kunstgeschiedenis van mijn collega Eddy Muylaert, die in dat verband af en toe met de studenten naar het Gentse Museum voor Schone Kunsten trok. De euforie die in het begin van de jaren 80 omtrent de ‘nieuwe’ schilderkunst heerste, was ook in het K.A.S.K. voelbaar. In die context vond ik het des te belangrijker om het ‘nieuwe’ van die kunst te relativeren en de studenten op de kunsthistorische wortels van het fenomeen te wijzen. Ik heb de hausse van de schilderkunst in de jaren 80 vooral als een alibi gebruikt om het werk van de founding fathers te laten zien. Ik focuste op een aantal kunstenaars die al sinds de jaren 60 of zelfs vroeger een schilderkunstig oeuvre hadden opgebouwd, zoals Georg Baselitz, A.R. Penck, Markus Lüpertz, Gerhard Richter en Sigmar Polke. Zo’n excursie in de meer recente kunstgeschiedenis was ook al geen overbodige luxe. De amnesie waarmee de hype van de ‘nieuwe’ schilderkunst gepaard ging, was ronduit stuitend. Iemand als Georg Baselitz werd in het begin van de jaren 80 als een ‘nieuwe’ schilder gevierd, net als de Berlijnse Neue Wilde en de jonge Italianen van de Transavanguardia… maar Baselitz had al sinds 1959 een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschilderd toen die ‘nieuwe’ schilders hun eerste doeken presenteerden! Ik kon me vreselijk ergeren aan het totale gemis aan historisch bewustzijn en besloot voor de studenten een tekst over Baselitz te schrijven waarin ik de puntjes op de i zette.

K.B./D.P.: Wat schreef je dan precies?

W.V.M.: Ik maakte duidelijk dat Baselitz niets met de nieuwe schilders te maken had, maar hooguit inspirerend had gewerkt voor de jonge garde. Het was belangrijk om generaties van elkaar te onderscheiden. Daarnaast liet ik ook niet na om de studenten op de schatplichtigheid te wijzen van de Neue Wilde aan voorgangers.

K.B./D.P.: Kan je daar voorbeelden van geven?

W.V.M.: Ik vertelde onder meer dat een van de Amerikaanse ‘nieuwe’ schilders, David Salle, schaamteloos het werk van Sigmar Polke plunderde. De Nederlandse schilder René Daniëls had mij daarop attent gemaakt. Ik herinnerde de studenten er ook met plezier aan hoe Julian Schnabel – dé vedette van de ‘nieuwe’ schilderkunst in de Verenigde Staten – tot bepaalde van zijn werken gekomen was. Nadat hij aan de Kunstakademie Düsseldorf het werk van Beuys had gezien, begon Schnabel grote schilderijen te maken waarvoor hij motieven uit de tekeningen van Beuys tot gigantische proporties opblies. Ik vond dat de studenten best mochten weten waar het succes van sterren als Salle en Schnabel op gebaseerd was.

K.B./D.P.: Eigenlijk deed jij dus aan ‘kunstkritiek voor de klas’?

W.V.M.: Zo zou je het kunnen noemen.

K.B./D.P.: Hoelang heb je over de ‘nieuwe’ – of ‘oude nieuwe’ – schilders lesgegeven?

W.V.M.: In 1982 ben ik ingegaan op de tentoonstelling 10 Junge Künstler aus Deutschland, die in dat jaar in het Folkwang Museum te Essen plaatsvond en waarin een aantal van de belangrijkste Duitse vertegenwoordigers van de ‘nieuwe’ schilderkunst verenigd waren, met drie van de zogenaamde ‘Moritzboys’ uit Berlijn (Rainer Fetting, Helmut Middendorf en Salomé) en de vijf leden van de Mülheimer Freiheit – en de Tsjechisch-Duitse kunstenaar Milan Kunc die in die tentoonstelling een buitenbeentje was. Daarna is de ‘nieuwe’ schilderkunst in mijn lessen nauwelijks nog ter sprake gekomen. Het was op dat moment trouwens niet meer nodig om er nog aandacht aan te besteden. De kunsttijdschriften deden dat immers in mijn plaats. De informatiestroom was zo massaal dat elke verdere uitleg overbodig was.

K.B./D.P.: Waarover heb je nadien lesgegeven?

W.V.M.: Over de Europese beeldhouwkunst, in de meest ruime betekenis, die tegelijkertijd met de ‘nieuwe’ schilderkunst haar opwachting maakte (Reinhard Mucha, Thomas Schütte, Jan Vercruysse, Jean-Marc Bustamante, Franz West…). Ik belichtte ook Amerikaanse kunstenaars als Allan McCollum, Matt Mullican en Jeff Koons. Ik gaf net als in de jaren 70 les over een aantal vrouwelijke kunstenaars die me erg boeiden. Het lijdt geen twijfel dat ik heel wat namen vergeet, maar dat zijn in een notendop de interessegebieden die centraal stonden in mijn lessen in de jaren 80.

K.B./D.P.: Welke kunstenaars waren voor jou heel belangrijk? 

W.V.M.: Ik had een bijzondere voorkeur voor de jonge Britse beeldhouwers. Van de ‘Indische Brit’ Anish Kapoor had ik in 1983 een tentoonstelling in Galerie ’t Venster gezien, waarin hij zijn eerste sculpturen met een ‘verfpoederhuid’ toonde. Heel intrigerend! Ik ben altijd sterk in beeldhouwkunst geïnteresseerd geweest. Het werk van de Duitse Rebecca Horn heb ik lang en intens gevolgd. Memorabel vond ik Das gegenläufige Konzert in Skulptur Projekte in 1987, een installatie die was aangebracht in de ruïne van een 16de-eeuwse vestingtoren, die tijdens de Tweede Wereldoorlog had gediend als executieplaats voor Poolse en Russische krijgsgevangenen. Een andere naam, die jullie misschien zal verrassen, is Jonathan Borofsky, die indertijd bekendheid verwierf met zijn Hammering Men: reusachtige, emblematische figuren van een arbeider met een hamer, die hij alleen of in groep toonde, vaak in de publieke ruimte. Vandaag is Borofsky nagenoeg vergeten, maar voor mij is hij belangrijk geweest. Ik was ook een tijdlang heel erg geboeid door een aantal Franse kunstenaars, zoals Christian Boltanski en Annette Messager. In 1984 heb ik van Messager een tentoonstelling gezien in het Musée d’Art moderne de la Ville de Paris.

K.B./D.P.: Wat sprak je aan in haar werk?

W.V.M.: De manier waarop ze seksistische schuttingtaal en pornografische motieven gebruikte om de onderdrukking van de vrouw te thematiseren. Ze maakte bijvoorbeeld haakwerkjes die ze Proverbes noemde en waarbij ze seksistisch scheldproza op lapjes stof borduurde. Ze werkte aan kleine boekjes waarin ze seksueel beladen beelden kleefde, bijvoorbeeld foto’s van de gulp van mannen, met onderschriften die aangaven of de betrokkene links of rechts droeg. Ik vond haar werk anders dan de kunst die ik tot dan toe kende.

K.B./D.P.: Wat vond je precies nieuw?

W.V.M.: Uiteraard droeg Messager nog steeds zorg voor de vorm van haar werken, maar je kon haar kunst niet meer louter formalistisch benaderen. De kern ervan lag in de sociale en politieke inhoud. Ik ben me vanaf de jaren 90 heel sterk in de politieke dimensie van hedendaagse kunst beginnen te interesseren en dat aspect was in feite al in Messagers werk aanwezig. Het heeft wel een tijdje geduurd vooraleer ik greep kreeg op haar oeuvre. In 1989 heb ik Soleil Noir van Julia Kristeva gelezen. Ik begreep weliswaar niet elk woord van Kristeva’s psychoanalytische discours, maar dankzij haar boek wist ik de feministische interesse van Messager beter te plaatsen.

K.B./D.P.: Bleef je ook kunstenaars van de ‘vorige generatie’ aan bod brengen?

W.V.M.: Ja, Hans Haacke bijvoorbeeld. Ik volgde zijn werk al sinds 1974, toen hij zijn gecensureerde Manet-PROJEKT 74 presenteerde, dat oorspronkelijk bedoeld was voor de tentoonstelling Projekt 74, georganiseerd naar aanleiding van het 150-jarig bestaan van het Keulse Wallraf-Richartz-Museum (Kölnischer Kunstverein en Josef Haubrich Kunsthalle, Keulen). Daarna besprak ik The Philips Papers (Van Abbemuseum, Eindhoven, 1979), waarin hij het aandeel van Philips Eindhoven – een van de belangrijkste sponsors van het Van Abbemuseum – in de onderdrukking van de zwarten ten tijde van het Apartheidsregime in Zuid-Afrika blootlegt. Ten slotte had ik ook aandacht voor Der Pralinenmeister (Galerie Paul Maenz, Keulen, 1981), waarin hij de chocoladefabrikant Peter Ludwig, de belangrijkste naoorlogse verzamelaar in Duitsland, op de hak neemt. Daarnaast zijn Sigmar Polke, James Lee Byars en Jannis Kounellis me lang blijven boeien. Van Polke heb ik solotentoonstellingen gezien in 1984 (Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam) en 1992 (Stedelijk Museum, Amsterdam); ik heb er les over gegeven. Kounellis heb ik in 1982 persoonlijk ontmoet – een heel zwijgzame, indringende man met een intrigerend en veelzijdig oeuvre. Van Byars heb ik een omvangrijke tentoonstelling belicht, The Philosophical Palace van 1986 in de Kunsthalle van Düsseldorf. Hij liet de zalen volledig rood schilderen als decor voor zijn Perfect Stones.

K.B./D.P.: Kwam het voor dat een kunstenaar van de vorige generatie pas later in je lessen belangrijk werd?

W.V.M.: Dat was beslist niet uitgesloten. Dan Graham had ik al in de jaren 70 gebracht, maar in de jaren 80 kwam hij veel meer op de voorgrond in mijn lessen. Ik besprak zijn paviljoenen met dubbelzijdig spiegelglas, waaronder het Oktogon für Münster dat ik in 1987 zag in Skulptur Projekte Münster – werk dat vormelijk erg verschilde van wat hij in de jaren 60 en 70 had gerealiseerd. Van Ed Ruscha heb ik in 1989 een belangrijke tentoonstelling gezien in Museum Boijmans Van Beuningen. Ik heb vervolgens een lange tekst voor de studenten geschreven, waarbij ik ook zijn kunstenaarsboekjes uit de jaren 60 belichtte, zoals Twentysix Gasoline Stations (1963): door en door Amerikaans werk, dat sterk leunde op de documentaire fotografie van Walker Evans en Robert Frank.

K.B./D.P.: Over welke kunstenaars sprak je niet meer?

W.V.M.: Dat zijn er heel wat. Over Arnulf Rainer en de Weense Aktionisten bijvoorbeeld heb ik in de jaren 80 helemaal geen les meer gegeven.

K.B./D.P.: Wat waren de redenen om het werk van een kunstenaar niet meer aan bod te brengen?

W.V.M.: Omdat ik op het werk uitgekeken was! Cindy Sherman vond ik bijvoorbeeld heel boeiend tot aan het midden van de jaren 80 – bijvoorbeeld hoe ze zichzelf in haar foto’s de meest uiteenlopende rollen toe-eigende – maar in de loop der jaren werd haar werk steeds barokker en begon ze op kolossale formaten te werken. Ik zag daar echt de zin niet van in. De meest ‘interessante’ kunstenaars maken slechts gedurende een beperkte periode relevant en inspirerend werk, zo denk ik er vandaag nog altijd over.

 

3. De omgang met de studenten

K.B./D.P.: Kon het gebeuren dat je een dergelijk kritisch oordeel ook uitsprak in de les?

W.V.M.: Niet zo expliciet als ik het nu doe, nee… maar het gebeurde wel dat ik in de klas openlijk vragen stelde bij het werk van een bepaalde kunstenaar. Vragen als: ‘wat moeten we met dit werk?’, ‘heeft dit werk betekenis?’, ‘is dit nu werkelijk nieuw?’…

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

W.V.M.: Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik het werk van Saint Clair Cemin kritisch heb benaderd. Cemins werk was opgenomen in de groepstentoonstelling Horn of Plenty. 16 Artists from New York (1989), samengesteld door Gosse Oosterhof in opdracht van het Stedelijk Museum te Amsterdam. In de zomer van 1991 had ik in Witte de With een solo van hem gezien. Cemin maakte aantrekkelijke en bevallige objecten die op het eerste zicht deden denken aan klassieke beeldhouwkunst, maar bij nader inzien waren ze eigenlijk niet op een zinvolle manier met de geschiedenis van de beeldhouwkunst in verband te brengen. Zijn werk werd niet gedragen door een discours; er zat ook geen verhaal in zoals bijvoorbeeld bij Rebecca Horn wel het geval was. Het waren gewoon mooie objecten, meer niet. In het daaropvolgende academiejaar heb ik zijn werk aan bod gebracht in de les. Ik herinner me nog levendig hoe de studenten reageerden toen ik dia’s liet zien. Iedereen was enthousiast! Waarop ik droogweg stelde dat ik het werk van Cemin nooit meer zou behandelen in mijn lessen.

K.B./D.P.: Was het de bedoeling om te provoceren?

W.V.M.: Misschien een beetje, maar het ging er mij vooral om het succes van zijn werk in vraag te stellen. Ik besefte dat Saint Clair Cemin in de smaak zou vallen en vond het belangrijk om dat te problematiseren.  

K.B./D.P.: Had je het in jouw lessen ook over ‘succes’ in het algemeen? Of over de factoren die dat succes bepalen – de kunstmarkt, de machtsverhoudingen in de kunstwereld – en de manier waarop sommige kunstenaars daarop inspeelden? Je zei dat je ook lesgaf over Jeff Koons…

W.V.M.: De thematiek van de kunstwereld en de kunstmarkt kwam zeker aan bod toen ik Koons ter sprake bracht.

K.B./D.P.: Hoe pakte je dat aan?

W.V.M.: Kennen jullie het verhaal over Koons’ carrièrestart? Ik vertelde het altijd als ik zijn werk belichtte. Begin jaren 80 klopte Koons met ontwerpen voor een tentoonstelling aan bij de New Yorkse galeriste Ileana Sonnabend. Ze scheepte hem af met het argument dat zij de productiekosten van zijn werk onmogelijk kon betalen – terwijl ze nochtans schatrijk was! Prompt besloot Koons om als beursmakelaar in Wall Street aan de slag te gaan. Na drie jaar had hij het nodige kapitaal vergaard om de werken te laten produceren die hij aanvankelijk bij Sonnabend had willen tentoonstellen, waaronder de zogenaamde Equilibrium Tanks – de bekende aquariums met in water zwevende basketballen – die hij in 1985 presenteerde bij de International With Monument Gallery te New York. Drie jaar later, in 1988, stelde hij tentoon bij… Ileana Sonnabend. Het is een onwaarschijnlijke geschiedenis die prachtig illustreert hoe strategisch Koons werkte.

K.B./D.P.: Koons werd in de jaren 80 gezien als de baarlijke duivel, de incarnatie van pervers marktdenken in de kunst… terwijl zijn werk eigenlijk ook een heel ernstige interpretatie toeliet.

W.V.M.: Dat vond ik ook. Ik beschouwde Koons zeker niet zomaar als een louter commercieel kunstenaar. Met zijn Equilibrium Tanks en de werken met stofzuigers en neons leverde hij een zinvol commentaar op de erfenis van de minimal art, door de strakke taal van ‘minimal’ te combineren met de fantasmagorie van de koopwaar of met elementen uit de pop art. Maar ik vond het óók belangrijk te vertellen hoe Koons zijn carrière had uitgestippeld en daarbij kwam het thema van de relatie tussen de kunstenaar en de kunstwereld of kunstmarkt steeds expliciet ter sprake. In de jaren 80 moest ik dat onderwerp trouwens niet eens zélf op de agenda zetten. De studenten deden dat in mijn plaats.

K.B./D.P.: Hoe deden ze dat?

W.V.M.: Ik herinner me bijvoorbeeld dat Wim Delvoye me op de man af vroeg ‘hoeveel dat schilderij kostte’ toen ik een werk van Julian Schnabel toonde. Ik had in de jaren 80 een aantal studenten – onder wie Jan Van Oost (°1961), Gerda Dendooven (°1962), Jan Van Imschoot (°1963) en Wim Delvoye (°1965) – die scherp uit de hoek konden komen. Als ik bijvoorbeeld het werk van een kunstenaar besprak die niet meteen van ‘topniveau’ was, kreeg ik meteen het verwijt dat ik hun tijd verspilde. Ze waren enorm ambitieus en carrièrebewust. Wat zijn de belangrijke galeries, verzamelaars en kunsttijdschriften? Wat is de prijs van een kunstwerk? Hoeveel percent vraagt een galerist? Dat soort vragen hield hen bezig. Ze wisten me zelfs zover te krijgen dat ik af en toe de prijs van een kunstwerk vermeldde of – indien ik minder op de hoogte was – naar een veilingtijdschrift à la Art & Auctions verwees. Sommige studenten hadden zelf reeds een inzicht verworven in de manier waarop de kunstwereld functioneerde.

K.B./D.P.: Hoe uitte zich dat?

W.V.M.: Danny Devos bijvoorbeeld, die omstreeks 1980 aan het K.A.S.K. studeerde, trad tijdens zijn studies al in een alternatief performancecircuit op. Hij wist maar al te goed wat het verschil was tussen een optreden van Beuys of Abramovic – die omringd werden door een professioneel team en een groot publiek trokken – en zijn eigen performances. Hij had reeds een bewustzijn ontwikkeld van de verschillende circuits waaruit de kunstwereld bestaat. Wim Delvoye, die een vijftal jaar later aan het K.A.S.K. studeerde, kon zich in die kunstwereld zelfs al behoorlijk uit de slag trekken. In 1986 organiseerde ik Gent 86, een tentoonstelling op drie plekken in Antwerpen – het I.C.C., het Cultureel Centrum Berchem en galerie De Zwarte Panter – waar onder meer heel wat oudstudenten en studenten van het K.A.S.K. aan deelnamen. Wim heeft toen alles in het werk gesteld opdat hij in De Zwarte Panter zou kunnen tentoonstellen. Hij was immers in schilderkunst geïnteresseerd en wist dat die galerie vooral schilders verdedigde, onder wie enkele kunstenaars met wie hij zich persoonlijk verwant voelde. Wat hij echter nog veel beter doorhad, was dat het om een galerie ging waar de getoonde kunst – in tegenstelling tot het I.C.C. en het Cultureel Centrum Berchem – verkocht kon worden!

K.B./D.P.: Was die assertieve houding in de jaren 70 dan helemaal afwezig?

W.V.M.: Eigenlijk wel, ja. Mijn indruk is dat de studenten in de jaren 70 idealistischer waren. Het ging hen nog zuiver om de kunst. Ik heb het natuurlijk over de mensen die me zijn bijgebleven, onder wie Robert Devriendt (°1951), Philippe Vandenberg (1952-2009), Annemie Verbeke (°1953), Thierry De Cordier (°1954), Jan Lauwers (°1957) en Patrick Van Caeckenbergh (°1960). Ik sprak in de jaren 70 evengoed over de prozaïsche kanten van het kunstbedrijf. In mijn lessen over Duchamp liet ik bijvoorbeeld nooit na om het belang van Walter Conrad Arensberg voor Duchamps carrière aan te stippen, de verzamelaar die onder meer al de readymades van de kunstenaar had aangekocht. Geen enkele van de zonet genoemde studenten zou het echter in zijn hoofd hebben gehaald om naar de prijs van zo’n readymade te informeren.

K.B./D.P.: Heeft dat volgens jou simpelweg te maken met een generatieverschil of heb je een andere verklaring?

W.V.M.: Wat in de Gentse context zeker heeft meegespeeld, is dat de studenten in de jaren 80 iemand aan het werk konden zien die macht had in de kunstwereld en ze op een meedogenloze manier uitoefende, namelijk Jan Hoet. Om dat te illustreren volstaat het om het geval van de Gentse schilder Marc Maet (1955-2000) in herinnering te brengen, die overigens zelf in het K.A.S.K. lesgaf. Tot op de dag van de voorstelling van de Belgische deelnemers van Documenta IX – de documenta van Jan Hoet – die van 17 mei tot 9 augustus 1992 plaatsvond in Museum Dhondt-Dhaenens (Deurle) was Maet in de waan gelaten dat hij geselecteerd zou worden voor de tentoonstelling. Toen Hoet voor het voltallige publiek de namen van de Belgische geselecteerden voorlas, bleek er plots van Maet geen sprake meer. Ik volgde de aanloop naar Documenta IX op de voet in mijn lessen en bracht daarbij ook dat pijnlijke voorval ter sprake. Vele studenten waren trouwens op de hoogte. Ze zagen het drama voor hun ogen afspelen vermits ze Maet als docent hadden. Het leidde tot bijzonder pijnlijke discussies.

K.B./D.P.: Wat vertelde je voorts nog over de machtsverhoudingen in de kunstwereld?

W.V.M.: Ik wees er onder meer op dat het museum bezig was zijn macht prijs te geven aan de grote privéverzamelaars. Volgens mij waren die toen reeds aan het uitgroeien tot de machtigste factor in de kunstwereld. Ook wat de kunstkritiek betreft wond ik er trouwens geen doekjes om: die had volgens mij geen enkele invloed. Ik werd in het K.A.S.K. namelijk ook op mijn zogenaamde machtspositie als criticus aangesproken.

K.B./D.P.: Hoe gebeurde dat?

W.V.M.: Van praktijkdocenten kreeg ik geregeld het verwijt dat ik hen negatief benaderde, in diskrediet bracht en in de vernieling reed. Ook de studenten lieten zich ontvallen dat ik ‘toch kunstcriticus was’ en dus de macht had om een kunstenaar te maken of te kraken.

K.B./D.P.: En dat was volgens jou niet geval?

W.V.M.: Natuurlijk niet. Critici hebben helemaal geen macht. In de jaren 50 waren invloedrijke kunstcritici actief, zoals de Amerikaan Clement Greenberg, maar in de jaren 80 waren de macht en het aanzien van de criticus – onder meer door de druk van de media en talrijke curatoren – helemaal verschrompeld. De kunstcriticus stond inmiddels op het allerlaagste trapje in de hiërarchie van de kunstwereld. Hij mocht – en mag – een beetje filosoferen, de kunst met essayistische bedenksels opsmukken, maar had totaal niets in de pap te brokken. Ik maakte de studenten duidelijk dat hun kritiek zijn doelwit miste.

K.B./D.P.: Kreeg je nog op andere manieren tegenwind in de klas?

W.V.M.: Zeker. Dat kon behoorlijk frustrerend zijn.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

W.V.M.: Waar ik echt moedeloos van werd, waren de onverschilligheid en de scepsis van sommige studenten. ‘Waarom hebben wij al die informatie nodig?’, ‘Waarom moeten we dat allemaal weten?’: hoe vaak heb ik die opmerkingen niet moeten horen! Vooral in het derde en het vierde jaar weerklonken ze steeds luider. In de twee laatste jaren begonnen studenten zich namelijk ‘kunstenaar’ te voelen en dat betekende maar al te vaak dat ze alle informatie die niet onmiddellijk bij hun praktijk aansloot als overbodig gingen beschouwen. Het pijnlijkst vond ik echter de momenten waarop hetgeen ik aanbracht zonder enig argument als onzin werd afgedaan. Weet je wat ik te horen kreeg als ik om argumenten vroeg? ‘Argumenten zijn verzinsels, mijnheer.’ ‘Je kan zoveel argumenten uit je duim zuigen als je wil.’ Verschrikkelijk vond ik dat. Als men zelfs de noodzaak om te argumenteren niet meer inziet, dan is het afgelopen. Dan zijn we echt in de barbarij beland. Maar er waren gelukkig ook harde discussies en confrontaties waar ik achteraf heel goede herinneringen aan overhoud.

K.B./D.P.: Welke discussies?

W.V.M.: Met Jan Van Imschoot, die in de eerste helft van de jaren 80 aan het K.A.S.K. studeerde, ging ik meermaals in de clinch. Maar ik vond dat niet erg. Ons geruzie had immers een serieuze inzet. Jan was door schilderkunst gebeten, en het beviel hem niet als ik te veel uitwijdde over andere kunst. Ik heb op het K.A.S.K. heel wat saaie lichtingen gekend, jaren waaruit niemand me is bijgebleven, maar gelukkig waren er ook een aantal heel sterke klassen met interessante studenten waar ik met plezier aan terugdenk: jongelui die openstaan voor wat je te vertellen hebt en bereid zijn mee te denken, die na de les blijven hangen om van gedachten te wisselen. De studenten die met vragen zaten en met deze vragen voor de pinnen kwamen, daar kon ik me aan optrekken.

 

4. Afscheid van Vlerick

K.B./D.P.: Kan je iets zeggen over de manier waarop je examineerde?

W.V.M.: Aanvankelijk ging het om een mondeling examen. Ik had er een vreselijke hekel aan.

K.B./D.P.: Waarom?

W.V.M.: Ik vatte het examen ernstig op en trok er veel tijd voor uit, een half uur per student. Wat ik echter te horen kreeg, was zo ontgoochelend dat ik het als puur tijdverlies ervoer. Ik kwam steevast nukkig naar huis als ik examens had afgenomen. Na een tijdje werd het nog een stuk lastiger doordat ik vanwege het groeiende aantal inschrijvingen gedwongen werd om meerdere studenten tegelijk te examineren. Hoe moet je in godsnaam onthouden wat elk van hen geantwoord heeft? Dat was ondoenbaar! Nog wat later werd ik zelfs gedwongen om in het gezelschap van twee atelierleraars examens af te nemen. Ik werd in de ateliers een beetje argwanend bekeken; men verdacht mij ervan dat ik studenten onheus bejegende, onredelijke eisen aan hen stelde en dus moest ik onder supervisie examineren. Dat was een totale farce. Mijn twee collega’s waren totaal niet vertrouwd met de leerstof. Zodra ik liet blijken dat ik een bepaalde student teleurstellend vond, begonnen ze tegengas te geven. ‘Ja, maar deze student is wel een heel goed element in het atelier’, kreeg ik dan bijvoorbeeld te horen. Gelukkig mocht ik op een gegeven moment – omstreeks 1985 – overschakelen op een schriftelijk examen in de vorm van een paper, zodat ik van al die ongemakken verlost was. Eigenlijk had ik het liefst helemaal geen examens afgenomen. Ik heb trouwens op een gegeven moment aan Vlerick gevraagd om mij van de plicht om te examineren te ontslaan. Ik kende een docent Kunstgeschiedenis aan de Kunstakademie Düsseldorf wiens lessen het statuut van lezingen hadden – hij diende bijgevolg niet te examineren – en heb er bij Vlerick op aangedrongen om mijn lessen een vergelijkbaar statuut te geven. Blijkbaar was dat niet mogelijk omdat het diploma aan waarde zou inboeten.

K.B./D.P.: Was je streng? Heb je ooit studenten ‘gebuisd’?

W.V.M.: Dat is ooit gebeurd, maar dat waren uitzonderingen. Als een student zich werkelijk niet de minste inspanning getroostte, zag ik geen andere uitweg. Die studenten werden overigens steevast gedelibereerd. Ik heb me daar nooit tegen verzet. Ik had een ‘streng’ imago in het K.A.S.K., maar ik vind dat men er een karikatuur van heeft gemaakt. In heel mijn docentenloopbaan heb ik nooit één student ‘tegengehouden’. Ook in klasverband werd ik met de jaren milder. Misschien had ik in het begin van mijn carrière een dwingende, autoritaire présence, maar vanaf de jaren 80 was dat een stuk minder het geval.

K.B./D.P.: In 1987 kom je nochtans heel ‘streng’ uit de hoek in de film 3 x Kunstonderwijs van Jef Cornelis en Chris Dercon, een kritische documentaire over het Vlaamse kunstonderwijs waarin drie instellingen centraal stonden: de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, Sint-Lukas Brussel en het K.A.S.K. te Gent. In het ‘eindgesprek’ van het gedeelte over het K.A.S.K., dat plaatsvond in de aanwezigheid van leraren en studenten, had jij de volgende boodschap voor studenten die het ‘allemaal te moeilijk’ vinden: ‘te moeilijk is het voor diegenen die zich niet willen verplaatsen in andermans denkwereld.’ Over de niet gemotiveerde studenten zeg je met haast ingehouden woede: ‘Met de niet gemotiveerde keuze heb ik niets vandoen, die mogen voor mij in rook opgaan.’

W.V.M.: Het klinkt weinig pedagogisch, maar dat laatste heb ik niet alleen in Cornelis’ film gezegd. Een dergelijke boodschap bracht ik telkens aan het begin van het academiejaar. ‘Indien dit u hier niet interesseert, kunt u gerust wat gaan wandelen, met mijn goedkeuring.’ Ik wilde te allen prijze vermijden dat ik studenten tot de orde moest roepen. Met tucht wilde ik niets te maken hebben.

K.B./D.P.: In 1988 droeg jij een tekst bij aan een boek dat uitgegeven werd naar aanleiding van het afscheid van Pierre Vlerick als directeur van het K.A.S.K. Voor dat essay nam je onder meer een enquête bij de studenten af, waaruit je aan het einde van je essay een bloemlezing presenteert. In Cornelis’ film waren ook al verschillende studenten over kunstonderwijs aan het woord gekomen… Had de film jou op het idee had gebracht om een brede en systematische bevraging te organiseren?

W.V.M.: Ja, ik denk van wel. Ik was heel erg verrast dat Cornelis het waagde een film te wijden aan het hoger kunstonderwijs. Ik voorzag dat zijn film niet in dank zou worden afgenomen in het K.A.S.K. Dat bleek ook het geval. Cornelis’ initiatief werd bijzonder slecht onthaald in de wandelgangen van de academie.

K.B./D.P.: Jij bent in je tekst in Vlericks afscheidsboek ook niet mals voor het K.A.S.K. Over de positie van de theorievakken binnen de school schrijf je onder meer: ‘Met de legitimaties van de diploma’s is er bijvoorbeeld een gevoelige uitbreiding van theorievakken waar te nemen, zonder dat deze lessen eigenlijk gewaardeerd worden.’ Dat sluit aan bij een opmerking die je zonet maakte: de theorievakken werden vooral ‘gewaardeerd’ omdat ze het niveau van het diploma konden opkrikken.

W.V.M.: Ja, maar ik ben er wel absoluut zeker van dat Pierre Vlerick, de afscheidnemend directeur, de plaats van de theorie binnen het kunstonderwijs altijd ten volle verdedigd heeft.

K.B./D.P.: Sloeg jouw opmerking dan op de studenten of op jouw collega-docenten?

W.V.M.: Moeilijk om daar een eenduidig antwoord op te geven. Bij de studenten liep het uiteen, dat hadden jullie al begrepen. Sommigen hadden belangstelling voor theorie, anderen namen nooit een boek ter hand. Ik ben er wel zeker van dat de appreciatie voor theoretische vakken door de atelierdocenten sterk varieerde. Praktijk en theorie zijn altijd water en vuur geweest in het K.A.S.K. – zo heb ik het althans ervaren. Misschien is daar verandering in gekomen vanaf het moment dat men mij – naar het einde van de jaren 80 – vaker voor de eindjury’s uitnodigde, maar over het algemeen waren de theorieleraars niet graag gezien in de ateliers.

K.B./D.P.: Misschien ook wel begrijpelijk als je leest wat jij in dezelfde tekst over de ateliers schrijft: ‘Het is vanzelfsprekend dat de ambachtelijke aspecten au sérieux genomen worden. Ambachtelijkheid en ontplooiing horen samen te gaan, doch de problemen beginnen wanneer de afdelingen strikt gescheiden worden naar techniek.’ Met dat betoog ging je regelrecht in tegen de ‘monodisciplinaire’ atelierstructuur – schilderkunst, beeldhouwkunst, vrije grafiek – van het K.A.S.K.

W.V.M.: Ik morrelde aan de zekerheden waarop het atelieronderwijs gestoeld was.

K.B./D.P.: Verder stel je: ‘Het zijn echter vooral de conceptuelen die kwaad bloed gezet hebben in verschillende ateliers.’

W.V.M.: Inderdaad. Men had er grote moeite mee dat ik over die zogenaamde ‘conceptuelen’ lesgaf. Men vond dat geen kunst. Sociologisch onderzoek of taalspelletjes noemde men dat.

K.B./D.P.: Vervolgens schrijf je: ‘Wat komen moest kwam dan ook met het op de voorgrond treden van een exorbitante heftige schilderkunst. Omstreeks 80 raken de schilderkunst-ateliers in een euforische stemming. Nu was het uur der picturale vergelding gekomen.’ Werd het succes van de nieuwe schilderkunst op het K.A.S.K. expliciet tegen jou uitgespeeld?

W.V.M.: Er heerste in ieder geval een enorme hoerastemming in het K.A.S.K. nadat de schildershype was losgebroken – dat gold natuurlijk vooral voor de ateliers Schilderkunst.

K.B./D.P.: In de bloemlezing uit de reeds genoemde enquête onder de studenten valt vooral de niet te overziene diversiteit van de antwoorden op. De ene gelooft in de mogelijkheden van kennisverwerving in een kunstschool: ‘Wanneer er in de academie niets kan aangeleerd worden, zou ik hier niet zitten en wanneer kennis geen nut heeft zou ik niet lezen, geen meningen uitwisselen, nooit de actualiteit volgen en zeker niet naar zo’n school komen als de academie.’ Een andere student beweert net het tegendeel: ‘Kunstfilosofische teksten zijn saai, moeilijk geschreven. Ik doe alleen aan zelf-opzoeking.’ Er valt werkelijk geen lijn in te trekken.

W.V.M.: Dat was ook de belangrijkste conclusie die ik aan de enquête overhield. Nieuw was dat voor mij overigens niet. Ik werd al jaren met die diversiteit geconfronteerd in de klas. Trachtte ik een moeilijk oeuvre te analyseren, dan vond men mij te ‘moeilijk’; besprak ik daarentegen een toegankelijker oeuvre, dat zich makkelijker liet benaderen, dan kreeg ik van een ander deel van de klas het verwijt dat ik de lichte toer aan het opgaan was. Lesgeven was een aartsmoeilijke evenwichtsoefening. Iedere jaar opnieuw, bij elke groep, moest ik weer proberen een weg te vinden; elk groep reageerde immers op een andere manier op wat ik te vertellen had. Met die problemen werd ik via mijn enquête in alle hevigheid geconfronteerd. 

K.B./D.P.: Heb je reacties op je tekst gekregen, bijvoorbeeld van de atelierdocenten?

W.V.M.: Ja, maar die betroffen niet zozeer de inhoudelijke visie op de atelierstructuur of de plaats van de schilderkunst die ik in mijn tekst formuleerde. De atelierdocenten wisten immers al geruime tijd hoe ik over die onderwerpen dacht. Wat hen echter enorm tegen de borst stuitte, was dat Vlerick toestemming had verleend om een dergelijke tekst in ‘zijn’ afscheidsboek op te nemen. Vlerick, toch zelf een schilder, had er nauwlettend op toegezien dat mijn tekst gepubliceerd werd zonder dat er ook maar een letter aan veranderd werd.

K.B./D.P.: Dat kan je je vandaag niet meer voorstellen.

W.V.M.: Inderdaad.

K.B./D.P.: Heb je later nog dergelijke teksten over de ‘interne keuken’ van het K.A.S.K. geschreven? 

W.V.M.: Nee, mijn bijdrage aan het afscheidsboek van Vlerick is de laatste in zijn soort geweest. Ik vond dat het K.A.S.K. na het afscheid van Vlerick in 1988 steeds minder het vrije klimaat bood dat tot het schrijven van dergelijke teksten uitnodigde.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten & Ernstjan van Geest

Redactie: Dirk Pültau

Une Petite Histoire: de avonturen van Sint-Lukas Brussel

Eveline Vanfraussen: Sint-Lukas Brussel, de kunsthogeschool waarvan jij tot twee jaar geleden bestuurslid was, is sinds kort een onderdeel van de veel grotere kunsthogeschool LUCA. Hoe sta je hiertegenover?

Bart Verschaffel: Het kunstonderwijs kende in de laatste decennia twee ingrijpende transformaties. De eerste was de hogeschoolhervorming van het midden van de jaren 90. Het grote aantal hogescholen in Vlaanderen zou teruggebracht worden tot een twintigtal. Ze moesten veel groter worden. Daarbij gold echter tegelijk de vreemde regel – het zou de moeite lonen te weten te komen hoe en waarom die er gekomen is – dat kunsthogescholen maar gesubsidieerd zouden worden tot een beperkt aantal studenten. Dat had als gevolg dat de kunstscholen niet met elkaar konden fuseren tot één grote kunsthogeschool. Ze moesten allemaal onder de paraplu kruipen van algemene hogescholen waar – zo bleek – voor hun specificiteit dikwijls weinig begrip was. Een gevolg was ook dat er in de VLOHRA, de hogeschoolraad die alle hogescholen verenigde, niemand mee aan tafel zat om de kunsthogescholen te vertegenwoordigen. Behalve dan Sint-Lukas Brussel. Het zag er even naar uit dat die school zou fuseren met de toenmalige EHSAL, maar dat is gelukkig vermeden, en Sint-Lukas is als enige kunstschool onafhankelijk gebleven, al werd ze daardoor financieel ernstig benadeeld. Als kleine hogeschool en als enige kunsthogeschool kon Sint-Lukas bij de VLOHRA, en later in de associatieraad van de KU Leuven, de zaak van het kunstonderwijs bepleiten. Maar binnen de associatie was de school bijna letterlijk een quantité négligable.

E.V.: Toen de hogescholen van de overheid zich dienden te verbinden met een universiteit, koos Sint-Lukas Brussel voor de Associatie KU Leuven. Hoe verliep dat precies?

B.V.: De tweede grote hervorming, de associatievorming, paste binnen de Bolognahervorming en de zogenaamde ‘academisering’  van het hoger onderwijs. De hogescholen die academische opleidingen aanbieden moesten een associatie aangaan met een universiteit, die de verantwoordelijkheid zou dragen voor het academische gehalte – de link met het wetenschappelijk onderzoek – van die opleidingen. Op het moment dat de idee van de associatievorming gelanceerd werd, dacht men politiek nog aan ‘regionaal’ georganiseerde associaties, maar de toenmalige rector van de KU Leuven, André Oosterlinck, greep zijn kans om alle katholieke hogescholen op levensbeschouwelijke basis te (her)groeperen onder de KU Leuven. Ook de vroegere kunsthogescholen, die deel uitmaakten van die katholieke hogescholen, kwamen zo in de Associatie KU Leuven terecht. Binnen Sint-Lukas Brussel is er nog flink gediscussieerd over mogelijke associatie-scenario’s. Willem De Greef, toenmalig directeur, en de Raad van Bestuur zagen wel iets in een alliantie met het RITS en het Conservatorium, in associatie met de VUB, om zo een grote kunstschool in Brussel te vormen. Toen bleek dat die Brusselse piste om allerlei redenen niet realistisch was, bleef de KU Leuven als de gedoodverfde associatiepartner over. We hebben toen – het moet in 2001 of 2002 zijn geweest – met vice-rector Marc Vervenne gesproken en daarbij bepaalde voorwaarden gesteld. Het was immers duidelijk dat de universiteit allicht wel het nodige in huis had om bijvoorbeeld studies economie of industrieel ingenieur wetenschappelijk mee te ondersteunen en die opleidingen op termijn te laten ‘inkantelen’, zoals nu aan het gebeuren is, maar dat ze nog niet klaar was om het kunstonderwijs op te nemen. Als voorwaarde voor toetreding tot de associatie stelden we dat de universiteit samen met Sint-Lukas en de kunstdepartementen van de andere hogescholen prototypes van een ‘onderzoekscultuur’ in de kunsten zou ontwikkelen. Dat is het begin geweest van het Instituut voor Onderzoek in de Kunsten (IvOK). De universiteit en de hogescholen hebben dan uit hun ‘academiseringsmiddelen’ geld ingebracht waarmee een tijdlang gezamenlijke projecten zijn ontwikkeld – onder meer een zeer interessant project met en over Philippe Van Snick. Helaas is het uitproberen van onderzoeksinitiatieven en -modellen snel vernauwd tot het oplossen van het probleem van het zogenaamde ‘doctoraat in de kunsten’.

E.V.: Van wie kwam die vraag?

B.V.: Dat is niet erg duidelijk. De druk kwam voornamelijk vanuit de kunsthogescholen, meen ik, en was in het begin allicht verbonden met het carrièreprobleem. Zij wilden natuurlijk dat de docenten in het kunstonderwijs, waaronder de artistieke docenten, ook in het geacademiseerde kunstonderwijs en met de nieuwe doctoraatseis een vaste aanstelling zouden kunnen krijgen. Het doctoraat in de kunsten leek ‘aangepast’ aan het kennisveld, of aan de capaciteiten van de docenten. De kwestie van het doctoraat in de kunsten begon echter snel de problematiek van de academisering van het kunstonderwijs én de aandacht van het IvOK te domineren. Alsof dat doctoraat de beste format was voor het onderzoek in de kunsten…

E.V.: Dachten de kunstopleidingen dan volgens u onvoldoende na over wat het voor hen zou kunnen betekenen ‘academisch’ te zijn?

B.V.: De vraag is natuurlijk wat dat ‘academisch’ karakter van een kunstopleiding kan inhouden. Is het een zaak van het programma, het personeel, de omgeving, het niveau? Moeten theoriedocenten opgeleide onderzoekers zijn? Moeten praktijkdocenten een doctoraat hebben? Is (sommige) kunst als dusdanig een vorm van ‘onderzoek’? Is het een zaak van het aandeel ‘theorie’ in een opleiding? Een probleem is dat men de veranderingen in het hogeschoollandschap binnen de kunsthogescholen lange tijd ver van de ‘werkvloer’ gehouden heeft, dat de docenten en praktijkdocenten heel erg defensief bleven reageren, maar zelf geen project voor vernieuwing van het kunstonderwijs hadden; en vervolgens dat een aantal mensen die wel iets wilden veranderen en mogelijkheden zagen, verblind zijn geraakt door de lichtbak van dat doctoraat in de kunsten. Anderzijds dient ook wel gezegd dat de omstandigheden er echt niet naar waren om een goed inhoudelijk project te ontwikkelen. Voor de beleidsmakers was het kunstonderwijs een vervelende uitzondering. De kunstdepartementen konden nog min of meer hun zin doen zoals vroeger, maar zaten geïsoleerd en beschikten niet over de mogelijkheid om ook nog op het beleid te wegen. In het specifieke geval van Sint-Lukas Brussel spreek je bovendien over een uiterst kleine school die op gespannen voet leefde met de grote zusterschool Sint-Lucas Gent en de Brusselse ‘architectuurvestiging’ van Sint-Lukas.

E.V.: Had men aan de universiteit dan wel nagedacht over hoe het moest?

B.V.: Enkele individuen hebben zich echt ingespannen, en men was er zich wel van bewust dat er iets moest gebeuren, maar er was geen globale visie, noch op het onderwijs in de kunsten, noch op het kennisstatuut van de kunsten en/of de relatie van de kunsten tot de algemene cultuurproductie. Men heeft enkel over institutionele problemen nagedacht, om ze ad hoc op te lossen. Een voorbeeld: toen het ernaar uitzag dat (ook) de academische kunstopleidingen zouden ‘inkantelen’ in de universiteit, heeft de KU Leuven een ‘Faculteit van de Kunsten’ (FAK) opgericht. De FAK zou als ‘geassocieerde faculteit’ de vroegere kunstdepartementen en Sint-Lukas verenigen, een gemeenschappelijk onderzoeksbeleid voeren… Zij heeft het IvOK geïncorporeerd, en kreeg een decaan, Peter De Graeve, en enkele vicedecanen, maar het was en bleef goeddeels een lege doos. Want de hele inkantelingsoperatie van de kunstopleidingen in Vlaanderen sputterde, enerzijds door de concurrentie tussen de scholen en doordat men geen oplossing vond voor het verschil tussen de architectuuropleidingen en de kunstopleidingen, en anderzijds door het grondige meningsverschil tussen de KU Leuven, die voor inkanteling was, en de scepsis die onder meer leefde bij de Gentse hoger onderwijsinstellingen (UGent, KASK). 

E.V.: Hoe is LUCA er gekomen?

B.V.: Omdat de stand alone-positie van Sint-Lukas stilaan (financieel) onhoudbaar werd, heeft men getracht om de beperkende subsidienorm te doorbreken en binnen de Associatie KU Leuven alsnog een nieuwe grote zelfstandige kunsthogeschool te vormen, door een fusie van Sint-Lukas met de kunstdepartementen uit de andere hogescholen. Daarvoor was echter een politiek akkoord nodig, en moest de KU Leuven druk uitoefenen… Die operatie, die Sint-Lukas financieel gered zou hebben, is echter om politieke en opportunistische redenen op het laatste moment afgeblazen. Het doel is dan op een listige manier toch bereikt, door geen nieuwe school op te richten, maar de bestaande gefuseerde ‘gemengde’ hogeschool voor Wetenschap en Kunst (W&K) te hervormen. De W&K was de facto een losse alliantie van de vroegere hogescholen – waaronder ook Sint-Lucas Gent en het Lemmensinstituut – met een minimaal gemeenschappelijk bestuur. Alle niet-kunstdepartementen werden eruit gehaald en elders ondergebracht, en Sint-Lukas Brussel fuseerde met wat overbleef. Die nieuwe invulling van de W&K is nu herdoopt tot LUCA. Een gevolg van die constructie is echter dat LUCA veel van de oude W&K-bestuursstructuur heeft geërfd. LUCA is niet zelfstandig en wordt geleid door mensen die niet uit het kunstonderwijs komen. Hun eerste zorg is de school in te passen in de KU Leuven-machine, en er financieel en organisatorisch ‘orde op zaken te stellen’. Er is geen doordacht inhoudelijk project en men vraagt zich niet af, vrees ik, of wat goed is voor onderwijs (en ‘onderzoek’) in het algemeen ook gepast is voor het kunstonderwijs. Daar komt bij dat de Vlaamse regering nu beslist heeft – allicht omdat de situatie in de Gentse associatie geheel anders is en men niet tot een akkoord komt – dat de architectuuropleidingen zullen inkantelen in de universiteit, maar de kunstopleidingen niet! Dat betekent dat die Leuvense Faculty of Arts, die eigenlijk nooit bestaan heeft, weer afgeschaft moet worden. De architectuuropleidingen van Sint-Lucas Gent en Sint-Lukas Brussel worden, in dit plan, uit de LUCA School of Arts gehaald en vormen een eigen architectuurfaculteit met een ‘artistieke’ architectuuropleiding, naast de ingenieur-architectenopleiding binnen de faculteit ingenieurswetenschappen. En de kunsthogeschool LUCA wordt een ‘School of Arts’ buiten de universiteit, die echter wel geheel onderworpen is aan het onderwijs- en organisatieregime van de associatie. Wat is het ‘academisch karakter’ van die school buiten de universiteit en wat houdt de ‘academisering’ van de kunsten in dat geval in? Dat moet allicht helemaal opnieuw bekeken worden.

E.V.: Wat betekent dit nu voor de opleidingen in Sint-Lukas Brussel en de andere campussen van LUCA?

B.V.: Er begint wat voorzichtige kritiek te klinken op de manier waarop het universitair en hoger onderwijs gemanaged worden. Maar dat verandert vooralsnog weinig aan de dirigistische, autoritaire en oppressieve bestuurscultuur die geïnstalleerd is. Het kunstonderwijs wordt nu gedwongen om zich aan die nieuwe omgeving aan te passen. Je krijgt een disciplinering van het kunstonderwijs, met een regime van ‘regelneverij’, naïeve ideeën over efficiëntie en ‘productiviteit’, een paranoïde vloed van rapportering-, verantwoording- en controleprocedures. Dat is een schadelijke evolutie in het onderwijs tout court, maar het kunstonderwijs is er extra gevoelig aan. Zolang Sint-Lukas Brussel apart stond, zijn het bestuur en de directie er nog in geslaagd de druk op de werkvloer te beperken, en een gevoel van vrijheid te behouden. Maar in de nieuwe structuur is dat niet meer mogelijk. Alles moet anders en beter, door alles anders en beter te ‘organiseren’. En dat – zo werkt de microsociologie van elk van die processen – creëert automatisch een situatie waar mensen posities of macht kunnen verwerven door ‘mee te spelen’.

E.V.: De KU Leuven speelt de hoofdrol in jouw schets van de recente geschiedenis van het kunstonderwijs, maar zij is niet de enige actor.

B.V.: We hebben nu voornamelijk over Sint-Lukas gesproken! Maar ik meen inderdaad dat het kunstonderwijs de laatste vijftien jaar verwaarloosd is en bestuurd is zonder visie. Dat is echter een globaal en complex proces, je kan daarvoor niet zomaar schuld of verantwoordelijkheden toewijzen. Je kan zeker ook niet zeggen dat het hoger kunstonderwijs zo fantastisch goed en innovatief bezig was, en nu plots gehinderd wordt en veel schade lijdt door een ‘tsunami’ of een machtsgreep die van buitenaf komt. Het kunstonderwijs heeft te veel geklaagd, de kop te vaak in het zand gestoken, en zich slecht verdedigd. 

Interview met Vlaams Minister van Onderwijs Pascal Smet over de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Op 5 juli 2012 werd het decreet ‘betreffende de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten’ door het Vlaams Parlement goedgekeurd. [1] Voorafgaand had in de lente van 2010 een zogenaamd ‘maatschappelijk debat’ over dat onderwerp plaatsgevonden. Het ‘maatschappelijk debat’ werd enkel gevoerd door genodigden. Waarom was voor deze ‘geregisseerde’ aanpak gekozen? Waarom heeft de discussie niet in de instellingen — hogescholen en universiteiten — plaatsgevonden?

Pascal Smet: Iedereen wist dat de integratie van de hogeschoolopleidingen besproken werd en volgens mij heeft iedereen de kans gehad om zijn of haar mening kenbaar te maken. Het was een breed debat. Ik heb ook vele instellingen bezocht en stond open voor wat de betrokkenen over de integratie te zeggen hadden.

K.B./D.P.: Sommige leden van de werkgroep ‘maatschappelijk debat’, die meewerkten aan de ‘platformtekst over het toekomstige hogeronderwijslandschap in Vlaanderen’, hadden zelf bedenkingen bij het proces. Een citaat: ‘een aantal actoren […] blijven pleiten voor een breder maatschappelijk debat dat de toekomst van het volledige hoger onderwijs vat’.

P.S.: Er is heel veel gepraat, maar sommigen willen niets anders doen dan praten. Wat mij de afgelopen jaren is opgevallen, is dat iedereen een mening heeft als het over onderwijs gaat. De opvattingen zijn bovendien heel vaak zeer verschillend, ook binnen de instellingen zelf. Ik vond het belangrijk dat er een maatschappelijk debat werd georganiseerd, maar op een gegeven moment moet je tot een afronding komen. We mogen niet vergeten dat dit debat reeds jaren gevoerd wordt, het werd dus tijd om een politieke beslissing te nemen waar een breed draagvlak voor aanwezig was.

K.B./D.P.: De studenten en deels ook de docenten waren volgens ons onvoldoende geïnformeerd over de mogelijkheid om hun stem te laten horen. Peter De Graeve, de toenmalige decaan van de FAK (de Faculteit Architectuur en Kunsten van de KU Leuven) en deelnemer aan het ‘maatschappelijk debat’, noemde het zelfs een ‘oligarchische bijeenkomst’. [2] Welke studenten en docenten wisten werkelijk wat er te gebeuren stond?

P.S.: Ik denk dat studenten vooral op zoek zijn naar een omgeving waar ze zichzelf kunnen ontwikkelen. Hoe het onderwijs georganiseerd is, is in wezen niet zo belangrijk voor hen — als het maar goed georganiseerd is. Diegenen die bij de discussie betrokken wilden zijn, hadden daartoe alle kans. Daar ben ik van overtuigd. De Vlaamse Vereniging van Studenten (V.V.S.) bijvoorbeeld was bij alle discussies betrokken en heeft haar rol ten volle gespeeld. Het was eenvoudigweg onmogelijk om met iedereen rond de tafel te zitten. Als Vlaams Minister van Onderwijs heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen en een voorstel van decreet aan de Vlaamse Regering overgemaakt. Dat voorstel heeft vervolgens een breed draagvlak in het Vlaams Parlement gekregen. Voor het decreet hebben we een tweederdemeerderheid weten te bekomen, dat wil toch wat zeggen. Het decreet is overigens ook door zeer veel instellingen positief onthaald. Is het evenwel de laatste maal dat over dit onderwerp is gedebatteerd? Neen, dat geloof ik niet. In de toekomst zullen we het er opnieuw over moeten hebben en nieuwe beslissingen moeten nemen.

K.B./D.P.: Het decreet over de integratie van de academische hogeschoolopleidingen omvat een uitzondering betreffende de kunstopleidingen. Die opleidingen worden niet geïntegreerd in de universiteiten, maar worden ondergebracht in Schools of Arts. Via de associatie waaronder een School of Arts ressorteert, heeft de universiteit echter wel een stevige vinger in de pap. Wat was jouw standpunt inzake de integratie van de kunstopleidingen?

P.S.: Voor mij was het vooreerst heel belangrijk dat de kunstopleidingen hun eigenheid zouden kunnen bewaren. Een artistieke opleiding kan je met geen enkele andere opleiding gelijkstellen, noch met de andere academische en evenmin met de professionele studies. Daarnaast zijn kunstopleidingen een onderdeel van de samenleving. Ze zijn niet gebaat met isolement, wel met contacten met andere disciplines. De vraag was dus waar we de kunstopleidingen dienden onder te brengen. De integratie in de universiteit bleek geen optie — een meerderheid wilde daar niet van weten — maar het was ook niet zinnig om de artistieke opleidingen naast de meer beroepsgerichte opleidingen in de hogescholen in te delen. Een volledig op zichzelf staande organisatie was evenmin wenselijk. De kunstopleidingen moeten hun eigen onderwijsvisie kunnen ontwikkelen in een omgeving die hun project versterkt. Het leek mij belangrijk een formule te bedenken waarbij de universiteiten betrokken zouden zijn. Uiteindelijk is de optie van de Schools of Arts uit de bus gekomen — een kruisbestuiving tussen de hogescholen en de universiteiten. Het belangrijkste is evenwel hoe die beleidskeuze in de praktijk wordt gebracht. Krijgen de kunstopleidingen voldoende ruimte?

K.B./D.P.: Ter voorbereiding van het ‘maatschappelijk debat’ kreeg Dirk Van Damme, hoofd van het Centre for Educational Research and Innovation bij de OESO (Parijs), de opdracht om een beknopte synthesenota te schrijven, een zogenaamde green paper. In verband met het hoger kunstonderwijs bepleitte hij de oprichting van een werkgroep die ‘op vrij korte termijn een advies levert over de invoering van artistiek gerichte bachelor- en masteropleidingen in het Vlaamse hogescholenlandschap’. Het idee van een derde route — naast academische en professionele, ook artistieke opleidingen — was hij blijkbaar niet bij voorbaat ongenegen. Is die werkgroep er gekomen?

P.S.: Neen, je kan blijven discussiëren over de organisatie van het onderwijs. Op een gegeven moment moeten knopen worden doorgehakt en dat hebben we met de oprichting van de Schools of Arts ook gedaan.

K.B./D.P.: Waarom is er gekozen voor dat specifieke model? Waarom hebben de hogescholen niet de kans gekregen om voor de volle 100% hun eigen visie op het hoger kunstonderwijs verder gestalte te geven?

P.S.: Omdat voor het voorstel van de Schools of Arts het meeste draagvlak bestond. Is iedereen daar gelukkig mee? Nee, maar het voorstel genoot de grootste bijval. Zo eenvoudig is dat. Het is volgens mij ook het beste model omdat universiteiten en hogescholen samen aan tafel zitten om het hoger kunstonderwijs vorm te geven. Dat is overigens ook binnen de hogeschool het geval: er zullen binnen de hogescholen heel wat meningen zijn over de inbedding en financiering van artistieke opleidingen, maar op een bepaald moment dienen er keuzes gemaakt te worden, in alle openheid en met inspraak van alle geledingen. Dat is op Vlaams niveau niet anders gebeurd.

K.B./D.P.: Conform het decreet worden de instellingen voor het hoger kunstonderwijs ondergebracht in de Schools of Arts, die bestuurd worden door raden waarvan de leden deels door een hogeschool worden aangewezen, en deels door de universiteit van de associatie waartoe die hogeschool behoort. Een universiteit krijgt minimaal 30 procent, maximaal 49 procent van de bestuurszetels. Het decreet bepaalt verder dat alle beslissingen van de raden van de Schools of Arts aan de betrokken hogeschool moeten worden voorgelegd. Een hogeschool kan weliswaar reageren op een beslissing die genomen is door de raad van een School of Arts, maar zelf kan zij die beslissing in die raad maar voor de helft vormgeven. Is dat niet om problemen vragen?

P.S.: Uit de manier waarop jullie de vraag formuleren, proef ik dat jullie uitgaan van een conflictmodel. Ik zie de gekozen oplossing als een samenwerkingsmodel.

K.B./D.P.: In het advies dat de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) heeft verstrekt, wordt ook gewezen op deze kwestie en wordt opgeroepen ‘een bepaling toe te voegen waarin gesteld wordt dat de samenwerkingsovereenkomst ook een procedure moet voorzien voor het geval dat er geen instemming is’.

P.S.: Het is de schrik van onze tijd: we denken altijd dat er conflicten zullen ontstaan, terwijl het model van de Schools of Arts precies de mogelijkheid biedt om tot diepgaande samenwerking te komen.

K.B./D.P.: Dirk Van Damme heeft in zijn green paper een aantal risicofactoren benoemd: de vrijwaring van de specifieke kwaliteiten en profielen van de opleidingen, de tendensen van procedurele formalisering en bureaucratisering van onderwijs en onderzoek, de top-downbenadering…

P.S.: Als die risico’s zijn geïdentificeerd, dan komt het er voor de instellingen op aan om ze te ondervangen. Als het beleid ondoordacht — zonder voldoende overleg — wordt uitgevoerd, is het niet uitgesloten dat er zich grote problemen zullen voordoen. Het is de verantwoordelijkheid van de mensen op het terrein om die risico’s te vermijden.

K.B./D.P.: Heeft het jou verwonderd dat de KU Leuven 49% van de bestuurszetels in haar School of Arts — LUCA — in de wacht heeft gesleept, terwijl de universiteit zich ook met 30% tevreden had kunnen stellen?

P.S.: Nee, het heeft mij niet verwonderd dat de universiteit van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Het betekent voor mij dat de universiteit de maximale verantwoordelijkheid wil opnemen. Wat is het probleem?

K.B./D.P.: Dat de KU Leuven het de facto voor het zeggen heeft in LUCA School of Arts.

P.S.: Elke associatie heeft de vrijheid om zich te organiseren zoals zij dat wenst. Het is een essentieel onderdeel van de vrijheid van onderwijs die in de grondwet wordt gewaarborgd. Ik doe daar geen uitspraken over.

K.B./D.P.: Heb jij zicht op de wijze waarop de hogescholen en de universiteiten samenwerken in de Schools of Arts?

P.S.: Ik weet dat niet iedereen even gelukkig is en dat sommigen problemen hebben. Het kan gaan om andere gebruiken, om andere werkmethodes, misschien zelfs om andere visies. Maar het is niet mijn verantwoordelijkheid als Minister van Onderwijs om mij daarmee te moeien. Ik moet ervoor zorgen dat de regelgeving goed is. Ik moet het kader creëren en de werkingsmiddelen ter beschikking stellen. De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor de implementatie van het beleid. Er bestaat in Vlaanderen vrijheid van onderwijs, gelukkig maar.

K.B./D.P.: De VLOR noemt de volgende systeemkenmerken die van belang zijn als het gaat over de organisatie van het hoger onderwijs: ‘stabiliteit en rechtszekerheid, transparantie, mogelijkheden voor doorstroming en samenwerking, financiële haalbaarheid en efficiëntie, conform de regelgevende context, gediversifieerd aanbod’. Wij horen verhalen over willekeur en ondoorzichtige beslissingen, met name in LUCA School of Arts.

P.S.: Hoe kan ik dat beoordelen? De Schools of Arts zijn in oprichting; het transformatieproces is volop bezig. Uiteraard gaat de uitbouw van een nieuwe structuur gepaard met turbulenties, grotere of kleinere. Het spreekt voor zich dat er ongerustheid is en dat er vragen leven. Ik weet dat er problemen zijn op bepaalde plaatsen, maar het is nog te vroeg om te kijken of het om fundamentele problemen gaat. Wij kunnen dat nu niet evalueren omdat het proces lopende is. Ik wil dat zelfs niet evalueren op dit moment. Ik denk overigens dat er meer Schools of Arts zijn dan enkel LUCA, misschien dient u de anderen ook eens te contacteren.

K.B./D.P.: Wat vind je er bijvoorbeeld van dat studenten pas in de gaten krijgen dat ze in een School of Arts zitten doordat hun mailadres wordt gewijzigd? Dat is gebeurd in LUCA. Bovendien doen over de naam van deze School of Arts meerdere interpretaties de ronde. Er werd bijvoorbeeld ontkend dat LUCA staat voor Leuven University College of Arts.

P.S.: Als de studenten of de docenten niet goed geïnformeerd worden over het veranderingsproces, dan is dat de verantwoordelijkheid van de betrokken instelling.

K.B./D.P.: De Associatie KU Leuven heeft een crisismanager naar Sint-Lucas Gent — onderdeel van LUCA School of Arts — gestuurd. Dat toont aan dat er van eigen financieel beheer door die instelling geen sprake meer is. Dat is toch alarmerend.

P.S.: Je kunt niet verwachten dat ik daarop inga. Ik grijp pas in als er zich een kwaliteitsprobleem voordoet of als de financiële gezondheid van een instelling in gevaar is.

K.B./D.P.: Een ander feit betreft de omgang met Jeroen Laureyns, die zich in de media kritisch had uitgelaten over de ontwikkelingen binnen de instelling waar hij lesgeeft, Sint-Lucas Gent. Vervolgens is er door de Associatie KU Leuven — naar verluidt door André Oosterlinck, de associatievoorzitter — druk uitgeoefend om hem te ontslaan.

P.S.: Ik weet dat er een discussie gaande is; er is een probleem, maar het is aan henzelf om dat op te lossen. Ik heb op dit moment geen middelen — ik zou er ook niet over willen beschikken — om in te grijpen.

K.B./D.P.: Dat je niet wil ingrijpen zolang er een evenwichtige, op verzoening gerichte dialoog tussen universiteiten en hogescholen gaande is, begrijpen we. Maar in het geval van LUCA School of Arts is sprake van grote dominantie door de universiteit.

P.S.: Nogmaals, het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om mogelijke problemen op te lossen. Ik kom daar niet in tussen.

 

2. 

K.B./D.P.: In de green paper van Dirk Van Damme staat er een merkwaardige passage over de ‘grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van onderwijs’. Hij stelt dat het ‘vrij gesubsidieerd onderwijs […] over mogelijkheden beschikt om eigenhandig beslissingen te nemen’ en hij voegt daar nog aan toe dat die beslissingen ‘niet alleen de eigen instellingen, maar ook de positie van andere instellingen in het landschap raken’. ‘Daar is gelukkig slechts zelden van gebruik gemaakt’, voegt hij er nog aan toe. We vermoeden dat Van Damme hier verwijst naar de associatievorming: de KU Leuven bouwde proactief en zonder enig decretaal kader een grote associatie uit die de wetgever er haast toe verplichtte om deze ontwikkeling te volgen en in een decretaal kader te voorzien. Ben je het eens met deze duiding van Van Dammes uitspraak?

P.S.: Je kan het de KU Leuven niet kwalijk nemen dat zij het initiatief tot een associatie genomen heeft.

K.B./D.P.: Is er geen sprake van een democratisch deficit als een machtige organisatie zoals de KU Leuven een structuur ontwerpt die vervolgens moet worden overgenomen door de ‘andere instellingen in het landschap’, om terug te grijpen op de terminologie van Van Damme?

P.S.: Ik was destijds niet politiek verantwoordelijk voor deze gang van zaken en ik ga deze kwestie dan ook niet van commentaar voorzien. De feiten zijn wat ze zijn. Vlaanderen beschikt nu over verschillende associaties. In het decreet over de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten hebben we de rol van de associaties trouwens bevestigd. Maar de huidige hervorming is slechts een stap op weg naar een verdere ontwikkeling van de Hogeronderwijsruimte in Vlaanderen.

K.B./D.P.: De vraag is of de geschiedenis zich niet dreigt te herhalen — iets waar Van Damme toch ook impliciet op gewezen heeft. Is het niet veelbetekenend dat in het decreet wordt gesproken over de functie van een ‘hoofd’ van een School of Arts en dat LUCA een ‘decaan’ als leidinggevende heeft?

P.S.: Het is geen geheim dat de KU Leuven voorstander was van de volledige integratie van de kunstopleidingen. Het debat over de structuur vind ik echter steriel. Of het hoger kunstonderwijs door de hogescholen, door de universiteiten of door beide wordt georganiseerd, is niet van belang. Belangrijk is dat we een kader ontwerpen voor kwalitatief hoogstaand kunstonderwijs. Studenten en docenten willen een creatieve omgeving; ze willen dat degelijk onderwijs wordt verstrekt en zijn op zoek naar goede ondersteuning om aan onderzoek te doen. Dat is wat telt, niet de structuur waarin dat hoger kunstonderwijs is gegoten.

K.B./D.P.: In een debat met André Oosterlinck en Ann Laenen, decaan van LUCA School of Arts, liet die laatste zich het volgende ontvallen: ‘We zijn een faculteit kunsten, we zijn een academische opleiding en we gaan zoveel mogelijk volgens het model… werken naar de integratie. Zodat op het moment dat die integratie er is, dat je er staat, dat er niet nog eens een hele verandering moet gebeuren.’ [3] Terwijl het Vlaamse Parlement decretaal heeft vastgelegd dat het hoger kunstonderwijs níet geïntegreerd wordt in de universiteiten en — integendeel — voor de Schools of Arts gekozen heeft, zegt de decaan van LUCA dat zij in feite wel kiezen voor integratie.

P.S.: Zolang LUCA het hoger kunstonderwijs organiseert zoals de wetgever het gewild heeft, zie ik geen probleem. Als hun model functioneert, dan hebben zij de juiste weg gekozen; functioneert het niet, dan zullen de studenten afhaken en zitten ze met een probleem. Misschien is hun model goed, dat moeten we afwachten.

K.B./D.P.: Je hebt terecht verwezen naar de grote meerderheid die voor het decreet heeft gestemd. In het decreet wordt gesteld dat de kunstopleidingen niet geïntegreerd worden in de universiteiten. Als een decaan dan stelt dat zij toch kiest voor integratie, dan is er toch een probleem?

P.S.: Het is hun democratisch recht dat zij blijven ijveren voor de integratie. Niets is immers voor eeuwig.

K.B./D.P.: Het gaat er niet om dat zij niet mogen ijveren voor hun zaak. Het punt is dat LUCA gaat ‘werken naar de integratie’.

P.S.: Iedereen moet de decreten respecteren. Als dat niet gebeurt, zullen we optreden. Op dit moment heb ik daar geen weet van.

K.B./D.P.: Zoals je zelf al aangaf, omvat het decreet over de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten ook bepalingen over de associaties. Is het juist om te concluderen dat de associaties meer bevoegdheden hebben gekregen?

P.S.: Jazeker. Ik ben een groot voorstander van de associaties. Dat er meer wordt samengewerkt, is volgens mij het belangrijkste. Wat is er mis mee dat men samenwerkt?

K.B./D.P.: Niets, maar de vraag die wel moet worden gesteld, betreft het democratische debat binnen de associaties. We zien steeds weer boeiende gedachtewisselingen ontstaan binnen de muren van de universiteiten als er rectorverkiezingen op til zijn. De kandidaat-rectoren leggen verschillende visies op onderwijs en onderzoek op tafel, en vervolgens vinden er verkiezingen plaats. Waarom gebeurt zulks niet op het niveau van de associaties? Het lijkt ons een belangrijke kwestie, zeker in het licht van de toenemende macht van de associaties.

P.S.: Jullie stellen voor om over te gaan tot verkiezingen voor de positie van voorzitter van de associatie?

K.B./D.P.: Ja, want nu lijkt het alsof iemand — om de naam van André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie KU Leuven, niet te noemen — zelfs na de pensioengerechtigde leeftijd de plak kan blijven zwaaien over de grootste onderwijsinstelling van Vlaanderen.

P.S.: Niemand is benoemd voor het leven. Het hangt ervan af of iemand het vertrouwen blijft genieten van de instellingen die tot de associatie behoren. Zij kiezen de voorzitter van de associatie. Als Minister vind ik het belangrijk om met een vertegenwoordiger van een instelling te kunnen spreken die door de meerderheid van die associatie wordt gedragen.

K.B./D.P.: Maar er wordt geen publiek debat gevoerd over het inhoudelijk beleid van de associaties, zoals dat wel gebeurt naar aanleiding van rectorverkiezingen. In de hogescholen vinden geen verkiezingen plaats en dat gebeurt evenmin in de associaties waartoe de hogescholen behoren. Hoe sta je tegenover associatievoorzittersverkiezingen?

P.S.: Over de taken van de associaties is in het Vlaams Parlement een debat gevoerd. Het is de eerste keer dat ik van dit voorstel inzake verkiezingen kennisneem. Het idee heeft voor- en nadelen. Zullen er betere associatievoorzitters benoemd worden als er verkiezingen worden gehouden? Ik weet het niet. Ik heb in ieder geval geen probleem met de manier waarop associatievoorzitters nu worden aangeduid. Het is van belang dat de associatievoorzitter gesteund wordt door alle instellingen die deel uitmaken van de associatie. Het is belangrijk dat de voorzitter de associatie op een goede manier vertegenwoordigt. Als hij of zij het woord neemt, dan doet hij of zij dat namens de associatie. Ik heb niet de intentie om de manier waarop associatievoorzitters gekozen worden te veranderen. Ik heb ook niet het gevoel dat er een grote vraag is om zulks te doen. Maar goed, een vraag die er niet is, kan altijd komen. Ook dat is democratie.

K.B./D.P.: Een andere vraag die door de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten wordt opgeroepen, betreft deze van de schaal van de associaties.

P.S.: Laat me eerst zeggen dat ik vind dat er in Vlaanderen een rationalisatiedebat moet worden gevoerd. Ik had dat heel graag zien plaatsvinden tijdens deze legislatuur, maar dat zou te veel geweest zijn. We moesten eerst de integratie van de academische hogeschoolopleidingen bespreken. Vervolgens moest die integratie ook worden doorgevoerd. Dat vraagt veel tijd en middelen. De volgende regering zal echter niet rond het thema van de rationalisatie en de financiering van het hoger onderwijs, met inbegrip van de kunstopleidingen, heen kunnen. Dat is duidelijk. Ik ben overigens van mening dat de financiering van het hoger kunstonderwijs anders moet zijn dan voor andere opleidingen. Niemand stelt het specifieke karakter van de kunstopleidingen in vraag, net zomin als de bijzondere financiering.

K.B./D.P.: In verband met de schaal van de associaties zouden we willen vragen waarom groter per se ook altijd beter zou zijn?

P.S.: Vinden jullie dat Vlaanderen kreunt onder de schaalvergroting? Het bevolkingsaantal van Vlaanderen ligt lager dan dat van de stad Peking! Ga eens kijken naar de schaal van de onderwijsinstellingen in China. Wat zogenaamd groot is in Vlaanderen, is klein in het buitenland en onze toekomst zal niet door het binnen- maar door het buitenland worden bepaald. Wij zijn niet meer de enigen die nadenken over een kwalitatief hoog onderwijsaanbod! Ook landen die vroeger geen oog hadden voor onderwijs, beginnen er nu zwaar in te investeren. We kunnen ons maar beter hierop voorbereiden en een goede organisatie van het onderwijs op poten zetten. We moeten structuren uitwerken die ons in staat stellen om de uitdagingen van de 21ste eeuw aan te gaan. We moeten op zoek gaan naar modellen die maximale synergie mogelijk maken. Ik ben een groot voorstander van schaalvergroting. Wat het secundair onderwijs betreft, heb ik een beslissing in die zin doorgevoerd. Dat was nodig. Moeten we dan streven naar mastodonten? Naar een zeer gecentraliseerd bestuur? Uiteraard niet. Het moet niet om onbeheersbare, oncontroleerbare entiteiten gaan. We moeten vrijheid en ruimte aan de docenten en studenten geven. We moeten ze motiveren om het beste van zichzelf te geven. We moeten ernaar streven dat zij die met inhoud bezig zijn zich geen zorgen moeten maken over de organisatie en de omkadering van onderwijs en onderzoek.

K.B./D.P.: In concreto betekent dit echter dat bijvoorbeeld de kunstopleidingen niet meer over de hefbomen beschikken om een eigen inhoudelijk beleid te voeren. Ze hebben niets meer te zeggen over infrastructuur, financiën en personeel, wat nochtans de essentiële instrumenten zijn voor het voeren van een beleid.

P.S.: Ik denk dat verstandige bestuurders rekening houden met de eigen aard van de opleidingen en met de mensen die de opleidingen verzorgen en volgen. Zonder inspraak heb je geen goede organisatie, dat is mijn overtuiging. Ik zie niet in waarom dat niet georganiseerd zou kunnen worden. Als het onderwijs slecht is, dan zal je de gevolgen daarvan zien: dalende studentenaantallen en afkalvende docentenkorpsen. Dan heb je te maken met verkeerde beleidskeuzes. Dat zijn de parameters waaraan we het beleid van de instellingen zullen toetsen.

K.B./D.P.: Je hamerde verschillende keren op de specificiteit van het hoger kunstonderwijs…

P.S.: …ja, daar ben ik van overtuigd.

K.B./D.P.: Het grote probleem is de dominantie door de universiteiten, wat ook uit het zogenaamd doctoraat in de kunsten blijkt. Dat doctoraat is een universitair concept dat onvoldoende aansluit bij de specificiteit van de kunst. Kunstenaars zijn nu papers aan het schrijven in plaats van kunst te maken. Dat is de wereld op zijn kop. Met het doctoraat en de repercussies ervan op het toekomstig personeelsbeleid staat het eigen karakter van het kunstonderwijs fundamenteel op het spel.

P.S.: Het onderzoek in de kunsten en het doctoraat in de kunsten hebben al heel wat inkt doen vloeien. De meningen hierover zijn zeer uiteenlopend: over wat het is, wat het niet is, wat het zou kunnen zijn. De instellingen maken nu beleidskeuzes die we ter zijner tijd moeten evalueren. We zullen dat ook doen, maar het is daarvoor nu te vroeg. Hetzelfde gaat trouwens op voor de beoordeling van de kwaliteit van de opleidingen.

K.B./D.P.: Je zegt dat het te vroeg is, maar als we nog even wachten, kan het misschien te laat zijn.

P.S.: De toekomst zal uitwijzen wie de juiste beleidskeuzes heeft genomen. Dat is in elke organisatie zo, of je nu koekjes bakt, coca cola produceert, een welzijnsorganisatie runt of onderwijs verzorgt. Iemand die verkeerde beleidskeuzes maakt, gaat failliet. Ik hoop dat dat niet het geval is, maar ik wil dat op dit moment nog niet beoordelen.

K.B./D.P.: Je vergelijking gaat volgens ons niet op. Als een koekjesfabriek failliet gaat, dan kan een curator een overnemer zoeken om de productie terug op te starten. Misschien staat een concurrent klaar om zelf met de productie van koekjes te beginnen. Een kunsthogeschool kan je op minder dan geen tijd volledig met de grond gelijkmaken; een onderwijsinstelling terug opbouwen is een werk van zeer lange adem, als het überhaupt nog mogelijk is.

P.S.: Een kunstopleiding kan je natuurlijk niet vergelijken met een koekjesfabriek, dat weet ik ook wel. Maar voor elke organisatie gelden een aantal algemene principes: dat je een omgeving creëert waar mensen graag werken en zich kunnen ontwikkelen. Een organisatie die deze principes niet eerbiedigt, is gedoemd om te falen.

 

Noten

1 Het decreet betreffende de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten is gepubliceerd op de volgende pagina: http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/integratie/. Op deze pagina kunnen ook alle andere beleidsdocumenten worden gevonden waarnaar in het interview wordt verwezen.

2 Koen Brams & Dirk Pültau, Leuven, architectuur en de kunsten. Interview met Peter De Graeve over zijn ontslag als decaan van de Faculteit Architectuur en de Kunsten (FAK), in: De Witte Raaf, nr. 160, november-december 2012, pp. 3-5.

3 Het debat, georganiseerd door de studenten van Sint-Lucas Gent, vond plaats op 13 februari 2013. Een videoverslag is te vinden op de volgende pagina: http://www.youtube.com/watch?v=cEsAA70D6LU. Een verslag van het debat, van de hand van Eveline Vanfraussen, verscheen in De Witte Raaf, nr. 163, mei-juni 2013.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten & Ernstjan van Geest

Redactie: Koen Brams

De geschiedenis van het NICC – aflevering 4

Wat voorafging

Met de bezetting op 1 februari 1998 van het ICC aan de Meir te Antwerpen door een 50-tal kunstenaars – waaronder het zeskoppige collectief Hit & Run dat het initiatief tot de bezetting had genomen – wordt het startsein gegeven van de oprichting van het NICC. In de eerste drie afleveringen van De geschiedenis van het NICC ging De Witte Raaf door middel van meerdere gesprekken met rechtstreekse betrokkenen in op diverse aspecten van de (voor)geschiedenis van de jonge vereniging. In aflevering 1 (De Witte Raaf nr. 131, januari-februari 2008) spraken we met Hit & Run-leden Christine Clinckx & Patries Wichers alsook met Danny Devos over de turbulente eerste weken na de bezetting van het ICC en voorafgaand aan de oprichting van het NICC. In aflevering 2 (De Witte Raaf nr. 138, maart-april 2009) lieten we vijf kunstenaars (Guillaume Bijl, Danny Devos, Marc Schepers, Narcisse Tordoir en Luc Tuymans) aan het woord over hun keuze om zich in het NICC te engageren, de uiteenlopende vormen die dit engagement aannam en de formalisering daarvan in de oprichting van werkgroepen binnen het NICC, met als twee belangrijkste de Werkgroep Sociaal Statuut, die zich bezig moest houden met de verbetering van de sociale situatie van de kunstenaar, en de Werkgroep Tentoonstellingen, die verantwoordelijk werd voor de artistieke werking van het NICC. Ten slotte spraken we in aflevering 3 (De Witte Raaf nr. 139, mei-juni 2009) opnieuw met vijf kunstenaars (Philip Aguirre, Guillaume Bijl, Danny Devos, Koen Theys, Paul Gees en Hans Van Heirseele) over de uitbreiding van het NICC buiten Antwerpen, met afdelingen in Brussel, Luik, Hasselt en Gent. In deze vierde aflevering wordt de draad opgepikt van aflevering 2 en gaan we in op de geschiedenis van één specifieke werkgroep: de Werkgroep Sociaal Statuut.

 

Gesprek met Danny Devos

Koen Brams/Dirk Pültau: Voor zover ons bekend komt de Werkgroep Sociaal Statuut voor het eerst bijeen op 22 mei 1998. Ze telt op dat moment een achttal mensen: Philip Aguirre – die als NICC-voorzitter de vergaderingen bijwoont – Guillaume Bijl, Jean Canivet, Axel Claes, Marc Jambers, Marc Schepers en jijzelf. De naam van de werkgroep laat aan duidelijkheid niets te wensen over: jullie willen ijveren voor een sociaal statuut van de kunstenaar. Dit thema stond al vanaf de eerste dag van de bezetting – 1 februari 1998 – op de agenda, getuige het perscommuniqué Internationaal Centrum in Coma. Kunstenaars bezetten het I.C.C. Antwerpen waarin jullie schreven: ‘Ook het ontbreken van een duidelijk sociaal statuut voor de beeldende kunstenaar en de afwezigheid van een efficiënte spreekbuis heeft aanleiding gegeven tot deze actie.’ Jullie waren toen al van plan om een organisatie uit te bouwen die actie zou voeren rond het sociaal statuut van de kunstenaar?

Danny Devos: Inderdaad. Voor mij was het alleszins van meet af aan duidelijk dat dat de inzet vormde van de bezetting. Ik heb in het ICC bijvoorbeeld Johan Verminnen ontmoet, die ook bezig was met het sociaal statuut, en met hem afgesproken om in de nabije toekomst rond dat thema samen te komen. Maar het sociaal statuut van de kunstenaar was niet ons enige aandachtspunt. We wilden op alle vlakken de positie van de kunstenaar in de maatschappij verbeteren. We vonden dat er nood was aan een kunstenaarsvereniging die als een soort vakbond optrad en op alle terreinen voor de belangen van de kunstenaar opkwam. Marc Jambers, Marc Schepers en ik – de leden van de Werkgroep Sociaal Statuut die de bezetting hebben meegemaakt – waren daar zonder meer van overtuigd. Het zinnetje dat jullie citeren geeft dat al aan: het ging erom een ‘efficiënte spreekbuis’ voor de kunstenaarsgemeenschap in het leven te roepen.

K.B./D.P.: Op welke andere vlakken wilden jullie de positie van de kunstenaar verbeteren?

DDV: Om maar iets te noemen: tijdens de bezetting van het ICC in februari 1998 was de BTW voor muzikanten verlaagd van 21 naar 6 procent. Dat gebeurde onder meer onder druk van de Vereniging voor Zangers en Muzikanten (ZAMU) die geleid werd door Johan Verminnen. Dat was een heel eenvoudige maatregel, maar voor muzikanten betekende het wel een verhoging van hun inkomen met 15 procent. Over dat soort zaken dachten wij óók na. Daarnaast hebben we altijd gepleit voor een vergoeding voor kunstenaars. Ik vind dat het een basisregel zou moeten zijn: een kunstenaar moet voor elke prestatie – zoals voor het opbouwen van een installatie of een tentoonstelling in een museum – vergoed worden. Het is een schande dat dat principe, in 2004 uiteindelijk in het kunstendecreet ingeschreven, nog altijd ter discussie wordt gesteld en bijvoorbeeld niet wordt toegepast door de musea. Ten slotte vonden we dat kunstenaars betrokken moesten worden bij de besluitvorming. In de Beoordelingscommissie voor Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap zetelden mensen van allerlei slag – curatoren, critici, een documentairemaker – maar geen enkele kunstenaar.

K.B./D.P.: Dat er met Philip Aguirre nu een kunstenaar in de Beoordelingscommissie voor Beeldende Kunst zit…

DDV: …is te danken aan het NICC, absoluut. Vanaf 1 oktober 1998 – nog tijdens het jaar waarin het NICC is opgericht – zetelde Luc Tuymans in de Beoordelingscommissie voor Beeldende Kunst. Dat gebeurde na lobbywerk van het NICC en de Werkgroep Sociaal Statuut. Ik heb zelf de meeste correspondentie gevoerd. De benoeming van een kunstenaar in de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst was eigenlijk het eerste concrete succes dat we met het NICC hebben geboekt.

K.B./D.P.: Hoe is beslist dat Luc Tuymans zou zetelen?

DDV: Het lag voor de hand dat een lid van het NICC zou zetelen toen het kabinet zich akkoord verklaarde een kunstenaar te benoemen. Vervolgens is Luc gevraagd. We hebben in het NICC overlegd hoe we daarop moesten reageren en Luc stelde voor dat hij het eerste half jaar zou zetelen en de fakkel vervolgens aan mij zou doorgeven. Daar stonden wij helemaal achter. Maar achteraf gezien was dat natuurlijk een naïef plan. Zo werkt het immers niet. Eens je benoemd bent, beslis jij niet meer wie er in jouw plaats komt – tenzij je vooraf met de Minister hebt afgesproken dat het ánders zal verlopen. Het belangrijkste was evenwel dat we een eerste concreet resultaat hadden geboekt.

D.P.: Wat onder meer ook uit de verslagen blijkt is dat het tijdschrift De Witte Raaf interesse had om een ‘nummer over het sociaal statuut’ te maken. Koen, jij was toen hoofdredacteur…

K.B.: Ik werkte in die tijd aan een encyclopedie van fictieve kunstenaars en wilde daar een aantal zakelijke bijdragen naast zetten over de sociale realiteit van het kunstenaarsbestaan. Ik had daarover contact met Bénédicte Jacobs die actief was in het NICC. Ik kan me niet herinneren waarom het niet tot een samenwerking is gekomen.

K.B./D.P.: Hoe hebben jullie de kwestie van het sociaal statuut aangepakt?

DDV: Eerst hebben we vooral informatie vergaard: we brachten de organisaties in kaart die met het sociaal statuut bezig waren, woonden bijeenkomsten bij – bijvoorbeeld een workshop in het Bondsgebouw van de ABVV onder de titel Kan het sociaal statuut de kunstenaar redden – en in de zomer bestudeerden we een aantal modellen die in het buitenland met betrekking tot het sociaal statuut van de kunstenaar waren uitgewerkt… Onze eerste belangrijke publieke activiteit was de Nationale Klachtendag, die plaatsvond op 13 juni 1998. Vooraleer je aan de verbetering van de situatie van de kunstenaars kan werken, moet je zicht krijgen op de problemen waarmee ze te kampen hebben. De klachtendag is daarvoor ontzettend belangrijk geweest. Ze heeft er ook voor gezorgd dat kunstenaars met vragen en problemen ons wisten te vinden. Van al de klachten waarmee kunstenaars ons benaderden hebben we een inventaris opgesteld.

K.B./D.P.: Met welke problemen werden jullie zoal geconfronteerd?

DDV: Eerst en vooral bleek dat veel werkloze kunstenaars in de problemen zaten. Er bestond in die tijd een regel die inhield dat je als werkloze niet mocht werken tussen 8 en 20 uur ’s avonds. Dat leidde voor kunstenaars tot krankzinnige situaties. Een werkloze cartoonist die ’s middags een idee op een briefje schrijft, een werkloze schilder die ’s middags verf gaat kopen: dat werd door de Rijksdienst Voor Arbeidsvoorziening (RVA) allemaal als ‘arbeid’ gezien en dus beoordeeld als een overtreding van de wet. Terwijl de Unesco het recht op artistieke expressie als een grondrecht beschouwde en de RVA creatieve ateliers voor dokwerkers opzette, werd kunstenaars het recht ontzegd om creatief te zijn. Dat is toch te gek voor woorden! Voor de kunstenaars die plots wat beter begonnen te verkopen – en dus ‘werk hadden’ – rees dan weer een tweede probleem: zij werden verplicht om zelfstandige te worden, met alle verplichtingen die dat met zich meebracht, zoals het betalen van sociale bijdragen.

K.B./D.P.: In de verslagen wordt verschillende malen gealludeerd op voorstellen voor een statuut van de kunstenaar die op dat moment in politieke kringen circuleerden. Kennelijk kwamen die er deels op neer dat alle kunstenaars zelfstandige zouden worden.

DDV: Precies. Dat gold met name voor een voorstel van de CD&V-er Stefaan De Clerck. Het zelfstandigenstatuut was voor het overgrote deel van de kunstenaars gewoon niet werkbaar. Wat immers als een kunstenaar plots weer minder verkoopt? We moesten er absoluut voor zorgen dat dergelijke voorstellen het niet haalden.

K.B./D.P.: En zijn jullie daarin geslaagd?

DDV: Ik meen van wel. We lieten echt wel van ons horen. We maakten er ook een punt van om – onder meer door middel van perscommuniqués – te reageren op alle uitspraken die bevoegde politici deden over het sociaal statuut van de kunstenaar en aanverwante problemen. Daarnaast is op 9 juli 1998 een delegatie van het NICC gaan spreken met Stefaan De Clerck. Door de ruchtbaarheid die onder meer het NICC gaf aan de problematiek, kregen politici in de gaten dat hun voorstellen niet zonder slag of stoot zouden worden geaccepteerd en dat het verstandig was om voorlopig niets te ondernemen. Er circuleerde trouwens ook een voorstel om het statuut van de podiumkunstenaars – dat al sinds 1969 bestond – tot álle kunsten uit te breiden. Het statuut van de podiumkunsten ging uit van het werknemersregime en niet van het zelfstandigenstatuut. Eigenlijk was het niet slecht. Het probleem was alleen dat het nauwelijks werd toegepast omdat er geen stimulansen waren voorzien.

K.B./D.P.: Formuleerden jullie ook tegenvoorstellen?

DDV: Nee, daarvoor was het nog te vroeg. We probeerden vooral de slechte voorstellen af te blokken. Voor het overige waren de eerste maanden vooral een leertijd.

K.B./D.P.: Je zei zonet dat jullie ook buitenlandse modellen bestudeerden. In de verslagen van de eerste vergaderingen van de Werkgroep wordt naar enkele modellen verwezen: het Nederlandse, het Canadese, het Franse model van de Maison des Artistes… Hebben jullie daar zaken uit geleerd die van pas kwamen bij de latere uitwerking van het statuut?

DDV: Dat is moeilijk te zeggen. Ik geloof niet dat veel zaken onmiddellijk toepasbaar waren. Het Canadese model zou in België bijvoorbeeld geen kans maken omdat het een grote inbreng van de overheid veronderstelde. Daar moesten wij niet op hopen. We hadden snel in de gaten dat we beter geen verregaand engagement van de overheid konden vragen.

K.B./D.P.: Uit het verslag van 27 mei 1998 blijkt dat een van de leden van jullie werkgroep, namelijk Jean Canivet, al een voorstel op zak had voor een sociaal statuut van de kunstenaar. De titel van zijn tekst luidde Les créateurs: acteurs socio-economiques.

DDV: Dat klopt.

K.B./D.P.: Kennelijk stelde Canivet voor om aan kunstenaars een statuut toe te wijzen ‘gelijkluidend met het onderwijzend personeel’. In het verslag van 30 augustus 1998 stelt Canivet dan weer dat het statuut van de kunstenaar ‘hetzelfde zou kunnen zijn als dat van een wetenschappelijk onderzoeker’. Hoe stond jij tegenover die ideeën?

DDV: Op dat moment had ik daar nog niet zo’n uitgesproken mening over. Ik vond wel dat Canivet zich erg gesloten opstelde. Hij leek ervan uit te gaan dat zijn tekst de enige legitieme vertrekbasis was voor de ontwikkeling van een sociaal statuut.

K.B./D.P.: Had jij aanvankelijk zelf enig idee wat een goed sociaal statuut voor de kunstenaar zou kunnen zijn?

DDV: Vaagweg. Uit de tijd dat ik actief was in de Vereniging voor Plastische Kunstenaars (VPK) – midden jaren 80 – had ik de idee overgehouden dat alle kunstenaars zouden moeten erkend worden als auteur en dat je de notie ‘auteursrecht’ kon gebruiken om een heleboel problemen op te lossen. Het begrip ‘auteursrecht’ leek mij heel rekbaar en dus een goede basis om auteurs te vergoeden. Ik stelde mij voor dat je het begrip zowel kon toepassen op allerlei activiteiten – een concert, een theatervoorstelling – als op materiële objecten. Later bleek dat het bijzonder moeilijk was om dat principe in een wet te gieten. Eigenlijk kreeg ik pas een realistischer beeld van de problematiek dankzij Yasmine Kherbache, die vanaf juni 1998 voor het NICC werkte.

K.B./D.P.: Hoe was zij bij het NICC terechtgekomen?

DDV: Ze had gehoord dat wij een ‘Nationale Klachtendag’ voor kunstenaars organiseerden en was haar licht komen opsteken. Aanvankelijk werkte ze vrijwillig voor het NICC en hield ze zich vooral bezig met juridische eerstelijnshulp voor kunstenaars – ze is namelijk specialiste sociaal recht. Yasmine is zeer belangrijk geweest voor het NICC.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

DDV: Yasmine legde ons bijvoorbeeld uit dat het auteursrecht en het sociaal statuut twee verschillende kwesties zijn. Ze maakte ook duidelijk dat het ‘sociaal statuut’ niet hetzelfde betekent als ‘de maatschappelijke positie van de kunstenaar’, maar strikt verband houdt met de sociale zekerheid. Dat belette evenwel niet dat we onverminderd aandacht besteedden aan andere aspecten van de maatschappelijke positie van de kunstenaar.

K.B./D.P.: Eind 1998 blijken er middelen beschikbaar te komen waardoor Yasmine een voltijdse bezoldiging ontvangt om zich toe te leggen op het sociaal statuut van de kunstenaar.

DDV: Dat klopt. Het was een ontzettend belangrijke ontwikkeling. Als je in een kwestie als het sociaal statuut van de kunstenaar resultaat wil bereiken, heb je iemand nodig die zich permanent met de problematiek kan bezighouden – anders kom je nergens. Dat was de les die ik had getrokken uit mijn betrokkenheid bij de Vereniging voor Plastische Kunstenaars (VPK).

K.B./D.P.: Het geld om Yasmine in dienst te nemen, kwam er via het mecenaat van KB-Cera. In het verslag van de Raad van Beheer van het NICC van 29 november 1998 wordt gewag gemaakt van een ontmoeting die Philip Aguirre en Narcisse Tordoir met Paul Tanghe van KB-Cera hadden op 17 november 1998. Hoe is dat contact tot stand gekomen?

DDV: Precies weet ik dat niet, maar ik geloof dat de eerste contacten tussen het NICC en KB-Cera er gekomen zijn in het kader van de zoektocht van de Werkgroep Tentoonstellingen naar sponsoring voor haar tentoonstellingsbeleid. Narcisse Tordoir kende Paul Tanghe persoonlijk – vandaar dat Narcisse aanwezig was bij de eerste ontmoeting.

K.B./D.P.: Op de Raad van Beheer van 29 november 1998 tonen enkele leden van jullie werkgroep zich verbolgen over het feit dat niemand van de Werkgroep Sociaal Statuut op de vergadering met Tanghe aanwezig was.

DDV: Misschien vreesden sommigen in onze werkgroep dat bepaalde leden van de Werkgroep Tentoonstellingen de middelen van KB-Cera voor hun doeleinden wilden gebruiken? Ik herinner mij althans dat Axel Claes, Marc Schepers en ik hard moesten onderhandelen op de Raad van Beheer van het NICC om ervoor te zorgen dat de middelen van de kant van KB-Cera ten goede zouden komen aan de Werkgroep Sociaal Statuut. Er is altijd concurrentie geweest tussen de Werkgroep Tentoonstellingen en de Werkgroep Sociaal Statuut. In de verbouwingsplannen van ons pand in de Pourbusstraat, waar we in april 1998 onze intrek namen, was niet eens een bureau voorzien voor de permanente werking van de Werkgroep Sociaal Statuut. Men vond wel dat er een bureau moest zijn waar Yasmine kunstenaars kon helpen met hun klachten, maar tegelijk ging men ervan uit dat alle middelen die het NICC binnenrijfde voor het tentoonstellingsbeleid waren bestemd. Daarnaast werd Yasmine onder meer door de leden van de Werkgroep Tentoonstellingen voortdurend belast met allerlei klusjes waarvoor zij niet was aangetrokken.

K.B./D.P.: Uit het verslag van de Raad van Beheer van 29 november blijkt evenwel ook dat KB-Cera aanvankelijk niet van plan was om de middelen voor een onderzoek naar het sociaal statuut van de kunstenaar rechtstreeks aan het NICC over te maken. Blijkbaar wilde Paul Tanghe het geld eerst gebruiken voor de aanstelling van een jurist die zou worden ondergebracht op het instituut voor arbeidsrecht van professor Roger Blanpain (KULeuven), die het onderzoek zou leiden. Het NICC zou daarbij enkel een controlerende taak toebedeeld krijgen.

DDV: Dat is mogelijk. Ik kan me voorstellen dat Tanghe het NICC aanvankelijk te onberekenbaar vond om er 2 miljoen Belgische frank [50.000 euro] aan toe te vertrouwen.

K.B./D.P.: Hoe hebben jullie de Raad van Beheer uiteindelijk overtuigd om de middelen van KB-Cera voor de Werkgroep Sociaal Statuut te reserveren?

DDV: Ons belangrijkste argument luidde dat dit de enige correcte manier was om de Werkgroep Sociaal Statuut te financieren. Het NICC werd gesubsidieerd door het Ministerie van Cultuur en een deel van die middelen ging naar de werking van de Werkgroep Sociaal Statuut. Cultuursubsidies mochten echter niet gebruikt worden om de werking van een belangenbehartiger te financieren. Het Ministerie van Cultuur van de Vlaamse Gemeenschap zat daarmee verveeld. Men liet het oogluikend toe, maar het was duidelijk dat dat niet kon blijven duren.

K.B./D.P.: En hoe hebben jullie Paul Tanghe uiteindelijk kunnen overtuigen om de middelen volledig aan het NICC toe te vertrouwen?

DDV: Wij hebben een nieuwe afspraak met Tanghe gemaakt, deze keer mét vertegenwoordigers van de Werkgroep Sociaal Statuut. We hebben Tanghe uitgelegd dat we met Yasmine Kherbache een specialist in huis hadden om het onderzoek op zich te nemen.

K.B./D.P.: Hij nam jullie serieus?

DDV: We hebben hem alleszins kunnen overtuigen – of Yasmine heeft dat kunnen doen. Uiteindelijk zijn alle partijen – KB-Cera, Blanpain die als adviseur optrad en het NICC – overeengekomen dat Yasmine door KB-Cera betaald zou worden om binnen het NICC te werken aan een onderzoek rond het sociaal statuut van de kunstenaar. Die beslissing kwam niets te vroeg. In januari 1999 ging immers het Nationaal Kunstenaarsplatform van start. Het Nationaal Kunstenaarsplatform bracht uiteenlopende organisaties samen om een gezamenlijk standpunt in te nemen rond de sociale problemen van de kunstenaar en in het bijzonder het sociaal statuut van de kunstenaar.

K.B./D.P.: Hoe is het Nationaal Kunstenaarsplatform tot stand gekomen?

DDV: Ik zei daarnet dat ik al tijdens de bezetting van het ICC in contact stond met Johan Verminnen van ZAMU, de Vereniging voor Zangers en Muzikanten. Het Platform is gegroeid uit dat soort informele contacten tussen kunstenaarsverenigingen en belangenorganisaties uit alle sectoren en disciplines, van beeldende kunstenaars en schrijvers tot popmuzikanten. Het NICC en ZAMU stonden uiteindelijk mee aan de wieg van het Nationaal Kunstenaarsplatform, samen met een aantal andere organisaties zoals de BUP – de vereniging van galeristen geleid door Adriaan Raemdonck – Palmares Renaissance, Grrraal, Plus tôt te laat, SACD (Société des Auteurs et Compositeurs Dramatiques), het Vlaams Popforum, SMart… Uiteindelijk zouden 28 organisaties deel uitmaken van het Platform, zowel uit Nederlandstalige als uit Franstalige hoek: het ging dus echt om een Nationaal Kunstenaarsplatform.

K.B./D.P.: Aan welke voorwaarden moest je voldoen om je bij het Nationaal Kunstenaarsplatform aan te sluiten?

DDV: Het ging om kunstenaarsverenigingen. Dat was het criterium.

K.B./D.P.: SMart is een organisatie die in 1998 werd opgericht om kunstenaars bijstand te verlenen op administratief en juridisch vlak. Het is geen echte kunstenaarsvereniging…

DDV: …maar wel een vereniging die opkomt voor de belangen van de kunstenaar. SMart helpt kunstenaars die moeilijkheden ondervinden met hun statuut. Ze beschikten over veel ervaring en expertise op dat vlak.

K.B./D.P.: Daarnaast waren ook de BUP – de beroepsvereniging van handelaars in moderne en hedendaagse kunst – SACD (Société des Auteurs et Compositeurs Dramatiques) en Sabam lid van het Nationaal Kunstenaarsplatform. Ook dat zijn geen kunstenaarsverenigingen.

DDV: De notie ‘kunstenaarsvereniging’ werd ruim gedefinieerd. Van organisaties als SACD en Sabam kan je zeggen dat ze de kunstenaars vertegenwoordigen doordat ze toezien op de inning van auteursrechten. De BUP speelde een gelijkaardige rol voor de beeldende kunstenaars: voorzitter Adriaan Raemdonck was immers bezig met kwesties zoals het volgrecht en bepleitte ook de verlaging van de BTW op de verkoop van kunstwerken. Ook hij verdedigde dus onrechtstreeks de belangen van – beeldende – kunstenaars.

K.B./D.P.: Woonde jij de vergaderingen bij van het Nationaal Kunstenaarsplatform?

DDV: Meestal niet. Yasmine woonde alle vergaderingen bij. Zij vertegenwoordigde het NICC.

K.B./D.P.: Waarom ging jij niet naar alle vergaderingen van het Platform?

DDV: Omdat ik al genoeg werk had voor de Werkgroep Sociaal Statuut. Ik beschikte trouwens niet over de expertise om met al die organisaties over een standpunt met betrekking tot het sociaal statuut te onderhandelen. Yasmine was daar als juriste veel beter voor geplaatst. Op de vergaderingen van de Werkgroep Sociaal Statuut en de Raad van Beheer bracht zij telkens verslag uit over de ontwikkelingen op het Platform.

K.B./D.P.: Omstreeks de tijd dat het Nationaal Kunstenaarsplatform van start gaat, trekt de Brusselaar Jean Canivet zich terug uit de Werkgroep Sociaal Statuut.

DDV: Jean Canivet had tegen die tijd een model ontwikkeld waarin werd voorgesteld om naast de bestaande statuten – zelfstandige, ambtenaar en werknemer – een vierde statuut voor kunstenaars te creëren. Het probleem was echter dat hij geen compromissen wilde sluiten. Toen het Platform van start ging, was duidelijk geworden dat het NICC niet de opvatting over het sociaal statuut zou verdedigen die door Canivet werd voorgestaan. Ik vermoed dat Canivet er toen voor gekozen heeft om via Grrraal – een Brusselse organisatie van Franstalige acteurs waarin hij een hoofdrol speelde en die ook deel uitmaakte van het Platform – een vinger in de pap te houden. Zijn ontslag had dus wellicht een strategische achtergrond.

K.B./D.P.: Waarom is het voorstel van Canivet niet weerhouden?

DDV: Omdat het niet realistisch was – dat was mijn mening en ik was niet de enige. In Canivets voorstel zouden de kunstenaars hun eigen sociale zekerheid bekostigen. Zo’n oplossing is bijzonder duur en zou je daarom nooit verkocht krijgen aan de politiek. Om pragmatische redenen was het beter om te vertrekken van wat er al bestond op het vlak van de sociale zekerheid.

K.B./D.P.: Hadden jullie ook principiële bezwaren tegen Canivets voorstel? Of dachten jullie: dit is ideaal, maar politiek onhaalbaar.

DDV: Ideaal vond ik het evenmin. Canivet ging immers uit van kunstenaars die zich voltijds aan hun artistieke praktijk wijden, terwijl die groep in de praktijk een kleine minderheid vormt. Zijn systeem was bestemd voor een selecte groep van erkende kunstenaars. Het sloot aan bij het Franse systeem van de Maison des Artistes, waar je pas kan instappen als je al een zekere reputatie hebt opgebouwd en een behoorlijke omzet hebt. Wij hadden evenwel juist vastgesteld dat het vooral de kunstenaars met weinig middelen waren die problemen hadden. Ik vond Canivets model heel liberaal en elitair. Het is mijn overtuiging dat de sociale zekerheid er voor iedereen moet zijn.

K.B./D.P.: Hadden jullie al een idee welke oplossing jullie wel zouden verdedigen?

DDV: Wat wij ondertussen alleszins hadden ingezien, is dat het geen zin had om een totaal nieuwe constructie voor te stellen, die bovendien veel geld zou kosten. Geen enkele politicus zou zich daarvoor engageren. Het was beter om een voorstel uit te werken dat vertrok van het bestaande systeem van de sociale zekerheid. Dat was althans mijn overtuiging en die van Yasmine – een overtuiging die ook in het Platform steeds meer veld won.

K.B./D.P.: En was dat ook de mening van alle leden van de Werkgroep Sociaal Statuut?

DDV: Hoe langer hoe meer wel, ja. Over bepaalde punten is natuurlijk stevig gediscussieerd in de Werkgroep Sociaal Statuut.

K.B./D.P.: Welke zoal?

DDV: Bijvoorbeeld het feit dat Yasmine en ik vertrokken van de sociale zekerheid en niet van een gegarandeerd inkomen voor kunstenaars. Wij pleitten evenmin voor een verhoging van de subsidies voor kunstenaars – iets waar Guillaume Bijl wél toe geneigd was. We zochten altijd naar maatregelen die weinig of geen geld kostten. Het heeft trouwens geen zin om meer geld te vragen als de kunstenaar dat geld niet in ontvangst kan nemen zonder in de problemen te komen, bijvoorbeeld doordat hij in het zelfstandigenstatuut wordt gedwongen. Eerst moet je ervoor zorgen dat kunstenaars op een rechtmatige manier inkomsten kunnen ontvangen – hét middel daartoe was een werkbaar sociaal statuut voor de kunstenaar. Pas dan kan je voor een verhoging van de subsidies opkomen.

K.B./D.P.: Waren er nog heikele punten?

DDV: Wat eveneens op verzet stootte, was het feit dat wij – niet alleen Yasmine, maar ook Marc Jambers, Sven ’t Jolle en Marc Schepers dachten er zo over – vonden dat je geen onderscheid mocht maken tussen ‘soorten’ kunstenaars. Een kunstenaar die geen aanspraak kon maken op subsidies, had voor ons óók recht op een sociaal statuut. Voorts interesseerde het mij niet wat voor werk een kunstenaar maakt en of dat werk ‘goed’ of ‘slecht’ is. Guillaume Bijl was daarentegen van mening dat sommige kunstenaars niet het recht hadden om de titel van ‘kunstenaar’ te dragen. Uiteindelijk is het overleg in het Platform uitgemond in een consensustekst die na veel discussie – onder meer over de voornoemde punten – door het NICC is goedgekeurd. Die tekst werd ook verschillende malen getoetst samen met het kabinet van Sociale Zaken van Frank Vandenbroucke. Vanaf eind 2000, begin 2001 waren immers gesprekken opgestart tussen het Nationaal Kunstenaarsplatform en het kabinet van Frank Vandenbroucke, die in 1999 Minister van Sociale Zaken was geworden. Frank Vandenbroucke nam ons echt serieus.

K.B./D.P.: Hoe was het contact met het kabinet van Vandenbroucke tot stand gekomen?

DDV: Ik vertelde al dat wij systematisch reageerden op uitspraken van politici in de pers. Met Vandenbroucke hebben we op een gegeven moment een polemiek gevoerd in de krant De Morgen. Ik denk dat hij op een bepaald moment gewoon begrepen heeft dat wij niet zouden rusten tot ons probleem opgelost was. Daarnaast zal hij ook wel gezien hebben dat ons discours onderbouwd was.

K.B./D.P.: Hadden jullie rechtstreeks contact met Vandenbroucke?

DDV: Nee. De besprekingen vonden meestal plaats met een kabinetsmedewerker. Aangezien het NICC binnen het Platform door Yasmine werd vertegenwoordigd, was zij onze contactpersoon met het kabinet van Vandenbroucke. Zij bracht in het NICC verslag uit over de vordering van de gesprekken. Die gesprekken hebben heel wat tijd in beslag genomen. Er moesten een aantal lastige klippen worden omzeild.

K.B./D.P.: Wat waren de belangrijkste moeilijkheden?

DDV: De lastigste discussie betrof de vraag wie als kunstenaar kon worden beschouwd. Alle betrokken partijen worstelden met dat probleem – zowel de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Zelfstandigenkas als de vakbonden en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Uiteindelijk is dat probleem omzeild door niet de persoon van de kunstenaar, maar zijn activiteit te definiëren. Daarbij gingen we uit van het concept ‘artistieke prestatie’. We organiseerden algemene vragenrondes om dat concept te testen en te kijken of er kunstenaars waren die zeiden dat het niet op hen van toepassing was. Het grote voordeel van het begrip ‘artistieke prestatie’ is dat het zeer breed is. Je kan het toepassen op kunstenaars uit alle disciplines, de kunstenaar in kwestie hoeft niet over een diploma te beschikken en het aantal keren dat hij of zij zo’n prestatie levert, speelt geen enkele rol – ook iemand die maar één keer per jaar iets doet, kan onder het statuut vallen. Ik vond het heel belangrijk dat niemand werd uitgesloten.

K.B./D.P.: Werd er in het NICC gediscussieerd over de oplossing die jullie aan het uitdokteren waren?

DDV: Nee. Op het moment dat de tekst van het statuut werd geschreven, was het engagement bij de meeste leden van de Werkgroep Sociaal Statuut al fel bekoeld. Hetzelfde gold overigens ook voor de Werkgroep Tentoonstellingen.

K.B./D.P.: Heb jij de gesprekken op het kabinet bijgewoond?

DDV: Ik ben er enkele keren bij geweest. De discussies op het kabinet waren echter zo technisch en complex dat ik weinig kon inbrengen. Ik heb mij in die tijd met andere zaken beziggehouden. Eind 2001 had KB-Cera bijvoorbeeld haar steun aan het NICC stopgezet omdat zij – net als wijzelf – vonden dat het aan de overheid was om de juridische eerstelijnshulp te financieren. Ik heb toen de kat de bel aangebonden om te zorgen dat de eerstelijnshulp elders werd ondergebracht.

K.B./D.P.: Op welke manier heb je dat aangepakt?

DDV: Aanvankelijk door in te spelen op de oprichting van het IBK – het steunpunt voor beeldende kunst. In 2001 was men daar volop mee bezig. Ik heb zelfs een voorstel uitgedokterd om door een groep mensen – onder wie Chantal Desmet en de galerist van Zeno X, Frank Demaegd – een steunpunt te laten oprichten dat de eerstelijnshulp zou verderzetten. Jammer genoeg schoot het kabinet van Minister van Cultuur Bert Anciaux ons voorstel af. Bart De Baere – die toen kabinetsmedewerker was van Bert Anciaux – had andere plannen. Hij wilde niet dat de Vlaamse incrowd het steunpunt zou bevolken en besliste om een groepje Belgen die in het buitenland werkten als stichtend lid te laten optreden: Jan Debbaut (directeur Van Abbemuseum, Eindhoven), Cis Bierinckx (freelance curator en film- en videoprogrammator Walker Art Center, Minneapolis), An van. Dienderen (visiting scholar in Berkeley), Koen Vandaele (artistiek directeur van de Slovenian Cinematheque/Slovenska Kinoteka en programmator van het festival City of Women, Ljubljana) en Veerle Van Durme (directeur Ecole des Beaux-Arts, Duinkerken). Zij hebben in december 2001 het IBK opgericht en Johan Vansteenkiste is op voorstel van De Baere directeur geworden.

K.B./D.P.: Hoe hebben jullie op die gang van zaken gereageerd?

DDV: We eisten dat het NICC hoe dan ook betrokken zou worden bij de oprichting van het steunpunt. Het NICC beschikte over veel expertise met betrekking tot de problemen in de sector. Het enige dat we evenwel hebben verkregen, is dat twee mensen van het NICC – Anne-Mie Van Kerckhoven en Narcisse Tordoir – zitting mochten nemen in de Raad van Beheer van het IBK.

K.B./D.P.: En heeft het IBK de juridische eerstelijnshulp overgenomen?

DDV: Nee, Vansteenkiste weigerde dat! Iedereen was het erover eens dat de juridische eerstelijnshulp noodzakelijk was. Yasmine had jarenlang drie dagen per week mensen geholpen met sociale, juridische en auteursrechterlijke problemen. De Administratie Kunsten van het Ministerie van Cultuur belde ons geregeld met vragen of stuurde kunstenaars door naar het NICC. En nu met het IBK eindelijk een organisatie was opgericht die perfect geplaatst was om die taak over te nemen en die er bovendien geld voor kreeg – wij deden de eerstelijnshulp vrijwillig en onbezoldigd sinds KB-Cera de steun had stopgezet – stelde Vansteenkiste botweg dat de eerstelijnshulp niet de taak was van het IBK. Uiteindelijk heb ik een persbericht opgesteld waarin het NICC meedeelde dat de juridische eerstelijnshulp bij gebrek aan overheidsmiddelen zou worden stopgezet. Dat moet in 2002 of 2003 geweest zijn. Toen was de overheid wel verplicht iets te ondernemen. Vervolgens is, nadat de steunpunten van de verschillende sectoren werden samengebracht, in 2003 de helpdesk kunsten opgericht. In 2004 werd de opdracht van de helpdesk overgenomen door het Kunstenloket. Maar toen was het statuut van de kunstenaar reeds een feit. Het definitieve statuut is namelijk in december 2002 goedgekeurd.

K.B./D.P.: Wat zijn de krachtlijnen van het uiteindelijke statuut?

DDV: Het basisprincipe is dat elke kunstenaar automatisch als werknemer wordt beschouwd, tenzij hij er zelf voor kiest om zelfstandige te worden – waarbij hij moet kunnen aantonen dat zijn praktijk voldoende rendabel is. Het sociaal statuut van de kunstenaar vertrekt dus van het werknemersregime. Elke transactie – ook het leveren van een schilderij – wordt gedefinieerd als een ‘opdracht’ verleend door een werkgever en uitgevoerd door een werknemer. Het werknemersregime biedt de beste sociale bescherming en heeft het voordeel dat je er makkelijk kan in- en uitstappen. Heb je werk, dan stap je in het werknemersstatuut, is je werk afgelopen, dan heb je meteen recht op een werkloosheidsuitkering. Omdat het werknemersregime evenwel duur is, is er tevens gepleit voor bijdrageverminderingen. Er is nagegaan welke beroepscategorieën op dat vlak het gunstigste regime genieten – voor zover ik mij herinner, bleken dat de brandweerlieden of de dokwerkers te zijn. De bedoeling van de bijdrageverminderingen is natuurlijk dat werkgevers aangemoedigd worden om kunstenaars te betalen en dat deze laatsten daardoor sociale rechten opbouwen.

K.B./D.P.: Je zei daarnet dat Yasmine en jij snel in de gaten hadden dat enkel een oplossing binnen het bestaande sociale zekerheidssysteem kans zou maken.

DDV: Dat klopt.

K.B./D.P.: Met de uiteindelijke oplossing hebben jullie min of meer gelijk gekregen.

DDV: Ik denk dat het feitenmateriaal in ons voordeel pleitte – daarnaast heeft de overtuigingskracht van Yasmine ook een grote rol gespeeld. Uiteindelijk is het statuut in 2003 in voege getreden. Vervolgens zijn de Sociale Bureaus voor Kunstenaars (SBK) als bemiddelaar ingeschakeld. Ook privépersonen moesten immers artistieke opdrachten kunnen verlenen en van privépersonen kan je niet verwachten dat ze een sociaal secretariaat inschakelen omdat ze eens een feestje met een optreden willen organiseren of een schilderij willen kopen. Ik vond wel dat er betere pistes waren geweest om dat probleem op te lossen.

K.B./D.P.: Welke oplossing had jij in gedachten?

DDV: Ik dacht aan één loket, één sociaal bureau voor kunstenaars waar het Ministerie van Cultuur een oogje in het zeil kon houden. Dat had de overheid meteen een middel gegeven om te controleren of de kunstinstellingen wel hun sociale bijdragen betaalden – en ze zich dus hielden aan de regel dat kunstenaars betaald moeten worden. Het Kunstendecreet, dat in 2004 is goedgekeurd, schrijft immers voor dat de gesubsidieerde instellingen kunstenaars moeten vergoeden voor hun prestaties. Je kan die regel als een verlengstuk zien van het sociaal statuut van de kunstenaar: dankzij het statuut kunnen kunstenaars inkomsten verwerven zonder er de dupe van te worden – zoals in de tijd toen ze in het zelfstandigenstatuut werden gedwongen – en omgekeerd geldt dat het statuut pas zin heeft als kunstenaars vergoed worden, waardoor ze net als alle werknemers rechten opbouwen. Maar het voorstel van zo’n bureau viel niet in goede aarde. We hebben nog geprobeerd om de functie van de bemiddelaar bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB) onder te brengen, maar dat voorstel heeft het evenmin gehaald. Het was een inbreuk op de Europese wetgeving volgens dewelke de arbeidsbemiddeling moet worden overgelaten aan de vrije markt. Uiteindelijk is er gekozen voor het inschakelen van Sociale Bureaus voor Kunstenaars – die oplossing was al eerder uitgewerkt door SMart, maar in plaats van SMart werd uiteindelijk een aantal bestaande interimkantoren erkend.

K.B./D.P.: Als je de verslagen van het NICC doorneemt, dan blijkt dat SMart heel snel heeft ingespeeld op de acties die jullie rond het sociaal statuut hebben opgezet. Op 4 oktober 1998 is Laurence Bourgeois van SMart aanwezig op een vergadering van het NICC. Vanaf 1999 is SMart ook lid van het Nationaal Kunstenaarsplatform. SMart lijkt een heel sturende rol te hebben gespeeld.

DDV: Dat klopt. Zij zagen het natuurlijk graag dat al die kunstenaars zich bij hen zouden inschrijven. Ze hadden een gat in de markt gezien.

K.B./D.P.: In 2003 trad de wet in voege… Wat heb jij toen gedaan?

DDV: Ik heb meegewerkt aan een Ronde van Vlaanderen die bedoeld was om het sociaal statuut van de kunstenaar voor te stellen. Min of meer tegelijkertijd is, zoals gezegd, de helpdesk kunsten opgericht om de juridische eerstelijnshulp van het NICC over te nemen. De helpdesk was evenwel slechts een voorlopige oplossing. In de tussentijd schreef het Ministerie van Cultuur een onderzoeksopdracht uit voor een organisatie die de rol van kenniscentrum van de sector zou kunnen spelen. Yasmine heeft die opdracht uitgevoerd. Het resultaat was het Kunstenloket, dat op 1 januari 2004 van start is gegaan, als een samenwerking tussen het Ministerie van Cultuur en het Ministerie van Tewerkstelling, dat toen geleid werd door Renaat Landuyt – het Kunstenloket bestaat vandaag overigens nog steeds. Ook de start van het Kunstenloket verliep echter niet zonder slag of stoot. Om de steun van het Ministerie van Tewerkstelling te krijgen, moesten namelijk de sociale partners in het bestuur zetelen.

K.B./D.P.: En dat vonden jullie een probleem?

DDV: Eigenlijk wel, ja. In de ganse strijd voor het sociaal statuut van de kunstenaar hebben we de vakbonden nooit gehoord. We hielden hen permanent op de hoogte, maar verder dan een vergadering met Laurette Muylaert van ACOD Cultuur en de belofte van haar kant om nog eens met ons rond de tafel te gaan zitten, zijn we niet gekomen. Op zich vonden de vakbonden het wel een goed idee om van de kunstenaars werknemers te maken – dat zou hen namelijk nieuwe leden opleveren – maar ze zijn nooit op de barricaden geklommen. Terwijl het nochtans hun taak is om de werknemers te verdedigen. Uiteindelijk is er inzake het Kunstenloket een compromis uitgedokterd waarbij, naast de werknemers en werkgevers, ook ik in de algemene vergadering van de vzw zou zetelen – ten persoonlijken titel weliswaar. Tot voor kort was ik daarvan nog steeds lid – ook al had ik met het NICC niets meer te maken.

 

Wordt vervolgd

 

Gesprek met Yasmine Kherbache

Koen Brams/Dirk Pültau: De eerste keer dat jouw naam voorkomt in een verslag van een vergadering van het NICC is op 14 juni 1998. Op die dag ben jij aanwezig op een communicatievergadering van het NICC. Kan je ons vertellen hoe je bij het NICC terecht bent gekomen?

Yasmine Kherbache: Ik heb voor het eerst van het NICC gehoord via de krant De Morgen. Ik was toen advocaat aan de balie van Antwerpen. Op een bepaalde dag – ergens in de loop van mei 1998, vermoed ik – zat ik in het Hof van Beroep op de Vlaamse Kaai de krant te lezen in afwachting van een rechtszitting en stootte ik op een artikel waarin een Nationale Klachtendag voor kunstenaars werd aangekondigd, georganiseerd door de kunstenaarsvereniging NICC. Dat wekte onmiddellijk mijn interesse op. Het NICC bleek gevestigd in de Pourbusstraat aan het Zuid, op wandelafstand van het Justitiepaleis, en dus besloot ik om daar mijn licht te gaan opsteken.

K.B./D.P.: Waarom was jij als jurist geïnteresseerd in een kunstenaarsvereniging zoals het NICC?

Y.K.: Ik heb al sinds mijn studententijd veel vrienden die met kunst bezig zijn. Toen ik rechten ging studeren, koos ik voor de specialisaties sociaal recht en auteursrecht. Veel kunstenaars uit mijn vriendenkring vroegen mij om raad als ze hoorden waarin ik gespecialiseerd was. De combinatie van sociaal recht en auteursrecht sloot perfect aan bij een van de belangrijkste problematieken waar het NICC mee bezig wilde zijn: het sociaal statuut van de kunstenaar.

K.B./D.P.: Hoe is je bezoek aan het NICC verlopen?

Y.K.: Heel positief! Ik maakte al meteen kennis met Guillaume Bijl en toen ik uitlegde waarvoor ik kwam, begon hij zijn hart te luchten: dat het heel triestig gesteld was met de situatie van de kunstenaars, dat ze geen statuut hadden en veel te weinig subsidies kregen, dat het hoog tijd werd dat daar iets aan gedaan werd… Guillaume hield een vurig betoog en vertelde dat het NICC iemand zocht om rond de sociale problemen van de kunstenaar te werken. Hij beloofde om mij in contact te brengen met Danny Devos, een van de meest actieve leden van de Werkgroep Sociaal Statuut van het NICC, die toen pas van start was gegaan. Nauwelijks een paar weken later zat ik al met die werkgroep aan de vergadertafel.

K.B./D.P.: Wisten de andere kunstenaars wie jij was en wat je kwam doen?

Y.K.: Volgens mij waren alle leden van de Werkgroep Sociaal Statuut vooraf ingelicht dat ik belangstelling had om samen met hen oplossingen te bedenken voor het sociaal statuut van de kunstenaar en aanverwante problemen. Ik was bereid om als vrijwilliger een bijdrage te leveren – ik kon er alleen maar van leren – en zij waren blij dat ze iemand hadden die professionele ondersteuning kon bieden. Ik heb meteen ook aangeboden om waar nodig juridische bijstand te geven bij de uitbouw van de vzw – het NICC bestond toen immers nog maar een drietal maanden.

K.B./D.P.: Waaruit bestond jouw engagement?

Y.K.: Het allereerste wat ik gedaan heb, was het uitbouwen van de juridische eerstelijnshulp voor kunstenaars. Van de kunstenaars met wie ik bevriend was, wist ik dat ze niet alleen over hun situatie kloegen, maar er vaak ook te weinig over wisten. Je moet eerst inzicht krijgen in je situatie als je ze wil verbeteren. Vandaar dat ik gestart ben met het geven van informatie en advies. Ik had spreekuren op vaste tijdstippen in het NICC en ik was permanent bereikbaar via mijn mobiele telefoon.

K.B./D.P.: Wat waren de voornaamste klachten waarmee kunstenaars jou benaderden?

Y.K.: Er waren twee pijnpunten die steeds terugkeerden. Het eerste betrof de werkloze kunstenaar. In die tijd was het voor werklozen verboden om tijdens de werkloosheid een activiteit uit te oefenen die een inkomen zou kunnen opleveren. Kunstenaars mochten met andere woorden niet creatief zijn! Dat is natuurlijk totaal absurd. Meer zelfs, het is in strijd met het recht op vrije meningsuiting. Hoe kan een kunstenaar zich trouwens ontwikkelen als hij niet eens mag oefenen? Daarbij kwam dat heel wat kunstenaars na hun studies in de werkloosheid belandden. Zich inschrijven bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering: dat was de eerste stap in de carrière van het gros van de kunstenaars. Zij waren dus in principe allemaal strafbaar. Dat velen door de mazen van het net glipten, had enkel met willekeur te maken. Op sommige plaatsen werd streng gecontroleerd door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), elders – bijvoorbeeld in Brussel – was het controleren van werklozen helemaal geen prioriteit. Dat maakte de situatie op de koop toe onrechtvaardig.

K.B./D.P.: Wat was het tweede probleem?

Y.K.: Dat betrof de net iets oudere kunstenaars, die voor het eerst een werk verkopen. Velen onder hen werden gedwongen om in het zelfstandigenstatuut te stappen, met alle plichten die dat met zich meebrengt, maar vooral met als gevolg dat ze verondersteld werden regelmatig winst te boeken. Eigenlijk was het probleem dat beeldende kunstenaars bijna automatisch als zelfstandigen werden gezien omdat zij in hoge mate autonoom werken. Hoe vaak heb ik niet moeten uitleggen dat die redenering geen steek hield en dat je het zelfstandigenstatuut enkel kan toepassen op activiteiten die rendabel zijn of die een regelmatig inkomen opleveren – wat haast per definitie niet geldt voor de praktijk van een beginnend kunstenaar.

K.B./D.P.: Waren er ook kunstenaars die problemen hadden met de ziekteverzekering?

Y.K.: Weinig – maar de gevallen waarvan ik kennis heb genomen waren bijzonder schrijnend. Eens je als kunstenaar op kosten van de ziekteverzekering leeft, raak je daar meestal niet meer uit. Voor elke tentoonstelling heb je het advies van een arts nodig. Maar dat was een minderheid. De belangrijkste pijnpunten waren het verbod op artistieke activiteit tijdens de werkloosheid en de ongeschiktheid van het zelfstandigenstatuut voor kunstenaars.

K.B./D.P.: Omstreeks de tijd dat jij het NICC vervoegt, wordt in de verslagen van de Werkgroep Sociaal Statuut voortdurend verwezen naar voorstellen omtrent het sociaal statuut van de kunstenaar die circuleerden in politieke kringen. Een deel van die voorstellen kwam er kennelijk op neer dat alle kunstenaars zelfstandigen zouden moeten worden.

Y.K.: Dat klopt. Dat gold met name voor het voorstel dat door de CVP-er – thans CD&V-er – Luc Goutry was uitgewerkt en dat werd verdedigd door toenmalig (en huidig) Minister van Justitie Stefaan De Clerck. Hun voorstel richtte zich vooral op de podiumkunstenaars en kwam met name tegemoet aan diegenen onder de podiumkunstenaars die de voorkeur gaven aan het zelfstandigenstatuut. Daarnaast heb je natuurlijk het globale probleem van de leefbaarheid van het artistieke beroep. Strikt genomen heeft dat niets met het statuut te maken. Het gebrek aan een aangepast statuut is wel een serieuze hindernis om een leefbare activiteit uit te bouwen.

K.B./D.P.: Sinds 1969 werden podiumkunstenaars toch beschouwd als werknemers?

Y.K.: Ja, iemand als Johan Verminnen, de voorzitter van de Vereniging voor Zangers en Muzikanten (ZAMU), was daar niet gelukkig mee en ontpopte zich als een vurige pleitbezorger van het voorstel De Clerck. Zelf was ik uiteraard veel minder voor dat voorstel te vinden; ik kreeg immers dagelijks kunstenaars over de vloer die door het zelfstandigenstatuut in de problemen waren gekomen.

K.B./D.P.: Blijkbaar had ook Magda De Galan van de PS een voorstel uitgewerkt.

Y.K.: Het voorstel De Galan kende ik al omdat het uit de koker kwam van professor André Nayer. Ik heb na mijn opleiding aan de KULeuven twee jaar sociaal recht gestudeerd aan de Université Libre de Bruxelles (ULB) en kreeg er les van André Nayer. In zijn lessen behandelde hij ook het statuut van de kunstenaar. Nayer inspireerde zich op het model van de Maison des Artistes dat vanaf de jaren 70 werd toegepast in Frankrijk: auteurs en kunstenaars werden onderworpen aan het werknemersregime aangezien dat regime de beste bescherming bood.

K.B./D.P.: Wat vond jij van het voorstel van Nayer?

Y.K.: Ik vond dat het perspectieven bood. Het kon de kunstenaars verlossen van het zelfstandigenstatuut dat zovelen in de problemen bracht. Problematisch was evenwel dat Nayer het werknemersregime verplicht wilde maken en dat hij de sociale zekerheid voor kunstenaars wilde financieren via de inkomens van de kunstenaars. Die keuze vond ik minder verdedigbaar – maar ik voeg eraan toe dat ik die kritische diagnose pas later heb gemaakt. In de eerste maanden kwam het er vooral op aan om informatie te vergaren en inzicht te krijgen in de problematiek. Het was in de eerste plaats een leertijd.

K.B./D.P.: Met welke zaken hield jij je verder nog bezig in die eerste maanden?

Y.K.: Ik woonde uiteraard de vergaderingen bij van de Werkgroep Sociaal Statuut.

K.B./D.P.: Hoe ging het eraan toe?

Y.K.: In het begin nogal chaotisch. Er werd enorm veel gediscussieerd. Ik herinner mij bijvoorbeeld het eindeloze gepalaver over een affiche ontworpen door Guillaume Bijl en Joaquim Pereira Eires, die bedoeld was om het publiek rond de problematiek van het sociaal statuut van de kunstenaar te sensibiliseren. Daarnaast werden de meest wonderbaarlijke voorstellen bestudeerd. Zo was er iemand – ik herinner mij zijn naam niet meer – met een heel aparte maatschappijvisie die met een volslagen utopisch voorstel afkwam. Dat betekende evenwel niet dat er minder serieus op werd ingegaan.

K.B./D.P.: Was jijzelf al bezig met de uitwerking van een model voor het sociaal statuut van de kunstenaar?

Y.K.: Nee, dat kwam later. Ik ben mij pas beginnen toeleggen op de uitwerking van een voorstel ter zake vanaf het moment dat het NICC via KB-Cera geld ontving om mij daarvoor voltijds in dienst te nemen. Dat was in januari 1999. Tot op dat moment had ik een job in een Antwerps advocatenkantoor. Voor het NICC werkte ik uitsluitend als vrijwilliger.

K.B./D.P.: Jij was dus een half jaar lang permanent beschikbaar voor eerstelijnshulp, en woonde alle vergaderingen bij van de Werkgroep Sociaal Statuut, zonder enige vergoeding te ontvangen?

Y.K.: Ja.

K.B./D.P.: Dat is een opmerkelijk engagement – gelet op de gemiddelde duur van de vergaderingen van het NICC.

Y.K.: Wie jong is heeft tijd! Vandaag zou ik het niet meer kunnen. Toen was ik een leergierige advocate en zag ik het als een kans om mij verder te bekwamen.

K.B./D.P.: Uit de verslagen blijkt ook dat de leden van de werkgroep met Big Theory werden gevoed. Zo stelde Marc Schepers voor om Pierre Bourdieu te lezen en te bespreken, onder meer Les règles de l’art.

Y.K.: Dat klopt. 

K.B./D.P.: Heb jij aan die lectuursessies geparticipeerd?

Y.K.: Ik heb Bourdieu gelezen, absoluut. Overigens werd ook Gilles Deleuze in de Werkgroep Sociaal Statuut bestudeerd – ik geloof dat Deleuze werd voorgesteld door een aantal Brusselse leden, onder wie Lise Duclaux en Benoît Eugène. Aanvankelijk stond ik open voor alle suggesties en discussieerde ik mee over alle thema’s die door de andere leden van de werkgroep werden aangebracht. Na een tijdje stelde ik mij evenwel pragmatischer op. Bourdieu lezen is interessant, maar je lost er het probleem van het statuut van de kunstenaar niet mee op.

K.B./D.P.: Het NICC ontving vanaf begin 1999 middelen van KB-Cera, waardoor jij voltijds bij het NICC in dienst kon komen om je toe te leggen op het statuut van de kunstenaar. Uit het archief van het NICC blijkt evenwel dat KB-Cera een tijdje heeft overwogen om niet jou maar drie universiteitsprofessoren te engageren. Een van hen, Roger Blanpain, zou KB-Cera evenwel hebben geadviseerd om het geld rechtstreeks aan het NICC uit te keren.

Y.K.: Van dat plan weet ik niets. Wat ik mij wel herinner, is een vergadering in aanwezigheid van Roger Blanpain, Danny Devos – van de Werkgroep Sociaal Statuut – NICC-voorzitter Philip Aguirre, Paul Tanghe van KB-Cera en mijzelf. Dat moet in november 1998 zijn geweest. Vooraf moest ik een gedetailleerd cv opstellen. Ik heb die vergadering als een sollicitatiegesprek ervaren. KB-Cera wilde mij screenen om dan te beslissen of zij een project rond het sociaal statuut van de kunstenaar zouden steunen en mij een voltijdse wedde zouden uitbetalen. Uiteindelijk heeft Paul Tanghe beslist zich daartoe te engageren, waardoor ik begin januari voltijds aan de slag kon. De timing was perfect. In januari 1999 ging namelijk het Nationaal Kunstenaarsplatform van start. Dat Platform bracht verschillende organisaties samen – waaronder het NICC – die geïnteresseerd waren in de problematiek van het statuut van de kunstenaar, met de bedoeling om ten aanzien van de politiek tot een duidelijk en gezamenlijk standpunt te komen. Ik vertegenwoordigde het NICC en bijgevolg de belangen van de beeldende kunstenaars binnen het Platform. Voor het NICC was het een grote troef dat het iemand kon afvaardigen die zich voltijds op de problematiek kon toeleggen.

K.B./D.P.: Wie heeft eigenlijk het initiatief genomen om het Nationaal Kunstenaarsplatform op te richten?

Y.K.: De SACD – de Société des Auteurs et Compositeurs Dramatiques – heeft in elk geval een belangrijke rol gespeeld. De SACD is een Brussels beheersvennootschap dat vooral Franstalige audiovisuele kunstenaars – auteurs, regisseurs, scenaristen… – verenigt. Door de acties van onder meer het NICC was een netwerk ontstaan van organisaties die bekommerd waren om het sociaal statuut van de kunstenaar, waaronder de SACD, die op een bepaald moment haar lokalen en infrastructuur ter beschikking heeft gesteld, zodat al die organisaties een plek hadden om van gedachten te wisselen. Uit die bijeenkomsten in de kantoren van de SACD is de idee gegroeid om het Nationaal Kunstenaarsplatform op te richten: een volwaardige organisatie die de politiek moest aansporen om werk te maken van een nieuw en doordacht statuut voor de kunstenaar. Wil je in een organisatie als het Nationaal Kunstenaarsplatform evenwel een stem hebben, dan moet je een duidelijk en gefundeerd standpunt verdedigen. Vandaar dat ik bij het NICC heb aangedrongen om concreet toe te werken naar de formulering van een visie over het sociaal statuut…

K.B./D.P.: …en dus te stoppen met het lezen van Bourdieu?

Y.K.: Precies. Als de trein vertrokken is, moet je erop zitten. Ik vond de discussies die toen in de Werkgroep Sociaal Statuut werden gevoerd bijzonder interessant, ook al verliepen ze niet altijd even makkelijk. De meningen liepen nogal uiteen.

K.B./D.P.: Welke standpunten werden zoal ingenomen?

Y.K.: Een aantal mensen hanteerde radicale, zelfs revolutionaire uitgangspunten. Dat gold bijvoorbeeld voor kunstenaar en socioloog Benoît Eugène. Hij beschouwde de kunstenaar met zijn sociale problemen als een slachtoffer van ‘het systeem’ en vond dat je de maatschappelijke orde moest bestrijden om die problemen op te lossen. Ook Marc Jambers redeneerde zo. Jambers kan je als een radicale syndicalist omschrijven. Axel Claes behoorde dan weer tot de pragmatici onder de syndicalisten. Net als Jambers had Claes contacten met de vakbonden; hij had ook ervaring met het sociaal overleg. Guillaume Bijl en Danny Devos kon je eveneens als pragmatici beschouwen.

K.B./D.P.: Hoe zou je jouw eigen positie in de Werkgroep Sociaal Statuut karakteriseren?

Y.K.: Als jurist werd ik soms een beetje té pragmatisch bevonden. In de Werkgroep Sociaal Statuut kon ik het vooral goed vinden met Danny Devos.

K.B./D.P.: Een ander lid van de werkgroep, Jean Canivet, had reeds een oplossing voor het sociaal statuut uitgedokterd toen hij in mei 1998 de werkgroep vervoegde. Canivet was eigenlijk de enige die in de begindagen van het NICC een complete visie op het sociaal statuut had.

Y.K.: Dat klopt. Canivet wilde naast de bestaande categorieën in ons sociale zekerheidssysteem – de werknemers, de ambtenaren en de zelfstandigen – een nieuwe categorie invoeren die volledig aan kunstenaars zou worden voorbehouden. Hij had reeds van bij het begin een tekst die hij in de loop der tijd bijvijlde. In een later stadium noemde hij zijn model Le quatrième régime.

K.B./D.P.: Wat vond jij van zijn voorstel?

Y.K.: Ik vond dat er nogal wat juridische neologismen in zijn teksten stonden. Het leek mij allemaal niet erg wetenschappelijk onderbouwd. Ik meende trouwens ook dat je de politiek er nooit toe zou kunnen bewegen om enkel voor de kunstenaars een nieuwe categorie binnen de sociale zekerheid te creëren. Ik vond dat trouwens ook niet wenselijk; volgens mij kon je beter van het bestaande sociale zekerheidssysteem vertrekken. Onze sociale zekerheid is een stevig huis omdat het gefundeerd is op een algemeen solidariteitsprincipe. Een apart huis voor de kunstenaars zou enkel op de bijdragen van kunstenaars rusten en zou dus veel fragieler zijn.

K.B./D.P.: Uit een verslag blijkt dat Canivet ook een specifieke opvatting had over de arbeidstijd van de kunstenaar en dat hij daarin bijgetreden werd door Axel Claes: ‘Axel vindt dat het principe tijd en werk zoals uitgewerkt door Jean Canivet als basis moet dienen. Tot nu toe is er geen enkele wet die rekening houdt met het tijdsgebruik als kunstenaar. Namelijk: tijd waarin je een werk bedenkt, tijd waarin je het maakt, tijd waarin je het naar buiten brengt, en tijd wanneer je een individueel patrimonium uitbouwt.’

Y.K.: Met dat standpunt was ik het volkomen eens. Ik vergelijk het werk van een kunstenaar graag met dat van een wetenschapper. Ook de artistieke praktijk leeft van het experiment. Tijdens het experimenteren ‘rendeert’ de activiteit van de kunstenaar niet – ook op fiscaal vlak vereist de artistieke praktijk dus een specifieke benadering. Eigenlijk is het problematisch dat in de beeldende kunst nog te veel gedacht wordt vanuit het afgewerkte product: het kunstobject.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen? 

Y.K.: Een kunstenaar die vandaag een installatie maakt, haalt zijn inkomsten uit de verkoop van de installatie of – nog vaker – van de ontwerptekeningen die hij ervoor maakt of het boek dat de neerslag van de installatie bevat. Hij zou er evenwel ook voor kunnen kiezen om zijn werk niet te verkopen, maar aan het museum te vragen om hem te vergoeden voor de periode waarin hij aan de installatie heeft gewerkt of hem te betalen om de installatie te presenteren. Canivet was niet de enige die over dergelijke zaken nadacht. Alle leden van de Werkgroep Sociaal Statuut dachten in die richting – al is het wel jammer dat we deze denkpiste niet verder hebben uitgewerkt.

K.B./D.P.: Canivets voorstel werd kennelijk serieus genomen. Zo blijkt uit de verslagen van de Werkgroep Sociaal Statuut dat Canivet eind december 1998 samen met NICC-voorzitter Philip Aguirre naar Etablissement d’en face in Brussel en naar een congres in Parijs is getrokken. Canivet zou zijn model daar met succes hebben voorgesteld.

Y.K.: Het NICC heeft Canivet alle kansen gegeven om zijn model voor te stellen, dat klopt. We hebben in de Werkgroep Sociaal Statuut ook enorm veel tijd gestoken in het lezen en bediscussiëren van zijn teksten. Ik was het niet met Canivet eens, maar ik vond het belangrijk dat we over zijn model discussieerden. Maar uiteindelijk was er geen draagvlak voor dat model in het NICC.

K.B./D.P.: In februari 1999 neemt Canivet ontslag uit de Werkgroep Sociaal Statuut.

Y.K.: Ik heb Canivet verschillende malen trachten duidelijk te maken dat zijn voorstel geen kans maakte indien het geen enkel raakpunt had met de bestaande regelingen in de sociale zekerheid, maar hij weigerde om zelfs maar een letter te veranderen in zijn tekst. Toen hij in de gaten kreeg dat de Werkgroep Sociaal Statuut zijn model niet als vertrekpunt zou nemen, heeft hij ontslag genomen en ervoor gekozen om zijn opvattingen via Grrraal in het Platform te promoten – in Grrraal was hij immers een van de protagonisten.

K.B./D.P.: Wat was jouw rol in het Nationaal Kunstenaarsplatform?

Y.K.: Ik vertegenwoordigde de beeldende kunstenaars… maar eigenlijk trad ik na verloop van tijd op als woordvoerder van alle Nederlandstalige organisaties in het Platform. Tanguy Roosen van het SACD vervulde een analoge rol voor de Franstalige organisaties. Als juristen bekeken wij de zaken wat afstandelijker dan veel andere leden. We bedachten compromissen tussen uiteenlopende standpunten, met name van de Franstaligen en de Nederlandstaligen. Dat was belangrijk omdat de sociale zekerheid een federale bevoegdheid is en omdat het risico bestond dat de discussie een communautair tintje kreeg. Roosen en ik zagen er ook op toe dat we met één stem spraken tegenover de politici.

K.B./D.P.: Welke standpunten verdedigden de Vlamingen, en welke de Walen?

Y.K.: Aan Vlaamse kant werd vooral het zelfstandigenstatuut als de oplossing gepromoot – met ZAMU van Johan Verminnen in een hoofdrol – terwijl aan Waalse kant een aversie bestond tegen het zelfstandigenstatuut en men alle heil verwachtte van een verplichte invoering van het werknemersregime voor kunstenaars. Beide standpunten vond ik problematisch, daarover liet ik geen misverstand bestaan.

K.B./D.P.: Hoe werd daarop gereageerd in het Platform?

Y.K.: Sommigen vonden dat ik nogal verregaande standpunten innam. Grappig eigenlijk: in het NICC vond men mij te pragmatisch, in het Platform was ik dan weer te radicaal. Allicht hield dat laatste verband met het feit dat de meeste denkpistes tot dan toe uit de hoek van de podiumkunsten waren gekomen. Het perspectief van de beeldende kunsten was nieuw en bovendien ingewikkeld. Ik kreeg vaak opmerkingen in de trant van: ‘Moeten we dat nu ook nog oplossen’ of ‘is het nodig om de beeldende kunstenaars nu al mee te nemen?’ of ‘kunnen we niet eerst iets doen voor de podiumkunsten?’. Ook in dat opzicht was de tandem met Tanguy Roosen een goede zaak: hij vertegenwoordigde de schrijvers, ik de beeldende kunstenaars – precies de twee groepen die telkens weer uit de boot dreigden te vallen in de discussie rond het sociaal statuut. Halverwege 1999 zijn we tot een eerste gezamenlijk standpunt gekomen dat we aan de uittredende regering Dehaene II (1995-1999) en de aantredende regering Verhofstadt I (1999-2003) hebben overhandigd.

K.B./D.P.: Wat hield dat standpunt in?

Y.K.: We eisten dat er een sociaal statuut van de kunstenaar zou komen voor alle disciplines en dat, ter voorbereiding van dat statuut, een onderzoek zou worden gevoerd naar de sociale en fiscale problemen van de kunstenaar.

K.B./D.P.: Kwam die boodschap aan bij de politiek?

Y.K.: Min of meer. We werden uitgenodigd voor een interkabinettaire vergadering bij Etienne de Callatay, de kabinetschef van Premier Jean-Luc Dehaene van de uittredende regering, maar ik had niet de indruk dat hij ons serieus nam. Eigenlijk was het vooral de PS die ons beluisterde. Volgens mij heeft Magda De Galan – Federaal Minister van Sociale Zaken in de regering Dehaene II (1995-1999) – het dossier van het sociaal statuut van de kunstenaar op de agenda gehouden. Het belangrijkste effect van onze intentieverklaring was evenwel dat in het regeerakkoord van de aantredende regering – het paars-groene kabinet Verhofstadt I (1999-2002) – gesteld werd dat er een sociaal statuut van de kunstenaar moest komen. Daarnaast boekten we in de loop van 2000 een eerste concreet resultaat: Minister van Werk Laurette Onkelinkx (PS) van het paars-groene kabinet Verhofstadt I heeft toen gezorgd voor een aanpassing van de wet zodat artistieke activiteiten tijdens de werkloosheid niet meer strafbaar waren.

K.B./D.P.: Is er iets terechtgekomen van de studie die jullie eisten?

Y.K.: Jazeker. Ze is in de loop van 2000 – mogelijk zelfs al vanaf 1999 – uitgevoerd door drie universiteitsprofessoren: André Nayer (ULB), Jef Van Langendonck (KUL) en Xavier Parent (Université de Liège). Van zijn kant heeft het Platform een grootscheepse enquête opgezet die een 2000-tal antwoorden heeft opgeleverd. Dat was een ongelooflijke bron van informatie. De enquête was opgevat als een ‘vragenboekje’ over de sociale en fiscale situatie van de kunstenaar: hoeveel verdienen ze, welke problemen ondervinden ze, wat is hun statuut… Wij hebben dat materiaal ingezet voor politieke actie, de drie professoren hebben het gebruikt voor hun onderzoek. Ik vermoed dat die studie er opnieuw dankzij de PS is gekomen. In 2001 zijn uiteindelijk gesprekken begonnen met het kabinet van Frank Vandenbroucke (sp.a), die Minister van Sociale Zaken was in het kabinet Verhofstadt I. De sp.a was net als de PS erg luisterbereid. Het begin van de gesprekken verliep wel moeizaam door de pragmatische houding die men aannam.

K.B./D.P.: Hoe uitte dat pragmatisme zich?

Y.K.: De regering redeneerde: laat ons eerst iets doen voor de podiumkunstenaars en dan kijken hoe we verdergaan. Zoals gezegd bepleitte het Platform echter een integrale oplossing voor alle disciplines. Toen het Platform op het kabinet van minister Vandenbroucke werd uitgenodigd is fel gediscussieerd over die kwestie; uiteindelijk hebben we Vandenbroucke van de noodzaak van een globale oplossing kunnen overtuigen. Vervolgens zijn we in het Platform beginnen werken aan een consensustekst die voortdurend werd afgetoetst met het kabinet van Vandenbroucke die, het moet gezegd, dan voluit aan de kar heeft getrokken. Die tekst vormde uiteindelijk de basis voor het definitieve ontwerp voor het sociaal statuut van de kunstenaar. Hij is ook in het NICC bediscussieerd. Het heeft behoorlijk wat moeite gekost om uit te leggen dat het voorstel een verbetering in de situatie van de kunstenaar zou betekenen. Onder anderen Marc Jambers en het Luikse kunstenaarskoppel Guido ‘Lu vonden dat de tekst niet ver genoeg ging.

K.B./D.P.: Wat hadden zij precies in gedachten?

Y.K.: Zij droomden van een vrijplaats voor de kunstenaar. Ze wilden dat de kunstenaar volledig ‘met rust gelaten’ werd – maar tegelijk eisten zij een gegarandeerd inkomen voor de kunstenaar. Dat vond ik wel een beetje makkelijk. Ik vind bovendien dat je het statuut van de kunstenaar niet mag verwarren met een gegarandeerd inkomen. Een statuut dient in de eerste plaats om de rechten en plichten te bepalen van diegenen die onder het statuut vallen. Maar goed, uiteindelijk heeft het NICC zich achter de consensustekst geschaard.

K.B./D.P.: En het statuut is gerealiseerd onder paars-groen?

Y.K.: Inderdaad. Roosen en ik hebben op het kabinet van Frank Vandenbroucke mee aan de wetteksten geschreven. Het sociaal statuut van de kunstenaar is in december 2002 goedgekeurd en in 2003 in voege getreden.

K.B./D.P.: Wat zijn de krachtlijnen van het uiteindelijke statuut?

Y.K.: De essentie is dat er een compromis is bereikt tussen de voorstanders van het zelfstandigenstatuut – zoals ZAMU – en de verdedigers van het werknemersstatuut. De kunstenaar kan zijn statuut tot op zekere hoogte zelf kiezen: hij kan opteren voor het werknemersstatuut, maar hij kan ook beslissen om zelfstandige te worden – al moet hij in het laatste geval natuurlijk kunnen aantonen dat hij over voldoende en regelmatige inkomsten beschikt. In tegenstelling tot André Nayer vonden wij dat het niet haalbaar was om het werknemersstatuut verplicht te maken voor alle kunstenaars. Voor een succesvol kunstenaar is het zelfstandigenstatuut immers wel werkbaar.

K.B./D.P.: Als kunstenaars zich vandaag als werknemer willen inschrijven, kunnen ze daarvoor terecht bij een bemiddelaar: de Sociale Bureaus voor Kunstenaars. Stond die regeling ook al in de tekst?

Y.K.: Nee, die oplossing maakt deel uit van een tweede fase in de realisatie van het sociaal statuut. In de eerste fase kwam het eropaan de basisrechten vast te leggen: het feit dat kunstenaars worden gelijkgesteld aan werknemers of zelfstandigen, dat ze artistieke activiteiten mogen uitoefenen tijdens de werkloosheid… Maar we moesten er ook voor zorgen dat die basisrechten makkelijk toepasbaar zouden zijn – anders zouden kunstenaars geneigd blijven om in het zwart te werken en zou het statuut dode letter blijven. Een kunstenaar die een opdracht krijgt, kan zich tijdelijk bij een Sociaal Bureau voor Kunstenaars (SBK) inschrijven, waardoor hij tijdens zijn werkzaamheden sociale rechten opbouwt. Die oplossing vormt meteen ook een argument voor de kunstinstellingen om het statuut toe te passen: als zij opzien tegen de bureaucratische rompslomp en geen sociaal secretariaat hebben, kunnen zij met een SBK contact opnemen.

K.B./D.P.: Het sociaal statuut van de kunstenaar wordt inmiddels niet enkel door kunstenaars gebruikt.

Y.K.: Dat klopt.

K.B./D.P.: Hebben jullie je daar destijds rekenschap van gegeven?

Y.K.: We hebben alleszins gediscussieerd over de vraag voor welke groepen het statuut bedoeld was. We kwamen onder meer tot de conclusie dat literaire vertalers gebruik zouden moeten kunnen maken van het statuut, maar dat het bijvoorbeeld niet bedoeld was voor iemand die bijsluiters van geneesmiddelen vertaalt. Ook over een andere groep is stevig gediscussieerd: de technici die meewerken aan artistieke producties, maar zelf geen kunstenaar zijn. Je vindt in die groep zowel werknemers als freelancers, maar er zijn ook mensen bij die je als halve kunstenaars kan beschouwen. Uiteindelijk hebben we voor onszelf een lijn getrokken en gesteld dat het statuut enkel bedoeld is voor activiteiten die vallen onder de wet op het auteursrecht.

K.B./D.P.: Het statuut wordt echter ook gebruikt door allerlei mensen die tijdelijke opdrachten uitvoeren zonder dat ze als ‘auteurs’ kunnen worden beschouwd.

Y.K.: Dat is juist. Dat komt omdat de formulering doelbewust vaag is gehouden. Bij sommige mensen in het NICC stuitte dat op kritiek – maar mijn standpunt was: beter te vaag dan te duidelijk. Als je té duidelijk bent, riskeer je immers om bepaalde mensen uit te sluiten.

K.B./D.P.: Wie pleitte voor meer duidelijkheid in het NICC?

Y.K.: Onder meer Guillaume Bijl en Marc Jambers. Guillaume wilde zelfs dat er een lijst zou worden opgesteld van kunstenaars die recht hadden op het statuut. Ik vond dat zoiets van een corporatistische visie getuigde. Voor mij was het belangrijkste aspect van het sociaal statuut dat kunstenaars zonder onderscheid van een degelijke sociale bescherming zouden kunnen genieten.

K.B./D.P.: Was er niet ook een zekere trots in het NICC toen het statuut gerealiseerd was?

Y.K.: Goh… niet echt, nee.

K.B./D.P.: Jullie hebben dat niet gevierd?

Y.K.: Nee. 

K.B./D.P.: Is dat niet vreemd? Je zou toch denken dat je als organisatie met zoiets wil uitpakken.

Y.K.: Weet je, ik denk dat de meeste leden van de werkgroep dachten: laat Danny en Yasmine maar doen, ze zijn goed bezig. Danny Devos heeft zich samen met mij tot op het laatste moment geëngageerd voor de realisatie van het statuut. Overigens waren de hoogdagen van het NICC stilaan voorbij op het moment dat de wetteksten van het statuut werden geschreven.

K.B./D.P.: Werd jij toen nog altijd door KB-Cera betaald?

Y.K.: Tot juni 2001. Het mecenaat van KB-Cera liep over twee jaar – 1999-2000 – en is uiteindelijk nog met een half jaar verlengd.

K.B./D.P.: Wat heb jij na de realisatie van het statuut in 2003 gedaan?

Y.K.: Ik heb mij in opdracht van het Ministerie van Cultuur twee jaar lang beziggehouden met het opzetten en het uitbouwen van het Kunstenloket – een organisatie die de eerstelijnshulp voor kunstenaars voortzet en informatie verschaft over het kunstenaarsstatuut. Toen die opdracht afgerond was, vond ik dat mijn rol was uitgespeeld. Ik ben op het kabinet van Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke gaan werken. Ik ben mij evenwel blijven inspannen om de verworvenheid van het sociaal statuut te beklemtonen en het aandeel van het NICC daarin te onderstrepen. Ik heb altijd de noodzaak verdedigd van krachtige actoren op het middenveld. Voor het milieu- en gezinsbeleid bestaan er gesubsidieerde organisaties – namelijk de Bond Beter Leefmilieu en de Gezinsbond – die een kritische functie waarnemen en als gesprekspartner optreden van de politiek. Ik vind dat er voor de kunsten een even krachtige organisatie zou moeten zijn. Daarom hoop ik dat de pogingen van de laatste tijd om het NICC nieuwe impulsen te geven tot resultaat leiden.

 

Gesprek met Marc Schepers

K.B./D.P.: Volgens de verslagen gaat de Werkgroep Sociaal Statuut van het NICC in mei 1998 onder jouw voorzitterschap van start. Waarom wilde jij voorzitter worden van de Werkgroep?

M.S.: Iemand moest voorzitter worden en ik laat mij nogal makkelijk engageren voor een belangwekkende zaak.

K.B./D.P.: Hoe heb jij het voorzitterschap aangepakt?

M.S.: Low profile. Ik heb er mee voor gezorgd dat de Werkgroep Sociaal Statuut van start kon gaan en dat we konden vergaderen. We hebben op de Raad van Beheer moeten vechten voor een lokaal met een computer – dat hadden we echt wel nodig opdat Yasmine Kherbache, die vanaf juni 1998 voor de Werkgroep Sociaal Statuut werkte, juridische eerstelijnshulp voor kunstenaars kon verzorgen. Dat gevecht voor ruimte en infrastructuur heeft veel energie gekost.

K.B./D.P.: Hoe kwam het dat jullie daarvoor slag moesten leveren?

M.S.: Laat ons zeggen dat niet iedereen overtuigd was van het belang van onze werkgroep.

K.B./D.P.: Jullie hadden tegenstanders?

M.S.: Dat klinkt overdreven. Sommigen vonden onze werkgroep gewoon niet zo belangrijk. Wellicht speelde ons imago ons ook parten.

K.B./D.P.: In welke zin?

M.S.: Je moet eens kijken wie er actief was in de Werkgroep Tentoonstellingen: Guillaume Bijl, Narcisse Tordoir, Joëlle Tuerlinckx, Luc Tuymans… In onze werkgroep had je mensen als Jean Canivet – een onbekende kunstenaar en ex-danser die nog deel had uitgemaakt van het gezelschap van Maurice Béjart – of Lise Duclaux: een Brusselse kunstenares die zich dapper uit de schaduw trachtte te werken…

K.B./D.P.: Het symbolisch kapitaal van de Werkgroep Sociaal Statuut liet te wensen over…

M.S.: Met de kunstenaars van de Werkgroep Tentoonstellingen kon je in elk geval een veel schonere tentoonstelling maken dan met die van de Werkgroep Sociaal Statuut.

K.B./D.P.: In de vroegste verslagen van de Werkgroep Sociaal Statuut valt op dat jij geciteerd wordt als een kenner van de problematiek rond het sociaal statuut van de kunstenaar. Bovendien sta jij kennelijk al in mei, juni 1998 in contact met mensen uit vakbondskringen en politici, onder anderen Jos Wouters van Agalev, het huidige Groen!

M.S.: Dat klopt. Ik heb een verleden als politiek militant. Ik ben er mij altijd van bewust geweest dat je het artistieke veld niet kan loskoppelen van het politieke en maatschappelijke veld.

K.B./D.P.: Hebben die contacten ook iets opgeleverd?

M.S.: Wouters is een kijkje komen nemen en heeft de Nationale Klachtendag bijgewoond, die plaatsvond op 13 juni 1998. De Nationale Klachtendag was het eerste grote event dat onze werkgroep organiseerde en had tot doel om zicht te krijgen op de sociale problemen waarmee kunstenaars te kampen hadden. Wouters beloofde dat hij zich zou inzetten voor onze zaak, maar dat bleek een loze belofte. De mensen van Agalev hebben het sociaal statuut van de kunstenaar nooit ter harte genomen. Ook de vakbonden hebben zich trouwens nooit echt geëngageerd.

K.B./D.P.: Rond dezelfde tijd sta jij ook in contact met academici als Marc Swyngedouw (KULeuven) en Guido De Brabander (Ufsia).

M.S.: In het geval van Marc Swyngedouw was dat niet moeilijk: hij woonde in mijn buurt. De Brabander was mij aangeraden door een docent economie van de Ufsia.

K.B./D.P.: Wat wilden jullie van Swyngedouw en De Brabander bekomen?

M.S.: Marc Swyngedouw was bereid om een student in de rechten te zoeken om een scriptie te maken over het sociaal statuut van de beeldende kunstenaar. Guido De Brabander heb ik gecontacteerd omdat hij een specialist was die over actuele informatie en data met betrekking tot de sociale situatie van de kunstenaar beschikte. Je hebt dergelijke gegevens nodig als je iets wil ondernemen op het vlak van het sociaal statuut van de kunstenaar. Ook de contacten met Swyngedouw en De Brabander zijn evenwel verwaterd.

K.B./D.P.: Uit de verslagen van de Werkgroep Sociaal Statuut blijkt dat jullie de geschriften van Pierre Bourdieu bestudeerden. Zo is er onder meer sprake van de aanschaf van meerdere exemplaren van Raisons Pratiques, L’Amour de l’art en Les règles de l’art.

M.S.: Dat klopt. Ik heb voorgesteld om die boeken te lezen.

K.B./D.P.: Het is niet evident om de theoretische geschriften van Bourdieu te bestuderen in een werkgroep die zich bezighoudt met de concrete belangen van de kunstenaar.

M.S.: Ik vind het evenwel noodzakelijk. Bourdieu verschaft een onmisbare basis om te kunnen nadenken over de plaats van de kunstenaar in de maatschappij. Hij toont dat de kunstenaar niet op een eiland leeft, maar in een maatschappelijk veld functioneert.

K.B./D.P.: Kwamen jullie samen om over jullie lectuur te discussiëren?

M.S.: Nee. We hebben exemplaren ingekocht voor iedereen die geïnteresseerd was, maar we vormden geen leesgroep. Er waren evenwel behoorlijk wat mensen geïnteresseerd.

K.B./D.P.: Hoe hebben jullie de lectuur van Bourdieu toegepast?

M.S.: Ik vind het moeilijk om daarop te antwoorden. De boeken van Bourdieu hebben vooral als theoretisch kader gediend. Onze lectuur vormde een soort leidraad bij tal van discussies in de Werkgroep Sociaal Statuut.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

M.S.: Neem bijvoorbeeld de kwestie van de arbeidsinvesteringen in de beeldende kunstpraktijk. Typisch voor de investeringen van een beeldend kunstenaar is dat ze slechts op zeer lange termijn renderen. Bovendien kan je dat rendement niet louter in economische termen uitdrukken, maar neemt het ook andere vormen aan, bijvoorbeeld van statusgewin. Bourdieu levert een zeer bruikbaar kader om over dat soort thema’s te discussiëren. Ik vond dat het NICC vooral uit Les règles de l’art veel kon leren.

K.B./D.P.: Waarom uitgerekend dat boek?

M.S.: Omdat je eruit leert dat het sociaal statuut van de kunstenaar niets met romantiek te maken heeft — dat het integendeel gaat om bloednuchtere zaken als het inkomen, sociale bijdragen en een pensioenregeling. Het gangbare beeld van de kunstenaar wordt eigenlijk nog altijd gedomineerd door de mythe van Van Gogh. Die mythe was ook in het NICC nog springlevend.

K.B./D.P.: Waaraan kon je dat merken?

M.S.: Vooral aan de euforie die er rond de Kunstenaar heerste. Aan het begin van een vergadering stelden bijna alle leden zich nadrukkelijk voor als ‘beeldend kunstenaar’, alsof het een adelstitel betrof. Dat vond ik typisch. Daarnaast bestond in het NICC een regel dat alleen beeldend kunstenaars lid mochten worden.

K.B./D.P.: Jij was daar niet voor te vinden?

M.S.: Ik had daar begrip voor – maar ik besefte ook dat de kunstenaars er niet op hun eentje in zouden slagen om betere sociale rechten af te dwingen. Je had ook een jurist als Yasmine Kherbache nodig – iemand die met autoriteit en kennis van zaken kon spreken over het sociaal statuut van de kunstenaar. Yasmine was niet voor niets onze vertegenwoordiger in het Nationaal Kunstenaarsplatform, een overkoepelend orgaan dat alle organisaties samenbracht die belang hadden bij de realisatie van een sociaal statuut van de kunstenaar, en dat begin 1999 van start ging. Yasmine heeft een grote impact gehad op het Platform.

K.B./D.P.: Heb jij naast de introductie van Bourdieu nog initiatieven genomen binnen de Werkgroep Sociaal Statuut?

M.S.: Ik heb samen met Danny geprobeerd om het thema van de maatschappelijke rol van de kunstenaar in een tentoonstelling om te zetten. Zoals TroubleSpot Painting over kunst en schilderkunst ging, zo wilden wij een tentoonstelling maken over kunst en maatschappij. Maar door het vele andere werk is dat er nooit van gekomen.

K.B./D.P.: Kate Mayne, Ria Pacquée en Joëlle Tuerlinckx hebben nochtans een tentoonstelling over artistieke arbeid gemaakt: Les Occasions du travail.

M.S.: Over artistieke arbeid? Les Occasions du travail had niets met artistieke arbeid te maken. Joëlle Tuerlinckx is de belichaming van l’artiste pure – het woord ‘travail’ staat bij haar voor artistieke schepping. Wij hadden een tentoonstelling in gedachten die handelde over arbeid in de nuchtere zin van het woord.

K.B./D.P.: Kan je toelichten hoe Danny Devos en jij dat zagen? Hoe hadden jullie die tentoonstelling over de thema’s van de Werkgroep Sociaal Statuut precies opgevat?

M.S.: Dat weet ik niet meer. Ik herinner mij dat Danny en ik daar ideeën over hadden en dat we erin geslaagd waren om de anderen van de relevantie van die ideeën te overtuigen, en om er middelen voor vrij te maken. Maar het ontbrak ons aan tijd om alles uit te werken. Per slot van rekening moesten we een concreet probleem aanpakken: het statuut van de kunstenaar. Yasmine was pragmatisch genoeg om ons erop te wijzen dat je met Bourdieu alleen geen resultaat boekt op dat vlak.

K.B./D.P.: Jij had geen problemen met haar pragmatisme?

M.S.: Nee.

K.B./D.P.: In het NICC is ook gediscussieerd over het model van Jean Canivet, die voorstander was van een volledig apart sociaal zekerheidssysteem voor kunstenaars. Wat vond je van dat model?

M.S.: Ik vond het onrealistisch, zeker als je de Belgische politiek kent. In Nederland zou het misschien kans maken. Daar had je in de jaren 70 en 80 de BKR-regeling, die een grote groep kunstenaars een basisinkomen garandeerde via aankopen van kunstwerken door de staat. Het BKR-model was evenwel mede te danken aan wat je het Van Goghsyndroom van de Nederlanders zou kunnen noemen; in België krijg je zoiets nooit verkocht. Als je hier iets wil bereiken, moet je streven naar een compromis.

K.B./D.P.: Uiteindelijk heeft jullie werkgroep beslist om de pragmatische oplossing te steunen die door Yasmine Kherbache en Danny Devos werd verdedigd. Dat voorstel blijft binnen de contouren van het bestaande sociale zekerheidssysteem. Het principe is dat de kunstenaar die een opdracht krijgt automatisch gezien wordt als een werknemer, tenzij hij zelf expliciet kiest voor het zelfstandigenstatuut. Dankzij een gunstig regime met bijdrageverminderingen wordt de werkgever gestimuleerd om kunstenaars ‘in dienst te nemen’ en dus te betalen… Wat vond jij van die oplossing? 

M.S.: Tja… Ik vind dat een verhaal van vijf frank vragen en er één krijgen. Dat gevoel hou ik eraan over. Eind 2002, begin 2003 hebben Yasmine en Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke ons voor een keuze gesteld: het was dát of het was niets. Uiteindelijk is er voor een pragmatische oplossing gekozen.

K.B./D.P.: Jij kon niet leven met die oplossing?

M.S.: Ik begrijp dat men daartoe gekomen is. Maar ik stel tegelijk vast dat de belangrijkste vragen nooit gesteld zijn.

K.B./D.P.: Over welke vragen heb je het?

M.S.: Over ontologische vragen als: Wat is een kunstenaar? Wat is artistieke praktijk? Men had kunnen vertrekken van dergelijke basisvragen om van daaruit tot een oplossing te komen. Eigenlijk is het merkwaardig dat het NICC zo de mond vol had van ‘de kunstenaar’, maar zich nooit heeft afgevraagd wat een kunstenaar is of wat artistieke arbeid zou kunnen zijn. Er is enkel over arbeid nagedacht in economische termen: als een prestatie waarvoor je een vergoeding ontvangt. Wat doe je echter met het denkwerk van een kunstenaar? Wat doe je met de kunstenaar die experimenteert in zijn atelier? Dergelijke vormen van arbeid passen niet in een economische logica.

K.B./D.P.: Waarom heb jij die vragen niet op de agenda geplaatst?

M.S.: Ik héb dat gedaan: ik heb voorgesteld om Bourdieu te lezen en een tentoonstelling over de aandachtspunten van de Werkgroep Sociaal Statuut te maken. Maar er kwamen zoveel dingen op ons af: de vergaderingen, de nationale enquête die we hebben georganiseerd, het meer praktijkgerichte studiewerk dat er moest gebeuren om een voorstel rond het sociaal statuut te kunnen uitwerken… Uiteindelijk bleek er te weinig tijd om op fundamentele kwesties door te gaan.

K.B./D.P.: Begin 2000 trek jij je terug als voorzitter van de Werkgroep Sociaal Statuut. Waarom wilde je ermee stoppen?

M.S.: Ik wilde terug meer tijd maken voor mijn eigen vzw – Ruimte Morguen – en mijn artistiek werk. Ik moet ook wel zeggen dat ik het steeds moeilijker had om op te tornen tegen een aantal andere kunstenaars, onder wie Guillaume Bijl. Ik heb veel respect voor Guillaume, maar hij kan ontzettend te keer gaan als hij iemand aan zijn kant wil krijgen. Hij kan je echt platwalsen. Desnoods belt hij je om één uur ’s nachts op om op je in te praten. Ik kon daar niet meer tegen.

K.B./D.P.: Jouw opvolger was Axel Claes. Was hij ook jouw kandidaat?

M.S.: Zeker. Ik kende Axel allang en was destijds ook degene die hem op de hoogte had gebracht van de bezetting van het ICC.

K.B./D.P.: Ben je begin 2000 volledig uit het NICC gestapt?

M.S.: Ik ben gewoon lid gebleven tot op het moment dat het sociaal statuut van de kunstenaar gerealiseerd is door Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke. Dat was in 2003.

K.B./D.P.: Als we jou zo horen, dan lijkt het dat je de inbreng van Yasmine waardeerde, maar ontgoocheld was over het pragmatische resultaat dat onder haar impuls werd gerealiseerd.

M.S.: Zo kan je het samenvatten.

K.B./D.P.: Daarnaast vond je Canivets voorstel utopisch… terwijl je tegelijk droomde van een statuut gebaseerd op een definitie van artistieke arbeid die aan de economische logica ontsnapt – wat je een behoorlijk utopische queeste kan noemen.

M.S.: Dat klopt.

K.B./D.P.: Jij bent dus idealist en pragmaticus tegelijk.

M.S.: Zo zit ik kennelijk in elkaar. Ik zag theoretisch de mogelijkheid om een radicaler statuut voor de kunstenaar uit te werken, maar ik besefte ook dat de Werkgroep Sociaal Statuut ten koste van alles resultaat moest boeken.

 

Gesprek met Axel Claes over het NICC

Koen Brams/Dirk Pültau: Hoe ben jij bij het NICC betrokken geraakt?

Axel Claes: Via Marc Schepers. Eind 1997 stelde ik tentoon in ruimte Morguen, de vzw die geleid wordt door Leen Derks en Marc. Begin januari 1998 belden we elkaar en vertelde hij dat een groep Antwerpse kunstenaars van plan was om op 1 februari het ICC te bezetten – die actie ging vooraf aan de oprichting van het NICC.

K.B./D.P.: Je hebt dus aan de bezetting deelgenomen?

A.C.: Nee. Ik ben uiteindelijk toch niet naar Antwerpen gegaan.

K.B./D.P.: Waarom niet?

A.C.: Ik zat zo krap bij kas dat zelfs een reis naar Antwerpen niet evident was. Bovendien was er veel werk aan de winkel in mijn eigen woonplaats, de Brusselse deelgemeente Sint-Joost-ten-Node. Op het moment van ons telefonisch contact had ik namelijk net een brief ontvangen waarin de gemeente mij uitnodigde om deel te nemen aan een tentoonstelling van werklozen in het stempellokaal. Dat was trouwens de reden waarom ik Marc had opgebeld: ik wilde weten of hij het een goed idee vond om erop in te gaan. Ik betrouwde het niet helemaal.

K.B./D.P.: Wat maakte jou ongerust?

A.C.: In die tijd mocht je als werkloze niet actief zijn tijdens werkuren. Het was ook de periode van de affaire rond de Franstalig Belgische schrijfster Pascale Fonteneau. Gallimard had in de Série noire een roman van Fonteneau gepubliceerd op het moment dat zij werkloos was. Daarop eiste de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) prompt dat zij zes maanden werkloosheidsvergoeding zou terugbetalen – een bedrag dat ongeveer overeenstemde met de inkomsten die ze voor het boek zou ontvangen. Uitgerekend op dat moment werd ik uitgenodigd om ín een stempellokaal tentoon te stellen. Ik vreesde dat men mij in de val wilde lokken.

K.B./D.P.: Hoe stond Marc Schepers ertegenover?

A.C.: Hij schatte het veel positiever in. Hij overtuigde mij dat je het probleem van het verbod op creativiteit voor werkloze kunstenaars via die tentoonstelling aan de kaak kon stellen. Dat argument heeft mij gestimuleerd om erop in te gaan. Ik ergerde mij immers al jaren aan de overdreven ijver waarmee werkloze kunstenaars door de RVA werden aangepakt.

K.B./D.P.: Had jij je voordien al rond die kwestie geëngageerd?

A.C.: Ik heb in 1982 en 1984 deelgenomen aan de eerste edities van de Jongerenmars voor Werk. Toen al voerde ik discussies met andere jongeren over het verbod op artistieke activiteit. Ik stelde dat die regel uit de wetgeving moest, maar kreeg als reactie dat de Jongerenmars voor álle jongeren bedoeld was en niet de belangen van één klein groepje moest dienen – terwijl in mijn ogen de vrije meningsuiting op het spel stond.

K.B./D.P.: Op 20 maart zit jij voor het eerst met de kunstenaars van het pas opgerichte NICC aan tafel – dat is een kleine twee maanden na de opening van de eerste tentoonstelling in het stempellokaal en een tweetal maanden vóór de – voor zover ons bekend – eerste vergadering van de Werkgroep Sociaal Statuut op 22 mei 1998.

A.C.: Dat is mogelijk.

K.B./D.P.: Wat is jou van die eerste vergaderingen met het NICC bijgebleven?

A.C.: Wat ik mij levendig herinner, is de discussie over de basismissie van het NICC. Wat moet het NICC doen? Tentoonstellingen organiseren of waken over de belangen van de kunstenaar? Verder is mij het moment bijgebleven waarop de werkgroepen zijn opgericht, waaronder de Werkgroep Sociaal Statuut. Voor mij is de oprichting van de Werkgroep Sociaal Statuut een sleutelmoment geweest. Zonder die werkgroep was ik wellicht niet bij het NICC gebleven. Alléén woog Plus tôt Te laat (PTTL), de organisatie waarvoor ik me inzette, immers te licht om iets te doen aan het sociaal statuut of de maatschappelijke positie van de kunstenaar. Het was belangrijk om de krachten te bundelen.

K.B./D.P.: Blijkbaar legde jij in dat verband nog met andere verenigingen contacten. Zo lezen we in het verslag van de vergadering van 20 mei – de eerste vergadering van de Werkgroep Sociaal Statuut die ons bekend is: ‘Axel Claes heeft verbroederd met Grrraal, een vereniging die ijvert voor een sociaal statuut, zowel voor beeldende kunstenaars als voor schrijvers, podiumkunsten, en dergelijke. Jean Canivet van die vereniging is meegekomen.’ Kan je wat meer vertellen over die vereniging en over je ontmoeting met Jean Canivet?

A.C.: Ik heb Jean in maart 1998 leren kennen op een bijeenkomst in het Theâtre 140, die handelde over de sociale problemen van de kunstenaar. De reeds genoemde schrijfster Pascale Fonteneau getuigde er over haar problemen. Er waren vooral mensen uit de podiumkunsten, maar op een gegeven moment vroeg iemand uit het publiek luidop of er zich ook beeldend kunstenaars in de zaal bevonden. Vier mensen stonden recht: Jean Canivet, het Luikse kunstenaarskoppel Guido ‘Lu en ikzelf. Ik ben na afloop met Jean een glas gaan drinken en wat later heb ik Jean – net als Guido ‘Lu overigens – bij het NICC geïntroduceerd. Ik heb ook een paar vergaderingen van Canivets vereniging Grrraal bijgewoond om verslag uit te brengen over de stand van zaken binnen het NICC en het Kunstenaarsplatform. Vanaf 1999 leidde ik immers de vergaderingen van het Nationaal Kunstenaarsplatform, dat alle organisaties – waaronder ook Grrraal en het NICC – samenbracht die belang hadden bij de realisatie van het sociaal statuut van de kunstenaar.

K.B./D.P.: Hoe kwam het dat jij de vergaderingen leidde?

A.C.: Ik beschikte over de meeste contacten met de Verenigingen die lid waren van het Platform. Daarom stelden een aantal vertegenwoordigers van het Platform voor dat ik voorzitter zou worden. Ik had echter geen zin om als spreekbuis van het Platform op te treden en heb voorgesteld dat ik enkel de vergaderingen zou leiden. De start van dat Kunstenaarsplatform was een kantelmoment. Tijdens het eerste jaar werd er nogal ongericht gediscussieerd in het NICC, maar toen het Kunstenaarsplatform van start ging, moesten we met betrekking tot het sociaal statuut van de kunstenaar een eensluidend standpunt verdedigen.

K.B./D.P.: Uit gesprekken met andere leden van de Werkgroep Sociaal Statuut blijkt dat er twee strekkingen waren in de Werkgroep: Danny Devos en Yasmine Kherbache verdedigden een pragmatische oplossing die uitging van de bestaande sociale zekerheid, terwijl iemand als Jean Canivet een idealistisch standpunt huldigde en voor de kunstenaars een aparte categorie binnen de sociale zekerheid wilde creëren: zijn ‘vierde regime’. Welke positie nam jij in dat debat in?

A.C.: Ik denk dat ik mij ergens tussenin bevond. Zowel in het Nationaal Kunstenaarsplatform als in het NICC heb ik de rol van bemiddelaar gespeeld.

K.B./D.P.: Wat vond jij van het model van Jean Canivet?

A.C.: Wat mij eraan stoorde, was de hiërarchische structuur ervan. Het is een top-downmodel, typisch voor utopische voorstellen. Bij de utopisten uit de 19de eeuw – zoals Fourier en Godin – heb je dat ook: utopisten denken altijd vanuit een heel sterk en centraal gezag – terwijl ik vind dat je altijd moet proberen om vanuit de basis te werken.

K.B./D.P.: Op het moment dat het Nationaal Kunstenaarsplatform van start gaat, neemt Jean Canivet ontslag uit het NICC.

A.C.: Zijn model kon in het NICC op weinig steun rekenen. Jean heeft er dan voor gekozen om zijn opvatting te verdedigen via Grrraal. Ook Grrraal zetelde immers in het Nationaal Kunstenaarsplatform.

K.B./D.P.: Kan je iets over jouw ervaringen met het Platform vertellen?

A.C.: Wat mij het meest is bijgebleven, is het moment waarop het Nationaal Kunstenaarsplatform werd uitgenodigd om op het hoogste niveau mee te onderhandelen over de uitwerking van het sociaal statuut van de kunstenaar. Memorabel is vooral hoe dat is gebeurd.

K.B./D.P.: Wat was er bijzonder aan?

A.C.: In 2000 ben ik samen met enkele mensen op het kabinet van de Brusselse Minister Jos Chabert geweest in verband met een mogelijke financiering van het Nationaal Kunstenaarsplatform door het Brussels Gewest. Tijdens dat gesprek gaf kabinetschef Walter Nys te kennen dat hij mij zo spoedig mogelijk wilde spreken. Mij alléén. Ik heb die vraag aan het Nationaal Kunstenaarsplatform voorgelegd; we spraken af dat ik erop in zou gaan en dat ik zou vragen dat het Nationaal Kunstenaarsplatform betrokken zou worden bij het regeringsoverleg over het statuut van de kunstenaar. Tijdens het uiteindelijke onderhoud sprak Nys mij toe alsof hij een ambtenaar van de staatsveiligheid was: ‘Jouw dossier ligt bij drie ministers op tafel. Jij bent medeoprichter van het NICC, jij ontvangt steun van het sociaal impulsfonds van de VGC voor Plus tôt Te laat en op advies van de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst word jij gesubsidieerd voor je artistiek werk. Ik heb zoiets in mijn carrière nog nooit meegemaakt. Vertel mij eens wie jij bent?’ Nadat ik de nodige uitleg had verschaft en daarbij de naam van Yasmine Kherbache had genoemd, vroeg hij vriendelijk dat hij nog diezelfde week een volledig dossier over Yasmine op zijn bureau zou ontvangen. Op de vraag wat ik wilde, antwoordde ik zoals afgesproken dat het Nationaal Kunstenaarsplatform betrokken moest worden bij het regeringsoverleg over het sociaal statuut van de kunstenaar. Nys beloofde dat hij Premier Jean-Luc Dehaene daarover zou aanspreken en mij op de hoogte zou houden. Drie weken later belde hij mij op om te zeggen dat het in orde was. ‘Het is in orde’: dat was het enige wat hij zei. Twee dagen later ontvingen we een brief dat het Platform werd uitgenodigd.

K.B./D.P.: Wanneer is dat gebeurd?

A.C.: Ik vermoed in mei 2000.

K.B./D.P.: In februari 2000 neem jij trouwens het voorzitterschap van de Werkgroep Sociaal Statuut over van Marc Schepers. Kan je daar iets over vertellen?

A.C.: Ik herinner mij dat Marc ermee wilde stoppen, maar van mijn voorzitterschap van de Werkgroep Sociaal Statuut van het NICC is mij niet zoveel bijgebleven. Ik moet eigenlijk zeggen dat in 2000 de belangrijkste strijd voor mij gestreden was.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

A.C.: In 2000 is het wetsartikel geschrapt dat de artistieke activiteiten van werkloze kunstenaars strafbaar stelde. Die afschaffing is altijd mijn belangrijkste inzet geweest – zowel in PTTL als in het NICC.

K.B./D.P.: Toch word je in datzelfde jaar voorzitter van de Werkgroep Sociaal Statuut.

A.C.: Dat lijkt vreemd, ja. In principe had ik mij kunnen terugtrekken op het moment dat het voornoemde artikel opgeheven werd. In het Nationaal Kunstenaarsplatform werd de discussie immers almaar technischer – een kwestie van juridische spitstechnologie. Enerzijds vond ik het noodzakelijk om toe te zien op wat die juristen aan het bekokstoven waren. Ik heb altijd schrik gehad dat het door een politieke vossenstreek op het laatst nog mis zou lopen. Tegelijk waren de hoogdagen van het NICC als sociale beweging voorbij.

K.B./D.P.: Wanneer ben je dan eigenlijk formeel uit het NICC gestapt?

A.C.: Ik heb mij nooit formeel teruggetrokken. Ik vermoed dat ik op een bepaald moment geen uitnodiging meer heb ontvangen om mijn lidgeld te betalen – ik herinner mij niet meer wanneer dat precies was – met als gevolg dat mijn lidmaatschap van het NICC afliep.

 

Gesprek met Axel Claes over PTTL

K.B./D.P.: In januari 1998 ontving jij een uitnodiging van de gemeenteambtenaren van Sint-Joost-ten-Node, belast met de stempelcontrole van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, om samen met andere werkloze kunstenaars van de gemeente in het stempellokaal tentoon te stellen. Na enige aarzeling en een telefoontje met Marc Schepers besloot je op de uitnodiging in te gaan. Waarom namen de gemeenteambtenaren zo’n initiatief?

A.C.: Dat vroeg ik mij ook af. Uiteindelijk zijn we met een handvol werkloze kunstenaars van Sint-Joost naar een bijeenkomst met de gemeenteambtenaren gegaan. De ambtenaren reageerden stomverbaasd toen wij lieten blijken dat we angst hadden om gepakt te worden. Hun opzet bleek totaal onschuldig: de stempelcontrole was pas verhuisd van een krot met een lek dak naar een vervallen turnzaal die eigendom was van de gemeente, en omdat die turnzaal veel te groot was om enkel de stempelcontrole te organiseren, hadden zij het idee opgevat om het lokaal wat op te frissen met kunst. In hun uitnodiging stond dat alle technieken waren toegelaten: kantwerk, schilderkunst, beeldhouwkunst… De ambtenaren maakten ons duidelijk dat ze ons niet wilden pesten.

K.B./D.P.: Jullie hebben toegezegd om tentoon te stellen?

A.C.: Ja, maar niet zonder discussie.

K.B./D.P.: Waar ging de discussie over?

A.C.: Bijvoorbeeld over de mogelijkheid om kunstwerken te verkopen. In de uitnodiging van de gemeente stond uitdrukkelijk dat het niet om een verkoopstentoonstelling ging, aangezien het werkloosheidsreglement verbood dat werklozen naast hun uitkering inkomsten verwierven. Wij argumenteerden echter dat je toch een werk moest kunnen verkopen als je dat wilde – ‘we leven toch in een vrij land,’ zeiden wij. Daarnaast wilden we dat de tentoonstelling vroeg in de ochtend zou opengaan, op het moment dat de stempelcontrole plaatsvond. We bekwamen wat dat betreft het akkoord van Guy Cudell, de burgemeester van Sint-Joost. Ten slotte eisten wij de garantie dat we niet gesanctioneerd zouden worden voor onze artistieke activiteiten tijdens de werkuren. We vroegen aan de ambtenaren om uitdrukkelijk toelating te vragen aan de centrale van de RVA in Brussel voor het organiseren van de tentoonstelling. Wat bleek? De RVA gaf zijn akkoord! We hadden een eerste succesje op zak: de RVA Brussel gaf te kennen dat het vervolgen van werkloze kunstenaars niet als een prioriteit werd beschouwd. Men liet zelfs weten de opening te willen bijwonen! Ik heb samen met een van de zeven deelnemers – een meisje dat les volgde in de academie van Sint-Joost – de communicatie met de pers verzorgd. We wilden van de opening op 26 januari 1998 een absoluut succes maken.

K.B./D.P.: En is dat gelukt?

A.C.: En of! De RTBF was op de opening om verslag uit te brengen. In het avondnieuws omschreven ze de tentoonstelling als een absolute primeur in België. Gevolg was dat alle kranten van de volgende dag aandacht besteedden aan het initiatief. De ambtenaren van Sint-Joost en burgemeester Guy Cudell waren natuurlijk in hun nopjes – ook zij kwamen immers in het nieuws. In de titel van de tentoonstelling alludeerden we op het idee dat tentoonstellen gelijk is aan werken: Werklozen stellen hun werken tentoon. Des chômeurs exposent leurs travaux.

K.B./D.P.: Hoe zag de tentoonstelling eruit?

A.C.: Niet bepaald arty. Hoe kan het ook anders: ze vond plaats in een stempellokaal, een onderkomen turnzaal. Ik heb mij met de opstelling beziggehouden. Drie dagen heeft het mij gekost voor alles min of meer zijn plaats had gevonden. Wat het er ook niet makkelijker op maakte, was het feit dat de werken van de zeven werkloze kunstenaars nogal divers waren, om het zacht uit te drukken.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

A.C.: Er was een dame die in haar leven welgeteld één tekening had gemaakt en die absoluut wilde tonen. Een andere dame was met batik bezig. Ik herinner mij ook een kerel die de toekomst las door middel van een kaartspel. Zelf liet ik tekeningen zien die ik eerder in een tentoonstelling bij Ruimte Morguen had geëxposeerd. Ook het meisje dat op de Academie van Sint-Joost zat, deed mee. Ze toonde tekeningen die touwen moesten voorstellen. De tentoonstelling duurde tot 5 februari 1998. Na afloop kwamen de gemeenteambtenaren in naam van de gemeente vragen of we voort wilden doen.

K.B./D.P.: Zij wilden nog tentoonstellingen organiseren?

A.C.: Ze waren van plan een heus tentoonstellingsbeleid op poten te zetten! Ik heb toch even moeten nadenken vooraleer ik mij daarvoor engageerde. Maar uiteindelijk heb ik samen met een aantal andere werklozen toegezegd om ermee door te gaan. We hebben toen gevraagd om een bureau te mogen installeren en te beschikken over de telefoon en fax van het stempellokaal – het succes van de eerste tentoonstelling was immers aan onze intensieve pr-campagne te danken. Het geld hebben we evenwel geweigerd. De gemeente bood namelijk financiële steun aan.

K.B./D.P.: Waarom wilden jullie niet gesteund worden?

A.C.: Ons officieel argument luidde dat Sint-Joost een te arme gemeente was om geld aan kunsttentoonstellingen te spenderen – maar in feite wilden we vooral vermijden afhankelijk te worden van de politiek.

K.B./D.P.: Het is bizar dat de ambtenaren van Sint-Joost zich zo engageerden voor werkloze kunstenaars.

A.C.: Ik vermoed dat zij een oude traditie in ere wilden herstellen: de vrijdagavond waarop de notabelen van de gemeente samenkomen om een glas te drinken. Ze vonden waarschijnlijk dat de opening van een tentoonstelling daarvoor de geschikte omkadering bood. Achteraf bleek ook dat de meest geëngageerde ambtenaar – de hoofdambtenaar, mijnheer Crickx – een amateurschilder van landschappen was. We hebben tevergeefs geprobeerd om hem te overtuigen zijn werk te tonen.

K.B./D.P.: Welke tentoonstellingen zijn er nog gevolgd?

A.C.: Eerst hebben de ambtenaren zelf een paar tentoonstellingen georganiseerd. Einde maart 1998 opende bijvoorbeeld een manifestatie met werk van een atelier van gepensioneerden dat onder de leiding stond van een oude man met een pijp; ze toonden schilderijen van onder andere Mickey Mouse en Winnie de Pooh die geëxposeerd werden in vieze, oude stemhokjes… en op de opening reikte Guy Cudell een plastic medaille uit voor het beste werkstuk! Dat hebben we allemaal moeten verdragen vooraleer wij het heft in handen kregen. Ondertussen hadden wij een koffietafel in het stempellokaal geïnstalleerd. Dat was eigenlijk ons eerste initiatief na de openingstentoonstelling. Ik vind het nog altijd een van onze sterkste interventies.

K.B./D.P.: Kan je daar iets meer over vertellen?

A.C.: We kwamen elke ochtend om tien uur samen om croissants en chocoladekoeken te eten op het moment dat de werklozen stonden aan te schuiven. Telkens een werkloze ons vroeg wat wij daar deden, zeiden wij: ‘wij eten chocoladekoeken, wil jij er ook een?’ Dat heeft ontzettend goed uitgepakt. Er ontstond een grote betrokkenheid. Aan de koffietafel zijn voorstellen voor tentoonstellingen ontstaan. We hebben er ook de naam van ons initiatief bedacht: Plus tôt Te laat. Omdat er vaak laatkomers waren, hoorde je geregeld de opmerking: ‘Je bent aan de late kant’ – ‘Tu est plus tôt trop tard.’ De tweetalige versie van dat zinnetje leverde de naam van het collectief op dat de tentoonstellingen organiseerde.

K.B./D.P.: Wat waren de eerste tentoonstellingen die jullie hebben georganiseerd?

A.C.: Ik herinner mij een tentoonstelling van Laboratoire Patacycliste onder leiding van Toni Geirlandt en Carlos Montalvo. Een aantal exposanten heeft zich trouwens ook in het NICC geëngageerd: onder andere Alexandra Dementieva, Lise Duclaux en Tristan Wibault. Er hebben van 1998 tot 2005 talloze tentoonstellingen in het stempellokaal plaatsgevonden – te veel om op te noemen.

 

Voor een overzicht van de tentoonstellingen georganiseerd door PTTL, zie de website www.pttl.be.

 

Gesprek met Guillaume Bijl

Koen Brams/Dirk Pültau: Naast de Werkgroepen Tentoonstellingen, Kunstonderwijs, 1%-regeling en Atelierbeleid woonde jij ook geregeld de vergaderingen bij van de Werkgroep Sociaal Statuut. Kan je vertellen welke opvatting jij huldigde inzake het sociaal statuut?

Guillaume Bijl: Ik vond dat het belang van het sociaal statuut van de kunstenaar in het NICC overdreven werd. Zelf zag ik meer heil in een verhoging van de subsidies voor kunstenaars om de situatie van de kunstenaar te verbeteren. Daarnaast had ik moeite met de democratische aanpak van sommigen in de Werkgroep Sociaal Statuut – onder wie Danny Devos. Danny’s uitgangspunt was dat iedereen die beweerde kunstenaar te zijn ook effectief als kunstenaar moest worden beschouwd. Ik vind daarentegen dat je moet vertrekken van een kleinere groep van erkende kunstenaars – te beperken tot maximaal driehonderd.

K.B./D.P.: Hoe zag je dat precies? Hoe wilde jij tot zo’n selectie komen?

G.B.: Daar komen we bij een gevoelig punt. Volgens mij kan je drie categorieën van kunstenaars onderscheiden. De belangrijkste groep wordt gevormd door kunstenaars die werk maken dat je op een zinvolle manier kan kaderen binnen onze tijd – volgens mij zijn dat er in België maximaal driehonderd. Een tweede groep bestaat uit wat ik beleefdheidshalve ambachtskunstenaars noem – velen van hen geven les in het kunstonderwijs. Zij maken doorgaans epigonenwerk dat aansluit bij historische kunststromingen. In de derde groep ten slotte vind je de amateurkunstenaars die in groten getale ons deeltijds kunstonderwijs bevolken. Hun kunst heeft geen enkele voeling met de tijd waarin wij leven. Hoe delicaat dit ook is, volgens mij moet alleen de eerste groep als kunstenaar erkend worden.

K.B./D.P.: Hoe kan je echter bepalen wie tot welke groep behoort? Waar trek je de grens?

G.B.: Je kan van het curriculum van een kunstenaar aflezen of die een bepaald potentieel heeft en of hij of zij er een activiteit op nahoudt die zinvol kan worden gekaderd binnen de hedendaagse kunstwereld. Ik geef toe dat dat bij de jongste generatie niet zo makkelijk is, maar bij de oudere generaties is het zonder meer duidelijk: aan de curricula van Jef Geys, Jan Vercruysse en mezelf kan je duidelijk zien dat wij échte kunstenaars zijn. Danny wilde echter iedereen als kunstenaar erkennen. Ik vond dat je een grens moest trekken en dat alleen de eerste groep een officiële erkenning verdiende.

K.B./D.P.: Je vindt dat alleen die groep van een sociaal statuut van de kunstenaar mag genieten? Bedoel je dat?

G.B.: Nee, iedereen mag van het statuut genieten. Maar wat mij betreft kunnen enkel de kunstenaars uit de eerste groep aanspraak maken op subsidies.

K.B./D.P.: Danny Devos beweerde toch niet het tegendeel? Hij deed helemaal geen uitspraak over subsidies; hij is enkel geïnteresseerd in het statuut van de kunstenaar.

G.B.: Ik weet het. Maar zoals ik al zei: ik vond dat Danny te veel de nadruk legde op het statuut van de kunstenaar. Subsidies zijn een veel belangrijker middel om kunstenaars te ondersteunen. Een probleem is wel dat de overheid – zeker in België – een totaal verkeerd beeld heeft van de praktijk van de kunstenaar.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen?

G.B.: De politiek staart zich blind op het succes van enkele kunstenaars, zoals Wim Delvoye en Luc Tuymans. Ze vergeet dat de meeste kunstenaars pas doorbreken rond hun dertigste en dat aan die eerste kleine successen een enorme investering voorafgaat. Pas na jaren volgt het eerste rendement. Voor de meesten onder hen blijft het kunstenaarschap ook op latere leeftijd een gevecht. Op het Ministerie van Cultuur denkt men echter: die kunstenaars verkopen jaarlijks een paar werken voor tienduizenden euro’s en dan krijgen ze nog subsidies ook… Wat hebben zij toch een fantastisch leven! De kunstenaar wordt veel te romantisch bekeken. Men beschouwt hem als een weirdo. Dat was ook een van de strijdpunten van het NICC: wij wilden het gangbare en foutieve beeld van de kunstenaar bijstellen. Wat ik in de Werkgroep Tentoonstellingen heb gedaan sluit daar trouwens bij aan. Mijn werk in de Werkgroep Tentoonstellingen kan evengoed als een vorm van sociaal engagement worden beschouwd.

K.B./D.P.: In welke zin?

G.B.: Het ging er mij om jonge kunstenaars kansen te geven. Ik heb in mijn carrière veel kunstenaars begeleid. Luc Tuymans doet dat ook: hij bezoekt ateliers van jonge kunstenaars en spant zich indien mogelijk voor hen in. Ik ben ook zo’n idealistische kunstenaar.

K.B./D.P.: Hoe kijk je nu terug op je tijd bij het NICC?

G.B.: Ik vond het een fantastische tijd. Het was heel plezierig. Wij deden dingen die kunstenaars normaal zelden of nooit doen. Wij deden bijvoorbeeld aan politiek. Maar ik vind tegelijk dat er nog veel werk aan de winkel is. De situatie van de kunstenaar is in mijn ogen nog steeds niet fundamenteel verbeterd.

K.B./D.P.: Er is nochtans een inhaalbeweging gebeurd voor de beeldende kunst.

G.B.: Je moet wel het hele plaatje bekijken! In 2001 hebben verschillende organisaties voor beeldende kunst een subsidieverhoging gekregen, op advies van de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst onder het voorzitterschap van Jef Cornelis. In 2005 is er opnieuw een budgetverhoging doorgevoerd voor de beeldende kunst, maar dat extra geld ging volledig naar de organisaties voor beeldende kunst – zij ontvangen nu in totaal 5.250.000 euro. De rechtstreekse steun voor kunstenaars is zelfs een beetje achteruitgegaan – van 750.000 naar 700.000 euro. Ik ben zoals jullie weten inmiddels naar het NICC teruggekeerd – als voorzitter. Als er één motief was om terug te keren, dan was het wel dat schandalig lage bedrag van 700.000 euro. Je kan nog zoveel palaveren over het sociaal statuut van de kunstenaar: het is in de eerste plaats dat povere bedrag dat moet worden bijgesteld.

 

Transcripties: Tom De Moor (Guillaume Bijl), Klaar Leroy (Axel Claes, Danny Devos, Yasmine Kherbache, Marc Schepers)

 

Redactie: Dirk Pültau

1973-1980

1.

Koen Brams & Dirk Pültau: Welke leraars of docenten zijn jou zelf bijgebleven?

Wim Van Mulders: Ik bewaar vooral goede herinneringen aan Alfons Hoppenbrouwers, een van mijn leraren in de Sint-Lukas Kunsthumaniora, waar ik van 1964 tot 1966 schoolliep, en Roger D’Hulst, professor aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis (H.I.K.O.) van de Universiteit Gent, waar ik van 1967 tot 1971 kunstgeschiedenis studeerde. Hoppenbrouwers, alias Broeder Veron, was een ingenieur-architect die in 1957 de Sint-Lukas Kunsthumaniora had opgericht en later directeur werd van het Sint-Lukas Hoger Instituut voor Architectuur (1980-1990). Hij was een fascinerende man, een beetje cynisch en heel eigenzinnig. Hij gaf het vak Vormgeving, maar sprak in de praktijk vooral over wat hem persoonlijk interesseerde, wat betekende dat we in de eerste plaats les kregen over De Stijl en Bauhaus. Hij had aandacht voor zowel de theoretische achtergrond als de concrete verschijningsvorm van de kunst en architectuur die hij belichtte. Enerzijds liet hij ons de basisteksten van kunstenaars van De Stijl lezen, waarin archaïsche concepten zoals ‘universele harmonie’ schering en inslag waren, anderzijds behandelde hij de architectuur van De Stijl en het Bauhaus op een vrij pragmatische manier. Ik herinner me bijvoorbeeld dat hij uiterst gedetailleerd op het Schröderhuis van Gerrit Rietveld inging en dat ik dat bouwwerk op het examen vanuit drie verschillende hoeken moest tekenen. Aandacht voor de theoretische achtergrond en een scherp oog voor de vorm en structuur van een kunstwerk of gebouw gingen bij hem hand in hand. Die koppeling van theorie en praktijk is altijd blijven hangen.

K.B./D.P.: Wat heb je aan de universiteit van Roger D’Hulst opgestoken?

W.V.M.: D’Hulst doceerde het vak Plastische kunsten van de Nederlanden. Hij was een trouwe volgeling van de Amerikaanse kunsthistoricus Erwin Panofsky. D’Hulsts adagium was dat je van het algemene naar het bijzondere moest gaan. Als hij de Madonna met kanunnik Joris van der Paele van Jan Van Eyck besprak, lichtte hij eerst de context ten tijde van het ontstaan van het schilderij toe – het hof van de Hertog van Bourgondië waar Jan Van Eyck als hofschilder werkzaam was – om van daaruit langzaam maar zeker over te gaan naar wat er op het schilderij te zien was. Ik heb van hem geleerd dat je altijd een context moet aangeven vooraleer nader op een kunstwerk in te gaan. Aan de universiteit zijn ook de lessen filosofie van Etienne Vermeersch en Rudolf Boehm belangrijk voor me geweest. Ik vond vooral de manier waarop zij doceerden indrukwekkend. Boehm gaf een overzicht van de westerse filosofie, van Aristoteles tot Marx. Hij vertrok meestal van één citaat uit een filosofische tekst en gaf er vervolgens commentaar op. Die aanpak vond ik een verademing. In heel wat andere vakken werd immers een nogal doodse, encyclopedische aanpak gehuldigd.

K.B./D.P.: Aan het H.I.K.O. gaf ook Marcel De Maeyer les. Welke herinneringen heb je aan zijn lessen?

W.V.M.: Van De Maeyer kregen we Plastische kunsten van de Europese beschaving. Hij was zelf kunstenaar en dat voelde je aan de manier waarop hij over kunst sprak. Hij had het voortdurend over de lagen van een schilderij en de toets van de schilder. Hij wilde ons vooral voor schilderkunst sensibiliseren; met beeldhouwkunst had hij minder affiniteit. Hij was de specialist moderne kunst binnen het H.I.K.O. en trad dus als begeleider van mijn licentiaatsverhandeling over Paul Klee op. De Maeyer zou ook de promotor van mijn doctoraat zijn geweest indien ik dat plan ten uitvoer had kunnen brengen.

K.B./D.P.: Kan je daar iets meer over vertellen?

W.V.M.: Ik wilde mij verder verdiepen in het werk van Paul Klee. Voor mijn scriptie had ik al een maand in de Klee Stiftung in Bern en in de Kandinsky Stiftung in München gewerkt. Ik had de dagboeken van Klee uitgeplozen en zijn boeken Unendliche Naturgeschichte en Das Bildnerische Denken — de neerslag van zijn lessen aan het Bauhaus — bestudeerd. Fascinerende literatuur! Via die teksten kreeg ik inzage in de manier waarop Klee zijn oeuvre had uitgebouwd en vooral ook hoe hij erover nadacht en theoretiseerde. Klee is voor mij in die zin altijd een rolmodel gebleven. De interessantste kunstenaars vond ik later doorgaans diegenen die in staat waren om over hun werk te reflecteren.

K.B./D.P.: Welke aspecten van Klees kunstenaarschap wilde je nadien onderzoeken?

W.V.M.: Ik was van plan om mij in zijn kleurentheorie te verdiepen en onder meer de relatie met de kleurentheorieën van onder anderen Newton, Goethe en Kandinsky te onderzoeken. Eerst moest ik echter mijn militaire dienstplicht vervullen. Tijdens mijn legerdienst vernam ik dat de enige beurs van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek die voor kunsthistorisch onderzoek beschikbaar was naar Robert Hoozee was gegaan, de latere directeur van het Museum voor Schone Kunsten te Gent – samen met mij was hij de enige die met grootste onderscheiding was afgestudeerd. Hoozee is gedurende enkele jaren naar Engeland getrokken om het werk van John Constable te bestuderen.

K.B./D.P.: Wat heb je gedaan nadat je legerdienst achter de rug was? 

W.V.M.: Ik heb mijn onderzoek over Paul Klee nog enige tijd op eigen houtje voortgezet. Mijn professoren Marcel De Maeyer en Roger D’Hulst hadden mij verzekerd dat Klee het ideale doctoraatsonderwerp was. Aan het werk van Klee kan je je hele leven wijden, zeiden ze. D’Hulst had echter een merkwaardige bedenking. Hij zei me dat ik één grote fout had gemaakt: ik had mijn scriptie veel te grondig aangepakt! Volgens hem had ik de helft van mijn scriptie moeten opsparen voor mijn doctoraat; dan had ik op twee of drie jaar tijd mijn doctorstitel kunnen behalen en had ik daarna een academische carrière kunnen ambiëren. Ik ving evenwel nog een ander gerucht op: ik zou naast de boot zijn gevallen omdat men twijfelde of ik op lange termijn wel voor een carrière als onderzoeker zou kiezen. Mijn professoren wisten namelijk dat ik ook kunstenaar wilde worden.

K.B./D.P.: Kunstenaar?

W.V.M.: Ja, die droom koesterde ik al toen ik nog aan de Sint-Lukas Kunsthumaniora studeerde. Na de kunsthumaniora heb ik trouwens eerst studies architectuur aan de Sint-Lukas Hogeschool aangevat — ik hield het echter al na 14 dagen voor bekeken omdat ik de opleiding veel te technisch vond. De rest van dat jaar heb ik schoolgelopen aan de afdeling Beeldende kunst van de Sint-Lukas Hogeschool, waar ik terechtkwam in het atelier schilderkunst dat geleid werd door Maurits Van Saene (1919-2000). Ik vermoed dat mijn artistieke aspiraties teruggaan tot mijn kindertijd. Mijn vader, Modest Van Mulders (1916-1964), was kunstenaar. Hij was opgeleid door Isidoor Opsomer aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en beschikte thuis, in Erembodegem, over een groot atelier. De immer aanwezige geuren van olieverf en terpentijn hebben wellicht het verlangen gewekt om zelf kunstenaar te worden. Ik moet wel zeggen dat mijn liefde voor de schilderkunst snel taande zodra ik in het atelier van Van Saene met verf en kwast aan de slag ging. Bovendien was het niveau van de opleiding ondermaats. Mede daardoor heb ik beslist om kunstgeschiedenis te gaan studeren. Ik bleef evenwel artistiek actief.

K.B./D.P.: In welke zin?

W.V.M.: Ik bezocht de avondacademie en volgde tekenlessen, gewoon voor mijn plezier – het ging om klassiek tekenen naar plaasteren sculpturen en levend model. Lang ben ik er niet mee doorgegaan. Nadat ik in 1972 Documenta 5 had gezien, staakte ik mijn tekenactiviteiten. Ik was geweldig onder de indruk van die tentoonstelling en met name van Joseph Beuys. Beuys was haast voortdurend aanwezig om met krijt op een schoolbord zijn kunstopvattingen toe te lichten en vragen te beantwoorden. Voor mij was hij toen in de eerste plaats een enigmatische verschijning – ik was nog niet in staat om zijn werk ten volle te begrijpen – maar onmiddellijk daarna heb ik me in zijn werk verdiept en zijn eerste kleine publicaties gekocht. Het jaar daarop zag ik onder meer een tentoonstelling van Bruce Nauman in het Van Abbemuseum te Eindhoven. Ik dacht dat het traditionele tekenen en schilderen geen zin meer hadden, en ben toen andersoortig werk gaan maken.

K.B./D.P.: Om wat voor werk ging het?

W.V.M.: Ik begon met fotografische beelden te werken, die ik uit tijdschriften haalde en met teksten combineerde. Ik was onder de indruk geraakt van het werk van Marcel Broodthaers, die eveneens aan Documenta 5 had deelgenomen. Vooral de relatie tussen Broodthaers en Magritte intrigeerde me. In 1974 heb ik Broodthaers ontmoet tijdens de vernissage van zijn solotentoonstelling, die door Yves Gevaert georganiseerd werd in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. In datzelfde jaar stelde ik me met de voornoemde werken kandidaat voor de Jeune Peinture Belge.

K.B./D.P.: Werd je werk weerhouden? 

W.V.M.: Neen, mijn werken werden niet eens geselecteerd voor de tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten, hoewel het toen nog de gewoonte was om niet enkel de laureaten, maar een veel ruimere keure van deelnemende kunstenaars te presenteren. Ik heb toen vrij snel beslist om er de brui aan te geven. Ik moet er trouwens bij vermelden dat ik altijd twijfels heb gekoesterd over mijn kunstenaarschap. Ik had namelijk mijn vader zien mislukken. De frustraties die voortvloeiden uit het feit dat hij zijn kunst niet kon ontplooien zoals hij het zich had voorgesteld, de spanningen in ons gezin waartoe dat leidde, het stond me allemaal nog bij en mede daardoor heb ik altijd geaarzeld om voluit voor het kunstenaarschap te kiezen. Bovendien moest er brood op de plank komen. Ik deed er dus goed aan om naar een job uit te kijken.

K.B./D.P.: Hoe heb je dat aangepakt?

W.V.M.: Ik heb onder meer bij Flor Bex geïnformeerd of er in het I.C.C. een vacature was. Het I.C.C. beschikte over slechts drie tijdelijke contracten, die reeds ingevuld waren door Claude Devos, Jan Van Broeckhoven en Bex zelf. Enkel als freelancer zou ik voor het I.C.C. kunnen werken. Dat heb ik later ook gedaan: vanaf het einde van de jaren 70 heb ik heel wat bijdragen aan I.C.C.-catalogi geleverd. Daarnaast heb ik me aangemeld bij instellingen voor deeltijds kunstonderwijs. Ik kwam in een weinig opbeurende omgeving terecht. Zo werd ik in de plaatselijke academie van Merksem ontvangen door een directeur die me in plat Antwerps vroeg wat ik gestudeerd had. Toen ik antwoordde dat ik kunsthistoricus was, veegde hij me de mantel uit. ‘Wablief, hadde gaa nie bjieter advocoat gewurre’, snauwde hij me toe. Ik heb mijn plannen om in het deeltijds kunstonderwijs aan de slag te gaan snel laten varen. Gelukkig kreeg ik een aantrekkelijke job in de schoot geworpen, toen Flor Bex mij in 1973 vroeg of ik Karel Geirlandt wilde opvolgen als docent Kunstactualiteit aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.) van Gent. Bex was eerst zelf gevraagd of hij het docentschap van Geirlandt wilde overnemen, maar als directeur van het I.C.C. had hij daar geen tijd voor. Hij wist dat ik het I.C.C. regelmatig bezocht en dat ik er het jaar voordien onder meer het Fluxusconcert van Ben Vautier had bijgewoond. Ik ben me gaan aanbieden bij Pierre Vlerick, de directeur van het K.A.S.K. Hij vond het prima dat ik de cursus van Geirlandt zou overnemen. Hij stelde slechts één voorwaarde: ik moest ‘met meester Geirlandt en meester Bultinck gaan praten’. Karel Geirlandt en John Bultinck waren respectievelijk voorzitter en lid van de beheerraad van de Vereniging voor een Museum van Hedendaagse Kunst. Geirlandt was dé figuur op het vlak van de hedendaagse kunst in het Gentse. Hij was oprichter van de genoemde Vereniging, had de Forumtentoonstellingen in Oostende (1959) en Gent (1961, 1962, 1963) georganiseerd en was bekend omdat hij tal van lezingen gaf. Ik ben me op het Gentse advocatenkantoor van Geirlandt en Bultinck gaan aanbieden voor een gesprek. Gelukkig kreeg ik hun zegen en kon ik beginnen les te geven. Het betrof een halftijdse opdracht waarbij ik doceerde aan het tweede, derde en vierde jaar.

 

2.

K.B./D.P.: Wat voor een school was het K.A.S.K. op het moment dat jij er begon les te geven?

W.V.M.: Een provinciaal academietje was het zeker niet. De laatste tijd wordt wel eens gesuggereerd dat het K.A.S.K. onder Vlerick een achterlijk instituut was. Totaal onterecht! Pierre Vlerick was in 1969 directeur geworden en had reeds in het jaar van zijn aanstelling – op 12 november 1969 om precies te zijn – de vereniging Proka opgericht, de ‘Promotors van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten’. Vlerick was een man met een internationale blik – hij had enorm veel gereisd – die zich interesseerde voor de meest uiteenlopende vormen van experimentele kunstbeoefening. Hij was geboeid door de nieuwste ontwikkelingen in de film, de muziek en het theater; evengoed hield hij van flamenco. Onder de auspiciën van Proka organiseerde Vlerick allerlei activiteiten, concerten en voorstellingen in de Zwarte Zaal, een ruimte met zwarte muren die zich in de toenmalige lokalen van de academie aan de Academiestraat bevond. Op het vlak van de podiumkunsten trok hij Tone Brulin en Franz Marijnen aan, die beiden sterk beïnvloed waren door het ‘arme’ en extreem fysieke theater van Jerzy Grotowski. In 1977 werd de legendarische voorstelling De dodenklas van Tadeusz Kantor in de Zwarte Zaal gepresenteerd; ik herinner me ook een voorstelling uit 1983 van Carlotta Ikeda, die het Butoh-danstheater in een moderne vorm bracht. Daarnaast vond onder meer ook een Clown-Mimefestival (februari 1978) plaats. Vlerick hield erg van clowns. Die voorliefde had hij wellicht van zijn leraar geërfd, de Gentse schilder Jos Verdegem, in wiens schilderijen het wemelt van de clownfiguren.

K.B./D.P.: De inbreng van Vlerick leverde hem wel het verwijt op dat Proka een al te persoonlijk project was.

W.V.M.: Proka werd wel eens laatdunkend als het ‘winkeltje van Vlerick’ omschreven, maar dat klopt niet. Dat het om méér dan een individueel project ging, blijkt alleen al uit de interesse van heel wat andere organisaties om in Proka te investeren of met de vereniging samen te werken. Zo vormde de Zwarte Zaal voor het Nederlands Toneel Gent een tweede plateau waar ruimte werd geboden aan experimentele vormen van theater. Voorts werkte Proka vanaf het eerste uur met het I.P.E.M. samen, het Instituut voor Psycho-akoestiek en Experimentele Muziek dat geleid werd door Jan Lea Broeckx, musicoloog en hoogleraar aan de Universiteit Gent. Ik heb er heel wat concerten van elektronische muziek meegemaakt. Ik vind het belangrijk om op het belang van Proka te wijzen omdat er mede door de activiteiten van die vereniging een frisse wind door de gangen van het K.A.S.K. waaide. Ik had alle reden om blij te zijn dat ik de kans kreeg om in een dergelijk instituut aan de slag te gaan.

K.B./D.P.: Nochtans wilde je even tevoren nog onderzoeker worden en heb je in 1974 – het jaar na je aanstelling aan het K.A.S.K. – nog aan de Jeune Peinture Belge deelgenomen.

W.V.M.: Ja, maar ik heb mijn plannen om kunstenaar of onderzoeker te worden snel aan de kant gezet nadat ik aan het K.A.S.K. was aangesteld. Plots slorpte de wereld van de actuele kunst mij helemaal op. Ik wilde alles over hedendaagse kunst weten en kreeg er maar niet genoeg van om overal naartoe te rijden en tentoonstellingen te bezoeken. Ik kwam simpelweg niet meer aan een proefschrift toe. Ook aan een artistieke carrière heb ik snel verzaakt. Ik was weliswaar ontgoocheld toen ik in 1974 voor de Jeune Peinture Belge was ‘afgewezen’, maar ik had ook snel begrepen dat het kunstenaarschap niet voor mij weggelegd was. Bovendien vond ik het geen goed idee om twee beroepen met elkaar te combineren. Je kan dus stellen dat ik vrijwel meteen koos om voluit voor het docentschap te gaan.

K.B./D.P.: Wat motiveerde jou om les te geven?

W.V.M.: Het Bildungsideal! Ik was erop gebrand om jonge mensen te vormen, hen inzichten bij te brengen en met ideeën te verrijken. Ik was ervan overtuigd dat ik hen zou kunnen ‘voeden’. Mij stond immers nog levendig voor de geest wat de overdracht van leraar op leerling bij mezelf had teweeggebracht, door les te krijgen van mensen als Hoppenbrouwers en D’Hulst. Als je niet gelooft dat je mensen kan kneden of dat zij zich kunnen openstellen voor wat je te vertellen hebt, dan moet je een ander beroep zoeken. Ik heb dat vertrouwen altijd gehad. Anderzijds verwachtte ik van de studenten dat zij openstonden voor wat ik aanbracht.

K.B./D.P.: Hoe deed je dat?

W.V.M.: Aanvankelijk moedigde ik hen aan om boeken mee te brengen over de kunstenaars die in de lessen aan bod zouden komen. Van de directie van het K.A.S.K. kreeg ik immers amper de kans om met hen op reis te gaan; Pierre Vlerick vond dat te duur en vreesde dat het uit de hand zou lopen. Alles moest ter plekke gebeuren. Omdat ik het visuele contact met het kunstwerk belangrijk vond, trachtte ik dat door plaatjes in boeken te ondervangen die door de studenten moesten worden meegebracht. Het pakte niet goed uit. Het resultaat was dat zij tijdens de les verstrooid in een catalogus zaten te bladeren in plaats van mijn betoog te volgen. In het begin heb ik ook enkele keren geprobeerd om van de interesses van de studenten uit te gaan, maar ik kwam er spoedig achter dat dat geen goed idee was.

K.B./D.P.: Waarom niet?

W.V.M.: Ik informeerde bijvoorbeeld naar de films of tentoonstellingen die ze hadden gezien, de muziek die hen boeide, de boeken die ze lazen… De antwoorden waren ontgoochelend. Wat lazen ze? Het weekblad HUMO. Hun favoriete muziek? The Rolling Stones of Talking Heads. Tentoonstellingen? Die bezochten ze niet. Hun favoriete kunstenaars? Ze hielden van vaste waarde Oskar Kokoschka en celebrities als Francis Bacon en David Hockney.

K.B./D.P.: Ging je op de voorstellen van de studenten in?

W.V.M.: Welgeteld één les heb ik gegeven over een kunstenaar die bij de studenten populariteit genoot – namelijk Francis Bacon – maar ik begreep meteen dat het geen zin had om hun voorkeuren centraal te stellen. Toevallig las ik in die tijd een bundel radiolezingen van Adorno, die in 1971 in het Nederlands was verschenen onder de titel Opvoeding tot mondigheid. Adorno gaf zelf les en was zich als geen ander bewust van de macht die hij over zijn studenten uitoefende. In een van die lezingen betoogt hij dat elke leraar een – onterechte – voorsprong op zijn leerlingen heeft opgebouwd en dat de verhouding tussen leraar en leerling onvermijdelijk getekend is door geweld en macht. Ik besefte dat aan de machtspositie van de docent niet te ontkomen viel. Op basis van dat inzicht heb ik mijn aanpak bijgesteld.

K.B./D.P.: Wat hield dat in?

W.V.M.: Omdat het niet mogelijk was om met de studenten te reizen, besloot ik om alléén op reis te gaan. In alle musea of kunsthallen die ik bezocht, nam ik een grote hoeveelheid dia’s die ik in de les gebruikte. Daarnaast verzamelde ik ter plekke zoveel mogelijk documentatie – boeken over kunstenaars en kunstbewegingen, tentoonstellingscatalogi, geschriften van kunstenaars, tijdschriften… – die ik enerzijds verwerkte in mijn lessen en anderzijds in de klas aan de studenten doorspeelde. Ik volgde de vakliteratuur op de voet en gebruikte de boeken en tijdschriften die ik kocht tevens om dia’s te maken – in de eerste jaren was mijn verzameling van zelfgemaakte dia’s van tentoonstellingen immers nog niet zo uitgebreid. Ik had het geluk dat mijn volledige lessenpakket op maandag en dinsdag tijdens het eerste semester was geconcentreerd. Van woensdag tot vrijdag kon ik er dus op uittrekken om tentoonstellingen te bezoeken – het tweede semester had ik zelfs volledig vrij om te reizen.

K.B./D.P.: Welke plekken bezocht je zoal?

W.V.M.: In Nederland ging ik het vaakst naar het Stedelijk Museum (Amsterdam), Museum Boijmans Van Beuningen (Rotterdam) en het Van Abbemuseum (Eindhoven). In Parijs deed ik vooral het Musée d’art moderne de la ville de Paris aan. Daar mocht ik zonder enig probleem fotograferen; in het Centre Pompidou – dat in 1977 zijn deuren opende – is mij dat op een enkele uitzondering na nooit toegestaan. Natuurlijk kwam ik ook geregeld in de kunsthallen en kunstmusea van steden als Keulen, Düsseldorf, Essen, Mönchengladbach, Krefeld… – het waren allemaal places to be als je de hedendaagse kunst trouw wilde volgen. Tijdens het weekend verwerkte ik de tentoonstellingen die ik gezien had en het materiaal dat ik gekocht had, zodat ik op maandag en dinsdag klaar was om terug voor de klas te staan.

K.B./D.P.: Het kon dus gebeuren dat je lesgaf over tentoonstellingen die je pas de week voordien had bezocht?

W.V.M.: Ja, op voorwaarde dat mijn beeldmateriaal klaar was. In de eerste jaren van mijn docentschap nam de ontwikkeling van diapositieven nog vrij veel tijd in beslag; pas vanaf de jaren 90 was die klus op amper een of twee dagen geklaard. Ik zat de kunstactualiteit evenwel vanaf het begin op de huid. Ik gaf les over tentoonstellingen op het moment dat ze nog liepen en dus nog door de studenten bezocht konden worden. Vaak begon ik de les overigens met een soort ‘kunstagenda’, een overzicht van de belangrijke tentoonstellingen die op dat moment in diverse steden in onze buurlanden te zien waren.

K.B./D.P.: Je gaf dus ‘kunstactualiteit’ in de letterlijke zin van het woord!

W.V.M.: Jazeker, maar tegelijk gaf ik niet uitsluitend les over hedendaagse kunst. Ik was er snel van overtuigd geraakt dat ik ook de klassiek-moderne kunst aan bod moest brengen.

K.B./D.P.: Hoe was je tot die conclusie gekomen?

W.V.M.: Al in mijn eerste lessen in september 1973 bracht ik Fluxuskunstenaars als Ben Vautier, Nam June Paik, Charlotte Moorman en Joseph Beuys ter sprake. Die namen vielen op ijskoude bodem! De studenten wisten totaal geen blijf met dat soort kunst. Ze hadden amper van die kunstenaars gehoord. Toen ik de relatie legde met het werk van hun voorgangers, bleek dat ze ook daar bitter weinig van af wisten. Het was duidelijk dat een minimale basiskennis van de moderne kunst noodzakelijk was om de hedendaagse kunstenaars die ik besprak te kunnen plaatsen. Ik bracht de moderne kunst echter steeds ten berde in relatie tot hedendaagse kunst. Het werk van Duchamp behandelde ik bijvoorbeeld in relatie tot Beuys. Naar aanleiding van Marcel Broodthaers heb ik enkele lessen gewijd aan René Magritte. Als ik over Polke sprak, verwees ik naar Picabia. Van Kurt Schwitters kon ik, over Robert Rauschenberg en Jasper Johns, een lijn trekken die tot aan het werk van Edward Kienholz liep.

K.B./D.P.: Je keerde terug in de geschiedenis in functie van de actualiteit? 

W.V.M.: Precies. De studenten moesten de geschiedenis van de moderne kunst niet op hun duimpje kennen, ze dienden enkel te beseffen dat de actuele kunst die ik belichtte niet uit het niets kwam en dat ze voortbouwde op een oudere traditie.

K.B./D.P.: Welke hedendaagse kunst heb je in de periode 1973-1980 belicht?

W.V.M.: Zoals gezegd behandelde ik vanaf het begin de kunst van Fluxus. Beuys had ik reeds het jaar voordien in Documenta 5 (1972) ontmoet. In 1973 kwam de eerste belangrijke monografische studie over zijn werk uit en toen heb ik onmiddellijk besloten om over Beuys les te geven. Ik besteedde ook al vroeg aandacht aan minimal art (Donald Judd, Dan Flavin,…), conceptuele kunst (Joseph Kosuth, Sol LeWitt,…), land art (Robert Smithson) en arte povera (Mario Merz, Jannis Kounellis,…). Kunstenaars als Daniel Buren, Niele Toroni en Marcel Broodthaers waren heel prominent aanwezig in mijn lessen. Ik besteedde aandacht aan vrouwelijke kunstenaars als Eva Hesse, Marina Abramovic, Gina Pane, Louise Bourgeois, Louise Nevelson. Ik weet dat ik de naam had om enkel over mannelijke kunstenaars te spreken, maar dat klopt niet. In mijn lessen van de jaren 70 kwamen heel wat oeuvres van vrouwen aan bod. Vanaf 1977 begon ik over het Weense Aktionisme les te geven – met aandacht voor het werk van onder anderen Arnulf Rainer, Otto Mühl, Günter Brus en Hermann Nitsch. De Weense Aktionisten beoefenden een spectaculaire kunst met een pseudoreligieuze achtergrond, die wortels had in het theater. Het was interessant om hun werk tegen dat van Beuys af te zetten, dat een totaal ander referentiekader had. Ik toonde onder meer de Aktion Zerreisprobe van Günter Brus en de Aktionen van Rudolf Schwarzkogler waarin hij onder meer gaas rond zijn penis wikkelde. De studenten waren geschokt! Sommigen verlieten het lokaal omdat ze dachten dat ik met pornografie in plaats van kunst op de proppen kwam. In 1977 was het echt not done om dergelijke kunst te tonen. Vanaf 1979 kwam ook Sigmar Polke aan bod. Ik was inmiddels een beetje op het werk van Beuys uitgekeken en raakte geïntrigeerd door de antibeuysiaanse houding die uit Polkes werk sprak. Polke ridiculiseerde de verheven metaforen die Beuys voor het kunstenaarschap had verzonnen. De zogenaamde ‘groeikracht’ waar Beuys het altijd over had, haalde hij bijvoorbeeld onderuit door de kunstenaar met een aardappel te vergelijken, die in de kelder ligt en scheuten krijgt… In 1978 heb ik een eerste belangrijke tentoonsteling van Polke gezien in InK. Halle für internationale neue Kunst te Zürich. Vanaf dat moment was hij niet meer uit mijn lessen weg te branden. Het gebeurde wel vaker dat kunstenaars prominenter in beeld kwamen nadat ik net een boeiende tentoonstelling van hen had gezien.

K.B./D.P.: Kan je daar nog voorbeelden van geven?

W.V.M.: Aan Daniel Buren heb ik bijvoorbeeld meer aandacht besteed nadat ik in 1976 een solotentoonstelling van hem had bezocht, die op hetzelfde moment in drie Nederlandse musea plaatsvond. De delen hadden een aparte titel – Hier/Ici (Stedelijk Museum, Amsterdam), Désormais/Vanaf (Rijksmuseum Kröller-Müller, Otterlo) en Ailleurs/Elders (Stedelijk van Abbemuseum, Eindhoven) – en de werken verwezen naar elkaar doordat ze in elkaars richting waren opgesteld. Een andere tentoonstelling die me heel erg geïnspireerd heeft, was de door Klaus Bußmann en Kasper König gecureerde Skulptur Ausstellung in Münster (1977), die naast een klassiek overzicht van de moderne beeldhouwkunst ook een Projektbereich met in-situwerken van hedendaagse kunstenaars omvatte, onder wie Carl Andre, Joseph Beuys, Donald Judd en Richard Serra. De Projektbereich is later tot de tienjaarlijkse tentoonstelling Skulptur Projekte Münster uitgegroeid, waarvan ik overigens ook de andere afleveringen (1987, 1997) gezien en behandeld heb in mijn lessen. Wat ik in de editie van 1977 revelerend vond, was het inzicht dat de omliggende ruimte een steeds grotere rol begon te spelen in de ervaring van het kunstwerk. Carl Andre toonde bijvoorbeeld een steel line met 97 staaltegels die de glooiing van een heuvel bij de Aasee volgde en aldus de omgeving bij het kunstwerk betrok. Donald Judd realiseerde vlak bij de Aasee een sculptuur met twee betonnen ringen waarvan er één perfect waterpas stond en de andere de helling van het terrein volgde. Judd stelde dat de beleving van zijn werk en van de omgeving belangrijker waren dan de intrinsieke kwaliteiten van zijn sculpturen. Ook de drie reusachtige, in beton gegoten ‘biljartballen’ van Claes Oldenburg op de Aaseeterrassen waren duidelijk toegesneden op de plek waar ze opgesteld waren. Ik heb evenwel zelden over thema- of groepstentoonstellingen lesgegeven omdat ik dat erg moeilijk vond. De documenta’s en de edities van Skulptur Projekte heb ik steeds belicht, maar ik voelde me meer op mijn gemak bij een monografische aanpak.

 

3.

K.B./D.P.: Kan je beschrijven hoe jouw lessen waren opgebouwd?

W.V.M.: Ik begon met een bondige situering van de kunstenaar. Daarbij verschafte ik de nodige biografische informatie, gaf ik een korte omschrijving van het werk – ging het om schilderkunst of om sculptuur; hebben we te maken met objecten of met installaties? – en lichtte ik de verschillende delen van het oeuvre toe. Ik legde ook verbanden met aanverwante kunstwerken of oeuvres, vaak van moderne kunstenaars, en illustreerde het inleidende gedeelte met een beperkt aantal dia’s, zodat de studenten alvast een beeld hadden van wat in de les aan bod zou komen. Vervolgens hield ik een uitgebreider exposé over de kunstenaar. Men heeft mij vaak verweten dat ik op dat moment cavalier seul speelde, maar ik heb de studenten altijd voorgehouden dat zij me mochten onderbreken indien er iets onduidelijk was. Het gebeurde ook dat ik zelf mijn betoog onderbrak zodat ze de kans kregen om vragen te stellen, waarna ik soms een deel van de les hernam en opnieuw enkele beelden toonde. Het laatste deel van de les liet ik veel dia’s zien, aan een redelijk stevig tempo, waarbij ik de beelden evenwel steeds toelichtte. Met mijn dia’s is vaak de spot gedreven. De wildste verhalen deden de ronde. ‘Bij Van Mulders krijg je duizend dia’s per les.’ Daar klopt hoegenaamd niets van. Ik ging heel voorzichtig met dia’s om. Ik besefte dat ze een lapmiddel waren, dat ze het kunstwerk nooit konden weergeven zoals het in werkelijkheid was. Ik gaf dat ook steeds uitdrukkelijk aan.

K.B./D.P.: Hoe deed je dat?

W.V.M.: Ik vermeldde bijvoorbeeld de afmetingen van het werk dat op een diabeeld te zien was. Was het een klein werk? Ging het om een monumentale sculptuur of een metersbreed schilderij? Vanaf een bepaald moment beschikte ik over een diaprojector met een zoom waarmee ik de dia’s van grootschalige werken uitvergrootte en rechtstreeks op de muur projecteerde – dat leverde weliswaar een wazig beeld op, maar gaf de studenten toch een idee van de werkelijke dimensies van het kunstwerk. Velen vonden het saai dat ik bij elk werk systematisch de verhoudingen vermeldde; ze zagen daar het nut niet van in, maar ik wist wel degelijk wat ik deed. Vergeet ook niet dat veel kunstenaars met betrekking tot de schaal van hun werk een enorme ontwikkeling hebben doorgemaakt. The well shaven cactus van Ger van Elk uit 1972, bijvoorbeeld, is een minuscuul klein werkje, maar later heeft Van Elk heel grote werken vervaardigd. Dat soort ontwikkeling wilde ik ook aan bod laten komen. Ik liet ook steeds veel detailopnames van kunstwerken zien. Ik wilde de interactie tussen de details en het totaalbeeld zichtbaar maken. Het leven van een kunstwerk zit vaak in de details en dat kan je met een overzichtsbeeld nooit weergeven.

K.B./D.P.: Dat laatste aspect van jouw methodiek doet denken aan wat D’Hulst jou leerde, namelijk dat je van het algemene naar het bijzondere moest gaan.

W.V.M.: Helemaal akkoord.

K.B./D.P.: Kan je iets meer vertellen over de andere documentatie die je gebruikte in jouw lessen?

W.V.M.: Vooral in het begin speelden tijdschriften een belangrijke rol: het Italiaans-Engelse Flash Art, het Franse tijdschrift Art press, dat in het jaar voor mijn aanstelling (1972) van start was gegaan… Het Amerikaanse Artforum was een toonaangevend tijdschrift in de jaren 70; ik verplichtte de studenten bijna om dat blad te consulteren. Het Duitse Kunstforum vond ik heel dankbaar omdat er in die tijd heel veel diepte-interviews met hedendaagse kunstenaars in werden gepubliceerd. Daarnaast maakte ik gebruik van teksten uit catalogi en van kunstenaarsgeschriften. Kunstenaars die zelf over kunst schreven, vond ik erg boeiend omdat ik hun teksten in mijn lessen kon gebruiken. Van Joseph Kosuth was in 1976, naar aanleiding van zijn solotentoonstelling in het I.C.C. te Antwerpen, een bundel van zijn belangrijkste teksten uitgekomen, in een Nederlandse vertaling van Jan Vercruysse. Het was een bijkomende reden om nader op zijn werk in te gaan. Ook van de geschriften van Daniel Buren, Robert Smithson en Robert Morris – diens Notes on sculpture – heb ik dankbaar gebruik gemaakt. Ik trachtte de studenten ertoe te bewegen oorspronkelijke teksten te raadplegen, maar makkelijk is dat nooit geweest. ‘Maar mijnheer, dat is geen Nederlands’: het is een opmerking die ik tot in den treure heb mogen horen.

K.B./D.P.: Gaf je gehoor aan die klacht?

W.V.M.: Ik heb verschillende teksten van en interviews met kunstenaars vertaald, bijvoorbeeld twee interviews met Joseph Beuys. Na een tijdje begon ik ook zelf teksten te schrijven voor de studenten.

K.B./D.P.: Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

W.V.M.: Ik heb altijd last gehad van plankenkoorts; à l’improviste lesgeven, zoals sommige collega’s deden, was totaal niet aan mij besteed. Ik bereidde mijn lessen grondig voor en maakte uitgebreide notities die ik aanvankelijk voorlas. Ik merkte echter dat ik het contact met de studenten dreigde te verliezen doordat ik veel te lang over mijn papieren gebogen zat. Ik leerde gaandeweg om losser met mijn nota’s om te springen. Terzelfder tijd besliste ik om die uitgeschreven lesvoorbereidingen tot lopende teksten uit te werken, meestal over individuele kunstenaars.

K.B./D.P.: Over welke kunstenaars heb je teksten geschreven?

W.V.M.: In de jaren 70? Onder meer over Joseph Beuys, Daniel Buren, Niele Toroni, Marcel Broodthaers, Mario Merz en Eva Hesse. Telkens wanneer ik merkte dat ik op het werk van een bepaalde kunstenaar meerdere keren terugkwam, was dat een reden om er een tekst over te schrijven. Ik vond het belangrijk dat mijn studenten iets hadden om op terug te vallen. Ik heb nooit een cursus gemaakt, maar in feite kan je de verzameling van de teksten die ik tijdens het jaar aan de studenten uitdeelde als ‘de cursus’ beschouwen. Die bundel werd elk jaar hernieuwd.

K.B./D.P.: Gebeurde het ook dat je een nieuwe versie van een tekst over één bepaalde kunstenaar maakte?

W.V.M.: Zeker. Ik volgde nauwgezet de literatuur over kunstenaars die ik belangrijk vond. Ik stond erop om de laatste stand van het onderzoek in mijn lessen op te nemen. Het maakte de lessen rijker en het was ook voor mezelf spannend. Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik in 1987 een interessant Broodthaersnummer van het Amerikaanse tijdschrift October (nr. 42, 1987), met onder meer een puike bijdrage van Birgit Pelzer, in mijn lessen heb verwerkt.

K.B./D.P.: Gebruikte je je eigen kunstkritische publicaties in je lessen?

W.V.M.: Dat deed ik uiterst zelden.

K.B./D.P.: Waarom niet? 

W.V.M.: Ik vond ze niet geschikt voor de studenten. Mijn essays en kritieken waren geschreven voor een publiek dat goed op de hoogte was van de kunstactualiteit. In de academie had ik met zeer jonge mensen te maken, die doorgaans nog geen flauw benul hadden van hedendaagse kunst. Ik wilde mijn kunstkritische praktijk voorts niet als een autoriteitsargument gebruiken. De studenten ontdekten vanzelf wel dat ik als criticus actief was, en dan kon het gebeuren dat ze mij erover aanspraken.

K.B./D.P.: Kwam het – omgekeerd – voor dat teksten die je oorspronkelijk voor je studenten had geschreven een publiek leven kregen?

W.V.M.: Zeer uitzonderlijk. Zo is in 1980 een aantal fragmenten uit een tekst over Beuys onder de titel Joseph Beuys: de metamorfose van het litteken in het tijdschrift Streven verschenen. Het jaar daarop heeft Art Press delen gepubliceerd van mijn stuk over Gordon Matta-Clark (La Révolte de Gordon Matta-Clark, februari 1981). Ik probeerde de hedendaagse kunst echter niet alleen door het schrijven van teksten en het tonen van beelden inzichtelijk te maken. In het kader van Proka heb ik ook enkele events en tentoonstellingen georganiseerd zodat de studenten binnen de muren van de academie in aanraking kwamen met hedendaagse kunst.

K.B./D.P.: Wat organiseerde je?

W.V.M.: De eerste manifestatie die ik op touw zette, was een Fluxusconcert van Ben Vautier, dat op 28 januari 1975 in de gangen van de academie plaatsvond. Ik had Ben Vautier gecontacteerd via Claude Devos van het I.C.C., waar ik in 1972 zelf al een Fluxusconcert van Vautier had bijgewoond. Met dat concert was mijn reputatie binnen de academie voorgoed gevestigd.

K.B./D.P.: Leg uit! 

W.V.M.: Vautier had onder meer twee enorme vellen papier over de hoofden van de mensen laten afrollen, waarbij het papier volgens plan door het publiek versnipperd werd. Aan het einde van het concert sloot hij iedereen gedurende een half uur op. Sommige mensen zijn toen echt razend geworden. De dag nadien weigerden de poetsvrouwen de overblijfselen van het event – een immense berg vuiligheid, waaronder een grote hoop snippers papier – op te kuisen. Ze gingen bij Pierre Vlerick hun beklag doen en zijn ook op het stadhuis gaan vertellen dat ze nog nooit zo’n smerige boel hadden gezien. Enkele praktijkdocenten hebben toen van de gelegenheid gebruik gemaakt om mijn positie ter discussie te stellen. Ze vonden dat ik een slechte invloed had op de studenten. Ik was niet bepaald geliefd bij de atelierleraars.

K.B./D.P.: Wat was het probleem?  

W.V.M.: In mijn lessen haalde ik de overtuigingen onderuit die de studenten in de ateliers meekregen met betrekking tot artistieke vrijheid, ‘zelfexpressie’ en zo meer. Ik stelde de premissen in vraag waarop het atelieronderwijs gebaseerd was, waaronder de indeling in media als schilder- en beeldhouwkunst. Dat konden de atelierleraars maar matig appreciëren. Ik vond het echter mijn taak. Het was mijn plicht om die ideeën openlijk ter discussie te stellen omdat het werk van de kunstenaars waarover ik lesgaf mij leerde dat ze in diskrediet waren geraakt. Soms durfde ik wel provocatief uit de hoek te komen.

K.B./D.P.: Wat deed je dan precies?  

W.V.M.: In de ateliers werden bijvoorbeeld twee schilders opgehemeld: Pierre Bonnard en Giorgio Morandi. Ik ging daar tegenin en legde de studenten uit dat ik die kunstenaars – met alle respect voor hun kwaliteiten – tweederangsfiguren vond. Het leverde best een pittige discussie op!

K.B./D.P.: Welke andere manifestaties heb je georganiseerd naast het concert van Ben Vautier?  

W.V.M.: Enige tijd later heb ik meegewerkt aan de tentoonstelling Theorie, Informatie, Praktijk (16 januari – 30 januari 1976), die op mijn uitnodiging georganiseerd werd door Roger D’Hondt, de drijvende kracht achter het experimentele kunstcentrum New Reform in Aalst. In het kader van die manifestatie heb ik voorgesteld om een Nederlandstalige versie uit te brengen van Beuys’ bekende Plastiktüte [plastic zak] waarop de kunstenaar zijn zogenaamde ‘groene’ en ‘rode’ maatschappijvormen tegenover elkaar plaatst: de groene, die op democratische wijze wordt gestuurd door de wil van het volk – helemaal in de lijn van de door Beuys in 1971 opgerichte Organisation für direkte Demokratie durch Volksabstimmung – en de rode, die door de macht van de ‘partijen’ wordt beheerst. Beuys had de oorspronkelijke – Duitstalige – editie van die multipel gemaakt naar aanleiding van Documenta 5 (1972). In 1975 zocht ik hem op met het voorstel om een Nederlandstalige editie uit te brengen. Hij ging onmiddellijk akkoord. De plastic zak fungeerde meteen ook als verpakking van de vertalingen van de interviews met Beuys die ik in de lessen gebruikte. Wat later heb ik in samenwerking met de Brusselse curator en criticus Bernard Marcelis de tentoonstelling Plan and Space (20 januari – 12 februari 1977) gerealiseerd. Dat was veruit de meest ambitieuze manifestatie die ik voor Proka heb opgezet.

K.B./D.P.: Hoe was de tentoonstelling opgevat?

W.V.M.: Plan & Space omvatte ruimtelijk werk van Mel Bochner, Nigel Hall, Bernard Joubert, Barry Le Va, Teodosio Magnoni, Anthony McCall en Fred Sandback. De tentoonstelling vond plaats in de grote, brede gang van het gebouw aan de Academiestraat. We hadden de ruimte in zeven cellen opgedeeld, die telkens door één kunstenaar in beslag werden genomen. Zoals de titel aangeeft, stond de verhouding van het kunstwerk tot de ruimte centraal. Antony McCall realiseerde bijvoorbeeld het werk Line describing a cone, waarbij een kegelvormige lichtstraal als een zwaailicht om zijn as cirkelde en op die manier de grenzen van de ruimte aftastte. Het werk van Fred Sandback bestond uit niet meer dan een touwtje dat over de vloer en de wanden liep, en aldus de ruimte ‘omarmde’. Bernard Joubert trok met behulp van twee rode stickertjes een virtuele lijn door de ruimte. Zijn werk was typisch voor de postminimalistische kunst die we wilden brengen.

K.B./D.P.: Waren de kunstenaars persoonlijk bij de tentoonstelling betrokken?

W.V.M.: Mel Bochner is zijn bijdrage – een vloersculptuur waarin hij met krijt en steentjes de stelling van Pythagoras illustreerde – zelf komen installeren. Van Sandback had ik per brief aanwijzingen gekregen voor de installatie van het werk. Sandbacks en Bochners werken waren zeer vluchtig – dat kan je letterlijk nemen, want het draadje van Sandback en de steentjes van Bochner verdwenen om de haverklap tijdens de tentoonstelling.

K.B./D.P.: Heb je daarna nog het initiatief tot een tentoonstelling genomen?

W.V.M.: Jazeker, in 1978 was de reizende tentoonstelling Ambulant en kortstondig van het collectief Schède op mijn initiatief te gast in de Zwarte Zaal. De bedoeling was dat de tentoonstelling op zoveel mogelijk plaatsen te zien zou zijn alvorens de werken in het I.C.C. – de laatste halte van de reizende tentoonstelling – vernietigd zouden worden. Plan & Space en de tentoonstelling van Schède hebben weliswaar geen rel veroorzaakt, maar ze lagen evenmin makkelijk bij veel leraren en studenten. Met alles wat ‘conceptueel’ was, had men het moeilijk.

K.B./D.P.: De frisse wind die Proka in het K.A.S.K. liet waaien, werd kennelijk niet door iedereen geapprecieerd.

W.V.M.: Nee, als je afging op wat er in de ateliers gebeurde, dan was het K.A.S.K. in veel opzichten een bastion van de traditie. In het docentenkorps stond ik tijdens de jaren 70 vrij alleen. Nochtans dacht ik heel genuanceerd over het kunstonderwijs. Omstreeks 1980 heb ik aan een tweetal colloquia over kunstonderwijs deelgenomen die voor een studentenpubliek werden gehouden in de Zwarte Zaal. Centraal stond de vraag of kunstonderwijs naar klassiek model – tekenen, modelschilderen… – nog van betekenis kon zijn in een hedendaagse kunsthogeschool. Ik heb mijn visie over kunstonderwijs naar voren gebracht en die was helemaal niet zo rechtlijnig als velen in het K.A.S.K. verwacht hadden.

K.B./D.P.: Welke visie verdedigde je?

W.V.M.: Iedereen dacht dat ik zou pleiten voor de onmiddellijke afschaffing van de klassieke academiestructuur. Ik stond echter een strenge, klassieke en gedisciplineerde vorm van kunstonderwijs voor, met veel aandacht voor technische basisvaardigheden zoals tekenen. Ik voegde daar wel meteen aan toe dat die technieken geen garantie waren voor een authentiek kunstenaarschap. De kunst begint pas als je die vaardigheden hebt aangeleerd. In de jaren 70 vroeg ik mijn studenten weleens waarom ze voor een kunstopleiding hadden geopteerd. Hun antwoord kwam er steeds op neer dat ze kunst wilden maken omdat ze hun zin wilden doen en droomden van de vrijheid die het kunstenaarschap in het vooruitzicht stelde. Groot was hun verbazing toen ik hen trachtte duidelijk te maken dat ze zich geen illusies moesten maken en dat kunst volgens mij een van de moeilijkste levenskeuzes was die er bestaan.

 

wordt vervolgd

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Dirk Pültau

Kunst en onderwijs

1. Leerling

Koen Brams/Dirk Pültau: Hoe heb jij als studente je opleiding beleefd? Bewaar je herinneringen aan bepaalde docenten die jou bijzonder stimuleerden of van wie je achteraf kan zeggen dat ze jou geïnspireerd hebben?

Joëlle Tuerlinckx: Als ik heel ver in de tijd terugga, herinner ik me eerst en vooral m’n onderwijzeres in de tweede klas van de lagere school. Zij verstond de kunst om de leerstof op een heel spannende manier over te brengen en onze aandacht gaande te houden. Zij kon ons echt doen watertanden. Wanneer ze bijvoorbeeld lesgaf over de sinaasappel, dan zat je de hele les te denken hoe je straks van die sinaasappel zou smullen. Je dreef op die gedachte, op die spanning. Ik ben ze niet vergeten: noch de les en hoe die was opgebouwd, noch de smaak van die sinaasappel; dit soort lessen hebben zonder twijfel mijn belangstelling voor het onderwijs gewekt. Ik heb altijd een zekere voorliefde gekoesterd voor het verklaren van complexe onderwerpen. Vanaf mijn eerste leerjaren had ik voortdurend het gevoel dat het onderwijs en de kennisopbouw op onlogische vormen van rationaliteit steunden, of dat die althans haaks stonden op mijn eigen logica. Ik moest de leerstof altijd eerst herschrijven, in een nieuwe volgorde herformuleren om me die eigen te kunnen maken, waarna ik ze weer in de oorspronkelijke volgorde uit het hoofd kon leren. Dat dubbele proces van decodering en reconstructie was een enorme inspanning voor het kind dat ik toen was, maar het is mij altijd bijgebleven en het blijkt van enorm belang te zijn geweest. In die aanpak kan je al iets herkennen wat verband houdt met pedagogie en didactiek.

K.B./D.P.: Je hebt wel eens een aantal docenten genoemd die tijdens je artistieke vorming een bepaalde indruk hebben nagelaten: Marc Van Hove in de eerste plaats, daarnaast ook Roland Jadinon en Pierre Carlier, en ooit had je het ook over Marthe Wéry.

J.T.: Marthe Wéry heb ik eerder genoemd als toonbeeld van een vrouw die doceert. Ik heb nooit les bij haar gevolgd. Na mijn voorbereidend jaar aan Saint-Luc in Brussel had ik de mogelijkheid om mijn kunstopleiding voort te zetten bij Marthe, die toen de leiding had over het schildersatelier. Haar manier van lesgeven sprak me aan, maar ik voelde me geen schilder. Op een of andere manier kon ik me niet met de schilderkunst vereenzelvigen. Ik had al een voorgevoel dat mijn werk meer te maken zou hebben met driedimensionaliteit, met ruimte, en dat het een ‘experimenteel’ karakter zou hebben. Ik heb dus niet gekozen voor Marthe Wéry, maar opteerde voor de École de recherche graphique (ERG). Naar mijn gevoel werd daar een aanpak voorgestaan die veel verrassender, nieuwer, experimenteler was…

K.B./D.P.: In welke zin gold Marthe Wéry voor jou dan als een voorbeeld? Wat sprak jou precies in haar aan?

J.T.: Ze was ongelooflijk dynamisch. Als je haar atelier binnenstapte, had je meteen zin om aan de slag te gaan. Ze had iets enorm aanstekelijks over zich. In zekere zin is zij een ver voorbeeld voor mij geweest, als een vrouwelijke kunstenaar die met kleur werkte en een bepaald gevoel voor ruimtelijkheid bezat. Toen ik voor het eerst een van haar tentoonstellingen bezocht, kwam het me voor dat haar schilderijen zich losmaakten van de muur en me letterlijk overvielen. Niet alleen de schilderijen, maar de tentoonstelling als geheel bracht een soort duizeling bij mij teweeg. Voor mij was dat de bevestiging van een intuïtie of een stellingname die ik nu veel beter kan duiden, en die ermee te maken heeft dat de gehele tentoonstelling als medium is opgevat. Natuurlijk waren vrouwelijke kunstenaars in die tijd ook nog niet zo dik gezaaid. Misschien is dat een betere verklaring voor mijn identificatie met Marthe Wéry. Zij was trouwens omringd door anderen; je koos niet alleen voor een docent, maar voor een team. Misschien heb ik niet voor het team van Marthe gekozen omdat mijn voorkeur zo fel uitging naar Marc Van Hove.

K.B./D.P.: Marc Van Hove was toen al jouw leraar?

J.T.: Jawel, je moest in dat voorbereidende jaar kiezen tussen twee richtingen: de zogenaamd ‘goede’, die voorbereidde op de afdeling publiciteit, en de ‘slechte’, die je voorbereidde op de vrije kunsten. Ik kon dat ‘slechte’ jaar wel waarderen: de leerstof werd er op een heel vreemde manier benaderd en die aanpak beviel me uitstekend.

K.B./D.P.: In welk opzicht was Marc Van Hove een stimulerende docent?

J.T.: Hij verstond de kunst om structuur aan te brengen in de leerstof en hij stelde de juiste vragen. In de woorden van Glenn Gould, die hij trouwens citeerde: ‘Wat kan een leraar meer doen dan vragen stellen?’ Vragen stellen, dat deed Marc; het was zijn manier om samen met ons over een praktijk na te denken, als het ware op de tast, stap voor stap. Voor het tekenonderricht had hij methodes ontwikkeld die ik geweldig vond, omdat ze niet gericht waren op representatie. Ik verwachtte van de school niet dat ze mij de zin voor juiste verhoudingen zou bijbrengen of de kunst zou leren om die toe te passen. Dat deed Marc ook niet. Zijn methodes spraken het hele lichaam aan; je moest jezelf als ‘instrument’ inzetten. Tijdens de eerste lessen vroeg hij ons bijvoorbeeld om netwerken van lijnen te tekenen. Je werd – zo stel ik het mij nu voor – uitgenodigd om te ervaren dat je er plezier aan kan beleven om vier uur lang rasters of evenwijdig lopende lijnen op papier te zetten. Marc had het over het licht van een blad papier, terwijl we op dat blad nochtans alleen maar punten, lijnen of rasters aanbrachten. Het was een schok: het licht kwam niet van de zon, maar van een lijn op een blad. Ik herinner me dat die oefeningen een grote concentratie vergden, en dat ik er helemaal voor ging. Dat eerste jaar was heel basic, en sloot dus perfect aan bij de voorliefde voor het ‘elementaire’ die ik altijd heb gekoesterd. Het onderwijs leek wel voor mij op maat gemaakt.

K.B./D.P.: Was jij in die klas de enige die dat op die manier beleefde?

J.T.: Zo ongeveer wel, denk ik. Daardoor is een sterke band ontstaan tussen Marc en mij. We hebben dat als een echte ontmoeting beleefd. We werden vanaf het eerste jaar vrienden, want hij zag iemand die het fantastisch vond wat hij van me vroeg, met die punten en lijnen, terwijl de klas er doorgaans niks van snapte.

K.B./D.P.: In die idee van haast repetitieve oefeningen schuilt ook een sterk bewustzijn van het feit dat de finaliteit van kunstonderwijs iets heel betrekkelijk is.

J.T.: Ja, het enige ‘doel’ bestond erin om in het hier en nu voor dat blad papier te gaan zitten en van dat blad en van jezelf te leren. Marc beklemtoonde die elementaire aspecten. Er bestaan vast duizend manieren om te leren tekenen, bijvoorbeeld door een cursus tekenen naar naaktmodel te volgen, maar het leek of Marc het tekenproces had ontleed en ons liet kennismaken met de afzonderlijke bestanddelen ervan.

K.B./D.P.: Had je werkelijk een rationeel inzicht in zijn methode en wat hij ermee beoogde?

J.T.: In zekere zin wel en ze beviel me uitstekend omdat mijn brein gemaakt was om de dingen op die manier te benaderen. Daarom noem ik het ook een ontmoeting.

K.B./D.P.: Waar had zijn methode volgens jou mee te maken?

J.T.: Marc was sterk politiek geëngageerd en misschien was het zijn bedoeling om ons, door middel van uiterst eenvoudige oefeningen, een besef bij te brengen van de wereld, ons economisch of politiek bewust te maken. Nochtans lijkt het bijna onmogelijk om zo’n abstracte ervaring als het projecteren van een ‘vierkant van licht’ op een blad papier in verband te brengen met een wereldbeeld. Maar je moet de dingen in hun context plaatsen, die van de ERG vlak na 1968. Wij hadden mei 68 net niet meegemaakt – ik was toen tien jaar – maar onze docenten waren marxistische, zelfs maoïstische post-achtenzestigers die lesgaven over Chinese kunst, volheid en leegte, de interpretaties van François Cheng… Dat is de context waarin die lijnoefeningen pasten.

K.B./D.P.: Was Marc Van Hove zelf ook kunstenaar?

J.T.: Aanvankelijk wel, maar hij is met de kunst gestopt om zich volledig toe te leggen op het onderwijs. Toen ik hem leerde kennen, had hij die beslissing al genomen. Hij beheerste de tekenkunst als geen ander, het leek wel of hij in onze plaats tekende. Hij kon je vertellen waar je begonnen was, waar je had geaarzeld: een meester in het ontcijferen van tekeningen.

K.B./D.P.: Heb je met andere docenten soortgelijke ervaringen gehad?

J.T.: Jawel, ik herinner me Pierre Carlier, een briljant man die lesgaf over beeld en beeldtaal, en Roland Jadinon, die kleurenleer onderwees. Zoals je ziet, werd alles ons in losse elementen aangereikt. Hoewel de praktijk in de ERG centraal stond, waren er geen werkplaatsen die op een specifiek medium waren gericht.

K.B./D.P.: Wat heb jij uiteindelijk aan dat soort ervaringen overgehouden? Hebben die docenten jou geïnspireerd toen je zelf les begon te geven?

J.T.: Vanaf die les met de sinaasappel op de lagere school was ik gefascineerd door leraars die de kunst verstonden om niet alles ineens prijs te geven. Misschien is het geen toeval dat ik zo van Alfred Hitchcock houd.

K.B./D.P.: Welke specifieke ervaringen heb je tijdens die eerste jaren met Marc Van Hove, Roland Jadinon, Pierre Carlier opgedaan?

J.T.: Die eerste jaren sloten aan bij mijn belangstelling. Ik was geïnteresseerd in het ‘elementaire’ en vond het boeiend om na te denken over de zichtbaarheid van de bestanddelen van een werk in opbouw. De vraag hoe je iets toont, hield me van toen af aan heel erg bezig. Wat ik bij deze lesgevers zo bijzonder vond, was dat zij uitlegden waarom ze voor bepaalde onderwerpen kozen. Vooral daarin school hun pedagogische kracht. Marc schreef zijn lessen helemaal uit, haast als een muziekpartituur, die hij trouwens achteraf nog van aantekeningen voorzag. Marc Van Hove, Pierre Carlier en Roland Jadinon waren alledrie, om heel verschillende redenen, zeer bekwame pedagogen, aangezien ze ieder hun eigen onderwijspraktijk hadden uitgevonden. Pierre Carlier had geweldige methoden ontwikkeld om beelden te ontleden. Met behulp van stukken papier, die hij over de beelden schoof, werden elementen door hem afgedekt of onthuld, naarmate zijn betoog vorderde en hij zelf nieuwe dingen ontdekte. In die zin ging het om een echte performance, waarbij op een rechtstreekse manier kennis werd uiteengezet. Hij werkte ook met twee- of soms driedelige figures de fonctionnement, opgebouwd uit elementen die – zoals hij dat uitdrukte – ‘onder spanning‘ stonden, en waar je steeds op kon terugvallen. Het kon gaan over achtergrond, vorm, betekenaar, betekende… Hij onderwees met behulp van zo’n leesschema’s, verknipte het beeld, verstopte, onthulde… Hij leerde ons dat een beeld kan worden gelezen, en liet ons zo diep mogelijk doordringen in het netwerk van mogelijke lezingen, in alle denkbare betekenislagen en connotaties. Van hem heb ik geleerd dat ieder beeld ‘spreekt’, dat een beeld altijd meervoudig is, dat er niet één gedachte achter steekt, maar een oneindig aantal betekenissen die je moet onthullen. Bij Roland Jadinon ging het dan weer om het overbrengen van een zeldzaam gevoel voor, en kennis van de kleur, in al zijn plastische, filosofische, historische aspecten. Hij heeft me doordrongen van het belang van kleur.

 

2. Docent (1983-1999)

K.B./D.P.: Na je studies werd je gevraagd om aan de ERG les te geven. Hoe is dat precies gegaan?

J.T.: Ik had nooit gedacht dat ik docent zou worden. Toen ik aan de ERG afstudeerde, was ik dat ook helemaal niet van plan, de vraag overviel me. Er kwam net een betrekking vrij voor een tekenleraar en diezelfde drie docenten wilden mij in hun team. Dat voorstel was tegelijk prachtig en rampzalig! Lesgeven leek me het mooiste beroep ter wereld, maar kon ik die taak wel aan? En ik wilde me ook zo graag op mijn eigen werk toeleggen. Anderzijds trok het me wel aan om met deze briljante lesgevers samen te werken en na te denken over onderwijs. En zo werd ik de jongste docent van de school, aan de zijde van mijn voorbeelden, mijn ‘vaders’ als het ware. Ik zou dat nooit meer opnieuw doen, het werden de moeilijkste jaren van mijn leven. Ik werd voortdurend heen en weer geslingerd tussen de school en het atelier. Ik was nooit tevreden, noch als lesgever, noch als kunstenaar. Sommige docenten waren er ten andere niet voor te vinden dat ik zou worden aangenomen. Ik herinner me dat onder anderen Birgit Pelzer bezwaar maakte. Ze had gelijk. Een docent moet kunnen bogen op een jarenlange ervaring. Nu besef ik wel hoezeer ik als lesgever uit mijn eigen ondervindingen put, en ik kan me niet meer voorstellen dat het anders zou kunnen.

K.B./D.P.: Wat betekende het om in een team te werken?

J.T.: Ik moest mijn plaats zien te vinden en een eigen manier van lesgeven ontwikkelen. Marc, Pierre, Roland en ik kwamen geregeld samen om na te denken over het thema waarover we zouden werken, over hoe we dat zouden aanpakken en ontwikkelen.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

J.T.: Het kon gaan om een tentoonstelling, een vraagstuk dat ons bezighield, een boek dat we hadden gelezen. Toen bijvoorbeeld Rosalind Krauss’ boek over het grid verscheen, hebben we dat onderwerp op het programma gezet en besproken – het grid als een oud, steeds terugkerend, fundamenteel thema in de hele westerse kunst. We dachten daar eerst samen over na. Is dat interessant? In historisch of in hedendaags opzicht? Biedt het mogelijkheden?

K.B./D.P.: Zoals jij het beschrijft, lijkt het alsof je weliswaar docent was, maar in zekere zin ook student bleef.

J.T.: De eerste jaren was het inderdaad dubbel: ik stond heel dicht bij mijn studenten, het leek bijna alsof ikzelf nog student was. Ik werkte samen met mijn meesters, die me bleven onderwijzen in de kunst van het lesgeven, maar tegelijk ervaarde ik de impact van een leerproces dat we allemaal deelden, zonder dat ik daar precies de hand op kon leggen. Dat gevoel eeuwig student te blijven, ken ik zelfs nu soms nog. Ik heb er moeite mee mezelf als lesgever te zien, mezelf zo te definiëren en jullie vragen over onderwijs te beantwoorden. Het kan vreemd klinken, maar ik kan mezelf als docent makkelijker in de ontkennende wijs omschrijven.

K.B./D.P.: Kan je proberen om je pedagogische praktijk op een positieve manier te karakteriseren? 

J.T.: Als ik erover nadenk, dan vind ik al mijn pedagogische ervaringen positief – zonder uitzondering. Mijn eerste jaren als lesgever deden me langzaam inzien wat ik een groep studenten in een kunstschool te bieden had, hoe ik een klas kon stimuleren en hoe ik de werklust kon bevorderen. In mijn lessen heerste nooit verveling.

K.B./D.P.: Zou je kunnen omschrijven wat jouw bijdrage precies inhield?

J.T.: Hoeveel toewijding ik mijn gewezen docenten ook verschuldigd blijf, ik ben pas iets beginnen bijdragen toen ik alleen ging lesgeven. Op een gegeven moment heb ik de verantwoordelijkheid op mij genomen om het atelier voor beeldhouwkunst op poten te zetten – zonder middelen, materiaal of werktuigen. Ik had een plek uitgezocht achterin de grote collectieve werkplaats. Die grote, lege ruimte gaf me het gevoel dat alles van nul af aan kon worden opgebouwd en uitgevonden. Ik schreef mijn lessen niet langer uit als partituren. Haast bij wijze van tegenreactie kwam ik daar aan zonder vooropgezet idee van wat er te gebeuren stond. Toen heb ik ingezien dat mijn aandeel misschien precies daarin zou kunnen liggen: in de aandacht voor die onhandelbare dimensie, die moeilijk aangeleerd of zelfs maar geformuleerd kan worden, en zich nauwelijks laat inzetten in het kunstonderwijs. Ik raakte geïnteresseerd in de mogelijkheid om bij het lesgeven een beroep te doen op het meer onbewuste deel van jezelf, dat bij het creatieve proces altijd een rol speelt, maar dat als uitgangspunt onverenigbaar is met de school omdat alles daar juist om bewustzijn draait. Ik ben methodes beginnen uit te vinden en ontwikkelen om te onderwijzen vanaf het prille begin, zonder kennis – ik verwees naar het moment waarop men bij het flauwvallen het bewustzijn verliest en de wereld voelt kantelen. Ik vroeg me af of het mogelijk zou zijn om les te geven over beeldhouwkunst en over alle fundamentele en historische begrippen die rond de praktijk van de beeldhouwer zijn geconstrueerd: gewicht, evenwicht, zwaartekracht… Ik gaf les in het eerste jaar, een basiscursus, en stelde me de vraag of je de beeldhouwkunst kon aanleren louter vanuit het zelf, met het eigen lichaam als enig werktuig of materiaal. In die lessen beschikte ik over geen enkel instrument, met uitzondering van een lege metalen kast en een geïllustreerd woordenboek, dat ik gevonden had en in die kast had gelegd. Met dat woordenboek en de leegte eromheen is mijn zoektocht naar nieuwe manieren van lesgeven begonnen. Mijn methoden kwamen erop neer dat we alleen maar uitgingen van de gegevenheden van een bepaalde situatie om hun vanzelfsprekendheid te bevragen. Essentieel aan zo’n methode is dat ze een kritische dimensie aan de oppervlakte brengt. Ook dat aspect is inherent aan het creatieve proces, in de meest enge en letterlijke zin. Mijn bijdrage was dus dat geïllustreerde woordenboek en het vermogen zich daarin te verliezen, waarbij ik ervan uitging dat een woord en een beeld veel meer of toch zeker evenveel vermogen als het gereedschap van de kunstenaar. Je moet weten dat er in die tijd geen computers waren. Wanneer iemand het woordenboek ter hand nam, bracht die persoon een bladwijzer aan. Met de jaren werden die steeds talrijker. Het object groeide uit tot een schitterend, persoonlijk en collectief werkinstrument. In die jaren heeft mijn docentschap pas echt een aanvang genomen. Misschien begin je pas met plezier les te geven wanneer je je eigen methoden gaat ontwikkelen.

K.B./D.P.: Kan je nog andere voorbeelden noemen van methoden die je destijds of later hebt uitgewerkt?

J.T.: Op een dag werd ik uitgenodigd om een workshop te leiden aan de Universiteit Gent. Ik heb toen een methode ontwikkeld die ik action without knowing noemde, waarbij men voortgang maakt zonder zich daarvan bewust te zijn. Dat leverde geweldige ervaringen op. Ik nodigde elke dag een gast uit. Op een keer was dat de schilder Robert Devriendt. Er was geen thema, ik had alleen voorgesteld dat hij een van zijn doeken zou meebrengen. Wie zijn werk kent, weet dat zo’n schilderijtje gewoon in zijn vestzak kan passen. We hebben het werk aan de muur gehangen, en hoewel het kleiner was dan een zakdoek, vulde het meteen de 200 vierkante meter van het leslokaal. De vogel die erop afgebeeld stond, een arend in profiel, en Robert zijn beginnen te ‘spreken’. Ik had hem uitgenodigd bij valavond en van tevoren één ding beslist: dat we geen licht zouden maken. Robert begon te praten over wat hij zag en hij ging maar door; de les is in het donker geëindigd. In het donker leer en zeg je niet dezelfde dingen. De studenten praatten dus anders, alles was anders vanwege het simpele feit dat we geen licht hadden gemaakt. Robert begon als een schilder uit te wijden over hoe het licht weerkaatste op flessen en glazen; hij liet ons de ruimte lezen, hij wees op de lichtreflecties, beschreef het licht en hoe het op de voorwerpen viel… Het was een prachtige workshop, precies omdat ik zelf niet wist waar we naartoe gingen. Iedereen aanvaardde dat. Een van de meest ondenkbare dingen in het kunstonderwijs is dat je je openstelt voor zaken die je niet beheerst. Paradoxaal genoeg kan een les ook vanuit die optiek worden opgebouwd, waarbij je uitgaat van de poreusheid van de wereld en van wat er gebeurt. Dat kan een programma worden. Ik noem dat de ‘onwaarschijnlijkheden’ van het hedendaagse onderwijs. Aanvankelijk voelde ik me verlamd door het gevoel dat ik meer hoorde te weten dan de student, tot op de dag dat ik besliste dat dat niet zo hoefde te zijn, dat ik niet noodzakelijk méér wist. Ik had artistieke ervaring, maar daarom niet per se kennis. Ik herinner me een les over evenwicht…

K.B./D.P.: Vertel!

J.T.: We werkten met alles wat we konden vinden. Was dat een glas water, dan experimenteerden we met dat glas water. De les was opgedeeld in sessies, die naargelang de instructies elk een paar minuten tot een kwartier duurden, of in uitzonderlijke gevallen een heel uur. Er was niet echt een overtuigend resultaat – er werden intrigerende experimenten uitgevoerd, zonder dat ze iets opleverden. Iemand hield een glas vol of leeg in de hand, met gesloten ogen, en er werd geëxperimenteerd met onevenwicht, waarbij het water soms op de vloer pletste. De logische opeenvolging van diverse acties, meestal uitgevoerd met gesloten ogen, resulteerde van buitenaf gezien in een vrij absurde, soms erg verwarrende vertoning – dat komische effect had zowel met de intense concentratie van elke ‘uitvoerder’ te maken als met het totaalbeeld, waar je als toeschouwer geen touw aan kon vastknopen. Ik herinner me de laatste jaren, toen ik met een camera naar de les kwam en al die experimenten filmde. Ik maakte die opnames met het idee om dat hele laatste jaar te registreren, want ik wist dat ik met lesgeven zou ophouden.

K.B./D.P.: Wat heeft je doen beslissen om met lesgeven te stoppen?

J.T.: Mijn werk was in volle ontwikkeling. Ik kreeg de dingen niet meer gecombineerd, kon me niet voldoende vrijmaken, en heb dan beslist met lesgeven te stoppen.

K.B./D.P.: Wanneer is die beslissing gevallen?

J.T.: Tijdens de opbouw van de tentoonstelling This book, LIKE A BOOK in de FRAC-Champagne, voorjaar 1999. Ik reed om 5 uur ‘s ochtends door de bossen uit Reims terug naar Brussel om daar om halfnegen voor de klas te gaan staan. Het was geen alleenstaand geval. Dat ging zo maar door, dag na dag. In dat bos, ergens tussen Frankrijk en België, heb ik een besluit genomen: voortaan zou ik kunstenaar zijn, zelfstandig en voor de volle honderd procent.

K.B./D.P.: Hoe sta je in het algemeen tegenover de combinatie van kunstenaarschap en didactiek?

J.T.: Ik weet dat het begrip didactiek afschrikt en een eerder negatieve bijklank heeft, maar zelf sta ik niet zo weigerachtig tegenover bepaalde vormen van didactiek. Hoewel ik lange tijd niet heb lesgegeven, heb ik me steeds aangesproken gevoeld door alles wat met het overdragen van een erfenis, het verhelderen van een uitspraak… en dus met pedagogie te maken heeft. Ik heb mezelf vaak de vraag gesteld hoe didactiek kon samengaan met scheppende arbeid, met het kunstwerk. Hoe verhouden beide zich tot elkaar? Mijn werk komt vaak tot stand vanuit een complexe, chaotische situatie die ik moet zien te ontwarren. Als ik een werk publiek maak, word ik ertoe gedwongen uitleg te geven, mijn gedachten scherp te stellen. Ik word vaak voorgesteld als een conceptuele of ‘minimal’ kunstenaar, maar die termen bevallen me niet. Ter gelegenheid van de tentoonstelling WOR(LD)K IN PROGRESS? in WIELS (22 september 2012 – 6 januari 2013), heeft Dirk Snauwaert, directeur van WIELS, gewezen op ‘het elementaire’ in mijn werk. Die benadering ligt me meer. In dat concept schuilt misschien ook het verband tussen didactiek en kunst. In WIELS heb ik gekozen voor een omgang met het oeuvre die men didactisch zou kunnen noemen, omdat het gewoon de eerste keer was dat ik werd uitgenodigd voor een overzichtstentoonstelling. Haast vanzelf heb ik gedacht aan een didactische aanpak, wat me meteen ook bang maakte – dat geef ik toe. Vanwaar die angst? Alsof kunst en didactiek in geen geval kunnen samengaan. Jan Hoet stelde ooit dat slechte kunstenaars goede leerkrachten zijn, of omgekeerd misschien, dat goede leerkrachten altijd slechte kunstenaars zijn. Terwijl de onverenigbaarheid die ons dwingt een keuze te maken veeleer gelegen is in het leven, het onderwijsritme en de eisen van het systeem. Het probleem ligt in de manier waarop het kunstonderwijs is ingericht, in het feit dat je als lesgever per se om acht uur ‘s ochtends paraat moet staan, dáár zit de onmogelijkheid. De ontmoetingen tussen kunstenaars en jonge studenten die ikzelf heb meegemaakt, waren telkens opnieuw fantastisch. Ik zág hen leren. In het atelier van Guillaume Bijl leerden ze, op bezoek bij Willem Oorebeek leerden ze, bij Orla Barry leerden ze.

K.B./D.P.: Valt kunst dan aan te leren?

J.T.: Als kunst al een functie heeft, dan bestaat die er toch onder meer in dat ze de werkelijkheid bevraagt en dat je daarvan kan leren. Het is ongelooflijk wat je zoal van kunst kan leren! De cineast Wim Wenders zei ooit dat bepaalde appels wellicht niet zouden bestaan indien Cézanne ze niet geschilderd had — ook de manier waarop Cézanne naar de dingen keek, was formidabel. In 2006 nam ik in het M HKA deel aan de tentoonstelling Academy, Learning from Art. Ik trachtte daar elk vertoog te weren. Ik deed dat bijvoorbeeld door gebruik te maken van tautologische denkvormen en verbanden, zoals ‘académie angle: illustré du dessin d’un angle’, ‘académie points: de points’. Via die eenvoudige figuren aan de wand trachtte ik aan te geven wat het onderwijs mij heeft bijgebracht, benevens het kritische aspect; hoe het mijn liefde heeft gevoed voor het fundamentele of elementaire – datgene waarover we het al hadden in verband met de lessen van Marc Van Hove. Dat was het eerste luik van mijn bijdrage. Daarnaast legde ik een boek in de tentoonstelling, centraal in de ruimte, in wankel evenwicht op een tafel, als de handgemaakte constructie waar het boek op lag tenminste zo kan worden genoemd — het boek hield in feite op zijn beurt de tafelconstructie overeind. Het boek, een bundel gesprekken met Glenn Gould die ik – je raadt het al – van Marc Van Hove had gekregen, werd opengehouden op een bladzijde met een handgeschreven opdracht, waarin Marc een schrijver citeerde. Wie hij citeerde, deed er niet zo toe, wel wat er stond te lezen: ‘Qu’est-ce que tu fais? Rien, j’apprends.’ ‘Mais qu’est-ce que tu apprends? Rien, j’apprends.‘ [‘Wat doe je? Niets, ik leer.’ ‘Maar wat leer je dan? Niets, ik leer.’] Wat vreemd genoeg meteen, in de vorm van een tautologie, het antwoord biedt op jullie vraag. En zo blijft de cirkel tegelijk open en gesloten.

 

3. Terug naar het onderwijs (2006-…)

K.B./D.P.: Je bent in 1999 opgehouden met lesgeven. Een aantal jaren later benaderde de ERG je opnieuw en in 2006 ben je teruggekeerd als docent. Waarom ben je op die uitnodiging ingegaan?

J.T.: Er was inmiddels een nieuwe directeur, Yvan Flasse. Hij is het die mij heeft teruggehaald. Hij kende me goed want hij had les van mij gekregen — hij was een van mijn eerste studenten. Yvan kende mijn onvoorwaardelijke inzet en stelde die op prijs. Hij wist precies hoe ik functioneerde: als ik eenmaal in de school was, keek ik niet meer naar de klok. Hij liet me toe les te geven zonder dwingend uurrooster en naargelang van mijn beschikbaarheid. Zo’n uitnodiging kon ik niet afslaan. Ik heb dus toegezegd om terug aan de slag te gaan, niet voltijds maar halftijds; later heb ik de schaarse uren die overbleven nog eens gehalveerd.

K.B./D.P.: Trof je dezelfde school aan toen je in 2006 opnieuw de ERG betrad?

J.T.: In 1999 waren er heel wat interessante docenten werkzaam: Birgit Pelzer, de geweldige pedagogen over wie ik zoëven vertelde, internationaal gerenommeerde kunstenaars als Ann Veronica Janssens of Michel François… We kwamen ‘s avonds of tussen de middag allemaal samen in de kroeg of in het Portugese eethuisje vlakbij de school. Ik zou zelfs durven te stellen dat de mooiste lessen dáár werden gegeven, niet in de klas! Een school is eigenlijk een configuratie. Wij waren als lesgevers met elkaar vertrouwd, zochten elkaar op, discussieerden met of zonder de studenten over van alles en nog wat. Die tijd aan de ERG was enorm boeiend. Toen ik in 2006 terugkeerde, was het Portugese restaurantje verdwenen, iedereen was weg. Ik stond er alleen voor, al mijn ‘kunstvrienden’ waren op hun beurt opgestapt. De directie was veranderd en onder Yvan Flasse was de structuur van de school totaal gewijzigd, op alle gebied. Terwijl ik voordien heel erg betrokken was bij de opbouw van de school en de ideeën die erachter zaten, was dat bij mijn terugkeer helemaal niet meer het geval. Ik ontwikkelde een heel andere verhouding met de school, veel afstandelijker, maar ook veel meer gericht op onderwijs en pedagogie.

K.B./D.P.: In welk opzicht paste jij je eigen pedagogische aanpak aan?

J.T.: Sinds drie, vier jaar is het voor mij een stuk duidelijker wat ik in te brengen heb. Ik bedenk ook nu nog nieuwe methoden. Wanneer ik bijvoorbeeld in de klas aankom, willen de studenten me natuurlijk meteen hun werk laten zien, maar ik stel dat moment uit. Tijdens een gesprek met ieder van hen, nu eens kort en dan weer wat langer, noteer ik wat ze me over hun werk vertellen, hoe ze hun werken beschrijven. Ik vestig terloops hun aandacht op de termen die ze gebruiken. Pas op het einde confronteer ik hen met mijn weergave van de dialoog die we hebben gevoerd. Het is nogal vreemd om een werk te leren kennen zonder het te hebben gezien. Ik zal altijd naar dat soort experimentele benaderingen blijven zoeken; uiteindelijk zijn het die nieuwe methoden die me als docent prikkelen.

K.B./D.P.: Door over werken te spreken zonder ze te zien, schep je haast een postconceptuele situatie. Alsof het werk louter in talige vorm kan bestaan…

J.T.: Ik geloof niet dat het werk in een talige vorm bestaat. In feite betreft het een ‘afgeleide’ methode, een werkinstrument dat ik heb bedacht omdat we in een school zijn en alles daar met woorden gebeurt, maar uiteindelijk hoop ik toch bij het werk uit te komen. Ik wil achterhalen wat wel en niet over een kunstwerk wordt gezegd. Ik gebruik de taal als medium omdat ik af wil van het computerscherm, dat tegenwoordig in kunstscholen bijna het enige medium is om een kunstwerk te tonen. Ik sta daar argwanend tegenover; ik erger me aan al die werken die er op het scherm, meestal een Mac-scherm trouwens, zo gestandaardiseerd uitzien. Toen ik opnieuw begon les te geven, stond ik ervan versteld hoeveel dossiers men ons voorschotelde, zonder dat we rechtstreeks toegang kregen tot het werk. Daarom heb ik die nieuwe methode ontwikkeld. Ik wilde reageren op een praktijk die sinds het einde van de jaren 90 gangbaar is geworden. Ik wilde de extreme mediatisering van vertogen ter discussie stellen — de voortdurende bemiddeling tussen het kunstwerk en de toeschouwer. Dat deed ik vanuit het besef dat van elke praktijk tegenwoordig wordt gevraagd dat ze zichzelf steeds meer met allerlei verlokkelijke effecten oplaadt.

K.B./D.P.: Wat voor aantekeningen maak je tijdens die gesprekken met studenten?  

J.T.: Ik tracht eerst en vooral voor mezelf een onderscheid te maken tussen datgene wat boeiend kan zijn als vertoog over kunst of het kunstwerk, en wat ik oersaai vind. Aanvankelijk schrijf ik meestal alleen op wat ik niet vervelend vind. Verder tracht ik datgene naar boven te halen wat absoluut noodzakelijk is wanneer je het werk niet onder ogen hebt, en je het niet via de unieke en onmiddellijke ervaring kan vatten en begrijpen. Hoe verschijnt het werk als het bemiddeld wordt via een of andere vorm van verbale communicatie? Elke term wordt dan plots relevant en verhelderend. Niets is nog banaal. Wanneer een student het bijvoorbeeld heeft over zijn ‘onderzoek’, dan ga ik dieper op die term in. Ik doe alsof ik niets meer afweet van het gewicht van elk woord. Door een haast ongepaste bevraging tracht ik aan ieder woord dat voor de verklaring van het werk wordt ingezet zijn oorspronkelijk gewicht terug te geven.

K.B./D.P.: Wat doe je achteraf met die aantekeningen?

J.T.: Dat wisselt met de jaren. Vorig jaar heb ik ze voor het eerst aan alle studenten terugbezorgd, in uitgetikte vorm. Natuurlijk waren die aantekeningen onvolledig, omdat ik niet alles kan opschrijven. Ik vroeg hen dan ook na te gaan wat in mijn notities ontbrak en deze eventueel aan te vullen. Ik hanteer geen vast systeem voor het maken van aantekeningen. Bij sommigen schrijf ik alleen losse woorden op, bij anderen hele volzinnen. De werkwijze varieert naargelang de student. Nu eens duurt het gesprek slechts een uur, dan weer zitten we vier uur over koetjes en kalfjes te kletsen voor we het echte onderwerp aanpakken.

K.B./D.P.: En dat onderwerp is steeds het kunstwerk?

J.T.: Hun werk, ja, maar zonder foto’s, zonder documenten. Uiteraard komt er tijdens de lessen altijd een moment waarop ik wél de werken, de tekeningen onder ogen krijg. Dat moet óók gebeuren.

K.B./D.P.: En wat brengt die methode jou en je studenten bij?

J.T.: Eerst schrikken de studenten een beetje van het feit dat een docent, die ze nooit eerder hebben gezien, hen één voor één uitnodigt voor een privéles of — beter — een privé-ervaring. Maar achteraf zeggen ze me allemaal dat ze van die aanpak geleerd hebben, dat ze nooit eerder door iemand op die manier zijn ondervraagd en dat ze zich bewust zijn geworden van het belang van de taal, hoe die tussen hen en het werk in staat. Uit de woorden die ze gebruiken en de woorden die ze niet gebruiken, vorm ik me na een tijdje een concrete voorstelling van het werk. De taal is in dit geval écht wel sprekend.

K.B./D.P.: In welk opzicht verschilt deze methode van de algemene tendens binnen het kunstonderwijs om het talige te overwaarderen?

J.T.: Ze brengt die tendens onvermijdelijk aan het licht. In zekere zin heb ik die methode precies ontwikkeld in een poging om een bepaalde vrijheid te heroveren in het vertoog over een kunstwerk. Wanneer je als kunstkenner een werk voor ogen hebt, herken je sneller de invloeden die de kunstenaar heeft ondergaan en kan je dat werk meteen plaatsen; wanneer je het niet ziet, ga je af op je eigen verbeelding en duiken er misschien heel andere beelden op dan via die meer ‘kunsthistorische’ lectuur. In elk geval stel ik vast dat die methode me niet alleen toelaat om al die formatteringen aan de kaak te stellen, maar dat ik me plots ook veel vrijer voel ten opzichte van het werk en zijn receptie, gewoon doordat ik het niet zie. Het vertoog heeft hier niet tot doel het werk te legitimeren. Aangezien het werk er niet is, vált er niets te verantwoorden.

K.B./D.P.: Zijn er ook momenten waarop over dat probleem van de overwaardering van de taal gereflecteerd wordt? Waarop de studenten zich bewust worden van het overmatige gebruik van taal?  

J.T.: Zoals gezegd bezorgde ik vorig jaar aan elke student mijn eigen aantekeningen terug. Je zou kunnen zeggen dat het om een terugkoppeling ging waarbij de student een troebele spiegel werd voorgehouden. De student herkent zich immers slechts ten dele in mijn ‘feedback’, omdat ze bepaald wordt door wat ik als lesgever heb opgeschreven. In die vertroebeling komt een ander aspect van het onderwijs aan het licht, namelijk het feit dat je als lesgever slechts één standpunt inneemt ten opzichte van een kunstwerk. Wanneer je soms het gevoel hebt dat een student in een impasse is geraakt, dan kan dat uiteraard nooit meer zijn dan een indruk. In de aantekeningen komt die singuliere, subjectieve blik van de lesgever beter naar voren. De klemtoon ligt duidelijk op het individuele standpunt, eerder dan op universele kennis. De aantekeningen laten zien op welke manier kennis relatief is.

K.B./D.P.: Misschien blijkt het vertoog van de student soms helemaal leeg. Het kan behoorlijk hard aankomen wanneer je met je eigen vertoog wordt geconfronteerd en moet vaststellen dat het voor een deel nergens op slaat!

J.T.: Ja, maar dan graaf ik wat dieper. Zo herinner ik me een student die alle dingen in de overtreffende trap benoemde, alles was ‘super’. Ik pikte die term op, stelde daar verder vragen over en ging door tot in de details. Ik vroeg dus: ‘Dat is super groot, zeg je. Is gewoon groot dan niet groot genoeg?’ Op een gegeven moment kwamen we echter uit bij het belang van die overtreffende trap; we zagen in hoe overmaat op zich een betekenis had in zijn werk. We gaan soms traag vooruit, en er zijn momenten van verbijstering, maar tot nog toe is de conclusie op zich nooit vreselijk geweest. De reflectie mondt uiteindelijk altijd in iets uit, nooit in een leegte.

 

4. Bologna

K.B./D.P.: Hoe heb jij in 2006 de reorganisatie van het onderwijs – beter bekend als de Bolognahervorming – ervaren?

J.T.: Toen ik in 2006 terugkeerde naar de ERG, had iedereen het inderdaad over Bologna. Ik had de hervorming als buitenstaander wel gevolgd, maar de werkelijke veranderingen waren grotendeels aan mij voorbijgegaan. Bij mijn terugkeer werd ik aldus geconfronteerd met een reeks nieuwe regels. Overal doken nieuwe verplichtingen op, zonder dat we precies wisten wie achter ‘Bologna’ zat en die nieuwe spelregels formuleerde, waar ze vandaan kwamen of uit welke reële noden ze waren voortgekomen.

K.B./D.P.: De basispremisse van de Bolognahervorming betreft de gelijkvormige organisatie van het onderwijs voor alle disciplines. Als het over rechten gaat, dan kan iedereen zich er wellicht in vinden dat de studies uniform zijn georganiseerd. Voor het kunstonderwijs geldt dit niet. Het gaat om een fundamenteel verschil.

J.T.: Van meet af aan is men ervan uitgegaan dat het kunstenaarschap een kwestie van metier is. Ons vak blijft echter iets heel uitzonderlijks, door het feit dat kunst net aan alle regels ontsnapt, ook aan haar eigen definitie. De redenen voor de Bolognahervorming hebben volgens mij met twee verschijnselen te maken: een voortschrijdende standaardisering van de wereld, die op haar beurt verband houdt met eisen die uitgaan van een ‘economistische’ maatschappijopvatting. De standaardisering treedt op in alle gebieden van het maatschappelijk leven en die gebieden worden stelselmatig opgevat als ‘sectoren’, die voor alles als economische entiteiten benaderd worden. Je merkt dat zelfs aan de manier waarop kunstwerken worden getoond. Overal ter wereld gebeurt dat op dezelfde manier en duiken gelijktijdig nieuwe tendensen op. Elke praktijk is tegenwoordig geformatteerd, in die mate dat je van de manieren van tonen zelfs lijstjes kan aanleggen en dat je ze kan aanleren. Zo heerst op dit ogenblik bijvoorbeeld de trend om aan één wand slechts één werk te tonen, geen vier en zeker geen tien. Die keuze lijkt op het eerste gezicht ingegeven door esthetische overwegingen, maar houdt in werkelijkheid verband met de spelregels van een markt die inzet op meerwaardestrategieën. Tegenwoordig worden die strategieën op de spits gedreven en dat gaat jammer genoeg gepaard met een uitbreiding van hun invloedssfeer, die maakt dat ze niet alleen in de kunst- maar ook in de onderwijswereld zijn doorgedrongen. Ik vind dat jammer, omdat de school van oudsher een plek was voor onderzoek. Dat was misschien wel de ultieme reden waarom ze voor mij aantrekkelijk bleef.

K.B./D.P.: Een andere vraag in verband met Bologna: wat is jouw mening over het cijfermatig beoordelen van studenten in het kader van een artistieke vorming?

J.T.: De ene dag schijnt de zon en geef je een 18; als het regent, is datzelfde werk goed voor een 12… Het geven van waarderingscijfers blijft een heel gevaarlijke oefening, zelfs na twintig jaar ervaring. Ook dat maakt deel uit van wat ik de ‘onwaarschijnlijkheden’ van het kunstonderwijs heb genoemd. Kunst en kunstonderwijs hebben een aantal raakvlakken, maar punten horen daar zeker niet bij – althans niet het soort punten waar we het hier over hebben. Wij hebben het allemaal moeilijk met die punten, elk jaar opnieuw zoeken we naar trucjes om het evaluatiesysteem te omzeilen.

K.B./D.P.: Hoe is het in het kunstonderwijs zover kunnen komen dat beoordelingscijfers de plaats hebben ingenomen van een gesprek en een mondelinge evaluatie?

J.T.: Nieuwe richtlijnen worden lijdzaam ondergaan, zeker wanneer het om cijfers gaat. Toen ik zelf nog studeerde, had de school – die in die tijd nog was opgevat als ‘de studenten, de docenten en de directie’ – een studenten- en docentenraad opgericht die over volmachten beschikte. Werd een lesgever ondermaats bevonden, dan werd die aan de deur gezet. Omgekeerd nam de raad het op voor iemand als Walter Swennen, die destijds psychoanalyse doceerde en haast systematisch op school verscheen wanneer zijn lestijd bijna om was –als hij echter eenmaal van wal stak, was dat zo fantastisch en intens dat een halfuur wel vier lesuren waard was. We bespraken dat en vochten om hem te mogen houden. We boden weerstand tegen het systeem, we bedachten zelf onze eigen methodes, die op hun beurt voortdurend werden geëvalueerd, in functie van een concrete beleving van de werkelijkheid.

K.B./D.P.: De studenten- en docentenraad die over het onderwijs debatteerde, is nu vervangen door peilingen: de docenten geven cijfers aan de studenten en de studenten aan de docenten. In enkele scholen komt daar ook nog een zelfevaluatie bij: de docenten moeten zichzelf ‘punten geven’!

J.T.: Het is een ingenieus systeem van controle en zeker de beste manier om mensen afkerig te maken van het onderwijs. Elk systeem ontwikkelt echter inherente contradicties, die weer nieuwe mogelijkheden bieden. Overigens wordt een school nog altijd sterk bepaald door de directie, en Corinne Disserens, de huidige directrice van de ERG, slaagt erin om de school heel verstandig te leiden, waarbij ze zichzelf een grote mate van vrijheid oplegt, in weerwil van de Bolognaregelgeving. Aan de ERG heerst vreemd genoeg steeds minder controle. Ik zie aan het begin van mijn lessen geen pedel meer verschijnen met een ‘aanwezigheidsregister’, zoals dat indertijd heette. Misschien komt dat omdat hij me niet weet te vinden. Wegens plaatsgebrek is het wel eens gebeurd dat ik ging lesgeven in het Justitiepaleis. Een van mijn studentes had me er namelijk op gewezen dat daar een lokaal vrij was met ideale omstandigheden op het vlak van licht en verwarming, en er stonden zelfs grote tafels.

K.B./D.P.: Kan je ons iets vertellen over de huidige eisen die aan lesgevers worden gesteld?

J.T.: Die worden steeds talrijker. Na die onderbreking van tien jaar werd ik getroffen door het verwoede ‘activisme’ van de kunstscholen. Vandaag volstaat het niet langer dat je lesgeeft, je moet er ook nog over spreken en bovenal over doen spreken. Je moet grote namen uitnodigen; je moet seminars, spraakmakende tentoonstellingen en buitengewone events organiseren. Aan de ERG heerst zeker zo’n opbod, net als trouwens aan La Cambre, Saint-Luc, Sint-Lukas en andere academies. Het is echt waanzin hoe elke beleving wordt beheerd en gecentraliseerd door een informatica- en communicatiemachine, die ongetwijfeld het resultaat is van de ontwikkeling van nieuwe media. De school is niet langer privé. Ieder onderwijsmoment speelt zich af in het publiek domein. Iedere lezing, elke gast, alles moet openbaar worden gemaakt. Dat is naar mijn gevoel zeker de zwaarste eis, die ook het moeilijkst te weerstaan is. Want wanneer je de beleving publiek maakt, leidt dat onvermijdelijk tot overproductie. De school van Bologna zwelgt in overmaat: ze vergt superdocenten, maar ook superkunstenaars. Het is een onmogelijke oefening.

K.B./D.P.: Heb je het gevoel dat deze overactiviteit, deze overproductie van evenementen verband houdt met de verplichte academisering van de scholen?

J.T.: Uiteraard, want ze moeten gerenommeerd zijn en om naam te kunnen maken, moeten het superinstituten worden. Wat daar ontwikkeld en gepubliceerd wordt, moet van topniveau zijn!

 

5. Doctoraat

K.B./D.P.: Wat denk jij over het doctoraat in de kunsten?

J.T.: Mijn mening is gekend binnen de school: ik weiger te geloven in het doctoraat als vormingsmethode. De meeste kunstenaars vinden de idee van een doctoraat in de kunsten trouwens waanzinnig, en al helemaal wanneer het als vereiste zou gelden om te mogen lesgeven. Als sommige kunstenaars erin geïnteresseerd zijn, heb ik daar natuurlijk vrede mee. Maar een doctoraat in de kunsten verplicht maken, blijft een grote dwaasheid.

K.B./D.P.: Wordt er druk uitgeoefend op docenten opdat zij een doctoraat zouden behalen?

J.T.: Absoluut, en dat is net het probleem. Die druk is veel sterker ten aanzien van jonge kunstenaars, omdat zij weten dat ze zonder dat doctoraat misschien nooit zullen kunnen lesgeven, terwijl ze daar wel belangstelling voor hebben.

K.B./D.P.: Heb je jonge kunstenaars gevolgd die aan een doctoraat begonnen zijn?

J.T.: Jawel. Met Emmanuelle Quertain heb ik lang gepraat over haar eventuele plannen om na haar studies een onderzoek te starten dat naar een doctoraat zou kunnen leiden. Toen haar besluit eenmaal vaststond, heeft ze me, ondanks mijn scepticisme, gevraagd om haar mee te begeleiden. Het doctoraat in de kunsten, dat een doorslagje is van het universitaire model, verwerpt het individuele spreken. Het ‘ik’ bestaat er niet, onderzoek wordt er gezien als een collectieve onderneming waartoe elke doctorandus zijn ‘steentje’ dient bij te dragen, en waarbij hij of zij de eigen identiteit laat opgaan in een groter ‘wij’. Maar de kunst – en dan heb ik het over de uitdrukkingsvormen die ontwikkeld zijn binnen onze eigen, joods-christelijke, westerse, liberale cultuur – hecht bij mijn weten net alléén betekenis aan dat individuele spreken in de ik-vorm. Anders zou onze hele artistieke expressie herleid zijn tot een soort van socialistische kunst, een dwangmatige gemeenschapskunst. Ik heb met Emmanuelle over dat aspect gesproken en ze is aan het schrijven gegaan, waarbij ze eerst en vooral de voorschriften in vraag heeft gesteld en het recht heeft opgeëist om dat doctoraat in de ik-vorm te stellen. Achteraf ben ik het absurd gaan vinden om zo’n doctoraat te begeleiden terwijl ik zelf niet eens over de nodige titels beschik, en hebben we beslist dat ik het project niet langer zou volgen, tenzij op vriendschappelijke basis.

K.B./D.P.: Heeft men jou ooit voorgesteld een doctoraat te behalen?

J.T.: Jawel, enige jaren geleden was Hans De Wolf door de Vrije Universiteit Brussel belast met het uitwerken van nieuwe methoden voor het toekennen van doctoraten in de kunsten. Hij heeft toen bepaalde kunstenaars benaderd die volgens hem, omwille van het werk dat ze hadden tentoongesteld of anderszins openbaar gemaakt, mogelijk aan alle voorwaarden beantwoordden voor het verkrijgen van die titel. Hij probeerde op een rationele manier geldige en objectieve criteria te bepalen voor de aanduiding van deze ‘rechthebbenden’. Zijn stelling was namelijk dat de universiteit de kunstenaars moest opzoeken, maar dat deze laatsten zichzelf niet zomaar aan de universiteit konden aanmelden. Dat leek me een onaanvaardbaar uitgangspunt, en ik heb Hans deelgenoot gemaakt van mijn twijfels en kritiek toen hij me hieromtrent benaderde. Omdat ik gewoon geen enkele intrinsieke noodzaak kon ontwaren, was ik niet alleen niet voor het doctoraat te vinden, maar ook niet voor zijn methoden, die naar mijn mening nog altijd op universitaire leest geschoeid waren. Toen ik als adolescent een opleiding kon kiezen, ben ik van de universiteit weggebleven en uiteindelijk zou de universiteit dan beslissen of ik al dan niet doctor word: toch een wat vreemde manier om met een niet-aanvrager om te gaan! Het probleem is dat het doctoraat in de kunsten tot nog toe een kopie is van het universitaire model, terwijl er een radicaal nieuwe vorm voor zou moeten worden bedacht. Zelfs in Hans’ model zat nog een aspect van ‘verdediging’, en dat roept bij mij onmiddellijk vragen op over de functie of de geldigheid van dat idee in de kunst. Wat betekent een ‘verdediging’ in de kunst? Je enige verdediging is het kunstwerk, en meteen is er ook het onvermijdelijke, inherente oordeel. Waarom zou je dan je werk op een andere manier verdedigen? Een ander probleem is dat de universiteit niet bij de kunstschool in de leer komt: de kunstenaars moeten zich aanpassen, zij moeten naar de universiteit gaan! Maar ook al vinden we ons eigen doctoraat uit, dan nog zou het een toegeving zijn… een kunstenaar is geen doctor.

K.B./D.P.: Een van de doelstellingen van het doctoraat lijkt te zijn dat men controle wil verwerven over de scheppende arbeid.

J.T.: Jawel, en ook dat men resultaten wil kunnen voorleggen. Er heerst vandaag de dag een afkeer van alles wat geen nut heeft. Men wil onmiddellijke rendabiliteit en efficiëntie op alle niveaus.

K.B./D.P.: Waarom zou je in die omstandigheden nog in het kunstonderwijs blijven?

J.T.: Omdat van alle maatschappelijke structuren de kunstacademie ondanks alles voorlopig diegene blijft waarbinnen je nog de tijd kan nemen. Onder druk van het wereldwijde netwerk van georganiseerde kennis, is het voor een kunstenaar echt niet vanzelfsprekend om zijn of haar bewegingsvrijheid te vrijwaren, en ondanks Bologna blijft de school een plek waar vrijheid van handelen en denken heerst.

K.B./D.P.: Hoe kan die vrijhaven behouden blijven?

J.T.: Door intelligentie en vindingrijkheid. Ik hoorde onlangs over een kunstschool die een tijdje geleden werd opgericht in Los Angeles; alle docenten geven er onbezoldigd les. Dat soort effecten zal Bologna uiteindelijk voortbrengen. De kunstenaars zullen die grote onderwijssupermarkten ontvluchten en vanzelfsprekend zullen ze parallelle, experimentele en vernieuwende scholen oprichten, zoals wellicht die van Los Angeles, gestoeld op radicaal verschillende principes, los van het monetaire systeem. Daarin zou wel eens de voorwaarde kunnen schuilen voor het behoud van de vrijheid. Dat blijft immers de fundamentele vraag voor elke kunstenaar of criticus: hoe behoud ik mijn vrijheid?

 

Transcriptie: Camille Barbasetti

Eindredactie in het Frans: Laurine Tuerlinckx

Vertaling uit het Frans: Catherine Robberechts

1974-1978

Koen Brams/Dirk Pültau: In het curriculum vitae dat is opgenomen in de eerste monografische catalogus die aan je werk werd gewijd (I.C.C., 1987), staat vermeld dat je vanaf 1971 schoolliep aan de Stedelijke Academie voor Sierkunst in Brugge. Waren alle vakken op toegepaste kunst gericht?

Robert Devriendt: De opleiding was eerder technisch georiënteerd, maar er werd ook aandacht besteed aan autonome kunst, waaronder schilderkunst.

K.B./D.P.: Op je achttiende besloot je een opleiding tot autonoom kunstenaar te volgen. Waarom ging je voorkeur uit naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (K.A.S.K.) van Gent?

R.D.: Ik had de opendeurdagen van zowel Sint-Lucas als de Koninklijke Academie bezocht. In de academie was er meer vrijheid en was de opleiding harder, was mijn indruk. In Sint-Lucas werd een degelijke begeleiding aangeboden, maar dat hield ook in dat er meer werd gestuurd. Dat was althans het beeld dat ik aan mijn bezoeken had overgehouden.

K.B./D.P.: Koos je onmiddellijk voor schilderkunst?

R.D.: Neen, ik had me eerst opgegeven voor de afdeling Grafiek. Op de eerste dag zag ik die zeefdrukmachines en etspersen staan en rook ik de stank van de chemische producten. Ik ben nog dezelfde dag van atelier veranderd.

K.B./D.P.: Kon dat zomaar?

R.D.: Ja, dat was geen probleem. Het was een andere tijd; er was meer ruimte voor improvisatie.

K.B./D.P.: Wie waren je praktijkdocenten?

R.D.: Het eerste half jaar kreeg ik les van Wilfried Sybrands. Toen hij op pensioen ging, werd hij opgevolgd door Karel Dierickx die de eerste twee jaren voor zijn rekening nam. De twee laatste jaren was Jan Burssens mijn titularis.

K.B./D.P.: Vanaf welk jaar kreeg je vakken over kunstgeschiedenis en -actualiteit?

R.D.: Vanaf het tweede tot en met het vierde jaar kregen we het vak Kunstactualiteit van Wim Van Mulders, steeds gedurende een bepaalde periode van het jaar. De lessen, die telkens vier uur duurden, gingen door in een lokaal in een straat die Berouw heette, op een kleine tien minuten van de Academiestraat waar het K.A.S.K. gevestigd was. Naast Van Mulders herinner ik me ook Roland Decancq, die op een zeer verdienstelijke manier lesgaf over literatuur.

K.B./D.P.: Volgde jij trouw de lessen van Van Mulders en Decanq?

R.D.: Ik denk dat ik negen op de tien lessen van hen heb bijgewoond. Ik broste alleen als ik heel intens met een schilderij bezig was.

K.B./D.P.: Hoe ervoer je de lessen van Van Mulders?

R.D.: Het was in eerste instantie bepaald ontnuchterend. Ik had de academie gekozen omdat ik wilde tekenen en schilderen, en om in aanraking te komen met de traditie van de grote schilders. Het was allemaal heel ernstig wat Van Mulders doceerde, maar schilderkunst kwam slechts mondjesmaat aan bod. ‘Gaat dat hier wel over schilderen’, dacht ik na de eerste lessen. Niet veel later was ik zeer blij dat ik les kreeg van Wim Van Mulders.

K.B./D.P.: Waarom?

R.D.: Ten eerste omdat ik zeker was dat er elke week les werd gegeven. Hij was steeds present, wat niet van alle docenten kon worden gezegd. Hij maakte er zich bovendien niet makkelijk van af. Hij bood voortdurend nieuwe stof aan en het was duidelijk dat hij zich terdege had voorbereid. Hij had steeds notities bij zich en toonde ook veel diabeelden, die hij van degelijke, verhelderende commentaar voorzag. Het was met andere woorden niet zo dat hij dia’s toonde om vooral niets te hoeven zeggen.

K.B./D.P.: Heb je herinneringen aan bepaalde lessen of aan bepaalde onderwerpen die indruk op jou hebben gemaakt?

R.D.: Het is erg lang geleden… ik vatte mijn studies aan het K.A.S.K. in 1974 aan! Ik herinner me wel dat hij het uitgebreid had over documenta 5 (1972). Hij was zeer enthousiast over Harald Szeemann en de ‘individuele mythologieën’. Toen ik in mijn derde jaar zat, stond de zesde editie van de documenta op het programma. Van Mulders wijdde er verschillende lessen aan. Het was in eerste instantie vooral informatief. Je werd nooit verplicht om iets goed of slecht te vinden. Wat hij vertelde, kwam heel objectief en neutraal over. Misschien waren zijn keuzes wel subjectief, maar ik merkte er nauwelijks iets van.

K.B./D.P.: Hoe pakte hij zo’n bespreking van de documenta aan?

R.D.: Hij overliep de verschillende locaties waar de documenta plaatsvond, te beginnen met het Fridericianum. Hij stond een heel analytische benadering voor. De tentoonstelling werd helemaal ontrafeld. Op zijn typische manier — traag sprekend — gaf hij uitleg over de kunstwerken en de kunstenaars. In die tijd hield ik heel veel van flamenco. Dat was helemaal het omgekeerde. Flamencomuzikanten willen je helemaal doen vergeten wie en waar je bent. Die emotionele houding was niet aan Van Mulders besteed.

K.B./D.P.: Voor welke kunstenaars had hij specifiek aandacht?

R.D.: Ik herinner me bijvoorbeeld dat hij stilstond bij het werk van Hermann Nitsch – die bloederige toestanden – en bij de sculpturen van Anne en Patrick Poirier, die maquettes van steden maakten. Hij sprak ook over environments en performances. Ik herinner me een les over Joseph Kosuth, die wellicht een van zijn lievelingskunstenaars was op dat moment. In dat verband sprak hij over de Galerie Art & Project, die in Amsterdam was gevestigd. Concept was heel belangrijk, dat was de grondtoon van de lessen.

K.B./D.P.: Kwam de schilderkunst dan helemaal niet aan bod?

R.D.: Toch wel. Het komt me voor dat hij over Baselitz les heeft gegeven.

K.B./D.P.: En Polke?

R.D.: Dat denk ik niet. Hij wijdde wel lessen aan de Colourfield Painting, onder andere aan het werk van Mark Rothko. Ook Ad Reinhardt kwam ter sprake, onder andere zijn zwart-op-zwartschilderijen. Dat hielp ook niet echt.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

R.D.: Enerzijds kregen we veel te horen over kunstenaars die de schilderkunst achter zich hadden gelaten of voorbijgestreefd achtten — waartoe onder anderen de conceptuelen hoorden. Anderzijds zagen we werk van kunstenaars die de schilderkunst van binnenuit hadden leeggezogen. Wat kon je na Reinhardt nog verrichten op het vlak van de schilderkunst?

K.B./D.P.: Liet Wim Van Mulders zich laatdunkend uit over schilderkunst?

R.D.: Neen. Hij informeerde ons over de kunstactualiteit en je kon er simpelweg niet omheen dat de schilderkunst in de jaren 70 in een zeer kwaad daglicht stond. Van Mulders bracht die boodschap zonder enige vorm van leedvermaak, integendeel zelfs. Ik herinner me nog zeer goed dat hij de conceptuele kunst als een verruiming – niet als een verenging – voorstelde, een immens belangrijke gedachte, ook voor schilders. Als je als schilder immers geen concept hebt, dan ben je eraan voor de moeite! Maar dat wezenlijke inzicht van Van Mulders nam niet weg dat zijn lessen vooral in het teken stonden van de kunstactualiteit. Niet de schilderkunst, maar de conceptuele kunst was in die jaren ‘actueel’.

K.B./D.P.: Wim Van Mulders nam de ‘actualiteit’ bijzonder ernstig. Hij bezocht steeds tijdelijke tentoonstellingen in functie van zijn lessen.

R.D.: Dat was enorm belangrijk. Hij confronteerde ons met de realiteit. Hij toonde ons welke kunst op dat eigenste moment geproduceerd werd en hij maakte die kunstwerken inzichtelijk. Hij heeft mijn blik verruimd op de kunst van mijn tijd.

K.B./D.P.: Werkte dat aanstekelijk? Voelde jij je aangesproken om tentoonstellingen te bezoeken?

R.D.: Ik weet dat niet meer. Naar galeries ging ik in ieder geval nauwelijks. Galerie Foncke in Gent heb ik wel een aantal keren bezocht. Naar MTL in Brussel en de Wide White Space in Antwerpen ben ik nooit gegaan, wellicht om me de confrontatie met de conceptuele kunst te besparen.

K.B./D.P.: Besprak hij met jullie ook teksten over kunst?

R.D.: Ja, de teksten werden minutieus ontleed. Hij pakte het op een rationele en analytische wijze aan. Ik herinner mij dat ik in de humaniora les kreeg van iemand die een gedicht haarfijn uitlegde. Dat is me gans mijn leven bijgebleven. Van Mulders deed hetzelfde op het vlak van de beeldende kunst. Als de les voorbij was, had ik het gevoel dat ik iets had bijgeleerd.

K.B./D.P.: Hadden jouw medestudenten datzelfde gevoel?

R.D.: Ja. Van Mulders stak met kop en schouders boven zijn collega’s uit. Bij hem werden steeds andere onderwerpen aan bod gebracht. Sommige van zijn collega’s vertelden vier jaar lang hetzelfde verhaaltje.

K.B./D.P.: Waren er medestudenten die jou hebben geholpen of van wie de inzichten voor jouw praktijk belangrijk waren?

R.D.: Nee, ik voelde me helemaal alleen. Ik had een beetje contact met Marc Maet, met wie ik de banken deelde. Naar Philippe Vandenberg, die een of twee jaar hoger zat, keek ik op. Ik zag hem als een groot talent. We spraken af en toe met elkaar en zijn na onze studies met elkaar in contact gebleven. We zijn samen naar de documenta geweest, ik geloof de editie van 1982.

K.B./D.P.: Waarover spraken jullie?

R.D.: We deelden een passie voor techniek. Op welke ondergrond schilderde Velázquez? Welke kleuren gebruikte hij? Dat waren de onderwerpen die ons boeiden.

K.B./D.P.: Van Mulders begon vanaf 1974 zelf ook kunstkritische teksten te schrijven. Hij droeg teksten bij aan De Standaard, Kunst & Cultuur en +-0. Las jij die teksten?

R.D.: Sporadisch. Concreet kan ik daar niets over zeggen.

K.B./D.P.: Sprak hij daarover in de lessen?

R.D.: Neen.

K.B./D.P.: Trad jij vaak met hem in discussie?

R.D.: Ik was een eerder teruggetrokken student, maar in mijn hoofd was het niet stil. Ik was voortdurend bezig met te proberen om datgene wat hij aanreikte te begrijpen, het onderwerp een plaats te geven — kwaad te zijn, niet kwaad te zijn. Ik had trouwens de indruk dat hij erop aanstuurde dat we ons de stof eigen zouden maken. Hij zette ons aan om na te denken. Het belang daarvan kan nauwelijks worden overschat.

K.B./D.P.: Tijdens de periode dat jij aan het K.A.S.K. studeerde — van 1974 tot 1978 — realiseerde Proka, een culturele vereniging die aanleunde bij de academie, een interessant artistiek programma in de Zwarte Zaal. Heb je dat gevolgd?

R.D.: Proka was een prachtig initiatief. Ik heb er voorstellingen bijgewoond en films gezien. Dirk Liefooghe stond in voor het filmprogramma. In 1976 organiseerde hij het project Marguerite Duras ontmoeten. Marguerite Duras was zelf aanwezig! Onvoorstelbaar! Ik meen dat Liefooghe haar persoonlijk kende. Ik heb verschillende films van haar gezien. Spijtig genoeg was de communicatie over het event ondermaats; er was slechts een tiental mensen aanwezig. Heel jammer.

K.B./D.P.: Wim Van Mulders was ook actief in Proka. Hij organiseerde samen met Bernard Marcelis de tentoonstelling Plan & Space, met werken van Mel Bochner, Nigel Hall, Bernard Joubert, Barry Le Va, Teodosio Magnoni, Anthony McCall en Fred Sandback. Heb jij die expo bezocht?

R.D.: Jazeker! Hij heeft ons door de tentoonstelling gegidst. De werken van Mel Bochner en Fred Sandback staan me nog levendig voor de geest. Bochner droeg een werk bij met keitjes die hij op basis van de gulden snede op de grond had neergelegd. Van Sandback was er een werk dat alleen maar uit een draad bestond die hij van de ene hoek in de ruimte naar de andere had gespannen. Naar aanleiding van de expo verscheen ook een catalogus in de vorm van een ringmap.

K.B./D.P.: Wat vond je van de tentoonstelling?

R.D.: Op de een of ander manier vond ik het interessant, maar wat ik te zien kreeg, sneed me ook de adem af. Ik herinner me dat ik Van Mulders de vraag stelde welk werk na dat van Sandback nog tot stand zou kunnen komen. ‘Je moet dat niet persoonlijk nemen’, was zijn laconieke repliek. Een echt antwoord bleef hij me schuldig. Ik voelde me in die dagen enorm eenzaam. Het was een koude tijd voor iemand die zijn leven wilde wijden aan de schilderkunst. Het waren vier uiterst moeilijke jaren.

K.B./D.P.: Had dat ook te maken met de lessen van Van Mulders?

R.D.: Ik ben door een hele reeks crisissen gegaan, maar dat had niet zozeer met het onderricht van Van Mulders dan wel met het algemene culturele klimaat te maken. Kunstenaars die wilden schilderen werden voor naïef gehouden. Ik voelde dat ik best niet te veel voor mijn overtuiging uitkwam, wilde ik me niet belachelijk maken. Zelden kwam je iemand met naam en faam tegen die van schilderkunst hield. Het was al conceptuele kunst wat de klok sloeg. Bijzonder pijnlijk. Schilderkunst werd uitgesloten. Alles wat menselijk was, werd uitgesloten!

K.B./D.P.: Boden de lessen van Van Mulders misschien op enigerlei wijze houvast?

R.D.: Jazeker. Ik nam zijn lessen in ieder geval zeer serieus. Ik werd me ervan bewust dat ik de schilderkunst opnieuw moest uitvinden. Dat was een heel grote en heel moeilijke opdracht, maar ik ben Van Mulders erg dankbaar dat hij me erop gewezen heeft dat je als schilder niet kon doen alsof de conceptuele kunst slechts een vervelende droom was. Hij heeft me er bewust van gemaakt dat ik een nieuwe inhoud moest geven aan de schilderkunst.

K.B./D.P.: Hoe zagen jouw pogingen eruit om de schilderkunst opnieuw uit te vinden?

R.D.: In het begin heb ik werkelijk alles uitgeprobeerd. Ik heb eerst abstract-geometrisch geschilderd. Daarna trachtte ik Leonardo Da Vinci te imiteren, keek ik naar de intieme schilderkunst van Bonnard, Morandi… Vervolgens inspireerde ik me op het hyperrealisme. Er zijn weinig schildersstijlen die ik niet heb uitgetest.

K.B./D.P.: Bezocht Van Mulders jou in het schilderatelier?

R.D.: Slechts af en toe. Het zal hem wel verbaasd hebben wat hij daar aantrof.

K.B./D.P.: Waarom?

R.D.: Het contrast met zijn lessen kon niet groter zijn. Hij had voortdurend aandacht voor de internationale kunst en in het atelier waren sommigen bezig met stilleventjes of met werk à la Raveel. Sommige medestudenten haakten gaandeweg af. Ze verlieten de academie omdat ze geen uitweg meer zagen. Nochtans waren dat naar mijn aanvoelen soms getalenteerde jongeren. Ze waren zeker niet dom, ze wilden ook schilderen, maar bezweken onder de druk van het toenmalige kunstklimaat. Ze geloofden echt dat de rol van de schilderkunst was uitgespeeld.

K.B./D.P.: Heeft Van Mulders ooit commentaar geleverd op jouw werk?

R.D.: Neen.

K.B./D.P.: Moest jij examens bij hem afleggen?

R.D.: Ja, het was een mondeling examen. Heel aangenaam. Hij examineerde steeds drie studenten tegelijkertijd. Ik herinner me dat ik eens een examen heb afgelegd in de aanwezigheid van mijn jaargenoten Marc Maet en Ingrid Castelein. Er was ook steeds een praktijkdocent bij aanwezig. Bij het net genoemde examen was dat Karel Dierickx.

K.B./D.P.: Was het niet vreemd om met zijn drieën tegelijk ondervraagd te worden?

R.D.: Het was een totaal andere tijd. In het K.A.S.K. hing nog de sfeer van het einde van de jaren 60. Wim Van Mulders vatte het examen serieus op, vond ik. Sommige studenten namen het echter niet zo nauw en dat bleek dan ook weer geen probleem.

K.B./D.P.: In juni 1978 studeerde je af aan de academie. Hoe pakte jij het vervolgens aan?

R.D.: Laat ik eerst en vooral stellen dat ik blij was dat ik het had volgehouden tot het bittere einde. Dat voelde op zich als een overwinning aan. Maar toen begon het eigenlijk pas. Ik ging naar mijn atelier en er was niets of niemand meer om me heen. Ik moest zelf de reden en de zin zoeken van het schilderen.

K.B./D.P.: Hadden je praktijkdocenten of iemand als Van Mulders je op dat moment voorbereid?

R.D.: Nee, niemand had het over het leven na de studietijd gehad. Ik wist helemaal van niets. Ja, er was gezegd dat de documenta belangrijk was en op het belang van de Kunstbeurs van Keulen was ik ook gewezen, maar over het galeriewezen was het muisstil gebleven. Ik was ook niet altijd de gelukkigste mens als ik naar een galerie geweest was. Het was een harde periode. Wat wilde ik schilderen? Hoe wilde ik schilderen? Op deze twee wezenlijke vragen had ik in feite geen antwoord.

K.B./D.P.: Hoe heb je een antwoord op de hoe-vraag gevonden?

R.D.: Op het vlak van de techniek ben ik blijven experimenteren, zoals ik reeds had gedaan tijdens mijn academietijd. Ik wilde gewoon alles kunnen. Ik heb dat misschien wel tien, vijftien jaar volgehouden. Anders dan mij was voorgehouden in de academie wilde ik alles weten over schildertechnieken. Ik bezocht musea met het doel te kijken hoe de oude meesters hadden geschilderd. Ik was vooral op zoek naar doeken die niet af waren — dat waren voor mij de interessantste. Welke grondlaag bracht Rubens aan, en welke Jordaens? Hoe schilderden zij de huid? Ik kocht oude schilderijen, waste ze af en keek wat er onder die verflagen zat. De gelaagdheid van een schilderij was voor mij een belangrijke ontdekking.

K.B./D.P.: Je hebt al die zaken zelf moeten uitzoeken?

R.D.: Ja. Ik kwam tot de conclusie dat je een schilderij echt voor je moet hebben en dat je zeer goed moet kijken naar de wijze waarop het tot stand is gekomen.

K.B./D.P.: Vond je het eigenlijk normaal dat je dat allemaal zelf moest uitvissen terwijl je toch vier jaar academie achter de rug had?

R.D.: Nu vind ik dat niet normaal, maar op dat moment deed ik dat gewoon. Ik was enorm leergierig. Ik wilde alles begrijpen en alles kunnen.

K.B./D.P.: Naast de technische kant van het schilderen was er ook de inhoudelijke. Hoe ging je om met de vraag wat te schilderen?

R.D.: Ook dat was een lange reis. Ik herinner me dat ik in mijn atelier aankwam en een stoel zag staan, met een oranje plastieken zitelement en aluminium poten. Ik heb die stoel geschilderd. Wat moest ik doen? Ik wist het totaal niet. Het werd een jarenlange worsteling. In zekere zin werkte ik op basis van eliminatie. Als ik iets gedaan had, wist ik zeker dat ik dat niet meer moest doen. Totdat ik me op een gegeven moment afvroeg welk beeld ik zou meenemen als ik op een onbewoond eiland zou terechtkomen of de wereld zou worden getroffen door een nucleaire ramp. Zou ik een schilderij van Mondriaan verkiezen of een sculptuur van Donald Judd? ‘Neen’, dacht ik, ‘ik zou een portret van mijn moeder met me meenemen’. Ik had kunnen opteren voor een brief van mijn moeder, maar ik verkoos een beeld.

K.B./D.P.: Dat is een bijzonder affectieve keuze.

R.D.: Dat kan ik moeilijk ontkennen, maar het is ook de keuze voor een beeld — een figuratief beeld. Het was een zeer belangrijk moment. Dat inzicht lag aan het begin van het oeuvre waaraan ik sindsdien onverdroten heb gewerkt. Mijn affectieve benadering leidde tot de werken die ik nu maak en die ik als de gebroken verhalen van een alter ego beschouw. Ik maak een keuze – of liever, de dingen en beelden dringen zich aan mij op om geschilderd te worden. Vervolgens voeg ik de werken als een regisseur bij elkaar, waarbij ik ruimte laat voor verschillende interpretaties. Door de schilderijen in nieuwe combinaties onder te brengen en ze in verschillende contexten te tonen, krijgen ze een andere inhoud. Het is aan de toeschouwer om die beeldreeksen als een detective te ontrafelen.

K.B./D.P.: Zowel op technisch als op inhoudelijk vlak heb je blijkbaar alles zelf moeten uitpluizen. Heb je ooit spijt gehad dat je gekozen had voor een vierjarige opleiding aan het K.A.S.K.?

R.D.: Soms heb ik getwijfeld of ik niet beter vanaf het begin mijn eigen — affectieve — weg gevolgd had. Zeker ben ik daar echter nooit van geweest.

K.B./D.P.: Heb je een herinnering aan het moment waarop je Wim Van Mulders voor het eerst terugzag?

R.D.: Ik heb geen specifieke herinnering, maar ik weet wel dat ik hem ontmoette op een opening van een tentoonstelling van Philippe Vandenberg. Ik heb nooit contact gehouden met Wim, maar ik hou uitstekende herinneringen aan zijn lessen over en ik ben steeds blij als ik hem terugzie.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

 

Het werk van Robert Devriendt wordt in België vertegenwoordigd door Galerie Albert Baronian, Isidore Verheydenstraat 2, 1050 Brussel (02/512.92.95; info@albertbaronian.com; http://albertbaronian.com).

Taal en andere werktuigen

In de late jaren zestig en vroege jaren zeventig benadrukten kunstenaars als Buren, Broodthaers, Smithson en ook iemand als Sekula het discursieve element van hun praktijk; het ging om een breuk met de romantisch-modernistische conceptie van de kunstenaar als iemand die mysterieuze, ongrijpbare werken schept, bestemd voor esthetische contemplatie. Door deze ideologie van de contemplatie aan te vallen, werd ook de ideologische rol van de kunst als schijnbaar autonoom domein van symbolische vrijheid ter discussie gesteld. Wat is de status van dit kritisch bedoelde model in een tijd dat kunstenaars quasi-theoretische soundbites moeten produceren als ze willen meespelen in het internationale circuit? Hoe zie jij deze kennelijke pervertering van het conceptuele model, en hoe ga je ermee om?

Volgens mij vindt vaak een reductie plaats van de intenties van zowel kunstenaars als curatoren; hun omgang met bepaalde onderwerpen wordt gesimplificeerd doordat het allemaal een modieuze invalshoek moet krijgen en aldus begrijpelijk moet worden gemaakt voor een publiek. Het is een praktische zaak; er komt een persbericht waarin een werk in twee of drie zinnen wordt beschreven en dat is natuurlijk reductionistisch. Anderzijds kan een heel simpel kunstwerk dat de juiste betekenaars bevat gaan functioneren als projectievlak en dus ‘interessant’ worden. In mijn geval lijken mensen soms erg eenduidige, simplificerende intentieverklaringen te verlangen – en geïrriteerd te raken als ik ze niet verstrek – omdat mijn kunstpraktijk een kritiek impliceert op hetgeen de media ons voorzetten. Als ik me niet met bepaalde onderwerpen zou bezighouden, zou niemand er een punt van maken; als ik formele schilderijen zou maken, als ik op een ouderwetse manier zou ‘scheppen’, dan zou het anders worden beoordeeld en zou niet worden verwacht dat ik eenduidige uitspraken doe. Toch structureer ik mijn materiaal vaak met behulp van formele verwijzingen naar de kunstgeschiedenis. Misschien overschat ik de evidentie van een interpretatie van mijn werk in termen die specifiek zijn voor de kunstcontext; misschien zijn mensen zo gespitst op ‘informatie’ of ‘kritiek’ dat ze de kunstcontext enkel als handig medium daarvoor beschouwen.

Je kunt betogen dat er vaak een mimetische kant is aan de manier waarop kunstenaars ‘kritische’ of ‘theoretische’ teksten schrijven. Van Smithson tot Mike Kelley of Stan Douglas gebruiken kunstenaars journalistieke, essayistische en academische conventies en soms parodiëren ze die. Er is ook een tendens om taal op een schijnbaar neutrale, droog-informatieve manier te gebruiken, misschien deels als reactie op de poëtiserende vertrutting van kunstenaarsteksten. Jouw gebruik van teksten lijkt daarbij aan te sluiten, hoewel je droge zinnetjes vaak citaten zijn en er door de juxtapositie ook humor insluipt.

Als ik iets schrijf is het onderdeel van een kunstproject en dient het als zodanig opgevat te worden. De teksten zijn gehelen van informatie die ik gebruik om een project over te brengen, en ze zijn één van de manieren om dat te doen. Tentoonstellingen worden vaak begrepen in een vorm die jij als soundbites karakteriseert; ik probeer binnen een situatie die op die manier functioneert een algemeen idee te geven van wat het project omvat, en hopelijk zet het werk dan ook aan tot verdergaande interpretaties die zowel betrekking hebben op het onderwerp als op de kunst. Ik gebruik tekst als de visuele middelen ontoereikend zijn om iets over te dragen. Taal gebruik ik als een werktuig dat bekend is uit de geschiedenis van de conceptuele kunst, als een middel dat naast andere middelen gebruikt kan worden. Het gaat om representatie, of het nu met visuele of talige middelen is. What you are told or see is not always what you get. Als ik een citaat gebruik van een overheidsinstantie of uit een verslag van een bedrijf zie ik dat als mogelijkheid om impliciet te reageren op een gegeven structuur, om een soort immanent commentaar te geven. De vraag is: hoe kun je informatie herschikken op een interessante manier, zonder er redundante, slechte journalistiek van te maken? Iedere tekst die ik gebruik is een gefilterde, toegespitste versie van het materiaal waar ik mee werk. De tekst begint waar de bestaande bronnen ophouden. Ik laat de kijker zijn of haar eigen oordeel vormen; mijn werk is speculatief, niet academisch.

Maar om te voorkomen dat het werk slechte journalistiek wordt, is toch meer nodig dan de kijker zijn of haar eigen mening te laten vormen? Als je het hebt over de lezing van je werk in kunsthistorische termen denk ik aan Shanghai Links, dat op mij overkomt als een soort Chinese remake – in de vorm van een installatie – van Dan Grahams Homes for America. Het werk bevat nogal Dan Grahamachtige foto’s, even onspectaculair als precies, van een omheinde nederzetting voor westerse managers waarvan de bouw is stopgezet; je combineert die foto’s met archiefbeelden van de voormalige westerse concessies in Shanghai en met tekstfragmenten. Citaten die afkomstig zijn uit brochures – “To make your time in Shanghai as comfortable as in North America”; “Expatriate Community at its finest” – staan naast de observatie dat “Mao Tse Tung once warned that ‘revolution is not a dinner party’ ”. Wat denk je dat zulke tekstmontages bewerken, vergeleken met meer lineair-discursieve teksten? Wat zijn hun specifieke kwaliteiten?

Om te beginnen is er een persoonlijke dimensie in dat project; het is niet zomaar een hommage aan Grahams Homes for America. Ik ben in de VS opgegroeid in een identieke buurt met golfterrein, en ik leefde in eenzelfde soort huis. Toen ik op de high school zat – en dus in die buurt leefde – zag ik een van Grahams foto’s op de hoes van een Sonic Youth-CD; ik had geen idee van de oorspronkelijke context, maar ik dacht wel dat dit specifieke beeld de ultieme representatie van verveling en middelmatigheid was. Later kwam ik erachter dat het kunst was. Ik zie dit soort huizen als een Amerikaans type dat nog steeds bestaat en dat gemigreerd is. Oorspronkelijk wilde ik overigens een project doen over een soortgelijke gated community in Saudi-Arabië, die later is aangevallen door Al-Qaida. Wat ik interessant vond aan het reclamemateriaal voor de Shangai-Linksnederzetting was dat bij de marketing kennelijk werd gepoogd het koloniale verleden van Shanghai te doen herleven; men probeerde een romantische notie van een exclusieve gemeenschap van buitenlanders nieuw leven in te blazen, zonder stil te staan bij de mislukkingen van het verleden. Door details uit de geschiedenis te lichten, probeerde ik een speculatieve vergelijking te maken. Mijn gebruik van tekst is bedoeld om te oscilleren tussen kennelijke feiten en uiteenlopende connotaties en subteksten, en zo representaties te ondervragen. De tekst kan de vorm aannemen van een beschrijvende titel, een bijschrift, of een montage van informatie. Hopelijk sluipt er op dit punt ook ironie, humor, absurditeit in.

In een ander werk, Dallas Southfork in Hermes Land, Slobozia, Romania, gebruik je foto’s, video, teksten, persknipsels en architectuurmodellen om een tamelijk bizarre constellatie bloot te leggen: de soap Dallas was enorm populair in het communistische Roemenië, en in het postcommunistische Roemenië liet een van de nieuwe miljonairs een kopie – op grotere schaal – bouwen van de Southfork Ranch; je legt verbanden met de connecties die de Bushclan onderhield met deze dubieuze ondernemer, met Larry Hagmans optredens in Roemeense reclame voor Lukoil, en zijn bezoek aan de kopie van de Southfork Ranch… Hoewel een visuele vergelijking tussen de twee ranches centraal staat, zijn sommige van de verbanden en relaties die je legt eerder sociaal, politiek, economisch dan visueel. Ben je sceptisch over de mogelijkheden van het beeld om door te dringen in de hedendaagse politieke en sociale werkelijkheid? Blijft het dan bij spektakel zoals dat ook door de massamedia wordt geboden? Is de fotografie – van bijvoorbeeld Thomas Struth – in dit opzicht beperkt? Je zei dat je tekst gebruikt als de beeldende middelen niet toereikend zijn…

In het geval van het Dallas/Slobozia-project kwamen de foto’s van het gebied waar de ranch ligt bijna als laatste. De eerste keer dat ik in Boekarest kwam was heel interessant, maar ik wist niet goed hoe ik het land en zijn geschiedenis moest benaderen. Ik kreeg belangstelling voor Ceaucescu’s projecten, maar het leek mij futiel om voor het immense Volkspaleis te staan en foto’s te nemen. Ik kon me meer identificeren met de grote advertenties van Larry Hagman in de straten van Boekarest, ook al had ik de televisieserie nooit gezien, en van daaruit hebben de dingen zich verder ontwikkeld. Het project begon te draaien om de kopie van de ranch en Larry Hagmans carrière; ik kon geen foto’s van de ranch vinden, dus ben ik ernaartoe gegaan en heb ik ze zelf gemaakt. De presentatie bevat ook een video met establishing shots van de ranch uit de televisieserie, die zijn gebruikt om de – grotere – kopie in Roemenië te maken.

Ik geloof dat beelden wel degelijk in staat zijn om door de oppervlakte heen te breken, maar soms is het onmogelijk om het juiste beeld te maken of te verkrijgen – en zelfs schijnbaar ‘zuivere’ beeldende kunst heeft meestal titels nodig en allerlei toelichtingen om te functioneren, om aspecten van het beeld te doen uitkomen die anders misschien niet zo uit de verf komen. Helaas is er in de beeldende kunst een tendens om in enkele, geïsoleerde beelden te denken, en daar sta ik wantrouwig tegenover. In het geval van een fotograaf als Struth, die ik zeer waardeer, is het naast de technische precisie juist ook de serialiteit die zijn werk interessant maakt. Hij continueert en herinterpreteert de historische fotocanon, wat bij mij niet zo speelt; voor mij is de fotografie onderdeel van mijn omgang met representatie en de beperkingen ervan, zoals in het geval van het langetermijnproject omtrent Amerikaanse legerbases in het buitenland; materiaal daarover is slechts moeilijk te verkrijgen. En de formalisering van een project zie ik ook niet altijd als einddoel.

Je beeld-tekstmontages hebben altijd betrekking op bepaalde plekken (steden, plekken in steden, omheinde gebieden zoals legerbases en gated communities…) maar ze zijn niet site-specifiek in de traditionele zin. Je gebruikt fotografie, video en tekst om de site te representeren en erop te reflecteren (om erop te reflecteren dat een site altijd al is doortrokken van representaties). De site wordt een uit beeld en tekst bestaande nonsite, om met Smithson te spreken.

Misschien kan ik aan de hand van een oud werk en een werk dat nu in ontwikkeling is schetsen hoe mijn ontwikkeling in dit opzicht is verlopen. Met mijn werk voor Manifesta 2 in Luxemburg – in wezen de eerste tentoonstelling waar ik aan deelnam – probeerde ik heel direct te reageren op zowel de lokale context als op een internationaal kunstpubliek dat geen band met die lokale context heeft. Enerzijds toonde ik een werk over passagiers die op het vliegveld van Frankfurt arriveren, anderzijds had ik speciaal voor de tentoonstelling een werk gemaakt dat een soort structurele vergelijking omvatte tussen Luxemburg en Gibraltar (Luxemburg wordt wel het Gibraltar van het Noorden genoemd). Ik wilde onderzoeken hoe een werk kan communiceren, hoe receptie in zijn werk gaat; het ene werk was dus meer gericht op het internationale kunstpubliek, het andere op een lokaal publiek (het Gibraltarproject bevatte tekst in het Luxemburgs); het ene was gemakkelijk consumeerbaar voor bewoners van de kunstwereld, het andere erg contextspecifiek – maar tegelijk wordt die context gekoppeld aan een andere plek.

Tegenwoordig is het niet zozeer mijn bedoeling om werk te produceren voor een bepaalde omgeving en me over te geven aan een soort van contractuele site specificity, waarbij je moet reageren op de concrete context waarin een tentoonstelling plaatsvindt; ik wil eerder werken maken met een onderwerp dat site-specifiek kan zijn maar dat ook wijst op algemenere condities. Een dergelijk werk kan zich ontwikkelen naarmate het op verschillende locaties wordt getoond. Het project waar ik momenteel aan werk begon als een opdracht van SKOR en het NAi met betrekking tot het Nederlandse Sternetsysteem, een verouderd netwerk van postsorteercentrales naast stations (daar hoort ook het gebouw bij dat nu de tijdelijke tentoonstellingsruimte van het Stedelijk Museum huisvest). Men zocht naar nieuwe visies op deze gebouwen; men wilde onderzoeken of het de moeite waard is ze te behouden en op welke manier dat kan gebeuren. Ik vond de gebouwen op zich niet zo interessant, en daarom zocht ik naar een oplossing die aan deze materie gerelateerd was, maar tegelijk meer als metafoor zou functioneren. Welke impuls zit er achter het behouden van deels disfunctionele gebouwen van een twijfelachtige architectonische waarde? Ik besloot niet rechtstreeks op Sternet in te gaan, maar deze kwestie te behandelen via de wederopbouw van Skopje na een grote aardbeving in 1963. Er werd toen een VN-prijsvraag uitgeschreven die gewonnen werd door de Japanse architect en stedenbouwkundige Kenzo Tange; zijn ontwerp was een modificatie van zijn plan voor Tokio uit 1960. Meer dan zestig landen participeerden in de wederopbouw, en ondanks compromissen en wijzigingen vormt Tanges plan nog steeds de structuur voor Skopje. Ik heb dus een verband gelegd dat de Sternetsites als onderdeel van een bredere problematiek laat zien – niet om de opdracht te saboteren, maar om kunst meer te laten zijn dan een vorm van dienstverlening, een oefening in het oplossen van concrete problemen.

Een open moment mag nooit lang duren

Van 5 februari tot 21 maart 1983 vond in het Kröller-Müller Museum – toen nog: Rijksmuseum Kröller-Müller – een tentoonstelling plaats onder de titel Groene wouden. De drie deelnemende kunstenaars, Robert O’Brien, Niek Kemps en Arno van der Mark, waren door conservator Marianne Brouwer nauw bij de concipiëring en uitwerking van de tentoonstelling betrokken. Groene wouden haalde op een elegante manier datgene onderuit waarvan de Europese kunstwereld toen al enkele jaren in de ban was: het nieuwe expressieve elan van ‘jonge kunstenaars’. Meer in het algemeen ondermijnde deze tentoonstelling het idee dat het kunstwerk een transparant medium is voor de gevoelens en intuïties van de individuele kunstenaar, en in het verlengde daarvan het idee dat het museum als een neutraal intermediair fungeert tussen kunstenaar en publiek. In Groene wouden werd juist de kunstmatigheid en onnatuurlijkheid van de gemusealiseerde kunst onderstreept. In de begeleidende catalogus was expliciet sprake van de onmogelijkheid om de gecodeerdheid van de kunstervaring te doorbreken. Marianne Brouwer schreef: “Het hernieuwde verlangen naar een historische topos – een plaats – kenmerkt de herleving van begrippen als ‘schilderkunst’ op dit moment. Alsof het verloren paradijs zich zou laten reconstrueren door dit verlies via een hernieuwde betekenisgeving te herstellen. Hoe paradoxaal dit ook klinkt: juist dit verlangen toont de onherstelbaarheid van de breuk.”

Het hierbij afgedrukte gesprek met Niek Kemps (°1952) en Marianne Brouwer (°1942) heeft als eerste uitgangspunt een terugblik op Groene wouden, een tentoonstelling die, juist door afstand te nemen van de vermeende tijdgeest van dat moment, geheel en al door die eigen tijd bepaald lijkt te zijn geweest. Een tweede onderwerp van gesprek is de omslag die begin jaren negentig plaatsvond in het dominante kunstdiscours, waarbij de nadruk op de huid van het kunstwerk en de gecodeerdheid van de kunst wegviel en plaatsmaakte voor thema’s als maatschappelijke relevantie, publieksparticipatie en politiek engagement.

Niek Kemps ontwikkelde zich in de loop van de jaren tachtig tot een succesvol kunstenaar, met solotentoonstellingen in Museum Boijmans Van Beuningen (1988) en het Van Abbemuseum (1992). In internationaal verband wordt zijn werk vaak gekoppeld aan dat van kunstenaars als Jean-Marc Bustamante, Thomas Schütte, Reinhard Mucha en Jan Vercruysse. Marianne Brouwer bleef nog tot 1997 verbonden aan het Kröller-Müller Museum. Ze was onder meer verantwoordelijk voor de tentoonstellingen Beelden van afwezigheid, tekens van verlangen (1990), Heart of Darkness (1994/1995) en het retrospectief van Dan Graham (2001-2003). Verder is ze als redacteur verbonden geweest aan de tijdschriften Museumjournaal en Archis.

 

Waar ging Groene wouden over?

Marianne Brouwer: Groene wouden had niet één specifiek onderwerp. Het ging erom structuur en richting te geven aan een specifiek moment in de tijd. Zoiets als: wat is het postmodernisme eigenlijk, wat houdt dat in? Moeilijke kunst was uit, lekkere vormpjes en kleuren waren in. Brons en olieverf waren in. In de Nederlandse beeldhouwkunst zag je een nieuwe, jonge generatie die vooral objectmatig werk maakte met veel ornamentiek en figuratie, Memphisachtig vaak. Ik wilde iets inzichtelijk maken, misschien wel het feit dat die omslag een theoretisch gehalte had dat dieper ging dan de symptomen ervan. Een soort afscheid. Dat je opnieuw naar kunst moest leren kijken aan de hand van iets wat je niet kende of verwachtte. De museumdirectie stond op dat moment nogal onder druk om een tentoonstelling te maken van jonge Nederlandse beeldhouwers. Het was het eerste teken van de latere hype van jong, jonger, jongst. Die vraag is toen bij mij neergelegd.

Niek Kemps: In Groene wouden probeerden we om werkelijk op een andere manier met de dingen om te gaan. Daarmee kwamen we op een veel gevaarlijker terrein en stelden we ons ook kwetsbaarder op. Een tweede aspect was de conceptuele kunst die toen op zijn hoogtepunt leek. Ik had geen probleem met conceptuele kunst, ik vond alleen dat ze zo ongenadig avisueel was. Ik vond het tijd worden om dat om te zetten, om daar op voort te gaan en er consequenties uit te trekken. Als de klassieke figuratie niet meer functioneert, dan moet je een andere verhouding tot figuratie creëren. Dat is heel lastig, maar wij hebben het geprobeerd. Kort daarna is de figuratie in volle kracht losgebarsten, in de oude vorm die we al kenden. Daarmee heeft zich het open moment dat er even was, meteen ook weer gesloten. Dat is jammer, maar tegelijk is dat ook zoals het meestal gaat.

Wat hield dat open moment precies in?

N.K.: Er lag een gat. We stonden op een breekpunt, vlak voordat het echte mediageweld begon. Ik heb me altijd geprivilegieerd gevoeld om dat te kunnen meemaken. Er waren bijvoorbeeld minder tijdschriften, en in de tijdschriften die er wel waren stonden weinig foto’s van kunstwerken, dus je wist niet eens wat er gebeurde. Er was nog geen zapapparaat. MTV bestond nog niet.

M.B.: Ik vond het – en vind het nog steeds – van groot belang dat jouw generatie de eerste generatie kunstenaars in Europa was die min of meer met tv is opgegroeid. Ik was zelf gebiologeerd door televisiereclame, het feit dat daarin alles met alles kon worden gecombineerd. Beethoven en oude kaas. Authenticiteit, uniciteit, echt en onecht, dat waren de dingen waar het postmodernisme mee worstelde. Groene wouden ging over een hernieuwde beeldorganisatie, over een vernieuwing van het ruimtebegrip in overdrachtelijke zin. Het ging om een herschikking van het perspectief. Alle werken in de tentoonstelling hadden daarmee te maken.

Ruimte niet in neutrale zin maar als museale ruimte?

N.K.: Land art was tien jaar eerder, de kunst was het museum al uitgevlucht. Robert O’Brien en ik vonden als geen ander dat het museum een mortuarium was. Dat gold des te sterker voor het Kröller-Müller Museum. Wil je daar het gevecht mee aangaan, dan is er maar één plek waar je dat goed kan doen, ook al is dat drie keer zo zwaar, en dat is in het museum zelf. Daar hebben wij bewust voor gekozen.

Waaruit bleek dat dat zwaar was?

N.K.: Het is veel gemakkelijker om in de woestijn pioniertje te spelen, dan om te proberen ergens binnen te komen waar alle waarden allang vastliggen, en dat vervolgens omver zien te krijgen.

M.B.: Een van mijn theorieën is die van wat ik ‘scharniermomenten’ in de kunst noem: de momenten dat alles open ligt, dat je voor het eerst ziet dat iets helemaal anders gaat worden. Dat zijn nooit de gecanoniseerde momenten van de officiële kunstgeschiedenis, omdat ze alleen iets aankondigen, vaak heel zijdelings. Ze worden gekenmerkt door een verschuiving in het figuur-grondprincipe. De Carceri van Piranesi vormen voor mij zo’n scharniermoment. Bij Groene wouden gebeurde iets vergelijkbaars. Het idee was dat je het werk van gangbare betekenissen kon ontdoen door een perspectivische leegte in het centrum van het beeld te creëren, waardoor de figuratie letterlijk aan de rand kwam te zitten. Het museum, zijn geschiedenis, zijn collectie, was de context voor die verschuiving. Daarom was de site-specificity van Groene wouden zo belangrijk. Nu is dat bijna een geformaliseerd genre geworden, maar voor mij geldt nog steeds dat je nooit scherper naar een werk kijkt dan wanneer het op de hand gemaakt is voor een bepaalde ruimte, echt letterlijk voor en in die ruimte, met alle betekenissen die daaraan kleven. Zo waren er een heleboel overwegingen waaruit Groene wouden is ontstaan.Het was waanzinnig. We waren allemaal nog jong, het was mijn eerste eigen tentoonstelling, en we hebben meteen het hele gebouw geclaimd! Maar ik ben om te beginnen maandenlang op zoek geweest naar werk waaruit een bewustzijn sprak van het belang van plaats, context en de eigen tijd; werk dat duidelijk voorbij het object wilde raken. Ik ben uiteindelijk maar bij drie kunstenaars uitgekomen. Ze waren nog niet zo lang afgestudeerd, en dus was er weinig werk, behalve een aantal installaties in Beelden op de berg in Wageningen, dat toen door Fred Wagemans werd georganiseerd. We hebben eerst een half jaar met elkaar gepraat. Over het concept van de tentoonstelling, over wat beeldhouwkunst was of zou moeten zijn. Dat was een hele heftige periode. We reden van plek naar plek in mijn oude Lancia, en voerden eindeloze gesprekken over de plaats van het kunstwerk, de rol van het museum en de context van de kunst, alles wat op dat moment op de kunstacademie anathema was. Ik ben toen behoorlijk geschrokken over de geringe aandacht die de opleidingen hadden voor de reden waarom je kunst maakte, waarom een werk niet los van zijn tijd staat. De gedachte alleen al dat je context en kunst bij elkaar bracht, was vloeken in de kerk. Ons idee was: het museum heeft zijn eigen context, is al een context.

N.K.: Het was voor het eerst dat ik met gelijkgestemden over mijn ideeën kon praten. Dat was een enorme verademing. Voor de rest wist ik nauwelijks wat het inhield om een carrière als kunstenaar te hebben. Dat interesseerde me ook niet zoveel. Het ging mij er voornamelijk om hoe je op een gegeven moment je ideeën zou kunnen realiseren, op een inhoudelijke manier. Je begint met het afstrepen van alle dingen die je niet wilt. In die zin waren die gesprekken ook belangrijk, omdat we elkaar konden corrigeren, met als gevolg dat ieder van ons een aantal belangrijke stappen heeft kunnen zetten. Je kon rustig zeggen: wat jij nu gemaakt hebt, slaat helemaal nergens op, ga eens terug naar je atelier en begin opnieuw.

Zo ging dat echt? Dat zeiden jullie tegen elkaar?

N.K.: Ja, dat waren harde gesprekken. We gingen daarop door. We probeerden iets te definiëren, maar wisten nog niet goed wat dat was. Daarnaast waren we jong, onhandig en onervaren. Als dan de ideeën aan alle kanten naar buiten spuiten, is het heel moeilijk om daar een goede vorm aan te geven. We waren stiekem bezig een ‘manifest’ op tafel te leggen, maar een manifest dat we zo precies mogelijk probeerden te krijgen. Dan moet je dat eindeloos doorworstelen, steeds opnieuw. Zoiets is uiteindelijk ook afleesbaar aan de tentoonstelling, dat voelde je.

Voelde je dat aan de geproduceerde kunst of aan het discours?

N.K.: Aan het discours. Je moet je voorstellen, in Nederland bestond helemaal geen discours. Er werd kunst gemaakt vanuit de vorm. Nederlanders zijn in principe redelijk goed in het bedenken van vormen, maar zodra er een verhaal bij moet… Op de een of andere manier zit dat er niet echt in. Ik was wel voor dat discours, ik wilde praten, en de anderen wilden dat ook. Het kunstwerk nam voor ons niet meer de primaire positie in, en wij stelden ons niet als de klassieke kunstenaar op. Het ging erom een gedachtegang te ontwikkelen en te kijken hoe ver je daarin kon komen. We moesten daarvoor een heleboel clichés, een hele erfenis van tafel schuiven.

 

Het centrum leegmaken

Hoe kijken jullie nu terug op het discours van Groene wouden? Marianne, jij schreef in de catalogus dat de kunst nooit meer deel kon worden van het leven zelf. Je had het over “het falen van de taalstructuren die de utopie van de kunst hebben bepaald”. Het was een vrij emotionele vorm van institutionele kritiek.

M.B.: Het belangrijkste woord in de catalogus is het woord ‘code’. “De code is wat je ziet.” Dat heeft met die figuur-grondverschuiving te maken. Taalstructuren hebben iets vergelijkbaars. Diezelfde verschuiving moest daarom ook in het discours worden toegepast. Als je het centrum leeg wilt houden, als je de dingen niet wilt benoemen, moet je het discours op een vergelijkbare manier voeren.

Uit Groene wouden rijst het beeld op van een vacuüm dat gecreëerd moest worden. Was er bij jullie ook het besef van een historische continuïteit, een band met het verleden?

M.B.: Ja, maar het is moeilijk om te zeggen waar die uit bestond. Het draaide om het idee dat we het modernisme voorbij waren, en om de vraag naar wat er in die situatie nog wel gold en wat niet meer, de vraag wat ruimte was, waar je het over had als je over beeldhouwkunst sprak… Dat waren allemaal vragen die opnieuw beantwoord moesten worden. Dat betekent niet dat er een vacuüm gecreëerd moest worden, nee, je herschikte de perspectieven en de ruimte. We hebben in die zin ook het zalencircuit herschikt.

N.K.: We hebben de zalen er zelfs op uitgekozen – zalen waarin een bepaald breekpunt lag.

M.B.: Dat was ook om verbindingen te kunnen maken met de museumcollectie. Roberts klassieke ruïne in de patio van het oude gebouw is daar een voorbeeld van, de ruïne die eigenlijk een nepruïne van piepschuim was. En de werken van Arno en Robert in vier zaaltjes van het oude gebouw. Dat had allemaal te maken met de doorgang naar de collectie. Hetzelfde gold voor Nieks werk aan de lange muur van de verbindingsgang naar het oude gebouw: een werk dat een merkwaardig perspectief gaf, een langgerekte ellips van houten souvenirklompjes met vlaggetjes, een soort bootjes. Nu ik erover nadenk hadden die eigenlijk dezelfde functie als de boten bij Broodthaers: verte, verlangen. Het maakte dat je anders ging kijken naar de collectie. Roberts werk ging daar het verst in. Wat daarin zat was een verlangen naar kunst, maar ook een verlangen naar iets wat onherroepelijk verloren was, wat je nooit meer kon zien zoals het oorspronkelijk bedoeld was. Het had een mooi soort melancholie.

Je schreef in de catalogus: “Groene wouden is vrolijk.” Dat klinkt alsof je je eigen melancholie probeerde te ontkennen.

M.B.: Nee, het was ook écht vrolijk. Als je de melancholie ontkent, blijf je erin steken. Dus we maakten ons daar juist vrolijk over.

Niek, vond jij dat ook?

N.K.: Zeker. We lachten veel. Een van de gevaren van al die discussies is dat het kan gaan lijken of je een nieuwe theorie hebt. En een theorie werkt algauw als een stempel. Daarmee lijn je alles af en wordt het dogmatisch, of nog erger.

Is dat wat er later is gebeurd? Is het dogmatisch geworden?

N.K.: Nee. Je kunt best theorieën bedenken, maar uiteindelijk zijn het de kunstwerken die het moeten doen. Voor je het weet wordt het kunstwerk een illustratie en de theorie een dogma. Daar hoedden wij ons voor. Onze vrolijkheid kwam mede voort uit het feit dat wij afstand namen van ons eigen gedoe. Er was een hele open relatie tussen de theorie en het uiteindelijke werk.

M.B.: Het is natuurlijk ook niet zo dat het postmodernisme helemaal niet geldig was.

N.K.: Waarom heb je het toch de hele tijd over het postmodernisme?

M.B.: Nou ja, dat is om het tijdsgewricht aan te duiden. De figuratieve kunst die toen opkwam, het ‘wilde’ schilderen, de transavant-garde, noem maar op, dat had toen heel duidelijk het stempel van postmodernisme. Ook al wist niemand precies wat dat inhield.

Voor veel mensen in de kunstwereld eind jaren zeventig was het toch een bevrijding, een doorbraak, om te ontdekken dat opeens alles weer kon.

M.B.: Dat leek zo, maar voor mij was het een terugkeer naar iets heel saais. Het zag er reuzeleuk uit, maar in wezen was het puur regressief.

Dat zag je toen al?

M.B.: Ja, absoluut.

N.K.: We zagen dat alle vier, en op basis daarvan zijn we met elkaar gaan praten. Je ziet hetzelfde nu weer gebeuren in de kunst: men doet alsof er nooit iets gebeurd is en begint gewoon van voren af aan. Dat lijkt een aantal dingen opeens heel gemakkelijk te maken, maar het is in principe behoorlijk regressief. Als je daar niet aan mee wilt doen, verplicht je jezelf om met een preciezere uitspraak te komen.

M.B.: Er zat iets heel conservatiefs in die transavant-garde en de ‘wilde’ schilderkunst. Niet in de kunstenaars zelf, en misschien zelfs niet in het fenomeen op zich, maar vooral in de manier waarop het onthaald werd. “Eindelijk zijn we van al dat conceptuele gezeur af en kunnen we weer leuk dingetjes maken.” Het woord ‘politiek’ mocht ook niet meer. Er trad een generatie aan die uitdagend riep: daar hebben wij niks mee. Het was in die tijd dat Metropolis M werd opgericht. In de jaren negentig is dat omgedraaid, en misschien is men toen wel op een andere manier gemakzuchtig geworden, bijvoorbeeld in het denken over politiek, maar in de jaren tachtig was het taboe om dat woord überhaupt te gebruiken. In de eerste nummers van Metropolis M was dat heel duidelijk. Terwijl voor mij op dat moment de belangrijkste vraag was: waar liggen de wérkelijke verworvenheden van de jaren zestig en zeventig? Het ging ons om een manier van kijken naar context en ruimte.

Waren er buiten het clubje van Groene wouden meer kringen waarin er zo gedacht werd?

 N.K.: Nee, die waren er helaas niet.

M.B.: Jawel, want het bleek op een gegeven moment iets internationaals te zijn.

N.K.: Dat kwam pas daarna.

M.B.: Niet zo heel lang daarna. Ik herinner me dat ik in 1984 bij Konrad Fischer de eerste tentoonstelling met Mucha en Schütte heb gezien.

N.K.: De generatie heeft zich gevormd toen we in 1985 met zijn allen in Frankrijk zaten, in Fontevraud. Daar waren we uitgenodigd door een Fransman, Jean de Loisy, die in zijn Renaultje heel Europa had afgereisd en ons voor het eerst allemaal bij elkaar heeft gebracht. Wij werden door hem uitgenodigd om een maand op die plek te komen wonen en werken, en daar is het gesprek ontstaan; daar heeft zich hetzelfde afgespeeld als bij Groene wouden, maar dan internationaal.

Wie waren daarbij?

N.K.: Jan Vercruysse, Harald Klingelhöller, Thomas Schütte, Bazilebustamante, en nog een aantal. Lili Dujourie was niet uitgenodigd, maar die kwam wel op bezoek. Alles bij elkaar waren er 20 tot 25 kunstenaars. We hebben een maand lang niet alleen hard gewerkt, maar ook ongenadige discussies gevoerd. Zodoende is het principe versterkt en tot één geheel geworden. We hebben daarbij ook gezamenlijk de beslissing genomen om niet als een groep met een naam naar buiten te treden. Dat was het meest radicale standpunt dat we konden innemen, in het licht van de kunstsituatie van dat moment. Achteraf is het dom gebleken, want als groep waren we commercieel veel interessanter geweest.

Heeft het de facto niet toch als een groep gefunctioneerd? Er ontstond een specifiek circuit van musea en instituten die zich met deze kunstenaars verbonden.

N.K.: Ja, maar dat is ook logisch. Bovendien is dat de taak van die instellingen. Saskia Bos organiseerde Sonsbeek ’86, waar ons werk niet alleen prominent aanwezig was, maar ook inhoudelijk verwerkt werd in het concept van de tentoonstelling. Jan Hoet nam in datzelfde jaar onze generatie als kern voor Chambres d’Amis. Iets later organiseerde Jan Debbaut uitgebreide solotentoonstellingen van onze generatie in het Van Abbemuseum.

Wat gebeurde er met het discours op het moment dat die internationale slag gemaakt werd?

N.K.: Het discours werd vrijwel overgenomen van Groene wouden, maar ook aangevuld. Er was bijvoorbeeld de aanvulling van Juan Muñoz, die figuratieve elementen wilde blijven gebruiken. Hij zei: ook al lijkt het klassieker, ik geef daar wel een draai aan. Die discussie is heel heftig gevoerd, en daarbij zijn ook fikse ruzies ontstaan.

Het valt me zo tegen dat de discussie steeds om die ene kwestie draait: figuratief of niet-figuratief. Is dat geen oudbakken discussie?

N.K.: Natuurlijk, ik noem dat maar omdat het een facet is dat je gemakkelijk kunt benoemen.

In jouw tekst in de catalogus van Groene wouden heb je het over “de onmacht van het analytisch kijken”. Je schrijft: “de traditionele orde van het beeld werkt niet meer”. Ik neem aan dat dat net zo goed voor abstracte kunst geldt als voor figuratieve?

N.K.: Ja, dat klopt.

Je doet in die tekst ook een voorspelling over wat er zou gaan gebeuren. Wat hield die voorspelling in?

N.K.: Het was niet echt een voorspelling, maar eerder een constatering: dat na een ‘open’ moment de regressie en blindheid meestal weer snel de overhand krijgen.

Er was in de jaren tachtig kunst die de zogenaamde originaliteit en expressiviteit van het individu opnieuw bevestigde. Maar aan de andere kant had je ook kunst die dat juist ontkende, die signaleerde dat er geen plaats meer was voor het kunstwerk, of die plaats ter discussie stelde.

M.B.: Aan wie denk je dan?

Aan het gezelschap waar Niek toe behoorde, dat toen in Frankrijk gevormd is. Heeft die generatie, die ‘groep’, niet ook een regressieve, zelfbevestigende uitloper gekregen?

N.K.: Ik begrijp niet helemaal wat je bedoelt.

Ik bedoel dat ook dát discours op een gegeven moment heel comfortabel werd en een formule leverde om kunstwerkjes te maken. Ik had eigenlijk het idee dat jouw voorspelling uit 1983 dáárover ging. Dat je op het moment van Groene wouden al kon voorzien hoe het later mis zou gaan; hoe alleen de uiterlijke vorm zou beklijven.

M.B.: We hadden wel het idee dat niemand zou begrijpen wat we daar aan het doen waren. Dat bleek ook uit de krantenartikelen die verschenen.

N.K.: Hoezo uiterlijke vorm? Als je een manifest opstelt, kun je er donder op zeggen dat er een aantal dogma’s insluipt. Op een gegeven moment valt zo’n groep uit elkaar en dan kun je zien wie de meest dogmatische van het gezelschap is, wie het strengst de leer blijft vertegenwoordigen, wie zich daaraan onttrekt enzovoort. Het ideaal verwatert op een gegeven moment. Het is in die zin een tijdsopname geweest, en iedereen had dat van tevoren kunnen bedenken. Een cultuur zal het bovendien nooit toestaan om een open moment lang te laten duren. Ook dat is niet moeilijk te voorspellen. Het eventuele cynisme dat daaruit voortkomt is dat je, na een hoeveelheid werk te hebben gemaakt, inziet dat je niet eeuwig dezelfde positie kunt innemen.

Jullie zijn niet gedesillusioneerd geraakt door de nasleep?

N.K.: Ik niet, helemaal niet. Je weet van tevoren dat het maar een momentopname is. Die discussies hadden we vanaf het begin: waarom mocht de ene kunstenaar wel meedoen en de andere niet? Die beslissingen waren in een aantal gevallen niet terecht. Later komen er museumdirecteuren langs die collecties samenstellen en die het beeld beginnen te corrigeren. Iemand beweert bijvoorbeeld dat Robert Gober er ook bij hoort. Dan zeg je: Robert Gober, die heb ik nooit ontmoet, wie is dat? Je gaat dat werk bekijken, en zo begint dat zijn eigen leven te leiden. Sommige kunstenaars die bij die ‘groep’ hoorden zijn interessante kunstenaars geworden en anderen niet. Zo gaat dat.

Marianne, in jouw catalogustekst voor Groene wouden zitten verschillende elementen: het einde van de kunst à la Hegel, het ‘Verlust der Mitte’ van Sedlmayer…

M.B.: Ik heb ooit eens een lezing gegeven over het gat in het kunstwerk. Mijn stelling was dat er altijd momenten zijn waarop de kunst zichzelf binnenstebuiten keert. Net zo zou het kijken zichzelf binnenstebuiten moeten keren om opnieuw kunst te kunnen zien. Daar ging wat mij betreft de hele tentoonstelling over: dat je opnieuw iets moest leren zien, omdat de rest was volgepraat, volgemaakt, volgestouwd. Wat betreft Verlust der Mitte, ik heb dat boek gelezen rond mijn vijftiende. Ik dacht, die man heeft een punt maar hij gaat er verkeerd mee om. Want dat was juist het vrolijke: een Verlust der Mitte is geen verlies, maar een winst, een enorme bevrijding. Dat bedoelde ik ook met die passage over utopische taalstructuren, die alles zozeer bezet houden dat je dat discours wel moet veranderen; je moet het binnenstebuiten keren, de elementen herschikken, het centrum leegmaken. Dat is een ongelooflijk vrolijke bezigheid. Ken je die tekst van Smithson over het lachen? Die heeft hij geschreven op het moment dat hij met perspectivische constructies bezig was, en ook met die Enantiomorphic Chambers, waarin je verwacht jezelf weerspiegeld te zien, maar vervolgens krijg je niets te zien – wat een opluchting! Het verlangen voorbij… Je krijgt niet waar je om gevraagd hebt, je krijgt iets heel anders. Dat was wat Groene wouden voor ons ook zo vrolijk maakte, en wat er zo radicaal aan was. Opruimen. Weg ermee! Net zo’n moment van opluchting als bij Dan Flavin. Neem gewoon een TL-buis… wat een opluchting! Terwijl alles er tegelijkertijd al in zit, mystiek, religie, noem maar op, je kunt het er allemaal bijdenken, maar het is en blijft gewoon een TL-buis. Er is een enorme kaalslag nodig voordat je in de kunst weer aan diepte toekomt, of aan ernst – dingen die je nooit echt kunt benoemen, en waar je altijd omheen blijft draaien. Ook als je schrijft, kun je nooit de definitieve tekst schrijven: er moet altijd nóg een artikel komen, en daarna nog één, omdat je niets anders kunt doen dan om de kern heendraaien. Anders zou je ook als kunstenaar in één keer klaar kunnen zijn.

Na Groene wouden heb jij je niet veel meer bemoeid met die generatie kunstenaars. Je hebt nog wel een aantal teksten geschreven, maar het Kröller-Müller Museum ontpopte zich niet als een van de plekken waar die kunst systematisch werd gevolgd.

M.B.: Mijn toenmalige directeur, Rudi Oxenaar, kon er nooit echt warm voor lopen, met het gevolg dat hij maar heel sporadisch werk van die generatie heeft verzameld. Dat kwam misschien omdat er een te zware conceptuele kant aan zat. Hij had echt een ander idee van beeldhouwkunst. Ik kan me dat best voorstellen, want het is al moeilijk om je eigen generatie te volgen, laat staan de generaties die na jou komen. Daar ben je automatisch minder intiem mee. Het discours raakt dan verstopt. Dat is in zekere zin met het Kröller-Müller ook gebeurd. Er is een gat in de collectie ontstaan, en dat betreur ik nog steeds. Vervolgens ging het Van Abbemuseum dat werk verzamelen. Jan Debbaut heeft zich daar terecht heel sterk voor gemaakt.

De leegte van Groene wouden en de soberheid van het discours daaromheen, werden in de jaren daarna snel opgevuld met literaire citaten. Neem bijvoorbeeld de catalogus van Nieks tentoonstelling in het Van Abbemuseum uit 1992. Daar staan weinig teksten over het werk in, maar wel veel literair getinte fragmenten, van auteurs zoals Valéry. Het idee van ‘om de kern heen cirkelen’ kreeg dus een bijna letterlijke materialisering in de vorm van een verzameling literaire citaten.

N.K.: Voor die catalogus hebben we een redactieteam samengesteld met een aantal schrijvers, waaronder K. Michel en Dirk van Weelden, omdat we niet opnieuw een tekst wilden over de kunstenaar, waarin het discours op een educatieve manier zou worden uitgelegd. We wilden niet verstrikt raken in theoretisch gedoe.

Maar is dat discours dan ooit echt goed uitgelegd? Ik betwijfel dat. Zo uitleggerig waren jullie als kunstenaars helemaal niet.

N.K.: Nee, maar wij vonden van wel. Ik begrijp het misverstand wel, maar ik ben toch te veel kunstenaar en te weinig theoreticus om me daar druk over te maken. Het is niet mijn probleem.

Toch heb je je daar actief mee bemoeid: je hebt bepaald dat er in dat boek anders-soortige teksten moesten komen.

N.K.: Ik heb me daar mee bemoeid, maar dat had een speciale reden. Het discours dat zich in de kunst afspeelde, zat ook in de literatuur. Daarom vond ik het interessant om een aantal schrijvers met wie ik bevriend was in die catalogus te laten schrijven. Het idee was om van het boek een soort essaybundel te maken, op basis van elementen uit mijn werk. Het was een poging om parallellen te creëren op literair niveau. In plaats van schrijvers te vragen om het werk uit te leggen, lieten we ze zelfstandige stukken tekst maken, waardoor er interessantere informatie naar boven kwam, in de vorm van associatieve structuren. Alleen onttrok die zich inderdaad aan de uitleg of de educatie. Er staan een stuk of zeven citaten in, de rest is speciaal voor het boek geschreven.

Een tekst over het werk hoeft niet per se schools en educatief te zijn. Er is toch nog wel iets anders denkbaar?

N.K.: Ja, maar dat is niets voor mij. Ik ben het met je eens, misschien heb je wel helemaal gelijk, als je zegt dat ons werk eigenlijk nooit goed is uitgelegd.

M.B.: Dat denk ik ook.

N.K.: Het hoort bij mij om het niet op een directe manier te doen, want daar hou ik niet van. Ik heb te veel respect voor teksten om alles als een dominee te gaan uitleggen, dat is mij allemaal te calvinistisch. En als dat tot gevolg heeft dat mensen het werk minder snel begrijpen, dan is dat niet mijn probleem. Het is mijn taak niet, ik ben in eerste instantie kunstenaar. Je moet van mij geen uitleg verwachten.

Hoe communiceerde je dan met die schrijvers?

N.K.: Die begrepen precies waar ik het over had, we hoefden daar nauwelijks over te praten. Dat was heel helder. We hebben natuurlijk ook schrijvers uitgezocht waarbij wij het gevoel hadden dat dat kon.

Hoe moeten wij nou geloven dat jij een discursieve en theoretisch georiënteerde kunstenaar bent, als je nooit over het discours wilt spreken?

N.K.: Het feit dat je praat over wat je bezighoudt, maakt je nog niet tot een theoreticus. Ik hou van tekst, maar ik ben nooit een theoreticus geweest, en ik zal dat ook nooit worden. Ik voer het discours in mijn werk, en anderen moeten dat maar vertalen.

Voor mij hoeft een kunstenaar geen theoreticus te zijn, maar op het moment dat het discours in een catalogus gestalte moet krijgen, kies jij er bewust voor om literaire auteurs te vragen. Je had ook een theoreticus dat discours kunnen laten opschrijven.

N.K.: Er waren in mijn generatie geen mensen die ons werk op theoretisch niveau konden begeleiden. Zoals Germano Celant bijvoorbeeld de term ‘Arte Povera’ naar buiten heeft geduwd, zo iemand hebben wij niet gekend. Die mensen waren er niet.

Bij jouw generatie hoorden toch ook bepaalde theoretici, zoals Alain Cueff en Ulrich Loock?

N.K.: Ja, maar wat zij deden was heel hermetisch. Ik vond dat moeizaam. Het ging naar mijn idee ook niet echt over het discours van onze generatie kunstenaars. Misschien denk ik daar anders over dan de rest. Het probleem is ook dat je op een gegeven moment onbedoeld te maken krijgt met mythevorming. Bovendien ging ons werk al snel verschillende richtingen op.

M.B.: Wat je ook niet moet vergeten is dat het Europese discours werd overvleugeld door het enorme succes van de Britse en vooral de Amerikaanse kunst in de jaren tachtig. Met name door het speculeren met kunst en alle vormen van zelfverrijking die daar bij kwamen. Het Thatcherisme en het Reaganisme waren oppermachtig, overal.

Was deze generatie Europese kunstenaars dan niet succesvol?

N.K.: Nou nee; wij mochten wel veel tentoonstellen, maar het werk werd niet zo snel aangekocht, omdat wij eerder installaties maakten dan beelden en die zijn moeilijk verzamelbaar. De verzamelingen waarin ons werk substantieel vertegenwoordigd is, waren toentertijd op de vingers van één hand te tellen.

 

De dingen benoemen

M.B.: Hebben jullie het in Fontevraud ook gehad over historische posities, hoe jullie werk stond tegenover de kunst van de jaren zestig en zeventig?

N.K.: Het begon met herkenning. De eerste keer dat ik dat heb meegemaakt, dat ik echt gelijkwaardige soulpartners ontmoette, was met jou en Robert. In Fontevraud ging dat nog sneller. Daar ontstond direct een groep van zes of zeven man die met elkaar optrokken en met elkaar in debat gingen. Er waren continu discussies over het werk van kunstenaars; we probeerden dan te definiëren waarom we iets wel of niet goed vonden. We spraken natuurlijk niet als kunsthistorici, maar als kunstenaars onder elkaar, dus dan krijg je een ander gesprek. Het ging er dan om, als we bepaald werk goed vonden, wat daar de consequentie van was. In die zin was het wel historisch, maar tegelijkertijd ontstond het besef dat we zelf met iets heel anders bezig waren, en we probeerden dat te ontrafelen. We relateerden dat niet zozeer aan kunst als wel aan elementen uit de cultuur: televisie, film, je eetgewoontes, de dingen om je heen, waarom valt jou die boom op en iemand anders niet? Relatief simpele zaken, waarmee wel heel snel iets duidelijk werd. Het voordeel daarvan was dat het net buiten de kunst lag, zodat je het kon benoemen. In de kunst kon je het niet benoemen.

Toch blijft het spookachtig. In de kunst zelf kun je niks benoemen of aanwijzen, alleen in de dingen eromheen.

N.K.: Maar vergis je niet, je verwacht van mij een kunstwerk, niet een theorie. Ik ben in eerste instantie een kunstenaar – ook al maak ik wel teksten, die ik soms los publiceer als kunstenaarspagina’s of verwerk in mijn beelden.

Ik had de indruk dat het werk zelf door een bepaald discours opgeladen was. Misschien is dat helemaal niet zo, misschien is dat mijn vergissing…

M.B.: Ik denk niet dat het een bepaald discours was, beslist niet. Het discours dat toen circuleerde was eerder karakteristiek voor die tijd dan dat die tijd door het discours werd ‘gemaakt’. Baudrillard was karakteristiek voor die tijd, dat hing in de lucht, maar dat wil niet zeggen dat hij alles heeft bestempeld of gevormd. In Groene wouden ging het om een structuur, om een methode, en niet om een discours waarmee een nieuwe stroming werd geïntroduceerd. Dat soort objectdenken wilden we juist tegengaan.

Niek, wat was de basis van die intuïtieve verwantschap die jij voelde toen jij die collega’s in Fontevraud tegenkwam?

N.K.: Het was een attitude, een mentaliteit. Hoe je je verhoudt tot je werk, daar ging het over.

Hoe was die mentaliteit dan? Wat was die attitude?

N.K.: Er waren een aantal elementen. Er was een redelijke kennis aanwezig van de geschiedenis. We wisten behoorlijk goed wat er voordien in de kunst gebeurd was en waar de interessante stukken lagen. Daarnaast was voor ons de verhouding van belang tussen het type ruimte waar we exposeerden en het type werk dat we lieten zien. Een ander aspect was dat we niet geloofden in een eenduidige boodschap. Gelaagdheid was belangrijk. Verder waren wij heel Europees in onze gedachtegang. Op dat moment was er helemaal nog geen Europa, er bestond geen idee over, maar wij hadden dat wel. We spraken ons in die zin ook politiek uit – niet letterlijk in het werk, maar we hadden wel vaak politieke gesprekken, over hoe dingen anders zouden kunnen.

Wat betekende Europa voor jullie?

N.K.: Globalisme, althans het niet in afzonderlijke nationaliteiten denken. Het doet er a priori niet toe waar je vandaan komt, het doet er niet toe wat voor achtergrond je hebt, maar we zijn met zijn allen, en we moeten met zijn allen iets voor elkaar doen.

Dat is niet specifiek Europees.

M.B.: Je deelde een bepaalde cultuur. Het grappige is dat de Amerikanen het ook hadden over ‘Europese sculptuur’ en ‘Europese kunstenaars’.

N.K.: Hetzelfde gold ten aanzien van het soort werk. Wij gaven niks om beeldhouwkunst of schilderkunst, om welk medium of welke discipline dan ook, daar ging het ons helemaal niet om. Waar wij naar streefden was dat de uiting van de kunst een ander beeld op zou roepen, een andere taal zou spreken. Hoe we die taal dan moesten definiëren, daar gingen onze gesprekken over. Daar kwamen wij natuurlijk ook niet direct uit.

Wat is er gebeurd met de erfenis van dit hele verhaal? Begin jaren negentig kwam er een vrij sterke omslag in de kunst, waarbij het ineens weer ging over sociaal engagement, over publieksparticipatie, sociale interventies, over inhoud. Het geloof in de directe communicatieve waarde van het kunstwerk, zoals dat in de jaren tachtig ter discussie was gesteld, kwam weer helemaal terug.

 M.B.: Iedereen was de corruptie en de geldzucht van de jaren tachtig zat. Die hebben heel lang het zicht ontnomen op wat kunstenaars eigenlijk te zeggen hadden. Tijdens de decenniumovergang zat ik in New York, en wie ik ook tegenkwam, iedereen zei tegen elkaar, godzijdank zijn de jaren tachtig voorbij. Dan heb ik het niet over de groep van Niek, maar het fenomeen van rijker, nog rijker…

Dat is niet echt iets inhoudelijks.

 N.K.: Jawel, in zoverre dat dat het beeld van de kunst compleet heeft bepaald. Als er nu teruggekeken wordt naar de jaren tachtig, heeft men het over dat soort kunst: Jeff Koons, Julian Schnabel, noem maar op. Ik voel mij om die reden ook niet verbonden met de jaren tachtig.

Maar de sociale relevantie, het hele idee dat het kunstwerk een directe communicatieve functie heeft…

M.B.: Dat zijn woorden uit de kunstkritiek. Je kunt niet iets definiëren waarvan de inhoud nog helemaal niet vaststaat.

Deze trend is toch al tien jaar aan de gang? Dat is in 1993 begonnen met Sonsbeek 93 en al die andere tentoonstellingen die je toen had, Unité in Firminy, Kontext Kunst in Graz enzovoort. Bovendien is dat discours niet door de kunstkritiek verzonnen, dat kwam er expliciet bijgeleverd.

M.B.: Ik weet niet of je al die kunst wel zo eenzijdig mag interpreteren. De kunstkritiek levert hypes op waar iedereen achteraan gaat.

N.K.: Het probleem is dat kunst vaak niet meer mag zijn dan een spiegel van de tijd. Dat maakt de discussie zo beperkt. Iedereen probeert het geheim van de kunstenaar te achterhalen en te benoemen. We willen het werk meteen uitgelegd krijgen, want dan kunnen we het als ongevaarlijk aan de kant zetten. Er staat zoveel onzin in de teksten die geschreven worden. Toch kan er geen kunstenaar gepresenteerd worden of er moet een tekst bij. Ik vind dat een heel ouderwets principe.

Het is juist ouderwets om te zeggen dat kunst geen tekst nodig heeft. De kunst komt voort uit een discursief universum.

 N.K.: Was dat maar waar. Als dat zo was hadden wij nu een heel ander gesprek.

 

Selbstbehauptung

Waren jullie in wezen niet een afspiegeling van hetzelfde discours als Jeff Koons en Julian Schnabel?

N.K.: Schnabel niet. Ik zou er geen woord mee kunnen wisselen.

M.B.: Met Koons toch wel.

Ik denk dat de kunst van jouw generatie een afspiegeling van dezelfde condities was als bijvoorbeeld het werk van Rob Scholte en Jeff Koons. De uitwerking is verschillend, misschien zelfs finaal verschillend, maar in de grond heeft het met dezelfde conditionering te maken.

N.K.: Ik weet niet of ik dat zou kunnen zeggen. Ik denk dat Koons en Scholte een andere kant belichtten, die overigens ook interessant was. Dat ging meer over de zapcultuur, de mediatisering, over de reproductie van de reproductie en hoe je die als kunstenaar weer kon gebruiken. Omdat zij iets jonger waren, denk ik dat zij die nieuwe zapcultuur meer hebben meegemaakt en dat verwerkt hebben in hun kunst. In die zin verschilde het van wat wij deden. Ik vind hun werk bovendien cynischer.

Ik zou een tekst kunnen schrijven waarin ik aantoon dat jouw werk cynischer is dan dat van Scholte of Koons.

M.B.: Misschien sarcastischer, maar niet cynischer.

N.K.: Ik ben nooit cynisch geweest, maar ik ben wel een stuk sarcastischer dan Rob Scholte en Jeff Koons samen. Reken maar.

Waarom is hun werk cynisch?

N.K.: Omdat het huilt over de maatschappij en de cultuur.

Koons is een enorme idealist.

N.K.: Ze zijn verdrietig over het feit dat wat ze eigenlijk zouden willen niet meer mogelijk is. In wezen is het een oude romantische gedachte die ze niet kwijt kunnen. Het verdriet druipt ervan af. Ik vind dat een enorme kwaliteit, maar zelf ben ik daar nooit mee bezig geweest. Die overgevisualiseerde maatschappij werd door hen op een nieuwe pop-artmanier naar voren gebracht, maar huilend.

Ik zou juist zeggen: Groene wouden mag dan vrolijk zijn, maar Jeff Koons is ook heel vrolijk en Rob Scholte ook. Dat schilderij van een mechanisch clowntje dat De Schreeuw van Munch natekent, dat is toch tamelijk briljant.

N.K.: Ja, dat is een prachtig schilderij, een mooi werk, maar dat is helemaal niet vrolijk. Er zit een verdriet in dat schilderij, mijn god. Het is een vrolijk schilderij om naar te kijken, maar intens verdrietig.

Wat is er met jou en je werk gebeurd in de jaren negentig?

N.K.: Ik heb genoten van de veranderingen in de cultuur. Een aantal dingen is veel vrijer geworden, en er hebben zich spannende ontwikkelingen voorgedaan: de computer, het internet, digitale beeldbewerking enzovoort. Onderwerpen waar ik al eerder mee begonnen was, zoals het vermengen van beelden, kregen langzamerhand vorm in de cultuur. De techniek van het maken van dubbelopnames werd opeens stukken makkelijker. Intussen is mijn eigen werk geëvolueerd. Ik ben trouw gebleven aan mijn principes, maar het werk heeft wel een andere vorm gekregen. In de grotere tentoonstellingen die ik gedaan heb kon ik, door hun omvang, veel beter mijn verhaal kwijt. Door de langere tijd en afstand die je moest afleggen kon ik er een soort boekwerk van maken, met een opbouw bijvoorbeeld. Daardoor werden de afzonderlijke werken ook makkelijker inzetbaar als stukken in een schaakspel. Iedere tentoonstelling werd voor mij daardoor eigenlijk één werk. Verder heb ik een boek gepubliceerd met verzamelde teksten. Ook daarin kon ik al die verschillende facetten voor het eerst samensmelten tot één geheel.

Wat betekent het om trouw te blijven aan je principes? Die principes veranderen omdat de tijd verandert. Dezelfde principes betekenen in een andere tijd niet meer hetzelfde.

N.K.: Dat is niet waar. Sommige principes waren al zichtbaar bij Pisanello, of bij Smithson en Broodthaers, en die principes blijven. Het verschil is alleen hoe ze in een kunstwerk worden uitgewerkt. In die zin is het werk wel veranderd, maar de principes niet. Ik geloof niet in een lineaire, eenduidige verandering in de maatschappij. Er is altijd beweging.

Ik wil alleen maar zeggen dat het niet zo eenvoudig is om trouw te blijven aan je eigen principes.

 M.B.: Je kunt als kunstenaar, op het moment dat je begint, toch bepaalde ontdekkingen doen, waar je ook later aan vast blijft houden, omdat ze essentieel zijn voor je werk. Dingen die je zeker weet.

Het feit dat je ze al twintig jaar zeker weet, maakt dat je er een andere verhouding toe hebt.

N.K.: Ik geloof bijvoorbeeld nog steeds in entropie, en in de waarde daarvan. Dat noem ik een principe.

Maar wat doe je met dat principe?

N.K.: Daar maak ik nog steeds werk mee. Heel ander werk, maar het principe is essentieel. Alleen de uitwerking is veranderd. Ik had vroeger de neiging om de beschouwer af te stoten; om een agressieve verhouding op te bouwen tussen het kunstwerk en de beschouwer. Dat heb ik nu niet meer nodig. Dat is voorbij.

Waarom had je dat vroeger wel nodig?

M.B.: Er is zo’n mooi Duits woord, Selbstbehauptung. Volgens mij heeft het daar mee te maken. Omdat je vooral niet verkeerd begrepen wil worden, moet er een grote afstand zijn. Het gaat over begrepen willen worden, daar doe je geen concessies aan, en daarom houd je de beschouwer op een afstand.

N.K.: Daar heeft het zeker mee te maken.

M.B.: Hoe zekerder je van jezelf bent, en hoe beter het werk in zijn vel zit, hoe minder je dat soort dingen nodig hebt. Dat is geen principe, maar een manier van werken. Dat heeft met de grondslagen van je werk te maken. Net zo goed als ik nu anders schrijf dan twintig jaar geleden.

N.K.: De grondslag van mijn werk ben ik trouw gebleven. Maar het werk is een stuk intiemer geworden.

M.B.: Hoewel het dat altijd al was. Ik denk dat je daarom die afstand tot de beschouwer nodig had, zodat die vooral niet zou zien hoe intiem het was. Als je jong bent is dat doodeng. Met schrijven bereik je ook pas na jaren dat je wat makkelijker laat zien wie je bent of wat je dierbaar is.

N.K.: Je kunt niet eeuwig radicaal blijven, dat zou erg flauw worden. Radicaliteit heeft ook iets puberaals. In die zin zijn er alleen al in je persoonlijk leven veranderingen die maken dat je op een andere manier met de dingen omgaat.

Het moet toch een dilemma zijn voor de ouder wordende kunstenaar: wie ‘met zijn tijd meegaat’ en heel nadrukkelijk ander werk gaat maken, wordt gezien als een modegevoelige opportunist, maar wie dat niet doet is al snel passé en achterhaald.

M.B.: Dat is in de kunst toch aan de lopende band aan de hand?

Maar hoe ga je daar als kunstenaar mee om?

N.K.: Ik ga gewoon door en blijf mijn ding doen. Daar geniet ik van. Als de hype over is, krijg je weer de rust om andere dingen te doen. Misschien krijg je tijdelijk wat minder tentoonstellingen. Ik vind dat allemaal niet zo’n probleem. Zo zit de maatschappij nou eenmaal in elkaar. Dat is niets nieuws. Voor mijn tijd was dat ook al zo en na mijn tijd zal dat ook zo zijn.

Maar iedereen maakt dat eens voor de eerste keer mee.

N.K.: Natuurlijk zijn er soms momenten… Als mens heb je daar je gedachten over. Als je erover nadenkt schrik je even, dat spreekt voor zich. Maar vervolgens herken je het principe en dan weet je dat het zo werkt.

Ik wil gewoon weten wat er met bepaalde ideeën gebeurt.

N.K.: Die worden alleen maar sterker. Ik word daar alleen maar vastberaden van.

 

Heart of Darkness

Marianne, twaalf jaar na Groene wouden maakte je in hetzelfde museum Heart of Darkness, een tentoonstelling met westerse en niet-westerse kunstenaars. Je refereerde daarbij aan dezelfde culturele conditionering van het museum als bij Groene wouden: het museum als een geïsoleerd kunstreservaat, met daaromheen het even kunstmatige natuurreservaat, en als buitenste ring het leger. Hoe verhouden die twee tentoonstellingen zich tot elkaar?

M.B.: Het denken over het museum heeft me gegrepen vanaf het moment dat ik bij het Kröller-Müller kwam werken, omdat juist dát museum zo’n volledig beeld geeft van de bijna onbewuste filosofische aannames en idealiseringen van onze cultuur. In Groene wouden ging het bijvoorbeeld over Marlborozonsondergangen als het clichébeeld van de wilde natuur. De Hoge Veluwe is helemaal geen wilde natuur, de herten kunnen er niet leven zonder te worden bijgevoerd. Het idee van ‘ongerepte natuur’ is een cultureel concept uit de achttiende eeuw, net als het concept van de ‘goede wilde’, dat ook met die notie van ongereptheid te maken heeft.

De rest van de wereld heeft altijd onderdeel uitgemaakt van het museum, en van het verzamelen. Men bracht voorwerpen mee van expedities, rooftochten, noem maar op. De meest uiteenlopende zaken kwamen in het museum bij elkaar, allemaal uit hun context gehaald. In de collectie van het Kröller-Müller bevinden zich bijvoorbeeld Chinese T’angfiguren; dat waren graffiguren, die natuurlijk nooit bedoeld zijn om in een museum te worden getoond.

Dus in die context was het werken met hedendaagse kunstenaars uit China helemaal niet zo vreemd?

M.B.: Dat element zat al in het museum ingebouwd. Wat betreft die T’angfiguren, over hun plek in de geschiedenis heb ik het gehad met Huang Yong Ping, een van de Chinese kunstenaars in Heart of Darkness. Omdat die beeldjes daar helemaal niet zouden mogen zijn, vanwege hun sacrale herkomst, heeft hij die tombe bij de ingang van het museum gemaakt. Dat was dus een reflectie over de verzameling. Je probeert alle denkbare factoren in je verhaal te betrekken, en in de vorm die je eraan geeft. Voor het maken van tentoonstellingen was het museum in mijn ogen een onuitputtelijke bron van verhalen. Hetzelfde gold voor het bos en die militaire oefenterreinen op de Hoge Veluwe. Je had zelfs bij het inkopen doen in het dorp nog het gevoel dat het oorlog was. Omdat ik in de oorlog geboren ben, vond ik dat echt schokkend. Het geluid van voorbijrijdende tanks deed vreselijke dingen met mij, doordat het herinneringen opriep waarvan ik niet wist dat ik ze had.

Misschien is datgene wat Groene wouden en Heart of Darkness werkelijk met elkaar verbindt, de vraag naar de macht. De macht over het beeld, over het discours, zelfs over de zintuigen. Bij Heart of Darkness is dat uitgekristalliseerd in de vraag: wat is moderniteit, hoe kun je die omarmen en er tegelijkertijd toch kritiek op hebben? Op welk moment wordt kritiek gezien als verraad aan de heersende orde? Hoe kun je een kritiek op je eigen tijd formuleren zonder regressief te zijn, maar ook: wat is radicaliteit en op welk moment en met welke risico’s wordt die bevochten?In de jaren dertig werd de moderniteit door het fascisme en het nazisme afgewezen vanuit een cultuurpessimisme dat de geschiedenis op een fundamentalistische manier wilde restaureren. Ook vandaag gaat het nog steeds om vergelijkbare problemen en processen, die dankzij de kunst soms ongenadig bloot komen te liggen. Het belangrijkste thema van Heart of Darkness was exil, in letterlijke maar vooral in overdrachtelijke zin, en dat sluit eigenlijk naadloos aan bij het idee van atopos, ‘geen plek’, nergens en overal thuis zijn, van Groene wouden. We hadden het tijdens de aanloop naar Groene wouden ook al vaak over de achttiende eeuw: het omslagmoment van een religieuze maatschappij waarin alles een samenhangende symbolische betekenis heeft, naar een maatschappij die op een of andere manier haar eigen eenzaamheid moet zien te klaren. Ik vind nu meer dan ooit dat musea dergelijke kwesties moeten oppakken, omdat de urgentie ervan zo groot is. En dat kan via de historische collecties. Dat is een ongelooflijk instrument.

Ik verbaasde me bij Heart of Darkness over het sterk materiële, sensuele karakter ervan, de nadruk op natuurlijke materialen, op geuren, op de tactiele ervaring. Groene wouden stel ik me voor als een aftreksom van ingrediënten, en Heart of Darkness eerder als een optelsom.

M.B.: Nee, dat klopt niet. Anders was Groene wouden nooit zo bekend geworden. Dat kan denk ik toch alleen komen door de mensen die de tentoonstelling zelf hebben gezien, want de Nederlandse pers heeft er nauwelijks en meestal negatief over geschreven. Je denkt dat het kale theorie was, heel abstract, maar de tentoonstelling was zo wonderschoon, zo vol van materialen…

Materialen die niet zichzelf mochten zijn: piepschuim dat was behandeld om op marmer te lijken…

M.B.: Dat kon je helemaal niet zien. Wat je zag was dat prachtige gespoten diepe blauw, met die glitterende steentjes erin. Het piepschuim zag je niet. Dat moest je weten en dat was de dubbele bodem ervan, een extra kick.

Gedurende je hele carrière heb je een fascinatie behouden voor het gedecentreerde, middelpuntloze kunstwerk. Ook bij Smithson en Matta-Clark zocht je dat weer op.

M.B.: Ja, het middelpuntloze als een vorm van deconstructie. Dat heeft te maken met mijn antihumanisme. Tot mijn verbazing begon Dan Graham er een tijdje geleden over, zo’n beetje en passant, dat dat iets was van onze generatie. Terwijl hij toch in Amerika is opgegroeid en ik hier. Dat was een vreemd déjà vu. Bij Smithson en bij Matta-Clark vind ik hetzelfde terug. Antihumanisme als verzet tegen het idee van de kunst als vlinders in de buik, verzet tegen het expressionisme, het kunstenaarsgenie, al die negentiende-eeuwse ideeën. Het humanisme als de ideologie van het kapitalisme, in eerste instantie ter compensatie voor de lopende band. Precies op het moment dat de wereld totaal onmenselijk werd, gingen ze die mens weer uitvinden. Van Gogh is daar het bekendste slachtoffer van: de kunstenaar moet lijden, moet een soort Christus worden. Vandaar dat kunstenaars eigenlijk niet mogen schrijven, ze mogen niet eens denken, ze zijn slechts de exponent van een maatschappelijke behoefte. We willen laten zien dat we niet onmenselijk zijn: kijk maar, we hebben kunst, daarin worden wij voorgesteld en uitgedrukt, onze emoties, wie wij zijn. ‘Heel den mensch’.

Dat vind je nog steeds?

M.B.: Ik vind dat nog steeds, ook al is de kunst zelf intussen helemaal veranderd. Het gaat om het humanisme, niet meer als het risicovolle, wetenschappelijke denken dat het oorspronkelijk was, maar als een centrumdenken, dat uitgedrukt wordt in de hele, ongebroken figuur, waarbij de kunstenaar model staat voor het onbewuste, het gevoel. Die verlakkerij is in wezen nooit goed beschreven. Iemand zou dat een keer moeten doen, en dan zie je vanzelf wel of dat nu nog steeds geldt of niet.

Was Groene wouden een politieke tentoonstelling?

N.K. en M.B.: Ja.

Universiteit versus academie

Daniël van der Poel: Hoe was de omgang met docenten tijdens je eigen studietijd?

Guido Goossens: In de jaren 80 en begin jaren 90 studeerde ik geschiedenis en filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Het was een traditionele opleiding, waarbij de sturende rol lag bij de docenten. Het onderwijs dat zij verzorgden kwam grotendeels voort uit hun eigen onderzoek en publicaties. Er lag een sterke nadruk op hoorcolleges, met zestig tot honderd studenten die opschreven wat de docent vertelde. Studenten tutoyeerden de docenten, maar er bestond toch een behoorlijke onderlinge afstand.

D.v.d.P.: Je doceert nu zelf cultuurwetenschap aan de Universiteit Maastricht. Hoe gaat dat in zijn werk?

G.G.: We geven zogenaamd probleemgestuurd onderwijs, een veel intensiever en beter onderwijsmodel dan dat waar ik als student mee te maken had. Het houdt in dat je als docent optreedt als begeleider en dat je taken bedenkt waar de studenten min of meer zelfstandig aan werken. Ze doen dat binnen groepen van maximaal vijftien personen. Over de gegeven onderwerpen voeren we discussies waarin de studenten een actieve rol hebben, en als ze ergens op vastlopen, dan geef ik een minicollege over het betreffende probleem. De kleinere omvang van de groepen betekent wel dat er meer docenten nodig zijn. Zo krijg ik voor het eerstejaarsvak Kunstbeschouwing assistentie van drie tutoren. Dat zijn niet altijd inhoudsdeskundigen; de situatie is er meer een van ‘samen leren’.

D.v.d.P.: Krijg je altijd de middelen en de vrijheid die nodig zijn voor intensief, probleemgestuurd onderwijs?

G.G.: Het is voor mij vanzelfsprekend dat de onderwijsdirecteur mij voldoende tutoren toewijst en dat ik een lokaal heb met de juiste audiovisuele middelen, zodat ik zulk onderwijs kan geven. Het probleemgestuurd onderwijs hangt dan ook nauw samen met de onderwijsfilosofie waarop de universiteit sinds haar oprichting in 1976 steunt. Daar was een flinke dosis idealisme mee gemoeid. Men wilde destijds echt een andere vorm van onderwijs op touw zetten, op basis van ideeën die waren ontstaan in het medisch onderwijs in Canada. Daar had men bedacht dat je aankomende artsen niet alleen moest volstoppen met boekenwijsheid, maar veel beter kon laten leren door ze een concrete casus voor te leggen en van daaruit te vertrekken. Het idee dat studenten meer opsteken van een docent die een probleem voorlegt dat ze vervolgens zelf moeten uitpuzzelen, dan van iemand die voor een grote groep staat uit te leggen hoe het allemaal zit, is later ook toegepast in het geesteswetenschappelijk onderwijs aan de Universiteit Maastricht. Verder heb je als coördinator van een blok de vrijheid om de lesstof vorm te geven, taken te bedenken en literatuur te kiezen. Daarbij moet je je wel kunnen verantwoorden en rekening houden met vooropgestelde leerdoelen, zoals de Dublin descriptoren, de eindtermen voor bachelor- en masterstudies aan Europese universiteiten en hogescholen, die in 2004 in Dublin werden vastgelegd. Zij moesten zorgen voor een helder onderscheid tussen bachelors en masters, en dienden het streven naar gelijkwaardigheid tussen alle Europese hogeschoolopleidingen te bevorderen, maar erg dwingend zijn ze niet.

D.v.d.P.: Staat kleinschalig onderwijs onder druk in deze tijd van bezuinigingen?

G.G.: Het hoger onderwijs is aanmerkelijk grootschaliger geworden, mede omdat universiteiten worden afgerekend op studentenaantallen. Sinds de Bolognaverklaring zijn de universiteiten steeds meer ondernemingen geworden die de student als een cliënt benaderen. De Universiteit Maastricht probeert vast te houden aan kleinschalig onderwijs, in wat kan worden gezien als een idealistische poging weerstand te bieden aan die ontwikkeling. Dit is uiteraard erg duur, terwijl er steeds minder geld gaat naar onderwijs, of althans naar het eigenlijke lesgeven en wat daarvoor nodig is. Om kosten te besparen heeft men geprobeerd het onderwijs efficiënter te maken, onder meer door het ‘urenschrijven’ in te voeren. Tegenwoordig word je als docent aangenomen voor een bepaald aantal uren. De besteding van deze uren moet per verrichte activiteit worden verantwoord. Als ik, om maar iets te noemen, een hoorcollege geef, dan mag ik hiervoor een aantal gewerkte uren opgeven. Hoeveel precies, dat wordt van bovenaf bepaald. Zo stemt één hoorcollege aan de Universiteit Maastricht overeen met acht tot tien uur, inclusief de voorbereidingstijd en alles wat er verder bij komt kijken. Voor de complete begeleiding van een bachelorscriptie staat acht uur. Het zal duidelijk zijn dat deze tijdsbudgetten erg krap bemeten zijn. Wil je een bachelorscriptie goed begeleiden, dan ben je in de regel veel meer uren kwijt. Daardoor sta je voortdurend voor een afweging: wat weegt zwaarder, de kwaliteit van het onderwijs of het urenquotum?

D.v.d.P.: Brengen zulke maatregelen de onderwijskwaliteit alsnog in gevaar?

G.G.: De meeste van mijn collega’s vinden de onderwijskwaliteit belangrijker dan het urenquotum, maar dit betekent wel dat ze aanzienlijk meer uren draaien dan officieel is vastgelegd. Bovendien kent het systeem van het urenschrijven vreemde uitwassen. Zo staan er geen extra uren voor hertentamens. Stel dat een student een onvoldoende krijgt voor een bachelorscriptie en moet herkansen. Dan moet je dit als docent zien op te lossen binnen de acht uur die voor de begeleiding van de scriptie staat. De verleiding is in zo’n geval groot om de student dan maar een voldoende te geven – op dat punt ging het, vermoed ik, mis aan de Hogeschool Inholland – maar dan bega je fraude. Bovendien wil je als docent kwaliteit leveren door elke student het cijfer te geven dat hem of haar toekomt. Een andere uitwas van deze bureaucratisering zijn de strikte tijdslimieten. Zo moet een tentamen binnen vijftien werkdagen worden beoordeeld. Doe je dat niet, dan heb je een probleem. In het geval van een van mijn blokken bestaat het tentamen uit drie papers. Er zijn 51 studenten in dit blok, wat betekent dat ik binnen vijftien werkdagen in totaal 153 papers van elk 3.000 woorden moet hebben nagekeken. Het nieuwe blok is dan alweer begonnen en daar heb je als docent doordeweeks de handen aan vol. Het nakijken en becommentariëren van de papers is dus iets wat je ernaast moet doen.

D.v.d.P.: Je geeft ook les aan de Academie Beeldende Kunsten Maastricht. Hoe ziet het onderwijs er daar uit?

G.G.: De kunstacademie is kleinschaliger en minder bureaucratisch. Ik heb daar ook minder last van de problemen die ik zonet beschreef. Als docent cultuurgeschiedenis en -theorie ben ik vooral betrokken bij de bachelor Autonome Beeldende Kunst, die wordt gecoördineerd door Erik de Jong. Hij hanteert daarbij het model van de learning community. Dit model, waar ik zelf achter sta, heeft twee belangrijke facetten. Het ene is dat studenten en docenten samen een gemeenschap vormen van in principe gelijkwaardige individuen. Het doel is niet de traditionele vorm van kennisoverdracht, met vaste vakken die op gezette tijden gedoceerd worden, maar het creëren van situaties waar zowel de student als de docent uit leert. Het onderwijs stopt dan ook niet op een bepaald moment, maar gaat door als je ’s avonds gezamenlijk zit te eten. Het andere facet is dat je de studenten zoveel mogelijk invalshoeken moet aanbieden om ze algemene bagage mee te geven. Het docententeam moet daarom zo breed mogelijk georiënteerd zijn. Er zijn kunstenaars met verschillende achtergronden, twee theoretici, een docent die zich richt op artistiek onderzoek, iemand die zich bezighoudt met creatief ondernemerschap enzovoorts. Elk van hen vertegenwoordigt een positie binnen de gemeenschap, waarbinnen allerlei dialogen kunnen ontstaan.

D.v.d.P.: Voor kunstenaars in opleiding lijkt het steeds belangrijker dat zij zich een academisch idioom eigen maken. Ook kunnen kunstenaars sinds enkele jaren promoveren aan de universiteit. Dreigt het onderscheid tussen de kunstacademie en de universiteit te vervagen?

G.G.: In de eerste helft van de 20ste eeuw kwam de theorie er vaak bekaaid van af op de kunstacademies, omdat men de nadruk legde op kunst als expressie. Sindsdien is het theorieonderwijs erg verbeterd. Het risico is echter dat men de kunstacademie gaat zien als een vooropleiding voor de universiteit en dat artistieke criteria worden vervangen door wetenschappelijke maatstaven. Je kunt je voorstellen dat men docenten van de universiteit gaat aanstellen om de mensen op de academie alvast de kneepjes van het vak bij te brengen. Die ontwikkeling kun je alleen voorkomen door steeds de kunstpraktijk en de vragen van academiestudenten als uitgangspunt te nemen. In Maastricht is het zo dat niet de theoretici maar de praktijkdocenten leidend zijn, en dat vind ik goed.

D.v.d.P.: Benader je de studenten aan de kunstacademie anders dan die aan de universiteit?

G.G.: Je hebt te maken met twee verschillende praktijken: die van de kunstenaar en die van de filosoof. Bij het theorieonderwijs aan de kunstacademie moet de praktijk van de kunstenaar in opleiding centraal staan. Theorie is daar geen doel op zich, maar iets wat je de individuele student aanreikt ter ondersteuning van wat hij of zij gaat doen. De nadruk ligt meer op algemene ontwikkeling: het aanbieden van een brede theoretische basis, gerelateerd aan het werk dat ze maken. Daarnaast leer ik ze zelfreflectie en verwondering. Kortom, ik probeer hen een attitude bij te brengen die hen in staat stelt zich te verhouden tot de wereld in het algemeen en zich te mengen in het vertoog over hedendaagse kunst. Daarbij houd ik rekening met de verschillen tussen de studenten; sommigen hebben veel op met theorie, anderen minder. Het zou bijvoorbeeld absurd zijn om een tekst van Thomas van Aquino over hoeveel engelen er op de punt van een naald passen te bespreken met een student die weinig interesse toont in theorie. Op de universiteit is dat anders. Daar worden studenten opgeleid tot specialisten in een bepaalde wetenschappelijke discipline, in mijn geval de kunsttheorie, wat heel andere vaardigheden vereist. Met hen bespreek je juist wel zo’n tekst van Thomas.

D.v.d.P.: Verschilt alleen je benadering van de twee groepen of verschillen zij ook werkelijk van elkaar?

G.G.: Ja, tijdens de colleges merk ik dat er grote onderlinge verschillen zijn. Er is een blok dat ik verzorg aan de universiteit, Kunsttheorie, dat een parallel heeft aan de academie. In de laatste weken kruisen de twee programma’s elkaar. De studenten van de universiteit leggen atelierbezoeken af aan de kunstacademie, praten daar met de academiestudenten en nemen deel aan het onderwijs. Omgekeerd komen de studenten van de kunstacademie naar de universiteit om daar aan te schuiven tijdens de reguliere colleges. Een paar weken geleden gaf ik college aan zo’n gemengde groep. De universitaire studenten hadden de opgegeven teksten gelezen en gingen die vervolgens helemaal uitpluizen, inclusief de noten en verwijzingen. Zij zijn gewend om op die manier vanuit een tekst te vertrekken, maar de academiestudenten hadden op een zeker moment zoiets van: waar zijn jullie in godsnaam mee bezig? Wat kan het mij schelen wat Hannah Arendt op die en die pagina in die en die voetnoot schrijft? Het gaat er toch om wat je zelf van het onderwerp vindt?

D.v.d.P.: Wat leren studenten van zulke uitwisselingen?

G.G.: Ik denk dat het voor kunstacademiestudenten erg belangrijk is dat ze mondig zijn, en kunnen schrijven en omgaan met teksten. Uiteraard moeten ze ook leren om te gaan met vertegenwoordigers van de andere praktijk, die van de filosoof. Want bedenk, mijn universiteitsstudenten van nu zijn de theoretici, curatoren en kunstcritici van de toekomst. Aldus beschouwd geeft de uitwisseling de aankomende kunstenaars een voorproefje van wat komen gaat. Ze ervaren hoe het is als iemand met een andere achtergrond en vocabulaire je werk interpreteert. Voor universiteitsstudenten is het vaak een eye opener om in de ateliers rond te kijken. Zij zijn gewend vooral over papier te praten: als je ze vraagt een paper over Andy Warhol te schrijven, dan gaan ze naar de bibliotheek of gebruiken ze Google om te lezen wat anderen over Warhol hebben geschreven. Maar ze hebben geen idee hoe het artistieke proces werkt. Daarom hebben we die uitwisseling ingebouwd, zodat ze de ateliers kunnen bezoeken van leeftijdgenoten die Autonome Beeldende Kunst studeren en met hen kunnen praten. Ik vraag ze uit te zoeken waar een van de kunstenaars in opleiding mee bezig is en om eens een werk en het maakproces ervan te beschrijven. Universiteitsstudenten vinden dat vaak griezelig, omdat ze bij zulke ‘onbeschreven’ kunstenaars niet kunnen terugvallen op teksten. Uiteindelijk zien ze zulke confrontaties echter als een openbaring. Toen ik zelf studeerde, vonden dit soort uitwisselingen niet plaats: studenten konden vreemd genoeg een hele studie kunst- of cultuurgeschiedenis doorlopen zonder ooit een atelier van binnen te zien. Dat daar tegenwoordig ruimte aan wordt geboden in het onderwijs, is een grote vooruitgang. Het hoger onderwijs van nu is dan ook niet enkel kommer en kwel, al lijkt het modieus te zijn om dat te beweren. Door de schaalvergroting en de toegenomen bureaucratie krijgt vooral de universiteit trekjes van een leerfabriek, maar de manier van lesgeven en de stof die wordt aangeboden zijn in verschillende opzichten beslist verbeterd.

Kunst en jeugd

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Je beide ouders waren kunstenaars. Heeft dat je ertoe aangezet om je leven in het teken te stellen van de kunst?

Matt Mullican: Ongetwijfeld. Ik werd kunstenaar door mijn vader te imiteren. Ik sprak hem trouwens nooit aan als ‘vader’; ik noemde hem ‘Lee’ omdat hij bij mijn geboorte niet mijn wettelijke vader was. Mijn ouders waren niet getrouwd toen ze mij kregen; maar ik was geen ongewenst kind, integendeel: mijn ouders hielden ontzettend van me. Toen ik ongeveer drie was, hing ik volgens hen wel eens een plaatje aan de muur – of gewoon een stuk papier — waarover ik vervolgens begon te praten. Ik kon op die leeftijd uiteraard nog niet spreken, maar ik imiteerde wel al duidelijk mijn vader. Wat hij deed, dat wilde ik ook doen. Ik hield zielsveel van hem. Een andere herinnering uit mijn kindertijd is dat ik in pyjama in een auto stapte om naar het theater te gaan, waar ik, bijna zoals in bed, neerlag tussen het publiek en naar een voorstelling keek. Het was in een grote, donkere zaal. Mijn vader zat destijds in een theatergroep die Instant Theatre heette. Ook Rachel Rosenthal was als performer aan het gezelschap verbonden. Ik herinner me dat ik er meer dan eens naartoe ging. Het was allemaal nogal bizar, maar zelf was ik het gewoon. Ik was toen vijf of zes. Mijn bewustzijn was nauwelijks ontwaakt, en toch herinner ik het me.

K.B./D.P.: Hoe hebben je vader en je moeder elkaar ontmoet?

M.M.: Mijn vader maakte deel uit van een groep kunstenaars die Dynaton heette — de andere leden waren Wolfgang Paalen en Gordon Onslow-Ford. Ook Jacqueline Johnson, Onslow-Fords vrouw en schrijfster, was bij de groep betrokken. Gordon was kunstenaar én verzamelaar; hij beschikte over een stevige verzameling moderne schilderijen. Toen ik geboren werd, was mijn moeder – Luchita Hurtado – getrouwd met de kunstenaar Wolfgang Paalen, die wel eens de ‘vergeten surrealist’ wordt genoemd. Mijn naam was dus niet Mullican toen ik op de wereld kwam. Paalen had wettelijke zeggenschap over mij, en tegenover mijn moeder dreigde hij ermee dat hij me naar een Zwitsers internaat zou sturen als ze durfde te verklappen dat ik zijn zoon niet was… dus deed ze er tegen iedereen het zwijgen toe. Later zijn Paalen en mijn moeder gescheiden, en iets daarna, in 1959, pleegde hij zelfmoord. Die man heeft een onwaarschijnlijk leven gehad.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er na de scheiding van Paalen en je moeder?

M.M.: Mijn ouders zijn getrouwd, mijn vader heeft mij geadopteerd en we zijn naar Los Angeles verhuisd. Ik herinner me nog dat we naar de rechtbank gingen en dat de rechter me vroeg wie mijn vader was. Ik zei: ‘Hij zit hier, mijn vader. Lee Mullican is mijn vader.’ Ik beschouwde hem toen al als mijn vader, hoewel ik niet wist hoe de vork in de steel zat. Op een zekere dag, niet veel later, kwam hij thuis en zei hij: ‘Voortaan is je naam niet meer Paalen, maar Mullican.’ Ik dacht dat mijn hele familie haar naam in Mullican had veranderd: mijn grootmoeder, tantes, ooms, iedereen! De ouders van mijn vader hebben nooit het echte verhaal te horen gekregen. Ze hebben altijd gedacht dat ik een geadopteerd kind was. Een onecht kind krijgen in de vroege jaren 50, dat kon echt niet, zeker niet in Chickasha, Oklahoma. Ze zijn daar erg gelovig; ze zouden er totaal geen begrip voor hebben gehad. Toen ik een kind was, gingen we elke zomer naar Chickasha om mijn grootouders te bezoeken. We namen altijd route 66, door Mexico, en verbleven telkens in dezelfde hotels. Dat vond ik geweldig. Ik herinner me bijvoorbeeld dat we vaak naar een plek in de buurt van de Rio Grande gingen. Daar was het dat een oude vriend van mijn vader me op een gegeven moment vroeg of Lee mijn echte vader was. Ik dacht bij mezelf: ‘Mijn god, misschien is hij dat wel niet…’ Dat die mogelijkheid bestond, vond ik een schrikwekkende gedachte.

K.B./D.P.: Wanneer is jou het echte verhaal verteld?

M.M.: Ik moet zestien jaar zijn geweest toen mijn vader alles uit de doeken deed. We zaten in de auto. Voor mij was het een enorme opluchting dat ik het eindelijk wist. Ik vermoed dat de twijfels die ik had over wie ik was deels hebben geleid tot de kosmologieën, die sinds de jaren 70 de kern van mijn werk vormen. Misschien is er ook een verband met het feit dat ik in zoveel werken mijn achternaam gebruik.

K.B./D.P.: Was je het enige kind van je ouders?

M.M.: Nee. Ik heb een elf jaar oudere broer. Hij is de zoon van Daniel Del Solar, de eerste man van mijn moeder. Del Solar was de Zuid-Amerikaanse redacteur van Time Magazine. Daarnaast kregen mijn moeder en vader nog een zoon lang nadat ik was geboren. Toen mijn jongste broer elf was, was ik het huis al uit. Elk van ons leefde dus in zekere zin als enig kind.

K.B./D.P.: Hoe was het om in Los Angeles te leven?

M.M.: We hadden een mooi, klein huisje op een heuvel, met uitzicht op de Santa Monica Canyon. Ik herinner me dat ons huis vol hing met objecten, gaande van palen van paalwoningen uit Nieuw-Guinea tot gevederde maskers uit de Braziliaanse Amazone en Kachina-poppen. Wanneer er kinderen op bezoek kwamen, waren ze steeds stomverbaasd, omdat ze niemand met zo’n huis kenden. Vanuit het huis hadden we een magnifiek zicht op de oceaan. Ik ben dus opgegroeid met het geluid van de zee en bracht mijn zomers door op het strand. Ik herinner me ook dat er tal van beroemdheden uit de kunstwereld in de buurt woonden. Onze buurman was bijvoorbeeld de schrijver Christopher Isherwood, die bekend is van zijn verhalen over Berlijn. Ik herinner me hem niet, maar mijn ouders kenden hem wel. Sam Francis leefde wat verderop in de straat, en toen ik een tiener was, hebben Ry Cooder en zijn vrouw nog op me gepast. Het was gewoon een erg aangename plek om op te groeien.

 

2.

K.B./D.P.: Maakte je vaak reizen met je ouders of bleef je de hele tijd in de omgeving van Los Angeles?

M.M.: Toen ik zeven was, reisden we naar Europa: mijn vader had een Guggenheim Fellowship gekregen en gebruikte het geld om met zijn gezin gedurende een jaar in Rome te gaan leven. Ik herinner me dat we in New York de boot namen, een Italiaans stoomschip. Het moet in de zomer geweest zijn, want onderweg zat ik vaak buiten, bij het zwembad. Voor we in Rome aankwamen, deden we de Canarische eilanden en Marokko aan. Rome heeft mijn leven veranderd; door die reis ben ik geworden wie ik nu ben. Ik ben in Rome langzamerhand ‘geëuropeaniseerd’; toen ik terugkwam, zag ik er niet meer uit of gedroeg ik me niet meer als een Amerikaans kind.

K.B./D.P.: Ging je naar school in Rome?

M.M.: Ja, ik ging er naar de Overseas School. Aanvankelijk zat ik samen met leeftijdsgenoten, maar het duurde niet lang voor ik in een lagere klas en uiteindelijk in de laagste klas terechtkwam. We waren met vier in die klas: ik, een meisje met polio, een Indisch jongetje en nog iemand anders. Dat was echt zielig voor mij. Ik deed het altijd zo slecht op school. Ik had waarschijnlijk een of andere leerstoornis, dyslexie of ADHD — ik weet het niet, want ik ben nooit getest. Een van de dingen die ik me herinner, is dat ik op een klasfoto in het jaarboek van de school een speer vasthoud; ik wou een Romeinse soldaat zijn. Ik maakte ook veel schilderijen van goden toen ik in Rome woonde. Als er iemand was die me in die tijd deed geloven dat er een genie in mij school, dan was het mijn moeder. Ze zei me steeds weer dat ik hoogbegaafd was en een groot kunstenaar zou worden, en dus geloofde ik haar. Omdat zij me ondersteunde, ging ik er niet aan kapot dat ik het zo slecht deed op school. Ik wou echter geen kunstenaar worden toen ik een kind was; ik wou archeoloog worden. Ook nu zijn het nog steeds de verhalen die me boeien. Het gaat me nooit om de vormen op zich.

K.B./D.P.: Kan je iets meer vertellen over je schilderijen van goden?

M.M.: We gingen voortdurend naar musea in die periode, en het is daar dat ik gefascineerd raakte door de antieke goden, zowel de Romeinse als de Griekse. Mijn favoriete godin was Athena; ik vond het fantastisch dat ze geboren was uit Zeus’ hersenen. Ik maakte veel tekeningen van haar en van Mercurius. Een grappig detail was dat al mijn mannelijke goden penissen hadden. Het was me opgevallen dat alle standbeelden penissen hadden, dus tekende ik die ook. Mercurius, Zeus en Apollo, ik vond ze allemaal geweldig. Ik schilderde hen met een zwarte borstel, dezelfde die ik nu nog soms gebruik. Ik heb recentelijk twee van die Romeinse tekeningen tentoongesteld in het STUK in Leuven (7 november 2009 – 24 januari 2010). Voor ik naar Rome verhuisde, maakte ik trouwens ook grote tekeningen van vissen.

K.B./D.P.: Hadden die tekeningen een betekenis?

M.M.: Die van de goden zeker wel, die van de vissen niet. Ik maakte ze gewoon voor mijn plezier. Ik hou van vissen.

K.B./D.P.: Vissen worden beschouwd als…

M.M.: …fallisch, inderdaad! Op mijn zeven was ik daar dus helemaal door geobsedeerd. Mijn fallussen waren gigantisch, wel negen meter lang! Grote walvissen waren het, die ik tekende op het strand. Ik was ook gek op Moby Dick; van die film was ik destijds echt ondersteboven. En ik hield van boeken. Ik stond vaak vroeg op, verzamelde de vele pluchen dieren die ik had rondom mij op bed, en las dan aan hen voor. Daar kon ik echt van genieten.

K.B./D.P.: Wat voor ideeën hadden jouw ouders over kunst?

M.M.: Ze beleefden het meer dan dat ze erover praatten. Ze hielden geen preken over kunst. Mijn ouders hebben me nooit iets opgedrongen. Op geen enkel moment heb ik het gevoel gehad dat ze mij bepaalde ideeën wilden aanpraten. Er waren wel voortdurend kunstenaars in de buurt. Zo kwam Willem de Kooning, een vriend van mijn moeder, ons opzoeken in Rome, net als Isamu Noguchi. Mijn moeder vertelde me vaak over een bezoek dat we in die periode brachten aan een tentoonstelling van Picasso ergens in Frankrijk. Ik liep er rond, sleurde mijn moeder van het ene schilderij naar het andere en vertelde haar ondertussen hoe opwindend ik het vond om al die werken te kunnen zien. Op een gegeven moment sprak een man die ons in het oog had gehouden mijn moeder aan, en zei: ‘Hier heb je mijn adres. Ik wil dat je me schrijft over wat er met dit kind gebeurt als het ouder wordt, want hij wordt zeker kunstenaar.’ Dat was het lievelingsverhaal van mijn moeder.

K.B./D.P.: Gingen jullie nog naar andere landen naast Frankrijk en Italië?

M.M.: Diezelfde zomer hebben we een aantal prehistorische sites bezocht. Mijn ouders hoefden me niets te vertellen over wat ik daar te zien kreeg; het enige wat ze moesten doen was mij in de auto zetten en ernaartoe rijden. We hebben in heel Europa gekampeerd. We gingen naar de grotten van Lascaux, voor ze gesloten werden voor het publiek, naar Altamira, Stonehenge, Carnac, alle bekende prehistorische sites.

K.B./D.P.: Had het feit dat je ouders een specifiek soort kunst maakten een betekenis voor jou?

M.M.: Absoluut, maar wat me nog meer beïnvloedde dan de schilderijen die mijn vader maakte, waren al die kunstvoorwerpen waarmee hij zich omringde. Hij verbond er echter geen verhalen aan. Mijn werk staat daarentegen volledig in het teken van het talige. Als adolescent heb ik een slangendans van de Hopi gezien, wat ik een ongelofelijke ervaring vond. Zoiets kan je nu niet meer meemaken; ik mag mezelf gelukkig prijzen dat ik het heb mogen beleven. Dat soort zaken maakte gewoon deel uit van mijn jeugd. Ik denk dat er weinig dingen zijn die me zo beïnvloed hebben. Die ervaringen hebben ertoe geleid dat ik me begon te interesseren in de taal van de Hopi, in de Chinese of Mayacultuur, in Griekse en Romeinse goden. Al die dingen zijn zeker van grotere invloed geweest dan het werk van mijn vader.

K.B./D.P.: Misschien was je vader thuis niet zo aanwezig als kunstenaar?

M.M.: Hij was juist heel erg aanwezig als kunstenaar! Hij tekende de hele tijd, altijd abstract, nooit figuratief. Hij tekende voor de tv, op de eettafel, in de sofa. Dat hij voortdurend tekende, is wel degelijk van groot belang voor me geweest. Daarnaast was het ook belangrijk om te zien wat het betekent om een schilder te zijn: steeds weer naar je atelier gaan, afstand nemen en het werk bekijken… Ik denk echter niet dat zijn werk op zich een grote invloed op me heeft gehad. Zien jullie bijvoorbeeld een link tussen mijn werk en dat van Mark Tobey? Daar was het werk van mijn vader in elk geval nauw mee verwant. Zijn favoriete kunstenaar was Paul Klee.

K.B./D.P.: Hoe zit het met de kunst van je moeder? Daarover praat je niet zo veel.

M.M.: Ze ontdekte haar kunstenaarschap pas toen ik al lang opgegroeid was. Ze maakte schilderijen en tekeningen die er een beetje uitzagen als die van Henry Moore. Ze gebruikte vaak wasco en schilderde daar met aquarel over, een procedé waarbij de verf door de wascolaag wordt afgestoten. Mijn moeder leeft trouwens nog; ze werd dit jaar 93. Mijn vader stierf 15 jaar geleden. Het jaar voor hij stierf, vond hij een kunsthandelaar, Marc Selwyn, die zich bekommerde om zijn nalatenschap. Bij zijn overlijden werd een gigantisch aantal werken uit zijn atelier gehaald. Er waren zelfs schilderijen bij die dateerden uit de jaren 40. De confrontatie met die immense hoeveelheid schilderijen was voor mij een echte les over het werk — de arbeid — van een kunstenaar.

K.B./D.P.: Zijn je vader of moeder op een gegeven moment succesvol geweest?

M.M.: De carrière van mijn vader kan je geslaagd noemen. Iedereen sprak vol lof over hem. We hadden niet veel geld, maar we kwamen nooit iets tekort.

K.B./D.P.: Gaven je vader of moeder les?

M.M.: Mijn moeder heeft nooit buitenshuis gewerkt; mijn vader begon les te geven rond 1960. Toen we terugkeerden uit Rome, werd hij professor aan de UCLA, en dat is hij voor een dertigtal jaren gebleven.

K.B./D.P.: Heeft hij jou ooit onderwezen?

M.M.: Nee, en ik heb hem ook nooit gevraagd om onderwezen te worden. Ik wou immers geen kunstenaar worden. Op school haalde ik bovendien slechte cijfers voor tekenen of schilderen; ik kreeg altijd C’s. Ik herinner me dat we op een gegeven moment bloemen moesten tekenen, en dat ik een tekening maakte van een grote roze madelief. Ik had de bloem er bewust laten uitzien als een cartoon, maar de leraar begreep dat niet. Ik was in die tijd nogal in de ban van pop art. Ik herinner me dat ik werken van Andy Warhol en Claes Oldenburg zag. Ik bezocht een tentoonstelling van Jean Tinguely in de Dwan Gallery in Los Angeles — dat moet in 1963 geweest zijn. In dezelfde periode zag ik op Cienega Boulevard in L.A. de schilderijen van vrouwen die Roy Lichtenstein maakte. Ik groeide op met pop art en hield ervan. Verder herinner ik me dat ik werk zag van Allan Kaprow, die in die tijd gebouwen uit ijs maakte. Met de auto reden we van het ene naar het andere gigantische ijsgebouw.

K.B./D.P.: Volgde je kunstlessen toen je een kind was?

M.M.: Ik ging naar twee buitenschoolse cursussen. Een daarvan werd gegeven door Kathy Herrmann. Tijdens de eerste vijftien minuten van elke les moesten we telkens onze eigen Chinese inkt mengen, waarmee we vervolgens rechte lijnen op papier dienden te zetten. Pagina na pagina heb ik zo met lijnen gevuld. Een aantal jaren geleden sprak ik met Barbara Bloom over L.A., en zij wist me te vertellen dat ze naar dezelfde les ging, en hoogstwaarschijnlijk in dezelfde klas als ik lijnen zat te tekenen.

K.B./D.P.: En de andere cursus?

M.M.: Die vond plaats aan de UCLA. Omdat ik wou leren schilderen, schreef mijn vader me in voor een cursus voor kinderen. Ik werkte er de hele tijd aan een abstract schilderij dat op niets trok. Na afloop van de cursus was mijn vader woedend. Hij zag de rotzooi die ik had gemaakt en was razend omdat de leraar me zo’n slechte kunst leerde maken. Beide cursussen volgde ik trouwens niet langer dan drie maanden. Zoals ik al zei, wou ik op dat moment nog geen kunstenaar worden.

 

3.

K.B./D.P.: Kreeg je vader nog andere subsidies dan de Guggenheimbeurs?

M.M.: Ja, in 1968, toen ik zestien was, ontving hij van de Ford Foundation een residentie in Santiago, waar we in een mooi huis in een buitenwijk woonden. In dat jaar bloeide ik open. Ik brak eindelijk los uit de sleur waarin ik gevangen zat toen ik in Los Angeles in een klas voor domkoppen zat – hoewel ik toen wel optrok met een groepje nerds, die wisten dat ik geen idioot was.

K.B./D.P.: Vertel eens wat meer over Santiago.

M.M.: Ik ging er naar een school die Nido de Aguilas [Adelaarsnest] heette en waar ik terechtkwam in een kleine klas. Ik werd er een gewone jongen, die na school rondhing met coole jongens en meisjes. Zo leerde ik een meisje kennen van wie de moeder kunstenares was. De vrouw vertelde me dat het gemakkelijker is voor een ‘vrij’ kunstenaar om naar toegepaste kunst over te schakelen dan andersom. Ik heb toen besloten dat ik een ‘vrij’ kunstenaar zou worden, omdat ik dan later nog altijd de toegepaste toer kon opgaan.

K.B./D.P.: De keuze om kunstenaar te worden maakte je dus in Santiago?

M.M.: Ja. Maar dat ik een ‘vrij’ kunstenaar wou worden, was vooral een praktische keuze. Ik dacht: ‘Als zij zegt dat het zo makkelijker is, dan doe ik het op die manier.’ Ik herinner me dat het gezin in een geweldig huis woonde. Het ademde echt de sfeer van de swinging sixties. Aan alle muren hingen schilderijen, er waren overal bloemen. De man was volgens mij cultureel attaché bij de ambassade.

K.B./D.P.: Heb je de lokale kunstscene in Santiago wat kunnen leren kennen?

M.M.: Nee, mijn ouders spraken daar nooit over. Ik herinner me alleen dat mijn kunstleraar op school onder de indruk was van wie mijn vader was, en dat was alles. Ik deed in die tijd niets liever dan een tiener te zijn en rond te hangen met mijn vrienden.

K.B./D.P.: Werkte je vader in Santiago? Schilderde hij er?

M.M.: Ja. Hij had er een atelier en maakte tal van schilderijen.

K.B./D.P.: Gaf hij er ook les?

M.M.: Nee, het was gewoon een residentie. Voor we vertrokken, werd een tentoonstelling van zijn werk georganiseerd. Op de opening waren er tal van studenten die zijn werk fantastisch vonden en hem vroegen waarom hij niet had laten weten dat hij in Santiago te gast was. Ik herinner me dat hij zijn schouders ophaalde en zei: ‘Ik heb het nochtans aan iedereen verteld, wat hadden jullie nog meer verwacht?’

K.B./D.P.: Wat gebeurde er toen jij en je familie opnieuw naar Los Angeles verhuisden?

M.M.: Ik kon toen eender welke richting uitgaan, maar ik begon opnieuw een jaar lager omdat mijn moeder zich zorgen maakte over de Vietnamoorlog; als ik dat niet had gedaan, dan was ik allicht onder de wapens gekomen. Ik zou immers naar alle waarschijnlijkheid niet binnen geraakt zijn in een universiteit — daar had ik simpelweg het verstand niet voor — en had dus geen studentenuitstel kunnen krijgen. Daarom ging ik opnieuw naar Pacific Palisades, waar ik een hele groep nieuwe vrienden leerde kennen en — kort gezegd — werd wie ik nu ben.

K.B./D.P.: Wat voor dingen deed je samen met je vrienden?

M.M.: Drugs waren toen enorm in trek, en mijn vrienden experimenteerden met cannabis, psilocybine en lsd. Zelf nam ik niets, maar ik inspireerde hen wel. Binnen de groep speelde ik altijd de rol van kunstenaar. Ik praatte over rare dingen en dat vonden ze leuk. Ik maakte ook ritjes met hen. Als tiener deed ik dus al mijn eerste performances!

K.B./D.P.: Performances? Beschouwde je die ritjes als kunst?

M.M.: Ik wist niet of het kunst was. Ik organiseerde zogenaamde ‘tours’, reed mensen rond met de auto. Ik liet hen bijvoorbeeld kennismaken met het spitsuur. We reden de snelweg op, niet om ergens naartoe te gaan, maar gewoon om te ervaren hoe het is om vast te zitten in het verkeer, samengepakt in conserveblikken. Daarnaast reden we ook naar de luchthaven, waar we naar de vliegtuigen keken die overvlogen. Soms vervoerden we mensen geblinddoekt naar specifieke plekken in L.A., waar we hen dan van hun blinddoek verlosten. Ik herinner me ook dat we naar filmsets reden. Je kon destijds naar Warner Brothers gaan en zomaar een filmset oprijden. Ongelofelijk dat die open waren voor het publiek. Je parkeerde je auto, stapte uit en bevond je midden op de set van Hello, Dolly!. We voelden ons als aliens. Op een bepaald moment dacht ik plots bij mezelf: ‘Op zo’n vreemde plek leven we dus, kijk maar eens goed rond.’ Dat was de ervaring die ik wou overbrengen met die ‘tours’, en het is nog steeds de drijfveer van veel van mijn werk: een nieuw licht werpen op alledaagse ideeën of beelden, waardoor ze getransformeerd worden en je kan zien hoe eigenaardig ze eigenlijk zijn.

K.B./D.P.: Ging het bij die ‘tours’ steeds om collectieve ervaringen?

M.M.: Meestal wel, maar ik herinner me ook individuele momenten. Tijdens een van onze trips lag ik op het strand te kijken naar de sterren; plots overviel me het gevoel dat de hemel mijn gezicht aanraakte. Dat was een erg krachtige ervaring. Ik dacht: hier ben ik, ik ben in Los Angeles, op het strand bij de luchthaven. Mijn vrienden wandelen langs het water, in het maanlicht. Het is donker. Mijn ouders wonen 6 kilometer hiervandaan. Hun namen zijn Lee en Luchita Mullican, en ook mijn jongste broer woont bij ons. Samen wonen we op Mason Road nummer 370. Ik ervoer zo’n grote afstand tot alles dat het leek alsof ik vanuit een ander universum in deze wereld was beland.

K.B./D.P.: En er waren geen drugs mee gemoeid?

M.M.: Nee, ik had helemaal niets genomen, het was gewoon een hersenkronkel. Iets anders wat ik toen deed, was dat ik mijn vrienden om me heen verzamelde en in mijn handen klapte: ‘één, twee, drie’ en ik klapte. Twee maanden later herhaalde ik dat ritueel op een andere plaats. Ik deed dit anderhalf jaar lang, steeds met dezelfde mensen.

K.B./D.P.: Dat klinkt als een oefening in verschil en herhaling.

M.M.: Voor mij ging het over tijdreizen. ‘Kijk eens waar we nu zijn beland’: dat gevoel van verwondering wilde ik oproepen. Ik ‘klapte’ in San Francisco, in Los Angeles in de zoo, op de pier, in de woestijn. Het ging erom die verschillende activiteiten samen te ballen zodat ze, door de herhaling, één activiteit zouden worden. Het was de bedoeling om de tijd te verdichten tot één gebeurtenis.

K.B./D.P.: Bevonden zich in jouw klas of in het gezelschap dat jou tijdens je ritjes vergezelde mensen die kunstenaar wilden worden?

M.M.: Laurie Pincus werd kunstenares. Sommigen werden muzikant. Ikzelf wist omstreeks die tijd zeker dat ik kunstenaar wilde worden. Het werd iets serieus. Ik begon ook met mijn aantekenboeken.

K.B./D.P.: Je schreef toen al in notitieboeken?

M.M.: Ja. Ik tekende er bijvoorbeeld in, of ik maakte notities over wat ik de afgelopen dag had meegemaakt. Toen ik in het laatste jaar van het middelbaar zat, leerde ik conceptual art, earth art en body art kennen. Ik begreep die dingen redelijk snel. Ik herinner me dat ik naar het strand ging en zand uitgroef om strepen in de grond te trekken, die een sculptuur vormden. Daar maakte ik foto’s van, à la Michael Heizer. Ik zorgde ervoor dat het er een beetje rotsachtig uitzag en dacht dan: ‘Er is niemand aan de westkust die dit nu doet!’

K.B./D.P.: Maar misschien wel aan de oostkust?

M.M.: Aan de oostkust wel, ja [lacht], maar aan de westkust was ik vast de enige. Ik dacht: ‘Man, jij bent met iets interessants bezig.’

K.B./D.P.: Hoe kwam je ertoe om de term ‘earth art’ te gebruiken?

M.M.: Ik kende het werk van Jasper Johns, Roy Lichtenstein en Andy Warhol al voor ik naar Chili verhuisde. Ik verzamelde ook boeken over die kunstenaars. Het lag dus voor de hand dat ik op een gegeven moment verder zou kijken en geïnteresseerd zou raken in andere kunststromingen. Ik bezocht ook enkele fantastische tentoonstellingen, onder meer van Frank Stella. Verder herinner ik me een carrièredag die tijdens de laatste dagen van mijn middelbare schooltijd plaatsvond, en waar mensen over de grote wereld kwamen praten. Er was ook een kunstcriticus bij die ons een boek met kopies toonde — het ging om het bekende Xerox book, met bijdragen van Robert Barry, Joseph Kosuth, Douglas Huebler, Lawrence Weiner, Sol LeWitt, Robert Morris en Carl Andre. Hij had dat boek meegebracht omdat het net uit was en gebruikte het om het over conceptuele kunst te hebben. Ik was meteen mee. Wat later ontdekte ik Avalanche magazine in een lokale supermarkt — vraag me niet hoe dat tijdschrift daar terecht was gekomen. Op de cover van het eerste nummer dat ik te zien kreeg, stond Vito Acconci. Het eerste wat ik deed toen ik uiteindelijk naar CalArts ging, was zeefdrukken maken van mijn earth-artfoto’s. Fluxuskunstenares Alison Knowles leidde het grafisch atelier. Ik blies de foto’s van het zand op tot grote prints, die ik ophing in de cafetaria. Ik zat misschien drie maanden op school, en aan de muur van de cafetaria hingen er al grote werken van mij. Dat was nog voor ik les kreeg van John Baldessari. Toen ik begon op CalArts zat hij in Europa. Pas toen hij terugkeerde, kwam ik bij hem terecht.

 

4.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor een opleiding aan CalArts?

M.M.: Toen ik nog in het middelbaar zat, hoorde ik van een kunstacademie die door Disney was opgericht. Er werd verteld dat het een geweldige academie was en dat ze enkel naar je portfolio keken, en dus niet naar je punten of je score voor de SAT’s, de testen die je aan het einde van het middelbaar moet afleggen. Je moest alleen je portfolio voorleggen en op basis daarvan liet men je toe of niet. Ik besloot me kandidaat te stellen.

K.B./D.P.: Deed je dat omwille van een specifieke docent?

M.M.: Nee, ik wist niets over de docenten. Ik was dolgelukkig toen ik vernam dat ik toegelaten was. Het was de enige school waar ik een aanvraag had ingediend, en in feite ook de enige waar ik kans maakte om toegelaten te worden. Met mijn rampzalige punten — ik zat bij de laatste tien van de klas — had ik op geen enkele universiteit terecht gekund. Op het einde van mijn humanoria won ik wel een wedstrijd. Alle middelbare scholen in Los Angeles konden één kunstenaar voordragen, en ik won voor het hele schooldistrict.

K.B./D.P.: Met wat voor soort werk?

M.M.: Tekeningen die eruitzagen als werk van Sol LeWitt, conceptuele, minimalistische tekeningen. Ze waren erg mooi.

K.B./D.P.: Zaten die tekeningen in je portfolio?

M.M.: Natuurlijk.

K.B./D.P.: Waar bestond je portfolio nog uit?

M.M.: Ik presenteerde mijn notitieboeken. Het interessantste was een boek waarin ik erg snel te werk was gegaan, in navolging van Claes Oldenburg. Ik schreef en tekende het hele boek op één dag vol. Ik had een balpentekening van een potlood gemaakt, en een potloodtekening van een balpen, dat soort dingen. Ik presenteerde enorm veel werk.

K.B./D.P.: Zagen je vader en moeder je portfolio?

M.M.: Ja, natuurlijk.

K.B./D.P.: En gaven ze feedback?

M.M.: Dat moet wel, maar ik herinner het me niet. Ik was onafhankelijk en trok me echt niets van hen aan. Ik deed gewoon wat ik wilde doen. Ik was al twintig! Sommige jongeren studeerden op die leeftijd al af van de universiteit. Ik moest er nog aan beginnen, maar ik was er meer dan klaar voor. Mijn ouders steunden me wel door dik en dun. Op een gegeven moment had mijn vader begrepen dat ik geen schilder zou worden of geen adept van de ‘schone kunsten’ in de betekenis die hij daaraan gaf. Toen we daarover praatten, zei hij dat hij hetzelfde zou hebben gedaan mocht hij in mijn schoenen hebben gestaan.

K.B./D.P.: Moest je alleen een portfolio voorleggen of was er ook een toelatingsgesprek?

M.M.: Er was geen gesprek, nee, of toch niet voor zover ik me kan herinneren.

K.B./D.P.: Wist je wie er in de jury zat?

M.M.: Nee. Enerzijds had ik een goede kans om toegelaten te worden omdat ze allemaal mijn vader kenden. Anderzijds is het niet omdat je de zoon van een kunstenaar bent en met een hoop werk afkomt, dat ze zomaar ja zeggen. Ze wilden niemand toelaten die meteen zou afvallen, maar zochten studenten die in staat waren om te overleven. Ze gingen ervan uit dat het voor iedereen zwaar zou zijn.

K.B./D.P.: Gaven de leden van de toelatingscommissie feedback op je portfolio?

M.M.: Niets. Niemand zei er iets over.

K.B./D.P.: Maar ze zeiden wel dat je toegelaten was?

M.M.: Ja, dat was alles wat ik te horen kreeg. Er waren geen voorwaarden. Ik vertrok vroeg naar CalArts, twee weken voor de lessen begonnen, om sculpturen te maken. Voor een van de eerste werken die ik maakte, gebruikte ik afplakband. In essentie verschilde CalArts niet van een masterprogramma. Er waren geen tekenlessen en je leerde er niet hoe je moest schilderen. Je moest vooral deel worden van een groep, wat erop neerkwam dat je ofwel terecht kwam bij Allan Kaprow, ofwel in het grafische atelier, ofwel een van John Baldessari’s studenten werd.

K.B./D.P.: Je leerde geen technische vaardigheden. Je werd op dat vlak niet geholpen?

M.M.: Alleen als je dat wou. Als je wou leren lassen, dan kon je daarvoor in de laswerkplaats terecht. Ik ging zelf naar het grafisch atelier, waar ik zoals gezegd werkte bij Alison Knowles. Toen ik er zat, was het grafisch atelier een ruimte met twee verdiepingen, met rondom repeteerruimtes voor de muzikanten. Het idee was dat er een mix tussen de kunsten zou ontstaan en dat daar nieuwe ideeën uit zouden voortkomen; wij zouden in de ban raken van zangers, trompettisten en pianisten terwijl we onze beelden maakten, en zij zouden op hun beurt geïnspireerd worden door ons werk. Dat was althans het idee, maar de werkelijkheid zag er anders uit. De muzikanten kloegen over de verschrikkelijke geuren die uit het atelier opstegen, terwijl wij alleen maar geschreeuw en slecht pianospel hoorden. Niemand was graag op die plek. De theorie en de praktijk lagen mijlenver uit elkaar. Maar ik ben wel degelijk in contact gekomen met componisten en muzikanten.

K.B./D.P.: Hoe gebeurde dat dan?

M.M.: Een van de klassen waarin ik zat, bestond voor de helft uit componisten en voor de andere helft uit beeldend kunstenaars. Samen deden we performances. De docent was een componist die Harold Budd heette en zijn mededocent was Wolfgang Stoerchle. Een van de eerste dingen die ik in die klas deed, was een performance waarin ik een stuk hout, een spoorwegstaaf, vasthield en zei: ‘Ik demonstreer de zwaartekracht.’ Na een tijdje hield iedereen het voor bekeken. Ze lieten me alleen achter in de ruimte. Welke soort school geeft je de kans om op je eentje, zonder publiek, een uur lang een spoorwegstaaf vast te houden? Uit zoiets bizars moeten wel dingen voortkomen.

K.B./D.P.: Kan je iets vertellen over de rol die John Baldessari speelde als docent?

M.M.: Hij arriveerde in het tweede semester van het eerste jaar en gaf een cursus die ‘Post Studio Art’ heette, wat erop neerkwam dat we ons buiten de grenzen van het atelier begaven en verder probeerden te denken dan schilder- of beeldhouwkunst, en de kunst op een meer conceptuele wijze trachtten te benaderen. Hij was werkelijk een fantastisch docent. Hij werkte samen met ons en maakte zijn eigen video’s in dezelfde ruimte. En hij nam wat de leerlingen dachten echt serieus. Vooral dat laatste maakte van hem zo’n geweldige professor.

K.B./D.P.: Je vertelde ons al over de zeefdrukken die je maakte in het grafisch atelier en de performances in Harold Budds klas. Wat deed je nog in het eerste jaar? 

M.M.: Ik maakte constructies met tape in de gangen van CalArts. De eerste kunstenaar in CalArts die me vroeg wat ik van plan was, was de schilder Ross Bleckner. Ik herinner me dat ik zijn werken voor de eerste keer zag door de ramen van het atelier. Het waren zwarte schilderijen die met tape aan de muur hingen. Ik dacht dat de tape deel uitmaakte van zijn werk en hield erg veel van dat idee.

K.B./D.P.: Hoe zou je je betrokkenheid tijdens dat eerste jaar omschrijven?

M.M.: Ik werkte de hele tijd! Ik zat voortdurend in de klas en absorbeerde zoveel mogelijk informatie. Ik was geobsedeerd. Ik wou een bekende en belangrijke kunstenaar worden. Dat wilden we trouwens allemaal. Als je niet gewaardeerd wou worden om wat je deed, dan moest je er simpelweg niet zitten. De competitie nam soms belachelijke vormen aan en de mensen waren verschrikkelijk hard. David Salle was meedogenloos op het wreedaardige af. James Welling was dan weer ongelofelijk intelligent. Ik herinner me dat ik Jim [James] Welling en Dede Bazyk op de eerste dag in de gang ontmoette. Hij liep er blootvoets rond, met een kleine, gebreide muts. Hij was de enige kunstenaar die me echt imponeerde. Ik dacht dat hij een genie was.

K.B./D.P.: Leefde je nog bij je ouders thuis toen je lessen begon te volgen aan CalArts?

M.M.: Nee, ik had een appartement op de campus. Mijn kamergenoot speelde de tabla, een Indisch slaginstrument. Hij had zich ingeschreven in CalArts omdat Ravi Shankar er les gaf. Het was gewoon ongelofelijk wie daar allemaal zat! Nam June Paik, Emmett Williams en alle mensen van Fluxus, Allan Kaprow, Simone Forti. Er gebeurden ook veel alternatieve dingen op school. Zo was er een bioscoop die The Bijou heette. Ik ging er elke dag naartoe om gratis films te zien. Ik zag er Renoirs La Règle du jeu en was er gewoon ondersteboven van. Verder ging ik ook naar EST, een soort zelfhulpgroep zonder specifieke religieuze overtuiging, waar over de wereld gepraat werd vanuit het perspectief van de oosterse filosofie. Het was iets waar veel mensen op CalArts aan meededen. Ikzelf deed het een jaar lang. Daar ontmoette ik Allan McCollum. Ook James Welling en David Salle gingen naar de EST-samenkomsten. EST heeft volgens mij een aanzienlijk invloed op me gehad.

K.B./D.P.: Waarom besliste je om ernaartoe te gaan?

M.M.: Omdat ik een jonge snaak was en iedereen het deed. Mensen vertelden me dat het hun leven had veranderd en dus wilde ik het ook proberen. Ik heb dit trouwens nog nooit aan iemand verteld, omdat ik me toch wel een beetje schaamde dat ik aan zoiets heb deelgenomen.

K.B./D.P.: Welk werk heb je nog gemaakt?

M.M.: Op een gegeven moment zorgde ik ervoor dat er licht was in ons klaslokaal.

K.B./D.P.: Wat bedoel je?

M.M.: Er waren geen ramen in onze klas. Het was net een bunker. Op een dag bracht ik een spiegel mee, die ik een vrouw in de handen stopte. Zij stuurde het licht dat door een deur viel in de richting van de gang. Daar stond dan iemand die het om de hoek naar een andere gang kaatste, waar een derde persoon had postgevat die het licht in onze klas bracht. Zo zorgde ik ervoor dat er toch zonlicht was in een klas waar de zon nog nooit had geschenen. Ik wou het werk documenteren, maar ik kon enkel een klein boomblaadje verbranden omdat het zonlicht niet sterk genoeg was om papier te doen smeulen. Dat was het eerste werk dat John Baldessari opviel en interessant vond. Op een ander moment ‘bespeelde’ ik het gebouw: ik nam een buis en sloeg om de twee meter op de muur terwijl ik heel het gebouw rondging. Iedereen was erbij terwijl we door het gebouw wandelden.

K.B./D.P.: Wie moedigde je aan om dat soort acties te ondernemen.

M.M.: Niemand.

K.B./D.P.: Je deed het gewoon.

M.M.: Inderdaad. Ik was een kunstenaar. Niemand van ons moest worden geprikkeld om iets te ondernemen. We waren onafhankelijk. Je moest met je eigen ideeën afkomen. Er waren geen opdrachten, maar we kregen wel erudiete commentaar van onze docenten.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er op het einde van het eerste jaar? Hoe besliste men of je kon blijven of niet?

M.M.: Dat deden ze niet! Als iemand niets uitstak, dan betekende dat hoogstwaarschijnlijk dat hij of zij er toch weg wou. Zo iemand werd gewoon uitgesloten. Zoals ik al zei, het ging er keihard aan toe. Als je het niet goed deed, waren het vooral je medeleerlingen — en dus niet de docenten — die het je extra moeilijk maakten. Het verbaasde me wel dat ik altijd op goede voet bleef staan met de groep, want toen ik middelbare school liep vond ik mezelf een sufferd. Het goede aan CalArts was vooral dat het een echte gemeenschap was — en nog steeds is; vele van mijn klasgenoten zijn nog steeds vrienden.

K.B./D.P.: Je moest dus geen eindwerk maken op het einde van het eerste jaar?

M.M.: Nee.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er in je tweede jaar?

M.M.: Ik was met een hoop zaken tegelijk bezig en maakte erg uiteenlopend werk. Op een gegeven moment vroeg ik toestemming om een tentoonstelling te maken in A402, de tentoonstellingsruimte van CalArts. Ik herinner me de dag van de opbouw nog levendig. Bruce Nauman kwam naar de school om over zijn werk te praten en ik was te nerveus om aan hem te vragen of hij naar mijn tentoonstelling wou komen kijken. Ik was zelfs zo zenuwachtig dat ik hem uiteindelijk niet eens zag spreken. Hij was nochtans mijn favoriete kunstenaar.

K.B./D.P.: Wat toonde je in A402?

M.M.: In feite presenteerde ik een overzicht van alle werken die ik tot dan toe had gemaakt. Ik herinner me dat ik naar het meest verlaten hoekje van de school trok om mijn werk uit te spreiden. Ik wou echt niet dat iemand opmerkingen maakte over waar ik mee bezig was. Toen ik op een gegeven moment merkte dat Robin Mitchell, een schilderes die ik kende, de trap opkwam, probeerde ik alles zo snel mogelijk bij elkaar te grabbelen. Uiteindelijk zag ze het werk toch, en ze reageerde zeker niet negatief. Het was wel duidelijk dat ik een plek wou om mijn werk te tonen. De tentoonstelling in A402 was eigenlijk de eerste solotentoonstelling die ik zelf organiseerde — een ongelooflijk belangrijk moment. Ik toonde er in totaal 55 werken.

K.B./D.P.: Dat is erg veel voor een tweedejaarsstudent.

M.M.: Ja, ik werkte hard. We werkten eigenlijk allemaal hard. Wat ik op dat moment deed, vertoonde nog geen echte samenhang. Ik toonde gewoon een reeks werken.

K.B./D.P.: Wanneer veranderde dat?

M.M.: Tijdens het tweede jaar begon ik heel wat werk te maken rond licht. Ik maakte foto’s van lampen. Ik was geïnteresseerd in het verschil tussen rechtstreeks licht en gereflecteerd licht. Belangrijk aan die werken was dat ik voor de eerste keer verschillende manieren uittestte om één onderwerp uit te diepen. Tot dan toe had ik gewoon een beetje van alles gedaan. Ik bedacht gewoon interessante ideeën die ik presenteerde als kunst, terwijl ik met mijn werken over licht volgens mij voor de eerste keer echt iets trachtte te doorgronden. Dat was een groot verschil.

K.B./D.P.: Wat stond er in die werken op het spel?

M.M.: Iets zeer belangrijks! Wanneer ik naar jullie kijk, dan zie ik niet jullie. Wat ik zie, is het licht dat op jullie weerkaatst. Dat licht wordt dus ‘jullie’, maar in feite zijn jullie het niet. Wat ik doe als ik zo denk, is in feite meer afstand tussen mij en jullie inbouwen. Ik verander jullie in ‘fenomenen’. Jullie zijn niet langer wezens, maar beelden waarop ik allerlei betekenissen kan projecteren.

K.B./D.P.: Wat was het belangrijkste dat er gebeurde in je derde jaar in CalArts?

M.M.: De belangrijkste gebeurtenis was allicht de uitwisseling met Cooper Union in New York in de herfst van 1973. Ik nam mijn intrek in het appartement van een verzamelaar van mijn vaders schilderijen — een erg mooi appartement op de hoek van East 76 Street en Lexington Avenue. Terwijl ik foto’s maakte van het appartement, werd ik bevangen door hetzelfde gevoel dat ik had toen ik tijdens mijn tienerjaren op de luchthaven of het strand van L.A. was. Ik voelde me vreemd en bedacht dat mijn kunst misschien over die gewaarwording zou kunnen gaan. Niet veel later maakte ik de werken met de pop en het kadaver, de Birth to Death List en de eerste stick figures. Toen ik het idee voor de stick figures kreeg, werd ik mij er plots van bewust dat mijn levensproject vaste vormen begon aan te nemen. Ik dacht: ‘Mijn carrière ligt vast, ik heb mijn plaats gevonden.’ Het was een echte openbaring. Al die werken maakte ik in die woonkamer in New York. Ik zat er met Laurie Pincus, een van mijn vrienden van de middelbare school. Niet veel later zag ik een tentoonstelling van Christian Boltanski in Sonnabend Gallery. Hij stelde er meubilair uit een appartement tentoon achter een zijden koord. Toen besefte ik nog meer dat ik een duidelijke keuze moest maken. Ik wist dat ik dat wou doen, dat mijn werk over dat gevoel moest gaan – het gevoel dat uit Boltanski’s werk sprak. Het werd voor mij het enige dat er, naast datgene wat je het gewone leven kan noemen, toe deed.

K.B./D.P.: Met wie studeerde je aan Cooper Union?

M.M.: Jonas Mekas gaf er les. Hij was de slechtste docent van wie ik ooit les heb gehad: een fantastische filmmaker, maar een verschrikkelijke leraar. Ik sloot er vriendschap met Troy Brauntuch. Verder trok ik op met Helene Winer en Jack Goldstein, die ik in CalArts had ontmoet en die reeds naar New York verhuisd waren, en met Janelle Reiring, Michael Harvey en nog enkele andere mensen. Voor de meesten onder ons was het de eerste keer dat we in New York waren. Het was een prachtige tijd — ik mag wel zeggen dat ik vanaf dat moment verliefd ben geworden op die stad. Ik was er slechts één semester, maar de omgeving was fantastisch. Tegen kerstmis was ik terug in CalArts. Vanaf dat moment had ik geen appartement meer op de campus. Baldessari gaf me vaak een lift naar school, of ik reed mee met James Welling en David Salle, die een studio deelden in Venice.

K.B./D.P.: Tegen het einde van 1973 had je je eerste solotentoonstelling bij Project Inc. in Boston. Kun je ons iets vertellen over Project Inc. en wat jij er getoond hebt?

M.M.: Het tentoonstellingsprogramma stond onder leiding van Paul McMahon. Hij huurde Project Inc. één avond per maand — Project Inc. was een gemeenschapscentrum voor kunst. Ik hing mijn tentoonstelling op aan twee thema’s. Een eerste deel ging over licht, over rechtstreeks licht en gereflecteerd licht. Een tweede deel van de tentoonstelling ging over de stick figures en het imaginaire universum dat ze representeren. Ik hield er ook een lezing. Een jaar later nam ik nog deel aan een groepstentoonstelling in Project Inc., samen met Paul McMahon, Robert C. Morgan, James Welling en David Salle. Maar toen was ik al afgestudeerd aan CalArts.

K.B./D.P.: Hoe had je Paul McMahon ontmoet?

M.M.: Ik leerde hem kennen toen hij nog studeerde in Pomona. Hij was op dat moment assistent van Helene Winer, die een galerie had waar mijn vrienden en ik destijds een tentoonstelling van Chris Burden bezochten. David Salle, Jim Welling en ik raakten bevriend met Paul. Toen we afstudeerden, ging hij terug naar Boston en begon hij met zijn tentoonstellingsprogramma in Project Inc. Het was daar dat David, Jim en ikzelf onze eerste solotentoonstellingen hadden. Maar hij organiseerde ook tentoonstellingen van Dan Graham, Michael Asher, Lawrence Weiner… Elke tentoonstelling duurde slechts één avond. Je bouwde op, mensen kwamen naar de opening, en na afloop werd alles afgebroken. Nadien, in 1975, verhuisde Paul naar New York, waar hij assistent-directeur werd van Helene Winer, die toen Artists Space leidde.

K.B./D.P.: Welke momenten op CalArts beschouw je vandaag nog steeds als beslissend voor jouw ontwikkeling?

M.M.: Zonder twijfel de tentoonstelling in A402 en de uitwisseling met Cooper Union. Daarnaast zijn ook de twee lezingen die ik er gaf belangrijk voor me geweest. De eerste ging over Amerikaanse trompe-l’oeilschilderkunst, de tweede over William Turner. Turner fascineerde me omdat hij al zo vroeg abstracte schilderijen had gemaakt en geobsedeerd was door licht. Verder herinner ik me ook de eerste keer dat ik de Birth to Death List voorlas. Het was in de klas, en je kon een speld horen vallen. Echt waar! Het was een belangrijk moment. In wezen geeft dat werk aan dat het een erg bizarre gedachte is dat iets zou moeten bestaan. Er is niets dat zou moeten bestaan, besefte ik. Dat was voor mij een spectaculair inzicht.

K.B./D.P.: Heb je na afloop van je derde en laatste jaar op CalArts een eindwerk gemaakt?

M.M.: Ja, ik maakte een tentoonstelling – omdat ik dat wou, want het was niet verplicht. Ik had in elk geval alles gedaan wat nodig was om af te studeren. De vraag was enkel of je geslaagd was of niet. Punten werden niet gegeven.

K.B./D.P.: Wat deed je nadat je was afgestudeerd aan CalArts?

M.M.: Ik verhuisde meteen naar New York.

K.B./D.P.: Hoe verdiende je je geld aan het begin van je carrière?

M.M.: Ik leefde erg zuinig en werkte voor de boekenwinkel Barnes & Noble, waarvoor ik elke morgen posters voor boeken ontwierp. Het was mijn favoriete ‘echte’ job. Ik heb nooit als assistent voor een andere kunstenaar gewerkt.

K.B./D.P.: Je bent een kunstenaar voor wie ‘het begin’ op zich een belangrijk thema is.

M.M.: Ja, dat klopt. Mijn werk gaat over de big bang en de dood. Wat is het begin en het einde van mijn ervaring? Toen ik comics verzamelde, was ik altijd geïnteresseerd in aanvangsmomenten: wanneer werd Superman wie hij is, hoe kwamen Spiderman en de Fantastic Four aan hun superkrachten? Maar ook de dood is een belangrijk thema in mijn werk. De dood is alomtegenwoordig, in het kadaver, de dode stick figures en de overleden strippersonages. Al mijn vloerwerken in steen zijn in feite monumenten. De mensen die die werken maken, ontwerpen trouwens ook graven. Het woord ‘dood’ komt ontelbare keren voor in mijn werk.

 

Transcriptie: Liz Marsden

Redactie in het Engels: Jim O’Driscoll

Vertaling uit het Engels: Koen Sels

 

Dit interview is mede mogelijk gemaakt door de Edmond Hustinx Stichting, Maastricht. Met dank aan Ryan Good (studio Matt Mullican) voor het beeldmateriaal.

‘If you do not want to be how some think you should be, how can you be?’

Koen Brams/Dirk Pültau: Wanneer ben jij voor het eerst met kunst in aanraking gekomen?

Alice De Mont: Eigenlijk heb ik geen herinnering aan een specifiek moment. Ik deed van kindsbeen niets liever dan tekenen en boetseren. Het is alsof ik altijd creatief bezig ben geweest.

K.B./D.P.: Waren je ouders in kunst geïnteresseerd?

A.D.M.: Ja, zonder meer. Mijn vader had zelf nooit de kans gekregen om kunstenaar te worden en was vastbesloten dat mijn twee broers en ik wel die mogelijkheid zouden krijgen. Hij zag dat ik aanleg had en wilde ervoor zorgen dat ik mij creatief kon ontwikkelen. Nauwelijks zes jaar oud was ik, toen hij me een viool toestopte, in de hoop dat ik met behulp van de Suzukimethode het instrument zou leren bespelen. Ik kan nog altijd de deuntjes aframmelen die ik toen oefende, maar veel plezier heb ik er niet aan beleefd. Wat later zag mijn vader met genoegen dat ik me op andere manieren begon uit te leven, met klei en kleurpotloden. Toen ik mijn lagere school had afgewerkt, mocht ik van mijn ouders kiezen wat ik wilde studeren. Ik gaf aan dat het creatieve me het meest aantrok en mijn ouders hebben mij toen in de beeldendekunstrichting van het Imelda-instituut te Anderlecht ingeschreven. De school was geen echte kunsthumaniora, maar bood wel een kunstrichting aan. In het vierde jaar voelde ik mij er evenwel niet meer thuis.

K.B./D.P.: Waaraan lag dat?

A.D.M.: De focus lag op praktische vaardigheden. Kritisch omgaan met creativiteit en kunst kwam niet op de eerste plaats in het Imelda-instituut. De leraren gaven je afgebakende opdrachtjes en verwachtten dat je ze braaf ten uitvoer bracht. Enkel in het 4de jaar kwam daar een beetje verandering in. Dat kwam vooral omdat Koen De Decker tot leerkracht was benoemd. Hij heeft indruk op me gemaakt. De Decker was ook kunstenaar. Hij ging veel kritischer met de opdrachten om. Ik keek elke week uit naar zijn vak. Voor het overige werd het maar weinig aangemoedigd dat je experimenteerde. Ik vond die aanpak niet inspirerend en probeerde het anders te doen.

K.B./D.P.: Wat deed je dan precies?

A.D.M.: Ik vulde de opdracht in zoals ík dat wilde. Ik probeerde tegen de verwachtingen van de leerkracht in te gaan.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

A.D.M.: Op een gegeven moment kregen we de taak om met gevonden materialen iets nieuws te maken, een sculptuur of zoiets. Ik besloot om te testen wat ik ermee aankon. Met een houten blokje, een heleboel ijzerdraad en stukjes papier knutselde ik een boom in elkaar. Aan het blokje kleefde ik een lichtschakelaar. Elektriciteit met gevoel noemde ik mijn werkstuk. Stel je voor dat elektriciteit gevoel zou kunnen hebben… Ik vond dat een ongelooflijk poëtische gedachte! Ik ging er helemaal in op en raakte er maar niet over uitgepraat. Ik vond het fascinerend dat je iets kon maken waarover je kon filosoferen. Als puber was ik nogal snel verveeld. Ik droomde van een wereld waarin niets gewoon was. Ik kon niet leven met de gedachte dat de dingen alleen maar dingen waren, in de letterlijke en materiële zin van het woord. Ik was geïnteresseerd in filosofie en psychologie… of misschien moet ik eerder zeggen dat ik door existentiële vragen geboeid werd. Wat is het zijn? Wie ben ik? Wat is een ‘ik’? Wat is het verschil tussen een subject en een object? Dat soort vragen stelde ik me.

K.B./D.P.: Hoe reageerde jouw leraar op Elektriciteit zonder gevoel?

A.D.M.: Hij vond dat ik me niet constructief opstelde. Ik kwam op het Imelda-instituut steeds vaker in conflict met mijn leerkrachten. Ik verlangde naar een echte kunstschool, een school die enkel kunstrichtingen aanbood. Gelukkig kende ik mensen die schoolliepen in Sint-Lukas Brussel. Zij vertelden me dat het er helemaal anders toeging. Ik heb toen besloten om van school te veranderen.

 

2. Sint-Lukas Kunsthumaniora (Brussel)

K.B./D.P.: Met de Sint-Lukas Kunsthumaniora koos je voor een echte kunstschool. Wist je dan al dat je kunstenaar wilde worden?

A.D.M.: Nee, ik wist nog niet eens wat ‘een kunstenaar’ was, laat staan dat ik van het bestaan van de ‘kunstwereld’ afwist. Dat besef is pas veel later gekomen, toen ik op de Hogeschool Sint-Lukas zat.

K.B./D.P.: Maar je was wel in bepaalde kunst geïnteresseerd, of niet?

A.D.M.: Toch wel, maar het ging vooral om oude kunst. In Anderlecht had ik al kunstgeschiedenis gekregen en zo had ik onder meer belangstelling opgevat voor de Griekse en Romeinse kunst. Ik kon me tot diep in de nacht bezighouden met het samenstellen van mappen over architectuur, schilder- en beeldhouwkunst… maar er was geen enkel verband tussen die fascinatie en de dingen die ik zelf maakte. Ik ben naar de Kunsthumaniora Sint-Lukas gegaan omdat ik me in Anderlecht geremd voelde. Ik was op zoek naar een plek waar ik mijn zin mocht doen en ruimte kreeg om vragen te stellen en na te denken over wat ik deed. Om die reden heb ik trouwens de richting grafiek gekozen.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

A.D.M.: Ik had in de folder van Sint-Lukas Kunsthumaniora gelezen dat er een afdeling ‘vrije kunsten’ bestond en vertelde tijdens het toelatingsexamen dat ik voor ‘vrije kunsten’ wilde kiezen omdat ik niet in een richting geduwd wilde worden. Ik kreeg te horen dat met ‘vrije kunsten’ schilderkunst bedoeld werd en dat ik beter de richting grafiek zou doen. Daar kon je immers niet alleen etsen, maar ook schilderen of films maken. Alles was er mogelijk.

K.B./D.P.: Is het niet paradoxaal dat jij je artistieke vrijheid opeiste terwijl je geen flauw benul had van begrippen als ‘kunst’ en ‘kunstenaarschap’? Je stond zelfs al kritisch tegenover het denken in traditionele media zoals schilder- en beeldhouwkunst. Hoe verklaar je dat?

A.D.M.: Ik heb er geen flauw idee van. Had het te maken met de puberteit? Ik verdroeg in ieder geval niet dat men mij grenzen probeerde op te leggen. Op Sint-Lukas heb ik trouwens ook gerebelleerd.

K.B./D.P.: Tegen wie of wat?

A.D.M.: Ik kreeg vaak opmerkingen over mijn slordige manier van etsen en met die kritiek ging ik dan op een tegendraadse manier om. Ik werkte bijvoorbeeld op papier dat niet bedoeld was om op te etsen, liet mijn etsplaatjes te lang in het zuur liggen of deed er te veel inkt op. Ik wou een eigen methode ontwikkelen en zelf ontdekken hoe ik te werk kon gaan. Achteraf gezien was dat een beetje naïef van me. Een techniek moet je immers aangeleerd krijgen.

K.B./D.P.: Voldeed je nieuwe school uiteindelijk aan de verwachtingen?

A.D.M.: Zeker. Ik heb geen moment spijt gehad dat ik naar Sint-Lukas ben getrokken. De leraren grafiek – Paul Verplancke, Paul Vernimme, Pol De Prins en Luc De Coen – waren uitstekend. Ik heb ook zeer goede herinneringen aan de leraar kunstinitiatie, Siegfried Beyers, die ons vaak meenam naar tentoonstellingen – in het kader van zijn lessen ben ik bijvoorbeeld voor het eerst in het M HKA beland – en aan de leraren film- en muziekgeschiedenis, Marc Van Steertegem en Iris Algoet. Van Steertegem vond ik een heel sterke persoonlijkheid.

K.B./D.P.: Wat voor werk heb je op Sint-Lukas gemaakt?

A.D.M.: Ik heb heel veel getekend en geëtst. Etsen deed ik ontzettend graag. Ik vind het een heel mooie techniek. De donkere, zwarte lijnen die je ermee kan trekken… Prachtig!

K.B./D.P.: Heb je nog werk uit die tijd bewaard?

A.D.M.: Ja, bij me thuis staat een grote kist met mappen waarin ik al mijn werk van de Kunsthumaniora Sint-Lukas en het eerste jaar van de Hogeschool Sint-Lukas heb opgeslagen. Ik zie het als een soort dagboek. Het is een verzameling materiaal die me toelaat om terug te kijken op de weg die ik heb afgelegd. Ik vind het belangrijk om niet te vergeten wat ik gedaan heb… al heb ik wel een selectie gemaakt. Ik behoud enkel wat van belang is voor wat ik nu doe of wat relevant kan worden in de toekomst.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven van iets wat je hebt bijgehouden?

A.D.M.: Ja, mijn serie over het personage Lector. Daar heb ik me enorm mee geamuseerd.

K.B./D.P.: Kan je iets over Lector vertellen?

A.D.M.: Lector is een gestoorde man met knotsgek riethaar, die uit een gesticht is gevlucht en allerlei vreemde streken uithaalt. Ik verzon allerhande verhalen waarin hij de hoofdrol speelt. Maar in het vijfde jaar van de kunsthumaniora verloor ik mijn belangstelling voor hem. Uiteindelijk ben ik in mijn laatste jaar op film overgestapt.

K.B./D.P.: Vanwaar die plotse wending?

A.D.M.: Ik vond dat er in mijn tekeningen en etsen iets ontbrak. Het is moeilijk te zeggen wat… Met film kan je dingen op een andere manier tonen. Ik ken geen medium waarmee je beelden zo kan manipuleren.

K.B./D.P.: Speelden de lessen filmgeschiedenis op Sint-Lukas een rol in jouw keuze voor film?

A.D.M.: Nee. Zoals gezegd heb ik er enorm veel aan gehad, maar ze hebben noch op mijn films noch op mijn keuze voor het medium enige invloed gehad. Zelf hield ik erg van David Lynch – ik was vooral gek op de televisieserie Twin Peaks waarvan ik de muziek al kende toen ik nog klein was – maar ook die voorliefde staat los van de beslissing om te gaan filmen. Dat mijn vader over twee camera’s beschikte, was wel van belang. Mijn broer gebruikte ze om er filmpjes mee te maken, die hij monteerde met behulp van een programma dat mijn vader op de computer had geïnstalleerd. Ik vond het fascinerend om te zien hoe mijn broer met dat programma in de weer was. Mijn vingers jeukten om het zelf te proberen en mijn vader heeft me toen uitgelegd hoe het werkte. Ik bleek er goed mee overweg te kunnen.

K.B./D.P.: Kan je iets zeggen over de films die je in de kunsthumaniora hebt gemaakt?

A.D.M.: Liever niet. Ik zou die films nu niet meer tonen. De eerste film die voor mij belangrijk is geweest, heb ik pas in de Sint-Lukas Hogeschool gemaakt.

 

3. Hogeschool Sint-Lukas (Brussel)

K.B./D.P.: Was het voor jou een logische keuze om naar de kunsthogeschool te gaan?

A.D.M.: Eigenlijk wel. Ik heb nog even overwogen om psychologie te gaan studeren, maar het leek me saai om me tot één discipline te beperken en ik realiseerde me dat ik het tekenen erg zou missen. Ik was blij dat ik verder kon gaan met wat ik in de kunsthumaniora gedaan had.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor Sint-Lukas?

A.D.M.: Dat sprak bijna vanzelf. Op geen enkel moment heb ik overwogen om naar een andere hogeschool te gaan. Ik voelde me er goed. Mijn toenmalige vriend, Jonathan Jacques, zat in het derde jaar fotografie en er was een klasgenoot uit de kunsthumaniora, Thomas De Brabanter, die samen met mij de overstap naar de kunsthogeschool maakte.

K.B./D.P.: Naar welke afdeling ging je voorkeur uit? 

A.D.M.: De afdeling vrije kunsten, of juister gezegd: het ‘experimenteel atelier’, dat geleid werd door Hans Op de Beeck.

K.B./D.P.: Hoe beviel het onderwijs?

A.D.M.: Goed. Hans Op de Beeck was een uitstekende praktijkdocent. Ook Luc Coeckelberghs was een prima leerkracht. Coeckelberghs gaf Studie van de beeldelementen, een vak dat in het teken stond van punt, lijn, vlak… Verfrissend was dat hij voortdurend de relatie legde met kunst. Daarnaast zijn heel wat theoretische vakken belangrijk voor me geweest. In de eerste plaats denk ik aan Geschiedenis van de moderne en de hedendaagse kunst, dat gedoceerd werd door Marie-Pascale Gildemyn. De ontdekking van de moderne kunst heb ik voor een groot deel aan haar te danken. Filmgeschiedenis – de officiële naam van het vak was ‘Cultuur en Media’ – kregen we van Steven Jacobs. Mijn werk zou er vast anders uitzien indien ik dat vak niet zou hebben gehad. De cursus van Marc Verminck, Geschiedenis van de filosofie, vond ik razend interessant – ik was immers heel erg in filosofische vraagstukken geïnteresseerd. Het was enorm spannend om te ontdekken hoeveel verschillende wegen het denken had bewandeld, dat elk tijdperk weer nieuwe denkers had voortgebracht en hoe die filosofen voortdurend op elkaar reageerden. Uit de lessen Kunsttheorie van Camiel van Winkel is één opdracht me altijd bijgebleven: we werden gevraagd om over onszelf te schrijven als een kunstenaar van om en bij de vijftig jaar. Van Winkel wilde ons op die manier tot reflectie op onze artistieke praktijk bewegen. Het was een zeer nuttige oefening.

K.B./D.P.: Je zei dat je pas tijdens je opleiding aan de Hogeschool Sint-Lukas een besef van het kunstenaarschap en de kunstwereld ontwikkelde… Hoe en wanneer is dat besef er precies gekomen?

A.D.M.: Dat is geleidelijk gegroeid, onder meer dankzij de lessen van Marie-Pascale Gildemyn en Luc Coeckelberghs. Het heeft wel een hele tijd geduurd vooraleer ik me bewust werd van het bestaan van de wereld van de hedendaagse kunst. Ik kan dat met een anekdote illustreren: tijdens het tweede jaar sprak Marie-Pascale Gildemyn over documenta. Ze raadde ons aan om die tentoonstelling te bezoeken. Ik had echter documenten verstaan en begreep niet wat ze bedoelde. Met het schaamrood op de wangen moest ik een van mijn medestudenten om opheldering vragen.

K.B./D.P.: Gaven de theoriedocenten ook commentaar op jouw werk?

A.D.M.: Dat gebeurde zeker. Marie-Pascale Gildemyn kwam meermaals naar onze eindwerken kijken. Ze had steeds kritiek op mijn werk, wat ik toen maar matig kon appreciëren. Nu zie ik er veel meer de waarde van in.

K.B./D.P.: Kan je iets zeggen over de feedback van de praktijkdocenten op jouw werk? Had hun commentaar impact op jouw ontwikkeling?

A.D.M.: Dat kan je wel stellen, ja. Ze vroegen me bijvoorbeeld voortdurend wat ik aan het doen was, waarom ik het deed en wat ik ermee bedoelde. Zo maakten zij me van mijn slordigheid bewust.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

A.D.M.: Ik ging doorgaans nogal intuïtief te werk. Ik wist wel waarom ik iets maakte en had er steeds een uitleg voor, maar mijn docenten wezen mij er meermaals op dat mijn uitleg niet overeenstemde met wat er te zien was. Dat bedoel ik met slordigheid. Zij maakten me bewust van wat er gebeurt als je iets toont en van de onvoorziene betekenissen die aan een werk kunnen worden toegeschreven. Dat is heel belangrijk voor me geweest.

K.B./D.P.: Wat verrichtte je tijdens je eerste jaar in het ‘experimenteel atelier’?

A.D.M.: Ik was net als op het einde van de kunsthumaniora met film bezig. Aan het begin van het eerste jaar heb ik een zwart-witfilm gemaakt die voor mij nog altijd een referentiepunt is. Ik beschouw het als mijn eerste echte film. Het was ook de eerste film die waardering kreeg, onder meer van Hans Op de Beeck. Daar was ik heel blij mee.

K.B./D.P.: Kan je er iets over vertellen?

A.D.M.: De film is getiteld Are There Thoughts Without Being? en gaat over iemand die onophoudelijk met zijn ogen rolt, jarenlang aan één stuk. Een heel griezelig idee! Ik besprak het concept met mijn toenmalige vriend Jonathan. Hij moedigde me aan om de film te maken en vertolkte er ook de enige rol in.

K.B./D.P.: Iemand die permanent met zijn ogen rolt, is een automaat. Was het jou om dat machinale te doen?

A.D.M.: Nee, wat ik belangrijk vond, is dat zoiets onmogelijk is. Iemand die zonder ophouden met zijn ogen rolt, bestaat niet of komt enkel in een nachtmerrie voor. Omdat het niet kan, roept het een existentiële angst op. Ook de tijd speelt daarbij een belangrijke rol: het feit dat die persoon met zijn ogen blijft rollen. Iets kan angst inboezemen enkel en alleen omdat het oneindig lang duurt of – omgekeerd – omdat het zich heel plots en kort voordoet.

K.B./D.P.: Waar nam je de film op?

A.D.M.: Op een parking, maar dat was eerlijk gezegd puur toeval. In die periode besteedde ik nog niet zoveel aandacht aan de omgeving.

K.B./D.P.: Welke films heb je na Are There Thoughts Without Being? gemaakt?

A.D.M.: Ik heb mijn eerste jaar beëindigd met een film die in dezelfde lijn lag, maar die ik nu minder goed vind. Op het einde van mijn tweede jaar heb ik een film met ontploffende kubussen gepresenteerd.

K.B./D.P.: Ontploffende kubussen?

A.D.M.: Het waren bewegende en kantelende geometrische vormen. Ik vertrok van tekeningen die ik filmde en aan elkaar monteerde, waarbij ik veel met het montageprogramma experimenteerde. Ik voorzag de film ook van een soundtrack. Het resultaat was een heel ritmische film. Daarnaast heb ik in de eindejaarstentoonstelling ook een klanksculptuur getoond: een bizar, langwerpig en zwart object met aan het uiteinde een stukje textiel dat afkomstig was van een broekkous. Het stuk stof was verbonden met het mechanisme van een muziekdoosje dat zich aan de binnenkant bevond. Als je de mechaniek in werking stelde, werd het textiel opgedraaid tot een prop. Uit het muziekdoosje had ik voorts op één na alle noten verwijderd, zodat het mechanisme enkel nog om de zoveel tijd een ting-geluid voortbracht. Ik vond het plezierig om dat object te maken, maar helemaal tevreden was ik er niet over. Dat gevoel had ik toen voortdurend. Over de film met ontploffende kubussen was ik evenmin enthousiast. Ik heb er trouwens veel kritiek op gekregen.

K.B./D.P.: Welke?

A.D.M.: Men verweet me dat ik het me makkelijk had gemaakt en dat ik te veel op de mogelijkheden van het computerprogramma speculeerde. Dat kon ik moeilijk tegenspreken. Het was een van de redenen dat ik genoeg had van dat soort films. Het jaar daarop ben ik naar het beeldhouwatelier overgestapt, dat geleid werd door Dirk Wauters.

K.B./D.P.: Waarom vond je het nodig om die overstap te maken? In het experimenteel atelier kon je toch doen wat je wilde?

A.D.M.: Misschien was het een beetje kinderachtig van me, maar Hans Op de Beeck had na afloop van mijn tweede jaar de school verlaten en ik had het daar moeilijk mee. Uit ontgoocheling ben ik toen naar het beeldhouwatelier overgeschakeld. Maar ik had ook een positieve reden om die stap te zetten: ik wilde leren lassen en met plaaster werken. Ik had een aantal ideëen in mijn hoofd die heel sculpturaal waren en had nood aan iemand die iets van die technieken afwist.

K.B./D.P.: Hoe was je op die ideëen gekomen?

A.D.M.: Ze gingen terug op mijn fascinatie voor vormen en materialen. Welke vormen zijn er mogelijk? Door welke materialen kunnen ze in het leven worden geroepen? Dat soort vragen hield me bezig. Ik had ook een bijzondere interesse in geometrische vormen – vooral in kubussen. In mijn tweede jaar had ik trouwens al sculpturen met alarmsystemen gemaakt.

K.B./D.P.: Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

A.D.M.: Elke sculptuur had een alarmgeluid, dat ik op mijn computer maakte. Ik vertrok van een fantasietje: stel je een object voor dat zichzelf niet begrijpt. Het object heeft schrik van zichzelf en raakt in paniek. Dat beeld bracht me ertoe objecten te maken die met alarmsystemen waren uitgerust.

K.B./D.P.: In Elektriciteit met gevoel, dat je in het vierde jaar in het Imelda-instituut had gemaakt, ging het eveneens om een object dat met ‘psychische energie’ werd opgeladen.

A.D.M.: Ja, maar in de objecten met een alarmsysteem stond iets anders op het spel. Ik was gefascineerd door de waarde die mensen aan een object hechten. Ze schrijven aan een voorwerp kwaliteiten toe die volledig losstaan van de materiële aard ervan. In kunst komt dat nog het sterkst tot uiting. Als je ‘objectief’ naar een schilderij kijkt, zie je alleen verf op doek en geen beeld noch betekenis. Hoe zou het zijn als je de hele wereld als objectieve materie zou aanschouwen? Ik probeerde me dat voor te stellen… maar natuurlijk kan dat niet.

K.B./D.P.: Je was in het projectievermogen van mensen geïnteresseerd?

A.D.M.: Ja, dat vond ik boeiend, maar wat me het meest bezighield, is dat we via onze dagelijkse omgang met objecten in een verhaal verwikkeld zitten. Vanaf de geboorte komen we in een systeem terecht waarin alles waarde en betekenis heeft.

K.B./D.P.: Wat heb je in je derde jaar in het beeldhouwatelier opgestoken?

A.D.M.: Ik ben er het gevecht met het materiaal aangegaan. Dat is mijn eerste belangrijke ervaring in het atelier geweest.

K.B./D.P.: Wat bedoel je daar precies mee?

A.D.M.: Ik heb het over de problemen waarmee je geconfronteerd wordt als je een werk wil maken. Op een gegeven moment had ik bijvoorbeeld een nieuwe sculptuur met een alarmsysteem bedacht: een rechthoekige, piramidale vorm met een grondvlak van 2 meter op 50 centimeter, waarvan de hellende zijden op een vierkantige opening van tien op tien centimeter toeliepen. Ik had een mal gemaakt om de vorm in plaaster af te gieten… maar dat mislukte. Tot vijf keer toe heb ik geprobeerd om het werk te realiseren. Ik riep de hulp in van medestudenten, van mijn docent… allemaal tevergeefs. Als ik de sculpturen al gaaf uit de mal wist te halen, dan vielen ze na enkele dagen uit elkaar. Blijkbaar kon je die vorm simpelweg niet in plaaster vervaardigen – of misschien was dat enkel met behulp van industriële technieken mogelijk. Ik vond het enorm confronterend om vast te stellen dat de vorm die ik bedacht had niet kon worden uitgevoerd.

K.B./D.P.: Waarom was die vorm zo belangrijk voor jou?

A.D.M.: Ik was op zoek naar een nietszeggende vorm, een vorm die op niets leek, die geen enkele associatie toestond. Hoe ik precies tot die specifieke vorm kwam, weet ik niet meer. Ik herinner me enkel dat ik iets wilde maken dat niets voorstelde. Op het einde van het derde jaar bevredigde het sculpturale me evenwel niet meer. Ik zocht naar een manier om niets te tonen en video-installaties leken me daartoe een geschikter middel.

K.B./D.P.: Waarom?

A.D.M.: Voor een video-installatie heb je bijna niets nodig: een beamer, die een beeld projecteert en klaar is Kees.

K.B./D.P.: Wat je beschrijft, zou je toch gewoon een video kunnen noemen?

A.D.M.: Toch niet. Ik hing de beamer immers op een bepaalde manier in de ruimte en betrok de snoeren van het apparaat bij het werk. In die zin ging het wel degelijk om een installatie. Ik was ervan overtuigd dat ik met dat soort werken heel dicht in de buurt van ‘niets’ zou komen… maar dat was natuurlijk naïef van me. Het loutere feit dat je moet kiezen wát je filmt en dat je het resultaat van die keuze presenteert, zorgt er immers al voor dat je ‘iets’ toont – dat je met andere woorden een werk hebt gemaakt.

K.B./D.P.: Waarom wilde jij per se ‘niets’ tonen?

A.D.M.: Ik wilde komaf maken met de artistieke toets, met het subjectieve in een kunstwerk. Er wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat een kunstenaar ‘iets van zichzelf’ in zijn werk legt… dat soort benadering vond ik veel te zwaar op de hand. Ik stoorde me ook aan het feit dat iedereen mijn werk op een verschillende manier interpreteerde en er een andere mening over had. Die willekeur trachtte ik te elimineren door iets objectiefs te maken: iets dat niets wil zeggen.

K.B./D.P.: Kan je een werk beschrijven waarin je dat ‘niets’ trachtte te benaderen?

A.D.M.: Het verst ben ik zonder twijfel gegaan in mijn afstudeerwerk aan de Hogeschool. Ik had een ruimte afgebakend van twee op twee meter, zonder evenwel de contouren zichtbaar te maken. Binnen die zone nam ik geluid op. Vervolgens stelde ik mijn camera scherp op de door mij gekozen plek en nam ik er foto’s van. Het geluid onderscheidde zich in niets van het omgevingsgeluid. De foto’s waren wazig en nietszeggend – ik had immers een willekeurige zone in het midden van de ruimte genomen, een plek waar hoegenaamd niets te zien was. Twee aan het plafond hangende beamers die wazige foto’s projecteerden en twee luidsprekers die omgevingsgeluid weergaven: dat was alles.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de leerkrachten en juryleden op je eindwerk?

A.D.M.: Ze zeiden dat mijn kabels niet goed lagen. Echt waar! Ik wilde de snoeren van de videoprojectoren in de ruimte laten slingeren, maar mijn docent Richard Venlet stond erop dat ik ze vastmaakte en dat ik het stuk van de ruimte waarin ik gefilmd en opgenomen had duidelijk aangaf. Met veel tegenzin heb ik toegegeven. Tevreden over mijn eindwerk was ik helemaal niet. Ik had me uitgesloofd om het niets te benaderen en kon niet geloven dat dit het resultaat van mijn inspanningen was. Het was een afknapper.

K.B./D.P.: Hoe blik je terug op je hogeschoolopleiding?

A.D.M.: Ik ben erg te spreken over mijn opleiding aan Sint-Lukas; de begeleiding was uitstekend en de theorievakken beschouw ik als een essentieel onderdeel van mijn opleiding tot kunstenaar. Maar ik ben met gemengde gevoelens afgestudeerd. Ik overwoog zelfs om te stoppen. Uiteindelijk nam ik het besluit om een lerarenopleiding in de kunsten aan Sint-Lukas aan te vatten.

 

4. Lerarenopleiding Hogeschool Sint-Lukas

K.B./D.P.: Waarom koos je voor die lerarenopleiding? Wilde je een pauze inlassen?

A.D.M.: Het was een vangnet, ja. Een plan B. Bovendien had ik er behoefte aan om een tijdje écht niets te doen.

K.B./D.P.: Hoe beviel de opleiding?

A.D.M.: Niet al te best, moet ik zeggen. Ik vond de lessen doodsaai en had het gevoel dat de leerstof werd uitgemolken. Ik heb tijdens dat jaar weinig opgestoken.

K.B./D.P.: Je moest allicht ook proeflessen geven…

A.D.M.: Inderdaad, ik heb in mijn eigen school voor de klas gestaan.

K.B./D.P.: Hoe verliep dat?

A.D.M.: Ik voelde mij helemaal niet op mijn gemak. Het ontbrak me nochtans niet aan interesse om les te geven. Allicht was ik nog te jong?

K.B./D.P.: Ben je tijdens de lerarenopleiding helemaal niet meer met kunst bezig geweest?

A.D.M.: Aanvankelijk deed ik inderdaad niets. Ik was vastbesloten om even met kunst te stoppen en me op iets helemaal anders te richten… tot mijn huisgenote Elise Eeraerts, die op dat moment haar master op Sint-Lukas deed, vroeg of ik samen met haar wilde tentoonstellen. Waarom niet, dacht ik. Voor ik het goed wist, was ik weer met kunst bezig! Die tentoonstelling heeft me de moed gegeven om opnieuw te beginnen.

K.B./D.P.: Was dat jouw eerste publieke optreden in de kunstwereld?

A.D.M.: Dé kunstwereld is een groot woord. De tentoonstelling vond plaats in een gehuurde ruimte in Brussel die Quatch heette en werd hooguit door enkele studenten bezocht. Voor de rest wist nauwelijks iemand dat wij samen exposeerden.

K.B./D.P.: Wat heb je getoond?

A.D.M.: Ik heb er voor het eerst werk getoond rond een nieuw personage dat ik Badpakman Straatkast (Bpmsk) doopte. Het is een absurd wezen dat de vorm heeft van een zwarte rechthoek. Hij is volledig van digitale makelij. Eerst maakte ik zijn portret: een foto van een zwarte rechthoek die voor een kale vlakte zweeft. In de tentoonstelling met Elise toonde ik onder meer Les petites images; les moments pétrifiés (2009), een reeks fotootjes waarin allerlei witte voorwerpen en sculpturen voorkomen. In mijn verbeelding wordt Badpakman Straatkast gerepresenteerd door de – steevast rechthoekige – schaduwen die door de objecten worden afgeworpen: de ene keer de schaduw van een tafel, dan weer de donkere onderkant van de witte vlakjes die zich in een moeilijk definieerbare ruimte bevinden. Het thema van de reeks is het onvermogen van Badpakman Straatkast om ‘zijn’ plaats te vinden in de ruimte en om een consistente, stabiele vorm aan te nemen. Daarnaast toonde ik ook de sculptuur Quelque chose: een object dat bestaat uit een plat, plaasteren object dat op poten in mdf rust en daardoor aan een tafel doet denken. De sculptuur is gebaseerd op een van de meubelachtige objecten die in de fotoreeks voorkomen.

K.B./D.P.: Is Badpakman Straatkast te vergelijken met Lector, het personage dat je in de kunsthumaniora had ontwikkeld?

A.D.M.: Neen, de reeks over Lector was narratiever en… ook veel puberaler. Badpakman Straatkast is absurder. Neem bijvoorbeeld zijn vorm. Eigenlijk had hij elke mogelijke vorm kunnen aannemen en heb ik op volkomen willekeurige gronden voor een zwarte rechthoek gekozen.

K.B./D.P.: Waar haalde je de naam van het personage vandaan?

A.D.M.: Ik heb hem uit mijn mouw geschud. De naam Badpakman Straatkast is compleet nonsensicaal. Dat ik daartoe in staat was, luchtte geweldig op. Eindelijk was ik erin geslaagd om te aanvaarden dat onzin toegelaten was. Wat een pak van mijn hart! Ineens vond ik het ook niet erg meer dat iedereen een andere betekenis aan mijn werk gaf. Het is nu eenmaal zo dat elke toeschouwer zijn of haar eigen associaties bij een kunstwerk heeft. Dat hoeft helemaal niet erg te zijn, realiseerde ik me plots. Het was jaren geleden dat ik me nog zo goed had gevoeld bij mijn werk.

K.B./D.P.: Heb je je lerarenopleiding afgerond?

A.D.M.: Absoluut, ik ben met onderscheiding afgestudeerd.

 

5. Ecole de Recherche Graphique (Brussel)

K.B./D.P.: Wat heb je na de lerarenopleiding gedaan?

A.D.M.: Ik diende eerst dossiers in met het oog op residencies in Wiels en het HISK. Wiels wees me meteen af; de jury van het HISK vond dat ik nog te jong was. Uiteindelijk heb ik me ingeschreven aan de ERG, de Ecole de Recherche Graphique, een Brusselse kunsthogeschool. Eigenlijk vond ik het niet zo erg dat ik niet in het HISK en Wiels was toegelaten. Ik was ervan overtuigd dat ik met de master-na-masteropleiding aan de ERG een uitstekende keuze had gemaakt.

K.B./D.P.: Waarom?

A.D.M.: Het leek me een goede academie en ik vond het prettig dat het onderwijs in het Frans werd verstrekt. Bovendien gaf Joëlle Tuerlinckx er les. Dat was de voornaamste reden om naar de ERG te gaan.

K.B./D.P.: Hoe had je met Joëlle Tuerlinckx kennisgemaakt?

A.D.M.: Ik heb Joëlle voor het eerst ontmoet tijdens een kennismakingsdag waarop de masterstudenten van de ERG en Sint-Lukas aan elkaar werden voorgesteld. Nadien heb ik Joëlle nog enkele malen opgezocht.

K.B./D.P.: Beviel de ERG?

A.D.M.: Enorm. Het was spannend om in een school te toeven waarin een totaal andere aanpak werd gehanteerd. 

K.B./D.P.: Wat was het verschil met Sint-Lukas?

A.D.M.: In Sint-Lukas werk je veel meer in klasverband, in de ERG vooral individueel. De enige collectieve momenten aan de ERG waren de tentoonstellingen van de studenten. In maart 2010 had elk van ons een eendagstentoonstelling in Etablissement d’en face (Brussel) en op het einde van het academiejaar stelden we gezamenlijk tentoon in Netwerk (Aalst). Ik was tijdens dat jaar vooral thuis te vinden. Mijn woonkamer was mijn atelier. Ik was veel zelfstandiger en zelfzekerder geworden.

K.B./D.P.: Wat maakte je?

A.D.M.: Ik ben met film en beeldhouwkunst bezig geweest. Na enkele maanden maakte ik de sculptuur Object 1. Object 1 bestaat uit een geometrisch en een organisch deel; beide zijn verbonden door een middenstuk. Ik was tot die vorm gekomen door te vertrekken van de vraag wat er éérst is. Eérst zijn er vormen, bedacht ik, organische en geometrische. Vervolgens besloot ik een object te maken dat het organische en het geometrische met elkaar verbindt. Ik noemde het werk Object 1 omdat het was voortgekomen uit het verlangen om opnieuw te beginnen.

K.B./D.P.: Zou je Object 1 om die reden jouw opus 1 kunnen noemen?

A.D.M.: Eigenlijk wel, ja. Ik was erg opgetogen over de manier waarop ik tot Object 1 was gekomen – via de vraag naar het begin, bedoel ik. Ik ben dan ook verder met Object 1 aan de slag gegaan. Na twee maanden draaide ik het geometrische stuk een kwartslag en legde ik Object 1 langs een hoek. Tot slot heb ik voor het object een doodskist gemaakt.

K.B./D.P.: Een doodskist!?

A.D.M.: Het is natuurlijk absurd, maar net zoals Badpakman Straatkast beschouwde ik Object 1 als een personage. Op een bepaald moment stelde ik me voor dat ‘hij’ overleed en vervaardigde ik een plexikist om hem op te baren.

K.B./D.P.: Wat heb je na Object 1 gemaakt?

A.D.M.: Daarna zijn Object 2 en Object 3 tot stand gekomen. Object 2 heeft geometrische, Object 3 zachte en afgeronde hoeken – in die zin zijn de Objecten 2 en 3 respectievelijk anorganisch en organisch. Je zou kunnen zeggen dat ik de geometrische en de organische helft van Object 1 uit elkaar heb gehaald en over twee objecten heb verdeeld. Vervolgens zijn Object 4 en Object 5 ontstaan. Die objecten zijn exacte kopieën van hun voorgangers (Object 2 en Object 3); het enige verschil is dat op Object 4 en Object 5 een film over Object 2 en Object 3 geprojecteerd wordt. De vijf objecten heb ik getoond tijdens mijn eendagstentoonstelling in Etablissement d’en face op 11 maart 2010. Die tentoonstelling mag je als mijn debuut in de kunstwereld beschouwen.

K.B./D.P.: Door Object 2 en 3 op Object 4 en 5 te filmen, snijd je het thema van de representatie aan.

A.D.M.: Dat was niet mijn eerste bekommernis. Voor mij ging het erom de vorm van de sculptuur te begrijpen. Dat was de reden om beide objecten te filmen: ik wilde hun vorm vatten.

K.B./D.P.: Maar als je de echte objecten met hun filmische voorstelling confronteert, roep je toch vragen op over representatie en over de manier waarop de representatie onze kijk op een object beïnvloedt. Of niet?  

A.D.M.: Voor mij gaan die werken over schaal en perceptie. Ik had de objecten van heel dichtbij gefilmd, waardoor ze er in de projectie enorm groot uitzien, terwijl ze in werkelijkheid heel klein zijn. Je werd uitgenodigd om de grootschaligheid van de projectie met de kleinschaligheid van het object te vergelijken. Wat is de juiste afstand tot een object? Welk formaat ervaren wij als normaal? Dat soort vragen wilde ik oproepen. Daarnaast wilde ik ook suggereren hoe het object er aan de binnenkant uitziet.

K.B./D.P.: Wat bedoel je daarmee?

A.D.M.: Een object is niet alleen wat je aan de buitenkant ziet; het heeft ook een binnenkant. Wat zou je te zien krijgen als je met je ogen door het object heen kon kijken? Die vraag wilde ik oproepen door die kleine objecten in het groot te projecteren.

K.B./D.P.: Enkele maanden na jouw tentoonstelling in Etablissement d’en face maakten we voor het eerst kennis met jouw werk in Netwerk Aalst, waar de tentoonstelling in het kader van de eindjury van de ERG plaatsvond (26 juni-14 augustus 2010). Jouw bijdrage bestond uit een aantal witte, sculpturale objecten – waaronder het reeds vermelde Object 1 in een plexi kist – een reeks foto’s waarin je kon zien hoe Object 1 door jou ‘gemanipuleerd’ wordt en de film getiteld Four Parts. De verschillende elementen maakten deel uit van een parcours dat eindigde in een verduisterde zaal waar de film geprojecteerd werd. De toeschouwer moest een traject afleggen en de onderdelen als het ware aan elkaar ‘monteren’.

A.D.M.: Ik vond het spannend om het werk uit te rafelen en de toeschouwer te dwingen om zich te verplaatsen. Het was heel belangrijk dat je het werk alleen kon ervaren door de elementen met elkaar te verbinden.

K.B./D.P.: Zou je die werkwijze filmisch kunnen noemen?

A.D.M.: Ja, waarom niet. Ik wilde vooral spelen met het geheugen van de bezoeker en de tijd die hij spendeert om het werk te bekijken.

K.B./D.P.: De kijker werd ook tot ongewone kijkposities gedwongen. Zo was er een wandobject dat uit een vierkantig, wit vlak bestond dat op een vooruitspringende structuur aan de wand was aangebracht. Tussen het vlak en de muur was zeer weinig ruimte. Wie zich daartussen wrong, stelde evenwel vast dat op de achterkant van het witte vlak een omgekeerde foto was gekleefd.

A.D.M.: Ik wilde het fotootje op een indirecte en ‘heimelijke’ manier tonen. Het was trouwens niet de enige keer dat ik dat in de tentoonstelling gedaan heb. Zo stond in de verduisterde ruimte achter het filmscherm een tafel waarop voorstudies van de Objecten 1 tot 5 waren uitgestald. De filmprojectie vormde dus slechts schijnbaar het einde van het parcours. Voor mij was het heel belangrijk dat je een grens moest overschrijden om de tafel met objecten te zien. Ook voor het fotootje op de achterkant van het witte vlakje moest je een onconventionele kijkhouding aannemen… maar in dat geval was er nog een bijkomende reden om die strategie toe te passen.

K.B./D.P.: Welke?

A.D.M.:: Het fotootje toont een meisje, Alicia Griffiths, dat naast Object 1 staat en recht in de camera kijkt. De emoties zijn duidelijk van haar gezicht af te lezen – het meisje is namelijk bedroefd omdat Object 1 ‘gestorven’ is. Het is een erg gevoelig beeld. Omdat ik die emotionaliteit niet openlijk wilde tonen, heb ik de foto op een indirecte, verborgen wijze gepresenteerd.

K.B./D.P.: De objecten uit de tentoonstelling waren ook in de film Four Parts te zien. In het derde deel zie je een jongen die Object 1 ter hand neemt en aandachtig bekijkt. In deel vier wringt dezelfde jongen zich achter het object met het witte vlakje om het fotootje te bekijken dat op de achterkant is gekleefd. In de film lijken de verschillende onderdelen van het traject samen te komen.

A.D.M.: Dat klopt. De film maakt duidelijk dat het mij te doen is om de manier waarop mensen met objecten omgaan. Daarbij was het vierde deel – gespeeld door Jonathan Jacques – bedoeld als een handleiding bij het object in de tentoonstelling: via de film kom je te weten hoe je naar het object moet kijken en krijg je de kans om het ‘geheim’ van het object te achterhalen.

K.B./D.P.: In het tweede deel van de film zweeft een zwarte rechthoek over een landschap in de richting van een berk om, eens aangekomen bij die boom, in kleine vierkantjes te versplinteren.

A.D.M.: Dat was mijn manier om de dood van Badpakman Straatkast in beeld te brengen. Object 1 is dus niet het enige sterfgeval dat in de tentoonstelling te betreuren viel!

K.B./D.P.: Wit is het verbindende element in de tentoonstelling. Niet alleen de objecten zijn wit, ook drie van de vier delen van Four Parts zijn in maagdelijk wit ondergedompeld.

A.D.M.: Het voordeel van wit is dat het neutraal is. Ik kan ook moeilijk met kleuren uit de voeten. Toen ik jong was, heb ik veel geschilderd en daar kwamen onvermijdelijk ook kleuren aan te pas, maar naarmate ik opgroeide, kreeg ik steeds meer moeite met kleur. Kleur werd me te complex. Het lukte me maar niet om er vat op te krijgen. Ik ben nog maar onlangs in kleur beginnen te filmen. Het heeft me heel wat moeite gekost om die stap te zetten.

K.B./D.P.: Zou je het gebruik van wit ook kunnen zien als een manier om ‘opnieuw te beginnen’?

A.D.M.: In zekere zin, ja. De films die ik in de ERG maakte – de film van Objecten 2 en 3 (2009) en Four Parts (2010) – zijn haast volledig in zwart-wit gedraaid omdat ze voor mij een beginpunt vormen. Enkel voor het landschap in het deeltje over Badpakman Straatkast heb ik kleur gebruikt.

K.B./D.P.: Het filmpje valt daardoor uit de toon.

A.D.M.: Dat was ook de bedoeling. Ik wilde vermijden dat de film en de installatie te mooi en te coherent zouden overkomen. Ik probeer altijd een storend element in te lassen — iets dat door het gladde oppervlak heen breekt en de kijker een uitweg biedt.

 

6. Hoger Instituut voor Schone Kunsten (Gent)

K.B./D.P.: Na jouw bijkomende master aan de ERG koos je voor de tweejaarlijkse postacademische opleiding aan het HISK. Waarom?

A.D.M.: Ik voelde me nog niet klaar om in de kunstwereld te stappen. Een medestudente van Sint-Lukas, Sarah Deboosere, was ook naar het HISK gegaan. Misschien heeft dat een rol gespeeld?

K.B./D.P.: Heb je niet overwogen om een andere postacademische instelling te kiezen?

A.D.M.: Eigenlijk niet. Tijdens mijn verblijf aan de ERG heb ik wel een bezoek gebracht aan de Jan Van Eyck Academie in Maastricht, samen met Joëlle Tuerlinckx en enkele medestudenten. Maar nadat ik er dossiers van andere kandidaten had ingekeken, kreeg ik het gevoel dat je al héél goed moest weten waar je met je werk naartoe wilde vooraleer je kans zou maken om toegelaten te worden. Ik voelde me simpelweg niet in staat om zo’n dossier te maken. Bovendien vond ik de eenvoudige formule van het HISK aantrekkelijk: je krijgt de beschikking over een atelier en je kan aan de slag. Ik had nog nooit een eigen atelier gehad en wilde weten hoe het zou zijn om er mijn dagen in door te brengen, om te kunnen werken en nadenken zonder ook maar één moment gestoord te worden.

K.B./D.P.: Met welke werken heb je je kandidaat gesteld?

A.D.M.: Mijn dossier omvatte de werken die ik getoond had in Etablissement d’en face – Object 1, 2, 3, 4 en 5 – en in Netwerk. Ik toonde ook mijn werk over Badpakman Straatkast en enkele foto’s van installaties die ik in Sint-Lukas had gemaakt.

K.B./D.P.: Welke ontwikkeling heb je in het HISK doorgemaakt?

A.D.M.: Ik heb op twee terreinen stappen gezet: sculptuur en film.

K.B./D.P.: Welke richting ging je uit op het vlak van de beeldhouwkunst?

A.D.M.: Ik ben in het HISK heel erg in de sokkel geïnteresseerd geraakt – in de drager van de sculptuur, het tussenstuk dat de sculptuur scheidt van de vloer. Ik beschouwde de sokkel niet zomaar als een functioneel element, maar als een plastisch gegeven. Ik vond het intrigerend om uit te zoeken hoe je dat dragende element vorm kan geven. Eigenlijk was ik al voor mijn werkperiode in het HISK met dat probleem bezig, alleen besefte ik dat toen nog niet.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

A.D.M.: In 2009 heb ik een reeks voorstudies voor de Objecten 1 tot 5 op de stoof gelegd van het Brusselse appartement dat ik met Thomas De Brabanter deelde. Omdat de objecten steeds talrijker werden, deponeerde ik ze vervolgens op een ladenkastje, waar ze een hele poos zijn blijven liggen. Aan het begin van mijn tweede jaar aan het HISK bracht ik het meubel met de voorstudies naar mijn nieuwe, grotere atelier in het instituut. Toen het daar stond, begon ik me af te vragen wat die verzameling vormen op dat kastje te betekenen had… En zo werd ik me er plots van bewust dat het met de sculpturale problematiek van de sokkel te maken had. Ik vond het interessant dat zo’n banaal kastje een totaal andere functie kon krijgen en dat ik kon zeggen: dit is een sokkel. Sindsdien ben ik ‘bewust’ met sokkels bezig.

K.B./D.P.: Ben jij je toen ook gaan verdiepen in het werk van andere kunstenaars die over de sokkel hebben nagedacht?

A.D.M.: Ik heb me inderdaad even in het werk van Rodin verdiept, de eerste kunstenaar die de sokkel wegliet en zijn beeldhouwwerken in de ruimte plaatste waarin de toeschouwers zich bevinden. Daarnaast heb ik ook de reconstructie van het atelier van Brancusi op de Place Georges Pompidou in Parijs bezocht. Een diepgaande studie van de geschiedenis van de beeldhouwkunst en de problematiek van de sokkel heb ik evenwel niet ondernomen. Het is alsof ik de tijd niet vond om me in die materie te verdiepen – en eerlijk gezegd vond ik het ook niet zo belangrijk om dat te doen. Mijn werken behandelen niet enkel de historische problematiek van de sculptuur. Ze gaan over zoveel méér – over de relatie tussen mensen en dingen, de ontmoeting tussen een persoon en een object…

K.B./D.P.: Hoe ga je dan met de sokkel om?

A.D.M.: Wat ik essentieel vind, is dat de vorm van de sokkel doordacht is. Daarnaast is het belangrijk dat de drager van de sculptuur méér dan alleen maar een sokkel is. Het kastje met de plaasteren vormen gebruik ik bijvoorbeeld nog steeds om er mijn spullen in te stoppen. Voor mij is de sokkel even belangrijk als het object dat ik erop presenteer. Ik zie beide als twee evenwaardige delen van één geheel.

K.B./D.P.: Dat zou je een benadering à la Brancusi kunnen noemen. Bij hem worden de sokkel en de sculptuur immers ook op elkaar betrokken.

A.D.M.: In die gedachte kan ik me vinden. Ik heb in het eerste jaar van het HISK een werk gemaakt dat wat dat betreft relevant is: study, test block, test shelve, test room (2011). Het bestaat uit een stapel plaastervormen die op een plank liggen. De plank rust op twee schragen die aan de muur bevestigd zijn en buigt door omdat ze te dun is om de objecten te dragen. Bovendien blijft de plank ‘in beweging’ doordat ik er steeds andere vormen op leg. Misschien zou je kunnen stellen dat de interactie tussen drager en sculptuur in de lijn van Brancusi ligt.

K.B./D.P.: Naast sculpturen heb je in je eerste jaar aan het HISK films gemaakt. Tijdens de ‘Open Studios’ van het instituut (13-15 mei 2011) presenteerde je een voorlopige versie van filmsculpturenfilms, een filminstallatie die uit twee projecties bestaat. De afgewerkte filminstallatie werd vervolgens getoond in de tentoonstelling Two Components, die je samen met Elise Eeraerts organiseerde in een ruimte aan de Brabantdam te Gent (3-12 november 2011). In filmsculpturenfilms treden personages op die zich – letterlijk – verhouden tot objecten: een jongen die op de grond ligt, houdt een wankel object overeind dat eruitziet als een tafeltje op stelten. Een personage in een zwarte cape kijkt langdurig naar een stukje tape dat op de muur kleeft; op het einde van de film loopt hij naar een smal en zwart meubelachtig object en stoot hij de witte plaasteren vormen die erop liggen om, zodat ze op de grond vallen.

A.D.M.: De film brengt de relatie tussen mensen, dingen en de ruimte in beeld. Hoe verhouden objecten en subjecten zich tot de ruimte waarin ze zich bevinden? Hoe verhouden ze zich tot elkaar? Die vragen interesseerden me al langer.

K.B./D.P.: De verhouding tussen mens en ding lijkt te worden gekenmerkt door een haast onwezenlijke ‘harmonie’. Terwijl de objecten levende organismen lijken – door hun onregelmatige, organische vormen – hebben de in het zwart geklede personages iets van ‘bewegende dingen’. Mensen en objecten maken deel uit van één half organische, half anorganische wereld.

A.D.M.: Ze bevinden zich op hetzelfde niveau, dat klopt. In filmsculpturenfilms wilde ik testen hoever ik die relatie tussen mensen en dingen op de spits kon drijven. Wat gebeurt er als ik mijn sculpturen als echte personages behandel en mensen als sculpturen beschouw?

K.B./D.P.: Opvallend zijn de erg trage camerabewegingen in de film.

A.D.M.: Ik wilde duidelijk maken dat de film over een mentaal proces gaat — het denken verloopt per definitie traag. Daarnaast wordt dat langzame tempo ook door de eenvoud van de handeling afgedwongen. Iemand kijkt naar een stukje tape of neemt een object vast… Het zijn uiterst simpele, minimale gestes die ik tot in de kleinste details in beeld breng. Daar is tijd voor nodig.

K.B./D.P.: Waarom koos je in het geval van filmsculpturenfilms – in tegenstelling tot Four Parts – voor een dubbelprojectie?

A.D.M.: Ik nam de beslissing tijdens de montage. De dubbelprojectie maakt het mogelijk om binnen een kortere tijdspanne meer elementen aan bod te brengen. Dat komt de interne samenhang van de film ten goede. Bovendien meende ik dat het verrassingsfilmpje zo beter tot zijn recht zou komen.

K.B./D.P.: Het verrassingsfilmpje?

A.D.M.: Hebben jullie het niet gezien? Zoals jullie weten komt in de film een scène voor waarin een jongen, gekleed in een cape, de objecten omstoot die op het zwarte meubel liggen – eigenlijk een houten replica van het stoofje van mijn Brusselse appartement. In de tweede projectie duikt om het uur een alternatieve versie op waarin de jongen de vormen op het stoofje ‘steelt’. Je moet een beetje geluk hebben om dat verrassingsfilmpje onder ogen te krijgen. Ik kan jullie in dat verband een prachtig voorval vertellen. Op een dag kwam een jongen naar me toe die me vroeg hoe de vork in de steel zat. Hij had het verrassingsfilmpje gezien op een moment dat het perfect synchroon liep met de ‘gewone’ versie van de scène. Wat een mooi toeval!

K.B./D.P.: Four Parts omvatte objecten die je tevens tentoonstelde. De objecten in filmsculpturenfilms werden niet geëxposeerd. Waarom niet? 

A.D.M.: Tot aan het einde van mijn studies aan de ERG toonde ik de sculpturen uit mijn films inderdaad als autonome werken. De sculpturen die in filmsculpturenfilms voorkomen, zijn speciaal voor de films ontworpen – in die zin mag je de titel letterlijk nemen. In mijn daaropvolgende film 12poot heb ik hetzelfde principe toegepast. De film draait volledig rond één sculptuur: een constructie bestaande uit twee houten latten die een hoek vormen en die rusten op twaalf wankele, platte poten. Ook die sculptuur bestaat alleen in de film waar hij naar genoemd is.

K.B./D.P.: In die film – getoond tijdens de Open Studios (11-14 mei 2012) en de door Nicolaus Schafhausen gecureerde eindtentoonstelling van het HISK (About Waves and Structure. Behaviour, Disagreement, Confidence and Pleasure, 17 november-9 december 2012) – duurt het lang vooraleer je de betreffende sculptuur te zien krijgt. Aanvankelijk zie je enkel een wit beeldscherm. Na een tijdje merk je dat de camera over een witte wand glijdt, maar daarna duurt het nog ettelijke minuten vooraleer het ‘sculpturale’ object waarvan sprake in beeld wordt gebracht. De passage doet heel erg denken aan de fascinatie voor het ‘niets’ die je al tijdens je opleiding aan Sint-Lukas koesterde. Eigenlijk werk je nog steeds met het ‘niets’.

A.D.M.: Dat kan ik niet ontkennen. 

K.B./D.P.: Maar terwijl je tijdens je opleiding aan Sint-Lukas dat niets als zodanig wilde tonen, wordt het ‘niets’ nu gevolgd door ‘iets’. Ben je tot het inzicht gekomen dat het ‘niets’ enkel in relatie tot ‘iets’ kan verschijnen?

A.D.M.: Zo zou je het kunnen stellen. Ik raak in mijn recent werk overigens steeds verder van het ‘niets’ verwijderd. Er komen namelijk steeds meer elementen bij kijken: in 12poot werk ik bijvoorbeeld niet alleen met tekst, maar gebruik ik ook kleur.

K.B./D.P.: Veel kleur is er nochtans niet te zien. De sculptuur is maagdelijk wit, net als de muren van de ruimte, en de drie personages zijn in het zwart gekleed. Enkel hun huidkleur vormt een kleuraccent.

A.D.M.: Dat weet ik… en toch was het voor mij een enorme stap om 12poot in kleur te draaien. Ik heb de introductie van kleur als heel betekenisvol ervaren.

K.B./D.P.: Je hebt in de film ook tekst gebruikt. Opvallend is dat enkel het gedeelte waarin niets te zien is door tekst wordt begeleid. De tekst stopt als de sculptuur in beeld komt. 

A.D.M.: Als je een stem hoort, word je daar helemaal door in beslag genomen en kan je je niet op het kijken concentreren. Dat is de reden waarom ik niets wilde tonen zolang de tekst voorgedragen wordt. Daarna kan het luisteren voor het kijken plaatsmaken.

K.B./D.P.: Is de tekst van jouw hand?

A.D.M.: Ja, ik heb hem speciaal voor de film geschreven.

K.B./D.P.: In de tekst wordt aanvankelijk een ‘sculpturaal object’ vanuit een externe positie becommentarieerd: ‘This object, or this table, should be considered more like a sculptural object. When looking for a suitable place for this table, that has become a sculptural object, a revulsion against the sculptural object arises because it is clumsy and too heavy to move around. Because of the movements, it decreases each time more and more.’ Vervolgens schakelt de stem op de jij-vorm over: ‘When you are filmed, you look more attractive, your tinkering unfinished nature is unobtrusive if you’re filmed from afar.’ Waarom die plotse verandering van perspectief?

A.D.M.: Vanaf het begin moest duidelijk zijn dat de tekst over de sculptuur in de film handelt, maar vervolgens wilde ik tevens suggereren dat de sculptuur als een personage – een subject – moet worden bekeken. Vandaar die plotse aanspreking in de tweede persoon. Ik heb de uitspraken die in de tekst over twaalfpoot worden gedaan overigens niet allemaal verzonnen. Vele kreeg ik te horen van mensen die mijn atelier bezochten en de sculptuur te zien kregen. De ene bekritiseerde de onvolkomenheden van twaalfpoot; anderen wisten dan weer te vertellen hoe de sculptuur er had moeten uitzien. Het meest verbluffende vond ik dat twaalfpoot inderdaad als een persoon werd bekeken. Dat heeft me gestimuleerd om de film te maken. Ik bezigde de jij-vorm echter ook om verwarring te zaaien. Wie wordt er met ‘jij’ bedoeld? De sculptuur of de toeschouwer? Eigenlijk beide… de toeschouwer voelt zich aangesproken en dat brengt hem in de war.

K.B./D.P.: Na het ‘lege’ en vooral tekstuele begin van de film komt de sculptuur in beeld. De sculptuur wordt door een voorzichtig schuifelende jongen naar een tafel gedragen, neergezet en op de tafel gelegd. Meerdere poten komen daarbij los van het bovenstuk en vallen op de grond, waarna de camera rond de tafel draait en de ‘wrakstukken’ van de twaalfpotige sculptuur aandachtig in beeld brengt. Dan doet zich een verrassende wending voor: plots toont de film beelden die vanuit een ander camerastandpunt zijn gefilmd – het standpunt van de statische camera die we even daarvoor in de ruimte zagen staan. We krijgen te zien hoe jijzelf, voortgeduwd op een trolley, de zonet beschreven scène filmt.

A.D.M.: Ik vond het heel belangrijk om meer dan één visie op een bepaalde gebeurtenis te tonen en aan te stippen dat er een oneindige veelheid van standpunten bestaat. Maar ik was ook in de enscenering op zich geïnteresseerd. Ik voer een verhaal op, maar wil tevens laten zien wat achter de schermen van dat verhaal gebeurt – hoe het verhaal geconstrueerd wordt. In het laatste gedeelte van de film toon ik alle arbeid die nodig is om de enscenering mogelijk te maken.

K.B./D.P.: Wil je dan – in een bijna klassiek-marxistische zin – het beeld onttoveren?

A.D.M.: Ja, maar ik ben tegelijk ook geboeid door de manier waarop zo’n film gemaakt wordt en het instrumentarium waarmee dat gebeurt. De camera waarmee gefilmd wordt, ís voor mij even interessant als de sculpturen die geregistreerd worden en de ruimte waarin dat gebeurt. Alles draagt mijn belangstelling weg en kan het onderwerp van mijn film vormen: de personages, de sculptuur, de ruimte, maar ook de apparatuur waarmee ik aan de slag ga, zoals het fototoestel en de filmcamera.

K.B./D.P.: Jouw recentste film Façade. Are You the Film’s Character was onlangs te zien in een tentoonstelling in Netwerk te Aalst, die eveneens de titel Façade droeg. Façade is net als filmsculpturenfilms een dubbelprojectie. Een groot deel van de film wordt beheerst door close-upbeelden van de muren, plafonds en dakgebintes van Netwerk. Daarnaast komt het exterieur van de fabriek die zich vlakbij Netwerk bevindt in beeld. Was het jouw bedoeling om op het thema van de tentoonstelling in te spelen?

A.D.M.: Niet echt. De film gaat althans niet over façades. In de film treden twee personages op, een oude en een jonge man. De oude man bekijkt alles van dichtbij en probeert de jongeman tevergeefs te overtuigen om ook op die manier te kijken. Welke conceptie van ruimte ontstaat er wanneer je alles van dichtbij waarneemt? Die vraag hield me in de film bezig. Afgezien van het gedeelte waarin de fabriek in beeld wordt gebracht, en de scène met de twee personages en de tafel die in mijn atelier werd gefilmd, heb ik Façade volledig in de ruimtes van Netwerk opgenomen, dat gevestigd is in een voormalige textielfabriek.

K.B./D.P.: In die scène kijken een oude man en een jongen naar een grote tekening die op de tafel ligt. De oude man wijst met zijn vinger allerlei plekken op de tekening aan, terwijl de jongeman toekijkt.

A.D.M.: Je moet de tekening als een landkaart zien. Ze is samengesteld uit een heleboel schetsen op A4-formaat waarin ik het centrum van Aalst, de buurt van het station en de omgeving rond Netwerk uit het hoofd heb weergegeven. Ik heb de tekeningen ingescand, aan elkaar geplakt en met fotoshop bewerkt. Het resultaat is een heel abstracte tekening geworden – je kan er met de beste wil geen specifieke plek meer op herkennen.

K.B./D.P.: Een landkaart roept een afstandelijke blik op. Was het de bedoeling om een contrast te scheppen met het door nabijheid gekenmerkte standpunt dat in de film domineert?

A.D.M.: Ik zie een landkaart eerder als een instrument om te communiceren over een plek. Via de ‘landkaart’ kunnen de oude man en de jongen over allerlei plaatsen ervaringen uitwisselen. Voorts ging het mij om de materialiteit van de kaart – de kaart als een stuk papier. Op het einde van de film zie je de oude man bezorgd aan het ezelsoor prutsen dat zich aan de linkerbenedenhoek van de kaart heeft gevormd. De man die alles van nabij wil bekijken, lijkt een beetje door te draaien. Voor hem is de kaart geen voorstelling meer, maar pure werkelijkheid. 

K.B./D.P.: Opvallend is de vorm van de tafel waarop de kaart ligt. De tafel bestaat uit een lager en een hoger gedeelte. In het hoger gedeelte is er een holte. Hoe ben je tot dat vreemde ontwerp gekomen?

A.D.M.: Ik ben gewoon vertrokken van de scène met de oude man, de jongen en de landkaart die zich rond de tafel afspeelt. De tafel is volledig voor die scène ontworpen. Het hogere gedeelte van het bovenblad heeft precies het formaat van de tekening die erop moet liggen. Door het hoogteverschil kan de jongen – die op het lagere stuk van de tafel zit – makkelijker naar de kaart kijken. De holte in het tafelblad dient om een kei in op te bergen, die aanvankelijk op de kaart ligt zodat ze niet opbolt. De handelingen van de personages en hun relatie tot de tafel hebben de vorm van het meubel bepaald.

K.B./D.P.: Halverwege de film is een tekst te horen, dit keer een dialoog tussen een man en een vrouw. In de film zijn echter enkel twee mannen te zien.

A.D.M.: Eigenlijk gaat het om een dialoog tussen de twee karakters in de film – de oude man en de jongen – maar ik heb voor de jongen een vrouwenstem gekozen… Je zou de vrouwenstem echter ook als een derde personage kunnen beschouwen, dat de twee mannelijke personages helpt om hun rol in te studeren. De dialoog alludeert daarop: de mannenstem herhaalt immers voortdurend wat de vrouwenstem ‘voorzegt’. Ik heb doelbewust verwarring gezaaid. De film is om die reden op nogal wat kritiek onthaald.

K.B./D.P.: Men vond hem te verwarrend? 

A.D.M.: ‘Te complex’, dat kreeg ik voortdurend te horen. Heel wat toeschouwers wilden dat ik uitleg gaf. Ik heb me niet gestoord aan die kritiek. Voor mij gaat het juist om die complexiteit.

K.B./D.P.: In 2011 besliste je om een rigoureus onderscheid te maken tussen ‘echte’ sculpturen en de sculpturen die je in je films gebruikt. In de eindtentoonstelling in het HISK presenteerde je evenwel de tafel uit Façade. Waarom?

A.D.M.: Je kan de tafel uit Façade niet met de sculpturen uit filmsculpturenfilms en 12poot vergelijken. In die films vormen de sculpturen tevens het onderwerp van de film. In Façade ligt dat anders; daar is het onderwerp veeleer architectuur. De sculpturen in mijn vorige films waren speciaal voor de films gemaakt en hadden een beperkte levensduur. De tafel van Façade is daarentegen een stevig object dat ook na de film een leven kan krijgen. Ik heb het meubel in samenspraak met een architect en een schrijnwerker gemaakt.

K.B./D.P.: Zoals je zelf aangeeft, is de vorm van de tafel evenwel volledig berekend op een specifieke scène in de film. Als je de tafel apart toont, krijgt het object een andere betekenis.

A.D.M.: Dat vind ik juist geweldig! Je kan deze tafel zien als een sculptuur of… als een gewone tafel.

K.B./D.P.: Hoewel de tafel met het oog op een bepaalde scène in Façade is ontworpen, is die functie niet beslissend voor de betekenis en voor de verhouding die je ermee kan aangaan?

A.D.M.: Precies. De scène in Façade verklaart niet de functie van de tafel, ze vertelt je hooguit iets over zijn ontstaansreden. Na de film moet de tafel een nieuw leven gaan leiden. Het meubel biedt daartoe alle mogelijkheden. Zijn vorm geeft aanleiding tot andere gebruiksvormen en betekenissen. Ik heb al plannen om de tafel in andere contexten te gebruiken. Ik vind het heerlijk dat ik er niet enkel in de kunstwereld mee terecht kan. Om die reden vind ik het een echt sleutelwerk.

 

7. De kunstwereld

K.B./D.P.: Op 23 november 2012, tijdens de eindtentoonstelling van het HISK, spraken we elkaar voor de eerste keer. Inmiddels heb je het instituut verlaten. Hoe was het om daar weg te gaan?

A.D.M.: Niet zo makkelijk. Ik had het vooral moeilijk om mijn ruime atelier te verlaten. Ik was er enorm aan gehecht geraakt. Tijdens de laatste week heb ik enorm veel films en foto’s gemaakt. Ik was immers met nieuw werk bezig toen ik van het HISK afscheid nam en besefte dat ik er niet aan kon verder werken omdat ik niet langer over een atelier zou beschikken.

K.B./D.P.: Wat is er precies op die foto’s en films te zien?

A.D.M.: Onder meer aanzetten tot nieuw sculpturaal werk. De films en foto’s zijn in de eerste plaats bedoeld om het denkproces te documenteren dat ik tijdens mijn laatste weken op het HISK doormaakte. Vooral de manier waarop ik gefotografeerd en gefilmd heb, is daarbij van belang. De foto’s en filmbeelden zijn zo opgebouwd dat ze de verbanden tussen objecten tonen en mijn denkproces weergeven. Natuurlijk zou het best kunnen dat ik de beelden op een totaal andere manier zal interpreteren als ik ze na lange tijd opnieuw bekijk…

K.B./D.P.: Je vertelde ons in november dat je aan een groepstentoonstelling in de galerie El te Welle deelnam en dat je door de Gentse ruimte Croxhapox was uitgenodigd om je film 12poot te tonen…

A.D.M.: Zoals jullie wellicht gemerkt hebben, ben ik op de uitnodiging van Croxhapox ingegaan.

K.B./D.P.: Grootse vooruitzichten had je toen niet, voegde je daaraan toe. Is daar ondertussen verandering in gekomen?

A.D.M.: Dat kan je wel zeggen. Ik ben uitgenodigd om in juni in de Parijse galerie Dohyang Lee tentoon te stellen. Details wil ik daarover nog niet kwijt.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Dirk Pültau

 

De titel van het interview is een vers uit de tekst voor de film 12poot, geschreven door Alice De Mont.

Alice De Mont stelde van 2 december 2012 tot 13 januari 2013 tentoon in de Galerie El te Welle, samen met Kasper Bosmans, Line Boogaerts, Tinka Pittoors, Robin Vermeersch en Piki & Liesbeth Verschueren. Van 20 januari tot 17 februari stelde ze tentoon in Croxhapox te Gent, samen met Adam Geczy, Leo Gabin, Eric Pries en Dirk Slootmaekers. In juni maakt ze onder de titel retroperspectief haar solodebuut in de Galerie Dohyang Lee, 73-75 rue Quincampoix, 75003 Parijs (01/42.77.05.97; www.galeriedohyanglee.com). Curator van de tentoonstelling is Florence Ostende.

‘Wilchar is niet de gevierde technokraat van de gruwel-vermakelijkheden-trust’

Koen Brams/Dirk Pültau: In augustus 1982 organiseerde Ruimte Morguen een tentoonstelling van Willem Pauwels, beter bekend onder zijn pseudoniem Wilchar. De expo omvatte een reeks tekeningen die de kunstenaar kort na de Bevrijding in 1945 over zijn gevangenschap in het kamp van Breendonk had gemaakt. Daarnaast verscheen een map met reproducties van de tekeningen, die door jou werd ingeleid. Hoe was jij met het werk van Wilchar in contact gekomen?

Paul De Vylder: Ik had nog nooit van Wilchar gehoord toen Marc Schepers mij benaderde met de vraag om een tekst over zijn werk te schrijven. Ik heb Wilchar – vermoedelijk in het gezelschap van Marc – opgezocht in Alsemberg bij Brussel. Hij woonde in een huis dat hij zelf gebouwd had — het deed me denken aan een hippienederzetting. Heel bizar! Ook als figuur vond ik Wilchar intrigerend. Hij stond buiten elk systeem, zowel maatschappelijk als artistiek. Hij had zowat zijn hele oeuvre buiten de kunstwereld tot stand gebracht. Sporadisch stelde hij weleens tentoon – voor het merendeel zeefdrukken, linosnedes en tekeningen – en organiseerde hij bijeenkomsten met bevriende artiesten, maar met het kunstsysteem had hij niets te maken. Ik vond dat bewonderenswaardig.

K.B./D.P.: Waarom ging je op de uitnodiging van Marc Schepers in om een tekst over het werk van Wilchar te schrijven? Spraken de tekeningen je aan?

P.D.V.: In artistiek opzicht niet – het was werk van een amateur – maar iconografisch vond ik de tekeningen buitengewoon interessant. Wilchars benadering van het kampleven had niets te maken met de Hollywoodbenadering van de Holocaust. Dat vond ik een enorme verademing. In mijn tekst stak ik mijn bewondering niet onder stoelen of banken: ‘Wilchar is geen architekt van de horrordecoratie; hier geen ‘special effects’ en geen miljoenenbudget voor multivisionprikkels… Wilchar is niet de gevierde technokraat van de gruwel-vermakelijkheden-trust.’ Ik was in die tijd heel erg op zoek naar het soort beelden dat Wilchar maakte. Om dezelfde reden was ik gefascineerd door de feminatheek van Louis-Paul Boon – zijn immense verzameling erotische beelden — waarvan Ruimte Morguen in 1985 een selectie heeft tentoongesteld. 

K.B./D.P.: In jouw tekst verbind je Wilchars tekeningen met ‘regressie’. Je schrijft: ‘Ik kan maar één woord bedenken dat dit proces zelfs maar benaderend zou kunnen weergeven: regressie. Lees hier: een terugvallen op een punt van waaruit anti-ervaring ervaarbaar wordt en ook zichtbaar.’ Hoe moeten we het begrip ‘regressie’ hier begrijpen?

P.D.V.: Ik verwijs naar de regressietherapie waarmee men kinderen behandelt die getraumatiseerd zijn door de oorlog. Men laat hen bijvoorbeeld tanks tekenen om hun trauma te verwerken. Ik was de mening toegedaan dat Wilchar zichzelf in een regressieve modus had gebracht om het vreselijke leed van zich af te tekenen. Heel wat hedendaagse kunstenaars wendden regressie voor. Aan dat soort namaak had ik een grondige hekel. In het geval van Wilchar was echter geen sprake van veinzerij. Het was een waarachtige poging om in het reine te komen met de gruwel van Breendonk. Dat vond ik uitzonderlijk.

K.B./D.P.: In je tekst leg je de relatie tussen de spektakelmaatschappij en het fascisme. Beide hebben volgens jou het ‘progressieve fijnregelen van de exploitatie’ met elkaar gemeen. De spektakelmaatschappij is de verderzetting van het fascisme met andere – en meer geraffineerde – middelen.

P.D.V.: Inderdaad! De politieke kreten van het fascisme zijn door voetbal en amusement vervangen. De gruwel is een digitale nichemarkt geworden, net als de pornografie. Ik was enorm onder de indruk van Adorno, de filosofen van de Frankfurter Schule en het werk van Michel Foucault. Volgens mij heeft Foucault de meest accurate analyse geschreven van de manier waarop het fascisme in de huidige neoliberale biopolitiek is uitgemond. De visie die ik in mijn tekst over de relatie tussen fascisme en spektakelmaatschappij formuleerde, onderschrijf ik vandaag nog steeds. De technieken om impact te verwerven en mensen te disciplineren zijn in wezen dezelfde gebleven. Ze zijn enkel bijgesteld: DrJosephGoebbels 2.0.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten & Toon Beerten

Redactie: Dirk Pültau

‘De Tweede Wereldoorlog is nooit opgehouden’

Koen Brams/Dirk Pültau: Het nazisme en de Holocaust zijn terugkerende themata in je oeuvre. Wat is de achtergrond van die belangstelling?

Luc Tuymans: Op die vraag moet ik een tweeledig antwoord geven. Ten eerste heeft het met mijn familie te maken: in mijn jeugd werd aan tafel voortdurend over de Tweede Wereldoorlog gesproken. De tweede reden heeft betrekking op mijn opvatting over het kunstenaarschap. Ik was er van bij het prille begin van overtuigd dat niet de kunstgeschiedenis, maar de geschiedenis in het algemeen het fundament diende te bieden van de praktijk van een hedendaags kunstenaar. Het werk van kunstenaars uit het verleden kan je bewonderen en je kan van alles van hen opsteken, maar dat volstond in mijn ogen niet om vorm te geven aan een oeuvre. Ik vond het vanzelfsprekend dat ik me met de geschiedenis van het naziregime, de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog zou bezighouden.

K.B./D.P.: Waarom vond je dat vanzelfsprekend?

L.T.: Omdat die geschiedenis van recente datum is en zo ingrijpend is geweest. De Holocaust werd in het hart van het Europese continent voltrokken. Het hield mij enorm bezig dat zoiets mogelijk was geweest. Het zelfvertrouwen van Europa werd er fundamenteel door aangetast. Vooral in West-Europa heeft de Holocaust tot een soort collectieve psychologische breakdown geleid. Wat mij daarnaast als kunstenaar opviel, was dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog zo’n enorme massa beelden had opgeleverd. Geen enkel conflict is zo uitvoerig gedocumenteerd. Haast wekelijks kan je er nog documentaires of televisie-uitzendingen over bekijken. Er wordt tot op de dag van vandaag enorm veel onderzoek naar gedaan. Het onderwerp wordt haast gefetisjeerd! Voor mij was het duidelijk dat kunstenaars er hun licht op moeten laten schijnen. Ik stond daarin niet alleen. In Duitsland hadden kunstenaars als Gerhard Richter en Sigmar Polke het thema al aangesneden, maar niet echt diepgaand behandeld. Anselm Kiefer heeft het naziverleden wél systematisch onder handen genomen, maar ik vond dat hij in zijn eigen metaforen verstrikt was geraakt. Zijn werk ontaardde in vertoon.

K.B./D.P.: Hebben die kunstenaars jou gesterkt in je overtuiging dat je met die traumatische erfenis aan de slag kon gaan?

L.T.: Neen. Wie daar wel een grote rol in heeft gespeeld, is mijn toenmalige makker Marc Schepers. Hij heeft me in contact gebracht met heel wat Duitse literatuur en filosofie die met de thematiek van het naziverleden en de Holocaust in verband kunnen worden gebracht. Op zijn advies ben ik bijvoorbeeld Elias Canetti en Ernst Bloch gaan lezen. Daarnaast is de Duitse regisseur Hans-Jürgen Syberberg enorm belangrijk voor me geweest. Ik heb einde jaren 70 zijn film Hitler, ein Film aus Deutschland gezien, nadat ik eerder reeds het scenario had gelezen. Later zag ik ook de twee films die Syberberg voordien had gemaakt en die samen met Hitler, ein Film aus Deutschland (1977) zijn ‘Duitse trilogie’ vormen: Ludwig – Requiem für einen jungfräulichen König (1972) en Karl May (1974). De volledige trilogie vat in ongeveer 12 uur zowat 150 jaar Duitse geschiedenis samen. Hitler, ein Film aus Deutschland heeft een geweldige schok bij me teweeggebracht. Wat mij enorm aansprak, is dat Syberberg het nazisme in verband brengt met de Duitse cultuur. Vandaar dat zijn Duitse trilogie teruggaat tot de 19de eeuw: Ludwig II speelt zich af in de tweede helft van de 19de eeuw, Karl May rond de eeuwwisseling en Hitler, ein Film aus Deutschland trekt de lijn door naar de jaren 30 en 40 van de 20ste eeuw. Pikant detail is dat Karl May een van de lievelingsauteurs van Hitler was. De veroveringszucht van Hitler is afkomstig uit de koker van een Duitse schrijver van avonturenromans! Het Duitse nazisme heeft vanaf het begin een totaal andere koers gevaren dan het Italiaanse fascisme. Typisch voor het nazisme was precies dat het teruggreep op de eigen Duitse cultuur. Kijk maar naar de cultus van het volkse en van de hygiëne, het voortdurend verwijzen naar de idee van het antieke, de voorliefde voor klassieke bouwwerken, de grootheidswaanzin: al die elementen waren sinds de 19de eeuw in de Duitse cultuur aanwezig en zijn door het naziregime geëxploiteerd. In zijn Hitlerfilm brengt Syberberg het nazisme bovendien tot in de meest intieme details in beeld. De onderbroeken van de Führer, de masseur van Himmler… de film toont het stuk voor stuk, en tegelijk worden al die details op een episch plan getild. De hele film is daarenboven in een studio gedraaid. Niets is echt. Natuurlijk bleef de film niet onbesproken toen hij in de zalen kwam. De historicus en Hitlerspecialist Joachim Fest verweet Syberberg dat hij de geschiedenis van het naziregime – horror en lijkenbergen inbegrepen – cultureel verpakt had. De Duitse regisseur repliceerde dat ‘men de kans moet grijpen om de geschiedenis te dromen’. De films van Syberberg bevestigden mijn eigen intuïties over hoe je met de traumatische erfenis van de Duitse geschiedenis moet omgaan.

K.B./D.P.: Thematiseerde jij het nazisme reeds op het einde van de jaren 70?

L.T.: Ik was al met het onderwerp bezig.

K.B./D.P.: Over welke werken heb je het dan?

L.T.: Onder meer over een aantal schilderijen waarvoor ik beelden uit het Duitse propagandatijdschrift Signal gebruikte, zoals Milch (1978) en Nr. 6 (1978). Milch is gebaseerd op een kleine uitsnede uit een kleurenfoto die ik in Signal had aangetroffen. Het beeld toont een groep soldaten die een onderzeeduikboot bevoorraden door blikken melk uit een sloep naar de onderzeeër te werpen. Ik heb de contouren van het beeld ‘ontdubbeld’ waardoor het lijkt te zijn opgebouwd uit twee beelden, die over elkaar zijn gelegd. Het is alsof het beeld ‘beweegt’. Voor Nr. 6 heb ik fragmenten van verschillende gezichten uit Signal tot een figuur gemonteerd met een maskerachtig gelaat waarover een bivakmuts is geschoven. Ik vond Signal een onwaarschijnlijk tijdschrift. Het magazine verscheen op een gigantische oplage in een heleboel Europese landen, behalve in Duitsland. Het was een propagandatijdschrift van de nazi’s, maar zag eruit als een Duitse versie van Paris Match. Wat me het meest fascineerde, was de – voor die tijd ongebruikelijke – kleurendruk. Niet voor alle schilderijen waarin ik een relatie met het naziregime legde, heb ik evenwel Signal gebruikt. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor een werk waarin ik reeds de Holocaust tot onderwerp nam: Auschwitz (1978).

K.B./D.P.: Hoe is dat werk tot stand gekomen?

L.T.: Ik heb het geschilderd kort nadat ik in het gezelschap van een Poolse filmploeg een nachtelijk bezoek aan Auschwitz had gebracht. Buiten de mensen van de filmcrew was er geen levende ziel te bespeuren. De sfeer was totaal anders dan wanneer je het kamp overdag bezoekt, waardoor mijn aandacht op allerlei marginale details werd gevestigd, zoals bekraste stukken muur. Rond dezelfde tijd had ik een lege sticker in de vorm van een schildje gevonden. De vorm van de sticker verwerkte ik tot het centrale motief in het schilderij, dat aan een poort doet denken. De verfbehandeling suggereert een bekrast stuk verweerde muur. Ik wilde dat het schilderij de indruk van een herinneringsbeeld gaf – een uiterst vaag beeld zoals dat soms in de herinnering opdoemt.

K.B./D.P.: Het thema van de Holocaust wordt op een heel abstracte manier in beeld gebracht; enkel de titel verwijst ernaar.

L.T.: Dat klopt. In mijn later werk breng ik het thema soms explicieter aan bod.

K.B./D.P.: Heb je ook andere concentratiekampen bezocht?

L.T.: Ik ben verscheidene keren in Auschwitz geweest en daarnaast ook in Dachau en Buchenwald. Dat laatste kamp zag ik evenwel pas ten tijde van Documenta IX (1992) – het ligt immers niet zover van Kassel. Het kamp van Breendonk had ik al in mijn jeugd bezocht, in het gezelschap van mijn ouders. Ik moet 12 of 13 jaar zijn geweest.

K.B./D.P.: Hoe heb je het bezoek aan die kampen beleefd?

L.T.: Wat moet ik daarop antwoorden? Ik vermoed dat mij overkwam wat ieder mens voelt als hij met een dergelijke plek geconfronteerd wordt. Een bezoek aan Auschwitz is zonder meer overrompelend. Ook in Breendonk heerst een beklemmende sfeer. Die gangen, die cellen… Ook als je jong bent en de betekenis van die kampen nog niet kan vatten, blijft het een angstaanjagende ervaring. Maar er is natuurlijk een verschil tussen een familiebezoek aan Breendonk en de doelbewuste verkenningstochten die ik veel later aan de Duitse kampen bracht. Ik wilde weten hoe de concentratiekampen in elkaar staken en begrijpen wat er gebeurd was. Ik was op zoek naar beelden die ik voor mijn schilderijen kon gebruiken. Het schilderij Recherches (1998) is bijvoorbeeld gebaseerd op een voorstelling die ik uit Auschwitz meebracht. Ik heb het eerst verwerkt in een aquarel. Op basis van die aquarel heb ik het schilderij gemaakt.

K.B./D.P.: Heb je die aquarel ter plekke gemaakt?

L.T.: Neen. Dat heb ik slechts één keer gedaan: de aquarel die ik voor het schilderij Gaskamer (1986) heb gebruikt, is ín de gaskamer van Dachau ontstaan, jaren voor het schilderij tot stand kwam. In 1997 heb ik het voor het eerst getoond in de tekeningententoonstelling Premonition in het Kunstmuseum Bern.

K.B./D.P.: Hoe reageerde men op het feit dat jij ter plekke aquarellen maakte?

L.T.: Eigenlijk totaal onverschillig… De mensen waren niet geïnteresseerd. Er is niemand naast me komen staan om te kijken wat ik aan het doen was.

K.B./D.P.: Wellicht was de toeristische industrie rond de concentratiekampen nog niet echt ontwikkeld?

L.T.: Het klopt dat het er anders aan toeging. Er waren behoorlijk wat bezoekers toen ik kampen als Auschwitz en Dachau bezocht, maar veel van die mensen kwamen nog om de Holocaust te herdenken. Er waren nog veel meer overlevenden van de Holocaust dan nu. 

K.B./D.P.: Heb jij je in het kader van jouw werk over de Holocaust gedocumenteerd?

L.T.: Ik heb mij stevig ingelezen, ja. Daarnaast heb ik natuurlijk ook heel wat documentaires bekeken. Heel belangrijk voor me was de studie van Ludo van Eck, die zelf een overlevende van de kampen was. In zijn boek worden de feiten uiterst nuchter op een rij gezet en met getuigenissen van overlevenden aangevuld. Intrigerend vond ik ook The Book of Alfred Kantor, een boek met tekeningen waarin de kunstenaar Alfred Kantor het dagelijkse leven in de concentratiekampen weergeeft. De zinsnede ‘our new quarters’ op het gelijknamige schilderij uit 1986 is aan dat boek ontleend. Het zinnetje licht op in witgeel tegen een achtergrond die in een groene kleur is geschilderd – het groen van legeruitrustingen – waardoor het haast een ondertitel wordt. Our New Quarters (1986) is zowat het eerste werk geweest waarin ik het thema opnieuw aansneed. Tussen 1981 en 1985 was ik immers gestopt met de schilderkunst. Ik was in die periode met film bezig. Dat heeft me wellicht geholpen om het thema nadien met de juiste afstand te benaderen. Our New Quarters was voor mijzelf een echte schok. Het is zeer snel geschilderd en tegelijk een van mijn minst schilderkunstige werken. Het is niet picturaal, maar enorm beeldend, op een manier die aan een affiche doet denken. Een tijd later schilderde ik Gaskamer (1986), dat zoals gezegd op een aquarel was gebaseerd dat ik in de gaskamer van Dachau had gemaakt.

K.B./D.P.: Gaskamer is een heel vaag en ‘arm’ beeld. Je weet eigenlijk niet wat je ziet.

L.T.: Dat klopt. Het is zonder twijfel een van de moeilijkste en meest conceptuele werken die ik gemaakt heb.

K.B./D.P.: Je had details kunnen toevoegen om de dramatische lading van het beeld aan te geven, maar dat heb je niet gedaan. Het ‘ergste’ wilde je niet schilderen?

L.T.: Nee, want het ergste kan je niet schilderen. Voor het ergste komt de voorstelling altijd te laat. Het ergste is iemand altijd al overkomen.

K.B./D.P.: Tegelijk kies je ervoor het werk een ondubbelzinnige titel te geven: Gaskamer.

L.T.: Uiteraard, anders weet de kijker niet wat het onderwerp van het werk is. Zonder de titel ziet hij gewoon een kelder. Terloops: de gaskamer in Dachau wás ook een kelder. Men wilde dat de ruimte er als een tussenruimte zou uitzien, zodat de gevangenen niet wisten wat hen zou overkomen.

K.B./D.P.: Is het geen paradox dat je enerzijds zoveel mogelijk afstand neemt, en anderzijds middels de titel wél duidelijk aangeeft wat het thema van het schilderij is?

L.T.: Dat ís een paradox, absoluut. Dat maakt het schilderij zo ongemakkelijk en problematisch… wat ook net de bedoeling was. Ik herinner me dat Bernd Lohaus het schilderij heel goed vond toen het voor eerst getoond werd in mijn tentoonstelling Josephine n’est pas ma femme (1988) in Ruimte Morguen… tot hij van de titel van het werk kennisnam. Toen vond hij het plots niet zo goed meer. Er bestond een enorm taboe rond de voorstelling van de Holocaust en ik wilde dat doorbreken. Uiteraard doe je dat niet door een berg lijken te schilderen. Dan reproduceer je de gruwel in plaats van hem op de toeschouwer over te brengen. Om die reden koos ik er ook voor om kleine schilderijen te maken die het gebeuren op afstand houden.

K.B./D.P.: Je tracht het ergste te tonen op een wijze die de ‘onvoorstelbaarheid’ ervan verdisconteert; dat doe je door afstand te nemen en het beeld leeg te maken. Heb jij nooit andere strategieën overwogen?

L.T.: Aan welke strategieën hadden jullie gedacht?

K.B./D.P.: Om slechts één alternatief te noemen: in de beroemde foto van een Chinese marteling, waar Georges Bataille over schrijft, wordt iemand letterlijk voor de camera vermoord.

L.T.: Dat is inderdaad een andere benadering – maar het is niet de mijne.

K.B./D.P.: Hoe zou jij jouw benadering omschrijven?

L.T.: Enerzijds vind ik dat je de horror als zodanig niet kan tonen en dat je afstand moet nemen. In die zin verschilt mijn aanpak van de werkwijze die in de foto van de Chinese marteling wordt gehanteerd. Anderzijds ben ik het oneens met het – vooral in Duitsland gebruikte – argument dat de kunst het Derde Rijk links moet laten liggen omdat de horror te groot en te onvoorstelbaar zou zijn. Ik verzet me tegen de volgelingen van Adorno, die het bijna misdadig vinden om voorstellingen over de Holocaust te maken. Volgens mij kan je een visuele omgang met het thema ontwikkelen als je erkent dat de Holocaust van een specifieke – Duitse – cultuur deel uitmaakt. Om het met Paul Celan te zeggen: Der Tod ist ein Meister aus Deutschland.

K.B./D.P.: Naast Gaskamer heb je in die tijd ook andere schilderijen gemaakt waarin ‘kamers’ in beeld worden gebracht, zoals Blauwe kamer (1985) en Hotelkamer (1987). Het is uitnodigend om die schilderijen van ‘onschuldige’ kamers en een werk als Gaskamer naast elkaar te leggen. Je krijgt het gevoel dat de werken met ‘gewone kamers’ minder onschuldig zijn dan ze lijken…

L.T.: Er zijn op dat vlak heel wat misvattingen ontstaan. Om een voorbeeld te geven: toen ik in mijn eerste tentoonstelling bij David Zwirner te New York in 1994 het schilderij Lamp (1994) toonde, werd het gerucht de wereld ingestuurd dat ik een lamp van mensenhuid had afgebeeld. Ik kan je nochtans verzekeren dat het een doodgewone lamp was! Het klopt evenwel dat in veel van mijn werken triviale elementen opduiken die op het punt staan in iets unheimlichs om te slaan. Dat kantelpunt fascineert mij enorm. Ik ben geïntrigeerd door de ambiguïteit van het beeld en door het geweld dat in banale en onschuldige dingen of beelden kan schuilgaan. Geweld is blind en zit in een klein hoekje. Mijn voorliefde voor een regisseur als Fritz Lang heeft daarmee te maken. Lang brengt nooit het geweld zélf in beeld, maar altijd het ogenblik dat eraan voorafgaat en dat erop volgt. Dramatische gebeurtenissen roept hij op met haast nietszeggende en onschuldige beelden. In M. Eine Stadt sucht einen Mörder zie je een ballon die tegen een telegraafpaal vliegt. Het volstaat om te weten dat er ‘iets gebeurd is’ – dat een meisje werd vermoord.

K.B./D.P.: Vanaf begin jaren 90 liet je het thema van het nazisme en de Holocaust even rusten tot je in 1997 een reeks schilderijen maakte over de naziarchitect Albert Speer: Der Architekt, voor het eerst getoond in Galerie Gebauer te Berlijn (maart-april 1998). Hoe kwam je ertoe het thema opnieuw – en zo rechtstreeks – op te nemen?

L.T.: Ik had net voordien op Arte een documentaire reeks gezien over de vertrouwenspersonen en naaste medewerkers van Hitler, onder wie Albert Speer. Daar heb ik het beeld van Albert Speer gevonden dat ik voor het titelschilderij Der Architekt (1997) heb gebruikt: Speer, die bij het skieën in de sneeuw valt en zich omdraait, in de richting van de toeschouwer. Vlak nadat ik de documentaire zag, en nog in hetzelfde jaar, kwam een brief van Speer aan Himmler boven water: het eerste en op dat moment enige geschreven bewijs dat Speer wel degelijk wist wat er in de vernietigingskampen gebeurde. Maar de rechtstreekse aanleiding om de reeks te maken vormde mijn bezoek aan Berlijn en aan de ruimte van Galerie Gebauer. Het was mijn eerste tentoonstelling in Berlijn en de galerie was gevestigd in een van die typische Berlijnse woonblokken. Met die gegevens wilde ik iets doen. Ik heb de tentoonstelling helemaal in de sfeer van zo’n privéwoning opgevat. Ik wilde de trivialiteit beklemtonen van wat er tijdens het naziregime gebeurd was.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

L.T.: Men herhaalt steeds dat het naziregime een extreem ontwikkeld apparaat en een geavanceerde moordmachine was. Dat is natuurlijk ook het geval… maar wat men steeds vergeet te vermelden, is dat die geoliede machine zonder de Duitse bevolking nooit had kunnen functioneren. Om die banaliteit van het kwaad was het mij te doen.

K.B./D.P.: Terwijl je in de werken van de tweede helft van de jaren 80 op de plek van de misdaad focust, staan in de reeks Der Architekt de verantwoordelijken, de daders, centraal.

L.T.: Ja, maar op een verhulde manier. Het enige werk waarin je iemand kan herkennen is het kleine portret van Himmler. De figuur van Speer is compleet onherkenbaar geworden. In het beeld uit de documentaire waarop ik me baseerde, kon je hem probleemloos identificeren, maar in het schilderij heb ik op de plaats van zijn gezicht een witte vlek geschilderd.

K.B./D.P.: Wil je dan zeggen dat je de dader nooit kan aanwijzen?

L.T.: Ik wilde duidelijk maken dat de daders ontsnappen aan een oordeel. Ze ontkomen eraan door de manier waarop ze herinnerd en gemediatiseerd worden. Op de laatste dag van mijn tentoonstelling in de Hamburger Bahnhof in 2001 hing de Karl-Marx-Allee helemaal vol met posters van een cover van Der Spiegel waarop het opschrift Hitler und die Frauen te lezen was. Wie wordt er het best herinnerd, vraag je je dan af, de slachtoffers of de daders? Zoals ik zei: men heeft het steeds over Hitler & Co. en zelden over de immense steun die ze genoten bij de Duitse bevolking.

K.B./D.P.: Hoe is de tentoonstelling in Duitsland ontvangen?

L.T.: Op een typisch Duitse manier! Wat ik tekenend vond, is dat er in de Duitse pers ellenlange besprekingen gewijd zijn aan de tentoonstelling, maar dat geen enkele krant een werk heeft gereproduceerd. Dat typeert volgens mij de Duitse cultuur van Vergangenheitsbewältigung – de worsteling van de Duitsers om in het reine te komen met hun traumatische, nationaal-socialistische verleden.

K.B./D.P.: Hoe reageerde men in Duitsland op het feit dat jij als niet-Duitser met dat thema bezig was? Vond men dat niet ongepermitteerd?

L.T.: Ik heb zeker boze reacties gehad uit Duitse hoek, maar men sprak minstens even vaak met ontzag over de manier waarop ik het onderwerp benaderd had. In de Verenigde Staten heb ik veel meer negatieve respons gekregen, vooral vanuit het Joodse milieu.

K.B./D.P.: Heel wat Duitse kunstenaars hebben zich aan het thema gewaagd; als niet-Duitser ben jij een uitzondering.

L.T.: Miroslaw Balka, met wie ik bevriend ben, is er ook mee bezig.

K.B./D.P.: Maar Balka is een Pool. Polen had meer dan welk ander land buiten Duitsland met de Holocaust te maken.

L.T.: Akkoord. Het klopt dat ik een uitzondering ben en dat het niet evident is om als niet-Duitser met het probleem om te gaan. Daarbij kwam trouwens nog een ander bezwarend element, namelijk dat ik de periode niet zelf had meegemaakt. Mocht ik dan wel kunst over de Holocaust maken? Had ik het recht om er iets over te zeggen? Ook met dat soort morele overwegingen werd ik onvermijdelijk geconfronteerd.

K.B./D.P.: Der Architekt is gemaakt na de val van de Berlijnse muur… Was dat voor jou een reden om op een andere manier met het thema om te gaan?

L.T.: Voor mij duurt de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog ook na de Val van de Berlijnse muur onverminderd voort. Dat het tot op vandaag onmogelijk is om kritiek op Israël te uiten – een land dat overigens uit de Tweede Wereldoorlog is voortgekomen – is daar een voorbeeld van. De Tweede Wereldoorlog is in mijn ogen nooit opgehouden.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Dirk Pültau

 

Het werk van Luc Tuymans wordt in België vertegenwoordigd door Zeno X Gallery, Leopold De Waelplaats 16, 2000 Antwerpen / Appelstraat 37, 2140 Borgerhout (03/216.38.88; www.zeno-x.com). Van 17 april tot 25 mei is werk van Luc Tuymans e.a. te zien op de openingstentoonstelling van de nieuwe ruimte van Zeno X Gallery aan de Godtsstraat 15, 2140 Borgerhout.

Transformaties

1. Een mummie in Aurora

Koen Brams/Dirk Pültau: In oktober 1979 en juni 1980 realiseerde jij, in samenwerking met Leen Derks en Luc Tuymans, twee sociaal-artistieke projecten, respectievelijk in de Bleekhof- en de Sint-Andriesbuurt in Antwerpen. De twee tentoonstellingen omvatten ‘gewone’ foto’s die door buurtbewoners waren gemaakt. Aan de expo in de Bleekhofbuurt droegen jij en Jacques Sonck tevens eigen foto’s bij. Ook in de tentoonstelling aan de Sint-Andriesplaats waren foto’s van jou te zien. Beschouwde jij die foto’s als kunstwerken?

Marc Schepers: Absoluut niet. Voor mij stonden ze op dezelfde voet als de foto’s van de buurtbewoners. Het waren ‘documenten’ die getuigenis aflegden van het alledaagse leven in die stadsdelen. Naast die documentaire fotografie beoefende ik in de genoemde periode ook street photography. Ik maakte lange wandelingen in diverse steden en fotografeerde erop los. Ik was het medium ‘fotografie’ aan het exploreren, zou je kunnen zeggen. In die periode volgde ik trouwens een cursus fotografie in de avondschool.

K.B./D.P.: Welke specifieke onderwerpen fotografeerde je?

M.S.: Ik was vooral gefascineerd door beweging, door roltrappen bijvoorbeeld. Beeld, beweging en tijd, dat interesseerde me. Het waren wilde experimenten. Als ik mijn camera op bewegende roltrappen of wandelende mensen richtte, wist ik nooit wat de precieze uitkomst zou zijn. Daar kwam ik pas achter in de donkere kamer. Sommige foto’s waren totaal mislukt, andere zeer bijzonder. Tijdens een van die wandelingen belandde ik in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark in Brussel. Ik liep daar wat rond en stond plots oog in oog met een mummie. Terwijl ik de mummie op de gevoelige plaat vastlegde, bewoog ik de camera: in plaats van een dynamische situatie in beeld te brengen, benaderde ik een levenloos object met een bewegende camera. Het was opnieuw volstrekt onduidelijk hoe de beelden er zouden uitzien in de donkere kamer…

K.B./D.P.: …en wat was het resultaat?

M.S.: De beelden — vier in totaal — waren ronduit verbluffend. Het effect was dat de mummie tot leven leek te komen. Het was zeer unheimlich. Ik was stomverbaasd. Voor mij was dit een reeks die op zich stond en niets te maken had met de documentaire of straatfotografie die ik tot dan toe bedreven had. Transformaties noemde ik de reeks en ik stelde ze in september 1981 tentoon in Aurora in de Lange Leemstraat in Antwerpen. Ik publiceerde de vierdelige fotoreeks tevens in Hart-slag, een driemaandelijks tijdschrift waarvan Jacques ’t Kindt de verantwoordelijke uitgever was.

K.B./D.P.: Was het de eerste keer dat jij je als kunstenaar manifesteerde?

M.S.: Ik zal het zeker niet van de daken hebben geroepen, maar als je de uitnodiging en de affiche van de tentoonstelling in Aurora bekijkt, moet de conclusie wel zijn dat ik voor het eerst als kunstenaar naar buiten was gekomen.

K.B./D.P.: Hoe heb je die stap gezet? Zeker als autodidact is het allerminst evident.

M.S.: Het lag inderdaad niet voor de hand. Het overkwam me op een bepaalde manier. Ik verkeerde in die tijd in de kringen van Ria Pacquée en Guillaume Bijl — ook autodidacten — die zich kunstenaar noemden en dat zeer ernstig namen. Guillaume en Ria hadden trouwens reeds in Aurora tentoongesteld. Mijn omgeving wist dat ik met fotografie bezig was. Ik vermoed dat er op een gegeven moment een vraag is gesteld en dat ik daarop ben ingegaan. Het was in feite het netwerk van vrienden en kennissen dat mee bepaalde dat ik als kunstenaar voor het voetlicht trad.

K.B./D.P.: Hebben Pacquée en Bijl je bij Aurora geïntroduceerd?

M.S.: Zo formeel ging het er allemaal niet aan toe in die tijd. Ik liep regelmatig binnen in het bureautje van Aurora in de Lange Leemstraat. Mijn kennissen Matti Brouns en Jan van Veen toefden er vaak. Misschien heeft Matti Brouns voorgesteld dat ik mijn werk zou tonen? Hij publiceerde regelmatig in het blad van Aurora. Dat doet me trouwens denken aan een andere obscuur tijdschrift, GOD-DOG, waar Ria ook bij betrokken was. Ik heb er een artikel over John Heartfield aan bijgedragen. In het nummer verschenen trouwens ook krasse montages van Klaus Staeck. Ik meen dat er slechts één nummer van het tijdschrift verschenen is, dat gepresenteerd werd in het Pannenhuis. Van het een kwam het ander: dat was toen de modus operandi van de Antwerpse kunstwereld.

K.B./D.P.: Hoe zou jij de werking van Aurora in die tijd typeren?

M.S.: Aurora was in de eerste plaats een filosofische kring waarvan Leopold Flam de centrale figuur was. De Antwerpse tak – er was ook een Brusselse – werd geleid door Paul Rigaumont. Afgezien van de teksten van Brouns, die een scriptie had gemaakt over L’Anti-Oedipe van Gilles Deleuze en Félix Guattari, waren de poëzie en de filosofie van Aurora niet echt mijn ding. Ik vond het nogal zweverig. De poëzie – bijvoorbeeld die van Annie Reniers — deed filosofisch aan; de filosofie was aan de poëtische kant.

K.B./D.P.: Is het dan niet vreemd dat precies die kring de eerste tentoonstellingen organiseerde van Ria Pacquée, Guillaume Bijl, Guy Rombouts, Leo Steculorum en jou? Heb je daar een verklaring voor?

M.S.: Niet echt, ik weet alleen dat Paul Rigaumont zelf ook schilderde.

 

2. Ruimte Morguen (1)

K.B./D.P.: In dezelfde maand waarin je als kunstenaar debuteerde — september 1981 — richtte je een schrijven aan vrienden en collega’s omtrent een pand in de Montensstraat in Borgerhout. De brief, die zich in je archief bevindt, omvat volgend voorstel: ‘Het project stelt voorop het gebruik en veranderen van een ruimte als sociaal-cultureel gegeven. Het is de bedoeling op basis van dit initiatief activiteiten zoals tentoonstellingen en acties te organiseren.’ Kan je ons iets meer vertellen over het project dat je in je brief als Disturbtion — prospect betitelde? Waarop sloeg de titel?

M.S.: Ik wilde een project opzetten dat zowel ‘storend’ als ‘verruimend’ zou zijn. Het pand aan de Montensstraat 38, dat in handen was van een zekere Ksantakis en al een poosje leegstond, was daar zonder meer geschikt voor. Het was reusachtig groot: de totale oppervlakte bedroeg om en bij de 6.000 vierkante meter en er waren niet minder dan drie verdiepingen. Van Ksantakis had ik gedaan gekregen dat ik er tijdelijk een project kon opzetten. Dat soort benadering was ten andere schering en inslag in de jaren 80. In Berlijn was bijvoorbeeld Material & Wirkung actief, een collectief dat een reusachtig fabrieksgebouw in de Osloer Strasse voor projecten allerhande ter beschikking had.

K.B./D.P.: In je archief bevindt zich ook een brief van Paul Rigaumont aan de burgemeester van Borgerhout. Daaruit blijkt dat de gemeente het gebouw van Ksantakis wilde verwerven: ‘Nu dit pand door uw gemeente zal worden aangekocht, dreigt de organisatie van dit project in de war te geraken.’ Rigaumont bood je niet alleen je eerste tentoonstelling aan, hij steunde ook je andere projecten.

M.S.: Ja, daarvan is die steunbetuiging het beste bewijs. Ksantakis verpatste het gebouw inderdaad aan de gemeente die het op redelijk korte termijn — ik geloof binnen de drie, vier maanden na de aankoop — wilde afbreken. Wat wij gedaan wilden krijgen, is dat we het konden benutten in de periode tussen de verkoop en de sloop van het gebouw. De gemeente ging in die plannen jammer genoeg niet mee.

K.B./D.P.: Zowel in jouw brief als in die van Rigaumont wordt een aantal verenigingen genoemd die jij bij Disturbtion — prospect wilde betrekken, zoals Ruimte Z’, Contretype, Fotoforum, Coracle Press en Harry Kramer Atelier. Kan je daar toelichting bij geven?

M.S.: Van een aantal initiatieven — zoals Contretype en Coracle Press — ben ik vergeten waarom ik ze bij het project wilde betrekken. Over Ruimte Z Accent kan ik wel iets zeggen. Dat kunstenaarsinitiatief werd gerund door Guillaume Bijl en Ria Pacquée, nadat Walter Van Rooy, de stichter van Ruimte Z, het schip had verlaten. Ik gaf reeds aan dat ik Guillaume en Ria regelmatig zag en sprak. Harry Kramer, van opleiding coiffeur, was een legendarische docent aan de Kunsthochschule van Kassel waar hij collectieve projecten realiseerde met zijn studenten — onder meer installaties en performances. Het Fotoforum was het geesteskind van Floris Neusüss, die net als Kramer aan de Kunsthochschule van Kassel was verbonden. Het Forum was een tentoonstellingsruimte in de academie waar geregeld kunstenaars exposeerden die met fotografie in de ruimste zin van het woord bezig waren. Het programma van het Forum had een internationale oriëntatie. Neusüss had ook een boek gepubliceerd over kunst en fotografie bij DuMont.

K.B./D.P.: Ben je op zoek gegaan naar een ander leegstaand gebouw toen duidelijk werd dat de gemeente Borgerhout geen oren had naar het project in de Montensstraat?

M.S.: Een gebouw om gedurende korte tijd te bezetten en er sociaal-culturele en artistieke activiteiten te ontplooien? Nee, we wilden niet langer al die energie in een tijdelijk project steken. Niet onbelangrijk in dat verband was dat wij — Leen Derks, mijn toenmalige partner, en ik — op het einde van 1981 in gesprek waren geraakt met Dieter Hacker.

K.B./D.P.: Wat was daartoe de aanleiding?

M.S.: Het I.C.C. wijdde een tentoonstelling aan Hackers werk, aan zijn Berlijnse 7. Produzentengalerie en aan het tijdschrift Volksfoto, dat hij samen met Andreas Seltzer leidde. We bespraken onze opties met Dieter en hij raadde ons aan met een Produzentengalerie, een kunstenaarsgalerie, van start te gaan — geen eenmalige manifestatie dus, maar een langdurig engagement. We zijn vervolgens beginnen te zoeken naar een plek om een programma op te zetten. Uiteindelijk hebben we een ruimte gevonden in de Van der Keilenstraat in Borgerhout.

K.B./D.P.: Hoe waren jullie in de Van der Keilenstraat beland? Speelde het project in de Montensstraat daarin een rol?

M.S.: In zekere zin wel. Ondanks de mislukking van Disturbtion — prospect hadden we goede contacten opgebouwd met het gemeentebestuur van Borgerhout, dat toen nog niet gefuseerd was met Antwerpen. Ik herinner me dat we op een gegeven moment met een enorme sleutelbos van de gemeente allerlei leegstaande panden bezochten. We hadden de ruimte bij wijze van spreken voor het uitkiezen!

K.B./D.P.: Die leegstaande panden waren allemaal eigendom van de gemeente?

M.S.: Ja, in Borgerhout stonden talloze huizen en panden leeg in functie van urbanistische plannen die niet onomstreden waren. Leegstand kwam de gemeente niet slecht uit; de verloedering van straten en wijken nam het gemeentebestuur op de koop toe. We hebben grote en kleine panden bezocht; gebouwen die een lichte tot zeer grondige opknapbeurt nodig hadden. De ligging was ook niet onbelangrijk. Uiteindelijk viel onze keuze op een klein huisje in de Van der Keilenstraat. Een groter gebouw konden we ons eenvoudigweg niet veroorloven, noch qua renovatie, noch qua vaste kosten. Na slopende renovatiewerken die we zelf verrichtten, ging Ruimte Morguen in mei 1982 van start.

K.B./D.P.: Hoe zag de ruimte eruit?

M.S.: Het was een klein huisje waarin we vier kamers tot tentoonstellingsruimten inrichtten. De renovatie, die 500 euro beliep, bekostigden we zelf. We hadden van de gemeente gedaan gekregen dat we geen huur dienden te betalen en dat we over het huisje konden beschikken tot 1990.

K.B./D.P.: Eerder hadden jullie samen met Luc Tuymans het tijdschrift Morguen uitgegeven, naar aanleiding van het project in de Bleekhofbuurt. Terwijl Tuymans niet meer bij het project betrokken was, kozen jullie toch dezelfde naam. Waarom?

M.S.: Het programma dat wij voor ogen hadden, sloot naadloos aan bij onze eerdere doelstellingen. Dat Luc er niet meer bij betrokken was, veranderde daar niets aan. Het liefst hadden we trouwens afgezien van de toevoeging Ruimte, maar op het moment dat we over het huisje beschikten en we tentoonstellingen konden gaan organiseren, ging ook een krant van start met de naam De Morgen. Het was duidelijk dat wij ons daarvan moesten onderscheiden.

K.B./D.P.: Was Ruimte Morguen van meet af aan een vereniging zonder winstoogmerk?

M.S.: Ja.

K.B./D.P.: Wie waren de leden van de vzw?

M.S.: François De Rijcke, Eddy Michiels, Leen en ik.

K.B./D.P.: Wie waren François De Rijcke en Eddy Michiels?

M.S.: Ze hadden net als ik een cursus fotografie gevolgd in de avondschool. Na twee jaar was ik ermee gestopt, maar ik was in contact gebleven met enkele cursisten, onder wie François en Eddy. Eddy heeft niet lang meegedraaid in de vzw. Hij begon met een schoenwinkel en heeft nu een luxemodezaak. François is een hele poos bestuurder van Ruimte Morguen gebleven totdat hij besliste om experimentele psychologie te gaan studeren aan de V.U.B. Vanaf dat moment verloor ik hem uit het oog.

K.B./D.P.: Leverden De Rijcke en Michiels een inhoudelijke bijdrage aan het programma van Ruimte Morguen?

M.S.: Nee, het programma werd vanaf het prille begin door Leen en mezelf bepaald.

K.B./D.P.: De eerste tentoonstelling in Ruimte Morguen was een solo van Bernhard Joh. Blume. Waarom was de keuze op hem gevallen?

M.S.: Hij probeerde aan de hand van fotografie verhalen te vertellen. Bovendien was hij ook met beweging bezig. Dat sloot mooi aan bij mijn interesses. Leen en ik waren in die tijd vaak in Keulen en spraken dan met Bernhard af. Ik herinner me dat hij onmiddellijk toezegde om bij ons tentoon te stellen, maar enkele dagen voor de opening beschikten wij nog steeds niet over zijn werk. Een vriend is toen op mijn verzoek bij hem langsgelopen en heeft de ‘tentoonstelling’ — een map met kleurenfotokopies — opgehaald en per post naar ons verstuurd. Dat het werk er ‘goedkoop’ uitzag, was niet onbelangrijk; ik had belangstelling voor ‘perifere’ kunst. Ik zag in Bernhard wat dat betreft een zielsverwant.

K.B./D.P.: Wat was er op de kleurenkopies te zien?

M.S.: Het waren kopies van geënsceneerde foto’s, waarin hijzelf prominent figureerde en de alledaagse burgerlijkheid op de hak nam. De foto’s waren bij hem thuis genomen door zijn vrouw, Anna Blume. Later zijn ze als kunstenaarsduo door het leven gegaan. De kopies werden tentoongesteld in plastic mapjes die we met nageltjes aan de muur hingen.

 

3. Da sein & Sepik

K.B./D.P.: Nog voor Ruimte Morguen openging, had jij een eerste tentoonstelling in het buitenland te pakken, namelijk in Kassel. Het was pas je tweede expositie!

M.S.: Dat klopt. Een Kasselse kunstenaar, Jürgen Olbrich, die in zijn eigen woning in de Kunold Strasse een kunstruimte runde, had me uitgenodigd om gedurende een week tentoon te stellen.

K.B./D.P.: Wat voor soort werk maakte Olbrich zelf?

M.S.: Jürgen was voornamelijk bezig met mailart, waaraan hij een indrukwekkend netwerk van kunstenaars over de gehele wereld te danken had. In het eenzame Kassel nodigde hij regelmatig collega’s uit, die voornamelijk performances deden of installaties maakten. Het meest ambitieuze project organiseerde hij evenwel tijdens de zevende documenta in 1982. Gedurende honderd dagen nodigde hij elke dag een andere kunstenaar uit om iets te ondernemen in zijn huis. Het project was Dokumente getiteld omdat alle kunstenaars ook een ‘dossier’, een bijdrage op papier, hadden ingeleverd, dat telkens in een kartonnen doosje was opgeborgen.

K.B./D.P.: Kassel leek een belangrijke plek voor jou. Je noemde eerder het Fotoforum en Harry Kramer.

M.S.: Van de Kunsthochschule ging een enorme aantrekkingskracht uit. Ik was geregeld in Kassel om te kijken wat er gebeurde. Tijdens mijn bezoeken aan Kassel kwam ik ook in contact met verschillende kunstenaars. Ik maakte er kennis met het collectief Titten & Fritten (Birgit Knop, Martin Schmitz, Urs Eberle), dat we later zouden uitnodigen om een project te doen in Ruimte Morguen. Werner Klotz van het collectief Material & Wirkung bezocht mijn tentoonstelling in de woning van Jürgen Olbrich. Hij sprak zijn waardering uit voor mijn project; een jaar later realiseerde de groep op uitnodiging van Ruimte Morguen een aantal interventies in Antwerpen.

K.B./D.P.: Jouw tentoonstelling in Olbrichs ruimte was getiteld Da sein. Wat ondernam je er precies?

M.S.: Mijn voorstel was om een week in zijn ruimte en in Kassel actief te zijn. Ik wilde de bezoekers ondervragen over hun verhouding tot de ruimte en de stad. Het was ook mijn bedoeling om met hen werken te maken: foto’s, interviews… Ik wilde hun eigen foto’s bekijken en bediscussiëren. Wat zou mij als individu overkomen? Wie zou ik tegenkomen en hoe zouden de conversaties verlopen? De antwoorden op die vragen wilde ik vastleggen in de ruimte.

K.B./D.P.: Da sein doet enigszins denken aan de projecten in de Bleekhof- en Sint-Andriesbuurt. Ook daar stonden de foto’s van de buurtbewoners centraal.

M.S.: Het werk had inderdaad een sociaal-artistieke inslag, maar op het vlak van de presentatie was het toch grondig verschillend. De eerste dag was er in de ruimte quasi niets te zien. Op basis van mijn ervaringen tijdens de daaropvolgende dagen heb ik woorden — bijvoorbeeld het woord ‘Feuer’ — en abstracte tekens op de muren aangebracht. Ik kocht kranten en selecteerde titels of gehele stukken die ik op de wanden kleefde. De foto’s die ik vond, bracht ik ook op de muren aan. Het was een tamelijk wilde bedoening. Wat gebeurt er in Kassel? Wat denk ik? Waar ben ik mee bezig? Alles wat door mijn hoofd speelde, kwam op de muren terecht.

K.B./D.P.: Naar welke berichten of titels was je specifiek op zoek in de kranten?

M.S.: Wat gebeurt er in een stad als Kassel in de winter? Op basis van die algemene vraag kwam ik terecht bij berichten over werkloosheid, criminaliteit en sociale omgangsvormen: ‘Cocoonen auf der Suche nach der Existenz der anderen’, ‘Leiche im Keller’… Ik knipte ook overlijdensberichten uit.

K.B./D.P.: Wilde je met Da sein aangeven dat ons bestaan alleen maar situationeel kan worden begrepen? Zijn is steeds ergens zijn, op een bepaalde plek, op een bepaald moment?

M.S.: Ja. Wat me bezighield, was de relatie van het ik tot de wereld, in de meest ruime betekenis van die term, inclusief de beelden die door de media over die wereld worden geleverd.

K.B./D.P.: Heb je nadien nog dergelijke projecten gedaan?

M.S.: Neen. Ik beschikte in feite nog niet over een formele taal; mocht ik die methode meermaals hebben toegepast, dan had dit misschien aanleiding gegeven tot een specifieke vormentaal. Ik ben wel altijd — ook in het project in Kassel — in montage geïnteresseerd geweest, het bij elkaar brengen van op het eerste gezicht onverenigbare entiteiten. Afgezien daarvan verwijst ‘Da sein’ ook naar het existentiële: leven en dood. Het was een werk over mijn bestaan: hoe kan mijn bestaan worden vastgelegd; hoe kan het worden omgezet in iets materieels? Toen ik de mummie fotografeerde, was ik ook niet alleen met formele aspecten — zoals fotografie en beweging — bezig, maar had ik ook vragen over de dood. Was het een voorwerp dat ik had aangetroffen, of een persoon? Die vraag was voor mij evenzeer aan de orde als de effecten van de bewegende camera.

K.B./D.P.: Op een foto van Da sein zien we dat je het woord ‘Ich’ op de muur hebt geschreven, op een kruispunt tussen twee lijnen. Zo’n uitdrukking van het existentiële zou je nadien mijden, menen we.

M.S.: Een dergelijke formele vertaling van het existentiële keert inderdaad niet terug in mijn later werk. Maar de thematiek op zich — de relatie van het ik met de wereld — heeft me nog lang beziggehouden, bijvoorbeeld in de reeks werken die ik Sepik heb genoemd en die ik voor het eerst toonde in de galerie van Pieter Celie in 1982, onmiddellijk volgend op het Kasselse experiment. In de tentoonstelling bij Celie toonde ik ook opnieuw Transformaties.

K.B./D.P.: Sepik is de naam van een volk uit Papoea-Nieuw-Guinea. Hoe was je daarbij uitgekomen?

M.S.: Ik was al lang gefascineerd door etnografie. De collecties van de Brusselse Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis en het Antwerps Etnografisch Museum kende ik goed. Het Musée de l’Homme in Parijs bezocht ik meermaals, evenals het Musée des Colonies aldaar. Als ik naar steden reisde — naast Parijs trok ik naar Keulen, Berlijn, Wenen, Leiden, Amsterdam… — dan bezocht ik eerst de etnografische collecties en pas daarna de musea voor hedendaagse kunst, kunsthallen en galeries. In de etnografische musea kom je met iets in aanraking wat je op geen enkele andere plaats te zien krijgt! De eerste schedels van de Sepik heb ik in het Rautenstrauch-Joest-Museum in Keulen gezien. In die tijd kon je nog heel dicht bij die objecten komen; ze stonden niet eens in vitrines — in die musea was je toch steeds de enige bezoeker. Ik heb er goede foto’s van de Sepikschedels kunnen maken. Kennen jullie de specifieke betekenis die de Sepik aan die schedels toekenden?

K.B./D.P.: Neen.

M.S.: De Sepik, oorspronkelijk koppensnellers, modelleerden de schedels van hun overleden voorouders. De bewerkte schedels maakten deel uit van het dagelijks leven. Ze werden bewaard in het mannenhuis. Als de volksvergadering plaatsvond, waren ze er gewoon bij. Doden hoorden net zo goed bij het alledaagse leven als levenden; voor de dood hadden de Sepik geen schrik. Hun lichaamscultuur was ook merkwaardig. De rug van jonge mannen werd op dusdanige wijze besneden – men noemt dat scarificatie – dat hun huid op die van een krokodil ging lijken. De Sepik leefden nabij de (gelijknamige) rivier waarin de krokodil heer en meester was. De krokodil was hun totemdier. Vooral hun omgang met de dood maakte grote indruk op mij.

K.B./D.P.: Je verdiepte je helemaal in die materie?

M.S.: Ja, ik heb me echt ingegraven in de etnografische literatuur. Ik las niet alleen over de Sepik, maar ook over de aboriginals in Australië. Het antropologische werk van de onderzoekers Ronald en Catherine Berndt boeide me enorm. De aboriginals — zeker de bewoners van Ayers Rock — maakten bij wijze van spreken geen objecten. Wat vind je van hen terug in etnografische musea? Een stuk uitgesneden en beschilderd hout en als je geluk hebt een churinga, een steen waarin cirkels zijn gekerfd. Als ze iets maakten, konden ze dat ook achterlaten. Dat vond ik zeer interessant.

K.B./D.P.: Fotografeerde je de Sepikschedels op dezelfde wijze als de mummie in het museum in het Jubelpark?

M.S.: Ik bewoog opnieuw de camera en verkreeg hetzelfde effect: de schedels leken tot leven te komen. In de galerie van Pieter Celie toonde ik de foto’s van de Sepikschedels samen met een beeld dat bestond uit zes delen, drie van water in een rivier en drie van bladeren, die ik telkens op een ander moment had gefotografeerd. Elk beeld was 30 op 40 centimeter groot.

K.B./D.P.: Was dat samengestelde beeld jouw eerste montage?

M.S.: Neen, de vier beelden van de mummie zag ik ook als een montage.

K.B./D.P.: De foto’s van de mummie vormen een sequentie. In Sepik combineer je beelden van gemummificeerde schedels met samengestelde beelden van water en bladeren. Dat is toch iets heel anders?

M.S.: Transformaties is een sequentie, dat klopt, maar een sequentie is ook een montage. Een kunstenaar van wie het werk me toen enorm inspireerde, was Jochen Gerz. Hij maakte ook fotosequenties, die handelen over een andere — vervreemde — kijk op de werkelijkheid. Hoe kijk je vanuit een trein naar buiten en wat zie je?

K.B./D.P.: De opening van Sepik in de Galerie Pieter Celie werd verricht door Lode De Clercq. Had Pieter Celie hem gevraagd of kwam de uitnodiging van jou?

M.S.: Van mij. Kort na de opening van Ruimte Morguen had ik contact met hem gekregen. Hij was zeer enthousiast over ons programma.

K.B./D.P.: In de tekst van de inleiding stelt hij over Sepik: ‘Of Schepers via het uiterst individueel verslag van mytico-religieuze ervaringen de weg inslaat naar de zelf-mystificatie of dat integendeel een nieuw dialectisch kanaal met de realiteit wordt vrijgemaakt blijft volgens mij een prangende vraag.’ Had De Clercq het bij het rechte eind? Stond jij inderdaad op een kruispunt tussen mystiek en dialectiek?

M.S.: Ik kan niet ontkennen dat ik werd aangetrokken door het mystieke en het magische. Je mag niet vergeten dat het denken over kunst in die dagen beheerst werd door Joseph Beuys, die toch eerder de ‘ervaring’ propageerde. Ik was enerzijds gefascineerd door het sjamanisme, anderzijds had ik belangstelling voor de relatie tussen subject en object, en meer bepaald voor de ‘voorstelling’ die iemand zich van iets maakt. Ik zat op de wip tussen magisch en dialectisch denken. Lode en ik hadden er serieuze gesprekken over. Hij kende mijn worsteling. De richting van het magische ben ik evenwel nooit ingeslagen. Toen ik enkele maanden na mijn tentoonstelling bij Pieter Celie zelf in Ruimte Morguen exposeerde, confronteerde ik de foto’s van de Sepikschedels met zes beelden van een televisietoestel waarop alleen maar ruis en de schaduw van een (tv-)kijker te zien was. Met magie had dit niet veel te maken, denk ik.

K.B./D.P.: Je wou afstand nemen van het exotische?

M.S.: Als je een still van een scherm ziet waarop ruis wordt uitgezonden, word je evengoed verleid om er iets in te zien. Het gaat in elke beeldcultuur om hetzelfde spelletje. Wat voor mij in Transformaties en Sepik op het spel stond, was de vraagstelling over ons verlangen om gevoelens of gedachten op iets te projecteren. Willen we ons identificeren met een totem? Willen we geloven dat de natuur bezield is?

K.B./D.P.: Zou je de combinatie van de schedels met de natuurbeelden enerzijds, de beelden van televisieruis anderzijds, ook een montage kunnen noemen?

M.S.: Dat weet ik niet. Montage interesseerde me in ieder geval in hoge mate. Zoals ik reeds zei, had ik al een tekst over John Heartfield geschreven, de montagekunstenaar bij uitstek die zich vooral van propagandabeelden had bediend. Zowel de techniek als de soort beelden hielden me bezig. Nauwelijks enkele maanden na mijn Morguen-tentoonstelling publiceerde ik op uitnodiging van Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos drie werken in hun tijdschrift Force Mental.

K.B./D.P.: Kan je die werken beschrijven?

M.S.: In een montage combineerde ik bijvoorbeeld een beeld van Adolf Hitler met beelden van de planeet Saturnus en van een atoomproef op zee. Het waren de eerste werken waarin ik met propagandabeelden aan de slag ging. Vanaf het begin had ik er een enorm plezier in. Ik maakte ze als het ware aan de lopende band. De Rote Armee Fraktion, concentratiekampen, kernproeven, biologische oorlogsvoering, medische ontwikkelingen, fascisme, alle beelden die daarnaar roken, kwamen in aanmerking om met elkaar te worden gecombineerd. Ik putte vooral uit Der Spiegel, maar ook uit medische tijdschriften. Ik heb die montages eens proberen te slijten aan Agalev, de toenmalige groenen, maar de partij vond ze te brutaal.

K.B./D.P.: Je maakte die werken zonder dat er een ‘aanleiding’ was?

M.S.: Klopt. Ik zag het als een manier van denken, dus ook niet noodzakelijk als ‘kunst’. 

K.B./D.P.: Tussen Transformaties en de Sepik-serie maak je Da sein in Kassel, waarin je een totaal andere formele taal voorstaat. Dat blijft toch een vreemd intermezzo.

M.S.: Laat ik het raadsel nog groter maken! Toen Jürgen Olbrich me uitnodigde om mee te doen aan zijn honderd dagen durende project tijdens documenta 7 diende ik net als alle andere kunstenaars een ‘dossier’ in — Dokumente, de tentoonstelling van al die ‘dossiers’, reisde overigens naar Antwerpen, meer bepaald naar Ruimte Z’. In Kassel deed ik daarnaast een performance die evengoed een unicum is in mijn oeuvre. Ik liet mij aan een boom vastbinden, als bij een kruisiging, en een radiootje — dat op de korte golf was afgestemd — stuurde heel vreemde geluiden uit, afkomstig van het grensgebied met de DDR. Jürgen had me gevraagd om een performance te doen en dat was het resultaat. Zowel het project dat ik deed tijdens die ene week als de performance kunnen niet los worden gezien van de specifieke vraag van een collega-kunstenaar-tentoonstellingsmaker. Ik ben in ieder geval nooit een kunstenaar geweest die slechts één soort beelden maakt.

 

4. Ruimte Morguen (2)

K.B./D.P.: Nadat jij in augustus 1982 je Sepik-reeks in Morguen had geëxposeerd, staat in september een bijzonder project op stapel in de Ruimte: de Breendonktekeningen van Willem Pauwels, beter bekend onder zijn pseudoniem Wilchar. Hoe was het contact met Wilchar tot stand gekomen?

M.S.: Reeds in 1979 — toen Leen Derks, Luc Tuymans en ik bezig waren met de sociaal-artistieke projecten in de Bleekhof- en de Sint-Andriesbuurt — had Wilchar zelf via een brief contact met ons gezocht. Later hebben Leen en ik een bezoek aan hem gebracht in zijn huisje in de Kluts in Alsemberg. De aanleiding daartoe ben ik vergeten, maar de ontmoeting zelf staat me nog zeer levendig voor de geest. We kregen inzage in zijn tijdschrift Kunst en Vrijheid. Orgaan van de Verzetskunstenaars van het Onafhankelijkheidsfront, waarvan slechts drie nummers tijdens de Tweede Wereldoorlog clandestien waren verschenen op initiatief van onder meer Wilchar. Omdat hij als medewerker van de Arbeidsbemiddelingsdienst mensen uit de klauwen van de Arbeitseinsatz van de Duitse bezetter had weten te houden, was hij gevangengenomen door de nazi’s en opgesloten in Breendonk. We zagen de tekeningen die hij na de Bevrijding in 1945 over zijn gevangenschap had gemaakt.

K.B./D.P.: Hij had de tekeningen niet in Breendonk gemaakt?

M.S.: Neen, meteen na het einde van de Tweede Wereldoorlog had hij alles op papier gezet, als om zich van zijn trauma te ontdoen. Het was zonneklaar voor ons dat we daar iets mee moesten doen. We hebben ze van hem in bruikleen gekregen, tentoongesteld en een map in zwart-wit uitgegeven met een voorwoord van Paul De Vylder. Met hem had ik via Lode De Clercq kennisgemaakt.

K.B./D.P.: Wij kennen Wilchar vooral als de ontwerper van de affiches voor de socialistische en communistische partij. 

M.S.: Hij heeft ook heel veel linodrukken met een anarchistische inslag gemaakt. Voor ons stond echter als een paal boven water dat we de Breendonkreeks zouden tonen.

K.B./D.P.: Waarom waren jullie in die tekeningen geïnteresseerd?

M.S.: De meest algemene verklaring is dat we via die beelden een zicht — hoe partieel ook — kregen op de ergste gruwel die ooit op deze planeet had plaatsgevonden. Ik was al lange tijd gefascineerd door de kunst van de getuigen van de Holocaust. Ik deelde die belangstelling met Luc Tuymans, die met The Book of Alfred Kantor — een boek met aquarellen en schetsen van het ‘dagelijkse’ leven in de concentratiekampen van Theresienstadt, Auschwitz en Schwarzheide — zijn introductie in de holocaustkunst had gekregen. Lucs schilderijen De gaskamer en Our new quarters gaan trouwens op Kantors boek terug.

K.B./D.P.: Heb jijzelf Breendonk bezocht?

M.S.: Uiteraard. Het bezoek maakte grote indruk op me. Ik zag onder andere een tekening van iemand die zijn geliefde geportretteerd had in de trant van Jan Van Eyck. Verpletterend.

K.B./D.P.: Naar aanleiding van de tentoonstelling publiceerde Gazet van Antwerpen een tekening van Wilchar. Als je niet weet dat het werk verband houdt met zijn ervaring in Breendonk, zou je niet geneigd zijn om het met die verschrikkelijke plek te verbinden.

M.S.: Dat was ook een van de commentaren van Paul De Vylder. Wilchars tekeningen zijn inderdaad niet allemaal huiveringwekkend. Dat is op zich al een belangrijke vaststelling. Kan je de echte gruwel wel afbeelden? Je moet wel de gehele reeks in ogenschouw nemen. Dan zie je bijvoorbeeld ook de tekening waarin voedselpakketten van het Rode Kruis aan de varkens worden gevoederd, om maar een voorbeeld te noemen. De Gazet van Antwerpen had in ieder geval beter een ander beeld afgedrukt.

K.B./D.P.: Hoe schat jij de artistieke kwaliteit van Wilchars tekeningen in?

M.S.: Voor ons stond het belang van de getuigenis van de oorlogshorror voorop. De artistieke kwaliteit was niet onze bekommernis en ik had er zelfs twijfels over. Wilchar zag dat helemaal anders. Hij betrad de Ruimte Morguen met het gevoel eindelijk als kunstenaar te zijn ontdekt. Dat was een beetje gênant. Het contrast met wat er aan de muren hing, kon in ieder geval niet groter zijn.

K.B./D.P.: Wat waren de reacties op de tentoonstelling?

M.S.: We kregen heel veel pers en dat bracht een stroom bezoekers op gang. Er zijn ook een paar mensen van de Communistische Partij naar de opening in onze ruimte afgezakt.

K.B./D.P.: Kan je toelichting geven bij de tentoonstelling die erop volgde en waaraan Ria Pacquée, Jan van Veen, H. Medicals en Nadine Tasseel deelnamen?

M.S.: Het was een expo waarmee we de naam van onze ruimte alle eer aandeden. Jan Van Veen, die ik kende via Aurora, had een getrouw afgietsel van zijn hoofd laten maken en had dat boven een deftig aangeklede pop in een echte doodskist gelegd — de kist stond voor het raam en was van buiten duidelijk te zien. Een vrouw die tegenover ons woonde, vond dat echt niet leuk en stuurde de politie op ons dak.

K.B./D.P.: Stonden de andere bijdragen ook in het teken van de ‘morgue’?

M.S.: Ze waren allemaal in mindere of meerdere mate morbide. Ria Pacquée had miniatuurfiguren voor behangpapier geplaatst. H. Medicals — Leen Derks bediende zich van dat pseudoniem — realiseerde een installatie met medische apparatuur, een afgietsel van haar eigen gezicht en een elektrocardiogram. Onder de titel Urban Colonial Development bracht Nadine Tasseel een reeks foto’s. De thematisering van de dood was in het begin van het programma van Ruimte Morguen sterk aanwezig. Zelf had ik al de foto’s van de mummie en de Sepikschedels gepresenteerd. In die tijd dook voortdurend de term ‘klinisch dood’ op. Wat betekent dat, ‘klinisch dood zijn’, vroeg ik me af? Ik was erg met die problematiek begaan. Later — in 1983 — nodigden we Hermann Stamm uit die bezig was met het in beeld brengen van de omstandigheden waarin iemand sterft.

K.B./D.P.: Hoe was je in contact gekomen met Stamm?

M.S.: Hij frequenteerde de kringen rond Floris Neusüss. Zijn werk was zeer boeiend. Hij confronteerde foto’s van burgerlijke sterfkamers met beelden van intensivecareruimtes in ziekenhuizen. Hij schreef daar ook over. Ons programma stond echter niet alleen in het teken van het gruwelijke en het morbide. Een van onze andere belangrijke interesses betrof de status van het (fotografische) beeld in onze hypermediale wereld.

K.B./D.P.: Kan je daarvan een voorbeeld geven?

M.S.: In november 1982 nodigden we onze Kasselse vriend Jürgen Olbrich uit. Hij toonde talloze rollen afgedrukte foto’s die door de labo’s als mislukt waren bestempeld. Daarnaast presenteerde hij ook individuele foto’s die afgekeurd — en bijgevolg doorgestreept — waren of nooit door hun makers waren afgehaald. Ik interpreteerde het werk als een statement over de beeldinflatie in het predigitale tijdperk.

K.B./D.P.: En hoe zag Olbrich het?

M.S.: Jürgen is een verzamelaar, wat mede zijn preoccupatie met mailart verklaart. Hij was wellicht geboeid door die ongewenste beelden, maar een discours over media was hem vreemd.

K.B./D.P.: Was het een toeval dat hij met fotorollen naar Antwerpen was gereisd, en niet met een andere verzameling?

M.S.: Ik herinner me nu dat we hem voordien ontmoet hadden bij Sjoerd Paridaen in de buurt van Gent. Ik sluit niet uit dat ik hem gezegd had dat we geïnteresseerd waren in amateurfotografie. Uiteindelijk was ik niet helemaal gelukkig met het resultaat. Jürgen maakte niet echt een statement. Het was in zeker zin een vrijblijvend spel met dat — op zich interessante — materiaal.

K.B./D.P.: Rekende jij je dat zelf ook aan als curator?

M.S.: Op dat moment? Dat weet ik niet. Mocht ik nu als curator bij zo’n project betrokken zijn, dan zou ik er helemaal anders mee omgaan. Gelukkig sloten we 1982 wel zeer goed af met de tentoonstelling van affiches en postkaarten van Klaus Staeck, een zeer geëngageerd kunstenaar én advocaat.

K.B./D.P.: Advocaat?

M.S.: Staeck nam het op tegen de CSU van Franz Josef Strauß ten tijde van de Baader-Meinhofprocessen. De Bundesgrenzschutz was toen actief als een paramilitaire organisatie, die overal in West-Duitsland politioneel kon optreden, zogenaamd in landsbelang. Staeck hekelde deze situatie met vlijmscherpe affiches. De ene na de andere juridische procedure werd tegen hem opgestart. Niemand zou daarmee zijn weggekomen, maar Staeck was van opleiding jurist en hij pleitte zijn eigen zaken. Financieel had hij ook geen zorgen want hij had de leiding over een drukkerij. Hij handelde ook in werken van Joseph Beuys. Als je een voorbeeld wil van een kunstenaar-ondernemer, dan zitten we met Staeck op het juiste adres. Dat hij jurist en bedrijfsleider was, hebben we overigens aan den lijve ondervonden.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

M.S.: We kregen een contract onder de neus geduwd en alles wat we van hem tentoonstelden, moesten we aanschaffen. Duur waren zijn producten evenwel niet, 5 Mark per affiche, als ik het me goed herinner.

K.B./D.P.: Hebben jullie affiches en postkaarten van hem verkocht?

M.S.: Ja, de verkoop liep goed, in de Ruimte Morguen zelf en ook op de alternatieve boekenbeurs Het Andere Boek waar we een aantal keren aan deelnamen.

K.B./D.P.: Welk percentage bedongen jullie voor de Ruimte Morguen?

M.S.: Vijftig procent, zonder scrupules, keihard. We moesten de zaak financieren! Dat gold trouwens ook voor mijn eigen werk, dat de Ruimte Morguen in de loop der jaren overigens enkel aan de Vlaamse Gemeenschap wist te slijten. Op die manier hebben we Morguen wel recht weten te houden.

 

wordt vervolgd

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

1980

Van 28 juni tot 7 september 1980 vond in het ICC aan de Antwerpse Meir de tentoonstelling 1980. Jonge Belgische kunst plaats. Aanvankelijk een initiatief van de Werkgroep voor Plastische Kunst, werd de tentoonstelling uiteindelijk gerealiseerd in samenwerking met het ICC. Aanleiding was het 150-jarig bestaan van België. Voor de tentoonstelling werden 26 Belgische kunstenaars onder de 35 jaar geselecteerd. Op de deelnemerslijst vinden we kunstenaars die inmiddels een internationale carrière hebben opgebouwd, andere kunstenaars die plaatselijk bekendheid genieten en nog andere kunstenaars die volledig zijn weggedeemsterd. Aanvankelijk ging onze belangstelling uit naar de kunstenaars met een onregelmatige carrière: kunstenaars die tijdelijk of definitief gestopt zijn. Uiteindelijk besloten we 1980 te gebruiken als een opstap voor een proeve van alternatieve kunstgeschiedschrijving: we vertrokken bij de eerste van het alfabet, Guillaume Bijl, we besloten hem te interviewen en we namen ons voor om alle sporen die dat gesprek opleverde, te gebruiken als aanleiding voor verder onderzoek. Dit bracht ons alvast bij Leo Steculorum, kunstenaar en jeugdvriend van Bijl, en bij Walter Van Rooy, kunstenaar en drijvende kracht achter de kunstruimte Ruimte Z, die een belangrijke rol speelde voor de kunst in Antwerpen rond 1980.

 

 

Guillaume Bijl

Koen Brams/Dirk Pültau: Weet je nog hoe je voor de tentoonstelling 1980 bent gevraagd? Hoe is dat in zijn werk gegaan?

Guillaume Bijl: Ik had op dat moment twee installaties gerealiseerd, de Autorijschool Z in Ruimte Z te Antwerpen, en het Beroepsheroriëntatiecentrum in De Warande te Turnhout. Ik was al eens in de krant gekomen en dergelijke, ik was al anderhalf jaar bezig. Annie Gentils werkte in het ICC, ze was overgekomen van De Warande, waar ze mijn tentoonstelling had geprogrammeerd. Zij heeft wellicht een tip gegeven aan Flor Bex, toenmalig directeur van het ICC. Een andere belangrijke figuur was ontegenzeggelijk Walter Van Rooy. Hij had in die tijd een galerie in de Lovelingstraat in Borgerhout: Ruimte Z, eigenlijk een kunstenaarsinitiatief. Walter Van Rooy organiseerde niet alleen tentoonstellingen maar gaf ook een tijdschriftje uit. Hij en zijn vrienden schrokken er niet voor terug om naar Joseph Beuys te trekken en hem te interviewen. Ze hebben ook Jan Hoet geïnterviewd. Daarnaast was Van Rooy zelf schilder, een veelbelovend schilder. Het was de tijd van de conceptkunst, de performance, en ook de introductie van de wilde schilders. In Ruimte Z hebben een aantal kunstenaars hun eerste tentoonstelling gehad, en enkele van die kunstenaars zijn opgenomen in de tentoonstelling 1980.

K.B./D.P.: Welke kunstenaars hebben dan hun eerste stappen gezet in Ruimte Z? 

G.B.: Walter Van Rooy studeerde aan de academie in Gent, en hij had daar Danny Devos leren kennen. Danny Devos heeft in Ruimte Z zijn eerste performances gedaan, die waren wel belangrijk toen. Van Rooy heeft nog andere mensen uit Gent tentoongesteld, Dany Deprez bijvoorbeeld. Guy Rombouts heeft zijn eerste solotentoonstelling in Ruimte Z gerealiseerd. Ria Pacquée heeft er ook tentoongesteld, en Guy Bleus. Er hebben ook een aantal groepstentoonstellingen plaatsgevonden. Er was bijvoorbeeld een tentoonstelling waarbij iedereen een vierkante meter van de galerie toegewezen kreeg, en ook een gelijk deel van de affiche mocht vullen. Er namen 26 kunstenaars deel, waaronder Filip Francis, Harry De Schepper, Leo Steculorum. De twee laatste waren jeugdvrienden van mij. Die groepstentoonstelling A-Z heeft veel volk gelokt. Je moet weten dat er niet veel galeries en tentoonstellingsruimtes waren in die tijd. In Antwerpen kon je voor actuele kunst eigenlijk alleen in het ICC terecht. De meeste kunstenaars van Ruimte Z waren gevraagd om deel te nemen aan 1980: Ria Pacquée, Danny Devos, Guy Bleus, Guy Rombouts,

Leo Steculorum en ik.

K.B./D.P.: Als je de lijst met de kunstenaars overloopt, dan moet je haast tot de conclusie komen dat 1980 een echte Antwerpse tentoonstelling was, terwijl de tentoonstelling een overzicht wou bieden van de actuele kunst in België…

G.B.: Daar ben ik het niet mee eens. Ik was van Antwerpen, Guy Bleus was van Hasselt, Luc Coeckelberghs was van Brussel, Johan Dehollander was van Gent, Stefan De Jaeger was van Brussel, Daniel Deltour was Franstalig, Denmark was van Antwerpen, Jean Pierre De Roo ken ik niet meer, Danny Devos woonde in Gent, Daniël Dewaele was van Brugge, Patrick Joly was Franstalig, Gerard Lannoye ken ik niet meer, Liefde en berouw ken ik niet meer, Daniël Matthys was van Gent, Una Maye ken ik niet meer, Ria Pacquée was van Antwerpen, Bernard Queeckers was van Brussel, Hugo Roelandt was van Antwerpen, Guy Rombouts was van Antwerpen, Michel Smets ken ik niet meer, Leo Steculorum was van Antwerpen, Thé Van Bergen was van Nederland maar woonde nabij Antwerpen, Frank Van Herck was van Antwerpen, Philippe Van Snick was van Brussel of Gent, Walter Van Rooy was van Antwerpen maar had academie gelopen in Gent, Jan Vercruysse was van Brussel. Ik zou niet zeggen dat het een Antwerpse tentoonstelling was; er waren wel zes kunstenaars van Ruimte Z bij.

K.B./D.P.: We hebben drie voorstellen van jou teruggevonden voor je project in het ICC. Voorstel 1: spiegelzaal transformeren in volleybalzaal, en je suggereert dat er eventueel een kleine wedstrijd kan worden georganiseerd; voorstel 2: zaaltje transformeren in herscholingscentrum; voorstel 3: zaaltje transformeren in woonruimte na huiszoekingstoestand. Die ideeën zijn blijkbaar van de baan geraakt. Hoe is het tot jouw uiteindelijke bijdrage voor 1980 gekomen: de Chaussures Icécé?

G.B.: Het was het prille begin van mijn carrière. Ik had verschrikkelijk veel ideeën, waarvan vele later ook zijn uitgevoerd. Het was mijn derde installatie en er waren natuurlijk meerdere mogelijkheden. Een van die drie mogelijkheden heb ik enige tijd later gerealiseerd, in 1981, in Plan K in Brussel: de installatie Verdacht. Bij een kunstenaar die een beetje verdacht is omwille van zijn uiterlijk en gedragingen heeft een huiszoeking plaatsgegrepen, trouwens een half autobiografisch gegeven.

K.B./D.P.: Kun je zeggen hoe je tot Chaussures Icécé bent gekomen?

G.B.: Ik heb afgewacht hoe de tentoonstelling evolueerde, boven, op de eerste verdieping van het ICC. De spiegelzaal was in die periode niet in gebruik of mocht niet worden gebruikt. En de andere zalen waren bezet. Ik heb een beetje de kat uit de boom gekeken. Dat deed ik nogal vaak in grote groepstentoonstellingen, ik wilde weten wat de andere kunstenaars deden. De benedenzaal is dan vrijgekomen, een aantrekkelijke ruimte, met die muurschilderingen en lambriseringen, gelegen aan de straatkant, op de Meir. Ik heb toen besloten er een schoenenwinkel van te maken. Ik heb wel vaker geprobeerd om bij de ingang van een groepstentoonstelling een ingreep te realiseren, een commerciële ruimte of een servicecenter.

K.B./D.P.: Je nam dus een afwachtende houding aan, in functie van de anderen, terwijl je die ruimte natuurlijk ook had kunnen claimen. 

G.B.: Dat heb ik natuurlijk ook vaak gedaan, maar ik heb even vaak de kat uit de boom gekeken om mijn ingreep dan zo goed mogelijk af te stemmen op de ruimte die ik toegewezen kreeg. Het interieur van de benedenzaal bracht me ertoe om daar een pseudo-chique schoenenwinkel te installeren.

K.B./D.P.: Gaf die ruimte uit op de straat? Beschikte je over een etalage?

G.B.: Neen, maar ik heb twee ovalen platen laten maken, met gouden letters, en aan de hekken van het ICC gehangen: Chaussures Icécé, in het cursief. Ik wilde de aandacht trekken van de straat en de toevallige voorbijganger.

K.B./D.P.: We hebben een schets gevonden van de installatie, en wat daarin opvalt, is het symmetrische van het ontwerp, maar ook het feit dat je die schoenenzaak aanvankelijk Chaussures Sphinx Chez Guillaume wilde noemen. 

G.B.: Ik maak soms tekeningetjes, heel summier, om duidelijk te maken aan de curator wat het ongeveer zou kunnen worden – in dit geval een groot tapijt, een paar stoelen om schoenen te passen, een paar glazen kasten, en een tafeltje voor de verkoopster. Ik mocht niets in de muur kloppen, de zaal was een beschermd monument. Ik heb daar die meubels in geplaatst. Het is Chaussures Icécé geworden, omdat er zich tegenover het ICC een schoenenwinkel bevond, schoenenwinkel Cécile. Cécile, met één accent aigu. Vandaar dat ik op Icécé twee accents aigus heb gezet. 

K.B./D.P.: Is Chaussures Icécé ook in andere opzichten geïnspireerd op schoenenzaak Cécile? 

G.B.: Neen, het is gewoon aangepast aan de ruimte, aan het kader.

K.B./D.P.: Heb je andere specifieke voorbereidingen getroffen? 

G.B.: Neen. Ik ben natuurlijk wel in een aantal schoenenwinkels geweest om schoenen te kunnen uitlenen. Meestal ben ik volledig betrokken bij de zoektocht naar de materialen, en als ik materialen ga zoeken, dan doe ik genoeg aan prospectie. Als je orgels zoekt voor een orgelstand, dan moet je in meer dan één zaak zijn om je installatie te kunnen uitvoeren. 

K.B./D.P.: Na de 1980-tentoonstelling is er nog een heel gedoe geweest met een schoenenwinkel die schoenen ter beschikking had gesteld. Wat is er precies gebeurd? 

G.B.: Dat weet ik niet meer, maar het zou kunnen dat er schoenen zijn gestolen. Ik had er schoenen staan en er was achteraan ook een zogenaamd depot. Dat is bij schoenenwinkels ook zo, die hebben niet alle paren in de winkel staan. Ik denk dat er enkele dozen uit het depot gestolen zijn omdat er geen bewaking was. 

K.B./D.P.: Je zou kunnen zeggen dat je werk dat provoceert. Je mag er geen bewaker plaatsen omdat het reality-effect meteen teniet zou worden gedaan. 

G.B.: Ik vraag aan bewakers altijd om discreet te zijn, ik draag er ook zorg voor dat ze niet op oranje of rode stoelen zitten als die kleuren vloeken met de installatie. 

K.B./D.P.: Je bent de enige kunstenaar in de catalogus van 1980 die verwijst naar 150 jaar België. Dat was inderdaad de aanleiding voor de tentoonstelling – maar niemand anders verwees ernaar. 

G.B.: Ik heb daar in de catalogus van 1980 een ironische commentaar op gegeven, in de tekst Goed nieuws.

K.B./D.P.: Je hebt nog een tweede tekst bijgedragen. Daarin kader je Chaussures Icécé binnen een groot project, en je duidt dat project aan met de term kunstliquidatie. Je schrijft: “Project m.b.t. kunstliquidatie. In opdracht van de staat. Wegens het onfunctionele karakter van kunst. Wegens het gebrek aan plaatsruimte, waar verscheidene ministeries de laatste tijd mee te kampen hebben. Wegens het oneconomisch aspect van de kunsthandel, waar belastingontduiking schering en inslag is. Wegens de jaarlijks toenemende onkosten van het Ministerie van Cultuur. Wegens het algemeen groeiende crisisklimaat, waar dringend een oplossing voor moet gevonden worden. Wegens het degraderend karakter van nieuwe kunsttendensen. Wegens de anarchistische instelling van vele hedendaagse kunstenaars. Zien wij ons genoodzaakt alle musea en culturele centra te sluiten en in een zo kort mogelijke periode te transformeren tot ‘voor meer praktische doeleinden geschikte ruimten’. Kunstgalerijen zullen volgen; met hetzelfde doeleinde.” 

G.B.: Chaussures Icécé was inderdaad onderdeel van een groter project: het kunstliquidatieproject – het idee was dat het ICC zogezegd wordt gesloten, en wordt verhuurd aan een schoenenwinkel. Het is de bedoeling om een kunstruimte commercieel te exploiteren, omdat kunst niet functioneel is.

K.B./D.P.: We hebben een paar recensies over 1980 gelezen, en het is frappant dat het kritische karakter van de tentoonstelling helemaal niet wordt opgemerkt. Er valt bijvoorbeeld te lezen dat 1980 vooral uit individuen bestaat. Nochtans maakt de catalogus meteen duidelijk dat jij en Guy Bleus bijvoorbeeld met gelijkaardige zaken bezig zijn. Jullie formuleren een kritiek op bureaucratische structuren, jullie doen aan maatschappijkritiek. 

G.B.: Ja. Ook Ria Pacquée en Danny Devos deden aan maatschappijkritiek, en misschien nog enkele andere kunstenaars. Mijn werk konden ze zeer moeilijk plaatsen. 

K.B./D.P.: De tekst in de catalogus laat echter aan duidelijkheid niets te wensen over: dit is maatschappijkritiek. Was de tekst ook in de tentoonstelling opgenomen? 

G.B.: Ja. Ik was en ik ben bezig met onze maatschappij in vraag te stellen en te tonen waar we in leven, het decor van onze tijd. Ik gebruik kunstruimten om die uitspraak te doen. Ik laat iets van onze consumptiemaatschappij zien, of van onze beschaving, kritisch, als anarchist of als idealist. Maar de kritiek had het niet zo begrepen. Ik werd als antikunstenaar afgeschilderd, blijkbaar alleen omdat ik mijn installaties kunstliquidatieprojecten noemde. Op den duur begon ik zelf aan te geven dat mijn projecten een hommage aan de kunst waren. Ik wilde laten zien wat nooit mocht gebeuren. Ruimte Z moest absoluut een kunstgalerijtje blijven, maar het was zogezegd een Autorijschool geworden.

K.B./D.P.: Een ‘hommage’ aan de kunst? De Autorijschool, het Beroepsheroriëntatiecentrum en Chaussures Icécé tonen toch vooral een wereld die weinig aandacht heeft voor de kunst, of voor alles wat aan het functionalistische paradigma van de maatschappij ontsnapt. 

G.B.: Het is ook een hommage aan de kunst. Ten eerste viseer ik die consumptiemaatschappij of die bureaucratische maatschappij. Ik visualiseer die. Maar als ik toon dat de plaats van de kunst wordt afgenomen, omdat zij zogezegd minder belangrijk is, dan breng ik ook een hommage aan de kunst.

K.B./D.P.: Duw je met die uitspraak ‘het is een hommage aan de kunst’ dat kritische aspect niet naar de achtergrond?

G.B.: Vind je dat? Ik vind die tekst heel kritisch tegenover de maatschappij.

K.B./D.P.: Dat klopt, maar het valt ons op dat je het positieve aspect heel erg beklemtoont, en dat je veel minder de klemtoon legt op de kritiek ten aanzien van de overheid die de musea geen geld geeft…

G.B.: Omdat de term kunstliquidatieproject zo vaak verkeerd is begrepen, heb ik de tekst weggelaten. Men dacht werkelijk dat ik liever een hospitaal wilde in het Paleis voor Schone Kunsten, of een casino in de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst. Men dacht dat ik de kunst werkelijk wilde liquideren. Maar als je de tekst over het kunstliquidatieproject leest, dan is het duidelijk dat de liquidatie in opdracht van de staat gebeurt, of dat de ruimte aan een particulier wordt verhuurd. Het kunstliquidatieproject loopt in feite nog steeds door, tot die matrassenzaak die ik dit jaar in de Kunsthalle van Munster heb gedaan – al gebruik ik ondertussen allang de term transformatie-installatie.

K.B./D.P.: Chaussures Icécé was de eerste commerciële ruimte die je hebt gereconstrueerd. De twee andere ruimtes ressorteerden onder de overheid, want je projecttekst in de 1980-catalogus verwijst telkens naar een ministerie: bij Autorijschool Z staat “departement van het Ministerie van Bruggen en Wegen”, en het Beroepsheroriëntatiecentrumwordt bij het “departement van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid” ondergebracht. Chaussures Icécé is daarentegen een winkel. 

G.B.: Een autorijschool hangt niet per se af van de overheid. De Autorijschool behoort in feite toe aan een particulier. Mijn eerste installatie was bij een particulier. In de tekst over het kunstliquidatieproject staan alle mogelijkheden weergegeven. Naast de transformaties in opdracht van de staat, voorzie ik ook de mogelijkheid dat een kunstruimte wordt doorverhuurd aan een particulier. Daarnaast heb ik in de catalogus van 1980 ook de tekst Goed nieuws bijgedragen, opnieuw een persiflerende afrekening met het bureaucratische. Afrekenen met instellingen, met consumptie en met onze beschaving is een therapeutische handeling. Het woord ‘beschaving’ ben ik gaan gebruiken in de jaren negentig. Het woord ‘getuigenis’ vind ik ook toepasselijk, maar ‘creatie’ vind ik een veel minder goed woord. Ik vind niet dat een kunstenaar ‘creëert’. Een kunstenaar legt een getuigenis af. Ik verricht therapeutische handelingen, in een heel realistische vorm, om visueel af te rekenen met mijn tijd. Je zou ook kunnen zeggen dat ik een ijzeren archiefkast heb staan waarin alle maatschappelijke vormen opgeslagen liggen: autorijschool, schoenenwinkel, atoomschuilkelder, wachtzaal, schietoefenstand, beroepsheroriëntatiecentrum…

Ik heb dat grotendeels laten zien, ik heb daarmee afgerekend, en eens het zover is kan die kast worden gesloten. Dat is een soort van therapie.

K.B./D.P.: Heb je tijdens de opening van 1980 een performance gedaan, zoals je dat toen meer deed? 

G.B.: Ik heb daar een tableau vivant gedaan, maar geen publieke tableau vivant, enkel op video.

K.B./D.P.: Is er ook een video van de Autorijschool Z gemaakt?

G.B.: Ja.

K.B./D.P.: Was daar dan ook een tableau vivant?

G.B.: Neen, er is wel een heel groot tableau vivant geweest bij de openstelling van het Beroepsheroriëntatiecentrum in De Warande. Ik heb daar iets heel vreemds gedaan, iets wat ik trouwens ook maar één keer gedaan heb. Toen het publiek binnenkwam, hingen aan enkele panelen projecten van mij. Boven in een andere ruimte in De Warande hing ook werk van mij. Op een zeker moment tijdens de opening werd de transformatie voltrokken. Mensen begonnen de werken van de muren te nemen, er werden muren bijgezet, er werd een bureel voor de directeur gebouwd, een bureel voor een secretaresse. Er werden ook twee testlokalen voor werklozen ingericht: een gewoon klaslokaal en een testlokaal met schrijfmachines. Op een minimum van tijd, laten we zeggen vijf minuten, was het Beroepsheroriëntatiecentrumopgebouwd, hoofdzakelijk met materiaal van De Warande zelf. Ik was directeur, zoals ik ook schoenhandelaar heb gespeeld, en later hospitaaldirecteur. En dan zijn een zes- of achttal mensen uit het publiek gevraagd om deel te nemen aan de testen. Danny Devos was testleraar. Johan Dehollander en Ria Pacquée waren er ook bij. Wij vormden de zogenaamde Bureaucratische Actie. Dat werd gefilmd en de mensen konden buiten alles volgen op beeldschermen. Dat heeft me heel veel zelfvertrouwen gegeven. Want als je op vijf minuten een ruimte kunt transformeren tot een Beroepsheroriëntatiecentrum, dan kun je ook een Caravan Show realiseren, een Supermarkt of een Fitnesscentrum.

K.B./D.P.: Je hebt nog een aantal tentoonstellingen gehad vóór de Ruimte Z-tentoonstelling, onder meer in de filosofische kringen Aurora en in het Pannenhuis. Wat heb je daar tentoongesteld?

G.B.: Ik heb in de jaren ’70 veel projecten op papier gezet, de zogenaamde Behandelingen en Project Pleasures. Die heb ik in Aurora en in het Pannenhuis tentoongesteld.

K.B./D.P.: Wat zijn die Behandelingen?

G.B.: In de reeks Behandelingen had je de Behandeling Kerk, en verder nog Onderwijs, Leger, Reizen, Bouwen,Arrivisme, Seks, Psychiatrie, en Sleur van een alledaags arbeidersleven. De Behandeling Leger nam verschillende zalen in beslag, die elk een aspect van de militaire dienstplicht uitmaakten. Toeschouwers konden elk afzonderlijk tijdens een circa zes uur durende ‘rondgang’ een militair ‘gedwongen’ avontuur beleven, bijgestaan door ‘begeleiders’.

K.B./D.P.: In de Behandelingen wordt de bezoeker het onderwerp, of het voorwerp van de Behandeling. Was dat de bedoeling?

G.B.: Ja, dat was de bedoeling.

K.B./D.P.: Zijn die Behandelingen ooit uitgevoerd?

G.B.: Neen, ik heb de Behandelingen nooit willen uitvoeren omdat ik ze te theatraal vond. Maar het was een aanloop tot mijn latere vorm, tot het maken van een soort van decors.

K.B./D.P.: In feite zou je kunnen zeggen dat de Behandelingen juist minder theatraal zijn, omdat de bezoeker helemaal wordt meegezogen in het script. Zijn niet veeleer die tableaux vivants theatraal?

G.B.: Nee, die Behandelingen zijn theatraal omdat je zoals in het theater altijd weet dat het fictie is. Dat stoorde mij, en dat is het grote verschil met de transformatie-installaties die in feite van de Behandelingen zijn afgeleid: bij de installaties komt de toeschouwer in een ruimte die vroeger het ICC was, en die nu een schoenenwinkel is geworden. De deuren staan open, er is een zaaltje. Men weet het even niet. Het is subtieler uitgewerkt. Trouwens, wat ik met het project Behandelingen formuleerde, is nu gemeengoed geworden. Je hebt nu van die thrillerweekends waarbij een aantal personen een Agatha Christie naspelen. Er zijn een paar acteurs bij, maar de participanten weten dat niet. Wie is de moordenaar? Dat gebeurt nu allemaal. Bij mij was dat nog maar op papier.

K.B./D.P.: Wat waren de Project Pleasures?

G.B.: Een van de Project Pleasures was bijvoorbeeld een situatie waarbij iemand op de Boerentoren in Antwerpen staat, en zelfmoord lijkt te willen plegen, op een zaterdagmiddag. Het is een acteur, maar de omstaanders weten dat niet. De situatie is gesimuleerd.

K.B./D.P.: En die situatie stond op papier, dat was gewoon een script?

G.B.: Ja.

K.B./D.P.: Heb je dat nooit uitgevoerd?

G.B.: Nooit. Ik heb in de jaren ’70 verschillende projecten op papier gezet die nooit zijn gerealiseerd. Het uiteindelijke resultaat is dat eerste werk, die Autorijschool Z. Laten we zeggen dat die Project Pleasures situaties waren in de publieke ruimte. Het zijn projecten die ik in feite wilde doen, maar het is er niet van gekomen. De Project Pleasures, dat zijn de voorlopers van de latere situatie-installaties, zoals dat plein met opgezette vogels op de Documenta in Kassel. Dat is een situatie die ook een Project Pleasure had kunnen zijn. De Behandelingen zijn dan weer de voorlopers van de latere transformatie-installaties. Het concept van de transformatie van kunstruimtes was veel rijker en subtieler. Voor de uitvoering van die Behandelingen moest ik er andere mensen bij betrekken, en daardoor zou het te theatraal worden.

K.B./D.P.: Heb je niettemin ooit overwogen om de Behandelingen uit te voeren, of was het steeds duidelijk dat het – letterlijk – om conceptuele kunst ging?

G.B.: Ik heb dat wel overwogen, maar ik heb het nooit gedaan. Als je met zo’n omvangrijk project afkomt, dan vraagt men zich af wat je komt doen. Ik heb het nooit willen doordrijven.

K.B./D.P.: Wat heeft je ertoe aangezet om de Autorijschool te maken? Hoe heb je de knop omgedraaid, want tot voor die installatie had je eigenlijk alleen projecten op papier gemaakt?

G.B.: Dat is een interessante vraag. Hoe ben ik daartoe gekomen? Ik had het kunstliquidatieproject op papier gezet, net zoals de Behandelingen en Project Pleasures. Wellicht heeft een bezoek aan Ruimte Z mij ervan overtuigd dat het niet onmogelijk was om het project te realiseren. Ik ben dan ook direct naar Walter Van Rooy gestapt, en ik heb hem gezegd dat ik zijn galerie in een autorijschool wilde transformeren. Toen ik voor de eerste keer zo’n decor maakte, zag ik de rijkdom en ook het revolterende van die vorm. Vandaag is dat uiteraard helemaal niet meer zo duidelijk, omdat het realisme van de jaren ’80 als het ware gerecupereerd is.

K.B./D.P.: In andere interviews heb je heel expliciet gesteld dat je installaties wilde maken om met het publiek bezig te zijn, om met het publiek te spelen.

G.B.: In die Behandelingen en in de Project Pleasures betrek ik het publiek in bepaalde handelingen, in een bepaalde situatie. Je komt binnen, je moet een test doen, vervolgens krijg je een uniform aan en moetje schietoefeningen doen. Je wordt bijgestaan door ‘begeleiders’. In mijn latere installaties wordt het publiek eigenlijk ook een onbewuste ‘acteur’ van een situatie.

K.B./D.P.: De Bureaucratische Actie die plaatsvond bij die transformatie van De Warande tot Beroepsheroriëntatiecentrum, doet heel erg denken aan de Behandelingen.

G.B.: Ja, dat klopt. Het Beroepsheroriëntatiecentrum is in zekere zin een kleine Behandeling. Maar daar is het ongeveer gestopt, omdat het te veel was, te veel van het goede. Wat ik nog wel heb gedaan, zijn die tableaux vivants, bodybuilders die gedurende de opening actief zijn in het Fitness Center

K.B./D.P.: Het is ons opgevallen dat veel kunstenaars die betrokken waren bij Ruimte Z en het Pannenhuis, een klein performance-element of een happeningelement aan hun werk toevoegden. Om enkele voorbeelden te geven: Leo Steculorum noemt het invullen van de termen in het Pannenhuis “een happening op het einde van de happening”. En er is de actie die Guy Rombouts op de slotdag van zijn tentoonstelling realiseerde in Ruimte Z.

G.B.: Een heel knap werk. Hij komt naakt uit een taxi en hij kleedt zich in de galerie aan met alle objecten die op een rij liggen en waarvan de naam telkens uit drie letters bestaat. Eens aangekleed, stapt hij opnieuw in de taxi en rijdt weg. Maar er waren slechts twee ‘echte’ performancekunstenaars in Ruimte Z, en dat waren Ria Pacquée en Danny Devos. Die hebben ook enkele performances samengedaan in die tijd.

K.B./D.P.: Nadat Walter Van Rooy gestopt was met Ruimte Z, is er nog een vervolg geweest: Ruimte Z’.

G.B.: Ik heb Ruimte Z met Ria Pacquée en Leo Steculorum verdergezet, en wij noemden dat toen Ruimte Z accent. We wilden niet dat Ruimte Z zou dichtgaan en het pand was niet duur. We betaalden de huishuur met ons drieën. 6.000 frank in totaal, ieder 2.000 frank.

K.B./D.P.: Wat is er in dat jaar in Ruimte Z’ gebeurd?

G.B.: We hebben een tentoonstelling gedaan met Frank Casteleyns, een poëtische trash-artist avant-la-lettre. Hij was al bezig in de jaren zeventig, ongelofelijke depots had hij in de stad, vol met afval. We hebben ook Xavier De Clippeleir tentoongesteld. Een knappe designer, een ex-assistent van Panamarenko. Ik denk dat we nog een zes- of zevental tentoonstellingen hebben gemaakt. Met Jürgen Voordeckers ook.

K.B./D.P.: Hoe is het gestopt?

G.B.: Iemand was met de huur gaan lopen. Ineens moesten wij 20.000 frank ophoesten, en wij waren maar gewone dagloners. We waren failliet, en het was gedaan met Ruimte Z’.

 

 

Leo Steculorum

Koen Brams/Dirk Pültau: Hoe is jouw deelname aan de tentoonstelling 1980 tot stand gekomen?

Leo Steculorum: Ik ben geselecteerd op aandringen van Walter Van Rooy. Tijdens een opening in Ruimte Z zei hij opeens: jij moet er ook bij zijn. Hij stelde mij voor aan Flor Bex en die stemde toe. Ik heb er zelf geen enkele stap voor gezet.

K.B./D.P.: Kende Flor Bex jou?

L.S.: Flor Bex kende niet eens mijn naam. Walter Van Rooy zei niet wie ik was, hij zei gewoon dat ik moest meedoen.

K.B./D.P.: Waarop baseerde Flor Bex zich dan?

L.S.: Op Walter Van Rooy. Hij was de drijvende kracht achter Ruimte Z, een van de weinige spannende plekken toentertijd in Antwerpen. Walter Van Rooy apprecieerde wat ik deed, maar met Flor Bex heb ik nooit contact kunnen maken. Dat ging niet. Ik ben daar nogal onhandig in.

K.B./D.P.: Zijn de werken die in de catalogus zijn afgebeeld speciaal voor de tentoonstelling gemaakt?

L.S.: Die werken bestonden al en Walter had ze gezien. De zogenaamde ‘termen’-werken had ik voordien in het Pannenhuis getoond. De termen gaven op een abstracte manier weer – ze indexeerden – wat er in het Pannenhuis voorhanden was. De termen waren opgedeeld in drie categorieën, ruimte, tijd en maat, en ze hingen in het Pannenhuis in drie blokken aan de muur. In het ICC heb ik ze samengebracht in een groot werk. De andere werken heb ik in de catalogus opgenomen om te laten zien waar ik mee bezig was. De tekensimulatie met intentie tot vorm, geperforeerde stripjes papier, nam ik op om te laten zien dat ik niet alleen met woorden bezig was. Die stripjes trachten naar betekenis, terwijl woorden al betekenis zijn. Ook de ruimteperforatie was opgenomen, een werk dat ik gemaakt had voor een tentoonstelling in Ruimte Z met 26 kunstenaars. Iedereen kreeg een ruimte van één vierkante meter ter beschikking, en ik had tóen het idee om ‘mijn’ ruimte te perforeren door telefoonkabels door de muur te trekken. En tot slot is er die termensimulatie met intentie tot vorm. Dat werk maakt nog altijd gebruik van termen, maar het gaat ook al over vormgeving. Als je de formule in de titel [x-x=≠x+x=2x≠] op de juiste manier leest, dan krijg je: “iksminiksisniks isnietgelijkaaniksplusiks istweekeerniks isnietniks”. Dat was eigenlijk een geestigheidje. Maar het is ook niet niks, ik bedoel, het bijeenbrengen van concepten of het maken van categorieën is in filosofisch en wetenschappelijk opzicht een serieuze bezigheid.

K.B./D.P.: Die ‘termen’-werken uit het Pannenhuis hingen dus ook in het ICC. Wat heb je verder nog tentoongesteld in 1980?

L.S.: Ik heb ook nog ingekaderde opschriften in een gang aan de muur gehangen. Je las ‘dit hier’, ‘dat daar’, ‘dat hier’, ‘dit daar’. Door de verschuiving van ‘dit hier’ en ‘dat daar’ naar ‘dat hier’ en ‘dit daar’ wilde ik beweging suggereren. De kijker werd gestimuleerd om die termen te laten bewegen of om de ruimte te laten bewegen. Ik probeerde, op een eenvoudige manier, iets te zeggen over de waarneming en over het subject-objectprobleem in de filosofie: als ik naar ‘dat daar’ kijk, breng ik ‘dat’ eigenlijk ‘hier’. Ik had toen net vijf jaar filosofiestudies achter de rug en had ook nog wat lesgegeven. Maar eigenlijk verwees dat werk ook naar het feit dat ik nogal toevallig in die tentoonstelling was terechtgekomen, helemaal op het laatst en totaal onvoorbereid. Ik vroeg mij dus af: wat gebeurt hier? Iedereen was druk bezig: ‘we gaan dat hier hangen’, ‘we gaan dat daar hangen’, zo gaat dat als er een tentoonstelling wordt opgebouwd.

K.B./D.P.: In een krantenartikel uit die tijd geeft de journaliste Linda Greeve een aantal voorbeelden van zinnen die jij had geproduceerd, in de trant van ‘dit hier’ en ‘dat daar’… Ze zet bij elke zin een nummer. Bij de zin “Als dit hier dat daar niet was hoe kon dan dit daar dat daar worden?” staat zelfs het nummer 3194. Je hebt dus erg veel van die zinnen gemaakt?

L.S.: Ik heb nooit 3194 van dergelijke zinnen gemaakt, maar ik wilde met die nummering wel iets duidelijk maken: als je wilt, kun je er 3194 laten maken door een computer. Ik wilde erop wijzen datje met woorden veel kunt doen, dat een bepaalde logica enorm kan worden uitgebreid.

K.B./D.P.: Had je toen nog ander werk, buiten wat er in de catalogus en de tentoonstelling te zien was?

L.S.: Nee, want de schilderijen die ik vóór mijn studies filosofie had gemaakt, zijn bijna allemaal verdwenen of zijn later overschilderd.

K.B./D.P.: Je had voordien geschilderd?

L.S.: Ik ben beginnen schilderen vanaf mijn dertien jaar. Op het atheneum van Hoboken konden we een vrije activiteit kiezen, en ik koos voor schilderen. We moesten een schets maken van wat we wilden schilderen, en ik was door het spelen met een viewmaster tot het beeld gekomen van een grote vis die een kleine vis opeet. De leraar zei toen dat ik dat afgekeken had, en dat ik vanuit mezelf met iets moest komen. Toen is die idee ontstaan dat ik van binnenuit moest werken en niet van buitenuit. Het schooljaar daarop zat ik op een andere school en was het gedaan met schilderen. Ik heb wel nog een tijdje in het geniep, ‘s nachts in mijn bed, pikante tekeningen gemaakt. Toen heb ik het overbrengen van gevoelens naar mijn hand leren kennen.

K.B./D.P.: Waar kwam je daarna terecht?

L.S.: Mijn ouders stuurden mij naar de handelsschool. Guillaume Bijl studeerde daar ook en onze gesprekken brachten mij terug bij de kunst. Op ons zestien, zeventien jaar zijn we samen naar Joegoslavië geweest en op de terugreis hebben we verscheidene tentoonstellingen bezocht. Ook in Antwerpen gebeurde in de jaren zestig zoveel, met de happenings en de Wide White Space Gallery. Als je voordien al in contact was gekomen met kunst, werd je daardoor aangesproken. Ik ben toen in het kunstenaarsmilieu gaan wonen en ben opnieuw beginnen schilderen, met water- en olieverf.

K.B./D.P.: Is daar nog werk van overgebleven?

L.S.: Eén werkje, dat ik aan de muur heb gehangen, maar de rest is, denk ik, verdwenen of misschien ook overschilderd.

K.B./D.P.: Je hebt nooit een academieopleiding gevolgd?

L.S.: Nee. Ik ben wel samen met Guillaume Bijl op het Hoger Instituut geweest om een toelatingsproef te doen, maar ik deed toen dingen die niet in dank werden afgenomen, zoals het doorknippen van een schilderij, zodat ik er twee had, of het veranderen van de kleur van de muur. Totaal gebrek aan artistieke aanleg, zeiden ze.

K.B./D.P.: In ’69 ben je naar het RITS gegaan, net zoals Guillaume Bijl die toen als bankbediende aan de slag was geweest. Wat gingen jullie daar doen?

L.S.: Dat heb ik ook nooit geweten, misschien had dat te maken met het feit dat film toen nog iets bijzonders was. Film had toen op het eerste gezicht nog meer met kunst te maken dan vandaag. In elk geval heeft dat allemaal niet lang geduurd, bij mij zelfs minder dan een jaar. Rond 1971 ben ik dan met filosofie begonnen.

K.B./D.P.: Maakte je toen nog kunst?

L.S.: Ik wilde voortgaan met schilderen, maar dat lukte niet, ik heb dat moeten stilleggen. Ik ben vijf jaar met filosofie bezig geweest, en nog een beetje met lesgeven. Toen ik filosofie studeerde, vergat ik als het ware dat ik daarvoor geschilderd had. Ik ben niet iemand die zegt: ik ben schilder, dus moet ik altijd schilderen, zo zit ik niet in elkaar.

K.B./D.P.: Hoe kwam het dat je op het einde van de jaren zeventig met begrippen begon te werken? Zaten jouw studies filosofie daar voor iets tussen?

L.S.: Dat indexeren van die termen in het Pannenhuis is er gekomen omdat ik toen een BTK-job deed in de universitaire bibliotheek van de UIA. Een jaar lang moest ik niets anders doen dan boeken indexeren, van ’s morgens tot laat in de namiddag. Het werk met die termen in het Pannenhuis bestond uit abstracte concepten, uit ruimte-, tijd- en maatbegrippen, maar in feite was het ook heel concreet en direct. ‘Naast’, ‘tussen’, ‘voor’: dat was allemaal aanwezig in het Pannenhuis, want in het Pannenhuis stonden dingen naast elkaar, voor elkaar en tussen elkaar. En ook de tijd was aanwezig, en alles had ook een bepaalde maat. De termen waren van kleur voorzien, en hingen in kaders aan de muren. Ik had ook vellen klaargelegd waarop mensen de termen konden aanvullen. Onder maat schreef Guillaume Bijl bijvoorbeeld “klootzakken in bepaalde formaten”. Dat was eigenlijk nog een soort happening, maar dan een happening op het einde van de happening. Ik wilde daar een onderzoek van maken, maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik maakte toen ook heel kleine werkjes op karton waar ik woorden op typte, bijvoorbeeld “On a wall in a hall”. En dat werkje hing in een hal.

K.B./D.P.: Wat voor een ruimte was het Pannenhuis?

L.S.: Het Pannenhuis was een café op het Consciencepleintje waar al vanaf de jaren vijftig jazz werd gespeeld. Later kwamen daar de mannen met de lange baarden, de provo’s en de beatniks. De happenings van Panamarenko en Wout Vercammen hebben daar plaatsgevonden. Dan hebben er een tijdlang popgroepen opgetreden, en einde jaren zeventig nam Toulouse dat over. Hij begon met tentoonstellingen, en heeft onder meer Guillaume Bijl getoond, Guy Rombouts, Ria Pacquée… Ook Hugo Roelandt heeft daar projecten gedaan. Dat was de periode van de punk en de new wave. Nu is die ruimte een chic restaurant geworden.

K.B./D.P.: Hoe kwam het dat jij daar tentoonstelde? Was dat op uitnodiging?

L.S.: Niet op uitnodiging… nu ja, Toulouse heeft mij wel aangepord. “Wanneer ga jij eens iets doen”, zei hij, en Guillaume Bijl steunde mij. Ik had er ook wel zin in. Ik zat daar te indexeren in het UIA, tegen mijn zin, en die tentoonstelling in het Pannenhuis was een manier om daar uiting aan te geven door tegelijk hetzelfde te blijven doen.

K.B./D.P.: Jouw biografie loopt op sommige punten parallel met die van Guillaume Bijl. Samen op school gezeten, samen op het RITS geweest, samen tentoongesteld, rond 1980 verschillende keren eigenlijk.

L.S.: Toen nog wel, daarna is Guillaume Bijl bekend geworden…

K.B./D.P.: Zijn jullie intellectueel uit elkaar gegroeid, of zaten jullie intellectueel nooit echt op dezelfde golflengte?

L.S.: Het was een vriendschapsrelatie, want het werk van Guillaume Bijl is totaal niet te vergelijken met dat van mij.

K.B./D.P.: Waren er andere kunstenaars waarmee je wel op dezelfde golflengte zat?

L.S.: Weinig. Misschien Walter Van Rooy een beetje, met zijn abstract werk, want daarna is het verhalend geworden. Of misschien Raoul De Keyser. Wat die kan, zou mij toch kunnen helpen in mijn werk. Maar ik denk dan altijd, waar kom ik vandaan. Ik zal nooit degene zijn die contact zoekt, het contact met Walter Van Rooy en met Guillaume Bijl is ook eerder van hen gekomen.

K.B./D.P.: Hoe wist Toulouse dat jij met beeldende kunst bezig was? Omdat jij daar altijd kwam?

L.S.: Ja, en ook door mijn manier van spreken. Later heb ik nog hier en daar op uitnodiging aan een tentoonstelling meegedaan, en soms eens omdat ik mij uitgedaagd voelde. Maar ik ben weinig vanuit mezelf naar buiten gekomen.

K.B./D.P.: Je hebt in de jaren zeventig nauwelijks geschilderd. Het schilderen bleek niet compatibel met je filosofiestudies. Wat gebeurde er toen je die studies had afgerond? Ben je toen terug beginnen schilderen?

L.S.: Het schilderen kwam er onmiddellijk na de tentoonstelling 1980. Het was geen keuze, plots was het daar. Het werk in het Pannenhuis was voor mij eigenlijk een voorbereiding op het schilderen. Dat was zich toen al binnen in mij aan het aandienen. Terzelfdertijd boezemde die keuze voor het schilderen mij angst in. Ik was nog maar pas in het openbaar getreden met de termen-werken – de tentoonstelling in het Pannenhuis was mijndebuut – en plots kwam ik met schilderijen aanzetten. Het was een serieuze overstap, waarvan ik wist dat de buitenwereld die eigenlijk niet kón begrijpen.

K.B./D.P.: Die werken met begrippen beslaan dus maar een heel korte periode rond 1980?

L.S.: Dat was heel kort. Ik bleef wel met begrippen werken, maar ik heb op een gegeven moment besloten dat ik dat liever doe in relatie tot geschreven zinnen, en tot de intimiteit van het boek. Als ik op een tentoonstelling kom, word ik liever niet met concepten geconfronteerd. Ik word dan graag geraakt met mijn ogen. Toen ik terug begon te schilderen, was dat voor mij dus geen breuk. Ik was met concepten bezig, met filosofie en met het maken van indexen, en daarna kwamen die beelden die vroegen om geschilderd te worden.

K.B./D.P.: De termen-werken staan dus in verband met je studies filosofie, maar door ze te maken merkte je dat je eigenlijk terug beelden wilde maken?

L.S.: Zoals gezegd, het werk rond 1980 was een soort voorbereiding van wat moest komen – zo interpreteer ik dat nu, en eigenlijk was het ook wel zo. Hoe gaat dat, dat proces om terug iets op te starten? Metéén beginnen met schilderen kon niet, je kan niet iets stilleggen en het direct terug oppakken. Voor mij zijn beelden een andere kenvorm dan woorden. De taal van de beelden kan ik alleen in die beelden uitdrukken. Maar tegelijk heb ik ook de behoefte om die beelden thuis te brengen, en daarom blijft ook het denken in woorden aanwezig. Ik kan die twee niet scheiden, maar ik kan ze ook niet tegelijk doen. Ik maak sindsdien twee soorten werken, ideële beelden en experimentele beelden. Die ideële beelden zijn klaar en duidelijk, dat zijn op zich ook de sterkste beelden, maar soms ga ik van daaruit experimenteren. De experimentele werken zijn groter, wilder en meer gevoelsgeladen. Ze bevatten ook meer verhaal.

K.B./D.P.: Zijn die conceptuele beelden abstract? Of zijn ze ook figuratief?

L.S.: Ze zitten daartussenin. In het ene werk kun je bijvoorbeeld een stuk van een zuil lezen, of een flessenhals. Tegelijk gaan ze ook over geometrie, over verhoudingen en over wiskunde. Ik was daarvoor al met maat en ruimte bezig, en daarna ook met tijd. In een ander werk is de tijd al aanwezig, je ziet een motief dat in de ruimte roteert, dat heen en weer beweegt en dat een verloop lijkt te hebben. Andere werken hebben met licht te maken of met de verhouding tussen voorgrond en achtergrond. Ik hou het meest van die ideële beelden, of die conceptuele beelden zoals jullie ze noemen. Ik spreek altijd over ideële beelden omdat ik denk aan de ideeën van Plato en de categorieën van Kant. Het gaat voor mij over vragen als “waar komen onze ideeën vandaan?” en “hoe werkt de geest?”. De ideeën of de categorieën zijn datgene watje niet meer kunt verklaren door iets anders.

K.B./D.P.: Die twee tendensen vormen eigenlijk een raadsel. Er zijn werken die zich als gedachteconstructies laten lezen, en dan zijn er die experimentele werken, zoals jij ze noemt.

L.S.: Jij noemt dat gedachteconstructies, maar het is heel belangrijk dat ik die gedachten niet heb geconstrueerd. Zo’n beeld krijg ik, terwijl ik bij die experimentele werken actief betrokken ben.

K.B./D.P.: Dat onderscheid is toch kunstmatig?

L.S.: Het is niet kunstmatig, want dat onderscheid wortelt in mijn beleving. Op een gegeven moment krijg ik een ideëel beeld, een beeld dat vanuit de geest komt. Met experimentele werken wil ik onderzoeken of ik die vormen ook spontaan uit mezelf kan laten komen.

K.B./D.P.: Waarom heb je nooit gepoogd om die beide categorieën samen te brengen? Of is dat onzinnig? Zou je kunnen overwegen om beide samen te tonen of tegen elkaar uit te spelen?

L.S.: Ik ben daar nu mee bezig, maar ik had daarvoor eerst een overzicht nodig. Pas dan kon ik zicht krijgen op het verhaal, op de biografie van mijn schilderwerk. Dan blijkt bijvoorbeeld dat de ideële vormen vaak voor de experimenten komen. Slechts in een enkel geval heb ik de vorm zelf gemaakt, en is het ideële beeld nadien gekomen. Het kost enorm veel tijd en werk om dat te kunnen zien.

K.B./D.P.: Heb je die schilderijen nog tentoongesteld?

L.S.: Ik heb weinig tentoongesteld en dan nog meestal op uitnodiging. Na 1980 heb ik op vraag van Filip Francis meegedaan aan Echelle ’81. Eerst wilde ik schilderijen tonen, maar omdat ik geen geschikte ruimte kreeg, heb ik een kleine installatie bijgedragen. Ik heb ook deelgenomen aan de tentoonstelling Marchandises van Annie Gentils in de Montevideomagazijnen, een tentoonstelling met vele Antwerpse kunstenaars, waaronder Guillaume Bijl. Ook in filosofische kring Aurora heb ik geëxposeerd. Daar hebben veel bekende kunstenaars tentoongesteld: Mare Schepers, Ria Pacquée, Guillaume Bijl, Guy Rombouts geloof ik ook. In 1983 heb ik schilderijen getoond in Ruimte Z’, toen Guillaume Bijl en Ria Pacquée de galerie hadden overgenomen van Walter Van Rooy. Ik had mijn atelier boven, ik denk dat ik nog op het idee ben gekomen om de galerie Ruimte Z’ te noemen, omdat het een verlengstuk van een bestaande galerie was. Daarna heeft Ludo Mich er nog een holografisch museum ingericht. In november 1985 heb ik tentoongesteld in galerie Portfolio van mijn kozijn Marc Steculorum. Eigenlijk was dat een fotogalerie, maar ik had net een enorm groot schilderij gemaakt en hij had plaats om dat te hangen. Frank Demaegd van Zeno X wilde dat schilderij eigenlijk, maar zijn galerie was te klein en het werk was al beloofd aan iemand anders. Spijtig, want Demaegd was heel erg gecharmeerd van het werk. Hij heeft ooit wel schilderijen meegenomen, maar hij was er niet zo zeker over, en ik eigenlijk ook niet. Als je dat zelf zegt, dan is het gedaan hé.

K.B./D.P.: Er waren dus wel mensen geïnteresseerd?

L.S.: Ja, maar daarna heb ik alleen nog meegedaan aan de groepstentoonstelling For Sale bij Chris Delaet. Toen is er veel verkeerd gelopen. Ik ben toen naar de RVA gegaan omdat ik wilde weten waar ik aan toe was. Het was een experiment.

K.B./D.P.: Hoezo? Je bent naar de RVA gestapt en je hebt gezegd: ik ben kunstenaar en ik stel tentoon. Om te zien hoe ze zouden reageren?

L.S.: Ik wilde rechtszekerheid. Ik was toen leraar, ik zat af en toe in de werkloosheid, en ik wilde weten wat mocht en niet mocht. Het was rampzalig. Ik hoorde het woord ‘proefkonijn’ – ze zeiden tegen elkaar dat ze mij als proefkonijn konden gebruiken. De volgende dag haalden ze mij bij de stempelcontrole uit de rij, en lieten ze mij een zelfgeschreven verklaring tekenen. Iedere keer dat ik tentoonstelde, moest ik hen op voorhand verwittigen. Nadat ik dat papier geschreven en getekend had, voelde ik mij alsof ze mijn armen hadden afgehakt. Ik dacht: het kan toch niet dat ik op kunstmanifestaties de controle binnenhaal en andere mensen in gevaar breng. Het was echt een gewetensprobleem. Bovendien, galeries willen toch dat je professioneel werkt, dus kon ik ook daar moeilijk met zo’n stom verhaal afkomen. Sommige mensen zeiden toen dat ik me dat niet moest aantrekken. Misschien hadden ze gelijk… Alhoewel, ze deden wel controle, de controleurs zijn bij Chris Delaet geweest en die vond dat toch niet zo plezierig.

K.B./D.P.: Je bent dus uit angst voor de arbeidscontrole gestopt om met je werk naar buiten te komen?

L.S.: Het was niet alleen dat. Ik begon toen ook te beseffen dat je als kunstenaar een regelmaat moet hebben. Je kunt niet ineens tien jaar verdwijnen, en ik wist niet of ik dat kon opbrengen. Ik moest het toch een beetje laten gebeuren, ik wilde dat niet forceren, want dan zou ik een proces onderbreken…

K.B./D.P.: Enerzijds is er de RVA, anderzijds is er het feit dat je vond dat je als kunstenaar een carrière moet opbouwen, wat jou eveneens afschrikte.

L.S.: Ja, je kunt zeggen dat het mij afschrikte… Op een gegeven moment begint de buitenwereld verwachtingen te koesteren over je werk. Maar het zijn die twee dingen samen, het is de combinatie van die twee elementen waardoor ik gestopt ben om naar buiten te komen.

K.B./D.P.: Je hebt na die historie gewoon doorgewerkt?

L.S.: Ja, tot er dingen gebeurd zijn die het te zwaar maakten. Dat was in de jaren negentig. Het kondigde zich al aan in de laatste werken, je kon al zien dat het mij te veel werd en dat de vormen weggingen.

K.B./D.P.: Had dat te maken met persoonlijke kwesties of met gezondheidsproblemen?

L.S.: Met gezondheidsproblemen en familiale problemen, en eigenlijk met energieproblemen. Ik moest alle energie in het behoud van mijn gezondheid steken, of in het behoud van datgene wat het leven een beetje leefbaar maakt. Ik moest vaak naar het ziekenhuis, en ik kon het ook niet meer opbrengen om dagelijks naar mijn atelier te gaan.

K.B./D.P.: Heb jij ooit werken verkocht?

L.S.: Nee.

K.B./D.P.: Nooit? Omdat je niet wou?

L.S.: Omdat ik er niet aan dacht. Toen ik weer begon te schilderen, wilde ik absoluut dingen laten zien, ik had de mensen wel kunnen aanklampen op straat, maar aan verkopen dacht ik niet. Dat is mij pas na verloop van tijd duidelijk geworden, ook door het contact met galeries. Op een keer zei Frank Demaegd tegen mij: ik wil met jou werken. Toen dacht ik, hoezo met mij werken, ik moet toch schilderen? Maar een galerie kan niet werken zonder te verkopen, zo zit onze cultuur in elkaar.

K.B./D.P.: Momenteel ben je nog wel aan het werk, maar niet noodzakelijk aan schilderijen. Je denkt na over hoe perceptie werkt, en hoe de vertaling van ideeën naar vormen gebeurt, maar je maakt geen schilderijen meer.

L.S.: Ja, en dat denken en schrijven is nooit af. In die zin ben ik ook nooit gestopt, vind ik. Schilderijen hebben wel het voordeel dat ze een product zijn, en dat je ze kan afwerken. Dat begin ik de laatste tijd wel te beseffen.

K.B./D.P.: Je lijkt enorm bezig met je eigen oeuvre. Je hebt al jouw schilderijen, de ideële en experimentele beelden, gedigitaliseerd. Van beide reeksen heb je een slide show gemaakt, met de beelden in chronologische volgorde. Waarom werk je niet gewoon verder aan je oeuvre in plaats van een inventaris te maken van wat je gemaakt hebt? Het lijkt wel alsof je je retrospectieve aan het voorbereiden bent.

L.S.: Ik doe dat omdat ik het begrip van mijn bestaan het meest kan vinden in dat werk. Mijn oeuvre verschaft mij een antwoord op de vraag wat ik eigenlijk op de wereld doe. Ik doe het ook omdat ik geloof dat beelden een kenvermogen aanspreken in de mensen, en waarschijnlijk ook in de dieren, dat veel ouder is dan de taal. Als je naar de Schelde gaat, en je ziet van die kleine spiraaltjes in de stroming van het water, hoe ontstaat dat? Hoe neemt materie vormen aan, hoe neemt licht vormen aan? Dat moet toch beantwoorden aan bepaalde principes van patroonvorming. Die vormen komen ook niet alleen in mijn schilderijen voor. Er is een hele wetenschap die daar mee bezig is, en soms maak je mee dat bepaalde vormen in de lucht hangen.

K.B./D.P.: Jouw experiment is indertijd slecht afgelopen, maar wat verhindert je om nu naar buiten te komen met je werk? Is er een probleem?

L.S.: Ja, dat ik niet meer besta in de kunstwereld. Aanvankelijk ging ik nog wel naar openingen en de mensen vroegen me dan wanneer ik nog eens naar buiten kwam. Maar dan kwam ik met zo’n onnozel verhaal, vandaar dat ik ook niet meer naar openingen ging. Ik heb recent nog wel een tentoonstelling gehad in Aurora, maar daar zijn misschien tien bezoekers geweest. Dat is een probleem, want hoe bestaat dat werk als niemand het ziet.

 

 

Walter Van Rooy

Koen Brams/Dirk Pültau: Hoe ben je op de tentoonstelling 1980 terechtgekomen?

Walter Van Rooy: Ik organiseerde in 1980 een grote groepstentoonstelling in Ruimte Z. Door de naam van de galerie waren we op het idee gekomen om de galerieruimte volgens de letters van het alfabet in 26 stukjes te verdelen. We nodigden 26 kunstenaars uit, en die zouden ook 1/26ste van de affiche krijgen, maar we konden die affiche niet betalen en daarom zijn we naar het ICC gestapt. Flor Bex heeft de kosten voor de affiche betaald, 30.000 Belgische frank. Een groot bedrag toentertijd. Enige tijd later zei hij dat we aan 1980 mochten meedoen. Ik weet eigenlijk nog altijd niet waarom Flor Bex die affiche betaald heeft, want wij waren het uitschot. Wij kwamen niet aan de bak. Wij zetten ons ook erg af tegen de kunstenaars die in het ICC tentoonstelden en die altijd hetzelfde deden, zoals Denmark. En tegen de stal van Lens Fine Art, met Pjeroo Roobjee en Reinier Lucassen, dat was ook zo’n kliek die we niet zagen zitten.

K.B./D.P.: Heel veel kunstenaars die banden hadden met Ruimte Z zijn in de tentoonstelling 1980 terechtgekomen. Leo Steculorum vertelde ons dat jij tegen Flor Bex zou hebben gezegd dat hij erbij moest zijn, terwijl Flor Bex zijn werk niet eens kende. Jij had dus invloed op dat moment.

W.V.R.: Nu je het zegt ja… Ik was me daar niet van bewust. Daniël Dewaele was inderdaad een van ons, en Guy Bleus werd ook door ons voorgesteld, want hij hoorde ook bij diegenen die niet aan de bak kwamen. Daarnaast waren er Leo Steculorum, Guillaume Bijl, Guy Rombouts. Misschien had ik toen veel te zeggen… maar nu heb ik in ieder geval niks meer te zeggen.

K.B./D.P.: Waren er ook kunstenaars die aan de groepstentoonstelling A-Z deelnamen en niet voor 1980 geselecteerd werden?

W.V.R.: Ja, Filip Francis bijvoorbeeld. Luc Deleu had ook met die 26 kunstenaars tentoongesteld. Ik had hem lang daarvoor gezien in een uitzending met Jan Van Rompaey, samen met Georges Smits. In die uitzending ging het over een man die zichzelf verhuurde, dat was Ludo Michielsen – Ludo Mich, die de eerste Antwerpse undergroundfilm heeft gemaakt, in de Zwarte Panter, met varkens tegen het plafond. Die namen waren bij mij blijven hangen, en Guillaume Bijl bleek die mensen te kennen. Zo zijn we bij hen terechtgekomen.

K.B./D.P.: Heb jij al die mensen zelf aangezocht? Welke rol heeft Guillaume Bijl daarin gespeeld?

W.V.R.: Ik heb ze aangezocht, maar we beslisten altijd in samenspraak. Niet alleen Guillaume Bijl deed mee, iedereen deed mee, Leo Steculorum en Danny Devos. We overlegden gewoon over wie er interessant bezig was. Guillaume Bijl zag wel de waarde van het feit dat je een groep vormde en samen tentoonstelde. Met zo’n groepsproject krijg je veel volk over de vloer.

K.B./D.P.: In het ICC toonde je vier doeken met verticale strepen in geel en zwart. Het valt op dat je erg visueel te werk ging, heel erg gericht op de perceptie. Dat werk zuigt enorm aan. Was dat de bedoeling?

W.V.R.: Ja, maar in een ander werk met strepen kun je zien dat ik ook met materie bezig was. Ik wist dat men dat zou zeggen, en besloot daarom om het ook anders te doen. In dat werk met geel en zwart kun je vluchten. Het voordeel aan abstracte werken is dat je nooit weet wat je ziet. Een figuratief werk legt altijd meer vast.

K.B./D.P.: Je bent in Antwerpen én in Gent naar de academie geweest.

W.V.R.: In Antwerpen was ik gebuisd in het eerste jaar. Ik ben daar gepest door een schilder, Lode Jacobs heette hij. Ik had 59,9% maar ik mocht niet overgaan. Hij maakte witte schilderijen, waarbij hij het wit zogezegd mengde met een pigment, maar je kon dat niet zien. Hij schilderde de kleren van de keizer! In mijn bisjaar had ik de ganse tijd ruzie met hem, en daarop ben ik naar Gent gegaan. Daar kwam ik terecht bij Karel Dierickx en daarna bij Jan Burssens. Van hem mocht je gewoon je zin doen. Op het einde van mijn studietijd won ik de Prijs Pycke van de academie, goed voor vijftigduizend Belgische frank. Ik ben die prijs echter niet gaan ophalen omdat ik dacht dat Guillaume Bijl een grap met mij had uitgehaald. Ik had een gekopieerd briefje gekregen waarin stond dat ik de Prijs Pycke had gewonnen, en dat er een receptie plaatsvond. Achteraf vernam ik dat Fons De Vogelaere mij op die receptie aan de schepen had willen voorstellen als kandidaat-docent aan de academie.

K.B./D.P.: Wat heeft de academie je bijgebracht?

W.V.R.: Ik vind het spijtig dat ik naar de academie ben geweest. Ik had daarvoor in Gent op het HIGRO gezeten, het Hoger Instituut voor Grafisch Onderwijs, en eigenlijk had ik daar alles kunnen leren. Daar leer je tekenen zonder dat het over kunst gaat. Op de academie gaat het zogezegd over kunst en tegelijk leer je tekenen, maar tekenen en kunst maken zijn twee verschillende dingen.

K.B./D.P.: Een van je eerste tentoonstellingen vond plaats in Schoonaarde in 1979. Schilders van het berouw heette ze.

W.V.R.: Ja, de schildersateliers in Gent lagen aan een straat die het Berouw heette. In Schoonaarde exposeerde ik samen met Luc Buelens en nog twee beginnende kunstenaars, denk ik, maar ik ben hun namen vergeten. Ik stelde er een reeks werken tentoon, de Zeven dagen van de week – elke dag stemt overeen met een schilderij – en nog ander werk. Luc Buelens exposeerde ook schilderijen. Hij schilderde met kalk, gemengd met pigment, op kapotte, oude planken. Samen realiseerden we een werk onder de naam Liefde en Berouw. Voor dat werk gebruikten wij de kaft van een catechismus waarop we tekeningen maakten. De tentoonstelling was in een taverne, een gerestaureerde hoeve, en de uitbater was Karel Dierickx komen vragen of hij niemand kende die wilde tentoonstellen.

K.B./D.P.: Deed jij dan met twee projecten mee aan 1980, want Liefde en Berouw was daar ook van de partij?

W.V.R.: Nee, Luc Buelens vroeg me of hij de naam verder mocht gebruiken en ik heb daarin toegestemd. Het paste beter bij hem, hij leefde van de liefde van andere mensen, van wat die hem toestaken. Het kan wel zijn dat hij mede door mijn toedoen geselecteerd was voor 1980.

K.B./D.P.: In 1979 heb je niet alleen geëxposeerd in Schoonaarde, maar had je ook een solotentoonstelling in het Pannenhuis. Wat heb je daar getoond?

W.V.R.: Ik weet het niet meer, ik herinner mij dat ik in het Pannenhuis een performance deed, en daarna heb ik nog een performance gedaan in Kassel, in 1978 of 1979. Dat was in de tuin van een Duitse kunstenaar die een alternatieve tentoonstelling georganiseerd had omdat hij niet mocht meedoen aan Documenta. Hij heeft toen een aantal mensen uitgenodigd, waaronder mij, Ria Pacqueé en, geloof ik, ook Danny Devos. Ik heb toen minstens dertig zakjes kruit in de grond gestopt, en toen de tentoonstelling openging liet ik die ontploffen. Dat was de openingsact. Heel dat veld ontplofte ineens. Die tentoonstelling was ineens van mij alleen!

K.B./D.P.: Omstreeks die tijd begon je met Ruimte Z. Waarom wilde je daar toen al per se mee beginnen? Je studeerde toen nog in Gent.

W.V.R.: Ik besefte dat ik iets moest gaan doen. Antwerpen was toen een soort niemandsland, er was niks, je kwam niet aan de bak. De Wide White Space was al een tijdje opgedoekt. Pas in 1986 zijn er weer galeries gekomen en is de kunst weer doorgebroken in Antwerpen. In Gent gaf Wim Van Mulders onder meer les over Ben, die een winkeltje had in Parijs. Ruimte Z is daar eigenlijk een beetje op geïnspireerd. Wij wilden ons doen opmerken, en we dachten: we gaan ook zoiets doen als Ben.

K.B./D.P.: Je spreekt de hele tijd over ‘wij’. Wie waren je compagnons?

W.V.R.: Luc Buelens en Lilian Mikolajewska, die ook in Gent op de academie zaten. Toen ik dat plan opvatte, vroeg ik wat zij ervan dachten en of ze niet mee wilden doen. Ik zag dat immers niet commercieel, anders had ik het inderdaad alleen moeten doen. Ik vond ook dat elke kunstenaar daarbij betrokken mocht zijn, daarom spreek ik over ‘wij’. We hadden ook een tijdschriftje, gewoon vijf of zes gestencilde bladzijden, en we zijn toen Beuys gaan interviewen, ik, Luc Buelens en Fred Verelst, die altijd met de auto reed. Twee uur en een half, over die Eurasienstab, die energiekracht die Europa en Azië verbindt. Ondertussen hadden we de foto’s van die coyoteactie van Beuys tentoongesteld. Dat was onze eerste tentoonstelling, en meteen waren we bekend in heel België. Later heb ik nog Panamarenko en Jan Hoet geïnterviewd, en wie nog allemaal. Hoet heeft ons toen buitengesmeten, want wij waren nogal kritisch. Hij is daar nog altijd kwaad over, ook omdat wij dat interview letterlijk – woord voor woord – hadden uitgetypt.

K.B./D.P.: Het interview met Beuys was in 1978. Toen had hij al in Gent tentoongesteld?

W.V.R.: Hij had inderdaad al in Gent tentoongesteld. Ik besefte toen eigenlijk niet dat hij zo belangrijk was, dat ging allemaal zo vlot. We mochten onmiddellijk afkomen, en had ik hem gevraagd een werk voor ons te maken, dan had hij dat waarschijnlijk gedaan. Beuys kon enorm in zichzelf doorgaan, maar op het laatst begon hij opeens over de meisjes in Antwerpen. Heel ontspannend. Als je jong bent, dan kun je veel meer gedaan krijgen.

K.B./D.P.: Is Jan Hoet op de opening van de Beuystentoonstelling geweest?

W.V.R.: Hij is komen kijken, maar niet op de opening. Op de vernissage was wel Marc Callewaert van de Gazet van Antwerpen. Hij schreef elke maand over ons, ik moest hem maar bellen en hij kwam af. Hij was heel ruimdenkend. Hij schreef cursiefjes, en soms ook grote artikels, ik denk over Guy Rombouts en ook over Guillaume Bijl. Callewaert heeft erg veel voor Ruimte Z gedaan. We hadden ook eens een artikel in de Knack. Het sloeg op niks, maar we stonden wel in de Knack.

K.B./D.P.: Wie heeft daarna nog in Ruimte Z tentoongesteld?

W.V.R.: Na Beuys kwam Jan Lauwers, samen met Lucy de Graaf, want die mensen kende ik van op de academie in Gent. Daarna kwam Dany Deprez, die toen constructivistisch werk maakte en die ook op de academie zat. En Guy Rombouts en Guillaume Bijl. Ook Danny Devos, Wout Vercammen en Filip Francis hebben in Ruimte Z tentoongesteld. Ik geloof ook Ria Pacqueé, en Carla Meertens die werk maakte dat over horen en zien ging. Dat was niet slecht. Ergens in 1982 hebben Guillaume Bijl en Ria Pacquée de galerie overgenomen. Ik was het beu. Daarna heeft Ludo Mich er nog een holografisch museum gehad.

K.B./D.P.: Hoe kende je Guillaume Bijl? Kwam hij daar langs?

W.V.R.: Guillaume Bijl kwam elke dag langs, met zijn map, met allemaal projecten, het project Leger enzovoort, helemaal uitgewerkt en uitgetypt. Hij had zo tien projecten in een koker zitten of in een map. Hij werkte toen bij De Standaard Boekhandel. Ik wilde zijn werk aanvankelijk eigenlijk niet tentoonstellen, maar hij lulde mij gewoon plat. Hij heeft toen zijn eerste installatie gemaakt: Autorijschool Z. Mijn schoonmoeder gaf les in de Kerkstraat. We zijn daar rommel gaan halen en we hebben een hele autorijschool tot voor het gebouw gesleurd en erin gezet. Guillaume was daar straf in, en hij kende veel volk. Het is grotendeels te danken aan Guillaume Bijl dat ik daarna zoveel contacten had. Ik was zelf een beetje een vreemde in Antwerpen. Via Guillaume Bijl ben ik terechtgekomen bij Guy Rombouts, die toen steentjes verzamelde. Hij had schuiven vol met alleen maar steentjes. Rombouts heeft bij ons zijn eerste tentoonstelling gehad. Hij schilderde zijn alfabet op de ruit, met allemaal drieletterwoorden, aal, bol, col… urn… En binnen lagen 26 dingen, elk voorwerp was een drieletterwoord. Op een zaterdag heeft hij een act gedaan: een hele dag heeft hij een steen nat gehouden met een penseel. En op de slotdag is hij al die voorwerpen die in de galerie lagen komen halen. Hij stapte naakt uit een taxi, de galerie binnen, omkleedde zich met van alles en pakte de rest mee.

K.B./D.P.: Heeft Bijl nog meer mensen aangebracht?

W.V.R.: Ria Pacquée misschien, al waren zij niet zo goed bevriend als nu.

K.B./D.P.: Danny Devos heeft ook performances gedaan in Ruimte Z.

W.V.R.: Ja, in de keuken vanachter. Hij hing zich ook op aan het plafond, de mensen dachten toen dat Ruimte Z een seksclub was geworden, en op een avond heeft hij ook eens in een kist gezeten, in de kelder. Ik denk dat het zijn bijdrage was aan die tentoonstelling met 26 kunstenaars.

K.B./D.P.: Blijkbaar voegden veel kunstenaars in Ruimte Z een klein performance-element aan hun werk toe, zonder dat het om performancekunst gaat. Rombouts stelt tentoon en doet op de laatste dag die act. En als Leo Steculorum het heeft over die termen in het Pannenhuis, en over het feit dat mensen zelf termen mochten aanvullen, dan noemt hij dat ‘een happening op het einde van de happening’.

W.V.R.: Ik weet het niet, ik heb in elke periode mensen geweten die performances deden. Dat waren eigenlijk ludieke acties. Toen was alles nog veel plezanter dan nu, terwijl vandaag alles zo serieus is en iedereen zich zo serieus neemt.

K.B./D.P.: Heb je eigenlijk zelf in Ruimte Z tentoongesteld?

W.V.R.: Neen.

K.B./D.P.: Was dat uit principe?

W.V.R.: Ja, ik heb nooit aan mijn carrière gewerkt en ik vond dat kunst ook niet commercieel moest zijn en ben daar nooit mee bezig geweest. Ik heb mezelf altijd weggecijferd.

K.B./D.P.: In 1981 was je laureaat van de Jeune Peinture Belge, die toen Prijs Perspektieven heette.

W.V.R.: Daar heb ik het werk Poolse tekenverhalen getoond, een reeks van dertien schilderijen van twee meter twintig op twee meter tachtig, in combinatie met een schommelpaard van vijf meter hoog. Ik had een boekje met tekenverhalen gekocht, in een kruidenierswinkeltje in Polen, toen ik daar midden jaren zeventig met vakantie was. Ik heb de prenten uit dat boekje gekopieerd, ik heb ze met een vergroter op panelen geprojecteerd. Die werken waren allemaal grijs geschilderd, en hier en daar voegde ik een kleur toe. De tekeningen waren heel primitief. In Polen was toen echt niks. In alle winkels was er één soort bloem, één soort melk, één soort suiker, totaal onaantrekkelijk… maar misschien is dat ook wel plezant. Je gaat naar de winkel, je vraagt een pak bloem en je steekt dat weg. Terwijl je hier altijd moet beslissen wat je wil, dat is soms ook wel heel moeilijk.

K.B./D.P.: Wat was eigenlijk het idee achter dat paard?

W.V.R.: Dat paard was ook een kopie. Het was gebaseerd op een schommelpaard dat mijn schoonvader voor zijn kinderen had gemaakt. Het gaat ook over het repetitieve en het zinloze. Schommelen… spitten in de tuin en altijd maar rechtdoor spitten… op het einde van de dag een boterhammeke en de volgende dag doe je voort. Zonder je af te vragen waarom. Dat zou ik heel graag doen. Dat repetitieve zit ook in die schilderijen met die verticale strepen.

K.B./D.P.: De band tussen de schilderijen en het schommelpaard is dus dat beide gekopieerd zijn?

W.V.R.: Ja, als je iets kopieert, dan moet je niet nadenken, je vult het gewoon in.

K.B./D.P.: Moesten het schommelpaard en de schilderijen samen worden gepresenteerd?

W.V.R.: Ja. Ik heb dat toen gedaan, omdat de mensen het beter zouden begrijpen. En het is een attractief beeld.

K.B./D.P.: Met dit werk werd je laureaat van de Jeune Peinture Belge. Dat was dus eigenlijk een heel goed begin.

W.V.R.: Ja, meteen bij het binnenkomen van het Paleis voor Schone Kunsten botste je op dat werk. Dat was wel geslaagd, maar er waren toen ook andere kunstenaars die zichzelf beter konden verkopen. Ik ben daar nooit zo mee bezig geweest. Ik heb daarna nog een reeks gemaakt die Richtingen, duidingen en mogelijkheden heette. Dat zijn eigenlijk verkeersborden, maar het zijn ook voorstellingen van straten die op een kruispunt uitkomen. Alle straten komen uit op een hoofdbaan, alles wordt gecentraliseerd naar een weg. Of je nu alternatief bent of punk, het is allemaal hetzelfde. De samenleving centraliseert alles, daarom heb ik dat thema gekozen. Ik heb zo’n werk verkocht aan de Belgische staat. Onlangs werd Johan Vande Lanotte voor dat werk geïnterviewd op de televisie!

K.B./D.P.: En die reeks schilderijen heb je tentoongesteld in Zeno X in 1983?

W.V.R.: Ja, net als dat schommelpaard geloof ik. Met Ruimte Z was het toen afgelopen, en Frank Demaegd was net begonnen met Zeno X. Hij wilde de kunstenaars van Ruimte Z eigenlijk zo’n beetje overnemen. Hij toonde mij, en hij heeft ook Guillaume Bijl en Guy Rombouts getoond. Ik denk dat ik een van de eerste exposanten was.

K.B./D.P.: Dat was je laatste tentoonstelling. Waarom ben je eigenlijk gestopt?

W.V.R.: Ik walgde van het kunstwereldje. Ik gaf deeltijds les aan de academie van Kontich, maar ik raakte daar niet benoemd. Ik deed voortdurend mee aan examens en was telkens gebuisd. Die examens dienden niet om de kandidaten te testen, maar om de mensen die al op de academie werkten vast te benoemen. Dat was allemaal pro forma, om de benoeming op te poetsen. Ik was het beu. In die tijd raakte ik aan de praat met mijn broer over het opzetten van een zaak. Samen hebben we besloten om een broekenwinkel te openen.

K.B./D.P.: Omstreeks die tijd ben je ook met Ruimte Z gestopt?

W.V.R.: Ja, de galerie was ik ook beu. Zoals ik al zei, ik was compleet gedegouteerd van het kunstwereldje. Er werd toen bovendien een controle uitgevoerd op de vzw’s. Toen bleek dat wij een half jaar niks hadden gedaan, moesten we de zaak opdoeken.

K.B./D.P.: Heb jij nog veel documentatie van Ruimte Z?

W.V.R.: Nee, dat lag allemaal in een kelder, en die is midden jaren negentig ondergelopen. Ik dacht, het interesseert toch niemand dus smijt ik de boel maar weg.

K.B./D.P.: Spijtig.

W.V.R.: Ja, en dan worden er kunstboeken uitgegeven en word je niet eens vermeld, terwijl Ruimte Z toch veel heeft teweeggebracht in Antwerpen. Als je het lijstje overloopt van kunstenaars die het later gemaakt hebben: Guillaume Bijl, Guy Rombouts, Jan Lauwers, Dany Deprez, Ria Pacquée, Guy Bleus… Een initiatief als Club Moral bijvoorbeeld wordt overal vermeld, terwijl daar niet veel uit is voortgekomen. Waarschijnlijk heb ik mij te lang niet laten zien. Nadat ik de winkel opendeed, ben ik misschien nog twee of drie keer op een opening geweest. Ik ging niet naar feestjes, omdat ik zo gedegouteerd was en daardoor wist niemand op de duur nog dat ik bestond.

K.B./D.P.: Waar was jouw broekenwinkel? Was die in Antwerpen?

W.V.R.: Nee, in Lille. Ik vroeg toen aan Guillaume Bijl of hij geen goede naam wist voor die broekenwinkel, en toen zei hij De Broek. Ik zei De Broek, ah ja, da’s goed! Ik maakte toen een broek van vijf meter hoog als landmark. Samen met mijn broer ben ik vijftienduizend broeken gaan kopen, in één pakket. Het hele huis lag vol, en dan moet je weten dat ik niks van broeken kende, ik wist zelfs niet dat er maten waren. Straf hé! Toen een klant om een bepaalde maat vroeg, bleek dat er maar vijftien broeken van die maat bij waren. We hadden heel goedkoop ingekocht, maar de maten waren verkeerd en de broeken hadden allemaal van die brede pijpen, net toen die mode gedaan was. De samenwerking met mijn broer heeft niet langer dan een half jaar geduurd. Ik heb die broeken doorverkocht voor dezelfde prijs, aan twee snullen zoals wij. Plots had ik winst, want er waren al broeken verkocht. Toen heb ik daarachter een grote winkel gemaakt van driehonderd vierkante meter, en dat heeft heel goed gedraaid, zo’n achttien, twintig jaar.

K.B./D.P.: Ben je van de ene dag op de andere gestopt met de kunst?

W.V.R.: Ik heb in Lille nog een beetje geschilderd want ik had daar plaats, maar het heeft niet lang meer geduurd.

K.B./D.P.: Waarom ben je met De Broek gestopt?

W.V.R.: Omdat ik het moe was. Het was zenuwslopend werk, je bent alleen maar bezig met geld verdienen. Geld verdienen is niet moeilijk. Veel van die jonge kunstenaars zouden beter met een soepbar beginnen of iets anders opzetten, want die denken alleen maar aan rijk worden. En rijk worden is niet moeilijk.

K.B./D.P.: Je hebt de winkel van de hand gedaan?

W.V.R.: Ja, en die mannen zijn failliet gegaan. Ik heb goed geld verdiend, en ik wilde terug gaan schilderen. Maar als ik nu wil meedoen, dan zeggen ze dat ik te oud ben. Ik heb vroeger tentoongesteld in de Zeno X Gallery van Frank Demaegd, en die zei: “Maar Walter, jij bent gestopt, wat als je wéér gaat stoppen.” Dus kom ik niet aan de bak.

K.B./D.P.: Je bent gestopt begin jaren ’80 en vier jaar geleden terug begonnen?

W.V.R.: Ik ben terug begonnen in 2000 of in 1999. Ik dacht toen, wat moet ik nu doen, want het is heel moeilijk om na zo lange tijd weer een borstel vast te pakken. Ik kwam op het idee om die schilderijen uit die reeks Poolse tekenverhalen te herwerken. Ik heb er ook aan gedacht om dat paard opnieuw te maken. Wat moet je immers doen als je wilt herbeginnen?

K.B./D.P.: Heb je nog andere oude werken opnieuw ter hand genomen?

W.V.R.: Op de reeks Richtingen, duidingen en mogelijkheden heb ik een variatie gemaakt. Ik heb een versie gemaakt zonder het motief van dat verkeersbord, omdat ik dat labyrint op de achtergrond ook wel goed vond. Daar loop je dan wel in verloren. Ook die Kasselperformance heb ik bewerkt. Bij een foto van die performance heb ik de titel Bush-kruit geplaatst.

K.B./D.P.: Wat was de volgende stap?

W.V.R.: Daarna heb ik een twintigtal borsten geschilderd, alleen maar vrouwenborsten, omdat dat iets is waar je je als man goed bij voelt. Zogen aan de moederborst is gemakkelijk, net zoals dat repetitieve van dat schommelpaard. Je hoeft niets te doen, alleen zuigen, ogen dichtdoen, zuigen, ogen dichtdoen… Je moet nergens schrik van hebben, de beschermende figuur zal alles regelen. Die schilderijen zijn alleen goed als je ze alle twintig naast elkaar ziet. Vervolgens heb ik geprobeerd iets te doen met mijn borstel, en toen heb ik werken gemaakt vanuit de beweging van de borstel over het doek.

K.B./D.P.: Die kronkelende verfbanen doen denken aan ingewanden. Of is dat gewoon abstract?

W.V.R.: Dat is abstract werk. Het doet inderdaad aan darmen denken, maar dat is gewoon de breedte van die borstel. Momenteel ben ik bezig met fluorkleuren. Je moet dat op het gevoel bekijken, veel van die dingen.

K.B./D.P.: Heb je tentoongesteld sinds je terug begonnen bent?

W.V.R.: Nee, ik heb alleen wat werk verkocht aan mensen die net zoals jullie op bezoek kwamen. Ik zou niet weten waar ik kan tentoonstellen… Ik leef hier in Kessel in een zwart gat, ik zit te afgezonderd. De enige manier om op te vallen, dat geldt vandaag nog altijd, is door zelf terug een ruimte te beginnen.

 

 

In de loop van 2005 vindt in de Jan Van Eyck Academie een onderzoekstentoonstelling plaats over Ruimte Z en het werk van Walter Van Rooy (duur: één week).

Wim Wauman

Geboren: 1976, opgegroeid in Sint-Niklaas.  Studies: Hogeschool Antwerpen, optie Fotografie (tot juni 2000), nadien Hoger Instituut voor Schone Kunsten (september 2000 tot december 2002).  Woonplaats: Antwerpen. Zijn woonplaats is ook zijn werkplaats; een grote ruimte aan de straatkant van het appartement dat hij bewoont met zijn vriendin, een modeontwerpster, doet dienst als ‘atelier’ voor hen allebei.  Galerie: niet verbonden aan een galerie.

Media: fotografie en in mindere mate video. In presentaties brengt hij de beelden steeds met elkaar in verband, en probeert hij de tentoonstellingsruimte en de beelden op elkaar te betrekken. De foto’s gaan deel uitmaken van een groter geheel dat ook ander materiaal kan bevatten, zoals postkaarten, knipsels of video. Zo presenteerde hij in De Alpen (Netwerk Galerij, Aalst) en in Arena (Socio-Cultureel Centrum Elzenveld, Antwerpen), telkens in 2004, prikborden waarop hij postkaarten met eigen foto’s combineerde. In Pieces Of Paradise – The Conversation (Window Store & Gallery, Antwerpen, 2002) lag een foto op de grond, naast foto’s die aan de muur hingen – er was ook een video. Momenteel houdt hij zich bezig met het ‘ontwerpen’ van (denkbeeldige) tentoonstellingen, die hij opvat als integrale, muurvullende presentaties met foto’s die zijn afgedrukt op verschillende formaten.  Landschap: uit zijn academietijd dateert een sterke betrokkenheid op het landschap. Door een bijzondere lichtinval – lichtreflecties, een opname bij valavond, de aanwezigheid van water in het beeld – voorziet hij de plekken die hij fotografeert van een aura, ondanks zichzelf haast. De onderwerpen van zijn eerste foto’s zijn eerder banaal (een geparkeerde auto, een speelplein met bomen, een industrieterrein, een verlichte gevel), maar hij merkt dat deze dingen er ‘beter’ gaan uitzien op foto. Gaandeweg verlaat hij de (schilderkunstige) conventie van het landschappelijke beeld, het beeld dat alleen al verbaast door zijn uitgestrektheid. Hij zoomt in en fotografeert bijvoorbeeld de schors van bomen op verschillende plaatsen in de wereld, waarbij de aandacht gaat naar kwetsuren in de stam, naar ingekerfde graffiti, naar de textuur van een kurkeikschors. Door zijn focus op het fragment maakt hij het onderwerp los uit zijn ‘habitat’.  Cirkel:Opgeslorpt door het detail, door het beeldfragment dat alle aandacht bundelt, verdwijnen de randen van het beeld uit het zicht: hij gaat beelden cirkelvormig afdrukken. De focus wordt er nog door versterkt.  Optiek: Het licht (of de lucht) en het water blijven aanwezig. Daardoor ontstaat een gevoel van ruimtelijkheid, en lijkt alles ook ondergedompeld ‘in een bepaald licht’. De foto’s van Wauman refereren aan een ‘romantische’ of idealiserende manier van kijken. Hoewel hij steeds uitgaat van wat hij ‘op locatie’ tegenkomt, getuigt zijn werk van een fascinatie voor de (be)spiegelende blik: voor conventies van het maken en bekijken van beelden. Zo is hij onder andere geboeid door symmetrie. In sommige beelden vindt hij die symmetrie op de plek zelf; andere beelden zijn door digitale manipulatie symmetrisch ‘gemaakt’ (dat geldt voor een reeks gespiegelde, symmetrische eilanden).

Statuut: werkloos (uitkeringsgerechtigd).  Beurzen: in 2001, 2002 en 2003 ontving hij van de Vlaamse Gemeenschap een Werkbeurs voor Beeldend Kunstenaars. Het betrof een ‘gewone werkbeurs’, wat inhoudt: een niet-belastbaar bedrag tussen 4.000 en 7.500 euro, bestemd voor de ondersteuning en ontwikkeling van het oeuvre. Bedragen worden uitbetaald in twee schijven: 80% na principiële goedkeuring in september van het jaar van de aanvraag, en 20% na de aanvaarding door de administratie van een verslag van de recente kunstactiviteit, dat door de kunstenaar zelf wordt opgemaakt. Wauman beargumenteerde zijn subsidieaanvraag door te verwijzen naar zijn deelname aan tentoonstellingen. Wie drie jaar na elkaar een werkbeurs ontving, kan voor de twee daaropvolgende jaren echter geen werkbeurs meer aanvragen. Wauman moet dus op zoek naar andere financieringsbronnen.  Tewerkstelling: voor sommige “dagen van activiteit” die in verband staan met de kunstenaarsloopbaan volstaat het om een “vakje zwart te maken” op de controlekaart van de werkloosheidsdienst. Concreet geldt dit voor de “aanwezigheid op een tentoonstelling, indien deze aanwezigheid vereist is op grond van een overeenkomst met een derde die uw creaties commercialiseert; aanwezigheid in lokalen die bestemd zijn voor verkoop indien u zelf instaat voor de verkoop; prestaties verricht tegen betaling van loon”. Maar zelfs een infosessie van het NICC verschafte geen opheldering over wat daar precies mee bedoeld wordt, en wat nu toegelaten wordt en wat niet. Dat maakt de combinatie tussen het werklozenstatuut en het ‘werken’ als kunstenaar niet langer houdbaar. Wauman wil zo snel mogelijk van deze situatie af. Hij ambieert een aanstelling aan een hogeschool (de enige optie omdat hij niet over het ‘aggregatie’-diploma beschikt om les te kunnen geven in het middelbaar onderwijs) en heeft daarvoor reeds gesolliciteerd. Een voltijdse betrekking hoeft niet: 30% tewerkstelling zou hem een dag per week aan de slag houden, 60% biedt als bijkomend voordeel dat hij zijn artistieke activiteiten kan organiseren onder het statuut van “zelfstandige in bijberoep”. De hoop op een aanstelling in het kunstonderwijs is groot, want dat zou hem toelaten “op een nuttige manier met het medium bezig te zijn zonder vast te lopen in commerciële opdrachten”. Dat hij kan bezig zijn met jonge mensen, vanuit zijn eigen visie, zou ook zijn eigen ontwikkeling stimuleren: “het is een manier om geld te verdienen en toch als kunstenaar te worden aanzien”. Toch overweegt hij nog een andere piste, namelijk die van professionele tentoonstellingsmedewerker in een galerie of museum. Door de betrokkenheid bij het hele proces, niet alleen de opbouw, zou hij de instituten, hun werking en hun ‘netwerk’ van binnenuit leren kennen.

Opdrachten: in het verleden deed Wauman heel wat commercieel werk in opdracht: foto’s van Mechelen voor een ‘trade’-folder; foto’s van Antwerpen in opdracht van Antwerpen Open en een opdracht van het Flanders Fashion Institute voor een documentaire over kleurvlakken in de stad, in het kader van LANDED/GELAND (en gepubliceerd in de catalogus). Daarnaast ook foto’s voor een seizoensbrochure van het hedendaags muziekgezelschap Champ d’action; foto’s voor een promotiebrochure van Pentax-camera’s; een boekje uitgegeven door het Flanders Fashion Institute met 32 foto’s van installaties in Antwerpse vitrines, door modeontwerpers gemaakt, en foto’s voor een catalogus van de modeafdeling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Antwerpen). Momenteel werkt hij voor de Vlaamse Opera – het contact kwam tot stand via Inge Henneman, medewerkster van het Antwerpse FotoMuseum, die gevraagd werd een ‘shortlist’ van jonge fotografen op te stellen. Wauman verzorgt de foto’s voor de seizoensbrochure en een reeks beelden voor de affiches van de komende operaproducties. Hij noemt dit een voorbeeld van een commerciële opdracht waarvoor men “zich niet moet verkopen tegen zichzelf in”. Met de Vlaamse Opera werd overeengekomen dat Wauman zich zal houden aan zijn cirkelmotief en dat zijn beelden “qua sfeer” moeten passen bij het thema van de opera. De eerste affiche (voor Ariane et Barbe-Bleue van Paul Dukas) is ondertussen klaar. Ze toont een jonge vrouw in tegenlicht en vanop de rug; ze bevindt zich in een tunnel en beroert de tunnelwand met haar hand. Voor de seizoensbrochure waren de richtlijnen van de opdrachtgever preciezer: men vroeg om in beide operagebouwen een reeks beelden te maken naar het voorbeeld van de digitaal gespiegelde ruimtes die Wauman al in het verleden had gemaakt. Het resultaat zijn gespiegelde, droomachtige ruimtes. Wauman ervaart deze opdracht alleen als een compromis in zoverre “de opdrachtgevers beelden uitkozen in functie van hun verhaal”, daar waar hijzelf “andere beelden sterker zou vinden”. Daar stond tegenover dat Wauman aangetrokken werd door het gegeven dat de beelden op straat te zien waren en niet in een galerie. Hij spreekt over een “samenwerking” en noemt die “verrijkend”; het was een gelegenheid om de “operawereld” beter te leren kennen – het instituut en de producties, het internationale netwerk, de vertakkingen naar andere culturele organisaties, en het prestige dat eromheen hangt. Het was “een andere kunstwereld”. Ook voor zijn artistieke werk was de balans positief. Na ettelijke commerciële opdrachten, was hij het maken van foto’s in het Antwerpse stilaan moe, maar de opdracht voor de Vlaamse Opera had een omgekeerd effect: het fotograferen in de directe omgeving bevalt hem weer beter. Hij overweegt ook om opnieuw geënsceneerde beelden te maken en daarvoor met anderen te gaan samenwerken. “Een opdracht kan je nieuwe impulsen geven, je weer zin doen krijgen in iets anders.”  Verkoop: tot nu toe sporadisch. Werken van Wauman in privécollecties: Siamese Twins en Reflection in de Collectie Océ-Van der Grinten, Venlo (Nederland); Duet (Space Center) en Agora I-VII in het VLD-Partijbureau, Brussel (via Johan Swinnen, voormalig directeur van het HISK); The Marriage en Mirror Island #02 in de Collectie Nationale Bank van België, Brussel.

Professionalisering: Wauman kwam voor het eerst terecht in een “tentoonstellingscircuit” toen hij aan het HISK zat. Volgens hem wordt een verblijf aan het HISK doorgaans toegewezen op basis van wat de kandidaten al lieten zien in tentoonstellingen, maar dat lag voor hem anders. Hij kwam in 2000 pas van de academie, en was enkel laureaat geweest van Het Gouden CJP (Cultureel Jongeren Paspoort) – een wedstrijd voor fotografen onder de 25 jaar. De stap was niet evident. “Aan het HISK kom je niet meer ‘studeren’, je bent al kunstenaar. In het begin had ik de indruk dat sommige gastdocenten per se wilden afbreken wat ik voordien gedaan had. Dat was verwarrend, maar misschien betekent het alleen dat ik te vroeg naar het HISK ben gegaan. Ik voelde mij in ieder geval sterker worden naarmate ik foert leerde zeggen en het aandurfde om op mijn eigen manier verder te gaan. Stilaan bouw je zelfvertrouwen op. Je leert ook om jezelf te verdedigen. In het tweede jaar begon dat vruchten af te werpen: ik begon de taal van mijn beelden te onderzoeken, ik vond daar een lijn in en ging op basis daarvan meer uitzuiveren en selecteren.” Er was weinig financiële of materiële steun voor het produceren of tentoonstellen van werken. De steun werd bovendien niet evenwichtig verdeeld en volgens onduidelijke criteria toegekend. Het HISK biedt in de eerste plaats een atelier aan, naast begeleiding door gastdocenten die gaan en komen. “Omdat de gastdocenten zelf kunstenaar, organisator of theoreticus waren, en omdat ieder van hen begon met een presentatie van zijn of haar eigen werk, leverde dat soms vergelijkingspunten op, zaken waaraan ik mezelf kon spiegelen. Dat was een steun, en het heeft mij aangespoord om me te concentreren op mijn eigen werk. De discussies en confrontaties kunnen je bijvoorbeeld doen inzien dat niet iedereen je werk moet of kán goedvinden.” Deze contacten zorgden, samen met het prestige van het instituut, voor belangstelling van buitenstaanders. Wauman werd uitgenodigd voor verschillende tentoonstellingen: Tracer, Provinciaal Archeologisch Museum Ename, Oudenaarde (curator Edith Doove); Contour, Mechels Audiovisueel Festival, Mechelen (curator Etienne Van den Bergh); Spread In Prato, Prato, Italië (curator Pier Luigi Tazzi);Happiness: A Survival Guide for Art and Life, Mori Art Museum, Tokio, Japan (curatoren David Elliott en Pier Luigi Tazzi). De internationale contacten van de instelling resulteerden ook in een verblijf van enkele weken als artist in residence in het Fine Arts Work Center, Provincetown (MA), Verenigde Staten (september 2002). “Voor mijn verblijf aan het HISK maakte ik alleen foto’s in mijn directe omgeving. Daarna wilde ik deelnemen aan groepstentoonstellingen in België. Mijn huidige prioriteit is een solotentoonstelling in een gepaste ruimte en omgeving. Maar dat is erg moeilijk zonder de steun van een galerie. Het gaat in ieder geval trager.”

Prospectie: Wauman brengt een groot deel van zijn werktijd door achter de computer, om een website op te bouwen. Hij wil een platform maken dat hij zelf doorlopend kan aanpassen en actualiseren. De site moet een soort “levensloop” in beeld brengen, met ruimte voor gerealiseerde commerciële opdrachten, naast tentoonstellingen en het ‘vrije’ werk. Het doel is vooral praktisch: mensen informeren die nu komen aankloppen voor documentatie of voor een dossier. Gaat het om een vorm van (zelf)promotie? “Eerder mezelf op de kaart zetten en bereikbaar worden. Het geeft mij ook een beetje controle over wat over mij verschijnt op het net.” De vorm wil hij vooral “heel overzichtelijk” houden. Waarschijnlijk zal hij samenwerken met een webdesigner, maar dat moet wel iemand zijn die zonder budget wil werken (die bijvoorbeeld wil werken in ruil voor een kunstwerk) en die bereid is van Waumans eigen vormgeving te vertrekken. De website dient niet om werken te verkopen. Wat houdt hem tegen? Dat je dan “op je eiland” blijft zitten en niet de vruchten plukt van het netwerk dat wordt aangeboden door een galerie. Het zou de eventuele samenwerking met een galerie ook in het gedrang kunnen brengen. Wauman is nog niet actief op zoek naar een galerie. Hij neemt eerder een verkennende, aftastende houding aan. Hij ziet een galerie als een steun om professioneel te kunen werken, en in dat verband denkt hij aan het netwerk van de galerie, de contacten met curatoren en verzamelaars, de promotionele functie en de praktische taken, zoals het bepalen van de prijs en het regelen van de verkoop, de opslag en het transport van kunstwerken. Toch prijst hij zichzelf gelukkig dat hij nog “onafhankelijk” kan werken, zonder een specifieke ruimte of context voor ogen. Aan de andere kant brengt dat een “afgeslotenheid” met zich mee; het is ook een nadeel om niet naar een specifieke ruimte toe te kunnen werken.

Werkregime: zo’n dertig uur per week. De laatste tijd bracht hij gemiddeld twee maanden per jaar door in het buitenland, om daar intensiever te fotograferen. Het verzamelde materiaal hield hem de rest van het jaar bezig: beelden selecteren, ontwikkelen, inscannen, combineren enzovoort. Los daarvan maakte hij weinig foto’s. ‘Bezig zijn’ met zijn werk houdt voor hem ook in: tentoonstellingen en bibliotheken bezoeken, lezen, brieven schrijven (naar de Vlaamse Gemeenschap) en praten met vrienden en collega’s over projecten. Feedback is belangrijk; soms verlopen er maanden zonder dat hij de kans krijgt met buitenstaanders te discussiëren. In hoeverre wil hij ‘op de hoogte’ blijven van de kunstactualiteit? Niet wekelijks. Manifestaties als de Biënnale van Venetië of de Nocturne van de Antwerpse galeries bezoekt hij wel, en hij gaat geregeld naar openingen van vrienden en bekenden.  Werkplaats: dat de woonplaats tegelijk werkplaats is, spaart de kosten van een atelier buitenshuis. Toch staat een verhuis op stapel, naar een (goedkopere) woonst mét atelier in het gunstiger gelegen Sint-Niklaas – Waumans vriendin doceert momenteel in Gent. “Het nadeel van een gezamenlijk atelier is dat ik mijn rommel niet altijd kan laten liggen. In het atelier van het HISK werkte ik met een aantal prikborden en een grote verzameling beelden, gevonden of uit kranten gescheurd. Een soort ‘de wereld van’. Voor de sfeer waarin ik werk, is het wel belangrijk dat ik even naar die beelden kan kijken en ze met mijn werk kan verbinden. In Netwerk Galerij in Aalst heb ik drie prikborden getoond waarop ik eigen foto’s met andere beelden in verband breng: een eigen beeld van een hond of een kat in een cirkel – uit de map Pieces of Paradise – hangt naast een reproductie van een kat in een cirkel van Roy Lichtenstein; een draak, die ik in Thailand fotografeerde, hangt naast een postkaart met een Japanse muurschildering van een draak. Ik laat mijn ‘inspiratiebronnen’ zien naast mijn ‘eigenlijke’ werk, ter verduidelijking, of om met de complexiteit ervan te kunnen omgaan. Er wordt een ‘tijdloos’ element aan toegevoegd, waardoor de indruk ontstaat van iets wat nooit af is, en waar je gedurende jaren aan kunt blijven doorwerken.” Deze verbanden zijn nooit definitief; in een volgende presentatie kunnen heel andere combinaties tot stand komen. Eens de beelden hun ‘habitat’ hebben verlaten, komen ze terecht in de espace photo waar Wauman zijn eigen, fluïde verbanden legt.

Huidig project: sinds 2002 brengt Wauman beelden samen onder de noemer Pieces of Paradise. Centraal staat de fotografische conventie van ‘het exotische’ of ‘het romantische’. Tegelijk capteert hij onooglijke, bizarre details, grappige of ongerijmde “fragmenten” die de beelden lostrekken uit de stereotypie. Wat een idyllisch tafereeltje lijkt, met koeien in een Alpenweide, blijkt een stuk platvloerser: de beesten hangen met touw en neusring vast aan de boom centraal in het beeld. Twee leeuwen, sculpturen in een Balinese tempel, zijn vastgesjord aan een paal op een bouwwerf. De beelden hebben het karakter van een onverwachte ‘vondst’, en daardoor komen ze los uit de conventie van het beeld. Ze worden terug herkenbaar, ze komen weer ‘dichtbij’. Om beelden van dat nabij-verre, dat alledaags-exotische te vinden, trok Wauman op reis door vreemde werelddelen. Opnieuw schoot de Vlaamse Gemeenschap te hulp: in 2004 kon Wauman weliswaar geen werkbeurs meer aanvragen, maar hij wist wel een “Vergoeding Punctuele Tussenkomst Buitenlandse Zending” te bekomen, om naar Tokio te reizen. Hij motiveerde zijn aanvraag door te verwijzen naar zijn deelname aanHappiness, de openingstentoonstelling van het Mori Art Museum (Tokio) in 2004. Kunstenaars die gebruik wilden maken van deze subsidie, moesten minstens één keer een Werkbeurs van de Vlaamse Gemeenschap hebben ontvangen. Daarnaast werd om een motiverende brief verzocht, en moest je bewijsstukken van de gemaakte onkosten indienen. De uitbetaling gebeurt na een schriftelijk verslag waaruit het nut van de “Tussenkomst” blijkt. Wauman deed daarvoor al driemaal een beroep op deze financieringsbron – het bracht hem naar Thailand en Japan, en dit jaar nog naar Australië. “Mijn vliegtuigticket is ermee betaald, niet het verblijf of de huur van de camper. Alleen de bestemming kies ik vooraf. Eens ik daar ben, ga ik zo receptief mogelijk te werk. Fotografen zeggen wel eens dat de kunst ‘op straat ligt’. Dat is misschien wel zo, maar voor mij houdt het daar niet op. Ik wil ook het ‘kader’ bij mijn werk betrekken, datgene wat op die plek gebeurt, de wereld rond of achter de foto.”  Investeren: “Naar Australië gaan om werk te maken, is een investering. En een grote foto realiseren kan tot 500 euro kosten. Dit jaar heb ik het eerste verkozen boven het laatste, maar op een ander moment valt dat misschien anders uit.” De tentoonstellingen die hij momenteel “ontwerpt”, zijn ook niet bepaald goedkoop: ze vragen om een groot aantal afdrukken van verschillende formaten, gelijmd tussen plexi. Wauman overweegt wel om deze techniek overboord te gooien, omdat hij twijfels heeft over de invloed van de lijm op de houdbaarheid van de foto, en omwille van de grotere kans op beschadiging. Het blijft alsnog zoeken naar een gulden middenweg tussen zichtbaarheid als kunstenaar (overleven op de kunstmarkt) en wat het werk ‘in se’ vereist. Toch geeft Wauman richting aan deze zoektocht: “Foto’s hoeven niet altijd groot te worden afgedrukt. Het formaat van het beeld hangt voor mij af van de rol die het speelt in de hele presentatie. Ik wil hetzelfde beeld ook op verschillende formaten afdrukken of in verschillende oplagen uitbrengen. Voor een solotentoonstelling wil ik de keuze van de formaten volledig zelf bepalen, ik wil dat niet overlaten aan een curator.”  Presenteren: met een curator “samenwerken” blijft voorlopig een heikel punt. “Misschien moet ik daar wat harder in leren zijn. Je eigen wil doordrukken wordt natuurlijk makkelijker naarmate je bekender wordt. Je krijgt meer gedaan. Mijn werk wordt soms anders gelezen dan ik zou willen, omdat het hele verhaal er niet uitkomt in de presentatie. Misschien ben ik nu ook meer bezig met verzamelen dan met presenteren. Eerst moet ik mijn eigen verzameling onderzoeken, er inzicht in krijgen en er structuur in aanbrengen. Maar ik onderzoek niet zomaar, ik wil ook iets laten zien. Eenmaal per jaar een tentoonstelling maken lijkt mij niet te veel. Ook niet te weinig, want het werk komt momenteel op de eerste plaats. Anderzijds, als een directeur van een belangrijke biënnale mij morgen uitnodigt, dan doe ik mee.”

Toekomstperspectief: de samenwerking met galeries – bij voorkeur met meerdere galeries in verschillende landen – biedt in zijn ogen perspectieven “op voorwaarde dat de betrokkenen zich in mijn wereld kunnen inleven en niet alleen oog hebben voor het commerciële aspect”. Meespelen in de kunstwereld werkt hoe dan ook bevestigend. Het zou allemaal wat sneller mogen gaan, maar echt haastig is hij niet. “Ik ben 27 jaar. Ik doe het niet slecht. Soms zit ik te veel binnen.” Leven van zijn werk is een streefdoel. Is dat haalbaar? “Misschien is mijn werk tot nu toe niet herkenbaar genoeg. Ik heb foto’s gemaakt van dieren, foto’s in cirkels, gespiegelde beelden en prikborden. De combinatie van die verschillende dingen maakt het voor mij interessant, en blijkbaar zijn er toch altijd mensen die geboeid worden door wat ik doe. Al is mijn werk op dit moment niet alomtegenwoordig, het kan dat misschien nog worden.”

Speelruimte voor beslissingen

Anna Winteler groeide op in Neuchâtel, in het Franstalige deel van Zwitserland, en werd in de jaren ’80 internationaal bekend met haar videowerk. In 1991 besloot ze een punt te zetten achter haar artistieke bedrijvigheid. Toen ik haar de afgelopen zomer toevallig ontmoette, stonden haar naam en haar werk me nog helder voor de geest. Na een eerste gedachtewisseling besloten we een afspraak te maken voor een gesprek over de omstandigheden en de motieven die haar tot haar beslissing hadden aangezet.

Eerst wil ik het probleem in een wat breder perspectief plaatsen. Goed tien jaar geleden kwam ik naar aanleiding van een manifestatie die ik in Hamburg organiseerde in contact met de Amerikaanse Laurie Parsons. Wie kent Laurie Parsons nog? Begin jaren ’90 had ze in Duitsland solotentoonstellingen, werkte ze mee aan groepsexposities en werd ze vooral door Udo Kittelmann gesteund. Als kunstenaar boeide mij vooral haar werk in het New Museum in New York: Parsons was met het toezichtspersoneel van het museum naar de ateliers van de deelnemende kunstenaars getrokken en had de kennis die uit die persoonlijke ontmoetingen was voortgevloeid als materiaal voor haar eigen bijdrage gebruikt. Op de tentoonstelling zag je niet de gebruikelijke bordjes met korte beschrijvingen: de toezichters waren zelf in staat om de werken en de kunstenaars toe te lichten. De kunsthistorische en discursieve elementen voor identificatie – naam, titel, ontstaansjaar, gebruikte materialen, afmetingen – maakten plaats voor een mondeling verhaal, dat gefilterd werd door de herinnering en de persoonlijke aanwezigheid van de spreker. Dat verhaal creëerde een zeer directe en onrepresenteerbare ruimte voor uitwisselingen tussen de verteller, het kunstwerk en de bezoeker. Toen ik in New York was, maakte ik een afspraak met Laurie Parsons, maar op het laatste ogenblik zegde ze die afspraak af en stuurde ze me enkele persoonlijke notities. Nog geen half jaar later wist iedereen dat ze zich uit de kunstwereld had teruggetrokken. De wat raadselachtige notities die ze me gestuurd had, begreep ik nu beter: maatschappelijk en menselijk gezien was artistieke arbeid voor haar te indirect en te onbevredigend.

Haar beslissing kon je natuurlijk interpreteren als een consequente stap in de ontwikkeling van haar werk, dat steeds immateriëler werd. Ze leek affiniteit te voelen met kunstenaars zoals Marylene Negro, Andrea Fraser, Maria Eichhorn, maar ook met Christoph Schäfer met zijn Park Fiction, Jeremy Deller, Ben Kinmont en ikzelf, en later ook Tino Sehgal – kunstenaars die bepaalde artistieke problemen uit de jaren ’60 en ’70 weer hebben opgepakt. Gaandeweg kreeg ik echter oog voor de condities waarin categorieën zoals ‘kunstenaar’, ‘werk’ en ‘biografie’ zich in de genealogie van de westerse moderniteit tot vandaag blijven ontplooien, en voor de condities waarin die categorieën maatschappelijk geconstrueerd en afgeschermd worden.

Waarom mensen stoppen met kunst werd een belangrijke vraag. De Duitse kunstenaar Ferdinand Kriwet – een van de eersten die radio en tv als artistiek medium had gebruikt – besloot na vijftien succesvolle jaren in de Duitse kunstwereld een punt achter zijn oeuvre te zetten. In 1999 vertelde hij me dat hij alles had “gezegd” wat hij in de kunst “te zeggen had”. Bovendien had de digitale montagetechniek in een klap alle mogelijkheden ontsloten die Kriwet zelf in zijn radio- en audiowerk met analoge technieken had proberen te ontwikkelen, meer dan tien jaar lang… De technologische ontwikkelingen hadden hem onder de voet gelopen. Hij woont intussen als vastgoedmakelaar in een stadje aan de Moezel.

Kunstenaars zoals Allan Kaprow, Chris Reinecke of Lee Lozano hadden in hun ‘performatieve’ en conceptuele werken consequent de kwaliteiten van het artistieke modernisme uit de tweede helft van de 20ste eeuw – zoals ‘literalness’ en ‘presentie’ – verder ontwikkeld; daarbij hadden ze de ruimte en de taal van de representatie achter zich gelaten en bijvoorbeeld verruild voor de sociale en politieke werkelijkheid. Dat die kunstenaars door het dominerende, op representatie gerichte discours van de culturele waarden niet alleen werden verdrongen maar ook telkens weer ‘over het hoofd gezien’, is een weinig verrassende vaststelling.

Als we vandaag in de kunstwereld over stoppen met kunst beginnen te praten, in de vorm van tentoonstellingen zoals Kurze Karrieren (MUMOK, Wenen, 2004) en dit themanummer, dan zijn daar volgens mij twee oorzaken voor aan te wijzen.

In de eerste plaats wordt daarmee de sociologische reflexiviteit van de jaren ’90 voortgezet, maar in een andere vorm, als een soort cultuurkritiek: het taboe op de kunstenaarsbiografie wordt opgeheven, en die biografie wordt benaderd vanuit het hele spectrum van maatschappelijke – en dus specifiek sociaal-culturele – codes. Dat kunstenaarsbiografieën blijven steunen op een soort collectief fantasma van de ‘kunstenaar en zijn levenswerk’, en dat precies daardoor een soort uitzonderlijkheid bestendigd wordt, maakt de discussie rond het ‘stoppen met kunst’ erg duidelijk: die discussie lijkt slechts relevant bij kunstenaars die al een oeuvre ontwikkeld hebben en daarmee succes hebben gehad, niet bij kunstenaars die tijdens of meteen na hun studie gestopt zijn of die met hun werk simpelweg geen vaste grond onder de voeten hebben gekregen.

In de tweede plaats kun je zeggen dat de parameters van de artistieke arbeid en hun verhouding tot de biografie veranderd zijn, doordat de tijdsperspectieven van de moderniteit aan het schuiven zijn gegaan. Karakteristiek voor de 20ste-eeuwse moderniteit – en zeker ook voor de esthetische moderniteit – was de verwachting dat een verandering van de levensomstandigheden mogelijk was en zelfs voor de deur stond. Die oriëntatie op de nabije toekomst werd belichaamd door de figuur van de avant-gardekunstenaar, die zijn tijd vooruit was. Dit zelfbeeld is intussen overboord gegooid. Maar de marktcycli van de voorbije 25 jaar bleven heimelijk steken in de typisch 20ste-eeuwse dynamiek van continuïteit en permanente verandering: de artistieke consequenties van de verschuiving in de richting van een onmoderne “traditie van de moderniteit” werden nog niet herkend. Het stilaan opkomende besef van die traditie maakt een eind aan de amnesie, aan het verdringen van generaties van artistieke voorgangers, en stimuleert een interesse voor het inbedden van individuele artistieke werken in hun culturele milieu en in de regeneratiecycli van dat milieu.

 

*

Met Anna Winteler sprak ik in september 2004 in Basel, ongeveer vijftien jaar nadat ze een punt achter haar artistieke werk had gezet. Het was voor haar de eerste keer dat ze zich persoonlijk over die beslissing uitsprak.

 

Hinrich Sachs: Waarom heb je er ooit voor gekozen kunst te maken? Kun je zoiets eigenlijk wel kiezen?

Anna Winteler: Het was een stap in een evolutie, en die is begonnen toen ik vijf, zes jaar oud was en ik op het idee kwam dat ik danseres wilde worden. Later, na de middelbare school, speelde ik met de gedachte geneeskunde te studeren. Maar ik wist dat zo’n studie een bepaald soort concentratie van je vergt, wat mij niet ligt. Ik besloot toen maar danseres te worden. Mijn dansopleiding volgde ik in het buitenland, in Londen en Cannes, twee plaatsen waar ik ervaringen heb opgedaan en veel interessante mensen heb ontmoet. Daarna heb ik in diverse theaters gewerkt, maar ik kreeg nooit een echt contract. Waarschijnlijk zagen ze een dwarskop in mij.

 Ik was erg goed, maar ik voelde zelf ook wel dat mijn lichaam niet het instrument was waarmee ik mij kon uitdrukken. Ik heb toen verschillende soorten dans uitgeprobeerd, maar op een dag besefte ik plots dat dans niets meer voor mij was. Nu had ik altijd al veel gefotografeerd en de zwartwitfoto’s ook altijd zelf ontwikkeld. Een paar maanden voor ik de dans eraan gaf, had ik de workshop “Dans en camera” bezocht, die Merce Cunningham samen met Charles Atlas had gegeven. Daar kreeg ik zin om de videocamera als een voortzetting van mijn lichaam te gebruiken. De videocamera gaf me wat de dans me niet meer kon geven. Toevallig ontmoette ik in die tijd ook beeldend kunstenaars en kwam ik naar Basel, waar Jean-Christophe Ammann in de Kunsthalle aan de slag was.

H.S.: Tegelijk was met de videocamera een nieuw instrument opgedoken?

A.W.: Precies, en meteen ook een nieuw perspectief. De kunst bood me de kans om me weer actief in de maatschappij te bewegen, ze te observeren en eraan deel te nemen. Die kans kon de arbeidsroutine in het theater me niet geven.

H.S.: Over welke jaren hebben we het nu?

A.W.: In 1978 ben ik gestopt met dansen, ik ben in Parijs blijven wonen en ben daar begonnen met conceptueel werk. Een jaar later ben ik naar Basel gekomen en heb ik in de kersttentoonstelling mijn eerste videowerk getoond. Het jaar daarop deed ik een performance. Je had in Basel toen een dynamische artistieke scène rond Jean-Christophe Ammann, met Anselm Stalder, Hannah Villiger, Vivianne Sutter, Miriam Cahn, Jürg Stäuble, Eric Hattan en Sylvia Bächli. Er bestond een soort gemeenschap, en tegelijk kon je ook voor jezelf werken. De reden waarom ik met kunst gestopt ben, is eigenlijk dezelfde als de reden waarom ik er ooit mee begonnen was: je ontmoet andere mensen en je wordt iemand anders. Op een bepaald moment heb ik gemerkt dat de kunst niet meer het instrument was waarmee ik mijn waarden in de maatschappij kon onderbrengen.

H.S.: Hoe verliep dat veranderingsproces?

A.W.: Het begon ermee dat ik me slecht voelde. Omdat ik na dat aanvankelijk veelbelovende gemeenschapsgevoel weer alleen was.

H.S.: In de kunst?

A.W.: Ja. Voor mij was het pijnlijk om mee te maken hoe mijn werk, dat ik met een welbepaalde bedoeling had gemaakt, gebruikt en naar buiten toe verpakt werd.

H.S.: Door wie?

A.W.: Door tentoonstellingsmakers, cultuurpolitici… Mijn standpunt was dat kunst kunst is, en ik begreep niet waarom mijn werk voor andere inhouden geïnstrumentaliseerd moest worden. Voor Jean-Christophe Ammann stond kunst helemaal bovenaan. Geld speelde geen rol. Macht speelde geen rol. Hij heeft het altijd voor elkaar gekregen om geld en macht te veroveren zonder daarbij zichzelf te verraden.

Ik was erg ontgoocheld en ben op zoek gegaan naar een nieuwe bezigheid. Fysiotherapie leek iets voor mij te zijn, omdat ik graag met mensen samen ben en omdat ik geboeid ben door het lichaam en het precieze, onwrikbare vocabularium van de anatomie.

H.S.: Met “op een bepaald moment heb ik gemerkt” verwijs je naar het proces waarin je afstand neemt van het enthousiasme waarmee je altijd had gewerkt. Is er in dat proces een moment geweest waarop je voor jezelf hebt uitgemaakt: dit werk maak ik nu om te stoppen met kunst? Of heb je terwijl je met een werk bezig was plots beseft: dit wordt het laatste?

A.W.: Dat eerste. Ik had als deadline de datum waarop ik mijn opleiding fysiotherapie zou beginnen. Zodra ik wist dat ik die opleiding wilde volgen, was het voor mij duidelijk dat ik onder de kunst een streep zou trekken. Toch heb ik verdergewerkt en ben ik blijven tentoonstellen.

H.S.: Je hebt je beslissing niet bekendgemaakt?

A.W.: Nee. Ik was tenslotte geen sporter die de pers optrommelt om aan te kondigen dat hij ermee kapt. Mijn laatste werkstuk heb ik eigenlijk gerealiseerd om mijn eerste ziekenhuisstage aan te kunnen. Niet met de bewuste bedoeling een punt te zetten achter de kunst, maar om de schok die de stage met zich meebracht aan te kunnen.

H.S.: Op welke afdeling werkte je?

A.W.: De geriatrie.

H.S.: Dat is natuurlijk de afdeling in de ziekenzorg met het perspectief op de dood. Arts, verpleegster of fysiotherapeute word je doorgaans omdat je mensen wil genezen…

A.W.: Omdat ik ouder was dan de andere studenten hebben ze me naar de geriatrie gestuurd. Ik was er ook beter tegen opgewassen dan die jonge mensen – dankzij dat artistieke werk.

H.S.: Kun je het kort beschrijven?

A.W.: Ik had de camera bevestigd aan een rolstoel, op kniehoogte van een mogelijke patiënt. Het idee was om van middernacht tot middernacht elk uur de gang op en af te lopen en de rolstoel met de camera voor mij uit te schuiven. Het hele leven van de afdeling speelt zich op die gang af. Links had je ramen, rechts de deuren van de ziekenkamers. Aan de ene kant licht, aan de andere kant duisternis.

H.S.: Kun je als kijker merken dat er een rolstoel is?

A.W.: Ik denk wel dat je het lage perspectief opmerkt, het perspectief van rolstoelgebruikers. Het rollende wagentje zelf krijg je niet te zien. Ik schuif de camera voor me uit en je hoort mijn stappen. Je ziet hoe het licht verandert en je merkt hoe een dag op zo’n afdeling verloopt. De verveling en de bedrukte stemming. Om duidelijk te maken dat de patiënten op deze afdeling mensen zijn, met een verleden in de sociale structuren van de maatschappij, declameren twee acteurs zolang de video duurt, dus dertig minuten lang, het hooglied uit het Oude Testament. In de aftiteling komen allerlei namen voor, ook namen die verzonnen zijn, terwijl een Bachcantate weerklinkt, als een hymne op het leven. Een zeer hoopvol slot. Dat was mijn afscheid.

H.S.: Tijdens onze eerste ontmoeting vertelde je dat je voor dat werk een publieke presentatie had georganiseerd waarop je mensen had uitgenodigd.

A.W.: Dat heb ik inderdaad gedaan, in de recreatieruimte van het ziekenhuis, het Kantonspital Basel. De hele afdeling kwam kijken. En Rémy Zaugg.

H.S.: Je had ook mensen uitgenodigd uit jouw artistieke milieu?

A.W.: Ik geloof dat ik alleen Rémy Zaugg uitgenodigd had. Ik vond het belangrijk om het werk aan de betrokkenen te laten zien, omdat kunst een publieke activiteit is en je kunst niet voor jezelf maakt. Tegelijk wilde ik er de mensen in het ziekenhuis mee bedanken. En misschien wilde ik Rémy – en de andere mensen uit de kunstwereld die er misschien ook waren – duidelijk maken dat het niet ophoudt. Als een werk voltooid is, moet het gepresenteerd worden.

H.S.: Zo zit de kunst in elkaar. Is er een reden waarom je Rémy Zaugg had uitgenodigd?

A.W.: We hadden toen een relatief intensief contact, we zaten beiden in het bestuur van de Kunsthalle en stonden kritisch tegenover de kunstopvattingen en de aanpak van Thomas Kellein, de opvolger van Jean-Christophe Ammann als directeur van de Kunsthalle. We hadden een buitengewone ledenvergadering bijeengeroepen om mijnheer Kellein weg te stemmen. Hij werd dan toch niet weggestemd en toen zijn we maar samen opgestapt. Mijn keuze voor of tegen de kunst kwam ook voort uit mijn vertwijfeling over het gemak waarmee een tentoonstellingsmaker uitspraken van werk van mij en anderen kon misbruiken en voor opportunistische cultuurpolitieke doeleinden kon inzetten. De buitengewone vergadering in de Kunsthalle was ongelooflijk. Er waren mensen uit Basel op afgekomen die er anders nooit waren. Ons, degenen die kritisch stonden tegenover Kellein, maakten ze belachelijk, en voor zijn aanhangers applaudisseerden ze. In zo’n sfeer kon je onmogelijk nog redelijk argumenteren. Het was een vorm van totalitarisme, waarin een groep mensen het zich permitteerde om met volkomen emotionele en op desinformatie steunende argumenten hun privileges te verdedigen, zodat de discussie niets meer met de zaak zelf te maken had en destructief werd.

H.S.: Heb je ooit Canetti gelezen?

A.W.: Ik heb in die tijd stukken uit Masse und Macht gelezen.

H.S.: Er zijn altijd weer momenten waarop groepen mensen met de voeten stemmen…

A.W.: Wij Zwitsers kennen dat niet zo goed. Wij zijn zeer gematigd en traag. Compromissen zijn belangrijk voor ons. Met die houding ben ik opgevoed. Dat heeft zijn goede en zijn slechte kanten. Een slechte kant is dat je weerstandsvermogen niet zo groot is. Ik ben erg emotioneel. Ik heb de consensus nodig om te kunnen overleven.

H.S.: De situatie die je net beschreven hebt, is specifiek voor die bepaalde plek. Maar je zou ze ook kunnen beschouwen als een model van machtsuitoefening in het culturele domein. Zijn er momenten geweest waarop je besefte dat het jou als kunstenares moeilijk viel met zulke machtcodes om te gaan?

A.W.: De huidige situatie is niet te vergelijken met die van toen. De kunst wordt vandaag anders gemaakt en hangt met andere structuren samen. Vóór ons gesprek vroeg je mij of er zoiets zou kunnen bestaan – of effectief bestaat – als een collectief fantasma over “de kunstenaar en zijn werk”. Ik breng dat in verband met wat we in het begin van ons gesprek even hebben aangeroerd: de veronderstelling dat je als kunstenaar toch niet zomaar van beroep kunt veranderen. Die klassieke opvatting van de kunstenaar en zijn werk is historisch gegroeid. Ik denk dat kunst altijd een communicatieve rol heeft gespeeld. Het ging erom iets te vertellen, anderen iets te tonen. Of om als opdrachtgever je positie te markeren. In de 20ste eeuw gingen de kunst of de kunstenaar dan de rol spelen van kritische getuige. De kunst is richtinggevend geweest in de individualisering van de massa. Vandaag is dat weer anders. Wij zijn zeer individualistisch. Het gevoel te behoren tot een gemeenschap, een familie, zijn we kwijtgeraakt.

H.S.: Je beschrijft de prototypische 20ste-eeuwse kunstenaar hier als apologeet van het laatkapitalisme, die de waarden die jij aanhaalt mee ten grave heeft gedragen?!

A.W.: Misschien. Of die getoond heeft dat er ook andere waarden bestaan. Het is allemaal mogelijk. Vandaag hebben we een andere constellatie. Het geld regeert de wereld. Als reactie daarop worden weer gemeenschappen gevormd. Vaak is het niet meer een individu dat naar voren treedt, maar een collectief. Dat collectief probeert zichzelf te vermarkten en tegelijk zijn waarden opnieuw uit te vinden. Weten hoe je jezelf moet vermarkten heeft natuurlijk niets met kunst te maken. Of misschien is het intussen toch een deel van de kunst geworden? Wat betekent kunst vandaag eigenlijk? Ik denk dat we weer een tijd meemaken waarin de kunst verandert.

H.S.: Waarschijnlijk heb je de jaren ’90 niet zo intensief gevolgd, maar de fenomenen die je net beschreven hebt, hebben zich toen inderdaad voorgedaan. De kunst heeft sterk gepolitiseerde en gemeenschapsgerichte posities voortgebracht die hard nodig waren. Maar vandaag is er een nieuwe generatie die daartegen reageert en er zich tegen afzet. Bij de kunstenaars wordt de stemming weer individualistischer.

A.W.: Maar ik kan me voorstellen dat de relatie tussen de kunstenaar en zijn artistieke arbeid vandaag niet meer als een existentiële roeping wordt beschouwd.

H.S.: In het ideale geval niet. Maar ik denk dat kunsthandelaren en musea die mythe in stand houden.

A.W.: Ze proberen bepaalde waarden te bewaren en raken daarbij wat achterop.

H.S.: Je hebt je werk afgestaan aan het Museum für Moderne Kunst in Frankfurt.

A.W.: Om het niet zelf te hoeven vernietigen. Ze kunnen er nu naar goeddunken over beschikken. De beslissing ligt niet meer bij mij.

H.S.: Hoe reageerde je omgeving toen je publiekelijk verklaarde dat je niet meer als kunstenaar werkte?

A.W.: Ik heb het niet met zoveel woorden gezegd. Op een keer vroeg iemand mij waarom men mij niet meer te zien kreeg, en of ik nog in Basel woonde. Toen ik zei dat ik fysiotherapeut was, hebben de meeste mensen verbaasd gereageerd, maar ze vonden het wel okee. Veel mensen dachten dat ik ooit wel weer kunst zou maken. En enkele mensen hebben altijd begrepen dat ik nog altijd mijn ding doe, alleen in een andere vorm.

H.S.: Dat klinkt zeer positief.

A.W.: Er waren er ook wel een paar bij die vonden dat zoiets echt niet kon – kunst maken en daar dan plots mee ophouden…

H.S.: Als we daar nu over spreken, wat doet jou dat?

A.W.: De hele kwestie komt voor mij op het juiste moment weer op. Momenteel hou ik me bezig met het probleem van de expressie, in verband met ziekte. Een psychiater heeft me eens gevraagd: “Hoe kun jij leven zonder de middelen om je uit te drukken? Het is moeilijk te geloven dat jij nu niets anders doet dan je ten dienste stellen van anderen.” Ik bevind me nu in een fase waarin ik hard nadenk over hoe het voor mij met de fysiotherapie verder moet. Waar moet ik verwerken wat ik daarbij beleef? Waar vind ik plekken waar ik energie kan tanken? Waar druk ik mezelf uit? Ik geloof dat die fase van constant naar anderen luisteren, constant voor anderen klaarstaan op haar einde loopt. Intuïtief had ik het blijkbaar nodig gevonden om me er intensief in onder te dompelen, waarschijnlijk omdat ik heel snel een bepaald kwaliteitsniveau wilde bereiken. Om enigszins mijn evenwicht te bewaren, grijp ik nu naar boeken en beelden. De vraag wat kunst eigenlijk is, begint me weer bezig te houden, en ik bezoek tentoonstellingen. Ik heb gemerkt dat zoiets me helpt om mijn evenwicht te bewaren. Het gaat er niet om dat ik weer met kunst zou willen beginnen – het gaat erom vensters te vinden die ik creatief gebruiken kan. Natuurlijk is creativiteit niet hetzelfde als expressie.

H.S.: Dat is interessant. Ik denk dat je hier vanuit een artistieke ervaring argumenteert. In het gewone taalgebruik begrijpt men creativiteit en expressie als een en hetzelfde. Vanuit een artistiek perspectief kun je die begrippen duidelijk van elkaar onderscheiden.

A.W.: Het ene komt niet in de plaats van het andere. Tot nu toe heb ik bij veranderingsprocessen altijd radicaal het roer omgegooid. Dat hoeft nu niet meer. De fysiotherapie vormt een goede basis. Maar mijn leven draait niet meer uitsluitend om de fysiotherapie. Boeken en beelden maken adempauzes mogelijk. Maar ik blijf aan de kant van de kijker, de toeschouwer.

H.S.: Ik kan me voorstellen dat een bepaalde communicatieve complexiteit, waar expressie een aspect van is, in de dagelijkse tijdsorganisatie geen plaats vindt, of je nu professioneel kunstenaar bent of fysiotherapeut of bankier. Anderzijds is precies die complexiteit de enige plek waar tijdvensters kunnen ontstaan. Er zijn mensen – je zou ze amateurs kunnen noemen – die zich uit liefhebberij op een bepaalde activiteit toeleggen. En doordat ze van die activiteit houden, ontstaat een bijzonder soort kwaliteit die je niet vindt bij de mensen die er hun beroep van hebben gemaakt.

A.W.: De druk van het geld verdienen, van het proberen te overleven met de geliefde activiteit brengt wetmatigheden met zich mee die je kunnen verpletteren. Maar ik heb altijd kunnen kiezen. Ik geloof dat mijn biografie getuigt van een enorm vermogen om de speelruimte voor beslissingen open te houden en effectief ook beslissingen te nemen. Ook al speelt geluk daarin een grote rol. Altijd kunnen doen wat je graag doet, wat je aantrekt… We leven in een maatschappij die je die kans geeft. Daarom ben ik niet helemaal tegen dat afgeschermde, verzekerde Zwitserse systeem. Ik heb zeer veel gekregen, en ik betaal met plezier mijn belastingen, mijn pensioenbijdrage en mijn ziekenfondspremie… (lacht).

 

Vertaling uit het Duits: Eddy Bettens

Een gesprek met Guillaume Bijl – deel 2

Koen Brams/Dirk Pültau: Kun je zeggen hoe je te werk gaat? Heb je een vaste werkwijze?

Guillaume Bijl: Neen, ik heb geen vaste werkwijze. Meestal heb ik een beeld in mijn hoofd, en ga ik op zoek naar de noodzakelijke attributen. Wat zijn de essentiële componenten van een autorijschool? Een bord voor de leraar, een modelautootje, een paar posters, instructietabellen, lessenaars voor de studenten, een plantje, een kast, een podium voor de leraar, een bureau voor de leraar, een kalender enzovoort. En dan improviseer ik. Ik ben wel heel erg bezig met de vraag hoe het publiek met het werk wordt geconfronteerd: waar komt men binnen, wat ziet men het eerst? In feite ga ik op een heel omstandige wijze te werk, met het oog op een redelijk minimale reactie bij het publiek: “Wat is dat hier, een Caravan Show?… oh neen, het is een tentoonstelling.”

K.B./D.P.: Gebruik je modellen of foto’s van winkelzaken?

G.B.: Neen, modellen vind ik verschrikkelijk. Ik werk in situ.

K.B./D.P.: Het begint in de ruimte…

G.B.: Ja, en dan komt er een beeld in mij op. Ik kruip in de huid van de eventuele verkoper van tapijten of tuindecoratie, maar ik werk altijd zoveel mogelijk vanuit de gegeven ruimte. De ruimte moet zich voor ongeveer 50% lenen om er bijvoorbeeld een supermarkt van te kunnen maken. Qua afmetingen, qua hoogte, qua inrichting… De vloerbedekking, de ramen… Een turnzaal moet vijf meter hoog zijn, anders kan men er geen rekken plaatsen, die in turnzalen altijd aanwezig zijn.

K.B./D.P.: Ga je dan naar turnzalen kijken? Of zeg je, ik weet hoe dat eruitziet?

G.B.: In sommige gevallen heb ik moeten prospecteren, bijvoorbeeld in het geval van de Atoomschuilkelder. Ik was nog nooit in zoiets geweest. In veel gevallen ben ik in de telefoongids begonnen, op zoek naar de bedrijven die zich met een specifieke activiteit bezighouden. Vervolgens maak ik een afspraak. Die man van de firma die atoomschuilkelders leverde, heeft me uitgelegd hoe het werkt: je hebt verluchting nodig, een filtermachine en een depot voor een half jaar voedsel. Ik heb dan gevraagd om die filter te mogen uitlenen, want dat was een essentieel element, en dan heb ik kasten en bedden gezocht, aangepast aan de ruimte, in dit geval die ondergrondse parking onder de Place Saint-Lambert in Luik. Soms ben ik ook wel slordig. Ik heb bijvoorbeeld nooit een huwelijksbureau bezocht, ik weet echt niet hoe dat eruitziet, en toch heb ik in Keulen Heiratsvermittlung Rosa gemaakt. Misschien had ik het wel eens gezien in een film of op de televisie. Ook voor de tweede versie van het Huwelijksbureau in Amsterdam heb ik geen prospectie gedaan.

K.B./D.P.: Jouw installaties vertrekken van een beeld dat je in je hoofd hebt. Je vertrouwt dus eerder op je verbeelding dan dat je een stuk realiteit kopieert.

G.B.: Ik maak nooit een kopie, maar verbeelding is een groot woord. In het geval van het huwelijksbureau is het inderdaad verbeelding. Maar meestal niet, want iedereen is vertrouwd met een reisagentschap of een wachtzaal. Ik maak een stereotype, zoals die in de realiteit zou kunnen voorkomen. Maar ik begin telkens opnieuw, aangepast aan de ruimte.

K.B./D.P.: Op een gegeven moment heb je je werk in categorieën opgedeeld, Transformatie-Installaties, Situatie-Installaties, Sorry-Installaties en Composities. Waarom deed je dat?

G.B.: Waarom? Om jullie te helpen, om mensen als jullie te helpen. Ik deed het ook omdat er verschrikkelijke interpretaties van mijn werk gepubliceerd werden; maar het was tevens een manier om zicht te krijgen op tal van variaties in mijn werk, variaties die in feite gegenereerd zijn door de vragen van anderen. Aan kunstenaars worden de meest onmogelijke zaken gevraagd, zoals: kun jij iets doen op deze heuvel, kun je iets doen in de lobby van deze bank enzovoort. In Mechelen ben ik bijvoorbeeld gevraagd om een werk te maken in een badkamerwinkel. De uitbaters zijn verzamelaars, en ze vroegen mij om iets te doen voor het 75-jarig jubileum van hun zaak. Toen heb ik een bidetmuseum gemaakt, een museum met bidets die zogezegd hebben toebehoord aan beroemde vrouwen, zoals Edith Piaff, Mata Hari en Grace Kelly. De opening van het museum was in feite een tableau vivant. De inleiding werd verzorgd door Veronique De Cock, ex-Miss België – zij is een nichtje van mij – en Bart Somers, die toen burgemeester van Mechelen was. Dat stond ook op de uitnodiging: opening door Veronique De Cock en Bart Somers, burgemeester van Mechelen. Dat was een volmaakt tableau vivant. Enfin, op die manier zijn verschillende soorten werken ontstaan die ik op een bepaald moment in categorieën heb ondergebracht.

K.B./D.P.: Kun je die categorieën toelichten?

G.B.: De Transformatie-Installaties, dat zijn de grote installaties in kunstruimten. De werkelijkheid wordt hier binnengebracht in een onwerkelijke omgeving, met name een kunstomgeving. Bij de Situatie-Installaties krijg je het omgekeerde: er sluipt iets irreëels in de realiteit binnen, zoals bij die opgezette vogels op dat plein in Kassel. Het zijn vreemde werken, ze roepen een intrige op. De klemtoon ligt op het situationele. Een ander voorbeeld is Verboden te kamperen, dat ik voor een groepstentoonstelling in Bornem heb gemaakt. In een park heb ik zes tenten gezet, met wat bivakmateriaal en een plakkaat Verboden te kamperen. Dat werk was op een half uur klaar. De parkbezoeker wordt met een vreemde situatie geconfronteerd, hij vraagt zich af: wat gebeurt hier? De Sorry’s ben ik gaan maken omdat ik mij op een gegeven moment klem voelde zitten. Dat was in 1988, geloof ik. Ik heb in dat jaar waanzinnig veel gewerkt, de ene installatie na de andere, een Wisselkantoor in Amsterdam, het Fami-Home in Venetië, een Tekenacademie in Parijs enzovoort. Er was een enorme internationale vraag. Ik werd toen opgevoerd als de grote realist en het leek erop dat ik enkel nog Transformatie-Installaties of Situatie-Installaties zou kunnen of mogen maken. Ik wilde uit dat harnas breken. In Milaan heb ik een eerste absurd werkje gemaakt: drie biljartballen in een nestje. Dat is ook weer zo’n variatie op mezelf, het is niet realistisch, het is surrealistisch. Op het einde van dat jaar heb ik dan een eerste Sorry-Installatie gemaakt in Zeno X, vijf composities met carnavalskledij van negerinnen. Ik wilde mijn realistische uitdrukkingsvorm even loslaten, zij het dat de Sorry’s ook uit objecten bestaan en dat ze ook schaal 1 op 1 zijn.

K.B./D.P.: En de composities? Hoe ben je tot die term Composition Trouvée gekomen?

G.B.: Als verwijzing naar objet trouvé uiteraard. Ik heb nooit slechts één voorwerp gebruikt, altijd meerdere die ik samenbreng in een Compositie. Ik heb soms een Compositie gemaakt met twee objecten, nooit met één object, omdat ik vind dat een object op zichzelf geen uitdrukking heeft. De Composities zijn in feite actuele stillevens.

K.B./D.P.: Is het bij de Composities ook de bedoeling dat ze net echt lijken, stukjes onversneden werkelijkheid?

G.B.: Ja. Ik heb die arrangementen zogezegd ‘gevonden’ en in de galerie of in het museum gezet.

K.B./D.P.: Sommige Compositions Trouvées zijn het resultaat van een soort concentratie of verdichting. In de Composition Trouvée die je in Albi maakte, staan een bankje, een bloembakje, een lantaarnpaal en een abstract sculptuurtje samengetroept op een stukje geplaveide straat. Ze staan zo dicht op elkaar dat het nauwelijks nog realistisch te noemen is. Het cliché overtreft de realiteit.

G.B.: Ja, sommige werken neigen naar het absurde. Soms ga ik een beetje verder dan de realiteit. Het zijn persiflages op stadsdecoratie die er inderdaad een beetje over zijn.

K.B./D.P.: Je gebruikt ook de term Sculpture Trouvée. In welke gevallen verkies je die term boven Composition Trouvée?

G.B.: Ik heb soms woorden te pas en te onpas gebruikt. Laat ons die begripsverwarring klasseren onder de noemer ‘woordzonden’. De Composition Trouvée van Beelden Buiten in Tielt heb ik in 1987 een Sculpture Trouvée genoemd, maar later heb ik dat gecorrigeerd.

K.B./D.P.: Sommige werken worden nu eens als Transformatie-Installatie geboekt, en dan weer als Situatie-Installatie.

G.B.: De categorisering is ook niet waterdicht en ik vergis me ook al eens. In een volgende uitgave van een overzicht van mijn werk corrigeer ik dan die zogenaamde fouten. Soms is het verschil ook klein.

K.B./D.P.: Zijn er werken waarover je minder tevreden bent?

G.B.: Er zijn een paar composities die ik niet meer zo goed vind. Maar over de installaties ben ik tevreden, die heb ik altijd kunnen uitvoeren zoals ik het wou.

K.B./D.P.: Je werkt voortdurend met materiaalsponsors. Dat levert nooit problemen op?

G.B.: Het is telkens een gevecht. Ik probeer de installaties algemeen te houden: dé Futonwinkel, dé Pasfotostudio, dé Tekenacademie… De sponsors hebben andere belangen. Vaak vragen ze of ze niet ergens hun naam mogen vermelden. De Supermarkt in Galerie Littmann in Basel was volledig gesponsord door de supermarktketen SPAR. In dat geval ben ik erin geslaagd om de boot af te houden. Alleen op de SPAR-producten stond uiteraard dat het SPAR-producten waren.

K.B./D.P.: Hoever ga je met het betrekken van het publiek?

G.B.: Ik heb een tableau vivant gedaan toen ik de supermarkt had gemaakt, tijdens de Kunstmesse in Basel. Gedurende een uur kon men in de supermarkt inkopen doen, maar het publiek bestond louter uit verzamelaars en andere ingewijden. Zij konden een karretje nemen, moesten betalen en ik heb ook een aantal producten gesigneerd. Dat zijn eenmalige acties die ik eigenlijk alleen maar onderneem voor het kunstpubliek. Ik wil de installaties niet laten functio neren. Op de Lustrerie in diezelfde Kunstmesse, enkele jaren voordien, werd geen enkele luster verkocht, want dat zou belachelijk zijn. Het moet een stilleven blijven, een situatie, geen anekdote. Ik heb altijd geprobeerd om dat minimale… je moet altijd weten waar je stopt. Geen overstatement. Kleerwinkeltje spelen, dat is too much. Mijn werk is al sensationeel genoeg.

K.B./D.P.: In hoeverre speelt het autobiografische nog een rol bij de keuze van de transformaties? In het begin was er een duidelijk verband, zoals je zelf ook aangaf: het was therapeutisch. In een interview met Jan Braet in Knack wordt verwezen naar jouw opname in een psychiatrisch instituut in het leger. Dat was de reden om een psychiatrische instelling na te maken. Zit dat autobiografische er vandaag nog in?

G.B.: Nauwelijks. Ik probeer een getuigenis af te leggen van mijn tijd. Een mens van de 20ste eeuw krijgt onderwijs, gaat in het leger, bezoekt kunstbeurzen, gaat naar reisagentschappen en supermarkten… In plaats van dat te schilderen of te beeldhouwen, probeer ik dat te laten zien gelijk het is, zo dicht mogelijk bij de realiteit. Eén van mijn beste installaties – tenminste dat vind ik – heb ik gerealiseerd in de Wiener Sezession: Der Mensch überwindet Distanzen. Ik had al een aantal werken gemaakt in een reeks over cultureel toerisme. In dat historisch bastion, de Wiener Sezession, waar kunstenaars hebben tentoongesteld zoals Tony Cragg of Anish Kapoor, en waar het cultuurtoerisme hoogtij viert – het publiek komt massaal af op die Klimt-fries – heb ik een soort van didactische ‘school tentoonstelling’ geïnstalleerd over de geschiedenis van het transport. Heel weinig mensen hebben dat begrepen. De toerist die voor Klimt komt of voor het gebouw van de Wiener Sezession kan zo’n werk eigenlijk niet plaatsen. Zo iemand loopt door die tentoonstelling en vindt dat óók interessant.

K.B./D.P.: Wat jou interesseert is precies dat mengen van verschillende publieken. Je hebt mensen die op de hoogte zijn, en je hebt de nietsvermoedende toerist. Je hebt de kunstliefhebber en de toevallige voorbijganger die een schoenenwinkel binnenloopt om schoenen te kopen.

G.B.: Inderdaad, er is altijd die wisselwerking. Ook op een kunstmarkt heb je de interactie tussen mensen die van niets weten en mensen die wel op de hoogte zijn. En als je een etalage hebt, dan kunnen er ook altijd onverwachte participanten opduiken. Voor Autorijschool Z zijn mensen zich komen inschrijven. Het gebeurt voortdurend met mijn installaties. In mijn Supermarkt nemen mensen een karretje, totdat de galerist zegt: neen, het is een decor. In die Kledingzaak staan de mensen al in een pashok en dan moet hen worden meegedeeld dat het een decor is.

K.B./D.P.: Het merkwaardige is dat jouw werken zo overtuigen terwijl ze er op de keper beschouwd heel elementair uitzien. In de kritiek wordt vaak gewezen op het meticuleuze realisme en de doorwrochte detaillering van de installaties. Maar als je ze analyseert, dan blijkt dat niet zo te zijn.

G.B.: Ik vind van wel… Mijn installaties zijn wél tot in het detail uitgewerkt. De telefoon in de installatie is misschien niet aangesloten, akkoord…

K.B./D.P.: Bijvoorbeeld die recente Matratzenland in Munster.

G.B.: Dat is een ongelooflijk uitgewerkte installatie.

K.B./D.P.: Die indruk heb je inderdaad als kijker. Je waant je effectief in een echte Matrassenland. Maar als je gaat kijken wat daar maar voor nodig is…

G.B.: Bij de Matrassenland kwam er toch heel wat kijken, want op de foto zie je slechts één ruimte, en er waren een stuk of vijf ruimten. Een depotruimte, een kassa enzovoort. Ook de buitenkant heb ik aangepakt.

K.B./D.P.: Maar er zijn elementen in jouw installaties die altijd terugkeren. Die palmbomen bijvoorbeeld. Je gebruikt ook steeds dezelfde ‘eenvoudige’ typografie.

G.B.: Dat vind ik niet. In de installatie Miss Hamburg gebruik ik bijvoorbeeld een frivolere typografie dan in de installatie Ein neuer Politiker.

K.B./D.P.: Dat klopt, maar er is duidelijk geen ontwerper bij te pas gekomen. Het is een minimale ingreep, minimaler dan dat kun je het niet maken. De stoelen bij Miss Hamburg zijn dezelfde als die bij Ein neuer Politiker.

G.B.: Ja, weet je, het is niet de Miss-Worldverkiezing, het is de Miss-Hamburgverkiezing. En Hermann Lutz van de Neue Demokratische Partei, dat is iemand van Kassel, een provinciestadje. Het zijn ook tijdelijke events. Na de verkiezing van Miss Hamburg houdt de plaatselijke politicus misschien een toespraak… We zetten stoelen. We leggen een loper in het midden. Tafels met flessen wijn, en na die ene activiteit volgt een andere, bij manier van spreken. Ik ben zeker geen ontwerper, ik probeer stereotypen te maken.

K.B./D.P.: Misschien komt dat minimale ook voort uit het feit dat je onvermijdelijk gaat reduceren als je een stereotiepe versie wil maken van een reisbureau of van eender wat. De dingen die je slechts in drie van de twintig reis bureaus aantreft, laat je achterwege, je gebruikt alleen de dingen die in minstens 19 van de 20 gevallen terugkeren.

G.B.: Ik maak iets algemeens. Ik maak een algemeen huwelijksbureau, een algemeen reisagentschap. Ik heb verschillende reisbureaus gemaakt, een in Lyon, een in New York, bij Franklin Furnace, en ook een in Denemarken, in Aarhus – en dan zie je dat ik opnieuw begin en dat ik het reisagentschap aanpas aan die specifieke ruimte, en aan het land.

K.B./D.P.: Klopt dat niet met wat wij daarnet opmerkten met betrekking tot het minimale karakter van de installaties? Er is trouwens nog een ander element: veel van je installaties zijn symmetrisch opgebouwd.

G.B.: Ja, dat kan wel. Alhoewel, ik heb drie supermarkten gemaakt, een in Duitsland, een in Zwitserland en een in Engeland. Die waren totaal verschillend, en niet symmetrisch opgebouwd.

K.B./D.P.: De symmetrie lijkt wel degelijk een strategie, ze dient om bepaalde elementen in de installatie te beklemtonen. In de Turnzaal staat de springplank perfect in het midden…

G.B.: Die springplank staat niet in het midden, die staat scheef – wat in het midden hangt, is de basketbalring, omdat dat zo hoort.

K.B./D.P.: Je kiest er wel voor om langs twee kanten rekken te zetten…

G.B.: Dat is ook zo in turnzalen. Wat ik doe, is aangepast aan de ruimte. Er zijn talrijke installaties die veel meer te maken hebben met belichting dan met symmetrie.

K.B./D.P.: Je zou ook kunnen zeggen dat de ruimten waar je het vaakst installaties maakt – kunstruimten, musea, galeries – ingericht zijn op de blik van de bezoeker. Dergelijke ruimtes nodigen uit tot een symmetrische opzet.

G.B.: Dat klopt. Maar niet alleen ik zou het zo doen, ook de tapijthandelaar of de feestmeester zouden het op die banale wijze doen. Vele installaties zijn bovendien symmetrisch opgebouwd omdat hun voorbeelden in de werkelijkheid ook symmetrisch zijn. In een atoomschuilkelder moet je natuurlijk geen symmetrie hebben.

K.B./D.P.: Maar neem het Documenta Wax Museum, dat je realiseerde in Kassel. Dat werk is toch opvallend symmetrisch, terwijl je het ook anders had kunnen doen.

G.B.: Het Documenta Wax Museum was een etalage met drie vitrines en twee ingangen. Is dat symmetrisch? Luc Deleu heeft eens gezegd dat mijn composities – niet mijn installaties – opgebouwd zijn volgens de gulden snede. Eigenlijk is dat niet meer dan logisch. Ook een etalagist gaat op zoek naar de gulden snede, bewust of onbewust. Dat geldt ook voor een verkoper, een presentator of een schilder. In mijn kleine composities is dat zeker zo, meer dan in de grote installaties. Veel installaties zijn niet symmetrisch omdat de ingang tot de installatie niet centraal is, en zich op een andere plaats bevindt dan de plaats waar de foto is genomen. Er zijn ook L-zalen. Er zijn natuurlijk ook ruimten met een centrale toegang zoals Miss Hamburg, het Veilinghuis, Ein neuer Politiker, de Terracottawinkel… maar die symmetrie is zeker niet de regel. Vaak lijkt de installatie symmetrisch als je van de foto uitgaat, terwijl de echte installatie helemaal niet symmetrisch was. In veel installaties probeer ik de symmetrie juist te breken. Nee, ik ga totaal niet akkoord. Het klopt dat ik in de kleine composities, ten dele onbewust, tot een resultaat volgens de gulden snede kom. Dat is het enige. Maar wat is daar zo interessant aan?

K.B./D.P.: Je zou kunnen zeggen dat het interessante van je werk erin bestaat dat je met weinig middelen de toeschouwers doet geloven dat ze ergens anders zijn. Jouw installaties tonen dat er niet veel nodig is om die illusie te wekken.

G.B.: Ik heb ook al eens gezegd dat onze samenleving makkelijk te reconstrueren is. Hoe poor, hoe stereotiep de samenleving is. Als zelfs ik, die zo onhandig ben, dat kan, dan kan die maatschappij niet ingewikkeld in elkaar zitten.

K.B./D.P.: Is dat niet juist de meest extreme vorm van spot met onze maatschappij, dat je niet veel nodig hebt om ze te reconstrueren?

G.B.: Ja, dat weet ik.

K.B./D.P.: Heb je nog nooit gedacht dat het niet zou werken, dat mensen het niet zouden geloven?

G.B.: Ik heb altijd veel twijfels, dat is vanzelfsprekend. Ook een schilder die een schilderij maakt, heeft dat. Maar een schilder of beeldhouwer kan zijn creatie weggooien en opnieuw beginnen. Ik werk in situ, soms met 5 of 10 of 20 mensen, van maandag tot donderdag of vrijdag en in die tijdspanne moet ik de installatie realiseren. Soms wordt een installatie in een zeer korte periode gemaakt, dat wil zeggen, tussen twee tentoonstellingsperiodes in. Dat veroorzaakt veel stress. Soms is de installatie pas enkele minuten voor de opening klaar. Ik moet wel zeggen dat je met grootschalig werk meer kan oplossen. Je hebt meer middelen en meer speling, bijvoorbeeld bij het Veilinghuis: het schilderij kun je snel elders laten ophangen, de dozen kun je van hier naar daar laten verplaatsen, de kast kun je van hier naar daar schuiven enzovoort.

K.B./D.P.: Je omschrijft de installaties als stereotypen. Waarom maak je zo’n stereotype twee of drie keer? Waarom wil je een supermarkt drie keer maken?

G.B.: Ik wil dat zelf niet, het wordt mij gevraagd. De laatste tijd word ik vaak uitgenodigd om deel te nemen aan historische tentoonstellingen over de jaren tachtig. Ik ben immers een kunstenaar die zich in de jaren tachtig ontplooid heeft. Max Hollein van de Schirn Kunsthalle in Frankfurt nodigde mij uit voor een tentoonstelling over shopping, samen met onder andere Haim Steinbach, Andy Warhol en Ben Vautier, kunstenaars die over consumptie hebben gewerkt. Ik heb eerst de Lustrerie Média aangeboden, maar Hollein wilde per se ‘de supermarkt’. Ik heb dus een supermarkt gereconstrueerd, in Frankfurt en drie maanden later in de Tate Liverpool, want het was een reizende tentoonstelling.

K.B./D.P.: Omdat de ruimte waar je die supermarkt opnieuw maakt verschilt van de ruimte waar je de supermarkt voor de eerste keer realiseerde, wordt het eigenlijk een ander werk. Of toch niet?

G.B.: De eerste supermarkt heb ik in 1990 gemaakt in Galerie Littmann in Basel. De twee supermarkten die ik daarna heb gemaakt, in Groot-Brittannië en Duitsland, noem ik geadapteerde reconstructies. Ook van de Autorijschool heb ik een geadapteerde reconstructie gemaakt, voor de museumruimte boven de refter in het MUHKA. Het werk bevindt zich nu in de collectie van het MUHKA. Misschien heb ik dat vroeger eenvoudigweg ‘reconstructie’ genoemd, maar dat was een verkeerde woordkeuze. Mijn woordenschat is misschien slecht… Als ik een overzichtsboek zou maken van het werk van de laatste zes jaar, dan zou ik die twee recente supermarkten niet prominent afbeelden. Ik zou twee kleine fotootjes opnemen, om aan te geven dat ik ook nog eens een supermarkt heb gemaakt. Ik vind nieuw werk veel belangrijker dan die geadapteerde reconstructies. Zo vaak heb ik het ook niet gedaan. Wel de Autorijschool, het Reisagentschap, omdat die heel makkelijk reconstrueerbaar zijn. Op twee dagen is dat gemaakt. Je kan naar New York gaan, wat affiches halen bij een paar bureaus en je hebt een reisagentschap. Een autorijschool, een coiffeursalon, een reisagentschap, dat is makkelijk reconstrueerbaar. Anders had ik het niet kunnen doen, want de tijd is soms kort.

K.B./D.P.: Dat was wat we daarstraks bedoelden.

G.B.: Ja, sommige dingen zijn gemakkelijk om te doen hé. Het reisbureau is met minimale middelen gemaakt. Een reisbureau, dat is een bureau met een computer, een landkaart en wat affiches, en dan nog wat attributen die in een reisagentschap circuleren.

K.B./D.P.: Het maken van een supermarkt daarentegen is een gigantisch werk. Maar de installaties die met minimale middelen zijn gemaakt, functioneren net zo goed als de supermarkt.

G.B.: Een wassalon is niet veel meer dan wat wasmachines, en een coiffeursalon is ook niet veel meer dan een paar coiffeurstoelen… Waarom zou ik maar een decortje maken van een decor?

K.B./D.P.: We zeggen niet dat je een decortje van een decor maakt. Dat bedoelen we niet.

G.B.: Misschien ben ik er niet honderd procent in geslaagd…

K.B./D.P.: Dat bedoelen we helemaal niet, integendeel, als je in de installatie staat, ben je volledig mee. Maar als je dat geloof opschort, als je die foto’s nuchter bekijkt, dan zie je het minimale van de ingreep, het geconstrueerde en het aseptische van de installaties. Dat is een interessante vaststelling. Er blijkt namelijk een verschil tussen het effect, dat overtuigend realistisch is, en de manier waarop dat effect geproduceerd wordt. Misschien leren jouw installaties wel dat je beter niet té realistisch te werk gaat om een realistisch effect te bekomen. Beter is het om niet zomaar een welbepaald reisbureau te kopiëren. Beter is om je tot het minimum te beperken. Dat je dit uit jouw installaties kan leren, pleit voor jouw werk.

G.B.: Anderzijds zijn er veel voorbeelden waaruit blijkt dat het publiek dacht dat mijn werk echt was. Mensen die met supermarktkarretjes begonnen te rijden en die producten wilden kopen. Mensen die kleren wilden passen. Politie-agenten die het Casino wilden sluiten. Galeriehouders die de lusterstand weg wilden laten halen. Op de Kunstmesse in Basel waren de collega’s van de galerist Marc Hostettler echt verbijsterd. De directrice van de Kunstmesse is bij mij foto’s van mijn andere installaties komen vragen om galeristen zoals David Zwirner te overtuigen dat de Lustrerie fake was. Ze dachten dat ik op een verkeerde beurs was beland.

K.B./D.P.: Inderdaad, het blijkt dus te werken…

G.B.: Nee, het zijn ruimten waar de kuisvrouw net vertrokken is. Het zijn stillevens. Er zijn trouwens ook altijd elementen die nonchalant rondslingeren. Dat doe ik altijd, het aanbrengen van willekeurige voorwerpen in mijn installaties… Welke ervaring heb je met mijn installaties? Dat je om vijf voor negen in een supermarkt binnenloopt. Je bent de enige bezoeker en de supermarkt is nog niet in werking. Dan loop je in een installatie van Guillaume Bijl. Dat is de ervaring die jullie treft. Maar we zijn zelden in lege supermarkten of lege coiffeursalons. Dat maakt het werk zo vervreemdend.

K.B./D.P.: Wat heb je dan geleerd over de plekken die je gereconstrueerd hebt? Bijvoorbeeld hoe een supermarkt werkt?

G.B.: Dat interesseert me niet. Hoegenaamd niet. Ik wil juist afstand nemen van deze tijd. Het meeste wat ik samenstel, interesseert mij niet. Dat wil niet zeggen dat ik niet al eens aan de Côte d’Azur naar een casino ben geweest om er een avond te spelen. Ik ben geen zonderling. Maar het pedagogische aspect, datgene wat ik er bij zou hebben opgestoken, interesseert mij niet. Ik weet hoe een supermarkt werkt. Ik heb lang genoeg als bediende gewerkt om te weten hoe arbeid georganiseerd wordt. Maar in feite blijf ik op afstand van wat ik toon. Ik wil de waarden van deze maatschappij of beschaving bekritiseren of relativeren.

K.B./D.P.: Dat brengt ons bij de maatschappijkritische dimensie van je werk. In 1979 maak je Autorijschool Z, je eerste installatie, en je kadert dat werk expliciet binnen het zogenaamde ‘kunstliquidatieproject’. Wat was de laatste installatie die je binnen het kunstliquidatieproject hebt gerealiseerd?

G.B.: Dat was in feite dit jaar nog, de Matrassenland in de Kunsthalle van Münster. Dat was de laatste typische Transformatie-Installatie.

K.B./D.P.: Wanneer heb je voor de laatste keer de term ‘kunstliquidatieproject’ gebruikt?

G.B.: Ik denk dat ik die term tot 1984 heb gebruikt, tot de Lustrerie in Basel. Maar tussen 1979 en 1984 was de wijze waarop ik de term gebruikte reeds aanzienlijk veranderd. In het begin gaf ik een omstandige omschrijving van het kunstliquidatieproject. In de jaren nadien kreeg mijn uitleg een steeds minder prominente plaats. Op het einde was het nog slechts een klein zinnetje. Bij Lustrerie Média heb ik de term definitief weggelaten.

K.B./D.P.: Het feit dat je de werken niet meer omschrijft als kunstliquidatieprojecten heeft een heel grote invloed gehad op de receptie van jouw werk. In de kritieken is de maatschappijkritische dimensie naar de achtergrond verschoven.

G.B.: Ik heb de tekst weggelaten omdat men het verkeerd begreep en omdat mijn ingrepen eigenlijk visueel evident waren. Ik heb het er uitgebreid over gehad met onder andere Marc Hostettler van Galerie Média. Het werk sprak voor zich. Maar als ik geïnterviewd word over mijn werk, dan kader ik de installaties nog steeds binnen het kunstliquidatieproject. Daarstraks gaf ik al aan dat de Matrassenland in die context moet worden begrepen. Onlangs had ik een interview met Kunstforum. Ik heb daar niets anders verklaard dan tegenover jullie: de Kunsthalle hield op te bestaan en er kwam een matrassenhandel.

K.B./D.P.: Maar in teksten over jouw werk gebeurt iets merkwaardigs. Neem de catalogus bij jouw installatie op de Biënnale van Venetië in 1988. De inleiding van Jan Hoet toont duidelijk hoe het weglaten van de term ‘kunstliquidatie’ uitdraait op een minimalisering van de maatschappijkritische dimensie van jouw werk: “Hij [Guillaume Bijl] maakt installaties die de tentoonstellingsruimte herscheppen tot de meest onverwachte werkelijkheden uit het dagelijks leven. Aanvankelijk sprak hij over kunstliquidatieprojecten.” En dan: “Al snel werd duidelijk dat deze – overigens steeds positief georiënteerde – probleemstelling in feite slechts een kapstok was, een houvast.” Geen sprake meer van maatschappijkritiek. Hoet spreekt over een “positief georiënteerde probleemstelling”!

G.B.: Ik kan alleen maar zeggen dat ik het zelf altijd heb blijven vermelden.

K.B./D.P.: …maar vele anderen dus niet. Zelfs in je eigen catalogi spoort de kritiek niet met jouw opvattingen over je werk. Zelfs dáár word je als antikunstenaar opgevoerd en raakt het maatschappijkritische ondergesneeuwd. Hoe komt dat?

G.B.: Dat van die antikunstenaar, dat komt juist door die tekst over kunstliquidatie.

K.B./D.P.: Maar wat het maatschappijkritische betreft kan het niet aan die tekst hebben gelegen. Hij is immers glashelder: jouw werk is een maatschappijkritisch project.

G.B.: Jazeker, “in opdracht van de staat”, dat staat boven die tekst, het is ongelooflijk. Het klopt dat er zelfs in mijn catalogi slechte teksten staan. Hoe komt dat? Omdat ik het allemaal niet kan opvolgen. Het ene moment realiseer ik een werk in Frankrijk, het andere moment is er een opening van een tentoonstelling in New York. Het werk is zo verspreid. Soms geef ik een briefing aan een auteur, maar zelfs dan is het resultaat niet altijd wat ik ervan verwacht had. Ik heb geprobeerd om het te sturen, maar ik ben er blijkbaar niet zo heel goed in geslaagd. Al interesseert mij dat vandaag ook minder. Het conserveren van de installaties die zich in collecties bevinden, houdt mij eigenlijk veel meer bezig.

K.B./D.P.: Je zegt dat je de term ‘kunstliquidatieproject’ hebt afgevoerd omdat hij misverstanden uitlokte – maar was hij niet sowieso gedoemd te verdwijnen? Ondertussen is de kunst immers populair geworden. Rond 1980 was het inderdaad urgent om het gebrek aan ruimte voor kunst aan te klagen, maar vanaf de tweede helft van de jaren tachtig en zeker in de jaren negentig kan je met die term ‘kunstliquidatie’ eigenlijk niet meer afkomen, omdat de mentaliteit die daarin wordt gepersifleerd niet meer heerst.

G.B.: Ik vind dat niet. Ik heb niet het gevoel dat de kunst nu meer geaccepteerd is, of toch de goede kunst niet. Het is nog altijd even moeilijk. Ik merk dat ook bij mijn studenten. Als ik die tekst over de kunstliquidatie herlees, dan vind ik niet dat hij achterhaald is. “Wegens het onfunctionele karakter van kunst. Wegens het gebrek aan plaatsruimte, waar verscheidene ministeries de laatste tijd mee te kampen hebben. Wegens het oneconomisch aspect van de kunsthandel, waar belastingsontduiking schering en inslag is. Wegens de jaarlijks toenemende onkosten van het Ministerie van Cultuur…” Ik vind dat nog steeds relevant. Weet je dat het Ministerie van Cultuur nog altijd maar 30 miljoen Belgische frank voor beeldende kunstenaars ter beschikking stelt? Wat is er dan eigenlijk veranderd? Niets! Om die reden heb ik mij enkele jaren geleden geëngageerd in het NICC.

K.B./D.P.: Maar rond de hedendaagse kunst hangt wel een sfeer van acceptatie. In die zin zou het discours over de kunstliquidatie vandaag niet meer worden herkend. Midden jaren tachtig heb je de galerieboom. De kunstmarkt veert op.

G.B.: Veert de kunstmarkt op, nee, ik zie dat niet. Gaat het nu goed met de kunstmarkt?

K.B./D.P.: Vanaf midden jaren tachtig schoten de galeries als paddestoelen uit de grond. De bezoekersaantallen voor tentoonstellingen gingen omhoog.

G.B.: Ja, veelal op kosten van de artiesten. Ik denk dat je dat allemaal met een grote korrel zout moet nemen.

K.B./D.P.: Dat kunnen we niet beoordelen, maar het beeld is wel in die zin bijgesteld en het kunstliquidatiediscours sluit hier niet bij aan.

G.B.: Ik denk niet dat het beter gaat met de kunstmarkt. Toen ik in 1984 in Keulen naar de kunstmarkt ging, was die even groot als nu. Het ging toen even goed als nu. Er zijn nu misschien meer galeries in Antwerpen dan tien of twintig jaar geleden. Maar hoeveel galeries werken er goed? Er zijn veel galeries die ‘galerieke’ spelen. Er is misschien een overaanbod, een overaanbod van middelmatige kunst. Het aanbod van goede kunst is hetzelfde gebleven.

K.B./D.P.: Het schrappen van de term ‘kunstliquidatie-project’ luidt ook andersoortige installaties in. In de eerste helft van de jaren tachtig maak je vooral installaties die uitdrukkelijk de overheid en haar beheerszucht, haar bureaucratische cultuur viseren. Nadien wordt de kritiek breder en gevarieerder. Je richt je ook op de cultuur- of spektakelindustrie. Je maakt in 1987 bijvoorbeeld het werk Four American Artists. Die installatie is een persiflage op de manier waarop carrières van kunstenaars gemaakt worden.

G.B.: Ik ben blij dat ik gestopt ben met die tekst over het kunstliquidatieproject, want je ziet tot wat voor discussies en verkeerde interpretaties dat leidt. Jullie leggen te veel nadruk op die tekst. Anderen hebben die tekst verkeerd geïnterpreteerd, jullie leggen er veel te veel nadruk op. In mijn werk is ook het sculpturale, de inhoud en het situationele van belang.

K.B./D.P.: Er is toch iets in je werk veranderd. In 1980 heb je geen installaties gemaakt zoals Ein Neuer Politiker, Miss Hamburg, Four American Artists of het TV Quiz Decor. In het begin zijn er alleen ruimten die ressorteren onder departementen van de overheid, en commerciële ruimten die deel uitmaken van het straatbeeld. Daarna maak je installaties die bijvoorbeeld aansluiten bij de ‘onwerkelijke’ wereld van de televisie, het museum en het spektakel in het algemeen.

G.B.: Ik vind dat het evident is dat ik ooit eens een wassen beeldenmuseum of een tv-quizdecor zou maken. Ik had dat ook in de jaren tachtig kunnen doen, als die mogelijkheid zich had aangeboden. Ik wou dat al in de jaren zeventig doen. Nee, het is gewoon één oeuvre dat heel erg afhankelijk is van de aangeboden ruimte en tijd, in het algemeen. Het is één visueel verhaal.

K.B./D.P.: Je maakt die installaties op het moment dat het begrip ‘kunstliquidatie’ is weggevallen, maar dat niet alleen. Het heersende discours op dat moment, geïnspireerd onder andere door Jean Baudrillard, sluit daar perfect op aan.

G.B.: Ik zie mijn oeuvre als een geheel. Het is het werk van iemand die geleefd heeft in de 20ste eeuw en die dat allemaal wilde laten zien, die ermee wilde spotten. De werkelijkheid verandert niet zo veel in a lifetime.

K.B./D.P.: Het is één geheel, één oeuvre, maar het kan betekenisvol zijn waarom je bepaalde delen vroeger uitvoerde en andere later, en die volgorde kan verband houden met de tijdgeest. De installatie Four American Artists is niet iets van 1980, dat is iets van later in de jaren tachtig. Dat zou niet gefunctioneerd hebben in het begin van de jaren tachtig.

G.B.: Dat is niet waar. In 1974 of 1975 maakte ik al een werk waarin ik de noties ‘origineel’ en ‘interessant’ ridiculiseerde. Four American Artists is eigenlijk eenzelfde soort werk. Ik denk dat ik Four American Artists ook in 1982 had kunnen maken in plaats van in 1987. Ik denk dat ik de installatie ook nu nog kan maken. Er zou nu zeker een videokunstenaar bij zijn; ik zou iets onbeduidends filmen en dat in het groot projecteren. En er zouden grote foto’s zijn, onberispelijk ingekaderd, met een prachtige passepartout. Misschien zou er nog een objectkunstenaar bij zijn, en een schilder of zo. De Four American Artists zouden nu ander werk maken. Maar het is geen werk tegen de kunst, het is geen persiflage op de kunst zelf, maar op het trendy aspect van de kunst, op het Flash Art-karakter van sommige kunst. En het is ook een persiflage op het fenomeen van groepstentoonstellingen: Four American Artists, Five Belgian Sculptors, Ten Australian Painters. Four American Artists of het TV Quiz Decor zouden zeker niet mijn eerste tentoonstellingen zijn geweest, zeker en vast niet, omdat je ook moet leren en aftasten hoe ver je kunt gaan. Ook een Komponisten-Sterbezimmer had ik niet als eerste tentoonstelling kunnen maken, maar misschien wel als derde of vierde tentoonstelling.

K.B./D.P.: Maar we leven toch niet meer in dezelfde maatschappij. Er is sinds 1979 toch ontzettend veel veranderd? Bijvoorbeeld de communicatiemiddelen, de snelheid van communiceren, de manier waarop de media functioneren.

G.B.: En is de wereld verbeterd?

K.B./D.P.: Misschien niet, maar hij is alleszins veranderd. En je werk getuigt daar ook van, of niet?

G.B.: Ik reproduceer inderdaad ook heel korte tijdsbeelden, zoals een interphonecenter voor vreemdelingen die goedkoop willen telefoneren naar hun thuislanden. Zoiets zal verdwijnen. De Toning Tables die ik bij Isy Brachot tentoonstelde in 1989 zijn al zo goed als verdwenen. Hoeveel fitnesscenters zouden die machines nog in huis hebben? Dat vind ik óók boeiend, van die heel tijdelijke fenomenen, fenomenen van korte duur.

K.B./D.P.: Anderzijds zijn er elementen in je werk die je niet hebt uitgevoerd maar die ondertussen zijn ingehaald door de realiteit zelf. Neem zo’n televisieprogramma als Witte raven, waar bijvoorbeeld een boer op een maand tijd tot kelner wordt omgeschoold. Dat is in feite een Behandeling.

G.B.: Er zijn inderdaad zaken die ik in mijn werk heb aangeraakt en die werkelijkheid zijn geworden. Ik heb vroeger inderdaad allerlei absurde dingen bedacht die vandaag vanzelfsprekend zijn. Je kan het je niet inbeelden of het bestaat – of zal bestaan.

K.B./D.P.: Foto’s zijn meestal het enige wat overblijft van je installaties. Die zijn dus heel belangrijk. Bepaal jij zelf hoe het werk gefotografeerd wordt? Hoe ben je daarmee bezig? Hoe stuur je dat?

G.B.: Slecht… heel slecht, omdat ik nooit geld heb om serieuze fotografen te engageren. Soms doen de instituten die me uitnodigen dat goed, maar soms doen ze dat heel slecht. Ik ben financieel niet bij machte om zelf een fotograaf mee te nemen. Er zijn veel slechte foto’s bij, vaak foto’s die ik zelf heb genomen.

K.B./D.P.: Wat vind je de beste foto’s van je werk?

G.B.: Daar ben ik niet mee bezig. Ik ben voornamelijk bezig met het maken van nieuw werk. Het realiseren van de installaties is hectisch en de installaties zijn maar tijdelijk. Vaak komt het er dan ook niet van om de installatie op een goede manier vast te leggen op film of foto. Al dat archiveringswerk… Ik heb ongelooflijk veel films van mijn werk die ik nog nooit heb gezien omdat ik er geen tijd voor heb om dat serieus aan te pakken. In ieder geval vind ik het maken en conserveren van mijn werk belangrijker dan het fotografisch vastleggen van de tijdelijke installaties.

K.B./D.P.: Wat zou je nu nog willen transformeren? Welke installaties zou je nog willen maken?

G.B.: Ik weet het niet. Een immobiliënkantoor, honderd lederen salons, een hondenkapsalon? Wat ik graag zou doen, is een tentoonstelling zoals De stoel in de kunst, zo’n verschrikkelijke thematentoonstelling. Of ‘Het Rood in de kunst’. Makkelijk is dat niet omdat je toch een paar echte werken zou moeten tentoonstellen. Je kan geen tentoonstelling zoals Het Rood in de kunst maken zonder bekende kunstenaars, maar de kunst is een van de weinige dingen die ik niet belachelijk wil maken.

K.B./D.P.: Je hebt ooit eens gezegd dat je een hele straat zou willen maken met bestaande installaties. Zou je dat nog altijd willen doen? Je noemde dat “een stadsstraat met reconstructies van installaties”. Dat was in 1988.

G.B.: Nee, dat zou ik niet meer willen doen. Dat is weer zo’n ‘woordzonde’. Wat ik ook eens heb willen doen, dat is een huis waar allemaal verschillende installaties permanent zouden blijven, en op dat huis staat ‘sorry’ in een rode neon die aan- en uitfloept. Een Sorry-huis, met een autorijschool, een reisagentschap, een wachtzaal… Maar dat zal ook wel bij een illusie blijven, dat werk.

Woonopvoeding

In het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog werden in België, net als in veel andere westerse landen, diverse ‘volksopvoedkundige’ initiatieven ontwikkeld om het goede wonen te promoten. Het Nationaal Instituut voor Woning en Huisvesting organiseerde al in de eerste jaren na de bevrijding enkele woontentoonstellingen. De Belgische Boerinnenbond gaf in 1945 een adviesboekje uit over ‘De Boerenwoning’. In 1949 volgden de Kristelijke Arbeidersvrouwengilden en de Katholieke Werkliedenbonden met de reizende tentoonstelling De Thuis. De avant-gardegroepering Nieuwe Vormen of Formes Nouvelles begon omstreeks 1950 met een educatief programma voor een ‘betere’ wooncultuur. Hoewel elk van deze initiatieven eigen accenten legde, was er een gedeelde bekommernis om een esthetisch en ethisch verantwoord wonen dat aangepast is aan de moderne tijd.

Aan Adelbert Van de Walle komt de eer toe om de problematiek van het moderne meubel en de wooncultuur op een museaal niveau te hebben aangekaart. Adelbert Van de Walle (°1922) is architect en doctor in de kunstgeschiedenis en de oudheidkunde. Na de Tweede Wereldoorlog bouwde hij een academische carrière uit als professor aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde van de Universiteit Gent. Daarnaast was hij conservator van diverse Gentse musea, in het bijzonder van het Gentse Museum voor Sierkunst, dat hij leidde van 1951 tot 1974. Onder zijn bewind groeide dit museum halverwege de jaren ‘50 uit tot een geëngageerd promotor van ‘moderne’ meubelen van Belgische makelij. Tegelijk profileerde het museum zich als ‘woonopvoeder’. Beide ambities zouden op voorbeeldige wijze samenkomen in de drie Nationale Salons voor Modern Sociaal Meubel die Van de Walle organiseerde tussen 1955 en 1957, in samenwerking met architect Dan Craet en ontwerpster Frida Burssens. In onderstaand gesprek gaan we uitgebreid in op deze woontentoonstellingen en op andere initiatieven die Van de Walle ten bate van het goede wonen ontplooide. Daarnaast komen ook andere aspecten van zijn carrière ter sprake.

 

Fredie Floré/Dirk Pültau: In 1951 volgt u de historicus Henri Nowé op als conservator van het Museum voor Sierkunst. Wat voor een instelling was dat toen?

Adelbert Van de Walle: Een heel primitief en bouwvallig museum. Ik werd niet betaald en van de stad kreeg ik maar één personeelslid, een invalide huisbewaarder. Telefoon was er niet, er was zelfs geen schrijfmachine.

F.F./D.P.: Het museum werd toen geleid door een vereniging.

A.V.d.W.: Inderdaad, het was eigenlijk een privémuseum in een stadsgebouw. Zo’n vereniging heeft voordelen maar ook nadelen… Het voordeel is dat je onafhankelijk bent, maar het nadeel was dat die rijke lieden in het bestuur van de vereniging, onder wie een aantal textielbarons, steeds minder talrijk werden. Zij beschikten ook niet meer over de middelen die ze ooit hadden. Bij de oprichting van het museum waren ze welstellend, en schonken ze hun verzamelingen aan het museum, maar hun fortuinen raakten opgesplitst. Toen ik begon, had de vereniging zelfs schulden. Ik heb toen nog een tentoonstelling ingericht van de schilderende dokters in de geneeskunde, want die konden betalen…

F.F./D.P.: U had een opleiding gevolgd als architect, en op het moment dat u in het museum komt, was u net afgestudeerd als kunsthistoricus. Meteen wordt u ook aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Was dat combineerbaar?

A.V.d.W.: Dat was inderdaad ongeveer in dezelfde periode. Maar het stond daar los van. Ik werkte maar deeltijds, en zoals gezegd werd ik niet betaald.

F.F./D.P.: Daar is toch ooit verandering in gekomen?

A.V.d.W.: Ik denk dat het rond 1960 veranderd is, precies weet ik het niet meer. Maar méér dan halftijds werd ik nooit betaald. Je moest dus een idealist zijn… Toen ik mij ging bezighouden met het meubel en het wonen, was dat ook uit idealisme.

F.F./D.P.: In het museum toonde u moderne kunstambachten, meubels en interieurkunst, maar uw academische publicaties uit die tijd gaan bijna allemaal over middeleeuwse archeologie. U zat dus echt wel op twee sporen.

A.V.d.W.: Waarom niet? Ik heb een zeer brede opleiding gehad, en voelde mij evengoed thuis als leider van een archeologische opgraving als in de wereld van het design. En in mijn tijd stond op het diploma van architect nog dat we stedenbouwkundige waren, en er hoorde ook interieur en meubelontwerpen bij. Ik heb bovendien nog vrije cursussen gevolgd over toegepaste kunsten.

F.F./D.P.: Waarom trouwens die keuze voor architectuur en niet voor vrije kunst?

A.V.d.W.: Omdat ik vond dat je ook een broodwinning moest hebben. Ik heb wel bewust voor Sint-Lucas gekozen, omdat het op de Universiteit zelden over kunstsmaak ging. De ingenieursopleiding aan de universiteit was toen zuiver technisch gericht. Dat is nu anders.

F.F./D.P.: In het begin oogt uw tentoonstellingsprogramma nog divers, zoals in de periode Nowé. Na een tijdje komt het accent op kunstambachten en op het meubel te liggen, en in 1955 is er het eerste Nationaal Salon voor Modern Sociaal Meubel, een echte interieurtentoonstelling. Is dat de eerste tentoonstelling die een integrale visie gaf op het interieur?

A.V.d.W.: In het begin liep de programmatie van Nowé nog door, ik moest dus niet zoveel doen. Maar de eerste interieurtentoonstellingen onder mijn leiding komen toch al in 1954, denk ik, met de interieurkunst van Eric Grinwis, die in Gent en Parijs werkte, en de tentoonstelling Moderne sociale meubelkunst van Rubbens en De Mey. Naast het eerste Salon waren er nog interieurs van Michel Holyman uit Henegouwen en, heel belangrijk, American Design for Home and Decorative Use, met driehonderd voorwerpen geselecteerd door het Museum of Modern Art in New York.

F.F./D.P.: Dan komt het eerste Nationaal Salon. Alle meubelen waren daar te koop. Dat was ongewoon, zeker voor een museum.

A.V.d.W.: Ja, maar ik wilde dat iedereen daar iets aan had. De ontwerper moest ervan leven, de fabrikant moest kunnen verkopen om zijn meubels in productie te houden, en het publiek had een raadgever nodig. Want er kwam toen een enorme kwaal op: de industriële kitsch. Al dat klatergoud aan de lopende band, vreselijk… Ik hield toen voordrachten over de kitsch, en na afloop kwamen de mensen naar mij en vroegen ze, maar professor, moeten wij nu alles wegwerpen?

F.F./D.P.: Waarom werd die kitsch plots zo’n thema? Was er een sensationele toename van de productie en consumptie van kitsch? Daarvoor was er toch ook kitsch geweest?

A.V.d.W.: Jazeker, maar je moet een onderscheid maken tussen kunstgeschiedenis en de kunstbeleving van mensen. Neem nu de woning, want die zegt toch iets over het sociaal beleven van de kunst. Na de Tweede Wereldoorlog leidde de zogenaamde wet De Taeye tot de bouw van werkmanswoningen, wat men nu sociale woningen zou noemen. Ik heb toen zelf nog aan sociale woningbouw gedaan, en als ik die woningen bezocht… In de badkamer – die was verplicht in sociale woningen – hadden de mensen aardappelen of steenkolen in het bad gelegd. En de wansmaak die zij zich lieten aanpraten… Na de oorlog hebben grote groepen mensen een zekere welvaart opgebouwd, en die welvaart is gegroeid tot op de dag van vandaag. Maar de uitbuiting van de wansmaak is evenredig toegenomen. Ik vond dat het museum hier een belangrijke taak had. Het was onze plicht daaraan te verhelpen, net zoals een arts de plicht heeft om te helpen als iemand in nood verkeert. En het heeft ook gewerkt, alleen was de tegenstroom uiteindelijk veel groter.

F.F./D.P.: Jullie wilden de welvaart esthetisch kanaliseren?

A.V.d.W.: Dat was het. De welvaart en de groei van de technologie en de industrie. Daar zit de knoop van de zaak.

F.F./D.P.: Had u weet van gelijkaardige instellingen of musea die op zo’n manier werkten, die het mogelijk maakten dat tentoongestelde objecten werden verkocht?

A.V.d.W.: Nee, eigenlijk niet, en ik denk ook niet dat dat normaal was. Maar ik probeerde te doen wat ik dacht te moeten doen.

F.F./D.P.: U had ook goede contacten met Het Gentse Meubel, een coöperatieve die eveneens moderne meubels promootte en verkocht.

A.V.d.W.: Ja. Dat was een verkoopszaal in de Ravensteinstraat waar meubelfabrikanten uit Gent en omstreken hun producten voorstelden, na goedkeuring door het museum. Het was een initiatief van Edmond Dutry, secretaris van het Museum voor Sierkunst, en van het museum zelf. Die ruimte kwam van pas, want zoals gezegd was het museum bouwvallig. Maar Dutry is overleden en toen is Het Gentse Meubel gestopt.

F.F./D.P.: In een verslag van een statutaire vergadering uit 1974, veel later dus, maakt iemand een kritische opmerking over het feit dat er dingen te koop waren in het museum. Er zijn dus ook later nog tentoonstellingen geweest waar je dingen kon kopen.

A.V.d.W.: Ja, bij mij was altijd alles te koop – ik bedoel, bij de producent of de kunstenaar die in het museum tentoonstelde.

F.F./D.P.: Altijd?! Dus van bij de eerste tentoonstelling, Kartons voor wandtapijten, in 1951…

A.V.d.W.: ’t Is te zeggen, die regeling is gegroeid naarmate ik mij bewust werd van de noden van ontwerpers. Je moet je realiseren in wat voor schrijnende omstandigheden zij soms werkten.

F.F./D.P.: Maar op een gegeven moment, althans in 1974, ervaarde men dat kennelijk als een probleem.

A.V.d.W.: Tja, als er in het museum verkocht wordt en er is elders in de stad nog een commercieel verkooppunt voor hetzelfde product, dan ben je natuurlijk ergens een concurrent. En als dat museum een publieke status heeft en met publieke middelen kan werken, is dat natuurlijk niet zo evident. Dus het is mogelijk dat er uitzonderlijk tegen opgekomen werd, ik herinner me dat niet meer.

F.F./D.P.: Allicht kon u dat principe ook niet voor alle tentoonstellingen volhouden. Veel tentoonstellingen waren overgenomen uit het buitenland, met bruiklenen en alles erop en eraan.

A.V.d.W.: Nee, natuurlijk niet. Alhoewel, ik herinner mij een tentoonstelling met een groep keramisten die hadden gewerkt in dat centrum waar Picasso zijn keramiek liet maken, in Valouris nabij Aix-en-Provence. Zij hebben bijna alles verkocht. Maar uiteindelijk ging het er vooral om iets te doen aan de noden van de ontwerpers van hier. Tenslotte waren de Salons in hoofdzaak voor de Belgische ontwerpers bedoeld.

F.F./D.P.: Die Salons waren echte woontentoonstellingen, opgebouwd uit modelkamers. Maar je kwam wel eerst door het oude, 18de-eeuwse interieur om die modelappartementen te bezoeken…

A.V.d.W.: Ja, dat was bedoeld als een schok. Dat was nieuw in die tijd. De meubelbeurzen van toen leken op een ordeloze veilingzaal, en de nieuwe gedachte was om meubels in de vorm van interieurs te presenteren, zodat de bezoeker zich onmiddellijk kon voorstellen hoe dat bij hem thuis kon werken. De verdeler kon dan weer inschatten of dat iets voor zijn klanten was. Er was toen een enorme evolutie van het wonen. Na de Tweede Wereldoorlog, in de jaren vijftig, begint de vlucht uit de stad. Het ideaal voor veel mensen is dan een appartement.

F.F./D.P.: Had je in het museum constant de illusie dat je in de moderne tijd rondliep? Of werd je toch nog aan het 18de-eeuwse interieur herinnerd?

A.V.d.W.: In de achterbouw, waar het grootste deel werd tentoongesteld, was alles volledig modern ingericht. Toen het een succes bleek, hebben we in de oude salons vooraan ook enkele wanden geplaatst met velums erop, en liep het circuit van de zolder tot de kelder. Zo konden de mensen zien dat je het hele huis modern kan inrichten. Oud en nieuw kwamen daar ook wel in aanraking. Ik was daar niet tegen, ik heb zelfs nog andere tentoonstellingen ingericht over “antiek in het hedendaags interieur” of “hedendaags in het antiek interieur”, om de mensen over de totale kunst van het interieur te doen nadenken.

F.F./D.P.: U hebt, dachten we, ook nog een antiekbeurs georganiseerd in het museum…

A.V.d.W.: Ja, want als je spreekt over het binnenhuis, dan denk je onvermijdelijk toch ook aan oude spullen, en zo heb je meteen weer een enorme attractie. Ik was wel tegen het valselijk kopiëren van oude stijlmeubelen. Als je in de moderne tijd iets maakt, moet je die stijlmotieven niet gebruiken, dan moet het iets van de moderne tijd zelf zijn. Ik wilde dus zeker geen ontwerpers aanmoedigen om oude stijlen te kopiëren voor hedendaags gebruik.

F.F./D.P.: Stel dat je op de Nationale Salons voor Modern Sociaal Meubel een meubel wilde kopen, hoe ging dat dan? Kon je meteen bestellen? Waren de standen van de bedrijven continu bemand?

A.V.d.W.: Zeker, er stonden vertegenwoordigers van de bedrijven, gelukkig, want verder was er geen geld voor bewaking. Dat had succes, hoor. De mensen stonden aan te schuiven in files tot op de hoek van de straat. De politie moest hen leiden. Het stond ook wel goed om aan de renovatie van het interieur mee te doen.

F.F./D.P.: De mensen werden als consument aangesproken… Mochten ze dan ook meubels uitproberen?

A.V.d.W.: Ik herinner mij een koppeltje dat stiekem een bed heeft uitgeprobeerd, ja [lacht]. Dat was in principe niet de bedoeling, maar voor zetels en stoelen was het geen probleem.

F.F./D.P.: Op de Salons waren woonkamers, eetkamers en slaapkamers te zien. Waren er ook badkamers?

A.V.d.W.: Nee, want de badkamer had zich nog niet zo ontwikkeld. De badkamer was nog altijd een machine, zij was nog geen interieurkunst. Op esthetisch vlak had zij niets te bieden. Maar de keuken wel.

F.F./D.P.: Stonden daar dan huishoudtoestellen? Of misschien moeten we de vraag algemener stellen: gingen de Salons ook over de idee van comfort en technologie? Of ging het voornamelijk over de esthetiek van het wonen?

A.V.d.W.: Wel, toen de keuken erbij kwam, stond daar natuurlijk geen oud moorke. Maar technologie en industrial design kwamen vooral in andere tentoonstellingen aan bod. Je moet ook niet alles tegelijk doen; die Nationale Salons waren hoogtepunten die deel uitmaakten van een veelzijdig programma rond het interieur.

F.F./D.P.: Hadden mensen echt de indruk dat die modelkamers bewoond waren? Lieten jullie af en toe iets rondslingeren om de geloofwaardigheid te verhogen? Wat tijdschriften, of een bril?

A.V.d.W.: Dat koppeltje moet toch gevonden hebben dat die slaapkamer meer was dan een ledikant dat te koop stond. Er stonden ook kunstobjecten, er hingen schilderijen en foto’s aan de muur. Je kunt je toch geen interieur indenken zonder dat er iets aan de muur of aan het plafond hangt? Alles was er, opdat het publiek zou begrijpen hoe het zijn eigen interieur smaak kon geven. Want als je gewoon losse objecten zou tonen, en het aan de mensen overliet… Dat was niet evident. Het totale artistieke concept van het interieur zou dan niet genoeg overkomen.

F.F./D.P.: U spreekt over kunstwerken. Wie bepaalde de keuze van die kunstwerken? De meubelfabrikanten zelf?

A.V.d.W.: Dat interesseerde de meubelfabrikanten niet, hoor. Zij wilden vooral meubelen verkopen. Wij kozen dat zelf – maar het was inkleding. Het maakte voor hen geen deel uit van de boodschap.

F.F./D.P.: Hoe werden die fabrikanten eigenlijk geselecteerd? Want jullie selecteerden in eerste instantie bedrijven voor de Salons?

A.V.d.W.: Er werd een oproep gedaan en de bedrijven stuurden dossiers in. Die moesten een plattegrond bevatten, een schets van de opbouw van de stand, van de kleurstelling, en foto’s of tekeningen die een precies idee gaven van wat er zou kunnen inkomen.

F.F./D.P.: Deed u de selectie?

A.V.d.W.: Wel, ik had de feitelijke macht, maar vanaf een bepaald moment, midden jaren vijftig, werkte ook Dan Craet mee, de architect die later nationaal voorzitter werd van de Orde van Architecten. En zijn vrouw, Frida Burssens, die ook nog veel affiches voor het museum heeft ontworpen. Maar Frida speelde eigenlijk vooral een rol bij de tentoonstellingen van kunstambachten. Ook Eric Grinwis heeft aan sommige tentoonstellingen meegewerkt, en Pierre Vlerick – die later directeur van de Gentse Academie is geworden – en Jos De Mey. Maar ik behield wel persoonlijk de eindverantwoordelijkheid. Ik herinner mij dat ik nog eens een veto heb gesteld tegen meubelen met een Louis Quinzelijn…

F.F./D.P.: Werd een firma met Louis Quinzemeubelen dan niet automatisch afgewezen?

A.V.d.W.: Ja, want in het reglement stond “geen reminiscenties aan oude stijlen”. Maar op een bepaald moment was er toch een firma die een piano met kromme oude stijlpoten wilde tonen. Ik vond dat zoiets niet kon, en die firma heeft er rechte poten van gemaakt. Per slot van rekening, die piano hoort toch ook bij het interieur, en een zwartgelakte piano met kromme poten kun je moeilijk integreren, temeer omdat het moderne interieur steeds kleiner werd. Zoiets is minder een probleem zolang er ruimte blijft tussen de dingen, maar als alles soberder en compacter wordt…

F.F./D.P.: De Salons waren Nationaal, er werden dus alleen Belgische meubels getoond. Het ging er dus echt om het Belgische meubel te promoten en sociaal en economisch te ondersteunen.

A.V.d.W.: Ja, want er was toen een crisis in het meubelbedrijf in België. De hele nijverheid was in de oorlog stilgevallen, en het moderne meubilair dat je bij ons kon kopen, werd vooral geïmporteerd uit Denemarken. Dat waren uitstekende meubels hoor, maar het probleem was dat wij die net zo goed konden ontwerpen en produceren. Het potentieel was er. Wat later is dat ook nationaal doorgedrongen, en heeft men het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor Industriële Vormgeving opgericht, waar ik voorzitter van ben geworden. Industrial design betekent dat je met een team ontwerpers werkt, elk met zijn specialiteit. Het meubel was voor mij nooit de enige bekommernis. Ik had oog voor het geheel. Ik vind het even waardevol als een stofzuiger er goed uitziet, of als men een pot ontwerpt waarmee een boer koeien op afstand kan melken. Rond dezelfde tijd werd ook het Gouden Kenteken opgericht, een initiatief van mevrouw Josine des Cressonnières, die aanvankelijk esthetisch raadgever was van de warenhuisketen A l’Innovation. Dat was een kwaliteitslabel dat elk jaar aan een aantal ontwerpen werd toegekend.

F.F./D.P.: Er zijn van 1955 tot 1957 drie Nationale Salons voor Modern Sociaal Meubel geweest en de schaal van het initiatief is ook telkens gegroeid. Af en toe kwam er toch ook kritiek. De ontwerper en criticus Jos De Mey beklaagt zich in 1956 over de moderne kitsch die op het tweede Salon te zien was. En een jaar later, als het derde Salon plaatsvindt, heeft Karel Elno de indruk dat de kwaliteit van de meubels achteruit is gegaan, al is hij lovend over het initiatief.

A.V.d.W.: Tja, de kunstcriticus en meubelontwerper die in dit geval meubelcriticus is… Jos De Mey had toen een scherp karakter, maar de precieze context ken ik niet meer. En Karel was wellicht al een beetje te veel verwend, want volgens mij is de kwaliteit verhoogd. Je moet toch eens bedenken vanwaar wij kwamen. Wij vertrekken op een ogenblik dat bijna alle Belgische fabrikanten zogezegde stijlmeubelen maken. Nu noemt men dat klassieke meubelen, maar dat waren wangedrochten – de oude stijlen kenden zij trouwens evenmin goed. En wij moesten hen duidelijk maken dat we in een nieuwe tijd leefden en dat die meubels nu eens wat eenvoudiger moesten, zodat het initiatief overal kon doordringen, zodat de meubels industrieel geproduceerd konden worden en beschikbaar waren voor iedereen…

F.F./D.P.: Een tijd na het laatste Salon in 1957 gaat het museum dicht voor verbouwingswerken. Maar u organiseert wel tentoonstellingen in het Museum Arnold Vander Haeghen in de Veldstraat. In de zomer van 1958 is er bijvoorbeeld een hele reeks tentoonstellingen onder de noemer Levende Gentse kunstenaars. Dat waren geen ontwerpers maar beeldende kunstenaars. Bracht u een ander soort tentoonstellingen op die plek?

A.V.d.W.: Ja, het Vander Haeghen… dat was ook een museum met één personeelslid, een gehandicapte huisbewaarster… Maar daar zijn ook tentoonstellingen van kunstambachten geweest, hoor, bijvoorbeeld van keramiek. En daarnaast toonde ik dan schilderijen, niet alleen uit België maar ook uit Zuid-Afrika. Die kunstenaars moeten zich toch ook kunnen laten zien, trouwens, schilderkunst, althans tableauschilderkunst, behoort voor mij ook voor een deel tot het interieur.

F.F./D.P.: Het is niet zo dat u de aard van die tentoonstellingen op de plek afstemde?

A.V.d.W.: Nee, maar de plekken vulden elkaar aan. Iemand die in het Museum voor Sierkunst meubels zag, vond misschien dat hij ook verlichtingsarmaturen nodig had, en die konden dan in het Vander Haeghen worden getoond. Je moet de aandacht van het publiek vasthouden, hé. Het Museum Vander Haeghen was daarvoor wel geschikt, want dat was de beste tentoonstellingszaal van de stad, een mooi 18de-eeuws gebouw, ideaal gelegen in de grootste winkelstraat, midden in het centrum. Arnold Vander Haeghen behoorde tot een rijke drukkersfamilie. Hij had het gebouw aan de stad geschonken om er een museum van de 18de eeuw in onder te brengen – maar de stad heeft daar weinig rekening mee gehouden. Als conservator historische monumenten viel dat gebouw onder mijn bevoegdheid, en die kans heb ik niet laten liggen. Je moet ook weten dat de Veldstraat toen een ander soort publiek trok. Gent had een artistieke elite, en de winkels van de Veldstraat waren ook elitair. Die plek had dus een enorme aantrekkingskracht. In de zomer tijdens de Gentse Feesten kon ik daar tentoonstellingen organiseren die bijna dag en nacht open waren en gedurig volk trokken. Het volstond dat ik op het trottoir stapte en weer naar binnen ging; de mensen kwamen gewoon mee. Later heeft de schepen van onderwijs de achtervleugel voor 99 jaar verhuurd aan de Grand Bazar, die vlak daarnaast lag.

F.F./D.P.: Als het Museum voor Sierkunst sluit voor verbouwingswerken, in 1957, hebt u blijkbaar een zekere faam, want in 1958 organiseert u in Brussel de Klasse van de Toegepaste Kunsten en Kunstambachten op de wereldtentoonstelling.

A.V.d.W.: Het is te zeggen, eigenlijk was Marcel Wolfers voorzitter van die klasse op de Expo 58, de klasse van de  Belgische toegepaste kunsten, en ik was ondervoorzitter. Maar in feite had ik de vrije hand. Je moet mij dus inderdaad ook zien als iemand die in verschillende functies optreedt. Met de tijd krijg ik meerdere mandaten. Eerst word ik secretaris-generaal van de Provinciale Dienst voor Kunstambachten – dat werd zo genoemd, maar die dienst hing niet af van de provincie, die ressorteerde onder het Ministerie van Economische Zaken. Daarna word ik ook voorzitter van het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor Industriële Vormgeving, en dat heeft mogelijkheden gecreëerd. Die Provinciale Dienst stelde bijvoorbeeld niet veel voor, maar ik had daardoor wel veel contacten en kon beperkte middelen aanspreken. En dan kun je meer doen, hé.

F.F./D.P.: De presentatie op de wereldtentoonstelling omvatte ook een sectie interieur, met een woontentoonstelling in de lijn van de Salons, op een galerij in Paleis 7.

A.V.d.W.: Ja, dat was op een bel-etage. Het was aanvankelijk niet de bedoeling dat daar iets werd georganiseerd, dat stond vrij, en toen heb ik de kans gegrepen om daar het interieur te doen.

F.F./D.P.: In sommige kritieken lees je dat die plek nogal donker was…

A.V.d.W.: Donker? Dat was helemaal niet donker, die critici hadden wellicht te veel gedronken. Trouwens, in interieurs kun je toch altijd elektrische verlichting gebruiken? Op de wereldtentoonstelling was alles mogelijk, ik had de steun van het Ministerie van Economische Zaken en middelen waren er genoeg. Ik mocht interieur- en andere ontwerpen bestellen bij eender wie, en toen ik eiste dat alle ontwerpers daar serieus voor betaald werden, hebben ze ook dat toegezegd. Sommige ontwerpers hebben zich ook wel mispakt, en zijn niet verder gekomen dan het voorontwerp. Als een kunstenaar plots veel middelen krijgt, dan stijgt het succes hem soms naar het hoofd, dat loopt niet altijd goed af. Ik heb toen ook de middelen gekregen om een modeldocumentatiecentrum uit te bouwen.

F.F./D.P.: Een modeldocumentatiecentrum? Van vormgeving?

A.V.d.W.: Van hedendaagse visuele kunst in het algemeen, in de ruimste zin, zowel kunstambachten, binnenhuiskunst, industrial design als schilder- en beeldhouwkunst. Over gans België heb ik documentatie samengebracht, geordend per kunstenaar, per atelier of per fabriek, met alle catalogi van de tentoonstellingen, het curriculum vitae, adressen en telefoonnummers, alles. Dat gebeurde heel systematisch, door na te gaan wie er bijvoorbeeld in de kunstscholen was afgestudeerd. Op elke map was een artistieke quotering aangebracht, zodat je wist waarvoor iemand bekwaam was. Die quotering ging van één tot vijf. Als iemand voor een bepaalde discipline één had, dan was de kans groot dat het altijd goed was. Je mocht er gelijk wat bij bestellen. Daar is enorm aan gewerkt, door studenten, tewerkgestelde werklozen en nog anderen, tot het hele archief zo’n 24 metalen klasseermeubelen besloeg. Tot 1974 was ik daarmee bezig.

F.F./D.P.: Waar bevindt zich dat nu?

A.V.d.W.: Erg genoeg, dat is allemaal verdwenen. Het stond in een stadsgebouw, en waarschijnlijk vond men dat die informatie toen te recent was. Je kent dat, de administraties hebben altijd te weinig plaats en opslagruimte… Zo’n schat aan informatie is vandaag natuurlijk niet meer te vervangen. Ik heb er sporadisch nog eens naar verwezen, in een catalogus van een tentoonstelling in het Zilvermuseum Sterckshof, maar er is geen reactie op gekomen.

F.F./D.P.: Tot midden jaren ‘70 bleef het Museum voor Sierkunst gesloten, maar vanaf 1961 organiseert u tentoonstellingen in de Sint-Pietersabdij, waar u aan het hoofd komt te staan van een nieuw opgericht Centrum voor Kunstambachten. Hoe is dat centrum er gekomen?

A.V.d.W.: Dat is een Belgische geschiedenis. Op een zeker moment, tweede helft jaren vijftig, waren Walen en Vlamingen het erover eens geraakt dat het monopolie van het industrial design naar Wallonië ging, met het Instituut voor Industriële Vormgeving te Luik, en dat alles wat handwerk was, of in minder grote series werd geproduceerd, een plek kreeg in Gent. Vandaar dus de benaming Centrum voor Kunstambachten.

F.F./D.P.: Had u dan de hele Sint-Pietersabdij ter beschikking?

A.V.d.W.: Nee, jammer genoeg niet. Die Sint-Pietersabdij is ook een verhaal apart. Op een gegeven moment, vlak na de tentoonstelling Scaldis in 1956, had de schepen van onderwijs, professor Armand Hacquaert, een geoloog, beslist om dat gebouw tussen diverse verenigingen van de stad te verdelen. Ze gingen allemaal een mooie ruimte krijgen, er kwam zelfs een jeugdherberg in. Vanuit een electoraal standpunt was dat natuurlijk prachtig. In 1959 werd Emiel Claeys burgemeester, Claeys die als drukker in de drukkerij van Vander Haeghen had gewerkt. Hij stelde mij voor de keuze: ofwel komt hier het commissariaat-generaal van de politie, ofwel het schoolmuseum. Die keuze wilde ik niet maken, ik zei dat het gebouwencomplex als geheel moest blijven bestaan, dat het een internationale geschiedenis en roeping had. Dus heeft hij daar het schoolmuseum ondergebracht. Spijtig, want de Sint-Pietersabdij was het ideale gebouw om een wereldcentrum voor kunst en cultuur in onder te brengen, met het Sint-Pietersplein en met de nabijheid van de autowegen. Ik was in die tijd bevriend met Maurits Naessens, directeur-generaal van de Bank van Parijs en de Nederlanden. Hij trad als mecenas op, en hij had het geld verzameld om daar een ondergrondse parking te maken van zeven verdiepingen. Dat is precies wat men vandaag aan het doen is.

F.F./D.P.: Er zijn in dat Centrum voor Kunstambachten wel massa’s tentoonstellingen geweest…

A.V.d.W.: Honderden tentoonstellingen zijn daar geweest. Er gingen er soms tien tegelijk open, van het oud-Griekse tot het hedendaagse meubel, en keramiek, en graveerkunst en design…

F.F./D.P.: Eigenlijk worden alle denkbare vormen van toegepaste kunst getoond, in de ruimste zin. Want er is wel vrije kunst, maar dat is bijna steeds grafiek, graveerkunst zoals het toen op de uitnodigingen heette.

A.V.d.W.: Er waren ook schilderijen, hoor. Als je bijvoorbeeld Octave Landuyt toont, dan heb je evengoed schilderijen, meubelen, vazen en textiel, en al de rest. Maar die grafiek was mijns inziens wel belangrijk omdat we duidelijk wilden maken dat mensen op die manier ook iets van een groot kunstenaar konden bezitten in hun interieur. Als men geen schilderij kon betalen, dan kon men toch grafisch werk kopen.

F.F./D.P.: Hoe hield u dat draaiende? Om tien tentoonstellingen tegelijk te organiseren, heb je toch een enorme staf nodig?

A.V.d.W.: Helemaal niet, dat was een heroïsche tijd. Als het oorlog is, moet iedereen kunnen bijspringen. Wij werkten met vrijwilligers en tewerkgestelde werklozen. Ook kunstenaars werkten vrijwillig mee, Vic Gentils hielp bijvoorbeeld met de inrichting. Ik herinner mij dat ik hem nog eens iets terugbetaald heb met een kwitantie op een stuk inpakpapier. Ik betaalde hem soms officieel als bewaker, want dat was het enige wat de stad aanvaardde. Ik heb ook veel samengewerkt met Karel Geirlandt, met wie ik goed bevriend was. Hij heeft bij mij, en samen met mij, de internationale Forumtentoonstellingen georganiseerd.

F.F./D.P.: Had u daarvoor in het Museum voor Sierkunst ook al met Geirlandt samengewerkt? Volgens Frida Burssens, die einde 1954 in het Museum voor Sierkunst tentoonstelde, heeft Geirlandt haar aan u voorgesteld.

A.V.d.W.: Dat zou goed kunnen. Karel en ik zagen elkaar veel, wij waren gedurig aan het uitvinden en aan het overleggen wat we konden doen, hoe we aan de middelen konden geraken… Karel was indertijd de grote man in de hedendaagse kunst in Gent. Hij heeft mij gevraagd om ook mee te werken aan zijn initiatief voor een museum.

F.F./D.P.: U bedoelt de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst? Heeft hij u bij de oprichting in 1957 gevraagd daaraan te participeren?

A.V.d.W.: Ja, maar ik heb toen als voorwaarde gesteld dat zij ook het interieur en het industrial design daarbij betrokken. Karel heeft dat niet gedaan, en Jan Hoet later ook niet, al hoor ik nu dat Hoet toch met design bezig is.

F.F./D.P.: Het vreemde is wel dat Geirlandt ooit met de gedachte van een geïntegreerd museum heeft gespeeld, een museum van vormgeving en vrije kunst. In sommige van zijn artikels uit de jaren zestig vind je dat terug.

A.V.d.W.: Ja, het kan zijn dat die gedachte leefde en nooit verwezenlijkt is.

F.F./D.P.: Nadien ging het Centrum voor Kunstambachten gewoon Centrum voor Kunst en Cultuur heten.

A.V.d.W.: Ik heb de naam uitgebreid omdat het feitelijke aanbod veel ruimer was, en het Instituut voor Industriële Vormgeving, waar het Centrum een pendant van vormde, was inmiddels opgedoekt. Trouwens, niet alleen dat Instituut was opgedoekt. Heel de situatie was veranderd, en daarom heb ik het Centrum voor Kunst en Cultuur genoemd. Maar de kunstambachten, het industrial design en ook de woning bleven er wel in zitten. De brede context van zo’n centrum had ook voordelen. Als het alleen maar over industrial design gaat, hoeveel mensen komen daar speciaal voor naar Gent? Maar als de mensen naar een tentoonstelling van schilderkunst komen, en ze zien daarbij ook nog industrial design, dan is dat pure winst. Dan is het niet alleen meer voor de specialisten. Je moet weten, bij iedere openstelling waren er tussen de vijfhonderd en de achthonderd mensen. Alleen al bij de opening van de tentoonstellingen, vaak tien tegelijk. Het heeft de interesse toch doen groeien. Ik heb trouwens nog wetenschappelijk onderzoek gedaan, samen met André Vlerick, ook een professor aan de universiteit, die later minister is geworden en de managementschool heeft opgericht. Een uitgebreid statistisch onderzoek over de houding van de arbeiders en de bedienden te Gent ten aanzien van kunst en cultuur. Dat is toen een serieus dik boek geworden.

F.F./D.P.: Was dat uw eigen initiatief of deed u dat in opdracht?

A.V.d.W.: Dat was volledig mijn initiatief, met de steun van het ministerie weliswaar. Het was helemaal statistisch uitgewerkt, en het ging over alle kunstvormen, zowel moderne muziek als kunst en interieur. Maar wel alleen binnen Gent.

F.F./D.P.: Vanwaar die enorme bekommernis om publiek te winnen voor de goede zaak? Het is opvallend dat dat precies in Gent zo sterk leeft. Ook Geirlandt was gebeten door die missie om de massa’s voor de kunst te winnen, en na hem ook Jan Hoet…

A.V.d.W.: Wel, volgens mij komt dat omdat Gent het Manchester is geweest van het continent. Zo werd het indertijd genoemd, en terecht. De industrie heeft hier in de 19de eeuw plots een enorme ontwikkeling gekend, waardoor Gent met eender wie kon concurreren, want Gent maakte alles, niet alleen weefsels maar ook machines en zoveel andere producten. Maar de sociale geschiedenis van Gent was verschrikkelijk. En na de Tweede Wereldoorlog krijgen die werkende mensen materiële mogelijkheden, maar zij hebben geen kunstsmaak meegekregen, en dat wordt uitgebuit.

F.F./D.P.: Dat verhaal speelt ook in andere Belgische steden…

A.V.d.W.: Ja, maar niet zo sterk als in Gent. In Gent is het sterker.

F.F./D.P.: Maar dat verklaart nog niet waarom men zo ongelooflijk bezig is met het publiek…

A.V.d.W.: Wel, ik kan toch niets doeltreffends doen als ik niet weet wie ik wil bereiken, of zonder te weten voor wie ik het doe. Je kunt toch niet zomaar iets los uit je mouw schudden?

F.F./D.P.: Wat is er eigenlijk met het Centrum voor Kunst en Cultuur gebeurd als u midden jaren ’70 weggaat? In 1980 vindt er een deel van Kunst in Europa na ’68 plaats, een tentoonstelling van Jan Hoet…

A.V.d.W.: Daar ben ik niet meer bij betrokken. Mijns inziens had Jan Hoet, toen ik wegging, die gehele abdij moeten krijgen. Dat zou onmiddellijk iets buitengewoons zijn geweest, iets van wereldniveau.

F.F./D.P.: Het valt op dat u in het Centrum voor Kunstambachten alleen nog klassieke tentoonstellingen organiseert. Er worden objecten getoond, grafiek, keramiek, meubelen, boeken, kunstglasramen… maar de integrale visie op het wonen is weg. Waarom hebt u nooit geprobeerd om in het Centrum iets in de traditie van de Nationale Salons te organiseren? Waarom hebt u geen echte woontentoonstellingen meer georganiseerd?

A.V.d.W.: Omdat die tijd voorbij was.

F.F./D.P.: Sinds wanneer? De hele idee van de Salons, van het modern sociaal meubel en van de geïntegreerde visie op het moderne interieur, wanneer is die dan precies verloren gegaan?

A.V.d.W.: Ik denk dat het idee zijn genadeslag heeft gekregen als de Salons in 1959 naar de jaarbeurs verhuizen, de Internationale Jaarbeurs van Gent. Als men de vierkante meters aan nagenoeg eender wie verhuurt, dan is het afgelopen. Wat daar tentoongesteld werd, had voor mij gewoon geen belang meer. Met de jaarbeurs was nochtans iets te doen, want er waren middelen en er was een stevige structuur, terwijl ik in het museum zelf voortdurend organisatorische problemen moest oplossen. Maar men heeft dat te laat beseft, en nadien heeft men spijt gehad. Spijt komt hier te laat.

F.F./D.P.: U hebt wel nog een aantal van die jaarbeursedities gemaakt, de zogenaamde Salons voor Geselektioneerde Moderne Meubelkunst.

A.V.d.W.: Twee of hooguit drie. Ik heb de edities van 1959 en 1960 gemaakt, en misschien nog die van 1961. Toen heb ik geweigerd om dit verder te doen. Ze hebben dan gepoogd Dan Craet aan te trekken, maar hij heeft óók geweigerd, wat ik heel chic van hem vond. Hij deelde dus hetzelfde ideaal.

F.F./D.P.: Heeft u de jaarbeurstentoonstellingen nog min of meer kunnen doen zoals u wilde? Er waren, dachten we, niet alleen Belgische meubels te zien maar ook meubels van Knoll.

A.V.d.W.: Daar heb je het al, we waren overeengekomen dat er alleen Belgische meubels getoond werden, en dan worden er plots Zwitserse of Amerikaanse meubels bijgesleurd. Dat gaat toch niet, hé.

F.F./D.P.: Dus u wilde het Belgisch houden? U vond het niet zo leuk dat er meubelen van Knoll werden getoond?

A.V.d.W.: Wel kijk, ik zou dat misschien voor één keer doen, uit boosheid, als hint naar een ontwerper: kijk, kunt gij niet ook eens zoiets uitdenken. Maar die tentoonstellingen waren bedoeld voor de Belgische ontwerpers, en voor de producenten en de mensen van hier.

F.F./D.P.: Er zijn dus twee zaken: de jaarbeurs blijkt als een concrete context voor woonvoorlichting onwerkbaar, maar los daarvan hadden jullie ook het gevoel dat jullie ideaal voorbij was…

A.V.d.W.: Ja, want ook de industrie heeft ons ideaal verraden. Met het Instituut voor Industriële Vormgeving is het bijvoorbeeld al kort na mijn verkiezing tot voorzitter fout gelopen. Plots mochten er geen intellectuelen meer in het bestuur zetelen, maar moesten het mensen uit de industrie zijn. En die industrie spreekt altijd over grote bedragen, maar ze doen nooit iets. Ze doen alleen mee met aalmoezen. ACEC, de grote metaalproducent in Wallonië, maakte dan bijvoorbeeld eens een koffiezetapparaat, in de vorm van een witte cilinder, en aan de binnenkant zat gewoon nog het oude mechanisme. Met een cilinder zit je altijd goed, hoe hoog of dik je hem ook maakt. Cristallerie Val Saint-Lambert nam dan eens een model van Raymond Loewy in productie, een asbak, maar verder bleven ze de kitsch fabriceren die succes had bij het grote publiek. Heel de gedachte van het industrial design is verwaterd, en is zelfs omgekeerd gaan werken, zodat men kitsch nu ook als design beschouwt.

F.F./D.P.: Wat is er met de ontwerpers uit die tijd gebeurd? Er zijn er, menen we, toch een paar gestopt?

A.V.d.W.: Er zijn er veel gestopt, want ze konden er niet van leven, en ze werden soms erg bedrogen door de producent. Die betaalde immers wel voor het ontwerp, maar als hij dat lanceerde en verkocht, hield de ontwerper daar niets aan over. De fabrikanten wilden bijvoorbeeld ook niet dat het meubel de naam van de ontwerper droeg. Het moest hun merk zijn. Het is ongelooflijk wat voor trucs men uithaalde. Men kopieerde, of men veranderde een kleinigheid aan het ontwerp, zodat de ontwerper niets meer te zeggen had. Pieter De Bruyne is toen uit pure colère dingen beginnen maken die gewoon niet industrieel te kopiëren waren. Scheef en krom, alles wat je wil, dat waren kunstwerken op zichzelf. Hij en Jos De Mey en zoveel andere goede ontwerpers zijn gedegouteerd geraakt. Trouwens, er zijn ook veel meubelfabrikanten gestopt of ten onder gegaan. Vermaercke in Deinze, Ballegeer… Dat zijn idealen die stuk zijn gegaan. Van Den Berghe-Pauvers bestaat nog, dat is nagenoeg de enige.

F.F./D.P.: Omstreeks 1980 richt u, samen met professor Jacques Kint, een Centrum voor de Wetenschappelijke Studie van het Meubel op aan de Gentse universiteit. Had dit initiatief nog iets te maken met de ambities van de Nationale Salons voor Modern Sociaal Meubel?

A.V.d.W.: Neen. Dat waren wetenschappelijke studies. Er waren nog andere professoren bij betrokken, Gaston De Leye, Marc Plancke, Daniël Ellegiers, Marie Fredericq-Lilar van de ULB. We deden aan onderzoek en hielden voordrachten. En er was ook een persdienst die informatie verschafte over het meubel en over interieurinrichting. Het Centrum hield zich evengoed bezig met oude als met hedendaagse meubelen. Trouwens, ook mijn cursus aan de universiteit liep van de Middeleeuwen tot de moderne tijd, met aandacht voor de problematiek van het wonen vandaag en in de toekomst. Ik kon een breed overzicht aanbieden, omdat ik ervaring had in de archeologie van de Middeleeuwen, in de kunstgeschiedenis, en tegelijk jarenlang met hedendaagse kunst en industriële vormgeving was bezig geweest. En ik had het gevoel dat ik hier ten aanzien van de Universiteit Gent een bijzondere plicht had. Je mag niet vergeten, ik gaf de cursus die opgericht is door Henry Van de Velde, de cursus die Het Meubel heette maar die eigenlijk de hele esthetiek van het wonen omvatte. Ik heb Van de Velde opgevolgd, maar toen ik de universiteit verliet, is die cursus afgeschaft. Dat is ontzettend jammer. Als ik een laatste wens zou mogen uitspreken, dan is het dat die cursus ooit in een of andere vorm terug zou worden opgericht. Om zowel wetenschappelijke, economische als sociale redenen vind ik dat enorm belangrijk. Ik hoop ook dat de naam van Henry Van de Velde daarbij niet vergeten wordt…

F.F./D.P.: Ondertussen leeft het moderne meubel verder, en is er nog steeds design, maar de integrale idee van het wonen, eigenlijk ook een erfenis van Van de Velde, is verloren gegaan.

A.V.d.W.: Dat is ook voor mij persoonlijk een drama geweest, ’t is echt hoor. Je werkt daar jaren aan, en je zou kunnen slagen maar je wordt in de steek gelaten, én door de producenten, én door de industrie, én door de organisatoren van tentoonstellingen. Het had kunnen lukken, maar het is niet gebeurd. En nu gebruikt men het woord design voor gelijk wat. Maar het grootste gevaar vandaag zijn China, Korea en nog andere, die ook kitsch produceren en die de Europese markt en dus ook de Belgische markt in het gedrang brengen.

F.F./D.P.: Het viel ons op, voorzover we daar informatie over hebben, dat de collectie-aanwinsten uit uw beleidsperiode in het museum bijna altijd tot de oude sierkunst behoren. Hebt u nooit overwogen om een representatieve collectie van modern design samen te stellen? Met de Salons was u toch ideaal geplaatst?

A.V.d.W.: Oh, er zijn ook heel wat moderne zaken binnengekomen. Dat was niet moeilijk, weet je, als ik wilde kreeg ik dat kosteloos van de fabrikant. Maar je moet ook kunnen garanderen dat er iets mee gebeurt, en het probleem was dat ik noch de middelen, noch de ruimte had. Daarom is het geen hoofdzaak geweest.

F.F./D.P.: Maar in feite kun je zeggen dat het accent in uw tijd op het tentoonstellen lag, terwijl er in een vroegere periode meer aandacht was voor de collectie. En eigenlijk stemt uw focus op tentoonstellingen en manifestaties ook wel overeen met uw optie om het sociale en economische aspect te benadrukken, en om het publiek te sensibiliseren.

A.V.d.W.: Ja, de grote collecties oude kunst van het museum zijn veel vroeger binnengekomen, in de jaren kort na de stichting van het museum, begin 20ste eeuw. Ik heb wel gezorgd dat het moderne, naoorlogse design in het museum sporen naliet, maar het had geen zin om alle krachten te investeren in een verzameling die in de reserves blijft. Dat zou alleen zin hebben gehad wanneer we de Sint-Pietersabdij in zijn totaliteit hadden gekregen. Dan was dat een wereldinstelling geweest.

F.F./D.P.: We hadden nog een vraag over de presentatie van de oude collectie in het Museum voor Sierkunst. Als het museum in de jaren zeventig eindelijk terug opengaat, dan wordt de presentatie van Henri Nowé, die nog uit de jaren dertig stamt, volledig gerestaureerd. Die ‘sfeervolle’ presentatie, die nog in de traditie van de stijlkamer zit, is vandaag nog altijd te zien. Er is alleen wat didactiek op plexiplaten aan toegevoegd. Waarom heeft men eigenlijk nooit overwogen om een ander presentatiemodel te hanteren?

A.V.d.W.: Ik vond dat ook een hulde aan Henri Nowé, als estheet, en het was mooi dat de complete presentatie, volgens de inventaris uit zijn tijd, na jaren sluiting terug te zien was. Trouwens, waarom veranderen? De stijl en de schoonheid van een interieur hangen af van de compositie, en daarvoor moeten de verschillende elementen tot een geheel kunnen groeien. En een interieur is niet alleen hetgeen binnen staat, het is ook het licht dat binnenvalt, het licht dat in het 18de-eeuwse hôtel aan de Jan Breydelstraat op een buitengewoon oordeelkundige manier is gebruikt. Het interieur is dat allemaal samen, ook met het uitzicht door de vensters en de deuren. Je moet de compositie van een interieur in zijn geheel zien, net zoals bij de diverse disciplines die deel uitmaken van stedenbouw. Als je dan over een dergelijk voorbeeldig interieur beschikt, dan vind ik het heel normaal dat je dat wil behouden. Het houdt op zichzelf een les in. Ik zie wat dat betreft geen verschil tussen een compositie met mooi, actueel industrial design en een compositie met antieke dingen.

‘Televisie doet dingen verdwijnen. Het gaat uit het geheugen.’

Alexander Kluge: Sie sagen irgendwo, dass ein gesamter Lebenslauf aus lauter Zufällen bestünde. Sind sie wirklich dieser Meinung?

Niklas Luhmann: Ja. Man muss natürlich Zufälle erkennen und ergreifen können! Und das setzt eine gewisse Vorbereitung voraus.

Uit: Vorsicht vor zu raschem Verstehen. Niklas Luhmann im Fernsehgespräch mit Alexander Kluge, in: Wolfgang Hagen (Hg.), Warum haben Sie keinen Fernseher, Herr Luhmann? Letzte Gespräche mit Niklas Luhmann, Berlin, Kulturverlag Kadmos, 2004. 

 

Koen Brams/Dirk Pültau: Je hebt gestudeerd aan de Nederlandse Film en Televisie…

Jef Cornelis: De Filmacademie, dat was de naam van die school toen ik er in 1959 arriveerde. Ik kwam eigenlijk uit het theater, maar ik vond er mijn draai niet. Ik had me bijna ingeschreven aan de Studio Herman Teirlinck. Een aantal kandidaten die regie wilden doen, kregen een kans, bij Fred Engelen. Maar ik vond mijn draai daar niet. Amsterdam was een manier om weg te zijn.

K.B./D.P.: Toen jij aan jouw filmstudies begon, bestond die school amper één jaar. Het was een tweejarige opleiding, 30 weken per jaar. Wat heb je daar opgestoken?

J.C.: Niet zoveel. Ik was ook erg jong, amper achttien jaar. De meeste van mijn studiegenoten waren ouder. Als ik het me goed herinner, waren er zevenhonderd kandidaten die aan het ingangsexamen deel hebben genomen. Dat ingangsexamen duurde drie dagen. Paul Verhoeven zat in mijn jaar, en ook Jan De Bondt, de cameraman. Na het eerste semester vond er een tweede schifting plaats. Ik begreep er niks van. Ik heb er nooit iets van begrepen, hoe dat instituut in elkaar zat. Er waren ook stages, maar ik ben daaraan ontsnapt, want ik was iets in België aan het maken.

K.B./D.P.: In feite stelde die opleiding niet zoveel voor?

J.C.: Dat stelde niets voor. Voor hetzelfde geld was ik daar niet afgestudeerd geraakt. Want dat hield mij niet bezig. Die opleiding heeft niet zoveel betekend, wel de cinema! Ik ging van kindsbeen af naar de cinema. Ik heb geleefd in de cinema in plaats van in het bos, alhoewel ik in Brasschaat woonde. Ik reed samen met Harry Gruyaert naar Parijs en daar was van alles te zien. In Amsterdam ben ik ook veel naar de cinema geweest. Dat maakte deel uit van de opleiding, een keer per week naar het filmmuseum. Door te zien, weet je hoe je het moet doen.

 

De visualiseerder

K.B./D.P.: Hoe belangrijk was de figuur van Anton Koolhaas voor jou?

J.C.: Ik vond dat die man goed kon voorlezen.

K.B./D.P.: Wat las hij voor?

J.C.: Scenario’s. Dat was zijn grote kracht.

K.B./D.P.: Hij was toch de verdediger van de documentaire.

J.C.: Ja, maar…

K.B./D.P.: Eerder dan de speelfilm.

J.C.: Maar ik heb niets met die Nederlandse traditie.

K.B./D.P.: Maar misschien wel iets met de visie van Koolhaas?

J.C.: Nee. Ik heb van Koolhaas alleen het voorlezen geapprecieerd. Ik vond dat die man een prachtige stem had en ik vond het aangenaam om dat mee te maken, maar ik heb nooit enige impact gevoeld. Ik heb dat wel met Knipping, John B. Knipping, een franciscaan, een erudiet man. Ik heb daar ook over gelezen, niet over Franciscus, maar over die periode tussen het begin van de moderniteit en daarvoor. Knipping, dát is iemand die belangrijk voor mij is geweest. En Willy Ph. Pos, die de geschiedenis van het Griekse drama doceerde.

K.B./D.P.: Er zijn nochtans een aantal uitspraken van Koolhaas bekend…

J.C.: …die op mijn werk betrekking hebben?

K.B./D.P.: Ja, uitspraken die duiden op eenzelfde visie.

J.C.: Dat zou interessant zijn, maar ik heb nooit een verband gezien.

K.B./D.P.: Maar die uitspraken doet Koolhaas pas als hij directeur van de Filmacademie wordt, in 1968. Tijdens zijn directeurschap zou hij hebben geprobeerd om een groter evenwicht te realiseren tussen de documentaire en de speelfilm. In de woorden van Koolhaas zelf: “De Filmacademie ziet het als een taak mensen op te leiden, ‘visualiseerders’, die in staat zijn intermediair te zijn tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’ en voor leken allerlei facetten van weten zodanig te visualiseren, dat zij begrijpelijk worden voor de niet-weters.”

J.C.: Maar wij waren daar voor fictie. Er was grote aandacht voor David Lean, maar ik zat met de Franse cinema in mijn hoofd. In Amsterdam kende men dat niet. Ik bracht dat mee… Dat was een interessante spanning.

K.B./D.P.: Wanneer is de documentaire voor jou dan een passie geworden?

J.C.: Ik zat klem in Amsterdam. Zo simpel is dat. Maar onrechtstreeks heeft me het wel iets opgebracht. In België werden op dat moment oproepen gelanceerd om zich aan te melden bij de publieke omroep. Ik had het voordeel dat ik een vakopleiding had genoten. Ik heb in 1960 een brief geschreven en ben eens naar zo’n forum geweest, waar de directie uitleg verschafte over de openbare omroep.

K.B./D.P.: Maar je hebt de vraag nog niet beantwoord. Vanaf welk moment beslis je voor jezelf dat de documentaire jouw werkterrein is? Is dat al in Amsterdam, of is dat later, bij de BRT, of is dat…

J.C.: Tijdens het draaien van mijn eerste film voor de BRT over het kasteel van Alden Biesen! Ik kreeg het niet onder controle. Ik wist niet wat… Het was een verschrikkelijke ervaring en, naar mijn mening, een barslechte film. Maar wat gebeurt er: iedereen vindt het fantastisch en ik krijg de kans om een andere film te maken – een film over de Abdij van het Park in Heverlee – waarvoor ik de juiste mensen rondom mij krijg.

K.B./D.P.: Wat heb je gedaan na je studies in Amsterdam, onmiddellijk erna? Je zei daarnet dat je “iets in België aan het maken was”.

J.C.: Dat was een instructiefilm voor Fotogravure De Schutter, een Antwerpse firma, een 16mm. Niet echt iets om wakker van te liggen, maar De Schutter wilde mij wel engageren. Mijn voorwaarden bevielen hen echter niet. Daarna heb ik mijn legerdienst gedaan en ben ik me weer op het theater gaan toeleggen, als regisseur. Ik heb nog enkele films gemaakt om aan geld te komen.

 

Het Kasteel van Alden Biesen

K.B./D.P.: Hoe ben je betrokken geraakt bij de film over het Kasteel van Alden Biesen?

J.C.: Ik was door de BRT geëngageerd om te werken in de sectie Ontspanning. Men had informatie over mij ingewonnen bij de rector van het college van de norbertijnen in Brasschaat, waar ik mijn humaniora had doorlopen. Zo ging dat er toen aan toe in de BRT! Ik kreeg de opdracht om – bij wijze van opleiding – mee te lopen bij een opera van Mark Liebrecht. In afwezigheid van de directeur televisie – dat was Bert Janssens – werd ik vervolgens weggesmokkeld naar wat toen de sectie Artistieke en Educatieve Uitzendingen heette, een dienst die onder andere instond voor alles wat met kunst te maken had. Herman Verdin leidde die dienst; Ludo Bekkers en Annie Declerck opereerden als programmatoren. Het was Verdin die me bij Ontspanning had weggehaald omdat hij met onverwachte problemen werd geconfronteerd bij de realisering van een film over het Kasteel van Alden Biesen.

K.B./D.P.: Met welke problemen werd Verdin geconfronteerd?

J.C.: Jan Materne zou eerst de film over Alden Biesen realiseren, maar dat bleek niet mogelijk en ik werd gevraagd om hem te vervangen. Op de BRT was er geen structuur. Programmeren was improviseren.

K.B./D.P.: Wat was de stand van zaken van de productie?

J.C.: Alles lag eigenlijk al vast, het script, de equipe… Het was niet meer dan een vervanging; ik kreeg een proefcontract. Ik heb het script herschreven, want met wat er voorhanden was kon ik niet werken – maar de equipe kon ik niet meer veranderen, en dat was een ramp. De film over het Kasteel van Alden Biesen is een echte schok geweest – mijn illusies waren in een klap de wereld uit.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

J.C.: Ik had ervoor gezorgd dat ik kon beschikken over een bioscoop in Bilzen om na de cinemavertoningen de rushes te bekijken, want het was een 35mm-film! Er werd in die tijd op 35mm gedraaid! Met handen en voeten heb ik die cameraman moeten duidelijk maken dat zijn beelden scheef stonden. Na drie of vier dagen heb ik zijn assistent gevraagd om de camera over te nemen. Kortom, de voorwaarden waren er niet naar om een goede film te maken, en het is dan ook geen goede film geworden. Het toppunt was dat iedereen dolenthousiast was. Er zitten interessante momenten in die film, maar als geheel is het een onding. Waarschijnlijk heb ik daar alles aan te danken, maar ik vond het niet om aan te zien.

 

De Abdij van het Park in Heverlee

K.B./D.P.: Maar omdat de film succesvol was, werd je onmiddellijk daarna gevraagd om de film over de Abdij van het Park in Heverlee te realiseren.

J.C.: Ik was niet eens klaar met de montage van Alden Biesen, toen ik dringend gevraagd werd om mee in de auto te stappen met Herman Verdin, Roger Marijnissen en Ludo Bekkers. Marijnissen zou het script leveren en Bekkers zou de film realiseren, maar Verdin besliste dat ik realisator werd. Zo simpel was het. Ik ben niet iemand die de macht grijpt, maar er moest geen macht gegrepen worden, er was geen macht. Er was niks om tegen te vechten. Je kon alleen maar jezelf waarmaken. En dat lukte een aantal keren.

K.B./D.P.: In jouw archief heb ik een document gevonden, gedateerd 9 november 1963, waarin sprake is van “danssequenties”.

J.C.: Dat is een document van Roger Marijnissen of van Ludo Bekkers. Het was de bedoeling dat er gedanst zou worden door een groep uit Mechelen. Het maakte deel uit van het plan voor de film die Ludo Bekkers wilde maken.

K.B./D.P.: Hoe verliep de samenwerking met Marijnissen?

J.C.: Ik weet waar die samenwerking geëindigd is: op het stationsplein van Leuven, in een café. Ik heb gezegd: “Ik vind alles geweldig, als jij mij gerust laat. Jij hebt jouw ding gedaan, we zien elkaar terug, later.” Dat was op dat moment niet evident – ik was 22 jaar. Er is wel nog een persdag georganiseerd waarop Roger Marijnissen als medewerker aan het draaiboek en Ludo Bekkers als programmator aanwezig waren.

K.B./D.P.: Heeft Roger Marijnissen iets afgeleverd?

J.C.: Ja, maar uiteindelijk heb ik mijn zin gedaan. Die eerste twee jaren op de BRT, dat was overleven, en dan ben je wellicht tot meer in staat en waarschijnlijk ook brutaler dan je normaal zou zijn.

K.B./D.P.: Voor Abdij van het Park kon je je eigen equipe samenstellen?

J.C.: Ja, ik kreeg uitzonderlijke productiefaciliteiten. De equipe kon ik zelf samenstellen. Voor fotografie: Harry Gruyaert; voor beeld: Herman Wuyts, geassisteerd door Oscar Fischler. Wuyts was een uitstekende cameraman.

K.B./D.P.: Hoe kwam je uit bij Herman Wuyts?

J.C.: Ik kende Wuyts van de Groep 58 in Antwerpen. Je vindt mensen op je weg, maar wij hebben het niet lang met elkaar uitgehouden. Waarom? Ik laat niemand gerust, versta je. Als ik geen controle heb over een equipe… ik kan niet verdragen dat mijn medewerkers met iets anders bezig zijn dan datgene waar ik mee bezig wil zijn.

K.B./D.P.: Pieter Verlinden als sonorisator, was dat ook jouw keuze?

J.C.: Nee, hij heeft zich aangeboden, maar het zou ook kunnen dat Bekkers Verlinden heeft aangebracht. Er waren geen componisten; ik ben pas later met componisten zoals André Laporte gaan werken. Pieter Verlinden was de enige die betaalbaar was en hij werkte snel. Je moet ook rekening houden met de manier waarop er gewerkt werd. Verlinden was aan het componeren zonder dat hij van mij een scenario had gezien. Met Verlinden is het echter ook snel misgelopen. Hij vond eigenlijk dat wat ik maakte… niets voorstelde.

K.B./D.P.: Hoe komt het dat jij, terwijl je eigenlijk heel jong bent en een opleiding hebt gehad die naar jouw zeggen weinig voorstelde, zo’n productie als de Abdij aankon? Dat jij die verantwoordelijkheid krijgt en…

J.C.: …en  dat ik daar niet voor terugschrik?

K.B./D.P.: Ja, dat is toch merkwaardig.

J.C.: Vind je dat merkwaardig? Er was geen andere oplossing. Het ging! Ik heb het geluk gehad dat ze mij die abdijen en kastelen hebben gegeven. Ik moest de stiel leren… waar had ik dat anders kunnen leren? Ik heb de laatste gelden mogen gebruiken van de Vlaamsche Roem, onze kloosters en kastelen, maar ik geef daar een draai aan. Bovendien leverde het veel respons op; zonder respons stap je eruit. En ik moet zeggen: ik nam tijd voor de producties – tijd die Herman Verdin me ook toestond. Voor ‘t Park zijn er heel wat stellingen gebouwd. Dat heeft geld gekost, maar dat vormde geen obstakel voor Verdin. Hij heeft me door dik en dun verdedigd. Toen hij vertrok naar de universiteit in Leuven, kon ik niet meer doen wat ik wou. Jerome Verhaeghe volgde hem op en over mijn eerste serieuze project dat onder zijn leiding tot stand kwam, de trilogie Waarover men niet spreekt, is er tot in de Raad van Bestuur gepalaverd.

K.B./D.P.: De enige gesproken tekst in de film is de “ordinaire specificatie” van “hetgene noodigh is tot de incomen ende cleedinghe in de abdye van Heeren Perck by Loven”, gedateerd 1736.

J.C.: Ja, en Ludo Bekkers leest die tekst voor. Alle andere tekst heb ik geschrapt.

K.B./D.P.: Lag jou dat eigenlijk om op die leeftijd een film te maken over een abdij?

J.C.: Ik denk het wel, ja. Jullie zijn daar verrast over? Ik zag het kloosterleven niet als een persoonlijke bestemming, maar ik was wel gefascineerd door dat systeem. Bovendien kom ik ook uit een college van de norbertijnen, dat van Brasschaat, en de Abdij van het Park was een norbertijnenabdij. Ik heb wel iets met kloosters en abdijen. Maar voor mij was het vooral een gelegenheid om geld te krijgen en op een serieuze manier met iets aan de slag te gaan.

K.B./D.P.: Met het medium aan de slag te gaan?

J.C.: Natuurlijk.

K.B./D.P.: In een krantenartikel over de film wordt Ludo Bekkers geïnterviewd: “Voor deze opname hebben we een filmnegatief gekozen dat tot op heden nog niet voor de tv gebruikt werd.”

J.C.: Ik heb een 35mm-film gedraaid, niet op Agfa, niet op Kodak, maar op Dupont. Waarom? Ik had dat uitgeplozen, en ik wou ermee werken.

K.B./D.P.: Hoe was je daarop uitgekomen?

J.C.: Fellini heeft ook met die pellicule gewerkt. Als je filmgenerieken leest, dan kom je dat te weten.

K.B./D.P.: En waarom wilde je met Dupont werken?

J.C.: Het ging vooral over de zwarting van Dupont. Op het einde is er nog heel wat te doen geweest om die pellicule te ontwikkelen. Een zwart-witontwikkeling is niet zo dramatisch moeilijk, maar het labo moet op punt staan.

K.B./D.P.: Bij de film is een zeer luxueuze brochure uitgegeven.

J.C.: Dat is iets waar ik niets mee te maken heb gehad.

K.B./D.P.: Toch wel, want er staat een tekst van jou in.

J.C.: Ja, maar dat is dan ook het enige.

K.B./D.P.: De BRT wilde duidelijk uitpakken met de film.

J.C.: Mij lag dat niet… Ik voelde mij er ongemakkelijk bij. Ik verkoop mezelf niet. Het is Harry Gruyaert die met de film onder zijn arm naar Parijs is getrokken. Agnès Varda en haar man, Jacques Demy, hebben Abdij van het Park gezien. Harry heeft dat bewerkstelligd.

K.B./D.P.: Die brochure bewijst dat het instituut je erkent.

J.C.: Ja, ze hebben zelfs ooit over mijn werk etalages gemaakt, op het gelijkvloers van het Flageygebouw.

K.B./D.P.: Wat was er in die etalages te zien?

J.C.: Foto’s van de films die ik aan het maken was.

K.B./D.P.: Foto’s van Harry Gruyaert?

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: De film ging niet in première op de televisie, maar in de cinema.

J.C.: Voordat de film op antenne ging, werd hij voorgesteld tijdens het Festival van Belgische Films, een initiatief van de Provincie Antwerpen. Dat moet november 1964 geweest zijn, want ik had al mijn derde film gedraaid, Plus d’honneurs que d’honneurs, over het Kasteel van Westerlo. Tijdens de première van Abdij van het Park bleef het muisstil. De film werd bekroond en opnieuw vertoond en toen werd er enorm agressief op gereageerd.

K.B./D.P.: Het is na de bekroning dat de BRT die luxueuze brochure heeft uitgegeven, in december ‘64. Abdij van het Park was nog niet getoond op televisie. De film over Alden Biesen wel, op 5 november 1964. Abdij van het Park wordt vertoond op 25 december 1964, een dag na Kerstmis, en Plus d’honneurs que d’honneurs op 16 april 1965. Waar is Abdij van het Park buiten de televisie nog getoond?

J.C.: De film is getoond op het Festival van Utrecht in Nederland, wat uiteindelijk tot het Festival van Rotterdam is uitgegroeid, het festival van Huub Bals. Er zijn verschillende buitenlandse festivals geweest die de film hebben geprogrammeerd.

K.B./D.P.: Hoe werd er op de film gereageerd?

J.C.: Heb je dat tekstje van Maria Rosseels gelezen? Dat kan tellen. Maria Rosseels zat in de jury van het Festival van Belgische Films, Ivo Michiels ook. Achteraf heb ik vernomen dat het in de jury ook hommeles was.

K.B./D.P.: Een van de kritieken, met de initialen MR, noemde de film “L’année dernière à Heverlee”. Heb je invloed ondergaan van Alain Resnais?

J.C.: Dat is het tekstje van Maria Rosseels! Natuurlijk heb ik invloed ondergaan van Resnais. Maar Astruc is belangrijker voor mij geweest.

K.B./D.P.: Er is natuurlijk wel een verwantschap tussen L’année dernière à Marienbad en Abdij van het Park.

J.C.: Uiteraard. Maar Resnais is bloedernstig. Ik kan niet lang bloedernstig blijven. Dat kan ik niet. Ik ben wel bloedernstig, maar dat moet op een gegeven moment een draai krijgen… Naast Resnais sprak ook Chris Marker mij aan, en uiteraard Jean-Luc Godard. Maar Astruc is mijn grootste voorbeeld geweest. Alexandre Astruc is ten onrechte in de vergetelheid geraakt. Ook zijn teksten, ik heb die allemaal gelezen. Astruc hoort bij de generatie juist voor wat men met een slechte term de Nouvelle Vague is gaan noemen. Astruc draait een reeks films, die heel essentieel zijn en die door de cineasten van de Nouvelle Vague terug worden opgepikt.

 

Camera-Stylo

K.B./D.P.: Wat boeide je dan precies?

J.C.: De cameravoering, de zogenaamde Camera-Stylo, de cameravoering die de kwaliteit van een schriftuur krijgt. Net zoals Astruc zoek ik hoe je iets opbouwt, zoek ik naar ritmes. Ik zoek naar ritmes.

K.B./D.P.: Dat doe je in Abdij van het Park heel letterlijk. Wat er in die film opvalt, is het heel nadrukkelijke formalisme. En de haast libidinale voorkeur voor het seriële. Bijvoorbeeld de wijze waarop de camera langs die balustrades glijdt.

J.C.: Toen ik in 1968 de film maakte over Documenta 4 werd ik met iets heel vertrouwds geconfronteerd.

K.B./D.P.: Waar komt die voorkeur voor het seriële vandaan?

J.C.: In sommige films is dat niet aanwezig, maar in Abdij van het Park was dat bijna obsessioneel. Ik zoek naar een structuur en als ik die heb gevonden, dan ga ik die heel strak en zo minimaal mogelijk tonen. Ik heb die trouwens allemaal zelf geduwd, die bewegingen. Dat kan je navragen, ik duwde alles zelf. Ik engageerde me volledig. En dat is misschien altijd het gevaar geweest: dat ik zeer radicaal was.

K.B./D.P.: Is dat typisch voor een jonge maker, dat affirmatief stilistisch bezig willen zijn?

J.C.: Nee, de film Landschap van kerken getuigt daar evenzeer van, maar wellicht met meer raffinement.

K.B./D.P.: Met het seriële wordt de indruk van een stijloefening gewekt. Je beklemtoont op een heel strikte manier terugkerende motieven, bijvoorbeeld de kruiken op de balustrade. Maar er zijn ook onfunctionele momenten, als de camera bijvoorbeeld verschillende keren na elkaar een poort binnengaat.

J.C.: Dat zijn de verschillende poorten van de abdij. Dat is het intreden. Ja, ik ben daar nogal mee bezig. Die balustrades, die zuivere sier zijn geworden… Hoe iets dat gesloten is zich op deze manier toont, hoe het open is, maar nog geslotener…

K.B./D.P.: Voor jou heeft dat nog altijd betekenis?

J.C.: Dat is binnendringen.

K.B./D.P.: Maar bij het scannen van die balustrade wordt het totaal formeel, minimalistisch… Alle betekenis is bijna weg op dat moment.

J.C.: Het is een manier om te proberen zeggen… het is eigenlijk al een monument, de abdij is bijna verdwenen.

K.B./D.P.: De seriële, formele structuren zijn een manier om er abstractie van te maken.

J.C.: Ja, zelfs letterlijk.

K.B./D.P.: Het is vergelijkbaar met de wijze waarop de Sint-Baafskathedraal in Landschap van kerken in beeld wordt gebracht. De ruimte in de Abdij van het Park waar de kunstcollectie is ondergebracht, is bijna een museum. Je verblijft lang in die ruimte waar ze hun schilderijen, hun kostbaar meubilair en allerlei objecten bewaren. Maar eigenlijk kijk je evenveel naar beelden, naar representaties en schilderijen, als naar de ruimte van de abdij zelf.

J.C.: Dat is representatie. En macht, zuivere macht.

K.B./D.P.: Er zijn inderdaad heel veel close-ups van beelden, ook van bas-reliëfs. Interesseert jou dan meer het feit dat het gaat om representatie of het gegeven dat dat verstening is?

J.C.: Verstening! De Bijbel wordt letterlijk gerepresenteerd. Als je die bibliotheek bekijkt… wat doe ik met het plafond? …en heb ik aan die boeken veel tijd besteed? Eventjes. Dat wordt bijna een schilderij, met die boeken. Dat is bijna huid. Het gaat over het afsluiten, het boek gaat eigenlijk dicht.

K.B./D.P.: De abdij is representatie geworden. Of het leven in het klooster is representatie geworden.

J.C.: Het is weg. Weg. Het is toch een dodenmaal dat die heren consumeren. De eettafel heb ik bewust leeg gelaten.

K.B./D.P.: De film eindigt op een spectaculaire wijze, met die biljartende paters.

J.C.: Die scène heeft voor opschudding gezorgd. Ik heb ergens een brief waarin Bert Janssens, de Directeur Televisie, me verzoekt om die scène weg te knippen. En Verdin heeft mij verdedigd tot bij Paul Vandenbussche, de directeur-generaal van de BRT.

K.B./D.P.: Wat was het idee achter die biljartende paters?

J.C.: Dat waren geen paters, dat waren twee of drie broeders die voor mij biljarten.

K.B./D.P.: Je hebt gevraagd om dat te doen?

J.C.: Dat is volledig in scène gezet. Die biljart is verplaatst, het is een volledige mise-en-scène. Tot en met de geraniums in de gang.

K.B./D.P.: Die biljarttafel stond daar niet?

J.C.: Die moet daar wel ergens gestaan hebben. Maar dat is helemaal opgebouwd. Ook die mis in het begin is geënsceneerd. Ik heb die norbertijnen laten aanvoeren met bussen, vanuit het norbertijnenklooster van Tongerlo. Voor de Abdij van het Park was het al voorbij. Dat gebouw stond al voor twee derde leeg.

K.B./D.P.: Het is interessant dat Pieter Verlinden voortdurend werkt met variaties van het klokkengelui. In de ruimte waar de kunstcollectie staat, weerklinkt het geluid van een muziekdoos, er zijn de klokken, het geluid van het wierookvat. En het geluid van de muziekdoos gaat over op het geluid van de tegen elkaar botsende biljartballen. Dat geluid hoor je eerst en begrijp je niet, totdat je de broeders aan het werk ziet. Vanuit die biljartballen kan je de hele film begrijpen.

J.C.: Het grappige is natuurlijk dat de biljartscène een van de weinige is waarbij de klankopname rechtstreeks is gebeurd.

K.B./D.P.: Maar kan jij je vinden in de interpretatie van de score?

J.C.: Ik ben iemand die een stomme film maakt, een film zonder klank. Dat kan ik niet genoeg herhalen.

K.B./D.P.: Maar dat sluit toch aan bij wat Anton Koolhaas zegt. Hij heeft het heel expliciet over beeld, niet over geluid. Het gaat hem over denken met beelden.

J.C.: En die concentratie kan je pas hebben wanneer je in de stilte zit… Klank hoeft voor mij niet. Ik vind het nog altijd een groot verlies dat de stomme film voorbij is. Er moet muziek bij, naar ‘t schijnt, maar muziek leidt mij af.

K.B./D.P.: In jouw tekst in de brochure noem je de Abdij van het Park “een erfenis van vóór de Franse Revolutie” en schrijf je: “Die erfenis heb ik willen uitdrukken in mijn laatste filmscène want de huidige maatschappij verandert ook de manier van leven der Praemonstratenzers. De ganse film had deze optiek kunnen krijgen: de spanning tussen een gebouw en een gewijzigde samenleving.”

J.C.: De film toont dat het gedaan is. Ik ben wel geïnteresseerd in de beelden die ik kan maken, omdat ik die wereld nog eventjes kan pakken. Dat was toen nog mogelijk. Het was mogelijk om het eventjes te pakken en te intensifiëren. Dat was mijn uitgangspunt. Hebben jullie de ploegvoren gezien? Wil je weten wat het maffe is? Dat ik iemand laat ploegen in de maand februari. Die scène is gedraaid in februari 1964.

K.B./D.P.: Het is inderdaad een winterlandschap…

J.C.: …en ik heb de aarde laten ploegen.

K.B./D.P.: Was dat voor jou de inzet van de film: dat het gedaan was met dat soort praktijken in België?

J.C.: Ik ben niet zozeer geïnteresseerd in het geniale, maar in het concept van samenwonen en gemeenschap – maar ik weet dan al dat het voorbij is. Het idee ‘tuin’, het is er nog allemaal, maar het is uit elkaar gespat. Ik wou die tuin grijpen… die tuin was naar de knoppen en ik wou die tuin eigenlijk reveleren. Er was geen activiteit meer. Er waren geen geestelijken meer, er was geen vee meer. Het vee dat je in de film ziet, heb ik door een boer laten aanvoeren. Zelfs de duiven… ik heb nogal wat met duiven rondgelopen in mijn leven. Ik denk dat ik iemand gevraagd heb om die duif uit dat kot los te laten. Dat zou best kunnen, maar zeker weet ik het niet. Dat durf ik niet met zekerheid te stellen. Televisie doet dingen verdwijnen. Het gaat uit het geheugen, ook bij mij.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan argos voor de selectie van het beeldmateriaal

 

De vragen over de Filmacademie zijn deels geïnspireerd door het boek van Ernie Tee, Passie en professie. De geschiedenis van de Nederlandse Film en Televisie Academie, Nederlandse Film en Televisie Academie, Amsterdam, 2002.

‘Le spectacle, mon dieu’

Daniel Buren: Le cinéma me passionnait tant que je crus alors que ma vocation était enfin trouvée et que c’était à cette discipline que j’allais finalement me consacrer. La réalité fut différente. La peinture continuait à me hanter et, étudiant de plus près ce que faire un film induisait, je m’aperçus assez vite que l’argent y avait un rôle extrêmement important. Trop important pour moi, même si la ‘nouvelle vague’ semblait ouvrir une porte avec d’excellents films à budget réduit.

Uit: Au sujet de… Entretien avec Jérôme Sans, Parijs, Flammarion, 1998.

 

Koen Brams/Dirk Pültau: Na de film over Documenta 5, in 1972, verliet je in feite de scène van de beeldende kunst. Pas in 1985 maakte je opnieuw een film over een grote kunstmanifestatie, namelijk de Biënnale van Parijs.

Jef Cornelis: In 1972 haakte ik af. Dat was vrij radicaal. Ik ging nog wel naar tentoonstellingen en ik bleef in contact met een aantal actoren, maar eigenlijk was ik geen betrokken partij meer. Documenta 5, 1972 is volgens mij… het begin van de commercialisering en de doorbraak van de ‘ieder voor zich’-mentaliteit.

K.B./D.P.: Waarom wou je in 1985 terug films maken over beeldende kunst?

J.C.: In 1983 en 1984 realiseerde ik het liveprogramma IJsbreker. Ik maakte in totaal 22 afleveringen. IJsbreker bracht heel veel commotie teweeg – tot in de Raad van Bestuur. Dikwijls ging het er bovenhands toe. Ook Paul Vandenbussche, de directeur-generaal van de BRT, vond dat ik overdreef. Zelf wou ik de frequentie van IJsbreker opdrijven naar twee keer per maand, maar ik voelde dat ik met die rechtstreekse uitzendingen moest stoppen omdat ik te veel bewegingen veroorzaakte. De kijkcijfers waren vrij goed, maar dat programma stoorde iedereen. IJsbreker was livetelevisie. Er was geen controle over wat er tijdens de uitzendingen gebeurde. Ik moest verdwijnen, onder de tafel, onzichtbaar worden.

K.B./D.P.: Beeldende kunst als een vorm van camouflage?

J.C.: In eerste instantie wel, omdat ik op dat terrein waarschijnlijk minder weerstand zou ondervinden.

 

La Nouvelle Biennale de Paris

K.B./D.P.: Vond je de kunst zelf in ’85 terug interessant?

J.C.: Ja, omdat ik waarschijnlijk zo lang weg was geweest. Als je iets achter jou laat en daarna terugkomt, dan ben je geneigd om te denken dat je het misschien verkeerd begrepen had.

K.B./D.P.: Waren er andere manifestaties of andere kunstenaars waar je aandacht aan wilde besteden in ’85? Of wilde je per se de Biënnale van Parijs in beeld brengen?

J.C.: Ik herinner me dat ik nieuwsgierig was naar de Biënnale van Parijs. Ik heb de Parijse Biënnale altijd een bijzondere manifestatie gevonden. In september 1967 traden Daniel Buren, Olivier Mosset, Michel Parmentier en Niele Toroni er voor het laatst gezamenlijk op. Dat zat in mijn achterhoofd. Ik wist dat er van alles aan het gebeuren was. Je mag ook niet vergeten dat ik altijd de architectuur ben blijven volgen. De Biënnale van Parijs vond in 1985 voor het eerst plaats in het Parc de la Villette. Ik had bovendien vernomen met welke financiële middelen Kasper König en co konden opereren.

K.B./D.P.: Je laat de naam vallen van Daniel Buren. Buren keert voortdurend terug in jouw films van de jaren ‘80. Hij is prominent aanwezig in de film over de Biënnale van Parijs, maar ook in de film over de eerste tentoonstelling in het Castello di Rivoli van 1985. In 1986 ben je getuige van de impasse rond Burens werk op de Cour d’honneur van het Palais Royal in Parijs en in datzelfde jaar realiseer je De langste dag, de film over Chambres d’Amis, die opent met de bijdrage van Buren. Vier films waarin Buren een belangrijke rol speelt.

J.C.: Ik was in strategie geïnteresseerd op dat moment, hoe kunstenaars zich op die grote tentoonstellingen positioneren. Dat heeft mij altijd beziggehouden. Om diezelfde reden was ik ook gefascineerd door Kasper König: zijn gulzigheid en zijn manier om terrein te bezetten.

K.B./D.P.: Er was ook nog de film over de Skulpturprojekte van 1987, Een openbaar bad voor Münster. Ook in die film breng je werk van Buren in beeld. Waarom was Buren voor jou zo belangrijk in die periode?

J.C.: Buren heeft lang een leidende rol gespeeld op de kunstscène. Hij was verbaal sterk; de meeste organisatoren waren bang voor hem. Maar ik was niet specifiek op Buren gericht. Ik was ook benieuwd naar de posities van de vier organisatoren, Kasper König, Alanna Heiss, Achille Bonito Oliva en Gérald Gassiot-Talabot.

K.B./D.P.: Je was in Buren geïnteresseerd omdat je het met hem over strategieën kon hebben?

J.C.: Inderdaad, en hij wist exact wat er achter de schermen gebeurde. Als je daar naartoe gaat en je weet niet wat er aan de hand is, dan kan je het vergeten.

K.B./D.P.: Er was in die tijd ook Pas de Belges à Paris, die protestactie van de Gentse organisatie Initiatief ‘85, die de afwezigheid van Belgische kunstenaars op de Parijse biënnale en andere internationale manifestaties aan de kaak wilde stellen. Heeft dat ook een rol gespeeld?

J.C.: Nee, absoluut niet. Daar hield ik me niet mee bezig.

K.B./D.P.: De Biënnale van Parijs en Castello di Rivoli realiseerde je met Joost Declercq. Wanneer begon jouw samenwerking met Chris Dercon?

J.C.: Joost Declercq verkocht dan al kunst. Heel wat kunstenaars kwamen bij hem aankloppen. Dat was interessant.

K.B./D.P.: Wat was de eerste film met Chris Dercon?

J.C.: De langste dag, maar in die film had hij een beperkte rol. Daarna werkte ik met hem samen aan een film over kunstonderwijs en aan de films over Sonsbeek ‘86 en Münster ‘87. En uiteindelijk aan Little Sparta, et in arcadia ego.

K.B./D.P.: Waarom wilde je samenwerken met Chris Dercon?

J.C.: Chris is bijzonder taalvaardig: vier talen zonder problemen. En hij legt makkelijk contacten.

 

Et in arcadia ego

K.B./D.P.: Hoe is het idee ontstaan om een film te maken over Ian Hamilton Finlay, het laatste samenwerkingsproject van jou met Chris Dercon in de jaren ‘80?

J.C.: Het was een idee van Chris. Maar dat voorstel heeft Chris pas gedaan toen bleek dat de film die we eigenlijk wilden maken niet kon doorgaan. We wilden een film maken over James Coleman, over de filmpjes van James Coleman die nog bijna niemand gezien had. Dat heeft me altijd geïnteresseerd: kunstenaars die verschillende soorten werken maken en waar je maar stukken van te zien krijgt. Enkele dagen voor we naar Ierland zouden vertrekken, belde Coleman op met de mededeling dat hij niet meer wilde meewerken. Toen is Chris met Ian Hamilton Finlay op de proppen gekomen.

K.B./D.P.: Heb jij Chris gevraagd waarom hij een film over Finlay wilde maken?

J.C.: Dat herinner ik mij niet meer, maar ik kan wel zeggen waarom ik belangstelling had voor Finlay. Ik was nieuwsgierig naar Finlays tuin. Ik heb de hele geschiedenis van de Franse en Engelse tuin doorgenomen en ik was benieuwd hoe die tuin van Finlay eruitzag. Maar hoe dan ook was de voorbereiding extreem kort. Wij hadden zeer weinig tijd, we moesten vertrekken. Ik heb altijd geleefd van resten – middelen en mensen krijgen voor vier dagen, snel over en weer reizen: dat is mijn professionele bestaan voor een deel geweest.

K.B./D.P.: Wie heeft de contacten met Finlay gelegd?

J.C.: Chris heeft Finlay benaderd. Omdat we heel lang aan de voorbereiding van de film over James Coleman hadden gewerkt, heeft hij een truc uitgehaald om Finlay zover te krijgen dat hij zou meewerken. Hij heeft hem gebeld en gezegd: “we hebben brieven naar jou geschreven en we hebben geen antwoord gekregen.” Maar er waren helemaal geen brieven verstuurd! Uiteindelijk heeft Finlay ingestemd met onze komst.

K.B./D.P.: Op het moment dat jullie afreizen naar Schotland, is er over Ian Hamilton Finlays werk een rel in Frankrijk. Naar aanleiding van zijn tentoonstelling in het ARC in Parijs valt Catherine Millet de Schotse kunstenaar frontaal aan in Art Press, meer bepaald in de edities van juni en juli 1987. Een citaat: “A l’ARC, Paris, un artiste anglais, Ian Hamilton Finlay, inscrit le signe SS sur des pierres… Dieu que l’art moderne parfois est farce… Demandez à Barbie.” Jullie hadden die stukken gelezen?

J.C.: We wisten niet dat Finlay de opdracht had gekregen om een monument te maken om de Franse Revolutie te memoreren.

K.B./D.P.: Díe affaire was nog niet begonnen, maar jullie hadden de teksten van Millet gelezen?

J.C.: Waarschijnlijk wel. Art Press lag bij ons op kantoor. We kenden die teksten, maar de contacten met Jonathan Hirschfeld zijn pas later tot stand gekomen.

K.B./D.P.: De polemiek die door Millet gevoerd wordt, is van een heel andere orde dan het conflict tussen Ian Hamilton Finlay en Jonathan Hirschfeld. Maar ook de ruzie tussen Finlay en Hirschfeld over het coauteurschap van de sculpturen die Hirschfeld voor Finlay had vervaardigd, bevond zich in een cruciale fase op het moment dat jullie in Schotland toekwamen. Hij schrijft – precies in de week dat jullie daar zijn – een brief naar Hirschfeld, waaruit het volgende citaat: “As you are at present you are rightly regarded as a person fit for deportation, to some other planet.”

J.C.: …terwijl wij daar zijn?

K.B./D.P.: …terwijl jullie daar zijn!

J.C.: Daar wisten wij niets van.

K.B./D.P.: Uiteraard niet, want die briefwisseling is pas later naar buiten gebracht, door Hirschfeld en door Finlay.

J.C.: Ik vond die teksten van Catherine Millet polemisch, en ik wou het werk van Finlay met eigen ogen zien, maar het is Chris geweest die mij op Finlay heeft geattendeerd. Anders zou ik daar niet naartoe gegaan zijn.

K.B./D.P.: Dat moest jou toch interesseren, zo’n figuur die mogelijk fout is.

J.C.: Ja, ik wou dat werk wel eens zien, maar de problematiek is mij pas echt duidelijk geworden toen ik Finlay persoonlijk leerde kennen.

K.B./D.P.: Maar je wist op voorhand wel dat er een redelijke kans was dat… Je wilde dat onderzoeken?

J.C.: Ja, maar ik was meer door die tuin gefascineerd.

K.B./D.P.: Kende jij het werk van Finlay al? Hij nam ook deel aan de Documenta. Heb je die editie van de Documenta gezien? Dat is in 1987… je hebt dat werk gezien voor je naar hem toe ging?

J.C.: Ja, de Documenta heb ik bezocht, maar ik heb geen herinneringen aan het werk van Finlay.

K.B./D.P.: Zijn werk bestond uit guillotines, en op die guillotines waren teksten aangebracht.

J.C.: Inderdaad, nu je het zegt. Ik was daar niet van onder de indruk. Ik vond dat geen sterk werk. Het was zo banaal dat ik het vergeten ben.

K.B./D.P.: Wat wist je nog over Finlay?

J.C.: Ik kende waarschijnlijk zijn teksten en ik had wellicht afbeeldingen gezien van zijn beeldend werk. Maar tijdens de voorbereiding was ik vooral met de tuin bezig. Ik denk dat Anton Herbert en Jan Debbaut me daarover geïnformeerd hadden. Ik wist in ieder geval dat Finlay bijzonder selectief was om toegang te verlenen tot Little Sparta, zijn domein.

 

Zaterdag, 21 november 1987

K.B./D.P.: Jullie arriveren in Schotland op 21 november 1987?

J.C.: Ja, samen met Chris kom ik op die dag toe, een dag voordat de cameraman en de geluidstechnicus arriveren. 21 november 1987 was een zaterdag. Wij hebben geen contact gehad met Finlay, maar we hebben in de omgeving van Little Sparta rondgereden, want je komt daar niet zomaar binnen.

K.B./D.P.: De dag erop, ‘s zondags, komt de technische ploeg. Bezoeken jullie dan Finlay?

J.C.: Nee, we spreken Finlay pas op maandagmorgen. Hij wou ons pas op maandag zien, tot en met de zaterdag daarop. Vanuit een telefooncel neemt Chris contact op met Finlay.

K.B./D.P.: Die telefoonscène, dat is het begin van de film! En dat is het eerste contact met Finlay?

J.C.: Zo is het. Dat is het letterlijke begin van de film. Achteraf hebben we hem verteld dat we dat opgenomen hadden.

K.B./D.P.: Je zou kunnen zeggen dat jullie Finlay van bij het begin niet serieus namen?

J.C.: Maar toen hadden we hem nog niet gezien…

K.B./D.P.: Het is alleszins een vreemd begin. Van bij het begin van de film wordt het duidelijk dat er iets vreemds aan de hand is. Dat gevoel wordt natuurlijk nog versterkt door de soundtrack.

J.C.: George De Decker verzorgde de sonorisatie van de film.

K.B./D.P.: Het zijn goede effecten. De soundtrack roept de sfeer van een thriller op. Ook de beelden doen dat, de schapen die angstig weglopen, de duiven die plots opvliegen…

J.C.: …die rode telefooncabine, dat is toch Hitchcock. Je moet beginnen en je moet iets hebben wat er in één keer staat. Ik vind dat in het algemeen nogal belangrijk, het begin van een film, hoe je een film aansnijdt. Hoe begin je?

K.B./D.P.: Wat Chris Dercon zegt aan de telefoon, dat is niet gerepeteerd?

J.C.: Nee! Chris en ik wilden het over het weer hebben. Finlay wist van niets.

K.B./D.P.: Was die telefoonscène jouw idee?

J.C.: Dat weet ik niet meer. Maar de volgende scène heb ik zeker bedacht: de beelden van de opgejaagde schapen, terwijl buiten beeld een gedicht wordt voorgedragen door een Schots jongetje. Het was een gedicht van Finlay en ik wou per se een kinderstem hebben. Ik heb een jongetje gevonden in het café van ons hotel.

K.B./D.P.: Had je dat boekje al, voor je vertrok?

J.C.: Nee, dat heb ik van hem gekregen op een van de betere dagen in Little Sparta.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er verder, die maandag? Jullie kregen toegang tot het domein?

J.C.: Voordat we binnenreden, maakten we de shots van die rode auto, die ik bestuurde.

K.B./D.P.: Waarom was dat een rode auto?

J.C.: Ik vond dat geestig. Je hebt toch wel gezien dat alle schapen met een rode vlek op hun vacht rondliepen? Wel, ik vond een rode auto wel iets hebben.

K.B./D.P.: Wat hebben jullie nadien gedaan?

J.C.: We hebben onder andere die scène opgenomen waarin Chris door het bos loopt. Dat interesseert mij… dat pastorale, de koude en die dieren nog op die weide. Dat landschap vond ik groots. We hebben ook de scène ingeblikt met de sculpuren van de slagschepen in de Roman Garden. Om vijf uur hebben we de planning van de rest van de week doorgesproken met Finlay.

K.B./D.P.: Hoe zagen die werkdagen eruit vanaf dinsdag?

J.C.: Ik had het geluk dat het stevig is beginnen vriezen. Die rijm, ik vond dat briljant, maar Finlay vond het verschrikkelijk. Wij begonnen elke dag zo vroeg mogelijk te werken, want vanaf vijf uur was het pikdonker. We kregen een plek om te werken – daar aten wij zelfs apart. Wij zagen hem tijdens de dag niet, behalve als hij moest optreden, dan kwam hij te voorschijn.

K.B./D.P.: Wat wou je eigenlijk met die tuin doen? Je zegt dat je daarop gebrand was.

J.C.: Ik had nog nooit iets over een tuin gedaan en dat was echt een frustratie. Ik had graag ooit in Japan iets over tuinen gedaan, dat meen ik.

K.B./D.P.: Op dat moment, midden jaren ‘80, zijn er een aantal kunstenaars die met de tuin bezig zijn, zoals Fortuyn/O’Brien. Dat bleek duidelijk in Sonsbeek ’86, de geconstrueerde idylle van een tuin. Heeft dat er iets mee te maken? Of is dat vroeger begonnen?

J.C.: Ik heb dat altijd gehad, maar ik heb er weinig mee kunnen doen. Abdij van het Park is eenzelfde verhaal. Dat boerenhof! Op dat boerenhof staat een koe, en daarnaast een paard, en dan ben ik vertrokken. Dat zijn beelden die…

K.B./D.P.: In de film krijg je nergens een overzicht van de tuin.

J.C.: Nee, je kunt er niet ver kijken. Wat hij doet met die afspanning. Ik vind een hek iets sterks. Hij doet dat heel knap, met die tekst erop…

K.B./D.P.: Je had de tuin met de camera kunnen ontmaskeren. Dat heb je niet willen doen? Je richt de lens op de kunstwerken, en de natuur errond.

J.C.: Ik denk dat ik die tuin sterk vind. Ik blijf daarbij. Little Sparta ligt op een vreemde plaats, een soort Kalmthoutse heide, maar veel slechter, een terrein dat leeggestoken was voor bruinkool, ergens tussen Edinburgh en Glasgow. En hij maakt daar een lusttuin van, hij graaft vijvers, en connoteert die plek met agressie en geweld. Hij is in staat met weinig veel op te roepen. Ook die kleine waterpartijen… Met weinig middelen wordt Little Sparta een heel gevaarlijke plaats. Het is de beste samenvatting van zijn werk. Daar heeft hij zoektochten en verhalen gemaakt. Dat werk dat altijd maar uitbreidt – je kan zo de hele wereld pakken, als je niet oppast… maar dat moet je in de zomer beleven, daarin heeft hij gelijk.

K.B./D.P.: Enerzijds respecteer je het project van Ian Hamilton Finlay, anderzijds vraagt Chris Dercon aan Finlay waarom hij jullie heeft toegestaan in de winter. Dat is toch een perverse vraag, want jullie hebben zelf gevraagd om in de winter een bezoek te brengen aan Little Sparta.

J.C.: Die vraag is gesteld omdat hij het daar zelf moeilijk mee had, vermoed ik. Het schijnt dat de tuin in de zomer briljant was, maar ik vond het moment goed: een tuin in de winter, wie doet dat nu?

 

Woensdag, 25 november 1987

K.B./D.P.: Jullie filmden van maandag tot zaterdag. Wat gebeurde er op woensdag?

J.C.: ‘s Woensdags hebben we die scène over de First Battle of Little Sparta opgenomen. Finlay was in een conflict met de belastingen verzeild geraakt. Er hebben toen schermutselingen plaatsgevonden in Little Sparta. Dercon en Finlay lopen naast elkaar en hij vertelt waar ze zich hebben verschanst – in de film zijn fotootjes opgenomen van die First Battle. Op een zeker moment waren Chris Dercon en Ian Hamilton Finlay het roerend eens over een aantal…

K.B./D.P.: Waarover?

J.C.: Chris en Ian hadden elkaar gevonden in een project over kunst die ze niet zagen zitten, wat ze ‘entartete Kunst’ noemden. ‘s Woensdags waren zij ‘entartete Kunst’ aan het opsporen. Voor mij kon dat niet. Ik had nogal wat zorgen over dat werk van Finlay.

K.B./D.P.: Wat was ‘entartet’?

J.C.: Ze waren bezig over een tentoonstelling met werken die ze niet goed vonden. Samen gingen ze iets doen in Los Angeles. Waarschijnlijk ging het hen ook om de kwalijke invloed van het Amerikaanse cultuurimperialisme. ‘Entartet’, dat was een kreet; die twee waren aan het fikfakken, en ik kreeg het op mijn heupen. Ik heb dat uitgesproken.

K.B./D.P.: Wat was je probleem?

J.C.: Een geur waar ik niet tegen kan.

K.B./D.P.: Dat hij een vest droeg met een Duitse vlag?

J.C.: Nee, want daar was ik van op de hoogte.

K.B./D.P.: Was je daarvan op de hoogte? Wat stoorde je dan?

J.C.: Ik heb toegang gekregen tot zijn bibliotheek. Een bibliotheek heeft een adem van iemand: wat er is en wat er niet is.

K.B./D.P.: En wat zat er dan in die bibliotheek wat jou opviel?

J.C.: Er waren verwijzingen naar boekverbrandingen. Maar het was niet alleen de bibliotheek; het waren ook zijn werken. Sommige teksten zijn ronduit dubbelzinnig. Ik vond zijn werken wel interessant – in die zin ben ik Finlay nog altijd niet afgevallen. Bijvoorbeeld die eenvoudige gebeitelde stukken, zoals See Poussin/Hear Lorrain. Ik vond die werken trouwens sterker in de winter dan in de zomer. Of de zin Claude, Vlaminck, Corot, Ruysdael, our famous weathers. Dát is een zin. De dubbelzinnigheid van zijn werk trok me ook aan, maar ik vond dat het helder moest worden. Het is overal aanwezig in zijn oeuvre. Oorlog en vernietiging zitten heel diep in zijn werk. Maar is dat louter speculatief of provocerend met betrekking tot onze huidige wereld? Dat moest uitgepraat worden.

K.B./D.P.: Jullie hebben van maandag tot donderdag buiten gewerkt. Het interview met Finlay vindt plaats op vrijdagavond.

J.C.: Vrijdagavond. Op donderdag heb ik Chris op mijn lijn gekregen. Ik heb Chris overtuigd dat hij die vraag moest stellen aan Finlay. Ik vond dat er zorgen waren.

K.B./D.P.: En wat was de reactie van Chris?

J.C.: Uiteindelijk heeft hij ermee ingestemd.

K.B./D.P.: De film eindigt met het interview van Chris Dercon met Finlay. Voordien heb je de Grotto van Aeneas en Dido in beeld gebracht. Boven de deur van dat bouwsel had Finlay een S aangebracht, de S in de vorm van een bliksem of een SS-teken. Monteer je dat stuk bewust op het einde van de film?

J.C.: Nee, want het hele parcours was van tevoren vastgelegd, door ons in samenspraak met Finlay. De montage heeft de volgorde van de opnamen.

K.B./D.P.: Eerst zie je Finlay rondlopen in een jas met een Duitse vlag, en daarna komt dat S-teken in beeld. Als kijker begin je je steeds meer vragen te stellen. En die vragen komen dan uiteindelijk aan de orde in het gesprek tussen Dercon en Finlay.

J.C.: Ik moest het weten en ik heb Chris overtuigd om hem aan de tand te voelen.

K.B./D.P.: Chris voelt zich duidelijk ongemakkelijk. Het duurt even eer hij de vraag stelt: “The director and myself as a script writer, we tried to talk you in… and we wanted to hear from you the day before, the day before yesterday, yesterday and today, what is your stance actually when you talk about the Third Reich for instance; we wanted to hear from you that you are against the censorship of the Third Reich, we didn’t hear it; we wanted to hear from you that you are against Hitler and the Waffen SS, we didn’t hear it.”

J.C.: Chris bracht die vraag nogal stuntelig, hij geraakte er niet uit, maar Finlay werd boos, hij zei dat hij het niet eerlijk vond. Hij viel uit zijn rol. De vriendelijke man werd plots een heel pissig iemand. Dat was zeer opvallend.

K.B./D.P.: Dat is toch begrijpelijk. Hij wordt aangevallen in Art Press… en jullie komen daar langs en stellen dezelfde vraag. Wat is er gebeurd toen de camera werd uitgezet.

J.C.: De camera is niet uitgezet: de film was op. Letterlijk. Op het einde van het interview kwam een kat binnen, Finlay zei nog wat, en de film was op. Daarna zijn we niet onmiddellijk buitengezet, maar het scheelde niet veel. Hij beschuldigde ons ervan dat we gestuurd waren door Art Press. Hij beweerde zelfs dat we spionnen waren van de Franse geheime dienst. Hij zei dat wij er alleen maar op uit waren om zijn projecten in Frankrijk te kelderen. Hij voegde er nog aan toe dat hij die dag een telefoontje gekregen had en dat hem was meegedeeld dat zijn twee grote opdrachten in Frankrijk geannuleerd waren.

K.B./D.P.: Maar dat kan niet, want een van de grote opdrachten, het monument naar aanleiding van de Franse Revolutie, is pas veel later afgeblazen, namelijk in 1988.

J.C.: Misschien was het nog niet officieel. Ik zeg wat hij ons gezegd heeft. Hij heeft het toch tegen ons gezegd. Hoe kan ik het anders weten?

K.B./D.P.: Pas op 25 maart 1988 organiseert Radio Europe 1 een discussie over de wenselijkheid om Finlay een monument te laten oprichten, in het licht van de controverse die zijn werk eerder in Frankrijk had uitgelokt.

J.C.: Ik kan alleen maar zeggen wat hij ons in de schoenen wilde schuiven. Wij wisten niet eens dat hij die opdracht had.

K.B./D.P.: Op 25 maart 1988, dezelfde dag van het debat op Radio Europe 1, neemt François Léotard, de Franse Minister van Cultuur, het besluit om Finlay de opdracht te ontnemen.

J.C.: Dan heeft hij ons iets wijsgemaakt.

K.B./D.P.: Dat zou me niet verwonderen als je kennis hebt genomen van de beschuldigingen en beledigingen die hij in brieven heeft vastgelegd.

J.C.: Ik weet alleen dat hij ons dat heeft verteld.

K.B./D.P.: Hoe is die vrijdagavond verder verlopen?

J.C.: Wij zijn het oneens geraakt maar ik heb Finlay duidelijk gemaakt dat wij een afspraak hadden om tot zaterdag te werken. Hij had trouwens een honorarium gekregen voor werkzaamheden van dinsdag tot en met zaterdag – ik deed dat vaak voor kunstenaars, als ik geld had. Daarna zijn we naar ons hotel teruggekeerd en ik heb tegen Chris gezegd dat ik de dag daarop terug naar Little Sparta zou gaan om de laatste opnamen te maken. We hebben vervolgens stevig gedronken en hebben oorlogsliederen gezongen met enkele Schotten. Chris maakte kenbaar dat hij me niet zou vergezellen de volgende dag.

K.B./D.P.: Waarom wilde Chris Dercon niet meer terug naar Little Sparta?

J.C.: Hij dacht dat ze hem gingen afmaken, ik weet het niet… Finlay was nogal tekeergegaan tegen hem. De Finlay-film is een project waar hij niet graag aan herinnerd wordt, denk ik.

K.B./D.P.: Wat stond er ‘s zaterdags nog op het programma?

J.C.: Ik laat mij niet verdrijven of ze moeten mij eruit gooien. Ik moest nog opnamen maken van het fotografische materiaal, onder andere van die First Battle. Daarna heb ik afscheid genomen van Finlay. Ik heb gezegd dat hij de film moest afwachten.

 

Another Battle

K.B./D.P.: Heeft hij jou toen die verklaring laten ondertekenen?

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: De toon van die verklaring is nogal heftig: “Yesterday evening you both made statements which had no foundation in my work, or in anything I have said, and which were a gross abuse of our professional relationship as well as being of a kind I would not expect to hear from the most uneducated Scottish peasant.”

J.C.: Ja, dat kan tellen.

K.B./D.P.: Je tekent vervolgens dat je ermee akkoord gaat om de eindversie van de film aan Finlay voor te leggen en je verleent hem ook het recht om stukken uit de film te knippen.

J.C.: Ja, dat kan je iemand niet weigeren. Als ik dat niet zou hebben ondertekend, dan was ‘t hek pas goed van de dam. Het was de enige manier om door te kunnen gaan.

K.B./D.P.: Het is dan toch al duidelijk dat het heel slecht gaat aflopen. Dacht je dat niet?

J.C.: Nee, ik dacht dat het allemaal nog in orde zou komen.

K.B./D.P.: Dan ben jij teruggekeerd naar de BRT?

J.C.: Ik heb de film gemonteerd, met heel veel plezier. Ik had een zeer goede monteur, Filip Van Hecke.

K.B./D.P.: Je dacht dat het jou ging lukken om de toestemming te krijgen van Finlay?

J.C.: Ik wou die film voltooien, that’s all.

K.B./D.P.: Was het niet lastig om een film te monteren die misschien nooit zou worden uitgezonden?

J.C.: Als je het niet monteert, dan is het sowieso afgelopen. Er was tijd voorzien, dat heeft gewoon te maken met productiepraktijk.

K.B./D.P.: Op 25 maart ‘88 stuurt Claude Blondeel, de producer van de film, een brief aan Finlay met de mededeling dat de film midden april klaar zal zijn.

J.C.: De montage was toen al beëindigd, maar de sonorisatie wellicht niet.

K.B./D.P.: Op 4 april ’88 krijgen jullie een brief van Finlay. De toon is ongemeen fel: “In reality you came, preprogrammed with the lies of Millet to concoct a cheap melodrama for a credolous and corruptible audience. […] our openness and hospitality were met with secret prejudice and mean cunning; at last, in the light of your final interview with Ian Hamilton Finlay – an interview which would have been more appropriate to the cellars of the Gestapo than to a TV programme […] Because, yesterday, an unfortunate people were forced to wear yellow stars you (and others like you) see the obscene possibility of forcing others to wear yellow swastikas today. […] Not a foot of your deceitful film should be shown, and you should repay every penny of the cost to the Television Company. We are initiating legal action in France and we shall not hesitate to do the same in Belgium.”

J.C.: De dagen en maanden nadien volgen nog tal van brieven, van hem, van zijn vrouw en van tal van medestanders. Het kon niet anders of de top van de BRT zou er zich ook mee bemoeien.

K.B./D.P.: Er wordt voortdurend gebruik gemaakt van het argument dat de winter niet het ideale seizoen is om de tuin te filmen.

J.C.: Dat lijkt het belangrijkste argument.

K.B./D.P.: Op 14 september 1988 stuurt Cas Goossens, directeur-generaal van de BRT, een brief met vragen naar Bert Hermans, directeur televisie, stellende: “Ian Hamilton Finlay zou lastig gevallen zijn met impertinente vragen en beledigende uitspraken in verband met het neo-nazi verleden van de betrokkene” – “De feiten zouden zich in juni-juli hebben voorgedaan, en het zou zelfs tot handtastelijkheden zijn gekomen.”

J.C.: Ja, dat was helemaal te gek. Hoe kan dat nu: de film is gedraaid in november 1987. Cas Goossens was de zaak ter ore gekomen tijdens een bijeenkomst van de directeurs van de openbare omroepen van Europa. Ik heb het er met Cas Goossens over gehad. Ik denk dat hij zelfs een kopie heeft gekregen van de film, maar men wilde de film niet op antenne brengen. Weet je wat het argument was?

K.B./D.P.: Neen.

J.C.: Het argument was dat ik met Finlay een contract had afgesloten in het Nederlands. Dat was het argument! Dat zijn toch geen producenten, dat zijn bangbroeken. Ze durfden de film niet uitsturen.

K.B./D.P.: Finlay kan toch geen zaak aanspannen tegen jullie in Engeland?

J.C.: Nee. Ik denk ook niet dat hij gelijk zou hebben gekregen. Die film brengt geen expliciete negatieve informatie.

K.B./D.P.: Maar jij hebt toch getekend dat hij het laatste woord kreeg. Zo was hij toch in het voordeel?

J.C.: Finlay is niet meer teruggekomen op de verklaring die ik in Schotland heb ondertekend. Neen, hij heeft enkel geschreven dat hij de film niet goed vond en dat hij de BRT gerechtelijk zou vervolgen als de film zou worden uitgezonden. Herhaaldelijk is ook geëist dat we de footage zouden vernietigen.

K.B./D.P.: Hij kan wel een zaak aanspannen, in België, zoals hij een zaak heeft aangespannen in Parijs.

J.C.: Dat zou gekund hebben. Ze hadden schrik. Op de BRT wou men de zaak zo snel mogelijk vergeten.

K.B./D.P.: Je hebt Cas Goossens niet proberen te overtuigen?

J.C.: Heb jij al eens met ambtenaren aan tafel gezeten? Ik ben in de steek gelaten! Voor mij was de kous af. Ik wou de film afmaken, meer niet.

K.B./D.P.: Dat is een belangrijke uitspraak. Als je de film maar kon afmaken; dat de film uitgezonden werd, interesseerde jou eigenlijk niet zoveel.

J.C.: Zo is het. Er is in België ook geen publiek waar je je dik over kan maken.

K.B./D.P.: Aan wie heb je de film nadien laten zien?

J.C.: Pas veel later heb ik de film getoond aan Yves Aupetitallot, die een catalogus over mijn werk aan het voorbereiden was.

K.B./D.P.: Wanneer was dat?

J.C.: Dat is veel later, in ‘91. Yves Aupetitallot heeft ook een selectie van mijn films over beeldende kunst samengesteld. Die films zijn in verschillende steden getoond, in Frankrijk, Duitsland en Polen. Ik heb ervoor gezorgd dat Little Sparta, et in arcadia ego erbij zat. Zo is de film ook vertoond in het Jeu de Paume, waar terzelfdertijd een Broodthaerstentoonstelling liep.

K.B./D.P.: En die vertoningen zijn kunnen doorgaan?

J.C.: Na de eerste twee screenings van Little Sparta zijn Finlays medestanders in Parijs wakker geworden. Midden in de nacht kreeg ik een telefoon van het kabinet van Jack Lang – hij was terug Minister van Cultuur geworden. Jack Lang was ‘s nachts zelf uit zijn bed gebeld. Ik kreeg te horen dat er geen derde vertoning meer zou komen. Dat is toch typisch Finlay. Le spectacle, mon dieu.

K.B./D.P.: Is Little Sparta, et in arcadia ego de enige film die niet tot bij het televisiepubliek is geraakt?

J.C.: Ja. Er zijn wel eens meer problemen geweest, onder andere met Thierry De Cordier. Maar steeds kon er een oplossing worden gevonden. Sommige televisieprojecten zijn evenwel eerder – voor het tot opnamen was gekomen – in de lade opgeborgen.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis, Dirk Pültau

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan argos voor de selectie van het beeldmateriaal

‘Met ringen eindeloos regelmatig als kringen in het water’

1. Het Instituut van het Heilig Graf (Turnhout) 

Koen Brams/Dirk Pültau: Herinner jij je hoe je voor het eerst met kunst in aanraking kwam?

Nel Aerts: Dat is geleidelijk gebeurd, denk ik. Toen ik na de lagere school een studiekeuze moest maken, ging mijn voorkeur uit naar de kunsthumaniora in het Instituut van het Heilig Graf in Turnhout. Wilde ik met ‘kunst’ bezig zijn of wilde ik ‘creatief’ zijn? Wellicht dat laatste.

K.B./D.P.: Hoe was je keuze voor de kunsthumaniora tot stand gekomen?

N.A.: Dat weet ik niet meer… Ik was twaalf jaar toen die knoop moest worden doorgehakt. Misschien had het te maken met het feit dat mijn zus er ook de kunsthumaniora liep? Het Heilig Graf stond me wel aan, eerder dan Het Spijker of Het Klein Seminarie in Hoogstraten – een van die twee scholen zou een veel logischer keuze zijn geweest, vermits wij in Wortel, vlakbij Hoogstraten, woonden. Klassiek middelbaar onderwijs zei me echter niets; ik wilde met mijn handen bezig zijn. In Hoogstraten werd er geen kunstrichting aangeboden; het Heilig Graf in Turnhout was de beste optie.

K.B./D.P.: Kwamen jij en je zus uit een artistiek nest? Is dat een mogelijke verklaring voor jullie studiekeuze?

N.A.: Neen, in de familie was niemand met kunst bezig. Het was ook geen gespreksonderwerp bij ons thuis. Ik herinner me wel een bezoek aan het toenmalige PMMK, waar de expo Van Ensor tot Delvaux (1997) liep. Daar was ik behoorlijk van onder de indruk. Van jongs af aan tekende en knutselde ik. Inzicht in de kunst en de kunstgeschiedenis had ik in het begin totaal niet. In de eerste jaren kregen we trouwens ook geen kunstgeschiedenis.

K.B./D.P.: Heb jij herinneringen aan je leraars en leraressen in het Heilig Graf?

N.A.: We werden door een goed team begeleid. Monique Jennes gaf beeldhouwen; zij was een zeer energiek persoon. David Huet stond in voor grafiek, Jef Vaes voor schilderen. Louis Hulstaert gaf kunstgeschiedenis. Hij was een heel gedegen leraar; ik herinner me dat ik onder zijn impuls boeken over specifieke kunstenaars ging raadplegen. Het heeft wel even geduurd eer ik die nieuwsgierigheid had ontwikkeld. Mieke Paulussen gaf literatuur. Zij heeft mij in het laatste jaar gemotiveerd om mee te doen aan een theatervoorstelling. Dat heb ik echter slechts een keer gedaan. Met Liesbeth Breugelmans gingen we tijdens de laatste jaren van de humaniora tentoonstellingen bekijken die we nadien bespraken. Zo bezochten we bijvoorbeeld Brain Box Dream Box (2004), de tentoonstelling van Paul McCarthy in het Van Abbemuseum. Men was dus best breeddenkend in het Graf. Je bent evenwel nog zo jong dat je eigenlijk heel selectief bent.

K.B./D.P.: Wanneer besefte je dat je kunstenares wilde worden?

N.A.: Ik denk dat ik zeventien, achttien was toen ik begon in te zien hoe immens groot de wereld van de kunst was. Niet dat ik de geschiedenis van de kunst of de kunstwereld volledig kon overschouwen, maar ik werd me er wel van bewust. Dat ik in het laatste jaar ook een eindwerk moest maken, was daar wellicht niet vreemd aan. Er werden altijd thema’s opgelegd en het thema van de G.I.P., de Geïntegreerde Proef, was ‘de noot’, niet de muzieknoot maar de boomvrucht. Je kreeg een mentor – een van de leerkrachten – die ervoor zorgde dat je iets uitwerkte dat bij je paste. Aan die eindproef werkte je het hele jaar en er waren drie jurymomenten. Het belangrijkste moment was uiteraard de publieke jury op het einde van de humaniora. De eindjury bestond uit leerkrachten en een drietal externen.

K.B./D.P.: Welke eindproef maakte jij?

N.A.: Ik realiseerde een animatiefilmpje waarin ik gekleurde pindanoten liet dansen en copuleren. Die bewegende noten werden afgewisseld met tekeningen en foto’s. Samen met een vriend schreef ik ook een soundtrack.

K.B./D.P.: Hoe lang duurde het filmpje?

N.A.: Drie minuten, denk ik. Ik werkte er extreem hard en heel gedisciplineerd aan. Geholpen door mijn naïviteit durfde ik heel veel richtingen uitgaan. Ik experimenteerde erop los. Het was een goed moment.

K.B./D.P.: Was er een plot?

N.A.: Op het einde bleven er twee noten over. Ze hadden elkaar gevonden. Het was een liefdesverhaal, maar helemaal niet zwaar op de hand. Samen met een aantal medestudenten nam ik met mijn eindwerk deel aan een wedstrijd die jaarlijks georganiseerd werd door Dexia. De wedstrijd stond open voor studenten van de kunsthumaniora en van het deeltijds kunstonderwijs. Het moment waarop mijn werk tentoongesteld werd, was van wezenlijk belang. Het werk werd publiek, mensen keken ernaar en spraken me erover aan. Plots werd dat kleine wereldje van mezelf, mijn werk, mijn medestudenten en leerkrachten doorbroken. Het was heel vreemd, maar ook zeer interessant.

K.B./D.P.: Heb je de wedstrijd gewonnen?

N.A.: Nee, maar mijn werk werd wel weerhouden voor de tentoonstelling van de Dexia Art Price. In de catalogus van de wedstrijd staan stills van mijn filmpje.

K.B./D.P.: Stimuleerde de school je om aan de wedstrijd deel te nemen?

N.A.: Ja, zelf zou ik niet op het idee zijn gekomen om mijn werk in te sturen. Mijn leraars en leraressen wezen me op het belang van de prijs.

K.B./D.P.: Het is een aanwijzing dat de school ambitie had.

N.A.: Zeker. Ik zat bovendien in een klas met heel gemotiveerde leerlingen. Een andere belangrijke gebeurtenis tijdens mijn laatste jaar, waaruit opnieuw het streven van de school sprak, was een project waarvoor Vaast Colson geëngageerd werd. Dat men ervoor opteerde om een kunstenaar die niet verbonden was aan de school een project te laten uitwerken, was zonder meer bijzonder. Het project was getiteld Off the Wall. Vaast had een constructie gemaakt – een platform – en nodigde de studenten uit om iets in of op die ruimte te doen. Er was ook een afsluitend moment. In het begin was het heel abstract wat hij voorstelde. Daarna werden er vragen gesteld en ontstonden er gesprekken. Het was enorm uitdagend en het werd weer een stukje duidelijker wat er allemaal mogelijk was.

K.B./D.P.: Wat droeg jij bij?

N.A.: Eerst zijn we allemaal aan de slag gegaan met een kartonnen doos die we opvatten als een ruimte. Ik herinner me ook dat ik veel tekeningen heb gemaakt en heb meegewerkt aan een filmpje. Twee jaar geleden hebben ze ook mij gevraagd om een project op te zetten in die ruimte, samen met andere afgestudeerden van de school. Ze hebben me ook benaderd om in de eindjury te zetelen.

K.B./D.P.: Ze volgen je?

N.A.: Ja, mijn voormalige leerkrachten komen wel eens naar de openingen van mijn tentoonstellingen.

K.B./D.P.: Hebben je leraars of leraressen je destijds ook gestimuleerd om de stap te zetten naar het hoger kunstonderwijs?

N.A.: Het was zonder meer duidelijk dat ik die weg zou opgaan. Ik moest daar niet voor worden gemotiveerd. Ze hebben wel proberen mee te denken over de specifieke richting die ik zou volgen.

 

2. Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Gent)

K.B./D.P.: Je hebt gestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Waarom viel je keuze op die hogeschool?

N.A.: Antwerpen lag in zekere zin voor de hand: het was dicht bij huis en ik kende er heel veel mensen. Zowel mijn vrienden als mijn familie vormden een hechte groep; het had iets dominants. Ik wilde net het tegenovergestelde. Ik wilde geen basis waarop ik kon terugvallen. Ik wilde mijn eigen weg maken.

K.B./D.P.: Je had dan toch ook kunnen kiezen voor Sint-Lukas Brussel? 

N.A.: Ja, dat had ook gekund.

K.B./D.P.: Naar welke richting ging je voorkeur uit?

N.A.: In het eerste jaar koos ik ‘gecombineerde media’.

K.B./D.P.: Vanwaar die keuze? Hoe kan je als achttienjarige weten dat daar je interesse ligt?

N.A.: Het klopt dat je dat in feite niet weet, maar je wordt toch gevraagd je belangstelling kenbaar te maken. Ik denk dat mijn keuze te maken had met het soort werk dat ik tijdens het laatste jaar in het Heilig Graf had gemaakt, meer bepaald dat animatiefilmpje. Achteraf gezien twijfel ik wel eens of ik niet beter een klassieke opleiding had gevolgd, schilderen bijvoorbeeld.

K.B./D.P.: Wat hield de richting ‘gecombineerde media’ precies in?

N.A.: De richting vormde een combinatie van media-, performance- en driedimensionale kunst. We hadden in feite te veel vakken en te veel docenten. Ik wist echt niet wat me overkwam. Ik liep verloren.

K.B./D.P.: Wat heb je in dat jaar verricht?

N.A.: Ik deed min of meer verder met wat ik in het Heilig Graf had gedaan. Ik maakte vreemde filmpjes waarin objecten bewogen. Ik zat ook veel te tekenen. Ik herinner mij ook dat ik schreef, vooral dialogen.

K.B./D.P.: Kwamen die dialogen tot stand in functie van de filmpjes?

N.A.: Het waren inderdaad scenario’s. Ik heb ze nog steeds. Af en toe valt mijn oog er nog op, en dan merk ik hoe jong en kwetsbaar ze zijn. De filmpjes waarvoor ik die dialogen schreef, heb ik echter nooit gerealiseerd.

K.B./D.P.: De filmpjes met de objecten omvatten geen dialogen?

N.A.: Nee. Ik denk dat ik dat niet durfde.

K.B./D.P.: Welke rol speelden jouw docenten? Heb je herinneringen aan hun feedback?

N.A.: Iemand als Sjoerd Paridaen begreep echt wel wat ik probeerde te doen, maar er was ook negatieve feedback. Sommige docenten zeiden ons vlakaf dat wij zomaar wat rondhingen in het atelier. Geheel ongelijk hadden ze niet, maar dat had te maken met de combinatie van die drie disciplines: installatie, media en performance. De theoretische vakken boden meer houvast: kunstgeschiedenis door Piet Vanrobaeys, filosofie door Wim De Temmerman en literatuur door Paul Demets.

K.B./D.P.: Hoe eindigde het eerste jaar?

N.A.: Uiterst verwarrend. Mijn eindwerk was opnieuw een filmpje, maar ik werkte voor het eerst met echte mensen. Ik had mijn zus en haar vriend gevraagd om met elkaar te converseren. Ze hebben ook gezongen.

K.B./D.P.: Met welke drager werkte je?

N.A.: Video, maar ik had geen enkele kennis van de programma’s. Ik gruwelde van het idee om een video te moeten monteren.

K.B./D.P.: Beschouwde jij je vanaf de eerste dag aan het K.A.S.K. als een kunstenaar of pas op het einde van het eerste jaar… of helemaal niet?

N.A.: Gedurende of op het einde van het eerste jaar zeker nog niet. Dat is pas later gebeurd.

K.B./D.P.: Wat deed je in het tweede jaar?

N.A.: Het atelier ‘gecombineerde media’ werd in het begin van dat jaar stopgezet en dus moest ik naar een andere richting uitkijken. Ik opteerde voor ‘nieuwe media’. Ik liet me leiden door mijn voorkeur om te werken met Jerry Galle, een docent met wie het klikte. Hij nodigde me uit en ik ging erop in.

K.B./D.P.: Wat werd er verstaan onder ‘nieuwe media’?

N.A.: Het was tamelijk onduidelijk wat die richting precies inhield, ook voor de docenten. Dat was althans mijn indruk. We beschikten gelukkig over een groot, open atelier waarin vaak nauwelijks iemand aanwezig was, want iedereen zat achter de computer. Dat was voor mij op zich wel interessant. Zo had ik immers heel veel ruimte om te doen wat ik wilde.

K.B./D.P.: Wat wilde je doen?

N.A.: Ik was iemand die graag in het atelier zat en de dingen deed die je in een atelier doet, tekenen bijvoorbeeld, maar dat werd misschien niet genoeg aangemoedigd. Ik tekende minder en minder; mijn werk kantelde helemaal. Ik was veel meer aan het nadenken dan aan het doen.

K.B./D.P.: Wie waren de docenten naast Jerry Galle?

N.A.: Danny Deprez doceerde filmregie, Hendrik Leper het maken van websites. Ik zag de kwaliteiten van die docenten, maar hun vakken sloten in feite niet volledig aan bij mijn interesses.

K.B./D.P.: Het tekenen was belangrijk voor je, het prutsen, maar precies dat viel na verloop van tijd weg?

N.A.: Ja. Het was een vreemde tijd. Ik weet niet in hoeverre ik bezig was om mezelf te leren ontdekken of om echt werk te maken. Een combinatie van de twee, denk ik.

K.B./D.P.: Welk werk realiseerde je in het tweede jaar?

N.A.: Ik maakte video’s. Ik reconstrueerde de straat waarin ik was opgegroeid, zette er figuurtjes in en filmde dat. Het waren maquettes die ik als een set gebruikte. Ik creëerde een fictieve wereld.

K.B./D.P.: In 2008, toen je al in het derde jaar van de academie zat, stelde je een eerste keer tentoon in Croxhapox in Gent. Wat toonde je daar?

N.A.: In de zogenaamde kubusruimte, een heel kleine ruimte, exposeerde ik Built on Ribs, een installatie die bestond uit een tafeltje waarop fragiele constructies stonden die werden aangelicht: hun schaduw viel op een papieren vel. Ik heb er ook een animatiefilm van gemaakt die ik toonde op An evening on… Stick Figures tijdens het Courtisane festival in de Vooruit (Gent). Het volledige derde jaar stond in het teken van dat soort werk. In het vierde jaar brak ik daar volledig mee.

K.B./D.P.: Wat deed je dan in het vierde jaar?

N.A.: Vanaf het vierde jaar filmde ik bepaalde handelingen die ik met sculpturale objecten uitvoerde. De film werd eerder een registratie. Het was heel belangrijk dat ik zelf deel ging uitmaken van het beeld.

K.B./D.P.: Wat was de drager van die films?

N.A.: Ik werkte nog uitsluitend met Super 8. Dat was een totaal andere gevoeligheid. Het creëert een vreemd soort afstand; het is niet zo direct als een digitale drager. Mijn interesse was plots verschoven. Ik bewerkte stukken hout en probeerde iets met die losse stukken hout tegen een muur op te bouwen. Ik heb talloze mogelijkheden geëxploreerd.

K.B./D.P.: Kan je zeggen dat die verschuiving het resultaat was van een ander soort bewustzijn? Zag je jezelf vanaf dat moment meer en meer als een kunstenaar?

N.A.: Zeker. Het werd extremer. Dit was echt wat ik wilde doen. Het ging ook gepaard met het tonen van de films.

K.B./D.P.: In het najaar van 2008 nodigde Croxhapox je opnieuw uit.

N.A.: Ja, Hans van Heirseele vroeg me of ik in dezelfde ruimte, de kubusruimte, op drie momenten verspreid over het academiejaar 2008/2009, iets wilde doen. De eerste presentatie omvatte een stapeling van kubusjes die met verschillende gekleurde papiertjes waren ingepakt. Bij de stapelingen hingen twee op papier aangebrachte zinnen: ‘According to Albers’ rules’ en ’In search for black paper’.

K.B./D.P.: Hoe was je tot dat werk gekomen?

N.A.: Ik was op dat moment begonnen met het schrijven van mijn thesis, die ik opbouwde rond het werk van kunstenaars zoals Jimmie Durham, René Heyvaert en André Cadere – kunstenaars van wie de namen me allemaal waren aangereikt door Kristof Van Gestel. Hij was pas aangesteld als docent en had een bundel samengesteld over kunstenaars die hem boeiden. Alle andere docenten van mijn masterjaar – onder wie Edwin Carels en Anouk De Clercq – waren heel genereus in het aangeven van referenties, maar die van Kristof pasten het best bij mij. Hij heeft me heel veel bijgebracht.

K.B./D.P.: Er lijkt een verband te zijn tussen het werk van Cadere en jouw gestapelde, veelkleurige kubusjes…

N.A.: …dat klopt, maar er zijn ook veel verschillen. Cadere gebruikte verf, ik papier; mijn vormen waren kubussen, zijn elementen schijven. Hij ordende zijn gekleurde schijven volgens een bepaalde formule, waartegen hij per stok steeds één keer zondigde; in mijn werk was de volgorde arbitrair.

K.B./D.P.: Cadere stond ook heel kritisch ten opzichte van de kunstwereld. Daar lijkt in jouw werk met de kubusjes geen sprake van.

N.A.: Dat klopt, maar het performatieve van zijn werk is wel iets dat me toen al bezighield. Zijn werk was volledig uitgepuurd en ging gepaard met acties. Ik sta er in mateloze bewondering voor. Ook trouwens voor het werk van Guy Mees, waarop Jerry Galle me gewezen had.

K.B./D.P.: Wat verbond voor jou het werk van Cadere, Durham, Heyvaert en Mees?

N.A.: Dat is lastig om te formuleren. Wat ik zeker weet, is dat voor mij alles was begonnen met mijn kennismaking met Cadere. Ik was intens met zijn werk bezig en raakte nadien ook geïntrigeerd door dat van Durham, Heyvaert en Mees. Wat ik in het werk van die vier kunstenaars enorm waardeerde, was een soort van omgang met materiaal.

K.B./D.P.: In februari 2009 volgde het tweede deel van de triptiek in Croxhapox.

N.A.: Ik presenteerde Untitled (purple, blue, black) (2008), een animatiefilmpje gemaakt op Super 8, waarin mijn handen de hoofdrol spelen: nu eens de linker-, dan weer de rechterhand, en soms ook beide samen, en steeds besmeurd met verf.

K.B./D.P.: Het is onmogelijk om dit filmpje niet in verband te brengen met Richard Serra’s Hand Catching Lead (1968), waarin een hand vruchteloos naar een steeds weer naar beneden vallend stuk lood grijpt.

N.A.: Serra’s filmpje zag ik in Berlijn, een poosje nadat ik Untitled (purple, blue, black) had gemaakt. Het was een eigenaardige ervaring, maar ook een goede.

K.B./D.P.: Wat was jouw conclusie na die kennismaking met Serra’s werk? Dat je vond dat je je meer in de kunstgeschiedenis moest verdiepen?

N.A.: Ik ben over Serra beginnen te lezen, dat kan ik niet ontkennen. Ik wou weten waar zijn werk vandaan kwam.

K.B./D.P.: Omdat in het filmpje van Serra de zwaartekracht onverbiddelijk zijn werk doet, kan je zeggen dat het werk over beeldhouwkunst gaat. Handelt Untitled (purple, blue, black) integendeel over schilderkunst? Impliciet geef je met het filmpje aan dat je op schilderkunst kunt reflecteren als je het medium in een ander medium binnenbrengt. 

N.A.: Dat vind ik een interessante bedenking.

K.B./D.P.: Een andere referentie betreft de drager van de film, Super 8. Met die keuze sluit je aan bij de grote traditie van de experimentele film.

N.A.: Daar was ik wel mee bezig. Die ‘flikkerfilms’ bijvoorbeeld vond ik zeer interessant. Het werk van kunstenaars als Robert Breer of Paul Sharits interesseerde me enorm. Ook de filmpjes van Bruce Nauman in zijn studio fascineerden me.

K.B./D.P.: De derde aflevering van het drieluik vond plaats van 26 april tot 17 mei 2009.

N.A.: Het derde deel titelde ik Goodbye Old Paint, naar een gelijknamig cowboynummer dat onder andere vertolkt is door Arthur Russell. Ik toonde er houten planken die op elkaar gestapeld waren; sommige stapelingen leunden tegen de muur, andere stonden in de open ruimte; sommige waren geschilderd, andere niet. Wat ik eerder had vastgelegd op film, toonde ik nu als sculpturen in de kleine ruimte van Croxhapox.

K.B./D.P.: Heb je toen ook het filmpje getoond?

N.A.: Neen, ook al is het filmpje voor mij onlosmakelijk verbonden met die houten constructies. Beide dragen trouwens dezelfde titel.

K.B./D.P.: Omstreeks die tijd studeerde je af aan het K.A.S.K. Wat was je afstudeerproject?

N.A.: Ik beschikte over twee kamertjes. In het eerste toonde ik Untitled (purple, blue, black); in het tweede twee filmpjes die ik boven elkaar projecteerde, enerzijds het filmpje van de stapelingen van de stukken hout, anderzijds een filmpje in stop-motion waarin ik aan het spelen was met de woorden van de titel, Goodbye Old Paint. Daarnaast realiseerde ik ook een project op het binnenplein van het K.A.S.K. Ik had een massa hout verzameld; ik bewerkte het, schuurde het af en schilderde sommige stukken. Met de bewerkte stukken hout pakte ik de stam van een boom in. In het kamertje waarin ik het filmpje met de handen toonde, stond een soort van tafel die ik zelf had gemaakt en waarop kaartjes lagen met een beeld van dat werk op het binnenplein.

K.B./D.P.: Waarom wilde je dat werk buiten creëren?

N.A.: Het afstuderen ging in de academie gepaard met een enorme opwinding – bijna op het hysterische af. Met mijn project in de tuin wou ik die drukte als het ware achter mij laten. Nog maar zeer recent kreeg ik het bericht dat de constructie helemaal is opengeplooid…

K.B./D.P.: …je had het werk dus niet afgebroken?

N.A.: Ik had gevraagd of het mocht blijven staan en daar heeft men gelukkig mee ingestemd. Ik heb talloze foto’s van het werk gemaakt, in de meest verschillende klimatologische omstandigheden. Zeer mooi.

K.B./D.P.: Op het moment dat jij je eindproject realiseerde, kregen wij vanuit verschillende hoeken je naam te horen als die van een beloftevol jong kunstenaar. Was jij je ervan bewust dat jij als dusdanig naar voor werd geschoven?

N.A.: Daar heb ik nooit lucht van gekregen. Ons klasje was op den duur wel danig uitgedund. Je voelde dat je zelf een keuze had gemaakt die voor anderen niet evident was. Een ander signaal – positief in mijn geval – was dat ik na mijn afstuderen werd uitgenodigd voor de tentoonstellingsreeks Coming People in het S.M.A.K. Je wordt daar alleen voor uitgenodigd als de curatoren – in dit geval Thibaut Verhoeven en Meruro Washida – geloven in je werk.

K.B./D.P.: Welk werk droeg je bij aan Coming People?

N.A.: Alleen maar bestaand werk, waaronder Untitled (purple, blue, black). De sfeer tijdens het maken van de expo was redelijk ontspannen, herinner ik me.

K.B./D.P.: Hoe beschouw jij je afstudeerwerken nu? Horen ze voor jou bij je oeuvre of zie je ze als werken die aan je oeuvre voorafgaan?

N.A.: Toen ik onmiddellijk na het verlaten van de academie een portfolio samenstelde, maakten de werken er prominent deel van uit. Dat kon ook moeilijk anders, want ik beschikte niet over ander werk. Uit de laatste versie van mijn portfolio heb ik die werken echter geweerd. Maar nu ik er zo uitgebreid met jullie over van gedachten wissel, ben ik toch de mening toegedaan dat ik ze niet kan elimineren. Ik moet er terug over nadenken. Ik heb ze immers heel doelbewust geconcipieerd als kunstwerken. En wat ik toen gemaakt heb, heeft bepaald wat ik nadien verwezenlijkt heb.

K.B./D.P.: Dat je de werken uit een portfolio weglaat, is iets anders dan de werken of de tentoonstellingen te schrappen uit een curriculum vitae. Op het internet hebben we een cv gevonden waarin bijvoorbeeld al je tentoonstellingen in Croxhapox vermeld zijn. Croxhapox biedt op haar website trouwens een enorme hoeveelheid documentatie aan over alle projecten die er hebben plaatsgevonden.

N.A.: Dat onderscheid tussen portfolio en cv. lijkt me inderdaad wezenlijk. In het cv staat wat je allemaal hebt uitgespookt; in het portfolio ga je actief om met je oeuvre. Je probeert je praktijk vast te nemen en af te bakenen. Het gevolg kan zijn dat bepaalde werken niet meer in het beeld van het oeuvre thuishoren.

 

3. Naar Antwerpen

K.B./D.P.: Nadat jij je Master behaald had, ging je meteen als kunstenaar aan de slag. Waarom besliste je niet om een andere opleiding te volgen – een Master na Master bijvoorbeeld?

N.A.: Ik wou geen bijkomende opleiding aanvatten. Het leek mij veel spannender om mij in de kunstwereld te smijten.

K.B./D.P.: Hoe was het in het begin om te ervaren dat er geen structuur meer was om op terug te vallen?

N.A.: Spannend, soms heel vervelend, maar nooit onmogelijk. De sociale zekerheid is niet slecht in België.

K.B./D.P.: Had je na het K.A.S.K. misschien je buik vol van het kunstonderwijs?

N.A.: Dat ik die Master in een jaar heb behaald en niet heb willen spreiden over twee jaren, is wel een teken aan de wand. Tijdens het Masterjaar ben ik echter goed begeleid. Ik kijk dus zeker niet met gemengde gevoelens terug op mijn opleiding. Grappig was wel dat ik meteen na het behalen van mijn diploma opnieuw werd uitgenodigd om iets te doen aan het K.A.S.K. Vaast Colson vroeg me om samen met drie andere jonge kunstenaars – Gerard Herman, Michiel Ceulers en Bert Jacobs – een project te doen in KIOSK, het tentoonstellingspaviljoen van het K.A.S.K. Wekelijks was een van de vier youngsters aan zet, steeds in dialoog met Vaast. Toen ik aan de beurt was, hebben we de glazen uit de tentoonstellingsruimte gehaald. Dat was best heftig.

K.B./D.P.: Heeft niemand je de ‘wijze’ raad gegeven om je aan te melden bij een postacademisch instituut?

N.A.: Ik werd voortdurend met de vraag bestookt waarom ik mij niet inschreef voor de toelatingsproef van het H.I.S.K. Maar ik keek er niet naar uit om nog meer tijd door te brengen in een instituut. Ik wou dat niet. De waarheid gebiedt me echter te zeggen dat ik eerst en vooral geen enkel verlangen had om nog langer in Gent te blijven.

K.B./D.P.: Waarom niet?

N.A.: Ik had het gevoel gekregen dat er weinig van de grond kwam, dat het geen broeihaard was, dat er niet veel initiatief werd genomen door de kunstenaars zelf, jong of oud. Er zijn te weinig tussenlagen of perifere plekken in Gent.

K.B./D.P.: Antwerpen, waar je naar verhuisde in 2009, ervaarde je wel als dynamisch?

N.A.: Ik vond dat de kunstscene in Antwerpen iets energieks en eigenwijs had. Er waren toen nog meer galeries en ze waren dynamischer. Van een ruimte als Pocketroom in de Hofstraat, dat gerund werd door Wim Waumans, ging een enorme energie uit. Onbekende en gearriveerde kunstenaars stelden er naast of na elkaar tentoon. Zelf ben ik op het einde van 2009 gevraagd om er een project te doen: One with the Medicine Man. Edwin Carels had me er geïntroduceerd.

K.B./D.P.: Waar slaat de titel van de tentoonstelling op?

N.A.: De titel was een verwijzing naar een uitspraak van René Heyvaert: ‘De kunstenaar is een medicijnman, een magiër, een tovenaar, een priester. Ik ben een machtswellusteling.’ Het is een referentie aan de activiteit van de kunstenaar die een banaal object manipuleert en het statuut ervan fundamenteel verandert. Ik ben lange tijd aan de slag geweest in de ruimte van Pocketroom. Ik heb er een voorraad hout naartoe gebracht. De houten planken heb ik vastgenomen en – naargelang de kleur – een plaats gegeven in drie groepen, die ik tegen de ramen van de ruimte opstelde. Dat alles heb ik gefilmd en op de dag van de opening heb ik het filmpje een keer vertoond op een scherm buiten.

K.B./D.P.: Heb je het filmpje na de opening niet meer vertoond?

N.A.: Toch wel. Tijdens de volledige duur van de tentoonstelling speelde het filmpje op een scherm in Pocketroom. In een groepstentoonstelling georganiseerd door de Scheld’apen heb ik wel eens een filmpje slechts eenmalig getoond: ik had geregistreerd hoe ik een scherm maakte waarop een filmpje kon worden geprojecteerd. Ik projecteerde dat filmpje op een scherm en dat was het. 

K.B./D.P.: Film en performance vielen in dat geval samen?

N.A.: Ja.

K.B./D.P.: In 2010 keerde je, zoals je reeds eerder vermeldde, terug naar het Instituut van het Heilig Graf in Turnhout.

N.A.: Onder de paraplu van Anastasis, een vereniging die verbonden is met het Heilig Graf, realiseerde ik met oud-medestudenten en studenten van de kunsthumaniora het project In de leer. Sommige van mijn oud-medestudenten hadden een artistieke praktijk, andere waren de richting van de toegepaste kunst ingeslagen. Ieder zou vanuit zijn eigen praktijk met de studenten werken. Ik had het hout dat ik in Pocketroom had gebruikt naar Turnhout getransporteerd en liet de studenten daarmee werken. De studenten hebben het hout met gips bewerkt, tot planken verzaagd, opnieuw beschilderd… Nadat In de leer was afgelopen heb ik de planken allemaal in min of meer gelijke delen gezaagd; de plankjes heb ik tentoongesteld in Croxhapox. Ik noemde het project Undisclosed Gathering.

K.B./D.P.: Het was inmiddels de vijfde keer dat je in Croxhapox exposeerde. Ditmaal was het een soloshow. Kan je iets meer vertellen over de tentoonstelling?

N.A.: Undisclosed Gathering omvatte driehonderd genummerde plankjes, die ik op een in de ruimte uitwaaierende tafel had gelegd. Ik had driehonderd kaartjes uitgedeeld op twee verschillende momenten, onder meer tijdens de opening. Als iemand zich op een later moment met dat kaartje bij mij aanmeldde, ontving hij of zij het corresponderend stukje hout.

K.B./D.P.: Het was belangrijk dat de bezoekers na de opening nog eens zouden terugkeren naar de tentoonstellingsruimte?

N.A.: Ja, dat was van wezenlijk belang. Tijdens de opening overgaan tot het uitdelen van de plankjes vond ik geen interessant gebaar. Alles hing dus af van de bereidheid van de mensen om de uitnodiging zorgvuldig te lezen en daarna opnieuw de stap te zetten richting Croxhapox. Er zijn echter ook mensen die een latje zonder kaartje hebben meegenomen. Sommige bezoekers hebben zich dan weer pas na afloop van de expo gemeld. Ik hou nauwkeurig bij wie wat wanneer heeft gedaan. Het hele werk, inclusief de resterende houten latjes, is gearchiveerd. Ik heb er ook een kunstenaarsboekje over gemaakt.

K.B./D.P.: Op de uitnodigingskaart is een vreemd handgebaar gedrukt. Wat is daarvan de betekenis?

N.A.: De Italiaanse kunstenaar Bruno Munari stelde een kunstenaarsboekje samen waarin hij handgebaren toont en uitlegt wat ze betekenen, zogenaamd om toeristen wegwijs te maken in de niet-talige communicatie in Italië. Voor de uitnodigingskaart koos ik een specifiek handgebaar: twee handen, zij aan zij, vormen elk een vuist; enkel de wijsvingers en de duimen zijn uitgestoken. De personen die een dergelijk gebaar maken, hebben volgens Munari een geheime afspraak: er is iets op til; iemand heeft iets gepland voor iemand anders. Het handgebaar vormde een soort startsein voor Undisclosed Gathering. Ik heb er ook een sculpturale versie van gemaakt en ik was zelf op de opening aanwezig terwijl ik dat handgebaar maakte, mijn ene wijsvinger rood, de andere blauw geschilderd. Daarvan is een registratie gemaakt.

K.B./D.P.: Waarom verfde je je wijsvingers? Om het gebaar te verbinden met schilderkunst?

N.A.: Dat is een mogelijke uitleg, maar het was toch vooral een intuïtieve beslissing om dat te doen.

K.B./D.P.: In 2010 deed je verder iets in Fort 8. Wat behelsde dat project?

N.A.: De Scheld’apen, die toegang hadden tot het Fort in Hoboken, hadden een mail rondgestuurd en ik ben erop afgegaan. Ik bracht een performance, Traveling after Zbigniew Herbert and Pan Cogito. De performance ging terug op een werk dat ik eerder op uitnodiging van Wim Waelput in Watou had gerealiseerd. Wim was de coördinator van KIOSK en had mijn werk gevolgd. In Watou beschikte hij over een stuk of tien strandcabines waarin hij jonge, pas afgestudeerde kunstenaars iets wilde laten doen. Hij gaf ons gedichten waaruit we er een konden kiezen. Mijn voorkeur ging uit naar een gedicht van Zbigniew Herbert uit de bundel Pan Cogito [Meneer Cogito], tevens een soort alter ego van de Poolse dichter. Ik herinner me dat het een beetje een lastige periode was: ik woonde in een appartement, had geen atelier en tuimelde van het ene project in het andere.

K.B./D.P.: Wat heb je uiteindelijk in Watou gedaan?

N.A.: Vermits het gedicht over een wereldreis gaat en de verschillende bestemmingen omvat, heb ik daarvan een kaart gemaakt. Die reizen waren immers – naast de idee van het alter ego – de enige houvast in dat gedicht. De kaart heb ik op het plafond van de cabine aangebracht en vervolgens heb ik een actie uitgevoerd – een spel (Reis rond de wereld) waarvan de regel was dat ik de grond niet mocht raken. Ik stond voortdurend op de randen van de cabine.

K.B./D.P.: Het was een performance?

N.A.: Ik verkies de termen ‘actie’ of ‘spel’, want er was geen publiek bij aanwezig. Voor de bezoekers van de expo was enkel de kaart op het plafond zichtbaar. De ervaring van die actie maakte wel het verlangen in me los om een echte performance met publiek uit te werken. Dat heb ik gedaan in Fort 8, uitgedost in een speciaal voor de gelegenheid gecreëerd kostuum.

K.B./D.P.: Jij incarneerde Pan Cogito, die naar alle verschillende plaatsen op de kaart reist?

N.A.: Ja, ik bouwde in het fort een installatie. Met verschillende kleuren verdeelde ik de ruimte in werelddelen waar Pan Cogito was geweest en waar hij vaak naar terugkeerde. De performance duurde een half uurtje.

K.B./D.P.: De performance is tot dusverre een unicum in je jonge oeuvre. Het werk is op het eerste zicht met geen enkel ander werk te verbinden, niet met de eraan voorafgaande en evenmin met de erop volgende werken.

N.A.: Dat klopt. Ik heb heel vaak de aanvechting om een performance te doen, maar het is vooralsnog slechts één keer gebeurd. Meestal doe ik een actie die ik vastleg op Super 8 en die enkel als dusdanig publiek wordt gemaakt, zoals Tribune sculpture, waarvoor ik een sculptuur langs de kade van de Schelde trok. De sculptuur had de vorm van een tribune waarop een figuurtje is gezeten. Het filmpje is getoond tijdens een manifestatie georganiseerd door Cakehouse in de Scheld’apen. Van een andere actie, De Grote Overtocht, bleven enkel foto’s bewaard die ik bewerkt heb.

K.B./D.P.: Wil je iets meer vertellen over De Grote Overtocht?

N.A.: Ik had een primitief vlot in elkaar getimmerd en het te water gelaten op een plas nabij Wortel. Ik nam plaats op het vlot en vroeg mijn vader om foto’s te nemen. Aan deze actie is een anekdote verbonden: het meertje was een vaste stek voor gesprekken tussen mijn vader en mij als er problemen of conflicten waren. Ik denk niet dat hij zich ervan bewust was toen hij foto’s van mij op het vlot aan het schieten was en het heeft ook geen belang dat het werk met die anekdote verbonden is. Nadien maakte ik tekeningen op de foto’s waarvan ik de afdrukken begin 2011 in Hectoliter in Brussel toonde. Het vlot stond ook in de ruimte opgesteld, maar eerder om de actie te documenteren. Het was het residu van een actie, geen kunstwerk. De Tribune en Het Vlot leverden niet zo veel respons op. Dat was niet makkelijk.

K.B./D.P.: In Hectoliter stelde Gerard Herman luttele tijd voor jou tentoon. Met Gerard Herman en Milan W. deed je eerder – in 2010 – een ander project, getiteld Leven, wat brengt het leven?. Mogen we stellen dat alle projecten die je in die tijd realiseerde in verband staan met vriendschappelijke contacten?

N.A.: Ja, dat klopt min of meer. Het project met Gerard en Milan vond bij mij thuis plaats. Ik was verhuisd en had een klein atelier in een tuin. Ik zette er een tafel in en zei bij mezelf: ‘OK, en wat nu?’ Het was een belangrijk moment. Nauwelijks enige tijd later begon ik opnieuw te tekenen.

K.B./D.P.: Zoals je het formuleert, lijkt het een terugkeer naar een praktijk die voor een stuk of zelfs geheel in de kiem gesmoord was tijdens je studies aan de academie?

N.A.: Ik had dat gevoel, ja. Het was in ieder geval een zeer belangrijke verschuiving. Ik had een vrijere manier gevonden om te kunnen lachen met dingen.

K.B./D.P.: Hoe zag het project van Gerard, Milan en jou eruit?

N.A.: Gerard had een cassette opgenomen en ik stelde hem voor om de cassette in mijn atelier voor te stellen. Milan en Gerard hebben geperformed; ik stond in voor de inrichting van de ruimte waarbij ik voor de eerste keer met de techniek van de houtsnede werkte.

K.B./D.P.: Waarom wilde je met die techniek werken?

N.A.: Dat is ontstaan in het atelier, denk ik. Er slingert altijd hout rond in mijn atelier. Op een gegeven moment moet ik op het idee zijn gekomen om er drukken van te maken. Als ik me zoiets voorstel, begin ik er onmiddellijk aan. Ik kan dan niet wachten.

K.B./D.P.: Op het einde van 2011 nodigde Vaast Colson vier jonge kunstenaars uit om werken te exposeren in het kader van een solo die hij had in De Garage in Mechelen. Het ging om Tom Poelmans, Gerard Herman, Michiel Ceulers en jij. Vormden jullie een groep? 

N.A.: We kenden elkaar en deden dingen samen… maar ik weet niet of het een echte groep was. Voor Vaast lag dat wellicht anders. Hij had ons uitgenodigd. Ik heb het gevoel dat ik me na de tentoonstelling weer zeer snel in het atelier afzonderde.

K.B./D.P.: In De Garage presenteerde jij Whilst the Master Sleeps, 68 tekeningen, ingekaderd. Kan je daar toelichting bij geven?

N.A.: Ik had op korte tijd heel veel getekend. De snelheid van het tekenen was erg belangrijk.

K.B./D.P.: Jij en Vaast hebben ook een gelijknamig kunstenaarsboek uitgegeven: op de linkerpagina van het boek zie je Vaast die in een bed slaapt, op de rechterpagina zijn er tekeningen van jou afgedrukt, waarvan sommige in De Garage waren tentoongesteld.

N.A.: Ik vond het belangrijk om de relatie tussen twee kunstenaars te registreren, en daarnaast ook het verschil aan te geven tussen onze trajecten omdat we een andere leeftijd en een andere positie hebben.

K.B./D.P.: Het is niet gebruikelijk om dat te doen. Ook de titel is ongewoon. Wie was met de titel op de proppen gekomen?

N.A.: Vaast zelf. Op een dag deed hij die suggestie en ik was er meteen voor gewonnen: de ‘master’ slaapt, terwijl ik tekeningen aan het maken ben. Het is ironisch bedoeld. Ik vind de titel perfect. Als mensen vragen stellen over mijn relatie met Vaast, verwijs ik naar dat boek.

K.B./D.P.: Hoe was het boek tot stand gekomen?

N.A.: Ik ben altijd vroeger dan Vaast wakker en ik was al een poosje tekeningen aan het maken terwijl Vaast nog sliep. Op een gegeven moment besloten we met beide gegevens iets te doen. Ik maakte een film terwijl Vaast sliep. Uit de film distilleerden we evenveel stills als het aantal tekeningen waarover ik op dat moment beschikte. Vaast overtuigde me om alle tekeningen in het boek op te nemen, ook de tekeningen die ik minder goed vond. Het ging om het werkproces. Voor het ontwerp hebben we samengewerkt met ontwerper Jef Cuypers.

K.B./D.P.: Naast de tekeningen toonde je in De Garage ook schilderijen. Het was de eerste keer dat we met dit nieuwe werk van je kennismaakten.

N.A.: Over het feit dat ik was beginnen te schilderen is er wat gedoe geweest. Ik kan niet ontkennen dat er in die periode heel veel gebeurd is. Die nieuwe ontwikkelingen houden evenwel niet in dat ik mijn vroeger werk verloochen. Het ‘vroegere’ werk is voor mij even belangrijk als het nieuwe. Ik zie het niet als verschillende trajecten. Om die reden vond ik het zeer prettig dat ik in Un-Scene II in Wiels, de tentoonstelling die volgde op die in De Garage in Mechelen, verschillende soorten werk kon tonen.

K.B./D.P.: Hoe ben je tot de schilderkunst gekomen? Het lijkt op het eerste zicht een zeer grote stap.

N.A.: Misschien wel, al denk ik dat je steeds zoekt naar de taal die het best uitdrukt wat er moet gezegd worden. Ik ben geleidelijk aan gefascineerd geraakt door het ritme van de schilderkunst, en het radicale karakter dat het medium daardoor heeft. Concreet heeft het begin van mijn schilderijen zeker te maken met de houtgravures. Om die drukken te kunnen maken moest ik hout bewerken. Op een gegeven moment ging ik wat verder dan strikt nodig was om er enkel een afdruk van te maken. Ik begon bijvoorbeeld de hoeken af te zagen. Plots was ik het hout aan het bewerken zonder dat ik er nog een afdruk van kon of wilde maken. In het begin bracht ik kleuren aan in functie van redelijk abstracte en droge beelden. Ik wist niet dat ik slechts een stap verwijderd was van eerder figuratieve beelden.

K.B./D.P.: Schilder je uitsluitend op hout?

N.A.: Ja. Het is een ellenlang proces van afschuren, beschilderen, herbewerken, opnieuw beschilderen enzovoort. Soms is er heel veel uitgesneden en heb ik de neiging om bepaalde stukken terug op te vullen, zodat het effect ontstaat van een gat in de muur waar iets is ingestopt. Soms is het beeld als het ware zonder moeite op het paneel terechtgekomen. Ik werk nu op grotere panelen en ik merk dat het loodzware objecten beginnen te worden.

K.B./D.P.: Hout is een constante in je jonge oeuvre. Het is het materiaal waarmee je bij wijze van spreken steeds hebt gewerkt. Kan je zeggen wat hout voor jou betekent?

N.A.: Ik hou heel veel van hout. Het is een materiaal dat weerstand biedt. Het is weerbarstig. Je kan er eindeloos in wroeten. Het bestaat uit lagen die nooit netjes boven elkaar liggen, maar in elkaar verstrengeld zijn. Ik heb evenwel geen theorie over hout.

K.B./D.P.: Heb je nooit geschilderd op doek?

N.A.: Toch wel, ik wilde het wel eens proberen. Ik schilderde een beeld en dat was het dan. Ik voelde er niets bij. Wat een verschil met schilderen op hout! Ik heb het gevoel dat ik hout kan bewerken, dat ik de texturen kan inzetten, dat ik iets kan suggereren.

K.B./D.P.: Kan je iets over de beeldtaal zeggen?

N.A.: De eerste schilderijen gingen bijna allemaal terug op collages die ik ongeveer op hetzelfde moment begon te vervaardigen met homogene kleurvlakken die ik uit tijdschriften had geknipt. In het begin waren het vooral landschappen, een beetje à la Jean Brusselmans, van wie ik een retrospectieve zag in Mu.ZEE. Die kennismaking heeft me wel een duwtje in een bepaalde richting gegeven. Ik verdiepte me ook in het werk van schilders die iconische beelden hebben gemaakt.

K.B./D.P.: Welke schilders?

N.A.: Onder meer Walter Swennen en Philip Guston.

K.B./D.P.: Het lijkt erop dat jouw werken sterk doordrongen zijn van populaire iconografie: stripverhalen, reclame. Je beeldtaal lijkt bewust goedkoop, folky, licht. De drager – het hout – verstevigt die indruk nog. Het hout wordt niet geadoreerd als puur materiaal, integendeel er wordt gealludeerd op kitsch.

N.A.: Dat heb ik nog gehoord, maar het klopt niet helemaal. Ik zoek geen inspiratie in populaire cultuuruitingen en wil er ook niet bewust naar verwijzen. Misschien zoek ik eerder naar een eigen beeldtaal.

K.B./D.P.: Waar hebben je beelden dan wel mee te maken?

N.A.: Mijn eerste schilderijen hadden de collages als uitgangspunt. Als ik trouwens op rommelmarkten in tijdschriften blader, zal mijn oog meer bezig zijn met kleurvlakken om collages te maken, dan met de beelden in de magazines. In elk geval was de collage enkel een model; als ik eenmaal het hout aan het bewerken was, liet ik de collage voor wat ze was. Op een gegeven moment maakte ik een redelijk klein werkje. Ik had er eindeloos op geschuurd en kwam op het punt dat ik dacht dat ik de fouten niet meer zou kunnen herstellen. Het schilderijtje belandde een tijdje in een bergruimte. Op een gegeven moment besliste ik om het nog eens op te hangen op een plaats waar ik voortdurend langsloop. Na verloop van tijd zag ik dat er in het werk iets heel bijzonders aan de hand was. In de achtergrond, op de plekken waar heel veel bewerkingen waren uitgevoerd, leek er iets op te doemen. Terwijl ik het werk eerst als mislukt had beschouwd, was dit eigenlijk het eerste gelukte schilderij! Op dat moment had ik zes andere, zogenaamd gelukte schilderijen, maar enkele heb ik onmiddellijk naar de zolder verbannen, andere ben ik opnieuw beginnen te bewerken. Ik heb het ‘eerste schilderijtje’ in Wiels getoond. Jammer genoeg had ik voordien al de fout begaan om het werk te verkopen. Daar heb ik echt spijt van.

K.B./D.P.: De openbaring die het ene werkje bracht, was dat de lastige bewerking van het hout je tot andere beelden bracht?

N.A.: Ja.

K.B./D.P.: Betekent het ook dat je gestopt bent met de collages?

N.A.: Neen, omdat ik gemerkt heb dat ik soms nog put uit de collages als ik begin te schilderen. Omgekeerd heb ik ook vastgesteld dat een schilderij inspiratie kan leveren voor een collage. Ik vind die wisselwerking heel boeiend, precies vanuit het besef dat beide praktijken op eigen wetmatigheden gestoeld zijn. Ik kan weken bezig zijn met collages, of een heel lange periode alleen maar met de schilderijen. Wat beide praktijken gemeen hebben, is hun verdichting in een beeldtaal.

K.B./D.P.: Het verschil tussen de collages en de schilderijen heeft te maken met weerstand. In het hout kan je blijven werken. Je schildert en schuurt weer af. Wanneer beslis je dat een schilderij af is?

N.A.: Dat is een moeilijke vraag. Voor mij is het belangrijk dat het schilderij een heel concrete eigen taal articuleert. De vernieling moet ‘juist’ zijn; de fouten moeten ‘juist’ zijn. Het is heel belangrijk om te zien wat een beeld nodig heeft. Tegelijkertijd mag het schuren en snijden geen truc worden. Ik hang de schilderijen dikwijls op een plaats waar ik en anderen vaak voorbijkomen. We kijken en praten erover. Sommige werken vallen dan soms al meteen af, van andere kom ik dan geleidelijk tot de conclusie dat ze af zijn.

K.B./D.P.: Kan je de titels van de schilderijen becommentariëren? Zijn ze ironisch bedoeld, zoals De kap van de ijskar en Dobbermans?

N.A.: Het zijn soms werktitels, titels die ik eraan geef om erover te kunnen communiceren, zoals Dobbermans bijvoorbeeld. ‘Hoe staat het met Dobbermans?’ Soms probeer ik met een titel ook een wereld te omschrijven.

K.B./D.P.: Is Zielzoekerij daarvan een voorbeeld?

N.A.: Die titel is ontstaan tijdens het proces van het ‘vernielen’ van dat beeld. Het is dus niet dat ik op voorhand denk dat ik eens iets wil maken dat ‘zielzoekerij’ of iets dergelijks uitdrukt. In het atelier ga je met het materiaal om – je schuurt, schildert, vernielt, werkt bij – en met die omgang hangen bepaalde woorden, zinnen, een taal samen. Bij de collages is dat niet anders: ook daar speelt het maakproces mee bij het bepalen van de titels.

K.B./D.P.: Tijdens de zomer van 2012 nam je deel aan de eerder door jou al vernoemde manifestatie Un-Scene II, een tentoonstelling van jonge kunstenaars in Wiels. Hoe verliep de kennismaking met de curatoren Elena Filipovic en Anne-Claire Schmitz? 

N.A.: Ik was gevraagd om mijn portfolio te presenteren in Brussel. Elena en Anne-Claire hebben mijn werk bekeken en we hebben wat gepraat. Dat het gesprek in de voorbereiding van een specifieke tentoonstelling kaderde werd niet gecommuniceerd. Het was een vreemd moment.

K.B./D.P.: Weet je hoe ze bij jou waren uitgekomen?

N.A.: Daar heb ik geen idee van. Had iemand hen getipt? Wat ik wel weet, is dat ze heel graag Tribune sculpture wilden tonen. Dat heb ik geweigerd. Ik wilde nieuw werk brengen en daar zijn ze gelukkig in meegegaan.

K.B./D.P.: In Wiels toonde je schilderijen en filmpjes, gecombineerd met de ‘rekwisieten’ ervan: de tafel waarop je hebt gezeten terwijl je een cirkel zaagt rond de plek waarop je zit, en twee gipsen handjes die je telkens aantikt nadat je van het ene naar het andere handje bent gelopen. Het verschil met de schilderijen is frappant.

N.A.: Dat klopt, ze hebben een ander ritme. Het werken aan de schilderijen gaat trager. Het duurt soms alleen al dagen vooraleer ik ‘erin’ zit. Dat is fantastisch, maar evengoed heb ik zin om eens iets heel snel neer te zetten. Ik vind het ook interessant om na te denken over wat het verband is tussen beide, of precies die vraag voor te leggen aan de toeschouwer.

K.B./D.P.: Waar had je de filmpjes opgenomen?

N.A.: Tafelmanieren — het filmpje waarin ik op de tafel zit — in mijn atelier, het andere filmpje in Wiels zelf. Ik had de handjes geïnstalleerd en dan heb ik de actie gedaan. Het was een heel bewuste keuze om die actie niet voor een publiek te doen. Toen ik vernam dat ik geselecteerd was, werd ik best zenuwachtig. Ik weet sowieso pas laat wat ik ga ondernemen als ik gevraagd ben voor een tentoonstelling.

K.B./D.P.: In de actie van het heen en weer lopen tussen de handjes, speel je jezelf van het kastje naar de muur of lever je je over aan een oppressief protocol. Hoe moeten we de actie begrijpen? Als een commentaar op je eerste ervaringen in de ‘echte’ kunstwereld?

N.A.: De tentoonstelling in Wiels wás mijn eerste ervaring in de ‘echte’ kunstwereld. Voor mij was het belangrijk dat ik iets met die ervaring kon doen. Formeel gezien zijn twee aspecten zeer belangrijk: enerzijds dat ik het filmpje heb gedraaid op Super 8 – het is haast slapstick – anderzijds dat het een loop is – ik heb maar een paar seconden overgehouden van de opnamen. Ik wou dus wel iets maken dat – onder meer – over de omstandigheden handelde, maar het mocht niet te zwaar op de hand zijn. Het is meer een algemeen statement over de kunstenaar: over hoe snel alles moet gaan en hoe je als mens geprangd zit tussen van alles en nog wat.

K.B./D.P.: Je bijdrage omvatte ook een schandpaal, waarvan een deel links, een deel rechts aan de inkom van jouw ruimte geplaatst was.

N.A.: Ja, het ging me om de positie van diegene die in het midden van het plein te kijk staat. Ik wilde de standpaal dwars in de (deur)opening plaatsen, zodat je er als toeschouwer onderdoor moest lopen, maar dat werd niet toegestaan, omdat mijn bijdrage dan te zeer interfereerde met het werk van een andere deelnemer.

K.B./D.P.: Hoe heb je je deelname aan Un-Scene II ervaren? Wat waren de reacties?

N.A.: Toen ik destijds in Pocketroom exposeerde, was er een recensie verschenen in H-Art. Het was een eerste vreemde gewaarwording – dat hetgeen je ondernomen hebt voor iemand anders de aanleiding is om kritisch te schrijven. Bij Un-Scene II was dat gevoel nog sterker. Wiels staat gelijk aan extreme zichtbaarheid. Heel veel mensen hebben de tentoonstelling gezien; ik kreeg tal van reacties. Het was overweldigend.

K.B./D.P.: Niet veel later na je participatie aan Un-Scene II stelde je tentoon in de Brusselse galerie VidalCuglietta. Speelde Un-Scene II daarbij een rol? 

N.A.: Niet rechtstreeks. Ik was al in contact met de twee galeristen nog voor Un-Scene II openging, maar het is wel zo dat Elena Filipovic hen getipt had nadat het besluit was genomen dat ik voor de tentoonstelling zou worden uitgenodigd. Ze vroegen me om een presentatie te verzorgen in de kleine ruimte van hun galerie – in de main space exposeerde Amy Granat.

K.B./D.P.: Had jij al contact gehad met andere galeries?

N.A.: Neen.

K.B./D.P.: Wat heb je in VidalCuglietta getoond?

N.A.: De schilderijen. Natuurlijk heb je dan te maken met allerlei prozaïsche kwesties: de prijs van de werken, de procentverdeling, normale zaken die voor mij desondanks niet evident zijn. Gelukkig is de verkoopbaarheid van de schilderijen redelijk concreet en duidelijk. Bij ander werk van mij ligt dat een stuk moeilijker.

K.B./D.P.: Was de keuze om schilderijen te tonen door jou genomen of was het een suggestie van de galeristen?

N.A.: Het was mijn eigen beslissing. De uitnodiging was zeer open. Ik mocht zelf met een voorstel komen. Ik vond het heel spannend om eens alleen schilderijen tentoon te stellen en te kijken welk verhaal dan zichtbaar wordt.

K.B./D.P.: Heb je werken verkocht?

N.A.: Ja, en dat was een interessant moment, zeker omdat ik weet wie de kopers zijn en hoe zij ermee zullen omgaan.

K.B./D.P.: Hoe zie je je relatie verder met de commerciële kunstwereld?

N.A.: Wel, die is redelijk concreet. Enige tijd na mijn tentoonstelling hebben Vidal en Cuglietta me gevraagd om me bij hun galerie te vervoegen.

K.B./D.P.: En wat was je antwoord?

N.A.: Ik ben met plezier op hun aanbod ingegaan!

 

Transcriptie: Soetkin Beerten & Toon Beerten

Redactie: Koen Brams

 

De titel van het interview is een vers uit het gedicht Sequioa uit de bundel Meneer Cogito van de Pools dichter Zbigniew Herbert, vertaald door Gerard Rasch.

 

Nel Aerts neemt deel aan de groepstentoonstelling Definitional Disruptions (samen met Filip Gilissen en Hedwig Houben). De tentoonstelling loopt tot 26 januari 2013 in Kunstraum, 15a Cremer Street, London E2 8HD. Van 19 januari tot 24 maart loopt haar solotentoonstelling De averechtse val van Huize Frankendael in Frankendael Foundation – Buitenhuis voor Actuele Kunst, Middenweg 72, 1097 BS Amsterdam. Van 23 februari tot 21 april participeert zij aan de groepstentoonstelling Time Space/Poker Face, samengesteld door Sofie Van Loo, en met als overige deelnemers Joëlle Tuerlinckx, Willem Oorebeek, Peter Buggenhout, Adriaan Verwée, Laurent-Dupont-Garitte, Jani Ruscica, Joke Van den Heuvel, Alexandra Reynolds en Adriano Costa. Locatie: Be-Part — Platform voor actuele kunst, Westerlaan 17
B, 8790 Waregem.

Le double secret – het tweevoudige geheim

“Magritte was in two minds about the title. In an updated postcard from Paris to Mesens in Brussels, he wrote: ‘Ayant réfléchi, je crois qu’il faut mieux laisser le premier titre Le double secret plutôt que Les deux secrets. Je te prie donc de le conserver au catalogue.’”

David Sylvester, in: René Magritte, Catalogue raisonné, I: Oil paintings 1916-1930.

 

Koen Brams/Dirk Pültau: Herinner je je wanneer je voor het eerst schilderijen hebt gezien van René Magritte?

Jef Cornelis: In 1958, op de wereldtentoonstelling. Ik was toen zeventien jaar. Expo ’58 is een referentiepunt voor mij, niet alleen voor mij, denk ik. Maar ik heb het altijd moeilijk gehad met het Franse surrealisme. Breton en consorten, dat lag mij niet. En het was heel moeilijk om Magritte daaruit los te weken. Ik heb tijd nodig gehad om Magritte serieus te kunnen bekijken. Met Giorgio De Chirico heb ik nooit last gehad.

K.B./D.P.: Vanaf wanneer kon je het werk van Magritte naar waarde schatten?

J.C.: Ik heb een vreselijk slechte Magrittetentoonstelling gezien in 1980, in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Die tentoonstelling heeft mij lang parten gespeeld. Er werd een volledig verkeerd beeld van Magritte opgeroepen. Ik denk dat ik pas belangstelling heb gekregen voor het werk van Magritte na de lectuur van de tekst Bedrieglijke gelijkenissen – de spiegel in het werk van Magritte van Bart Verschaffel, in 1986 verschenen in Archis.

 

René Magritte (The Music Box)

K.B./D.P.: In 1994 realiseer je samen met Bart Verschaffel The Music Box, een film waarin het onder andere gaat over de kunst van René Magritte.

J.C.: Meer nog, The Music Box is bedacht vanuit het werk van Magritte. In 1992 liep in de Hayward Gallery in Londen een grote Magrittetentoonstelling. Samen met Bart Verschaffel heb ik die tentoonstelling bezocht. Dat is het feitelijke begin van de voorbereiding van de film The Music Box. Ik had een klein bedrag gekregen om naar Londen te gaan. Wij hebben in Londen twee dagen kunnen werken aan iets wat pas in 1994 op het scherm is gekomen.

K.B./D.P.: Waarom nodigde je Bart Verschaffel uit om met hem de Magritte-expo te bezoeken?

J.C.: Bart Verschaffel en Lieven De Cauter waren na Container, het discussieprogramma over ‘beschaving’ dat ik samen met hen had gemaakt, door de VRT bijzonder ruw behandeld. Ik vond dat dat echt niet kon. In 1990 hebben Bart en ik onze eerste monografische film gerealiseerd: Dames en Heren Jan Fabre. Bovendien had Bart me ondertussen gevraagd om een film te maken voor het onderdeel Vertoog en Literatuur van het programma van Antwerpen Culturele Hoofdstad. Die film, Voyage à Paris, is gedeeltelijk met geld van Antwerpen 93 gerealiseerd. Er was me gevraagd een essay over Antwerpen te maken, maar ik ben naar Parijs getrokken! Bart en ik zaten in die tijd veel samen aan tafel.

K.B./D.P.: Vanwaar kwam de interesse om de Magritte-expo te bezoeken?

J.C.: Wij gingen op prospectie, naar aanleiding van het overzichtswerk van David Sylvester. Sylvester heeft vanaf 1969 – twee jaar na de dood van Magritte – tot en met 1993 gewerkt aan de catalogue raisonné van Magritte, volledig betaald door The Menil Foundation, inclusief Sylvesters secretariaat. Het overzichtswerk over Magritte, dat was de enige reden om naar Londen te gaan, wellicht in functie van een kunstmagazine van de VRT.

K.B./D.P.: Was de catalogue raisonné van Magritte de aanleiding?

J.C.: Nee, die was toen nog niet op de markt, wel de monografie. Dat weet ik zeker. Net zo zeker als ik weet dat we in de Hayward Gallery niet mochten filmen.

K.B./D.P.: Voor welk programma was je naar Londen gereisd?

J.C.: Dat weet ik niet meer. Voor een of ander cultuurprogramma, ik weet het niet meer. In die periode heb ik de meest onmogelijke opdrachten voor de openbare omroep uitgevoerd, projecten waar mijn naam gelukkig niet bij werd vermeld. Films zoals The Music Box moest ik tussen al die opdrachten wringen. Zeker is dat wij daar, in Londen, iets gezien hebben. We zijn twee dagen bij elkaar geweest, Bart Verschaffel en ik. En dan begint er iets te ontstaan. Dat groeit, terwijl je daar rondloopt. Er zijn heel veel elementen in het werk van Magritte die ons bij De Braekeleer brachten. Magritte heeft ooit een lezing gegeven in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, in november 1938. Heeft hij toen voor de eerste keer het werk van Henri De Braekeleer gezien? Op het einde van de 19de eeuw heeft James Ensor in het Jeu de Paume in Parijs een lezing gegeven over het werk van De Braekeleer. In zijn teksten over De Braekeleer is Ensor heel precies. Het is het interieur dat het werk van deze drie kunstenaars verbindt met het werk van Jan Vercruysse.

K.B./D.P.: In jouw archief heb ik een document gevonden, gedateerd 10 oktober 1992, geschreven door Bart Verschaffel, waarin de inhoud van The Music Box wordt geschetst. Het is dan al duidelijk dat de film zal handelen over het interieur, het burgerlijke, en de vier kunstenaars worden genoemd: “De ‘binnenhuiskunst’ van De Braekeleer, Ensor en Magritte toont niet alleen de dubbelzinnige plaats van de kunst in de burgerlijke levensvorm. Ze toont ook verwante oplossingen om, in de (klein)burgerlijke tijd, kunstenaar te zijn. Ze kiezen geen van allen voor de pose van het genie en/of van het miskende genie – de bohème: ze dragen een hoed, ze spelen alle drie piano. Ze exemplifiëren een weg om als kunstenaar te leven in een burgerlijke cultuur: door ‘dubbelspel’ te spelen, door te spioneren, en geheime gecodeerde boodschappen in de wereld te sturen, door erkend en geridderd te worden. […] Vercruysse komt na deze ‘Belgische oplossing’: hij exemplifieert een ‘postume variant’ ervan. Want wie is de kunstenaar wanneer zelfs de burger-kunstenaar als figuur verdwijnt, en de kunstenaar geen hoed meer kán dragen?”

J.C.: De reflectie op die burgerlijkheid is deels gebaseerd op zijn colleges aan de Universiteit van Antwerpen. Vanaf dat moment, eind 1992, begin 1993, begin ik te onderhandelen met Charly Herscovici, de copyrighthouder van de beelden van Magritte.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Zonder Herscovici stond ik nergens: hij heeft het beeldrecht.

K.B./D.P.: Hoe komt het dat Herscovici het beeldrecht bezit?

J.C.: Dat is een banale geschiedenis. Georgette, de vrouw van René Magritte, kwam maar niet toe aan een testament. Doodgaan bestond niet voor haar. Het echtpaar Magritte had geen kinderen. Gisèle Ollinger, departementshoofd Moderne Kunst in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, heeft bemiddeld zodat een rechter een voorstel op papier heeft gezet. Charly Herscovici, die niet van de zijde van Georgette week, kreeg een aantal rechten toegewezen. Toen Georgette stierf, in 1986, was er geen notarieel testament, alleen een intentie, maar dat bleek voldoende. Herscovici is de man die de hond heeft uitgelaten, that’s it. Maar ik heb altijd goed met hem kunnen samenwerken.

K.B./D.P.: Je wilde van Herscovici het recht bekomen om de beelden van Magritte uit te zenden?

J.C.: Inderdaad, anders zou die film onbetaalbaar zijn geweest.

K.B./D.P.: Hoe heb je dat aangepakt?

J.C.: Via Jan Martens van het Mercatorfonds heb ik contact gekregen met Charly Herscovici. Maar ik had iets nodig om te kúnnen onderhandelen, anders was het nooit gelukt.

K.B./D.P.: Wat bedoel je, Jef?

J.C.: Ik stelde hem voor dat ik een poging zou ondernemen om de filmpjes van Magritte – ik wist toen nog niet in welke staat die zich bevonden – terug samen te stellen. Wat was er gebeurd? In oktober 1956 koopt René Magritte een filmcamera en vooral in die eerste jaren filmt hij veel, op 8 mm, in zwart-wit. Vanaf het moment dat hij een Super 8 camera heeft, filmt hij opnieuw veel, ditmaal in kleur, tot aan zijn dood in 1967. Begin december 1965 vraagt René Magritte aan Robert Rimbaert, een RTBF-medewerker, en Jean Raine, een Franse kunstenaar, om een montage te maken van alle filmpjes. Met het oog op die compilatie verknippen ze alle bobijntjes. Tot een film is het echter nooit gekomen en als René twee jaar later komt te overlijden, spoedt Georgette zich naar Jean Raine om de versneden filmpjes op te halen. Ze worden in een doos gestopt en die doos komt pas terug te voorschijn na de dood van Georgette, op de openbare veiling van de inboedel van de Magrittes in 1987. Gisèle Ollinger die als een van de weinigen op de hoogte was van het bestaan van de doos, weet de filmpjes te verwerven voor de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België – voor een spotprijs, 50.000 of 55.000 Belgische frank. David Sylvester was zwaar gefrustreerd. Hij heeft over die filmpjes geschreven, er staan een paar stills in zijn boek, maar hij heeft zich pas na de aankoop door de Koninklijke Musea gerealiseerd dat hij ernaast gegrepen had.

K.B./D.P.: Hoe wist je van het bestaan van de filmpjes?

J.C.: Er was reeds in 1976 een documentaire gemaakt over de filmpjes, voor rekening van het Ministère de la Culture Française. Het was een montage van 25 minuten, gemaakt door Catherine de Croës en Francis de Lulle. Maar het is Gisèle Ollinger die mij heeft getipt. Een deel van de filmpjes was terechtgekomen in het Filmmuseum omdat men de filmpjes wou restaureren, een ander deel in de Koninklijke Musea. Toen ik dat wist, heb ik aangeboden om de filmpjes te reconstrueren. Ik ben ook op zoek gegaan naar Robert Rimbaert en bij hem vond ik nog enige restanten van de Magrittefilmpjes, een paar enveloppen met tien, vijftien frames. Meteen had ik een goede uitgangspositie in de onderhandeling met Charly. Het is vervolgens tot een contract gekomen tussen de VRT, de VAR en Herscovici. De VRT heeft de commerciële rechten gekregen voor slechts vijf jaar, maar dat was mij een zorg, ik wou alleen die film maken. Charly Herscovici heeft een deel van die productie betaald door de rechten tijdelijk vrij te geven. In feite ben ik ook de producent van die film geweest, want wie interesseerde zich binnen de openbare omroep voor Magritte?

K.B./D.P.: En Rik Sauwen? Hij was toch de producer?

J.C.: Rik Sauwen heb ik nooit gezien.

K.B./D.P.: Hij was wel bij de persvoorstelling van de film Les Vacances de Monsieur Mag. Hij werd geïnterviewd. Een citaatje uit een recensie in De Morgen: “Rik Sauwen is ervan overtuigd dat de BRTN met de documentaire hoge ogen kan gooien in het buitenland.”

J.C.: Daar is geen werk van gemaakt. Hij kende dat Franstalige milieu wel, maar hij is nooit met Magritte bezig geweest. Dat interesseerde hem niet.

K.B./D.P.: Je zei dat je niet in de Hayward Gallery terecht kon. Hoe ben je dan aan de beelden van de werken van Magritte geraakt?

J.C.: Opnieuw via Jan Martens van het Mercatorfonds. De tentoonstelling reisde van Londen naar New York en van daaruit verder naar Houston en Chicago. Jan Martens loodste mij in The Menil Foundation binnen. Charly was akkoord maar hielp me niet.

K.B./D.P.: Je bent dus naar Houston gereisd?

J.C.: Ja, ik heb de toelating gekregen maar ik heb daar hemel en aarde voor moeten bewegen in de VRT. De directeur Televisie lag dwars. Er was geen geld.

K.B./D.P.: Jan Ceuleers?

J.C.: Ja, tot in de mannentoiletten van de VRT heb ik daar met Jan Ceuleers over onderhandeld. Vier tickets heb ik verkregen… Ik kon toch niet alles uit de monografie van David Sylvester filmen, die naar aanleiding van die reizende tentoonstelling was uitgebracht? Wij hebben op de schilderijen kunnen werken, één op één. In The Menil Foundation was het geweldig. We mochten filmen op de dag dat ze gesloten waren, de maandag, en ook ‘s avonds en ‘s nachts, twee avonden en nachten in totaal. Het museum ging dicht en we konden werken, zonder bewaking. Ze hebben ons zelfs de toestemming gegeven om hun archief te consulteren. Bart was er ook, alhoewel zijn Vertoog en Literatuurproject bij Antwerpen 93 zwaar onder vuur lag.

K.B./D.P.: Hoe heb je de beelden geselecteerd die je in Houston wou filmen?

J.C.: Dat was heel simpel: alles hebben, zo snel mogelijk, stofzuigen. Paul De Cock was de cameraman. De tentoonstelling was vrij compleet, vanaf de periode ’26 tot en met het einde van het verhaal. We zijn begonnen in de eerste zaal en daarna tot de laatste zaal verdergegaan. In The Menil Foundation voelde men zich op het gebied van documentatie heel sterk. Wie had er – buiten hen – een serieus archief? Pas later is daar verandering in gekomen, na de schenking van de collectie van Irène Hamoir aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. De Koninklijke Musea hebben op dit ogenblik de grootste Magrittecollectie in de wereld.

K.B./D.P.: Als je zoveel hebt gefilmd in Houston, dan is daarvan slechts een fractie gebruikt in The Music Box?

J.C.: Inderdaad, maar in de film Les Vacances de Monsieur Mag die ik enkele jaren later maakte, heb ik veel materiaal gerecupereerd.

K.B./D.P.: Hoe richt je de camera op de schilderijen van Magritte?

J.C.: Op wat op het eerste zicht niet te zien is.

K.B./D.P.: En kijk jij binnen dat kader naar bepaalde dingen?

J.C.: Ik heb iets gedaan wat ik vroeger nooit deed – dat doe ik bij Magritte heel veel: er zijn nogal wat camerabewegingen. Er zijn echt wel opties genomen.

K.B./D.P.: Je filmt het schilderij in een lege ruimte. Er zijn een paar shots waarin je achteruitwijkt. De kijker krijgt de lege kamer te zien – de intimiteit van de lege kamer die Magritte zelf veelvuldig heeft geschilderd… Je kan een schilderij tonen met kader of zonder kader. Er zijn een aantal shots, waarin je naar het schilderij toe gaat, eerst zie je het schilderij met kader en vervolgens zoomt de camera in totdat je het schilderij ziet zonder kader.

J.C.: Dan is het beeld geen getoond voorwerp meer. Die verschillende mogelijkheden worden benut.

 

Henri De Braekeleer (The Music Box)

K.B./D.P.: In The Music Box wordt het werk van Magritte gelinkt aan dat van De Braekeleer…

J.C.: …nee, nee, het gaat niet om ‘linken’. Als je sommige beelden van Magritte bij elkaar brengt, dan blijken die in elkaar te haken, en dat is ook bij De Braekeleer het geval. Dat is iets wat we op een bepaald moment letterlijk hebben uitgesproken, aan tafel: dat sommige werken in elkaar grijpen, en dat die werken terug gescheiden kunnen worden, maar dat je de reeks niet meer kwijtraakt. En dat gaat niet alleen op voor reeksen in één oeuvre, maar ook voor reeksen waarvoor uit meerdere oeuvres is geput.

K.B./D.P.: Jullie hebben in The Music Box een reeks willen maken…

J.C.: …die bijblijft…

K.B./D.P.: Zoals je ook gedaan hebt in de tentoonstelling die je hebt gemaakt in Witte de With in februari 1995?

J.C.: Die reeks in de eerste zaal, met twee Bruce Naumans, dat schilderend geraamte van Ensor, de tuba van Vercruysse en L’Inondation van 1928, een werk van Magritte, een vulva zoals je nog nooit gezien hebt…

K.B./D.P.: Laten we het hebben over de ‘onderdelen’ van The Music Box. Het oeuvre van De Braekeleer.

J.C.: Bart en ik hebben altijd een gesprek gehad over De Braekeleer, dat is iets gemeenschappelijks. In 1957 bezoek ik, alleen, niet met mijn ouders, een tentoonstelling van Rik Wouters in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Ik ben zestien jaar en ik kom thuis met de catalogus. Eigenlijk interesseren mij andere dingen dan het werk van Rik Wouters. Ik heb in dat museum De Braekeleer gezien! Ik blijf plakken bij die schilderijen van De Braekeleer en dat is blijven duren. Door Maurice Gilliams, en zijn essay Inleiding tot de idee Henri De Braekeleer, werd dat nog versterkt. Nu vind ik dat een sentimentele tekst… Bart Verschaffel is positiever over Gilliams’ essay. Ik denk dat Bart alles heeft wat er ooit over De Braekeleer geschreven is. Het is een gemeenschappelijke passie. Als je dan hoort dat De Braekeleer luidop Baudelaire citeerde en door zijn omgeving voor gek werd verklaard… Ik denk dat Gilliams weinig met Baudelaire had.

K.B./D.P.: Wat trok jou vooral in het werk van De Braekeleer?

J.C.: Er wordt iets bedacht in de schilderijen van De Braekeleer, dat zijn sterke beelden. Ik vind dat ook Vercruysse sterke beelden heeft gemaakt. Ik maak een onderscheid tussen sterke beelden en schilderijen. Ensor maakt goede schilderijen, maar geen grote, sterke beelden. Of slechts gedurende een zeer korte periode – tot 1909 – de periode waarin hij zijn familiale situatie uitpuurt: die afwezige vaderfiguur, en dat gesloten milieu waarin hij zit tussen zijn tante en zijn moeder die het huishouden organiseren. Er zijn overal persoonlijke drama’s. Bij Magritte, die hele familiale context, zijn moeder die zelfmoord pleegt. Ook De Braekeleer heeft een probleem; hij raakt thuis niet weg.

K.B./D.P.: Het valt op dat er in jullie Ensorselectie veel werken zijn opgenomen waarin schilderijen in schilderijen zijn afgebeeld: het schilderij in een beeld, het schilderij op een ezel in een kamer. Op die manier wordt het werk van Ensor in de richting van het werk van Magritte getrokken. In The Music Box zitten eigenlijk alleen maar de interieurs van Ensor.

J.C.: Dat is inderdaad niet toevallig. Ik vind dat Ensor geen grote beeldenmaker is. Mag ik dat zeggen? Magritte is in het begin enorm bezig om iets in elkaar te zetten. Het zijn sterke beelden, in de meest moderne zin van het woord. Magrittes oeuvre, dat heeft een aantal punten waarmee ik kan leven. Ik heb geprobeerd er zo dicht mogelijk bij te komen. Een geluk dat ik in schilderkunst geïnteresseerd ben! Ik ben niet geïnteresseerd in stills, een filmstill is vals. Een close up van een schilderij, of een deel van een schilderij, dát is iets. Balthus heeft een aantal geweldige beelden gemaakt. Voor vijftien schilderijen van Balthus geef ik de hele Franse cinema.

K.B./D.P.: Als je zegt dat De Braekeleer een beeldenmaker is en Ensor een maker van goede schilderijen, welke consequentie heeft dat dan voor de manier waarop je filmt?

J.C.: Ik wist dat ik bij het filmen van de werken van Ensor niet verder moest gaan, dat ik niet meer moest doen dan het zo goed mogelijk weergeven van het beeld dat er te zien is. Ik denk dat ik eigenlijk alleen maar uit was op die beelden van Ensors begrafenis – die kist die in de kerk wordt binnengedragen.

K.B./D.P.: En Vercruysse? Is dat jouw specifieke inbreng?

J.C.: Ja, ik denk dat ik ben blijven insisteren. Ik heb dat werk zeer lang bekeken. In 1990 heb ik ook een film over het werk van Vercruysse gemaakt, en ik heb hem zelf geïnterviewd.

K.B./D.P.: De titel van de film is de titel van een filmpje van Laurel & Hardy.

J.C.: Inderdaad, The Music Box, dat was een idee van Bart, de film waarin Laurel & Hardy op verzoek van een vrouw het verjaardagsgeschenk voor haar man – een piano – aan huis bezorgen; en de echtgenoot die de piano vervolgens met een bijl in splinters hakt. Een geluk dat ik die Laurel & Hardy te pakken heb gekregen, een rechtenvrije kopie. Als we The Music Box niet hadden gehad, was die film gewoon niet doorgegaan. Het was iets waarmee we konden werken. The Music Box als de kist, waar het instrument in zit… dat ding dat daarin verborgen zit, de kunst? Spijtig dat het een buffetpiano is, want bij de kunstenaars waren het vleugelpiano’s… de pianovleugels van Vercruysse. Maar het is niet alleen een kist waar een muziekinstrument in zit, het is ook een doodskist. En die Vlaamse kunstenaars zijn de hele tijd met maskers bezig. Ook De Braekeleer. Als je dan bij De Braekeleer alle gitaren ziet staan, zijn wij dan twee fantasten die overal vrouwenpersonages ontwaren… Die taal van De Braekeleer bracht ons bij die andere kunstenaars, want die hadden dat waarschijnlijk ook gezien.

K.B./D.P.: De specifieke metafoor van The Music Box, heeft dat ook te maken met dat werk van Vercruysse, de muziekdoos, want in The Music Box komt letterlijk een muziekdoos voor?

J.C.: De muziekdoos van Vercruysse achtervolgt ons allemaal, vanaf het moment dat ze gemaakt is. Tenminste mij en nog een aantal mensen. Ik heb Vercruysse altijd begrepen in relatie tot de oeuvres van Ensor, Magritte en De Braekeleer. Voor alle duidelijkheid: het werk van Broodthaers past daar volgens mij niet bij, alhoewel ik niets heb tegen Broodthaers.

K.B./D.P.: Wat was het scenario van The Music Box?

J.C.: Eigenlijk stond er niet zoveel op papier. Bart en ik hebben vele lange gesprekken gehad. Op een zeker moment kristalliseren de gesprekken zich uit tot de centrale gedachten van de film. Bijvoorbeeld dat idee van het filmpje van Laurel & Hardy, en dat genereert uiteraard weer andere gedachten. Op een bepaald moment hebben we besloten om onze ideeën te confronteren met enkele buitenstaanders: Geert Bekaert, Dirk Lauwaert en Christine Kloeck, mijn vrouw. We hebben twee opnamesessies georganiseerd, op twee verschillende dagen, een met Dirk Lauwaert en mijn vrouw, en een met Geert Bekaert en mijn vrouw. Aan hen heeft Bart Verschaffel onze ideeën uitgelegd. Bart heeft een enorm didactisch vermogen, wat ik niet heb. Afgezien van de beelden van de werken van Magritte en Vercruysse hadden we van de andere kunstenaars, Ensor en De Braekeleer, nog geen filmmateriaal.

K.B./D.P.: Het komt nogal gespeeld over dat jullie de these van de film aan Dirk Lauwaert, jouw vrouw en Geert Bekaert uitleggen.

J.C.: Eigenlijk zaten Bart en ik daar zeer onwennig. We vonden dat we sterke hypotheses hadden, maar helemaal zeker waren we niet van onze zaak. Maar jullie vinden dat die mensen er voor spek en bonen bijzitten?

K.B./D.P.: Ja. Het lijkt erop dat de gasten er zijn om het discours van Bart Verschaffel aan de gang te houden. Dirk Lauwaert zegt niets, Geert Bekaert doet één interventie en jouw vrouw speelt de rol van de nieuwsgierige.

J.C.: Er is niet gerepeteerd! Wij hielden er bovendien serieus rekening mee dat Lauwaert en Bekaert ons betoog onderuit zouden halen. Dat ware ook interessant geweest. Eigenlijk is het gesprek een soort generale repetitie om de film te componeren. Die twee sessies hebben we door elkaar gemonteerd. Wat mij vooral bezighield, was de richting van die blikken.

K.B./D.P.: Waar hebben die opnamen eigenlijk plaatsgevonden?

J.C.: Ik had een studio ter beschikking die meestal leeg stond. Het decor was heel goedkoop. Ik ben altijd geïnteresseerd om mensen in te sluiten en met camera’s vanuit de hoogte te filmen. De kijker ziet het materiaal op de tafel liggen. En die film van Laurel & Hardy loopt in een lus. Die opstelling is geen toeval. Ik wou laten zien dat niemand weg kon. Rond de tafel staat er een stelling, waar je al onderdoor zou hebben moeten kruipen om weg te komen.

K.B./D.P.: Na de sessies ben je pas opnames gaan maken van de werken van Ensor en De Braekeleer?

J.C.: Ja, de opnames van de werken van Magritte hadden we al gemaakt en ik was al zeker dat ik met dat materiaal een tweede film zou kunnen maken. Ik moest alleen montagetijd krijgen. Dat is nooit evident geweest. Maar ik moest eerst geld vinden voor de finalisering van The Music Box. Het is allemaal met horten en stoten tot stand gekomen. Ik heb mijn werkzaam-heden altijd op die manier moeten organiseren… De Vercruyssebeelden heb ik gedeeltelijk gerecupereerd uit de film die ik met en over hem maakte in 1990 naar aanleiding van zijn tentoonstelling in het Van Abbemuseum te Eindhoven. Daarnaast had ik ook opnames gemaakt in het Castello di Rivoli waar Vercruysse in 1992 tentoonstelde. Hij stelde daar bepaalde Tombeaux tentoon die hij niet in Eindhoven had geëxposeerd.

K.B./D.P.: Ben je dan speciaal voor The Music Box naar Turijn gereisd?

J.C.: Ik denk het niet. Ik denk dat ik die opnamen eerst heb gebruikt voor een of ander kunstprogramma. En bij de verzamelaars Anton & Annick Herbert heb ik de pianovleugels van Vercruysse gefilmd. Zo is The Music Box tot stand gekomen… Met een andere cameraman heb ik opnames gemaakt van de werken van De Braekeleer en Ensor in de musea van Antwerpen, Brussel, Doornik, Oostende en ook bij een aantal privéverzamelaars. Ik heb op geen inspanning gekeken om al die werken te filmen. Tijdens de opnames kregen we pas echt goed zicht op de verborgen verhalen van De Braekeleer.

K.B./D.P.: Bedoel je dat letterlijk: dat jullie tijdens de opnames van de schilderijen nog ontdekkingen hebben gedaan?

J.C.: De Braekeleer, dat was een openbaring, tijdens de opnames. Om maar te zeggen hoe onnauwkeurig we allebei tot op dat moment hadden gekeken. Bart was een aantal keer aanwezig tijdens de opnames, niet in Antwerpen, maar in Brussel. Door de camera heel lang op het materiaal te richten, hebben we een aantal fenomenale ontdekkingen gedaan, zoals de vrouw met oorring op De Braekeleers schilderij De man bij het venster: in de spiegeling van de figuur in het venster is een vrouw met oorring verwerkt. Die twee boodschappen, sommigen zeggen dat wij ons dat inbeelden… Als ík voortaan een beeld van De Braekeleer zie, dan denk ik dat er nog wel iets te zien zal zijn wat ik nog niet gezien heb.

K.B./D.P.: Verschaffels betoog – tijdens de twee sessies – over het heimelijke bij De Braekeleer werd dus op een spectaculaire manier bevestigd, maar de kijker weet niet dat jullie tijdens de gesprekken nog niet beschikken over sommige ‘bewijsstukken’. Die bewijsstukken illustreren weliswaar het verhaal van Verschaffel, maar in de film blijven ze noodgedwongen zonder commentaar, omdat het betoog van Bart Verschaffel reeds was ingeblikt. Om die reden lijkt het erop dat niet Verschaffel maar de camera zelf het discours ontwikkelt. Het is een visueel discours. De camera lijkt te bewegen om als het ware iets te weten te komen. Er wordt gefocust op één deel van het schilderij, dan gaat de camera naar boven, en zo ontstaat er betekenis.

J.C.: Dat is juist.

K.B./D.P.: Om die reden is het een bijzonder complexe film. Er wordt veel meer getoond dan dat er uitgelegd wordt. Het is pas later, in de tekst Het heimelijke in het werk van Henri De Braekeleer, gepubliceerd in De Witte Raaf, dat Bart Verschaffel al zijn inzichten, inclusief ‘de ontdekkingen met de camera’, expliciet in één essay samenbrengt onder de noemer van het verborgene in het oeuvre van De Braekeleer.

J.C.: Het was voor hem zeer interessant om mee te werken aan dergelijke filmprojecten. De genese van de inzichten heeft hij trouwens altijd heel correct weergegeven. Bart had dat essay over De Braekeleer niet kunnen schrijven zonder de hulp van de camera.

 

Les Vacances de Monsieur Mag

K.B./D.P.: Voor de twee andere Magrittefilms, Les Vacances de Monsieur Mag en Een Weekend met Meneer Magritte heeft Bart Verschaffel opnieuw het onderzoek verricht.

J.C.: Dat klopt, en opnieuw is er uit Les Vacances de Monsieur Mag een essay voortgekomen.

K.B./D.P.: Zijn er voor Les Vacances nog opnamen gemaakt?

J.C.: Neen, alles was reeds beschikbaar: de opnamen van Houston, de catalogue raisonné van David Sylvester en de filmpjes van Magritte. Er was genoeg materiaal om een film te maken over het gehele oeuvre van Magritte, over de figuur Magritte en over de manier waarop hij zijn kunstenaarschap opvatte. Daartoe moesten eerst de filmpjes worden gereconstrueerd.

K.B./D.P.: Hoe ben je daarbij te werk gegaan?

J.C.: Ik kon beschikken over de AVID-montagetechnologie. Alle stukjes zijn op een harde schijf gezet. En dan ben ik beginnen te puzzelen. De filmpjes waren bijzonder onhandig verknipt, maar dat was eerder een voor- dan een nadeel. Elk lasje was in feite uniek. Er had iemand geprobeerd om altijd juist op het beeldlijntje te knippen, maar meestal had hij ernaast geknipt. Als je een goede AVID-technicus hebt, kan je 20, 30 mogelijkheden uitproberen op minder dan twintig minuten.

K.B./D.P.: Hoeveel materiaal was er in totaal?

J.C.: 187 minuten en 35 seconden. Ik heb geprobeerd elk bobijntje te reconstrueren – een bobijn is, geloof ik, drie minuten. Bovendien had ik een idee over het aantal bobijnen – uit de documenten van Robert Rimbaert en Jean Raine die alles verknipt hadden. Op basis van wat ik zag en op basis van wat ik wist vanuit de briefwisseling, én omdat de filmpjes onnauwkeurig versneden waren, kon ik in veel gevallen uitmaken welk stukje bij welk hoorde. Ik had bovendien vrij goede grondplannen van de huizen waarin Magritte gewoond had. En ik heb de huizen gezien om de beelden beter te kunnen inschatten. Maar de briefwisseling was het grootste hulpmiddel. Waarom gaat hij naar Oostende? Tussen haakjes: onmiddellijk na de aankoop van de camera gaan de Magrittes op bezoek bij Irène Hamoir en Louis Scutenaire te Oostende en ze bezoeken het Ensorhuis! In de brieven kom je te weten dat de Magrittes naar het graf gaan van de moeder van Georgette, op de eerste of tweede november, ergens in Charleroi. Zijn correspondentie is haast 17de-, 18de-eeuws. Hij correspondeerde met heel wat mensen. Enfin, we zijn erin geslaagd om ongeveer 40 filmpjes te reconstrueren. Die zijn niet allemaal exact 3 minuten. Eigenlijk moet dat werk opnieuw gebeuren, dan kan je ze prachtig krijgen als je wil. Er zijn ook documenten gemaakt.

K.B./D.P.: Documenten?

J.C.: Er zijn ongeveer 700 pagina’s gemaakt. Elk beeldje is gerepertorieerd. Er zijn kopies bij de VRT en in het Filmmuseum. Eva Binnemans, mijn assistente, heeft dat helemaal opgevolgd. Het was tijd dat ik ermee stopte, dat kan ik wel zeggen.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Ik had nog nooit zo’n wedersamenstelling gedaan en ik wilde proberen zo volledig mogelijk te zijn. Mijn grootste frustratie was dat ik de fysieke kwaliteit van het materiaal niet kon opwaarderen. Het materiaal was in slechte staat, we mochten blij zijn dat er nog iets was van overgebleven. Waarschijnlijk zijn er bij de Magrittes ook filmpjes vernietigd omdat de bobijntjes slecht waren opgelegd. De films die hij had aangekocht – films van Laurel & Hardy, Charly Chaplin, Picratt en Max Lindner – zagen er beter uit dan wat hij zelf had gedraaid. Die zijn wellicht minder ‘gebruikt’.

K.B./D.P.: In Les Vacances is de getuigenis van Irène Hamoir opgenomen.

J.C.: Irène Hamoir was voor mij een sleutelfiguur. Uiteraard, ze is in heel veel filmpjes prominent aanwezig. En, Irène – Sirène – is een van de minnaressen geweest van René Magritte. Ze was de meest geprivilegieerde getuige. Ik heb haar benaderd in 1994, het voorlaatste jaar van haar leven. Ik wou met haar die 187 minuten doornemen en zeer gerichte vragen stellen.

K.B./D.P.: Heb je die volle 187 minuten met Irène Hamoir doorgenomen?

J.C.: Ja, en ik ben elke keer gestopt, als ik iets wilde vragen. We zijn ’s middags begonnen en we waren klaar rond zeven uur ‘s avonds. Ik wou weten wie er in de filmpjes figureerden, waar het gefilmd was enzovoort. Het is waarschijnlijk een van de laatste keren geweest dat ze in het openbaar verschenen is. Ik denk dat ik geen fouten heb gemaakt. Alhoewel, iemand die nog meer onderzoek verricht, zal waarschijnlijk fouten ontdekken, maar ik was mijn film aan het financieren.

K.B./D.P.: Wie was de interviewer, jij of Bart Verschaffel?

J.C.: Ik heb het zelf gedaan. Er mocht geen tijd worden verloren.

K.B./D.P.: Wat zei Hamoir over de filmpjes?

J.C.: Ze heeft alles enorm gerelativeerd. Hamoir zei dat Magritte het alleen maar deed om zich te amuseren. Ik vind dat hij zich toch serieus wat moeite getroost heeft om zich te amuseren. Van een gesprek is in feite niet veel in huis gekomen, al moet ik zeggen dat Hamoir nog bijzonder helder van geest was.

K.B./D.P.: Voor Les Vacances heeft Irène Hamoir een honorarium ontvangen.

J.C.: Is dat zo?

K.B./D.P.: Ja.

J.C.: Dat is sympathiek van mij. Ik heb een dag met haar doorgebracht, ik vond het wellicht niet meer dan logisch om haar te vergoeden.

K.B./D.P.: Ook Suzi Gablik heeft een honorarium gekregen.

J.C.: Suzi Gablik? Dat zou me verwonderen. Ik heb haar een aantal keren getelefoneerd, want ik vond haar een belangrijke getuige. Ze heeft niet alleen een belangrijke studie over Magritte geschreven maar ook een tijdje bij de Magrittes verbleven en meegespeeld in enkele filmpjes. Maar als ik via de telefoon nog maar een paar namen van betrokkenen noemde, was het gesprek ten einde.

K.B./D.P.: In de eindgeneriek wordt zij toch bedankt?

J.C.: Ja. Ik heb haar willen ontmoeten, maar dat heeft zij niet gewild, zo simpel is het. En een honorarium is niet betaald. Suzi Gablik heeft Magrittes oeuvre als allereerste op een serieuze manier geanalyseerd. Zij is zeer belangrijk geweest voor de receptie van het werk van Magritte in Engeland en de VS, al heeft David Sylvester iedereen daarna opzijgeduwd. Voor haar boek had zij beeldmateriaal nodig en ze benaderde Charly Herscovici, maar Charly wilde geld zien. Daar is ze op afgeknapt. Met België wou ze niets meer te maken hebben, dat was overduidelijk.

K.B./D.P.: Wanneer ben je begonnen aan de montage van Les Vacances?

J.C.: Ik had geen geld, geen geld om te monteren. Ik moest gaan bedelen in de verschillende departementen. Ik ging op zoek naar gaatjes. Om die reden heb ik vaak in de zomer gemonteerd. In de zomer vallen instituten zoals de openbare omroep stil, net zoals de ziekenhuizen. Les Vacances de Monsieur Mag is echt op de montagetafel gemaakt. Alles was te onzer beschikking, het volstond om het te monteren tot een vertoog. Dat heb ik in mijn carrière niet vaak meegemaakt.

K.B./D.P.: Was Bart Verschaffel aanwezig bij de montage van Les Vacances?

J.C.: Ja, de gehele tijd. Bij The Music Box niet. Hij was de enige die in de keuken kwam. De anderen hebben dat niet gewild. Wij hebben heel veel tijd aan de montagetafel gezeten, samen met een uitstekende monteur, Danny Staes. We hebben de film aan de montagetafel gemaakt. Letterlijk. Er was geen script.

K.B./D.P.: Les Vacances is een zeer complexe film. Er zijn beelden van de schilderijen, fragmenten uit de geënsceneerde filmpjes, fragmenten uit de filmpjes van de schilderijen; de voice-over is de ene keer commentariërend, de andere keer wordt er geciteerd uit brieven; de soundtrack is zeer present. De verschillende manieren waarop stem, klank en beeld worden gebruikt – in de ‘veelgelaagdheid’ overtreft Les Vacances alle films.

J.C.: Dat is zeer juist.

K.B./D.P.: Waar waren jullie op gefocust?

J.C.: Op de periode ’26 tot ’30, totdat de figuren er zijn, de beroemde acht figuren (vuur, woud, planken, huid, belletjes, wolken, gevels, papieren knipsels), die we gezien hadden in de grote tentoonstelling. Wat in die tentoonsteling minder aan bod kwam, dat was de période vache. Die schilderijen hebben we opgenomen van goede reproducties. Er was niet aan te komen, want die schilderijen zaten op dat moment merendeels bij Irène Hamoir. Ik vind die période vache zeker zo straf als de objets trouvés van Duchamp.

K.B./D.P.: Als je zegt dat er geen script was en dat de film op de montagetafel is gemaakt, dan betekent dat dat jullie de gehele tijd hebben zitten associëren…

J.C.: …met de schilderijen, de boeken, de filmpjes…

K.B./D.P.: In Les Vacances toon je bijvoorbeeld eerst het schilderij In memoriam Mark Sennett, een schilderij waarop een kleerkast is weergegeven: één deur is geopend en je ziet een kleed van een vrouw met ‘echte’ borsten. Dat schilderij laat je volgen door een fragment uit een filmpje waarin Magritte een kleerkast opent en een tuba aantreft die hij op een tafel plaatst. Vervolgens toon je het schilderij L’Histoire centrale: een vrouwelijk personage wier gezicht volledig bedekt is door een doek; bij de vrouw zijn een tuba en een koffer weergegeven; in jouw film krijg je enkel de vrouw en de tuba te zien. Daarna volgt wederom een fragment uit een filmpje waarin twee personen elkaar kussen, terwijl hun hoofden volledig bedekt zijn door een doek. Hebben jullie nagegaan wanneer de schilderijen zijn gemaakt, en wanneer de filmpjes, of zijn dat gewoon beeldassociaties?

J.C.: Ik kan me niet herinneren dat we dat systematisch hebben nagegaan.

K.B./D.P.: Het zijn beeldrijmen, niet meer dan dat?

J.C.: Ja. Magritte koopt zijn camera in 1956. Dan heeft hij die werken allemaal al geschilderd.

K.B./D.P.: De filmpjes zijn altijd na de schilderijen gekomen? Daar ben je bijna zeker van?

J.C.: Behalve als hij in de tuin filmt. Daar is het bijna punctueel. Hij schildert, plaatst het werk vervolgens in de tuin en filmt het.

K.B./D.P.: Je zou kunnen zeggen dat Magritte in de geënsceneerde filmpjes zijn eigen werk persifleert.

J.C.: Waarom niet?

K.B./D.P.: Hoe zijn de tussentitels bepaald? ‘Zonder leven geen kunst’, ‘René Magritte’, en dan een adres in Schaarbeek.

J.C.: Dat is zijn adres, met zijn telefoonnummer. Dat is iets typisch voor mij, dat telefoonnummer, je kan ernaar bellen als je wil. Iemand wordt heel aanwezig.

K.B./D.P.: Les Vacances de Monsieur Mag wordt in 1995 uitgezonden, op 28 maart 1995.

J.C.: Ja, maar de film is eerst vertoond in een bioscoop, op een groot scherm.

K.B./D.P.: Wat was de aanleiding om dat te doen?

J.C.: Mijn waanzin, zeker. Ik vond dat het nodig was, voor mezelf, maar ook voor George De Decker en Ward Weis die de geluidsband hadden gemaakt en ook voor Walter De Niel die de mixage had verzorgd. De VRT had een geweldige mobiele studio. Peperduur materiaal dat de meeste tijd niet gebruikt werd. In die ‘bus’ is de soundtrack gemaakt, en de bus is ook naar die cinema gereden om alles in optimale omstandigheden te kunnen tonen en laten horen. De VRT heeft er geld voor uitgetrokken en we hebben bijkomend materiaal te leen gekregen van BARCO: een beamer, op een groot formaat, in een echte cinema.

 

Een Weekend met Mijnheer Magritte

K.B./D.P.: The Music Box werd uitgezonden in 1994, Les Vacances de Monsieur Mag in 1995. Daarna realiseer je nog een derde film over Magritte: Een Weekend met Mijnheer Magritte, uitgezonden in 1997. Wat voegt Een Weekend met Mijnheer Magritte voor jou toe aan Les Vacances?

J.C.: Ik heb tijd gehad. Ik heb tijd gehad om te monteren, dat is het zeldzame goed in zo’n televisiestation. En zo heb ik mijn loopbaan kunnen rekken; ik stond nog niet echt op straat, maar als ze een manier hadden gevonden om mij eruit te gooien, dan hadden ze dat niet gelaten. Ik heb de boel nog drie jaar getrokken, voor mezelf, dat is een vreemd proces.

K.B./D.P.: Maar als je in 1994 Les Vacances draait, waarom wil je dan nog een andere film maken met alleen maar de filmpjes, zonder al de beeldassociaties?

J.C.: Ik heb mij in Magritte vastgebeten omdat ik denk dat Magrittes verhouding tot de cinema niet onschuldig is geweest. Ik denk dat dat een stuk van het oeuvre is. Irène Hamoir banaliseerde dat, maar toch speelde ze elke zaterdag mee in scenario’s die sommige beelden uit zijn werk een heel andere betekenis geven. Ik wou niet gezegd hebben dat het niets was.

K.B./D.P.: Het is wel vreemd dat je in de eerste film heel duidelijke verbanden legt tussen de schilderijen en de filmpjes, terwijl dat in Een Weekend volledig afwezig blijft.

J.C.: Ik had in dat project al zoveel tijd gestoken; ik wou dat daar iets van bleef bestaan. Maar zoals steeds: ik moest op zoek naar geld om de film te realiseren.

K.B./D.P.: Een Weekend valt uiteen in twee delen, Zaterdag en Zondag.

J.C.: ‘s Zaterdags waren er bij de Magrittes de bijeenkomsten. We zijn zo goed als zeker dat die bijeenkomsten meestal plaatshadden tussen 20.00 en 22.00 uur. De zaterdagavonden, dat was vooral drinken en lol maken. Was dat Magrittes idee over gezelligheid of was hij zijn gasten aan het belazeren? Om 22.00 uur werd iedereen genadeloos buitengestuurd. Er zijn verhalen over ruzies als men niet snel genoeg wegging. In het Zaterdag-deel worden veertien fragmenten uit de geënsceneerde filmpjes getoond. In het Zondag-deel zitten achttien fragmenten uit de biografische filmpjes, zoals de reis naar Oostende en de shots van het Ensorhuis. Oostende, de klassieker in de Belgische kunst, dáár zijn ze allemaal geweest. Er is een wereld van verschil tussen Magritte en Ensor, maar het eerste wat hij doet als hij een camera heeft, is een passage langs het Ensorhuis. In beide stukken, Zaterdag en Zondag, is de chronologie van het filmen gerespecteerd. Ik vond dat heel belangrijk.

K.B./D.P.: De enige bewerking is de selectie uit de films.

J.C.: Ja, dat moesten we zo houden.

K.B./D.P.: In de twee films keert de tuba terug. De tuba is het verbindend element… Terwijl Zondag eigenlijk biografisch is, komt de tuba erin voor.

J.C.: Dat ligt nogal voor de hand.

K.B./D.P.: Met die tuba doe je een belangrijk statement. De tuba komt voor in een geënsceneerd filmpje in kleur (Zaterdag) en de tuba duikt ook op in een kleurenfilmpje dat in de tuin is gedraaid (Zondag).

J.C.: Ik heb die filmpjes toch niet gemaakt?

K.B./D.P.: Nee, maar jij hebt wel de selectie gemaakt.

J.C.: De tuba komt voor in het filmpje met Suzi Gablik. Hij heeft meestal de camera zelf gedaan, behalve in die lange film met Gablik.

K.B./D.P.: Hoe kwam Gablik bij Magritte terecht?

J.C.: Suzi Gablik was via Alexander Iolas bij Magritte terechtgekomen. Zij heeft acht maanden bij de Magrittes verbleven, in hun laatste huis. Al die oude kerels rond Magritte hadden een oogje op haar. Scutenaire is nog verliefd geweest op Gablik. Om die reden moest Irène Hamoir niets van haar hebben. Alexander Iolas was Magrittes galerist. Ik kende Iolas van in de jaren ’60, door het succes van Martial Raysse. Toen ik in het begin van de tachtiger jaren in Griekenland aan het filmen was, filmde ik zijn villa in Athene, ontworpen door Dimitri Pikionis. Van de hele generatie kunstenaars die Iolas verkocht had, ook Magritte, waren in die villa werken aanwezig. Door Iolas gaat Magritte ook op grotere formaten schilderen, omdat de Amerikanen grote formaten vragen.

K.B./D.P.: Zo’n figuur als Iolas fascineert jou?

J.C.: Ja, zo’n figuren, die komen van nergens. Zonder Iolas zou Magrittes carrière er helemaal anders hebben uitgezien.

K.B./D.P.: In zo’n film als die over Griekenland is die fascinatie echter onleesbaar.

J.C.: Maar het is ook niet interessant om mij te kennen. Ik vind dat ik dat moet verbergen want anders… dat doen al die kerels toch ook eigenlijk. Le double secret, ik vind dat niet uit!

K.B./D.P.: Terug naar Suzi Gablik en de tuba. De tuba, is dat iets wat je pas opvalt als je die filmpjes ziet of had je dat al mee uit de schilderijen?

J.C.: Uit de schilderijen! Dat ene schilderij, L’Histoire centrale, was opgenomen in de reizende tentoonstelling, en het had voor ons toen al een grote betekenis.

K.B./D.P.: In het filmpje wordt de tuba onder een rok vandaan gehaald. Dat is natuurlijk het sterkste beeld…

J.C.: Je weet toch wie haar rok optilt? Dat is Irène Hamoir. Ik heb dat met haar besproken. Ik heb geprobeerd om haar daarover te laten praten, maar dat is niet gelukt, ze viel stil. Er moet nog ander materiaal geweest zijn. Dat kan niet anders.

K.B./D.P.: Dat materiaal bestaat nog?

J.C.: Dat betwijfel ik. Er zijn momenten dat je ziet dat het nogal op de rand begint te komen. Het zat op de rand. Hij heeft ook een paar foto’s gemaakt die… Er zijn genoeg aanwijzingen voor. Scutenaire heeft ooit geschreven over “une histoire érotico-fantastico-iconoclaste”.

K.B./D.P.: Wat is er dan gebeurd met dat materiaal?

J.C.: Geen idee, en ik had niet de middelen om dat uit te spitten. Ik heb het ook een paar keer aan Charly Herscovici gevraagd, maar er kwam geen antwoord. Heeft Georgette het verbrand? Alleen of met Charly? Zeker is dat er stukken weg zijn, en dat er vreemde dingen gebeurd zijn ten huize Magritte, maar vraag me niet wat er precies is gefilmd. Met Hamoir kon ik er niet over spreken.

K.B./D.P.: Hamoir heeft Magrittes films vooral gerelativeerd?

J.C.: Ja, voor Hamoir was dat alleen maar amusement. Ik zie dat anders. Ik heb die filmpjes zeer sterk geapprecieerd, zeker in de pogingen om de schilderijen terug te vertellen. Elke keer met een schilderij naar buiten gaan, op een stoel zetten en filmen. Dat moet je toch maar doen. Ik geloof ook dat hij met zijn filmpjes iets over zichzelf laat zien. Als hij een hoek neemt en íets bepaalds laat zien… Als hij zelf ook optreedt, dus langs twee kanten zit. Er zijn regisseurs die het niet kunnen laten om voor de camera te gaan staan, dat gebeurt bij hem ook. Die verschillende rollen… Dat heeft mij beziggehouden. Misschien heeft het te maken met iets wat ik in mijn leven gemist heb. Ik heb zelf nooit iets intiems gedaan met een camera. Het is altijd abstract gebleven. Ben ik duidelijk? Maar omdat Magritte geen professional was, worden die filmpjes niet ernstig genomen. De filmpjes worden genegeerd, ook door de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel, die een aantal jaren geleden de grote Magritteretrospectieve organiseerden. In België wordt over de filmpjes niet ernstig gedaan – dat zal wel zo blijven, totdat het echt belangrijk wordt.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan argos voor de selectie van het beeldmateriaal

 

 

 

Opgepast voor het al te snelle begrijpen

Niklas Luhmann in een televisiegesprek met Alexander Kluge

 

Alexander Kluge: U bent in 1927 geboren. Welke voorstelling verbindt u met dat jaar?

Niklas Luhmann: Wel – voor mij volstaat het dat ik geboren ben.

A.K.: Musil, bijvoorbeeld, die houdt zich intensief bezig met de tien jaar voor zijn geboorte, en ook met zijn geboortejaar.

N.L.: Daar heb ik eigenlijk niet zo over nagedacht. Ik weet niet of de naam Gumbrecht u iets zegt? Die schrijft een boek over het jaar 1926, over wat er toen allemaal gebeurd is. [1] Bijvoorbeeld: Heidegger werd ertoe aangezet zich te habiliteren…

A.K.: Omdat hij…

N.L.: …en nog in datzelfde jaar schreef hij zijn belangrijkste werk, Sein und Zeit.

A.K.: En dat is Gumbrechts geboortejaar?

N.L.: Nee. Maar het ging om het idee dat wat in dat jaar gebeurd is, meteen ook iets bijzonders zou zijn.

A.K.: Verzamelen is dus niet iets voor u?

N.L.: Nee, nee, totaal niet. Wat niet wegneemt dat ik de rol van het toeval hoog inschat. Ook in de hele context van de evolutie.

A.K.: Ergens zegt u dat een biografie uit louter toevalligheden bestaat. Denkt u dat echt?

N.L.: Ja. Je moet natuurlijk toevalligheden kunnen opmerken en aangrijpen. En dat veronderstelt een zekere voorbereiding.

A.K.: Vasthoudendheid.

N.L.: Ja. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hele enscenering van de liefde. Die veronderstelt ook een voorbereiding. Je hebt romans gelezen, Klopstock bijvoorbeeld, en daarom weet je al een en ander. “En toen kwam zij en zij was Leda en toen was het met hem gebeurd.” [2] Het gaat om dat voorbereid zijn. Als hij voordien geen roman had gelezen, dan had hij Leda misschien nooit gevonden.

A.K.: In 1944 bent u helper bij de Luftwaffe, staat in uw biografie.

N.L.: In 1943.

A.K.: Dat wil zeggen dat u in 1945 ingezet wordt in de oorlog, en gevangengenomen wordt?

N.L.: In mijn dromen komt die hele oorlogssituatie nog altijd naar boven. Er wordt geschoten en er vallen bommen. Dan tel je gewoon af. Je hebt dan al ervaring genoeg om te weten dat je je niet meteen op de grond moet gooien, omdat de grond nat is. Dus zoek je beter een andere plek, wat verderop. Je hoort hem nog even fluiten, tot hij eindelijk ontploft.

A.K.: Waar was u toen?

N.L.: Dat was in Heilbronn. Wij werden daar vrij hevig gebombardeerd. Maar afgezien daarvan: voor de geboorte was er niets, en in de oorlog had je het gevoel dat je op een punt was aanbeland dat het echt niet erger meer kon. Als je dan meemaakt dat iemand die naast je loopt een granaat in het gezicht krijgt, als je dan ziet hoe die er voor en na uitziet, dan heb je iets van: wat zitten ze vandaag eigenlijk te zeuren…

A.K.: Daarna hebt u rechten gestudeerd. Wat bracht u daartoe?

N.L.: Het leek me daar een beetje ordelijk toe te gaan. Ik had het idee dat je in het juridische domein toch in elk geval kunt inzien waarom iets zo gedaan wordt en niet anders. Wat mij interesseerde, was het probleem van de orde. In het begin niet zo heel erg, maar later, in de loop van mijn studies steeds sterker. Ook het argumentatie-potentieel.

A.K.: En in 1954 bent u dan plotseling Oberregierungsrat [een hogere regeringsambtenaar].

N.L.: Eerst moest ik het examen voor Referendar [aankomend hoger ambtenaar] doen. Dat kon pas in 1953. Ik heb toen een jaar lang min of meer in bibliotheken gewoond…

A.K.: In bibliotheken? Waarom?

N.L.: Omdat ik wat wilde werken, wilde lezen, Italië, Parijs… Natuurlijk moest ik dan ook voor een inkomen zorgen. In mijn jaar bij het Oberverwaltungsgericht [hoogste administratieve rechtbank] begon ik dan aan een zeer onconventionele carrière.

A.K.: Als Verwaltungsbeamter, bestuurlijk-administratief ambtenaar.

N.L.: Ja. Ik kwam toen in het Ministerie van Cultuur terecht. Daar moest ik een ordelijk systeem uitwerken voor de niet gepubliceerde vonnissen. Tegelijk was ik assistent van de president en een soort Gutachter, een adviserend expert, in de senaat. Toen zich in Hannover een regeringswissel voordeed, ben ik naar een ministerie vertrokken: ik moest de processen die de oude regering verloren had of zeker zou verliezen screenen en eventueel stopzetten. Daarna ben ik in dat ministerie gebleven.

A.K.: Stel dat u in een tweede leven, als het ware in de conjunctief, de opdracht zou krijgen om een universiteit op te richten, een universiteit voor ‘advanced studies’ – zou u zich zoiets kunnen voorstellen?

N.L.: Ja. Eigenlijk ben ik via Helmut Schelsky aan een universitaire carrière begonnen omdat er een nieuwe universiteit werd opgericht, en men het idee had dat alles anders zou worden.

A.K.: U gebruikt ergens de uitdrukking “parallelle poëzie”, dus dat je iets wat je al theoretisch hebt uitgedrukt, nog eens in een andere taal uitdrukt. Wat betekent dat?

N.L.: Dat heeft een heel concrete achtergrond. Ik had een vriend, intussen overleden, die net dat geprobeerd heeft. Het ging erom een soort metafysische poëzie in een talige vorm te brengen. (Dat is in elk geval mijn voorstelling ervan, die ik uit mijn theorie afleid, toen hij 79 was is hij overleden, dus begin jaren ‘70 of nog vroeger, we kenden elkaar sinds onze studietijd.)

A.K.: En die dan weer losser te maken, te vertragen.

N.L.: De gedachte niet correct weer te geven, maar ook het complexe wat springerig te maken. Ik denk dat ook de poëzie een vorm van reflectie heeft, maar dan wel een vorm die haar kenmerkt. Je moet altijd – dat was een van de onderwerpen waar ik het met mijn vriend over had – de dingen die je uitsluit mee in rekening brengen.

A.K.: Ja.

N.L.: Wanneer je dus over “droogte” spreekt, bedoel je dan “liefde”? Wanneer je over “woestijn” spreekt, wat bedoel je dan? Wat wil je in dat begrip transporteren? Kan dat “leven” zijn? In de theorie ben ik sterk geneigd om met onderscheidingen te werken. Elk begrip heeft een andere kant. En ik wil duidelijkheid krijgen over wat ik wil uitsluiten. In de poëzie kan de draad via de uitgesloten kant lopen, en het wordt dan zo onzinnig, dat je beter op het parallelspoor probeert te ontdekken…

A.K.: …wat de zin is…

N.L.: …en waarvan eigenlijk sprake is.

A.K.: Als je dus een gedicht kon maken dat uit louter vergissingen zou bestaan, als dat mogelijk was, dan zou u dat een zeer interessant spoor vinden. Kunt u nu eens aan de hand van een basissituatie in de context van uw boek over de liefde, Liebe als Passion, beschrijven wat ‘complexiteit’ is?

N.L.: Ik zou dat op het niveau van een moderne intieme relatie bekijken, niet meteen aan de hand van de literaire contexten die we in dat boek bekeken hebben. Het gaat dus om de voortdurende tweedeordeobservatie: dat je bij alles wat je doet bedenkt wat hij of zij zou zeggen als hij of zij zou zien wat je doet, of: hoe moet ik me gedragen…

A.K.: … Wat is daarin een bewijs van liefde en wat is het duidelijk niet.

N.L.: Het bewijs van liefde is dan precies dat je ingaat op wat je in de ogen van de ander bent. – En dat je dat weet. Dus niet alleen dat je je schikt, maar dat je je ook wilt schikken, en dat je bent wat de ander van jou verwacht.

A.K.: Vertelt u eens een scène als voorbeeld.

N.L.: Je komt thuis, draait de sleutel om, je vrouw staat in de keuken. Natuurlijk zou je nu eerst graag even naar je bureau gaan om te kijken of er post is. Maar tegelijk weet je heel goed dat zij dat als een veronachtzaming ziet. Dus ga je naar de keuken. Zij weet dat je naar de keuken gaat omdat zij anders zou veronderstellen dat ze veronachtzaamd wordt.

A.K.: Wat er op zijn beurt toe leidt dat…?

N.L.: Dat leidt tot de onuitgesproken paradox die typisch is voor een gezinstherapie: ik doe wat jij wilt, in het bewustzijn dat jij ziet dat ik het daarom doe.

A.K.: Ja.

N.L.: Een socioloog uit Trier, Alois Hahn [3], heeft een mooie studie geschreven over die niveaus van overeenstemming en verstandhouding: men is het erover eens dat men het niet haarscherp met elkaar eens hoeft te zijn, en men stelt zich tevreden met verschillende beelden.

A.K.: De verdraagzaamheid in de intimiteit berust dus op een zekere vaagheid, op onscherpte?

N.L.: Ja, op onscherpte en op het feit dat je niet constant blijft doorvragen. Je wilt niet echt weten wat de ander over jou denkt. Maar het komt er natuurlijk op aan dat zoiets in het dagelijkse leven functioneert. Dat is bijvoorbeeld het geval in alledaagse huwelijksrelaties. Die hebben het probleem van de observatie van de observatie afgeworpen. Ze hebben dus regels nodig om te weten hoe je de kinderen opvoedt, wanneer je gasten uitnodigt, welk tvprogramma goed is en welke maaltijd echt onacceptabel zou zijn. Dergelijke verstandhoudingsroutines raken dan gaandeweg ingeburgerd. En in een functionerend huwelijk verdoezelen ze de onmogelijkheid om werkelijk te weten wat de ander is of wat de ander denkt. En wat je zelf wilt! Ik herinner me een geval uit een instituut voor gezinstherapie. De partners waren ongelukkig omdat ze het niet eens waren over de vraag wanneer het tot geslachtsverkeer moest komen. “Zou jij vandaag willen? Ja, als jij wilt, dan doe ik het natuurlijk.” Die afstemming : “Ik doe het als jij het wilt – ik wil het eigenlijk ook, maar ik zou nu liever niets zeggen, omdat ik jou anders zou dwingen ja te zeggen, hoewel jij er eigenlijk helemaal geen zin in hebt…” En de regel was dan: altijd op vrijdag.

A.K.: En hoe brengen die elkaar dan in de juiste stemming, zodat het op vrijdag daadwerkelijk tot geslachtsverkeer komt?

N.L.: Dat weet ik niet. De rest van de geschiedenis interesseerde mij niet. Wat mij interesseerde, waren die vergeefse inspanningen, die pathologie van de constante reflectie over wat de ander van jou verwacht, en tegelijk ook: het introduceren van een maximale zelfverwerkelijking. De verwachting bijvoorbeeld dat de ander van me houdt zoals ik mij graag zou zien. Maar hoe kan hij dat?

A.K.: Als de liefdeswinsten tot zo’n beurs aangroeien – is het dan nog mogelijk om door een bankroet weer met beide voeten op de grond te belanden?

N.L.: Wel, volgens mij is sensibiliteit sowieso eerder een uitzonderingstoestand. Ook dat onderzoek van Alois Hahn heeft daarmee te maken. Hij heeft het over jonge huwelijken, huwelijken die een paar jaar oud zijn. Via overeenstemmingsrituelen koppelen de partners zich van elkaar los, en slechts bij uitzondering blijven ze doorvragen naar wat de ander echt wil.

A.K.: Een goeie relatie tendeert dus naar de marges.

N.L.: Ja, of naar overeenstemmingsroutines, cognitieve routines, naar het “Ik zie wat zij/hij wil, dat zie ik meteen als ik kijk”. En die integratie, die ook een geheugen opbouwt, een collectief geheugen, dat vanuit de interactie wordt geproduceerd en gereproduceerd, vanuit datgene wat telkens opnieuw voorkomt…

A.K.: …collectief: dat zou dan een gezinsgeheugen zijn.

N.L.: Ja, of een partnergeheugen. Later komt daar natuurlijk het probleem van de kinderen bij. Wanneer men kinderen heeft, worden de verstandhoudingsproblemen als het ware gefocust: beide partners moeten het eens raken over een gezamenlijke houding tegenover de kinderen.

A.K.: Coalities vormen.

N.L.: Ja, en dat zijn dan natuurlijk de gevallen die de therapeuten interessant vinden. Heel vaak krijg je die pas wanneer er kinderen zijn. En wanneer kinderen de situatie niet kunnen diagnosticeren, maar er wel onder lijden dat onbesliste conflicten op hen uitgewerkt worden. Dat is een zeer ingewikkelde situatie. Maar ik geloof dat het kernprobleem erin bestaat dat we daarbij niet uitgaan van realiteiten, maar van een tweedeordeobservatie, van de observatie van de observator.

A.K.: Ja. Neem dit gedicht van Morgenstern: “Een haas zat op een weide/ hij dacht dat niemand die weide zag/ maar intussen bekeek hem met een verrekijker/ met grote ijver de bosambtenaar/ en hem dan weer bekijkt God stil en stom.” Wat is dan het verschil met zo’n waarneming bij u? Een waarneming met drie perspectieven.

N.L.: Dat is een kettingstructuur.

A.K.: En het is een hiërarchische structuur.

N.L.: Ja.

A.K.: Bij u is dat niet zo?

N.L.: Nee, bij mij zou het een wederzijdse structuur zijn, die beperkt wordt tot functiesystemen. Bijvoorbeeld in de economie, op de markt, als je observeert of de markt je prijs gretig slikt, of net niet en je hem moet aanpassen. Daarom waren de bevroren prijzen van het socialistische Oostblok zo’n catastrofe. Je leert er niets uit. Je kunt niet observeren hoe je geobserveerd wordt. Bij beweeglijke prijzen kun je observeren hoe de ander je product beoordeelt, of hij je koopt of niet. In de politiek spelen de media die rol. Je plaatst je voor de media en je ziet hoe je geobserveerd wordt, je calculeert mee in hoe je geobserveerd wordt, zonder je af te vragen wat iemand in zijn binnenste werkelijk denkt of voelt.

A.K.: Bij de moraal zegt u ergens dat hij tot oorlog leidt.

N.L.: Ja, hij is polemogeen, een woord dat uit het Frans is afgeleid. Een vriend van me heeft die term gebruikt. Enerzijds vloeit de moraal voort uit het conflict: als men het met elkaar eens is, hoeft men niet te gaan moraliseren.

A.K.: Nee.

N.L.: Maar als er een conflict bestaat, kan er een reden zijn om criteria te hanteren die jou – en de ander – ertoe brengen jezelf te achten of te minachten. En als je dan de controverse voortzet, krijg je een moreel beladen conflict. Plotseling staat immers het zelfrespect op het spel, wat dan op een duel kan uitlopen. Of, om het modieuzer uit te drukken, op een wederzijdse beschadigingsoperatie.

A.K.: En hoe staat het met de liefde als passie in de voormoderne vorm? Brengt ze ook oorlog voort of staat ze daar onverschillig tegenover?

N.L.: Dat zou ik niet zo meteen zeggen. Ik zou veeleer zeggen dat ze pathologische tendensen heeft, dus dat ze buitensporige eisen stelt en dat ze tegelijk ook tot teleurstellingen leidt. Je moet meer presteren dan je had verwacht, en het levert minder op. In het domein van de seksualiteit kun je zo’n ruil natuurlijk moeilijk afwegen. Wie haalt er meer uit? Meestal is dat niet zo duidelijk. Maar in de liefde zelf leidt die diffuse wederkerigheid ertoe dat je vastloopt op verborgen problemen, problemen die je niet kunt uitspreken.

A.K.: Zo dat men zou kunnen zeggen, zoals in het sprookje Gelukkige Hans – ik wil beter, rijker worden, de liefde moet me beter maken, moet me meer mijzelf laten zijn. Het gaat dus om een ruil?

N.L.: Ja, maar waarbij niet duidelijk is wat precies gepresteerd moet worden. En vooral: Hans is slechts één personage. Maar hier heb je Hans en Lisa: wie krijgt meer? En wie moet rekening houden met de ander?

A.K.: Je zou je kunnen voorstellen dat het kapitalisme, het vrije ondernemerschap, het zoeken en vergaren van schatten – iets wat in de werkelijke wereld toch heel moeilijk is geworden – nu worden geïntroduceerd in het privé-domein, in het subject, in de liefdesrelaties. En dat het kapitalisme daar momenteel aan het boomen is. Dat je dus meerwaarde produceert door de ander – ik word beter door de ander?

N.L.: Dat zou veronderstellen dat je een rekeneenheid hebt, een equivalent van het geld, en dat is er eigenlijk niet…

A.K.: Geld ja, daar hebt u gelijk in. Maar het zou toch iets kunnen zijn dat waardevoller is, meer illusoir is dan geld, een ruil in natura.

N.L.: Mij zou een omgekeerde, maar gelijkaardige redenering meer overtuigen: de relatie voor het leven is een vorm waarin je van teleurstellingen kunt herstellen, of waarin je over alles kunt praten, alles kunt vragen, voor alles begrip kunt vinden. Of in elk geval was dat vroeger zo…

A.K.: …eerst gratis of tegen betaling in natura, en nu…

N.L.: Waarin je als persoon nog echt telt…

A.K.: Wanneer ik nu in de situatie terechtkom dat ik precies in dat privé-domein mijn voordeel ga zoeken – omdat ik mijzelf anders niet kan verwerkelijken, niet kan groeien, terwijl ik dat daar wel nog kan – dan zouden daarvoor niet alleen spontaniteit, exclusiviteit enzovoort vereist zijn, maar er komt nog iets bij, in die zoektocht naar geluk in het privé-domein.

N.L.: Dat kan misschien zo zijn, maar anderzijds vind ik dat beeld ook wat te tweedimensionaal, als je rekening houdt met de maatschappelijke realiteit. Daar heb je wel degelijk nog kansen op succes. Je kunt bijvoorbeeld beroemd worden en op die manier carrière maken. Je houdt de aandacht vast, bundelt die, leidt ze naar je toe en via jou naar anderen. Daar kom je al een heel eind mee.

A.K.: Als u over het “heden” spreekt, wat is dat dan? In de strikt grammaticale betekenis, bedoel ik: tegenwoordige, verleden, toekomstige tijd, conjunctief, optatief…

N.L.: In de strikt temporele zin is het heden het punt zonder tijdsduur, waarin verleden en toekomst van elkaar onderscheiden zijn, het punt van waaruit een toekomst een toekomst en het verleden het verleden is. Het differentiaal – dat is Novalis, zo u wilt – het differentiaal van verleden en toekomst is het heden. En dat betekent ook: naarmate het verleden geen beloftes voor de toekomst meer bevat, wordt het heden als breekpunt steeds belangrijker.

A.K.: Als u het over “vertragen” hebt, als u zegt dat het belangrijk is niet te snel te willen begrijpen, maar het ook in de taal mogelijk te maken dat iets blijft hangen – heeft dat daarmee te maken? Met het uitrekken van het heden, van dit moment?

N.L.: Ik zou het geen uitrekken noemen. Ik bedoel gewoon dat je het heden niet moet overbelasten. Tegenover de studenten, bijvoorbeeld, of in een lezing is het een verkeerd uitgangspunt om zo te werk te gaan: deze zin is uitgesproken, hij komt nooit meer terug, nu moet ik hem begrepen hebben, anders raak ik de draad kwijt en dan begrijp ik er helemaal niets meer van… Je moet in je achterhoofd houden dat je moet investeren in de herhaling, in de inspanning. En dat er altijd nog tijd is om er grondiger mee bezig te zijn.

A.K.: Zoals in een klein labyrint, waarin je veel tijd kunt doorbrengen.

N.L.: Als je je met iets inlaat, mag je er niet van uitgaan dat alles nu meteen beslist moet worden. Je moet een soort gelatenheid ontwikkelen tegenover alles wat je later nog grondiger kunt inhalen, tegenover wat je kunt overdoen.

A.K.: Wanneer u het over “begrijpen” hebt, bedoelt u dan ook dat kannibalistische effect: ik eigen het me toe, ik sla het dood door het te begrijpen, ik maak het een kopje kleiner?

N.L.: In dit verband misschien wel, maar niet in het algemeen. Vooral als je je op lange termijn met een thema bezighoudt, is het gevaar veeleer dat het allemaal erg lang duurt. Dat kon je bij Talcott Parsons goed zien: hij was bezig met een onderneming die zijn hele leven in beslag nam.

A.K.: De onderneming van zijn filosofie.

N.L.: …van zijn sociologische theorie.

A.K.: U kent hem toch, u hebt bij hem gestudeerd.

N.L.: Ja, ik ken hem goed. Hij is in 1979 gestorven, 77 was hij toen. Voordien was hij meer dan tien jaar compleet geïsoleerd geweest. In 1967 was alles plots voorbij en zakte het in elkaar, zonder dat je eigenlijk wist hoe dat kwam, zonder argumentatie, zonder verificatie van zijn theoretische uitspraken. Het had met het marxisme te maken, met verschillende vormen van kritiek. Maar in de grond ontwikkelde zijn theorie zich te traag om de modieuze stromingen van die tijd te kunnen volgen. Een hele tijd lang stond ze – wat voor de VS erg ongewoon is – in hoog aanzien, was ze zeer gerespecteerd; eigenlijk is het de enige echte theorie die de Amerikanen ooit bedacht hebben.

A.K.: En dan laat iedereen hem in de steek.

N.L.: Plots is alles weg.

A.K.: Hoe zag hij eruit?

N.L.: Klein, voortreffelijk gekleed, een Amerikaan die eruitzag als een Engelsman, die ook met een Engels accent sprak, een toonbeeld van zelfbeheersing, iemand die de zaken altijd ernstig aanpakte, haast nooit met humor, iemand die openstond voor alle mogelijke thema’s. Altijd voelde hij zich geprovoceerd; hij had constant het gevoel dat hij zijn theorieën moest omwerken. Zeer monomaan dus, ook in het knutselen van theorieën. Er is niemand die ik ooit zo monomaan heb meegemaakt.

A.K.: Hoe lang bent u daar gebleven?

N.L.: Meer dan een jaar. Later bleven we met elkaar in contact. Twee dagen voor zijn dood heb ik hem nog ontmoet, hier in Duitsland. We hebben vrij lang met elkaar gepraat. Hij is in Duitsland gestorven.

A.K.: Waaraan?

N.L.: Overbelasting, vermoedelijk.

A.K.: Hij heeft dus geprobeerd om toch nog…

N.L.: Ja. Duitsland kwam onverwacht – we hebben een congres gehouden in Heidelberg met Wolfgang Schluchter, Habermas, enkele psychologen en ikzelf, om Parsons’ theorie te bestuderen. [4] Dat had hij in de VS al heel lang niet meer meegemaakt, en hij was enthousiast en ontroerd. Hij sprak heel goed Duits, maar hij sprak in het Engels. Voor de vuist weg vatte hij in 20 minuten samen wat hij over de congresbijdragen zou zeggen.

A.K.: Als een uurwerk.

N.L.: De studenten waren weg van Parsons, hoewel zijn theorie altijd de naam had conservatief en wat weet ik allemaal te zijn.

A.K.: En terwijl hij volop op dreef is, gaat hij dood.

N.L.: Ja. Men heeft natuurlijk misbruik van hem gemaakt, het Recla-Institut wilde hem naar München halen, hij voelde zich niet goed en is die nacht plots gestorven.

A.K.: Een zeer merkwaardige ontdekking die u gedaan hebt, is het boek Laws of Form van George Spencer-Brown. [5] Wie is dat? Hebt u hem ooit gezien of bezocht?

N.L.: Nee. Hij heeft me eens opgebeld. Het contact met hem verliep uiterst moeizaam; het schijnt dat hij nu een uitnodiging naar Heidelberg aanvaard heeft, maar dat wil helemaal niet zeggen dat hij ook echt zal komen.

A.K.: U hebt hem een inleiding gegeven in de theorie, in het Duits.

N.L.: Ja, buiten het enge domein van de wiskunde. Wiskundigen hebben me al heel vroeg, rond 1970, attent op hem gemaakt – de eerste druk van zijn boek verscheen in 1969 – toen we probeerden om in Bielefeld een programma rond complexiteit uit te werken, in de wiskunde, de sociologie, de psychologie. Aanvankelijk kon ik met zijn boek niet zoveel aanvangen. Vermoedelijk dankzij Heinz von Foerster [6] en andere impulsen heb ik het later toch nog eens bekeken. In mijn lectuur gaat het vaak zo: af en toe ontdek ik iets nieuws waar ik vroeger overheen had gelezen, omdat het zeer gecondenseerd geschreven is. Zijn uitgangspunt is eigenlijk dat alles dankzij het onderscheid gebeurt. Je kunt niets waarnemen, als je het niet kunt onderscheiden.

A.K.: Geeft u eens een voorbeeld.

N.L.: Er zou niets bestaan, als je tegelijk ook niet het bestaan zou veronderstellen van iets anders dat erbuiten ligt. Een glas kun je maar als glas beschrijven omdat je niet tegelijk ook de fles of de tafel of de kamer of de wereld wilt beschrijven.

A.K.: Op zichzelf zou een glas een zinloos iets zijn. Je zou niet eens weten waarvoor het dient…

N.L.: Nee, het moet altijd van iets anders onderscheiden zijn, anders heeft het geen contouren, kun je er niet aan refereren, kun je het niet benoemen. Dat betekent ook dat het begrip vorm hier naar een grens verwijst, en niet naar iets substantieels, gevormds. Dat is nieuw volgens mij. Gewoonlijk onderscheiden we immers vorm en inhoud, vorm en materie, en we zijn erg ongelukkig met dat onderscheid omdat het eigenlijk onbruikbaar is. Hier wordt vorm eenvoudigweg gereduceerd tot iets wat je voor operaties kunt gebruiken, als je iets uitsluit. Wat mij daarin interesseert, dat is eigenlijk een paradox, een heimelijke paradox die je in het begin niet kunt benoemen, omdat je een onderscheiding nodig hebt om iets te kunnen benoemen – maar wat doe je met het onderscheid tussen het onderscheiden en het benoemen? Daaronder ligt blijkbaar nog een onderscheid. Je moet het onderscheid kunnen onderscheiden van het benoemen, je moet het dus als onderscheid kunnen benoemen…

A.K.: Kunt u dat misschien met een praktijkvoorbeeld verduidelijken?

N.L.: Het gaat om iets algemeens. Het geldt dus voor elk voorbeeld. Als ik bijvoorbeeld goed en slecht onderscheid, dan rijst de vraag: waarom maak ik dat onderscheid eigenlijk? Ik moet dat onderscheid ook weer kunnen onderscheiden. –

A.K.: Als u het bijvoorbeeld over de techniek of over de natuur hebt, bedoelt u dan de natuur als iets dat zich onderscheidt van de genade? Of van de techniek, of van de beschaving?

N.L.: Iedereen heeft compleet andere voorstellingen van de natuur. Je kunt daarmee spelen, doen alsof je de natuur altijd onderscheidt van de genade, terwijl je het in werkelijkheid over de techniek hebt.

A.K.: Doet u dat eens voor bestialiteit.

N.L.: Bestialiteit.

A.K.: Wat is daarvan de tegenpool, de differentie?

N.L.: Ik zou denken: humaniteit, als je de normale manier van spreken wilt kopiëren. Maar als iemand over bestialiteit spreekt, kun je vermoeden dat hij in werkelijkheid als humaan gewaardeerd wil worden, dat zijn motieven dus aan de andere kant liggen. Dat hij, om het zo maar eens te zeggen, dicht tegen de slechte kant van de maatschappij aan hangt, om zelf aan de goeie kant gelokaliseerd te zijn. Wat ik hier uiteenzet, is technisch gezien natuurlijk niet Spencer-Brown. Maar het is een les die je eruit kunt trekken, en dat heb ik met hem ook eens aan de telefoon besproken.

A.K.: U filosofeert dan aan de telefoon?

N.L.: Hij heeft me eens opgebeld.

A.K.: Hoe lang duurt zo’n gesprek?

N.L.: Dat heeft een half uur geduurd. Hij was in een soort existentiële nood en heeft toch een half uur getelefoneerd.

A.K.: Voert u dan vaktechnische gesprekken? Kunt u hem ook opbellen?

N.L.: Dat zou ik kunnen, maar dat doe ik eigenlijk niet. Maar we proberen hem eens naar Duitsland te halen, wat erg moeilijk is, omdat hij zeer Engels is in de manier waarop…

A.K.: En ooit heeft hij Bertrand Russell…

N.L.: Dat is zijn leermeester.

A.K.: …ooit heeft hij hem een onderzoek voorgelegd. Waarover ging dat?

N.L.: Ik vermoed dat het om die goederenwagons ging, maar heel zeker weet ik het niet.

A.K.: Waarover zegt u?

N.L.: Goederenwagons. Het gaat om de vraag – u zult dat makkelijk kunnen begrijpen – hoe je kunt vaststellen, als de trein een tunnel inrijdt en hem weer uitrijdt, hoe je kunt weten dat het nog dezelfde goederenwagons zijn.

A.K.: Ach.

N.L.: Je kunt dat natuurlijk ook fotograferen. Dat gaat dus zeer eenvoudig, maar…

A.K.: Maar wat is het filosofische probleem?

N.L.: Het mathematische probleem is dat je de wagons moet benoemen en tellen, en de mathematische relatie tussen tellen en benoemen is het probleem: dat is het hele probleem van de vorm. Hij, Spencer-Brown dus, markeert en opereert met de markeringen – met slechts twee axioma’s – zodat hij de rekenkunde en de tweewaardige algebratheorie kan reconstrueren.

A.K.: Als leek begrijp je eigenlijk de hele problematiek niet zo goed. Volgens de regels van de waarschijnlijkheid neem je aan dat de tunnel en de lieve God niet sjoemelen, dat wat de tunnel inrijdt er ook weer uitkomt. Ik ga ermee akkoord dat dat een veronderstelling is.

N.L.: Ja, maar hoe kun je dat bewijzen? Wiskundigen willen zoiets altijd bewijzen. En wat hem aan dat probleem blijkbaar interesseert, voorzover ik hem ken – hij heeft trouwens een patent voor dat probleem verworven, of dat ooit lucratief benut kan worden, weet ik niet – dat is inderdaad de kwestie van het markeren: hoe kun je identificeren en tellen met elkaar combineren?

A.K.: Voor de leek klinkt dat behoorlijk spitsvondig. Waarom? Er ligt hier blijkbaar een belangrijke wet verscholen?

N.L.: Het is een vraag die blijkbaar – ik ben zelf ook geen expert in logica en wiskunde – logische veronderstellingen omverwerpt. Ze leidt er bijvoorbeeld toe dat je de markering moet temporaliseren, dat de hele calculus er een is die tijd in beslag neemt. En het is een calculus die het zonder uitspraken over waar of onwaar kan stellen, dus geen logische propositiecalculus of zoiets. Het speelt zich allemaal in zekere zin op het papier af: de marks – een mark is zo’n haakje – worden volgens bepaalde regels naast of onder elkaar gezet, en dan worden zeer ingewikkelde constructies opgebouwd, die dan weer met zeer eenvoudige trucs opgelost kunnen worden. Maar dat functioneert slechts als een sequentie van operaties, dus alleen in de tijd. Achter die calculus zit de vraag die teruggaat tot Wittgenstein en misschien nog verder: hoe kan een wereld zichzelf observeren? Als hij actief zou zijn en iets zou benoemen dat niet de wereld zelf is, dan zou er al een superwereld ontstaan zijn. Dus moet je aannemen dat er in de wereld reflectiecentra zijn die iets benoemen, daardoor iets onderscheiden van de rest van de wereld, en in die onderscheiding zelf niet voorkomen. Dat is dan de blinde vlek – dat de observator geen deel uitmaakt van de onderscheiding. Maar iemand anders kan dan wel vragen waarom ik mij door de bijzondere interesse voor mijzelf onderscheid. Zo krijg je die circulariteit van de vraag naar de observator, die in de observatie verondersteld wordt, maar onzichtbaar blijft. De calculus lost dat uiteindelijk op in de figuur van het reentry: datgene wat onderscheiden is, wordt weer in de onderscheiding gebracht.

A.K.: Ik heb u voor ons gesprek over een frontlazaret verteld dat in 1916 door artillerie beschoten wordt. Een Italiaans operagezelschap komt aan en werkt alle schema’s af die in de codering van de intimiteit in de versie van de Verdiopera’s voorkomen. Daarna wordt alles begraven in een artillerietrommelvuur.

N.L.: Dan heb je eigenlijk twee onderscheidingen. Die van de muziek: welke stem, welke melodie, welk thema; en de onderscheiding binnen/buiten, dus de artilleriebeschieting; en het is zo dat je die onderscheidingen simultaan hanteert en daardoor…

A.K.: …de chaotische geluidsvorm en de constructieve geluidsvorm van de muziek; de artillerie maakt immers ook geluid…

N.L.: Een vraag: u beschrijft dat als observator van de hele scène?

A.K.: Nee. Ik zou graag van u weten hoe u de botsende vormenwerelden zou beschrijven – de oorlog is immers ook een vormenwereld…

N.L.: Voor mij is het uitgangspunt: wie is de observator?

A.K.: Ja.

N.L.: Is het de zanger of de zanger die op een gezang moet reageren?

A.K.: Of zijn het de patiënten die in het lazaret genezen willen worden? Misschien helpt de muziek daarbij…

N.L.: Ja… of gaat het om een opvoering in afwachting van een dreigende aanval of een catastrofe, dan zijn de zangers eigenlijk duale observatoren: ze moeten zien wanneer ze hun stem moeten inzetten.

A.K.: Neemt u even aan dat de toeschouwer van de opera de observator is. Die ziet alleen een opvoering, die hoeft geen artillerie te vrezen.

N.L.: De opera van 1916? Of…

A.K.: …de toeschouwer die nu in 1994 naar de schouwburg gaat en een kaartje heeft gekocht. Stel dat wij beiden naar de opera gaan. Wat observeren we?

N.L.: We observeren de indifferentie van twee verschillende onderscheidingen. Op zichzelf is dat niet zo ingewikkeld. Als toeschouwer begrijp ik het stuk alleen als ik adequaat observeer, doordat ik zie: dat is een scène die valt onder het type ‘onderbreking van de uitvoering’ – een oude theatertraditie: bij Shakespeare enzovoort heb je voorstellingen in de voorstelling.

A.K.: De pauze, het mislukken.

N.L.: Ja, of in Hamlet. Doordat ik gewoon ben of getraind ben om een operavoorstelling in de opera zelf te beleven in een context die meer omvat dan alleen de operavoorstelling…

A.K.: …en nu wordt datgene wat ingrijpt, wat onderbreekt, gedefinieerd als iets wat geen pauze is, geen eenvoudige interruptie, maar iets wat de toeschouwers en het hele operagebouw kapot wil maken.

N.L.: Maar er is een onderscheid tussen die twee gevallen. Wordt die situatie op haar beurt weer in het theater binnengebracht, dan moet de toeschouwer er dus rekening mee houden dat hij beschoten wordt? Of ziet hij dat iets wat als fictie wordt beschouwd nu met een realiteit in verbinding kan worden gebracht, waarbij hij die realiteit ook als fictie moet zien? Want er gebeurt nu immers niets.

A.K.: En hij wordt nu gefascineerd door de fictie. De waarschuwing die in de zaal wordt omgeroepen, neemt hij niet ernstig. Dat had je ook in Israël, toen Irakese raketten werden afgevuurd, en het concert gewoon voortging. De muzikanten en de toeschouwers legden dezelfde dapperheid aan de dag als in de oorlog.

N.L.: Het interessante is wat er gebeurt wanneer die relatie, die interruptierelatie van externe realiteit en fictioneel verhaal zelf ook weer fictie wordt, zodat je je moet afvragen: zou er ook nu niet een bom kunnen inslaan of zich een aardbeving kunnen voordoen of een brand kunnen uitbreken of zoiets? Wie ben ik als toeschouwer, ik die moet meemaken dat zoiets kan worden opgevoerd? Voor mij is het interessante aan de Hamletsituatie de situatie van het theater in het theater, dus dat de situatie die je aanvankelijk als realiteit aanvaardt – Hamlet probeert de moordenaar op te sporen met behulp van een toneelstuk – zelf ook weer fictionele realiteit wordt. Het toneelstuk is fictie in de fictie, en de toeschouwer moet die dubbele realiteit als fictie registreren, want het gaat immers niet om een werkelijke moord. Ik vind dat een interessante situatie omdat men het theater of de opera van hun geloofwaardigheid ontdoet, doordat men er een andere realiteit bij doet, terwijl die opera eigenlijk nooit echt geloofwaardig is geweest, omdat men de hele tijd wist dat men in de opera zat. Maar er komt nog een extra ongeloofwaardigheid bij, als je ziet hoe de realiteit in het theater, in het operagebeuren ingrijpt en alles weer tot fictie wordt gemaakt.

A.K.: Maar als in 1944 de medewerkers van de opera naar het front gestuurd worden, omdat men alle schouwburgen sluit, als het fronttheater dus een opera opvoert – dan lopen die mensen werkelijk gevaar. Daar heb je dan het raakpunt, dat we overigens in de fantasie constant nabootsen. Dat is het punt dat mij interesseert, waar het fantaseren overspringt in het voorstellingsvermogen, in de realiteit. Onderscheidingen worden dan in de war gebracht – het is een normale labyrintische verhouding.

N.L.: Nee, die gaan helemaal niet samen! Je kunt toch een onderscheid maken tussen iemand die zingt en iemand die door een bom wordt getroffen. Als je het idee hebt dat straks misschien geschoten wordt, dan is het feit dat hij een beetje anders zingt dan anders eigenlijk ook…

A.K.: Aannemelijk.

N.L.: …aannemelijk. De hele fictie is toch ook een realiteit, ik bedoel, er wordt daadwerkelijk gezongen.

A.K.: Ja.

N.L.: En eigenlijk is er alleen maar een onderscheid tussen fictionele realiteit en reële realiteit. Dat het onderscheid nu indifferent kan worden, vind ik eigenlijk niet zo dramatisch, toch niet vanuit het perspectief dat u zelf al hebt gekozen, dus vanuit de vraag: wat zie ik als ik dat zie? Of vanuit het perspectief: wat zie ik als toeschouwer als mij zoiets in het theater wordt getoond?

A.K.: Wat is voor u de grammaticale conjunctief, de mogelijkheidsvorm?

N.L.: Er zijn vermoedelijk verschillende noodzakelijkheden om de conjunctief te gebruiken, om mogelijkheden conjunctief te maken. Maar om te beginnen gaat het om een distantie tussen twee realiteiten…

A.K.: …en daar hebt u weer uw onderscheiding.

N.L.: Ik kan alleen in onderscheidingen denken. Anders zou ik me afvragen, volgens welke regels gebruik ik de conjunctief, en gebruik ik hem ook werkelijk in mijn manier van spreken of niet? Maar dat is niet interessant.

A.K.: Zou u dan zeggen dat de Verlichting een massale productie van het onderscheidingsvermogen is? Kunt u dat bevestigen?

N.L.: Ja, als je weet welke onderscheiding je moet onderscheiden.

A.K.: Een zin van u luidt: “Eens men in de communicatie verstrikt is geraakt, keert men nooit nog naar het paradijs van de eenzame zielen terug.” Kunt u die zin wat toelichten?

N.L.: Daarmee bedoel ik eigenlijk het volgende: het paradijs in de Bijbel kun je als een orde zonder onderscheidingen interpreteren. Je had er dit en dat, en dat was het. Je kon je voeden en plezier maken en verder had je niets nodig. De onderscheiding werd pas ingevoerd door het verbod. Plots was de andere kant er, de verboden vrucht.

A.K.: Dat is het begin van elke maatschappij.

N.L.: Plots schaamt men zich, men maakt bij zichzelf een onderscheid: naakt of niet naakt.

A.K.: Mannelijk, vrouwelijk. In het paradijs, uit het paradijs verdreven.

N.L.: Men kan verleiden! Adam heeft waarschijnlijk nooit een rib gemist, omdat hij die rib waaruit God Eva heeft geschapen, nooit heeft onderscheiden.

A.K.: U bedoelt dat u er voor uw geboorte niet was, en dat zoiets een paradijselijke toestand was.

N.L.: Nee, in het paradijs had je in elk geval objecten, er was niet niets. Het moet er zelfs heerlijk zijn geweest. Alleen: die andere kant had je er niet, datgene waarvan iets onderscheiden moet worden. En in die zin was het ook goddelijk, want je kunt je God moeilijk voorstellen als een observator die altijd moet onderscheiden en het andere daarbij buiten beschouwing laat.

A.K.: En plotseling heb je daar, zoals de onrust in een uurwerk, het woord communicatie en de gebeurtenis communicatie. En in de evolutie is die communicatie toegenomen.

N.L.: Ja. Communicatie stoelt op taal en taal is pas mogelijk als je datgene wat je met woorden benoemt, kunt onderscheiden zoals de woorden dat verlangen. Of als je een onderscheid maakt tussen wat gezegd wordt en degene die het zegt. Voor communicatie is het nodig dat je niet zomaar het gedrag bekijkt zoals het is, maar dat je onderscheidingen kunt inbouwen.

A.K.: En in die vormen gaat de evolutie voor u verder. Dat betekent dat de evolutie niet via onze kinderen zal verlopen, want die zouden vermoedelijk niet bestand zijn tegen een mutatie, ze mogen niet blootgesteld worden aan de harde wetten van de mutatie, en wij stellen hen er ook niet bloot aan. Maar op het niveau van de onderscheidingsvermogens, van de communicaties en zeker van de systemen gaat de evolutie voort.

N.L.: En veel sneller dan dat organisch mogelijk zou zijn.

A.K.: Bij het trefwoord “heden”: in het eerste bedrijf van Faust staat: “Augenblick, verweile doch, du bist so schön!” Dat is een merkwaardige vorm van het heden. Beschrijft u dat moment eens in uw eigen woorden. Philemon en Baucis zijn daarnet omgebracht…

N.L.: Ik denk dat zoiets altijd een utopie is. Het heden is altijd een break.

A.K.: Maar op dat moment onderscheidt hij toch helemaal niets.

N.L.: Nee. Dat is zoals bij Rousseau op het Ile St. Pierre, waar hij alleen nog het klateren van de golven hoort en geen verleden of toekomst meer heeft, en gelukkig is.

A.K.: Faust heeft toch verschrikkelijke dingen gedaan, mensen omgebracht en dat verschrikkelijke kanaal aangelegd. Dat is zo’n negatieve utopie.

N.L.: Maar wanneer het heden blijft, wanneer niets meer gebeurt, behalve misschien zoals bij Rousseau dat klateren, dan is de tijd er nog altijd.

A.K.: Het uurwerk staat stil, de wijzer valt.

N.L.: Het loutere heden – dat kun je als geluksutopie nog accepteren. Dan hoef je er niet over na te denken wat van het verleden gered moet worden, wat relevant is, wat je kunt opgeven. Je hoeft niet te beslissen, kunt niet beslissen.

A.K.: Dat is dan weer in de zin van de passie: een moment lang tot stilstand gebracht.

N.L.: Ja, en ik beeld me in dat dat zo blijft. Dat is een weg terug naar het paradijs, natuurlijk voor de onderscheiding.

A.K.: Ja, maar dan niet aan het eind van het gigantische denkproces van een alchemist. Eigenlijk is dat een vreemde bankroetverklaring: de slechten varen ten hemel, misdadigers worden begenadigd en de wetenschapper beeldt zich een moment lang de terugkeer naar het paradijs in.

N.L.: Ja, daarin zit twijfel aan de beschaving en ook een omkering, de zondeval wordt iets positiefs, zoals men dat in de 17de en 18de eeuw kende: godzijdank is dat voorbij, nu kunnen we eindelijk aan de slag, en het gaat stilaan vooruit!

A.K.: Als u afgaat op uw eigen nieuwsgierigheid, zou u dan geïnteresseerd zijn in Faust? Zou u geïnteresseerd zijn in de lemuren, in de godenhemel aan het eind, of in Mefistofeles?

N.L.: Waarschijnlijk in Mefistofeles. Mijn partij is altijd die van de duivel. Die onderscheidt het scherpst en ziet het meest.

A.K.: Wat zou u een van uw belangrijkste eigenschappen noemen? Nieuwsgierigheid?

N.L.: Bokkigheid.

 

Vertaling uit het Duits: Eddy Bettens

 

Noten

[1]       Hans Ulrich Gumbrecht, 1926. Ein Jahr am Rand der Zeit, 2001.

[2]       Zie Ludwig Tieck, Franz Sternbalds Wanderungen, in: Tieck, Werke in vier Bänden, München, 1963, Bd. 1, p. 966.

[3]       Alois Hahn (° 1941), socioloog.

[4]       Over het congres, het ontstaan ervan en de plotse dood van Parsons schrijft Wolfgang Schluchter in Verhalten, Handeln und System. Talcott Parsons’ Beitrag zur Entwicklung der Sozialwissenschaften, Frankfurt, 1989.

[5]       George Spencer-Brown, Laws of Form, 1969.

[6]       Heinz von Foerster (1911-2002), natuurkundige en cyberneticus.

 

Het programma Vorsicht vor zu raschem Verstehen/Talk-Show mit Niklas Luhmann über Unterscheidungsvermögen (duur: 45 minuten) werd voor het eerst uitgezonden op 4 juli 1994 door de zender SAT.1. Sinds 15 juli 2001 wordt het programma ongeveer tweemaal per jaar herhaald op XXP.

Bovenstaande tekst is een vertaling van de tekst van het interview die werd opgenomen in de bundel Warum haben Sie keinen Fernseher, Herr Luhmann? Letzte Gespräche mit Niklas Luhmann (red. Wolfgang Hagen), verschenen in 2004 bij Kulturverlag Kadmos, Lehrter Strasse 46, 10557 Berlijn (030/397.89.394; info@kv-kadmos.com; www.kv-kadmos.com).

Blokwatch

Bart Meuleman: Wat is Blokwatch?

Marc Spruyt: Blokwatch is een nieuwssite, een virtueel archief- en documentatiecentrum, een kritisch observatorium en een verzamelpunt voor onderzoek naar en over extreem-rechts in Vlaanderen – de naam bevat een verwijzing naar het Vlaams Blok. Tot een jaar geleden was het VB heer en meester op het internet – toch als het ging over het beheer van informatie over die partij. Er waren wel kranten, tijdschriften, radio en tv die over het fenomeen berichtten, maar de partij is – door de manier waarop ze zich behandeld voelt door die media – zwaar gaan investeren in ‘alternatieve berichtgeving’, dus in internet. Zonder dat iemand dat problematisch vond, heeft het VB zo een monopolie gecreëerd op een medium dat makkelijk toegankelijk is en vooral geconsulteerd wordt door jongeren. Ik ben daar in 2004 over gaan nadenken. Mijn laatste boek dateerde toen alweer van vier jaar geleden, en omdat jongeren eerder voor hun computer gaan zitten dan een bibliotheek binnenstappen, leek het mij tijd voor een serieuze nieuwssite over het VB als alternatief voor de bruine internetdiarree.

B.M.: Wat voor soort materiaal komt er op Blokwatch terecht? Wie levert dat materiaal aan?

M.S.: Enerzijds ambiëren we een historisch luik: feiten, data, personen, dat is bijna encyclopedisch. Daarnaast is er een luik met onderzoeksjournalistiek, meer actuele feiten die in de mainstream media minder aan bod komen, door het simpele feit dat veel journalisten het VB niet diepgaand volgen. Voorts maken we studenten wegwijs via onze thesisservice en ons uitgebreide bibliografische overzicht. Overigens is er op Blokwatch behalve ernst ook plaats voor satire en luim: zolang we er nog mee kunnen lachen moeten we er niet om huilen…

Blokwatch is geen eenmansbedrijfje, maar een team van mensen. Het groepeert eigenlijk vier initiatieven die vorig jaar op internet aan de gang waren. De site zelf is ontwikkeld door een drietal mensen die vooral nadenken over de technische opbouw, anderen houden zich bezig met de ‘marketing’. Gezien mijn met de jaren opgebouwde expertise ben ik zelf de voornaamste leverancier van teksten voor Blokwatch. Een gebeurtenis in de actualiteit is voor mij meestal een kapstok om iets te vertellen dat eigenlijk al langer klaarligt en veel meer omvat dan dat feit op zich. Recent bijvoorbeeld gaf Dewinter een interview in de joodse krant Haaretz. Dat was voor mij de aanleiding om nog eens te herinneren aan de goede contacten die hij onderhield met notoire antisemitische kringen in Vlaanderen.

Eind 2004 zijn we begonnen, met een internetpetitie die gericht was aan de politici, over de wet die het mogelijk maakt om de dotatie af te nemen van extreem-rechtse partijen. Wij hebben de politici toen opgeroepen om werk te maken van het uitvoeringsbesluit daarover. Dat was een groot succes.

B.M.: Bij de politici?

M.S.: In de eerste plaats bij het publiek. Er bestaan honderden internetpetities, maar wij zijn er toen in geslaagd bijna 60.000 handtekeningen te verzamelen. Het was de grootste internetpetitie die er in België ooit geweest is. Het VB haalde met zijn petitie tegen het migrantenstemrecht amper 15.000 internetstemmen. Een beetje een symbolische kwestie dus, maar goed. Het was ook een geslaagde manier om Blokwatch te lanceren, want daar zijn we veel mee bezig: hoe komen we in de belangstelling? En welk discours hanteren we over het VB? We plaatsen ons in het hart van de samenleving, niet in de marge. Vergeet niet dat de overgrote meerderheid van de Belgische bevolking tegen extreem-rechts is. We behoren tot het centrum van de maatschappelijke krachten die bezorgd zijn over het VB.

B.M.: Je zei daarnet dat journalisten in België het VB niet voldoende volgen. Een krasse uitspraak.

M.S.: Ik merk dat constant. Journalisten hebben mij in het verleden wel eens opgebeld om te vragen wat er in het 70-puntenplan stond. Journalisten van politieke redacties…

B.M.: Van kwaliteitskranten?

M.S.: Nee, wel van de televisie. In elk geval vragen we ons af hoe we onze informatie verspreid krijgen buiten onze eigen kringen. We mogen in alle bescheidenheid zeggen dat we een van de weinige sites zijn die erin slagen om ook nieuws te ‘maken’. Totnogtoe een vijftigtal keren. Helaas is het meestal enkel De Morgen die onze feiten oppikt – een krant die niet door VB-kiezers gelezen wordt.

Eind oktober, tijdens de staking, had ik een artikel voor Blokwatch gemaakt waarin ik onderzocht wat het VB–standpunt was over stakingen tout court. Ik heb in hun geschriften gezocht tot ik iets tegenkwam – ik moest daarvoor teruggaan tot 1993. De Morgen heeft dat de volgende dag opgepikt. Nadien ook Knack. Het Laatste Nieuws doet zoiets jammer genoeg nooit, al vermeldt die krant ons tegenwoordig wel als ze op haar website over het VB schrijft. Maar uit dat alles blijkt dat men het VB over het algemeen niet goed volgt. Binnenkort hebben ze bijvoorbeeld een sociaal-economisch congres. In 1996 deden ze dat ook al, maar weinig politieke journalisten van vandaag weten dat. De pers is over het algemeen zeer nonchalant. Ze maakt de terugkoppeling naar het programma zelden. Uitspraken van VB-kopstukken in interviews daarentegen blaast men graag op. Dat is alleen maar interessant als men dat in de context van het partijprogramma plaatst. Wat men dus veel te weinig doet. De televisie is daar nog erger in dan de geschreven media.

B.M.: Heeft Blokwatch impact?

M.S.: Om te beginnen blijkt dat uit het bezoekersaantal. We zaten nu aan 2.000.000 ‘raadplegingen’, over een geheel van 400.000 bezoeken. Dat is behoorlijk goed. We komen via enquêtes ook te weten wie onze site raadpleegt. Het gaat duidelijk niet alleen om VB’ers.

Soms slagen we er ook in een rol te spelen in het politiek debat over het VB. Toen we de site lanceerden, hebben we onder meer uitgepakt met een foto waarop Koen Dillen poseerde naast Leon Degrelle, een foto van een jaar of tien geleden. De RTBF is daar toen opgesprongen. De Vlaamse pers, op De Morgen na, vond dat geen nieuws. En soms lukt het wel eens om onze informatie tot op het politieke niveau te brengen. Eind 2004 had het VB opgeroepen om te betogen tegen de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Filip Dewinter zelf had daartoe aangespoord. We hebben toen onderzocht wie er allemaal ging deelnemen aan die betoging, en dat bleken behoorlijk aangebrande organisaties. We stuurden ons dossier door naar de pers, waarna De Morgen kopte: “VB hand in hand met neonazi’s tegen Turkije.” Verhofstadt heeft toen in het parlement naar dat artikel verwezen, en de mobilisatie is gestopt. De betoging ging diezelfde avond wel door, maar zonder het VB. Dat zijn toch vervelende dingen voor die partij.

B.M.: Kom je ooit zelf in aanraking met het VB?

M.S.: Ik zoek bewust geen situaties op waar men mijn aanwezigheid kan zien als een provocatie. Ik ben daar nuchter en realistisch in, want ik beschik niet over het beschermde statuut van journalist. Maar ik heb in het verleden [toen Marc Spruyt freelance journalist was, bm] veel VB’ers geïnterviewd, zodat ik nu vrij goed in staat ben de waarde van een interview in te schatten. Ik krijg wel veel informatie van VB’ers die gefrustreerd zijn binnen hun eigen partij en zich ten einde raad dan maar wenden tot ‘de vijand’. Een klassieke strategie tegenover journalisten. Maar als we willen weten wat een VB’er denkt, moeten we vooral lezen wat hij geschreven heeft. Het is een genuanceerd verhaal, maar ik denk niet dat het alleenzaligmakend is om met het VB te praten. Het geschreven woord heeft ook zijn belang… We moeten ook niet vergeten dat de interviews er vaak komen op vraag van de geïnterviewde zelf, en die heeft altijd bijbedoelingen.

 

www.blokwatch.be

Het ‘falen’ van extreem-rechts in Wallonië. Een gesprek met Guido Fonteyn

Koen Brams/Dirk Pültau: Eén zin in jouw bijdrage viel ons meteen op: “Waarom brak uiterst-rechts tot nu in Wallonië niet door.” Wij hebben de indruk dat extreem-rechts met de laatste verkiezingen wél is doorgebroken. Waarom zie jij dat anders?

Guido Fonteyn: Het Front National haalde bij de vorige regionale verkiezingen 8 procent, met een piek in Charleroi. Is dat een doorbraak of niet? Ik denk van niet. Als men heel ver teruggaat, dan is er één doorbraak van extreem-rechts geweest, vlak voor de Tweede Wereldoorlog, toen Léon Degrelle met de Rex-beweging 21 leden in het parlement haalde. Eén legislatuur heeft dat geduurd… maar dat was een ander soort uiterst-rechts, dat was het extreme katholicisme van die jaren. Je kunt dat niet zomaar verbinden met de electorale overwinningen van het Front National.

K.B./D.P.: Aan Vlaamse kant worden de verkiezingen van 1991 steevast gezien als de doorbraak van extreem-rechts. Het Vlaams Blok haalde toen 10,3 procent van de stemmen; en dat noemen wij “zwarte zondag”. Maar in Wallonië doet extreem-rechts het bij de laatste verkiezingen ook goed: 16,7 procent in Charleroi, 11,3 procent in Mons, 8 procent in Luik. Het is frappant dat deze percentages aan Waalse kant geen gespreksonderwerp zijn.

G.F.: Dat komt omdat het in Wallonië zo’n vaart niet zal lopen. De grote doorbraak van het Vlaams Blok is er pas gekomen nadat de partij een xenofoob programma heeft gepresenteerd. Maar in Wallonië zijn de vreemdelingen geen thema. De Walen kennen dat al 150 jaar. Ze hebben met vreemde bevolkingsgroepen leren omgaan: eerst de Vlamingen, dan de Italianen, Turken of Marokkanen. Het is niet toevallig dat de laatste twee minister-presidenten Van Cauwenberghe en Di Rupo heten… Racistische oprispingen of rellen zijn volgens mij niet mogelijk in Wallonië. Daarvoor kent de Waalse maatschappij dat fenomeen al te lang – terwijl Vlaanderen er pas na 1960 mee geconfronteerd is.

K.B./D.P.: Dat is een heel goede verklaring voor het feit dat racisme en immigratie geen topic zijn in Wallonië. Maar dan blijft de vraag waar die hoge percentages vandaan komen.

G.F.: Die komen er door de algemene economische toestand. Je moet maar in La Louvière of in Charleroi gaan rondlopen, of in bepaalde wijken van Luik. De helft van Seraing is compleet vervallen. In La Louvière vind je huizen met twintig brievenbussen op een kleine gevel. Die mensen leven daar echt in miserabele omstandigheden, ondanks de solidariteit van Vlaanderen, via de sociale zekerheid… Dat proces is trouwens al een halve eeuw aan de gang. En het is nu nóg bezig. Er is daar geen toekomstperspectief! Met andere woorden, de omgevingsomstandigheden voor extreem-rechts zíjn er, maar op zich lijkt mij dat niet voldoende opdat de Waalse kiezer massaal naar een wisseloplossing zou gaan zoeken. Daarom leg ik de nadruk op het piramidale PS-systeem, dat belet dat het – ondanks die omgevingsomstandigheden – die kant opgaat.

K.B./D.P.: Als we jouw tekst oneigenlijk zouden lezen, dan is echter nog een andere hypothese mogelijk: het PS-systeem, dat jij beschrijft, zou kunnen verklaren waarom extreem-rechts geen thema is.

G.F.: Dat is de basis van mijn these. Het betekent geen goed- of afkeuring van dat systeem. Maar het betekent wel dat werklozen, om maar iets te zeggen, altijd terecht kunnen bij hun burgemeester. Ze voelen zich niet in de steek gelaten.

K.B./D.P. Het PS-systeem is ook een verklaring voor het feit dat het probleem van extreem-rechts gewoon niet ter sprake kan worden gebracht.

G.F.: Dat lijkt me sterk uitgedrukt, er verschijnen wel degelijk artikelen in de Waalse kranten over het Front National. Er wordt wel degelijk over bericht. Al klopt het dat het algemene discours er niet door overheerst wordt.

K.B./D.P.: Je geeft zelf aan dat het piramidale systeem van de PS nadelen en excessen met zich meebrengt. Neem bijvoorbeeld die uitzending op de RTBF waar de interventie van Alain Destexhe van de MR, een mandataris die zeer kritisch staat tegenover het Marshall-plan van Elio Di Rupo, botweg is weggeknipt. Dat is toch een symptoom van dat piramidale systeem?

G.F.: Dat is het PS-systeem, inderdaad. En nogmaals, ik verdedig dat systeem niet. Mijn vraag is: wat houdt uiterst-rechts in Wallonië tegen? Ik vermoed dat het antwoord bij het PS-systeem ligt. Dat PS-systeem werkt zeer functioneel, heeft buitengewone medewerkers, maar ook extreme kanten. Rechtstreekse inmenging in televisieprogramma’s en dat soort zaken, het hoort er allemaal bij, en dat is inderdaad zeer erg.

K.B./D.P.: Als je die nadelen in ogenschouw neemt, is het dan niet verstandig dat Elio Di Rupo dat PS-systeem aanpakt, dat hij erop toeziet dat er minder populistische figuren en meer echte technocraten aan het roer komen te staan.

G.F.: Maar het héle systeem is niet corrupt! Er is corruptie, en niet weinig, denk maar aan de affaires rond de sociale huisvestingsmaatschappij La Carolorégienne en andere huisvestingsmaatschappijen. Een aantal van die maatschappijen zijn nu voor de rechter gedaagd, en vergeet niet: dat was een gevolg van een audit die uitging van het overkoepelende orgaan van de Waalse huisvestingsmaatschappijen. Een paar van die gevallen zijn daarna in de pers geraakt. Er zijn dus voldoende mensen die ingaan tegen de negatieve aspecten van die piramide. Wat ik echter vrees, is dat Di Rupo bezig is zowat iedereen tegen zich in het harnas te jagen. Hij heeft zich omringd met een groep van zeer jonge technocraten die uit zijn onmiddellijke omgeving komen. Op Rudy Demotte na, waren zij nauwelijks bekend. En hij wekt nu de indruk dat alles buiten die kring corrupt is, of het scheelt toch niet veel. Ik denk dat hij zich serieus vergaloppeert. Nog afgezien van het feit dat hij drie functies combineert. Zoiets kan toch niemand.

K.B./D.P.: Ondertussen is het toch frappant dat Waalse politici zo vaak afgeven op het succes van het VB in Vlaanderen, terwijl het FN op sommige plekken in Wallonië niet slecht scoort. Daar wordt dus niet over gesproken.

G.F.: Toch wel, neem nu die openingszitting van het Waals Parlement, toevallig voorgezeten door Petitjean. Waarom breng ik dat in mijn tekst ter sprake? Dat was bij momenten bijna een kleuterklas! Petitjean mag dan beminnelijk zijn, dat speelt geen enkele rol. Men gaat er radicaal tegenin. Het zogenaamde cordon sanitaire, dieschutskring om een mooier woord te gebruiken, wordt in Wallonië op de meest absolute manier toegepast. Er wordt gewoon naar gehandeld.

K.B./D.P.: Het discours van de Waalse politici focust wel volledig op het succes van het VB.

G.F.: Dat is te begrijpen. Wij slagen er ook niet in dat succes te verklaren. Ik geef nogal wat lezingen in Wallonië, en altijd luidt de eerste vraag: leg me nu eens uit waarom dat Vlaams Blok zoveel stemmen haalt. Telkens moet ik het antwoord schuldig blijven, vandaar dat ik begrijp dat zij afgeven op zo’n samenleving. Moest het Blok ooit een meerderheid behalen, dan zullen de Walen volgens mij met België breken. Dat zal zwaarder wegen dan de Vlaamse steun die ze genieten via de sociale zekerheid.

K.B./D.P.: Over Charles Petitjean schrijf je op een gegeven moment dat de PLP hem kwijt wilde. Vervolgens stapte hij uit rancune over naar het FN. Waarom wilde de PLP hem kwijt?

G.F.: Ik veronderstel omdat er een andere, nieuwe en jongere kandidaat in die regio opdoemde. Petitjean is ondertussen ver in de 70, en men wou plaatsmaken voor jongeren.

K.B./D.P.: Het feit dat hij kiezers heeft meegetrokken, zou ook kunnen verklaren waarom het FN in die regio tijdelijk winst heeft geboekt.

G.F.: Dat is goed mogelijk. Maar Petitjean is een vrij lokale figuur, ik denk niet dat hij in Luik gekend is. Hij duikt niet op in de media. Ik heb hem eruit gehaald omdat hij een alternatief maison du peuple had opgericht, iets wat je een liberaal niet gauw ziet doen. En daardoor heeft hij toch wat kiezers naar zich toegetrokken die anders bij de PS waren gebleven.

K.B./D.P.: Je schetst een wat aandoenlijk portret van Petitjean. Het doet een beetje denken aan Karel Dillen, de gewezen voorzitter van het VB, en aan de manier waarop Dillen vroeger bekeken werd in Vlaanderen. Stel nu dat er een jonge generatie FN’ers aantreedt die, zoals de jongere Vlaams Belangers, toch over het nodige appeal en de nodige opportunistische intelligentie beschikt?

G.F.: Dat is puur hypothetisch. Ik kan alleen maar vaststellen dat er zich in de verste verte niemand aandient. Jongere of opvallender figuren vind ik bij de rattachisten, die voor aanhechting bij Frankrijk zijn, en bij de nieuwe regionalisten. Maar bij de FN, niemand, absoluut niemand. Happart is een populistisch figuur, ja, maar hij zit bij de PS.

K.B./D.P.: Je hebt allicht gelijk dat het PS-systeem extreem-rechts op afstand houdt, kwestie is alleen hoe zwaar je de tol inschat die daarvoor moet worden betaald. We hebben het dan over de werking van het PS-systeem en de démocratie participative in het bijzonder. De démocratie participative bestaat erin dat er een permanente nabijheid wordt gesimuleerd. De politiek staat permanent klaar voor de vragen en verlangens van de kiezer. Dat heeft toch een perverse kant; voor je het weet glijdt dat af naar het corrupte…

G.F.: Neen. Nu kan ik alleen maar neen antwoorden.

K.B./D.P.: …nog afgezien van de vraag of zoiets realiseerbaar is op grote schaal. En de démocratie participativefunctioneert blijkbaar alleen als de partij die het systeem beoefent over absolute meerderheden beschikt.

G.F.: Dat is eigen aan het piramidale systeem. Het functioneert alleen perfect, of bijna perfect, in die streken waar er absolute meerderheden zijn. Maar de geschiedenis heeft ervoor gezorgd dat er absolute meerderheden zijn op de hele as van Samber en Maas, op Luik na, omdat er in Luik reeds lang een grote burgerij is. Maar in al die andere steden zijn er absolute meerderheden. Mij lijkt de démocratie participative, zoals Taminiaux die in La Louvière toepast, een =voorbeeld van de positieve aanwending van het piramidale systeem. Dat systeem wordt de mensen trouwens niet opgedrongen. Er zijn samenkomsten met buurtcomités, en komt wie komen wil.

K.B./D.P. Men moet de burger toch ook durven zeggen: “Verwacht niet dat de politicus op elk moment van de dag klaar staat.” Parlementaire democratie houdt nu eenmaal in dat je iemand een mandaat geeft.

G.F.: In een ideaal systeem is het inderdaad zo dat je om de vier jaar stemt en dat je de mandatarissen dan hun werk laat doen. Theoretisch heb je dus gelijk. Maar dat is dan ook pure theorie. Er is in Wallonië een traditie van nabijheid, al sinds het uitbreken van de crisis. Dat komt omdat de noden daar zo groot zijn. Je zal maar in La Louvière wonen, in een van die logementshuizen, en er vrede mee moeten nemen dat je één keer om de vier jaar mag stemmen. Dát lijkt mij pas een uitnodiging om voor het FN te kiezen.

 

Kunst en onderzoek: een gesprek met Joëlle Tuerlinckx

Koen Brams/Dirk Pültau: We willen het hebben over onderzoek, over onderzoek in het algemeen en over jouw onderzoek in het bijzonder…

Joëlle Tuerlinckx: Waarom willen jullie het daar met mij over hebben? Volgens mij doe ik iets heel gewoons wanneer ik onderzoek, en ik denk bovendien dat ik in mijn onderzoek op een heel gewone manier te werk ga.

K.B./D.P.: We vragen het natuurlijk niet alleen aan jou. Op dit ogenblik praten we erover met verschillende kunstenaars. Maar het is wel zo dat we nog het meest van al in jou geïnteresseerd waren, toen we over kunst en onderzoek begonnen na te denken. Misschien juist omdat jouw werk ons niet zo typisch leek voor de topoi en werkwijzen waar zoveel kunstenaars vandaag in hun onderzoek mee te koop lopen.

J.T.: Vinden jullie ook niet dat de dimensie van het onderzoek tegenwoordig door te veel kunstenaars op de voorgrond wordt geplaatst?

K.B./D.P.: Ja, precies.

J.T.: Dan begrijp ik jullie al wat beter. Ik heb de indruk dat het woord onderzoek letterlijk aan het leeglopen is. Stilaan verliest het alle betekenis die er potentieel in vervat zit, de betekenissen die men er ooit aan heeft willen geven of die men eraan dacht te kunnen geven. Ik vind het eigenlijk nogal banaal te zeggen dat een kunstenaar zoekt. Het is het eerste wat je kan voelen wanneer je een atelier binnenkomt: de immateriële sfeer van het onderzoek. Maar nu maakt zowat iedereen aanspraak op dat woord. Het beleeft een inflatie en wordt naar voren geschoven als een ‘strategie’: nog zo’n woord dat te grabbel wordt gegooid. Ik ben niet zeker of dat nu te wijten is aan de kunstenaars zelf of aan de hele structuur van curatoren en critici. De voorbije tien jaar krijg je sterk de indruk dat het hele systeem, zeker het systeem van curatoren, terecht is gekomen in een stroomversnelling waarbij men steeds makkelijker met onderwerpen, begrippen en terminologieën uitpakt. Termen en praktijken worden zo samen geïnstitutionaliseerd.

K.B./D.P.: En jij denkt dat die institutionalisering ons ertoe dwingt om de termen opnieuw te definiëren?

J.T.: Juist. Ik denk dat we er goed aan doen de termen te herdenken en strakker te maken en dat de kunstenaar zijn onderwerp beter zou moeten definiëren, zeker wanneer zijn onderwerp, dat zo vanzelfsprekend lijkt, net bestaat uit het onderzoek zélf, uit een attitude en een specifieke methode.

K.B./D.P.: Kunnen we ook niet denken aan een derde weg, waarbij jij jouw onderzoek inzet als een methode die zich verzet tegen haar eigen institutionalisering?

J.T.: Misschien wel. Dat is een goed idee.

K.B./D.P.: Sinds wanneer ben je bewust in onderzoek geïnteresseerd?

J.T.: Al van toen ik kind was. De vraag waarom ik bepaalde dingen veel liever deed dan andere heeft mij altijd beziggehouden. Ik herinner mij een periode die jaren heeft geduurd. Ik woonde op het platteland en maakte boeketten, als een serieuze activiteit. Ik deed dat graag en had een hekel aan de exemplaren die ik soms in de winkels zag staan. Algauw besefte ik dat ik met het maken van die boeketten op zoek was naar probeersels en experimenten; het waren geen pogingen om een welbepaald effect te reproduceren. Rond dezelfde tijd ging ik ook allerlei scheikunde- en verfdozen kopen, alle mogelijke en denkbare dozen die je toen op de markt kon vinden, zonder ooit een handleiding te lezen. Ik was dus zeker door de wetenschap gefascineerd, maar niet in die mate dat ik de experimenten uitvoerde met een duidelijk doel voor ogen: vinden vond ik vervelend. Beetje bij beetje begreep ik dan dat ik alleen in het kunstonderwijs ruimte zou krijgen om dat soort zoekacties te ondernemen, zonder bij voorbaat resultaten te moeten boeken en zonder de noodzaak tot identificatie. Want mijn experimenten hadden toen niet per se een naam of label. Ik herinner mij ook dat ik in het erg burgerlijke dorp waar ik toen woonde een tijdlang verzot was op het bedenken van allerlei komische performances. En ik gaf er ook een eigen naam aan: blagues de société.

K.B./D.P.: Een soort solipsistische happenings?

J.T.: Vandaag zou men dat automatisch performances of happenings noemen, of statements of acties of iets dergelijks. Zelf zou ik het nu waarschijnlijk sculpturen noemen. Toen ik later aan de universiteit van Gent een workshop mocht organiseren, noemde ik het action without knowing. Dat is een term die misschien ook los van de specifieke context en referenties kenmerkend is voor de zoekacties uit mijn kindertijd en voor de manier waarop ik mij verhoud tot onderzoek. Wat mij opvalt is dat het huidige succes van termen als ‘onderzoek’ en ‘werk’ – iedere kunstenaar ‘werkt’ tegenwoordig ‘rond’ iets – om nog maar te zwijgen van een term als ‘strategie’, in het nadeel van termen als ‘idee’ of ‘studie’, wijst op een lexicale contaminatie door de bedrijfswereld. Je verricht zogenaamd onderzoek om kennis te vergaren, je werkt om resultaten te boeken en te produceren… Niet voor niets valt die lexicale evolutie samen met een heuse versnelling van het systeem, die gepaard gaat met een toenemende vermarkting en professionalisering. Kunst heeft altijd wel raakvlakken gehad met een sociale praktijk, van politieke of religieuze of andere aard, maar ik denk wel dat je er vroeger makkelijker een vorm van vrijheid en kritische distantie in kon vinden. Misschien is de huidige situatie niet zo fundamenteel anders dan in de tijd van de kathedraalbouwers, maar ik denk toch dat het door het geglobaliseerde systeem van kunstbeurzen en biënnales bijzonder moeilijk is geworden om je nog te onttrekken aan de schijnbare noodzaak de kunstwereld te beheren als een enorme logistieke en mercantiele organisatie.

K.B./D.P.: Maar daarmee is elke vorm van verzet nog niet uitgesloten?

J.T.: Ik blijf ervan overtuigd dat kunst tijd nodig heeft. In de huidige stroomversnelling gebeurt alles alsof er een grens is overschreden, een limiet die je verplicht een stap terug te zetten, een beetje zoals wat er in de luchtvaarttechniek gebeurde met de Concorde. Wanneer de dingen erg snel gaan en een oppervlakkige behandeling krijgen, krijg je een vorm van steriliteit.

K.B./D.P.: Staat dat je werk in de weg?

J.T.: Nee, dat niet, integendeel, maar ik denk dat je waakzaam moet zijn.

K.B./D.P.: Een stap terug zetten, het fenomeen sterilisering bestuderen en benutten… Is dat je werkwijze?

J.T.: Het is minstens een zienswijze. Ik was altijd al geïnteresseerd in context, in het bevragen van de context. De modellen van Asher en Buren vormen voor mij nog steeds een referentie; het is iets wat mij gaande houdt. Aangezien ik weigerachtig sta tegenover de onttovering van het conceptuele en altijd voorbij het concept wil gaan, het wil toepassen en in de praktijk wil brengen, voel ik mij door die historische referenties totaal niet gehinderd. In mijn tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum bijvoorbeeld, kon men exact het tegenovergestelde zien van wat ik deed in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen: voor The fascinating faces of Flandershebben we het ganse museum wit geschilderd – de muren waren eerst stoffig rood – terwijl ik in Maastricht een reeks kleurrijke decors heb ontwikkeld. De aandacht voor de context is onze redding, denk ik; de verschillende werkwijzen zijn nooit tegenstrijdig, en als dat al het geval is, dan ben ik ervan overtuigd dat kunst waarschijnlijk de enige discipline is die haar eigen tegenstrijdigheden niet moet zien op te lossen. Ze moet die eerder thematiseren. Politici kunnen zeggen dat alles zwart of wit is, maar wij kunstenaars hebben de plicht te zeggen dat alles niet zo eenvoudig is, dat er geen dichotomieën zijn. Het is een houding die ons het recht geeft om te kritiseren wat ons terzelfdertijd fascineert. Het is ook een positie die ons toelaat om ogenschijnlijk aan de oppervlakte te blijven, teneinde de structuren beter te onderzoeken.

K.B./D.P.: Wat ons bij je tentoonstelling in het Bonnefanten opviel, was de kritische teneur van je video’s.

J.T.: De video’s gaven uitdrukking aan mijn ambivalente gevoelens tegenover een andere vorm van sterilisering: de sterilisering van de werkwijze. Zoals ik al zei is het maar een kleine stap van een steriele terminologie naar een steriele praktijk. Je zou zelfs kunnen zeggen dat die twee samengaan. In de video’s reageerde ik op de actuele topos van de uitvergroting. Dat heeft me altijd beziggehouden, maar vandaag krijg ik de indruk dat je om het even welk beeld maar hoeft uit te vergroten, dat je maar één film per zaal hoeft te tonen om al te geloven dat je een museumruimte helemaal kunt bezetten. Ik vind dat een goed voorbeeld van een werkwijze en een methode die tot een strategie is verworden. Begrijp me niet verkeerd, ik wil daarmee niet zeggen dat je maar beter helemaal abstractie maakt van strategieën; kunst wordt altijd gevoed door wrijvingen met de realiteit, en in dien verstande moet de kunst een zeker aantal strategische antwoorden ontwikkelen. Alleen is de realiteit vandaag echt wel complex geworden. Simpel gezegd: vroeger worstelde men met de primaire kleuren en een paar andere, natuurlijke pigmenten; vandaag beleven we een explosie op alle niveaus: materialen, dragers, taalgebruik, attitudes, systemen… en bemiddelaars.

K.B./D.P.: Wat we ondertussen de professionalisering van de kunst noemen…

J.T.: Inderdaad, als je daarmee verwijst naar alle professionelen die hetzelfde object bestuderen op dezelfde manier en met dezelfde referenties.

K.B./D.P.: En aangezien jij nu eenmaal niet van gestandaardiseerde boeketten houdt… Maar om terug te komen op het onderzoek van een kunstenaar: hoe kan iemand daarmee in aanraking komen?

J.T.: In een atelier. Het is trouwens erg moeilijk en misschien ook niet echt opportuun om het onderzoek daaruit weg te halen. Wanneer je met een minimum aan ontvankelijkheid een atelier binnenkomt, kun je onmiddellijk voeling krijgen met de coherentie van een denkwereld, ook al sta je op het eerste gezicht oog in oog met een wereld die zowel qua affecten als percepten uit brokstukken bestaat. Wat er in die wereld op het spel staat, is net de betekenis die groeit uit het verband dat de kunstenaar tussen dat alles zal leggen. Eigenlijk denk ik dat een van de functies van kunst eruit bestaat om werelden die door sociale of politieke compartimentering werden losgekoppeld aan elkaar te koppelen. Maar het werk dat zich onder dat netwerk van koppelingen afspeelt, en wat in mijn opvatting dus het onderzoek uitmaakt, behoort per definitie tot de orde van het onzichtbare, van datgene wat niet getoond kan worden.

K.B./D.P.: Je bedoelt dat het zichtbaar maken van het onderzoek de eerste stap is naar de sterilisering ervan.

J.T.: Ja. Alle stappen in de richting van een programmering van het onderzoek door curatoren hebben overigens tot een mislukking geleid. Tot simulatie en fetisjisme. Daarom ben ik terughoudend wanneer iemand mijn atelier wil filmen. Het is er trouwens koud, in de winter heb je er drie truien nodig en het is een varkensstal. Nee, ik denk dat het onderzoek moeilijk te communiceren valt, omdat je in mijn definitie van artistiek onderzoek niet noodzakelijk weet waar je uitkomt. Je weet niet waar je onderzoek voor dient en of het wel ergens toe dient. Ik zou hier een esthetische metafoor kunnen gebruiken en het onderzoek kunnen gelijkstellen met het werk van een beeldhouwer: ik denk graag dat het noodzakelijk is dat er tussen de kunstenaar en zijn onderzoeksobject luchtblijft zitten. Dat vergt veel tijd. Ook wanneer men iets vindt, wanneer men ergens bij uitkomt, blijft het resultaat van het onderzoek immaterieel en ontastbaar: het moet eerst worden omgezet in een tekst of in een heel systeem van tekens of symbolen. De veronderstelling dat je je onderzoek kunt presenteren of zelfs exposeren is dus intrinsiek tegenstrijdig. Aan het omslachtige proces van omzetting en sedimentering moet je veel energie en middelen besteden. En aangezien er in onze maatschappij niet zoveel geld beschikbaar is voor zaken die niet a priori direct kunnen worden gecommuniceerd of geïnstrumentaliseerd, kunnen sommige kunstenaars de verleiding niet weerstaan om hun onderzoek te tonen en daarmee vast te leggen.

K.B./D.P.: Voor die kunstenaars is het toch ook een manier om zichzelf te definiëren, om ‘hun onderwerp’, hun werkobject te bepalen.

J.T.: Daarmee raken jullie aan een ander punt dat mij bezighoudt. Het eerste wat van een jonge kunstenaar wordt verlangd, is dat hij zich uitdrukt, dat hij een discours over zijn werkobject ontwikkelt. Natuurlijk denk ik ook dat we allemaal ons ‘thema’ hebben, een onderwerp dat we uitdrukken, maar voor mij zou het juister en nuttiger zijn te zeggen dat we ‘door’ iets werken (emotioneel, perceptief of intellectueel), eerder dan dat we ergens ‘rond’ werken – steeds weer vanuit het oogpunt van economische rentabiliteit. Ook de impliciete gedachte dat je de kunstenaar van een bepaald thema bent, staat mij bijzonder tegen. Dat je bijvoorbeeld wordt gelabeld als de kunstenaar van ‘de punten’ of van ‘het licht’. Zoals een Amerikaanse landbouwer die zich specialiseert in de teelt van een welbepaalde bonenvariëteit. Ook dat komt voort uit een misplaatste toe-eigening en pseudospecialisering die zich richt naar de logica van het economische systeem. Alsof een ‘onderwerp’ iemand kan toebehoren, alsof datgene wat kunst interessant maakt niet juist bestaat uit de confrontatie en ontmoeting van de singuliere behandelingen die door verschillende kunstenaars worden gegeven aan bepaalde deelgebieden van de werkelijkheid. Dat is trouwens een van de redenen waarom Willem Oorebeek en ik hebben beslist om samen te gaan werken vanuit gemeenschappelijke obsessies en fascinaties, zoals het zwart, punten en black-out. Het was een rijke ervaring die tot een mooie publicatie heeft geleid. Wel is het betekenisvol dat niet één van de tentoongestelde werken werd verkocht. Bij gebrek aan toe-eigening en identificeerbare labels waren de verzamelaars duidelijk een beetje in de war. Ze wisten niet meer of het nu een werk van Willem Oorebeek of van Joëlle Tuerlinckx betrof. Stel je voor dat men in de westerse renaissance van de ene dag op de andere per decreet had besloten dat Raphaël de schilder van de madonna’s was en dat alle andere kunstenaars zich maar ergens anders mee bezig moesten houden. Waar zouden we nu dan staan? Het is natuurlijk een paradox dat we met enige afstand en op wereldschaal beseffen dat iedereen uiteindelijk hetzelfde doet, of dat we verschillende dingen doen op gestandaardiseerde wijze.

K.B./D.P.: Je wil zeggen dat er wel verschillende onderwerpen zijn, maar dat je eenzelfde verhaal kunt vertellen of eenzelfde praktijk kunt hebben.

J.T.: Absoluut. En dat gevoel wordt nog versterkt door de formats van het kader waarin al dat werk wordt gepresenteerd. Ik denk meer bepaald aan de biënnales en andere manifestaties van ons global salon, die ik weiger te zien als een weerspiegeling van de kunstwereld. Natuurlijk zijn er ook bij die erin slagen een zekere analytische distantie te behouden en hun positie te bepalen, zoals bijvoorbeeld de laatste Documenta. Begrijp mij ook niet verkeerd, ik bedoel niet dat kunst het kan of zou moeten kunnen stellen zonder bemiddelaars, galeries, curatoren, critici of museumdirecteurs. Integendeel zelfs, kunst heeft daar eens te meer nood aan wanneer ze wil blijven werken in een richting die niet noodzakelijk onderworpen is aan een concept van wat toegankelijk is voor het grote publiek. Ik verwerp dus niet de functies maar eerder de algemene organisatie van een kader dat iedereen dreigt te instrumentaliseren. Wat mij in die evolutie verontrust, is dat de indeling in formats, per thema of per onderzoeksonderwerp, een globale weerslag heeft op de manier waarop je de kunstwereld zou kunnen beleven als een gemeenschap van individuen. Brussel is duidelijk nog een uitzondering, maar in New York bijvoorbeeld is de geweldige periode van de minimal art, toen mensen als Sol LeWitt of Eva Hesse nog over het werk van andere kunstenaars schreven, al lang voltooid verleden tijd. De economische logica heeft alles een stuk taaier gemaakt, ook de relaties tussen de kunstenaars onderling… Waarschijnlijk verklaart dat waarom er vandaag geen echte bewegingen meer zijn: ieder voor zich… Er zijn zeker nog modes, maar geen bewegingen meer.

K.B./D.P.: Nog een paradox…

J.T.: Veel kunstenaars sloven zich uit om hun onderwerp te beschermen alsof de kunstwereld een groot jachtgebied is waarvoor je een brevet nodig hebt. Kunst moet aan die brevetten zien te ontsnappen, anders kwijnt ze weg en verliest ze de rijkdom van confrontaties, ontmoetingen en invloeden. Willem en ik hebben ondervonden hoe de weg die we samen hebben bewandeld ons eigen werk en onze reflectie heeft gevoed. Ik kan jonge kunstenaars alleen maar aanmoedigen om hun eigen reflectie te laten rijpen door na te gaan wat de raakvlakken zijn met het werk van andere kunstenaars.

K.B./D.P.: Wanneer kunstenaars met hetzelfde bezig zijn, krijg je misschien ook een pertinenter beeld van waar hun onderzoek precies uit bestaat.

J.T.: In zekere zin wel. Die gedachte brengt mij bij een vaststelling die daar voor mij mee samenhangt, die van het geheugenverlies waarmee de kunstwereld meer en meer te kampen heeft. Het is een fenomeen, opnieuw tussen angst en marktstrategie, dat ervoor zorgt dat de kunstenaars de geschiedenis en de traditie niet meer op zich willen nemen. Die negatie is trouwens de beste manier om de geschiedenis nog maar eens te herhalen, en vaak slechter.

K.B./D.P.: Denk je dat de institutionele kaders zoals die vandaag functioneren iets met dat geheugenverlies te maken hebben? Kunnen galeries de kunstenaars bijvoorbeeld nog genoeg tijd geven voor onderzoek?

J.T.: Gelukkig zijn er nog galeries die zich echt interesseren voor het werk van hun kunstenaars en die ervoor zorgen dat bepaalde praktijken kunnen overleven. Zeven jaar geleden heb ik wat dat betreft een beslissing genomen. Ik wilde zien hoe ik van mijn werk kon leven door afstand te nemen van het onderwijs, dat mij voordien helemaal in beslag nam. Op dat ogenblik kreeg ik een publieke opdracht waarvoor ik het zelfstandigenstatuut nodig had. Het woord en het concept ‘zelfstandige’ bevielen mij wel, dus greep ik de gelegenheid met beide handen aan. Aanvankelijk was ik er blij mee, ook wanneer ik zelf alle facturen moest schrijven. Daarna heb ik door een toevallige samenloop van omstandigheden het aanbod van een galerie aanvaard, nadat ik er verschillende had geweigerd. Eerst was het nog een avontuurlijk experiment, maar vandaag werk ik nog steeds met dezelfde galerie, die van Stella Lohaus in Antwerpen. De samenwerking bezorgt mij onmiskenbaar veel zichtbaarheid en boeiende kansen, maar ik ben er mij wel van bewust dat je waakzaam moet blijven.

K.B./D.P.: We zijn het eens met je analyse dat de institutionalisering van het onderzoek verband houdt met een mercantiele evolutie binnen de kunstwereld. Maar denk je niet dat je dezelfde evolutie ook in meer esthetische termen kunt opvatten, namelijk als een gevolg van de erfenis van de conceptuele kunst?

J.T.: Dat speelt in bepaald opzicht zeker mee. Zoals ik al zei maken zulke tegenstrijdigheden nu eenmaal deel uit van de kunstwereld.

K.B./D.P.: In je werk maak je aanspraak op een verwantschap met de conceptuele traditie, maar tegelijk knoop je ook sterk aan bij een modernistische visie: je reflectie op het medium en het materiële aspect ervan maakt dat je je bevrijdt van een beperkte strekking binnen de conceptuele kunst, waar het volstaat om ergens ‘een idee over te hebben’.

J.T.: Mijn eerste werken waren, hoewel materieel, gemaakt van ‘ideeën’ – maar ik heb ze niet getoond… Ik ben pas laat met tentoonstellen begonnen. Ik wilde alleen exposeren als de bestaansreden en de voornaamste betekenis van wat ik maakte eruit bestond dat het in de openbaarheid zou komen. Want wanneer je ervoor kiest tentoon te stellen, dan kies je, om het met Borges te zeggen, duidelijk voor een bepaalde richting in ‘de tuin met duizend splitsende paden’. Zo was het eerste werk dat ik toonde – weliswaar in mijn atelier, tijdens een Parcours d’artistes in Sint-Gillis bij Brussel – een installatie, een soort hok dat dienst deed als conversation piece. Met een systeem van micro’s en schuifdeuren werd de communicatie aan de ene kant opgenomen en aan de andere kant weer uitgezonden. Je kreeg de verkeerde indruk dat je een gesprek voerde met de mensen in het hok, die van buitenaf zichtbaar waren door hun zwarte silhouetten, terwijl zij je binnen konden zien… Goede ideeën, weliswaar nogal gekunsteld, die al de kiem van thema’s bevatten die mij nog steeds bezighouden, zoals communicatie en de impasses van de communicatie. Maar dat werk heb ik vervolgens teruggetrokken en vernietigd. Telkens wanneer er opnieuw een Parcours d’artistes wordt georganiseerd, hang ik sindsdien een bordje met de woorden “Jaarlijks verlof” aan mijn voordeur. Eigenlijk werd mijn werk in België voor het eerst echt publiek gepresenteerd in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Ik maakte er een muurtekening zonder vast plan. Dirk Snauwaert had mijn atelier bezocht en gezien hoe ik in een muur gaten maakte die ik weer opvulde met kleur. Ik was geïnteresseerd in de hoeveelheid tijd en ruimte die tussen twee kleurgaten kon ontstaan. En Dirk verraste mij door mijn werkwijze te vergelijken met de kleurdruppels van Vantongerloo, die ik niet kende. Schitterend was dat. Zo ontdekte ik plots een onverwachte verwantschap met een ‘geestelijke’ voorvader. Het was alsof het verlies van intimiteit dat voortvloeide uit een publieke presentatie werd gecompenseerd door de intimiteit van die verwantschap met Vantongerloo. Het kwam ook als een verrassing omdat ik, als jonge Belgische kunstenaar, toch eerder voorbestemd was om plaats te nemen in de surrealistische en conceptualistische lijn van kunstenaars als Magritte en Broodthaers. Het was met andere woorden alsof ik tegelijk in twee totaal verschillende werelden stond; maar dat stoorde mij niet en bracht mij niet uit mijn evenwicht. Ik vind het zoals gezegd een noodzaak om mij in te schakelen in een continuïteit, om van daaruit te vechten tegen het geheugenverlies en om tegelijk alle tegenstrijdigheden die eruit voortvloeien en die mij gaande houden op mij te nemen. Een van de echte voorrechten van een kunstenaar is volgens mij dat hij geen probleem hoeft te hebben met zijn eigen tegenstrijdigheden, dat hij er zelfs het voorwerp of het onderwerp van zijn werk van kan maken…

K.B./D.P.: Je suggereert ook dat een kunstenaar zich met alles kan bezighouden, dat hij alles zou moeten kunnen aangrijpen… Dat houdt verband met de gedachte dat kunst de hele geschiedenis met zich meedraagt.

J.T.: De geschiedenis, de kunst, de kunstgeschiedenis worden gedragen door dialectische tegenstrijdigheden. Anders gezegd, mijn motor werkt niet op water. Dat is ook de reden waarom ik jullie aan het begin van dit interview kon vragen “Waarom ik?”. En daarom ook voel ik mij na achttien jaar ‘publieke werkzaamheden’, na mijn deelname aan verschillende edities van Documenta en na mijn tentoonstellingen in New York, Berlijn of Antwerpen nog steeds als iemand die zich aan de rand en op de drempel van de kunst bevindt. De wil om tegenstrijdigheden te assimileren en zo tegelijk op te lossen, zorgt er ook voor dat ik mij weiger te begeven in een conflictuele logica. Als ik mij niet vergis, was het Adorno die zei dat een kunstenaar die wil dat zijn werk bestaansrecht krijgt, de aartsvijand van een ander kunstenaar moet worden. Dat is misschien een strategie, de strategie van de negatie en meer algemeen van het geheugenverlies. Misschien is zoiets opportuun voor een aantal ‘ideeënkunstenaars’, maar ik hou er niet van. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom ik kunst op basis van ‘ideeën’ wantrouw en waarom mijn werk zich in de periferie van dat alles heeft ontwikkeld.

K.B./D.P.: Je wijst op de problematische erfenis van de conceptuele kunst, op de soms dramatische en storende consequenties ervan…

J.T.: Die erfenis kan inderdaad storend zijn. Een belangrijke beweging of een belangrijk werk als het urinoir van Duchamp kan natuurlijk ‘vreselijke’ gevolgen hebben, maar daarom blijft het niet minder overeind. ‘Onhoudbaar’ is volgens mij de meest geschikte term wanneer we het hebben over de erfenis van de radicaalste vormen van conceptuele kunst.

K.B./D.P.: Je vindt het ook onhoudbaar om over alles ideeën te hebben…

J.T.: Ja. Het is bedroevend dat men de functie van kunst in de maatschappij daartoe herleidt, dat men kunst gebruikt als alibi en een plaats laat innemen die nog het meeste lijkt op een overblijfsel van het sociale veld. De sterkste werken, de werken met de meeste diepgang, en die overeind blijven, die je het meest en het langst aanspreken, zijn ongetwijfeld die werken die geen probleem hebben met het feit dat ze gedeeltelijk ontsnappen aan het discours en aan datgene wat bevattelijk is. Onlangs ben ik gaan kijken naar de zwart-witfoto’s van Jos De Gruyter en Harald Thys. Ze hebben een diepe indruk op mij gemaakt: alles is er tegelijk zo sterk en zo onuitgesproken, vervat in een soort iconisch en collectief onbewuste. Ik vroeg mij af hoe een Fransman die beelden zou lezen en of je geen Belg moet zijn om het werk echt te kunnen plaatsen. De foto’s lieten mij duidelijk aanvoelen dat het niet nodig of wenselijk is om in kunst alles te begrijpen. Kunst moet in zekere zin altijd nog een beetje lokaal blijven, ze moet vervat zitten in een specifieke collectieve ruimte. Wat mij betreft, betekent dat evengoed dat je aan de rand van het systeem werkt. Van nature ben ik geneigd om mij buiten het systeem te plaatsen. Ik kan maanden aan een stuk alleen in mijn atelier blijven zitten. Slechts een windstoot, een gordijn dat opwaait, laten mij in een fractie van een seconde iets voelen van de buitenwereld. Dat is voor mij voldoende.

K.B./D.P.: Probeer je dan abstractie te maken van het heden?

J.T.: Integendeel, wat ik in kunst zoek is juist een manier om in het heden te leven en echt te improviseren, in de betekenis die Steve Paxton eraan geeft in zijn choreografieën. Manieren om me erdoorheen te slaan en zowel moreel als materieel in het heden te overleven, zonder me van tevoren te projecteren in een toekomst waarin ik een verhoopt doel of resultaat zou moeten bereiken. Aanvaarden dat je in het heden leeft, is ook aanvaarden dat je niet op alles een antwoord hebt, en dat is op zich al heel wat. Nogmaals, het is wat mijn opvatting van het onderzoek onderscheidt van wetenschappelijk onderzoek. Ik wil niet zoeken naar een formule die me in staat stelt om het resultaat te ‘re-produceren’: heden en werkelijkheid zijn wat mij betreft niet reproduceerbaar. Alles is uiteindelijk een kwestie van schaal en benadering: als ik niet op zoek ben naar een manier om een fragment van de werkelijkheid te reproduceren, is dat gewoon omdat ik niet geloof dat zoiets mogelijk is. Alleen al een fotokopie is nooit identiek aan een andere.

K.B./D.P.: Je zoekt naar een manier om in het heden te leven, maar wel met de nodige distantie, de nodige ‘lucht’ tussen je onderzoeksobject en jezelf. Je wil je liever naast dan buiten de dingen weten.

J.T.: Zo zou je het kunnen zien. Neem nu schilderkunst. Ik ben erg geïnteresseerd in schilderkunst, al was het maar omdat het een kunstvorm is die in onze cultuur altijd een centrale rol heeft gespeeld. Misschien heb ik, terwijl ik uitdrukkelijk niet schilderde, wel opzettelijk verkend wat er in de schilderkunst, of liever parallel aan de schilderkunst, te verkennen viel. Gisteren heb ik in mijn atelier bijvoorbeeld alle voorwerpen gefotografeerd die in mentaal opzicht verband houden met ‘mijn’ schilderkunst. Ik ‘werk’, ik ‘onderzoek’ omwille van het plezier om met het onderzoek bezig te zijn, om in het heden te zitten, maar wellicht ook om de mogelijkheden van schoonheid te verkennen. Ik ben gefascineerd door de kracht van dat beteugelde en hardnekkige woord ‘schoonheid’. Het is taboe, niemand gebruikt het nog in theoretische teksten maar tezelfdertijd wordt het op onbewaakte momenten voortdurend gebruikt. Het ligt op de lippen van kunstenaars, critici en curatoren wanneer zij op een informele manier commentaar leveren bij een werk. De kwestie van het schone heeft bij mij altijd veel vragen opgeroepen. Mijn eerste experimenten en blagues de société bevatten in feite al een impliciete kritiek op de conventies van smaak en schoonheid. Op die manier kon ik daar nieuwe mogelijkheden en ontwikkelingen voor onderzoeken. Toen ik mij inschreef voor de kunstschool en mijn toekomstige leraar naar mijn motivatie vroeg, heb ik geantwoord dat ik mijn idee van schoonheid wilde verruimen.

K.B./D.P.: Sommige mensen zullen onze vraag en jouw antwoord misschien problematisch vinden, ook al situeer je het van meet af aan binnen een discursief proces.

J.T.: Misschien lijkt mijn antwoord naïef. Toch ben ik er nog steeds van overtuigd dat het herhaalde contact met kunst en de kunstpraktijk zelf onze perceptie ervan verruimt en ook het werkterrein verbreedt. Ik ben het eens met Wim Wenders, die na zijn Gouden Palm zei dat hij er nog steeds van overtuigd was dat kunst de wereld kan veranderen. Dat het een cliché is, is geen bezwaar. Natuurlijk zijn er vandaag tal van redenen om kunst te maken, maar ik geloof dat de diepe overtuiging dat het gaat om iets noodzakelijks en heilzaams er ondanks alles nog steeds in doorschemert. Ik denk toch dat kunst een positieve sociale rol speelt, eerder vredelievend dan strijdlustig, zowel op het niveau van het individu als op dat van het collectief. Ik denk aan de fameuze ‘waas op de theepot’ van Duchamp: het is geen basisfunctie van kunst, maar daarom niet minder een gevolg ervan, een essentieel bijproduct. Het staat iedereen vrij om sceptisch te zijn en te zeggen dat het niet meer is dan een alibi voor kunstenaars die hun geweten willen sussen, terwijl ze de – problematische – loop der dingen op een veilige afstand gadeslaan, zonder enig radicaal sociaal of politiek engagement.

K.B./D.P.: Laten we nog even terugkomen op de manier waarop je je werk presenteert als een meta-machine.

J.T.: Ik heb altijd een fascinatie gehad voor meta-activiteiten. Vooral voor imitatie, en ook voor tautologieën. Wanneer ik mij in een tentoonstellingsmachinerie bevind, krijg ik meteen zin om de principes ervan te imiteren, om zelf te gaan experimenteren met de praktijken die ik observeer. Misschien druist mijn werkwijze daarmee wel in tegen de taxonomie van Bloom, voor wie imitatie het primaire stadium was van alle menselijke activiteit, gevolgd door associatie, extrapolatie en uiteraard ook inventiviteit. Wat mij betreft zijn imitatie en creatie toch nauw met elkaar verbonden. Daarbij gaat het mij ook altijd om een fundamentele, bijna dierlijke strategie, die neerkomt op de minimalistische ethiek om ‘zo min mogelijk te doen’. En het minst mogelijke doen, dat kan op een vreemde manier het werk van een heel leven zijn.

 

Transcriptie: Nadia Wadhwania

Redactie in het Frans: Emmanuel Lambion

Vertaling uit het Frans: Piet Joostens

Leuven, architectuur en de kunsten

1. Van GAFKA naar FAK

Koen Brams/Dirk Pültau: Onlangs besliste jij om terug te treden als decaan van de FAK, de Faculteit Architectuur en Kunsten van de Associatie KU Leuven. Vooraleer in te gaan op de redenen voor die beslissing, willen we het hebben over jouw rol in het Leuvense project om een geïntegreerde faculteit voor architectuur en kunsten tot stand te brengen. Hoe ben je daarbij betrokken geraakt?

Peter De Graeve: In de loop van 2008 werd ik gecontacteerd door Ludo Melis, vicerector Onderwijs van de KU Leuven, die op dat moment ook verantwoordelijk was voor het IvOK (Instituut voor Onderzoek in de Kunsten). Ik was op dat moment werkzaam als docent filosofie aan de Universiteit Antwerpen. In die hoedanigheid was ik betrokken bij de oprichting van een Faculteit Kunsten door de Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen (AUHA). De Universiteit Antwerpen heeft geen faculteit Kunstwetenschappen; voor de oprichting van de Faculteit Kunsten deed men dus een beroep op kunstfilosofen en -sociologen. Mijn rol in dit dossier was Ludo Melis niet ontgaan en hij vroeg me of ik voor de Associatie KU Leuven een gelijkaardig project op poten wilde zetten.

K.B./D.P.: In de tekst Historiek van OPK, over IvOK naar FAK van Jan De Vuyst, die op de website van de FAK gepubliceerd is, lezen we dat jij in de commissie Regelgeving Doctoraat in de Kunsten hebt gezeteld, die in juni 2005 werd opgericht en die samengesteld was uit vertegenwoordigers van de universiteit en de kunstdepartementen van de Associatie KU Leuven. Jij volgde het dossier van de academisering van het kunstonderwijs binnen de Associatie KU Leuven reeds van bij het prille begin.

P.D.G.: Ik heb inderdaad een vergadering van die commissie bijgewoond, maar dat was slechts eenmalig. Ik heb enkele jaren kunstfilosofie gedoceerd aan Sint-Lucas in Gent en zetelde in de Commissie Regelgeving Doctoraat in de Kunsten als vertegenwoordiger van de hogeschool. Als docent van Sint-Lucas heb ik ook de start van het IvOK in 2006 meegemaakt, maar ook daar heb ik geen rol van betekenis in gespeeld. Mijn betrokkenheid bij het Leuvense verhaal begon pas op het moment dat ik de opdracht van de Associatie KU Leuven aanvaardde.

K.B./D.P.: Hoe zag de situatie eruit toen jij in 2009 aan de slag ging bij de Associatie?

P.D.G.: Het IvOK was in juni 2006 opgericht, als opvolger van het OPK, het Onderzoeksplatform Kunsten dat zowat gelijktijdig met de start van de Associatie KU Leuven in 2002 tot stand was gekomen. Het instituut legde zich onder leiding van Yves Knockaert toe op het onderzoek in de kunsten, niet op de academisering van het onderwijs. Met dit laatste doel voor ogen wilde de Associatie KU Leuven een grote Hogeschool voor Kunsten en Architectuur (HOKA) formeren. Zelfs de oprichtingsakte was in gereedheid gebracht, maar de Hogeschool is nooit van de grond gekomen, vermoedelijk omdat de politiek dit project niet gunstig gezind was. Vervolgens opteerde men voor een andere constructie, de zogenaamde Geassocieerde Faculteit voor Kunsten en Architectuur (GAFKA) – toegegeven, een wat ongelukkige naam vanwege de voor de hand liggende associatie met ‘Kafka’. Toen ik in 2009 in dienst trad, werd ik decaan van deze Faculteit. Mijn opdracht was om ze om te vormen tot een volwaardige faculteit die zich zowel met onderzoek als met onderwijs zou bezighouden. De allereerste beslissing was om niet de ‘officiële’ naam (GAFKA) te hanteren, maar de roepnaam FAK, Faculteit Architectuur en Kunsten.

K.B./D.P.: Wat bewoog jou om op de vraag van de Associatie KU Leuven in te gaan?

P.D.G.: Wat mij vooral aantrok, was dat het niet louter om een Faculteit Kunsten ging, zoals in Antwerpen, maar om een Faculteit Architectuur en Kunsten. Er bestaat in de Associatie KU Leuven reeds lang een nauwe samenwerking tussen de kunsten en de architectuur. De architectuur- en de kunstafdeling van Sint-Lukas Brussel zijn 125 jaar geleden samen opgericht. In Gent vieren ze reeds hun 150-jarig bestaan. Ze hebben ontzettend lang goed met elkaar samengewerkt. Ik vond het prikkelend om vanuit die historisch gegroeide situatie te vertrekken. Daarnaast was ik – en ben ik nog steeds – een groot voorstander van de integratie van het kunstonderwijs in de universiteit.

K.B./D.P.: Waarom vind je dat een goede zaak?

P.D.G.: Voor de integratie van de kunsten in de universiteit kunnen tal van inhoudelijke argumenten worden aangevoerd. Vanaf de hervorming van de hogescholen in het midden van de jaren 90 maakte het hoger kunstonderwijs deel uit van grote koepels die voornamelijk professionele opleidingen aanbieden. Wat is de winst van de cohabitation van een kunsthogeschool met een opleiding verpleegkunde? Volgens mij had men in Vlaanderen ofwel voor een doorgedreven professionalisering, ofwel voor een volledige academisering van het kunstonderwijs moeten kiezen. Men heeft noch het een noch het ander gedaan. Zelf geef ik de voorkeur aan de tweede optie. In het beste geval is een opleiding tot kunstenaar méér dan een professionele opleiding. Een kunstenaar moet immers over zijn praktijk kunnen reflecteren. Anderen zullen er misschien voor pleiten dat kunstenaars zich volledig toeleggen op het maken van kunst, en dat ze het reflecteren en schrijven van teksten over hun werk aan anderen overlaten. Mijn persoonlijke standpunt is dat kunststudenten tijdens hun opleiding ook een intellectuele uitdaging moeten kunnen aangaan. In die optiek heeft het kunstonderwijs baat bij de integratie in de universiteit. Alle inhoudelijke gesprekspartners van het kunstonderwijs – de kunstwetenschappers, de filosofen, de sociologen… – zijn werkzaam aan de universiteit. Bovendien zullen de kunsthogescholen in het licht van de Bolognaverklaring hoe dan ook moeten overgaan tot de academisering van het onderwijs en het onderzoek. Die klok kan je niet meer terugdraaien. Het is een bijkomend – pragmatisch – argument voor de integratie: de universiteit kan de kunsthogescholen onschatbare diensten bewijzen bij die academisering. Anderzijds ben ik wel de mening toegedaan dat de integratie op de eigen voorwaarden van het kunstonderwijs moet gebeuren. De kunstdepartementen moeten in staat worden gesteld om eigen onderzoeks- en onderwijsprogramma’s te ontwikkelen. Misschien knelt daar het schoentje.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je? 

P.D.G.: Het hoger kunstonderwijs is in een diepe existentiële crisis terechtgekomen. Men slaagt er in wezen niet meer in om de eigen verdiensten te omschrijven. Tussen het moment waarop een student in een school binnenkomt en het moment waarop hij die verlaat – of als kunstenaar doorbreekt – gebeurt iets wat men niet meer kan definiëren. Wat is de bijdrage van het kunstonderwijs aan het wordingsproces van een kunstenaar? Ik denk dat de integratie in de universiteit de kans biedt om die vraag te beantwoorden.

K.B./D.P.: Waarom zou het kunstonderwijs enkel als een faculteit van de universiteit in staat zijn om haar identiteitscrisis — als die er al is — te boven te komen?

P.D.G.: De universiteit biedt vormen van reflectie over kunst aan die een aanvulling zijn bij de bestaande praktijken in de kunstdepartementen. Zij biedt dus een uiterst belangrijke meerwaarde die de academies kan uitdagen om zichzelf opnieuw uit te vinden.

K.B./D.P.: Hoe zou jij zelf de educatieve rol van het kunstonderwijs omschrijven? 

P.D.G.: In het kunstonderwijs wordt de student gestimuleerd om over de betekenis van zijn praktijk te reflecteren en dat vormt in mijn ogen ook de kern van het onderzoek in de kunsten. Onderzoek in de kunsten is niets anders dan het artistieke en maatschappelijk-filosofische onderzoek naar de fundamentele voorwaarden van de kunstbeoefening vandaag. In de praktijk betekent dit dat studenten in een kunsthogeschool, zeker in hun masterjaren, nadenken over hun eigen praktijk en dat ze die gedachten naar buiten brengen in de vorm van kunstwerken, die bovendien vergezeld gaan van papers. Het doctoraat in de kunsten is volgens mij niet meer of niet minder dan het examen derde cyclus dat verbonden is aan het vierjarige onderzoek van een kunstenaar. In Leuven hebben we gewerkt aan een model waarbij het doctoraat een artistieke en een theoretische of discursieve component omvat. In het Brusselse model dat ontwikkeld werd door Hans De Wolf, die als hoogleraar verbonden is aan de Vrije Universiteit Brussel, wordt voornamelijk ingezet op het kunstwerk als dusdanig.

K.B./D.P.: Daarnet stelde je dat de integratie van de kunsthogescholen in de universiteit op hun voorwaarden tot stand moet komen. Neem je door een discursief luik te eisen niet gewoon de universitaire maatstaven over? Je zou er ook voor kunnen pleiten om het onderzoek centraal te stellen dat met het maken van kunst gepaard gaat.

P.D.G.: Ik begrijp jullie opmerking, maar het pleidooi voor een puur artistiek doctoraat zal er omgekeerd toe leiden dat het doctoraat te cultureel wordt. Het onderscheid tussen het academische onderzoek in de kunsten en datgene wat in de kunstwereld gebeurt zal volledig vervagen. Tussen doctoraten enerzijds en de gebruikelijke aanvragen bij de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst van het Ministerie van Cultuur anderzijds zal er geen verschil meer zijn. Volgens mij is dat onderscheid nochtans cruciaal. Het is van het grootste belang om te zoeken naar een definitie van wat er in het onderzoek in de kunsten – met het doctoraat in de kunsten als bovenbouw – specifiek op het spel staat. Om dezelfde reden lijkt het mij van belang om aan het discursieve luik van een doctoraat in de kunsten vast te houden. Anders is er geen enkele garantie dat het onderzoek van een kunstenaar reflexief is.

K.B./D.P.: Waarom wil jij een garantie voor het reflexieve karakter van het kunstwerk? Is het niet voldoende om uitgaande van het kunstwerk zelf te bepalen of de kunstenaar reflecteert over wat hij doet?

P.D.G.: Nee, ik vind dat het doctoraat van een kunstenaar iets anders moet omvatten dan louter en alleen een kunstwerk. Hoe garandeer je anders dat het onderzoek in de kunsten op een niet-discursieve manier toch reflexief is? De kunstenaar moet mijns inziens een onderzoeksvraag formuleren, waarop hij een antwoord biedt in de vorm van een kunstwerk en een theoretische tekst. Dat moet voor de instantie die onderzoeksbeurzen uitreikt een specifiek onderzoeksresultaat opleveren.

K.B./D.P.: Hoe evalueer jij de doctoraten in de kunsten die tot nog toe zijn afgeleverd?

P.D.G.: De kwaliteit ligt vooralsnog te laag, dat moet ik grif toegeven. Hooguit dertig procent van de doctoraten die tot nu toe behaald werden, kunnen goed tot zeer goed genoemd worden. Zeventig procent haalt de lat niet. Het is tot dusverre een proces van vallen en opstaan. We hebben nog minstens vijftien jaar nodig vooraleer we over een staalkaart van kwaliteitsvolle doctoraten zullen beschikken. Het is de taak van de overheid, de universiteiten en de kunstdepartementen om het onderzoek in de kunsten de nodige tijd te gunnen.

 

2. De FAK

K.B./D.P.: In 2009 werd jij benoemd tot decaan van de Geassocieerde Faculteit voor Kunsten en Architectuur (GAFKA). Jouw opdracht was om deze om te vormen tot een volwaardige — in de universiteit geïntegreerde — faculteit. Hoe heb je dat aangepakt?

P.D.G.: Meteen na mijn aanstelling ben ik samen met enkele medewerkers – in het bijzonder Tom Van Imschoot (vicedecaan Onderwijs) en Liesbeth Huybrechts (vicedecaan Onderzoek) – begonnen aan de voorbereiding van de oprichting van de Faculteit Architectuur en Kunsten (FAK). We effenden de weg voor de integratie van het IvOK in de FAK en hielden ons daarnaast intensief bezig met de academisering van het kunstonderwijs. We zijn nauw gaan samenwerken met de universiteit van Göteborg, zowel met de faculteit kunsten die reeds geïntegreerd is, als met de autonome faculteit architectuur. Ook met het Royal College in Londen hebben we interessante contacten uitgebouwd. Uiteindelijk is de FAK op 25 februari 2010 boven de doopvont gehouden. We hebben daartoe een plechtigheid georganiseerd in aanwezigheid van Vlaams Minister van Onderwijs Pascal Smet.

K.B./D.P.: Was het vanzelfsprekend dat jij decaan werd en niet Yves Knockaert, die directeur was van het IvOK?

P.D.G.: Op die vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik weet enkel dat er heel wat overleg heeft plaatsgevonden vooraleer ik benaderd werd om decaan te worden van de GAFKA.

K.B./D.P.: Hoe stond men binnen de Leuvense associatie tegenover het project van de FAK?

P.D.G.: Met de top van de universiteit – de rector, de vicerectoren en de decanen – heb ik zeer goed kunnen samenwerken. Zij waren overwegend voorstanders van de integratie. Maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat er in de universiteit en ook in alle kunstdepartementen voor- en tegenstanders van de integratie waren. Dat gevecht is jammer genoeg nog steeds niet beslecht.

K.B./D.P.: Wie waren de tegenstanders binnen de universiteit?

P.D.G.: Moeilijk te zeggen. Mijn aanvoelen was dat er tegenstanders waren, in elk geval ten opzichte van ons, de promotors van het hoger kunstonderwijs, maar zij hebben zich nooit als dusdanig kenbaar gemaakt. 

K.B./D.P.: Dat is vreemd.

P.D.G.: Het probleem is dat er – althans bij mijn weten – in de schoot van de universiteit nooit een publiek debat is gevoerd over de integratie van het kunstonderwijs. Dat we binnen de universiteit weerstand ondervonden, wijst erop dat er tegenstanders waren, maar naar hun motieven kan ik slechts gissen. Ik vermoed dat velen opkeken tegen de verhoogde werklast die de komst van de nieuwe opleidingen naar de universiteit met zich mee zou brengen. Sommigen zullen allicht ook inhoudelijke bezwaren hebben gehad tegen de aansluiting van de hogere kunstopleidingen bij de menswetenschappen. Faculteiten en groepen van faculteiten zien ook nauw toe dat hun eigen onderzoeksfinanciering niet verwatert. Maar dit is speculatie. Daarnaast waren er heel wat mensen die de integratie van de kunsten in de universiteit wel gunstig gezind waren.

K.B./D.P.: Wie waren de voorstanders?

P.D.G.: Binnen de Faculteit Letteren waren vooral de letterkundigen enthousiast. Zij vonden het een goede zaak dat de opleidingen drama van bijvoorbeeld het Lemmensinstituut naar de universiteit zouden komen. Op die manier zouden ze een aantal onderzoeksterreinen cadeau krijgen en bovendien hun positie binnen de universiteit versterken. Iets analoogs geldt voor het departement Kunstwetenschappen, dat in de opleiding beeldende kunst een medestander zag. Sommige van onze bondgenoten kwamen dan weer uit een totaal andere hoek. Zo reageerde de Groep Wetenschap & Technologie van de KU Leuven erg enthousiast op de komst van de kunstopleidingen. Veel exacte wetenschappers zijn gefascineerd door de onderzoeksmethodes die in de kunsten worden gehanteerd.

K.B./D.P.: Hoe lagen de kaarten binnen de Associatie KU Leuven?

P.D.G.: We botsten voortdurend op weerstand. Een deel van de verklaring ligt zeker in de ongelijke verhouding tussen de universiteit en de nieuwe opleidingen die bij de universiteit zouden aansluiten. Instellingen hebben ook voortdurend de neiging hun verworvenheden te beschermen. Dat is menselijk. Waar ik me wel aan stoorde, is het argument van de eigenheid en de autonomie van het kunstonderwijs dat in het debat over de academisering door de kunsthogescholen gebruikt werd. In Sint-Lucas Gent – een van de kunsthogescholen binnen de Associatie KU Leuven – gingen zelfs stemmen op om het kunstonderwijs opnieuw autonoom te maken. Volgens mij geloof je in sprookjes als je vandaag nog voor de autonomie van het kunstonderwijs opkomt. In de wereld van vandaag heeft autonomie niets meer te betekenen. Ik vind het argument van de ‘eigenheid’ van het kunstonderwijs zonder meer ongepast. De kunst heeft zelfs in haar onderzoeksmethodieken geen eigenheid te verdedigen.

K.B./D.P.: Waarom? Kunst is toch een specifieke praktijk?

P.D.G.: Zeker, maar dat vind ik nog geen reden om je op de eigenheid van het kunstonderwijs te beroepen. Ik stoor me vooral aan het mystificerende en al te romantische van dat argument. Ook het voortdurende gehamer op de tegenstelling tussen het artistieke en het wetenschappelijke vind ik niet zinvol. Ik ben van mening dat die tegenstelling niet productief is. De academisering van het kunstonderwijs is een verhaal geworden van elkaar versterkende inerties: er beweegt niets binnen de kunstdepartementen, tussen de kunstdepartmenten onderling, tussen de kunstdepartementen en de universiteit, en evenmin tussen de verschillende associaties in Vlaanderen. Iedereen waant zich Sneeuwwitje. Iedereen meent over het onderzoek in de kunsten zijn zeg te kunnen en moeten doen. Zo blijven we de inertie maar versterken. Het enige dat vaststaat, is dat men niet weet hoe men vooruit moet. Terwijl we dringend een gemeenschappelijke basis moeten vinden om het project van de academisering van de kunsten een nieuwe start te geven. De kunstdepartementen zouden uit hun egelstelling moeten komen. Ze zouden moeten begrijpen dat hen een reële kans geboden wordt om zichzelf opnieuw uit te vinden en voor zichzelf een nieuwe plek te veroveren. De FAK wilde daartoe een aanzet zijn. De samenwerking tussen architectuur en kunsten bood mijns inziens de mogelijkheid om een nieuwe dynamiek op gang te brengen.

K.B./D.P.: Op de website van de FAK staat een visienota van jouw hand onder de titel Geen Universiteit zonder kunsten, waarin jij een pleidooi houdt voor de integratie van de kunsten in de universiteit. Van wanneer dateert deze nota?

P.D.G.: Ik heb die tekst geschreven naar aanleiding van de officiële oprichting van de FAK op 25 februari 2010. Tijdens de relatief besloten plechtigheid met Vlaams Minister van Onderwijs Pascal Smet is de nota rondgedeeld. Hij heeft later nog meermaals als discussietekst gediend.

K.B./D.P.: Je hebt het in die tekst uitgebreid over Bologna. Waarom?

P.D.G.: Ik wou teruggrijpen naar de oorspronkelijke geest van de Bolognaverklaring. De eigenlijke aanleiding van Bologna was de viering van het 750-jarig bestaan van de Sorbonne in 1998. Er werd toen uitgebreid gediscussieerd over het nieuwe mensbeeld dat gepaard ging met de oprichting van de universiteiten en de academies in de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance. Volgens mij veronderstelt de integratie van de kunsten in de universiteit een even drastische omslag in het denken – even ingrijpend als het denken vanuit een nieuw mensbeeld dat in het ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ het ontstaan van de universiteiten en academies mogelijk maakte. Ik ben echter evenmin blind voor de aberraties van Bologna. Ik besef zeer goed dat het Bologna-akkoord voor een groot deel op een efficiëntie- en concurrentielogica stoelt, en dat het er bijvoorbeeld in hoge mate om gaat het onderwijs te stroomlijnen, te uniformiseren en competitiever te maken. Het is zeker een belangrijke verworvenheid dat studenten makkelijk kunnen reizen, omdat studiepunten in Engeland hetzelfde waard zijn als in Portugal, maar dat mag niet de enige inzet van Bologna zijn. Anders komen we in de meritocratie – om een term van Paul Verhaeghe te gebruiken – van het hoger onderwijs terecht. Heel wat universitairen zijn het overigens niet eens met die unilaterale en bijna universele efficiëntielogica die vandaag in de universiteiten heerst.

K.B./D.P.: Je richt je ook openlijk tot de universiteit. Zo schrijf je: ‘Niet wij [het hoger kunstonderwijs] treden toe tot de academische wereld, maar de universiteit zelf is bezig op te gaan in een groter geheel, in een ruimer verband en in een ‘hoger begrip’ van de notie academische vrijheid waartoe, voor het eerst in de universitaire geschiedenis, ook de scheppingsvrijheid tafelrecht geniet. De institutionele taak van de FAK zal er bijgevolg in bestaan om, op een principieel vlak, de universiteit vast in het spoor van de overtuiging te brengen (of te houden) dat het artistiek onderzoek een onmisbaar onderdeel vormt van die ruime academische vrijheid die de nieuwe tijd voor ons in petto heeft.Je slaat in de nota een opvallend offensieve toon aan, die met name gericht is aan de universiteit.

P.D.G.: Ik was ervan overtuigd – en ben dat nog steeds – dat de integratie van de kunsten in de universiteit alleen kans van slagen heeft als de universiteit een serieuze stap in de richting van de kunsten zet en dus bereid is om zichzelf grondig te herdenken. Het is opnieuw nodig om na te denken welk mens- en maatschappijbeeld we gestalte willen geven. Het klopt dat we daar tot op heden niets van gezien hebben. Dat is een feit dat ik niet kan ontkennen.

K.B./D.P.: Is het niet een beetje naïef om een vermanende vinger op te steken naar zo’n machtig instituut als de universiteit?

P.D.G.: Je kan dat inderdaad naïef noemen… Sta me toe te zeggen dat ik mij in deze het recht van de naïviteit voorbehoud. Ik heb er bewust voor gekozen om mij op een naïef of utopisch standpunt te plaatsen. Ik meen namelijk dat er in het debat over de academisering van het kunstonderwijs voortdurend te veel werkelijkheidsbesef is geweest.

K.B./D.P.: Wat was de reactie van de universitaire wereld op de tekst? 

P.D.G.: In de universiteit was de respons positief bij de voorstanders. De mensen die er wat omheen fietsten, zaten dan waarschijnlijk in het stilzwijgende kamp van hen die het niet echt zagen zitten. In het milieu van de beeldende kunsten en de muziek is de tekst algemeen gesproken zeer goed onthaald, wellicht omwille van het feit dat ik me voornamelijk op die disciplines richtte. De architecten waren positief, maar konden er zich – terecht – iets te weinig in terugvinden.

K.B./D.P.: Heb jij afgezien van je discours ook concrete pogingen ondernomen om de positie van het kunstonderwijs te versterken en de universiteit te dwingen om de kunsten tegemoet te komen?

P.D.G.: Ik meen van wel. We hebben het IvOK geïntegreerd in de FAK en hebben de plafonds voor de subsidieerbaarheid van de projecten opgetrokken. Daarnaast hebben we het onderzoek in de kunsten verruimd naar het onderzoek in de kunsten én de architectuur. Op het vlak van het doctoraat in de kunsten hebben we met de FAK grote stappen gezet. Zo bestond het gros van de commissieleden ten tijde van het IvOK uit universitairen of theoriedocenten die aan de hogescholen waren verbonden. Wij hebben ervoor gezorgd dat de kunstenaars nu in de meerderheid zijn. We vonden het immers belangrijk dat de kwaliteitsbewaking van het doctoraat in de kunsten door mensen gebeurt die zelf een doctoraat in de kunsten hebben gemaakt.

K.B./D.P.: Met de kwaliteit van de reeds afgeleverde doctoraten is het evenwel pover gesteld, dat heb je zelf aangegeven. Hoe kan de kwaliteit van de doctoraten worden opgekrikt als de commissies bevolkt worden door mensen die een ondermaats doctoraat hebben gemaakt? Is het dan niet beter om kunstenaars op basis van hun artistieke verdienste te vragen?

P.D.G.: Misschien wel. We hebben met de FAK veel inspanningen gedaan om ervoor te zorgen dat de juiste mensen op de juiste plaats zetelen, zowel in de doctoraatscommissies als in de commissies die beslissen over de gelden voor onderzoeksprojecten. Dat zal in de toekomst een punt van zorg blijven.

 

3. Het ‘maatschappelijk’ debat

K.B./D.P.: Waaruit bestond je voornaamste taak nadat de FAK op 25 februari 2010 geïnstalleerd was? 

P.D.G.: Mijn eerste belangrijke opdracht was om deel te nemen aan het ‘maatschappelijk debat over de mogelijke integratie van de academiserende opleidingen van de hogescholen in de universiteiten’. Dat debat, waaraan alle associaties hebben geparticipeerd, vond in de lente van 2010 plaats in het Vlaams parlement. Voor de Associatie KU Leuven werd het woord gevoerd door André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie. Ik heb alle hoorzittingen bijgewoond en aan de discussies deelgenomen.

K.B./D.P.: Je noemt het een ‘maatschappelijk’ debat, maar wij hebben er vreemd genoeg niets over meegekregen…

P.D.G.: Alle debatten in het Vlaams Parlement zijn openbaar: je kan jezelf uitnodigen om die te volgen. Maar ik begrijp jullie opmerking. Van een echt publiek debat is inderdaad nooit sprake geweest. In wezen ging het om een oligarchische bijeenkomst waarbij alle instellingen hun institutionele belangen hebben verdedigd.

K.B./D.P.: Waren alle voorzitters van de associaties van de partij in het Vlaams Parlement?

P.D.G.: Neen, de Gentse associatie bijvoorbeeld had Wim De Temmerman afgevaardigd, de directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK). De Associatie Universiteit-Hogescholen Limburg stuurde daarentegen haar voorzitter, net als de Leuvense associatie. Alleen al door die verschillen in vertegenwoordiging werd het een heel vreemd debat.

K.B./D.P.: Hadden die associaties dan geen overleg gepleegd voordat ze de arena van het Vlaams Parlement betraden?

P.D.G.: Ik denk van niet, wat op zich ook een vaststelling van formaat is. Een van de nadelen van een maatschappelijk debat is daarenboven dat er heel snel posities worden ingenomen die men nadien niet meer kan verlaten. Het werd heel snel een dovemansgesprek. Soms waren de argumenten ook ronduit bedenkelijk.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

P.D.G.: Ik herinner me bijvoorbeeld het argument dat het Vlaamse kunstonderwijs dankzij de academisering tot een nieuwe, bijna elitaire hoogte zou worden opgetild en zo de ‘buitenlandse instellingen’ – men had het dan vooral over de Amerikaanse – ver achter zich zou laten. Dat was volgens mij niet realistisch en ook volledig naast de kwestie. Ik vond dat je de academisering van het kunstonderwijs binnen de context van een Europese gedemocratiseerde universitaire wereld moest bekijken.

K.B./D.P.: Welke standpunten werden met betrekking tot de integratie van het kunstonderwijs in de universiteit ingenomen?

P.D.G.: Samengevat komt het erop neer dat de associaties van Hasselt en Leuven voorstanders, en de associaties van Antwerpen, Gent en Brussel tegenstanders van de integratie waren.

K.B./D.P.: Heb jij als decaan van de FAK gewogen op de keuze van de Associatie KU Leuven om de kunstopleidingen te integreren?

P.D.G.: Ik denk het wel, al wil ik mijn rol zeker niet overschatten. Zoals ik al zei was ik niet de enige voorstander van de integratie.

K.B./D.P.: Wat was de uitkomst van het maatschappelijk debat?

P.D.G.: Uiteindelijk werd vastgesteld dat een meerderheid tegen de integratie gekant was. Dat is ook zo vastgelegd in de notulen. De werkelijkheid was echter veel complexer. Ik heb zelf de interne discussies in de Antwerpse associatie meegemaakt en weet hoe subtiel de verschillen waren tussen voor- en tegenstanders. Dat zal in de associaties van Brussel en Gent niet anders zijn geweest. Met de stemmen van de voorstanders in de Antwerpse, Brusselse en Gentse associaties is geen rekening gehouden! Als je bovendien het aantal studenten van de associaties in rekening zou brengen, dan waren de Leuvense en Hasseltse associaties wel degelijk in de meerderheid. Feit is evenwel dat wij het pleit verloren hebben. De Minister van Onderwijs heeft ervoor gekozen om de kunsten níet en de architectuur wél te integreren in de universiteit. In oktober 2013 zullen de architectuurdepartementen van de associaties deel gaan uitmaken van de universiteiten. De kunstdepartementen worden ondergebracht in zogenaamde Schools of Arts.

K.B./D.P.: Dat beleidsmensen zich kunnen voorstellen dat de opleiding tot architect kan worden geïntegreerd, is misschien begrijpelijk aangezien de universiteiten zelf reeds zo’n opleiding organiseren. Dat is niet het geval voor het kunstonderwijs.

P.D.G.: Ja, maar ik zou het fout vinden om enkel die opleidingen te integreren waarvoor een analoge opleiding aan de universiteit bestaat. Je kan beide architectuuropleidingen ook niet met elkaar vergelijken. Vraag het aan de mensen van de Sint-Lucashogescholen: zij zullen bevestigen dat zij een totaal andere opvatting over architectuur en het onderzoek in de architectuur hanteren. Het zal zaak zijn om de profielen van beide architectuuropleidingen te vrijwaren. Ik weet dat dit ook de bedoeling is, maar er zal zeer zorgvuldig op moeten worden toegezien dat het effectief gebeurt. Mochten de kunsten en de architectuur samen zijn geïntegreerd, dan waren er veel meer garanties geweest dat de profielen zouden worden behouden. Samen stonden ze sterker. Het lijkt mij om die reden ook fundamenteel dat wat wij sinds 2009 hebben uitgebouwd intact blijft: de interne samenhang tussen onderzoek in de architectuur en onderzoek in de kunsten. Er zijn vandaag al zeer veel terreinen waarop beide vruchtbaar samenwerken. Het zou doodjammer zijn mochten beide – kunst en architectuur – door de beslissing die na het maatschappelijk debat is genomen uit elkaar worden gehaald. Dat is wat vandaag dreigt te gebeuren.

K.B./D.P.: De kunstopleidingen worden nu samengebracht in zogenaamde Schools of Arts. Hoe kijk jij daar tegenaan?

P.D.G.: Ik vind het een heel ongelukkige beslissing. Ik heb er tijdens het maatschappelijk debat altijd voor gewaarschuwd dat de kunstopleidingen daardoor geïsoleerd zullen raken. Veel kunstenaars hebben interessante contacten met wetenschappers en andere academici, maar de mogelijkheid om van elkaars nabijheid te profiteren is geaborteerd. De kunsthogescholen moeten hoe dan ook academiseren – dat wordt immers bepaald door het decreet – maar ze zullen dat nu volledig op eigen houtje moeten doen, terwijl alle andere academische opleidingen naar de universiteiten zijn overgeheveld. De Schools of Arts blijven bovendien deel uitmaken van de hogeschoolkoepels, die enkel nog professionele opleidingen aanbieden. De directies van die koepels hebben in het verleden weinig blijk gegeven van een waarachtig engagement voor de kunstopleidingen. Het is ook een onnodig complexe structuur. De Schools of Arts worden bestuurd door academische raden waarin de ene helft uit universitairen moet bestaan en de andere uit docenten van de kunsthogescholen, terwijl de integratie met de universiteiten is afgewezen. De institutionele oplossing waarvoor men heeft gekozen, is niet anders dan als een paradox te karakteriseren. Vroeg of laat komt de discussie over de integratie terug boven water, dat geef ik jullie op een briefje.

K.B./D.P.: Waarom acht je het uitgesloten dat de Schools of Arts een eigen model van academisering zouden uitwerken? 

P.D.G.: Ik acht dat niet uitgesloten, maar dat het niet makkelijk zal zijn, is evident. De Schools of Arts kunnen de academisering op eigen kracht proberen door te voeren, maar ze zullen in het defensief blijven zitten. Ze zullen altijd moeten bewijzen dat hun discours even academisch is als dat van de universiteiten.

K.B./D.P.: Hoe hebben de universiteiten zich opgesteld in het maatschappelijk debat? Had jij de indruk dat zij bereid waren om zichzelf te herdenken, zoals je in Geen Universiteit zonder Kunsten had bepleit? 

P.D.G.: Die vraag moet ik helaas negatief beantwoorden. De Vlaamse universiteiten hebben te weinig inspanningen gedaan om een nieuwe, uitdagende context te creëren voor het kunstonderwijs. Zij hebben de kunsthogescholen onvoldoende van de meerwaarde van de integratie overtuigd. De faculteit van Letteren en Wijsbegeerte heeft nagelaten om een duidelijke stap in de richting van de kunstopleidingen te zetten. Je kan het niet maken om de kunstopleidingen in de universiteiten te integreren en ze daar vervolgens aan hun lot over te laten. De integratie van de kunsten had gepaard moeten gaan met een versterking van hun interne positie binnen het nieuwe universitaire kader. De universiteiten lijken daar tot op heden onvoldoende toe bereid. Maar ik heb daar ook begrip voor. Het vergt een leerproces. Ik geloof ook dat er verandering in kan komen. Het ideale scenario lijkt me dat er een nieuwe poging wordt ondernomen om een kunstenfaculteit op te richten, waarvan niet alleen de kunstopleidingen deel uitmaken, maar ook de kunstwetenschappen en – waarom niet? – de filosofie.

 

4. Het ontslag

K.B./D.P.: Wat was voor jou de druppel die de emmer deed overlopen? Waarom heb je beslist om ontslag te nemen?

P.D.G.: Er is een wig gedreven tussen kunsten en architectuur. De geïntegreerde faculteit architectuur en de School of Arts gaan een eigen leven leiden. Hoe ga je de banden tussen beide borgen? Dat was het grote vraagstuk waarvoor ik me gesteld zag voor ik mijn ontslag indiende. Ik kreeg te weinig garanties voor een structurele band tussen beide en die band achtte ik van het grootste belang.

K.B./D.P.: Waarom hamer jij zo op die band tussen architectuur en kunsten? Om slechts een voorbeeld te geven: tot voor de toetreding van de Hogeschool Sint-Lukas Brussel tot de Associatie KU Leuven in 2009 bestond er nauwelijks een band tussen de opleidingen architectuur en beeldende kunst.

P.D.G.: Het klopt dat de contacten tussen deze twee departementen lang op een laag pitje hebben gestaan – een schoolvoorbeeld van de inerties waarover ik het reeds had. Maar sinds de toetreding tot de Associatie KU Leuven heeft er wel degelijk een omslag plaatsgevonden.

K.B./D.P.: Wellicht omdat men ertoe gedwongen werd…

P.D.G.: Ik denk niet dat er sprake was van dwang. Het ging wel degelijk om een intellectuele uitwisseling. We hebben bijvoorbeeld de mogelijkheden onderzocht om onderzoek in de kunsten en onderzoek in de architectuur op elkaar te betrekken. Ik blijf erbij dat er op dit vlak onvermoede mogelijkheden zijn. Ik heb ook goede hoop dat die kansen in de toekomst nog benut zullen worden. Maar mijn positie was door de uitkomst van het voornoemde maatschappelijk debat onmogelijk geworden.

K.B./D.P.: De uitkomst van dat debat was evenwel reeds in juli 2010 bekend. Waarom heb je de handdoek niet meteen in de ring gegooid?

P.D.G.: Ik heb tot op het laatste moment getracht om de boodschap van de FAK te blijven uitdragen. Ik vond dat het verhaal nog niet ten einde was en besloot het volgende hoofdstuk voor te bereiden. Na verloop van tijd moest ik vaststellen dat het me steeds minder lukte om mijn overtuiging over te brengen. Samen met mijn collega’s zag ik het inhoudelijke project van de FAK steeds meer verwateren. Ik wou ook geen leiding geven aan twee faculteiten en evenmin wou ik tussen een van beide kiezen. Een aantal bijkomende elementen heeft mijn functioneren als decaan van de FAK nog verder bemoeilijkt.

K.B./D.P.: Welke?

P.D.G.: Ze hebben vooral te maken met het financieel beheer van de kunstdepartementen. Een aantal financiële voordelen of garanties die verbonden waren met de integratie van de kunstopleidingen zullen vanaf 2014-2015 wegvallen. Ook de numerus clausus heeft negatieve gevolgen voor de financiële toestand van de kunsthogescholen. Zo kan de opleiding audiovisuele kunsten aan Sint-Lukas Brussel wegens gebrek aan materiaal minder studenten aannemen, met als gevolg dat ze middelen verliezen aan de opleidingen die wel meer studenten binnenhalen. Het gevolg is dat de financiële middelen zullen verminderen en dat de kunsthogescholen binnen de Associatie KU Leuven in nauwe schoentjes komen te staan. Met de FAK zijn we noodgedwongen van een inhoudelijk verhaal in een verhaal van crisismanagement gekomen – en ik ben geen crisismanager. Het inhoudelijke project dat wij sinds 2009 trachtten te ontwikkelen, is helemaal naar de achtergrond verschoven.

K.B./D.P.: Werd jij dan gevraagd om de nodige besparingen door te voeren? 

P.D.G.: Nee, de Associatie KU Leuven heeft een crisismanager in het veld gestuurd, mevrouw Marleen Verlinden. Zij is immers eindverantwoordelijke op het vlak van de financiering van de hogescholen die van de Leuvense associatie deel uitmaken. Ik vond het wel een probleem dat de functies sindsdien niet meer duidelijk afgelijnd waren. Plots beland je in vergaderingen waar bijna iedereen opnieuw over hetzelfde begint te discussiëren en daarover wil beslissen. Er kunnen geen vier of vijf mensen achter het stuur plaatsnemen. Het moet duidelijk zijn wie de leiding heeft en binnen welke context die leiding wordt uitgeoefend. Een andere bijkomende reden betreft de internationale contacten die we met de FAK hadden uitgebouwd, onder andere met de Universiteit van Göteborg en de Royal College te Londen. Die contacten waren essentieel voor de doorgroei van de FAK, maar door de beslissing van de Vlaamse regering om de architectuur wél en de kunsten niet te integreren, had het geen zin meer om ze verder te zetten.

K.B./D.P.: Hoe zie jij de toekomst van het kunstonderwijs? 

P.D.G.: Ik hoop dat de kunstdepartementen de kans krijgen om een nieuwe positie te veroveren. De universiteiten bieden daartoe de beste context, als zij tenminste bereid worden gevonden om zichzelf te herdenken. Ik ben niet pessimistisch. Ik geloof dat veel mensen in onze kunsthogescholen vastbesloten zijn om op te komen voor hun zaak en een nieuwe positie te veroveren voor het kunstonderwijs.

Transcriptie: Soetkin Beerten en Toon Beerten

‘Morgen is alles anders’ — Over kunstonderwijs (in Vlaanderen, Nederland en Duitsland)

Koen Brams: Guillaume, jij hebt meegewerkt aan 3 x kunstonderwijs — een film van Jef Cornelis die door de Vlaamse openbare omroep werd uitgezonden op 26 augustus 1987. Hoe kijk jij vijfentwintig jaar later terug op de onderwijssituatie zoals die door Cornelis werd vastgelegd?

Guillaume Bijl: Wat mij in deze film is opgevallen, is dat de docenten zeer weinig over kunst spraken. Wisten zij wel welke hedendaagse kunst er gemaakt werd? Konden zij de werken die hun studenten aan het maken waren toetsen aan de wereld van de kunst die buiten de muren van de academie in volle ontwikkeling was? In de academie van Antwerpen, waar ik het beeldhouwatelier bezocht, werd het artistieke in alle geval danig verwaarloosd; de focus lag volledig op het ambachtelijke.

K.B.: Vaast, wat heeft de film jou bijgebracht? Wat ben jij te weten gekomen over het Vlaamse kunstonderwijs anno 1987?

Vaast Colson: Het is een uitermate deprimerend verhaal en ik vond het lastig om te blijven kijken. Dat had niet te maken met de docenten of de studenten die aan het woord kwamen, maar met de strategie van de filmmaker. Het is haast agressief om op die manier instituten binnen te vallen en vragen te stellen aan studenten en docenten, die onmiddellijk het antwoord van hun leven moeten geven. Het zijn bovendien vragen waar je beter lang en geduldig over nadenkt. Ik zag heel veel bange blikken. Dat is een pijnlijke vaststelling, want kunst gaat voor mij over het tegengestelde.

K.B.: Guido, hoe heb jij naar de film gekeken?

Guido Goossens: Enerzijds wil ik mij aansluiten bij wat Vaast stelt. Ik geef zelf les aan de Universiteit van Maastricht en ben ook als docent verbonden aan de Academie voor Beeldende Kunst van Maastricht. Ik vraag me af of je ook geen angstige blikken zou capteren als je mijn collega’s of mijn studenten met dit soort vragen zou bestoken. De problemen die de film aankaart, zijn echter nog steeds heel erg actueel. Een van de discussies die in de film wordt gevoerd, heb ik nog zeer recentelijk gehad met de docenten van de academie. Wanneer moet je beginnen met het onderwijzen van filosofie? Dat was de vraag die speelde. Moet je meteen in het eerste jaar beginnen? Of moet je filosofie pas aan bod brengen in het tweede of derde jaar? Een van mijn gesprekspartners koos voor het laatste omdat je anders de ‘creativiteit’ in de kiem zou smoren. De film stelt onder meer deze kwestie aan de orde en dat vind ik buitengewoon belangwekkend.

 

2. Media en de organisatie van het onderwijs

K.B.: De kwestie van de plaats van het vak filosofie in een opleiding tot kunstenaar is slechts een van de immer terugkerende vraagstukken. Een ander onderwerp betreft de organisatie van de ateliers. In de drie academies die in 1987 geportretteerd worden – naast de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, ook de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent en de Hogeschool Sint-Lukas in Brussel – worden de ateliers per medium opgezet. Er is een atelier voor beeldhouwkunst, een atelier voor schilderkunst en — in Sint-Lukas — een experimenteel atelier. Hoe kijken jullie naar deze organisatie van het kunstonderwijs, ermee rekening houdend dat de kunstwereld ondertussen ook geëvolueerd is: sinds 1987 bedienen kunstenaars zich niet van minder, maar – integendeel – van meer media.

V.C.: Als ik de situatie die Cornelis in 1987 heeft gefilmd vergelijk met de toestand die ik als student van de Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen ervoer in 1997, en vervolgens beide afzet tegen de stand van zaken waarvan ik nu getuige ben als docent in diezelfde academie, dan moet ik wel tot de conclusie komen dat er in wezen niet heel veel veranderd is. Schilder- en beeldhouwkunst worden er nog steeds op dezelfde wijze onderwezen. Het studio based onderwijs heeft een lange geschiedenis en men is blijkbaar niet bereid om die traditie overboord te gooien. Sommigen willen dat wel, anderen houden het tegen.

K.B.: Wat is jouw eigen standpunt?

V.C.: Persoonlijk blijf ik voorstander van de studiobenadering. De jonge mensen die naar de academie willen komen, hebben in haast alle gevallen ook een specifiek medium op het oog. Ze weten — of denken te weten — dat ze schilder of beeldhouwer willen worden. Ik geef zelf les in het schilderatelier. Dat zo’n studio bij sommige studenten weerstand oproept, vind ik juist een zeer positief gegeven. Als iemand uit de dwangbuis van een medium wil ontsnappen, dan moet dit zeker kunnen. De studio’s maken zo’n tegenreactie mogelijk, dat vind ik het belangrijke van die opzet.

K.B.: Is het niet eigenaardig om de vrije kunsten op te delen in ateliers als je weet dat sommigen daar zullen willen uitbreken?

V.C.: Neen, ik vind dat niet vreemd. Mocht het één open atelier zijn, dan zouden we met hetzelfde probleem te maken hebben. Jonge mensen die ervoor kiezen om kunstenaar te worden, zullen steeds grenzen proberen op te zoeken.

K.B.: Stel dat een leerling van de studio schilderkunst een website wil maken, hoe moet dat dan binnen die structuur?

V.C.: Als een student met zo’n vraag op mij zou afstappen, dan zou ik hem zo goed mogelijk proberen te begeleiden. Vanuit mijn eigen praktijk denk ik ook na over websites. Ik zou de student in eerste instantie bevragen. Waarom wil hij een website maken? Om zich te promoten of omdat alle kunstenaars een website hebben of omdat hij daarin een medium ziet om zich uit te drukken? Mocht er technische ondersteuning nodig zijn, dan zou ik de student in contact brengen met een docent van de studio grafische vormgeving.

K.B.: Guillaume, jij hebt jarenlang lesgegeven aan de academie van Münster. Hoe ziet het Duitse model eruit?

G.B.: In Münster stellen zich jaarlijks zo’n 350 jonge mensen kandidaat om aan de academie te komen studeren. Aan de hand van de dossiers wordt een eerste selectie gemaakt. De studenten die worden toegelaten – zo’n dertig à veertig per jaar — komen in een oriëntatiejaar terecht. Ze gaan aan de slag in een gezamenlijk atelier. Na het eerste jaar is er een evaluatie, die overigens helemaal niet streng is. Vanaf het tweede jaar werkt elke student in een klas die begeleid wordt door een professor. Het gebeurt ook dat een student gedurende zijn werkperiode van klas/professor verandert. Ik ben een grote voorstander van het Duitse systeem. Ik ben zeker geen voorstander van een strikte scheiding tussen een beeldhouw- en een schilderatelier.

K.B.: Waarom? Wat zie je als de belangrijke voordelen?

G.B.: Het is niet alleen de klassenstructuur die goed is, maar ook de technische en theoretische begeleiding, waar alle studenten beroep op kunnen doen, ongeacht in welke klas ze werkzaam zijn. Artistieke, theoretische en technische begeleiding hebben dus een eigen plaats. Ik zie dat als een belangrijk voordeel.

V.C.: Ik wil hierbij toch aanstippen dat van deze structuur een geweldige druk kan uitgaan: voor de docent omdat hij als het ware tekent voor de studenten die bij hem komen werken; voor de student omdat hij zich moet zien te ontworstelen aan de signatuur van de docent. Ik vind het niet evident.

K.B.: Guillaume, als je als student in een klas van een professor belandt, die bijvoorbeeld schildert, moet je je dan ook aan die ene specifieke discipline houden?

G.B.: Nee, zo strikt is het niet. Als professor begeleidde ik onder meer beeldhouwers, schilders, videokunstenaars en fotografen. Wat ik daarentegen vreemd vind, is die afdeling Vrije grafiek aan de academie van Antwerpen. Ik vind dat merkwaardig. Niet dat men grafiek maakt; Picasso en Warhol deden dat ook, maar zij hadden daarnaast een praktijk als ‘autonoom’ kunstenaar. Hoe kan vrije grafiek evenwel een discipline op zichzelf zijn? En die docenten, weten die wel waar ze mee bezig zijn?

K.B.: Guido, welke keuzes zijn in de Academie voor Beeldende Kunst van Maastricht gemaakt als het gaat over de omgang met media en technieken?

G.G.: De Academie voor Beeldende Kunst van Maastricht is een van de Nederlandse academies die een zogenaamde ‘brede start’ organiseert en in die zin niet zoveel verschilt van het Duitse model. Eerst is er dus een algemeen of propedeusejaar. Na afloop van dat eerste jaar word je niet verplicht om een voorkeur uit te spreken voor een bepaald medium. Je wordt enkel voor de keuze geplaatst of je autonoom of toegepast wil werken. De afdeling Autonoom biedt een open traject van drie jaar aan. De docenten hebben weliswaar specifieke expertise in huis, maar ze stellen zich eerder op als begeleiders van de studenten, niet in technische maar in artistieke zin.

K.B.: Vaast, als je enerzijds de situatie van 1987 beschouwt, en anderzijds de verhalen uit het buitenland beluistert, is het dan niet vreemd dat er op het vlak van die mediageoriënteerde benadering in de Antwerpse Academie niets verandert? Is er ten minste een discussie in de academie over dat onderwerp?

V.C.: Een school kan je vergelijken met een kraan die opengedraaid is: er wordt niet heel veel tijd uitgetrokken om stil te staan bij de uitgangspunten of ze te heroverwegen. De praktijk is vaak dwingender dan we zouden willen. Wordt er dan helemaal niet gereflecteerd of gediscussieerd? Toch wel, ook omdat er voortdurend een wissel van de wacht is. Er worden jongere lesgevers aangesteld die de discussie over de organisatie van het onderwijs oppoken. Er zit heel veel potentieel in de academie. Zelf heb ik absoluut geen problemen met de onderwijsopvatting in de academie. Ik beweeg erin op mijn manier. Mocht de opzet worden gewijzigd, dan zou ik me er op een andere manier in bewegen.

 

3. Ambacht en reflectie

K.B.: Een aspect dat in de film voortdurend aan bod komt en waarop Guillaume reeds heeft gewezen, is de plaats van het ambacht. Moet de klemtoon liggen op het metier of op het ontwikkelen van ideeën, waarbij de kwestie van de materialisering pas in tweede instantie aan de orde komt?

V.C.: Er wordt heel veel met begrippen gegoocheld, overigens ook door de academies zelf wanneer er promotiefolders worden uitgestuurd. Een woord als metier zou ik nooit gebruiken. De ontwikkeling van ideeën en de totstandkoming van kunstwerken wil ik absoluut niet opsplitsen. Het heeft geen zin om in zulke termen te denken.

K.B.: In de film van Cornelis stelt Bruno Van Dijck, die schilderkunst doceert: ‘Ik denk dat we in een kunstschool zoals deze toch moeten vertrekken vanuit de praktijk en vanuit misschien de liefde voor het vak.’ Is de aanpak gewijzigd sinds 1987?

V.C.: Ik denk dat er wel wat veranderd is, maar als je er vandaag terug zou binnenvallen met een filmploeg, dan zou je dat misschien niet opmerken. In elke afdeling wordt er een cursus modeltekenen gedoceerd. Ik vind dat nog altijd heel relevant, maar dat tekenen moet niet worden verdedigd in de naam van ‘ambacht’ of ‘metier’. Zelf zou ik het veel liever hebben over waarneming en over de aanscherping van sensibiliteit. Het gaat niet over kunnen tekenen, maar over kunnen zien! Dat je een stilleven van Cézanne opnieuw op het canvas kan toveren, is veel minder belangrijk dan de waarneming die eraan vooraf is gegaan. Het gaat over concentratie en engagement. Ik zou de discussie op een diepmenselijk en filosofisch niveau willen tillen.

K.B.: Guido, welke positie neem jij in het debat over ambacht en reflectie in?

G.G.: Ik pleit voor een evenwicht. Theorie en reflectie verdienen zeker aandacht vanaf het eerste jaar, maar je moet ook goed kijken naar de invulling daarvan. Het heeft geen zin om die jonge mensen te bestoken met extreem gesofisticeerde filosofie. Dat zet geen zoden aan de dijk. We moeten beginnen met basale vragen zoals: ‘waarom ben je hier en waarom wil je kunstenaar worden’ — vragen waarover heel veel kunstenaars en kunsttheoretici uitgebreid hebben nagedacht. Hun gedachten en inzichten kunnen worden besproken met de studenten. Op die manier zou theorie vanaf het begin verankerd moeten worden in het onderwijs.

K.B.: Guillaume, wat is volgens jou het voorstel dat je als academie aan een kandidaat-kunstenaar moet doen?

G.B.: Een academie moet het mogelijk maken dat geïnteresseerden met alle technieken in aanraking komen. Men zou ook minder moeten bezig zijn met het geven van punten. Dat iemand in een academie een jaar moet blijven zitten, vind ik totaal absurd. Die studenten zijn nog zeer jong. Wat ze maken is sowieso jeugdwerk.

V.C.: Ik kan me wel vinden in wat Guillaume zegt: studenten moeten beroep kunnen doen op technische assistenten — eerder dan op docenten — in bepaalde ateliers. Maar ik ben niet bereid om te stellen dat schilderkunst een techniek is. Schilderkunst kan je niet vergelijken met een laspost.

 

4. Contact met de buitenwereld

K.B.: Een ander probleem dat in de film aan bod wordt gebracht, is de interactie tussen binnen- en buitenwereld, tussen de academie en de kunstwereld. Is de academie een open instituut waar mensen van buiten ook binnen kunnen komen en voor de nodige onrust kunnen zorgen? In hoeverre is dat nu nog steeds een probleem? Heb je daar zicht op, Guillaume?

G.B.: Ik denk dat er nu meer wisselwerking is dan dertig jaar geleden. Er wordt meer beroep gedaan op gastprofessors — kunstenaars, galeristen en museumdirecteurs — alleen gebeurt dat mijn inziens nog steeds te weinig.

K.B.: Beaam je dat, Vaast?

V.C.: Jazeker, maar ik durf er ook vragen bij stellen. In de film — die toch van 1987 dateert — heeft Jan Debbaut het al over de mediatisering van de beeldende kunst. Hij zegt dat informatie óver kunst de plaats dreigt in te nemen van de ervaring ván kunst. Dat is een enorm probleem. Als ik mijn studenten vraag wie ze als gastdocent willen, dan krijg ik gegarandeerd als antwoord dat ze Michaël Borremans willen spreken. Ze willen niet weten hoe, wat of waarom hij schildert, maar zijn gefixeerd op zijn succes. Ik wil erover waken dat een ‘les’ van een gastdocent geen fandag wordt.

K.B.: Kan je dat niet sturen?

V.C.: Jazeker, maar ik wou dit probleem toch even aan de orde stellen. Evengoed ben ik beducht voor overdreven formalisering. Het zou een ramp zijn mocht het verplicht worden om een minimum aantal gastdocenten per jaar uit te nodigen.

K.B.: Heb jijzelf als docent soms de behoefte om gasten uit te nodigen en met hen in de academie te werken?

V.C.: Ja, ik spreek vaak met mensen van wie ik denk dat ik ze moet uitnodigen, maar ik moet dan wel mijn schaamte overwinnen om het honorarium te vermelden. Bovendien moet je stalen zenuwen hebben om die hele papierwinkel te bemeesteren. Als je iemand wil uitnodigen, moet je in feite een bureaucraat zijn. Toen ik nog academie liep, gaf Paul Ilegems er les. Hij slaagde erin om wekelijks kunstenaars uit te nodigen. Dat was fantastisch. Ik weet niet of hij over een budget beschikte.

Paul Ilegems [vanuit de zaal]: Jawel, wij hadden een goed budget. In het begin betaalden we 100 euro per persoon, later 200 euro. Er was een jaarbudget, dat 2.500 euro bedroeg. Op een gegeven moment is dat afgeschaft.

G.B.: Het budget voor gastlezingen is afgeschaft? Dat is bijzonder spijtig.

G.G.: In de Academie voor Beeldende Kunst in Maastricht is er een tendens waarneembaar om de boel open te breken. In de afdeling Autonoom is echt sprake van een transformatie. Het beeld van de academie als een veilig nestje wordt op de schop genomen. Er worden heel veel gastdocenten binnengehaald, niet alleen kunstenaars, maar mensen met de meest uiteenlopende achtergronden.

K.B.: Guillaume, hoe zag jij als professor de relatie met de buitenwereld?

G.B.: Ik probeerde ervoor te zorgen dat mijn studenten konden deelnemen aan groepstentoonstellingen. Een contact met een galerist ging ik niet uit de weg als ik een student daarmee verder kon helpen. Dat zijn noodzakelijke stappen en als ik daarbij van dienst kon zijn, waarom niet? Wat was mijn rol als docent? Spreken over het werk, adviseren, maar ook de mogelijkheid bieden om aan een tentoonstelling deel te nemen. Jonge kunstenaars moeten ervaring kunnen opdoen in het organiseren van een tentoonstelling, maar ook in presentatie, in belichting. Ze moeten leren omgaan met de perceptie van het publiek. Het is belangrijk om de feedback van anderen te ervaren. Elk jaar zetten wij een tentoonstelling op poten in een of andere Kunstverein in Duitsland.

K.B.: Ondervond jij soms belemmeringen waarvoor de academie verantwoordelijk was?

G.B.: Er waren geen belemmeringen. Ik kwam wanneer en hoeveel keren ik wou. De professor is in Duitsland heel goed beschermd, ook wat de individuele aanpak van het onderwijs betreft. Er is ook nauwelijks bureaucratie. Als je aangeeft dat je een maand in New York bent omdat je een tentoonstelling aan het voorbereiden bent, dan wordt daar geen probleem van gemaakt.

 

5. Bologna

K.B.: In 1999 werd door Europa de Bolognahervorming op het spoor gezet. Ingevolge Bologna werd de bachelor-masterstructuur ingevoerd, ook in het kunstonderwijs. Alhoewel uniformisering het doel is van Bologna, is de implementatie in de verschillende Europese landen verschillend. Hoe is Bologna ingevoerd in Maastricht, Guido?

G.G.: De Hogeschool Zuyd, waarvan de Academie voor Beeldende Kunst van Maastricht een onderdeel is, heeft de oude systematiek inderdaad ingeruild voor de bachelor-masterstructuur. Het was eenvoudigweg niet tegen te houden. Het systeem kan je niet veranderen, maar je kan wel proberen er een eigen invulling aan te geven.

K.B.: Hoe zag de situatie er in Münster uit toen jij de academie verliet, Guillaume?

G.B.: De academie van Münster is geassocieerd met de academie van Düsseldorf en de Kunsthochschule für Medien van Keulen. Die drie scholen hebben Nordrhein-Westfalen als voogdijoverheid. Markus Lüpertz, die rector was van de academie van Düsseldorf, heeft de hervorming zo lang mogelijk proberen tegen te houden. In andere academies — in Hamburg, in München, en ook in Berlijn — zijn ze veel vlugger overstag gegaan. In Nordrhein-Westfalen hebben we de dans een beetje kunnen ontspringen. Nu moet er wel iets veranderen, maar het zal een lightversie zijn.

K.B.: Hoe zal die eruitzien?

G.B.: Voor het bachelordiploma zal het voldoende zijn dat de student aan zijn professor aangeeft dat hij daarover een gesprek wil. Nadat een recent werk is besproken, wordt het diploma verstrekt. Ter verkrijging van het masterdiploma zal een gesprek met drie professors — twee kunstenaars en één theoreticus — worden georganiseerd. De bachelor-masterstructuur wordt ingevoerd, maar het verschil met de vroegere situatie zal miniem zijn.

K.B.: Die pro forma-argumentatie heb ik ook vaak gehoord toen het Vlaamse kunstonderwijs werd hervormd, maar is het daarbij gebleven, Vaast?

V.C.: Neen, om te beginnen is de terminologie nefast. Als jury’s bij ons binnenkomen, dan hoor ik sommige leden zeggen dat het wel over een ‘master’ gaat. Van de jonge mensen die afstuderen lijkt plots meer te worden verwacht, terwijl ze slechts vier jaar leren en experimenteren achter de rug hebben. Toen ik mijn graad behaalde — op dat moment Meester in de kunst geheten — ging dat met minder gewichtig gedoe gepaard.

G.B.: Die juryleden beseffen niet dat ze jeugdwerk aan het beoordelen zijn. Waar zijn die mee bezig? Dat zijn schoolmeesters. Dat zijn geen kunstenaars die onderrichten, dat zijn puntengevers!

K.B.: In Vlaanderen is Bologna gepaard gegaan met fusies van hogescholen, die op hun beurt geassocieerd zijn met universiteiten. Is dit institutionele kader van invloed op jouw werkzaamheden als docent, Vaast?

V.C.: Ik ben er niet erg positief over. Ik heb het gevoel dat mijn visie op onderwijs niet van tel is voor de mensen die bepalen welke ruimte ik krijg om met de studenten te werken. De laatste tijd probeer ik zoveel mogelijk in onze studio te blijven en zo weinig mogelijk in de gangen te komen.

K.B.: Wat kan je overkomen als je de gangen betreedt?

V.C.: Het kan zijn dat er een gesprek wordt aangeknoopt en dat ik binnen de kortste keren een bijkomende klus moet verrichten. Ik wil dat niet. Ik ben er voor de studenten, niet voor de school.

K.B.: Welke klus willen ze je dan opsolferen?

V.C.: Ze proberen me te ‘motiveren’ om een doctoraat te maken. Ik moet immers mijn ‘verantwoordelijkheid’ opnemen. Het doctoraat in de kunst is verzonnen door personen die niet weten wat een kunstenaarspraktijk is. Als ik niet meer zou mogen lesgeven omdat ik geen doctoraat heb, dan zijn de studenten welkom bij mij thuis. Het is een haast artistieke reflex om het op die manier te stellen.

G.G.: Titels zijn blijkbaar weer heel belangrijk geworden. Waarom zou je als kunstenaar een titel willen hebben? Waar is dat goed voor? Is het niet voldoende voor een kunstenaar om kunst te maken? Waarom moet daar een PhD aan gekoppeld worden? Het doet me denken aan Frankrijk in de negentiende eeuw, toen een zogenaamd goede kunstenaar een medaille kon krijgen van de Staat.

G.B.: In Münster en elders in Duitsland kunnen de professors een enorm curriculum van tentoonstellingen in binnen- en buitenland voorleggen. Is dat niet genoeg?

K.B.: Een andere belangrijke vraag, misschien wel de belangrijkste: heeft de institutionele omkadering invloed op het werk van de studenten? Wordt er andere kunst gemaakt door de studenten?

V.C.: Ik denk van wel. Mede ten gevolge van de bachelor-masterstructuur, heeft het talige veel aan belang gewonnen. Dat is problematisch omdat je als beeldend kunstenaar bezig bent met materialiteit en dus met ‘tijdverlies’. Ik wil er wel aan toevoegen dat die ontwikkeling zich niet alleen in het onderwijs, maar ook in de kunstwereld voordoet. Met de opkomst van de curator is het discours een dominante factor geworden. Niet het kijken náár, maar het praten óver kunst is alsmaar belangrijker geworden. Je moet goed kunnen formuleren.

G.B.: En je moet goede dossiers kunnen schrijven. De studenten worden daar zelfs in getraind. Hoe maak ik een goed dossier?

G.G.: In Nederland hebben ze daarvoor de term ‘cultureel ondernemer’ uitgevonden.

V.C.: We komen aardig in de buurt van het fantasme dat een succesvolle kunstenaarscarrière kan worden ontworpen. De suggestie wordt gewekt dat er bouwstenen zijn die — als ze op de juiste manier op elkaar worden gestapeld — alleen maar tot succes kunnen leiden. Maar willen we dat wel? Moeten we geen opleiding voor iedereen organiseren? Ook voor diegenen die later geen zichtbaarheid krijgen, maar die wel vier of vijf waardevolle jaren hebben gekregen? Anderzijds biedt het discours over cultureel ondernemerschap aan jonge onervaren kunstenaars de kans om zicht te krijgen op de manier waarop kunst verpakt en vermarkt wordt.

G.B.: Dat je als kunstenaar een ondernemer zou zijn, is te gek voor woorden, maar dat je zelfs zou kunnen leren om een ondernemer te worden, is een haast misdadige vergissing.

 

6. OSUC

K.B.: Hoe zou het kunstonderwijs op een andere manier gestalte kunnen krijgen? Guido, jij bent zelf betrokken bij OSUC, Open Source Urban Campus. Het is — naar eigen zeggen van de initiatiefnemers — ‘een onafhankelijke, ongeaccrediteerde vorm vn piraterij op het gebied van kunstonderwijs’. Kan je ons inwijden in de wondere wereld van OSUC?

G.G.: OSUC is opgericht door docenten van de Maastrichtse academie en Hedah, een kunstenaarsinitiatief waarvan ik voorzitter ben. Het is een structuur om de beslotenheid en de veiligheid van de academie open te breken, niet alleen door externen binnen te halen, maar ook door zelf naar buiten te gaan. We zijn aan de slag gegaan in het voormalige mijngebied in Zuid-Limburg.

K.B.: Hoe moet ik de term ‘piraterij’ begrijpen? Is het een vorm van opstand tegen de bestaande structuren?

G.G.: OSUC is niet gericht tegen de academie, want daar worden veranderingen in de goede richting op touw gezet. Ons initiatief wil vooral een antwoord zijn op allerlei ontwikkelingen in Nederland op het gebied van postacademisch onderwijs. De Universiteit Maastricht heeft een interdisciplinair masterprogramma opgestart dat de titel Artistic Research voert. Dat is ons een doorn in het oog. Met een aantal mensen hebben we samengezeten en we zijn tot de conclusie gekomen dat onze studenten iets heel anders nodig hebben als ze de academie verlaten. Ze hebben niets te winnen met een master of PhD in Artistic Research. Neen, ze moeten zich kunnen positioneren tegenover de echte wereld. Daar ligt ons inziens hun opdracht. In plaats van de lange weg te bewandelen van institutionele toestemming, accreditering of subsidiëring hebben wij als kunstenaarsinitiatief de handen uit de mouwen gestoken: we zijn gewoon met een ‘schooltje’ begonnen.

K.B.: Guillaume, hoe schat jij zo’n initiatief in?

G.B.: Ik kan me daar wel in vinden. Waarom? Omdat wij, in Vlaanderen, de studenten te vroeg op de markt sturen. In Vlaanderen beginnen de studenten onmiddellijk na de humaniora aan hun academieopleiding. Op tweeëntwintigjarige leeftijd staan ze terug op straat. Dat kan toch niet! Ik geef de voorkeur aan het Duitse systeem waar men kan kiezen hoelang men studeert. Na het eindexamen kan men nog een jaar blijven als Meisterschuler. In Vlaanderen staan kunstenaars op 22, 23 of 24 jaar op straat en moeten ze zogezegd aan een carrière beginnen, met alle gevolgen van dien, ook voor de kunstwereld. Men vergeet dat het niet evident is om kunstenaar te worden, en zeker niet om het te blijven. Er zouden in Vlaanderen meer hogere instituten moeten zijn. Jonge kunstenaars hebben een werkplaats nodig, waar ze langer dan voor de duur van hun opleiding moeten kunnen blijven experimenteren. In welke mate men gedreven, geëngageerd en geobsedeerd is om als kunstenaar verder te doen, zal dan blijken.

V.C.: Als afgestudeerd kunstenaar moet je tijd en ruimte proberen te vinden. Het gaat over het organiseren van je praktijk, over wat je verantwoordelijkheid is. En dat is voor elke kunstenaar anders.

G.B.: Wij kunstenaars moeten alert blijven met betrekking tot wat er gebeurt met de kunstpraktijk en de kunstwereld. We moeten alles in het oog houden. Er zijn kunstenaars die daar hun neus voor ophalen, maar ik niet. Om die reden ben ik ook voorzitter geworden van de belangenorganisatie NICC. Als we kijken naar het Duitse model, dan kan Vlaanderen nog veel leren. De professors zijn voor het merendeel praktiserende kunstenaars die van de academies veel vrijheid krijgen. De zittende professors kiezen de nieuwe professors, en allen kiezen de rector. De kunstenaars hebben dus een veel grotere inspraak.

K.B.: Vaast, hoe kijk jij tegen zo’n initiatief als OSUC aan.

V.C.: Ik wist niet van het bestaan van dit initiatief af, maar wat Guido erover vertelt, boeit me ten zeerste. Het lijkt erop dat het nog niet gedefinieerde — het artistieke — centraal staat en als instrument wordt gebruikt om de organisatie vorm te geven of vorm te laten krijgen. Dat vind ik interessant. De ideale school is wat mij betreft vooral gericht op infrastructuur. Ruimte geven, dat is het belangrijkste wat zo’n instituut kan doen. Van institutionalisering krijg ik de kriebels.

G.G.: OSUC wordt zeker geen nieuw instituut; we hebben ook geen curriculum. Een groepje studenten en een aantal docenten hebben beslist om buiten de academie een project op te zetten. We laten het gebeuren en we kijken waartoe het leidt. ‘See what happens’, dat zijn de woorden van Eric de Jong, de geestelijke vader van OSUC. Het is bewust niet de bedoeling om een nieuw instituut op te richten.

V.C.: Institutionalisering is niet iets waar je altijd voor kiest, soms gebeurt het gewoon.

G.G.: Dan heffen we het onmiddellijk weer op!

V.C.: Dat is eigenlijk de vraag die de academie zich elk jaar opnieuw zou moeten stellen: doen we voort of niet?

G.G.: Je formuleert een heel interessante stelling. Een verwijt dat je de studenten en de docenten die aan het woord komen in de film van Cornelis kan maken, is dat ze niet voldoende (auto)reflexief zijn. Ze doen, zonder dat ze nadenken over wat ze aan het doen zijn. Maar dat kan je evengoed — en met veel meer recht — aan vele academies verwijten. Het organiseren van kunstonderwijs zou een voortdurend proces van (zelf)reflectie moeten zijn.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams

 

Guillaume Bijl Kunstenaar, woont en werkt te Antwerpen. Hij was achtereenvolgens docent aan de Jan Van Eyckakademie, Maastricht (1988-1996) en aan de Hochschule für bildende Künste Hamburg (1993-1996), en professor aan de Kunstakademie Münster (2001-2011).

Koen Brams Onderzoeker en publicist, woont en werkt te Luik.

Vaast Colson Kunstenaar, woont en werkt te Antwerpen. Sinds 2008 is hij docent in het atelier schilderkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen.

Guido Goossens Filosoof en historicus. Docent aan de Universiteit Maastricht, Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen. Gastdocent filosofie aan de Academie Beeldende Kunsten Maastricht, afdeling Autonome Beeldende Kunst. Mede-initiatiefnemer van Open Source Urban Campus: http://www.osuc.org.

 

Het debat Morgen is alles anders werd geïnitieerd door Ulli Lindmayr en Stella Lohaus in het kader van de tentoonstelling NowBelgiumNow (LLS 387, ruimte voor actuele kunst, 9 oktober – 20 november 2011). Het vond plaats op 19 november 2011 in het Middelheimmuseum te Antwerpen. De publicatie van het debat gebeurde met steun van het Middelheimmuseum. Dank aan Ulrike Lindmayr, Stella Lohaus, Isabelle Devriendt en de sprekers.

‘In Vlaanderen kan je niets doorbreken’

1. Het voorspel

Koen Brams/Dirk Pültau: Alvorens in te gaan op de film 3 x kunstonderwijs die je in 1987 realiseerde, willen we je eigen ervaringen als docent in het kunstonderwijs aan de orde stellen. Van 1986 tot 2001 gaf je het vak Productieproblemen video en televisie aan de vierdejaarsstudenten in het Hoger Sint-Lukasinstituut in Brussel…

Jef Cornelis: …ik had al veel eerder lesgegeven in het kunstonderwijs. In de jaren 60 gaf ik een cursus in de Studio Herman Teirlinck in Antwerpen. Fons Goris, toenmalig directeur, had mij geëngageerd om de studenten te leren omgaan met camera en microfoon.

K.B./D.P.: Heb je lang lesgegeven in de Studio?

J.C.: Een vijftal jaar, tot 1968, meen ik.

K.B./D.P.: Hoe vatte je de lessen op?

J.C.: Mijn aanpak was bepaald brutaal. Wat was de eerste proef? Ga naar het fotohokje in het Centraal Station en kom terug met een foto van jezelf. Ik verplichtte tevens alle studenten om zich aan en uit te kleden voor de camera. Wie daar problemen mee had, was niet geschikt voor het vak. Ik nam de studenten ook mee naar de studio’s van de openbare omroep of naar privéstudio’s waar ik werkte. We deden testen. Hoe presenteer je je voor de camera? Hoe werkt je stem? Ik gaf vooral praktijklessen.

K.B./D.P.: Waarom heb je de Studio in 1968 verlaten?

J.C.: Niet de studenten, maar het instituut was ik beu. Ik ging met mijn studenten steevast op het dak zitten — als het niet regende — om lucht te hebben, weg uit die vreselijke lokalen. Sommige van mijn toenmalige collega’s hielden er ook vreselijke praktijken op na. Studenten werden uit de klas gesmeten. Dat is toch onvoorstelbaar! Zoiets doe je alleen met kleine jongens, toch niet met jonge mensen die acteur of actrice willen worden?

 

2. De realisator als docent

K.B./D.P.: Hoe is jouw aanstelling in Sint-Lukas Brussel tot stand gekomen? Waarom wilde je terugkeren naar het kunstonderwijs?

J.C.: Chris Dercon trok me over de streep. Hij had in Sint-Lukas een videoatelier opgestart en vroeg mij om de studenten inzichten bij te brengen over de productie van audiovisuele werken. Chris werd op handen gedragen door zijn pupillen. Hij was ook zeer genereus voor hen. Hoeveel monden heeft hij niet gevoed?

K.B./D.P.: Hoe had je kennisgemaakt met Chris Dercon?

J.C.: Ik ontmoette hem in de Dienst Kunstzaken. Stefaan Decostere heeft samen met Chris enkele televisiefilms gemaakt, waaronder Er ligt een videocassette in de soep (1983), Nam June Paik (1984), Dans + Camera (1985) en Warum wir Männer die Technik so lieben (1985). Ik zag Chris dus regelmatig. Dat we ooit zouden samenwerken stond in de sterren geschreven. Een leuk detail is overigens dat Chris de neef is van Cas Goossens, de toenmalige administrateur-generaal van de VRT.

K.B./D.P.: Stond de openbare omroep onmiddellijk toe dat je de lesopdracht bij Sint-Lukas aanvaardde?

J.C.: Ja, de uren die ik in Sint-Lukas presteerde, moest ik inhalen. Dat was de afspraak.

K.B./D.P.: Waarom ging je eigenlijk in op Dercons uitnodiging om les te geven aan Sint-Lukas?

J.C.: Ik heb al meermaals gezegd dat ik niet oud ben geworden met mijn eigen generatie.

K.B./D.P.: Jij was geïnteresseerd in jonge mensen?

J.C.: Ja, ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar de denkbeelden en voortbrengsels van mensen die jonger zijn dan ik. In Sint-Lukas heb ik kunnen kennismaken met zeer getalenteerde kunstenaars, onder wie Ana Torfs, Franciska Lambrechts en Gert Verhoeven. Franciska had steeds goede, interessante ideeën. Iedereen had iets aan haar. Maar er liepen ook heel veel oninteressante studenten rond en de belangstelling voor mijn vak was bijzonder matig. Het resultaat was er ook naar: de meeste studenten konden niet produceren. Productie is voor mij iets compleet anders dan kunst. Produceren staat gelijk aan organiseren. Het heeft haast iets militairs. Ik vind dat interessant.

K.B./D.P.: Zijn er ooit plannen geweest om samen te werken met een of meerdere beloftevolle studenten?

J.C.: Neen, maar het zou wel iets geweest zijn waar ik niet per definitie neen tegen zou hebben gezegd.

K.B./D.P.: Kan je iets over je pedagogische aanpak zeggen?

J.C.: Ik nam de studenten mee naar de VRT en bezocht de verschillende departementen. Ik had goede relaties met de mensen die de technische diensten bemanden – degenen die de beslissingen nemen over het inzetten van middelen. Als je iets wou realiseren in de openbare omroep, was het essentieel dat je met die technici goed overweg kon. Daar had ik de directeur-generaal Televisie niet voor nodig. Hij kon mij die middelen anderzijds wel afhandig maken.

K.B./D.P.: Nam jij je eigen productiedossiers mee om die te tonen aan je studenten?

J.C.: Ja, maar ze waren bezig hun eigen filmpjes te maken. Ze waren niet geïnteresseerd in de materie die ik doceerde. Ze konden niet produceren. Ze wisten er niets van af. Pas toen ze afgestudeerd waren, kreeg ik voortdurend telefoontjes om hen verder te helpen.

K.B./D.P.: Zag jij ook het werk van de studenten?

J.C.: Uiteraard. Ik vroeg hen om hun video’s te laten zien. Wat is het beste dat je tot nog toe gemaakt hebt? Ik gaf hen mijn commentaar.

K.B./D.P.: Als jij vond dat het niet goed was, dan zei je dat tegen hen?

J.C.: Ja, heel duidelijk; er kon geen misverstand over bestaan. In het kunstonderwijs moet je vanaf het begin keihard zijn – als ze dan nog willen komen, dan kan het iets worden. Diegenen die wegblijven, hebben niet het heilige vuur om kunstenaar te worden.

K.B./D.P.: Dat klinkt meedogenloos, Jef.

J.C.: Dat kan zijn, maar ik heb me voortdurend geërgerd aan die honderden mensen die academie lopen en barslechte kunst maken.

K.B./D.P.: Chris Dercon vertrok in 1988 naar New York waar hij als curator aan de slag ging in PS 1. Wie volgde hem op in Sint-Lukas na zijn vertrek naar New York?

J.C.: Dat weet ik niet meer. Chris is weggegaan, ik ben gebleven.

K.B./D.P.: Bouwde jij na het vertrek van Chris contacten op met andere docenten?

J.C.: Niet of nauwelijks, omdat ik slechts één vak gaf, hooguit 30 uren per academiejaar. Ik kon wel goed opschieten met Paul Lerno, de toenmalige directeur van Sint-Lukas. Hij vroeg mij af en toe om advies. Ik heb hem bijvoorbeeld getipt om computerkunstenaar Peter Beyls in dienst te nemen als docent. Ik had Beyls leren kennen toen ik de IJsbreker-aflevering over computerkunst realiseerde in 1984.

 

3. Een film over kunstonderwijs

K.B./D.P.: Hoe is het idee ontstaan om de film 3 x kunstonderwijs te maken?

J.C.: Ik meen dat ik er verschillende keren met Chris over gepalaverd heb, zeker vanaf het moment dat we collega’s werden in Sint-Lukas. Onze ervaringen in die school hebben meegespeeld, maar ook contacten met kunstenaars zoals John Baldessari, Daniel Buren en Dan Graham. Zij zijn altijd met kunstonderwijs bezig geweest en hadden er zeer uitgesproken meningen over.

K.B./D.P.: Wat waren de omstandigheden waarin jij medio jaren 80 in contact kwam met Buren, Baldessari en Graham?

J.C.: Na de realisatie van De langste dag, de live-uitzending die ik maakte naar aanleiding van de Gentse kunstzomer in 1986, raakte ik in gesprek met Gerard Mortier, directeur van De Munt, met het oog op een project met hedendaagse beeldende kunstenaars in de opera. John Baldessari, Daniel Buren en Dan Graham waren daarbij betrokken, naast tal van andere kunstenaars. Ik herinner me dat hun ervaringen in diverse onderwijsinstellingen af en toe ter sprake kwamen. Na enige tijd werd het operaproject afgeblazen omdat er niet genoeg geld bleek te zijn, wat me overigens enorm gefrustreerd heeft. Het was op dat moment dat ik aan Chris vroeg of hij mee wilde werken aan een film over kunstonderwijs, al moet ik er onmiddellijk aan toevoegen dat ik de film nooit zou hebben durven maken als ik niet over de door mij gevraagde mensen en middelen had kunnen beschikken.

K.B./D.P.: Wat bedoel je?

J.C.: Ik wou gebruik maken van een captatiewagen die normaal gezien enkel werd ingezet voor de verslaggeving van sportwedstrijden. De film is om die reden gedraaid op video en niet op pellicule. Daarnaast was het voor mij belangrijk om met ten minste drie cameramannen en evenveel geluidstechnici te werken. Voor mij waren dat essentiële voorwaarden. Zonder die mensen en middelen had ik de film nooit kunnen maken.

K.B./D.P.: Waarom niet?

J.C.: In de film worden complexe situaties in beeld gebracht — docenten, studenten, kunstwerken in steeds andere lokalen in drie verschillende kunstacademies. Met slechts één camera ben je in zulke omstandigheden reddeloos verloren. Toen ik het fiat had van de technische dienst van de VRT wist ik dat ik het project tot een goed einde kon brengen. Ik heb de opnamewagen gekregen en het erbij horende personeel, veertien man in totaal, van wie ik haast iedereen zeer goed kende. In datzelfde jaar ben ik trouwens met hen naar Münster gereisd om er een film te draaien over Skulptur Projekte 1987, waarbij Chris opnieuw van de partij was.

K.B./D.P.: Met veel van de technische medewerkers had je voordien gewerkt aan het livediscussieprogramma IJsbreker (1983-1984).

J.C.: Dat klopt, maar niet met allen. Het zal jullie misschien vreemd in de oren klinken, maar het moet mij van het hart: ik kon met die technici goed overweg. Mijn assistente, Eva Binnemans, speelde daarbij ook een belangrijke rol. Zij had met al die technici uitstekende relaties. Die goede verstandhouding was niet zonder belang. Als er iets misliep tijdens de opnamen, dan losten ze dat ter plaatse op. Dat soort mensen heb je nodig.

K.B./D.P.: Het was een van je eerste projecten die je met Binnemans op touw zette.

J.C.: De eerste film waarbij we samenwerkten was Beeldende kunst in België, een discussieprogramma met alle tenoren van de Belgische kunstwereld, dat in 1986 in aanloop naar De langste dag op de buis kwam. Eva was de ideale assistente. Ze was niet bepaald snel, maar wel efficiënt, stipt en vasthoudend. Ze kwam ook zeer goed overeen met Hilda Verboven, het hoofd van de Dienst Kunstzaken. Alle films na 1987 heb ik met Eva aan mijn zijde gerealiseerd.

K.B./D.P.: In 3 x kunstonderwijs staan, zoals de titel van de film laconiek aangeeft, drie onderwijsinstituten centraal: de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent, de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen en het Nationaal Hoger Instituut (dat toen nog op de site van de Koninklijke Academie gevestigd was), en de Hogeschool Sint-Lukas in Brussel. Er waren in Vlaanderen op dat moment nog vijf andere kunstacademies. Waarom koos je specifiek voor die drie – of vier – instituten?

J.C.: Het lag voor de hand om die instellingen te selecteren. Ze lagen in de drie grootste steden en hadden bovendien elk een andere inrichtende macht: de academie van Gent, de stedelijke; de academie van Antwerpen en het Nationaal Hoger Instituut, de Vlaamse; en Sint-Lukas, de katholieke. In Gent heerste de loge, in Brussel de katholieken, in Antwerpen was er een mix van de twee. Die drie verschillende voogdijoverheden stonden gelijk met andere ‘atmosferen’. Die verscheidenheid vond ik zeer belangrijk.

K.B./D.P.: Heb je de vijf andere academies bezocht?

J.C.: Jazeker. Ik ben overal geweest, afgezien van het Provinciaal Hoger Instituut voor Kunstonderwijs in Hasselt. Het onderzoek voor de film heb ik helemaal alleen verricht. De uitzending vergde een lange voorbereiding. Ik heb zeven instituten bezocht, de definitieve selectie gemaakt en van de directies de toestemming verkregen om er te filmen.

K.B./D.P.: Was het wel kies om Sint-Lukas Brussel bij het project te betrekken? Jij en Chris Dercon stonden er op de loonrol.

J.C.: Ik trok mij daar niets van aan. Een week na de uitzending was ik weer vrolijk in Sint-Lukas aan het lesgeven. Waarom niet? We hebben die school helemaal geen voorkeursbehandeling gegeven. Voor Chris en mij was dat een instituut als een ander, dat we even kritisch benaderden. Overigens hebben we geen aandacht besteed aan het videoatelier. In de film kwamen enkel de beeldhouw- en schilderafdelingen aan bod.

K.B./D.P.: Waarom koos je enkel voor beeldhouwen en schilderen?

J.C.: Dat was al stof genoeg, geloof me. We moesten ons beperken, anders zou het een volledig onontwarbaar kluwen zijn geworden.

K.B./D.P.: Dat jullie die keuze maken, is begrijpelijk, maar ze wordt niet toegelicht of ingeleid. Er wordt niet eens gesteld dat een academie meerdere — ook toegepaste — afdelingen omvat.

J.C.: Dat is misschien wel een terecht punt van kritiek.

 

4. Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, Gent

K.B./D.P.: In 3 x kunstonderwijs wordt eerst de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent geportretteerd. Waarom begint de film in Gent?

J.C.: Daar moet je niets achter zoeken. De volgorde waarin de academies in de film aan bod komen, is dezelfde als die van de opnamen. We verbleven telkens drie dagen in elk instituut. Van 1 tot en met 3 juni 1987 hadden we onze tenten opgeslagen in Gent.

K.B./D.P.: Elk portret begint op haast identieke wijze: Chris Dercon stapt het gebouw binnen, verzorgt een korte inleiding en zoekt contact met iemand van het secretariaat aan wie hij vragen stelt en die hem naar het kantoor van de directeur zal leiden.

J.C.: Ik vond dat de kijker zich een beeld moest kunnen vormen van de gebouwen waarin de academies gehuisvest waren. Het leek me het beste om gewoon bij het secretariaat te starten. Chris wist echter niet waar hij terechtkwam. Ik had de prospectie gedaan en instrueerde hem op de eerste opnamedag over het plan van aanpak. Dat hij dat wou doen — aan een balie contact zoeken met een secretariaatsmedewerker — vond ik fantastisch.

K.B./D.P.: Het heeft ook wel iets gênants, want de secretariaatsmedewerker — in Gent Philippe Van Wemmel — wordt toch een beetje verplicht te acteren.

J.C.: Dat viel best mee, vond ik. In Antwerpen was de situatie een stuk ongemakkelijker.

K.B./D.P.: In het opnameschema dat we in je archief hebben aangetroffen, wordt vermeld dat er repetities zijn voorafgaand aan de opnames.

J.C.: Repetitie is een ongelukkige term. Er werd niet gerepeteerd. Het was eerder een verkenning van de situatie, zowel voor Chris en de technici, als voor de geïnterviewden. Ik legde iedereen uit wat we van plan waren en daarna begonnen we op te nemen.

K.B./D.P.: Philippe Van Wemmel escorteert Chris Dercon naar het bureau van Pierre Vlerick, de directeur van de Gentse academie. In het VRT-archief hebben we de volledige transcriptie van het gesprek tussen Dercon en Vlerick — en de andere twee directeurs — gevonden. In de film is slechts een miniem excerpt van het interview overgebleven, waarin Vlerick zichzelf als ‘animator’ mag presenteren.

J.C.: Ik beschikte over een ontzettend grote hoeveelheid materiaal. Ik werkte met drie cameramannen die per locatie gedurende drie dagen beelden aan het opzuigen waren. Die cameramannen hebben schitterend werk afgeleverd. Er zitten zeer goede kaders in de film en sommige sequenties zijn bijzonder lang. De selectie achteraf was bikkelhard.

K.B./D.P.: Drie academies, drie opnamedagen met drie camera’s, het getal drie is een zeer nadrukkelijke rode draad in deze film. In de academies zijn bovendien drie kunstenaars, drie kunsttheoretici, drie curatoren en drie kunsthandelaars te gast. In Gent zijn het Panamarenko, kunstenaar; Lieven De Cauter, kunsttheoreticus; Jan Debbaut, curator; en Joost Declercq, galerist. Wie had die groepen samengesteld?

J.C.: Ik heb dat gedaan. Alle genodigden zijn overigens keurig betaald, 4.000 BEF per persoon.

K.B./D.P.: Waarom was de keuze naar hen uitgegaan? Waarom bijvoorbeeld Panamarenko?

J.C.: Panamarenko was heel fel geweest in de eerste aflevering van IJsbreker. Ik wist dat hij het hart op de tong had.

K.B./D.P.: Je had Panamarenko ook voor Antwerpen kunnen vragen.

J.C.: Neen, daar wilde ik een beroep doen op iemand anders.

K.B./D.P.: Naast de reeds genoemde genodigden waren ook de docenten van de verschillende ateliers — Karel Dierickx, Nadine Van Lierde, Jean Bilquin, Marc Maet, Geert Vercaemer en Noël De Buck — en hun studenten van de partij. Had jij met hen op voorhand een gesprek gehad?

J.C.: Nauwelijks. Tijdens de ‘verkenning’ spraken we af wat er op het programma stond en meteen daarna werden de opnamen gestart.

K.B./D.P.: Opvallend is dat de meeste docenten zwijgen. Jean Bilquin en Nadine Van Lierde zitten er op een gegeven moment bij als van de hand Gods geslagen: ze richten hun blik naar de grond. Wat ze denken over kunst of kunstonderwijs komen we niet te weten. Terwijl Panamarenko spreekt, is Karel Dierickx aanwezig — zo vermeldt tenminste het opnameschema — maar Dierickx zien we niet eens.

J.C.: Misschien hebben Bilquin, Van Lierde en Dierickx wel iets gezegd, maar hebben die uitspraken de definitieve versie niet gehaald. Dat is mogelijk.

K.B./D.P.: De discussie tussen Marc Maet en Joost Declercq heeft in elk geval wel de annalen van de uitzending gehaald. Maet zegt: ‘In schilderkunst is er een balans tussen denken, doen; je kunt niet louter iets helemaal honderd procent bedenken; dus het doen en het leren doen is ook heel belangrijk en mag je niet verwaarlozen.’ Declercq repliceert: ‘Maar dat is mijn kritiek precies op de academie: dat ze niet anders bezig zijn dan met techniek, maar dat er nooit serieus gedacht wordt over kunst.’ 

J.C.: Joost vloog er serieus in.

K.B./D.P.: Joost Declercq kende de Gentse situatie door en door…

J.C.: …natuurlijk! Hij werkte in Gent, eerst als coördinator van Het Gewad, daarna als galerist. Het was belangrijk dat er spijkers met koppen werden geslagen. Ik was blij dat Joost zijn nek uitstak.

K.B./D.P.: Op het opnameschema staat dat er op het einde van de derde dag een laatste contact met de directeur was gepland.

J.C.: Dat heeft niet plaatsgevonden, want Vlerick was met de noorderzon vertrokken. Er was wel een laatste gesprek met Wim Van Mulders, enkele van zijn collega’s en hun studenten. Dat laatste gesprek, waarop we steeds de docenten kunstfilosofie, kunstgeschiedenis en -actualiteit uitnodigden, zagen we als een moment van reflectie op de kunstopleiding zelf.

 

5. Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en het Hoger Nationaal Instituut, Antwerpen

K.B./D.P.: Het deel over de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en het Nationaal Hoger Instituut te Antwerpen begint opnieuw met een korte inleiding van Chris Dercon. Vervolgens heeft hij een kort gesprek met secretaresse Esther Winkelmans. Met zijn eerste vraag aan haar is de toon meteen gezet: ‘Zijn er nog mensen die willen komen schilderen en komen beeldhouwen?’ Als Winkelmans het aantal kandidaten voor het ingangsexamen heeft genoemd, concludeert Dercon: ‘Dus je zou kunnen zeggen dat schilderen en beeldhouwen het minst populair zijn op dit moment?’ Het klinkt behoorlijk denigrerend.

J.C.: Ik denk dat er vanuit Gent naar de andere academies getelefoneerd is. Of had Antwerpen zelf contact opgenomen met Gent?

K.B./D.P.: Suggereer je dat er communicatie tussen de academies is geweest voorafgaand aan jullie komst op 4 juni 1987?

J.C.: Ik vermoed dat dat het geval is geweest en dat men om die reden zeer op zijn hoede was in Antwerpen.

K.B./D.P.: Dat hoeft anderzijds geen verwondering te wekken als je kennisneemt van Dercons laatdunkende vragen.

J.C.: Ik herinner me dat de ontvangst in Antwerpen een stuk koeler was dan in Gent. Gerard Gaudaen, de directeur van de Koninklijke Academie, was duidelijk op zijn qui-vive.

K.B./D.P.: Ook Gerard Gaudaen krijgt een aantal zeer kritische vragen te verstouwen: ‘Zegt u dan dat de Koninklijke Academie […] een laboratorium moet zijn waar alles mogelijk is. Of zegt u dat niet?’ En even later krijgt hij de volgende opmerking te slikken — die evenwel niet het scherm heeft gehaald, maar die wel in de transcriptie van het gesprek staat — ‘Dus het experiment wordt eigenlijk bijna verdrongen of wordt in een hoekje gezet […]’. De directeur wordt in het defensief gedrongen.

J.C.: Het mag duidelijk zijn dat we sceptisch waren over de onderwijsopvattingen van de Koninklijke Academie. We konden dat niet onder stoelen of banken steken.

K.B./D.P.: Terwijl Gaudaen orakelt over ‘kunst en creativiteit en kennis van het metier’ steekt Chris Dercon ongegeneerd en achteroverleunend een sigaret op.

J.C.: Ja, dat kon tellen. Het werd ongemakkelijk.

K.B./D.P.: Op het einde van de scène zien we dat Chris Dercon even naar zijn oor grijpt. Eerder is duidelijk te zien dat hij een oorschelpje draagt. Stond jij in contact met hem?

J.C.: Niet alleen met hem, maar met alle camera- en geluidsmensen. Ik zat in de captatiewagen, samen met Eva Binnemans, en gaf instructies aan mijn medewerkers.

K.B./D.P.: Jij stond dus niet op de opnameset?

J.C.: Neen. Tijdens de ‘verkenning’ sprak ik met alle betrokkenen de opnamesituatie door; daarna trok ik mij terug in de captatiewagen en regelde ik het verloop van daaruit.

K.B./D.P.: Jij stuurde dus ongemerkt de hele ploeg?

J.C.: Uiteraard! Ik kende alle protagonisten; de camera- en geluidsmensen kenden niemand. Ik stuurde de technici rechtstreeks aan: ‘Links staat Benoit Angelet! Blijf daar staan.’ Ik kon de film maken die ik wilde zonder dat ik mijzelf moest laten zien.

K.B./D.P.: Wist Gaudaen dat je op die manier de film zou realiseren?

J.C.: Neen, geen enkele directeur had er zicht op. Die opnamewagen was mijn geheime wapen.

K.B./D.P.: En kende Gaudaen de namen van de gasten: Benoit Angelet, kunsttheoreticus; Guillaume Bijl, kunstenaar; en Adriaan Raemdonck, galerist, die te gast zijn in de Koninklijke Academie, en Jan Hoet, conservator, die het Nationaal Hoger Instituut bezoekt?

J.C.: Gaudaen had net als zijn collega’s het opnameschema ontvangen, maar of hij dat gelezen heeft, weet ik niet. Ik heb er in alle geval geen vragen over gekregen.

K.B./D.P.: De meest sprekende scène in de Koninklijke Academie is zonder twijfel die in de beeldhouwstudio die gerund werd door Wilfried Pas en Guy Maclot. Guillaume Bijl komt er binnengestormd, een colaflesje in de aanslag.

J.C.: Het is het mooiste moment van de film. Guillaume was briljant. ‘Is ier nie te waainig plots; kun de oak materiaol van tois meebrenge, bijvoorbeeld een kas’: geweldige televisie. Ik kende Guillaume al een poosje. Ik respecteerde hem omdat hij altijd jonge kunstenaars heeft gesteund.

K.B./D.P.: Had jij op voorhand zicht op welke studenten in de klas aanwezig zouden zijn?

J.C.: Neen, dat was onbegonnen werk. In Antwerpen alleen bezochten we niet minder dan drie ateliers. In het Nationaal Hoger Instituut heb ik wel alle individuele studio’s bezocht, tenminste van diegenen die me toegang wilden verlenen. Sommigen deden de deur dicht toen ze hoorden dat ik voorbij zou komen en anderen gaven aan dat ze niet mee wilden werken.

K.B./D.P.: In het Nationaal Hoger Instituut is Jan Hoet de hoofdrolspeler. Hij doet precies het omgekeerde van wat alle andere gasten doen: in plaats van het werk van Lene Keunen, een jonge kunstenaar, kritisch te benaderen, hemelt hij het op. Hugo Heyrman, als professor schilderkunst verbonden aan het Nationaal Hoger Instituut, kan zijn oren niet geloven.

J.C.: Ik was even verrast dat hij dat werk goed vond.

K.B./D.P.: Het is totaal ongeloofwaardig wat hij over het werk vertelt. Hij lijkt ervan uit te gaan dat om het even wat hij zegt als zoete koek zal worden geslikt.

J.C.: Ja, dat typeert hem ten voeten uit.

K.B./D.P.: Terwijl in Gent op het einde van het bezoek een soort van informeel samenzijn plaatsvindt, zitten de studenten in Antwerpen keurig achter elkaar in een klasje. De setting is helemaal anders. Was dat een commentaar op het hiërarchische systeem van de academie in Antwerpen?

J.C.: Als dat al het geval is geweest, dan was het volstrekt onbewust, maar dat neemt niet weg dat de verhoudingen in Antwerpen inderdaad zeer hiërarchisch van aard waren.

K.B./D.P.: De sectie over Antwerpen eindigt betekenisvol met de woorden ‘pure indoctrinatie’ die door een student worden uitgesproken. Een harder besluit was niet denkbaar.

J.C.: Dat kan ik niet ontkennen.

 

6. Hoger Sint-Lukasinstituut, Brussel

K.B./D.P.: Het laatste deel, dat handelt over Sint-Lukas Brussel, wordt bijzonder kritisch op gang getrokken door Chris Dercon, die na de gebruikelijke introductie een gesprek voert met directeur Paul Lerno. Terwijl Chris met de publiciteitsfolder zwaait, zegt hij: ‘Het lijkt wel of vooral deze school bezig is met promotie.’

J.C.: ‘Hoe word ik Da Vinci?’: dat was de slogan van Sint-Lukas. Dat kon tellen — een straf staaltje van marketing als je het mij vraagt.

K.B./D.P.: De volgende vraag is ook niet mals: ‘Waarom is er een verschil tussen schilder- en beeldhouwkunst, en het experimentele atelier? Moeten experimenten niet kunnen binnen schilderen en beeldhouwen dan?’

J.C.: Chris en ik hadden sterk de indruk dat er in Sint-Lukas vooral aan image building en marketing gedaan werd. Als je hoort wat docenten zoals René Hertecant en Koenraad Tinel verklaarden over het aanleren en examineren van technieken, dan wist je genoeg: in feite was Sint-Lukas geen haar beter dan de twee andere academies.

K.B./D.P.: In Sint-Lukas waren de genodigden Anny De Decker, voormalige galeriste; Wilfried Huet, directeur van de Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten van Waasmunster; Willy Van Sompel, kunstenaar; en Bart Verschaffel, kunsttheoreticus. Een heel opvallende scène is deze waarin Bart in een informele sfeer met een aantal studenten praat. Pas in tweede instantie valt op dat Fik Van Gestel, docent van Sint-Lukas, erbij zit. Je hebt bijna het gevoel dat ook hij een student is, omdat hij er gewoon bij is gaan zitten.

J.C.: Het was duidelijk dat het er in Sint-Lukas heel wat minder hiërarchisch aan toeging dan in de Koninklijke Academie van Antwerpen. Voor de rest lag in Sint-Lukas net als in Antwerpen de nadruk op het ambachtelijke. De ontwikkeling van ideeën, de reflectie op het kunstenaarschap hadden geen prioriteit.

K.B./D.P.: Waarom had je Wilfried Huet uitgenodigd als gast?

J.C.: Huet had in 1984 zijn medewerking verleend aan de dertiende episode van IJsbreker, Er gebeurt iets in mijn dorp getiteld. Hij was de drijvende kracht achter de GA, de Galerij van de Academie van Waasmunster. Wat hij in dat dorp voor elkaar had gekregen, was ronduit indrukwekkend. Ik had heel veel sympathie voor hem en zijn werkzaamheden.

K.B./D.P.: Waarom komt hij dan niet aan het woord?

J.C.: Ofwel heeft hij niets gezegd, ofwel heb ik geen fragmenten geselecteerd waarin hij aan het woord kwam, dat weet ik niet meer. Ik beschikte over een ongelofelijke hoeveelheid materiaal. Ik had drie camera’s die heel veel uren hadden opgenomen. Het was zaak om de meest sprekende excerpten over te houden en tot een geheel te smeden.

K.B./D.P.: Dat Narcisse Tordoir, docent van Sint-Lukas, zegt dat hij vertrekt naar de Rijksacademie in Amsterdam en ‘weggaat uit dit apenland’, was voor jou bijvoorbeeld significant.

J.C.: Ik heb die uitspraak bewust opgenomen. Daar is geen twijfel over mogelijk.

K.B./D.P.: Een ander voorbeeld van een polemische uitlating is die van Lieven Delafortrie van het experimenteel atelier: ‘Wij worden geregeerd door kommaneukers, op een manier die niet te doen is… dat is de toenemende bureaucratisering.’ Die uitspraak heb je ook bewust in de film opgenomen?

J.C.: Ja, maar wat ik heb weggelaten, vraag het me niet, want dat weet ik niet meer.

K.B./D.P.: Afgaande op de fragmenten die de film hebben gehaald, moet de conclusie wel luiden dat jij sceptisch was over het Vlaamse kunstonderwijs.

J.C.: Sceptisch? Ik heb er mijn heel leven tegen gevochten!

K.B./D.P.: Hoe moest het kunstonderwijs volgens jou dan worden opgevat?

J.C.: Ik was de mening toegedaan dat je in Vlaanderen met één kunstacademie ruim genoeg had. Ik ben daar nog altijd van overtuigd. Het heeft geen zin om elk jaar honderden schilders en beeldhouwers te laten afstuderen.

 

7. Het eindspel

K.B./D.P.: In jouw archief en in het archief van de VRT hebben we interessante documenten aangetroffen over de ontvangst van 3 x kunstonderwijs. Op 16 juni 1987, slechts vier dagen na de laatste opnamesessie in Brussel, ontvang je op je thuisadres een brief van Paul Lerno, directeur van Sint-Lukas. Hij schrijft je: ‘Daarnet ontving ik enige docenten van andere afdelingen. Ze drukten de wens uit dat ik U zou verzoeken geen verwarring te zaaien en het geheel van het instituut niet te identificeren met 1 of 2 ateliers. De verscheidenheid van de ateliers, elk duidelijk geïnspireerd door een andere titularis, is inderdaad zeer groot. Deze verscheidenheid betekent dan ook onze rijkdom.’ Het is duidelijk dat het draaien van de film voor de nodige onrust had gezorgd. Lerno stuurt bovendien een kopie naar Chris Dercon. Dat is geen detail. Dercon verdient er op dat moment zijn brood.

J.C.: Er was inderdaad deining ontstaan. Het is het beste bewijs dat we Sint-Lukas niet anders hebben benaderd dan de andere instituten. Maar Lerno heeft me niets kwalijk genomen in verband met die film. Ik meen me te herinneren dat ik er met hem zelfs een gesprek over gehad heb.

K.B./D.P.: De film beroert ook elders de gemoederen, zelfs nog voordat hij gemonteerd is. Op 13 juli 1987 richt Jan De Groof, kabinetschef van Theo Kelchtermans, gemeenschapsminister van Onderwijs en Vorming, een brief aan Cas Goossens, administrateur-generaal van de VRT, waarin hij schrijft: ‘Vanwege personen van het kunstonderwijs die meewerkten aan dit programma wordt de vrees geuit dat dit programma tendentieus negatief zou zijn en aldus ten onrechte het imago van het hoger kunstonderwijs zou schaden. Gelet op het niveau van ons kunstonderwijs zou het zeer ten onrechte zijn. Mag ik u vragen waakzaam te zijn opdat ook in deze de objectiviteit zou bewaard blijven.’ Welke ‘personen van het kunstonderwijs’ zouden De Groof benaderd hebben, zodat hij die brief schreef over een film die nog niet eens bestond?

J.C.: Dat kan ik niet met zekerheid zeggen, maar ik denk dat die mensen uit het Antwerpse kwamen, uit de kringen rond Gaudaen. Ze hadden onraad geroken, zoveel is zeker.

K.B./D.P.: Het is heel interessant om te zien hoe er in de openbare omroep met die brief wordt omgegaan. Eerst wordt Bert Hermans, directeur-generaal Televisie, op de hoogte gebracht. Hij meldt het aan Jan Van der Straeten, directeur Cultuur, die op zijn beurt Hilda Verboven, hoofd van de Dienst Kunstzaken, informeert.

J.C.: Hermans zal Verboven zelf wel hebben getipt.

K.B./D.P.: Uiteindelijk schrijft Claude Blondeel, de producer van 3 x kunstonderwijs, een nota waarin hij de argumenten ter verdediging opsomt. Die nota volgt daarna de omgekeerde weg zodat Cas Goossens een antwoord kan sturen naar de kabinetschef van gemeenschapsminister Theo Kelchtermans.

J.C.: Zo hoort een bureaucratie te werken. Meer kan ik daar niet op zeggen.

K.B./D.P.: Blondeel schrijft in zijn nota: ‘Daar wij er ons bewust van waren dat het programma Kunstonderwijs in Vlaanderen vatbaar zou kunnen zijn voor enige controverse, hebben wij er van in den beginne over gewaakt het objectiviteitsbeginsel zo nauwgezet mogelijk in acht te nemen. […] ik kan het alleen maar betreuren dat er nu reeds — het programma moet nog gemonteerd worden — een sfeer van argwaan (stemmingmakerij?, intimidatie?) ontstaat bij bepaalde instanties.’ De nota eindigt wel met een spectaculair voorstel: ‘De makers van het programma vragen de toelating eventueel gebruik te maken van de brief van de Heer J. De Groof bij wijze van begingeneriek.’ 

J.C.: Ik was vergeten dat ik het spel zo hoog wilde spelen. Dat voorstel heeft het vanzelfsprekend niet gehaald.

K.B./D.P.: Blondeel gooit evenwel ook olie op de golven: ‘Daar het programma pas gemonteerd wordt tijdens de eerste week van augustus, kan het desgevallend gevisioneerd worden vanaf de achtste.’

J.C.: Wou hij zich indekken? Wat er ook van zij, de top van de VRT heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

K.B./D.P.: De VRT-top heeft het programma niet op voorhand bekeken, terwijl daartoe wel de mogelijkheid bestond?

J.C.: Neen. De zwakte van het instituut heeft mij mogelijkheden geboden, zo simpel is het.

K.B./D.P.: Je stond hoe dan ook onder druk. Hebben die brieven van Lerno en De Groof tot enige vorm van zelfcensuur geleid?

J.C.: Ze hebben me niet klein gekregen.

K.B./D.P.: Er moet nog gemonteerd worden, je kan kiezen welke fragmenten erin komen of eruit blijven.

J.C.: Ik heb de film gemaakt die ik wilde maken.

K.B./D.P.: Na de uitzending van de film op 26 augustus 1987 breekt pas echt de pleuris uit. De eersten die een brief richten aan Cas Goossens zijn de directeurs van het kunstonderwijs met beperkt leerplan. Dat is op zich vreemd want het type onderwijs waarvoor zij verantwoordelijk waren, komt niet aan bod in de film. Weinig later volgen brieven van Albert Tersago, een inspecteur van het Ministerie van Onderwijs, en René Smits, ererijksinspecteur van het kunstonderwijs. De brieven van beiden zijn geschreven op dezelfde dag: 7 september 1987.

J.C.: Het mag duidelijk zijn dat het een gecoördineerde actie was.

K.B./D.P.: Klap op de vuurpijl is evenwel een brief van Jan De Groof. De kabinetschef van gemeenschapsminister Theo Kelchtermans schrijft: ‘Na visie van een video-opname van de gemiste uitzending, wens ik uitdrukkelijk te protesteren tegen de tendentieuze strekking van de uitzending. Ik verzoek U dan ook de zich opdringende maatregelen te overwegen. Desgevallend houd ik mezelf graag ter beschikking.’

J.C.: Dat laatste was ik vergeten. Ik wist niet meer dat het er zo heftig aan toe was gegaan.

K.B./D.P.: Wat zouden die ‘zich opdringende maatregelen’ kunnen zijn?

J.C.: Wat denken jullie zelf? Een blaam? Of ineens ontslag?

K.B./D.P.: Was dit een gebruikelijke manier van doen?

J.C.: Dat gebeurde voortdurend. Je moest daarmee leren leven. Iedereen die zijn nek uitstak in de openbare omroep, kreeg vroeg of laat de volle lading.

K.B./D.P.: Uit de interne correspondentie die opnieuw langs de diverse hiërarchische knooppunten gevoerd werd, blijkt dat alle leidinggevenden als een man achter jou gaan staan. Verboven, Hermans en Goossens sluiten zich bij Blondeels argumentatie aan dat ‘de aanpak van het programma misschien hard [was], maar [dat] er op een pertinente manier gepeild [werd] naar de zin van het kunstonderwijs. Dat de programmamakers het kunstonderwijs zouden ‘geviseerd’ hebben is een subjectieve interpretatie.’ Hoe verklaar jij die eensgezindheid?

J.C.: Hilda Verboven was mijn steun en toeverlaat; zij stond op haar beurt onder bescherming van Bert Hermans, directeur-generaal Televisie. Dat Chris de neef van Cas Goossens was, zal ook wel geen nadeel zijn geweest.

K.B./D.P.: De enige die geen genoegen neemt met de brief van Cas Goossens, is Jan De Groof. Op 30 november 1987 komt hij opnieuw terug op de affaire. In een derde brief aan Goossens schrijft hij: ‘De bezwaren die door ons — en door velen met ons — geformuleerd werden betroffen niet de keuze van de scholen noch de vrijwillige medewerking van professoren en leerlingen, maar vooral de wijze van interviewen en de selectie die men bovendien uit deze interviews maakte. Deze leidden er niet zozeer toe dat de ‘aanpak misschien hard’ was maar vooral vertekend, wat nog versterkt werd door de eenzijdigheid van commentatoren uit de kunstsector.’ Hij is dus eigenlijk de enige die de film echt goed bekeken heeft.

J.C.: Ja, dat kan je achteraf zeggen, maar hij diende andere — en naar mijn idee, verkeerde – belangen.

K.B./D.P.: Hij stuurt in die derde brief niet meer aan op sancties, maar hij stelt wel: ‘Omdat ik ervan overtuigd ben dat uw voortdurende bekommernis de objectiviteit van de BRT is, ben ik zo vrij te blijven aandringen op een corrigerende uitzending.’

J.C.: Daar is niets van in huis gekomen. De affaire eindigde op een sisser.

K.B./D.P.: Is er iets van die geschiedenis blijven hangen?

J.C.: Neen, in Vlaanderen dooft alles eerder vroeg dan laat. Hetzelfde kan je zeggen over de impact van de film. Heeft die film zoden aan de dijk gezet? Neen! In Vlaanderen kan je niets doorbreken. Alles slijt.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan argos voor het beeldmateriaal

Korte interviews over academisering met diverse betrokkenen.

Gesprek met Camiel van Winkel (Maaike Lauwaert)

Maaike Lauwaert: Wat is jouw kijk op de academisering van het kunstonderwijs, met het doctoraat in de kunsten als het epitoom daarvan?

Camiel van Winkel: Het kunstonderwijs zit al een tijd in een veranderingsproces, zeker in Nederland. Er wordt in het kader van de gewenste professionalisering gewerkt met competentielijsten en vaste beoordelingsprotocollen. Docenten worden geacht in grote mate inwisselbaar te zijn, wat ten koste gaat van de persoonlijke relatie tussen docent en student. De nadruk op onderzoek is slechts een van de aspecten van deze professionalisering. Het doctoraat in de kunsten is dus een klein symptoom van een veel grotere verandering. Het is eigenlijk ook een marginaal verschijnsel: ik geloof dat er op dit moment in het programma van PhDarts in Den Haag zo’n 10 kunstenaars zitten. Ik vind het doctoraat in de kunsten dus op zichzelf een vrij onschuldig fenomeen.

M.L.: Hoe zou je die grotere verandering omschrijven, waar het doctoraat in de kunsten onderdeel van is?

C.v.W.: Het gaat om de introductie van onderzoek in het hele onderwijsgebouw. Dat betreft nadrukkelijk niet alleen de toplaag – het doctoraat – maar begint al onderaan, bij de propedeuse. Er wordt vanuit de HBO-raad in Nederland aangestuurd op de implementatie van onderzoek op alle niveaus van het kunstonderwijs.

M.L.: Wat vind jij van die focus op onderzoek? 

C.v.W.: Het is een dwaalspoor. Reflectie op het kunstenaarschap is voor mij de kern van het kunstenaarschap: een reflectie op de attitude die je als kunstenaar wilt ontwikkelen en je verhouding tot het discours van de kunst. Dat zou dus ook de kern van de opleiding moeten zijn. Onderzoek is echter iets wezenlijk anders dan reflectie. Bij onderzoek zoek je naar een thematiek die jou als kunstenaar aanspreekt, en daar ga je je in verdiepen. Zo werkt dat in de praktijk tenminste vaak. Het is een verlegging van de concentratie naar buiten toe. Een aantal jaar geleden dacht ik nog dat het verschijnsel van artistic research een parallel circuit zou gaan vormen. Mijn kritiek was toen dat je in het onderwijs een aparte hiërarchie en waardetoekenning dreigde te krijgen – een wereld van diploma’s die losstaat van de hiërarchie en waardetoekenning in de kunstwereld. Maar nu zie je eigenlijk dat die dingen elkaar steeds meer gaan infecteren en besmetten, en dat dat alle kanten opgaat.

M.L.: Wat is de reden dat er zoveel belang wordt gehecht aan onderzoek?

C.v.W.: Onderzoek wordt in het beleid vaak gekoppeld aan innovatie. De retoriek van innovatie stelt kunst voor als een laboratorium, een soort R&D-afdeling van de maatschappij. Dat is de vlag die er op wordt gezet en waarmee kunst wordt verantwoord. Typerend voor het Nederlandse onderwijsbestel is de kloof tussen het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten. Die kloof is in Nederland veel groter dan in andere landen. Het introduceren van onderzoek in het HBO was bedoeld om dat te corrigeren.

M.L.: Hoe zie je die focus op onderzoek terug in de kunstwereld van nu?

C.v.W.: Wat me opvalt bij de grote internationale tentoonstellingen, zoals Documenta en Manifesta, is dat daar ook een zekere academisering aan de gang is. Het discours is academisch, de begeleidende teksten, de bijschriften bij de werken, maar ook de manier waarop de tentoonstellingen geconcipieerd en de kunstenaars geselecteerd zijn. Men kiest een benadering die sterk aanleunt bij het academische model van de cultural studies. Het artefact als drager van betekenis is een uitgangspunt binnen de cultural studies, dat je nu ook terugziet in de kunst- en tentoonstellingspraktijk. Wanneer je het kunstwerk kunt analyseren als drager van betekenis, kun je het vervolgens ook gaan produceren als drager van betekenis. Dat leidt vaak tot een middelmatige en tamelijk academische output, met een opeenstapeling van verwijzingen die blijkbaar voor zichzelf moeten spreken. Ik vind dat een slechte ontwikkeling.

M.L.: Leidt de focus op onderzoek ook tot een homogenisering van de kunstwereld?

C.v.W.: Het is wel zo dat er voor tentoonstellingen zoals Documenta en Manifesta vooral kunstenaars worden uitgezocht die werken volgens het referentiële, onderzoeksgebaseerde model. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dat het enige of het belangrijkste is wat er nu gebeurt. De tentoonstellingen kunnen een vertekend beeld geven.

M.L.: Kunnen bijvoorbeeld kunstinstellingen of curatoren tegenwicht bieden aan de academisering?

C.v.W.: Ik heb er al eerder voor gepleit om de autonomie van de kunst weer centraal te stellen. Ook al is dat een problematisch begrip, het is toch de laatste vijftien jaar ten onrechte taboe verklaard. De kunstwereld zelf heeft de autonomie van de kunst niet willen verdedigen, omdat men het associeerde met een achterhaald modernistisch begrippenkader; dat is een grote fout geweest. Autonomie wordt vaak gezien als het tegendeel van maatschappelijk engagement. Dat zijn echter twee verschillende en onvergelijkbare grootheden. Ook de keuze om je te engageren als kunstenaar, om de straat op te gaan, zou een autonome keuze moeten zijn. Die twee sluiten elkaar dus niet uit. We moeten autonomie opnieuw bekijken. Dat kan op allerlei manieren en op verschillende niveaus. Instellingen kunnen daarbij zeker een rol spelen; curatoren zouden de autonomie weer een plek kunnen geven in de tentoonstellingspraktijk. In het onderwijs komt het idee van autonomie echter in de verdrukking door de focus op onderzoek.

 

Gesprek met Carel Blotkamp (Marc Kregting)

M.K.: Hoe kijk jij aan tegen de academisering van het kunstonderwijs en het doctoraat in de kunsten in het bijzonder? 

C.B.: De academisering van het kunstonderwijs, met name de introductie van de mogelijkheid om in de kunst te promoveren, lijkt me een heilloze zaak. Ik denk dat ze een uitvloeisel is van de verwarring rond het begrip ‘onderzoek’, dat niet alleen in de wetenschap, maar tegenwoordig ook in de kunst veelvuldig wordt gebruikt. Natuurlijk zit er bijvoorbeeld in wiskunde en filosofie een intuïtieve factor, en kan onderzoek daar zelfs artistiek ogende resultaten opleveren, maar onderzoek betekent er toch echt niet hetzelfde als in kunst. Wetenschap staat in het teken van de vooruitgang. Het historische is er onvermijdelijk niet meer relevant. In kunst ligt dat anders. Vermeers werk is vandaag de dag nog evenzeer de moeite waard als in zijn tijd, en het kan ook voor kunstenaars nog steeds – of weer opnieuw – actuele waarde bezitten. Vooruitgang bestaat niet in de kunst, wel verandering.

M.K.: Zie je een verschil tussen beeldende kunst en andere kunstdisciplines?

C.B.: Ik weet niet of bij theateropleidingen of conservatoria de academisering ook toeslaat. Wellicht laten beeldende kunstenaars zich makkelijker verleiden om zich met een doctoraat te bewijzen – als het ware om de zegswijze bête comme un peintre te logenstraffen. Daarbij rijst een praktisch probleem, de verhouding tussen het verbale en het visuele. Het is maar aan weinigen gegeven zowel mooie dingen te maken als goed te schrijven. Waar richt je je op bij het evalueren: op het verhaal of op de plaatjes?

M.K.: Zijn er ontwikkelingen in de kunst die de academisering legitimeren?

C.B.: De vraag om academisering komt vermoedelijk eerder van de organisaties dan van de kunstenaars zelf, tenzij het de meer middelmatigen betreft. Wat kan het jou als kunstenaar immers schelen dat je doctor bent? Er is in de kunst van de laatste decennia wel een verschuiving merkbaar naar een meer intellectuele benadering, als een nawee van de conceptuele kunst van de late jaren 60. Art & Language maakte toen werk dat uitsluitend uit taal bestond en een sterke hang naar systematiek vertoonde, waardoor kunst naar een ander, meer intellectualistisch niveau werd getild. Maar uiteindelijk is dat suggestie, omdat taal nu eenmaal bij uitstek een voertuig is voor manipulatie, schijn, dubbelzinnigheid.

M.K.: Waar komt dan die academiseringsdrang in de kunsten vandaan?

C.B.: Er is in Nederland een maatschappelijke tendens waarbij het verschil tussen Hoger Beroepsonderwijs en universiteit vervaagt. Ook het HBO wil promotie mogelijk maken. Maar niemand is gebaat bij het uitwissen van grenzen. Organisaties hebben financieel belang bij proefschriften, waarvoor het ministerie bij voltooiing een lucratief bedrag uitkeert dat gedeeltelijk doorvloeit naar de faculteit. En uiteraard zijn promovendi zelf door beurzen een paar jaar onder de pannen. Dat zou wel eens de voornaamste aantrekkingskracht kunnen uitmaken van het promoveren in de kunst. Het is althans niet waarschijnlijk dat kunstenaars in hun vrije tijd dit soort grote projecten opzetten.

M.K.: Dat neemt niet weg dat artistiek onderzoek iets zou kunnen opleveren, of niet?

C.B.: Ik betwijfel dat. Kunst is hoe dan ook geen objectief meetbaar fenomeen. Er bestaan alleen meningen over, met meer of minder overtuiging gebracht. Voor beoordeling en inzicht is vooral fingerspitzengefühl nodig. Op zichzelf lijkt het me overigens niet verkeerd het instrumentarium en de codes te beheersen, maar zo’n garantie, laat staan een controleerbare uitkomst, is er bij kunst nooit.

M.K.: Zijn er dan geen positieve voorbeelden van academisering in de kunst? Neem de Angelsaksische landen…

C.B.: In Nederland wordt daar wel vaker naar verwezen, omdat het fenomeen van het doctoraat in de kunst er al langer bestaat. Er is echter een heel andere traditie in de Angelsaksische landen. In de Verenigde Staten en Canada bijvoorbeeld zijn veel kunstopleidingen verbonden aan universiteiten. Die zijn overigens van wisselend niveau, en dat blijkt ook uit de zogeheten promoties. Ik herinner me gedrukte jaaroverzichten van alle promoties in de VS op het gebied van de verschillende kunsten en historische wetenschappen: daarin stond een proefschrift van 800 bladzijden over Van Ruysdael naast een proefschrift van 16 bladzijden ‘over mijn werk’. Dat is toch appels met peren vergelijken?

M.K.: Zie jij dan een alternatief voor heel deze ontwikkeling?

C.B.: Het zou goed zijn wanneer men zich afvraagt waar die promoties precies een vervolg op zijn. Momenteel bestaat er bij kunstopleidingen vaak een heel goed eerste jaar, met groepsonderwijs en veel oefeningen, maar de drie jaren daarna is het programma nogal richtingloos en niet meer systematisch opgebouwd. De studenten werken voornamelijk in een eigen atelier. Het gaat dan zogezegd om ‘persoonlijke uitspraken doen’ en ‘jezelf uitdrukken’. Men moet diep uit zichzelf putten, af en toe komt er een docent langs. Bij de tweedefaseopleidingen is het niet anders. Academisering vraagt om een ander traject. In het universitaire onderwijs is er een bachelorfase die uitmondt in een master, onder andere een onderzoeksvariant. Pas daarna begint men eventueel aan een proefschrift. Maar in kunst is die onderbouwing er niet. Ik zou het daarom verstandiger vinden eerst het bestaande onderwijs kritisch door te lichten, als er zo nodig moet worden gepromoveerd in de kunsten.

 

Gesprek met Suchan Kinoshita (Birgit Cleppe)

Birgit Cleppe: Wat denk jij over de academisering van het kunstonderwijs en het doctoraat in de kunsten in het bijzonder?

Suchan Kinoshita: Het doctoraat in de kunsten is volgens mij een zeer problematische zaak. Een doctoraat past binnen een academisch beoordelingssysteem dat haaks staat op hoe je met kunst moet omgaan. De kwaliteit van kunst kun je niet afmeten aan vooraf vastgelegde criteria. Ik vraag me af waar die behoefte om een academische titel te behalen vandaan komt. Voor sommige kunstenaars en voor de kunsthogescholen lijkt de academisering een zaak van ‘gelijke rechten’ ten opzichte van de universiteiten. Maar de belangrijkste verklaring zit wellicht in de reductie van onderwijs tot business. Elke doctorstitel betekent extra geld. Het komt allemaal neer op een rekensommetje.

B.C.: Heeft dit ook inhoudelijke repercussies op de kwaliteit van het kunstonderwijs? 

S.K.: Het lijkt me in elk geval geen goede zaak dat we straks misschien enkel nog docenten hebben die een doctoraat in de kunsten hebben behaald. Met dat criterium trek je vooral carrièristen aan. De bachelor-master-Ph.D-structuur volgt helemaal het stramien van de carrière. Een docent aan een kunstacademie moet je niet kiezen op basis van een titel, maar op basis van zijn of haar werk. Titels zijn alleen maar een institutionele dekmantel om de verantwoordelijkheid van je keuze te ontlopen. Anderzijds moet een student zelf zijn parcours op de academie kunnen uitstippelen. Op een academie word je met heel uiteenlopende dingen en mensen geconfronteerd, maar uiteindelijk moet je het toch zelf uitzoeken. Ik weet niet precies hoe het er in België aan toegaat, maar in Duitsland wordt tegenwoordig alles in rigide curricula ondergebracht. De student krijgt hierdoor veel minder zeggenschap. Sinds de bachelor-masterhervorming is alles veel schoolser geworden – dat merk je bijvoorbeeld aan de manier waarop studenten gequoteerd worden. Ik herken dat schoolse ook in het doctoraat in de kunsten.

B.C.: Het doctoraat in de kunsten legt een schools format op dat de kunstpraktijk aanvreet?

S.K.: Opgelet, ik vind een doctorstitel op zich niet problematisch. Het lijkt me ook best interessant dat sommige kunstenaars met wetenschappelijk onderzoek bezig zijn of wetenschappelijk willen werken, op voorwaarde dat zij het uit interesse in de wetenschap doen en niet omwille van de titel en de carrièremogelijkheden die dat oplevert in het kunstonderwijs. Een doctoraat is een academische titel, en moet mijns inziens behaald worden op basis van de bestaande criteria aan de universiteit. Ik vind het een probleem dat men voor het doctoraat in de kunsten nieuwe beoordelingscriteria wil vastleggen. Hoe bepaal je die criteria? En wie bepaalt ze? Daarnaast bestaat het gevaar van polarisering. In de huidige discussies merk ik steeds vaker dat de kunst tegenover de wetenschap wordt geplaatst. Men vertrekt van het clichébeeld dat de kunst irrationeel en de wetenschap rationeel is. Dat vind ik ook niet juist. Er zijn trouwens veel kunstenaars die met onderzoek en met wetenschap bezig zijn zonder dat ze een doctoraat in de kunsten schrijven. Onderzoek is een essentieel onderdeel van het kunstenaarschap.

B.C.: Zou je dan voor onderzoeksbeurzen voor kunstenaars pleiten die niet aan een doctorstitel gekoppeld zijn?

S.K.: Wat ik een prikkelende gedachte vind, is dat kunstenaars de mogelijkheid zouden krijgen om hun normale carrière voor een bepaalde periode te onderbreken om zich op onderzoek toe te leggen. Je zou het als een soort tijdskrediet kunnen zien. Maar niet om een titel te behalen, laat staan een PhD, want dan wordt de kunstenaar gedwongen zich aan allerlei normen aan te passen. De kunstenaar moet zelf de voorwaarden scheppen waaronder hij of zij werkt.

 

Gesprek met Cornel Bierens (Daniël van der Poel)

Daniël van der Poel: Hoe zie jij de academisering van het Nederlandse kunstonderwijs?

Cornel Bierens: Er is wel een verband gelegd met de emancipatiestrijd die Kant voerde ten gunste van lagere faculteiten als de wijsbegeerte en de menswetenschappen, die destijds niet als academisch volwaardig werden gezien. Dankzij die strijd kregen we een professor Nietzsche en een professor Freud, een zegen. Maar waren zij wetenschappelijk? Niet echt. Wel waren ze onmiskenbaar geleerd en schreven ze met gouden pennen, en die combinatie maakte hen onweerstaanbaar. Of de universiteit nu veel aan hun talent heeft bijgedragen weet ik niet, maar aan hun status, ja, dat geloof ik wel.

D.v.d.P.: Wordt de kunst door de zich voltrekkende academisering geëmancipeerd of ingelijfd?

C.B.: Emancipatie als motief om de kunst te academiseren is oneigenlijk. De universiteit moet openstaan voor iedere kunstenaar die er onderzoek wil doen, maar het kunstgehalte van het te maken werk zal door al dat onderzoek op zichzelf niet groeien. Is een roman ooit beter geworden omdat de schrijver literatuurwetenschapper was? Wetenschap betekent formaliseren, terwijl de kunst zich naar haar aard aan elke formalisering onttrekt, altijd, hoe fijnmazig die ook is. De wens van de kunst om voor universitair te mogen doorgaan is volgens mij eerder een symptoom van de toenemende formalisering en formattering van de maatschappij als geheel. Vrijwel alles wordt onder controle gebracht, traceerbaar gemaakt, gemonitord. De kunst mag bestaan mits zij haar nut bewijst, maar het zijn benauwde tijden voor elke freischwebende Intelligenz.

D.v.d.P.: Kan de kunstenaar nog wel verzet bieden, nu hij gedwongen lijkt het steeds academischer vocabulaire van de kunstwereld te beheersen?

C.B.: Het probleem is dat de taal die veel kunstenaars hanteren verraadt dat ze er alleen de artistieke modes, de intellectuele clichés van kennen. Ze brengen onleesbare teksten voort, wolken van hypercontemplatie, zoals het kunstonderwijs dat nu al decennialang aanmoedigt. In het algemeen heeft de taal die in de tweede helft van de twintigste eeuw over de kunst is uitgestort veel verpest. Een beeld dat zich zo makkelijk in taal laat vangen is nooit een sterk beeld. Als woorden het op een hoger plan moeten tillen, dan kan het kunstwerk dat blijkbaar niet op eigen kracht. Maar ook hier geldt: zodra iemand het met veel talent doet kan het weer meesterlijk worden. Zo iemand creëert dan een parallelle wereld in taal. Ik smelt bij kunstenaars die echt goed kunnen praten of schrijven. Maar waar leer je dat? Niet op de universiteit, zoals je daar ook niet leert hoe je moet leven.

D.v.d.P.: Zie je iets goeds voortkomen uit het doctoraat in de kunsten?

C.B.: Als voorbeeld zou ik Clemens Kemme willen noemen. Hoewel hij niet als universitair musicoloog is opgeleid, promoveert hij door onvoltooide werken van Mozart te voltooien en daarover verantwoording af te leggen. De leeg gebleven plekken in Mozarts werk zijn natuurlijk allang door anderen ingevuld, maar deze man denkt het beter te kunnen. Schitterend onderzoek. Hij weet werkelijk alles van Mozart en kan al zijn aanvullingen heel precies verdedigen op grond van wat de componist in vergelijkbare gevallen zelf heeft gedaan. Maar stel nu eens dat zich bij een of andere passage noten aan hem opdringen die voor zijn gevoel puur Mozart zijn, hoewel hij er niet direct een analogie voor kan aanwijzen in diens oeuvre. Dan kan hij twee dingen doen: wetenschapper blijven en die noten niet gebruiken, of kunstenaar worden en die noten wel gebruiken, al kan hij ze niet met harde aanwijzingen verdedigen. Dat is het punt: het kan pas echt kunst worden op het moment dat het ophoudt academisch te zijn.

 

Gesprek met Anna Tilroe (Daniël van der Poel)

Daniël van der Poel: Wat vind jij van het academische promotietraject voor kunstenaars?

Anna Tilroe: Wanneer kunstenaars promoveren op hun eigen werk, zijn ze gedwongen te denken binnen een vooropgesteld, academisch denkraam, en dat terwijl de kunst onderhand de laatste plek binnen onze controlemaatschappij is waar het denken zich kan onttrekken aan vastgelegde kaders. Ik sta daar dan ook negatief tegenover. Daar komt bij dat ‘denken’ in de kunst niet alleen een verstandelijk, maar ook een lichamelijk, zintuiglijk en intuïtief proces is.

D.v.d.P.: Is het mogelijk dat aanvullend kunstonderwijs en promotieonderzoek het verstandelijke deel van het artistieke denkproces versterken, zonder de andere aspecten te verzwakken?

A.T.: Kunstonderwijs en promotieonderzoek zijn twee verschillende dingen. Het eerste moedigt, als het goed is, kunstenaars aan om niet alleen vanuit hun gevoel te werken, maar om vanuit hun persoonlijke vrijheid te reflecteren op de inhoud en de contextualisering van hun werk. Een universitair promotietraject perkt die vrijheid in door op voorhand bepaalde verwachtingen te stellen. In die zin maakt het de kunst grijpbaar. En dat past bij een economisch systeem dat rebellie en afwijkingen zo snel mogelijk incorporeert en exploiteert. Voorstanders beweren vaak dat promotieonderzoek van kunstenaars een bijzondere vorm van kennis voortbrengt, maar daarbij wordt telkens de vraag vermeden voor wie die specifieke kennis waarde heeft buiten de kunstenaar zelf. Ik zie het promotietraject als een manier om het kunstenaarschap definitief te bestempelen tot een respectabele professie, de kers op de taart van het culturele ondernemerschap.  Wie daar het meeste van profiteert is de markt: die vaart er wel bij dat de symbolische waarde van kunst academisch wordt gelegitimeerd.

D.v.d.P.: Kunstenaars treden steeds frequenter op als tentoonstellingsmaker, criticus of gastdocent; het lijkt van ze te worden verwacht. Is dat ook een kwalijke vorm van institutionalisering?

A.T.: Ik vind het belangrijk dat kunstenaars nadenken over wat er met hun werk gebeurt zodra dit het atelier uit is. Daarbuiten geven invloedrijke personen er andere betekenissen aan dan de kunstenaar had beoogd. Door als curator of criticus op te treden, krijgen kunstenaars meer inzicht in de context waarin kunst wordt gepresenteerd en hoe dit de betekenis van hun werk vormt en beïnvloedt. Er is echter een belangrijk verschil tussen een kunstenaar die zijn eigen criticus is en een kunstenaar die zijn eigen academicus speelt. Een kunstenaar kritiseert zijn eigen werk voortdurend tijdens het ontstaansproces, op een wijze die door ‘de innerlijke logica’ van het werk wordt afgedwongen. Een academische denkwijze volgt heel andere patronen en geeft betekenis volgens andere principes dan degene die de kunstenaar hanteert bij het maken van zijn werk – dat mag ik tenminste hopen. Met een proefschrift over zijn werk grendelt een kunstenaar de betekenis van zijn werk zo veel mogelijk af voor andere, afwijkende interpretaties. Maar de werkelijke kracht van kunst, en misschien ook wel haar echte subversiviteit, schuilt juist in de mogelijkheid om een kunstwerk op vele niveaus en vanuit verschillende perspectieven te interpreteren.

D.v.d.P.: Verandert de kunst onder invloed van de academisering van het kunstonderwijs?

A.T.: Onmiskenbaar is theorievorming van grote invloed geworden. Van kunstenaars wordt nu verwacht dat ze hun werk theoretisch kunnen onderbouwen. Daar is op zichzelf niets mis mee; misschien wordt het discours zelfs interessanter naarmate er meer kunstenaars aan deelnemen. Helaas zie je echter dat theoretici en curatoren steeds meer waarde hechten aan de theoretische basis van een kunstwerk en steeds minder aan wat het kunstwerk los daarvan heeft mee te delen. Ik denk dat de kloof die is ontstaan tussen de kunstwereld en de samenleving, een kloof waar we nu politiek de nek over breken, voor een deel daarop is terug te voeren. Het hoogtheoretische discours, afgetopt met de verschijning van de kunstenaar-academicus, versterkt de suggestie dat je academisch geschoold moet zijn om kunst te kunnen begrijpen. Het zou me niet verbazen als kunstenaars in opstand komen en buiten de grote instituten een tegenbeweging gaan vormen die de marginaliteit van het kunstenaarschap koestert en de boodschap uitdraagt dat intelligentie geen academisch keurmerk vereist.

 

Gesprek met Michael Van den Abeele (Caroline Dumalin)

Caroline Dumalin: Wat denk je over de academisering van het kunstonderwijs en het doctoraat in de kunsten?

Michael Van den Abeele: Ik vind het verleidelijk om aan een doctoraat in de kunsten te beginnen omdat er middelen tegenover staan, maar ik heb er ook schrik van. Het idee dat ik me aan een academisch instituut zou verbinden vind ik heel beklemmend. Ik heb het gevoel dat de wereld die achter de academisering van het kunstonderwijs schuilt, een andere is dan die van de individuele kunstenaar. Nochtans heb ik een zwak voor analyse en theorie, maar ik gebruik die interesse liefst binnen een heel specifiek kader. 

C.D.: Kan je daar een voorbeeld van geven?

M.V.d.A.: Neem Perennial, een project dat ik vorig jaar samen met Arnaud Hendrickx en Richard Venlet organiseerde in de ruimte van het toekomstige auditorium van WIELS. We vertrokken van de filosofische premisse dat toekomstbeelden naar voren geprojecteerde herinneringen zijn, maar die idee was slechts een vertrekpunt voor iets wat een veel breder veld bestreek. Het auditorium werd ingericht op een manier die het midden hield tussen een academisch seminarie en een futuristisch salon. Er vond een lezingenprogramma plaats dat volgens een narratieve, subjectieve logica was samengesteld. Onder de sprekers bevonden zich niet alleen kunstenaars en architecten, maar ook de architectuurhistoricus Dirk De Meyer, de sciencefictionauteur Mark von Schlegell en de psychiater Erik Thys. Daarnaast werd er een theatrale, bijna barokke combinatie van objecten tentoongesteld. Die presentatie had iets kostelijks en deed ook denken aan een tijdmachine. Onder de getoonde objecten bevonden zich een namaakversie van een afgodsbeeldje uit Egypte van 200 v.C., de Fallen Astronaut van Paul van Hoeydonck, plaasteren doorsneden van Middeleeuwse kerkers met muren die veel dikker waren dan de omsloten ruimte…

C.D.: Waar kwam het idee vandaan om het seminarie als format te kiezen en er tegelijk de grenzen van af te tasten?

M.V.d.A.: Daarvoor moet ik de voorgeschiedenis van het project toelichten. Het initiatief van Perennial lag bij Arnaud Hendrickx, die als architect bezig was met een doctoraatsonderzoek waarvoor hij zich baseerde op verschillende types samenwerkingen met kunstenaars. Dat het project kaderde binnen een doctoraatsonderzoek heeft trouwens meegespeeld in de keuze om het in WIELS te laten plaatsvinden. De kunstwereld is een dankbare plek voor een architect, omdat je op korte termijn kan werken, aan wetgevingen ontsnapt en met een grotere autonomie kan ontwerpen. Arnaud gebruikte het doctoraat om een grotere vrijheid op te zoeken. Hij nodigde ons uit om zijn onderzoek bij wijze van spreken te kapen.

C.D.: Hoe zie jij de evaluatie van projecten zoals Perennial?

M.V.d.A.: Ik geloof dat de idee van een evaluatie heel wat kunstenaars afschrikt. Ik zie het nut er niet van in om mijn artistiek project te herleiden tot iets wat ‘communiceerbaar’ is. Als kunstenaar word je gedwongen je werk te legitimeren en die positie wil ik niet innemen. Mocht ik ooit doctoreren, dan zou ik ervoor opteren om mijn betoog te laten schrijven door een academicus.

C.D.: Waarom zou een kunstenaar echter doctoreren? Is er een reden te bedenken waarom dat interessant zou zijn? 

M.V.d.A.: Een goede kunstenaar plaatst zijn werk boven alles. Hij is dus ook bereid om opportunistisch te werk te gaan en de middelen die naar doctoraatsonderzoeken gaan met beide handen te grijpen als dat zijn werk ten goede komt. Het doctoraat in de kunsten dwingt mensen om zo te worden. Als je weet hoeveel geld universiteiten krijgen voor elk gefinaliseerd onderzoek en doctoraat, dan vrees ik wel voor overproductie. Net voor ik stopte met lesgeven in Sint-Lukas Brussel, een viertal jaar geleden, heb ik nog een dag meegemaakt waarop de hogeschool uitpakte met het aantal lopende onderzoeken, het aantal docenten die in internationale tijdschriften gepubliceerd hadden… Ondertussen heb ik nog altijd geen weet van een doctoraatsonderzoek dat de moeite waard is. Ik vraag me af of een doctoraat in de kunsten überhaupt van hetzelfde niveau kan zijn als een goed universitair wetenschappelijk onderzoek. Maar waarom zou een individuele kunstenaar zich daar vragen bij stellen? Hij of zij krijgt geld om een project uit te werken – wat natuurlijk een goede zaak is als de kunstenaar goed is.

 

Gesprek met Dirk Snauwaert

Caroline Dumalin: Wat denkt u over de academisering van het kunstonderwijs en het doctoraat in de kunsten?

Dirk Snauwaert: Je moet twee zaken onderscheiden. Aan de ene kant is er de kwestie van het docentschap in het kunstonderwijs – hier is nog niet duidelijk of alle docenten over een doctoraatsdiploma zullen moeten beschikken. Aan de andere kant is er het artistieke onderzoek en het doctoraat in de kunsten. Als tentoonstellingsmaker en hoofd van een kunstinstelling ben ik vooral in het laatste geïnteresseerd. In het verleden hebben we ons met WIELS al rond die kwestie geëngageerd.

C.D.: Kan je daar iets over vertellen?

D.S.: Een aantal jaren geleden is WIELS samen met een groep instellingen in ‘Het Platform – doctoraat in de kunsten’ rond de Vrije Universiteit Brussel gestapt, een initiatief van Hans De Wolf. Het Platform wilde een aantal erkende kunstenaars samenbrengen waarvan de praktijk als een model voor een doctoraat in de kunsten kon fungeren. Het plan was om samen te werken met een aantal tentoonstellingsruimtes – waaronder WIELS, maar bijvoorbeeld ook het Paleis voor Schone Kunsten – die de bijhorende tentoonstellingen zouden organiseren. Jammer genoeg is daar weinig uit voortgekomen. Voor een deel komt dat allicht omdat erkende kunstenaars niet zo veel zin hebben om zich te onderwerpen aan het lange administratieve traject dat met een doctoraat gepaard gaat.

C.D.: Waarom wilde jij je met WIELS binnen het Platform engageren?

D.S.: Omdat ik vaststelde dat veel actuele artistieke praktijken zich probleemloos in zo’n doctoraatstraject laten inschrijven. Kunst maakt voor mij in de eerste plaats deel uit van een kritisch-intellectueel verhaal. Waarom zouden we het dan niet laten valideren volgens criteria die ook bij andere vormen van intellectuele productie gangbaar zijn? Een tentoonstelling functioneert in mijn ogen volgens dezelfde retorische principes als een ‘academische’, goed gestructureerde argumentatie. Een tentoonstelling maakt iets ‘zichtbaar’ en dus inzichtelijk; ’quod erat demonstrandum’ is evengoed het principe van een tentoonstelling als van een academisch betoog. Het medium van de tentoonstelling staat dan ook zéér dicht bij dat van de publieke verdediging van een doctoraat. Ik zie heel wat tentoonstellingen die als een doctoraatsverhandeling kunnen gelden.

C.D.: Kan je een voorbeeld geven?

D.S.: Zelf hebben we bijvoorbeeld in samenwerking met vier andere instellingen Spectres van Sven Augustijnen georganiseerd. In het kader van die tentoonstelling hebben debatten plaatsgevonden met historici, postkoloniale theoretici en kunstcritici, en is ook een publicatie verschenen. De tentoonstelling heeft ook aanleiding gegeven tot een publiek debat. Zowel de interne beoordeling door een academische peer group als het moment van de ‘publieke verdediging’ waren aanwezig, alleen is er geen waarderingscijfer bij uitgesproken.

C.D.: Van het doctoraat in de kunsten wordt echter vaak verwacht dat de kunstenaar zijn praktijk legitimeert en rationaliseert.

D.S.: Dat is inderdaad een probleem. Als je ziet hoe het doctoraat in de kunsten nu bekeken wordt, dan moeten er een aantal zaken worden aangepast. Ik vind het normaal dat men een tekstueel en discursief aspect verbindt aan het doctoraat in de kunsten – maar in welke mate en in welke vorm? Je kan van kunstenaars niet verwachten dat ze als academici een metaperspectief ontwikkelen op hun eigen werk. Het probleem is dat het beeld als drager van ideeën binnen het academische discours nog te zeer gewantrouwd wordt. Misschien moet men voor het doctoraat in de kunsten niet enkel naar de menswetenschappen, maar ook naar de positieve wetenschappen kijken, waar veldwerk en laboratoriumonderzoek een grote rol spelen. Hoe dan ook vind ik het belangrijk dat de beeldende kunst zich in een intellectueel en academisch veld inschrijft, en als een valide onderdeel van de menswetenschappen wordt erkend. Anders zou het wel eens kunnen dat zij zich tot de ontspanningsindustrie veroordeelt.

 

Gesprek met Guillaume Bijl over de ‘academisering’ in België (Robrecht Vanderbeeken)

Robrecht Vanderbeeken: Om bij het begin te beginnen: sinds de Bolognaverklaring in 1999 is de academisering als een trein door het kunstonderwijs gedenderd, met veel hervormingswoede en de opstart van het doctoraat in de kunsten tot gevolg. Hoe kijk jij tegen de Belgische versie van de academisering aan?

Guillaume Bijl: Ik heb de academisering vooral in Duitsland meegemaakt. Met de Belgische situatie heb ik minder ervaring. Ik weet wel dat het betaalde doctoraat in een land als België, waar de subsidies voor jonge kunstenaars minimaal zijn, een belangrijk surrogaat voor subsidiëring is. Voor sommigen vormt het een vervangingsinkomen en dat vind ik positief.

R.V.: Als je ziet hoe de cultuursubsidies onder druk staan, terwijl er zoveel geld naar de academisering gaat, dan zou men dat geld misschien beter rechtstreeks aan de sector geven?

G.B.: Dat zou ik een prima idee vinden.

R.V.: Via de academisering krijgen enkele kunstenaars extra geld. Maar ze betalen daar wel een prijs voor: men moet teksten schrijven over het eigen werk, zelfs een academisch publicatiedossier uitbouwen, cursussen volgen, allerhande vergaderingen bijwonen, voortgangsrapporten opmaken…

G.B.: Als je niet veel te doen hebt, is dat misschien niet zo erg… Maar als je een carrière wil uitbouwen, dan is het natuurlijk tijdverlies. Kunstenaar zijn doe je zeven dagen op zeven, bij wijze van spreken.

R.V.: Intussen zijn een aantal kunstenaars gepromoveerd. Wat opvalt is een gespleten situatie. Heel wat ‘academische’ kunstenaars zijn in de kunstensector weinig tot niet bekend. De kunstenaars die een serieuze carrière uitbouwen, de meer bekende kunstenaars dus, voelen zich niet geroepen. Lopen we daarbij niet het risico van een secundair circuit?

G.B.: Dat denk ik wel. Voor een kunstenaar als ik heeft die titel geen meerwaarde. Een kunstenaar met een internationale carrière heeft daar geen boodschap aan.

R.V.: Daarnaast bestaat het risico dat er een spanning ontstaat tussen de professionelen uit het veld – de curatoren bijvoorbeeld – en de professoren aan de universiteit. De interesse en de betrokkenheid is van een andere orde. Een kunsthogeshool kan zich bovendien ook als een galerie gedragen, die de zogenaamde ‘huiskunstenaars’ wil promoten omdat dit de symboolwaarde van het eigen instituut ten goede komt.

G.B.: Misschien wel. Nu merken we dat nog niet, denk ik, maar het kan in de toekomst een gevaar vormen. Daarnaast bestaat het gevaar dat een getalenteerde kunstenaar geen les meer zal kunnen geven omdat hij niet over een doctoraat beschikt. Ik heb altijd in het buitenland lesgegeven – eerst in Maastricht, daarna in Hamburg en vervolgens in Münster – en ik werd als autodidact zonder kunstopleiding steeds op basis van mijn curriculum aangeworven. In België ben ik nooit gevraagd. De mensen die op onze academies lesgaven, waren totaal onbekend. Ze hadden geen internationale carrière en bijgevolg ook geen ervaring in de kunstwereld. Dat kan je je in Duitsland niet voorstellen.

R.V.: Is de situatie in België dan niet verbeterd?

G.B.: Een beetje wel. Of toch in Brussel en Gent, in Antwerpen niet. Aan die academie verandert er niets. Nu kunstenaars over een doctoraat moeten beschikken, zal het er niet op verbeteren.

R.V.: Misschien hangt het ook af van de manier waarop instellingen met die eis omgaan. Het zogenaamde Brusselse model, dat verbonden was aan de VUB en intussen is afgevoerd, vatte een doctoraat eerder op als een eredoctoraat, zodat vooral de gevestigde namen in aanmerking kwamen. Elders wordt het doctoraat in de eerste plaats opgevat als een diploma in het verlengde van een masteropleiding, waarbij jonge mensen zich nog een aantal jaren kunnen vervolmaken. Het gaat eigenlijk om een uitgesponnen en betaald postgraduaat.

G.B.: Dat kan natuurlijk interessant zijn. Een postgraduaat is een beschutte werkplaats en die is nodig om tot een volwassen kunstenaarschap te komen. Nuttig is ook dat jonge kunstenaars er met professionelen uit de kunstwereld in contact komen.

R.V.: Maar momenteel staan de postgraduaatopleidingen in Nederland en België onder druk – de Rijksacademie krijgt voorlopig geen subsidie, de Jan van Eyck Academie valt terug op ongeveer een derde, en van het HISK wordt verwacht dat het een doctoratenfabriek wordt – terwijl er heel veel energie en middelen gaan naar de uitbouw van de kunsthogescholen.

G.B.: Dat is dan heel spijtig.

R.V.: Het doctoraat in de kunsten creëert ook een heel nieuwe verhouding tussen academicus en kunstenaar. Normaal is de kunstwetenschapper of kunstfilosoof een dienstmaagd die het werk van de kunstenaar interpreteert, archiveert en uitlegt. Nu zetelt de professor in de doctoraatsjury als een rechter, die beslist wat goed en slecht is, wat een institutioneel lintje verdient en wat niet. Het descriptieve is ingeruild voor het normatieve. Dat is toch vreemd?

G.B.: Tja. Er zijn veel vreemde dingen in de kunstwereld. Als potentiële kunstenaars dan toch geëvalueerd moeten worden, dan gebeurt dat best door ervaren kunstenaars. Maar ja, in België heeft de kunstenaar niets te zeggen. Er werken hier zeer goede kunstenaars, maar de kunstenaar wordt niet gerespecteerd. Dat merk je aan de schamele subsidies.

R.V.: Om af te ronden, tips voor het beleid?

G.B.: Kunstenaars zouden zelf een school moeten oprichten. Maar ze hebben daar natuurlijk geen tijd voor.

 

Gesprek met Geert Bekaert (Birgit Cleppe)

Birgit Cleppe: Wat denk jij over de academisering van het kunstonderwijs en het doctoraat in de kunsten?

Geert Bekaert: Ik vind academisering een groot woord. In feite is dit een proces dat al een paar eeuwen geleden in gang werd gezet en sindsdien is er altijd al discussie geweest over de rol van de academie in de opleiding van kunstenaars. Die opleiding heeft altijd iets geforceerds, want in principe zouden kunstenaars zichzelf geen beperkingen moeten opleggen. De term ‘academisme’ heeft al sinds de 19de eeuw een pejoratieve bijklank, die wordt geassocieerd met slechte kunst. In feite is het probleem van de academisering van het kunstonderwijs dus niet nieuw.

B.C.: Maar de inkanteling van die kunstacademies in universiteiten, die zich toch hoofdzakelijk op wetenschappelijke kennisproductie toeleggen, werkt dat niet als een tang op een varken?

G.B.: Een groot deel van die kunstenaarsopleidingen is ook gericht op het overbrengen van theoretische en andere kennis. Dat is zeer belangrijk. In de traditionele opleidingen werd in de eerste plaats in stijlen gedacht, en betrof het vooral een technische opleiding. En dat is ook nu nog waardevol. Die vertrouwdheid met het ambachtelijke, met de techniciteit kan een hulpmiddel zijn om de inventiviteit van de kunstenaar aan te scherpen. Al kan een opleiding aan een kunstacademie natuurlijk ook wel de dood van de kunstenaar betekenen. Ik ben ervan overtuigd dat een kunstacademie vooral een inspirerend milieu moet bieden aan de student-kunstenaar. Hierbij kan ook de aandacht voor de theoretische bagage zeer bevorderlijk werken.

B.C.: Biedt de inkanteling volgens jou ook voordelen voor de universiteiten zelf?

G.B.: Het zou een heel gelukkige ontwikkeling kunnen zijn voor onze universiteiten, die tot nog toe nogal anticultureel ingesteld waren. Denk maar aan de omvorming van kunstgeschiedenis naar kunstwetenschappen. Alsof die discipline op dezelfde manier te benaderen valt als pakweg dendrologie. Deze eenzijdig wetenschappelijke instelling geeft geen antwoord op de wezenlijke vragen. De introductie van een niet-wetenschappelijke discipline als kunst aan de universiteit legt de relativiteit van de wetenschappelijke aanpak bloot. We moeten niet te veel willen aansturen op een vorm van ‘zuiverheid’. Er moeten wezenlijke onduidelijkheden zijn die niet op te lossen vallen. De integratie van kunstenaarsopleidingen in een universitaire context kan in die zin zeer bevruchtend zijn. Theoretisch lijkt het mij althans een heel zinnige ontwikkeling. Al is de kans groot dat er in de praktijk niet veel zal veranderen, buiten de administratieve rompslomp. Het is nog maar de vraag of er in werkelijkheid van een echte wisselwerking sprake zal zijn. Het is een nogal megalomane onderneming om alles bijeen te voegen. Daar spelen eigenlijk weinig inhoudelijke argumenten, maar voornamelijk praktische zaken zoals een vlottere dienstverlening, economische voordelen. Er bestaat bij dat soort grote associaties een aanzienlijk gevaar voor vervlakking.

B.C.: Denk je niet dat het vooral dit soort opportunistische motieven zijn die aan heel deze ontwikkeling ten grondslag liggen?

G.B.: Natuurlijk speelt er ook een vorm van opportunisme. Dat moet je erbij nemen. Maar de uitkomst kan ook positief zijn.

B.C.: Ook voor het doctoraat in de kunsten? 

G.B.: Aanvankelijk vond ik het idee van een doctoraat in de kunsten wat ridicuul. Het is in elk geval niet meteen vanzelfsprekend. In feite is het ingevoerd met de verkeerde motieven. Universiteiten springen mee op de trein van het succes van de kunstwereld. Om dezelfde reden organiseren ze bijvoorbeeld ook concerten. Dat geeft de indruk van breeddenkendheid. Voor kunstopleidingen is de erkenning door universiteiten echter ook positief. Het verleent ze een andere status, een belangrijkere positie in de maatschappij.

B.C.: Maar de kunstenaar heeft toch niet om het doctoraat in de kunsten gevraagd? 

G.B.: Daar heb je een punt. De vraag naar dat doctoraat in de kunsten zou eigenlijk van de kunstenaar zelf moeten komen. Als idee is het doctoraat dus een beetje ‘scheef’. Niettemin kan het betekenisvol zijn, want zelfs in zo’n ‘scheve structuur’ kunnen veel goede dingen gebeuren. Tenminste, als de doctorandus zichzelf kan blijven. Dat wil zeggen dat die persoon zijn of haar verstand gebruikt en zich niet laat meeslepen door een al te simpele opvatting van wetenschap. Alles hangt af van de persoonlijke invulling van de kunstenaar.

B.C.: Denk je dat het model waarbinnen zo’n doctorandus moet opereren, een kunstwerk voorzien van een zelfreflecterende theoretische tekst, in die optiek niet te dwingend werkt?

G.B.: Ik ben niet zo op de hoogte van wat de concrete richtlijnen ter zake zijn. Ik ga ervan uit dat de uitkomsten van dergelijke doctoraten heel verschillend moeten kunnen zijn. In bepaalde gevallen kan een vorm van zelfreflectie wel. En het gebeurt meer en meer dat kunstenaars dat doen. Al pakt de idee om aan zelfreflectie te doen niet altijd even gelukkig uit. Een intuïtieve instelling van de kunstenaar kan soms veel vruchtbaarder zijn. Denk bijvoorbeeld aan Kafka en de dubbelzinnigheid waarmee hij zijn werk maakte. Maar alles hangt af van de persoonlijke invulling. De methodiek mag je niet te scherp afstellen, anders zit je ernaast. Ik denk dus dat het kán, en ik leg de nadruk op kán, zinvol zijn. Niet voor iedereen. Ik zie het als een van de vormen die mogelijk is.

 

Gesprek met Leen Voet (Dirk Pültau)

Dirk Pültau: Je hebt van 2005 tot 2012 lesgegeven in het atelier schilderkunst van Sint-Lucas te Gent. Hoe werd jij er met de ‘academisering’ geconfronteerd?

Leen Voet: Eerst ving ik allerlei vage geruchten op over de veranderingen die op til waren, over de nieuwe mogelijkheden die de academisering zou bieden, over samenwerking met de universiteit en een andere balans tussen lesgeven en onderzoeken… Vooral de onduidelijkheid is me bijgebleven. Niemand leek precies te weten wat er te gebeuren stond.

D.P.: Sint-Lucas stapte vervolgens in de associatie met de KULeuven. Hoe werd daar intern op gereageerd?

L.V.: Volgens mij had men vooral schrik van de universiteit. Wat zou de samenwerking met de universiteit betekenen voor de verdeling van de budgetten? Zou de kunstschool autonoom kunnen blijven functioneren? Dat waren de vragen. Vreemd was wel dat niemand zich afvroeg wat die autonomie van de kunstschool dan precies inhield. Over de eigenheid van het kunstonderwijs binnen de associatie bleef het muisstil.

D.P.: Wat waren de effecten op je praktijk als docent?

L.V.: Als docent moest je steeds meer administratieve taken verrichten. Voor elke prestatie moest een fiche worden ingevuld. Men eiste voortdurend ‘bewijzen’ dat je functioneerde. We werden ook steeds meer als ambtenaren benaderd. Het woord ‘kunstenaar’ werd taboe op de school. We werden ook steeds meer als ambtenaren benaderd. Het woord ‘kunstenaar’ werd taboe op de school. Het kunstenaarschap of het lesgeven ernstig nemen, dat was iets voor luie docenten. Men suggereerde voortdurend dat je ‘eens iets zou kunnen doen’…

D.P.: …een onderzoeksproject opstarten?

L.V.: Precies. Vooral de jongere generatie docenten werd geviseerd. Afgelopen academiejaar werden de contracten van een aantal docenten – ook het mijne – opgezegd. Ik vermoed dat we de laan werden uitgestuurd op grond van onze gebrekkige ‘inpasbaarheid’ in de organisatie van de school. Of waren we te kritisch? Nochtans is de school juist gebaat met kritische geluiden. Ook onderzoek biedt onvermoede mogelijkheden als je er zorgvuldig mee omspringt.

D.P.: Hoe zou je dat potentieel omschrijven?

L.V.: Er liggen kansen om samenwerkingen op te zetten waarvoor in de commerciële kunstwereld geen plaats is. Ik ben in 2007 in de Onderzoeksraad van Sint-Lucas gestapt. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat er mogelijkheden waren, maar men heeft ze niet gegrepen.

D.P.: Wat heeft men dan volgens jou ‘fout’ gedaan?

L.V.: Men had ‘onderzoek’ consequent vanuit de kunstpraktijk moeten definiëren. Toen de visietekst werd herschreven, werd na veel gepalaver één zinnetje opgenomen waarin dat uitgangspunt gearticuleerd werd, maar in de praktijk heeft men die keuze nooit willen maken. Men bleef voortdurend schipperen. De onderzoeksvoorstellen moesten te maken hebben met kunst, maar liefst niet te veel. Het ene commissielid merkte op dat het onderzoeksgeld niet diende om kunstwerken te produceren, een andere collega had het dan weer over de onderzoeksvraag die niet duidelijk was. Wat hebben zulke commentaren met kunst te maken? Die vraag kan je trouwens ook stellen over de lopende doctoraten die op de website van Sint-Lucas worden voorgesteld. Als ik de titels lees, dan denk ik op geen enkel moment aan kunst. Ze passen daarentegen naadloos in een academische onderzoekscultuur.

D.P.: Heb je ooit zelf een onderzoeksvoorstel ingediend?

L.V.: Ja, het project FELIX – een boek met 774 tekeningen gebaseerd op het oeuvre van Felix De Boeck (1898-1995). Bij mijn weten is dat het enige zuiver artistieke project dat door de Onderzoeksraad werd goedgekeurd. Het boek was er trouwens ook zonder de Onderzoeksraad gekomen. Lang heb ik de druk gevoeld om in een van de onderzoeksgroepen van Sint-Lucas te stappen, maar uiteindelijk heb ik daarvan afgezien.

D.P.: Waarom?

L.V.: Omdat de onderzoeksgroepen te zeer blootstaan aan de druk om te produceren. Publicaties, lezingen, tentoonstellingen, evenementen, het maakt niet uit wat – als men maar een output kan aantonen. Alle onderzoeksgroepen werken bovendien rond een bepaald thema, zoals het medium van de tekening of ‘materie en beeld’. Ik vind dat een te dwingend korset.

D.P.: Heb jij de indruk dat de ‘academisering’ inmiddels ook invloed heeft op het werk van de studenten? Maken zij een ander soort kunst?

L.V.: Voorlopig niet, maar je merkt wel dat ze op een andere manier over hun werk spreken. Ze hebben het steeds vaker over ‘hun onderzoek…’ – docenten en juryleden vragen namelijk voortdurend naar het ‘onderzoek binnen hun praktijk’. Stel je voor, iemand van 20 jaar die het over zijn ‘onderzoek’ heeft. Het is gewoon hilarisch. Het lijkt wel alsof bij elk kunstwerk een stappenplan hoort. Ik vrees dat de academisering een serieuze impact zal hebben op de kunst van de toekomst. Volgens mij staat ons een hoop dossierkunst te wachten: kunst die uit nauwelijks meer dan een dossier bestaat, maar die het bewijs vormt dat er ‘onderzoek’ werd gevoerd. In de kunst moet je het lef hebben om aan te modderen en dingen te doen die op het eerste zicht geen steek houden. Ik vrees echter dat die modus stilaan verloren gaat.

 

Gesprek met Gert Verhoeven (Dirk Pültau)

Dirk Pültau: Van 2006 tot 2011 heb jij lesgegeven in Sint-Lukas Brussel, een hogeschool die in het kader van het Bolognaproces in een associatie is gestapt met de KULeuven. Hoe heb jij de impact van de academisering beleefd?

Gert Verhoeven: In het begin stond ik er helemaal niet zo argwanend tegenover. Volgens mij kon zo’n partnerschap met de universiteit best interessant worden. Ik vond dat de kunsthogeschool en de universiteit veel van elkaar konden leren, en hoopte ook dat de universiteit een tegenwicht kon bieden aan de voortschrijdende commercialisering van de kunstwereld en de macht van de galeries. Ook de introductie van onderzoek in Sint-Lukas leek me aanvankelijk een goede zaak. Om die reden bedong ik bij de directie een fulltime aanstelling zodat ik me op onderzoek kon toeleggen. Ik heb zelf enkele onderzoeksprojecten in Sint-Lucas opgestart, waaronder het project Nomads go home dat handelde over de manier waarop de kunstenaar als intermediair wordt ingeschakeld tussen verschillende sectoren van de maatschappij. Daarnaast heb ik aan een onderzoeksproject over waterverf meegewerkt, samen met Dirk Lauwaert, Fik Van Gestel en Philippe Van Snick.

D.P.: Heeft de samenwerking met de universiteit uiteindelijk gebracht wat je ervan verwacht had?

G.V.: Nee, ik heb me schromelijk vergist.

D.P.: In welke zin?

G.V.: De universiteit bleek helemaal niet geïnteresseerd in een dialoog. Ze heeft gewoon haar eigen regels opgelegd. Het beste bewijs is de nieuwbouw van Sint-Lukas aan de Paleizenstraat, die onlangs werd opgeleverd. Naast twee grote aula’s omvat dat gebouw enkel kantoren. De voorzieningen voor kunst? Nihil! De infrastructuur voor de atelierwerking is erbarmelijk. Studenten krijgen veel te weinig tijd om met hun werk bezig te zijn. Ze moeten zich uitsloven om papers te schrijven, die van een belabberd niveau zijn omdat er amper begeleiding is. Een gezonde atelierwerking heeft plaatsgemaakt voor pseudotalk over onderzoek. Er is geen aandacht meer voor de concrete ervaring, voor de materialisering van het kunstwerk.

D.P.: En je carrière als onderzoeker in de kunsten…

G.V.: Dat is een totale afknapper gebleken. Ik heb maar liefst zeven onderzoeksvoorstellen geschreven en telkens werden ze om een pietluttige reden geweigerd. De ene keer was er een probleem met de methodologie, de andere keer waren de doelstellingen niet precies genoeg geformuleerd. Het academische format met zijn regels en criteria was niet aan mij besteed.

D.P.: Hoe kijk je meer in het algemeen aan tegen het onderzoek dat in Sint-Lukas gevoerd wordt?

G.V.: Als ik de lopende onderzoeksprojecten beschouw, dan ben ik sceptisch. De meeste voorstellen getuigen van een ongelooflijk simplisme. Interessante doctoraten heb ik evenmin gezien. Er wordt vaak gezegd dat de kunsthogescholen tijd nodig hebben om hoogstaand onderzoek te ontwikkelen, maar ik geloof er niet meer in.

D.P.: Waarom niet?

G.V.: Omdat de definitie van ‘artistiek onderzoek’ volledig op het academisch format is toegesneden. Waarom kan een tentoonstelling bijvoorbeeld geen volwaardig artistiek onderzoek zijn? Waarom moet er absoluut een schriftelijke verantwoording aan te pas komen? Niet te verwonderen dat dat tekstgedeelte vaak aan een copywriter wordt toevertrouwd.

D.P.: Denk je dat de ‘academisering’ een stempel op de kunst van de toekomst zal drukken?

G.V.: Dat vrees ik wel, ja. Wat mij vooral beangstigt, is dat veel voorstanders van de academisering denken dat artistiek onderzoek tot een nieuw type kunstenaar zal leiden. Ik hou mijn hart vast als ik daaraan denk.

D.P.: En als ze gelijk krijgen… Hoe zal de kunst er dan uitzien?

G.V.: Als een artistieke toepassing van discours; als een academische, dogmatisch intellectualistische versie van de conceptuele kunst, zonder de humor die je in de historische conceptuele kunst terugvindt. Kunst heeft te maken met het onbekende, het experiment, het oneindig uitwerken en bijstellen van hypotheses… voor al die dingen zal geen plaats meer zijn in het kunstonderwijs in Vlaanderen.

 

Antwoord van Thierry de Duve aan Raphaël Pirenne

Cher Raphaël,

je dois t’avouer que d’ici, à Los Angeles, la question du doctorat dans les arts me paraît fort lointaine, bien qu’il en soit question ici aussi, surtout depuis que Jim Elkins s’ingénie à publier toutes les opinions à ce sujet. En un mot, je suis contre parce qu’en deux ou trois générations cela va orienter l’enseignement exclusivement vers un type de pratiques fait pour dégoûter les artistes véritables. Mais je pense aussi que la tendance est irréversible, et que donc ce sera à nous de fabriquer l’antidote. Tu peux publier ça si tu veux.

Amicalement,

Thierry

 

 

 

 

 

Gesprek met Bart Meuleman

Auteur, essayist en theatermaker Bart Meuleman was tussen 2003 en 2011 docent aan de opleiding Kleinkunst van het Koninklijk Conservatorium van de Artesis Hogeschool in Antwerpen, een curriculum met drie bachelorjaren en één masterjaar. Een jaar geleden stapte Meuleman op, omdat hij ‘ongemeen kwaad’ was over de gang van zaken binnen de opleiding Drama, die naast Kleinkunst ook de afstudeerrichtingen Acteren en Woordkunst aanbiedt.

Wouter Hillaert: Wat doceerde je precies?

Bart Meuleman: Ik gaf niet echt een vak, maar begeleidde de studenten bij het maken van hun eigen werk, vooral in de eerste twee bachelorjaren. In het eerste jaar worden de studenten geïnitieerd in een aantal gebieden, zoals het schrijven van nummers of het maken van een solo van twintig minuten. In het tweede jaar eindigen ze met een solo van vijftig minuten. Dat is een zware opgave, maar toch heeft het vaak tot opmerkelijke resultaten geleid. Daarom deed ik die begeleiding zo graag. Je zag dat je op twee jaar echt iets kon bereiken met die studenten.

W.H.: Wat beoogden jullie dan precies? Waar wilde de opleiding voor staan?

B.M.: De premissen voor Kleinkunst zijn ooit gedefinieerd door Luk Perceval en Jan Decleir, toen die de afdeling hebben omgevormd van een opleiding in de lichtere genres – variété, BRT-shows, tapdansen – tot een opleiding voor mensen die in de eerste plaats hun eigen materiaal maken en presenteren: tekst, muziek, de combinatie van beide… In vergelijking met een klassieke toneelopleiding is er bij Kleinkunst meer aandacht voor de eigen creativiteit, en minder aandacht voor het puur disciplinaire, voor ‘wat je allemaal moet kunnen’. Dat heeft zijn voor- en zijn nadelen. Hoe zie je er bijvoorbeeld op toe dat iemand goed blijft spreken? Dat soort aandachtspunten was bij ons soms een probleem.

W.H.: En qua pedagogie? Wat moet een kunstopleiding als Kleinkunst toekomstige artiesten bieden?

B.M.: Heel belangrijk vind ik dat je iemand laat onderzoeken wat zijn kwaliteiten zijn en hoe hij daarmee kan omgaan op een breed terrein. Maar net zo belangrijk is het ambachtelijke: hoe voer je dat als kunstenaar allemaal uit? Het gaat me om de combinatie. De creativiteit komt vooral van de studenten zelf, maar techniek en reflectie zijn vaardigheden die docenten moeten aanreiken. Wil je dat goed doen, dan is daar tijd voor nodig.

W.H.: Maakt de opleiding die intenties ook waar? Op 24 mei schreef Koen van Kaam van Theater Zuidpool in een opgemerkt opiniestuk in rekto:verso en De Standaard: ‘De Antwerpse theateropleidingen verkeren al jaren in een erbarmelijke staat.’

B.M.: Voor Kleinkunst kan ik dat alvast niet ontkennen. Vooral het aanleren van vaardigheden is steeds meer in de verdrukking gekomen. We hebben de studenten te weinig bagage kunnen aanreiken: het theoretische en historische besef van dingen, het groter maken van hun wereld. Zeker voor de laatste twee jaren van de opleiding werd dat problematisch. Vanaf het derde jaar was het geld eigenlijk op, en zag je een terugval van lesuren. De studenten voelden zich te vrij of zelfs verloren. Een paar hielden het wel vol, maar de regel was dat hun niveau daalde in plaats van steeg. Het zogenaamde ‘masterjaar’ was compleet belachelijk, als je ziet wat we in die masters maar konden aanbieden. Er waren gewoon geen middelen om de studenten goed te begeleiden. En dus heb ik daar meerdere oninteressante mislukkingen zien passeren, vaak van mensen die twee jaar eerder wel prachtige dingen hadden gemaakt. Voor veel studenten was dat laatste jaar, het zogenaamde hoogtepunt van hun schoolcarrière, een verloren jaar. Dat is onverdraaglijk. Dat mag gewoon niet. We hebben met alle mogelijke creativiteit geprobeerd om daar iets aan te doen, maar dat is ons niet gelukt.

W.H.: Hoe verklaar je die penibele situatie, terwijl Antwerpen in de jaren 90 nog twee bloeiende theaterscholen had? Moeten we daarvoor terug tot het decreet van 1994 ‘betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap’, dat er na veel debat en protest toe leidde dat de Hogeschool Antwerpen in 2002 besliste om Studio Herman Teirlinck en het Conservatorium te fusioneren?

B.M.: Daar is alles begonnen, ja. Dat decreet maakte het ondenkbaar dat één stad twee toneelopleidingen kon hebben, zelfs al ging het toen in Antwerpen om de BMW en de Mercedes van het veld. Er moest een fusie komen, maar dat zagen het Conservatorium en de Studio begrijpelijkerwijs niet zitten, met elk hun eigen artistieke en pedagogische cultuur. Zo zijn beide opleidingen tegen elkaar opgezet. Zij hebben een strijd op leven en dood uitgevochten, en daar is het Conservatorium als winnaar uitgekomen. Zij wisten het slimmer te spelen, denk ik. De acteer- en de woordopleiding van het Conservatorium konden blijven bestaan, terwijl de toneelopleiding van Studio Herman Teirlinck werd opgedoekt. De kleinkunstopleiding van de Studio werd geïntegreerd in de nieuwe structuur. Men dacht dat het zo wel geregeld was, maar de fusie bleek slechts een eerste stap in een voortgaande onderwijsrationalisering.

W.H.: Was die fusiestrijd ook nefast voor de nieuwe opleiding?

B.M.: Er was de haat van de mensen die overbleven uit de Studio voor diegenen die het pleit gewonnen hadden. Misschien speelt dat nu minder, maar tussen een aantal mensen blijft er een kille sfeer. Bij de fusie zijn wonden voor het leven geslagen. Wat je ook zag, is dat sommigen probeerden om een deel van de vroegere toneelopleiding van de Studio te restaureren in de overblijvende kleinkunstopleiding, terwijl kleinkunst natuurlijk geen gewone toneelopleiding is. Zo werd het soms onduidelijk waar de kleinkunstafdeling precies voor stond.

W.H.: Zoals je aangeeft, ging dat gepaard met sterke besparingen. Terwijl de Studio voor de fusie over 38 miljoen frank beschikte, zouden de gefuseerde opleidingen samen nog maar 27 miljoen frank krijgen. Volgens de huidige directie zijn die middelen de jongste tien jaar ook nog eens met één derde gedaald. Hoe vertaalde zich dat in de praktijk?

B.M.: Eén voorbeeld is dat mijn collega Mark Verstraete, die twee jaar voor mij begon, vroeger 120 uren had voor projectbegeleiding, terwijl dat er het laatste jaar nog 80 waren. Je probeert dan als docent even goed werk te leveren – de eerste jaren na de fusie is dat met het nieuwe team in Kleinkunst ook gelukt – maar de terugkerende kortingen op het budget gingen zwaarder en zwaarder wegen. Op zeker moment kon je niet langer de gastdocenten vragen die je zou willen. Het werd bijna bedelen. Je vroeg van mensen om veel meer uren te investeren dan waarvoor ze betaald werden. Op de lange termijn fnuikt dat de sfeer en de dynamiek.

W.H.: Intussen was in 1999 ook de Bolognaverklaring getekend, die een Europese ruimte voor hoger onderwijs moest creëren. Ze introduceerde de bachelor-masterstructuur en dwong tot meer samenwerking en kwaliteitscontrole. Hoe heb je de concrete impact daarvan ervaren?

B.M.: Bologna zorgde voor een doorgedreven rationalisering, in functie van meer ‘efficiëntie’, meer cijfermatige transparantie. Hoeveel mensen komen hier binnen, hoeveel moeten er buitengaan? Wat mag een student per kop kosten? Wat zijn je coëfficiënten? Je moet zorgen dat je genoeg mensen aanneemt, want anders speel je geld kwijt. Je moet ook zorgen dat je genoeg mensen laat afstuderen, want anders speel je een ander deel van je geld kwijt. Op een gegeven moment moet je letterlijk abstractie gaan maken van mensen. Je kijkt niet langer naar de ontwikkelingskansen van studenten binnen de opleiding, maar moet hen in cijfers kunnen gieten. In de mate van het mogelijke zijn we daar als docententeam niet in meegegaan, maar op sommige momenten moesten we ons toch bezondigen aan beoordelingswijzen die lijnrecht ingingen tegen alles waar we voor stonden. Een ander groot probleem was en is nog steeds de toenemende bureaucratisering. Alles moest op papier staan, van alles moest er een verslag zijn.

W.H.: In Vlaanderen is Bologna aangewend om het hoger onderwijs sterker te academiseren, met ook meer nadruk op onderzoek in de kunsten. Versterkt dat een kunstopleiding niet?

B.M.: Alles hangt af van wat je onder ‘onderzoek’ verstaat. Onder die term zijn compleet verkeerde betekenissen gaan schuilen. Daarom ben ik ook tegen de notie ‘onderzoek in de kunsten’. Waar onze opleiding op neerkwam, was dat studenten de kans kregen om zich op meerdere vlakken te ontwikkelen, en dat ze de noodzakelijke vaardigheden en technieken verwierven om dat in de praktijk te brengen. In welke zin is dat onderzoek? Waarin verschilt dat onderzoek van een eenvoudig leerproces? Dat woord heeft hier de verkeerde connotatie. Je moet eerst vertrouwd raken met wat er is, en dat is niet meer dan een vak of een ambacht leren. Een verpleegster die een spuit leert zetten, is ook niet met onderzoek bezig. Ook voor acteurs of kleinkunstenaars gaat het om alles wat je voorgangers op een vergelijkbare manier hebben moeten verwerven. Een aantal meters ‘dragen’ in een zaal, bijvoorbeeld. Of het belang leren van de plek waar je op scène staat. Hoe je opkomt. Wanneer je afgaat.

W.H.: Hoe zou je ‘onderzoek’ dan definiëren?

B.M.: Onderzoek veronderstelt een bewustzijn over wat je weet en verworven hebt, om van daaruit op zoek te gaan naar wat je nog niet kent. Het is een bewuste, meestal tijdelijke stap van het gekende naar het ongekende. Aan ‘onderzoek’ is ‘vernieuwing’ gekoppeld, en ook dat is zo’n woord dat er vaak niet toe doet. Het zijn toverwoorden uit de kennismaatschappij. Soms kan het in een opleiding over onderzoek en vernieuwing gaan, maar meestal niet. Die woorden zijn totaal gedevalueerd. Studenten zijn jonge mensen die zich nog moeten vormen, en door hun opleiding mee gevormd worden. Ze hebben nog geen uitgesleten paden. Je moet ze net leren om een pad te bewandelen.

W.H.: In het Rits gebeurt het wel: docenten zetten onderzoekstrajecten uit rond thema’s als ‘het subversieve’, ‘het documentaire’ of ‘barok’, waar studenten dan in meelopen.

B.M.: Ok, maar dan is alles onderzoek. Dan betekent dat woord helemaal niets meer.

W.H.: En als je het ‘academisering’ noemt? Die kan studenten meer inhoudelijke bagage bieden, iets wat nogal wat debuterende acteurs en theatermakers toch wel missen?

B.M.: Als studenten die bagage missen, dan is dat omdat ze de kans niet hebben gekregen of niet voldoende zijn uitgedaagd om die bagage op te doen. Daartoe moeten ze veel lezen, kijken, luisteren, geconfronteerd worden met sterke persoonlijkheden uit verschillende gebieden. Is dat academisering? Dat zijn gewoon leerprocessen.

W.H.: Maar is de neoliberalisering van de academie in deze discussie niet een veel groter probleem dan de academisering van het kunstonderwijs?

B.M.: Het tweede is een klein onderdeel van het eerste. Het gaat erom dat een bedrijfslogica, die op ‘harde’ cijfers is gebaseerd, wordt opgelegd aan organisaties of organismen die met zogenaamde ‘zachte’ materie bezig zijn. Ook in de geestelijke gezondheidszorg zie je dat vandaag gebeuren: welke vorm van therapie geeft het snelste ‘resultaat’, welke vorm van therapie gaan we dus blijven terugbetalen? Zo werkt het natuurlijk niet. Er wordt steeds minder achter de cijfers gekeken. In absolute cijfers is kleinkunst een dure opleiding, omdat je nauwelijks ex cathedra les kan geven en tussen leraar en student heel veel één-op-éénconfrontaties hebt. Die realiteit moet je zien, je moet begrijpen waarom dat zo is. Daar moet het beleid op afgestemd zijn. In de academische wereld zie je net het omgekeerde gebeuren.

W.H.: Moet het kunstonderwijs dan beschermd worden tegen de academie, of zie je ook een mogelijke verrijking?

B.M.: Als academisering in zijn meest primitieve vorm begrepen wordt als zelfreflectie – ‘ik trek al schrijvend conclusies over wat ik heb gemaakt’ – dan kan ik daar niet tegen zijn. Maar als academisering de noodzakelijke voorwaarde wordt om mensen die op een podium zullen staan, een diploma te geven, dan zijn we toch totaal verkeerd bezig? Het gaat erom dat een bachelordiploma nu minder waard is dan het diploma van iemand die daar in zijn vierde jaar ook nog een schriftelijk verslag over heeft gemaakt. Dan mag hij zich ‘meester’ noemen. Drie jaar lang krijgen studenten een heel praktijkgerichte vorming: wat doe ik met mijn lijf, mijn stem, mijn handen, mijn verbeelding, mijn vermogen om wat ik zie, denk en voel te verwerken tot een presentatie? Voor leren schrijven over wat je doet blijft geen ruimte over – wel voor reflectie, maar dan in de vorm van een permanente dialoog met de begeleiders. Maar dan moeten studenten in hun vierde jaar ineens wel een academisch verslag schrijven, en worden ze daarop beoordeeld. Daar kregen we plots zelfs extra geld voor, terwijl er veel te weinig was voor het curriculum. Dat is belachelijk. Ik vind zeker dat studenten moeten kunnen reflecteren over wat ze doen, maar zodra die reflectie moet blijken uit een verslaggeving die aan allerlei criteria moet voldoen, schieten we ons doel voorbij. Jan Decleir wordt toch geen beter acteur als hij kan opschrijven wat hij gedaan heeft? Het is niet omdat je de perfecte inzichten over jezelf heel goed en volgens de regels van het wetenschappelijke traktaat kan verwoorden, dat je een ‘betere’ kunstenaar bent. Dan kom je in het straatje van de academische kunst terecht. Zo heb ik ook nooit begrepen waarom een kunstopleiding gelieerd zou moeten zijn aan een universiteit, ook al niet omdat je al op voorhand weet hoe de onderlinge machtsverhoudingen zullen liggen. Onafhankelijkheid is hier een cruciaal goed, vind ik, want uiteindelijk leiden we ook mensen op waarvan we willen dat het onafhankelijke geesten worden. Uitwisseling tussen de universiteiten en de kunstopleidingen kan enkel interessant zijn als ze van onderuit komt.

W.H.: Het artistieke klimaat waarin we vandaag studenten afleveren, is natuurlijk wel heel anders dan toen Decleir van de Studio rechtstreeks naar de KNS kon. Alleen al voor een subsidieaanvraag beschik je best over enige academische skills.

B.M.: Dan zou academisering gelijk staan aan marketing, aan het antwoord op de vraag: ‘Hoe verkoop ik mezelf het best?’ Dat zullen ze in Bologna graag horen.

W.H: Heb je het dan ook over het doctoraat in de kunsten? Als theatermaker Chokri Ben Chikha nu zo’n doctoraat maakt rond de historische verbeelding van het vreemde, kan dat zijn huidige artistieke praktijk dan niet verrijken?

B.M.: Heeft hij de academische vaardigheden om dat onderzoek goed te voeren? De meeste kunstenaars zijn daar nooit in geïnitieerd, laat staan dat ze erin zijn doorgegroeid. Wat is dat doctoraat dan waard? Of beter: waarom moet dat plots ‘doctoraat’ heten? Wie of wat moet daarmee gelegitimeerd worden? Wat me stoort aan dat doctoraat in de kunsten, is het grote verlangen naar objectiveerbaarheid en meetbaarheid erachter. Dat gaat in tegen de kern van kunst. Ik zeg niet dat alles onbezonnen moet gebeuren, maar vaak zijn kunstenaars het interessantst op het moment dat hen dingen ontsnappen, en niet wanneer ze het hele systeem goed in kaart hebben gebracht en ermee kunnen werken.

W.H.: Je kan het ook zo zien dat er net voor dat niet-weten vandaag nog weinig ruimte is in onze resultaatsgerichte kunstproductie. Artistiek onderzoek, in brede zin, biedt die plek wel.

B.M.: Ik heb die ervaring niet, dat er geen ruimte meer zou zijn om als kunstenaar een andere weg in te slaan, zeker niet als ik vergelijk met twintig, dertig jaar geleden. Voor dans en performance zijn die plekken er zeker, kijk naar de werkplaatsen. En als theatermaker kan je die ruimte nu zelfs afdwingen binnen het repertoiresysteem van een stadstheater. Meer nog, het beleid van sommige stadstheaters is er zelfs op gericht om maximale ruimte te geven aan individuele kunstenaars. Het veld is tegenwoordig dus zo georganiseerd dat de keuze voor onderzoek een zaak is van de kunstenaar zelf. Het is niet iets waar een beleid voorwaarden voor moet scheppen.

W.H.: Terug naar de Artesis Hogeschool. In hoeverre acht je de school en haar directie zelf mee verantwoordelijk voor de teloorgang die je schetst?

B.M.: Ik ben geneigd de hogeschool daar een grote rol in toe te kennen. Dat kan ook moeilijk anders, want het Ministerie van Onderwijs heeft beslist om de associaties zelf verantwoordelijk te maken voor het reilen en zeilen binnen het hoger onderwijs, zonder veel overblijvende controlemechanismen of mogelijke sancties vanuit het kabinet. Die decentralisering is een vergiftigd geschenk geweest. Sommige kleine opleidingen zullen daar misschien beter uit gekomen zijn, maar voor Antwerpen is het resultaat totaal nefast gebleken. De mensen die nu in de hogeschool de beslissingen nemen, lijken niet te weten wat onderwijs of lesgeven is. Je krijgt managers aan het hoofd – in die zin typeren de ontwikkelingen in het onderwijs wat er in de hele maatschappij gebeurt. Tegelijk kunnen wij de nationale politiek niet meer aanspreken op wat er fout loopt, die zeggingsmacht heeft de minister afgestaan. En binnen de hogeschool weegt het Conservatorium veel te licht om echt gehoord te worden. Symptomatisch was dat we op zes jaar tijd drie keer van naam zijn veranderd. Dat werd gewoon boven onze hoofden beslist, alsof het niets was. Op den duur kan je aan mensen niet meer uitleggen wat de naam van je school is. Nu klinkt de naam van de opleiding als die van een slecht geleide bank.

W.H.: En de invloed van de nieuwe gebouwen op de Kunstencampus bij deSingel? In je State of the Union op het Theaterfestival van 2007 waarschuwde je al voor de ‘steriliteit’ van ‘dit hyperfunctionele gebouw’. Waarom? Zijn je ‘allergrootste twijfels’ bewaarheid?

B.M.: Ik vind dat een school minstens tijdelijk toegeëigend moet kunnen worden door de studenten. Die plek moet van hen worden, zo vaak mogelijk. Ze moeten daar bijna kunnen leven. In de Studio aan de Maarschalk Gérardstraat kon dat ook. Maar als je moet verkassen naar een splinternieuw gebouw dat ‘speciaal’ voor de opleiding is opgetrokken, en dat als kloppend hart een brasserie heeft waar studenten te weinig geld voor hebben, dan kom je in een heel ander prioriteitenkader terecht. De vlotte doorgang van de kuisploeg bleek algauw veel belangrijker dan wat studenten van dat gebouw konden en mochten maken. En dan heb ik het nog niet over het gebrek aan lokalen en hun slechte verluchting. Het hangt er ook vol camera’s. Je zit er afgesneden van de wereld. Je kan er enkel heel interessante fotoreportages maken over een snelweg waar heel veel auto’s stilstaan. Als school voelde je jezelf vooral een dependance worden van deSingel. Je ervoer er je eigen autonomie niet meer, mocht die er al zijn.

W.H.: Waarom heb je er uiteindelijk de brui aan gegeven?

B.M.: Op zeker moment keert die combinatie van dalende middelen en stijgende werkdruk zich tegen de projecten zelf. Studenten gaan zich vragen stellen over de consistentie van de opleiding, of beginnen te schieten op wat zichtbaar is, zonder de achterliggende redenen te kennen. Je voelde de sfeer binnen de opleiding gestaag verslechteren. De druppel was een brief van verschillende studenten met kritiek op een paar docenten, waaronder ikzelf. Dat was nieuw voor mij. Als ook die steun wegvalt, en je hebt je buik vol van alle ontwikkelingen die ons van bovenaf zijn opgedrongen, dan houdt het op. Dat was de aanleiding, niet de oorzaak. Maar het illustreerde des te pijnlijker dat we de strijd structureel compleet verloren hadden.

W.H.: Heb je zelf ideeën over hoe we dan een beter kunstonderwijs kunnen organiseren?

B.M.: We hebben in dit land een schoolvoorbeeld van iemand die het anders gedaan heeft, en waar ik een grenzeloos respect voor heb. Anne Teresa De Keersmaeker had natuurlijk de autoriteit om P.A.R.T.S. op te richten, maar ook de moed om ervoor te gaan en haar ideeën vorm te geven op haar eigen manier. Haar school hangt niet af van de hogeschoolstructuur, en dat is hoe het moet. Als je in P.A.R.T.S. binnenkomt, voel je meteen dat er iets leeft. Ik denk dat het kunstenveld nu dus zelf het initiatief moet nemen, want de hogeschoolstructuur heeft het helemaal verkloot.

W.H.: Koen van Kaam stelde in zijn opiniestuk wel dat een nieuwe toneelschool enkel voor rijkeluiskindjes kan zijn.

B.M.: Waarom? Is P.A.R.T.S. enkel voor rijke studenten? Er is nog helemaal niet nagedacht over hoe zo’n nieuwe school er zou kunnen komen. Het is veel te vroeg om nu al te besluiten dat het sowieso een elitaire school wordt. Natuurlijk is het een groot avontuur, en een grote verantwoordelijkheid. Maar kijk wie er in Antwerpen allemaal rondloopt en iets te vertellen heeft. Daar zit zoveel potentie in. Vaak gaat het om mensen die niet meer in de bestaande scholen willen lesgeven.

W.H.: Hoe groot schat je het draagvlak in de podiumsector in voor een eigen nieuwe toneelopleiding? Hoe realistisch is zo’n voorstel?

B.M.: Ik heb wel het gevoel dat daar in Antwerpen interesse voor bestaat. Maar elk concreet gesprek moet nog gevoerd worden. In elk geval, als er een alternatief denkbaar is, zal het uit de sector zelf moeten komen.

 

 

‘Het beeld volgt de klank, niet andersom’

Koen Brams/Dirk Pültau: In het begin van de jaren 80 ben je als realisator betrokken bij zeer uiteenlopende televisieproducties. Het gedroomde boek – een evocatie van Maurice Gilliams’ Vita Brevis – wordt uitgezonden in 1980. In datzelfde jaar maak je ook een documentaire over de Belgische spoorwegen: De trein voorbij. Je realiseert ook een korte documentaire over Jean Brusselmans en een filmpje over de woonbeurs Interieur. In 1981 ben je als realisator betrokken bij een uitzending over de CVP-politicus Robert Houben. Daarnaast maak je films over de ‘experimentele’ auteurs Daniël Robberechts en Jacq Vogelaar. Wat is de verklaring voor deze verregaande diversiteit?

Jef Cornelis: Het begin van de jaren 80 was een overgangsfase. In de openbare omroep waren grote veranderingen op til. In 1981 trad een nieuwe Directeur-Generaal Televisie in dienst, Bert Hermans. Hij volgde Nic Bal op die met pensioen was gegaan. Hermans was ooit werkzaam geweest in het kabinet van Edmond Leburton, geloof ik. Hij was in alle geval een socialist. Een nieuwe baas, het was afwachten hoe dat zou uitpakken.

K.B./D.P.: Hoe pakte het uit?

J.C.: Het eerste signaal was niet bepaald gunstig. Tijdens een receptie ontmoette ik Hermans. Ik stond te praten met een aantal collega’s en op een gegeven moment wendde hij zich tot mij en zei me dat ik onder zijn bewind niet dezelfde mogelijkheden zou krijgen als voorheen.

K.B./D.P.: Had jij een dergelijke boodschap verwacht?

J.C.: Neen, helemaal niet. Gelukkig was er later beter nieuws.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

J.C.: Joz. Van Liempt ging met pensioen als hoofd van de dienst Kunstzaken. In de loop van 1981 werd Hilda Verboven benoemd als zijn opvolger. Zij kwam in dienst op 1 januari 1982.

K.B./D.P.: Verboven werd benoemd door Hermans?

J.C.: Ja, zij was een vertrouwelinge van hem. Er aasden meerdere personen op die job, maar het werd Verboven. Haar benoeming kwam mij in alle geval niet ongelegen.

K.B./D.P.: Waarom niet?

J.C.: Verboven heeft de dienst Kunstzaken op krachtdadige wijze hervormd. Ze had een visie en wist die ook door te drukken, goedschiks als het kon, kwaadschiks als het moest. Ze kon ontzettend hard werken en ze gaf niet af. Verboven had al een aardig palmares opgebouwd vooraleer ze bij Kunst-streepje-Zaken kwam. Als producer had ze successen geboekt bij de dienst Jeugd.

K.B./D.P.: We hebben met Hilda Verboven gesproken. Ze vertrouwde ons toe dat jij haar was gaan opzoeken nog voor ze in functie was. Waarom deed je dat?

J.C.: Ik denk dat ik niet alleen was. Er waren een aantal collega’s bij, meen ik. Wilde ik peilen wie ze was en waarvoor ze stond? Dat is goed mogelijk. Ik merkte in ieder geval dat ze mijn werk kende. Meer zelfs: ik had bij haar een streepje voor omwille van Ge kent de weg en de taal, een film over het Vlaamse dorpsleven die ik in 1976 gerealiseerd had. Ik voelde dat ik op haar steun kon rekenen en ik ben niet bedrogen uitgekomen. Verboven had geen schrik, ze was geen bureaucrate en ze dronk niet – dat laatste was misschien nog het allerbelangrijkste.

K.B./D.P.: Voordat Hilda Verboven haar functie opnam, zet jij samen met jouw collega’s een aantal eisen op papier. Wij hebben een document gevonden in het VRT-archief waarin onder andere het volgende wordt gesteld: ‘Vanaf 1 januari 1982 worden alle programma’s van de dienst Kunstzaken gerealiseerd door een realisator, dat wil zeggen dat in de geest van het protocol vanaf die datum de realisator ook de vorm van het programma zal bepalen.’

J.C.: Het was geen actie die specifiek tegen Verboven was gericht. Het was een debat dat op een hoger niveau dan de afzonderlijke diensten gevoerd werd. De realisators van diverse diensten hadden zich gevonden in een gemeenschappelijke eisenbundel over hun statuut. De realisators zijn altijd behandeld als klein grut. Wij vonden dat de realisator een taak had, naast de producer en de journalist. Het waren eisen die te maken hadden met de praktijk van het vak.

K.B./D.P.: De discussie ging eigenlijk over macht…

J.C.: …over wat gaat het anders in de wereld?

K.B./D.P.: Een ander citaat: ‘De budgetverdeling van de dienst Kunstzaken zal bijgevolg in gemeenschappelijk overleg tussen producers en realisators tot stand moeten komen.’

J.C.: Uiteraard! Wij wilden de programmavoorstellen mee ondertekenen. Voordien gebeurde dat niet. De producer deed wat hij wou. Wij wilden het vak van realisator een betekenis geven.

K.B./D.P.: Wat was de houding van Verboven? Zij begon als hoofd van de dienst Kunstzaken toen jullie over deze kwestie zo’n ferm standpunt innamen.

J.C.: Ze zag in dat ze zonder ons niets kon beginnen. Ze heeft ons, realisators, verdedigd.

 

Besparingen

K.B./D.P.: In 1982 staat de openbare omroep voor een zware besparingsronde. Ook de dienst Kunstzaken moet een duit in het zakje doen. De dienst moet niet minder dan 11 miljoen BEF besparen, 25% van het totale budget.

J.C.: Hilda Verboven had het niet bepaald getroffen, maar zoals ik al zei: ze wist van aanpakken. De zware bezuiniging impliceerde bovendien niet dat zij geen scherpe keuzes maakte, wel integendeel. Op haar initiatief werd het gehele profiel van Kunstzaken onder handen genomen. Sommige realisators kregen bovendien de kans om prestigieuze films te maken. Ik kon Verboven ervan overtuigen om in 1983 een documentaire te realiseren over het oeuvre van de Belgische architect Charles Vandenhove, naar een script van Geert Bekaert.

K.B./D.P.: Terwijl de openbare omroep voor zware besparingen staat, krijg je het toch voor elkaar om een prestigieuze en dure film te maken over een Franstalige architect. De film kostte anderhalf miljoen Belgische frank. Voor Kunstzaken was dat een grote hap uit het budget.

J.C.: Het is bovendien een film die ik gemaakt heb in samenwerking met een externe directeur fotografie, Michel Houssiau. Dat lag niet voor de hand, maar zonder hem wou ik er niet aan beginnen. Het camerawerk moest uiterst precies worden uitgevoerd.

K.B./D.P.: Hoe heb je Verboven van de productie overtuigd?

J.C.: Ik ben met haar naar Luik gereden, naar het kantoor en de woning van Vandenhove. Nadien zijn we gaan eten in een restaurant. Het klikte meteen tussen Hilda en Jeanne, de vrouw van Charles. Hilda was onmiddellijk doordrongen van de kwaliteiten van Charles’ architectuur en ze begreep dat ik met een directeur photo wilde werken. Ik moet er wel aan toevoegen dat ik ook films heb gerealiseerd op vraag van haar. Denken jullie dat ik de film over Europalia Griekenland zonder zachte dwang zou hebben gemaakt? Ik zou zoiets normaal hebben geweigerd. Ik deed het omdat zij het vroeg. Ik heb haar zelfs uitgenodigd om mee op prospectie te gaan in Griekenland. In Athene huurde ik een 2 pk-tje en we hebben gedurende twee weken de Peloponnesos verkend.

K.B./D.P.: Heb je zelf de besparingen aan den lijve ondervonden?

J.C.: Ik was een plantrekker. Ik gaf geen geld uit dat er niet was, maar ik ging wel op een vindingrijke manier om met de beschikbare middelen. Ik werkte in die tijd bijvoorbeeld meer met video dan met pellicule. Video kon binnenshuis worden gemonteerd. Die kosten werden dus niet doorberekend. Als je op pellicule draaide, dan moest je met externen werken en die kosten moesten zichtbaar worden gemaakt. Ik heb trouwens altijd gewerkt op het moment dat iedereen op vakantie was en er montagecellen leegstonden. Vroeger werkte de televisie zoals het theater. Rond kerst en nieuwjaar was de drukste periode. Tegen eind juni was het geld op en vanaf dan werd alles heruitgezonden, ook mijn films. Ik mocht dan trouwens zelf mijn voorkeuren kenbaar maken.

K.B./D.P.: Vanaf het aantreden van Hilda Verboven in 1982 wordt niet alleen gepalaverd over prestigieuze films zoals deze over Charles Vandenhove, het gehele programmabeleid van de dienst Kunstzaken staat ter discussie.

J.C.: En de realisators zaten mee aan tafel! Hilda Verboven stond achter ons, zoveel was duidelijk. Wij bepaalden samen met haar het jaarprogramma.

K.B./D.P.: Uit archiefdocumenten blijkt dat reeds in april 1982 wordt gesproken over een actualiteitenrubriek over het culturele leven, het latere Kunstzaken dat driemaal per week na het journaal werd uitgezonden, en een tweewekelijks cultuurprogramma, wat uiteindelijk het livediscussieprogramma IJsbreker is geworden.

J.C.: Ja, er werden nieuwe plannen gemaakt en verschillende oude formats, zoals Dag aan dag, Puur cultuur en Curriculum, gingen voor de bijl. Het was tijd voor iets nieuws, maar het nieuwste was dat wij, realisators, actief bij het programmabeleid werden betrokken. Weten jullie trouwens wie instond voor het ontwerp van de opnamestudio van het actualiteitenmagazine Kunstzaken?

K.B./D.P.: Neen.

J.C.: Die studio is ontworpen door Bob Van Reeth. Ik wist Verboven ook te overtuigen van de generiek van de eerste jaargang van Kunstzaken, een foto van Panamarenko en zijn moeder. Ik heb dat er doorgeduwd. Panama heeft die foto zelf gemaakt met zijn polaroidcamera. Elke week kwamen Panamarenko en zijn moeder driemaal op de buis. Het was de bedoeling dat het beeld aan elk programma van de dienst Kunstzaken vooraf zou gaan. Wij kregen eindelijk een gezicht! Maar dat plan is snel afgevoerd. Enkel Kunstzaken en IJsbreker werden voorafgegaan door de foto van Panama en zijn moeder.

K.B./D.P.: Uit de verslagen van de dienst Kunstzaken is niet op te maken wie met het idee van IJsbreker op de proppen is gekomen. Wie is volgens jou de geestelijke vader van het programma?

J.C.: IJsbreker was mijn idee, niet dat van iemand anders. Daar ben ik formeel in. Ik heb een conceptnota uitgewerkt en het project met hand en tand verdedigd.

K.B./D.P.: Hoe ben je op het idee van IJsbreker gekomen?

J.C.: De precieze ontstaansgeschiedenis kan ik niet meer reconstrueren, maar ik weet wel dat ik al een tijdje aan het broeden was op een liveprogramma. In het begin van mijn carrière had ik al livetelevisie gemaakt – het discussieprogramma Hedendaagse kerkbouw op een keerpunt in 1968 en The World Question Center met James Lee Byars in 1969. Het was me uitstekend bevallen, maar latere pogingen werden in de kiem gesmoord. Volgens mij moet televisie zoveel mogelijk live worden gemaakt. Dat betekent anderzijds wel dat de omroep een groot risico neemt. Met het aantreden van Verboven zag ik plots een kans om livetelevisie te realiseren. Het uiteindelijke concept was eenvoudig: op meerdere plaatsen wilde ik mensen met elkaar in discussie laten treden, telkens over een specifiek cultureel onderwerp. Per locatie was een team van camera- en geluidsmensen onder leiding van een regisseur actief. In de studio in Brussel, waar ook mensen te gast waren, werd al het materiaal live gemixt.

K.B./D.P.: Waar haalde je de mosterd voor zo’n gedurfd project?

J.C.: Dat weet ik niet. Kennen jullie iets dergelijks? Ik in ieder geval niet. Ik wou eens iets geheel anders doen. Twintig jaar hetzelfde doen, daar word je horendol van. Ik wou uit de openbare omroep breken. Ik wou lucht. Televisie is altijd sturen. Ik wou dat niet meer, ik wou gewoon dat er iets kon gebeuren. Op die twee buitenlocaties mocht men doen wat men wou… Iedereen had zijn eigen ‘stationnetje’. De ene ginder, de andere daar, en een in de omroepstudio zelf. Die mensen op die verschillende locaties kenden elkaar niet. Ze hadden weliswaar beeld en klank, maar er was afstand. Dan kunnen er dingen gebeuren die je niet kan beheersen. Wie de macht greep in die kleine ‘stations’, kon op antenne komen. Alles liep door elkaar, niemand had nog controle.

K.B./D.P.: Als je het IJsbreker-dossier doorneemt, dan blijkt jouw naam er haast niet in voor te komen. In de verslagen van de vergaderingen worden zelden interventies van jou vastgelegd. Was dat een strategie van jou?

J.C.: Als je met mensen samenwerkt aan een productie, dan moet je anders te werk gaan dan wanneer je op beelden werkt. Ik wist wat ik wilde en zo lang de tanker in die richting dreef, was ik tevreden. Is dat een strategie? Jawel.

 

Een kunstshow

K.B./D.P.: Als Hilda Verboven op 13 april 1982 een nota overmaakt aan Bert Hermans waarin ze de programmavoorstellen van 1983 toelicht, meldt ze dat er onenigheid is over ‘het tweewekelijkse totaalprogramma’. Ze schrijft: ‘Verschillende formules werden overwogen om deze programmareeks optimale kansen te geven: show of magazine, of een compromis-oplossing. Om niet dadelijk de Panorama-structuur over te nemen of te hervallen in een langere Dag aan Dag-formule, ware het beter, althans naar mijn mening, een ‘kunstshow’ te realiseren. Dergelijk concept moet ons aanzetten tot totale vernieuwing en creativiteit, het verwerven van een eigen imago en stijl. De jongste dagen werden door enkele programmamakers evenwel bezwaren gemaakt tegen de ‘show’-formule. Het is dus beslist noodzakelijk opnieuw de hoofden bijeen te steken om tot een consensus te komen en opbouwend samen te werken om het project een kans te geven. Zonder een eensgezindheid binnen het productieteam kan niet van wal gestoken worden. Graag had ik nog uitstel gekregen om definitieve plannen en berekeningen in te dienen.’ Herinner jij je nog waarover het dispuut precies ging?

J.C.: Ik heb dat een show genoemd, dat kan… Ik was in ieder geval een voorstander van die formule, anderen niet. Wie waren die anderen? Ludo Bekkers? Hij hield in ieder geval niet van de risico’s die met livetelevisie gepaard gingen. Annie Declerck was er vermoedelijk ook niet happig op. Zij stond eerder de klassieke aanpak voor. Mijn collega’s realisators waren er in het algemeen ook niet dol op: het betekende immers dat zij ‘verplicht’ waren om mee te draaien in een project van iemand anders. Ik moest elke keer op mijn knieën kruipen om personeel bij elkaar te krijgen. Jackie Claeys en Mark De Geest deden het graag, denk ik. Stefaan Decostere zag er enorm tegen op. De technici had ik evenwel meteen op mijn hand. Zij vonden het aantrekkelijk om zo’n ambitieus project tot een goed einde te brengen. Als je met een grote productie bezig bent, zoals IJsbreker, dan slorpt je dat volledig op. Waarschijnlijk ben ik iemand die regelmatig moet opgeslorpt worden door iets.

K.B./D.P.: Het is inderdaad een gecompliceerd programma, met camera- en geluidsploegen op locatie, straalverbindingen, livemixing. Is er veel overleg geweest?

J.C.: In elk geval genoeg. Het was prettig werken met technici als Frans Nonneman, Julien Vandepitte en John Derkinderen. Ik kan met gewone mensen wellicht beter omgaan dan de gemiddelde regisseur van de VRT…

K.B./D.P.: Op 14 oktober 1982 stuurt Hilda Verboven een berekening van de programmavoorstellen van de dienst Kunstzaken aan Bert Hermans. Uit het document blijkt dat nog steeds geen keuze is gemaakt tussen een magazine of een show. Er is ook nog geen naam voor het programma, terwijl de eerste uitzending voorzien is in januari 1983.

J.C.: Zo ging het vaak in de openbare omroep. Problemen werden pas opgelost als er in feite geen tijd meer voor was.

K.B./D.P.: Hoe ging je met deze manier van werken om?

J.C.: Je kon die gang van zaken best in je eigen voordeel keren, anders was je een vogel voor de kat. In de VRT heb ik de deugd van het geduld geleerd en er vooral de vruchten van geplukt. Ik moest wachten en dan toeslaan op het juiste moment. Het was frustrerend om zoveel kostbare tijd verloren te zien gaan, maar als ik zelf op de gaspedaal was gaan staan, dan was het hele project geïmplodeerd.

K.B./D.P.: Op 9 november 1982 wordt vergaderd in de dienst Kunstzaken. Blijkbaar is er op dat moment geen sprake meer van een tweewekelijks, maar van een maandelijks programma.

J.C.: Die strijd heb ik jammer genoeg verloren. Ik wou per se een tweewekelijks uitzendritme, maar het bleek financieel niet haalbaar.

K.B./D.P.: Een naam is er nog steeds niet, een onderwerp voor de uitzending van januari evenmin. Het technische concept is wel zo goed als rond: ‘Uitgangspunt is de videoroom (namelijk de regiekamer van studio 3) (Waarom regiekamer als decor: omdat dat een echt decor is, een werkplaats met 2 draagbare camera’s + alle andere binnenkomende lijnen (FLK, BB, SVO…)). Daarnaast zijn er 2 buitenlocaties elk met 1 camera die via straalverbinding in contact staan met de videoroom (door deze 2 buitenlijnen wordt het programma actiever) = een 3-wegsysteem.’

J.C.: Die titel was niet zo belangrijk. Wezenlijk was dat het technische concept door iedereen was aanvaard. In wezen kwam het erop neer dat geen enkele regisseur zag wat de andere aan het doen was. In dat uur was iedereen zijn eigen ding aan het doen.

K.B./D.P.: Het decor in de studio is bijzonder eenvoudig. Ik citeer uit een verslag: ‘U-matic wordt achter monitorrek gezet. Voor 3 monitors in studio: een soort houten hekwerk, met zwart fluweel bekleed, laten maken. […] Ruiten regiekamer laten afplakken met karton.’ Het decor is knip- en plakwerk! 

J.C.: Dat is zo. We stapelden die monitoren gewoon op elkaar, zoals dozen waspoeder. Daar stond een camera voor. Er bestonden immers nog geen snijtechnieken. Ik wou het hart van het televisiegebeuren tonen, de plaats waar er geselecteerd wordt. Dat is misschien te weinig gebeurd.

K.B./D.P.: Waar zat jij eigenlijk?

J.C.: Mij zag men niet, ik zat bij de klank.

K.B./D.P.: Waarom bij de klank?

J.C.: Op die plek worden alle beslissingen genomen. Het is weliswaar televisie, waar alles zogenaamd rond het beeld draait, maar de klank is het machtigste signaal. Het beeld volgt de klank, niet andersom.

K.B./D.P.: Op 18 november 1982 krijgt de dienst Kunstzaken hoog bezoek: niemand minder dan Hubert Hermans komt poolshoogte nemen. Van deze vergadering bestaat een verslag. Daaruit blijkt dat de Directeur-Generaal Televisie de mening is toegedaan ‘dat het toch mogelijk moet zijn kunstprogramma’s te maken die het prime time publiek kunnen bereiken’. Over de technische aspecten van Wolkbreuk of IJsbreker – de naam van het maandelijkse liveprogramma ligt nog steeds niet vast – is hij minder optimistisch: ‘Dhr. Hermans vreest dat de technische middelen niet zullen kunnen waarmaken wat men wil bereiken.’

J.C.: Dat is nu juist waar we wel in gelukt zijn! Op technisch vlak was IJsbreker een schot in de roos. Misschien is na die vergadering wel het idee gegroeid om een proefuitzending te maken, dat herinner ik me niet meer. Weten jullie trouwens hoe we op de titel IJsbreker zijn uitgekomen? Er waren tal van namen in omloop: Het Verweer, De Galerie, De Galerij, Het Maailand, Het Gewoel… Op een bepaald moment kwam ik aanzetten met IJskelder. Toen repliceerde Mark De Geest: IJsbreker. Ik zei: ‘Verkocht, we zijn vertrokken.’ Het idee van het aquarium gevuld met ijs en de speelgoedijsbreker, waarmee het programma steeds begon, was afkomstig van Jackie Claeys.

K.B./D.P.: Het is opvallend dat Hilda Verboven zeer uitvoerig communiceert met Bert Hermans en veel spaarzamer met Jan Van der Straeten, haar directe overste, de Directeur Cultuur.

J.C.: De verklaring ligt voor de hand: Verboven en Van der Straeten waren totaal andere karakters en ze behoorden bovendien tot twee verschillende politieke families, zij tot de socialistische, hij tot de katholieke. Het boterde bijzonder goed tussen Hermans en Verboven. Hun identieke politieke voorkeur was hiervoor slechts een gedeeltelijke verklaring. Tussen haakjes: soms moest ik bij Jan Van der Straeten de brokken gaan lijmen.

 

De reporters

K.B./D.P.: In de weken die volgen op het bezoek van de Directeur-Generaal draait de dienst Kunstzaken op volle toeren. Er wordt op zoek gegaan naar drie reporters. Twee reporters zullen worden ingezet op de twee buitenlocaties. Voor de positie van de derde reporter – de ankerman of hoofdreporter in de televisiestudio – worden veel kandidaten genoemd: Johan Thielemans, Toon Van Severen, Frans Boenders, Fred Braeckman, Bob De Groof…

J.C.: Ik was faliekant tegen Bob De Groof. Dat herinner ik me nog goed. Over de hoofdreporter, de persoon in de studio van de openbare omroep, groeide echter snel consensus. Iedereen schaarde zich achter het idee om William Van Laeken te vragen. Het probleem was dat hij aan de nieuwsdienst was verbonden. Als Van Laeken het al zag zitten om IJsbreker te presenteren, moesten we toch nog eerst toestemming van hogerhand zien te krijgen. Dat lukte wonderwel. Over de andere reporters bestond minder eenstemmigheid. Iedereen had zijn voorkeuren. We besloten om verschillende kandidaten op te roepen voor een proef.

K.B./D.P.: De kandidaten zijn: Johanneke van Slooten, Myriam Ceriez, Ann Van der Wee, Emmanuelle De Schrevel, Marie-Pascale Gildemyn, Betty Mellaerts, Marijke Coornaert, Moni D’Haes, Marian Verstraeten en Liliane Dewachter.

J.C.: Het waren namen die minstens een van de realisators had geopperd. Niet al deze vrouwen zijn overigens opgedaagd voor de screentests. Ik had Johanneke van Slooten en Myriam Ceriez voorgesteld. Betty Mellaerts viel af als anker op de buitenlocatie, maar zij werd later opgevist als presentatrice van Kunstzaken.

K.B./D.P.: Myriam Ceriez had de rol van tante Henriette gespeeld in je speelfilm over Gilliams’ Vita Brevis. Hoe kende je de Nederlandse Johanneke van Slooten?

J.C.: Had zij al niet eens voor televisie gewerkt? Zij was een vriendin van Jacq Vogelaar. Vermoedelijk heb ik haar via hem leren kennen.

K.B./D.P.: Zij komt uiteindelijk als enige door de selectie. Voor de andere buitenlocatie moet een nieuwe tijdrovende procedure worden opgestart. Marianne Van Kerkhoven legde de test met goed gevolg af en zij werd de tweede reporter. Kende je Marianne Van Kerkhoven?

J.C.: Ja, ik kende haar, maar ik had nooit contact met haar gezocht. Jullie weten dat ik samen met Dirk Decleir ooit een theatergezelschap heb gehad toen wij zeventien, achttien waren? Wel, het contact met het theaterwereldje ben ik nooit volledig verloren. Ik wist bijvoorbeeld dat Marianne betrokken was bij de Werkgemeenschap van de Beursschouwburg en Het Trojaanse Paard. Dat politieke theater was niet mijn ding, maar ik had wel respect voor haar. Toen Marianne voor IJsbreker begon, kwam ze uit Parijs, waar ze gewerkt had in het Théâtre Gérard Philippe. Misschien had Annie Declerck me getipt? Ik ging in ieder geval voor Marianne. Het was toen echter al duidelijk dat we wegens de krappe voorbereiding van de eerste twee uitzendingen geen beroep zouden kunnen doen op de reporters. Uiteindelijk bleek dat we helemaal geen reporters nodig hadden. Zoveel was mij alleszins duidelijk geworden tijdens de proefuitzending.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

J.C.: De proefuitzending vond plaats op 5 januari 1983, exact twee weken voor de eerste uitzending. De gasten waren niet van de minste: Robbe De Hert, Willy Courteaux en Louis De Lentdecker. Thema: Maria Daneels en co-productie van de Vlaamse film (privé) met VRT. Robbe De Hert zat in de videoroom, Willy Courteaux in de garage en Louis De Lentdecker in het Amerikaans Theater. Het was ronduit fantastisch. Na twintig minuten heb ik alles stilgelegd. Tot mijn grote verbazing merkte ik dat de formule werkte zonder reporters. In feite een dramatische vaststelling want Johanneke was net gerekruteerd en de aanwervingsprocedure voor de tweede positie was nog niet eens formeel afgerond.

K.B./D.P.: Waarom zette je de proef al na korte tijd stop?

J.C.: Ik zag dat het werkte, ja… dat het te goed werkte.

K.B./D.P.: Te goed?

J.C.: Het zat er onmiddellijk bovenarms op. Er was verbaal vuurwerk tussen de heren. Als de directie daar lucht van zou hebben gekregen, was IJsbreker misschien afgevoerd nog voor de eerste uitzending op antenne was gegaan.

 

IJsbreker 1: Panamarenko

K.B./D.P.: In het verslag van de vergadering die op 9 december 1982 in de dienst Kunstzaken plaatsvindt, wordt voor het eerst melding gemaakt van het onderwerp van de eerste IJsbreker: Panamarenko. Dat is slechts een maand voordat de uitzending plaatsvindt.

J.C.: Het was inderdaad kort dag. We moesten improviseren. We hadden tussen april en december veel tijd verspeeld, maar de uitzending over Panamarenko was een haalbare kaart.

K.B./D.P.: Wie was met het voorstel gekomen om IJsbreker van start te laten gaan met een uitzending over Panamarenko?

J.C.: Dat was mijn idee. Waarom? Simpel, omdat ik Panama kon overtuigen. Hij had toen niet de bekendheid die hij vandaag heeft. Zelf zei hij me dat het op dat moment voor zijn werk niet bepaald storm liep. Hij zat in een moeilijke fase. Na de uitzending stond hij terug op het voorplan. Hij was opnieuw gelanceerd.

K.B./D.P.: Was het moeilijk om hem te bewegen tot medewerking?

J.C.: Hij moest toch even nadenken. In de videoroom in de VRT bevond zich weliswaar een liefhebber van zijn werk, de wetenschapper en verzamelaar Charles Hirsch, maar in Mechelen zaten twee critici, de wetenschapsfilosoof Herman Roelants en de publicist Georges Adé.

K.B./D.P.: In het persbericht over de eerste uitzending wordt verwezen naar Panamarenko’s Aeromodeller, ‘een luchtschip dat te zien is in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Gent’. Waarom wordt het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent expliciet vermeld in het persbericht? Dat was strikt genomen toch niet noodzakelijk?

J.C.: Dat weet ik niet meer. De Aeromodeller stond toen misschien opgesteld in het Museum van Hedendaagse Kunst?

K.B./D.P.: Hoe was je bij Georges Adé en Herman Roelants uitgekomen?

J.C.: Georges leerde ik kennen tijdens De Nederlandse Dagen, die in 1968 plaatsvonden in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Ik had veel met hem samengewerkt in het begin van de jaren 70, hij had ook het script geleverd voor Het gedroomde boek (1980). Hij wilde me uit de nood helpen. Roelants had ik ontmoet tijdens de wilde jaren 70.

K.B./D.P.: Panamarenko wordt gefilmd in zijn huis in de Biekorfstraat in Antwerpen, Herman Roelants en Georges Adé zitten op een canapé in Adé’s huis. Charles Hirsch bevindt zich alleen in de videoroom.

J.C.: Georges en Herman werden op een gegeven moment heel ongemakkelijk. Charles Hirsch, een expert op het vlak van de stromingsmechanica, die Panamarenko als een soort wereldwonder zag, kon wel met de hele situatie omgaan.

K.B./D.P.: Georges Adé en Herman Roelants stellen voortdurend vragen aan Panamarenko, die hij niet beantwoordt…

J.C.: Nooit. Hij antwoordt nooit.

K.B./D.P.: Maar die vragen zijn wel relevant.

J.C.: Je weet toch dat het bij Panama verloren moeite is. Hij hoort of ziet niets, hij is met zijn eigen project bezig.

K.B./D.P.: Op een bepaald moment wordt het ook luidop gezegd: ‘Ik denk niet dat we nog een antwoord gaan krijgen van Panamarenko.’

J.C.: Men liet hem te snel gerust.

K.B./D.P.: William Van Laeken is de onzichtbare stem die alles aan elkaar praat.

J.C.: William kon alle spelers perfect met elkaar in contact brengen of tegen elkaar uitspelen. De centrale positie, ‘de stem’, heb ik altijd buiten beeld gehouden. De stem maakte aanwezig wie er was. De kijker kon met eigen ogen vaststellen wat ik eerder al had ontdekt: IJsbreker verliep perfect zonder reporters op de buitenlocaties.

K.B./D.P.: De Panamarenko-uitzending is inderdaad een van de betere afleveringen van de eerste jaargang, omdat er effectief nauwelijks bemiddeling is. Er is niemand die controle heeft en er zijn allerlei mensen die met het medium proberen te spelen.

J.C.: Volledig akkoord.

K.B./D.P.: Achter de schermen in Mechelen loopt reporter Johanneke van Slooten zich warm. Waarom heb je die constructie met de reporters niet eenvoudigweg geannuleerd?

J.C.: Zo makkelijk ging dat niet. Iedereen was overtuigd van het plan om met reporters te werken. Zoiets kan je enkel ter discussie stellen als blijkt dat het niet werkt. Er zat niets anders op dan te zwijgen en te wachten, wachten, wachten…

K.B./D.P.: Wat was achteraf jouw evaluatie van de Panamarenko-aflevering?

J.C.: Ik vond dat we er nog niet waren. De set bij Adé werkte niet omdat het een huiskamer was. De situatie was te comfortabel voor de sprekers. De studio daarentegen was een vlooienkot. Alles liep er door elkaar, iedereen probeerde zich te redden. Redden, dat is het woord…

K.B./D.P.: Hoe evalueerde Hilda Verboven de eerste episode?

J.C.: In die tijd was men al begonnen met het meten van de kijkdichtheid en de waardering. Het programma scoorde redelijk, rond de 350.000 kijkers. Dat was voor Hilda Verboven een grote opluchting, want zij had haar nek uitgestoken.

K.B./D.P.: Het is de eerste keer dat jij het over kijkcijfers hebt.

J.C.: Ik? Als ik het wil, dan doe ik dat… Toen de tweede aflevering slechts de helft van de kijkers bereikte, gingen we voor de derde aflevering meteen op zoek naar een uithangbord om kijkers te lokken. Ik wist op welke manier ik de kijkcijfers kon doen stijgen en doen dalen. Hogere wiskunde moest je daar niet voor gestudeerd hebben. Met Panamarenko kon ik publiek hebben, zo plat was het. Die uitzending heeft IJsbreker gered. Iedereen moest zijn mond houden. Als het geen succes was geweest, dan was het programma snel afgevoerd.

K.B./D.P.: Dat was toch onmogelijk? Het programmavoorstel was goedgekeurd en er waren 11 uitzendmomenten gereserveerd in 1983. IJsbreker was bovendien geen duur programma. De eerste uitzending kostte slechts 136.000 BEF.

J.C.: Het was niet duur, dat klopt, maar goede kijkcijfers waren wel degelijk van belang. Hoe had de Directeur-Generaal het ook alweer verwoord? ‘Dat het mogelijk moest zijn kunstprogramma’s te maken die het prime time publiek kunnen bereiken.’ IJsbreker heeft zijn tweejarige leven te danken gehad aan zijn relatief hoge publieksaandacht.

 

IJsbreker 2: De cultuur in de krant

K.B./D.P.: Aflevering 2 van IJsbreker handelt over de cultuurpagina’s in twee Vlaamse kranten, De Morgen en De Standaard.

J.C.: Voor de keuze van het onderwerp neem ik de verantwoordelijkheid. Ik zag dat onderwerp wel zitten.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Om ervaring op te doen. Hoe krijg je zo’n uitzending in elkaar geknutseld? Begint het te werken of niet?

K.B./D.P.: De aanleiding van de uitzending was de uitbreiding van De Standaard der Letteren tot drie pagina’s.

J.C.: Ja, in de studio waren De Standaard-redacteurs Guido Van Hoof en Gaston Durnez te gast. Dat zij het hebben gewaagd zich daar te vertonen… De uitzendingen van IJsbreker waren tableaux vivants, familieportretten. Soms hebben die schwung; soms zijn ze doodvervelend. Dat is inherent aan de formule.

K.B./D.P.: In het redactielokaal van De Morgen in de Bagattenstraat in Gent tekenden Paul Goossens, Bob Van de Voorde en Ronald Soetaert present. In de bibliotheek van Geel zaten enkele leden van de bibliotheekstaf en lezers: Manu Manderveld, Frits Geukens, Frans Ceusters en Willy Copmans. Hoe was je op het idee gekomen om Geel erbij te betrekken? Omdat je daar familiale roots had? Je grootouders waren woonachtig in Geel.

J.C.: Neen, ik had contact gekregen met Manu Manderveld via Georges Adé. Beiden hadden ooit in Mechelen voor priester gestudeerd. Herman Roelants trouwens ook.

K.B./D.P.: Wat vond je van De Morgen op dat moment? 

J.C.: Ik geloof dat De Morgen in slechte papieren zat. Het was niet onbelangrijk om Paul Goossens voor het voetlicht te brengen. Maar dat zal ik geweten hebben…

K.B./D.P.: Wat is er gebeurd?

J.C.: Een paar uur voor we op antenne gingen, was ik nog bij hem. Het was onvoorstelbaar.

K.B./D.P.: Moest je hem nog overtuigen?

J.C.: Ik moest op hem inpraten. Hij wou afhaken! Ik heb alles uit de kast moeten halen en toen hij uiteindelijk toch toezegde, moest ik nog terug naar Brussel.

K.B./D.P.: Waarom wou hij afhaken?

J.C.: Hij had zich om een of andere reden bedacht. Vraag me niet meer dewelke. Dat zijn de risico’s van livetelevisie.

K.B./D.P.: William Van Laeken maakt in zijn inleiding een allusie op dat soort risico’s: ‘Avontuur en verrassing niet uitgesloten, want dit is een rechtstreekse uitzending en loopt er wat fout, dan kunt u heerlijk meegenieten, we hebben trouwens een tweetal Popeye-filmpjes klaarliggen.’

J.C.: We waren inderdaad altijd op alles voorbereid, ook op het ergste.

K.B./D.P.: De uitzending verloopt bijzonder bits. William Van Laeken brengt het water meteen aan de kook. Hij vraagt Goossens wat hij vindt van het cultureel supplement van De Standaard. De hoofdredacteur van De Morgen gaat met plezier op de uitnodiging in. Hij vindt De Standaard der Letteren te specialistisch, te academisch en te conformistisch. Zelf wil hij in zijn krant aandacht besteden aan literatuur, maar ook aan andere, zogenaamd meer toegankelijke cultuurvormen, zoals rockmuziek. Hij verdedigt een populaire koers. Goossens’ betoog is haast studentikoos, opportunistisch, anti-elitair.

J.C.: Vergeet niet hoe De Standaard der Letteren, waarover Guido Van Hoof de leiding had, eruitzag. Conservatievelingen als Libert Van der Kerken en André Demedts waren er kind aan huis. Van Hoof droeg die auteurs op handen. IJsbreker, dat zijn momentopnames.

K.B./D.P.: Je krijgt inderdaad een beeld van hoe er omstreeks het begin van de jaren 80 gedacht werd over kunst en cultuur. Het is in die zin een uniek tijdsdocument.

J.C.: Dat was de bedoeling.

K.B./D.P.: De mensen van De Morgen gaan voortdurend in de aanval. Ze verwijten De Standaard dat ze elitair zijn. Van Hoof en Durnez reageren eerst ironisch, na verloop van tijd zijn ze echter zonder meer nijdig. Op een gegeven moment zeggen de redacteurs van De Standaard: ‘Wij werken tenminste zonder subsidies. Wij rooien het zonder het geld van de belastingbetaler.’

J.C.: In IJsbreker kon men zichzelf terug in beeld roepen. Er waren ook deelnemers die dat deden. Het concept van IJsbreker was: we zien wel hoe het hier loopt; we zien wie de kat en wie de muis is.

K.B./D.P.: Vooral de redactie van De Morgen stelt alles in het werk om beeld en geluid te krijgen. Elke keer weer geven ze De Standaard ervan langs. Op een gegeven moment beroepen ze zich zelfs op hun levensovertuiging. Relevante kritiek zou enkel tot stand kunnen komen als je een vrijzinnig humanistische visie aanhangt. Gaston Durnez reageert als door een wesp gestoken. Hij noemt Soetaerts visie ‘journalistieke ketterij’.

J.C.: Het feit dat de kijker wist dat dit zich allemaal live voor zijn ogen afspeelde, maakte het nog interessanter.

K.B./D.P.: Manu Manderveld, die als directeur vanuit zijn eigen bibliotheek de debatten volgt, verwijt De Standaard dat ze de recensies over jeugdliteratuur wegmoffelt op de pagina’s voor vrouwen, mode en gastronomie.

J.C.: Die redacteurs van De Morgen probeerden vervolgens de lezers van Geel voor hun kar te spannen. Maar dat lukte uiteraard niet. Niemand had werkelijk controle. Ik wist dat ik me kon verbranden aan die formule. Iets maken dat je niet kan beheersen, is verdomd gevaarlijk.

K.B./D.P.: William Van Laeken pookt ook geregeld het vuurtje op.

J.C.: Dat was zijn taak. Jammer genoeg is hem dat niet in dank afgenomen. We kregen na de tweede IJsbreker te horen dat we geen beroep meer mochten doen op William. Hij werd eruit gegooid door Karel Hemmerechts, de directeur Informatie, de baas van alle nieuwsdiensten, radio én televisie.

K.B./D.P.: Werd die beslissing gemotiveerd met verwijzing naar Van Laekens interventies in IJsbreker 2?

J.C.: Neen, zo slim was men wel om dat niet te doen. We kregen een formele verklaring: Het was niet gepast dat een journalist van de nieuwsdienst in een cultureel programma optrad. Ik weet nog altijd niet waarom het zo dramatisch was. Omdat het over politiek ging? Of over levensbeschouwingen? Wat er ook van zij, ik zat met een huizenhoog probleem. Ik had geen ankerman meer!

 

IJsbreker 3: Dwars-fluitend

K.B./D.P.: In de derde aflevering van IJsbreker wordt Bob De Groof ‘de stem’. Hoe was je bij hem terechtgekomen?

J.C.: Ik? De Groof was helemaal niet mijn keuze. Hij werd me opgedrongen. Ik geloof dat Ludo Bekkers met het voorstel was gekomen om ‘de mooiste stem van Vlaanderen’ te vragen. Ik heb er me met klem tegen verzet, maar het mocht niet baten.

K.B./D.P.: Wat had je tegen hem?

J.C.: Tegen De Groof, de linkerarm van Piet Van Roe? Ik wou niet met een omroeper maar met een journalist werken, met iemand die op een vlotte maar ook puntige manier mensen met elkaar kon confronteren. Ik wou iemand met inhoud. Voor dergelijke argumenten was men echter niet vatbaar. Op een gegeven moment heb ik er dan mee gedreigd om uit het programma te stappen. Dat sorteerde het juiste effect.

K.B./D.P.: Welk effect?

J.C.: Ik mocht met een nieuwe naam komen. Eenvoudig was dat echter niet. Ik nam contact met een aantal kennissen en vrienden. Daniël Robberechts kwam met de suggestie om Pol Hoste te benaderen. Pol zag het voorstel meteen zitten. Hij wou uit het onderwijs stappen. Ik wilde iemand die achter mij ging staan en die niet op mij zou schieten, want ik had al alles meegemaakt.

K.B./D.P.: IJsbreker 3, Dwars-fluitend getiteld, heb je wel met Bob De Groof moeten realiseren.

J.C.: Die gelikte stem, ik kreeg er de kriebels van.

K.B./D.P.: De derde aflevering van IJsbreker is ook de eerste met de twee reporters, Johanneke van Slooten die reeds mee had gelopen tijdens de eerste twee uitzendingen, en Marianne Van Kerkhoven, die ervaring had opgedaan tijdens de tweede IJsbreker. Johanneke van Slooten heeft ons verteld dat zij met het idee was gekomen om de aflevering in het teken te stellen van de dwarsfluit. Zij was zelf van opleiding hoboïste.

J.C.: Het is goed mogelijk dat Johanneke met het thema is komen aandraven. Het was ook de eerste aflevering waarin we zowel in België als Nederland onze tenten hadden opgeslagen. Het was een bijzonder dure operatie. Weet je wat die straalverbindingen kostten? De Belgische straalverbindingen moesten niet worden begroot, de Nederlandse wel.

K.B./D.P.: In de studio is Thijs van Leer te gast. In Gooik wordt Barthold Kuijken in zijn eigen woning gefilmd en in Amsterdam, in Cultureel Centrum De IJsbreker, zijn verschillende muzikanten aanwezig. 

J.C.: Toen wij met de naam IJsbreker voor de pinnen waren gekomen, wisten we niet dat er een gelijknamig cultureel centrum in Amsterdam bestond. Het was grappig dat we nauwelijks drie maanden later in dat centrum te gast waren.

K.B./D.P.: De uitzending over de dwarsfluit was aan de actualiteit gebonden. Het was de week van de fluit in Amsterdam.

J.C.: Vergeet vooral niet dat Thijs van Leer op dat moment razend populair was. Hij verkocht honderdduizenden platen… Dat was spek voor onze bek. We moesten toch aan cultuur doen in primetime?

K.B./D.P.: De cameravoering is op een bepaald moment bijna een parodie. Van Leer wordt op een sexy manier, schuin, in beeld gebracht, als was hij een popster.

J.C.: Hij wás een popster. Weet je wat een fortuin hij gemaakt heeft?

K.B./D.P.: Je zet Barthold Kuijken, bekend voorstander van de authentieke uitvoeringspraktijk, tegenover Thijs van Leer, die duidelijk voor een populaire koers gekozen heeft, maar het komt op geen enkel moment tot een dispuut. Terwijl de hele opzet erg op conflict gericht is, wordt er nauwelijks gebekvecht in deze aflevering. Kuijken en Van Leer weigeren te acteren in het vooraf bedachte scenario.

J.C.: Het was inderdaad een zeer aimabel gesprek.

K.B./D.P.: Marianne Van Kerkhoven stelt allerlei vragen aan Barthold. Je vraagt je af wat er gebeurd zou zijn als zij er niet was geweest. Kuijken is een geduldig man. Misschien zou hij er als een sfinx hebben gezeten en niets hebben gezegd.

J.C.: Dat is goed mogelijk. Vandaar het belang van een goede ankerman, type Van Laeken.

K.B./D.P.: Er is slechts één kleine oprisping. De voorzitter van de week van de fluit zegt tegen Thijs van Leer dat zijn muziek weinig emoties opwekt, terwijl hij juist voluit op emotie mikt.

J.C.: Het bleef bij die ene speldenprik, dat klopt. Ik wou dat IJsbreker vanzelf ging en als het stilviel, dan viel het stil.

K.B./D.P.: Het is wel een heel leerzame aflevering, in de conventionele zin van het woord. Je leert iets over de praktijk van het uitvoeren van muziek, misschien op een wat schoolse manier. Het feit bijvoorbeeld dat de Fantasia van Telemann door drie mensen na elkaar wordt gespeeld…

J.C.: Het programma scoorde goed bij de kijker. De aflevering bereikte 269.266 kijkers en kreeg een waardering van 3,6 op 5.

 

IJsbreker 4: Kunst te koop

K.B./D.P.: In IJsbreker 4, Kunst te koop, neemt Pol Hoste voor de eerste keer de presentatie waar. Hij doet dat op voorbeeldige wijze. Zijn stem associeer je echter niet meteen met televisie of radio.

J.C.: Dat is de ironie van het lot. Pol had eerder meegedaan aan het examen van journalist bij de openbare omroep. Hij had alle onderdelen met succes afgelegd, behalve de stemproef.

K.B./D.P.: En jij vist hem uitgerekend op als ‘stem’?

J.C.: Ik denk niet dat ik op dat moment wist dat hij examens bij de VRT had afgelegd. Het belangrijkste was dat ik tevreden over hem was als anker van het programma. Hij deed het heel goed en bereidde zich terdege voor. Hij schreef alles uit.

K.B./D.P.: Kunst te koop is opnieuw een Belgisch-Nederlandse uitzending. In Montevideo aan het Kattendijkdok in Antwerpen praat Marianne Van Kerkhoven met onder anderen Paul De Vylder en Annie Gentils, initiatiefneemster van Montevideo. In Cultureel Centrum De Meervaart in Amsterdam brengt Johanneke van Slooten onder andere een kunstveiling in beeld, geleid door de PVDA-politicus Marcel van Dam. Ook in de studio zijn een Nederlander en een Belg te gast: Wim van Krimpen en Jan Hoet.

J.C.: De cast was veelbelovend en de kijker zou waar voor zijn geld krijgen.

K.B./D.P.: In Antwerpen is zoals gezegd Montevideo de centrale locatie. Er vindt de opening plaats van de groepstentoonstelling Marchandises, waaraan meer dan vijftig kunstenaars deelnemen: van Fred Bervoets tot Guillaume Bijl, van Jan Cox tot Paul De Vylder. Waarom was de keuze op die locatie gevallen? 

J.C.: Het was een onderwerp dat bijna voor het grijpen lag. Ik moest spektakel hebben. Waar kwam zo’n initiatief vandaan en wat deed dat daar op die plek?

K.B./D.P.: Als alternatieve tentoonstellingsplek liep Montevideo op dat moment inderdaad in de kijker.

J.C.: Ja, meer moet je daar niet achter zoeken. Kort prospecteren, met weinig middelen iets in elkaar zetten: IJsbreker was een poging om iedereen er zijn handen van af te laten houden en te zien wat er dan zou gebeuren.

K.B./D.P.: Had jij voordien al tentoonstellingen gezien in de Montevideo Magazijnen?

J.C.: Ja, maar ik heb die niet meer in mijn hoofd.

K.B./D.P.: Marchandises was een grote groepstentoonstelling met veel lokale kunstenaars…

J.C.: Ja. Guy Rombouts was sterk aanwezig. Luc Deleu had er ook een opmerkelijk werk gerealiseerd. Annie moet kapitaal gehad hebben, ze kloeg wel altijd.

K.B./D.P.: Hoe was het om te werken in de Montevideo Magazijnen?

J.C.: Bepaald lastig. Het was een ruimte waar water en wind meester waren en er was geen – of in alle geval te weinig – stroom om die live-uitzending te realiseren. Om zes uur ’s avonds ontplofte de elektriciteitsgroep, drie en een half uur voor we op antenne moesten. Een externe firma moest nog in aller ijl een vervangeenheid ter plekke brengen. Dat soort zaken gebeuren als je livetelevisie wil maken. Op het moment zelf was het hevig schrikken, maar alles raakte bijtijds in orde.

K.B./D.P.: In de studio zijn Wim van Krimpen en Jan Hoet te gast.

J.C.: Ja, Van Krimpen was iemand die bij wijze van spreken tentoonstellingen met auto’s kon maken. Hij kwam uit de handelssector. Hij was een goede verkoper.

K.B./D.P.: Hij was als galerist initiatiefnemer van de kunstbeurs in Amsterdam, de KunstRai, in 1982. Hij was op dat moment de incarnatie van de kunstmarkt in Nederland, zou je kunnen zeggen. Je kan begrijpen waarom jij hem gecast had als tegenspeler van de ‘alternatieve’ kunstenaars in de Montevideo en De Meervaart.

J.C.: Hij had snel door in welk soort spel hij terecht was gekomen. Hij was voorzichtig als het erop aankwam, maar wat hij dacht, zei hij meestal tamelijk onverbloemd. Dat kon je van Jan Hoet ook verwachten, in tegenstelling tot iemand als Jan Debbaut.

K.B./D.P.: Had je hen om die reden gekozen?

J.C.: Ja, ik vond dat ze veel met elkaar gemeen hadden. Ze waren niet te beroerd om voor hun standpunt uit te komen. Iemand anders zou dat nooit gedaan hebben.

K.B./D.P.: Wist je dat Jan Hoet een flamboyant persoon was? Had je hem al meegemaakt?

J.C.: Ik kende hem. Vanaf het moment dat hij conservator werd, heb ik contact met hem gehad. Ik had hem jaren voordien, in 1976, gevraagd om het Museum van Hedendaagse Kunst te mogen gebruiken voor mijn film De 10 schilderijen van Etienne Elias. Jan zei altijd ja. Hij was de enige die over zoiets niet moeilijk deed.

K.B./D.P.: Wat bewoog je om hem te vragen in een aflevering van IJsbreker over alternatieve manieren om kunst aan de man te brengen?

J.C.: Ik wou dat hij iets zou zeggen over wat er in de Montevideo aan het gebeuren was.

K.B./D.P.: Zag jij een tegenstelling tussen het werk van Jan Hoet als directeur van het museum in Gent en de alternatieve kunstscene?

J.C.: Jan wou op dat moment nog serieus werk leveren. Wim van Krimpen kon ik minder goed inschatten. Maar het pakte goed uit.

K.B./D.P.: Je gokte op een polariteit tussen Montevideo en het Museum van Hedendaagse Kunst?

J.C.: Dat was de bedoeling. Ik wou dat IJsbreker vanzelf functioneerde. We moesten onze handen ervan afhouden. Dat was het doel.

K.B./D.P.: Zag je naar analogie daarmee een tegenstelling tussen Van Krimpen en die kunstenaars in de Meervaart in Amsterdam?

J.C.: Je kon proberen om zulks te voorspellen, maar er was nooit een garantie op succes.

K.B./D.P.: Verwachtte jij ook een clash tussen Van Krimpen en Hoet in de studio?

J.C.: Neen, ik zag onmiddellijk dat ze zeer goed met elkaar konden opschieten. Er waren meer gemeenschappelijke karaktertrekken dan verschillen. De studio was de enige veilige plek. Er kon in principe niets misgaan. Als een of meerdere stationnetjes zouden uitvallen, konden we nog altijd terugvallen op de studio. Het was dus belangrijk wie er uitgenodigd werd.

K.B./D.P.: Hoe ben je in contact gekomen met Paul De Vylder, die het woord voert vanuit de Montevideo?

J.C.: Daar! In beeld! Op dat moment wist ik niet méér dan dat hij meedeed aan Marchandises.

K.B./D.P.: Jij hebt niet de hand gehad in de keuze van de personages die voor de camera kwamen… je hebt enkel de plek gekozen…

J.C.: Zo is het. Annie Gentils werd gewoon de pas afgesneden door Paul De Vylder.

K.B./D.P.: Het komt tot een aanvaring tussen Paul De Vylder en Jan Hoet. Hoet had eerst gezegd dat ‘wanneer een kunstwerk in een museum terechtkomt, de impact ten aanzien van het publiek sterker is dan via om het even welk circuit’. Waarop Paul De Vylder stelt: ‘Dat de impact van een kunstwerk het sterkst is in een museum… Dat is een van de merkwaardigste hypotheses die ik de laatste tijd gehoord heb. Dus ik dacht dat juist alles gedaan werd om het museum tot een meer levende aangelegenheid te maken en nu krijg ik hier te horen dat het museum de tempel bij uitstek is om aan kunstcultus te gaan doen.’

J.C.: Het spel zat duidelijk op de wagen. De formule van IJsbreker stond garant voor de meest onverwachte schermutselingen.

K.B./D.P.: Het was niet de enige interventie van Paul. Hij was voortdurend aan het woord.

J.C.: Ik zat de gehele tijd te roepen dat hij eraf moest, maar hij ging er niet af! Paul De Vylder is meesterlijk vreemd in die aflevering. Die IJsbreker over de Antwerpse kunstscene, ik vind dat een van de meest waanzinnige. Het was de bedoeling van IJsbreker dat mensen uit hun schelp zouden komen. In die uitzending zijn we er in elk geval goed in geslaagd. Pas dan, met de vierde IJsbreker, begon het erop te lijken. Jaren later ontmoette ik Paul opnieuw, als vriend en sparring partner van Lieven De Cauter en Bart Verschaffel ten tijde van Container (1989).

K.B./D.P.: Hoe zijn jullie uitgekomen bij De Meervaart als locatie?

J.C.: Dat is via Johanneke gegaan.

K.B./D.P.: In De Meervaart vond een alternatieve veiling plaats waarbij kunstenaars werken konden slijten zonder dat een galerie intervenieerde. Marcel van Dam treedt als co-veilingmeester en animator op. Heeft Johanneke van Slooten ook die kunstenaars gekozen: Joop van Meel, Wilbert Vaessen, Peter Giele, Liesbeth Pallesen, Alphons Freymuth en Peter van de Klashorst?

J.C.: Ik vermoed van wel.

K.B./D.P.: Johanneke van Slooten komt net als in de vorige aflevering heel nadrukkelijk in beeld. Ze heeft een veel grotere aanwezigheid dan Marianne Van Kerkhoven. Van Slooten fungeert echter te veel als moderator ter plaatse, terwijl het eigenlijk over de wisselwerking tussen de drie locaties zou moeten gaan. Marianne Van Kerkhoven daarentegen brengt een spreker in stelling en betrekt er de andere twee locaties bij.

J.C.: Iedereen had kritiek op Johanneke. Ze lag niet zo goed in de groep. Of denken jullie dat Ludo Bekkers haar zag zitten?

K.B./D.P.: Zij begint in De Meervaart ook doodgemoedereerd een verzamelaar te interviewen. Het wordt een suf babbeltje. Zij had haar eigen scenario en voerde dat ook uit, ongeacht wat er op de andere locaties gebeurde.

J.C.: Mijn probleem was dat de formule met de twee reporters niet werkte. Ik moest dat zien te veranderen, maar het was nog te vroeg om de discussie daarover te beslechten in mijn voordeel. Ik was ook slecht geplaatst op dat moment.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Ik heb niet meegewerkt aan de vijfde IJsbreker over het circus en de zesde over film. Ik zat in Luik om de film over Charles Vandenhove te maken. Ik vond dat iedereen IJsbreker moest kunnen maken en ik wou zeker de kans niet laten liggen om een film over Vandenhoves architectuur te maken.

K.B./D.P.: Je stapt blijkbaar moeiteloos over van een liveprogramma dat merendeels in het teken staat van de populaire cultuur naar een filmproductie waarin de architectuur met de hoofdletter A gevierd wordt. Hoe valt zulks te rijmen?

J.C.: Jullie vinden dat dat niet kan? Men heeft mij gedurende heel mijn loopbaan verweten dat ik geen spektakel kon maken, dat ik een droge zak was en dat ik geen publiek bereikte. Op een zeker moment zeg je dan bij jezelf dat je het eens anders zult aanpakken.

K.B./D.P.: Er zijn allicht weinig televisiemakers die tegelijkertijd een laagdrempelig programma willen maken en een film over Charles Vandenhove.

J.C.: De film over Vandenhove was bloedernstig, inderdaad. Maar je mag gerust weten dat ik ook een grote fan ben van het werk van Jeff Koons.

K.B./D.P.: Waarom ben je na de realisatie van Het raadsel van de sfinks, de film over Charles Vandenhove, teruggekeerd naar de productieploeg die instond voor IJsbreker?

J.C.: Ik was niet blij met wat mijn collega’s ervan gebakken hadden. De opgehitste gemoederen van de vierde IJsbreker waren ver te zoeken. Ik vond dat men kansen liet liggen. Ik wou niet per se iets grootschaligs doen, voor de spektakelwaarde, maar ik wou het instrumentarium van televisie gebruiken of misbruiken. Maar eerst moesten die reporters van het scherm, want zij zaten echt in de weg van het succes van IJsbreker.

wordt vervolgd

 

Transcriptie: Iris Paschalidis en Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan argos voor het beeldmateriaal

 

De programma’s en films van Jef Cornelis kunnen na afspraak bekeken worden in argos, Werfstraat 13, 1000 Brussel (02/229.00.03; www.argosarts.org), en in de Jan van Eyck Academie, Academieplein 1,
 6211 KM Maastricht
 (043/350.37.37; www.janvaneyck.nl).

Gesprek met Wim Van Mulders over de tekst Kunstkritiek (1983)

Koen Brams & Dirk Pültau: We zouden het met jou over één specifieke tekst willen hebben: Kunstkritiek, waarvan de eerste twee afleveringen in 1983 gepubliceerd werden in twee opeenvolgende nummers van Kunst Nu, het informatieve tijdschrift van de toenmalige Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst te Gent. Vervolgens werd de tekst — uitgebreid met een derde deel en in Engelse vertaling — gepubliceerd in het pas opgestarte tijdschrift Artefactum (nr. 2, 1984). Ten slotte verscheen een Nederlandse versie van de integrale tekst in de catalogus van de Biënnale van de kritiek in 1984 (ICC, Antwerpen, 8 september – 7 oktober 1984). Vooraleer we op de tekst ingaan, willen we evenwel graag weten wanneer en waarom je als kunstcriticus aan de slag bent gegaan.

Wim Van Mulders: Misschien moet ik dan eerst vertellen hoe ik met kunst in aanraking ben gekomen? De kunst is mij met de paplepel ingegeven. Mijn vader, Modest Van Mulders, schilderde. Voor de oorlog had hij samen met Luc Peire en Marc Mendelson bij Isidoor Opsomer aan de academie van Antwerpen gestudeerd. Als jongeling bezocht ik met hem de Musea voor Schone Kunsten van Antwerpen en Gent.

K.B./D.P.: Wat heb je gestudeerd?

W.V.M.: Ik heb eerst kunsthumaniora gedaan in Sint-Lukas Schaarbeek en daarna heb ik enkele weken architectuur gevolgd. Omdat ik snel doorhad dat ik niet voor het architectenberoep in de wieg was gelegd, ben ik vervolgens in 1967 kunstgeschiedenis gaan studeren aan de Rijksuniversiteit te Gent. Toen ik mijn studies aanvatte – of ten laatste in mijn tweede jaar – wist ik al dat ik niet met oude kunst bezig wilde zijn en voor moderne kunst zou kiezen. Ik heb mijn scriptie gemaakt over Paul Klee. Ik heb zijn dagboeken uitgeplozen en Unendliche Naturgeschichte en Das Bildnerische Denken gelezen, de boeken die de neerslag bevatten van zijn lessen aan het Bauhaus. Voordien was ik al geconfronteerd met de kunstenaarsgeschriften van De Stijl – in de kunsthumaniora hadden we namelijk les gekregen van Alfons Hoppenbrouwers, die een echte adept van De Stijl was en ons met de originele tijdschriften van de beweging liet kennismaken. De confrontatie met geschriften van kunstenaars heeft een cruciale rol gespeeld in mijn keuze om zelf over kunst te schrijven.

K.B./D.P.: Had je tijdens je studies al een beeld van de hedendaagse kunst?

W.V.M.: Toch wel. Marcel De Maeyer gaf in het laatste jaar een vrije cursus, een vier- of vijftal lessen, over recente kunst. Hij sprak echter vooral over Fontana, Yves Klein en het Nouveau Réalisme waar hij zich als kunstenaar mee verwant voelde. Mijn kunsthistorische opleiding gaf mijn interesse voor moderne kunst een fundament, maar de echte uiteenzetting met hedendaagse kunst is later begonnen, in 1972 met name.

K.B./D.P.: Wat is er toen gebeurd?

W.V.M.: In 1972 heb ik tijdens mijn legerdienst in het Duitse Büren – op 50 kilometer van Kassel – Documenta 5 van Harald Szeemann bezocht. Ik kon een inschrijvingsbewijs voorleggen voor een reis georganiseerd door de Gentse Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (V.M.H.K.) en kreeg van de kolonel de toelating om voor twee dagen te ‘verdwijnen’. In Documenta 5 werd ik geconfronteerd met werk van Beuys, Broodthaers, Vautier, met de minimal art van Judd, Flavin en Andre, met de conceptuele kunst, met land art en met de werken van Penck en Richter. Ik herinner mij ook levendig de afdelingen ‘Kitsch’ en ‘Bildnerei der Geisteskranken’, met de onovertroffen Adolf Wölfli. Ik heb dat allemaal in Kassel leren kennen. In hetzelfde jaar – 1972 – woonde ik in het ICC te Antwerpen een fluxusconcert van Ben Vautier bij. Ik voelde meteen de drang om mij in die nieuwe kunstvormen te verdiepen en begon allerlei zaken uit te zoeken. Zo leerde ik de manifesten en geschriften van Fluxus en de teksten van Joseph Kosuth kennen. In Kosuths geschriften ontdekte ik een theoretische kracht die ik elders nog niet had aangetroffen. Meteen daarop begon ik dat soort teksten intens te gebruiken in het kader van mijn lessen – vanaf 1973 gaf ik immers Actuele Kunst, een theoretische cursus aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) te Gent.

K.B./D.P.: Hoe was je in de KASK terechtgekomen? 

W.V.M.: Dat is via Flor Bex gegaan. Mijn echtgenote en ik waren af en toe de oppas van zijn zoontje. Ik was kind aan huis bij het ICC, waar Bex sinds 1972 directeur was. In 1973 werd Bex gevraagd Karel Geirlandt op te volgen als docent kunstactualiteit aan de KASK. Bex had echter geen tijd en vroeg mij of ik geïnteresseerd was. Ik werd verplicht een mondelinge proef af te leggen in het advocatenkantoor van Geirlandt; hij luisterde als een sfinx. Pas een week later wist ik dat ik kon beginnen. Eigenlijk was ik niet van plan in het onderwijs te stappen – ik voelde meer voor een loopbaan als wetenschappelijk onderzoeker – maar als werkloze kunsthistoricus had ik geen andere keuze. Ik heb er echter nooit spijt van gehad. Lesgeven en kunstkritiek bedrijven lagen voor mij dicht bij elkaar.

K.B./D.P.: In welke zin?

W.V.M.: Het ene versterkte het andere. De studenten voelden aan wanneer ik over kunstenaars sprak die mij nauw aan het hart lagen of wanneer ik, daartoe uitgenodigd door hun vragen of onder druk van de actualiteit, over tendensen sprak die ik problematisch vond, zoals de schildersrage begin jaren 80. Dat nieuwe schilderen leek mij gepusht. De argumentatie van Wolfgang Max Faust en Achille Bonito Oliva, de promotoren van respectievelijk de Duitse ‘Heftige Malerei’ en de Italiaanse ‘Transavanguardia’, hield mijns inziens geen steek.

K.B./D.P.: Had je ten tijde van je aanstelling in de KASK al over kunst geschreven?

W.V.M.: Nee.

K.B./D.P.: Wat waren je eerste teksten over hedendaagse kunst?

W.V.M.: Mijn eerste tekst, De stapelingen van Eric De Volder, was een verslag van een event in de Zwarte Zaal van de Gentse Academie en verscheen in Eksit. Kortrijks maandblad voor het uitgaand publiek (nr. 8, maart-april 1974). Eric was actief als tekenaar en leidde het Etherisch Strijkersensemble Parisiana. In de academie stapelde hij levende personen op elkaar volgens strikte patronen. Verder was er een boksmatch, een slangenkunstenaar, een goochelaar… Iemand schommelde hoog boven het publiek en Eric dirigeerde Parisiana met rode bokshandschoenen. De tweede tekst, eveneens verschenen in Eksit (nr. 10, juli-augustus 1974), was een door mij ingrijpend geredigeerd interview met Daniel Buren. Aanleiding was Burens vijfde tentoonstelling in de Wide White Space Gallery in dat jaar. Buren verrichtte telkens dezelfde ingreep waarbij hij een band van papierstroken met witte en gekleurde strepen aanbracht die de binnenkant van de galerie verbond met de buitenkant. De enige variabele was de kleur – in 1974 waren de strepen wit en bruin. De tekst was didactisch opgevat. Ik wilde simpelweg duidelijk maken waarover het werk van Buren ging. In België begrepen immers weinigen iets van zijn werk.

K.B./D.P.: Wat voor teksten heb je vervolgens geschreven?

W.V.M.: Ik heb een tijdje geschreven voor de krant De Standaard, dat moet in de tweede helft van de jaren 70 zijn geweest. Verder heb ik in de jaren 70 enkele kortere, informatieve teksten gepubliceerd in Kunst & Cultuur, het tijdschrift van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel – onder meer over de tentoonstelling Je/nous-Ik/wij, die in 1975 plaatsvond in het museum van Elsene en bedoeld was om het linkse tijdschrift Pour van Isi Fiszman en Jean-Claude Garot van het faillissement te redden. Ik begon ook vrij vroeg te schrijven voor het Franstalige tijdschrift +–0, revue d’art contemporain, uitgegeven door de alomtegenwoordige Elisabeth Rona en haar twee kinderen Stéphan en Anne Marie. Het blad verscheen in zwart-wit en er was veel ruimte voor grote illustraties. Mijn eerste tekst in +–0 verscheen in 1976 en handelde over één werk van Alessandro (kunstenaarsnaam van Alessandro Filippini). Het ging om een reeks van twaalf fotomontages naar een twaalfdelige Passie van Christus, geschilderd door een Italiaanse renaissanceschilder. Alle personages die de 12 taferelen bevolkten, werden door Alessandro zelf nagespeeld. In 1982 publiceerde ik in +–0 een van de eerste beschouwingen over het werk van Guillaume Bijl. Vanaf 1979 begon ik als criticus voor musea en kunstinstellingen te werken. Jan Hoet is de eerste die mij de kans heeft gegeven om een bijdrage te leveren voor een catalogus. In 1979 schreef ik namelijk de inleiding voor de catalogus van de tentoonstelling Aktuele kunst in België – Inzicht/Overzicht-Overzicht/Inzicht die in dat jaar plaatsvond in het Museum van Hedendaagse Kunst. Vanaf datzelfde jaar leverde ik ook regelmatig bijdragen aan catalogi van het ICC. Ik werd rond die tijd sterk geïnspireerd door de teksten van MTL-galerist Fernand Spillemaeckers die in het postume boek Ooidonk 78 werden gepubliceerd.

K.B./D.P.: Wat vond je zo inspirerend aan zijn teksten?

W.V.M.: Spillemaeckers was onder meer de eerste die de theoretische armoede van de Belgische kunstkritiek aan de orde stelde. In mijn tekst voor de catalogus van Aktuele kunst in België verwijs ik naar die uitspraken.

K.B./D.P.: Had je nog andere inspiratiebronnen? Welke teksten hebben jouw kunstkritisch discours gevoed?

W.V.M.: Onder meer Theorie der Avantgarde van Peter Bürger, de Drie opstellen over kunst en ideologie van Louis Althusser en Kunstgeschiedenis en ideologie van Hadjinicolaou. Hadjinicolaou benadrukte dat mensen in een imaginaire verhouding tot de werkelijkheid leven. Ook de verfijnde acrobatiek van Roland Barthes sprak mij aan, en ik las de teksten van Art & Language, Joseph Kosuth, Dan Graham en Victor Burgin, die een tegenwicht boden voor het Franstalige discours.

K.B./D.P.: Kan je aangeven wat voor jou toen de kern was van het debat over kunst?  

W.V.M.: Wat mij het meest bezighield was de vraag naar de relatie tussen kunst en ideologie. Het debat rond die vraag laaide toen hoog op. Ik kocht zelfs een werkje van Ben Vautier waarin boven een reproductie van Dirk Bouts de zin L’idéologie dominante vous regarde geschreven stond.

 

Kunst Nu

K.B./D.P.: Had je al voor Kunst Nu geschreven voor de publicatie van je tekst over kunstkritiek?

W.V.M.: Een enkele keer. In 1977 schreef ik in het gestencilde ‘Maandelijkse bulletin’ van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst – het tijdschrift heette toen nog niet Kunst Nu – een korte tekst over de Duitse kunstenaar Jochen Gerz die een tentoonstelling had in het C.I.C. (Cultureel Informatief Centrum), de lokalen van de Vereniging op de Kouter in Gent.

K.B./D.P.: Hoe is de opdracht voor de tekst over kunstkritiek tot stand gekomen?

W.V.M.: De aanleiding was een colloquium over kunst en kunstkritiek in het ICC. Volgens mij waren op dat colloquium ook mensen van Kunst Nu aanwezig. Ze hebben mij in ieder geval nadien gevraagd om er iets over te schrijven. Ik ben daar onmiddellijk op ingegaan. Ik had mij op dat colloquium namelijk mateloos geërgerd.

K.B./D.P.: Waarover precies?

W.V.M.: Ik alludeer erop aan het begin van mijn tekst: ‘Een Nederlands kunstenaar (een volgeling van Raveel maar daar kan Raveel natuurlijk niets aan doen) zei tijdens een colloquium dat de beste kunstkritiek erin bestaat de naam van de kunstenaar in grote letters af te drukken, gecombineerd met zoveel mogelijk reproducties en zo weinig mogelijk tekst.’ Op het colloquium hield een kunstenaar een openlijk pleidooi voor de knechting en ridiculisering van de kunstkritiek. Dat kon voor mij niet door de beugel. Ik vond het bovendien gevaarlijk dat precies een kunstenaar dat standpunt verdedigde – daardoor dreigde het immers geloofwaardig over te komen. De reductie van kunstkritiek tot dienstbetoon is een van de belangrijkste problemen die ik in het begin van de tekst naar voor schuif.

K.B./D.P.: Je stelt ook in een adem dat de kunstcriticus een mercantiele functie vervult. Hij voorziet kunstproducten van de legitimatie die ze nodig hebben om te functioneren op de kunstmarkt.

W.V.M.: Ik heb mij altijd gestoord aan de hypocrisie van de kunstwereld met betrekking tot de kunstmarkt. De kunstmarkt is een realiteit waar je niet naast kan kijken. Kunst wordt verkocht en voor het ene kunstwerk wordt meer betaald dan voor het andere. Op die manier creëert de kunstmarkt een hiërarchie waarbij alles in geld, in marktwaarde wordt vertaald. Naast het museum was de kunstmarkt volgens mij de belangrijkste instantie die in het kunstsysteem betekenis en waarde toekent – maar dat mocht allemaal niet gezegd worden. Als kunstcriticus werd ik ook regelmatig met het mercantiele gebruik van de kunstkritiek geconfronteerd.

K.B./D.P.: Op welke manier?

W.V.M.: Bijvoorbeeld doordat verzamelaars mij op vernissages om advies vroegen. Vaak deden ze dat op een haast tersluikse wijze: ‘Wat vind je ervan? Interessant, vind je niet?’ en ‘Wat vind jij er dan precies interessant aan?’ In die tijd begonnen mensen die geïnteresseerd waren in kunst – en in het kopen van kunst – zich reeds te omringen met allerlei consultants en adviseurs. Soms zochten ze evenwel ook ter plekke, tijdens de vernissage, mensen op die hen een soort garantie konden verschaffen op het product dat ze wilden aankopen: museumdirecteurs, collega-verzamelaars of galeristen – de kracht van MTL-galerist Fernand Spillemaeckers was bijvoorbeeld dat hij verzamelaars kon overtuigen om bepaalde kunstwerken te kopen door er als specialist een precieze uitleg over te verschaffen. In veel gevallen werd echter ook de kunstcriticus ‘om raad gevraagd’.

K.B./D.P.: Tegenover de kunstkritiek-als-dienstbetoon plaats je een andere vorm van kunstkritiek: een kunstkritiek ‘die zich in het kamp van de vijand situeert’, een kunstkritiek die niet te beroerd is ‘om zich te beroepen op het geest- en bevattingsvermogen van de kleinburger en bij middel van diens argumenten de actuele kunst voor onbenullig, zwakzinnig en geborneerd te houden.’ 

W.V.M.: Dat klopt. Die uitspraak moet je zien in de Belgische context, die ik trouwens in de tweede helft van mijn tekst schets. De kunstkritiek stelde in deze contreien niet veel voor. In De Standaard schreef Roger Marijnissen onder meer over hedendaagse kunst, maar zonder er veel begrip voor aan de dag te leggen. Toen Broodthaers overleed schreef hij in De Standaard van 5 februari 1976: ‘Welk oeuvre heeft hij nagelaten? Verklaringen en interviews bieden weinig houvast en in vele gevallen is er geen touw aan vast te knopen… Het ligt me niet.’ Ik heb vruchteloos geprobeerd een antwoord gepubliceerd te krijgen op dit stuk van vijftien regeltjes. Ik stelde met spijt vast dat specialisten hedendaagse kunst doorgaans wel naar oude kunst keken, maar dat het omgekeerde zelden het geval was. Zelf bleef ik, ondanks mijn specialisatie, erg geboeid door belangrijke figuren uit de kunstgeschiedenis. Ik had in mijn tijd als recensent van De Standaard ook een heel moeilijke relatie met Guido Van Hoof, de chef cultuur. Van Hoof was een intellectueel die doorwrochte bijdragen schreef over kerk en theologie, maar voor hedendaagse kunst kon hij weinig begrip opbrengen. Dat ik een tijdje voor De Standaard heb gewerkt, was vooral aan theatercriticus Jef De Roeck te danken. Hij verdedigde mij.

K.B./D.P.: In je analyse van de Belgische situatie noem je ook de namen van enkele critici, met name Frans Boenders en Freddy De Vree.

W.V.M.: Frans Boenders en Freddy De Vree hadden veel invloed omdat ze naast hun teksten in Kunst & Cultuur en hun boeken elk een radioprogramma hadden op Radio 3, de toenmalige radiozender voor cultuur en klassieke muziek. Maar ze gingen er met de grove borstel door. Boenders was een retorisch talent met een gedegen filosofische achtergrond, maar hij geloofde niet in de actuele kunst die nochtans zelf vaak uit ideeën was ontstaan, al dan niet van filosofische aard. De Vree was enkel geïnteresseerd in de kunst van zijn generatie – voornamelijk lyrische abstractie, Cobra en Zero. Hij maakte de hedendaagse kunst een beetje belachelijk. Toen de Tate Gallery voor 4000 pond het uit vuurvaste stenen opgebouwde Equivalent VIII – 120 units van Carl Andre kocht, veroorzaakte dit een rel waar de populaire Britse bladen van smulden. Zelfs de gerenommeerde kunsthistorici van The Burlington Magazine mengden zich in The Bricks Affair en predikten een aankooppolitiek van wait and see. De Vree’s discours sloot daarbij aan. Hij schreef dat Andre een oplichter was omdat hij bakstenen verkocht die oorspronkelijk per lot van duizend slechts 40 € kostten. Hij koos dikwijls argumenten die niet ter zake deden. Met betrekking tot de hedendaagse kunst zei De Vree: ‘Dat moet je aan Van Mulders vragen.’ Dat advies heeft men in de Belgische provincie blijkbaar ter harte genomen. Vanaf een bepaald moment – omstreeks 1980 – werd ik voortdurend gevraagd om allerlei inleidingen voor catalogi te verzorgen. Ik werd dus zelf in de positie gedrongen van iemand die ‘kunstkritiek als dienstbetoon’ beoefent. In mijn tekst over kunstkritiek geef ik evenwel ook aan dat het moeilijk was om daaraan te ontsnappen, zeker in de Belgische context: ‘En als zijn [van de kunstcriticus] relaas, analyse of informatie van niet-gebondenheid en een gebrek aan dienstvaardigheid getuigen, is de kans groot dat geen enkel instituut of organisme (ook kunstenaars worden instituten) hem uit de pekel zal willen helpen.’

 

De tegenreactie

K.B./D.P.: Aan het einde van de tweede aflevering van je tekst in Kunst Nu verwijs je naar de reacties die je bijdrage over kunstkritiek heeft losgeweekt: ‘’verschillende individuen’ zouden ‘negatief gereageerd’ hebben op het eerste deel van je tekst ‘omdat uitdrukkingen als ‘kunstenaar-souffleur’ en ‘geld’ onwaardig zouden zijn voor een integer criticus.’ Uit welke hoek kwamen die reacties?

W.V.M.: Karel Geirlandt stapte na het verschijnen van het eerste deel met het opgeheven vingertje op mij toe en waarschuwde me om op te passen met mijn bedenkingen. Daarnaast heeft vooral een aantal kunstenaars scherp gereageerd. Ze vertelden mij onomwonden dat het mijn taak niet was om de kunst aan de schandpaal te nagelen en het hele kunstbedrijf in vraag te stellen. Ik begreep dat protectionisme van de kunstwereld niet. Een heleboel zaken werd met de mantel der liefde bedekt en van zodra je dat doorprikte, kreeg je het verwijt ‘onder eigen duiven te schieten’. In de kleine Belgische kunstwereld moest je kiezen tussen twee kampen: de tegenstanders en de voorstanders van de hedendaagse kunst. Een tussenweg was blijkbaar niet mogelijk.

K.B./D.P.: Je noemt wel enkele buitenlandse voorbeelden van kunstkritische praktijken die aan dat dilemma ontsnappen – al schets je ook hier geen optimistisch beeld. Je schrijft: ‘Er rest hem [de kunstcriticus] dan alleen nog het luchten van een hermetische, schele geleerdheid, die hem koning maakt in ’t land der blinden (lees Art Press en je weet niet eens of de klok hier luidt voor een dienst of voor een dode). Het andere alternatief bestaat in het doorzien van de propagandistische alweterij van b.v. het New Yorkse Artforum met de in schoolkennis en distinctie verklede Amerikaanse clichés van ‘quality’ en ‘great art’, of de reactie hiertegen (October) dat zich begeeft op het pad van de geëngageerde donquichotterie en waarvan de medewerkers echte kunstkritiek bedrijven in de zin dat ze tenminste proberen te verklaren waar ze ideologisch staan en wat de rol van schrijven over kunst kan zijn.’ Kan je jouw oordeel over die tijdschriften wat toelichten?

W.V.M.: Ik stoorde mij een beetje aan de Franse slag van L’Art Vivant en Art Press: de lichtvoetige nonchalance van die teksten. Voor een tijdschrift als Artforum koesterde ik veel bewondering. Ik heb er later, in 1986, op hun vraag een uitgebreid essay over Panamarenko in gepubliceerd: On the earth and in the air, gespreid over vier pagina’s. Artforum publiceerde als een van de eerste kunsttijdschriften academische, oerdegelijke en doorwrochte essays. Je kon er teksten in aantreffen die toen in België geen enkele kans zouden hebben gemaakt. Met begrippen als ‘quality’ en ‘great art’ alludeer ik daarop. Tegelijk gleed Artforum in die tijd al af naar een – weliswaar zeer kwaliteitsvolle – vorm van dienstbetoon. Het is het tijdschrift October geweest dat in zijn eerste nummers de status van Artforum heeft doorprikt. Eigenlijk komt October er het best van af in mijn tekst.

K.B./D.P.: In de zin volgend op de zonet geciteerde passage schrijf je evenwel over October: ‘Doch men ontkomt niet aan de indruk dat de teksten hier [in October] tot zelfstandige, artistieke essays uitgroeien die hun kracht vinden in het breedvoerig en geabsorbeerd mededelen van een plichtenleer ten overstaan van kunst en maatschappij.’

W.V.M.: Dat is juist. Wellicht had ik die zin beter niet geschreven. Het was beter geweest om te stoppen bij ‘artistieke essays’. Ik geef toe dat ‘plichtenleer’ nu erg schoolmeesterachtig overkomt. Als docent was ik tenslotte een echte schoolmeester, omdat ik vond dat de studenten zo bitter weinig afwisten van hedendaagse kunst. De eerste tien jaar dachten ze dat ik van een andere planeet kwam.

K.B./D.P.: Alles wat jij in deze tekst beschrijft, is volkomen herkenbaar: een groot deel van de kunstkritiek was en is inderdaad een veredelde vorm van dienstbetoon, terwijl een andere vorm van kunstkritiek dan weer even autonoom en abstract opereert als het werk van de kunstenaar dat erin beschreven wordt. Maar het dramatische in je tekst is dat er geen enkele opening wordt gelaten. Er lijkt werkelijk geen enkele uitweg uit de impasse te bestaan.

W.V.M.: Ik dacht écht zo op dat moment. Het is een paradox: enerzijds is kunst (in brede betekenis) datgene wat mij het meest interesseert – kunst is mijn leven – maar anderzijds weet ik dat de kunst het eerste is wat onder druk komt te staan als er een crisis uitbreekt. Ik had altijd een dubbele houding: fascinatie voor kunst, maar tevens het besef van de manipulatie, de autoriteit en de macht van curatoren, collectioneurs en de kunsthandel. Tot op heden koester ik een mild pessimisme met betrekking tot kunstkritiek. Ik huiver bijvoorbeeld ook van het verplichte optimisme als het over kunstberichtgeving gaat. Allicht was mijn tekst over kunstkritiek zo extreem omdat ik mij tot geen enkel instituut verplicht voelde.

K.B./D.P.: Is er op jouw tekst een breder debat gevolgd? Hebben andere critici erop gereageerd?

W.V.M.: Nee. Men nam nota van de tekst, maar een polemiek in pers of tijdschriften bleef uit.

K.B./D.P.: Eigenlijk is het toch merkwaardig dat jij een forum vond om een zo pessimistische boodschap te ventileren. Je zou verwachten dat een tekst met zo’n onpopulaire boodschap in de lade zou blijven liggen. Bovendien is het een blad als Kunst Nu – geen onafhankelijk kritisch tijdschrift maar het informatieve tijdschrift van de vriendenvereniging van een museum voor hedendaagse kunst – dat de tekst publiceerde.

W.V.M.: Inderdaad. Toch kan ik me voorstellen dat een dergelijke tekst in eerder kleinschalige publicaties en tijdschriften nog wel een kans maakt. De beperkte ruimte waarin kunstkritiek zich beweegt maakt af en toe zo’n uitbarsting noodzakelijk.

K.B./D.P.: Ondanks de negatieve reacties en de vaderlijke vermaning van de voormalige voorzitter van de V.M.H.K. bleef je nadien voor Kunst Nu schrijven.

W.V.M.: Veel bijdragen heb ik evenwel niet meer geleverd. Na de publicatie van mijn tekst over kunstkritiek zijn nog slechts enkele teksten van mijn hand gepubliceerd: een tekst over Narcisse Tordoir (september 1984), over de boeken van Guy Marchal (november 1985), over Carel Balth (mei 1987) en in april 1990 een korte inleiding bij een tentoonstelling van leraren van de KASK, waar ik op dat moment nog steeds lesgaf.

K.B./D.P.: Je publiceerde ook nog in catalogi van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten waar uitgerekend Karel Geirlandt directeur was.

W.V.M.: Ook andere instellingen vroegen mij om te schrijven. Ik wilde mij niet ingraven in het soort ondergronds circuit waar bijvoorbeeld Danny Devos altijd zo’n voorstander van is geweest.

K.B./D.P.: De uitleg voor het feit dat jouw carrière geen hinder ondervond van de publicatie van de tekst Kunstkritiek zou wel eens heel cynisch kunnen zijn: in een catalogus hoort nu eenmaal een tekst en er waren niet zoveel critici.

W.V.M.: Misschien. Maar ik wil toch ook benadrukken dat ik niet zomaar over alles en iedereen wilde schrijven. Ik ben steeds uitgegaan van de indruk die het werk op mij maakte. Ik luisterde ook niet zomaar naar de kunstenaar. Dat strookte niet met mijn inzichten.

K.B./D.P.: Sprak je dan niet met kunstenaars?

W.V.M.: Jawel, maar ik liet de inhoud van mijn teksten er niet door bepalen. Mijn job als docent liet trouwens niet toe om langdurig in ateliers te verblijven. Ik spaarde kosten noch moeite om mijn lessen voor te bereiden. Ik reisde regelmatig naar Nederland en Duitsland – naar Amsterdam en Eindhoven, Düsseldorf en Keulen. Ik nam dia’s, ik kocht boeken. Dat alles nam enorm veel tijd in beslag. De laatste tijd kan ik meer tijd uittrekken voor de dialoog in het atelier en daarbuiten. De kunstenaar denkt ook meer mee. Dat heeft nochtans ook gevaren.

K.B./D.P.: Waarop doel je?

W.V.M.: Kunstenaars zijn geen watjes. Ik heb de indruk dat kunstenaars vandaag bijna de inhoud dicteren van de stukken die over hen geschreven worden. Schrijven over kunst is echter heel persoonlijk. Het is nadenken over datgene wat je grondig bekeken en ervaren hebt. Tijdens het schrijven lees ik over verwante onderwerpen en door die lectuur en een associatief denken groeit de tekst. Een tekst ontstaat onder andere via de transformatie van andere teksten.

K.B./D.P.: Kreeg jij vaak feedback op jouw teksten? Heeft de redactie van Kunst Nu bijvoorbeeld gezegd wat ze vonden van jouw tekst over kunstkritiek?

W.V.M.: Nee, ze hebben de tekst gewoon gepubliceerd. Ik kreeg zelden feedback na het indienen van een tekst. De organisatoren waren blij dat de tekst er voor de deadline was en de kunstenaars accepteerden hem meestal zonder morren. Men ging uit van het motto ‘schoenmaker blijf bij je leest’.

K.B./D.P.: Het blijft toch vreemd dat een dergelijke harde tekst geen sporen nalaat.

W.V.M.: Ik was me er nochtans van bewust dat mijn tekst hard overkwam en dat het mijnenveld waarin ik mij begaf ook het einde van mijn carrière kon betekenen. Het is trouwens niet eens zo zeker dat mijn tekst geen gevolgen heeft gehad. In het jaar waarin mijn tekst over kunstkritiek verscheen, heb ik ook meegewerkt aan Kunst in België na 45 (Antwerpen, Mercatorfonds, 1983) en met name Jan Vercruysse heeft er toen alles aan gedaan om mij bij Karel Geirlandt, die als redacteur van het boek optrad, in diskrediet te brengen. Hij keurde nadien alles af wat ik over hem schreef. Alain Cueff en Pier Luigi Tazzi bevielen hem beter.

K.B./D.P.: En volgens jou heeft dat met je tekst over kunstkritiek te maken?

W.V.M.: Ik denk het wel. Ik heb toen het verschil ontdekt tussen de persoon van de kunstenaar en het werk. Overigens ben ik het werk van Vercruysse intens blijven volgen.

K.B./D.P.: Een jaar later verschijnt een meer uitgebreide en in het Engels vertaalde versie van de tekst over kunstkritiek in het tweede nummer (februari-maart 1984) van Artefactum, waarvan jijzelf redactielid was. Kan je vertellen hoe je bij Artefactum betrokken bent geraakt?

W.V.M.: Flor Bex was pas ontslagen als directeur van het ICC. Omdat hij een inkomen nodig had, richtte hij een tijdschrift op, geïnspireerd op Giancarlo Politi’s Flash Art, dat verscheen vanaf 1967. Voor Artefactum heeft hij een aantal mensen – onder wie Hilde Van Pelt, Marian Verstraeten, Saskia Bos, Georges Roque, Erno Vroonen en Leo Van Damme – bij het tijdschrift betrokken om te schrijven en suggesties te doen. Ook ik werd gevraagd. Ik was sinds de jaren 70 altijd met Bex in contact gebleven.

K.B./D.P.: Kan je wat meer over je contacten met Bex vertellen?

W.V.M.: Ik bezocht frequent het ICC en voor mijn lessen over ‘videokunst’ mocht ik een loodzware taperecorder en monitoren meenemen naar Gent. Ik toonde tapes van onder anderen Lili Dujourie, Gilbert & George, Bruce Nauman, Dan Graham, Vito Acconci, Jan Dibbets en Chris Burden. Ik werd tijdens Bex’ directoraat in het ICC ook jaarlijks uitgenodigd om ideeën te leveren voor het programma. Mijn verstandhouding met hem is steeds heel professioneel geweest. Naar de redactievergaderingen van Artefactum ging ik evenwel zelden. Officieel zat ik in het ‘leescomité’, samen met Marian Verstraeten en Georges Roque, maar ik stelde vast dat Flor met onze adviezen weinig rekening hield.

K.B./D.P.: Hoe is het idee ontstaan om de tekst uit te breiden en deze in vertaling op te nemen?

W.V.M.: Bij de start van Artefactum was er gewoon te weinig kopij. Ik denk dat Flor Bex toen gevraagd heeft om een vervolg te schrijven op de tekst die in Kunst Nu was gepubliceerd. Ikzelf speelde al een tijdje met de idee van een vervolg. Ik wilde mijn tekst wat verbreden en het strikt Belgische karakter ervan openbreken. Het derde deel is eerder beschouwend en handelt over de recuperatie van het begrip avant-garde. Het zou trouwens ook kunnen dat de voorzet gegeven werd door de organisatoren van de Biënnale van de Kritiek – zoals gezegd, verscheen de driedelige versie van de tekst op het einde van dat jaar in een Nederlandse en Franstalige versie in de catalogus van de Biënnale van de Kritiek, die plaatsvond in het ICC. Eigenlijk kan ik mij niet herinneren hoe het precies gegaan is.

K.B./D.P.: Je zou kunnen opmerken dat de publicatie in Artefactum nog paradoxaler is dan de eerste publicatie in Kunst Nu: in dit geval stel jij de onmogelijkheid van de kunstkritiek immers aan de orde in een blad waar je zelf in de redactie zit en dus mee het beleid bepaalt.

W.V.M.: Dat klopt. Je kon suggesties doen en Bex ging daar al dan niet op in. Het was tenslotte ‘zijn’ blad. Toch was het in de beginfase van het blad mogelijk, dankzij de openheid van Bex, doorwrochte en polemische teksten te plaatsen.

K.B./D.P.: De publicatie van de Nederlandse en Franstalige versie in de catalogus van de Biënnale van de Kritiek wijkt in één betekenisvol detail af van die in Artefactum… namelijk doordat het tijdschrift Artefactum zelf in niet zo’n gunstige zin in de tekst ter sprake wordt gebracht. Artefactum en +–0 worden er samen aangehaald als voorbeelden van tijdschriften die eerder informatief bedoeld zijn en die ‘zich tot taak stellen het ‘aktuele’ het koste wat het kost te ‘redden’’. In de in Artefactum gepubliceerde versie had je enkel +-0 vermeld…

W.V.M.: Ik vermoed dat ik ondertussen tot de bevinding was gekomen dat Artefactum tot dezelfde categorie behoorde, hoewel ik er toch ongewoon lange teksten over onder anderen Harald Szeemann en Sigmar Polke in kon publiceren. Bovendien heb ik nog altijd respect voor de manier waarop zowel Elisabeth Rona als Flor Bex zich ingezet hebben voor een weinig lucratieve zaak als een kunsttijdschrift. Flash Art vormt de uitzondering die de regel bevestigt.

K.B./D.P.: Hoe kijk je vandaag terug op deze tekst over kunstkritiek?

W.V.M.: Kunstkritiek is zonder twijfel de meest problematische tekst die ik ooit heb geschreven. Ik wring mijzelf in de onmogelijkheid om nog te spreken over kunst en terzelfder tijd zeg ik toch wat kunstkritiek behoort te zijn. Ik geloofde in het fundamenteel ongrijpbare van de kunst en daardoor raakte ik verstrikt in een haast perverse status quo. Trouwens, naar aanleiding van jullie vraag heb ik ontdekt dat er nóg een vervolg op de tekst over kunstkritiek is geweest, namelijk in Force Mental nr. 11 (1985), het blad van Club Moral, de organisatie die gerund werd door Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos. Ik begrijp nauwelijks dat ik erin gelukt ben om nóg een vervolg te schrijven.

K.B./D.P.: Wat heb je in dat ‘vierde deel’ nog weten toe te voegen?

W.V.M.: Die tekst getuigt opnieuw van mijn hartsgrondige onvrede met het regime van het kunstsysteem. Anderzijds doe ik wel een suggestie om uit de impasse te geraken.

K.B./D.P.: En die luidt?

W.V.M.: De suggestie is vervat in een citaat van Charles Harrison van Art & Language, waarmee ik mijn tekst besluit. Harrison schreef in 1981: ‘Een kritiek, die naam waardig, heeft een tweede kritiek nodig waarmee men de eerste kan omvatten, omschrijven en eventueel verklaren.’

K.B./D.P.: Hoe kijk je terug op je activiteiten als kunstcriticus tot dusverre?

W.V.M.: Ik ben mij nog steeds bewust van het vreemde tussengebied waarin ik actief ben: de kunst, de kunstenaar, het museum, de debatruimte en het kunsttijdschrift. De kern van mijn betoog is aantonen hoe moeilijk een adequate vertaling van het kunstwerk in proza is en hoe kijken én denken de uiteenzetting onderbouwen. Ik probeer geen passieve consument van kunst te zijn.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Dirk Pültau

 

De eerste twee afleveringen van de tekst Kunstkritiek verschenen in Kunst Nu, het tijdschrift van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst, in het kader van een reeks Kunst Nu in België. Eerste aflevering: Kunstkritiek: een bijlhamer die niet beukt (deel I), in: Kunst Nu, februari 1983, p. 3. Tweede aflevering: Kunstkritiek in België: nog niet oud en koud (deel II), in: Kunst nu, april 1983, pp. 4-5. De met een derde deel uitgebreide versie verscheen onder de titel Art Criticism in een Engelse vertaling door Nadine Malfait in het tijdschrift Artefactum, nr. 2, februari-maart 1984, pp. 16-25 (titel van het derde deel: Part III. Avant-garde as norm?). Deze laatste tekst verscheen ten slotte als inleiding/introduction in het Nederlands en het Frans (vertaling: Marian Verstraeten) in de catalogus van de Biënnale van de kritiek (ICC, Antwerpen, 8 september – 7 oktober 1984), pp. 8-17 (Nederlands) en pp. 18-27 (Frans). Ten slotte publiceerde het tijdschrift Force Mental nog een vervolg op deze tekst onder de titel Kunstkritiek: Een Bijl of een Dweil?, in Force Mental nr. 11, 1985. Vertaling in het Engels door Danny Devos: Art Criticism: a Hatchet or a Floorcloth?.

Gesprekken met Yves Aupetitallot over het tweeluik Les années 1980, Le Magasin, Grenoble, 2008-2009

Koen Brams/Dirk Pültau: We willen het in dit eerste gesprek graag hebben over een aantal algemene thema’s, zoals de wijze waarop je de tentoonstelling hebt geconcipieerd, namelijk in twee hoofdstukken: 1) Espèces d’espace (12 oktober 2008 – 4 januari 2009) en 2) Images et (re)présentations (31 mei 2009 – 6 september 2009). In een tweede gesprek, na ons bezoek aan Espèces d’espace, kunnen we ingaan op de inhoud van de tentoonstelling. Om te beginnen een voor de hand liggende vraag: waarom wilde jij een tentoonstelling wijden aan de jaren 80? Zij is immers niet de eerste in haar soort.

Yves Aupetitallot: Vooreerst geloof ik dat persoonlijke motieven een rol hebben gespeeld. De tentoonstelling is gebaseerd op een aantal programmatische keuzes die soms ingegeven zijn door spijt, soms door een gebrek aan spijt. Ik had een andere benadering voor ogen dan de makers van die voorgaande tentoonstellingen. The Eighties: a Topology van Ulrich Loock in het Serralves Museum in Porto is bijvoorbeeld niet vanuit een historisch standpunt gemaakt. Die tentoonstelling is gemaakt vanuit het standpunt van een vooraanstaand actor uit de jaren 80, die zijn eigen geschiedenis herschrijft door onder meer Zuid-Amerikaanse kunstenaars te presenteren die hij niet heeft gebracht in de Kunsthalle Bern, toen hij daar in de jaren 80 directeur was. Of neem Flashback (2005), in het Kunstmuseum van Basel. Die tentoonstelling was in zoverre paradoxaal dat het interessantste onderdeel het rondetafelgesprek was met voornamelijk Duitse actoren (Thomas Ruff, Kasper König, Isabelle Graw…), die vooral geïnteresseerd waren in de plaats van de schilderkunst. Om een klassieke overzichtstentoonstelling te zijn, schetste het project toch wel een erg onvolledig beeld van de periode.

K.B./D.P.: In het voorwoord bij het eerste boek, verschenen na de eerste tentoonstelling (Espèces d’espace), suggereer je ook dat het verschil met Ulrich Loocks project hierin gelegen is dat jouw tentoonstelling niet door een actor uit de kunstwereld van de jaren 80 werd samengesteld. Nochtans was jij ook in de jaren 80 al actief in de kunstwereld…

Y.A.: Dat is zo. Maar ik heb de tentoonstelling niet vanuit dat standpunt gemaakt. Dat is het verschil. Ik word niet gedreven door het onbewuste verlangen om a posteriori mijn eigen professionele geschiedenis van de jaren 80 te herschrijven.

K.B./D.P.: Wat was jouw positie in de jaren 80?

Y.A.: Ik nam een bijzondere positie in, eerst en vooral omdat ik Fransman ben, en dus de facto behoor tot een entropische, ja zelfs nationalistische kunstscene, waar ik nooit meer dan een marginale plaats heb mogen innemen, en anderzijds omdat ik veel nauwer aanleun bij de Amerikaanse scene dan iemand als Ulrich Loock. Ik werkte met kunstenaars als Louise Lawler, James Welling of John Knight…

K.B./D.P.: Kan je ons wat meer vertellen over je loopbaan tijdens de jaren 80?

Y.A.: In 1983 studeerde ik af als kunsthistoricus in Dijon, na middelbare studies in Nevers, een provinciestadje waar de institutionele middens uitgesproken vijandig stonden tegenover hedendaagse kunst. Tijdens een gesprek met Claude Rutault over de begrippen publiek en privaat naar aanleiding van het pas verschenen boek van Jacques Soulilou over het decoratieve, vatte ik het plan op om een vijftiental kunstenaars naar die stad te halen, voor een tentoonstelling met als titel Pour vivre heureux, vivons cachés (1984). Elke kunstenaar werd in contact gebracht met een privépersoon, een kunstliefhebber of verzamelaar die als opdrachtgever optrad, de kunstenaar zijn huis ter beschikking stelde om een werk te tonen: een installatie die speciaal voor de gelegenheid was gemaakt. Bezoekers kwamen op uitnodiging, zoals dat onder vrienden gaat. In een land waar het cultuurbeleid vooral door het theater werd beheerst, en dat nog maar pas een beetje oog begon te krijgen voor hedendaagse kunst, leek het opportuun om de problematiek van de plek en de receptie onder de aandacht te brengen, naast meer klassieke kwesties als de white cube en het decoratieve. Na Nevers ben ik aan de slag gegaan in Saint-Etienne, in het Maison de la Culture et de la communication. Aangezien ik geen geconstrueerd beeld heb van wat ik zoal uitvoerde in de jaren 80, hoef ik de geschiedenis ook niet ‘bij te stellen’. Ik stam nog uit de tijd toen tentoonstellingsmakers zichzelf definieerden in verhouding tot kunstenaars, niet omgekeerd.

 

Zeitgeist

K.B./D.P.: Wat ontbrak er volgens jou nog in de vorige tentoonstellingen over de jaren 80, zoals The Eighties: a Topology en Flashback?

Y.A.: Naar mijn gevoel ontbrak er alvast een eerste poging om al het materiaal uit die periode weer eens met een frisse blik te bekijken, om het vervolgens dialectisch en/of historisch opnieuw in perspectief te plaatsen. Geschiedschrijving veronderstelt onder meer dat je de onderzoeksinstrumenten van de generatie die je onder de loep neemt, naast je neerlegt. Je zou verwachten dat de musea deze taak waarnemen, maar ik stel vast dat dat niet het geval is. De musea voeren geen grondig onderzoek meer. De musea produceren geen betekenis meer, omdat zij onder druk staan van een board die rendabiliteit eist, uitgedrukt in bezoekersaantallen of media-aandacht. Zij leven in de waan dat ze weerstand bieden aan een tendens tot globalisering in de kunstwereld die zij in werkelijkheid mee aanzwengelen, door bijvoorbeeld op de kar van de biënnales te springen. Zij zijn meer geïnteresseerd in de maatschappelijke en politieke context van de kunst dan in de kunst zelf, de kunstenaars en hun productie. De programmaties in Eindhoven en Antwerpen vormen daar, aan deze kant van Europa, het beste voorbeeld van. Met het historisch en kritisch onderzoek dat de werken en hun makers als uitgangspunt neemt, is het de voorbije twintig jaar steeds droeviger gesteld.

K.B./D.P.: Jij koestert dus een onvrede met hetgeen reeds werd gedaan, vanwege een gebrek aan historisch bewustzijn en een tekort aan fundamenteel onderzoek. Ligt er ook een positieve reden aan jouw keuze van dit thema ten grondslag?

Y.A.: Uiteraard. Mijn motivatie heeft ook te maken met mijn specifieke interesses. Ik geloof dat de generatie van de jaren 80 zichzelf voor een deel probeerde te definiëren door zich af te zetten tegen de jaren 70. Het einde van de jaren 80 is dan weer getekend door grote internationale gebeurtenissen en ontwikkelingen als Tien An Men, de mondialisering van de economie, de val van de Sovjet-Unie, aids en het internet. Enorm! De economische crisis in de vroege jaren 80 heeft op de generatie van de jaren 80 een verschrikkelijke uitwerking gehad: de markt stortte in en vele van deze kunstenaars verdwenen uit beeld. Toen de markt zich vervolgens herstelde, werd een ander soort kunst gemaakt en andere jongere kunstenaars voor het voetlicht gebracht: de kunstenaars van de jaren 80 was men inmiddels vergeten.

K.B./D.P.: Welke methodologie heb je gehanteerd bij het samenstellen van de tentoonstelling?

Y.A.: Ik vond het interessant om de jaren 80 te benaderen via een heel eenvoudig werkprincipe. Dat bestond er onder meer in dat ik systematisch alle nummers van Flash Art en Artforum heb doorgenomen. Ik wilde er de zeitgeist uit destilleren, datgene waarin dat decennium zich in visueel, artistiek en theoretisch opzicht onderscheidt, in Europa en de Verenigde Staten. Blijkt dat er op zeker ogenblik onder kunstenaars een soort van visuele hoofdtoon heerst: ze eigenen zich dezelfde beelden toe, bijvoorbeeld de Marlborocowboy. Iedereen associeert die cowboy met Richard Prince, terwijl Robert Longo er al in 1979 mee in de weer was, en James Welling zelfs vroeger. De tijdschriften bevatten een geweldige schat aan beelden en teksten. Die aanpak liet toe om de tentoonstelling echt anders op te vatten en niet gewoon maar de voorkeuren van de markt of institutionele, academische keuzes te reproduceren. Populaire tijdschriften getuigen van de heersende smaak op een bepaald moment. In sociologisch opzicht reflecteren ze dus de tijdgeest. Het project heeft echter ook zijn beperkingen. Zo wil de tentoonstelling geen volledig beeld ophangen van de jaren 80; sommige dingen zitten er niet in, hetzij omdat ik ze niet goed genoeg vond, hetzij omdat ze niet beschikbaar waren. Geen enkele tentoonstelling van dit type is ooit definitief: je verzamelt een bepaalde hoeveelheid materiaal, je begint dat te ordenen en je tekent een project uit dat ook veel omvangrijker had kunnen zijn. Je kan je een tentoonstelling voorstellen in verschillende graden van afwerking. In dit geval gaat het, geloof ik, om een soort schets.

K.B./D.P.: Wel vreemd dat je precies die twee tijdschriften hebt geraadpleegd die de macht van de kunstmarkt belichamen…

Y.A.: De tijdschriften vertellen iets over de tijdgeest, maar niet over de tijd zelf. Ik heb ook veel teksten geraadpleegd, waardoor ik anders te werk kon gaan; ik heb geprobeerd een aantal vraagstukken af te bakenen die op een gegeven moment aan de orde waren. Wanneer je uitsluitend vertrekt van werken, van een artists list, dan laat je naar mijn gevoel de juiste werkinstrumenten links liggen. Op de lijst staan dan diegenen die commercieel succes hebben gekend; je reproduceert dus gewoon de keuzes van de markt. Mijn benadering van Flash Art en Artforum is trouwens ook niet per se positief. Je kan ook juist in tegenreactie gaan. Zo toon ik bijvoorbeeld een werk van Thomas Ruff, L’Empereur, dat nooit op de markt is gekomen, of neem ik werk op van kunstenaars die door de markt werden en worden genegeerd, ook in de jaren 80 al, en die vergeten zijn geraakt. Overigens hebben die tijdschriften, door de publicatie van theoretische teksten, deelgenomen aan het debat. Via de tijdschriften kan je dus artistieke posities reconstrueren. Vandaag zijn er haast geen tijdschriften meer die polemische teksten publiceren.

K.B./D.P.: Heb je met de kunstenaars samengewerkt voor deze tentoonstelling?

Y.A.: Bij de samenstelling ervan heb ik eerst met teksten gewerkt, en pas nadien met de kunstenaars.

K.B./D.P.: Werden de kunstenaars betrokken bij de discussie over de keuze van de werken?

Y.A.: Nee, er spelen te veel belangen mee, de inzet is heel groot, terwijl je op een gegeven moment juist afstand moet kunnen nemen. Werken met kunstenaars betekent dat je werkt met hun carrière, hun oeuvre, datgene wat hun werk bepaalt…

K.B./D.P.: Heb je in bepaalde gevallen de kunstenaars geraadpleegd?

Y.A.: Sommigen wel, zoals Thomas Ruff. Aan hem heb ik gevraagd wat hij ervan zou vinden om L’Empereur te tonen. Of Haim Steinbach, met wie ik samen beslist heb om zijn allereerste werken te laten zien, de Handmade Readymades. Het bleek immers onmogelijk om, zoals ik had gewild, een werk van Steinbach met behangpapier te tonen. Ik heb dus toch met bepaalde kunstenaars overlegd, maar ik heb hen niet betrokken bij mijn reflectie. Omdat ik geen druk wilde ondervinden, moest ik alleen te werk gaan.

 

Twee delen

K.B./D.P.: Had je van meet af aan de ambitie om er een tweeluik van te maken?

Y.A.: Nee, tijdens de voorbereiding is vanzelf duidelijk geworden dat ik het zo moest aanpakken. Enerzijds is het onderwerp zo ruim dat de 900 m2 tentoonstellingsruimte niet zou volstaan, anderzijds zou het erg onbevredigend zijn geweest om de vele ideeën die aan de tentoonstelling ten grondslag liggen, in één tentoonstelling te moeten samenbrengen.

K.B./D.P.: De twee luiken van de tentoonstelling handelen over twee verschillende onderwerpen: publieke ruimte/private ruimte en het beeld. In welk opzicht zijn dit specifieke thema’s voor de jaren 80?

Y.A.: Het thema publieke ruimte/private ruimte is in die zin representatief dat in de jaren 80 een twintig jaar oud Europees en naoorlogs model ten grave wordt gedragen: een gemengd publiek/privaat stelsel, ook wel sociale markteconomie genoemd, waar de overheid tussenkomt in diverse sleutelsectoren, waaronder de cultuur. Het probleem van de publieke en private ruimte heeft zich in de westerse wereld het scherpst gesteld met de opkomst in de Verenigde Staten van het liberalisme, belichaamd door Ronald Reagan. Net als Margaret Thatcher was hij voorstander van een hard neoliberaal gedachtegoed. In New York lieten de gevolgen zich meteen voelen: bewonersgroepen, waaronder de kunstenaarsbevolking, moesten verhuizen, naar de Bronx of naar het zuiden. Het was het begin van de ondergang of de erosie van de gemeenschapsidee, in het beste geval ten voordele van tribalisme, in het slechtste geval ten voordele van individualisme.

K.B./D.P.: Is dat niet eerder een thematiek van de jaren 90…

Y.A.: In de jaren 90 duurt die discussie voort, maar dan eerder in relatie tot de media en het probleem van de sociale representatie. Wanneer ik het woord espace hanteer, dan moet je dat uiteraard heel breed opvatten, in de zin van institutionele, economische, publieke ruimte. Ik denk dat elke generatie vragen heeft gesteld over de verhouding publiek/privaat of zelfs over de media, maar dat ze die anders heeft geformuleerd omdat de omgeving en de context verschillend waren. Jullie hebben dus gelijk: het thema publiek/privaat is ook aan de orde in de jaren 90. Dat vloeit logisch voort uit de toestand in de jaren 80 en de verslechtering die zich toen op een aantal beslissende punten voordeed.

K.B./D.P.: Wat is de precieze inzet van het tweede luik?

Y.A.: Dat gaat over het beeld. Mijn werktitel luidt Images et (re)présentations. In het tweede luik wordt precies het probleem van de dominantie van de media – film en televisie — in de jaren 80 behandeld: hun alomtegenwoordigheid en het grote vraagstuk betreffende de productie van nieuwe beelden. In dat luik, waar ik momenteel aan werk, wil ik het hebben over Louis XIV tanzt (1985) van Dan Graham, Rüdiger Schöttle en Jeff Wall. Er zal een zaal gewijd zijn aan de esthetica van Kenny Scharf, Fun Gallery, Gracie Mansion Gallery…

K.B./D.P.: Het eerste luik heet dus Espèces d’espace. Vanwaar deze titel?

Y.A.: Ik heb de welbekende titel van het boek van Georges Perec overgenomen.

K.B./D.P.: Ja, Espèces d’espaces… maar je hebt een s weggelaten. Waarom?

Y.A.: Dat heb ik bewust gedaan, ’t is een fantasietje! Ik heb die titel weerhouden omdat je Espèces d’espaces van Perec kan verbinden met Paul Virilio, die het probleem van de postmoderniteit aan de orde stelt in een architecturale context. In de jaren 80 komt in feite een einde aan de grote verhalen, om Jean-François Lyotard te citeren. Niemand denkt nog aan de revolutie. Espèces d’espace staat ook voor een soort onbepaaldheid, het is een oefening: er zijn soorten van ruimte, men had ook andere soorten kunnen scheppen. Het is één keuze, tussen andere mogelijkheden.

K.B./D.P.: Hoe verhouden beide catalogi en beide tentoonstellingen zich tot elkaar?

Y.A.: De catalogi zijn een beetje anders dan de tentoonstellingen. Dat heb ik ook zo gewild omdat ik denk dat een catalogus onvervangbaar is. In tijdschriften en catalogi doe je dingen die je niet in een tentoonstelling kunt doen, de instrumenten en de taal zijn verschillend. Beide moeten elkaar kunnen aanvullen.

K.B./D.P.: De catalogi van de drie laatste tentoonstellingen over de jaren 80 hebben qua kleur iets met elkaar gemeen: in Porto, bij de tentoonstelling The 80s – A Topology, was het boek fel roze, in Leverkusen, voor de tentoonstelling Kavalierstart – 1978-1982 Aufbruch in die Kunst der 80er, was het paars, en hier worden die twee kleuren gecombineerd. Had u dat opgemerkt? Is het een bewuste keuze geweest?

Y.A.: Jawel, mijn werk bestond er onder andere in om na te gaan wat er reeds gebeurd was. Dat paars-roze is echt een jaren 80-kleurtje, dat je ook terugvindt bij Fun Gallery en Gracie Mansion Gallery. Het is namelijk een zeer felle kleur die breekt met wit. Ze verwijst ook naar het belang van design in de jaren 80, en meer bepaald naar het werk van Ettore Sottsass.

 

 

2.

K.B./D.P.: Hoe dient het eerste luik, Espèces d’espace, te worden begrepen? Als een frase, een dialectische compositie, of eerder als een reeks opeenvolgende zalen die kunnen gelezen worden in hun onderlinge contrasten?

Y.A.: Overduidelijk een dialectische compositie. De tentoonstelling vormt wel één grote frase, maar die bestaat uit afzonderlijke verzen. Elke zaal is immers bedacht als één sluitend geheel, opgebouwd rond een relatief eenvoudige idee die ook vrij snel te achterhalen valt. De zalen zijn geordend in een parcours, waarvan je zou kunnen zeggen dat het eerste deel handelt over de publieke ruimte. Dan volgt een centrale ruimte waar de dichotomie publiek/privaat oplost, en een opening wordt gemaakt naar de private ruimte, of omgekeerd. De tentoonstelling is niet dialectisch in de betekenis van een geconstrueerd vertoog; de dialectische constructie is opgebouwd vanuit wat een tentoonstelling is, namelijk een reeks werken in bepaalde materialen met hun eigen vormen en kleuren, die zo in een ruimte geschikt zijn dat ze ensembles vormen langs een parcours, met een begin- en een eindpunt.

K.B./D.P.: Het eerste werk in de tentoonstelling – Square Times van Justen Ladda – wordt opgevoerd als een embleem: het is het enige werk dat alleen staat.

Y.A.: Het werk van Justen Ladda opent de tentoonstelling eerst en vooral in chronologisch opzicht: het luidt in de Verenigde Staten de jaren 80 in. De toenmalige critici zagen er het begin van een nieuw tijdperk in. Het is een werk dat tegelijk verwijst naar het intieme, het private (met al die weerkerende vormpjes) én naar het volstrekt publieke, aangezien het pas betekenis krijgt wanneer iemand ernaar komt kijken en precies op die ene plek gaat staan waar hij/zij de handafdrukken zal ontdekken. Justen Ladda’s Square Times is dus echt een symbolisch werk. Wat het sluitstuk betreft – de zaal met de kunstenaarsportretten, gemaakt door kunstenaars in Duitsland en de Verenigde Staten – dat markeert voor mij het einde van een dynamiek. De zaal toont het beeld van een generatie die zich er op zeker ogenblik van bewust wordt dat iets ten einde loopt: het groepsportret staat voor een verlangen om de tijd stil te zetten, om verloren illusies, de eigen jeugd en het politieke engagement te koesteren… Men legt iets op foto vast wat ten dode opgeschreven is.

K.B./D.P.: Het parcours is dus in zekere zin chronologisch. Bijgevolg is het einde ook het besluit.

Y.A.: Zo zie ik het ook weer niet. Er zijn chronologische aanwijzingen, namelijk dat het werk van Justen Ladda een werk is uit de vroege jaren 80, en dat de werken op het einde eerder van de late jaren 80 dateren, maar dat wil helemaal niet zeggen dat er wordt uitgegaan van een strikte en exhaustieve chronologie, van een kunstproductie die hier begint en daar eindigt.

K.B./D.P.: Je zou gewoon kunnen denken – misschien klinkt het vrij plat – dat de zaal met de kunstenaarsportretten-door-kunstenaars op de idee van stardom alludeert.

Y.A.: Het is zeker complexer en paradoxaler dan dat. De zaal die aan de ruimte met de kunstenaarsportretten voorafgaat en die gewijd is aan de New Yorkse kunstenaarscollectieven, herinnert aan het feit dat Jenny Holzer of Keith Haring uit die artistieke gemeenschappen zijn voortgekomen en er geëxperimenteerd hebben met manieren om hun werk te verspreiden, zoals het fanzine, het tijdschrift, video, activisme, wilde tentoonstellingen… Keith Haring begint als een Amerikaanse puber die het sociocultureel centrum in zijn straat bezoekt. Op het einde van de jaren 80 zijn zij inderdaad sterren geworden: Jenny Holzer gaat met marmer aan de slag in het Amerikaanse paviljoen op de Biënnale van Venetië, terwijl ze in haar begindagen posters aanplakte in de straten.

K.B./D.P.: Het slot van de tentoonstelling maakt ook duidelijk dat er tijdens de jaren 80 nog zoiets leefde als de idee van een artistieke gemeenschap, een idee die in de jaren 90 helemaal verdwenen is.

Y.A.: Beide hypotheses horen samen, dat is de pendant van wat ik net zei. Ik laat bijvoorbeeld een vitrine zien over een groep genaamd LAPD (Los Angeles Poverty Department), kunstenaars die performances opzetten met mensen in sociale noodsituaties… Het is duidelijk dat die artistieke scene zich – halverwege de jaren 80 – als een gemeenschap beschouwt, die zich als dusdanig verhoudt tot de globalere gemeenschap van medemensen, de maatschappij.

K.B./D.P.: De tentoonstelling eindigt niet alleen met de genoemde zaal met kunstenaarsportretten, maar ook met eentje over de contacten met verzamelaars. Zo is er die foto van Louise Lawler, waarop je werk ziet van Richard Prince bij de grote New Yorkse verzamelaar Schwartz, of het portret van Philippe Thomas gemaakt door zijn verzamelaars, en tot slot is er een werk van IFP (Information Fiction Publicité). Het lijkt alsof hier een ethische kwestie wordt aangesneden, om niet te zeggen dat de zaal een moralistisch kantje heeft…

Y.A.: Moralistisch zeker niet, ethisch ook niet helemaal… Als ik de mensen de les had willen lezen, dan had ik werken getoond van kunstenaars die met de leegte hebben gewerkt, met niets, zoals Laurie Parsons, en van wie sommigen sociaal werker zijn geworden. Maar ik geloof niet dat het einde van de jaren 80 ook het einde van de kunst inluidt, zoals sommige collega’s hebben beweerd. Nee, op het einde van de jaren 80 raakt de speculatie op de kunstmarkt in overdrive: dat is geen kwestie van ethiek of moraal, het is de realiteit.

K.B./D.P.: Het is wel een nogal pessimistisch verhaal, niet? Er is een kunstwereld, er wordt handel gedreven, maar er is geen artistieke gemeenschap meer.

Y.A.: Het is nu eenmaal zo dat die generatie op het einde van het decennium te maken kreeg met keiharde speculatie op de kunstmarkt, met het uiteenvallen van de artistieke gemeenschap en de cultus van het sterrendom. Eén zaal gaat over de solidaire artistieke gemeenschap die zich interesseert voor haar omgeving, daarna komt een zaal over de artistieke gemeenschap die zichzelf in beeld brengt, met de verleiding van de sterrencultus, en dan heb je die andere zaal waar de kunstenaar wordt voorgesteld in zijn verhouding tot de markt, tot zijn verzamelaar. Jullie hebben dus geen ongelijk.

K.B./D.P.: In een andere zaal is het verschil tussen private en publieke ruimte ook ambigu – we hebben het over de zogeheten video- of televisiezaal. Je laat zien dat de kunstenaars gezamenlijk voor de televisie werken: de gemeenschap staat dus achter de camera’s, maar de beelden die worden gedraaid, dringen binnen in een verstikkende privésfeer.

Y.A.: Jawel, omdat er op dat moment, vooral dan in Europa, een dubbele beweging aan de gang is: enerzijds een zich terugtrekken in de privésfeer, cocooning, en anderzijds een opening naar de buitenwereld via de media.

K.B./D.P.: Kan je wat meer vertellen over de tegenstrijdigheid tussen enerzijds de utopische gemeenschapsgedachte die deze tentoonstelling uitdraagt – met het werk van onder anderen John Ahearn en Kenny Scharf, de vitrine gewijd aan de LAPD… – en het project dat je in 1984 in Nevers opzette onder de titel Pour vivre heureux, vivons cachés?

Y.A.: Die tegenstrijdigheid heeft alles te maken met de manier waarop in Frankrijk de artistieke scene betrokken werd in het cultuurbeleid van de overheid. De beleidsmakers beseften dat zij in internationaal perspectief achterophinkten en ontwikkelden in dat kader een voluntaristisch overheidsbeleid dat de Franse scene met alle zorgen omringde. Paradoxaal genoeg werd de kunstsector door diezelfde beleidsmakers tevens vol argwaan bekeken. Zij waren immers bezig de vroegere actoren en hun instrumenten te vervangen door nieuwe institutionele netwerken, zoals de frac’s, nieuwe administratieve verantwoordelijken en artistiek adviseurs. Het was wel degelijk de bedoeling een totaal nieuwe scene in het leven te roepen en Frankrijk daarmee weer op de kaart te zetten, tegen de zo verguisde Amerikaanse overheersing in, met alle bijbehorende kwalen: het hyperintellectualisme van de minimal- en conceptkunst, de beperkte aandacht voor educatie, het overwicht van de markt enzovoort. Tentoonstellingsmakers en kunstenaars daarentegen wilden net alles in het werk stellen om de kunst te socialiseren en in de openbaarheid te treden. Je werkte in een zekere marginaliteit als je anders aankeek tegen het internationale en het nationalistische uitgangspunt afwees. De titel van mijn tentoonstelling getuigde daarvan: Pour vivre heureux, vivons cachés. Er is echter geen fundamentele tegenspraak tussen de huidige tentoonstelling en die van 1984; ze geven elk een andere invulling aan de privésfeer. In Espèces d’espace ligt de klemtoon op de private en huiselijke sfeer, terwijl ik met de tentoonstelling in Nevers mijn eigen ruimte heb geschapen als reactie tegen de culturele openbare ruimte, die mij niet beviel. Die afkeer werd trouwens gedeeld door een groot deel van de Franse scene. De privésfeer is de huiselijke sfeer, maar als je een stap verdergaat en zelf een gemeenschap creëert, kan je stellen dat die gemeenschap ook een soort privésfeer is: zij wordt gedefinieerd volgens een systeem van coöptatie, waardoor zij een bepaald aantal individuen kan samenbrengen; maar zij blijft privé in die zin dat zij wordt opgebouwd aan de hand van criteria die niet worden erkend door de omringende wereld.

 

Display

K.B./D.P.: Je gaf al aan dat beide thema’s — publiek en privaat — samenkomen in de centrale ruimte, met werken van John Armleder, Thomas Huber, BazileBustamante en Meyer Vaisman.

Y.A.: Precies. De functie van die ruimte is dubbel. Enerzijds vormt ze – een klassiek procedé in strak gestructureerde circuits – een onderbreking: je volgt een gang, waar links en rechts van alles te zien is, en plots krijg je iets als een raam in een museum, dat even uitzicht biedt op de buitenruimte. Die grote zaal markeert voor de bezoeker een breuk: hij/zij betreedt een meer uitgestrekte ruimte, die op een andere manier is ingericht. Dat zorgt voor een rustpunt, maar het is ook de plek waar de twee gedeelten samenkomen en in elkaar overlopen. Die zaal laat inderdaad toe om de duale structuur publiek/privé te relativeren. Het kwam eropaan heel sterke werken te vinden, die konden aangeven dat publiek en privé uiteindelijk twee aspecten zijn van eenzelfde problematiek, zoals Acrylux van BazileBustamante, het werk van Meyer Vaisman of dat van Thomas Huber. Het zijn de twee pendanten van eenzelfde reflectie op een gegeven ogenblik.

K.B./D.P.: Misschien komen de beide polen het duidelijkst samen in het werk van Meyer Vaisman. In de titel van dat werk – The Whole Public Thing – zit al die idee van publieke ruimte vervat, maar tegelijk is het een toilet en dus een zeer private ruimte.

Y.A.: Het is een collectief toilet, dat ook verwijst naar het ontstaan van de private ruimte, en meer bepaald van het individuele, private toilet: in het Westen is dat er pas erg laat gekomen, en was men lange tijd aangewezen op collectieve publieke toiletten waar iedereen schaamteloos zij aan zij zat.

K.B./D.P.: De rol van Thomas Huber in die centrale zaal is ons helemaal niet duidelijk. Naar ons gevoel moet het dispositief waarvan hij zich bedient — een rek — als een ideeënreservoir gelezen worden. Het staat voor de mentale ruimte van de kunst.

Y.A.: Een mentale ruimte, dat klopt, maar in materieel opzicht ontleent die haar vorm en kenmerken aan de display: het gaat in feite om het motief van het rek, dat je aantreft bij veel kunstenaars van die generatie, zoals Jeff Koons of Haim Steinbach, al heeft Hubers werk een heel andere betekenis.

K.B./D.P.: Precies. Er is toch een groot verschil met de andere werken, waarin je enerzijds de teloorgang van de publieke ruimte ziet en anderzijds de intieme sfeer en het spektakel dat in die intieme sfeer wordt binnengebracht. Niets daarvan bij Huber: hem gaat het, in haast heideggeriaanse zin, om de grenzen tussen de ruimte van de kunst en de ruimte waar de toeschouwer zich bevindt.

Y.A.: Net daarom zou ik het ook eerder willen hebben over betekenislagen, een beetje zoals de rokken van een ui. Wat ik van dit werk heb onthouden, is vooral de laag ‘display’: het is een rek waarop verschillende objecten staan uitgestald, en dat is een verwijzing naar de artistieke productie op dat moment, een periode waarin heel veel werken geïnspireerd zijn op design en display. Ik beschik niet over de instrumenten om het probleem van de artistieke productiewijzen aan de orde te stellen — de verhouding tussen opdrachtgever en kunstenaar was in de jaren 80 anders dan nu — maar wat ik wél aan de orde kan stellen, is het probleem van de display, de accrochage, de manier waarop kunst wordt getoond. Zoals gezegd is een tentoonstelling echter ook het resultaat van bepaalde beperkingen, en het werk van Thomas Huber is misschien niet het meest geschikte: ik had hier inderdaad liever een werk van Katharina Fritsch gezien, een grote tafel met objecten. Maar in Basel wilde men dat niet uitlenen, en dus weerhoud ik van dit werk van Huber enkel de formele laag, omdat de andere lagen niet pertinent zijn.

K.B./D.P.: Welke andere werken had je er graag bij gehad, en welke rol zouden die dan hebben gespeeld?

Y.A.: Ik had die grote toonkast met stofzuigers van Jeff Koons willen hebben, omdat dat werk verwijst naar de huiselijke sfeer, net als de werken van Laurie Simmons en Haim Steinbach. Ik kon het niet krijgen. Hetzelfde geldt voor het dubbelportret van Richard Prince met Cindy Sherman, of een werk van Prince uit zijn beginperiode, Untitled (living rooms) (1977), dat gebaseerd is op interieurmagazines en dat een goede aanvulling zou zijn geweest, een goed orgelpunt dat bij de werken van Laurie Simmons had gepast.

K.B./D.P.: De gekozen werken komen hoofdzakelijk uit Frankrijk. Waarom?

Y.A.: Dat is voor een flink deel zo, ja, gewoon omdat de ontwikkeling van die regionale collecties in Frankrijk in de jaren 80 er tegen alle verwachtingen in voor gezorgd heeft dat een groot aantal werken kon worden verworven, waaronder belangrijke stukken. Van de meeste belangrijke kunstenaars uit de jaren 80 werd in Frankrijk werk aangekocht. Vanaf de jaren 90 wordt dat heel anders. De spelers zijn niet meer dezelfde en er is minder geld.

K.B./D.P.: Schetst deze tentoonstelling dan ook een portret van Frankrijk in de jaren 80?

Y.A.: Onrechtstreeks wel, in die zin dat de rijkdom van bepaalde collecties wordt onthuld, maar tegelijk ook hun huidige schrijnende armoede… Natuurlijk heeft het ook met praktische en financiële overwegingen te maken dat veel werken in de tentoonstelling uit Franse collecties komen. Als er zoveel werken in Frankrijk te vinden zijn, waarom zou ik ze dan in België of de Verenigde Staten zoeken? Al moet ik eraan toevoegen dat heel wat werken uit Amerikaanse collecties afkomstig zijn.

 

 

Wanden

K.B./D.P.: Opvallend veel werken in deze tentoonstelling – van onder anderen Ladda, Sottsass, Förg, Armleder, Steinbach – zijn tegen een wand opgebouwd. De wanden van de zaal over de New Yorkse scene maken deel uit van de installatie. Het gebruik van de wand is dus een bewuste keuze. Waarom is dat voor jou zo belangrijk?

Y.A.: Eerst en vooral omdat deze generatie inderdaad vaak aan de wand heeft gewerkt: de muur wordt beschouwd als een wezenlijk onderdeel van de installatie of het werk, als reactie tegen de idee van de white cube. In de jaren 80 stapt men over van het postminimale white cube-model – de post-Szeemann-, post-Documenta 5-accrochage – naar een accrochage à la Mike Kelley, met all-over-composities en beschilderde wanden. Anderzijds lees je de geschiedenis nooit vanuit een totaal historisch bewustzijn. Ik breng hier immers, in een jaren 80-omgeving, elementen aan die eerder verwijzen naar dispositieven, installaties en tentoonstellingen uit de jaren 90, al kenden die in de jaren 80 al voorboden. En dan heb je nog bijzondere gevallen. Bij Steinbach bijvoorbeeld was het niet meteen zo bedoeld. Daar is het werken aan de wand voortgekomen uit de onmogelijkheid om het werk te realiseren dat ik op het oog had. Voor de New Yorkse zaal met Fashion Moda en ABC No Rio daarentegen, heeft het historisch bewustzijn wél de doorslag gegeven. Zij waren het immers die, binnen de New Yorkse scene, komaf maakten met de witte wand. Je mag ook niet vergeten dat het Groninger Museum in de jaren 80, zowel in tentoonstellingen als in collectiepresentaties, zaken als design, decoratie en de wand aan de orde stelde. Ik denk dat dit alles ons bij de centrale vraag brengt over het statuut van het kunstwerk: wat is het kunstobject, hoe verhoudt het zich tot de plek waar het wordt getoond, wat is een muur wanneer je er een schilderij tegen hangt? Die vragen komen in de loop van de jaren 80 voortdurend aan bod, vooral in de Amerikaanse scene, veel minder in de Europese, die nog sterk vasthoudt aan relatief klassieke accrochages en displays. Er vindt een geleidelijke overgang plaats naar accrochages die worden opgevat als globale ensceneringen. De tentoonstelling wordt een heus spektakel.

K.B./D.P.: Günther Förg heeft een nieuw werk gemaakt op een wand in de rue du Magasin. Hoe is dat gegaan?

Y.A.: Ik heb hem gewoon verteld wat het concept was, hem voorgesteld om de wand te gebruiken, en hij heeft het project uitgewerkt.

K.B./D.P.: Is hij de enige kunstenaar die nieuw werk heeft gemaakt?

Y.A.: Sommigen hebben een werk aangepast, zoals John Armleder of Haim Steinbach – de drie werken van Steinbach bestonden al, maar de achtergrondkleur werd gewijzigd. Voor de installaties heb ik veel van de kunstenaars geraadpleegd… Eigenlijk heb ik met alle kunstenaars gesprekken gevoerd, maar ik heb ze niet formeel betrokken bij het ontstaansproces van het project: ik heb het spontaan gedaan omdat ik ze goed ken.

K.B./D.P.: We zouden het nog even willen hebben over het werk van Louise Lawler: een foto van een wand in een Amerikaans huis, waarop werken te zien zijn die door verzamelaars zijn opgehangen…

Y.A.: Louise Lawler heeft het over de ruilwaarde van het kunstwerk en over wat er gebeurt als het naar een andere plek verhuist, over de betekenis van het werk in een privé-interieur, over de meerwaarde die het daar genereert… Uiteraard houdt ze zich dus ook bezig met accrochageproblemen, hetzij door zelf de accrochages te verzorgen, hetzij, wanneer ze een foto maakt bij een verzamelaar thuis, door de keuze van de invalshoek en de kadrering. Claude Gintz, de Franse kunstcriticus die vele Amerikaanse teksten uit de jaren 60 en 70 heeft vertaald, meende dat het bekritiseren van de beeldproductie in de massamedia door gebruik te maken van de eigen esthetica van die media of, zoals in het geval van Louise Lawler, van de gebruikswaarde van kunst in privé-interieurs, uiteindelijk een val is gebleken voor die kunstenaars. Volgens hem had dat te maken met de fascinatie die deze esthetica en gebruikswaarde op de kunstenaars uitoefenden. Uit de foto van Lawler spreekt geen greintje kritiek met betrekking tot de gebruiks- of ruilwaarde van het werk: er wordt slechts een uiterst formeel aspect belicht, de kritische dimensie is zeer beperkt.

K.B./D.P.: De wand is ook het vehikel bij uitstek voor decoratie. Het decoratieve lijkt jou bijzonder te interesseren.

Y.A.: Het probleem van het decoratieve is de hele jaren 80 aan de orde geweest, en daarom wordt het ook in de tentoonstelling gethematiseerd. Het verband met de wand is overduidelijk: de wand is niet langer wit, maar wordt gedecoreerd; het kunstwerk boet in aan autonomie wanneer het zich tot dit type omgeving moet verhouden. Toen ik jong was, las ik de geschriften van Daniel Buren, en ik herinner me zijn teksten over het decoratieve, omdat het inderdaad om een dimensie van de kunst gaat die in de jaren 80 heel sterk aanwezig is, bijvoorbeeld in de materiaalkeuze, die het resultaat is van zeer specifieke esthetica’s.

K.B./D.P.: Waarom heb je voor Sottsass’ werk gekozen? Omdat het formeel verwant is aan dat van Justin Ladda? Of gaat het om de inhoud die uitgedrukt wordt in de titel, Bacterio, een verwijzing naar aids?

Y.A.: Dat speelt allemaal mee. Formeel leunt het werk ook heel nauw aan bij dat van Meyer Vaisman, met die witte en zwarte spaghettimotieven, als vingerafdrukken. Maar in Bacterio zit inderdaad ook de – in de jaren 80 onvermijdelijke – verwijzing naar aids. Een bijkomende reden is het belang van design in de jaren 80, en meer bepaald van Sottsass in Europa. Een laatste punt ten slotte is puur formeel: het bezetten van een ruimte door de herhaling van eenzelfde patroon.

K.B./D.P.: Je hebt Sottsass een plaats gegeven bij het begin en het einde van de catalogus, en aan beide uiteinden van de centrale gang in de tentoonstelling.

Y.A.: Hij is een van de belangrijke auteurs van het beeldend universum van het decennium. Ik presenteer zijn werk echter niet als ‘decoratie’, ik zou het eerder ‘visuele tekens’ willen noemen: de tekens, de technieken, de materialen en de vormgeving daarvan, zoals die op een bepaald moment worden aangewend, en die in zekere zin iets kunnen zeggen over een periode op een bepaald moment. Zoiets kan in historisch opzicht even betekenisvol zijn als bijvoorbeeld de publicaties uit die tijd. Er is echt sprake van een visuele of materiële zeitgeist. Zelf voel ik voor het decoratieve noch afkeer noch fascinatie. Het hoort gewoon bij de kunstproductie en dat laat ik ook zien: die beeldcultuur is aanwezig in de catalogus en in de tentoonstelling.

K.B./D.P.: Wij hebben echter het gevoel dat de kwestie niet zo neutraal is als je laat uitschijnen; het ligt dubbelzinniger.

Y.A.: Er kan ongetwijfeld sprake zijn van een zekere dubbelzinnigheid, van dingen die ontsnappen: alles is niet perfect geconstrueerd. Maar de kwestie van het decoratieve is me niet ontgaan, ik ben me ervan bewust, anders had ik me gedragen als een gekke decorateur!

 

 

II. Tweede deel: Images et (re)présentations

K.B./D.P.: In de bezoekersgids worden de twee delen van de tentoonstelling voorgesteld: het eerste luik gaat over de verhouding tussen private en publieke ruimte, terwijl het tweede luik een soort implosie van dit onderscheid representeert. Wil dat zeggen dat beide luiken ook in chronologisch opzicht te onderscheiden zijn?

Y.A.: De bezoekersgids is bedoeld voor een zeer breed publiek, de zaken worden er schematisch weergegeven. De twee luiken zijn behoorlijk verschillend, maar zo’n onderscheid is tegelijk ook nooit totaal. Het centrale werk bijvoorbeeld, Louis XIV tanzt van Dan Graham, Jeff Wall en Rüdiger Schöttle, handelt ook over de publieke ruimte, maar dan wel door deze te ‘spectaculariseren’, met name door het probleem van de representatie aan de orde te stellen. Dit werk had evengoed in het eerste luik kunnen zijn getoond: de indeling is relatief arbitrair; beide luiken overlappen deels.

K.B./D.P.: De twee luiken verschillen toch wel grondig: op onze beurt schematiserend, kunnen we stellen dat in het eerste luik een dialectisch vertoog wordt gehouden, terwijl in het tweede luik geen dialectiek meer aan de orde is, maar een implosie of explosie.

Y.A.: In deel 1 werd inderdaad een dialectisch vertoog gehouden over het probleem van de publieke en private ruimte. Vanaf het einde van de jaren 70 en de vroege jaren 80 werden rond dit thema zeer relevante standpunten ingenomen door Franse, Amerikaanse of Duitse auteurs. In deel 2 is dat niet meer zo. Het deel van de jaren 80 waar we dan in belanden, kent een soort explosie in visueel en materieel opzicht, op het niveau van het medium, en bijgevolg een implosie in discursieve zin: het discours valt samen met en gaat op in de problematiek van representatie en beeldproductie. Men put uit een aantal databanken met beeldmateriaal: uit de media, uit de film, ja ook uit de kunstgeschiedenis. Men recycleert deze beelden en produceert zo een nieuw, vaak syncretisch beeld. Het beeld dient als grondstof voor de aanmaak van nieuwe beelden. Om de betekenis van dit tweede luik symbolisch tot uitdrukking te brengen, heb ik gekozen voor Not Warhol (One Orange Marilyn, 1962) van Mike Bidlo, voor het werk van het Franse collectief Les Frères Ripoulin, ook wel ‘média peintres’ genoemd, en voor het fotowerk van Laurie Simmons waarop plastic figuurtjes te zien zijn tegen de achtergrond van toeristische sites.

K.B./D.P.: Beide luiken handelen dus over de jaren 80, maar in het ene krijg je vooral een dialectisch discours, terwijl in het andere geen sprake is van dialectiek, maar eerder een soort catastrofe wordt geëvoceerd. Dat schept een zeker onbehagen…

Y.A.: Je kon beide houdingen in de jaren 80 aantreffen, maar omwille van de duidelijkheid en van ruimtelijke noden moesten ze hier onderscheiden worden. Beide posities bestonden in de jaren 80 naast elkaar. De kunstproductie op een bepaald moment is altijd meervoudig, en wat het tweede luik laat zien, is een andere productie uit de jaren 80.

K.B./D.P.: Je zou het ook anders kunnen zien: in het eerste luik was dialectiek nog mogelijk, bestond er nog een positief project van kunstenaars die in de publieke ruimte willen investeren vóór die verloren gaat. In het tweede luik zijn we de dialectiek voorbij en belanden we in de catastrofe: het einde van de abstractie, het einde van de authenticiteit, het einde van alles… Het lijkt wel een soort fatale teleologie.

Y.A.: Dat catastrofegevoel, die woekering van beelden… ja, dat is waar. De jaren 90 zijn inderdaad slechts de uitkomst geweest van deze catastrofe. Er is dus wel degelijk een chronologie, maar in de tweede helft van de jaren 80 kon zowel het ene als het andere aspect overheersen, het lag eraan waar je je op dat moment bevond.

K.B./D.P.: In de tentoonstelling wordt de catastrofe in heel wat werken zichtbaar gemaakt, gerepresenteerd, gethematiseerd.

Y.A.: Dat klopt. Ik hou erg veel van de zaal met de eerste Amerikaanse appropriation-kunstenaars, de catastrofezaal met schilderijen van Tom Lawson, Sarah Charlesworth, Jack Goldstein, Troy Brauntuch. Het zijn inderdaad heel sombere werken. Toch denk ik niet in de eerste plaats aan een catastrofe. Zij recycleren beelden uit de faits-diverspagina’s in de pers, net zoals Warhol dat heeft gedaan. Ten opzichte van het eerste luik is er sprake van een soort verzaking, van een enorme ontgoocheling.

K.B./D.P.: De tentoonstelling heeft veel weg van een verzameling slachtoffers: mensen die zelfmoord plegen, die het slachtoffer worden van een explosie… De representatie van de collectieve catastrofe is al aan de orde in de eerste zalen, met het vanitasschilderij van George Condo en nog een ander werk…

Y.A.: Ja, dat van Dokoupil in wat ik de ‘Tsjechenzaal’ noem. Ik vind het vrij fascinerend dat de Europeanen geen aandacht hadden voor kunstenaars uit Tsjecho-Slowakije, zoals Jiri Georg Dokoupil, en al diegenen die via Düsseldorf in het Westen zijn beland. Neem Milan Kunc, die na de Praagse lente Tsjecho-Slowakije inruilt voor het niet-communistische Westen. Hij eigent zich de iconen van het kapitalisme, het socialisme en de klassieke renaissanceschilderkunst toe om aan te geven dat de communistische en de kapitalistische wereld op eenzelfde catastrofe afstevenen, namelijk het consumentisme. In de teksten die hij publiceerde vóór de val van de Muur betoogde hij reeds dat het onvermogen van de communistische regimes om de middenklasse het gewenste materiële comfort te bieden tot de val van het communisme zou leiden. Hij heeft gelijk gekregen. Er is dus inderdaad sprake van ontgoocheling, van bittere ernst, in die zin dat al deze kunstenaars die schilderijen maken en beelden produceren een uiterst verontruste blik werpen op de wereld waarin zij leven. Het schilderij van Condo is wel degelijk een vanitas, net als dat van Dokoupil. In de tweede zaal, die ik graag de surrealistische zaal noem, is er ook het hele grote schilderij van Robert Yarber, dat werd getoond in de tentoonstelling Horn of Plenty (Stedelijk Museum Amsterdam, 1989): Man on the Floor.

K.B./D.P.: Op dat schilderij is een dode te zien…

Y.A.: Ja, al zijn schilderijen zijn opgebouwd volgens hetzelfde model: een stedelijk architectuurlandschap bij nacht, dat herinnert aan Miami of Las Vegas, hotellobby’s, neonlichten, en in die sfeer mensen die voor hun tv-toestel in slaap zijn gevallen, mensen die in een soort trance door de lucht zweven, of dood zijn… Ik heb de werken echter niet gekozen in functie van die kenmerken: ik meen dat dit aspect in het werk van zeer veel kunstenaars aan de orde is.

K.B./D.P.: Het is geen bewuste keuze geweest om al deze variaties op het thema catastrofe en dood aan bod te laten komen?

Y.A.: Nee, helemaal niet, ik denk echt niet dat ik de werken in functie van die thematiek gekozen heb, tenzij dan onbewust. Ik had ook andere werken van Condo of Dokoupil kunnen kiezen, maar wat de werken van Tom Lawson of Milan Kunc betreft: die zijn volkomen representatief voor hun toenmalige productie.

K.B./D.P.: Het centrale werk van David Salle, dat rode werk, stelt ook een catastrofe voor. Ook hier is een dode vrouw te zien.

Y.A.: Toch niet, zij slaapt. Maar het is niet makkelijk om een vrolijke noot te vinden in het werk dat David Salle toen maakte. Ik ben voor de samenstelling van dit tweede luik op dezelfde manier te werk gegaan als voor het eerste. Ik heb zoveel mogelijk werk bekeken. Jullie geven terecht aan dat mijn keuzes iets onbewusts verraden, én ook een bepaalde hoofdtoon, een typische kentrek van die periode. Het lijkt me onmogelijk uit te maken welk van beide de doorslag heeft gegeven. Hoe dan ook is er die heel sterke, sombere ondertoon. Ook Bidlo, van wie ik die nep-Pollock en nep-Warhol laat zien, is niet bepaald vrolijk te noemen… 

 

Megakitsch

K.B./D.P.: Images et (re)présentations maakte op ons een ietwat hypertrofische indruk; terwijl het eerste luik juist heel economisch was opgevat, er was geen werk te veel…

Y.A.: Dat komt omdat jullie, net als alle Europeanen, het verhaal van Espèces d’espace het beste kennen. Het zijn werken en kunstenaars waar jullie goed mee vertrouwd zijn, het lijkt allemaal helder, er is een duidelijke rode draad. In Images et (re)présentations komt een minder bekend aspect aan bod, en dat lokt daardoor meteen ook meer kritiek uit.

K.B./D.P.: Het tweede luik omvat inderdaad werk dat door niemand wordt opgeëist: Jiri Georg Dokoupil, George Condo, David Diao… en vooral de werken van Rodney Alan Greenblat, Kenny Scharf en Rhonda Zwillinger…

Y.A.: Het gaat echt om datgene waar men in een bepaald deel van Europa niet van hield en in het andere deel juist dol op was. De neo-geo was een heel klein milieu in Europa, met John Armleder en enkele andere Europeanen, maar voornamelijk toch Amerikanen rond Peter Halley. Je vindt die neo-geovormentaal terug bij kunstenaars die op hun eigen manier appropriation art beoefenden, zoals Rob Scholte met zijn schilderij Domino Theory, of in de laatste zaal Milan Kunc en Jiri Georg Dokoupil. Die scene werd echt gedragen door Duitsers, Duitstalige Zwitsers en een aantal Nederlanders. Je kan me er niet van verdenken dat ik een publiekstrekker heb willen maken! Om met een tentoonstelling over de jaren 80 een zeker succes te oogsten, moet je doen zoals het Metropolitan in New York – met The Pictures Generation, 1974-1984 – voor wat de Amerikaanse scene betreft, of zoals ik in het eerste luik heb gedaan voor de Europese scene. De New Yorkse scene heeft een duidelijke keuze gemaakt: ze heeft galeriehouders als Gracie Mansion of Tony Shafrazi links laten liggen. In de tentoonstelling van het Met zijn die dan ook nergens te bespeuren. Deze tentoonstelling laat datgene zien waar een bepaald deel van de kunstwereld echt een hekel aan heeft gehad.

K.B./D.P.: Terwijl jij er geen hekel aan hebt?

Y.A.: Ik heb zelden ergens een hekel aan. Ik ben onderzoeker en historicus van vorming en baseer mijn oordeel nooit op de geruchten in het milieu. Jongere tentoonstellingsmakers en kunstenaars zijn tegenwoordig erg geïnteresseerd in de jaren 80; ze houden veel van Mike Kelley, Jim Shaw, Kenny Scharf, Milan Kunc of Rhonda Zwillinger. Er is sprake van een ommekeer: hun generatie kijkt er anders tegenaan dan de onze.

K.B./D.P.: Moesten er werkelijk twéé zalen gewijd worden aan het werk van kunstenaars als Rhonda Zwillinger? In die zalen wordt werk gepresenteerd dat je zou kunnen omschrijven als ‘megakitsch’. Het betreft op zich geen bijzonder interessante kunst, het is slechts een episode in de jaren 80.

Y.A.: Daar ben ik het echt niet mee eens. Rhonda Zwillinger en Rodney Alan Greenblat vertegenwoordigen een belangrijke strekking: de New Yorkse East Village-esthetica die je kon aantreffen in de galeries van Tony Shafrazi en Gracie Mansion. Ik zie trouwens niet alleen maar kitsch: ik zie ook kunstenaars die een aantal tekens en beelden hergebruiken, die aan de hand van bestaande beelden nieuwe beelden maken. Ik denk aan die ene zaal met het zeer mooie werk van Dokoupil, Die Drei Richtigen Töne, en de werken van Milan Kunc. Kunc is een van de Europese tegenhangers van de Amerikaanse picturale appropriation art. Ik vind hem een belangrijk kunstenaar. Ik ben ervan overtuigd dat het om een relatief sterke Europese stroming gaat en dat deze kunstenaars getoond moesten worden, net als Martin Honert, die zeer mooi werk heeft gemaakt.

K.B./D.P.: De schilderkunst is in Images et (re)présentations sterk vertegenwoordigd, met een uiterst precieze en verrassende, ongewone keuze. Maar bepaalde stromingen zijn totaal afwezig, zoals de Berlijnse Neue Wilde en de Italiaanse Transavanguardiaschilders. Waarom?

Y.A.: Ik heb heel precieze keuzes gemaakt, en ben dus ook aan sommige zaken voorbijgegaan. Dat heeft met waardeoordelen te maken. Ik laat in de tentoonstelling dan weer wél Europese kunstenaars zien die contacten hadden met de VS, zoals de Frans-Amerikaanse kunstenaar Thierry Cheverney in de surrealistische zaal. De Transavanguardia komt niet in de tentoonstelling aan bod, maar wel in de catalogus. Ik geloof in alle ernst dat de Neue Wilde, ook de Berlijnse tak, in een globaal perspectief niet interessant zijn. Het werk dat ik laat zien van de Gruppe Normal, Milan Kunc of de Mülheimer Freiheit, lijkt me veel boeiender dan dat van de Neue Wilde. Dat is echt een waardeoordeel. De afwezigheid van de Neue Wilde heeft niets te maken met materiële overwegingen: ik neem duidelijk stelling in, want nogmaals, volgens mij zijn het geen interessante figuren.

K.B./D.P.: Met welke kunstenaars in de tentoonstelling heb je in de jaren 80 zelf samengewerkt?

Y.A.: Met de meeste kunstenaars die in de geest van het eerste luik actief waren. Wat het tweede luik betreft, heb ik gewerkt met de eerste appropriation-kunstenaars, Jack Goldstein, Troy Brauntuch, met mensen van de neo-geo, met Rüdiger Schöttle. Ik heb niet gewerkt met de kunstenaars uit de tweede zaal, de surrealistische zaal, noch met diegenen uit de laatste, zogenaamde ‘kitsch’-zaal.

K.B./D.P.: Zijn er omgekeerd ook kunstenaars met wie je hebt gewerkt en die noch in het eerste, noch in het tweede luik voorkomen?

Y.A.: Jawel: Matt Mullican, Fortuyn O’Brien, tal van mensen… Ik schrijf niet de geschiedenis maar een geschiedenis. Overigens komen heel wat werken die hier niet te zien zijn, wél voor in de catalogi van de tentoonstellingen of in andere publicaties die ik heb gemaakt, zoals de eerste bloemlezing van Amerikaanse teksten over aids (AIDS Riot), en in andere tentoonstellingen, zoals Féminisme et Art.

K.B./D.P.: Zou je de twee luiken van de tentoonstelling fysiek kunnen samenbrengen?

Y.A.: Wat blijft, zijn de twee catalogi die een enigszins ander licht werpen op die periode, door er de diversiteit en de rijkdom van te onthullen, en in zekere zin de uiterst relatieve antinomie tussen de verschillende posities. Het gaat om twee verschillende aspecten van eenzelfde periode, op een bepaald moment. Eén deel is strak geordend, sterk intellectueel onderbouwd, met baanbrekende teksten die door de kunstenaars gelezen en besproken werden; en dan is er dat andere deel, dat schijnbaar meer verwikkeld is in een aan de beelden zelf ontsproten semantiek en grammatica.

K.B./D.P.: In welke mate heb je met deze tentoonstellingen je eigen visie op de jaren 80 opnieuw ter discussie gesteld?

Y.A.: Ik heb geprobeerd een aantal zaken opnieuw te evalueren, maar dan wel via een systemische benadering, dat wil zeggen door de dingen niet uitsluitend op zichzelf te evalueren, maar als onderdeel van een globaal geheel. Zo bijvoorbeeld werd door de heruitgave van de lange tekst van Gregory L. Ulmer over hertoe-eigening en de technieken om beelden te maken aan de hand van bestaande beelden (collage, montage en fotomontage) de historische en kritische context geduid van de New Yorkse appropriation art. 

 

De andere jaren 80

K.B./D.P.: Als je de twee luiken overschouwt, valt op dat sommige kunstenaars ontbreken, zoals Jean-Marc Bustamante, Niek Kemps, René Daniëls of Jan Vercruysse, kunstenaars die sterk vertegenwoordigd waren in de tentoonstelling The Eighties, gemaakt door Ulrich Loock in het Serralves Museum (Porto). Hoe komt dat?

Y.A.: Dat heeft echt louter met feitelijke kwesties te maken: ik had de foto’s van Jean-Marc Bustamante in het eerste luik kunnen opnemen, maar heb het niet gedaan omdat BazileBustamante al vertegenwoordigd waren. Wat Jan Vercruysse betreft, beschikte ik in Frankrijk niet over belangrijke werken. Economische beperkingen hebben ontegensprekelijk meegespeeld. Sommige kunstenaars die niet in de tentoonstellling zijn opgenomen, komen aan bod in de catalogi, die even belangrijk zijn als de tentoonstellingen. Hetzelfde geldt voor Katharina Fritsch of Reinhard Mucha, die vanuit mijn standpunt onmisbaar zijn en toch niet in de tentoonstellingszalen aan bod komen, maar wel in de catalogi. Het zijn gewoon twee manieren om betekenis te construeren en te representeren.

K.B./D.P.: De genoemde — in de tentoonstelling afwezige — kunstenaars ontwikkelden in de jaren 80 een vertoog over de plaats van de kunst. Dat discours is niet terug te vinden in de twee luiken van de tentoonstelling, en ook niet in de catalogi.

Y.A.: Ja, maar dat was één vertoog en niet het mijne: ik was en ben wel in hen geïnteresseerd, maar om andere redenen.

K.B./D.P.: Waarom was dat niet jouw vertoog?

Y.A.: Zoals ik al zei, had ik tijdens de jaren 80 veel meer belangstelling voor de Amerikaanse appropriation art, de kunstenaars van Metro Pictures en vele anderen: voor hun werk over het beeld en de tekens die het beeld overdraagt, in relatie tot de media. Wat de Europese scene betreft, was ik vooral geïnteresseerd in de kunstenaars die zich voor die Amerikaanse invloed openstelden en contacten onderhielden met kunstenaars als Dan Graham of met de scene in Vancouver, met Jeff Wall. Dat was bijvoorbeeld het geval voor een deel van de Duitse scene rond Rüdiger Schöttle, of voor de Duitse of in Duitsland opgeleide kunstenaars die eveneens beeldrepertoires en artistieke posities recycleerden. Ik denk met name aan Martin Kippenberger of Albert Oehlen. Ik was duidelijk minder geïnteresseerd in de kunsttheoretische inbreng van de machtskring rond Ulrich Loock en Denys Zacharopoulos.

K.B./D.P.: Jij neemt als intellectueel een ander standpunt in dan Ulrich Loock?

Y.A.: Absoluut. Naar mijn gevoel was zijn kunstopvatting toch nog heel nauw verbonden met een poging tot esthetisering van de werkelijkheid, en werd ze gekenmerkt door een sterke gehechtheid aan een kunstproductie in de vorm van objecten met een relatieve autonomie, die men kon beschrijven, die een materiële hoedanigheid bezaten, die pasten in een duidelijk omschreven esthetica en zich op een ondubbelzinnige manier tot de tentoonstellingsruimte verhielden. Ik was veeleer bezig met een bevraging rond productie en receptie die nog gericht was op een transformatie van de werkelijkheid, weze het door haar te sublimeren of door de figuur van de allegorie te bespelen.

K.B./D.P.: Zou je van daaruit jouw politieke positie kunnen omschrijven? Hoe moest men volgens jou in de jaren 80 aan politiek doen en over politiek denken? 

Y.A.: Ik vond dat men als curator aanwezig moest zijn op het publieke forum, en dat de kunstenaar zich rekenschap moest geven van zijn eigen positie. Veel kunstenaars met wie ik heb samengewerkt hebben dat ook gedaan, hetzij via hun werk, hetzij via hun persoonlijke stellingname in die publieke ruimte. De politiek is in feite geleidelijk aan op de achtergrond geraakt ten voordele van de ‘spectacularisering’ van de kunst en de razendsnelle opgang van haar economische betekenaren. Wij verloren langzaam de greep op ons milieu en leverden ons over aan de zuivere markteconomie, die nu ook aan de kunstenaars voorschrijft wat ze moeten doen. Het economische leven en de steeds strakker gereglementeerde investeringsmechanismen passen zich niet aan aan de voorkeuren van een milieu waarin een aantal actoren bepaalde criteria onderschrijven. Men kiest zelf de kunstenaars met wie men wil werken, op basis van een reeks eigen criteria, en bouwt rond deze figuren geleidelijk een homogeen milieu op, met eigen tijdschriften, eigen kunstcritici enzovoort. Rekening houdend met de evolutie die we voelden aankomen, vond ik dat je je niet afzijdig mocht houden.

K.B./D.P.: Kan je voorbeelden geven van die veranderingen in de kunsthandel?

Y.A.: Toen ik dit beroep begon uit te oefenen, had je grote namen zoals Kasper König of Harald Szeemann, die tentoonstellingen maakten op basis van een bijzondere relatie met de kunstenaars en aan de hand van een kritisch instrumentarium, gesteund op een stevige theoretische bagage. De modellen die nu heersen, zijn van een heel andere orde. Indien de kunstenaar, volgens het oude marxistische schema, op zeker ogenblik de controle over een deel van zijn werk verloor, doordat het werd verdeeld tussen de kunstcriticus, de museumconservator en anderen, dan moeten we vaststellen dat deze kunstwereld, voortgekomen uit een ‘deling van de kunstenaarsarbeid’, op zijn beurt een flink deel van zijn prerogatieven heeft verloren aan de markteconomie en haar ontmoetingsplekken, zoals de kunstbeurzen. De kunstwereld bepaalt niet langer zijn eigen waarde- en representatiesystemen. De kunstbeurzen — met name Art Basel, die qua omvang en inventiviteit niet moet onderdoen voor een biënnale — vervullen nu een sleutelrol en hun operatoren zijn voortaan de toonaangevende actoren. Het probleem is niet zozeer de toepassing van harde economische regels in de kunstwereld als wel het gebrek aan artistieke vorming van de protagonisten en de bijbehorende onderwerping van de instituten aan de spektakelindustrie of aan de academisering van het artistieke veld. Kan iemand in alle ernst geloven dat de beroemdste internationale verzamelaars van deze tijd — captains of industry — conceptkunst of minimal zouden verzamelen als die kunststromingen vandaag actueel waren, zoals de Herberts of Daleds van weleer hebben gedaan? De kaarten zijn door de opmars van de markteconomie opnieuw geschud, en die vormen van kunstproductie die in materieel of kritisch opzicht of omwille van hun formaat het radicaalst zijn, worden door haar gemarginaliseerd.

 

Redactie in het Frans: Laurence Tuerlinckx

Vertaling uit het Frans: Catherine Robberechts

 

Het tweedelige tentoonstellingsproject Les années 80 vond plaats in Le Magasin, Centre National d’Art Contemporain, 155 Cours Berriat, 
Site Bouchayer-Viallet,
 38000 Grenoble 
(04/76.21.95.84; www.magasin-cnac.org). Het eerste deel Espèces d’espace liep van 12 oktober 2008 tot 4 januari 2009, het tweede deel Images et (re)présentations van 31 mei 2009 tot 6 september 2009.

‘Een reflexieve houding op televisie: dat is heel moeilijk’

Koen Brams/Dirk Pültau: Wat roept het jaartal 1980 bij je op?

Jef Cornelis: In één woord? Stabilisering.

K.B./D.P.: Wat bedoel je daarmee?

J.C.: In 1977 werd mijn dochter Eva geboren. Daarna heb ik samen met haar moeder, Kristien Kloeck, met wie ik nog steeds samenleef, een huis gebouwd in Antwerpen. Omstreeks 1980 word ik stabiel en dat is letterlijk te nemen: ik ben sindsdien niet meer verhuisd.

K.B./D.P.: In 1980 ben je mid-career. Je bent in 1963 in de openbare omroep beginnen werken, en je laatste film, De kleuren van de geest, die je maakte in samenwerking met Paul Vandenbroeck, is uitgezonden in 1997. 1980 is het exacte middelpunt van je carrière.

J.C.: Mathematisch klopt dat, maar jullie weten ook dat ik gedwongen ben om te stoppen. Het was niet mijn keuze. Het was afgelopen. The End. Schluss. Fini. Ik had toevallig genoeg dienstjaren. Financieel was het doenbaar.

K.B./D.P.: In de jaren omstreeks 1980 ben je vooral bezig met literatuur. In 1979 komt de film over de Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Oscar de Wit op antenne, en begin 1980 wordt Het gedroomde boek uitgezonden – de film waarin fragmenten uit Vita Brevis, het verzameld werk van Maurice Gilliams, in beeld worden gebracht.

J.C.: Ja, dat klopt, maar ik herinner me die tijd ook – en vooral – als de periode waarin ik ernstig ziek ben geweest. Ik had een leverontsteking. Het leek op hepatitis C, maar uiteindelijk is bewezen dat het een ander syndroom was, waarvan de symptomen identiek waren aan die van hepatitis C.

K.B./D.P.: Wanneer ben je ziek geworden?

J.C.: Na de afronding van de opnamen voor Het gedroomde boek. Vlak voor de laatste opnamen, in november 1978, was ik een week in Firenze, samen met Geert Bekaert.

K.B./D.P.: Was je in Firenze voor een televisieproject?

J.C.: Ja, we wilden een film maken over Firenze – de oude stad als historisch monument – maar dat project is nooit van de grond gekomen. We wilden een aantal van dergelijke steden behandelen, voornamelijk gefocust op de publieke plaatsen in die steden – het zou een serie worden. Geert Bekaert had echter een chronologisch overzicht in gedachten. Ik wou het anders aanpakken, dat wil zeggen: beeldmatig. We zijn er niet uitgeraakt. Maar ik kreeg ook het geld niet bij elkaar. In ieder geval zou het tot 1983 duren vooraleer ik opnieuw met Geert zou samenwerken, namelijk voor de film over de architect Charles Vandenhove. Firenze was een soort afscheid.

K.B./D.P.: Bij terugkeer uit Firenze, midden november 1978, realiseer je de laatste opnamen voor Het gedroomde boek. Ben je daarna onmiddellijk met de montage begonnen?

J.C.: Ja. De beeldmontage was niet zo moeilijk, want alles was gedetailleerd omschreven in het draaiboek. Ik denk dat ik rond kerstmis met een goed gevoel naar huis ben gegaan. Daarna heb ik die vermeende geelzucht gekregen. In het begin was het een regelrechte hel omdat ik tot niets meer in staat was. Maar na een tijdje ben ik toch weer beginnen werken. De mixing en de off-synchronisatie van Het gedroomde boek – in drie talen nota bene: Nederlands, Engels en Frans – heb ik liggend gemaakt. Ik was overal bij. Officieel ben ik echter terug beginnen te werken in mei 1979.

 

Met koele obsessie

K.B./D.P.: Nauwelijks enkele maanden later, op 5 september 1979, zendt de BRT jouw film over Oscar de Wit uit, getiteld Oscar de Wit – tekeningen, teksten. Die film is dus op zeer korte tijd gerealiseerd. De publicatie van Met koele obsessie, het boek van Oscar de Wit, de aanleiding voor de film, dateert ook van 1979. Hoe ben je op het idee gekomen om een film te maken met en over Oscar de Wit?

J.C.: Georges Adé had het boek van Oscar de Wit gelezen. Ik heb altijd heel nauwe contacten gehad met Georges. Hij raadde me het boek aan. Ik heb het gelezen en ik heb onmiddellijk beslist om er een film over te maken. Het was lang geleden dat een Nederlandstalig boek mij zo had aangegrepen. Ik heb dat boek ook aan een aantal mensen geschonken. Maar het had ook met mijn ziekte te maken: het enige zinnige waartoe ik in die tijd in staat was, was het lezen van een boek.

K.B./D.P.: Was Georges Adé betrokken bij de realisering van de film?

J.C.: Nee, hij heeft me enkel op het spoor van Oscar de Wit gebracht. Ik wou de film alleen maken.

K.B./D.P.: Waarom? Wat trok je aan in het boek?

J.C.: Ik vond Met koele obsessie een meeslepend boek. Ik neem het trouwens nog steeds weleens ter hand. De Wit bracht heel wat onderwerpen ter sprake die me bezighielden: Indonesië, Multatuli – Max Havelaar stond op het lesprogramma van de Film en Televisieacademie in Amsterdam waar ik in het begin van de zestiger jaren studeerde. Maar het waren toch vooral De Wits verwijzingen naar Stendhal die mij boeiden. Nadat ik als jongeling, op mijn vijf- of zestiende, Le rouge et le noir las, ben ik met Stendhal bezig gebleven. Ik begreep waar De Wit met zijn tekeningetjes aan refereerde! Die rechtstreekse en onrechtstreekse verwijzingen naar Stendhal hebben me zeker gegrepen.

K.B./D.P.: Waarom fascineerde Stendhal je?

J.C.: Ik hou vooral van Vie de Henry Brulard, Stendhals autobiografie, met die talloze tekeningetjes. Stendhal heeft mij altijd begeesterd omdat hij een stedeling was. Hij bezocht het theater, maakte wandelingen in de stad, ging uit eten. Wat was er te halen in Brasschaat, in Vlaanderen? Niets. Stendhal, Beyle, dat is mijn jeugd. Ook Beyle heeft een sterke band met zijn grootvader gehad.

K.B./D.P.: Carel Peeters, recensent voor Vrij Nederland, legde in zijn bespreking van Met koele obsessie ook het verband tussen het boek van Oscar de Wit en Stendhals oeuvre…

J.C.: Ja, als ik het me goed herinner, is hij ongeveer de enige die het boek positief heeft besproken. Oscar de Wit heeft het hard te verduren gekregen. Hij is uitgespuwd, al kreeg hij in 1980 een prijs voor zijn boek, deLucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs van de Nederlandse Maatschappij der Letteren.

K.B./D.P.: Oscar de Wit schrijft over beeldende kunst – bijvoorbeeld over Spoerri, Hopper, Picasso… – en hij is als beeldend kunstenaar actief. Boeide hij jou als beeldend kunstenaar?

J.C.: Ja, ik was ook om die reden nieuwsgierig naar hem. Hij tekende ook stripverhalen, die trouwens ook getoond worden in de film. De kring waar hij evenwel toe behoorde, de kring rond Roland Topor, heeft mij nooit geïnteresseerd. Dat soort zwartgalligheid.

K.B./D.P.: Heeft hij succes gehad als kunstenaar?

J.C.: Ja, in het begin, in Parijs. In 1979 schrijft Jean Clair over Oscar de Wit, in de tentoonstellingscatalogusNouvelle subjectivité – Un autre document sur le retour de l’expression figurative.

K.B./D.P.: Wat vond je van zijn beeldend werk?

J.C.: Ik was door één werk geïntrigeerd, dat zelfportret met die hoofddoek… Dat werk zit dicht bij Matisse, maar hij zag dat niet. Iemand die zich zo kleedt, en zich daarin verbergt, dat houdt mij bezig. Die verkleedpartij en die periode die hij zich voorstelt – hij probeert dat allemaal op te roepen.

K.B./D.P.: Het interesseert je omwille van de zelfrepresentatie?

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: En het overige beeldend werk?

J.C.: Sommige landschappen vond ik geslaagd.

K.B./D.P.: Met koele obsessie handelt naast beeldende kunst over zeer veel andere onderwerpen, zoals psychologie, literatuur; maar het belangrijkste onderwerp is ongetwijfeld De Wits terugblik op zijn eigen kinder- en jeugdjaren, met name in Indonesië, waar hij in de Tweede Wereldoorlog terechtkomt in de kampen. Zijn vader en moeder overleven de kampen niet, en De Wit wordt na de oorlog alleen op een boot gezet naar Nederland. Hij wordt opgevangen door een pleeggezin.

J.C.: Dat kind staat op een zekere dag op de kade in Amsterdam. Ik zie de kou en de ellende, en dat kind wordt opgehaald, ja, en wordt eigenlijk een bestaan opgelegd. Ik heb beelden nodig, en in dat boek zitten goede beelden. Die scènes met die moeder in dat kamp… waar het heel slecht gaat, ook met hem, geloof ik, zeker met haar. Ik vind dat je in het boek sterk de angst van een kind ervaart.

K.B./D.P.: De Wit leest in jouw film een passage voor over ‘beelden’. In dat fragment verklaart hij tevens de titel van zijn boek: “Waar het om gaat is het maken van beelden. Waar het om gaat is de idee-fixe. Om de obsessie, om de fixatie van die obsessie. Niet de romantische bevlogen obsessie, maar de koele, taaie, hautaine obsessie. Om iets dat knaagt en wroet om een beeld, maar dat zich tegelijkertijd maar niet gewonnen wil geven.”

J.C.: De Wit is altijd naar zijn familie op zoek gebleven. Ik was gegrepen door het relaas van die maatschappelijke terugval. Waarschijnlijk had ik dat soort teksten weinig of niet gelezen.

K.B./D.P.: Wat vond je ervan dat in het boek naar een climax wordt toegewerkt? De climax is de dood van zijn vader en – vooral – de dood van zijn moeder.

J.C.: Het boek handelt ook over een ander avontuur. Oscar de Wit komt uit een heel ander veld, uit de psychologie en de onderwijskunde. Hij heeft onderzoek gedaan op het terrein van het onderwijs. Maar plotseling breekt hij met alles. Hij laat alles achter en hij vestigt zich als vrij kunstenaar in Parijs. Er waren voor mij heel wat aanknopingspunten.

K.B./D.P.: Het boek is op een zeer intelligente wijze opgebouwd. Het valt uiteen in twee grote blokken, die elkaar deels spiegelen. Het eerste blok is getiteld “moeders”, het tweede blok “vaders”, en de twee blokken beginnen op dezelfde wijze – met dagboeknotities vanuit Malaga. De spiegeling van de twee tekstblokken enerzijds, en de niet strikt lineaire opbouw van het boek anderzijds, geven blijk van een zeer lucide – problematiserende – omgang met het autobiografische. Met koele obsessie omvat zelfs een notenapparaat, dat bovendien ten dele autonoom functioneert! Toch is de auteur op vele momenten bijzonder narcistisch en sentimenteel, op het gênante af.

J.C.: Die opmerking laat ik voor jullie rekening.

K.B./D.P.: De film, anderzijds, heeft een heel eenvoudige structuur. Hij start met het zelfportret van Oscar de Wit en vervolgens worden interviewfragmenten afgewisseld met de lectuur door De Wit van stukken uit Met koele obsessie. Wie koos de fragmenten uit het boek. Oscar de Wit of jij?

J.C.: Ik heb de selectie gemaakt.

K.B./D.P.: Opvallend daarbij is dat de volgorde van de voorgelezen fragmenten de volgorde van het boek respecteert. Je hebt ook geen fragmenten gekozen uit de twee blokken die elkaar ‘spiegelen’.

J.C.: Nee.

K.B./D.P.: Puur formeel is er in de film wel sprake van een spiegeling: bij het lezen van de tekstfragmenten wordt Oscar de Wit in het begin van de film langs rechts in beeld genomen, vervolgens frontaal, en op het einde van de film langs links.

J.C.: Het camerawerk was in handen van Paul De Cock, een uitstekende cameraman.

K.B./D.P.: Het was jouw eerste film met Paul De Cock?

J.C.: Ja, ik wou met een andere cameraman werken. De Gilliams-film was een breekpunt.

K.B./D.P.: Was er sprake van een breuk met Guido Van Rooy, de cameraman met wie je jaren had samengewerkt?

J.C.: Ja, het ging niet meer. Ik heb dat wellicht al eens gezegd: ik ben nooit met mijn leeftijdgenoten oud geworden.

K.B./D.P.: Het boek omvat heel veel verschillende tekstsoorten: autobiografische stukken, essayistische passages en verhalen, dus ook fictie. Je zou in die zin kunnen zeggen dat het een tamelijk experimenteel boek is…

J.C.: Experimenteel? Ik heb dat boek nooit op die manier ervaren. Ik denk ook niet dat hij het zelf zo zag.

K.B./D.P.: De fragmenten die De Wit voorleest in de film, zijn haast exclusief autobiografisch van aard. Uitzonderingen zijn de passages waarin over het autobiografische wordt gereflecteerd. In die zin zou je kunnen spreken van een enorme reductie. De overige tekstsoorten komen niet aan bod.

J.C.: Dat is juist.

K.B./D.P.: Hoe was je op het idee gekomen om Oscar de Wit door zijn vrouw, Lieneke van Schaardenburg, te laten interviewen?

J.C.: Zijn vrouw neemt een prominente plaats in het boek in.

K.B./D.P.: Heb je overwogen om iemand anders als interviewer te vragen?

J.C.: Nee, absoluut niet. Jullie schijnen te vergeten dat ik de toestemming van de auteur moet krijgen. Je kan worden buitengegooid. Iemand die schrijft, heeft het grote voordeel dat hij zichzelf niet moet laten zien. Je hebt de toestemming van de auteur nodig om hem in beeld te brengen. Je moet je als een naïeveling opstellen. Anders krijg je het niet voor elkaar.

K.B./D.P.: Of heb je eraan gedacht om zelf het interview te doen?

J.C.: Nee, ik ben in mijn leven maar weinig zélf voor de camera verschenen, omdat ik weet wat je dan prijsgeeft. De primitieve mens die zich niet wou laten afbeelden, dat is een zeer begrijpelijke houding. Ik dacht dat Lieneke van Schaardenburg als journalist zou optreden, maar dat gebeurde niet. Dat kwam mij goed uit. Eerst wilde ik een afstandelijke benadering, maar het werd spannend.

K.B./D.P.: Op een gegeven moment zegt zij hem op de man af: “Ik heb trouwens het gevoel dat je eigenlijk vrouwen haat, mij bijvoorbeeld, en dat dat te maken heeft met jouw moeder. Dat dat wat jouw moeder te weinig heeft gegeven, naar jouw idee, teruggespeeld wordt op mij.” Hij antwoordt: “Ja, daar zit wel iets in, maar het is niet zo dat ik vrouwen haat, het is meer een haat-liefdeverhouding.”

J.C.: Ik wist exact wat ik aan het doen was.

K.B./D.P.: Je had een strategie kunnen bedenken om de sentimenten en ressentimenten, die ontegensprekelijk in het boek aanwezig zijn, in de film weg te filteren, maar je hebt die eigenlijk verdubbeld door De Wits vrouw te kiezen als interviewer. Het is gênant.

J.C.: De manier waarop ik het heb aangepakt, ligt volstrekt in de lijn van het autobiografische.

K.B./D.P.: Door jouw benadering wordt het narcisme als zodanig getoond.

J.C.: Ik heb iemand gevraagd die intiem met hem was. Het is een mimetische aanpak.

K.B./D.P.: Het interview vindt plaats in zijn appartement in Parijs.

J.C.: Het was een appartementje. Er was echt niet veel plaats.

K.B./D.P.: Oscar zit aan een tafel met zijn boek, en Lieneke zit voor hem, maar ze barricadeert de weg. Zij wordt enkel in profiel in beeld gebracht. Eigenlijk zie je haar helemaal niet goed, terwijl de camera wel voortdurend het gelaat van Oscar de Wit afscant. De protagonist zit klem, hij kan niet weg. Dat is jouw mise-en-scène?

J.C.: Ja en neen, we hebben dat echt in scène moeten zetten in functie van het licht. Paul De Cock kon veel doen met weinig licht.

K.B./D.P.: De film is gedraaid op Kodak Ektachrome, en daar moet ook speciale toestemming voor worden gevraagd. Je zet dus hoog in op materiaal.

J.C.: Ik wou niet werken met Agfa Gevaert. In de BRT werd iedereen verplicht om daarmee te werken. Vreselijk was dat: iedereen in de rij. Die Agfa Gevaert-films werden waarschijnlijk gemonteerd in een huis waarmee een aantal mensen bevriend waren. Wat stelde Agfa Gevaert voor als producent van film? Ik had daar elke keer last mee, terwijl de rest zich daar niets van aantrok. In de BRT waren er zoveel afspraken tussen mensen waar ik mij niet aan kon houden. Dat is begonnen in 1963 en dat heeft geduurd tot het einde.

K.B./D.P.: Ludo Bekkers was de producer van de film. In een kladversie van de generiek word jij eerst omschreven als regisseur. Dat is doorgestreept en vervangen door realisator. Kan je daar iets over zeggen: waarom je altijd als realisator wordt vermeld en niet als regisseur?

J.C.: De regisseur doet de regie van een landgoed, daar komt het woord ook vandaan. De term ‘realisator’ dateert van de eerste jaren van de Vlaamse Televisie. Die omschrijving drukt veel preciezer uit waar het om draait. Een regisseur, dat was iemand die het nieuws deed. De regie van het journaal? Dat is knoppen indrukken – er wordt niets aan het verhaal toegevoegd, er wordt niets gemaakt.

 

Een nare plaats

K.B./D.P.: Was het voor jou een grote stap om films te maken over literatuur?

J.C.: Ik heb nooit deel uitgemaakt van het literaire milieu, maar ik heb altijd contacten gehad met schrijvers. Georges Adé, die publiceerde onder het pseudoniem Laurent Veydt, leerde ik in de tweede helft van de jaren ’60 kennen. Hugues Pernath ontmoette ik nog eerder. Hij benaderde mij nadat hij in 1964 Abdij van ‘t Park had gezien. Wij trokken vaak samen op. Ik was in die periode ook heel nauw met René Gysen, en via hem ook met Paul De Wispelaere. René en ik hebben, samen met Walter van Dyck, in 1965 en 1966 gewerkt aan een filmscenario. Maar Y – dat was de titel van de film – werd in 1966 afgewezen door de Nederlandstalige Filmcommissie. Ook met Daniël Robberechts heb ik aan een filmproject gewerkt: Een nare plaats/een naar landschap – hersenbeelden.

K.B./D.P.: Heb jij Daniël Robberechts benaderd voor dat project?

J.C.: Ja, het was de bedoeling om een programma te maken over architectuur. Het was op het moment dat er een verwijdering was ontstaan tussen mezelf en Geert Bekaert.

K.B./D.P.: Hapte Robberechts onmiddellijk toe?

J.C.: Nee, ik heb serieus op hem moeten inpraten. Wat is een nare plaats? We raakten er niet uit. We zijn als bezetenen gaan zoeken naar nare plekken, maar telkens was de ene niet overtuigd door datgene waarmee de andere voor de pinnen kwam. We hebben veel tijd doorgebracht in Daniëls achterkamer.

K.B./D.P.: Wat je nu vertelt over de ontstaansgeschiedenis van de film, is identiek aan de vertelstof van Een nare plaats. De personages – Frank Verbeek, docent aan het NUHO te Antwerpen; Gilbert De Schutter, radioloog in een universitair ziekenhuis; en Hélène Van Nieuwland, docent experimentele psychologie aan de Katholieke Universiteit Leuven – zijn de hele tijd op zoek naar enge plekken en steeds zijn er argumenten om de voorstellen af te wijzen.

J.C.: Ja, de telefoongesprekken tussen de drie personages gaan vooral over voorbeelden van nare plekken. De dialogen zijn door Daniël geschreven; het scenario hebben we samen opgezet. Een nare plaats, dat is een telefoonfilm, dat vond ik geweldig.

K.B./D.P.: De film gaat over nare plaatsen, maar de klemtoon ligt toch vooral op een thema waarvoor Robberechts zeer veel belangstelling had: het medium, wat is de ‘macht’ van een medium? Of om het met de woorden van Gilbert De Schutter te zeggen: “Allee, er is nu eenmaal niks dat ge kunt filmen zonder iets te veranderen aan dat wat ge aan het filmen zijt.” Op het einde van de film komt Hélène Van Nieuwland tot een typische Robberechts-conclusie: “En wellicht is onze huidige onmacht voor zo’n banale nare plaats minder aan het medium zelf te wijten dan aan het gebruik dat we er zolang van gemaakt hebben, aan de codes die we aangewend hebben. […] en dus zeg ik maar: verander die codes, knutsel aan het medium.” Ben je naar Robberechts gegaan met de vraag om iets te doen over nare plaatsen of met het idee om iets te doen over het medium film of het medium televisie?

J.C.: Ik wilde het hebben over nare plaatsen. Het moest een film worden over architectuur. Uiteindelijk hebben wij elkaar gevonden in die plek bij het Zuidstation. Het was Daniëls voorstel. Daarover zijn we het eens geworden. We hebben daar lang rondgehangen.

K.B./D.P.: Hadden jullie al ideeën over welke acteurs erbij zouden worden betrokken?

J.C.: Ja, daar hebben we het over gehad. Ik heb bijvoorbeeld François Beukelaers benaderd. Ik was ook al bezig met de begroting, maar toen is het project afgevoerd.

K.B./D.P.: Door wie en op welke gronden?

J.C.: Ludo Bekkers heeft de botte bijl bovengehaald. Op een ochtend deelde hij me brutaal mee dat Een nare plaats afgevoerd was. Er was een ander project dat zijn voorkeur wegdroeg. Het was een moeilijk en duur project dat we gingen maken. Hij wou ervan af. Dat kwam de directeur Televisie, Jan Van der Straeten, wellicht goed uit.

K.B./D.P.: Heb jij later nooit de aanvechting gehad om het scenario terug vanonder het stof te halen?

J.C.: Nee, ik was te zeer vervuld van weerzin.

K.B./D.P.: De film over Oscar de Wit en Het gedroomde boek werden geproduceerd door Ludo Bekkers, de daaropvolgende literatuurfilms over Jacq Vogelaar, Daniël Robberechts en H.C. ten Berge door Dirk Christiaens. Heeft die wissel iets te maken met het debacle van Een nare plaats?

J.C.: Meer dan waarschijnlijk.

 

Alle vlees

K.B./D.P.: De film over Jacq Vogelaar, die in 1981 gemaakt en uitgezonden wordt, heeft een merkwaardige voorgeschiedenis. Blijkbaar was het eerst de bedoeling om een film te maken over de Nederlandse auteur F.C. Terborgh.

J.C.: Ja, dat klopt. Frans Boenders wou die film per se met mij maken en ik kon er niet onderuit. Een onverwachte gebeurtenis maakte een einde aan het Terborgh-project: het overlijden van de auteur.

K.B./D.P.: We hebben in het VRT-archief een document gevonden, een A4-tje met jouw handschrift, gericht aan een zekere Jan. Je meldt dat Terborgh dood is en je schrijft: “…maar met dezelfde middelen wordt Jacq Firmin Vogelaar gemaakt. Alles blijft dus hetzelfde, behalve de naam plus de inhoud. […] Er is geen enkele datum gewijzigd, wel nieuwe assistent, Elvira Kleynen.” Aan wie is dat briefje gericht?

J.C.: Dat moet Jan Van der Straeten zijn, de directeur Televisie.

K.B./D.P.: Terborgh is gestorven op 26 februari 1981. Op 13 maart reis jij al naar Amsterdam om met Vogelaar te spreken over de televisiefilm. Je hebt het Terborgh-project met een ontzettende haast ingeruild voor een ander.

J.C.: Ja, als er een uitzending wegviel, dan was het zaak om zo snel mogelijk met een idee te komen waar men niet neen tegen kon zeggen. De openbare omroep was een fabriek, waarin vele televisie-uren per dag moesten worden geproduceerd. Hoe vermijd je dat je in een sleur verzeild geraakt, en hoe kan je bekomen dat ze je laten doen? Ideeën had ik genoeg, maar je moest aan het geld zien te raken om die ideeën te verwezenlijken. Ik moest werken met de resten. Ik heb altijd met weinig middelen gewerkt om me te kunnen onttrekken aan verplichtingen of opdrachten.

K.B./D.P.: Je hebt razendsnel gehandeld, maar om welke reden besloot je om een film over Jacq Vogelaar te maken? Was het opnieuw een suggestie van Georges Adé?

J.C.: Nee, ik had toen net zijn boek Alle vlees gelezen.

K.B./D.P.: Alle vlees is uitgekomen in 1980. Je had dat al gelezen?

J.C.: Ja. Voordien waren reeds fragmenten uit Alle vlees verschenen in Raster.

K.B./D.P.: Je hebt Daniël Robberechts gevraagd om mee te werken aan de film over Vogelaar.

J.C.: Ik had lange tijd samengewerkt met Daniël aan Een nare plaats. Ik wist dat Daniël en Jacq close waren met elkaar. Daniël en ik zijn door het afspringen van Een nare plaats niet uit elkaar gegroeid. Neen, we hebben dat samen ondergaan. Dat was verschrikkelijk.

K.B./D.P.: Het was niet de eerste keer dat je Vogelaar sprak, want je had hem reeds in 1973 voor de camera gebracht, voor de reeks Kunst als kritiek.

J.C.: Dat was een serie korte filmpjes, die Georges Adé en ik samen hebben gemaakt.

K.B./D.P.: In 1972 had Vogelaar een gelijknamige essaybundel gepubliceerd: Kunst als kritiek. Tien teksten als voorbeelden van een materialistiese kunstopvatting, een reader met teksten van Adorno, Benjamin, Lukács, Enzensberger, Horkheimer enzovoort.

J.C.: Hoe hebben wij dat in Openbaar Kunstbezit gekregen? Dat is de vraag.

K.B./D.P.: Het begin van Na Alle vlees – portret van een werkwijze, de film over Vogelaar, is heel formalistisch: Jacq Vogelaar en Daniël Robberechts zitten aan een tafel. In een boekenrek staan exemplaren van Alle vlees. Robberechts speelt de rol van de advocaat van de duivel: “Er zijn een aantal gevestigde ideeën over Jacq Firmin Vogelaar en ik wou daar eerst een aantal woorden over horen van u. Mij valt op dat er een mediabeeld van jou bestaat. Aan de ene kant ben je de rabiate, sectaire, marxistische, materialistische literatuurtheoreticus die als het aan hem lag 99,9% van de Nederlandse literatuur zou laten wegbranden. En aan de andere kant ben je de schrijver van onleesbare boeken, boeken zonder humor, boeken die van zeer slechte smaak getuigen.” Vogelaar reageert niet. Daarna rolt Vogelaars bibliografie over het scherm, gevolgd door kritische passages over de respectievelijke titels, terwijl de auteur offscreen voorleest uit Alle vlees. Nadat op die manier het hele oeuvre in kaart is gebracht, komt Vogelaar frontaal in beeld. Hij zegt dat hij niet wil ingaan op dat mediabeeld dat van hem bestaat. Hij wil ‘werken’. Vervolgens komt dezelfde ruimte terug in beeld. Vogelaar en Robberechts zijn van plaats gewisseld en in het boekenrek zijn de exemplaren van Alle vlees omgekeerd. We zien de achterflap van het boek: een schilderij van Francis Bacon.

J.C.: Dankzij Alle vlees heb ik Bacon leren waarderen. In Vogelaars boek heb ik een punt gevonden, een verhaal om te vertrekken. Een van de kwaliteiten van Vogelaar is dat hij zo’n oeuvres relevant maakt of reveleert.

K.B./D.P.: Het begin van de film is zeer formalistisch.

J.C.: Inderdaad, Vogelaar en Robberechts voeren een stukje theater op. Het is de entree. In de opera gaat het ook op die manier.

K.B./D.P.: Je zou kunnen zeggen dat je bewust hebt gespeeld met de clichés van de gemiddelde televisie-uitzending over literatuur.

J.C.: Je kan dat op die manier interpreteren. Maar nadien wordt Na Alle vlees een heel soepele film.

K.B./D.P.: Er wordt nogal gehamerd op de receptie van Vogelaar. Was dat echt een issue?

J.C.: Ik heb dat niet uitgevonden. Vogelaar was zelf een sterke opiniemaker, via zijn stukken in De Groene Amsterdammer.

K.B./D.P.: Is de film ook soepel tot stand gekomen?

J.C.: Absoluut. Er lag van tevoren nauwelijks iets vast. We bedachten iets en iedereen was onmiddellijk mee. Er waren voortdurend wisselwerkingen tussen alle betrokkenen. De verstandhouding tussen Daniël en Jacq was opperbest. Ik herinner mij dat wij elke avond op stap zijn geweest, met Daniël, Jacq en de hele ploeg. Het was de ideale ontmoeting. Ook het filmen in Amsterdam verliep vlot. Ik kende Amsterdam uiteraard nog vrij goed. De beginscène hebben we bijvoorbeeld gefilmd in de lokalen van De Bezige Bij, Vogelaars uitgeverij. Een andere scène hebben we opgenomen in de universiteitsbibliotheek. We vroegen of we even ongehinderd mochten filmen en dat was geen enkel probleem. Ik had een zeer goede cameraman voor die opnamen, Leo De Haes.

K.B./D.P.: Na de eerste scène in De Bezige Bij maken Jacq en Daniël voor de camera, bij Vogelaar thuis, afspraken over de inzet van de film. Vogelaar betoogt: “Het moet geen portret van een mannetje worden, een mannetje dat toevallig schrijft. Ik zou willen dat het ook iets zegt in de trant van de manier waarop ik werk. Daarom zou je het ook een portret van een werkwijze moeten noemen. Er is een duidelijke manier van mij en dat is in blokken werken; belangrijk is de combinatie tussen die blokken. Dus zouden we moeten proberen om telkens een kort fragment te maken, een hele reeks, waardoor er bepaalde relaties daartussen ontstaan.” De film is inderdaad een aaneenschakeling van korte fragmenten. Na de introductie van Vogelaar die ‘gebruiksaanwijzing’ is getiteld, volgen fragmenten zoals ‘draaiboek’, ‘vleesmolen’, ‘diagram van de macht’ enzovoort.

J.C.: Precies, dat is de structuur van de film.

K.B./D.P.: Regelmatig keren Jacq en Daniël naar de tafel terug waar ze het verloop van de film verder bespreken. Ze hebben het er ook over de onderwerpen die helaas niet aan bod kunnen komen, zoals de relatie tussen architectuur en schrijven, het getatoeëerde lichaam en de geschiedenis van het vlees. Er worden ook af en toe ironische opmerkingen gemaakt over ‘de regisseur’.

J.C.: Ik had dat eruit kunnen knippen als ik dat had gewild. Ik vond het geestig hoe we met elkaar omgingen. In de film met Hans ten Berge was er een grotere afstandelijkheid. Zijn wereldbeeld ligt niet zo dicht bij het mijne. Ten Berge is bloedserieus.

K.B./D.P.: In de literatuurfilms gaat het voortdurend over de werkwijze van de auteur, zeker in de films over Vogelaar en Robberechts. Als je daarentegen een film maakt over beeldende kunstenaars zoals Magritte of De Braekeleer, dan stel je je op als kijker. Het gaat dan om beelden. Als je een film over een schrijver maakt, gaat het over de werkwijze: hoe werkt de schrijver?

J.C.: Dat is mijn temperament, maar je moet de personen vinden die dat willen en kunnen, én wier werk dat natuurlijk ook toelaat.

K.B./D.P.: In een recensie over de film in NRC Handelsblad schrijft Myriam Ceriez…

J.C.: Myriam Ceriez, dat was de ex-vrouw van Dirk Christiaens, de producer. Ze heeft geacteerd in Het gedroomde boek

K.B./D.P.: …ze schrijft dat de film op video werd opgenomen, zodat de auteurs meteen konden zien wat ze ervan terecht hadden gebracht. Bepaalde scènes konden opnieuw worden opgenomen.

J.C.: Ja, dat klopt. Ik heb Daniël en Jacq maximaal bij het opnameproces betrokken.

K.B./D.P.: Was het de eerste keer dat je op die manier werkte?

J.C.: Nee, ik had al in 1969 voor eigen rekening een installatie gekocht: een Sony, zoals ook Andy Warhol er een had. Ik monteerde de videocamera op de filmcamera zodat ik de hele tijd wist wat er gebeurde. Ik had videocontrole, controle op de filmcamera.

K.B./D.P.: Zijn bepaalde scènes meerdere keren opgenomen?

J.C.: Zeker niet veel scènes, misschien die scène in dat kleine kamertje, met al die documenten – dat kleine kamertje, waar hij al die stukken teksten bewaarde van een boek dat nog niet af was, een boek waarin hij een portret wilde maken van ondernemers. Dat kamertje, dat was een broeinest. Het werd haast fysiek. Het is ook heel bewust donker gehouden in de film.

K.B./D.P.: Er zijn ook verschillende scènes waarin de videomonitor zonder schroom in beeld wordt gebracht. Het maken van de film is voortdurend onderwerp van gesprek. De film becommentarieert als het ware zijn eigen ontstaan, zijn making of. Je kan de film bekijken als een meta-documentaire over literatuur.

J.C.: Dat is mogelijk. Maar een reflexieve houding op televisie: dat is heel moeilijk. Als je met een productie bezig bent… Ik heb Alle vlees altijd gezien als een opera.

K.B./D.P.: Wat bedoel je?

J.C.: Dat boek kan je niet lezen, dat boek moet worden gesproken. Als je dat boek leest, dan moet je het hardop lezen. Ik had de ideale stem, die van Vogelaar zelf. Als er één tekst is die nu nog kan fungeren als een libretto voor een opera, dan is het Alle vlees wel.

K.B./D.P.: In het onderdeel stadschrift worden Robberechts en Vogelaar ruggelings in beeld gebracht. Ze kijken naar de monitor waarop beelden van de stad te zien zijn: enerzijds de geboden, zoals wegwijzers en verkeersborden, anderzijds de overtredingen, muren vol graffiti…

J.C.: Uit die scène blijkt vooral dat ik eigenlijk al bezig was met IJsbreker, het programma waarin diverse personen op verschillende locaties via monitoren met elkaar proberen te communiceren. In plaats van Jacq en Daniël in de stad te filmen, breng ik de stad via de monitor in de woonkamer.

K.B./D.P.: Robberechts merkt op – voordat de camera in de stad trekt – dat Alle vlees zich grotendeels op het platteland afspeelt. Vogelaar stelt: “In Alle vlees is het in zoverre pervers dat je in een huiskamer golvende akkers hebt; als je naar buiten gaat, kom je in een corridor, een drukke straat waar iedereen elkaar met een elleboog platdrukt.”

J.C.: Zo kan je de aanwezigheid van de monitor in Jacqs woonkamer ook duiden.

K.B./D.P.: In een andere scène legt Vogelaar zich languit op een canapé – het fragment is getiteld: op de divan. Robberechts zit naast de zetel en vraagt: “Jacq, vertel eens iets over je jeugd?” Vogelaar antwoordt: “Iedereen moet voortdurend verhalen vertellen. Wat vertellen ze. Al datgene wat ze al duizenden keren gehoord hebben.” En nog: “Het zijn verhalen als antwoord op vragen van psychiaters, doktoren, onderwijzers, enquêteurs, sollicitatiecommissies, examencommissies, politieagenten, therapeuten…”

J.C.: Eerder in de film, in het onderdeel diagram van de macht, had Vogelaar reeds gedoceerd over het panopticum van Bentham en Foucaults lectuur ervan. De scène met de divan was een van de laatste die we hebben opgenomen. Iedereen was los gekomen.

K.B./D.P.: Myriam Ceriez merkt op dat die scène formeel is opgebouwd zoals een schilderij van Jean Brusselmans.

J.C.: Ja, dat klopt. Ik heb voortdurend verwijzingen ingebouwd in mijn films.

K.B./D.P.: In 1980 maak je ook een filmpje over Brusselmans.

J.C.: Dat was een opdracht, vermoed ik, tijdens een periode waarin ik niets om handen had. Het is zeker niet dé film of hét filmpje over Brusselmans. Ik ben heel mijn leven met Brusselmans bezig geweest. Ik heb echter nooit de film over Brusselmans gemaakt zoals ik mij die had voorgesteld.

 

Schrift

K.B./D.P.: De film over Jacq Vogelaar wordt op 18 september 1981 uitgezonden. Nauwelijks twee maanden later, op 13 november 1981, programmeert de BRT jouw film over Daniël Robberechts: De achterkamer. Voor die film doe je beroep op de auteur waaraan jouw eerste film over literatuur gewijd was: Oscar de Wit. Waarom?

J.C.: Ik was benieuwd hoe een psycholoog het werk van Daniël zou lezen. Het was constructief bedoeld, maar Daniël klapte dicht. Ik had dat niet verwacht.

K.B./D.P.: Oscar de Wit herinnert zich inderdaad dat jij niet zo blij was met het gesprek tussen hem en Daniël.

J.C.: Ik had Daniëls werk aan Oscar doorgespeeld. Hij kende het oeuvre van Daniël niet. Daniël was toen al bezig aan dat stencilproject, tijdSCHRIFT, zijn eenmanstijdschrift, waarop ik trouwens geabonneerd was. Oscar was er wel in geïnteresseerd, maar ik heb hem waarschijnlijk te zeer aangezet om als psycholoog op te treden.

K.B./D.P.: In jouw film over Met koele obsessie zegt De Wit zelf: “Ik heb geprobeerd om de werkelijkheid te benaderen, zoveel mogelijk…” Het zou een citaat van Robberechts kunnen zijn. In zijn toespraak naar aanleiding van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs betoogt De Wit in 1980 bovendien: “Het gaat om inzicht in de functie van artistiek werk in een democratische samenleving. Het gaat om inzicht in de positie van de kunstenaar in die samenleving. […] Het gaat om inzicht in de marktmechanismen die de productie van kunst bepalen. Het gaat om inzicht in de functie en positie van de consument van kunstwaar.”

J.C.: Er waren zeker aanknopingspunten tussen het werk van beide auteurs, bijvoorbeeld ook hun openhartigheid over tal van intieme onderwerpen waar de meeste auteurs liever het zwijgen toe doen. Maar de ontmoeting pakte helemaal verkeerd uit.

K.B./D.P.: Het eerste wat je in de film te zien krijgt, is het schrift van de auteur. De auteur zelf zie je niet, wel de zinnen die hij schrijft, inclusief de wijzigingen en schrappingen.

J.C.: Op vraag van Daniël heb ik een speciaal apparaat laten maken, een soort ‘schrijfmachine’, die het schrijven rechtstreeks op het scherm bracht.

K.B./D.P.: Hij wou niet zomaar acteren dat hij aan het schrijven was?

J.C.: Hij wou dat het schrijven zelf getoond werd, niet de auteur die schrijft. Het was zijn obsessie. Ik heb alles op alles gezet om dat te realiseren. Hij heeft een lange periode met die apparatuur gewerkt, geloof ik.

K.B./D.P.: In jouw archief bevindt zich een briefje van Robberechts, gericht aan jou: “(rode) draad 1: beelden van het schrijfmateriaal en van het gebruik ervan; draad 2: uitleg en commentaar daarbij (dit houdt al een stukje gestiek in); draad 3: incidentele uitweidingen naar biografie en omgeving. Me dunkt dat met die drie draden een stevige vlecht te maken valt.” In een ander document worden die onderdelen zelfs gekwantificeerd: ‘biografie’ maximum 10%, ‘omgeving’ maximum 10%, ‘gestiek’ maximum 10%, ‘productie’ (“portret van de schrijver als tekstproductieapparaat”) minimum 70%.

J.C.: Hij wilde van naaldje tot draadje uitleggen hoe hij werkte. Dat was een heftig verlangen bij hem.

K.B./D.P.: De auteur wordt voortdurend gefilmd terwijl hij bepaalde handelingen stelt die te maken hebben met het schrijven: de schrijver die naar de bibliotheek gaat in Ronse, die de post ophaalt, die schrijft, die leest.

J.C.: Daniël las hardop, dat heeft hij altijd beweerd. Ik wou dat in beeld brengen.

K.B./D.P.: Zelf zegt Robberechts in de film: “Eigenlijk lees ik niet graag hardop voor anderen, want ik vind dat de tekst iets intiems is. Voor mij is een geschrift zo’n beetje een brief die je onder de deur doorschuift van iemand en dan ga je hard weglopen. Maar ik heb zelf ervaren dat je meestal heel wat had aan het voorlezen door de schrijver zelf – heel wat informatie. Van mezelf heb ik het gevoel dat mijn stem mijn eigen tekst kan schaden maar wie weet zijn er dingen waar ik niet op let die er toch wel doorkomen wanneer ik zelf voorlees.”

J.C.: Ja, zijn stem, dat is iets waar ik mij op een gegeven moment op vastzet. Ik had hem trouwens al eens een keer gevraagd om offscreen een tekst te lezen, namelijk voor Rijksweg N°1, uitgezonden in 1978. En nog vroeger, in 1976, had hij de tekst geleverd voor een andere film over ruimtelijke ordening, Vlaanderen in vogelvlucht.

K.B./D.P.: Na Alle vlees – portret van een werkwijze was een film waarin veel geïmproviseerd is. Is De achterkamer op dezelfde wijze tot stand gekomen?

J.C.: Nee. We hebben er zeer veel tijd voor genomen. We hebben lang gediscussieerd over de verschillende plekken in het huis die voor hem een bepaalde betekenis hadden: hoe hij dat huis gebruikte wanneer de anderen er niet waren.

K.B./D.P.: De film is inderdaad bijna een catalogus van plaatsen in het huis. Het is haast een topografische studie. En je komt niemand tegen behalve de schrijver zelf.

J.C.: Zijn vrouw en kinderen waren er overdag niet. Wij waren ondergedompeld in zijn dagschema.

K.B./D.P.: Je hebt echt het gevoel dat je bezig bent met dat huis, hoe dat huis in elkaar zit.

J.C.: De film over Robberechts kon ik alleen maken in dat huis. Ik heb het project zeer grondig met hem voorbereid. Er is niets spontaans in die film. Alles was van tevoren uitgetekend. We hebben heel veel tijd besteed om het heel nauwkeurig te doen. Die scène met die postbode, die de post bezorgt en het parcours dat Daniël aflegt in het huis om de post op te halen, dat is allemaal van tevoren bedacht. Dat zijn geen gemakkelijke camerabewegingen. Ik heb die beelden van de postbode en Daniël over elkaar heen gemonteerd. Je kan zeggen dat het een heel stilistische film is.

K.B./D.P.: Ja, het is zeer formeel. Zijn werk is dat toch ook?

J.C.: Hij was maniakaal bezig met tekst. Het werd mij heel duidelijk toen ik daar aan het werken was dat zijn totaaltekst een zeer riskante aangelegenheid was. Zijn eerste boeken, die voornamelijk autobiografisch waren, heb ik altijd heel sterk gevonden. Ik voelde dat de totaaltekst veel, misschien wel te veel van hem eiste.

K.B./D.P.: In het gesprek tussen De Wit en Robberechts wordt gekozen voor een tamelijk conventionele aanpak. De biografie van de schrijver wordt overlopen en de vraag wordt gesteld hoe hij tot het schrijverschap is gekomen. Het contrast met de filmische benadering, met de nadruk op het formele, kan niet groter zijn.

J.C.: Hebben jullie de andere literaire uitzendingen bekeken die door de BRT werden uitgezonden?

K.B./D.P.: Moet het ene in relatie tot het andere worden gezien: het formele als tegengif voor het biografische?

J.C.: Hij liet dat ook toe. Je moet iemand hebben die toelaat dat je dat doet. Het is een kwestie van vertrouwen. Hij was er ontvankelijk voor.

K.B./D.P.: Er is een groot verschil met de film over Vogelaar.

J.C.: De film over Vogelaar is een stadsfilm.

K.B./D.P.: In de film over Vogelaar worden ook verschillende locaties in zijn huis in beeld gebracht, zoals zijn bibliotheek…

J.C.: Die bibliotheek wou ik per se in beeld brengen. Dat is nogal een wand, die wand met boeken. Het grote verschil tussen beide films heeft te maken met de manier waarop de camera wordt gehanteerd. Paul De Cock, met wie ik bij Daniël heb gewerkt, was heel formeel ingesteld. Het was een totaal andere benadering dan die van Leo De Haes, die de cameravoering in Na Alle vlees verzorgde. Maar ook Leo De Haes heeft piekfijn camerawerk afgeleverd. Die scène in de universiteitsbibliotheek is tot in de puntjes verzorgd.

K.B./D.P.: In de film over Robberechts wordt gemeld dat hij ondersteund wordt door zijn vrouw, Cécile Faniel, en dat de Vlaamse Gemeenschap “het maken van eigenzinnige Nederlandse teksten niet belangrijk genoeg acht om er volle taken voor in te ruimen”.

J.C.: Daniël maakte deel uit van een groep die sterk met die problematiek bezig was. Ze wilden het Nederlandse model van de subsidiëring van auteurs ingang doen vinden. Waarschijnlijk wou hij dat er om die reden bij vermeld hebben.

K.B./D.P.: De film is op 28 oktober 1981 aan de pers voorgesteld. Georges Adé was daarbij aanwezig, veronderstellen we, want hij richt een brief aan jou, Daniël Robberechts en Jacq Vogelaar nog voordat de film door de openbare omroep is uitgezonden.

J.C.: Met die polemiek heb ik niets te maken gehad.

K.B./D.P.: Het is een harde tekst. Hij verwijt beide auteurs, maar vooral Robberechts, dat ze niet genieten van hun arbeid: “[…] het is toch maar uiterst zelden dat ik het gevoel heb dat V geniet, ik bedoel klaar komt, bij al dat schrijven. […] Bij R lijkt de afwezigheid van elke ernst nog veel krankzinniger verduisterd te worden: het werk doet zich als een ernstige bezigheid voor – maar is het in wezen niet. De arbeid van R, en zeker zoals hij in de film van C voorgesteld wordt, is zelfs zonder meer een parodie van een zogeheten wetenschappelijk onderzoek.” Hoe heb jij die kritiek van Georges Adé gelezen? Vond je terecht wat hij stelde?

J.C.: Ik vond dat zijn interventie weinig bijbracht.

K.B./D.P.: Voor zijn zogenaamde grondverwijt haalt hij nog grover geschut boven: “Alleen moet ik wel constateren dat mensen die geacht worden te denken, of gedacht te hebben, dat een juiste houding in de kunst een juiste houding in de politiek, en vice versa, onderstelt, en dat je producten niet juist beoordeelt als je de wijze van productie niet in je onderzoek betrekt, nu, bij het voorstellen van een monumentaal werk, dergelijke vragen blijkbaar niet wensen te stellen (ik denk niet dat C ze geschrapt zou hebben), en zich dan maar voordoen als zonder meer de belangrijke makers van belangrijk werk.” De productievoorwaarden zijn toch zeer prominent in beeld gebracht in beide documentaires?

J.C.: Ik neem van die films geen woord of beeld terug. Ik denk dat het al een tijdje niet meer boterde tussen Daniël en Georges. Zij waren nochtans geruime tijd heel nauw met elkaar geweest. Ze hadden op een gegeven moment een zeer interessante briefwisseling.

K.B./D.P.: Nadat de film over Robberechts is uitgezonden, heeft Adé een kritische bespreking gepubliceerd inDe Nieuwe. De toon is opvallend milder, maar opnieuw richt hij zijn pijlen op Robberechts: “[…] De achterkamer was voor Daniël Robberechts evengoed als de film over Jacq Vogelaar ‘het portret van een werkwijze’. Wel, die werkwijze leek toch maar een saaie bedoening.” Merkwaardig is wel dat hij het argument van ‘de auteur die zich voordoet als een belangrijk maker van belangrijk werk’ omdraait. Hij schrijft in De Nieuwe: “[…] een tijdlang zullen enkele schrijvers misschien nog blijven geloven in de ‘literatuur’, en dus ‘grote werken’ willen componeren, tot ze zullen beseffen dat hun stem, en hun cinematografische présence het eigenlijke medium van deze tijd zijn geworden, en we weer in de orale traditie zullen belanden.”

J.C.: Nogmaals, ik heb mij niet in dat debat gemengd. Ik vond dat het niets opleverde.

 

Texaanse elegieën

K.B./D.P.: Hoe ben je – ten slotte – bij Hans ten Berge terechtgekomen?

J.C.: Heeft Jacq Vogelaar me zijn werk aangereikt? Ik durf het niet met zekerheid zeggen.

K.B./D.P.: Als hoofdredacteur van de eerste reeks van het tijdschrift Raster, heeft hij het werk van F.C. Terborgh opnieuw onder de aandacht gebracht. De Bezige Bij publiceerde ook een boekje van zijn hand: Een schrijver als grenskozak. F.C. Terborgh over zichzelf en zijn werk – een boekje waaraan ook Frans Boenders zijn medewerking verleende. Met Boenders zou je die film maken over Terborgh.

J.C.: Misschien ben ik via dat boekje het werk van Ten Berge op het spoor gekomen. Ik weet het niet meer. In ieder geval herinner ik me dat heel veel mensen me afrieden om met hem contact te nemen. Hij had de reputatie een bijzonder moeilijk man te zijn.

K.B./D.P.: Welk boek heeft jou overtuigd om een film aan hem te wijden?

J.C.: Wat mij zeer boeide, waren zijn vertalingen van de Eskimoliteratuur, gepubliceerd in het boek De raaf in de walvis (1976). Ten Berge heeft ook belangrijke gedichten geschreven. Van de Texaanse elegieën waren er al enkele klaar, toen we naar Texas reisden, maar het geheel was nog niet af. Mij interesseerde de parallel tussen Ten Berge en een beroemde Scheutist, een Vlaming, die zich ook met die Eskimoliteratuur had beziggehouden. Dat intrigeerde mij, dat een Nederlander op diezelfde verhalen zat. Die Scheutist had zijn hele leven op de pool gezeten en met de Inuit geleefd.

K.B./D.P.: De films met Oscar de Wit, Jacq Vogelaar en Daniël Robberechts zijn opgenomen in hun woning. Voor de film over Hans ten Berge kies je een andere benadering. Je bent samen met hem naar Texas gereisd. Was die bestemming jouw idee?

J.C.: Het eerste gesprek met Hans vond plaats bij hem thuis. Ik ben helemaal naar Zutphen gereden. Ik had die film ook daar kunnen maken, maar dat kon ik hem niet aandoen. Hij moest naar buiten op dat moment, het was de enige haalbare kaart. Hans ten Berge en ik hadden één gemeenschappelijk referentiepunt: Willie Nelson, On the Road Again. Ik kreeg de kans om de eerste keer in mijn leven in Texas te werken…

K.B./D.P.: Het voorstel om naar Texas te reizen kwam van Ten Berge?

J.C.: Eerst stelde hij voor om naar de pool te trekken, maar daar was geen geld voor. Over Texas waren we het plots heel snel eens. Waarom? Hij kende Texas zeer goed, hij had zes maanden in Austin verbleven, waar hij de leerstoel Nederlands bekleed had. Hij kende het landschap en alle locaties. Er was genoeg materiaal en hij wou ook graag terug naar Texas. Ik moest dus niet gaan prospecteren; daar was trouwens tijd noch geld voor. Later heb ik steevast prospectiereizen geëist, ook voor die reeks van vijf films over Zuid-Amerikaanse steden, die ik in 1992 realiseerde.

K.B./D.P.: Had je het gedaan, de trip naar de pool, mocht je geld hebben gehad?

J.C.: Ja, ik vond dat zeker een goed idee. Zijn vertalingen van eskimoverhalen zijn mij enorm bijgebleven. Maar een reis naar de pool was financieel niet haalbaar. Ik kon op dat moment evenmin garanderen dat ik de reis naar Texas rond zou krijgen. Hans geloofde er aanvankelijk niet in.

K.B./D.P.: Er is ook heel wat getouwtrek nodig vooraleer je groen licht krijgt. Net zoals ten tijde van Een nare plaats worden er twee projecten tegen elkaar uitgespeeld. Uiteindelijk kan de film worden gerealiseerd omdat er bespaard wordt op de reiskosten: de producer, Dirk Christiaens, offert zich op; hij blijft in België.

J.C.: Dirk Christiaens heeft de films over Vogelaar, Robberechts en Ten Berge geproduceerd. Het was een vlotte samenwerking. De film over Ten Berge is met een klein budget gerealiseerd.

K.B./D.P.: Hoe is de reis verlopen?

J.C.: Zeer goed. Men had me gewaarschuwd dat ik na een week terug zou zijn, maar ik ben drie weken met Hans opgetrokken. Hij heeft mij niet kwaad gekregen. Al was het soms spannend. Voor een bepaalde scène wilde ik dat hij ’s avonds op zijn bed een telefoontje zou doen. Dat heeft veel voeten in de aarde gehad vooraleer hij dat wilde doen. Ik zei dat we ook dat soort shots moesten maken en uiteindelijk heb ik hem kunnen overtuigen.

K.B./D.P.: Wat was eigenlijk jouw agenda?

J.C.: Ik vond het interessant om hem voor een camera te plaatsen en zijn gedachten te horen verwoorden. Hij kon zeer goed formuleren. Toen hij de manuscripten van Ezra Pound ter hand nam, de Amerikaanse dichter wiens werk hij vertaald heeft… Ik was ook geïnteresseerd in de manier waarop hij zich bewoog in dat universiteitsdepartement, de Humanities. Men was er zeer soepel om de opnamen toe te laten. Als hij die dozen binnenrijdt, je kan je dat bijna niet voorstellen… Ik vond dat die scène goed gelukt was, zoiets mislukt makkelijk. Zijn passie ook als hij een foto van Walker Evans vastnam, dat vond ik ontroerend. Hij deed dat ingetogen. Zijn woede is ook interessant, omdat hij die kan interioriseren. Hij wil iets wat onmogelijk is en dan wordt hij heel ongemakkelijk.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

J.C.: Hij wou een interview met Willie Nelson. Maar dat was onmogelijk. Nelson zat in die periode aan de drugs, hij had ook in de gevangenis gezeten. Alsof hij voor de BRT naar buiten zou komen…

K.B./D.P.: Een dichter in Texas, de titel van de film met Hans ten Berge, is een eigenaardig project. Ten Berge is het onderwerp van de film, maar hij is tegelijkertijd de reporter.

J.C.: Hij is ook het slachtoffer van zijn eigen project, want we komen nergens aan. Nergens, nergens. Al onze uitstappen leiden naar nergens. We lopen verloren in die film. Hij wou de Rio Grande op: mislukt! Het interview met Willie Nelson: mislukt. Alles liep mis.

K.B./D.P.: De vier literatuurfilms zijn zeer verschillend. Wat ze gemeen hebben, is dat er in alle films wordt gelezen. De auteur leest luidop.

J.C.: Ja, dat vind ik belangrijk.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Ik denk dat een auteur altijd hardop leest. Op een podium komt dat helemaal anders over dan op televisie. Televisie biedt wat dat betreft echt een meerwaarde. Het is iets wat de auteur weggeeft. Als je op een podium staat, dan geef je niets weg, dan ben je aan het acteren.

K.B./D.P.: Naar aanleiding van de uitzending van Een dichter in Texas heeft er in 1982 een persconferentie plaatsgevonden waarop jij zou gezegd hebben dat de film over Ten Berge jouw laatste film over literatuur was.

J.C.: Heb ik dat gezegd?

K.B./D.P.: Het wordt zo gesteld in een recensie over de film.

J.C.: Het kan dat ik dat gezegd heb. Ik kan mij op iets focussen, maar na een tijdje moet ik er weer uit, want anders krijg ik het benauwd. Ik zou me niet mijn hele leven met hetzelfde kunnen bezighouden. Ik kan dat niet… Als je steeds hetzelfde aanbiedt, dan word je leeggezogen. Bij mij mag iedereen op mijn terrein komen. In die zin ben ik geen kunstenaar. Er is plaats voor iedereen.

K.B./D.P.: Of keerde je de literatuur de rug toe omdat je IJsbreker aan het voorbereiden was?

J.C.: Wellicht. Ik wilde allang een live-uitzending maken over kunst en cultuur, maar er moest zich een gelegenheid voordoen. De dienst Kunstzaken werd in het begin van de jaren ’80 door een nieuwe chef geleid, Hilda Verboven, en ik kreeg effectief de kans om IJsbreker te maken. Ik raakte terug op stap. Ik moest voor een tijdje geen opdrachten doen, ik moest me nergens tussen wringen, en ik kon me laten opslorpen door een groot project: televisie waarin meerdere actoren op meerdere plaatsen via de televisie en haast zonder bemiddeling met elkaar proberen te communiceren. Ik wou niet per se iets grootschaligs doen, maar ik wou die instrumenten gebruiken of misbruiken.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Koen Brams

 

Met dank aan argos voor het beeldmateriaal

 

Ann Veronica Janssens

Koen Brams/Dirk Pültau: Je hebt geruime tijd samengewerkt met Monica Droste. Wanneer is die samenwerking begonnen?

Ann Veronica Janssens: Monica en ik hebben elkaar leren kennen in La Cambre (de Brusselse Ecole Nationale Supérieure d’Architecture et des Arts Visuels), in het begin van onze studies daar, in 1978. We volgden allebei les bij Tapta in de afdeling ‘textiele beeldhouwkunst’ en hebben al spoedig, naar aanleiding van een oefening die we moesten doen, gezamenlijk een project gerealiseerd, en dan nog een en nog een, en zo waren we vertrokken. Ons eerste grote project, waardoor we dat jaar overigens bijna gezakt waren, was een heel grote carrousel met een omtrek van wel veertig meter. Een motor dreef zwengels aan waaraan kinderkleren waren opgehangen, die springerig in het rond draaiden. Achter in de zaal werd een film geprojecteerd met kinderen die, op de rug gezien, door een lange gang renden. We hebben de machine meermaals opnieuw moeten maken, omdat er steeds technische problemen opdoken, en op de dag van het examen was het ding defect!

K.B./D.P.: Was het een soort van ‘catwalk zonder mensen’?

A.V.J.: Ja, zo zou je het kunnen noemen, maar hoe dan ook: het werkte niet. We hebben onze samenwerking toen een jaar opgeschort, omdat de school ons niet toestond samen een afstudeerwerk te maken, maar van de weeromstuit zijn we na onze studies des te intensiever gaan samenwerken.

K.B./D.P.: Wat was je afstudeerwerk voor La Cambre?

A.V.J.: In een grote zaal had ik witte papieren wanden langs de muren geplaatst, waarop zich de schaduwen van in papier uitgesneden silhouetten aftekenden. De belichting deed de details uitkomen: de motieven op de stoffen, de houdingen van de lichamen. Het waren vreemde licht-wezens, vrij filmisch… Kortom, ik was toen al geïnteresseerd in zaken zoals licht en ruimte. Monica was met dezelfde onderwerpen bezig. We werden beiden aangemoedigd door de lessen van Tapta, wier werkplaats voor ‘textiele beeldhouwkunst’ was opengegaan het jaar dat ik aan La Cambre begon – er was ook het atelier van Jean Glibert, maar hem kende ik toen nog niet goed. Bij Tapta mochten we ons van alle soorten technieken bedienen. Textiel bleef een soort uitgangspunt, het ‘vak’ dat Tapta’s aanstelling als docente aan La Cambre mogelijk had gemaakt, maar zij vatte dat heel ruim op – wat haar trouwens door de schooldirectie niet altijd in dank werd afgenomen.

K.B./D.P.: Hoe was je in La Cambre, en meer bepaald bij Tapta terechtgekomen?

A.V.J.: Door toevallige ontmoetingen, want ik wist toen weinig af van het kunstonderwijs. Ik had op de Heizel aan een tentoonstelling meegewerkt ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van het koningschap van Boudewijn. Ik selecteerde kindertekeningen – duizenden kindertekeningen uit alle uithoeken van België. In de marge waren er ook interventies van hedendaagse beeldende kunstenaars, onder wie Tapta. Haar werk sprak me aan, en toen ik hoorde dat ze een atelier zou leiden in La Cambre, ben ik haar gaan opzoeken. Ze was een vrouw met een heel sterke uitstraling en we werden vriendinnen. Na onze studies zijn Monica en ik haar assistentes geworden: wij voerden haar sculpturen uit op basis van schaalmodellen. Omdat we samen met andere vrienden een huis deelden en ook nog de hele dag samenwerkten, wisselden we veel van gedachten. Door die intimiteit en gesprekken zijn we er vanzelf toe gekomen om als duo te opereren – we amuseerden ons kostelijk.

K.B./D.P.: Hoe was Monica Droste eigenlijk in La Cambre beland?

A.V.J.: Monica is een jaar na mij aangekomen, uit Polen, ook zo’n beetje door toeval. Ze had net met haar vriend een zomer in de Verenigde Staten doorgebracht. Ze wilden niet terug naar hun land en hadden via een vriendin over La Cambre gehoord – ik weet niet of diezelfde vriendin haar ook over Tapta had verteld. Ik herinner me nog heel goed onze kennismaking bij het ingangsexamen en ook het eerste werk dat ze in La Cambre liet zien, in december, nadat ze in de herfst in Brussel was aangekomen. Ze had een cape geweven waarin ze een dik koord had verwerkt. Ze droeg de cape zelf, met het koord om haar nek gewonden. Een prachtige verschijning, heel sterk.

K.B./D.P.: In dat werk zit iets heel sculpturaals en theatraals, dat aan Kantor doet denken.

A.V.J.: Kantor ja, absoluut, en ook anderen uit die stroming in de Poolse beeldhouwkunst, zoals Magdalena Abakanowicz.

 

Celibataire machines

K.B./D.P.: Wat heeft jullie er uiteindelijk toe gebracht om te gaan samenwerken?

A.V.J.: Dat is vanzelf gegroeid, zoals ik al zei: uit gelijkgezindheid, vriendschap, intimiteit. En ons onderzoek ging ongetwijfeld voor een deel over hetzelfde, ook al denk ik dat geen van ons beiden in haar eentje zou hebben gemaakt wat we samen maakten. Alles wat we in die periode samen hebben gedaan was een soort van performance, een dubbele performance, van twee celibataire machines. Onze gemeenschappelijke interesses – het licht, het werken in de ruimte, het aspect breekbaarheid – vonden er uitdrukking in een gemeenschappelijk vocabularium.

K.B./D.P.: Wat je over machines zegt, maakt inderdaad veel duidelijk over de installatie die jullie samen wilden maken.

A.V.J.: Ja, jammer dat ze nooit werd gerealiseerd, of liever: nooit voltooid. We zijn in zes maanden tijd driemaal opnieuw begonnen, maar telkens raakte de machinerie defect: we sleutelden eraan, verwisselden de motoren en uiteindelijk hebben we het vernield.

K.B./D.P.: In verband met je verwijzing naar celibataire machines en hun existentiële dimensie: is het vooral de idee van herhaling en manipulatie die jullie interesseerde?

A.V.J.: Ja precies, dat is een dimensie waar we haast dwangmatig mee bezig waren. Een tijdje later hebben we in de Fondation pour la Tapisserie in Doornik gewoon de motor van een Citroën CX uit elkaar gehaald: we hebben die motor helemaal gedemonteerd, een beetje zoals op de technische fiches in verkoopscatalogi, en dan ieder stuk afgegoten. Dit werk – we noemden het een Eclaté de moteur – is wel bewaard: het geheel, inclusief de bijbehorende tekeningen, is destijds aangekocht door de Franse Gemeenschap, en we hebben het sindsdien nooit meer teruggezien. We waren bezig met het fabriceren van dingen, op een haast ambachtelijke manier, een dimensie die later uit ons werk is verdwenen. Ik ben me meer gaan richten op het bedachtzame gebaar.

K.B./D.P.: Verwezen jullie expliciet naar werken als het Grote Glas van Duchamp?

A.V.J.: Niet echt, nee, het ging, geloof ik, veeleer intuïtief en onbewust. In die tijd stelden de theorielessen niet veel voor. We kenden natuurlijk Duchamp en het Grote Glas, ik had daar veel over gelezen, maar om slechts één voorbeeld te geven: Buren heb ik in m’n eentje moeten ontdekken, over hem werd toen in La Cambre nog niet gesproken. En Tapta’s onderricht was wel radicaal, maar eerder intuïtief dan theoretisch… Ik zou haast durven stellen dat onze werkwijze gewoon voortvloeide uit concrete ervaringen, zoals onze pogingen om zelf onze auto te herstellen en te begrijpen hoe een motor werkt, en niet zozeer uit theoretische reflecties, al waren die onvermijdelijk wél onderliggend aanwezig.

K.B./D.P.: Opvallend is de breekbaarheid en de vergankelijkheid van sommige werken, het gevoel voor materialiteit.

A.V.J.: Absoluut, en dat is wellicht de reden waarom er weinig van al die werken is overgebleven. Die dimensie van breekbaarheid, vergankelijkheid, van vluchtige ontwikkeling is wel gebleven, en zelfs geaccentueerd, in de werken die ik later alleen heb gemaakt: vaak gaat het om ruimtelijke ingrepen die onherroepelijk veranderen en verdwijnen. 

K.B./D.P.: Er was ook nog de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst in 1979. Wat hebben jullie daar gepresenteerd? Hoe waren jullie ertoe gekomen deel te nemen?

A.V.J.: Heel toevallig: ik wist niet eens van de Prijs af, dat ging toen allemaal veel vertrouwelijker dan nu. Ik geloof dat Michel François of Tapta ons er twee dagen voor de selecties op hebben geattendeerd, en we hebben meteen beslist om deel te nemen. Monica presenteerde een schitterende 16mm film, die ze kort tevoren had gemaakt: een lange travelling met silhouetten die langs een trein lijken te lopen, in de besneeuwde Poolse velden. Ze had kledingstukken in water gedrenkt en dan heel snel geïnstalleerd, want ze vroren haast ogenblikkelijk vast: een trage, onrustwekkende processie. Daarnaast toonde ze nog een tweede werk: een sculptuur met een dubbele rij kleren, geverfd in alle soorten kleuren, die om een ijzeren staaf geperst, gespietst zaten. Mijn inzending was een installatie die een jaar eerder tot stand was gekomen: achter in een zaal, die niet toegankelijk was en van waaruit een immense strook gestreepte stof naar buiten liep, zag je in tegenlicht, voor een raam, het silhouet van een persoon die op repetitieve wijze aan die stof scheen te werken. In feite ging het om een super 8mm film die in loop werd geprojecteerd. Het licht, de sfeer en de kleuren herinnerden aan de schilderijen van Vermeer.

K.B./D.P.: Jij werd laureate, dat was toch een belangrijk moment in je loopbaan.

A.V.J.: Zeker, ik was dolblij met die erkenning voor mijn werk, al besefte ik toen niet goed hoe belangrijk de Prijs was. Ik heb het gevoel dat die toen veel minder werd gewaardeerd en minder aandacht kreeg in de media. De Jonge Belgische Schilderkunst werd pas in de jaren ’80 echt een publiek succes, ik denk bijvoorbeeld aan Damien De Lepeleire.

K.B./D.P.: Je noemde al Tapta en Buren die voor jou belangrijk zijn geweest. Waren er nog meer dergelijke sleutelfiguren?

A.V.J.: Zeker wel. Ik ben eigenlijk met de kunst opgegroeid: eerst de zogenaamde primitieve kunst, en later werkte mijn moeder bij galerie Govaerts. Dat was destijds een van de grote galeries, met drie tentoonstellingsruimten: eentje in het Hilton, eentje aan de Louizalaan en een derde in Frankrijk. Het was zo’n beetje de tegenhanger van Brachot, en ik ging er nu en dan een handje toesteken. Ik geloof dat ik tijdens mijn adolescentie veel heb gekeken naar en gehouden van het werk van Magritte, Calder, Hartung, Vasarely. 

K.B./D.P.: En later, in La Cambre?

A.V.J.: Oppenheim bijvoorbeeld. Het was de tijd van de tentoonstellingen van Karel Geirlandt in het Paleis voor Schone Kunsten: daar heb ik heel wat ontdekt. Oppenheim, of de tentoonstelling over Machines célibatairesvan Harald Szeemann, waar ik echt van ondersteboven was. Later ben ik me natuurlijk gaan interesseren voor de actualiteit, performances, Beuys, Broodthaers, Weiner, de conceptuelen en minimalisten.

K.B./D.P.: Welke waren, naast het Paleis voor Schone Kunsten, de belangrijke plekken waar de toenmalige Brusselse scène zich afspeelde?

A.V.J.: Er was de galerie MTL.

K.B./D.P.: En buiten het veld van de beeldende kunst?

A.V.J.: Ik ging niet echt naar het theater of naar concerten, maar op het gebied van dans en performance gebeurde er heel wat in La Raffinerie…

K.B./D.P.: …waar Jan Fabre optrad als performer…

A.V.J.: In die tijd kende ik hem nog niet, het eerste wat ik van hem heb gezien waren zijn Bic-tekeningen.

K.B./D.P.: Reisde je veel?

A.V.J.: Een beetje, ik ging naar Basel, naar Keulen, naar New York, waar ik voor het eerst een installatie van Buren zag, de Amerikaanse pop art, Rothko… Mijn visie op kunst is toen veranderd, op een manier die wellicht te vergelijken is met wat de bezoekers van Szeemanns Documenta 5 hebben ervaren. Ik verplaatste me ook wel eens om tentoonstellingen te bezoeken, zoals de eerste grote expositie van Jan Hoet, Kunst in Europa na ’68 (1980).

K.B./D.P.: Met wie had je toen in Vlaanderen contacten?

A.V.J.: In 1980 kende ik er nog niemand. Dat is iets later gekomen, en ik moet zeggen dat mijn werk pas in Vlaanderen en door het vertrouwen dat sommigen daar in mij hebben gesteld – mensen als Anny De Decker en Bernd Lohaus, Guillaume Bijl, Chris Straetling, Marc De Cock, Frederik Leen – een zekere zichtbaarheid heeft gekregen. Aan Franstalige kant ben ik, dankzij de generositeit van Laurent Jacob en Johan Muyle in Espace 251 Nord in contact gekomen met kunstenaars als Ria Pacquée, Guy Rombouts, Leo Copers, Guillaume Bijl, Bernd Lohaus, Jef Geys, Philippe Van Snick, Filip Francis en nog zoveel anderen. Ik kreeg er ook de kans om werk te tonen in een nationale én internationale context.

K.B./D.P.: Er was in 1979 de tentoonstelling Actuele Kunst in België. Inzicht/Overzicht – Overzicht/Inzicht in het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent, met werk van Jan Vercruysse, Philippe Van Snick, Jacqueline Mesmaeker, die je vast kende via de projecten van Laurent Jacob.

A.V.J.: Dat zou kunnen, maar Jacqueline kende ik al eerder, van zien, omdat ze in het atelier van Jean Glibert had gewerkt. Ik had haar jury’s bijgewoond, zij was wat ouder… Ik geloof ook dat ze veel optrok met Walter Swennen. Hij gaf les aan de Ecole de Recherche Graphique (ERG). Zijn studenten droegen hem op handen en Michel vertelde me vaak over hem. Het werk dat ik van hem zag – in de ERG, het Paleis voor Schone Kunsten en elders – vond ik prachtig.

K.B./D.P.: In 1980, inderdaad. Kwam je vaak in Luik?

A.V.J.: Toch niet. Ik kwam er voor het eerst naar aanleiding van onze tentoonstelling in galerie Philarmonie, naast de Cirque d’hiver. Pas vanaf 1985, met Laurent Jacobs tentoonstelling Investigations, raakte ik meer bij de Luikse scène betrokken: ik leerde Jacques Lizène kennen, Jacques Charlier, Babis Kandilaptis, Michel Boulanger, en werd meegesleept in de energie rond Espace 251 Nord. 

K.B./D.P.: Je leerde Laurent Jacob dus kennen in 1985?

A.V.J.: Nee, veel eerder al, in La Cambre. Laurent was een student van Jean Glibert en was in 1979, een jaar vóór ons, laureaat van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst. Na zijn studies is hij plots gestopt met kunst te maken. Kort nadien stichtte hij samen met Johan Muyle Espace 251 Nord.

 

Het einde van de samenwerking

K.B./D.P.: Wat hebben Monica en jij na La Cambre gedaan?

A.V.J.: We hebben onze afstudeerwerken getoond in Luik, in galerie Philharmonie, en ik ben naar Japan gereisd, waar ik mijn eindwerk heb geëxposeerd. Daarna hebben we die Eclaté de moteur gemaakt, waarover we het eerder hadden. Pierre Sterckx nam dat werk op in zijn tentoonstelling La Grande Absente in het Museum van Elsene. Nadien was het in een nieuwe versie te zien in de Fondation pour la Tapisserie – zij hadden ons tenslotte uitgenodigd om het project te realiseren – en ook nog in de Centre d’art Contemporain aan de Nerviërslaan in Brussel.

K.B./D.P.: Jullie hadden dus een beurs bij de Fondation pour la Tapisserie, zonder veel tapijtkunst te beoefenen…

A.V.J.: Inderdaad, wij waren liever in de weer met vet en smeerolie, we schuimden braakliggende terreinen en schroothopen af op zoek naar slooponderdelen, terwijl Michel François er datzelfde jaar – 1983 – spinnen kweekte op de zolder. Daarna hebben we deelgenomen aan een tentoonstelling in het Middelheim over auto’s… de fameuze Automobiënnale. We toonden er een gipsafdruk van een vrachtwagenchassis, die we in het gras hadden gelegd, onder een boom. Vervolgens hebben we nog werk getoond in Albi, in de expositie Siméon et les flamants roses, en ook in onze ateliers, samen met Michel François en Angel Vergara, Bernard Hubot, Luc Grossen: heel eenvoudige dingen, gemaakt van stukken hout, papier, ijzerdraad… In de tentoonstelling De eerste chauvinistische in Montevideo toonden we een etherische, heel organische stalen structuur met olielampjes – het deed denken aan verlichte autowegen bij nacht of het skelet van een groot zoogdier. Later hebben we er een nieuwe versie van getoond in Brussel, in Atelier Sainte-Anne.

K.B./D.P.: Dachten jullie toen na over de verdere samenwerking?

A.V.J.: Die vraag kwam niet echt bij ons op, het gebeurde gewoon. Maar na een tijdje belandden we in een situatie waarbij we meer op elkaar zaten te wachten dan dat we samen werkten, en de zaken zijn langzaam verwaterd. Het laatste werk dat we echt samen hebben gemaakt was dat voor Investigations in 1985, in de immense ruimte onder de Place Saint-Lambert in Luik. Er was een ondergrondse parkeergarage met achterin een helling in de open lucht: daar was de werf stilgevallen. We hebben in die garage enkele betonnen vloertegels rechtop gezet, zodat een bassin in de vorm van een afgeknotte piramide ontstond, een leeg en heel duister volume. Aan de rand van de parking, op de aangrenzende helling, hebben we spiegels gelegd die het daglicht als een groot, verblindend lichtscherm in de ondergrondse ruimte binnenbrachten. Het werken met spiegels lag nogal voor de hand: het was de eenvoudigste manier om licht te vangen.

K.B./D.P.: Daar hebben jullie voor het laatst samen tentoongesteld?

A.V.J.: We hebben ook nog deelgenomen aan Intuition et Mémoire in 1986, dat is echt de laatste keer geweest dat we samen iets hebben getoond. Het ging trouwens om een ouder werk, dat we in Montevideo hadden geëxposeerd.   

K.B./D.P.: En in heel die lange periode, van 1979 tot 1985, heeft geen van beiden ooit iets op zichzelf gemaakt? 

A.V.J.: Toch wel: ons afstudeerwerk en kleinere werken, hier en daar, misschien bij de Fondation pour la Tapisserie. 

K.B./D.P.: Zorgde het werken als duo niet voor problemen in jullie verhouding met het publiek? Guy Rombouts heeft in zijn samenwerking met Monica althans moeilijkheden ondervonden, ook met galeries. 

A.V.J.: Dat was allicht zo in het specifieke geval van zijn samenwerking met Monica, omdat hij al een eigen vocabularium had ontwikkeld en zijn werk een zekere bekendheid genoot. Maar wat ons betreft denk ik van niet, nee, omdat wij zo’n beetje uit het niets kwamen en de mensen geen verwachtingen koesterden. De enige moeilijkheid die we in de loop van dat gezamenlijke parcours hebben ondervonden, was, zoals gezegd, het verbod om samen ons afstudeerwerk te presenteren.

K.B./D.P.: In Initiatief d’Amis (1986) in de Gentse Vooruit was er ook een werk met spiegels.

A.V.J.: Ja, ik had een spiegel geplaatst op een trap naar een verdieping, die om veiligheidsredenen niet toegankelijk was. De fysieke gewaarwording van dat op zijn kop gezette trappenhuis was duizelingwekkend. Monica presenteerde een werk met een waterdruppel die door alle verdiepingen van de Vooruit naar beneden viel.

K.B./D.P.: Jullie samenwerking was toen opgehouden?

A.V.J.: Ja. Monica had Guy leren kennen en was naar Antwerpen verhuisd. We konden minder vaak met elkaar praten, zaten niet langer samen koorden te vlechten voor Tapta en zagen elkaar zelden…

K.B./D.P.: Hoe is het dan precies gegaan? Jullie maken een laatste werk voor Investigations in 1985…

A.V.J.: We realiseerden samen ook nog een project in Espace 251 Nord: een soort boog, een metalen ring die we tussen vier muren trachtten in te klemmen. Kort nadien – ik was toen in Rome – maakte ik een sculptuur die bestond uit een metalen ring die op een ladder balanceerde. Dat werk heb ik alleen gesigneerd.

K.B./D.P.: Maar de invloed van je samenwerking met Monica is daar nog voelbaar.

A.V.J.: Jawel, want we waren samen op het idee gekomen om een metalen ring in een ruimte onder spanning te zetten.

K.B./D.P.: Wat is er volgens jou veranderd vanaf het moment dat je alleen bent gaan werken?

A.V.J.: Er heeft zich een concentratie voorgedaan rond datgene wat mij het meeste bezighield: ruimte, licht, architectuur, de ervaring van het tijdsverloop.

K.B./D.P.: ‘Institutionele’ vraagstukken misschien ook?

A.V.J.: Jazeker: het museum, de vitrine, de toeschouwer, de tentoonstellingscondities.

K.B./D.P.: Je gaat ook vaker de hele ruimte innemen en gebruiken.

A.V.J.: Ja.

K.B./D.P.: Hoe zie je de verhouding tussen de spiegelwerken die je met Monica maakte en diegene die je later alleen hebt gemaakt?

A.V.J.: Ik gebruik spiegels om de ruimte, het licht, de tijd, het ongrijpbare, het lichaam af te tasten. Ze maken de overgang mogelijk van één werkelijkheid naar een andere, net als in mijn werken met nevel.

K.B./D.P.: Voelde de mogelijkheid om individueel te werken aan als een soort bevrijding?

A.V.J.: In zekere zin wel, omdat we op zeker ogenblik, tijdens die overgangsperiode in 1984-1985, meer op elkaar zaten te wachten dan dat we samen werkten. Dat wachten begon ons zwaar te vallen, we hadden allebei heel veel ideeën, maar we schoven die aan de kant en zaten maar wat te prutsen in afwachting van onze volgende ontmoeting… Het verlamde ons in zekere zin.    

K.B./D.P.: Guy kwam dus als geroepen, om die immateriële band tussen jullie door te knippen?

A.V.J.: Ja, maar het zou hoe dan ook zijn gebeurd. Monica is niet meteen na hun kennismaking met Guy gaan samenwerken. Ze heeft eerst eigen werk gemaakt en gepresenteerd. Kort nadien heeft ze het ‘Rombouts’ gebruikt als taalinstrument en is ze met Guy beginnen samenwerken.

K.B./D.P.: Kende jij Michel François toen al?

A.V.J.: Ja, Michel en ik hebben elkaar leren kennen in 1979, in de Ecole de Recherche Graphique (ERG). Hij was een van de 21 studenten daar, samen met Joëlle Tuerlinckx, Angel Vergara…

K.B./D.P.: Was dat jouw vertrouwde milieu, je vriendenkring?

A.V.J.: We waren een groep bevriende kunstenaars, ja. We beleefden en deden heel veel samen: tentoonstellingen, presentaties in onze ateliers. In mijn jaar op La Cambre zaten ook Bernard Hubot, Monica von Rautenstrauch…

K.B./D.P.: Hoe zou je de toenmalige mentaliteit, de tijdgeest omschrijven?

A.V.J.: Het waren jaren van intense ontdekkingen: nieuwe werken, mensen, benaderingen… verkenningen en ontmoetingen in een zeer vrije en aangename sfeer. Zo ontwikkelde Michel zijn project Appartements à louerin de galerie van de ERG in de Regentschapsstraat, tegenover de Zavelkerk. De galerie is later door de school verkocht aan een antiquair. Michel wilde de plek een maand lang bezetten en nodigde studenten en vrienden uit om elk een ruimte van de galerie onder handen te nemen. Zelf had hij een vertrek ingericht als ‘televisiekamer’, een ruimte die zich perspectivisch ontvouwde vanaf het scherm. Alle spullen in die kamer waren bestoven met de ‘sneeuw’ die door de televisie werd uitgezonden. Monica Von Rautenstrauch had de keuken ingericht en zo had elkeen een ruimte van de galerie omgetoverd tot een kamer in het ‘appartement’. Angel Vergara deed performances in de rol van Madame Rosa. In de kranten werden advertenties geplaatst met ‘appartement te huur’ – in de rubriek ‘te huur’ maar ook in de tentoonstellingsagenda. Elke week werd de flat bewoond door een ander stel acteurs. De plek was 24 uur op 24 open en allerlei mensen kwamen er langs: kunstliefhebbers, nachtraven, kandidaat-huurders… Ja, het was echt een tijd van experimenteren, proberen, soms op een onbeholpen manier, maar altijd heel argeloos… Je leerde er zomaar, al doende.

K.B./D.P.: En in sociaal, in politiek opzicht? Het was immers ook een tijd van hevig verzet tegen de kernwapenwedloop, en de werkloosheid begon zwaar te wegen.

A.V.J.: Eerlijk gezegd geloof ik dat dat alles een beetje langs me heen is gegaan. Natuurlijk gingen we betogen en verkondigden we linkse ideeën, maar we waren toch vooral jonge snaken die zich probeerden te redden.

 

Transcriptie: Nadia Wadhwania

Redactie in het Frans: Emmanuel Lambion

Vertaling uit het Frans: Catherine Robberechts

Lili Dujourie

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1979 toon jij op de tentoonstelling Actuele Kunst in België. Inzicht/Overzicht – Overzicht/Inzicht (Museum van Hedendaagse Kunst, Gent) het werk Amerikaans imperialisme, een stalen plaat die tegen een groen geschilderde muur leunt. Volgens het boek Kunst in België na 45 (1983) zou dat werk in 1972 zijn gemaakt.

Lili Dujourie: Ik heb het in 1972 bedacht. Amerikaans imperialisme sloot een reeks werken af met elementen in staal, onder meer stalen platen die tegen de muur leunen. Ik wilde het in verschillende kleuren realiseren, want ik was zowel met sculptuur als met schilderkunst bezig. Ik heb nooit kunnen kiezen tussen beeldhouwen en schilderen, dat is altijd mijn probleem geweest.

K.B./D.P.: Wanneer heb je Amerikaans imperialisme voor het eerst getoond?

L.D.: In 1979! Er zijn voordien al plannen geweest, zelfs al in 1972 in de Galery X-one van Marc Poirier dit Caulier, waar ik in 1970 gedebuteerd was met het vroege werk in staal. Maar ik heb mij daarna teruggetrokken uit de kunstwereld omdat mijn man, Fernand Spillemaeckers, een galerie had, de galerie MTL. Ik voelde de druk van de verzamelaars. Het was in die tijd trouwens niet vanzelfsprekend om als vrouw in de kunstwereld te opereren.

K.B./D.P.: Waarom toon je Amerikaans Imperialisme dan in 1979 – zeven jaar na datum?

L.D.: Omdat ik moest starten, de draad terug opnemen, nadat de galerie was gestopt en nadat mijn man in 1978 was overleden. Ik had Amerikaans imperialisme allang willen tonen. Eindelijk kon dat!

K.B./D.P.: Amerikaans imperialisme is een abstract werk. Vanwaar die titel?

L.D.: Dat had te maken met de situatie in België – eigenlijk niet alleen België. Als je in 1972 geen Amerikaan was, dan kon je nergens terecht. In 1977 hebben wij – Jacques Charlier, Guy Mees, Panamarenko, Jan Vercruysse en ikzelf – een actie op touw gezet naar aanleiding van de tentoonstelling Amerikaanse kunst in Belgische verzamelingen in het Paleis voor Schone Kunsten. Jan Vercruysse had een brief opgesteld die we samen ondertekenden en naar een reeks Belgische verzamelaars stuurden. We verzochten hen vriendelijk om geen werken ter beschikking te stellen. We hebben ook een poster gemaakt, gericht tegen de tentoonstelling en ondertekend door een hele reeks Belgische en buitenlandse kunstenaars, die we in het holst van de nacht gingen aanplakken. Dat heeft ons een hoop boze brieven opgeleverd. Voor mij lag dat allemaal nog moeilijker omdat ik in de galerie van mijn man geconfronteerd werd met Amerikaanse kunst.

K.B./D.P.: Hoe stond jij zelf tegenover de Amerikaanse kunst?

L.D.: Ik vond dat zij noodzakelijk was. De Amerikanen hebben fantastisch werk gemaakt – daar gaat het niet over. Maar voor mij – als kunstenaar – was het niet genoeg.

K.B./D.P.: Wat ontbrak er?

L.D.: Amerikaans imperialisme gaat enerzijds over de toenmalige voorliefde voor wat Amerikaans is; het gaat over de druk van Amerika. Anderzijds leunt de plaat tegen de muur. Er is een achterkant, er wordt iets verborgen gehouden; en dat is, laat ons zeggen, typisch Europees. In de Amerikaanse kunst is alles eenduidiger en meer afgelijnd. Bij mijn werk moest je je kunnen afvragen wat de bedoeling was, wat erachter zat en of er wel iets achter zat. Ik wilde dat er verhaal in kwam.

K.B./D.P.: Je zou het werk polemisch kunnen interpreteren: er wordt iets achtergehouden…

L.D.: Ja, er wordt iets aan het zicht onttrokken, maar je weet dat het er is. Je voelt de aanwezigheid.

K.B./D.P.: Anderzijds laat jij het muurgedeelte achter de plaat onbeschilderd. Het onbedekte deel van de muur is groen, het verborgen deel wit. Wat de plaat verbergt is… dat er niets te zien is.

L.D.: Over die wisselwerking gaat het precies, het gaat over de spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen het bewuste en het onbewuste.

K.B./D.P.: Bij Amerikaans imperialisme moet je – door het materiaal en door de titel – erg denken aan bepaalde vormen van Amerikaanse, minimalistische sculptuur. Aan het werk van Richard Serra bijvoorbeeld, kunst die vaak geassocieerd wordt met een arrogante, imperialistische manier van het bezetten van ruimte.

L.D.: Maar in mijn werk is het andersom. De plaat staat niet in het midden van de ruimte, zij bezet de ruimte niet. Ze staat aan de rand ervan en neemt een positie in tussen de muur en de wand. Het gaat om die aanraking van de grond en de muur, dat raakpunt wordt door het werk bespeeld.

K.B./D.P.: Was de problematiek van Amerikaans imperialisme in ’79 nog even aanwezig?

L.D.: Eigenlijk wel. Als je de geschiedenis erop naslaat, dan heeft het tot in de jaren ’80 geduurd.

K.B./D.P.: Het laattijdig presenteren van Amerikaans imperialisme is eigenlijk een statement. Jij zegt: na zeven jaar is dit nog altijd aan de hand.

L.D.: Inderdaad. Trouwens, als ik het vandaag toon, zit ik nog altijd goed.

K.B./D.P.: Je hebt het werk ook na 1979 nog getoond, in De Appel bijvoorbeeld en in de tentoonstellingTrapped Reality in Barcelona (1997). In Barcelona gebruikte je een rode kleur. 

L.D.: Donker bordeauxrood. Het is essentieel dat Amerikaans imperialisme in verschillende kleuren bestaat. Christian Mys heeft een kleine versie gekocht met een rode plaat en een groene muur.

K.B./D.P.: Waarom is de plaat rood geschilderd?

L.D.: Omdat het werk ook schilderkunstig is. Op een gegeven moment heb ik de platen van mijn werken in staal met menie beschilderd, de oranjerode kleur die je voor deuren gebruikt. Daarmee is denk ik alles begonnen.

K.B./D.P.: En als de plaat onbeschilderd is…

L.D.: …dan komt het werk weer dichter bij de beeldhouwkunst. Daar gaat Amerikaans imperialisme óók over: waarom zou ik moeten kiezen tussen schilderkunst én beeldhouwkunst als ik van beide hou? Dan kies ik toch gewoon voor beide! Dus begon ik sculpturen te maken  die de ruimte niet vanuit het centrum bezetten, zoals echte sculpturen dat doen, maar die tegen de wand leunen. Ik heb nog tekeningen gemaakt in de lijn vanAmerikaans imperialisme, in pastelkleuren nog wel. Compleet het tegenovergestelde van staal! Maar ik had ook het gevoel dat ik moest stoppen met de werken in staal. Ik vond uiteindelijk toch dat ik te veel in dat Amerikaanse meeliep. Met de videowerken ging het – vanaf 1972 – een heel andere kant op.

 

Lange Lozanastraat/Raapstraat

K.B./D.P.: Naast de actie Amerikaanse kunst in Belgische verzamelingen ben jij nog bij andere collectieve initiatieven met Belgische kunstenaars betrokken geweest. In 1975 huur jij samen met Jacques Charlier, Robert De Boeck, Guy Mees en Maurice Roquet een ruimte in de Lange Lozanastraat 185 B te Antwerpen. Twee jaar later volgt een reeks manifestaties met Jacques Charlier, Guy Mees en Jan Vercruysse in de Raapstraat.

L.D.: Guy Mees wist altijd dergelijke ruimtes te vinden. We hebben ze gehuurd, opgeknapt en tentoonstellingen georganiseerd.

K.B./D.P.: Wat stond er in de Raapstraat op het programma?

L.D.: Guy Mees en ik hebben er tentoongesteld – ik geloof dat ik foto’s van een stormachtige zee heb getoond. Jacques Charlier gaf een popconcert. Jan Vercruysse kwam als eerste aan de beurt, maar dat was geen tentoonstelling, dat was een Voorstelling van de kunstenaar. We hebben de kunstenaar Jan Vercruysse op de kunstscène geïntroduceerd. We zeiden: ziehier de kunstenaar Jan Vercruysse.

K.B./D.P.: Jullie namen de zaak in eigen handen?

L.D.: We moesten wel, wij waren geen Amerikanen. En wij wilden zelf bepalen wie kunstenaar was.

K.B./D.P.: Volgens de publicatie Ooidonk 78 zouden Guy Mees, Jan Vercruysse en jijzelf op 3 september 1977 een open vergadering hebben georganiseerd op het Antwerpse Noorderterras.

L.D.: Wij vergaderden vroeger élke week, Guy Mees, Jan Vercruysse en ik. We discussieerden over de kunstsituatie, we wilden alles veranderen. Ruim een jaar hielden we dat vol. Op 3 september 1977 zaten we op een terrasje – er kwam niemand.

K.B./D.P.: Waren er mensen geïnviteerd?

L.D.: Natuurlijk. We hebben de vergadering aangekondigd, iedereen was uitgenodigd om te komen discussiëren over kunst. Maar zonder gevolg. We bleven met z’n drieën.

K.B./D.P.: Waarover discussieerden jullie?

L.D.: Je kunt er moeilijk iets uitpikken. We praatten over tentoonstellingen die we hadden gezien, in Brussel of in de Wide White Space in Antwerpen, in het Stedelijk Museum te Amsterdam of in Düsseldorf. Maar je begrijpt toch wat ons dreef? De actie naar aanleiding van Amerikaanse kunst in Belgische verzamelingen laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De beslissing om eigen ruimtes te huren, de voorstelling van de kunstenaar, al die zaken geven aan hoe wij tegenover de dingen stonden.

 

Blauw naakt

K.B./D.P.: Kort na de tentoonstelling van Amerikaans Imperialisme in 1979 maak jij een laatste videowerk.

L.D.: Ik heb in 1980 aan zee een hele serie video’s gemaakt, onder andere over de schrijver Bernard-Henri Lévy, een van de nouveaux philosophes. De video over Henri-Lévy heet Schaduw van een idee en was ingegeven door zijn mediageilheid. Hij was heel statisch en toonde enkel een foto van Lévy met de Marie Claireernaast. Rond dezelfde tijd heb ik ook Contrapunt gemaakt, een video over Balzac, maar beide videobanden –Contrapunt en Schaduw van een idee – zijn compleet grijs geworden. Niets is ervan overgebleven.

K.B./D.P.: Waarom ben je gestopt met video?

L.D.: Omdat ik er niets meer in kwijt kon, er te handig in werd. Schaduw van een idee was enkel nog een statement. Tijd om ermee te stoppen – zo is het al mijn reeksen vergaan.

K.B./D.P.: In dezelfde periode maak je Blauw naakt (1980), twee kleurendiaprojecties van een vrouwelijk naakt voor een blauwe drapering, met aan de linkerkant een fragment van een alledaagse kamer – een stuk plankenvloer, een verwarmingsradiator met een glas. Die prozaïsche elementen bracht je bewust in beeld?

L.D.: Ja, want ik leef in deze tijd! Ik ga met het verleden om, maar ik lééf niet in het verleden, in de tijd van naakten en draperieën. Vandaar het hedendaagse stilleven, de muur, de vloer, de radiator en het glas dat erop staat. Als je dat wegsnijdt, valt het beeld als een baksteen.

K.B./D.P.: In datzelfde jaar 1980 heb je nog een reeks foto’s gemaakt met hetzelfde model en decor. Daar is het beeld wél afgesneden.

L.D.: In de foto’s speelt de vrouw met een zwarte sluier; via dat motief vindt een spel met aanwezigheid en afwezigheid plaats. Bij het diawerk wordt dat spel via het medium gespeeld, het diabeeld dat enkel bestaat dankzij licht.

K.B./D.P.: Verwijzen het naakt en de drapering naar de barok?

L.D.: De vrouw doet ook aan Van Eyck denken, aan Eva op het Lam Gods.

K.B./D.P.: Eva staat in een kale nis.

L.D.: Dat is juist. Natuurlijk maak ik een mengelmoes van elementen. Ik kijk naar schilderijen en er gebeurt iets in mij.

K.B./D.P.: Waar heb je Blauw naakt getoond?

L.D.: Ik denk dat ik het gepresenteerd heb in de tentoonstelling Vier werken in het Gewad in Gent, tijdens de zomer van 1981.

K.B./D.P.: Dat was kort na de oprichting van het Gewad. Heb jij de Gewad-periode helemaal meegemaakt, van einde 1980 tot 1984?

L.D.: Op iedere opening was ik! Een zeer geestige tijd.

K.B./D.P.: Het Gewad was een Vereniging voor Actuele Kunst, gedragen door verzamelaars zoals Anton Herbert, en kunstkenners zoals Joost Declercq en Jan Debbaut. Zij zorgden voor een ander geluid in Gent, naast het Museum van Hedendaagse Kunst en zijn Vereniging. Het Gewad gaf een tijdschrift uit waarin kunstenaars over elkaars werk schreven – Jan Vercruysse heeft bijvoorbeeld over jouw werk en dat van Andre Cadere geschreven.

L.D.: Jullie zijn verwonderd dat dat allemaal kon? Dat kunstenaars over elkaars werk schrijven? Het klopt dat zoiets vandaag niet meer zo gauw gebeurt.

K.B./D.P.: Wat heeft zo’n positief klimaat mogelijk gemaakt?

L.D.: Ik weet het niet. De tijdgeest?

K.B./D.P.: Hoelang heeft dat geduurd?

L.D.: Tot einde jaren ’80 volgens mij. Vanaf dan wordt er op een andere manier met kunst omgegaan, dat zie je aan de prijzen op de kunstmarkt, aan de galeries die de rol van de musea soms haast overnemen, aan de toenemende macht van het geld. Er kwam ook een andere generatie op.

K.B./D.P.: En als je het Gewad met de jaren ’70 vergelijkt, met de tijd van Amerikaans imperialisme?

L.D.: Je kunt dat niet vergelijken! De sfeer van het Gewad was totaal anders. Alles was opengetrokken.

K.B./D.P.: Merkwaardig dat het tij zo snel gekeerd is… Het boek Ooidonk 78. Belgische kunst 1969-1977 (1978) is nog helemaal doordrongen van de oppositie van de oppermachtige Amerikaanse kunst versus de Belgische provincie. Twee jaar later zijn die problemen van de baan.

L.D.: Het was niet nodig om nog tegen Amerika te zijn. Eind jaren ’70 stond het internationale gelijk met Amerika; in de jaren ’80 gebeurt plots van alles in verschillende landen van Europa. Er komen Europese kunstenaars op, zoals René Daniëls en Jean-Marc Bustamante, met wie we interessante conversaties voerden. Er ontstaan contacten met alle landen van het continent, waardoor je makkelijker in het buitenland kan tentoonstellen. Er groeit een taal die iedereen verstaat.

K.B./D.P.: Jij stelt voor het eerst in een internationaal gezelschap tentoon in een groepstentoonstelling in het Museum Dhondt-Dhaenens in 1979, samengesteld door Jan Vercruysse in samenwerking met de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst, en met Francesco Clemente, Roy Grayson, John Murphy, Bruce Robbins, Jan Vercruysse en jijzelf. Hoe kwam je in dat gezelschap terecht?

L.D.: John Murphy leerde ik kennen via Barry Barker die over mijn werk geschreven heeft. Barker had Murphy een tentoonstelling bezorgd in de Vereniging – dat is de connectie.

K.B./D.P.: In 1982 begin je werken te maken in zijde en fluweel. Je stelt ze tentoon in Galerie Micheline Szwajcer (1983), Galerie ’t Venster in Rotterdam (1984) en de Lisson Gallery te Londen (1984). Het begin van een internationale carrière.

L.D.: Dat klopt.

K.B./D.P.: In 1986 word jij geselecteerd voor Initiatief 86, een tentoonstelling in de Gentse Sint-Pietersabdij met 18 Belgische kunstenaars gekozen door drie internationale curatoren. Initiatief 86 zou de Belgische kunst in het buitenland promoten — dat was het officiële discours — maar in feite had jij de stap naar het buitenland reeds gezet. Gosse Oosterhof, een van de drie internationale selectieheren, had al twee jaar voordien een tentoonstelling met jou gemaakt.

L.D.: Natuurlijk. Het klopt niet dat Initiatief 86 ons gelanceerd heeft.

 

Maagdendale

K.B./D.P.: In 1982 organiseren de verzamelaars Jan Dewilde en Christian Mys een tentoonstelling Hedendaagse Belgische kunst in de Abdij Maagdendale te Oudenaarde. Voor de affiche lieten jullie een groepsfoto van alle deelnemers maken: Jacques Charlier, Jef Geys, Bernd Lohaus, Panamarenko, Jan Vercruysse, Didier Vermeiren en jijzelf.

L.D.: Dat was heel geestig. Het mooie aan België is dat er geen groepen zijn. Misschien geldt dat ook voor Engeland, maar in Engeland is het makkelijker om kunstenaars bij elkaar te brengen. In België zijn het allemaal individuen. Jef Geys, Panamarenko en Jan Vercruysse, zet hen maar eens samen!

K.B./D.P.: Hoe ontstond de idee om een groepsfoto te maken en als affichebeeld te gebruiken?

L.D.: Heel eenvoudig: wij zaten samen in die tentoonstelling. En dat was een zeer positieve ervaring. We hadden stimulerende discussies. Wat kan ik daar meer over zeggen!

K.B./D.P.: Wat was het uitgangspunt van de tentoonstelling?

L.D.: Er was niet echt een programma. Mys en Dewilde wilden iets doen rond hedendaagse kunst. Ze kenden Jan Vercruysse, ze begonnen bij de kunstenaars in hun onmiddellijke omgeving – eigenlijk hebben ze gewoon de kunstenaars gekozen die zij goed vonden. In de Gentse club Hotsy Totsy is het tot een discussie gekomen, met drank uiteraard, en daaruit is de tentoonstelling gegroeid, allemaal in samenspraak met de kunstenaars. Het was nieuw voor Mys en Dewilde om met kunstenaars te werken. Ze kochten wel kunst – Jan Dewilde bezat werk van onder andere Panamarenko – maar ze begonnen pas na 1982 werk te verzamelen van de andere kunstenaars uit de tentoonstelling.

K.B./D.P.: Lag van tevoren vast dat men enkel Belgische kunst wilde tonen?

L.D.: Eigenlijk wel, ten eerste omdat je meer geld nodig hebt om internationaal te werken – het budget was beperkt – maar ook omdat onze interesse naar Belgische kunst uitging. Over buitenlandse kunst werd vrijwel niet gesproken.

K.B./D.P.: Een opvallende afwezige is Guy Mees – toch een van jouw compagnons de route tijdens de jaren ‘70. Hielden De Wilde en Mys niet van zijn werk?

L.D.: Toch wel! Maar Guy Mees heeft zich teruggetrokken. Ik heb in Oudenaarde mijn eerste fluweelwerk getoond en Mees vond dat werk onaanvaardbaar omdat het rabiaat katholiek zou zijn. Ik heb geprobeerd om duidelijk te maken dat ik niet katholiek opgevoed was en dat ik helemaal anders stond tegenover het katholicisme dan hij, en sommige anderen die ermee opgegroeid waren. Ik ben niet bezig met schuldgevoelens. Ik kan mij permitteren om dergelijk werk te maken zonder enige verbinding met het katholicisme.

K.B./D.P.: En het katholieke zat voor Mees in het materiaal: fluweel?

L.D.: Voor Mees stond fluweel gelijk met katholicisme! Hij heeft jaren niet meer gesproken met mij. Het is eigenlijk nooit meer goed gekomen.

K.B./D.P.: Jij toont in Oudenaarde – voor het eerst sinds lang – iets totaal nieuws. Wilde jij absoluut nieuw werk tonen?

L.D: Je moet nooit een nieuw werk tonen.

K.B./D.P.: Tussen Blauw naakt en het eerste fluweelwerk in Oudenaarde ligt evenwel twee jaar.

L.D.: Voor mij is twee jaar niet veel. Het gebeurt wel meer dat ik een jaar niet werk. Ik neem altijd mijn tijd.

K.B./D.P.: Was er een directe aanleiding om in 1982 een fluweelwerk te maken – en te tonen?

L.D.: Ja, de Duitse en de Italiaanse schilders kwamen op. Plots begon iedereen een beetje in die trant te werken, in Spanje, in België, in alle landen van Europa. Ik vond dat pure zelfverloochening en ben me gaan afvragen waar mijn échte roots lagen. Zo kwam ik bij de Vlaamse Primitieven terecht; bij hen ligt mijn culturele vorming.

K.B./D.P.: De barok kwam dus niet op de eerste plaats?

L.D.: Dat was ook een element, maar de Primitieven waren mijn eerste referentie, de barok kwam later. Wat ik fascinerend vond bij Rogier van der Weyden is de autonomie van de gewaden. Ze vormen een tweede huid. De figuren bewegen, en de gewaden blijven hangen, maken een tegenbeweging, brengen het lichaam tot stilstand.

K.B./D.P.: Kun je deze kunsthistorische referenties – eerst de Primitieven, dan de barok – uit de ontwikkeling van jouw werk aflezen?

L.D.: Ik denk het niet. Sommige werken zijn barokker omdat er meer beweging in zit. De barok leeft van de geste, ze opent altijd iets en voert je mee. De Primitieven staan voor een meer verinnerlijkt denken. Nee, ik heb gewoon veel kunst gezien, dat zit allemaal in mij verweven. Je kunt maar beginnen werken als je die referenties loslaat en vergeet – anders maak je een kopie.

K.B./D.P.: Wat is jouw eerste fluweelwerk, wat is het werk dat je in Oudenaarde getoond hebt? Is dat O suet gepheys, o swaere fantasyen?

L.D.: Dat is het tweede werk. Het eerste had in 1982 nog geen titel – later heb ik het Maagdendale genoemd. Het is groen en roze, heel eenvoudig van structuur. 

K.B./D.P.: De eerste fluweelwerken bestaan uit louter versteven textiel in een uitgekiende plooienval – als een gewaad zonder lichaam – tegen de muur. Hoe maak jij zo’n werk? Hoe zorg je ervoor dat alles in de juiste plooi valt?

L.D.: Eerst bedenk ik het werk. Vervolgens maak ik een stalen raamwerk en daar plooi ik het textiel overheen. Er is altijd wel een plooi die niet helemaal juist valt, maar de basis is er vóór ik met textiel aan de slag ga.

K.B./D.P.: Je maakt dus een plooienstudie als een klassieke schilder? Niet op papier, enkel in je hoofd?

L.D.: Ik bouw het werk op als een traditioneel schilderij, dat klopt; ik werk met ruimte en beweging zoals een klassieke schilder dat doet, zonder clair-obscur weliswaar, maar met dezelfde lijnen die Caravaggio in het vlak kerft voor hij aan een schilderij begint. Alleen worden mijn werken helemaal anders doordat het bas-reliëfs zijn. Een schilderij beweegt enkel naar binnen, alle lijnen leiden naar één punt achteraan; bij mij gaat de beweging in twee richtingen, naar binnen én naar buiten.

K.B./D.P.: De fluweelwerken verenigen schilder- en beeldhouwkunst, net zoals Amerikaans imperialisme.

L.D.: Het is alsof ik kijk naar een schilderij van Uccello, naar de manier waarop dat schilderij is opgebouwd, om dàn om mij heen te kijken. Vanuit dat standpunt zijn deze werken gemaakt. Kleur en beweging waren onder impuls van de conceptuele kunst volledig verdwenen. Ik wilde de draad met de kunstgeschiedenis terug opnemen – maar mét de conceptuele kunst in het achterhoofd. Je kunt niet zomaar terug in de tijd.

K.B./D.P.: Waarin schuilt het conceptuele aspect? In het feit dat je de werken in je hoofd bedenkt…

L.D.: …en in het feit dat ze als fenomenen bestaan. De fluweelwerken zijn verschijningen die je zintuiglijk en verstandelijk waarneemt. Het zijn visuele ideeën. En tegelijk komt er ook poëzie in.

K.B./D.P.: Waar zit de poëzie?

L.D.: Dat kan ik niet zeggen, dat zit allemaal in elkaar verweven. Sommige vormen zijn sculpturaal, en doen bijvoorbeeld aan een zuil denken, maar omdat de vorm van de grond loskomt en de zwaartekracht wegvalt, krijg je iets anders dan een sculptuur.

K.B./D.P.: In 1983 maak je een tweede reeks kleurenfoto’s met een naakt dat op een rode, gedrapeerde doek ligt. De liggende pose doet aan jouw vroege video’s denken, meer bepaald de reeks Hommage à… van 1972.

L.D.: Dat werk is ontstaan als een uitdaging. Ik had een vrouw ontmoet die van zichzelf vond dat ze verschrikkelijk lelijk was, en daar heb ik mij danig over opgewonden. “Ik zal je tonen hoe je eruitziet!” heb ik haar gezegd. ‘Alles uit iemand halen’: dat was de inzet van de rode serie.

K.B./D.P.: Was het de enige keer dat je met een model werkte?

L.D.: Blauw naakt is ook met een model gemaakt – maar dat waren de enige keren. Ik ben tegen het gebruiken en het manipuleren van modellen, maar bij het rode naakt ging het om iets anders, ik wilde iemand laten zien hoe mooi ze wel was. Als ik met iemand werk, moet er een betrokkenheid zijn. Je kunt iemand niet zomaar gebruiken.

K.B./D.P.: Het bijzondere is dat jij van een toevallige ontmoeting vertrekt.

L.D.: Maar het blijft niet bij een anekdote, ik maak ook een analyse. De ontmoeting wordt een uitdaging omdat mijn werk erbij aansluit. Want in de fluweelwerken is er weliswaar geen lichaam, maar het gaat om dezelfde verleiding. De naaktfiguur is trouwens een middenplanfiguur, geen voorgrondfiguur zoals bij een portret.

K.B./D.P.: Wat vond jouw model ervan?

L.D.: Ze wist niet wat ze zag.

K.B./D.P.: Eigenlijk is het zeer verrassend dat jij zo vaak van concrete observaties en ervaringen vertrekt.

L.D.: Natuurlijk.

K.B./D.P.: Wat nog het meest verrast, is het reactieve en polemische van jouw werk. In Amerikaans imperialisme blijkt dat uit de titel, maar dat ligt anders bij de video’s, zoals Schaduw van een idee, of de fluweelwerken of het rode naakt…

L.D.: Het is er altijd, ook al merk je het niet.

K.B./D.P.: Daar spreekt niemand over…

L.D.: Ik vertel het heus wel aan critici, maar vaak luisteren ze gewoon niet. Het is een bladzijde die onmiddellijk wordt omgedraaid. Waarschijnlijk houden ze niet van dat polemische, terwijl het toch vanzelfsprekend is dat de fluweelwerken niet zuiver esthetisch zijn. Ik leef toch in de tegenwoordige tijd!

K.B./D.P.: Als je nu terugkijkt op de tijd rond 1980, was je dan bezig met het afsluiten van een bepaalde periode? Door Amerikaans imperialisme te tonen en jouw videowerk te beëindigen?

L.D.: Zeker wat Amerikaans imperialisme betreft.

K.B./D.P.: En een nieuw begin te maken met Blauw naakt?

L.D.: In Blauw naakt wordt iets aangekondigd én iets verlaten. Blauw naakt komt nog voort uit mijn werken met papiersnippers van het einde van de jaren ’70, de ‘stillevens’ en de zogenaamde romans. Het ging om kleine werken op papier; in de stillevens werkte ik met stukjes kleurpapier, in de romans met fragmenten van erotische plaatjes uit goedkope tijdschriften. Met de rommel in de brievenbus – normale, ordinaire beelden – iets totaal anders vertellen, dat was de inzet van de romans. Maar ná Blauw naakt komen natuurlijk de werken in fluweel.

K.B./D.P.: En hoe verhoudt Amerikaans imperialisme zich tot de fluweelwerken? Is dat een complete breuk?

L.D.: Een breuk zeker niet. Amerikaans imperialisme draait om een onzichtbare aanwezigheid – de plaat verbergt iets. Aanwezigheid slaat om in afwezigheid. Bij de fluweelwerken zijn aanwezigheid en afwezigheid meer in elkaar verweven; de fluweelwerken zijn aanwezig en afwezig tegelijk. Nieuw is ook het efemere in de fluweelwerken – maar er loopt duidelijk een rode draad van Amerikaans imperialisme naar het werk van de jaren ’80.

K.B./D.P.: Er is ook een relatie met de muur in beide werken; maar het viriele staal van Amerikaans imperialisme verdwijnt in de jaren ’80 om plaats te maken voor zijde en fluweel.

L.D.: Ja, maar op dat vlak is er ook continuïteit. De stalen plaat leunt tegen de muur. Ik gebruik een viriel materiaal, maar op een kwetsbare manier.

K.B./D.P.: En wat is er gebeurd tussen Blauw naakt in 1980 en de werken in textiel vanaf 1982?

L.D.: Het ‘hedendaagse stilleven’ van Blauw naakt is vervangen door de ruimte waarin de sculptuur is opgesteld. En het efemere van de diaprojectie is vervangen door het efemere van de verschijning van de sculptuur – afwezig en aanwezig tegelijk.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Dirk Pültau

 

Dan Van Severen

Het Alfabet (1980)

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1981 toon jij bij Richard Foncke Gallery twee reeksen tekeningen, Alfabet (1980) en Kruisweg (1981). Alfabet is zesdelig, het bestaat uit vijf bladen waarop één elementaire figuur te zien is, en één verzamelblad dat de vijf figuren samen toont. Waarom heet dit werk ‘alfabet’?

Dan Van Severen: Omdat het mijn alfabet toont! De horizontale, de verticale, de ruit, de cirkel, het vierkant: dat is mijn vocabularium, dat zijn de basisvormen waarmee ik werk. Ik denk dat Lieve Foncke de titel heeft bedacht. Ik geef nooit titels, maar deze titel vond ik wel logisch.

K.B./D.P.: Ben je begonnen met de verzameltekening?

D.V.S.: De verzameltekening kwam op het einde, vermoed ik. Eerst heb ik de afzonderlijke vormen getekend en dan heb ik ze samengevat.

K.B./D.P.: De vijf vormen snijden elkaar in het middelpunt. Het alfabet draait – letterlijk en figuurlijk – om het middelpunt.

D.V.S.: Al mijn werken draaien om het middelpunt – of toch bijna allemaal.

K.B./D.P.: Maar het middelpunt is enkel zichtbaar bij de diagonalen en het kruis, niet bij de cirkel, het vierkant en de ruit.

D.V.S.: Nee, dat klopt, daar is het middelpunt onzichtbaar. De vormen liggen trouwens niet in het midden, ze liggen er net boven; want als ik het mathematische centrum zou nemen, dan zakken de vormen, dan staan ze optisch gesproken te laag. Dat geldt zowel voor de cirkel als voor de ruit en de horizontale van het kruis. Wil je het midden tonen, dan moet het boven de middellijn liggen.

K.B./D.P.: Het gaat dus niet zozeer over het middelpunt, maar over de illusie van het middelpunt, over de manier waarop het zich manifesteert?

D.V.S.: Dat klopt. Daar ben ik gaandeweg achtergekomen. Ik ontdekte dat het middelpunt bij de ruit altijd iets hoger moest. Bij de diagonalen natuurlijk niet. Daar ligt het middelpunt automatisch in het exacte midden.

K.B./D.P.: Het alfabet valt dus uiteen in twee categorieën: vormen met een optisch middelpunt – de ruit, het vierkant en de cirkel – en vormen met een mathematisch middelpunt. Er zijn twee manieren om met het middelpunt om te gaan: een letterlijke en een figuurlijke.

D.V.S.: Inderdaad. Alleen de diagonalen behoren tot de eerste categorie.

K.B./D.P.: Je presenteert de vijf figuren in een bepaalde volgorde – ruit, vierkant, kruis, cirkel en tot slot diagonaal. Waarom die volgorde?

D.V.S.: In het midden staat het kruis, de horizontale en de verticale. Dat is logisch, want het kruis toont het middelpunt. Ik laat de tekens rond het midden samenkomen.

K.B./D.P.: Het alfabet is dus ook een poëtica.

D.V.S.: In zekere zin wel. Maar de plaatsing van de andere vormen moet plastisch bekeken worden. Vanuit die optiek is het logisch dat het vierkant naast de ruit staat en de cirkel naast de diagonalen. Daar zit geen symboliek achter.

K.B./D.P.: Waarom heb je deze vijf vormen gekozen, waarom precies de ruit, het vierkant, de cirkel, het kruis en de diagonaal?

D.V.S.: Omdat ze mij altijd hebben beziggehouden. Vooral de ruit, het kruis en het vierkant; in mindere mate de cirkel en de diagonaal.

K.B./D.P.: Eind jaren zestig heb je ook de ovaal gebruikt.

D.V.S.: Ja, maar niet vaak. Na 1970 is de ovaal verdwenen.

K.B./D.P.: Waarom?

D.V.S.: Dat kan ik niet zeggen. Ik werk bijna altijd op staande formaten en op een gegeven moment heeft het vlak mij gevraagd om daar een ovaal in te maken. Maar de ovaal behoort niet tot mijn alfabet.

K.B./D.P.: Vanwaar de voorkeur voor een verticaal formaat?

D.V.S.: Omdat wij zelf verticalen zijn! Wij zijn op zoek in horizontale maar nog meer in verticale zin – in de hoogte. Die gedachte heb ik tot zijn eenvoudigste vorm herleid.

K.B./D.P.: Zou het echter kunnen dat de ovaal te pregnant is? Is dat een mogelijke verklaring?

D.V.S.: Ja, misschien dringt de ovaal zich te veel op. De andere vormen verdragen elkaar beter.

K.B./D.P.: Het omgekeerde geldt voor de diagonalen; die zijn minder present, schematisch en weinig iconisch. Het verrast dat ze in jouw vocabularium voorkomen.

D.V.S.: Maar de laatste tijd praktisch niet meer. Het zijn de verticalen en horizontalen die mij bezighouden.

 

De Kruisweg (1981)

K.B./D.P.: De Kruisweg is de tweede reeks die je bij Foncke toont: een reeks van 14 tekeningen met 1 tot 14 verticalen op één horizontale. In een monografie over jouw werk, verschenen bij Ludion in 2000, lezen we dat jij rond 1980 erg bezig was met de kruisweg van Matisse in Vence en met Barnett Newmans kruisweg uit 1958. Wat betekenen die referenties voor jouw eigen Kruisweg?

D.V.S.: Niet zo veel. Het werk van Matisse is totaal anders, al vond ik zijn kruisweg meteen zeer goed, en Barnett Newman heeft mij altijd geïnteresseerd, maar voor mijn werk was enkel de idee van belang om ‘een kruisweg’ te maken. Het ging mij om de horizontale en de verticale. De kruisweg bestaat uit 14 stadia, en bij elke statie komt er één bij… het laatste blad telt dus 14 verticalen op een horizontale.

K.B./D.P.: Blijft de vraag waarom jij een kruisweg wil maken.

D.V.S.: Een moeilijke vraag. De grondgedachte is: de verticale en de horizontale – en hun combinatie. Ik heb zeker nog schetsboekjes liggen waar ik experimenteer met die combinatie.

K.B./D.P.: Waarom een religieus thema?

D.V.S.: Ik ben katholiek opgevoed en religie is mij blijven boeien. Wat mij vooral intrigeert, zijn de godsdienstoorlogen, de conflicten tussen christenen en moslims, katholieken en protestanten. Of vandaag tussen Israël en Libanon, de Islam en de paus…

K.B./D.P.: En dat resulteert op een bepaald moment in een kruisweg?

D.V.S.: De kruisweg volgt uit de ontwikkeling van mijn werk. In mijn vroeger werk lag de horizontale een stuk hoger dan het midden; dat heeft met ervaringen uit mijn jeugd te maken, het verwijst ook naar Christus en de kruisdood. Mettertijd is de horizontale naar het midden gezakt, of zoals ik daarstraks zei, net daarboven.

K.B./D.P.: En bij De Kruisweg? Ligt de horizontale opnieuw hoger?

D.V.S.: Net boven het midden. Ik probeer niet de Christusfiguur te verbeelden.

K.B./D.P.: In De Kruisweg komen twee onderwerpen samen: een vormelijk probleem en jouw fascinatie voor godsdiensten.

D.V.S.: Dat klopt. Ik blijf óók met religieuze problemen zitten. Mensen hebben mij dat wel eens verweten. Ze zeiden, dat zijn mooie tekeningen, maar waarom noem je ze ‘kruisweg’?

K.B./D.P.: Werd jij dan in een katholieke hoek geduwd? 

D.V.S.: Dat is overdreven; trouwens, van katholieke zijde werd de kruisweg ook niet altijd geapprecieerd. Ik had toen minder banden met dat milieu – vandaag helemaal niet meer – maar mijn indruk was dat katholieken de kruisweg eerder vals vonden. Volgens hen had ik niet het recht om dat werk Kruisweg te noemen; dat waren abstracte tekeningen!

K.B./D.P.: Werd jouw ‘interpretatie’ van de kruisweg ook becommentarieerd?

D.V.S.: Eén opmerking is mij bijgebleven. Arnold Brys beweerde dat mijn kruisweg van 14 naar 1 – en niet van 1 naar 14 – had moeten lopen. Brys is een Bruggeling die ik van mijn studententijd op Sint-Lucas kende. Later heeft hij zich als illustrator ontwikkeld.

K.B./D.P.: Waarom moet de kruisweg van 14 naar 1 lopen?

D.V.S.: Het kwam erop neer – maar ik ben geen theoloog – dat de kruisweg van het graf naar de verrijzenis evolueert; je moet uitkomen bij de dood en de verrijzenis. Voor mij speelde dat geen rol; ik heb dat als een plastische ontwikkeling gezien. Ik vond het een uitgelezen kans om een reeks verticalen op een horizontale te maken.

K.B./D.P.: De Kruisweg is een horizontaal werk. Dat is zeldzaam.

D.V.S: Inderdaad, dat komt weinig voor in mijn oeuvre. Maar het blijven 14 verticale tekeningen. Ik voeg de bladen niet samen.

K.B./D.P.: Als reeks is De Kruisweg evenwel horizontaal; je leest hem van links naar rechts, bijna als een narratieve ontwikkeling in een abstract idioom.

D.V.S.: Ja.

K.B./D.P.: In een werk uit 1979, ondertiteld ‘triptiek’, gebeurt iets gelijkaardigs.

D.V.S.: Een triptiek is horizontaal, dat klopt, maar hij heeft een duidelijk centrum.

K.B./D.P.: De triptiek van 1979 is nu net niet vanuit een centrum gedacht; hij ontwikkelt zich van links naar rechts. Kan je stellen dat jij in die tijd losser omspringt met het centrum?

D.V.S.: Ik blijf in het centrum geïnteresseerd, dat vind ik zo boeiend aan de triptiek. Vroeger ging ik elk jaar met de studenten van Sint-Lucas naar het Lam Gods kijken, in de Sint-Baafskathedraal. Het veelluik stond nog in de kapel van Judocus Veydt, er was iemand om het te openen en te sluiten. Maar nu staat het Lam Godsaltijd open, in een glazen doos, zodat je het van alle kanten kunt bekijken. Dat is jammer. Een triptiek moet je openen en sluiten en bekijken vanop dezelfde plaats.

K.B./D.P.: Waarom?

D.V.S.: In een triptiek heb je een centrum en twee mogelijkheden. Dat heeft mij altijd geïnteresseerd. Ik heb recent nog een triptiek geëxposeerd in Stavelot, met een horizontale in het midden, en twee verticalen aan de zijkanten. Ook dat werk heeft een centrum en twee mogelijkheden – je kunt ze het geestelijke en het materiële noemen – die tot overeenstemming trachten te komen.

K.B./D.P.: De triptiek is een vorm om polariteiten samen te brengen? Met het centrum als bemiddelend element? 

D.V.S.: Dat is altijd de grondgedachte van mijn werk geweest.

K.B./D.P.: Heeft het maken van de kruisweg jouw verdere werk beïnvloed?

D.V.S.: Niet ingrijpend, maar recentelijk heb ik tekeningen gemaakt met drie verticalen en een horizontale. De bladen zijn in twee geplooid, waardoor je een spel van verticale plooien en lijnen op één horizontale krijgt. Het raster heeft mij altijd geïnteresseerd: van in het prille begin in de jaren ’50 hangt er een metalen rooster in mijn atelier. Ik heb dat ooit gevonden.

K.B./D.P.: Van de kruisweg is ook een sculpturale versie gemaakt.

D.V.S.: Mijn zoon Fabiaan heeft in 1984 een versie uitgevoerd in metaal.

 

Luik

K.B./D.P.: Volgens de genoemde monografie kwam jij in 1980 voor het eerst in contact met “de Luikse vriendenkring”.

D.V.S.: Dat gaat onder meer over Michel Boulanger van Galerie l’A, en over Jean-Pierre Ransonnet die als contactpersoon voor die galerie optrad. Zij kwamen naar Gent om een tentoonstelling bij Richard Foncke Gallery te bekijken: Dan Van Severen, recente werken: schilderijen, tekeningen, etsen, werktekeningen, 1955-1979. Blijkbaar waren zij geïnteresseerd. Vanaf 1981 heb ik verschillende keren in de Galerie l’A geëxposeerd. Later heb ik nog samengewerkt met de architect Bruno Albert en kwam ik in contact met ingenieur René Greisch.

K.B./D.P.: Ransonnet en Boulanger waren kunstenaars. Wat voor een relatie had je met hen?

D.V.S.: Boulanger is een echte beeldhouwer die ook Afrikaanse kunst verzamelt. Met hem had ik een goede verstandhouding. We hebben eens samen tentoongesteld bij Foncke, en ik zie hem nog regelmatig. Ransonnet zette de artistieke lijnen uit bij de Galerie de l’A. Hij heeft mij ook geïnterviewd, er is een klein boekje van gemaakt, maar zijn werk heeft mij nooit aangesproken.

K.B./D.P.: Je hebt ook in Luik gewoond, van april 1985 tot juni 1986 om precies te zijn. Waarom ben je verhuisd?

D.V.S.: De aanleiding was privé – maar ik kende natuurlijk al verschillende mensen in Luik. Via Michel Boulanger en Jean-Pierre Ransonnet heb ik Laurent Jacob van Espace 251 Nord ontmoet. Hij had een hoop zeildoeken liggen – bruine doeken die men gebruikt als verpakkingsmateriaal – en liet kunstenaars daarop werken. Ik heb een slank, verticaal werk gemaakt dat later door Phil Mertens is aangekocht voor de staat; het bevindt zich nu in het SMAK.

K.B./D.P.: Was dat materiaal – bruin zeildoek – iets totaal nieuws?

D.V.S.: Nee. Ik werkte vaak op diverse achtergronden, ik bedoel: doeken en papiersoorten die door hun materialiteit al een achtergrond vormen. Het bruinige van het zeildoek trok mij aan, het was een interessante achtergrond, zoals een doek of papiersoort dat kan zijn.

K.B./D.P.: In de herfst van 1985 neem jij deel aan de internationale groepstentoonstelling van hedendaagse kunst Investigations, georganiseerd door Laurent Jacob in een leegstaande parking onder de Place Saint-Lambert in Luik. Het is vreemd dat jij tussen al die kunstenaars belandt, die immers vooral installaties maakten – zoals Guillaume Bijl en Jef Geys – en ruimtelijke ingrepen deden – zoals bijvoorbeeld Jean-Luc Vilmouth.

D.V.S.: Ik had weinig contact met de andere kunstenaars. Ik moet inderdaad zowat de oudste onder de deelnemers zijn geweest.

K.B./D.P.: Jij hebt toen een sculptuur gemaakt.

D.V.S.: Mijn enige sculptuur – buiten een paar kleinigheden misschien. Ik kwam de parking binnen en mijn oog viel op de plek die bestemd was voor de elektriciteitscabine, tien meter lang, drie meter breed en drie meter tien hoog. Ik zette een persoon midden in de ruimte en wist meteen wat ik ging maken: een piramidale vorm met drie steenblokken op elkaar. Op mijn appartement lag een grote steen; een kleinere steen vond ik in een groeve bij Luik – er moest slechts een klein stukje af – en de bovenste kleine steen heb ik laten maken in arduin. Op de muur heb ik nog een paar houtskooltekeningen gemaakt, al wist ik dat de muur ging verdwijnen. De sculptuur bevindt zich nu in de Koninklijke Musea van Brussel.

K.B./D.P.: Er bestaat een soort maquette van de sculptuur uit datzelfde jaar. Maar er bestaat ook een tekening van jou uit 1967 waarop een stapeling van drie kubusvormen is te zien.

D.V.S.: Die tekening is gemaakt na de Biënnale van São Paulo. In 1967 nam ik deel aan de Biënnale en ik heb toen ook Mexico bezocht, met zijn piramides. Thuisgekomen heb ik een tekening gemaakt met drie vormen die zoals bij een piramide op elkaar staan. Het heeft twintig jaar geduurd eer de sculptuur tot stand is gekomen.

K.B./D.P.: Je hebt nooit overwogen om beeldhouwer te worden?

D.V.S.: Nee. De sculptuur is er gekomen door de ruimte van de ondergrondse parking. De ruimte heeft mij geïnspireerd.

K.B./D.P.: Jouw sculptuur is verticaal, net als jouw andere werk. Maar het is ook een antropomorfe vorm.

D.V.S.: Ik heb een persoon in de ruimte geplaatst. Een vrouw. Ik zag dat het klopte. Ze stond precies waar de sculptuur zou komen.

K.B./D.P.: Is het van belang dat het een vrouw was?

D.V.S.: Nee, daar heb ik nooit aan gedacht.

K.B./D.P.: In jouw atelier staat een foto van een prehistorisch vruchtbaarheidsbeeldje, de oervrouwelijke vorm bij uitstek. Dat beeldje doet aan de sculptuur denken.

D.V.S.: Dat vruchtbaarheidsbeeldje is een van de allereerste sculpturen ter wereld. Ik vind het een boeiend ding. Vrouwen hebben mij ook altijd geïnteresseerd!

K.B./D.P.: Ben je nadien nog gevraagd om ruimtelijke ingrepen te doen?

D.V.S.: Eigenlijk niet. Ik ben gewoon met mijn vlakken blijven werken. Er zijn geen specifieke vragen meer gekomen.

K.B./D.P.: In een boekje getiteld Visions, verschenen in 1982 bij Foncke, word jij geciteerd door Leo Van Damme. Je zegt dat je vroeger alleen over plastische taal wilde nadenken, maar sinds een vijftal jaren meer naar de zin en het waarom van dingen zoekt. De dingen zijn wat ze zijn – maar waarom?

D.V.S.: Zeg ik dat echt?

K.B./D.P.: Jazeker, in 1982. Waarom treedt het ‘waarom’ precies in die jaren op de voorgrond?

D.V.S.: Ik blijf geobsedeerd door de idee dat er in dat enorme heelal één deeltje zweeft waarop wij leven.

K.B./D.P.: Dan nog blijft de vraag: waarom op dat moment? Waarom maak jij op dat moment een kruisweg? Waarom maak jij een samenvattend werk als het alfabet?

D.V.S.: Het zijn bewogen jaren geweest. En misschien was het tijd voor een synthese. Het was misschien een beetje de tijd van de grote samenvattingen.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Dirk Pültau

Gesprek met Daniel Buren over de tentoonstelling Kunst in Europa na ’68

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1980 heb je deelgenomen aan de tentoonstelling Kunst in Europa na ‘68 in het Museum van Hedendaagse Kunst te Gent. Je hebt er drie werken gerealiseerd: één op de glasramen van de abdij (Passage de la lumière), één in het museum (Passage de la couleur) en een derde werk dat uit het museum leek te komen en eindigde op straat (Passage de la forme). Hoe heb je de tentoonstelling ervaren?

Daniel Buren: Ik was een van de 15 uitgenodigde kunstenaars die waren gekozen door een comité, niet door één persoon. Iedere uitgenodigde kunstenaar diende vervolgens ook zelf iemand uit te nodigen. Als ik me niet vergis, heb ik Jean-Luc Vilmouth gekozen. Het was een van zijn allereerste ‘internationale’ tentoonstellingen. Omdat Stanley Brouwn weigerde om zelf iemand te kiezen, mocht ik nog een tweede kunstenaar vragen: Tony Cragg. Ik moet zeggen dat ik dat uitnodigingsprincipe erg interessant vond.

K.B./D.P.: Omdat het een vorm van objectivering impliceert?

D.B.: Precies. In Parijs werd er trouwens een tentoonstelling volgens min of meer hetzelfde principe georganiseerd.

K.B./D.P.: De tentoonstelling Pierre et Marie?

D.B.: Inderdaad. Die tentoonstelling liep ongeveer in dezelfde periode. In het geval van Pierre et Marie waren er drie mensen die de selectie maakten. Ze hadden aanvankelijk een 15-tal kunstenaars uitgenodigd. Daarna maakte men een keuze uit kunstenaars die veelal nog onbekend waren. Het was de bedoeling dat de tentoonstelling acht à negen maanden zou duren, tot het moment waarop de tentoonstellingsruimte – een kerk – zou worden afgebroken. Na anderhalf jaar werd besloten om het principe consequent door te zetten. De initiatiefnemers stonden hun plaats af aan de kunstenaars die gedurende dat anderhalve jaar hadden tentoongesteld. Op hun beurt nodigden zij andere kunstenaars uit, vaak kunstenaars die de eerste groep nooit zou hebben gevraagd, omdat ze onbekend waren of omdat ze de vertegenwoordigers waren van tendenzen of gevoeligheden die hen niet interesseerden. In zekere zin ontwikkelde men in deze tentoonstelling het idee om iets op te starten en het tegelijk open te stellen, op een gecontroleerde maar objectiverende manier. Natuurlijk moet je dat niet doen bij elke tentoonstelling, maar het blijft wel een interessante formule. Je werkt met mensen die je goed kent en waardeert, en tegelijk bied je hen de mogelijkheid om de deur voor andere kunstenaars open te zetten. Minstens een op twee kunstenaars is dan ‘nieuw’, iemand die je zelf nooit had uitgenodigd. Eenzelfde werkwijze werd gehanteerd bij de tentoonstelling in het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst.

K.B./D.P.: Herinner je je nog welke indruk deze tentoonstelling op jou heeft gemaakt?

D.B.: In het algemeen een erg positieve indruk.

K.B./D.P.: We vinden het nogal verrassend dat jij Tony Cragg hebt gekozen.

D.B.: Werkelijk? In die periode wist ik nog niet dat Cragg de leraar van Vilmouth was geweest. Zonder het te weten had ik dus twee mensen uitgenodigd die elkaar erg goed kenden en tussen wie er niet zomaar een verwantschap bestond. Ik meen me te herinneren dat Cragg niet zo hoog opliep met Vilmouth, maar dat heb ik pas veel later vernomen. De eerste werken van Vilmouth, die ik interessant vond, stonden in feite heel dicht bij de oudere werken van Cragg, die ik toen nog niet had gezien. Bij sommige werken van Vilmouth kreeg je echt de indruk dat het ging om een doorslag van Cragg-originelen, wat Cragg natuurlijk niet zo prettig vond. Het is dus niet toevallig dat deze twee kunstenaars mij konden boeien. Ze leken niet zomaar op elkaar; de een oefende heel duidelijk invloed uit op de ander. Ik heb met veel jonge kunstenaars gewerkt. Bij iemand van 25 of 30 is het niet zo erg als zijn werk veel weg heeft van dat van een ander. Daarom is het nog niet oninteressant. Het stoort niet. Natuurlijk, als je die indruk nog steeds hebt wanneer de kunstenaar 50 is, dan is er wel een probleem.

K.B./D.P.: Kan je vertellen wat jou aansprak in het werk van deze twee kunstenaars?

D.B.: Het waren allebei erg veelzijdige en inventieve kunstenaars, hoewel ik mij vandaag kritischer zou uitlaten op dat punt. In de weinige werken van Cragg die ik toen kende, vond ik het boeiend om zien hoe hij razendsnel, steeds bijzonder inventief en vol talent, van het ene werk naar het andere schakelde. Als jonge kunstenaar vond ik het de moeite waard om zoiets te tonen, en eventueel ook aan te moedigen. Wat Vilmouth betreft: ik was blij dat er na de jaren ‘70 in Frankrijk eindelijk eens een kunstenaar was opgestaan die niét voortkwam uit de beweging Supports/Surfaces. Persoonlijk kon ik die Parijse schoolse schilderkunst niet uitstaan. De meeste Franse kunst uit de jaren ‘70 vond ik vreselijk. Supports/Surfaces zette een zware domper op die kunst, het was een beweging die voor iedereen erg nefast is geweest; maar Vilmouth was een jongere kunstenaar die plotseling iets heel anders deed. Hij had in Engeland gewerkt, waar hij Cragg leerde kennen, hij had ook in Metz gewerkt waar Cragg nog leraar was geweest. Vilmouths werk lag met andere woorden helemaal niet in de lijn van wat we in Frankrijk gewend waren in die dagen. Daarom heb ik hem gekozen. Er waren destijds misschien nog drie of vier andere kunstenaars die ik had kunnen kiezen. Eindelijk zag ik licht aan het einde van de tunnel, een uitweg uit die neo-Matisseachtige, neo-Parijse school die nergens het niveau haalde van wat op datzelfde ogenblik in het buitenland werd gemaakt.

K.B./D.P.: Laten we het even hebben over de titel van de tentoonstelling: Kunst in Europa na ’68. Vond je toen dat er een goede reden was om te spreken over kunst vanaf dat jaar?

D.B.: Waarschijnlijk vond ik die datum toen al eerder mediatiek. Achtenzestig is natuurlijk een sexy jaartal, een datum met een grote weerklank. Maar de échte grote veranderingen in de verschillende tendenzen van de kunstproductie speelden zich af in het midden van de jaren ’60. Voornamelijk, maar niet alleen in Europa. Misschien was ‘Kunst sinds het midden van de jaren zestig’ een betere titel geweest. Er was een nieuwe gevoeligheid die van ’67 tot ‘69 in Europa werd geconcretiseerd in een aantal belangrijke internationale tentoonstellingen, in Bern, Londen en Amsterdam. Een hele reeks grote en kleinere tentoonstellingen met min of meer dezelfde kunstenaars die ook gepresenteerd werden in de tentoonstelling Kunst in Europa na ’68.

K.B./D.P.: Was het volgens jou betekenisvol om kunst uit Europa sinds ’68 te tonen, in plaats van kunst uit de hele wereld?

D.B.: Het antwoord op die vraag is complexer. Na de oorlog, en dan vooral vanaf het begin van de jaren ’60 tot het eind van de jaren ’70, kon om het even welke jonge kunstenaar uit Amerika rekenen op een tentoonstelling in vier, vijf grote Europese galeries – Sperone, Fischer… Of hij erg goed was of eerder middelmatig, was niet zo’n punt. Hij was een groot kunstenaar, want hij kwam uit Amerika. Er waren zeker uitstekende Amerikaanse kunstenaars, maar in mijn perceptie speelden de grote veranderingen zich toch af binnen Europa. Daar is men uiteindelijk nieuwe vragen beginnen stellen, over politiek, esthetiek, kunstgeschiedenis enzovoort. Gemakshalve zou je kunnen stellen dat het onmiddellijke succes van de Amerikaanse kunstenaars, zeker in Europa, te wijten was aan het feit dat zij een soort klassiekers waren. De interessantste Europese kunstenaars waren daarentegen minder toegankelijk. Ze waren ook grotere beeldenstormers. In zekere zin was het eigenlijk een politieke vraag. De enige manier om die vraag te stellen was door de Amerikanen uit te sluiten. Vandaag zou het nog ingewikkelder zijn. Je zou bijvoorbeeld ook de Chinezen moeten uitsluiten. Het is tegenwoordig niet meer zo duidelijk, maar je zou wél kunnen stellen dat de Chinezen in Europa de Amerikanen hebben vervangen. Kunst heeft altijd een kleine voorsprong op de samenleving, en dus zitten we nu al op onze knieën voor China. Natuurlijk waren er Amerikaanse kunstenaars die even interessant waren als de Europeanen, ze behoorden tot dezelfde generatie en hadden ook in de tentoonstelling kunnen zitten. Misschien wilde Jan Hoet zien wat er zou gebeuren als men op dat ogenblik een tentoonstelling zonder Amerikanen zou maken, misschien wilde hij weten of zo’n tentoonstelling ook echt belangrijk kon zijn.

K.B./D.P.: Je bedoelt Jan Hoet en zijn comité? Als je in de catalogus de selectieprocedure leest, zie je dat hij niet de enige was die de selectie heeft beïnvloed. Alle leden van het comité (Germano Celant, Johannes Cladders, Rita Dubois, Karel Geirlandt, Jan Hoet, Sandy Nairne, Piet Van Daalen en Jean-Pierre Van Tieghem) mochten 35 kunstenaars voordragen. Vervolgens werden de vijftien kunstenaars geselecteerd die op alle lijsten voorkwamen.

D.B.: Zeker, het comité bestond uit erg verschillende mensen die bovendien buitengewoon competent waren. Ik kan me geen details voor de geest halen, maar ik weet nog wel, althans wat mij betreft, dat alles rond Hoet draaide. Ik herinner mij dat mensen met wie ik destijds meer contact had dan nu, mensen als Rudi Fuchs, mij vertelden dat je Hoet niet au sérieux kon nemen, dat hij geen kunsthistoricus was. Hij was jong, flamboyant en werd niet gerespecteerd door zijn collega’s. Nadien hebben ze wel samengewerkt en tentoonstellingen gemaakt, ze volgden elkaar op als curatoren van Documenta enzovoort. Het kan verkeren!

K.B./D.P.: De vijftien geselecteerde kunstenaars mochten op hun beurt ieder één kunstenaar kiezen. Aangezien Stanley Brouwn geen keuze wilde maken, heb je in zijn plaats een naam toegevoegd. Maar jouw tweede keuze, Tony Cragg, was al voorgedragen door Richard Long.

D.B.: Dat weet ik niet meer zo goed, maar in ieder geval was het Jan Hoet die alles en iedereen samenbracht. Hij hield zich werkelijk overal mee bezig. Ik was al een week vroeger in Gent om alles voor te bereiden en de werken te realiseren. Ik werkte tegelijkertijd in het museum en in de abdij. Hoet zelf liep ook voortdurend van hier naar daar, van de eerste tot de laatste dag, net als ik. Buiten hem heb ik niemand anders uit het comité gezien, behalve misschien bij de opening.

K.B./D.P.: Was het een aangename, stimulerende, verrijkende samenwerking?

D.B.: Ja, op een manier die mij altijd heeft geïnteresseerd bij Hoet. Hij was nergens bang voor en zei altijd waar het op aankwam. Hij zei ‘rotzooi’ wanneer hij iets rotslecht vond, hij was duidelijk, snel, en natuurlijk ook ontzettend enthousiast, misschien zelfs gek, een beetje gek maar razend enthousiast. Ik geloof dat hij ten tijde van Documenta zijn verstand heeft verloren. Toen nam hij een positie in die ik volstrekt afkeur, namelijk die van de organisator die denkt dat hij een kunstenaar is. Hoet is weliswaar niet de enige die die pet heeft opgezet, maar ik vond het erg zielig.

K.B./D.P.: Herinner je je nog iets van de samenwerking met de andere kunstenaars?

D.B.: Zoals zo vaak bij tentoonstellingen uit die periode, was het vooral aangenaam en interessant. Je kon praten met mensen die je wel kende maar niet zo vaak ontmoette. Ik heb altijd erg gehouden van zulke groepstentoonstellingen, zeker wanneer de werken ter plaatse werden gerealiseerd. Dat gebeurde toen nog veel vaker. Je zag de kunstenaars aan het werk en zo kon je discussiëren en tegelijk zien hoe alles in z’n werk ging, zodat je er altijd veel van opstak.

K.B./D.P.: Weet je nog over welke thema’s je toen met jouw collega’s discussieerde?

D.B.: Dat kan ik niet meer in detail navertellen. Ik was altijd geïnteresseerd in de tentoonstellingen van mensen die ik goed kende en dus vroeg ik hen wat ze hadden gemaakt en hoe ze het hadden gedaan… Daarnaast hadden we het over de manier waarop de tentoonstelling werd georganiseerd. En we gaven zeker ook in meer of mindere mate kritiek op elkaars werk. Er waren eveneens gesprekken over wereldproblemen, over politiek in het algemeen.

K.B./D.P.: Achteraf beschouwd en door onze bril bekeken lijkt het een tentoonstelling te zijn geweest met kunstenaars die reeds carrière hadden gemaakt. Had je dat gevoel toen ook al?

D.B.: Met uitzondering van Tony Cragg, Jean-Luc Vilmouth en misschien ook The Red Crayola, denk ik dat iedereen toen al redelijk bekend was. In de kleine kunstwereld, bedoel ik dan. Het viel me op dat ik zo ongeveer de enige was die onbekenden had uitgenodigd. De andere kunstenaars namen weinig risico’s en vroegen vrienden of alter ego’s die nog niet op de lijst stonden. Iemand als Kounellis vond bijvoorbeeld dat men naast hem ook Fabro had moeten vragen, en dus nodigde hij die gewoon zelf uit. Het is waar dat de meeste kunstenaars al een groot aantal tentoonstellingen op hun actief hadden. Het waren kunstenaars die net zo bekend waren als zij die in eerste instantie waren geselecteerd. Stel dat men die eerste 15 over het hoofd had gezien, en de door hen uitgenodigde kunstenaars éérst had gevraagd, dan zou die eerste groep van 15 kunstenaars in de tweede ronde zijn geselecteerd. Dat zou ongeveer hetzelfde resultaat hebben opgeleverd.

K.B./D.P.: We kunnen dus stellen dat de tentoonstelling voornamelijk was opgezet als de bevestiging van een reeds bekende situatie met reeds gevestigde kunstenaars.

D.B.: Dat is veel gezegd. Hoewel, als je weet dat alle leden van het comité 35 kunstenaars hebben gekozen, en dat er uiteindelijk vijftien namen zijn overgebleven… Ik durf wedden dat zich onder de geschrapte namen zowat alle kunstenaars bevonden die naderhand opnieuw werden ingeschakeld door de geselecteerde kunstenaars. Eigenlijk zou je nu eens op die lijst moeten nagaan welke namen helemaal niet meer zijn opgedoken. Natuurlijk kan ik vandaag niet beweren dat mijn collega’s het spelletje destijds niet in de gaten hadden. Maar ik had het in ieder geval door, en ik heb geprobeerd om mensen te tonen van wie men nog niet goed wist of hun werk echt goed was, zoals Vilmouth en Cragg. Ik vond hun werk hoe dan ook nieuw en interessant. Mettertijd begon ik wel te twijfelen aan de kwaliteiten van het werk van Vilmouth, maar toen had ik wat dat betreft nog geen probleem. Cragg is steeds erg inventief. Het is normaal dat ik niet altijd even enthousiast ben, maar hij tracht toch altijd iets onverwachts te doen en nieuwe wegen te bewandelen.

K.B./D.P.: Hoe verhield de tentoonstelling in Gent zich volgens jou tot de werkelijke situatie van de hedendaagse kunst in 1980?

D.B.: De tentoonstelling bevestigde alles wat in de jaren ’60 in Europa van belang was, alles wat uit die periode ook vandaag nog interessant is, ondanks de verschillen tussen de kunstenaars onderling. Cragg en Vilmouth zijn de enige kunstenaars met een jaren ’80-kantje. Alle anderen zijn kunstenaars die hun opwachting hadden gemaakt in de jaren ’60 en die kenmerken uit die periode vertonen, hoe je het ook draait of keert – ik zou furieus zijn als ik dit over mezelf hoorde beweren. De tentoonstelling wilde een opening bieden voor een andere generatie dan diegene waarvoor het comité gekozen had. Het comité had natuurlijk bekende namen geselecteerd, namen van kunstenaars die al gevestigd waren omdat ze al 15 of 20 jaar actief waren geweest. De ambitie om een nieuwe generatie te presenteren werd dus niet waargemaakt.

K.B./D.P.: En toch stelde de titel: ‘kunst na ‘68’.

D.B.: Inderdaad, maar in werkelijkheid betekende dat toch wel ‘uit ‘68’. Behalve in het geval van de drie genoemde kunstenaars, ging de tentoonstelling over het midden van de jaren ’60.

 

Museum/straat/abdij

K.B./D.P.: De kunstenaars werden gevraagd om twee oude werken en één nieuw werk te presenteren. Sommigen, zoals jij, hebben die regel naast zich neergelegd en hebben uitsluitend nieuw werk getoond. Hoe ben je tot die keuze gekomen?

D.B.: In die tijd presenteerde ik nooit iets wat ik al eerder had gemaakt. Ik zou mijn werken dus ter plaatse maken, omwille van de plaats en in verhouding tot de plaats. Dat doe ik nog steeds, het geldt voor 98 procent van mijn tentoonstellingen – de uitzondering bevestigt de regel.

K.B./D.P.: Laten we wat nader ingaan op de drie werken die je in 1980 in Gent hebt gemaakt. Heb je die effectief tegelijkertijd geconcipieerd of moeten we eerder zeggen dat een van de drie de twee andere heeft uitgelokt?

D.B.: De ideeën voor de drie werken hebben zich onmiddellijk aangediend, min of meer tegelijkertijd, op het moment dat ik de plaatsen had gekozen. En ze werden met elkaar verbonden door de titel, zodra ze al min of meer waren geconcipieerd. Het meest klassieke werk was de ingreep op de doorgangen tussen de museumruimtes; dat werk is ontstaan vanuit het idee om iets te tonen waar normaal niets tentoongesteld wordt, maar waar je het museum wel doorkruist: de muren van de ene zaal naar de andere, plaatsen op de grens tussen twee welbepaalde werelden. Het meest ironische werk dat ik ooit heb gemaakt, was het werk waarin ik speelde met het standbeeld voor het museum. Het derde werk ten slotte is ontstaan vanuit de sfeer van de abdij. Om die reden heb ik op het glasraam gezinspeeld, door gebruik te maken van een banaal materiaal, gekleurd papier, op alle vensters rond de binnenplaats.

K.B./D.P.: Ging het eerst om drie losse ideeën of vormden de werken echt een geheel? De titel – Passage de la lumièrePassage de la couleur en Passage de la forme  is wel bijzonder coherent.

D.B.: Vaak ontdek ik een coherentie die a priori onbestaande is. Soms merk ik achteraf dat het steek houdt, dat er gemeenschappelijke trekken zijn. Maar het is niet geprogrammeerd. In dit geval zijn de werken ontstaan in relatie tot particuliere ruimten die ik niet van tevoren kende. Het werk met de doorgangen volgt bijvoorbeeld een principe dat ik nadien nog heb toegepast en dat geleid heeft tot een aantal conflicten met andere kunstenaars. Natuurlijk forceer ik zoiets niet. Meestal geven de organisatoren mij de ruimte die ik vraag, om de eenvoudige reden dat niemand aan die ruimte dacht of die ruimte wilde. Maar zodra ik ze inneem, vragen sommige kunstenaars zich bijvoorbeeld af waarom zij enkel een zaal hebben. Welnu, ik heb nooit een zaal gevraagd. Ik was lang de enige die iets deed met gangen, zolderingen, vensters en toiletten, allerlei plekken die natuurlijk niemand interesseerden. In Gent heb ik zoals gezegd ook gebruik gemaakt van de dikte van de muren in de toegangen. Na de tentoonstelling heb ik vernomen dat mijn keuze voor die plek had geleid tot een conflict tussen Maria Gilissen, de weduwe van Marcel Broodthaers, en Jan Hoet. Maria Gilissen had omwille van mijn werk geweigerd om iets in het museum te exposeren. Ik geloof dat Hoet toen met recht en reden heeft geantwoord dat hijzelf helemaal geen conflict zag, aangezien mijn werk, dat hij reeds had geaccepteerd, op de toegang tot de zaal was aangebracht en niet in de zaal stond opgesteld. Hoe dan ook, Gilissen vond dat mijn werk stoorde en ze heeft het voorziene werk van Marcel niet willen presenteren. Het spreekt vanzelf dat er van zo’n conflict geen sprake zou zijn geweest mocht Marcel nog geleefd hebben.

K.B./D.P.: Heb jij de volgorde van de foto’s in de catalogus zelf bepaald? Of was dat de keuze van Hoet? De opeenvolging van de fotografische beelden heeft namelijk een grote invloed op de receptie van het werk. Als je het werk leest zoals het in de catalogus wordt gepresenteerd, dan zou je zeggen dat het doek uit het museum komt en zich ontwikkelt in de richting van het standbeeld voor de ingang van het museum. Voor de bezoeker van het museum daarentegen lijkt het werk van buiten naar binnen te gaan.

D.B.: Ik denk niet dat ik die volgorde heb bepaald, maar ze lijkt me wel juist. Het lijkt me niet helemaal correct te zeggen dat het werk het museum binnenkomt. Het standbeeld voor de ingang verbeeldt een groep gespierde mannen die ergens aan sleuren. Zo kwam ik op het idee een werk te maken dat eruitziet alsof er inderdaad iets uit het museum komt, dankzij een grote krachtinspanning van de bronzen figurengroep. In mijn hoofd is het iets dat in het museum is gestolen en eruit komt, iets wat er door die denkbeeldige trekkracht wordt uitgerukt. Het werk was natuurlijk een beetje ironisch bedoeld. Als je het standbeeld niet ziet, begrijp je het inderdaad niet zo goed. Zelf heb ik het werk gereproduceerd op een foto die het volgens mij wel goed toont, en die het gebaar dat ik wilde stellen goed laat uitkomen.

K.B./D.P.: Wilde je met dat gebaar dan zeggen dat de kunst het museum uit moet?

D.B.: Dat is nog iets anders, dat is jullie interpretatie. Als je het werk op die manier bekijkt, kan je in ieder geval wel stellen dat het heel veel moeite kost om het werk uit het museum te krijgen! In gevallen als deze laat ik alle interpretaties liefst zoveel mogelijk open. Indien gewenst kan je erin lezen dat de kunst uit het museum kan komen, hoewel, als je het standbeeld bekijkt, merk je ook dat zoiets helemaal niet eenvoudig is. Het vereist grote inspanningen, er zijn wel drie of vier spierbundels nodig om het werk met man en macht uit het museum te krijgen.

K.B./D.P.: In de anekdote van het standbeeld planten de gespierde figuren een mast. Misschien bevinden ze zich zelfs op een schip, en dan zou je kunnen denken dat het museum meedrijft.

D.B.: Door het standbeeld in mijn werk te betrekken, speelde ik met een bestaand element dat niet bedoeld is om deel uit te maken van een kunstwerk. Ik geef er op die manier natuurlijk een betekenis aan, een betekenis waarvan ik de interpretatie zo vrij en zo open mogelijk houd. Ik kan niet zeggen hoe je dit werk moet lezen en ik zal niet beweren dat jullie interpretatie fout is; als jullie goed kijken en merken dat het daadwerkelijk in verband kan worden gebracht met het idee van een schip dat drijft of dreigt te kapseizen… Het moet zo rijk en zo open mogelijk blijven, en daarom moet de plausibiliteit van al die interpretaties worden aanvaard. Zeker, het idee van iets dat uit het museum komt, lokt nu eenmaal vragen en interpretaties uit: kan je het museum echt verlaten? Is er een werk ontvreemd en staat het nu op straat? Enzovoort. En er is nog iets anders. Mijn werk speelt met één standbeeld uit de duizend. Het standbeeld is voor de meeste individuen die in een stad rondlopen het symbool bij uitstek van kunst in de stad. Voor die meerderheid is kunst eerder dàt dan alles wat zich binnen het museum afspeelt. Standbeelden ziet iedereen, maar weinigen zien wat binnenin het museum gebeurt. Zo krijg je dus een andere interpretatie: ik haak in op de kunst in de stad. Het is een populaire kunst omdat iedereen het herkent als kunst en min of meer weet wat het is. Wanneer je in de stad iets toont dat van een andere orde is, begrijpen de meesten het niet meer en krijg je polemieken. Overigens gebeurde er met dit werk nog iets interessants, een detail dat jullie waarschijnlijk niet kennen. Kort na de opening waaide er een storm en is het standbeeld omgevallen. Het was niet beschadigd en het werd teruggeplaatst en goed vastgeschroefd. Ook dit avontuur zou je symbolisch kunnen interpreteren. Mijn werk was een uit het museum gestolen doek dat meer kracht bleek uit te oefenen dan het topzware bronzen standbeeld! Een stuk stof met een paar penseelstreken erop, blijkt sterker dan tonnen brons.

 

Monument en sokkel

K.B./D.P.: Heb je onderzoek verricht naar het standbeeld? In datzelfde jaar 1980 had je duidelijk veel belangstelling voor standbeelden. Je werkte ook met standbeelden in een tentoonstelling te Lyon. Kunnen we zeggen dat je Gentse interventie tot op zekere hoogte tegengesteld was aan hetgeen je in Lyon hebt gemaakt? Daar speelde je met aspecten als plaatsing en focus, en liet je het publiek neerwaarts kijken (naar de sokkels). In Gent was de blik naar boven gericht (naar je werk dat uit het museum kwam).

D.B.: Ik heb niet echt onderzoek verricht. In Gent koos ik het standbeeld omdat het op een goede plaats stond en ook omwille van het beeld, de visuele indruk, hetgeen in mijn oeuvre toch wel uitzonderlijk te noemen is. Die aandacht voor het beeld is in mijn werk zelfs uniek te noemen. In Lyon koos ik inderdaad een heel andere werkwijze, in een andere geest. Ik heb er àlle standbeelden genomen, zonder uitzondering: abstracte en figuratieve, oude en nieuwe standbeelden. Door te werken met hun plaatsing, met hun sokkels eigenlijk, maakte ik gebruik van het enige aspect dat geen deel uitmaakt van de standbeelden. Dat recht had ik, want dat onderdeel is sowieso niet het werk van de kunstenaars maar doorgaans van een architect. Dat leerde ik uit de beschrijvingen. Vaak wist de beeldhouwer niet eens waar of hoe zijn beeld geplaatst zou worden. Mijn stelling in Lyon was dat een standbeeld altijd is gemaakt om naar de lucht te kijken. Mijn interventie was gericht op het voetstuk, om aan te geven dat het standbeeld bestaat uit alles wat zich afspeelt tussen de grond en wat er in de lucht gebeurt, inclusief het werk van kunstenaar X en het monument van architect Y. Dit geldt voor alle gewone standbeelden in de stad – de beelden van Richard Serra vormen een uitzondering. Jullie stellen terecht dat ik in Gent iets heel anders heb gerealiseerd. Er is inderdaad geen verband. Over het werk in Gent zou je kunnen zeggen dat de anekdote en de specifieke locatie van het standbeeld in kwestie tot het uiteindelijke werk hebben geleid. In Lyon was het veel systematischer en theoretisch, helemaal niet anekdotisch.

K.B./D.P.: Wat je net zei over het standbeeld als populaire kunst in de stad heb je in 1980 ook beschreven in een tekst over het werk in Lyon. Je had het daarin over een soort populaire kunst die mensen zonder kunstopleiding al kennen nog vóór ze het museum bezoeken. En je voegde eraan toe dat de aura of de kracht van het standbeeld veelal wordt geconsolideerd door het museum, dat schaalmodellen presenteert die het artistieke statuut van de beelden die buiten staan garanderen en versterken.

D.B.: Inderdaad. Bovendien zijn er erg vaak beelden die terugkeren naar het museum. Beelden die als meesterwerken worden beschouwd, blijven niet op straat staan. Om duidelijk te maken dat het een of andere beeld op het een of andere plein een echt meesterwerk is, wordt het door de maatschappij en de kunstkenners vervangen door een kopie. Het origineel komt in het museum terecht. Zodra de alom bekende populaire kunst wordt erkend als meesterwerk, keert ze terug naar het museum, alsof de straat een rampgebied is. Dat is nogal een vreemde, perverse houding. De excuses laten niet lang op zich wachten: de straat vervuilt, er is te veel luchtverontreiniging enzovoort. Alle mooie beelden die je vandaag in Parijs aantreft, op de Place de la Concorde of op de Pont Alexandre III of de beelden van Carpeaux in de Opéra, zijn kopieën in kunsthars. De originelen staan in het Louvre. Dat is een buitengewoon interessant fenomeen voor wie nadenkt over de relatie tussen museum, openbaar kunstbezit en kunst in de openbare ruimte.

K.B./D.P.: Was je in Gent de enige kunstenaar die zowel in het museum als in de abdij tentoonstelde? Jan Hoet suggereert in de catalogus dat jouw werken als een enveloppe voor de hele tentoonstelling hebben gefunctioneerd.

D.B.: Dat herinner ik mij niet meer. Er waren nog andere kunstenaars die minstens op twee verschillende plekken aanwezig waren, bijvoorbeeld Luciano Fabro. Hun werk was weliswaar van een andere aard en het is moeilijk om nu nog te zeggen dat ook hun werk als een enveloppe kon worden gezien. Wat mijn werk betreft is het wel een plausibele stelling, ook al lag het niet in mijn bedoelingen en heeft het uiteindelijk geen zin om het zo te noemen. Wat ik deed was gewoon een bijzondere manier om een persoonlijke tentoonstelling te maken, een tentoonstelling die echter niet wordt gekwalificeerd als het werk van meneer Buren in de zaal van meneer Buren. Je kunt dus zeggen dat het werk functioneerde als een enveloppe, maar toch eerst en vooral dat het op een persoonlijke manier gebruik maakte van het museum. Die weg ben ik wel vaker ingeslagen. Voor een tentoonstelling in Eindhoven, waar onder meer ook Baselitz tentoonstelde, heb ik bijvoorbeeld vesten gemaakt. Ook dat was een persoonlijke tentoonstelling. Er was nauwelijks iemand die zag wat ik had gemaakt, omdat er geen zaal was. Er liepen mensen die zo’n vest hadden aangetrokken alsof ze om het even welk uniformpje droegen, en dat werkte nogal verwarrend. Wie alleen maar zegt dat het als een enveloppe functioneerde, zegt uiteindelijk niets verkeerds, maar reduceert daarmee wel alle aspecten die in het werk van belang zijn.

K.B./D.P.: Jan Hoet beweert letterlijk dat jouw werk de eenheid van de groep kunstenaars in de tentoonstelling bevestigde.

D.B.: Dat is een vergissing. Wanneer hij naar mijn werk verwijst, denkt hij aan de eenheid van een groepstentoonstelling, omdat ik op alle locaties werken heb gerealiseerd met dezelfde gestreepte stroken. De drie werken zijn echter totaal verschillend. Het enige onderlinge verband is de kunstenaar, en de strook die vormelijk gesproken identiek is in alle werken.

K.B./D.P.: Werd er ook een werk verkocht?

D.B.: Jaren later heeft Hoet het meest complexe werk aangekocht, het werk dat uit het museum komt. Voor mij is dat een van mijn minst verkoopbare werken. Wie weet heeft hij het wel gekozen om te tonen dat het extravaganter was. Als ik me goed herinner, kocht hij het tijdens Chambres d’amis in 1986. Ik vond zijn keuze dus erg verrassend, ook al omdat ik maar weinig werken verkoop die voor tentoonstellingen zijn gemaakt. Ik vind overigens dat hij mijn werk voor Chambres d’amis had moeten kopen. Dat was een echt museumstuk dat in Gent had moeten blijven, waarbij de bezoekers net zoals ten tijde van Chambres d’amis ook naar het tweede deel ten huize van Anton Herbert konden gaan kijken. Ik weet dat Hoet het werk dat uit het museum komt nog eens heeft tentoongesteld bij de opening van het SMAK. Vreemd genoeg werd het niet in het nieuwe museum gepresenteerd: het kwam uit het Museum voor Schone Kunsten.

K.B./D.P.: Hoe lees je het werk in deze nieuwe context?

D.B.: De nieuwe presentatie was op het randje en heeft mij erg verbaasd, maar het werkte nog steeds. Het werk stond weliswaar niet meer in rechtstreeks verband met hedendaagse kunst, maar het hield wel nog verband met het museum. De eventuele betekenissen die daarmee gepaard gaan, blijven onveranderd. Er is nog steeds het idee dat het werk al dan niet uit het museum kan komen, al dan niet op een wettelijke manier. De door het werk aangegeven beweging blijft zichtbaar. Ten eerste is het standbeeld waaraan het werk is vastgemaakt een beeld dat beweging en inspanning voorstelt, ook al is het roerloos en massief brons. Door er een gedeeltelijk beschilderd stuk stof aan vast te maken, verandert de aanvankelijke betekenis van het standbeeld in de richting van de betekenis waar we het net over hadden. Het gestreepte stuk stof is natuurlijk soepel en reageert op de wind die het laat wapperen, die het strak trekt en opblaast, zodat de algemene beweging die onherroepelijk vervat zit in beide werken wordt benadrukt, ook al had de maker van het eerste werk, de beeldhouwer dus, de rol die het door mijn toevoeging speelt wellicht zelf nog niet in gedachten. Daarmee raken we aan een probleem dat zich stelt bij ongeveer alle werken in een museum: wat laten we die werken zeggen dat hen niet toebehoort? Wat is het eigen spreken van een kunstwerk? Bestaat er wel zoiets? En zo niet, wat blijft er dan nog over van de zogenaamde autonomie van het kunstwerk?

 

Transcriptie: Nadia Wadhwania

Redactie in het Frans & Nederlandse vertaling: Piet Joostens

The 80s: A Topology

Koen Brams/Dirk Pültau: Het eerste wat wij ons afvroegen, is waarom je een tentoonstelling over de jaren ’80 wilde maken.

Ulirch Loock: Ik wilde een tentoonstelling maken over mijn generatie, over de kunstenaars die in de jaren ’80 zijn doorgebroken. Het is nooit mijn bedoeling geweest om een getrouwe situatieschets van de periode te geven. Wie een overzicht verwacht van Anselm Kiefer of Georg Baselitz tot Jeff Koons, komt bedrogen uit. Ik wilde vooral die kunstenaars tonen die ik in de jaren ‘80 zelf heb leren kennen en waarderen. Tegelijkertijd heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om met kunstenaars te werken die mij toen om een of andere reden zijn ontglipt, zoals Miroslaw Balka, Thierry De Cordier, Cindy Sherman, Louise Lawler, Richard Prince, Stan Douglas en Jimmie Durham – fantastisch om ze allemaal in deze tentoonstelling te zien. Los van mijn persoonlijke voorkeur voor bepaalde kunstenaars, vind ik dat er in de jaren ’80 erg belangrijk werk is gemaakt. Vaak belichaamt het heel specifieke ideeën die enkele jaren later al nauwelijks meer aan bod komen. Ik vind het bovendien een trieste zaak dat de periode dikwijls vertekend wordt voorgesteld. In 2003 had je bijvoorbeeld twee ambitieuze nummers van Artforum die de jaren ’80 allebei een erg Amerikaanse invulling gaven. Als je hen moest geloven, dan was er weinig meer aan de hand dan een tegenstelling tussen enerzijds de neo-conceptualistische aanpak van de New York Pictures group, die weliswaar sympathie koesterden voor wat Martin Kippenberger uitrichtte in Keulen, en anderzijds de heruitvinding van ‘de schilderkunst’, wat gepaard ging met een hernieuwde mystificatie van de figuur van de kunstenaar. Dat laatste zie je duidelijk bij Julian Schnabel, maar ook bij de Transavanguardia, de Heftige Malerei en La Nouvelle Figuration. Het is een erg dominante tegenstelling die andere, individuele en meer individualistische projecten naar de achtergrond verdringt. Vooral – maar niet uitsluitend – Europese kunstenaars hebben onder die beeldvorming te lijden. Met de tentoonstelling in Serralves pak ik het dus bewust anders aan. Ik schuif werk uit de jaren ’80 naar voren om te kijken of het nog relevant is, alhoewel het die erkenning als dusdanig niet geniet. Ik heb de stellige indruk dat sommige jonge kunstenaars aan werk uit de jaren ’80 refereren; maar men lijkt zich daarvan niet bewust te zijn.

K.B/D.P.: De tentoonstelling biedt een bijzonder specifieke kijk op de periode, maar de titel is erg algemeen.The 80s: A Topology zou net zo goed over de kunstenaars kunnen gaan die je er bewust hebt uitgelaten. Waarom geen specifiekere titel?

U.L.: Specifieke titels worden al te vaak verkeerd geïnterpreteerd: ofwel te eng ofwel te breed. Dat wilde ik vermijden. De tentoonstelling vertrekt bovendien van eenzelvige figuren en solitaire projecten. Ik wil ‘een’ topologie laten zien, niet ‘de’ topologie. Ik wil er de nadruk op leggen dat de tentoonstelling meer is dan een subjectief project. De tentoonstelling biedt ook een professioneel perspectief, dat wordt gedeeld door een aantal mensen die erg begaan waren en zijn met kunst uit de jaren ’80. Enkelen onder hen, zoals Julian Heynen, Alain Cueff, Pier Luigi Tazzi en Denys Zacharopoulos, hebben meegewerkt aan de catalogus. Onze kijk verschilt beslist van die van de October-groep, ook al heb ik heel wat van hen geleerd. Evenmin delen we Hal Fosters perspectief of dat van Benjamin Buchloh. Ik betwijfel of zij eigenlijk wel op de hoogte zijn van kunstenaars als Reinhard Mucha, Thomas Schütte, Jan Vercruysse, ja zelfs van Matt Mullican of Jimmie Durham.

K.B/D.P.: De tentoonstelling gaat over de plaats van kunst en de plaats van het kunstwerk. Waarom wordt die idee niet in de titel uitgedrukt?

U.L.: In 1992 had ik al een essay van Alain Cueff uitgegeven dat Le lieu de l’oeuvre heet en het leek me niet opportuun om die titel opnieuw te gebruiken. De plaats van de kunst is weliswaar het centrale thema, maar ik hoop dat de tentoonstelling duidelijk maakt dat het veeleer om een niet-plaats gaat, zoals je die vindt in Jan Vercruysses ‘atopieën’ of in de circulaire structuur van Reinhard Mucha’s werk. Het gaat niet om een plaats in positieve zin, noch om een plaats van pure negativiteit. De werken kennen geen plaats en toch bevinden ze zich ergens, op een plaats waar van alles lijkt te ontbreken, waar steeds onzekerheid heerst. Noem het een plaatsloze plaats. Bij het uitwerken van die idee heb ik veel gehad aan Saskia Bos’ essay Topics on Atopy.

K.B./D.P.: De eerste werken die de toeschouwers te zien krijgen als ze het museum binnenwandelen zijn die van Jenny Holzer en Niek Kemps.

U.L.: Ik was uit op de confrontatie, het tegenover elkaar stellen van een Europese sensibiliteit, een Europese situatie en een Amerikaanse situatie.

K.B./D.P.: Kemps’ werk is erg gesloten en hoort als het ware thuis in de afgesloten ruimte van een museum, terwijl de posters van Holzer hun plaats bevechten in de publieke ruimte. Dat verschil zou je kunnen interpreteren als een tegenstelling tussen Europa en Amerika.

U.L.: Misschien. Voor mij gaat het niet zozeer over een tegenstelling tussen locaties, tussen het museum en de publieke ruimte, maar over de abstractere tegenstelling tussen de weigering om iets prijs te geven en een expliciete boodschap.

K.B./D.P.: Vercruysses werk bevindt zich helemaal aan het begin van de tentoonstelling. Een symbolische beslissing?

U.L.: Ja, maar het was ook een pragmatische keuze. De stilte en betekenisreductie die uit zijn werken spreekt, maakt ze fragiel en zorgt ervoor dat ze moeilijker tot hun recht zouden komen temidden van andere werken. Ik wilde ze dus apart houden. Maar het isolement dat ze oproepen, hun weergave van een plaats waar er niets gebeurt, geeft hen zeker een symbolische, zelfs bijna metafysische betekenis. Het zou interessant zijn deAtopies of de Tombeaux te vergelijken met het werk Robert Gober. Ook zijn werk ondergraaft de mogelijkheid om je een bepaalde plaats eigen te maken. Bij Gober is er echter altijd een element van maatschappijkritiek. In zijn werk reflecteert hij op wat er in de kindertijd gebeurt, hoe je als individu vorm krijgt, en op de Amerikaanse samenleving in het algemeen.

K.B./D.P.: Waren de kunstenaars betrokken bij het tot stand komen van de tentoonstelling?

U.L.: Niet echt.

K.B./D.P.: Heb je de werken zelf uitgekozen?

U.L.: In de meeste gevallen wel.

K.B./D.P.: Zijn er uitzonderingen?

U.L.: Reinhard Mucha was erg gebrand op een bepaald werk – het werk met de grote glazen vitrine (Ohne Titel (Ausstellung im Karmeliterkloster, Frankfurt am Main)) uit 1991. En Ernst Caramelle moest wel iets nieuws maken omdat dat nu eenmaal in de aard van zijn werk ligt. In bepaalde gevallen en om verschillende redenen waren er dus kunstenaars bij betrokken, maar doorgaans werd er met mijn ideeën ingestemd.

K.B./D.P.: Caramelle en Mucha overschrijden beide letterlijk de jaren ’80. Caramelles werk is gemaakt in 2006; Mucha’s werken zijn gemaakt in 1991 en 2000, maar bevatten allerlei  elementen uit tentoonstellingen of happenings van de jaren ’80. Nodigen deze werken hierdoor uit tot reflectie op de jaren ’80?

U.L.: Zeer zeker, het reflexieve moment van de tentoonstelling zit in deze werken. In een notendop, of zoals een Mandelbrotsituatie, tonen zij wat de tentoonstelling probeert te doen. Mucha’s vitrines, bijvoorbeeld, reactiveren werk uit de jaren ’80 in plaats van het te ‘musealiseren’. In een van zijn werken worden de beelden, de foto’s uit die tijd, letterlijk tot leven gebracht. In dit opzicht verzinnebeelden de werken van Mucha en Caramelle de tentoonstelling.

K.B./D.P: Zijn er andere gelijkaardige werken?

U.L.: Thierry De Cordiers werk is in dit opzicht interessant. Zijn The Last Thing (Vertical Melancholy) is een recent werk dat hij duidelijk in verband brengt met de zwarte figuren die hij in de jaren ’80 maakte: hij beschouwt dat werk als laatste in de lijn. Naar eigen zeggen zit er geen evolutie in zijn oeuvre. Dat verlangen om buiten de geschiedenis te staan, is de kern van zijn artistiek project: “Ik ben niet van de 21ste eeuw.” De verhouding van zijn werk tot de jaren ’80 is dus weer anders dan bij Mucha of Caramelle.

K.B./D.P.: Het is ons opgevallen dat je bij bepaalde kunstenaars voor heel verschillende werken hebt gekozen, alsof je de diversiteit binnen een oeuvre wilde toelichten, terwijl je bij anderen slechts een aspect van hun werk laat zien. Van Luc Tuymans, bijvoorbeeld, hangen er drie werken met geometrische figuren. Waarop is de selectie gebaseerd?

U.L.: Daar kan ik geen eenduidig antwoord op geven. Er zijn verschillende redenen voor verschillende beslissingen. Tuymans stelde hier in Serralves nog maar pas tentoon en zijn werk vind je bovendien in heel wat boeken. Ik wilde niet zomaar tonen wat iedereen al kent. De drie schilderijen van Tuymans, die trouwens bijna uniek zijn in zijn oeuvre, heeft hij gemaakt toen hij gestopt was met schilderen en was begonnen met het maken van films. Toen hij het schilderen toch weer opnam, besloot hij de tekeningen te schilderen die hij voor die films had gemaakt. Hoe hij zich op dat moment steeds weer lijkt te heroriënteren en uit verschillende media put, vind ik bijzonder interessant. Zeker als je het vergelijkt met de eendimensionale beelden die deTransavanguardia toen produceerde. Tuymans is een schilder die de idee van de ‘verwijzing’ problematiseert.

K.B./D.P.: Heb je je beziggehouden met de kwestie van het opdelen van de (kunst)geschiedenis in decennia?

U.L.: Niet echt; ik besef dat een decenniamodel problematisch is maar ik vond het in de eerste plaats handig. In mijn gesprek met Julian Heynen dat je in de catalogus kan nalezen, proberen we onze aanpak te legitimeren. Heynen legt er de nadruk op dat de jaren ’80 de incubatieperiode vormen voor iets dat later, in de jaren ’90, staat te gebeuren. Op het einde van de jaren ’80 valt de Berlijnse Muur, raakt het oost-westconflict uit het slop en worden er pogingen gedaan om de relatie tussen het noorden en het zuiden uit het stramien van centrum en periferie te lichten, iets wat de tentoonstelling Magiciens de la Terre (1989) bijvoorbeeld heel bewust probeerde. Wij doen een poging om de jaren ’80 af te bakenen, en voor ons beginnen ze in ’78 en eindigen ze in ’89. In 1978 werd er een Pool tot Paus verkozen en kwam de eerste proefbuisbaby ter wereld. Een jaar later brak in Iran de Islamitische revolutie uit en publiceerde Jean-François Lyotard La Condition postmoderne. Voor mij wérkt onze indeling, maar ik wil er ook weer niet te veel nadruk op leggen. De val van de Muur is een erg symbolisch moment en het is een goed ijkpunt, maar ik geef toe dat het moeilijker is om de jaren ’80 van de jaren ’70 of zelfs ’60 te onderscheiden.

K.B./D.P.: Hoe beschouw je de jaren ’90?

U.L.: De jaren ’90 staan voor globalisering. Er is de komst van pc’s, van gedigitaliseerde informatie en van het internet. Het is geen toeval dat vanaf dan de ideologie van het netwerk zo dominant wordt. Die nieuwe virtuele realiteit wordt weerspiegeld in het gedrag van mensen. Ze krijgen beurzen in New York of Berlijn en begeven zich schijnbaar moeiteloos van de ene plaats naar de andere. Een groot verschil met de situatie in de jaren ’80. Pier Luigi Tazzi heeft het bij het juiste eind wanneer hij opmerkt dat de dingen nooit meer zullen zijn als voorheen. Het fenomeen van projectmatige kunst en van kunst die aan issues wordt opgehangen, onderscheidt de jaren ’90 van de jaren ’80. Kijk maar naar de recente biënnales, die wel inwisselbaar lijken geworden. Curatoren voelen zich verplicht steeds weer met nieuwe namen te komen aandraven die echter even snel verdwijnen als ze verschenen zijn. Het grenst aan anonieme productie. Ik zou graag aan iemand kunnen vragen waar het allemaal om draait, wie de beslissingen neemt – maar er is gewoon niemand. Met deze tentoonstelling wilde ik dus de aandacht vestigen op het paradigma van de auteur, van de kunstenaar, en op de vragen en problemen die hiermee gepaard gaan. Pier Luigi Tazzi doet dat ook in zijn essay in de catalogus. Het is mij ook te doen om het paradigma van het kunstwerk, waar Alain Cueff een bijdrage aan wijdt. Ik vond het een heuse uitdaging om werk uit de jaren ’80 te belichten vanuit een hedendaagse situatie waarin het concept van het kunstwerk vervangen lijkt door dat van het project. Voor mij draait het allemaal om een esthetische taal die het mogelijk maakt dingen te zeggen zonder terug te vallen op de taal van de journalistiek. In tegenstelling tot anderen vind ik helemaal niet dat een taal die ons in staat stelt dingen te zeggen, die op geen enkele andere manier kunnen worden gezegd of getoond, tot het verleden zou moeten behoren.

K.B./D.P.: Heb je het gevoel dat je de kunst uit de jaren ’90 minder goed aanvoelt?

U.L.: Ik heb er nog wel voeling mee maar ik blijf een beetje op mijn honger zitten. Ik heb nooit goed begrepen waarom musea plots de plaatsen bij uitstek zijn voor allerlei evenementen, gaande van diners tot modeshows.

K.B./D.P.: Werk je soms samen met kunstenaars uit de jaren ’90?

U.L.: Ja, maar ik heb het er steeds moeilijker mee. Ik werk met mensen als Johannes Kahrs, Eberhard Haverkost, Wilhelm Sasnal, Magnus Plessen, Bethan Huws, Katharina Grosse, Silvia Bächli… Ik kan goed omgaan met individuele kunstenaars die bestaande paradigma’s een eigen invulling geven, maar ik heb het moeilijk met de nieuwe paradigma’s, gaande van etnografische studies, informatie, documentatie en allerlei cross-overs. Veel van wat Peter Weibel ‘contextkunst’ noemt, gaat aan mij voorbij.

 

Geografie

K.B/D.P: De tentoonstelling bestaat uit een aantal geografische clusters. Is het niet paradoxaal dat je enerzijds de niet-plaats van kunst beklemtoont en anderzijds de tentoonstelling een geografische opzet geeft?

U.L.: Ja, maar het is een betekenisvolle paradox. Ik denk dat het feit dat ik de notie ‘plaats’ op verschillende manieren interpreteer verwarring kan zaaien. Ik heb de tentoonstelling ‘a topology’ genoemd en daarmee wil ik de aandacht vestigen op wat ‘een plaats’ kan betekenen. De geografische structuur van de tentoonstelling wijst er echter tegelijkertijd op dat de plaats waar een kunstenaar vandaan komt een rol speelt in zijn of haar werk. De ‘atopie’ is nog steeds een plaats, zij het een waar er dingen ontbreken. Dat is een substantieel verschil met de virtuele plaats van informatie op het internet, die zo belangrijk zal blijken voor kunst uit de jaren ’90. Zelfs als het in bepaalde werken gaat om geïnverteerde of ontbrekende plaatsen, loont het de moeite om rekening te houden met de geografische clustering van kunstenaars.

K.B./D.P.: Als je de positie van de kunstenaar en de plaats van de kunst wil thematiseren, is het werken met geografische verbanden dan niet eerder een hindernis?

U.L.: Neen, dat denk ik niet. In de jaren ’80 had de geografie – de cohesie van een groep mensen op een bepaalde plaats en op een bepaald moment – nog een zekere betekenis. Neem bijvoorbeeld de scène in Düsseldorf. Thomas Schütte, Harald Klingelhöller en Helmut Dorner kwamen elke vrijdag bijeen in dezelfde bar. Die groep, waar ook Katharina Fritsch, Thomas Struth en Thomas Ruff deel van uitmaakten, was tot op zekere hoogte bepalend voor hun individuele productie. In Keulen had je een ander milieu dat zich rond de belangrijke galeries situeerde. Hier is Martin Kippenberger de grote naam. Alhoewel de afstand tussen beide steden per trein hooguit een halfuurtje bedraagt, hadden ze toch relatief weinig met elkaar te maken. In de jaren ’80 kon je je niet zomaar ergens bevinden. Waar je was en in welk gezelschap je verkeerde, was erg belangrijk.

K.B./D.P.: Het voordeel van het geografische model is inderdaad dat de gemeenschappelijke projecten van verschillende kunstenaars goed naar voren komen. In de ruimte gewijd aan Duitsland kan je bijvoorbeeld erg goed zien dat enkele kunstenaars een bepaalde kijk op beeldhouwkunst en architectuur delen. De sectie van de Portugese en Spaanse kunstenaars is evenwel op een problematische – want anekdotische – manier homogeen. De esthetische atmosfeer wordt er bepaald door nogal oppervlakkige kenmerken als zware materialen en donkere kleuren.

U.L.: Daar ga ik mee akkoord. Cristina Iglesias en Juan Muñoz waren beter tot hun recht gekomen bij Lili Dujourie, Jan Vercruysse, Jean-Marc Bustamante of Harald Klingelhöller. Hier schiet het geografische model tekort. Maar ook in de Duitse sectie zijn er tegenstellingen. Het idee van de plaats-zonder-plaats heeft bijvoorbeeld weinig te maken met het werk van Katharina Fritsch. Bij haar draait het allemaal om het object en niet zozeer om de plaats. Ze is erbij omdat ze daar en op dat moment actief was; maar wat er echt belangrijk is in haar werk, komt in de geografische opstelling niet volledig tot zijn recht.

K.B./D.P.: Waarom is Katharina Fritsch er überhaupt bij? In de tentoonstellingsbrochure stel je dat je geen werk hebt opgenomen dat met een cynische afstandelijkheid reageert op de hedendaagse situatie. Je noemt Jeff Koons als voorbeeld, maar je had toch evengoed Katharina Fritsch kunnen vernoemen?

U.L.: Er is een groot verschil tussen het werk van Katharina Fritsch en Jeff Koons. Dat van Koons is cynisch omdat het van de status van het kunstwerk als handelswaar een spektakel maakt. Fritsch’ werk daarentegen stelt de status van het kunstwerk in vraag. Zij gaat na hoe het werk zich verhoudt tot verschillende soorten fetisjen, en dat kunnen net zo goed commodities als magische objecten zijn. Ik vond het belangrijk om niet alles op een noemer terug te brengen. De doodse stilte of de ingehouden expressie relateren haar werk wel degelijk aan dat van de rest van de Düsseldorfse scène, maar ik wilde een vluchtroute, een dissonante stem. Bovendien is Fritsch ook erg interessant met betrekking tot het Keulse milieu. Als Keulen een dada-erfenis heeft en Düsseldorf teruggaat op het constructivisme, dan is Katharina Fritsch een dadaïst in Düsseldorf.

K.B/D.P.: Je persoonlijke en professionele kijk is in een contextloze presentatie uitgemond. Je reikt nauwelijks elementen aan die kunnen helpen om de kunstenaars te plaatsen.

U.L.: Jullie bedoelen dat bijvoorbeeld Joseph Beuys nergens te bespeuren is?

K.B./D.P.: Inderdaad – of Daniel Buren. Beiden hebben toch veel betekend voor de kunst uit de jaren ’80?

U.L.: Ik snap waar jullie naartoe willen, maar deze tentoonstelling zit anders in elkaar. Het enige kader dat ik de kunstenaars wilde geven was dat van hun eigen generatie. Ik wilde de aanwezigheid van de afwezigheid zo sterk mogelijk maken en dus mochten de werken alleen voor elkaar referentiepunten vormen.

K.B/D.P.: Dat is goed gelukt. Misschien zelfs zo goed dat de tentoonstelling eerder in de jaren ’80 dan in 2006 lijkt te zijn gemaakt.

U.L.: Een interessante opmerking. Het is een gedachte die me dierbaar is, maar ik ben het er niet mee eens. Er wordt vaak gedacht dat een afstandelijke terugblik op een bepaalde historische periode meer kennis oplevert dan het perspectief van diegenen die betrokken waren bij die historische periode, maar zo zie ik het niet. Ik heb de kunstwerken niet benaderd als historische documenten en ik wilde de geschiedenis ook niet ‘documenteren’. Ik vond het boeiender om het hedendaagse van deze historische werken naar boven te halen. Zonder historiserend te werk te gaan, ben ik erin geslaagd om vorm te geven aan een historische tentoonstelling. Ik kan dat toelichten aan de hand van een anekdote. In de jaren ’80 werd er veel energie gestoken in het opstellen van kunstwerken. Veelal werd het kunstwerk zo opgesteld dat er nogal wat lege ruimte omheen zat. Dat dit niet het geval is in mijn tentoonstelling heb ik eigenlijk te danken aan een professionele fout. Tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling maakte ik allerlei schetsen, zonder er stil bij te staan dat tweedimensionale plannen nooit een driedimensionale werkelijkheid kunnen weergeven. Toen de werken arriveerden, raakte ik in paniek. Wat waren ze groot en hoe vol stonden de zalen plots! Achteraf bekeken denk ik dat dit de tentoonstelling juist heeft gered. Het feit dat bepaalde ruimtes zo vol staan, geeft het geheel een historische toets. Net doordat ik de werken niet heb opgesteld zoals men dat in de jaren ’80 zou hebben gedaan, komen ze tot leven. Ik vraag de bezoekers niet om stil te staan bij het voorbije heden van de werken. Integendeel, ze worden uitgenodigd in het magazijn van de geschiedenis. Ze moeten zelf hun weg zoeken. Aan hen de keuze om stil te staan bij die werken waarmee ze iets kunnen of waar ze behoefte aan hebben.

K.B./D.P.: Opvallend is dat je ook in de catalogus hebt gekozen voor auteurs die ín de jaren ’80 óver de jaren ’80 hebben geschreven. Waarom heb je geen jongere auteurs gevraagd om hun visie op de jaren ’80 te geven?

U.L.: Ik had een jongere auteur gevraagd iets te schrijven maar dat is uiteindelijk niet doorgegaan. Het was mij voornamelijk te doen om die auteurs die de periode zelf hadden meegemaakt. Net zoals het mij niet interesseert om de tentoonstelling van context te voorzien, door een Dan Graham of een Michelangelo Pistoletto op te nemen, wilde ik ook in de catalogus geen achtergrondinformatie geven. Ik vond het boeiend genoeg om die auteurs twintig jaar later nog eens aan het woord te laten.

K.B./D.P.: Komt het door de idee van een magazijn dat de tentoonstelling zo verschilt van Het Sublieme Gemis? In die tentoonstelling, die plaatsvond in de context van Antwerpen 1993, nodigde Bart Cassiman heel wat kunstenaars uit die ook in Serralves te zien zijn.

U.L.: Ik begrijp nog steeds niet waarom Het Sublieme Gemis geen succes was. De mislukking was een grote schok. Alle kunstenaars kregen een eigen ruimte waar ze hun ding mochten doen, de werken werden zorgvuldig opgesteld, alles leek perfect en toch liep het fout. Ik snap nog steeds niet goed waarom. Een van de redenen waarom de tentoonstelling flopte, is misschien dat er kunstenaars bij waren die er niet hoorden te zijn, zoals Jannis Kounellis. Hij gold als een autoriteit maar had eigenlijk weinig te maken met het thema.

K.B./D.P.: Misschien liep het inderdaad mis doordat de kunstenaar te veel gecelebreerd werd, en de werken te weinig met elkaar in verband werden gebracht. Dat is toch de taak van een curator, betekenis geven aan werken door ze met elkaar in verband te brengen?

U.L.: Daar ben ik het niet mee eens. Er scheelde waarschijnlijk wel het een en ander met de individualistische opzet van Het Sublieme Gemis maar het andere uiterste lijkt me evenmin ideaal. Hier is het in elk geval niet mijn bedoeling geweest om werken betekenis te geven door ze met elkaar in verband te brengen. Aan de geografische invalshoek had ik genoeg. Ik heb eerst kunstenaars geselecteerd die ik belangrijk vond, en dan belangrijke werken gekozen. Toegegeven, in sommige gevallen vind ik het jammer dat ik geen moeite heb gedaan om werken aan elkaar te relateren die er als het ware om vragen. Het was bijvoorbeeld interessant geweest om Tunga’s werk naast dat van de Britse beeldhouwers te zien, Tony Cragg, Richard Deacon en Richard Wentworth. Maar meestal vind ik dergelijke opstellingen behoorlijk autoritair. Verbanden leggen kan mooi zijn, maar je zal altijd met weerbarstige werken te maken hebben die nergens passen, en dan begin je allerlei dwaze regels uit te vinden om het plaatje toch maar te doen kloppen.

K.B./D.P.:  Wellicht luidde Het Sublieme Gemis het einde in van een appreciatie voor de jaren ’80 zoals jij die vandaag presenteert… Maar wanneer is het dan begonnen? Wanneer heb je voor het eerst een relatie gezien tussen het werk van Vercruysse, Schütte, Bustamante, Klingelhöller…?

U.L.: Inzicht verwerf je geleidelijk aan. Je bouwt ervaring op, je krijgt voeling met de werken en dan zie je dingen. Jean-Marc Bustamante had mijn aandacht getrokken met zijn eerste tentoonstelling na de breuk met Bazile. Dat moet 1987 geweest zijn. Wat ik zag waren objecten: stapelbedden, een wieg, een tweepersoonsbed en een foto van een vakantiehuis… Alhoewel hij steviger vasthoudt aan objecten dan iemand als Vercruysse zijn die voorwerpen tevens plaatsen waar niemand thuishoort. Niemand werd verondersteld te liggen in die bedden.

 

Het belang van de vorm

K.B./D.P.: De werken in The Eighties: A Topology zijn allemaal behoorlijk abstract. De klemtoon op vorm, op de idee dat inhoud en vorm onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, is iets dat tegenwoordig niet zo vaak meer op die manier aan bod komt.

U.L.: Dat heeft te maken met wat ik eerder al zei. De jaren ’80 zijn volgens mij het laatste moment waar er een besef heerst van de uitdagingen en kansen die een esthetische taal met zich meebrengt. Vorm is belangrijk. Betekenis komt tot stand door middel van vormelijke beslissingen.

K.B./D.P.: Een opvallende uitzondering is het werk van Zbigniew Libera, dat erg hedendaags overkomt. De video toont een oude vrouw die onafgebroken een nachtemmer hanteert. De kunstenaar koos ervoor om dit tafereel te verbinden met ‘de context’, en dus heeft hij de monitor op een tafeltje geplaatst, en er medicijndoosjes bij gezet. Dat ziet er erg hedendaags en herkenbaar uit.

U.L.: Voor mij zit het verschil tussen Libera’s werk en recentere kunst in de notie van het ‘naakte leven’, zoals je die vindt in het werk van Primo Levi en uiteraard ook bij Giorgio Agamben. Een ‘naakt leven’ duidt op iemand die de wil om te leven heeft opgegeven, iemand die nog ademt maar niks méér. Het is zo’n ‘naakt leven’ dat ik in de oude vrouw van Libera’s video zie.

K.B./D.P.: Hoe verhoudt die idee zich tot de tentoonstelling in het algemeen? De idee van het ‘naakte leven’ wordt weliswaar ook door andere kunstenaars aan de orde gesteld, maar steeds op een abstract niveau. Nergens is het zo duidelijk politiek correct als in Libera’s werk, dat oproept tot medeleven.

U.L.: Wel, het idee van iemand die teruggebracht is tot louter ‘zijn’, tot een moment en een plaats zonder toekomstperspectieven, dat is toch een reactie tegen het modernisme? Bij mij roept die oude vrouw geen medeleven op. Ik begrijp wel wat jullie bedoelen maar ik ben enkel gefascineerd door haar aanwezigheid. Trouwens, de cirkelbewegingen van de nachtemmer doen mij denken aan structuren uit Mucha’s werk.

K.B./D.P.: In Mucha’s werk is er geen subject. Dat niveau van abstractie maakt de tentoonstelling juist zo bijzonder. In hedendaags werk ontbreekt dat doorgaans.

U.L.: Ik durf te stellen dat we ons vandaag op een kruispunt bevinden. Ik heb bewust geen werk opgenomen dat andere beelden presenteert, recycleert of projecteert – de werken van Cindy Sherman, Louise Lawler en Richard Prince spreken dat alleen schijnbaar tegen – maar dan nog moet je toegeven dat de getoonde werken blijk geven van de groeiende interesse in beelden en beeldspraak die volgde op de conceptuele kunst en het verdwijnen van beeld en object in taal. Schüttes werk mag dan al erg abstract zijn, de methodologie van het beeld zit er niettemin in vervat of wordt er in elk geval door geïmpliceerd. In een tentoonstelling mogen er gerust een aantal buitenbeentjes zijn, maar ik denk niet dat Libera’s werk er een is.

K.B./D.P.: Nog een buitenbeentje is het werk van Mona Hatoum. Terwijl Libera’s werk erg hedendaags lijkt, verwijst dat van Hatoum naar een periode vóór de jaren ’80, met name doordat performance er centraal staat. Wanneer ze in haar werk een tijdsverschil inbouwt tussen live performance en performance op video, doet ons dat aan het werk van Dan Graham denken. Je kent Hatoum evenwel een marginale positie toe, want haar werk bevindt zich in een uithoek van het museum.

U.L.: Door Mona Hatoum op te nemen in de tentoonstelling wilde ik een raam openen naar situaties die buiten het concept van deze tentoonstelling vallen. Ik wilde een influx van verschillende momenten – van momenten van verschil. Hiervoor had ik iemand nodig wiens werk de afwezigheid van plaats of de precaire situatie van een plaats in een bepaalde politieke en historische context aan bod laat komen. Mona Hatoum is opgegroeid in een Palestijnse familie in Libanon en bevond zich in Londen op het moment van de eerste Libanese oorlog. Ze besloot kunstenaar te worden en beelden te creëren die het verhaal zouden kunnen vertellen van dit soort fysiek, mentaal en cultureel gemis aan plaats.

K.B./D.P.: Vervullen andere kunstenaars die zich in de uithoeken van het museum bevinden een gelijkaardige functie? We vinden er Ilya Kabakov en de Turkse kunstenaar Güslün Karamustafa terug.

U.L.: Absoluut. Het feit dat ik vier aaneengesloten ruimtes had die architecturaal afgesneden zijn van het tentoonstellingsparcours, heeft me geïnspireerd om ze aan kunstenaars te wijden die een beetje uit de Noord-Amerikaanse/Europese boot vallen.

K.B./D.P.: Er zijn maar twee Italianen in de tentoonstelling, Mariella Simoni en Ettore Spalletti.

U.L.: Dat klopt. Ik weet niet goed hoe het komt, maar ik vind het moeilijk om voeling te krijgen met de doorgedreven esthetisering die je bij veel Italiaanse kunstenaars terugvindt. Ik weet dat Pier Luigi Tazzi, die ik erg bewonder, kunstenaars als Remo Salvatore en Marco Bagnioli enorm apprecieert, maar ik kan er niet goed bij.

K.B./D.P.: En wat met de Portugezen? Zijn zij erbij omdat je voor een Portugees museum werkt?

U.L.: Niet zozeer omdat de tentoonstelling in dit specifieke museum plaatsvindt, is van invloed geweest. Het lijkt me wel logisch dat een tentoonstelling die in Portugal plaatsvindt, aandacht besteedt aan haar thuisbasis. Portugees werk staat dus wel degelijk centraal. In een ander land, op een andere plaats, zou de Portugese selectie er anders hebben uitgezien. Van de Portugese kunstenaars heeft vooral Ana Jotta’s werk me blij verrast. Haar zin voor geïmplodeerde taal, dode taal, vind ik erg ontroerend. “Today is Monday, tomorrow it’s Tuesday, after tomorrow is Wednesday”. Heel krachtig. Met veel woorden zegt ze eigenlijk bijzonder weinig. Dit werk van haar creëert een zwart gat.

K.B./D.P.: Het viel ons op dat de kunstenaars die vaak gerelateerd worden aan het postmoderne discours, dat alomtegenwoordig was in de jaren ’80, bijna allen ontbreken of maar zijdelings aan bod komen. Naast dat van Jean-Marc Bustamante is er maar één werk van BAZILEBUSTAMANTE, en bijvoorbeeld Fortuyn O’Brien is helemaal afwezig.

U.L.: Hetzelfde geldt voor Peter Halley. Dit gaat terug op wat ik al zei over kunst en een bepaald discours, over het verdwijnen van kunst in dat discours. Ik vind dat werkelijk problematisch. Deze tentoonstelling belicht de andere kant van de jaren ‘80. Bij de opening van de tentoonstelling stelde Harald Klingelhöller, tijdens een rondetafelgesprek, dat het belangrijk was dat we wilden geloven in de kunst zelf en ons niet wilden beperken tot wat eromheen gebeurt. Een kritische stellingname tegen de institutionele kritiek! Institutionele kritiek, discours en discoursanalyse zijn zeer sterk aanwezig, maar anders gearticuleerd, in een andere vorm, vervormd, namelijk in functie van het paradigma van het kunstwerk.

K.B./D.P.: Zou je zeggen dat kunstenaars als Klingelhöller de plaats van de kunst willen vrijwaren tegen het postmoderne discours in?

U.L.: Ja, maar dan van binnenuit. Ze bevinden zich middenin het discours maar ze zijn niet discursief. Ze worden er niet volledig door geassimileerd.

K.B./D.P.: De plaats van de kunst als een vorm van weerstand?

U.L.: Weerstand klinkt me te heroïsch. Waar het allemaal om draait is de kracht van de twijfel. Twijfel staat centraal. De kunstenaars in mijn tentoonstelling zijn niet zo berekend als Peter Halley, Bertrand Lavier, Ange Leccia of Jan Van Oost. Wat Van Oost maakte in de jaren ‘80 benadert weliswaar de vreemde taal die uit mijn tentoonstelling spreekt, maar bij hem is er steeds een duidelijk referentiekader. Zijn discursieve gebruik van spiegels is bijvoorbeeld iets heel anders dan de spiegels bij Vercruysse of Bustamante. Hun spiegels onttrekken het beeld aan de plaats.

 

Transcriptie: Pamela Uyttendaele

Redactie in het Engels en Nederlandse vertaling: Sarah Posman

 

The Eighties: A Topology loopt tot 25 maart 2007 in Museu de Arte Contemporañea de Serralves, Rua D. João de Castro 210, 4150-417 Porto, Portugal (0351/22.615.65.00; www.serralves.pt).

 

 

[apart kaderstuk]

België

 

K.B./D.P.: In 1986 maakte je als jonge directeur van de Kunsthalle Bern een tentoonstelling met vier Belgische kunstenaars: Guillaume Bijl, Lili Dujourie, Jan Vercruysse en Raoul De Keyser. Wat was de aanleiding voor deze tentoonstelling? Hoe heb je de Belgische kunstwereld leren kennen en waarop baseerde je je keuzes?

U.L.: Daar is een heel simpele verklaring voor. In 1985 deden de Vlamingen een slimme zet. Blijkbaar maakten de Vlaamse artiesten zich zorgen om hun internationale uitstraling. Iedereen kende Broodthaers maar dat was het zowat. Om hier iets aan te doen werd Initiatief 86 georganiseerd. Dat was een tentoonstelling over Belgische kunst geselecteerd door internationale curatoren. Kasper König was er een van. Ik kende hem niet goed maar tot mijn verbazing nodigde hij me uit en zo heb ik de mensen die jullie net vernoemden leren kennen. Zij waren diegenen die de meeste indruk op mij hebben gemaakt en hun werk sloot aan bij wat er in Düsseldorf aan de gang was.

K.B./D.P.: Vergezelde je König bij al zijn afspraken in België? Waar ben je allemaal geweest en wie heb je ontmoet?

U.L.: Ik kende Kasper König van de academie van Düsseldorf, waar ik studeerde. Ik geloof dat het bij die ene uitstap is gebleven. König heeft het talent om steeds de onwaarschijnlijke figuren uit te pikken. Hij heeft Raoul De Keyser ontdekt, die op dat moment weinig meer was dan een plaatselijke beroemdheid. Via König leerde ik ook Chantal Akerman kennen en ik weet nog dat ik het bijzonder merkaardig vond dat werk van een cineaste werd tentoongesteld. We hebben toen ook Guillaume Bijl ontmoet en het werk van René Heyvaert leren kennen – soms waren het erg individuele, zelfs solitaire figuren. Ik denk dat die individualiteit op dat moment een internationale doorbraak in de weg stond.

K.B./D.P.: Hoe heb je de Belgische scène indertijd zelf ervaren? Kunstenaars als Vercruysse of Dujourie waren erop gebrand hun werk in een internationaal perspectief te plaatsen. Ze mochten dan wel Belg zijn, ze wilden bewust weg uit België.

U.L.: Iedereen heeft een thuisbasis en draagt bepaalde ervaringen met zich mee. Vercruysse heeft ooit gezegd dat hij zich verbonden voelde met de Vlaamse Primitieven. Zelfs als hij zich met die uitspraak in de eerste plaats wilde afzetten tegen de erfenis van Magritte en Broodthaers die hem werd toegedicht, dan nog is het iets dat geen enkele Duitse artiest zou zeggen. Ik denk dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen een cultuur die sowieso de jouwe is omdat je erin bent opgegroeid, en het verlangen om aan te sluiten bij andere artistieke milieus. Ik denk niet dat we het belang van een culturele erfenis kunnen onderschatten, toch niet voor de jaren ’80. Mucha draagt Beuys mee, en Muñoz had het vroeger vaak over Iberische prehistorische sculpturen.

K.B./D.P.: In hetzelfde jaar als Initiatief 86 maakte je in Bern dus een tentoonstelling met vier kunstenaars met dezelfde nationaliteit, maar een  totaal verschillende visie op kunst.

U.L.: Inderdaad. Op dat moment was ik me daar echter niet zo van bewust. Ik was nog onervaren en richtte mij voornamelijk op individuele werken. Mijn belangstelling voor ‘plaats’ was er al, maar ik had geen grote ideeën over conceptuele verbanden.

K.B./D.P.: We hadden het reeds over de brochure bij The Eighties waarin je je negatief uitlaat  over het cynisme en wat je de verleiding van het object noemt. Heeft die uitspraak ook betrekking op het werk van Guillaume Bijl?

U.L.: Toen zag ik dat anders. Zijn werk in de tentoonstelling in Bern, De Wachtkamer, was bijzonder pertinent. Niet alleen verwees dat werk voor mij naar Mucha’s Wachtkamer maar het trad ook mooi in dialoog met deChambre van Vercruysse in de inkomhal van de Kunsthalle. Het plaatje klopte.

K.B./D.P.: Zou het kunnen dat Bijls keuze voor een wachtkamer te maken had met de context van de tentoonstelling?

U.L.: Dat kan. Ik heb het hem nooit gevraagd.

K.B./D.P.: Raoul De Keyser is er niet bij in SerralvesIs het thema van de ruimte niet van belang in zijn werk?

U.L.: Het gaat meer om plaats dan om ruimte. In zijn werk is afbakenen, het afbakenen van een plaats in het schilderij, erg belangrijk. Dat kwam in de tentoonstelling in Bern goed aan bod. Er hingen van die saaie schilderijen met een horizontaal teken, een soort witte grensmarkering. Iets anders waar ik erg van onder de indruk was, en nog steeds ben, is zijn schilderij Clochard (1978), een doek dat op een te groot spieraam is opgespannen. Ja, ik denk dat Raoul De Keyser in zijn werk reflecteert op de plaats van het schilderen en de plaats van het schilderij. Uit zijn werk spreekt een onzekerheid over de plaats van het schilderij die mij altijd heeft geïntrigeerd. De relatie tussen schilderij en object, tussen schilderij en kader staat op losse schroeven. Hij plooit het schilderij op zichzelf terug. Soms lijkt het wel alsof hij het schilderij ‘schildert’. Niet toevallig doen zijn vlaktes je aan een kamer denken. Hierin lijkt zijn werk esthetisch en misschien zelfs conceptueel op dat van Ernst Caramelle, en zelfs nog meer op dat van René Daniëls.

K.B./D.P.: Was je al eens eerder in België geweest of heb je je interesse in Belgische kunst volledig aan König te danken?

U.L.: Ik heb het allemaal aan König te danken. Het was 1985 en ik was in Düsseldorf druk bezig met mijn carrière. België leek ver weg.

K.B./D.P.: Je had dus niet te maken met de Düsseldorf-België-connectie, met Bernd Lohaus en de Wide White Space Gallery in Antwerpen?

U.L.: Nee, Bernd Lohaus heeft niet zoveel betekend voor mijn generatie. Hij behoort tot de generatie van Reiner Ruthenbeck en Blinky Palermo. Maar Belgische verzamelaars wisten hun weg naar Düsseldorf wel te vinden – drie auto’s, twaalf mannen, de Belgische maffia.

K.B./D.P.: Kende je hen?

U.L.: Ik leerde er enkele kennen: André Goeminne, Anton Herbert en de Szwajcers. Ze waren geïnteresseerd in Klingelhöller en Mucha. Klingelhöller heeft ooit gezegd dat hij wereldberoemd was – in België.

K.B./D.P.: Ben je de Belgische kunstscène blijven volgen?

U.L.: Ik ben eigenlijk niet zo geïnteresseerd in geografische paradigma’s.

K.B./D.P.: Hoezo? Je hebt net een tentoonstelling rond geografische clusters opgebouwd!

U.L.: De opzet is geografisch, dat klopt, en toch blijf ik erbij dat geografie mij niet zoveel interesseert. Ik heb het meer voor individuele kunstenaars en hun werk. Waar ik van hou in België, is dat men er verslaafd is aan kunst. Afgezien daarvan interesseren Belgische kunstenaars mij net zoveel als kunstenaars van om het even welke plaats op deze planeet.

K.B./D.P.: In de tentoonstelling zijn niet enkel de Belgische kunstenaars maar ook de Belgische verzamelaars en de Belgische musea goed vertegenwoordigd.

U.L.: Fantastisch, niet? De Belgische middenklasse bestaat uit kunstverzamelaars. Ik durf er bijna om wedden dat je bij om het even wie – dokters, advokaten… – kunst zal aantreffen. Dat gold zeker voor de jaren ’80 en ik denk dat het ook nu nog waar is. Het zit allemaal in Belgische verzamelingen.

 

‘Twijfel er niet aan dat televisie nog altijd gelijkstaat met politiek’

Koen Brams/Dirk Pültau: In het midden van de jaren ’80 realiseer je het programma IJsbreker: 22 uitzendingen over de meest uiteenlopende culturele onderwerpen – van mode en tatoeage tot literaire tijdschriften, culturele centra en cultuurmanagement. Op het einde van de jaren ’80 maak je Container – 10 uitzendingen waarin Lieven De Cauter en Bart Verschaffel met gasten “babbelen over beschaving”. In de jaren ’80 krijg je aanzienlijk wat zendtijd toebedeeld.

Jef Cornelis: Dat klopt. En wat is daar de verklaring voor? Begin jaren ’80 werd Hilda Verboven benoemd tot productieleider van de dienst Kunstzaken. Ze was zeer enthousiast over een aantal van mijn films die ze destijds had gezien, zoals Ge kent de weg en de taal (1976) en Rijksweg nr. 1 (1978).

K.B./D.P.: Hilda Verboven vertrouwde ons toe dat jij met haar reeds in gesprek was nog voor ze formeel haar functie als diensthoofd had opgenomen. Je wilde kennelijk nagaan welke mogelijkheden zich met haar komst zouden aandienen.

J.C.: Ja, met Verboven klikte het onmiddellijk. Ik herinner me dat ik samen met haar Charles Vandenhove heb opgezocht. Toen we terugkeerden uit Luik was de beslissing al genomen om een film aan zijn architecturaal oeuvre te wijden: Het raadsel van de sfinks, uitgezonden in 1983.

K.B./D.P.: In datzelfde jaar komt IJsbreker op de buis.

J.C.: De dienst Kunstzaken was op zoek naar een nieuw format voor een cultureel programma. Ik heb toenIJsbreker voorgesteld, een liveprogramma waarin diverse personen via camera’s en monitoren met elkaar in gesprek werden gebracht. Hilda Verboven geloofde sterk in de formule, en als zij eenmaal voor iets gewonnen was, dan kwam het ook voor elkaar. Er was zeer veel steun van haar voor mijn werk – trouwens ook voor dat van sommige van mijn collega’s in de dienst Kunstzaken. Het enige andere diensthoofd dat zoveel begrip voor mijn werk heeft opgebracht, was Herman Verdin. Hij heeft in het begin van mijn carrière de films over Alden Biezen (1964), Abdij van Park Heverlee (1964) en het kasteel van Westerlo (1965) mogelijk gemaakt. Verdin was erudiet, een classicus die het al vlug voor bekeken hield in de openbare omroep en hoogleraar werd aan de K.U.Leuven. Verboven daarentegen was een selfmade televisiemaker, begonnen als regieassistent, opgeklommen tot productieleider van de dienst Kunstzaken en – nadien – tot hoofd van het departement Jeugd en Vrijetijdsprogramma’s.

K.B./D.P.: Na IJsbreker, dat liep van 1983 tot 1984, maak je opnieuw programma’s over beeldende kunst, zoals over de Biënnale van Parijs (1985), Sonsbeek (1986), de Gentse kunstmanifestaties in 1986,Skulpturprojekte Münster (1987) en een uitzending over het Vlaams hoger kunstonderwijs.

J.C.: De langste dag, het meer dan zes uur durende programma over Initiatief 86 en Chambres d’amis in Gent, mag je gerust als de 23ste aflevering van IJsbreker beschouwen: ik kon beschikken over de technische infrastructuur van de BRT, die normaliter alleen ingezet werd voor het verslaan van wielerwedstrijden, om op zeer verschillende locaties en met zeer diverse reporters en praatgasten de discussie over de beeldende kunst anno 1986 aan te gaan.

 

Gedachten zijn geen knechten

K.B./D.P.: In 1989 komt het praatprogramma Container op antenne. Wat was de aanleiding voor het maken van Container?

J.C.: De rechtstreekse aanleiding was een lezing die Bart Verschaffel begin 1988 gaf in de reeks Hard op de Tong, georganiseerd door Knack en de Beursschouwburg in Brussel.

K.B./D.P.: Kende jij Bart Verschaffel al persoonlijk op dat moment?

J.C.: Ja. Bart is de neef van Geert Bekaert. Reeds in de jaren ’70, toen ik frequent met Geert samenwerkte, maakte ik kennis met Bart. Hij hing daar vaak rond en hij gaf soms reacties op mijn films. Geert had het ook af en toe over hem.

K.B./D.P.: Openbaar denken, de lezing die Verschaffel gaf in de Beursschouwburg en waarvan de tekst eerst gepubliceerd werd in Knack, en daarna in de essaybundel De Glans der Dingen, is een striemend betoog over de positie van de intellectueel in Vlaanderen.

J.C.: Ja, enkele zinnen uit die tekst ken ik van buiten: “Vlaanderen heeft zo goed als geen intellectuele traditie, en heeft zo goed als geen kritiek. We komen niet aan het levensminimum. Doorgaans wordt ‘intellectueel’ hier als scheldwoord gebruikt.” Ik vond die lezing zeer inspirerend.

K.B./D.P.: Hij haalt uit naar de specialist: “Het lijkt zinnig om er, voor een tijdje, methodisch van uit te gaan dat ‘specialist’ een retorische kwalificatie is, die gebruikt wordt om beschutte werkplaatsen te creëren.” Ook de cultuurverspreider wordt op de hak genomen: “Deze figuur leeft van de spatie tussen buitenland en binnenland, tussen specialist en leek, tussen gevormde en onwetende, en beschouwt het als zijn taak van alles mee te delen en uit te leggen.” Over de media zegt hij: “Het jongste type van pseudo-openbaarheid wordt op het podium van de nieuwe media opgevoerd – de talkshow. In een ceremonie hoeft er niets te gebeuren, tijdens de show daarentegen moet er altijd iets gebeuren.”

J.C.: In die tijd kwam Bart wel vaker polemisch uit de hoek. Het begon al vroeger in de jaren ’80 toen hij tijdens lezingen in het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte te Leuven zijn vakgenoten tegensprak en reacties kreeg van ‘dat doe je niet’. Om die reden wellicht was er voor hem geen plaats in het Instituut te Leuven, waar hij gestudeerd had en gepromoveerd was. Toen ik met Bart in gesprek raakte over Container, had hij slechts een parttime betrekking. Ik bood hem een bijkomende parttime aan in de BRT, maar ik heb hem moeten overtuigen om mee te doen. Hij was er niet onmiddellijk voor te vinden.

K.B./D.P.: In 1988 dien je een programmavoorstel in bij de directie van de BRT waarin de tekst van Bart Verschaffel duidelijk resoneert: “Binnen de omroep is, in navolging van de ons omringende landen een ruim aanbod van ‘praatshows’. Rondom een ankerman komt iedereen, die op zijn beurt enige mediabekendheid geniet, ook op tv zijn bevestiging zoeken of verliezen. Naambekendheid zonder tv-optreden is onmogelijk geworden. Wat daar telkens bij opvalt is het ontbreken van ‘publieke discussie’: tijdens het tweemansgesprek komen sommige onderwerpen slechts zijdelings aan bod en om de amusementswaarde niet te schaden, beperkt men zich tot biografische details. Het aangevoerde onschuldige publiek speelt de ouderwetse rol van theaterpubliek, dat het niet kan waarmaken. In zekere zin werkt het tv-medium tegen de ‘openbaarheid’. De culturele mediawereld zou zijn eigen ‘openbaarheid’ moeten ontdekken. Vooral bij onze Zuiderburen zijn daar aanzetten voor te vinden, meestal in laatavondprogramma’s op zenders die commercieel getint zijn (Frankrijk I: Permission de minuit, RAI: Die van de nacht).” Het programmavoorstel omvat niet minder dan 52 uitzendingen van telkens 60 minuten.

J.C.: Ik was van mening dat Container wekelijks moest worden uitgezonden zodat de sprekers los zouden komen. De directie besliste echter om Container tweewekelijks uit te zenden. Maar weet je waar het mij eigenlijk om te doen was?

K.B./D.P.: (sprakeloos)

J.C.: Ik wilde weg uit de BRT.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

J.C.: Wegwezen! Proberen een instrument te fabriceren, een plaats, waar – zonder controle – geproduceerd kon worden. Ik wilde mij afscheiden van de openbare omroep. Het mag dom en naïef klinken, maar ik wou een eigen werkverblijf en studio maken. Ik was met een overlevingspoging bezig. Ik zag de bui hangen. Ik wou verdwijnen.

K.B./D.P.: Was dat de reden voor de bouw van de container, waaraan het programma zijn titel te danken heeft?

J.C.: Ja. De openbare omroep had op dat moment al kleinere captatiewagens, met twee of drie camera’s. Ik heb met zo’n captatiewagen gewerkt in ’87 voor de films over het Vlaams hoger kunstonderwijs en overSkulpturprojekte in Münster. Voor het discussieprogramma wou ik een mobiele studio laten bouwen. Ik wou mij isoleren, en dat is nog zacht uitgedrukt. Het was voor mij bijzonder helder wat er in de openbare omroep aan het gebeuren was. Bert Hermans, de directeur-generaal Televisie, was bijna op pensioen…

 

Een parasiet

K.B./D.P.: In het eerste programmavoorstel voor Container staat: “Omdat mensen en technische middelen schaars zijn, stel ik een infrastructuur voor die weinig tijd en plaats opeist en toch een hoge antenne-frequentie zou kunnen toelaten. Daarom ‘een container’ als uitgangspunt die al naargelang de beschikbaarheid van de studio’s 1, 3 of 5 tot zelfs in de voorbouw kan opgesteld worden.” Er is nog geen sprake van verplaatsingen buiten het omroepgebouw.

J.C.: Dat is mogelijk, maar in latere voorstellen was dat zeker het geval. De container was voor mij essentieel om onafhankelijkheid te verwerven. Het was een poging om me te onttrekken aan de controle. Om die reden moest het programma zo laat mogelijk worden uitgezonden. Ik wou het tijdsblok dat niemand interesseerde, het blok na het tweede journaal. Ik wou de rest-tijd, de niet-tijd.

K.B./D.P.: Het programmavoorstel wordt uitdrukkelijk met economische argumenten omkleed: “In plaats van zelf studio- of captatietijd te vragen, ent de mobiele studio zich als een parasiet op de rest(overschot) van de studio- of captatietijd van andere elektronisch gemaakte programma’s.”

J.C.: Als het niet veel geld kost, dan kan het nog een poosje duren, dacht ik. In die tijd was er op woensdag altijd voetbal op de televisie. Ik wou met de container bijvoorbeeld naar de steden rijden waar er gevoetbald werd, en gebruik maken van het personeel dat instond voor de verslagen van de voetbalwedstrijden.

K.B./D.P.: Container is inderdaad ‘s woensdags uitgezonden.

J.C.: Ja, het moest een parasiet zijn, die je overal aan kon koppelen. Maar dat is helaas niet gelukt.

K.B./D.P.: Waarom niet?

J.C.: De trailer waarop de container vervoerd zou worden, was niet klaar toen de eerste aflevering vanContainer op antenne ging. De productietijd van de container was extreem kort. Begin februari 1989 was er nog steeds geen groen licht gegeven voor de bouw van de container, terwijl de eerste aflevering van Containergeprogrammeerd was op 5 april 1989. De tekeningen van Stéphane Beel lagen klaar, er waren een aantal offertes uitgebracht door aannemers, maar de directie bleef talmen. Op een bepaald moment werd ik door Bert Hermans, de directeur-generaal Televisie, opgeroepen tijdens een vergadering van de raad van bestuur. Toen is de beslissing gevallen. Els Witte, voorzitter van de raad van bestuur, heeft getekend en de productie van de container kon van start gaan.

K.B./D.P.: In het VRT-archief bevindt zich inderdaad een nota van Bert Hermans gericht aan Els Witte. Hij schrijft op 13 februari 1989: “Eén van de programmavoorstellen 1989 die de Raad van Bestuur op 27 juni 1988 goedkeurde had betrekking op het programma Instuif. Omdat mensen en technische middelen op de BRT schaars zijn, zal die instuif moeten plaatsvinden binnen een tv-infrastructuur die weinig tijd en plaats opeist en toch een hoge antenne-frequentie zou kunnen toelaten. Nu de BRT-dotatie uiteindelijk gekend is en de overheid aandringt op het spoedig ‘zichtbaar maken’ van de bijkomende toegekende middelen, wordt onder meer de realisatie van deze Instuif zeer urgent.” Terwijl Hermans’ argumentatie helemaal overeenstemt met jouw onderbouwing van het programma, is in zijn brief geen sprake van Container maar van het programma Instuif.

J.C.: Dat moeten zijn eigen woorden zijn, want de titel Instuif zegt me niets. Instuif: vreselijk! Bert Hermans was fin de carrière; zijn opvolger, Jan Ceuleers, zou nooit hebben ingestemd met mijn project.

K.B./D.P.: Bert Hermans vraagt aan Els Witte om akkoord te gaan met de offerte van de firma Versluys, omdat die aannemer de laagste prijs heeft uitgebracht. Els Witte tekent en op 14 februari, de dag erna, begint de bouw van de container.

J.C.: Ik vergeet die scène nooit. Ik stond daar op de gang. Els Witte heeft op de gang voor akkoord getekend! Onmiddellijk daarna is gestart met de constructie van de container.

K.B./D.P.: Vreemd is dat zowel Bert Hermans als jijzelf steeds met economische argumenten hebben geschermd – reductie van studio- of captatietijd, verminderde personeelsbezetting enzovoort – terwijl de container een aardige duit heeft gekost, 2,5 miljoen frank, om precies te zijn.

J.C.: Dat is inderdaad een contradictie. De dure container was evenwel ook een garantie.

K.B./D.P.: Dat het programma niet meteen zou worden afgevoerd?

J.C.: Inderdaad.

 

Flanders Technology

K.B./D.P.: Hoe ben je op het idee van een container gekomen?

J.C.: Eerst dacht ik aan een frituur- of werfwagen. Ik heb een aantal gespecialiseerde firma’s bezocht en kreeg te horen dat die tuigen te licht zijn voor het programma dat ik erin wilde realiseren. Daarna heb ik een firma voor bouwketen bezocht. Ik had een mobiele structuur voor ogen die kon worden geopend. Ook een bouwkeet was niet de geschikte oplossing.

K.B./D.P.: In het dossier over Container in het archief van de VRT bevindt zich een artikel uit Kunstforum – een artikel over kunst en containers. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar Portikus in Frankfurt, een tentoonstellingsplek in een container, jarenlang gerund door Kasper König. Heeft dat artikel jou geïnspireerd?

J.C.: Ik heb dat artikel waarschijnlijk gelezen, maar ik ben de inhoud en/of de impact vergeten.

K.B./D.P.: Het artikel in Kunstforum dateert van november-december 1988 – de maanden waarin jij wellicht een bezoek brengt aan die firma’s voor frituurwagens en bouwketen. Er staan een aantal lezenswaardige gedachten in het artikel. Hans-Peter Bender, de persoon die geïnterviewd wordt, stelt: “Im ersten Weltkrieg wollte die US-Armee ohne zeitraubende Umladevorgänge vom Schiff auf andere Transportmittel ihren Nachschub zu den Kriegsschauplätzen in Europa möglichst rationell organisieren. Dazu war der Container eine geradezu geniale Erfindung, da geschah eine Institutionalisierung der totalen Mobilmachung, militärisch, und später auch wirtschaftlich und gesellschaftlich. Die sofortige Verfügbarkeit über Ressourcen, an Menschen wie an Material, wird durch das Einsparen von Zeit garantiert. Daher ist der Container ein Werkzeug der Macht, und Machtausübung widersetzt sich ja der Veränderung und Befreiung, ihr Wesen ist ja vielmehr das Abgrenzen und Absichern.” Deze argumentatie lijkt sterk op de jouwe.

J.C.: Dat klopt. Ik wilde een structuur die snel kon worden ingezet.

K.B./D.P.: Heb je na je bezoek aan de firma’s voor werfwagens en bouwketen contact gezocht met Stéphane Beel?

J.C.: Nee, ik heb eerst een gesprek gehad met een andere architect, John Körmeling. Hij is naar de BRT gekomen en we hebben over het project gesproken, maar we zaten niet op dezelfde golflengte.

K.B./D.P.: Nochtans zou je geneigd zijn te denken dat zo’n project gehoor zou vinden bij hem.

J.C.: De vonk sprong niet over. Met Beel klikte het wel.

K.B./D.P.: Welke ideeën heb jij Stéphane Beel aangereikt?

J.C.: Het moest een constructie zijn die geopend en gesloten kon worden: een werkplaats, inclusief opbergruimte, en een studio vanwaaruit uitgezonden kon worden. De licht- en de klankinstallatie moesten volledig ingebouwd zijn. Het enige wat nodig was om te kunnen beginnen uitzenden, waren stopcontacten voor elektriciteit en telefonie.

K.B./D.P.: De aankleding, en de stijl ervan, heb je daar ook inspraak in gehad?

J.C.: Dat is allemaal in samenspraak met Stéphane Beel tot stand gekomen. Aan elk detail is aandacht geschonken: de tafel, de stoelen, het servies… Er was zelfs een koffiezetapparaat.

K.B./D.P.: En de bekleding met koeienhuiden?

J.C.: Dat was een idee van Stéphane.

K.B./D.P.: Welke betekenis hebben die koeienhuiden voor jou?

J.C.: Ik associeer die met oorlog. De prijs van leer gaat omhoog als het oorlog is. Er is dan veel leer nodig voor schoeisel.

K.B./D.P.: Hebben die koeienhuiden ook iets te maken met isolatie, gezien jouw utopie van de eigen werkplek?

J.C.: Op die manier kan je de koeienhuiden ook interpreteren.

K.B./D.P.: Hoe was je bij Stéphane Beel terechtgekomen?

J.C.: Ik ken uiteraard het wereldje van de Vlaamse architectuur. Ik weet niet meer of ik er met Geert Bekaert over gepraat heb.

K.B./D.P.: Of met Bart Verschaffel?

J.C.: Zeker niet. Met de bouw van de container heeft hij niets te maken gehad. Weet je wanneer Bart Verschaffel de container voor het eerst gezien heeft? Toen hij binnengereden werd in de BRT: hij werd binnengereden en zakte door de wielen waarop hij gemonteerd was!

K.B./D.P.: Had Versluys, de aannemer, een fout gemaakt?

J.C.: Het was dramatisch: de container zakte door zijn draaiwieltjes. Onvoorstelbaar. Ik had geëist dat de container kon worden verreden, maar dat type wieltjes kon het gewicht van 5 ton niet dragen. De onderkant van de container is nadien helemaal opnieuw gelast.

K.B./D.P.: Waren er nog andere tekortkomingen toen de container werd geleverd?

J.C.: Een aantal kleinigheden, en natuurlijk het feit dat de trailer niet af was. Versluys kon die trailer zelf niet bouwen. Hij mocht dat ook niet. Over Versluys ben ik, afgezien van dat akkefietje met die wielen, zeer te spreken. Naast de ploeg van Versluys kon ik rekenen op technici van de BRT. De directie Techniek stelde een aantal mensen ter beschikking die bij Versluys ingezet zijn om de container op tijd af te krijgen. In een privéfirma!

K.B./D.P.: De directie Techniek was jou dus goedgezind. Hoe kwam dat?

J.C.: Met de directie Techniek had ik onmiddellijk contact opgenomen toen ik wist dat ik een container wilde laten bouwen. Iedereen van de dienst stond achter mij. Waarom? Ik had een zekere reputatie opgebouwd, onder andere door IJsbreker, maar zeker ook door De langste dag. Men hield van de uitdaging, denk ik, en men wist dat ik tot het uiterste ging. De container is gemaakt over de grenzen van alles heen. De directeur-generaal Televisie heeft er zelf ook een deel van zijn eigen budget in geïnvesteerd. Dat stak uiteraard de ogen uit.

K.B./D.P.: Was je tevreden over het eindresultaat?

J.C.: Versluys heeft een Rolls-Royce gemaakt. Het was een architecturaal en technisch hoogstandje. De container is trouwens tentoongesteld in Flanders Technology, de technologiebeurs die door Gaston Geens opgezet was.

K.B./D.P.: In Gent?

J.C.: Ja, ik heb daar zelf ook gestaan, zoals een standwerker met promotiemateriaal. Ik moest de container zichtbaar maken of houden, want als ik niet oppaste, was hij misschien al verdwenen nog voor hij goed en wel in gebruik was genomen. We hadden toen net de twee eerste Container-uitzendingen achter de rug…

 

Laura

K.B./D.P.: De eerste twee uitzendingen vinden plaats op woensdag 5 april en woensdag 19 april 1989. Uit de correspondentie in het Container-dossier blijkt dat Eva Binnemans, jouw assistente, vanaf januari een proefuitzending…

J.C.: …er heeft nooit een proefuitzending plaatsgevonden!

K.B./D.P.: Nochtans is er wel een voorbereid. Dat blijkt uit tal van brieven aan betrokkenen: studiopersoneel, sprekers, cameralui enzovoort.

J.C.: Er is geen proefuitzending gemaakt.

K.B./D.P.: Waarom niet?

J.C.: Er was eenvoudigweg geen tijd. Gedurende de extreem korte periode waarin de container is gebouwd – nauwelijks zes weken – heb ik haast niet geslapen. Op het einde was ik niet meer te genieten. Ik was enorm gespannen. Ik ben ook tegen allerlei mensen uitgevaren. Maar ik zag ook de zin van een proefuitzending niet in. Ik vond dat je in de container moest plaatsnemen en beginnen te spreken. Ik wou niet dat er gerepeteerd werd. De sprekers zagen elkaar telkens één keer op voorhand en bekeken elkaars beeldmateriaal. Als de discussie op gang dreigde te komen, dan zei iemand: ‘de kurk op de fles’, het wachtwoord om aan te geven dat er niet dieper op de zaak mocht worden ingegaan.

K.B./D.P.: Elke aflevering van Container begint en eindigt met hetzelfde streepje muziek. Heb jij de openings- en eindtune gekozen?

J.C.: Ja, Laura van Charlie Parker.

K.B./D.P.: Waarom heb je dat gekozen?

J.C.: Container was een laatavonduitzending. De muziek vormde een soort overgang. Ik hou enorm van de muziek van Charlie Parker.

K.B./D.P.: De eerste aflevering handelt over sentimentaliteit en de drie sprekers zijn Bart Verschaffel, Lieven De Cauter en Patricia De Martelaere. Verschaffel en De Cauter keren in elke aflevering terug als de vaste panelleden, die ook steeds op dezelfde plaats in de container zitten: Lieven links, Bart rechts. Hoe is de keuze op Bart en Lieven gevallen?

J.C.: In de openbare omroep was er in ieder geval niemand met wie ik in zee wilde gaan. Bart Verschaffel had me de ogen geopend met zijn lezing in de Beursschouwburg: “Gedachten zijn geen knechten die men kan bevelen en kan gebruiken om er buren, heersers, ongelukkigen, de goede zaak of zuil mee te plezieren.” Voor mij was het evident dat hij bij Container betrokken was. Hij stelde als voorwaarde dat Lieven de tweede vaste spreker zou zijn. Hij wilde iemand die hij goed kende en die hij kon vertrouwen. Ik begreep dat volkomen. Ze kregen beiden een parttime contract bij de openbare omroep.

K.B./D.P.: Je had al met Lieven De Cauter en Bart Verschaffel samengewerkt, namelijk voor de film over het Vlaamse hoger kunstonderwijs.

J.C.: Inderdaad. Met Bart Verschaffel zou ik ook na Container nog verschillende films realiseren, over Jan Fabre in 1990, The Music Box in 1994, over René Magritte in 1995 en 1997 en over Thierry De Cordier in 1996.

K.B./D.P.: De Cauter en Verschaffel hadden zich in die tijd – het is onduidelijk wanneer precies, wellicht op het einde van 1987 – verenigd in het genootschap WITT, samen met Rudi Laermans en Paul De Vylder. Zowel Rudi Laermans als Paul De Vylder hebben hun opwachting in Container gemaakt. Wat was de relatie tussenContainer en WITT?

J.C.: Voor mij hadden die twee niets met elkaar te maken.

K.B./D.P.: We hebben de vier WITT-leden gesproken. Alle vier hebben ze bevestigd dat zij onder elkaar druk correspondeerden over de onderwerpen die in Container aan bod zouden worden gebracht.

J.C.: Onder elkaar, dat is mogelijk.

K.B./D.P.: In het VRT-archief hebben we een brief gevonden van Lieven De Cauter, “gericht aan de leden van WITT en J.C.”. Hij noemt als titel voor het programma: ‘De fabelen der beschaving’ of ‘De fabelachtige beschaving’. Ook Beel vermeldt die titels als hij zijn plannen voor de mobiele studio inlevert.

J.C.: Ik wilde vasthouden aan de titel Container. ‘Containing’, daar ging het voor mij om. Een andere titel zag ik niet zitten.

K.B./D.P.: In die brief van begin december 1988 omschrijft De Cauter het programma als “een soort gestoffeerde werkvergadering aan een project” en hij geeft een voorbeeld: “Ovidius in stripverhaal – een metamorfose. Een jonge striptekenaar vat het idee op om een stripverhaal te maken van Ovidius. Op een werkvergadering met WITT worden een aantal onbekende metamorfoses voorgelezen en gekozen.” Hij somt daarnaast nog een aantal andere gespreksonderwerpen op en heeft voor alle betrokkenen een opmerking klaar. Aan jou schrijft hij: “Jef, spendeer alsjeblief niet al onze kredieten aan dat tuig.”

J.C.: De container, dat was mijn idee. Het is een object, dat is toch duidelijk? Ik had dat nodig, dat object. De invulling kwam op de tweede plaats.

K.B./D.P.: En WITT stond daarvoor in?

J.C.: Ik heb nooit met WITT rond de tafel gezeten. De eerste aflevering was trouwens met Patricia De Martelaere als enige gast en ik denk dat zij ook het thema – sentimentaliteit – heeft voorgesteld, of er toch tenminste inspraak in heeft gehad.

 

Het ontroerparcours

K.B./D.P.: Een dag voor de eerste Container werd uitgezonden, vond er een persconferentie plaats. Hoe is die verlopen?

J.C.: Er was veel volk. Op dezelfde dag was Lieven De Cauter te gast in Argus, het mediaprogramma van de openbare omroep.

K.B./D.P.: Het Laatste Nieuws berichtte twee dagen later over Argus: “Bijzonder ergerlijk was de bijdrage overContainer. Dit was frappante navelstaarderij, waarbij aan de bedoeling om wat reclame te maken voor een nieuw BRT-programma volledig werd voorbij gegaan. De presentator van Container liet zich uitspraken vallen [sic] die de cameralui van de BRT nogal pijn zullen doen (‘technische problemen zijn mijn zaken niet’) en kwam vooral pretentieus over. Wie Argus gezien heeft, zal gisterenavond zeker niet naar Container gekeken hebben. En terecht. Zak tekende het schitterend met de commentaar ‘Volgend onderwerp’.” Container was nog niet begonnen of er pakten zich al donkere wolken samen boven het programma. Had jij de mediastrategie op voorhand besproken met Verschaffel en De Cauter?

J.C.: Nee.

K.B./D.P.: Het begin van de eerste Container is legendarisch. Het is 5 april, een woensdagavond, om kwart voor elf. Nadat de klanken van Laura van Charlie Parker zijn weggestorven zegt Lieven De Cauter: “Laten we met iets heel eenvoudigs beginnen, iets heel eenvoudigs, iets dat als het ware uit het leven gegrepen is, namelijk Het ontroerparcours. In Humo zijn er niet zo lang geleden een aantal bekende Vlamingen geïnterviewd en die heb jij [Patricia De Martelaere] voor ons als het ware doorgelezen – die teksten met die interviewers, met de vraag: ‘wat was ontroerend?’, ‘waardoor werd je ontroerd?’. En jij licht daar een aantal hoogtepunten uit. Daarmee hebben we een soort vaste grond om te vertrekken en dan kunnen we zien waar we uitkomen.” De kijker kent Lieven De Cauter niet. Hij wordt niet aangekondigd, hij stelt zichzelf niet voor en zelfs zijn naam verschijnt niet in beeld. Dat gebeurt pas na drie minuten, nadat de andere sprekers, eerst Patricia De Martelaere, daarna Bart Verschaffel, in beeld zijn verschenen en het woord hebben genomen. Was het jouw idee om die eerste uitzending te beginnen zonder introductie, noch van het onderwerp, noch van de sprekers?

J.C.: Het moest snel beginnen.

K.B./D.P.: Naast de fragmenten uit Humo’s Ontroerparcours waaruit De Martelaere citeert, worden verschillende beeldreeksen getoond, becommentarieerd door de sprekers.

J.C.: Ik was van mening dat er niet zoveel beelden moesten worden getoond. Ik vond het naast de kwestie.

K.B./D.P.: Jij wilde gewoon een gesprek.

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: In de eerste aflevering loopt er van alles mis met de beelden – er worden beelden gevraagd die niet ofwel te laat op het scherm komen.

J.C.: Er waren afspraken gemaakt over de wijze waarop de beelden konden worden opgeroepen, maar het liep vaak mis. Dat is ook logisch: mensen die aan het praten zijn, concentreren zich op wat er gezegd wordt. Vergeet niet dat Container een liveprogramma was.

K.B./D.P.: Dat het live is, kan je eigenlijk niet merken. Het is duidelijk dat het niet gemonteerd is, maar niet dat het niet vooraf opgenomen is.

J.C.: Dat is een opmerking die ik meermaals heb gehoord.

K.B./D.P.: Konden de sprekers de beelden zien in de container?

J.C.: Bart en Lieven hadden een monitor, Patricia niet. Ik wou eigenlijk niet werken met beelden, of toch niet met zoveel beelden. Ik wou een ruimte waar je een gesprek kon hebben.

K.B./D.P.: Wat vond je van de eerste Container?

J.C.: Ik vond die eerste aflevering een volledige mislukking. Ik heb mij in mijn kantoor teruggetrokken en ik ben aan mijn verdediging begonnen. Ik dacht dat Container meteen van het scherm zou worden gehaald.

K.B./D.P.: Wat zat er volgens jou fout?

J.C.: Het was al begonnen nog voor de camera’s aan het draaien waren: Lieven had zich laten schminken. Ik vond dat dat echt niet kon.

K.B./D.P.: Was Bart Verschaffel ook geschminkt?

J.C.: Ja, en Patricia ook. Lieven had dat zelf geregeld. Wat ik met Container voorhad, was precies het omgekeerde. Ik wilde niets meer te maken hebben met dat soort conventies. Ik wou uit de televisie breken. Dat was een illusie, dat besef ik. Bij de tweede Container was er in ieder geval geen grimeuse meer.

K.B./D.P.: Je zegt dat je ontgoocheld was na de uitzending. Waarom?

J.C.: Er werd een nummertje opgevoerd. Het werd heel formeel gespeeld – heel academisch.

K.B./D.P.: Maar je wist toch dat de eerste aflevering zou bestaan uit een gesprek over het onderwerp sentimentaliteit, met Patricia De Martelaere, Bart Verschaffel en Lieven De Cauter, drie academici. Wat had jij dan verwacht?

J.C.: Dat er bijvoorbeeld stiltes zouden vallen. Als je niets te zeggen hebt, dan zwijg je toch? Er werd op veilig gespeeld. Het was te publieksgericht. Ik vind dat je een uitzending kan maken waarin een half uur niets gezegd wordt.

K.B./D.P.: Je vond dat het volgebabbeld werd?

J.C.: Ja, ik vond dat er zich niets afspeelde. Misschien waren Bart en Lieven niet de juiste mensen op de juiste plaats. Maar ik verwijt het hen niet. Ik heb hen voor de leeuwen gegooid. Ik ben verantwoordelijk voor dat programma.

K.B./D.P.: In de eerste aflevering zijn er fricties tussen Lieven De Cauter en Patricia De Martelaere. Vond je dat storend?

J.C.: Nee, helemaal niet. Maar men ging nooit door. Ze toonden zichzelf te weinig. Ze gaven zichzelf te weinig bloot. Tenminste, dat vond ik op dat moment. Ik heb de eerste Container onlangs teruggezien en ik ben tot de conclusie gekomen dat ik me toen vergist heb.

K.B./D.P.: Ook het einde verloopt niet bepaald vlekkeloos. De Cauter zegt: “We zouden een besluit kunnen treffen met een soort van gemeenplaats.” “Werkelijk? Zouden we dat wel doen,” repliceert Verschaffel. Waarop De Cauter zegt: “Men vraagt mij dat in mijn linkeroor. Er is een stem van boven…” Verschaffel onderbreekt hem: “Rond gewoon af.” De Cauter: “…die mij zegt dat ik moet afronden. Ik zou zeggen: sentimentaliteit is een verschijnsel dat ontstaat in onze cultuur, dat blijft doorwerken in onze cultuur; daar kan je niet onderuit. Wij zijn allemaal sentimenteel…” Verschaffel onderbreekt hem opnieuw: “…afronden!” De Cauter: “…en het is ongevaarlijk, maar op bepaalde momenten wordt het gevaarlijk. Komt er als het ware een soort opstoot.” Verschaffel vraagt zich vervolgens af of dat het besluit was. Waarop De Cauter zegt: “Jij mag het beter doen, Bart. Jij kan het gerust beter doen, dat weet ik wel, Bart.” Bart Verschaffel spreekt de laatste woorden van de uitzending uit: “Neen, laten we ermee ophouden…”

J.C.: Ik had permanent contact met Bart en Lieven. Ze hadden allebei een oortje. Na 60 minuten zei ik dat ze moesten stoppen.

K.B./D.P.: Greep jij tijdens de uitzending in?

J.C.: Ja, regelmatig.

K.B./D.P.: Wat zei je dan?

J.C.: Bijvoorbeeld: “Hou op, want er is niemand die dit nog kan volgen.”

K.B./D.P.: Heb je tegen Bart en Lieven gezegd dat je de uitzending niet goed vond?

J.C.: Ja, na elke aflevering bekeken we het programma opnieuw en was er een evaluatie. Het is er hard aan toegegaan na de eerste aflevering maar ze hebben mij nooit in de steek gelaten. We konden ook niet meer terug. We moesten op de ingeslagen weg doorgaan.

K.B./D.P.: De reacties van de pers waren vernietigend. In de Gazet van Antwerpen schrijft R.V.H.: “Ik heb het een uur volgehouden en voorwaar niet veel kijkers zullen dat kunnen zeggen. Nog maar zelden is de BRT erin geslaagd filosofie en cultuur zo onaantrekkelijk voor te stellen.” En Edward Van Heer schrijft in Knack Weekend: “Onder het postmodernistische motto ‘Alles is interessant’ wordt daarin door Lieven De Cauter en Bart Verschaffel een potje oeverloos geouwehoerd rond één bepaald thema. De heren zijn academisch geschoold en dat zullen we geweten hebben.” En in Humo schrijft Mark Schaevers: “Tragisch. Een groot woord, maar ik merk dat het er al uit is. Tragisch is het dat een programma dat uitdrukkelijk clichés over intellectuelen wil bestrijden, een showroom is van alle stukgekouwde gemeenplaatsen die er over die mensensoort bestaan. Cafépraat, zo kan men dit programma samenvatten, en daar was het inderdaad beter bij gebleven.”

J.C.: Het programma is afgeschoten vanaf de eerste uitzending. Met Container wilde ik de resttijd gebruiken, onzichtbaar worden, maar het omgekeerde was het geval: we kregen heel Vlaanderen over ons heen. Wij zijn als het ware naar elkaar toegejaagd, Bart, Lieven en ik – om te overleven, wat mij betreft zeker.

K.B./D.P.: Opvallend zijn evenwel ook de uitspraken van Lieven De Cauter en Bart Verschaffel, voorafgaand aan de eerste uitzending. Het Volk citeert hen als volgt: “We mikken op het soort mensen dat nooit tv kijkt en nu tv moet kijken… We mikken op het publiek dat om 22.45 uur nog wakker is en bereid is zijn verstand te gebruiken… We mikken eigenlijk niet op een publiek.” Vandaar nogmaals de vraag: hadden jullie afgesproken op welke wijze het programma zou worden gepresenteerd aan pers en publiek?

J.C.: Nee, maar ik had geen problemen met de aanpak van beide heren.

K.B./D.P.: Een ander voorbeeld. In Het Nieuwsblad tekent HDJ op: “De twee initiatiefnemers en tevens presentatoren maakten op een bij de BRT georganiseerde persconferentie al meteen een aardige blunder door mee te delen dat zij niets meer moesten zeggen ‘gezien de belangrijkste informatie al in enkele (met name genoemde) bladen is verschenen’. Niet bepaald een uiting van beschaving, maar meer een vorm van belediging […].” Bieden deze provocaties een gehele of gedeeltelijke verklaring voor de negatieve receptie vanContainer?

J.C.: Volgens mij niet. Het programma betekende een gevaar voor het genoegzame discours dat ieder op zijn plek voerde. Humo op zijn humo’s, Marc Reynebeau in Knack: dat waren vestingen, en plotseling doken er op de televisie anonieme personages op! Bart en Lieven werden volgens mij aangevallen omdat men hen als concurrenten beschouwde.

K.B./D.P.: Container was een format dat sowieso bijzonder moeilijk te verkopen was, maar De Cauter en Verschaffel hebben het op een polemische, provocerende manier aan de man proberen te brengen. Nog een voorbeeld, De Cauter in SiC: “Eigenlijk hebben we een hekel aan televisie. Ik kijk nauwelijks. Ik vind het een dom medium.”

J.C.: Ik blijf vasthouden aan mijn verklaring: het programma was bedreigend voor een aantal journalisten die zelf ambities koesterden in verband met televisie. Maar misschien kan je wel zeggen dat we het tactisch niet goed hebben aangepakt.

 

Tussen waanzin en perfectie

K.B./D.P.: De tweede aflevering van Container is getiteld Tussen waanzin en perfectie en handelt over de tentoonstelling Open Mind die nauwelijks vier dagen voor de uitzending was opengegaan in het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent. Wie heeft dit onderwerp voorgesteld?

J.C.: Ik denk dat het mijn idee was.

K.B./D.P.: In het eerste persbericht over Container werd al vermeld dat er een uitzending zou worden gewijd aan de tentoonstelling van Jan Hoet.

J.C.: Het lag voor de hand, vond ik.

K.B./D.P.: Opnieuw is er slechts een gast, de Nederlandse kunsthistoricus Frank Reijnders.

J.C.: Ja, het is de laatste uitzending met slechts een gast. Vanaf Container 3 zijn er steeds vier sprekers.

K.B./D.P.: Hoe werden de gasten geselecteerd?

J.C.: Bart en Lieven deden voorstellen die ik vrijwel steeds volgde. Ik had echter een vetorecht.

K.B./D.P.: De uitzending begint met beelden van de tentoonstelling die nog in opbouw is. Offscreen hoor je Lieven De Cauter, en vooral Frank Reijnders, de namen citeren van de makers van de kunstwerken. Als een kunstwerk in close up in beeld komt, werkt dat erg verduidelijkend. In de meeste gevallen komen er echter meerdere kunstwerken in beeld…

J.C.: Die beelden zijn gemaakt door Jan Blondeel van de dienst Kunstzaken. Er was ook een plattegrond van het museum zodat steeds kon worden verwezen naar de locatie van de werken.

K.B./D.P.: Het programma is letterlijk rechtstreekse en openbare kritiek op de tentoonstelling.

J.C.: Het is een kunstkritisch stuk, maar dan op de televisie.

K.B./D.P.: Lieven De Cauter en Bart Verschaffel storen zich aan de extreme polarisatie in de tentoonstelling – de tegenstelling tussen de zogenaamde steriele academische kunst en de springlevende art brut, gemaakt door gestoorde mensen. Maar hun stelling is dat op het moment dat je abstractie maakt van die polarisatie de tentoonstelling best te genieten is. Wat was de reactie van Jan Hoet op de uitzending over Open Mind?

J.C.: Ik had op dat moment niet veel contact meer met Jan.

K.B./D.P.: Het lijkt erop alsof van tevoren was afgesproken om de naam van Jan Hoet niet uit te spreken. Er wordt voortdurend gesproken over het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent, of kortweg over Gent of de makers van Open Mind. Wie heeft deze aanpak voorgesteld?

J.C.: Dat herinner ik me niet.

K.B./D.P.: Toch heeft Hoet een steunactie voor Container opgezet. Op 1 juli 1989 verschijnt in De Morgen eenopen brief van Jan Hoet waarin hij onder meer schrijft: “Hoewel ik zelf niet gelukkig was met de manier waarop in Container met onze tentoonstelling Open Mind werd omgegaan, besef ik nog steeds ten volle het belang van de (potentiële) confrontatie van een dergelijk initiatief met programma’s, die de reikwijdte ambiëren van Container.” En hij stelt verder: “De kritieken die aanvankelijk op Container verschenen, hadden geen uitstaans met de controversen die een dergelijk programma altijd begeleiden. Ze lijken me zo duidelijk uit kwaad opzet opgezweept te worden vanuit bepaalde hoeken, dat ik meen hier mijn persoonlijke stem te moeten laten horen. In het verleden heb ik zelf te vaak met gelijkaardige mechanismen te maken gehad om ze te kunnen miskennen.” De Gazet Van Antwerpen brengt ook verslag uit over “de Vlaamse kunstpaus Jan Hoet, trouwens een goede vriend van Container-regisseur Jef Cornelis…”

J.C.: Dat meen je niet? Na het programma De langste dag over de Gentse kunstzomer van 1986 heb ik niet veel contact meer met Hoet gehad.

K.B./D.P.: Het einde van de aflevering is erg ruw. Er is geen afronding; de sprekers worden gewoonweg overstemd door de geluidsband van de opnamen van Jan Blondeel waarmee Container ook begonnen was. Was er op voorhand bepaald hoe de aflevering moest eindigen?

J.C.: In het geval van deze Container was dat van tevoren afgesproken. We waren diverse mogelijkheden aan het uittesten.

K.B./D.P.: Ook deze aflevering werd geëvalueerd?

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: Was de gastspreker, Frank Reijnders, erbij betrokken?

J.C.: Nee, we bekeken de tape enkel met ons drieën. Tijdens die bijeenkomst werd tevens het onderwerp van de volgende uitzending behandeld. Ten tijde van IJsbreker hanteerde ik dezelfde methodiek.

K.B./D.P.: De reacties in de pers blijven zuur. Op 26 april 1989 mengt Marc Reynebeau zich in de discussie met een artikel, getiteld Plattelandsjongens: “Heel toepasselijk, zoals gesprekken in cafés in geroezemoes verdwijnen, stierf Container vorige week uit onder getimmer en ijle kreten, alsof ook Verschaffel en De Cauter het niet meer zagen zitten.” En Rudy Vandendaele in Humo: “Wat je te zien kreeg was het bovenmaatse ego van Lieven De Cauter en Bart Verschaffel. Voortdurend stonden zij te springen om het windei van hun gelijk te leggen, en Frank Reijnders, die nog het beste enige kennis van zaken kon voorwenden, werd zachtjes doodgeknepen.”

J.C.: Het is ongelofelijk wat wij allemaal over ons uitgestort kregen.

 

WITT in Container

K.B./D.P.: De derde aflevering begint zoals de twee voorgaande: zonder nadere toelichting leest Bart Verschaffel een brief van Arthur Schopenhauer. Maar vervolgens komt Lieven De Cauter in beeld. Hij zegt: “Goedenavond, welkom in Container, vanavond gaat het over de puntzak van Heinrich Heine, dat was een soort briefproject, dat wij, deze vier heren, in Amsterdam hebben gebracht, in het kader van een reeks over theater en politiek, en dat briefproject…” en dan stopt hij en zegt hij, met zichtbare tegenzin: “…maar misschien toch eerst de heren voorstellen, want dat was zo gevraagd: dat is de heer, recht tegenover mij, Bart Verschaffel, wetenschapsfilosoof, naast Bart zit de heer Paul De Vylder, kunsthistoricus en kunstenaar en naast Paul zit de heer Rudi Laermans, cultuursocioloog; ikzelf ben uiteraard Lieven De Cauter, ik ben filosoof en kunsthistoricus, om u te dienen. Nu die Puntzak, dat was een briefproject, die brieven waarvan u er net eentje hoorde, die werden in serie voorgelezen. Bij de voorbereiding van dat project bleven een aantal vragen liggen en die vragen willen we vanavond eigenlijk opnemen. De eerste vraag was eigenlijk: hoe verhouden zich die intellectuelen, schrijvers, kunstenaars, filosofen tot de geschiedenis die in de revolte aan de oppervlakte, in de revolutie uitbarst?” Plots is er wel een introductie. Waarom opteerden jullie ineens wel voor een inleiding?

J.C.: We stonden onder druk om de formule aan te passen, een andere uitleg heb ik er niet voor.

K.B./D.P.: Interessant is dat het open einde wel behouden blijft. Daaruit kan je leren dat een open begin niet kan, maar een open einde blijkbaar wel.

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: De puntzak van Heine was een herhaling van een WITT-activiteit in Amsterdam. Voorafgaand aan die aflevering schrijft Lieven De Cauter een brief aan jou: “Die puntzak van Heine, dat zag je toch niet zo zitten. Daarom stuur ik je een kopie van de gebruikte brieven, een paar brieven van Marx moeten nog vervangen worden. Er zijn al een paar mooie nieuwe vondsten gesignaleerd, het geheel wordt nog puntiger.” En dan zegt hij: “Een mogelijke versie die ik voor ogen had, zou er gewoon in kunnen bestaan dat je een paar goede acteurs in de container neerpoot, met die teksten.” Hij denkt daarbij aan Jan Decorte en Josse De Pauw.

J.C.: Ik wou dat niet. Ik wou dat de formule van een gesprek behouden bleef.

K.B./D.P.: De aflevering is de meest radicale realisatie van de ideeën van Bart Verschaffel over openbaar denken. In De puntzak van Heine gebeurt dat echt. De botsing met de beeldreeksen – bijvoorbeeld Goya’s prenten bij de brief van Schopenhauer – is zeer geslaagd. In de intro had Lieven De Cauter gesteld dat ze de relatie tussen geschiedenis en beeld wilden bevragen. Het is niet alleen openbaar denken, het is een hermeneutisch experiment.

J.C.: Die beelden zijn allemaal aangeleverd door Paul De Vylder. Hij verzorgde trouwens ook de beeldreeksen in de eerste Container over sentimentaliteit. Met Paul had ik vroeger al kennisgemaakt; hij was betrokken bij de IJsbreker-aflevering over de Antwerpse kunstscene.

K.B./D.P.: Wat vond je zelf van de Puntzak?

J.C.: Het werkte volgens mij niet. We waren Container aan het uittesten en de test was voor mij negatief.

K.B./D.P.: Een test? Beschouwde je die eerste Containers als proefuitzendingen?

J.C.: Zo zou je het kunnen formuleren. We waren aan het proberen ons iets eigen te maken. Ik heb een afdak willen maken – een plaats die een aantal mensen de kans zou bieden om iets te doen. Maar er werd ons geen tijd gegund.

K.B./D.P.: Had je dan in gedachten dat je op een bepaald moment met andere personen zou samenwerken in de container?

J.C.: Het instrument had vele gezichten kunnen hebben.

K.B./D.P.: Welke gezichten?

J.C.: Het was de bedoeling dat Bart Verschaffel en Lieven De Cauter na verloop van tijd vervangen zouden worden door andere personen. Het moest een stoelendans worden. Ik wou met dat instrument ook andere programma’s maken. Ik zag het als een plaats voor iedereen, maar niemand durfde eraan beginnen.

K.B./D.P.: Waarom heb je de stoelendans niet op gang gebracht?

J.C.: Na de eerste aflevering wist ik in feite al dat Container zou worden afgevoerd. Ik wou minstens tien afleveringen maken. Anders zou ik pas echt het gevoel hebben gehad dat ik was afgegaan. We zijn er met zijn drieën aan begonnen en we zijn er met zijn drieën uitgestapt. Maar ik ben wel met Bart blijven werken, dat zullen jullie ook wel hebben opgemerkt.

K.B./D.P.: Ook met Rudi Laermans en Paul Vandenbroeck heb je nog films gemaakt.

J.C.: Inderdaad.

 

Container in Argus

K.B./D.P.: Container 4 vindt opnieuw plaats naar aanleiding van een tentoonstelling, namelijk Art deco in Europa. Decoratieve tendensen in de toegepaste kunst rond 1925 in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Vreemd genoeg komt de tentoonstelling helemaal niet aan de orde. Het gaat over art deco in het algemeen.

J.C.: Lieven De Cauter had het onderwerp ingebracht, vermoed ik. Het was een van de topics die hem bijzonder interesseerden. De aflevering zelf kon me in het geheel niet overtuigen.

K.B./D.P.: De keuze van de gasten is vreemd. In de aflevering over Open Mind is Jan Hoet niet uitgenodigd – zijn naam gaat zelfs nauwelijks over de tong. In de aflevering over art deco is Marc Lambrechts, de tentoonstellingsmaker, wel uitgenodigd. Daarnaast is ook Norbert Poulain, voorzitter van de stichting Interbellum, te gast. Zij zijn experts, specialisten. Dat is toch tegen de filosofie van Container?

J.C.: Dat klopt.

K.B./D.P.: Met het beeldmateriaal wordt er niet goed omgesprongen. Er wordt in die aflevering enorm met namen gegoocheld. Als kijker verlies je snel de trappers.

J.C.: Ze vroegen het beeldmateriaal niet goed aan. Er waren afspraken gemaakt, maar die werden niet nagekomen. Het is ook niet makkelijk om met beelden om te gaan als je in een discussie verwikkeld bent.

K.B./D.P.: De aflevering is bijzonder academisch. De sprekers zijn voortdurend bezig met begripsafbakening, tot in het oeverloze…

J.C.: Ik vond die aflevering heel slecht.

K.B./D.P.: Is het probleem niet dat er niet genoeg dilettanten of niet-specialisten zijn in Vlaanderen?

J.C.: Het was in ieder geval zeer lastig om de juiste sprekers te casten.

K.B./D.P.: Je kan je zelfs afvragen of het überhaupt mogelijk is om het met om het even wie over om het even welk onderwerp te hebben.

J.C.: Ja, je kan ook stellen dat men terugviel op datgene wat men al zeer goed kende.

K.B./D.P.: Je hebt al gezegd dat je door de eerste uitzending verrast was in negatieve zin. Dat is toch vreemd: je gaat op antenne en je hebt er blijkbaar geen enkel idee van hoe het resultaat eruit zal zien.

J.C.: Ik vond het heel steriel, al ben ik nu van mening dat ik dat moet terugnemen.

K.B./D.P.: Als je ontgoocheld bent, dan impliceert dat dat je een andere verwachting had van wat er in de container zou gebeuren. Wat dan?

J.C.: Het confronterende, het wilde, het onvoorziene… zonder gecontroleerd te worden. De mogelijkheid dat er stiltes vallen. Ik vind de stilte soms zeer interessant. Op televisie mag dat niet, dat moet altijd maar doorgaan. Ik wou iets doorbreken in Vlaanderen, maar ik ben er niet in gelukt. We hebben niet op een normale manier een gesprek kunnen voeren. In IJsbreker is dat soms wel gelukt.

K.B./D.P.: Waarom heb je de inhoudelijke invulling niet beter voorbereid? Op het vlak van het object, de container, ben je een perfectionist.

J.C.: IJsbreker heb ik op dezelfde manier aangepakt. Ik voorzag geen problemen.

K.B./D.P.: Als je geen foto van de container gezien hebt, en enkel over de televisiebeelden beschikt, is het niet eenvoudig om uit te maken hoe de container er precies uitziet.

J.C.: De container kon langs de voor- en achterkant worden opengeklapt. Er waren bovendien verschillende decorelementen: gordijnen, panelen… Ik heb die allemaal uitgeprobeerd.

K.B./D.P.: Werden de variaties afgestemd op het thema van de aflevering, bijvoorbeeld art deco?

J.C.: Nee, het waren improvisaties. Het hing er ook vanaf waar de container opgesteld stond.

K.B./D.P.: De container lijkt inderdaad steeds op een andere plaats te staan. Soms wordt hij vanop een extreem grote afstand in beeld gebracht, als een soort muizenval.

J.C.: Hij heeft overal gestaan: in een werkplaats, in de gang, in Studio 3. Waar er plaats was, werd de container naartoe geduwd.

K.B./D.P.: Na Container 4 worden Lieven De Cauter en Bart Verschaffel uitgenodigd in Argus, het programma van Jan Van Rompaey.

J.C.: Ik heb hen verplicht om ernaartoe te gaan. Bart verzette er zich het hevigst tegen, maar ik argumenteerde dat Container zou worden afgeschaft als zij niet zouden gaan.

K.B./D.P.: Het debat in Argus met Marc Reynebeau van Knack en Flip Feyten van de Gazet Van Antwerpenverliep niet bepaald gelukkig. De meest karikaturale fragmenten uit Container werden getoond. In dat programma kon je er in feite niet goed uitkomen.

J.C.: Het was een schande hoe Bart en Lieven behandeld werden.

K.B./D.P.: Je krijgt na elke aflevering de kijkcijfers toegespeeld. De eerste aflevering haalde 47.000 kijkers, 19,5% van het totaal aantal kijkers; de vierde, 16.000 kijkers, 10,9% van het totaal aantal kijkers.

J.C.: Bij televisie is er geen publiek. Er blijven soms mensen plakken aan iets, en als ze met velen blijven plakken, dan weet je waar je terechtgekomen bent: bij de rattenvanger van Hamelen. Ik heb nooit in een publiek geloofd. Waar is dat publiek? Als ik daarnaar had moeten luisteren, dan had ik niets verricht in mijn leven.

K.B./D.P.: In 1989 ging VTM van start, twee maanden voor de eerste Container werd uitgezonden. Was dat een issue voor jullie?

J.C.: Ik heb daar weinig van gemerkt. Maar Container was de laatste zucht. Je kon ruiken dat het in de openbare omroep gedaan was.

 

Ceuleers: een nieuwe directeur-generaal

K.B./D.P.: Container 4 is meteen de laatste aflevering waarin het onderwerp van gesprek verband houdt met de actualiteit. Container 5 handelt over Ernest Claes. Gasten zijn Rudi Laermans en Paul Vandenbroeck. Zowel Rudi Laermans als Paul Vandenbroeck keren nog terug als gasten, Rudi Laermans nog eenmaal, Paul Vandenbroeck nog drie keer.

J.C.: Als Paul deelnam, dan gebeurde er meestal iets… Hij had daar een zekere aanleg voor. Ik zeg niet dat hijContainer gered heeft, maar hij had een goede inbreng.

K.B./D.P.: Kende je Paul Vandenbroeck?

J.C.: Ja, ik had in 1987 zijn tentoonstelling gezien in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, Beeld van de andere, vertoog over het zelf. Over wilden en narren, boeren en bedelaars.

K.B./D.P.: Vond jij die tentoonstelling goed?

J.C.: Ja, ik vond dat een van de weinige keren dat er eens iets gebeurde in dat museum.

K.B./D.P.: In Container 5 worden de sprekers op een andere manier voorgesteld. Rudi Laermans wordt nu geïntroduceerd als godsdienstsocioloog en Lieven De Cauter als essayist. Was dat een spelletje om om te gaan met de formattering van de inleiding?

J.C.: Ja, die titels waren een grapje. Er was afgesproken dat men zich niet zou verschuilen achter academische titels. We hebben er lang over gepraat. Het was ook het thema van Openbaar denken, Verschaffels tekst.

K.B./D.P.: Wie heeft het onderwerp – Ernest Claes – aangebracht?

J.C.: Dat was een keuze van Bart.

K.B./D.P.: Wat trok jou in dat onderwerp?

J.C.: Het was voor mij een gelegenheid om even te prikken tegen dat Vlaamse: dat er in een ander milieu een andere lezing was van Claes. Ik was gefascineerd omdat dat onderwerp voor mij lange tijd… verloren was geweest.

K.B./D.P.: Welke onderwerpen wilde jijzelf in Container aan bod brengen?

J.C.: Open Mind, daarover hebben we het al gehad. Alle andere onderwerpen zijn door Bart en Lieven voorgesteld.

K.B./D.P.: Wat vond je van de vijfde Container?

J.C.: Er zaten zeer goede momenten in deze aflevering, maar toen hadden we al alles over ons heen gekregen.Container is vanaf de eerste aflevering aan flarden geschreven.

K.B./D.P.: De generiek van Container vermeldt steeds andere technische medewerkers.

J.C.: Ik heb gewerkt met de technici die bijvoorbeeld het tweede journaal hadden gerealiseerd. Zij kwamen in de studio binnengevallen en een kwartier later waren we op antenne. Het waren de resten van de avond.

K.B./D.P.: Was het niet moeilijk om steeds met andere technici te werken?

J.C.: Dat was geen enkel probleem.

K.B./D.P.: De producer van Container wordt niet vermeld in de generiek, maar in feite was dat Hilda Verboven?

J.C.: Ja, maar ik begrijp niet waarom dat niet vermeld werd. Zij verdedigde Container, zeker in het begin.

K.B./D.P.: Twee weken later staat de zesde aflevering op het programma, De oorsprong van het warenhuis. Een keuze van Lieven De Cauter?

J.C.: Dat is goed mogelijk, gezien zijn studie van het werk van Walter Benjamin, maar ook Rudi Laermans heeft een inbreng gehad. Hij deed op dat moment onderzoek over de geschiedenis van het warenhuis. Ik heb zelf veel aan deze aflevering gehad. Er werd interessant materiaal bij elkaar gebracht.

K.B./D.P.: In de aflevering over het warenhuis neemt naast Rudi Laermans Christine Delhaye deel.

J.C.: Ja, zij was evenals Rudi verbonden aan de faculteit Sociologie van de K.U.Leuven.

K.B./D.P.: Enkele jaren later, in 1993, realiseer je samen met Rudi Laermans de film Voyage à Paris, een onderdeel van het programma Vertoog en Literatuur van Antwerpen 93, samengesteld door Bart Verschaffel.

J.C.: Inderdaad, je mag gerust stellen dat Voyage à Paris er zonder de Container-aflevering over het grootwarenhuis niet was gekomen.

K.B./D.P.: Na deze aflevering, op 21 juni 1989 om precies te zijn, hebben jullie – Lieven De Cauter, Bart Verschaffel, jij en Hilda Verboven – een gesprek met Jan Ceuleers, die net als directeur-generaal Televisie was aangesteld. Was dat gesprek op initiatief van Ceuleers tot stand gekomen?

J.C.: Nee, ik heb Hilda Verboven gevraagd om een gesprek met hem te regelen.

K.B./D.P.: Wat was de inhoud van het gesprek?

J.C.: De stopzetting van Container. Hij wou het programma het liefst stante pede afvoeren.

K.B./D.P.: In het najaar zijn er toch nog drie Container-afleveringen uitgezonden?

J.C.: Ja, ik wou per se tien afleveringen realiseren. Weet je hoe ik dat heb aangepakt?

K.B./D.P.: Eh… nee.

J.C.: In juni 1989 waren er verkiezingen voor het Europees Parlement. In de BRT was er de traditionele verkiezingsshow en ik heb ervoor gezorgd dat een aantal politici, onder wie Stefaan De Clerck, aan Ceuleers gevraagd hebben om de container van dichterbij te mogen bekijken. Sommige signalen werken, andere niet. Ceuleers had het signaal in ieder geval goed begrepen. Twijfel er niet aan dat televisie nog altijd gelijkstaat aan politiek.

K.B./D.P.: Je beoogde tien afleveringen en die heb je ook gekregen.

J.C.: Ik wist ook dat het gedaan zou zijn na die drie bijkomende uitzendingen. Uiteraard was het de bedoeling om er veel meer af te dwingen, maar dat was niet haalbaar. Het stopzetten van Container was voor Ceuleers ook belangrijk om zijn voorganger, Bert Hermans, een hak te zetten.

K.B./D.P.: Bert Hermans had het programma, inclusief de bouw van de container, voluit gesteund.

J.C.: Hermans steunde in de eerste plaats Hilda Verboven. Mij was hij niet bijzonder genegen.

K.B./D.P.: Het gerucht gaat dat Hermans en Verboven een relatie hadden.

J.C.: Daar geef ik geen commentaar op.

K.B./D.P.: De daaropvolgende aflevering, Container 7, draagt de titel van een tekst van Bart Verschaffel: Over theatraliteit. Deze tekst had Verschaffel eerder dat jaar gebracht voor de Contactgroep Semiotiek en Sociale wetenschappen van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.

J.C.: Bart heeft voor deze aflevering inderdaad als trekker gefungeerd.

K.B./D.P.: Aanvankelijk was het de bedoeling om het te hebben over ‘de man voor het venster’, een verwijzing naar Maurice Gilliams en Henri De Braekeleer. Waarom is dat niet doorgegaan? Je zou denken dat Bart Verschaffel veel materiaal over dat thema heeft.

J.C.: Waarom dat niet is doorgegaan? Dat weet ik niet meer. We hebben dat thema in ieder geval jaren later wel uitgewerkt in The Music Box, een film over Henri De Braekeleer, James Ensor, René Magritte en Jan Vercruysse.

K.B./D.P.: In Over theatraliteit zijn Klaas Tindemans en Paul Vandenbroeck te gast.

J.C.: Ik kende Klaas vanuit de opera. Na De langste dag heb ik zes maanden in De Munt rondgehangen, waar hij toen werkzaam was.

K.B./D.P.: Voor een BRT-project?

J.C.: Ja, Gerard Mortier was Chambres d’amis en Initiatief 86 niet ontgaan. Hij wilde een project over hedendaagse kunst opzetten in De Munt. Het is echter nooit van de grond gekomen, alhoewel tal van kunstenaars zoals James Coleman, Dan Graham, Daniel Buren en anderen voorstellen hadden ingediend.

K.B./D.P.: In Container 7 worden fragmenten getoond uit Landschap van kerken, een andere film van jou, die eerder in 1989 was uitgezonden.

J.C.: Ja, de Carolus Borromeus in Antwerpen, de kerk met een façade die als een gigantisch decor functioneert.

K.B./D.P.: Ook het vuurwerk op het St-Pietersplein in Gent naar aanleiding van de opening van Chambres d’amis en Initiatief 86 wordt getoond, evenwel op een zeer pejoratieve wijze: het gaat over spectacularisering.

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: Na de eerste reeks van zeven Containers, in juli 1989, is er een evaluatiebijeenkomst geweest. Dat blijkt tenminste uit een document uit het VRT-archief.

J.C.: Daar herinner ik me niets van.

K.B./D.P.: Het is een bijzonder kritisch stuk: “Niemand weet dat het rechtstreeks is; het is geen echt gesprek (want afgebakend, voorbereid, getimed); de container is niet autonoom en niet mobiel. Dus: Container is fake, komt zijn eigen definitie niet na.” Over jouw inbreng wordt gezegd: “JC, hij filmt Container als architectuur, hij kijkt naar een tableau vivant van de Emmaüsgangers, hij zit niet in het gesprek.”

J.C.: Die tafel, de Emmaüsgangers, dat ligt nogal voor de hand.

K.B./D.P.: Over Lieven De Cauter staat er: “Speelt zodanig veel gespreksleider dat hij weinig tijd heeft om dingen te formuleren.” En over Bart Verschaffel: “Denkt niet aan het programma, maar aan wat hij per se gezegd wil krijgen, veilige, ook wel bewonderenswaardige positie. Of het verkoopt of niet doet er niet toe. Concurrentie tussen de twee?!.”

J.C.: Ik weet dat we veel aan tafel zaten, de dag na elke aflevering. Misschien is dat document een samenvatting van een evaluatiegesprek.

K.B./D.P.: Het is een correcte observatie dat Verschaffel en De Cauter met elkaar wedijveren. Het is soms bijzonder pijnlijk, zoals op het einde van de eerste aflevering.

J.C.: Bart en Lieven hadden andere doelstellingen en methodes, dat kan je wel zeggen.

K.B./D.P.: In die periode verschijnen ook de eerste steunbetuigingen in de Vlaamse pers, vooral in De Morgen. De eerste bijdrage is van Mark Verminck op 21 juni. Op 1 juli publiceert De Morgen de open brief van Jan Hoet waarin hij zijn waardering uitspreekt voor Container. Op 28 juli is er een lezersbrief van Hendrik Van Geel. Op 14 augustus pleit Pol Hoste vóór Container, maar niet zonder bijzonder kritisch uit te halen naar Verschaffel en De Cauter: “Misschien maakt het wedstrijdkarakter van televisie hun optreden zo onmogelijk? Alsof men enkel zijn haar kan kammen in een spiegel. Ik word er niet goed van. […] Haal de container uit de studio’s, laat hem tijdens de prospectie functioneren als rijdende kantoorruimte, tijdens de uitzending als mobiele studio, hou hem niet onder de mentale controle van Verschaffel en De Cauter.”

J.C.: Met Pol Hoste had ik intens samengewerkt ten tijde van IJsbreker. Het is duidelijk dat hij Container liever in de richting van IJsbreker wilde zien evolueren.

K.B./D.P.: Waren die steunbetuigingen georkestreerd?

J.C.: Ik wilde een debat openen over kunst, televisie en intellectualiteit. Uiteraard heb ik er alles aan gedaan opdat er ook andere stemmen aan bod zouden komen. Ik heb onder de grond altijd voor genoeg beweging gezorgd.

K.B./D.P.: In de pers word jij nooit geïnterpelleerd.

J.C.: Ik had een lesje geleerd op het einde van de jaren ’60, meer bepaald in Humo, naar aanleiding van de televisietrilogie Waarover men niet spreekt. Ik had geleerd dat je moet zwijgen in een land waar er geen mogelijkheid is tot debat.

 

De Containerdag

K.B./D.P.: Container verhuist na de zomer naar TVTWEE, het tweede net van de openbare omroep. Container 8gaat over de figuur van Don Juan. Gasten zijn Paul Vandenbroeck en Monique Hageman, psychoanalytica.

J.C.: Ik was heel tevreden over die aflevering. Paul Vandenbroeck en Bart Verschaffel waren in zeer goede doen.

K.B./D.P.: Alle sprekers zijn goed op dreef. Telkens als iemand het woord neemt, verschuift het perspectief op het onderwerp.

J.C.: Ja. Als je de achtste uitzending vergelijkt met de eerste, dan voel je dat zij gegroeid zijn.

K.B./D.P.: Deze aflevering is misschien wel de beste, beter alleszins dan Container 9 over roes, met Paul De Vylder en Peter Aerts, en Container 10 over exotisme, met Paul Vandenbroeck en Eddy Stols.

J.C.: Het was een liveprogramma. Je wist nooit op voorhand hoe de sprekers met het thema en met elkaar aan de slag zouden gaan.

K.B./D.P.: Vlak voor de achtste aflevering vindt er op 29 augustus een opmerkelijk evenement plaats in de openbare omroep, namelijk de Containerdag. Wie had daartoe het initiatief genomen?

J.C.: Ikzelf. Bart en Lieven zouden dat niet gedaan hebben.

K.B./D.P.: Wat was de bedoeling van de Containerdag?

J.C.: Ik wilde een aantal mensen samenbrengen om druk uit te oefenen op de directie om door te gaan metContainer. Ik vroeg Georges Adé om de vergadering voor te zitten.

K.B./D.P.: Je wist reeds in juni dat Container zou worden afgevoerd. Waarom heb je dan nog die dag georganiseerd?

J.C.: Ik wilde nagaan of er toch nog iets mogelijk was. Wanneer geef je je over? Je moet blijven proberen.

K.B./D.P.: Tot de genodigden horen alle gastsprekers van Container en daarnaast opiniemakers zoals Jozef Deleu, Frank Hellemans, Marijke Libert, Marc Reynebeau, Mark Schaevers en Johan Thielemans. Wisten zij datContainer na 10 afleveringen zou worden stopgezet?

J.C.: Nee, als ik dat gezegd zou hebben, dan was er niemand komen opdagen. Ik wilde nog iets forceren.

K.B./D.P.: Achteraf stond Georges Adé ook in voor het verslag dat hij stuurde naar Jan Ceuleers, directeur-generaal Televisie, en Cas Goossens, administrateur-generaal van de BRT. Hij had een originele formule gevonden. Aan elke deelnemer had hij gevraagd om “op te schrijven wat U zich herinnert gezegd te hebben, en, gebeurlijk, wat anderen gezegd hebben”. De bundel met reacties is bijzonder lezenswaardig. Bert Beyens schrijft bijvoorbeeld: “Container: jonge snaken komen ongewenst, ongevraagd, on-voorgesteld in de huiskamer. Even stopt het ‘ge-leidende’ werk van televisie en daar vallen we midden in de problemen. Waarom? Omdat dit een omkering betekent. De mogelijkheid dat televisie een panoptisch (controle-)oog is, wordt pas gevoeld wanneer de kijker NIET aangesproken en aangekeken wordt.” Ook Marc Holthof formuleert interessante gedachten.

J.C.: Marc Holthof heeft bovendien een belangrijke tekst geschreven over Container in Andere Sinema.

K.B./D.P.: De bundel met reacties komt terecht bij Ceuleers en Goossens. Ceuleers antwoordt Adé op 5 september 1989: “Ik wacht nu de volgende drie uitzendingen af. Er zal dan zeker niet kunnen worden beweerd dat het programma geen behoorlijke kans heeft gekregen.”

J.C.: Zolang heeft hij niet gewacht. Minder dan tien dagen later, na de uitzending over Don Juan, meldt hij Hilda Verboven dat er niet meer dan tien afleveringen zullen worden uitgezonden.

K.B./D.P.: Het komt op dat moment ook tot een schriftelijke schermutseling tussen Marc Reynebeau en Georges Adé. Adé had zijn verslag als volgt beëindigd: “Laten we niet vergeten dat voor een significant deel van de bevolking van Vlaanderen ‘echte intellectuelen’ eruitzien als Gerard Bodifée, Marc Reynebeau en Herman Van Rompuy (intellectuelen van dienst, of ‘token negros’), en dat voor dezelfde lui het weekbladHumoradio een subversieve publicatie voorstelt.” Reynebeau reageert gepikeerd: “Het zou van een minimum aan intellectuele zindelijkheid getuigen mocht je eens met een begin van een argument komen aanzetten, in plaats van je zo te laten kennen.”

J.C.: Het enige wat ik daarop kan zeggen, is dat ik de heer Reynebeau nog niet zo lang geleden op de televisie in een bubbelbad heb zien zitten met een aantal juffrouwen.

 

De container rijdt!

K.B./D.P.: Opmerkelijk zijn de gebeurtenissen die volgen op Ceuleers’ beslissing. Op de dag dat Ceuleers zijn besluit bekendmaakt, op 14 september 1989, vertrekt er uit de openbare omroep een brief van jou naar Geert Versluys, de aannemer van de container. De brief omvat een lange lijst van te verrichten werkzaamheden aan de container en aan de trailer.

J.C.: Het was contractueel bepaald dat de container volledig afgewerkt moest worden.

K.B./D.P.: Was dat enkel een contractuele aangelegenheid? Het is toch opvallend dat je die brief verstuurt op de dag dat Ceuleers het programma definitief annuleert. Precies op dat moment vraag je Versluys om de container tot in de puntjes af te werken.

J.C.: Versluys was ook nog niet volledig betaald. Die betaling kon pas plaatsvinden als de container volledig klaar was.

K.B./D.P.: Jef, de aannemer, Versluys, rekent voor een aantal ingrepen bijkomende kosten aan, wellicht omdat ze niet in het lastenboek stonden. Het gaat dus over het optimaliseren in plaats van over het finaliseren van de werkzaamheden.

J.C.: Ik werkte de container af omdat het niet anders kon.

K.B./D.P.: Of omdat jij niet anders wou?

J.C.: Misschien. De container is voor de eerste keer als voltooid object getoond in deSingel, naar aanleiding van de eerste retrospectieve van Stéphane Beel.

K.B./D.P.: Die tentoonstelling ging op 13 oktober open, acht dagen nadat de laatste aflevering, de Containerover exotisme, was uitgezonden. De mobiele studio – de container op de trailer – was dus af op het moment dat Container voor het laatst was uitgezonden.

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: Je hebt in die dagen werkelijk alles uit de kast gehaald om de container te voltooien en het programma te redden. Het programma zelf sterft een waardige dood. Nadat Bart Verschaffel in Container 10heeft gezegd: “Heren, het is tijd!” volgt er een pancarte met een citaat van Blaise Pascal: “Onze gehele waardigheid berust op het denken. Daarop moeten wij steunen, en niet op de ruimte of de tijd, die we toch niet kunnen vullen. Laten we dus trachten goed te denken: ziehier het uitgangspunt van de moraal.”

J.C.: Dat citaat van Pascal was een voorstel van Bart.

K.B./D.P.: Welke andere onderwerpen hadden jullie nog aan bod willen brengen in Container?

J.C.: Er waren tal van lijsten met mogelijke onderwerpen. Van Blaise Pascal tot cartografie, van Marcel Broodthaers tot ontworteling.

K.B./D.P.: Van de thema’s die je nu noemt zijn er enkele teruggekeerd in Vertoog en Literatuur, het cahierproject dat Bart Verschaffel voor Antwerpen 93 samenstelde.

J.C.: Ja, en hij vroeg mij om een film over Antwerpen te maken. Ik wilde evenwel een project opzetten over Parijs; ik vroeg Rudi Laermans om een scenario te schrijven. Het resultaat was Voyage à Paris.

K.B./D.P.: Het Vertoog en Literatuur-project is dus voor een stuk geënt op Container?

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: Ook Vertoog en Literatuur was enorm gecontesteerd.

J.C.: En net als Container zijn ook de Cahiers inmiddels versnipperd. In minder dan vijf jaar tijd is Bart Verschaffel betrokken bij de twee grootste stormen in cultureel Vlaanderen.

K.B./D.P.: Wat is er daarna met de mobiele studio gebeurd?

J.C.: In de BRT heeft men er nog een aantal keren gebruik van gemaakt, maar men kon er geen weg mee. De trailer en de container zijn verkocht, aan een Oostendenaar, voor een appel en een ei. Via een omweg is de studio daarna beland bij een privé-verzamelaar, die de container in zijn tuin heeft opgesteld.

K.B./D.P.: Wat heb jij gedaan na Container?

J.C.: Wat denk je? Ik was persona non grata in de openbare omroep. Gelukkig kreeg ik steun uit onverwachte hoek. Annie Declerck vroeg me om een aantal items te realiseren voor haar cultureel programma Verwant. Ik stelde voor om het video-oeuvre van Lili Dujourie te presenteren. Daarnaast bracht ik ook een interview met Jan Vercruysse. Het belangrijkste project dat op Container volgde, was evenwel de film Dames en heren Jan Fabre die ik in 1990 realiseerde met Annie Declerck en Bart Verschaffel. Ikzelf zou niet meteen een film over Jan Fabre hebben voorgesteld – niet dat ik negatief stond tegenover zijn werk – maar de vraag van Annie Declerck kwam voor mij en Bart op het juiste moment.

K.B./D.P.: Lieven en Bart hebben nadien een opiniestuk geschreven in Knack. Ze hebben ook elk een tekst geschreven over hun Container-ervaringen. In Knack schrijven ze: “Container is geruisloos afgevoerd, na een ‘petite histoire’ die méér vertelt over ‘le pouvoir intellectuel en Flandre’ dan één of ander gezelschapsspel.” Het is een verwijzing naar een enquête van het links-progressieve blad De Nieuwe Maand, gestart in juni 1989. Het tijdschrift wou nagaan “wie vandaag de vijf meest toonaangevende intellectuelen waren in Vlaanderen”.

J.C.: Pol Hoste had me daar eerder van op de hoogte gebracht. Het was een initiatief van Brigitte Raskin en Mark Schaevers, beiden hoofdredacteuren bij De Nieuwe Maand. Schaevers was ook redacteur bij Humo.

K.B./D.P.: 1989 kan achteraf misschien worden beschouwd als een scharnierjaar: start van VTM en definitieve verpopping van socialisme in populisme. Hoe kwam zo’n blad als De Nieuwe Maand op het idee om vijfhonderd intellectuelen te vragen om de vijf meest toonaangevende intellectuelen te kronen?

J.C.: Voeg daar nog aan toe dat de gortigste kritiek op Container precies in De Nieuwe Maand is verschenen. Johan De Vos rekende het programma ondere andere af met verwijzing naar de fysieke eigenschappen van Bart en Lieven. Walgelijk.

K.B./D.P.: Ook nu nog wordt Container voortdurend opgevoerd als het absolute dieptepunt in vijftig jaar televisie.

J.C.: Het beste bewijs dat Container impact heeft gehad, zij het een andere dan ik voorzien en gewenst had.

Een verzameling tentoonstellingen

Koen Brams/Dirk PültauHet Mamco, Musée d’art moderne et contemporain, is een particuliere instelling en jij bent de eerste directeur… Hoe is het Mamco tot stand gekomen?

Christian Bernard: In 1973 werd een vereniging opgericht die zich sterk wilde maken voor een museum, dat toen nog Musée d’art moderne zou gaan heten. Deze vereniging overtuigde de stad Genève het gebouw aan te kopen waarin het museum nu is gevestigd. Het gebouw, een voormalige fabriek, werd in 1989 aangekocht naar het voorbeeld van de Hallen für neue Kunst in Schaffhausen. Daarna, in de periode van 1989 tot 1991, had Genève met financiële tegenslagen te kampen, en droeg het gebouw toen simpelweg over aan die particuliere vereniging zonder daarnaast meer dan marginale materiële ondersteuning te bieden. Op dat moment, in 1991, werd ik aangesteld om het concept van het museum te ontwikkelen en de algemene leiding van het project op te nemen. In 1994 is het museum opengegaan. Sinds een kleine drie jaar bestaat er een nieuwe, publieke stichting, waarin de stad, het kanton en de oorspronkelijke stichting zich hebben verenigd om het voortbestaan van het museum te waarborgen. Maar de particuliere stichting brengt nog steeds meer financiële middelen in dan de stad en het kanton en stuurt aldus de publieke stichting aan.

K.B./D.P.: Wat heb je gedaan voordat je directeur werd van het Mamco?

C.B.: Van 1986 tot 1994 heb ik de leiding gehad over de Villa Arson in Nice. Van 1982 tot eind 1985 was ik bij het Franse Ministerie van Cultuur verantwoordelijk voor de beeldende kunsten in de regio Rhône-Alpes. En daarvoor was ik docent filosofie in de Elzas, in Straatsburg.

K.B./D.P.: Hoe zou je het museale concept van het Mamco omschrijven?

C.B.: Het Mamco beschikt over meer dan vijfentwintig monografische ensembles die allemaal steeds opnieuw kunnen worden opgesteld en getransformeerd. De nadruk ligt immers op het proces. De collectie is voor ons altijd ondergeschikt aan de invulling van het museum – aan het maken van tentoonstellingen. De tentoonstellingen betreffen zowel presentaties van de vaste collectie als tijdelijke exposities. Beide hebben overigens geen eigen vaste plek. Ik heb veel nagedacht over de denkbeeldige, gefantaseerde of mythologische structuur van het museum, over het museum als een discursief proces in de ruimte en de tijd, en over bestaande mnemotechnische modellen: de theaters van het geheugen. Dit concept, dat in de jaren ’70 actueel was, heeft een belangrijke rol gespeeld in de literatuur, de filosofie en de beeldende kunst, maar is – denk ik – nooit toegepast op de schaal van het museum. Elke zaal heeft een eigen naam. De meeste namen zijn door mij bedacht, sommige zijn aangedragen door kunstenaars, zoals bijvoorbeeld Martin Kippenberger, die Passage des problèmes solubles en Galerie des problèmes résolus heeft voorgesteld. Bij de ingang van elke zaal hangt een display waarop de staat is aangegeven, bijvoorbeeld 21ste, 3de of 12de staat. Als je een zaal binnengaat, weet je hoe vaak deze sinds de opening van het museum is gewijzigd. Elke zaal heeft haar eigen naam en identiteit, en is verbonden aan een kunstenaar en een bepaalde thematiek: Kabinet van de abstractenAfdeling van depilaarheiligen… De zalen zijn niet gebonden aan een vaste plek, maar behouden hun kenmerkende naam en geheugen. De naamgeving brengt structuur aan in de waarneming en het geheugen van het museum.

K.B./D.P.: De zalen vallen niet per se samen met fysieke ruimten in het museum? Het is dus mogelijk dat er meer ‘denkbeeldige’ zalen bestaan dan er in werkelijkheid in het gebouw van het Mamco zijn?

C.B.: Uiteraard bestaan er meer zalen dan er in werkelijkheid zijn, want er zijn zalen die worden afgebroken en die we weer kunnen opbouwen. We hebben bijvoorbeeld een zaal van Stanley Brouwn, met door Stanley Brouwn bepaalde afmetingen, die we opbouwen of afbreken, die we steeds weer ergens kunnen invoegen.

K.B./D.P.: Hoeveel zalen zijn er dan?

C.B.: Er zijn wel zeventig verschillende ruimten geweest; op dit moment zijn het er wat minder, zo’n zestig denk ik. Elke zaal, elke tentoonstelling, elke reeks tentoonstellingen, elke cyclus krijgt een titel – waardoor de benamingen over elkaar schuiven en dwarsverbanden ontstaan. Het gebruik van taal is heel belangrijk voor ons trouwe publiek, dat meer dan een derde uitmaakt van de 35.000 bezoekers die het Mamco jaarlijks verwelkomt, dat wil zeggen 10.000 mensen die minstens driemaal per jaar het museum bezoeken. Deze mensen zijn vertrouwd met het museum en de namen van de zalen en dat helpt ze weer om structuur aan te brengen in hun herinneringen aan de werken.

K.B./D.P.: Het aankopen is niet het belangrijkste, wel het tentoonstellen van de kunstwerken.

C.B.: Precies. We hebben uiteraard werken aangekocht, zo’n 1350. Maar de bedoeling is niet om een schatkamer aan te leggen, maar om zoveel mogelijk sporen te bewaren van wat we hebben gedaan. Het komt zelden voor dat we iets aankopen dat we niet exposeren.

K.B./D.P.: Zijn er ook zalen die verdwijnen? Bijvoorbeeld als werken die door een verzamelaar in bruikleen zijn gegeven, worden teruggenomen?

C.B.: Ja, natuurlijk. Het gebeurt ook dat zalen zeer lange tijd in depot worden bewaard. Alle zalen kunnen evenwel opnieuw worden opgebouwd. Fabrice Gygi kwam bijvoorbeeld met een voorstel voor een expositie waarbij hij de hele oppervlakte van de eerste verdieping nodig had, dus hebben we de twintig zalen op die verdieping heel zorgvuldig afgebroken met het idee dat we ze weer gingen opbouwen. Maar daarna maakte Mike Nelson op die verdieping een installatie, een betonnen eiland waarop je kon rondlopen, en vervolgens maakte Vincent Lamouroux, een jonge Franse kunstenaar, een heel mooi werk dat 134 meter lang was en de hele omtrek van de ruimte omspande.

K.B./D.P.: De kunstenaar roept een nieuwe type ruimte in het leven?

C.B.: Ja, maar in dit geval dreigde het een gimmick te worden. Iedereen wilde plots een groot werk maken voor die grote zaal, zoals in de hal van de Tate Modern. Het oorspronkelijk idee was inderdaad om de zalen weg te halen omdat er een specifiek project was, maar als we projecten gaan opzetten omdat er een heel grote zaal is, dan worden de dingen op hun kop gezet. Dan wordt de kunst te veel bepaald door de ruimte en dat is gevaarlijk. We hebben de zalen weer opgebouwd, maar nu totaal anders.

K.B./D.P.: Je sprak daarnet over monografische ensembles; het museum kiest voor een heel sterk monografische invalshoek…

C.B.: Inderdaad, een van de oorspronkelijke uitgangspunten was om de nadruk te leggen op het monografische. Dit principe gaat terug op een interpretatie van de geschiedenis van het museum vanaf de 19deeeuw, van de tegenstellingen tussen kunstenaars en het museum, en op de geschiedenis van wat je de ‘monografische utopie’ zou kunnen noemen, zoals deze bijvoorbeeld geïncarneerd wordt door Gustave Moreau en in de loop van de 20ste eeuw telkens weer opleeft, om ten slotte getheoretiseerd te worden door Donald Judd.

K.B./D.P.: En jij beslist over de invulling van deze monografische zalen? Hoe gaat dat in zijn werk?

C.B.: Ik vond het heel belangrijk het museum te stoelen op monografische verzamelingen van sterk uiteenlopende aard. Sommige monografische verzamelingen of ruimten zijn in opdracht door de kunstenaar gemaakt en in onderling overleg vormgegeven, soms naar aanleiding van een heel specifieke vraag. Zo heb ik bijvoorbeeld aan verschillende kunstenaars gevraagd wat voor hen de ideale laatste zaal zou zijn: welk beeld zouden ze van hun oeuvre willen geven als ze wisten dat hun dood nabij was? Op deze vraag – ‘Welke keuze maak ik met de dood voor ogen?’ – zijn verschillende antwoorden gegeven. De ‘laatste zaal’ van Franz Erhard Walther is heel interessant, want er zijn hoofdzakelijk werken uit de periode van 1961 tot 1972-73 in bijeengebracht. Eigenlijk komt het er dus op neer dat de kern van zijn geschiedenis als kunstenaar in de eerste twaalf jaren ligt en dat alles wat daarna komt daar alleen nog maar een afgeleide van is. Bij Philippe Thomas ging het letterlijk om de laatste zaal: hij leed aan aids en had niet lang meer te leven. Philippe Thomas heeft de zaal ingericht als zijn laatste werk. Het is zijn laatste gebaar als kunstenaar. Ondertussen dachten wij er samen over na hoe we deze plek na zijn dood konden laten voortbestaan. Ik heb dus een aantal aanwijzingen gekregen waarmee ik ervoor kan zorgen dat de ruimte zich blijft ontwikkelen en niet op fetisjistische wijze hoeft te verstarren. Het antwoord van Claude Rutault was daarentegen om een werk te presenteren, een ‘inventaris’ die al zijn werk bijeenbrengt. Hier hebben we het echt over de ideale zaal, want ze bevat zijn hele oeuvre, in een potentiële en symbolische vorm, en ze zou zich over het hele museum kunnen uitbreiden. Een ander antwoord op de vraag naar de laatste zaal was de grafkelder van Claudio Parmiggiani, een werk dat in het museum een beetje weggestopt is en volstrekt niet binnen zijn oeuvre past.

K.B./D.P.: Draag jij steeds het scenario aan, zoals bij ‘de laatste zaal’?

C.B.: Er zijn nog andere soorten monografische ruimten. Allereerst is er het Büro Kippenberger. Hier was het uitgangspunt dat Martin Kippenberger de programmering van zijn zaal verzorgde. Een paar jaar lang hebben er dus alleen kunstenaars geëxposeerd die Martin Kippenberger tijdens zijn leven onder onze aandacht heeft gebracht, een hele reeks jonge kunstenaars en geestverwanten… Zo’n zes à zeven tentoonstellingen hebben we samen gemaakt, onder andere van Michael Krebber, Michel Würthle, Chéri Samba of diens broer Cheik Ledy, die aan aids is overleden. Daarna exposeerden we een aantal hedendaagse Afrikaanse kunstenaars van wie hij sommigen kende. Na zijn dood zijn we nog twee jaar lang exposities blijven maken die hij had voorgesteld.

K.B./D.P.: Hebben nog andere kunstenaars bijgedragen aan de programmering van de zalen?

C.B.: Het uitbesteden van de programmering, dat was met Martin Kippenberger. Met John M Armleder was het een ander verhaal. Hij stelde allereerst drie aansluitende exposities voor waarin werken van hemzelf, Olivier Mosset en Sylvie Fleury werden samengebracht. In de eerste hebben we toen drie tentoonstellingen gereconstrueerd die zij samen hadden gemaakt, per zaal een tentoonstelling. De tweede expositie verenigde opnieuw deze drie kunstenaars, waarbij het uitgangspunt was om een statement te maken. Er waren alleen maar werken van een meter bij een meter: de zwarte cirkel op wit vierkant van Mosset, de druipdoeken van John Armleder en doeken bedekt met pluche van Sylvie Fleury. Aan de wanden van de drie zalen werd steeds hetzelfde drieluik getoond. De twaalf wanden toonden twaalf keer hetzelfde werk getiteld AMF3. Een ander voorstel voor een expositie, dat overigens al vaak door John Armleder is gedaan, is om zoveel mogelijk voorwerpen bijeen te brengen die naar kunstenaars verwijzen, bijvoorbeeld een berg vet naar Beuys of een berg mosselen naar Broodthaers… In een andere zaal waren monitoren opgesteld waarop telkens een ander werk werd getoond dat op hetzelfde moment elders in het museum te zien was. Hij stelde ook voor een zaal helemaal roze te schilderen met groene stippen erop, op regelmatige afstand van elkaar. Vervolgens dienden zoveel mogelijk doeken te worden opgehangen waarop een punt, ronde vlek of cirkel was afgebeeld. Ik heb toen tussen de twintig en vijfentwintig doeken bijeengebracht die als ‘dubbelbeeld’ op de wand werden gehangen. Die expositie heette Don’t do it en de daaropvolgende, nog steeds in het kader van de volmacht die ik aan John had gegeven, heette Ne dites pas non, waarbij werken uit de collectie aan hem werden voorgesteld. In alle zalen hing hij zijn keuze uit de zeer gevarieerde museumcollectie. De accrochage was haast geometrisch, het was een soort geometrisch wolkenpatroon. Vervolgens vroeg hij om nieuwe meubels van het type middle-class design. Hij maakte composities met deze meubels die leken op de accrochages van de werken die aan de wand hingen. Je kon de zalen nauwelijks betreden want de vloer was volledig gevuld met het samengebrachte en opeengehoopte meubilair, samen met hier en daar nog enkele sculpturen. Het was heel geslaagd, echt heel sterk. Op die manier hebben we met John samengewerkt. Maar op een zeker moment was hij de druk een beetje beu. We zijn met hem blijven werken, zij het op een minder regelmatige basis.

K.B./D.P.: Het museum huisvest ook ateliers…

C.B.: Ja, die ateliers zijn voor ons belangrijk. De zaal van Sarkis is echt een atelier, een plek waar hij regelmatig komt werken. Het is ook altijd een gelegenheid om het publiek te ontmoeten. Het atelier van Gérard Collin-Thiébaut is gelijkaardig: het is voortdurend in ontwikkeling. We hebben een overeenkomst dat het zich zo lang als mogelijk en wenselijk blijft ontwikkelen.

K.B./D.P.: Gebeurt het wel eens dat een samenwerking met een kunstenaar abrupt wordt beëindigd?

C.B.: Wanneer we met een kunstenaar werken, nemen we per definitie aan dat de samenwerking wordt voortgezet, tenzij we ruzie krijgen – wat maar zelden voorkomt. Dat relativeert de inzet van de expositie ook. Ik hecht daar veel waarde aan, want ik geloof dat het ruimte laat voor een minder calculerend, soepeler, ontvankelijker perspectief. Natuurlijk zijn er kunstenaars met wie ik niet meer wil werken. Ik herinner me dat ik me had voorgenomen nooit meer met Hubert Duprat samen te werken, zo’n onplezierige ervaring was dat geweest. Maar op een zeker moment dacht ik dat de tijd rijp was om de samenwerking te hervatten en de tweede keer is alles heel goed verlopen. Exposities die me niet bevallen, vergeet ik simpelweg. Ik vind dat ik moet staan voor wat ik doe en voor de kunstenaars die ik uitnodig, ook als ik niet voor de volle honderd procent overtuigd ben van wat ze hebben gemaakt. Wanneer je helemaal opgaat in het werkproces, maak je je niet druk over die hiërarchische ordening van successen en mislukkingen, omdat de empathie je noodzakelijkerwijs tot een liefhebber maakt. Overigens zet ik me ook af tegen het idee van de kunstenaar als winnaar. Op het ogenblik presenteren we het werk van Bujar Marika, een Albanese kunstenaar van drieënzestig jaar die binnen het huidige systeem een loser is. Wie interesseert zich nog voor hem? Toch heb ik een grote genegenheid en een diep respect voor de man en zijn werk. Veel mensen vragen zich af waarom ik zijn tentoonstelling programmeer, maar dat laat me koud. Als een museum zoals het Mamco, dat zeker niet als toonaangevend wordt beschouwd, zijn werk niet exposeert, dan doet niemand het. Sommige werken van deze kunstenaar vind ik zeer geslaagd, ook al komen ze niet op het goede moment, zijn ze modernistisch en postconceptueel. Uiteraard onttrekken ze zich aan het raderwerk van de geschiedenis maar ik vind het de moeite waard om kunstenaars te tonen van wie je niet weet of ze enige toekomst hebben. Soms hebben ze het wel en soms ook niet.

K.B./D.P.: Gebeurt het ook dat een samenwerking met een kunstenaar mislukt als gevolg van de manier waarop het museum te werk gaat?

C.B.: Ja, maar soms hebben we dat niet meteen door. De manier waarop de kunstenaar kunstenaar is, zijn praktijk en zijn werk opvat, moeten wij respecteren. Maar tegelijkertijd moeten we iemand gaandeweg bijbrengen hoe wij hier werken. Voor sommigen is dat heel snel duidelijk en voor anderen minder snel, omdat ze zich anders ontwikkelen, met andere probleemstellingen bezig zijn. Niet alle kunstenaars verhouden zich ook op dezelfde manier tot het idee van het instituut. Daarnaast wil ik niet werken met een kunstenaar voor wie een galerie als bemiddelaar optreedt. Galeries moeten geen onderhandelaar maar een partner zijn. Je hebt kunstenaars bij wie de druk vanuit de media en de professionele wereld zo groot is dat ze alleen maar via een galerie te bereiken zijn. In dat geval werken wij niet met hen samen.

K.B./D.P.: Het komt regelmatig voor dat jullie dezelfde expositie opnieuw programmeren. Met welk doel?

C.B.: Het is van belang onze tentoonstellingsscenario’s te herhalen. In de podiumkunsten worden voortdurend dezelfde stukken heropgevoerd, in een andere mise-en-scène enzovoort. De tragedie van de tentoonstelling is dat ze praktisch nooit opnieuw wordt gepresenteerd. Om te beginnen is het een geschiedenis die niet is onderzocht, of heel slecht, en waarover we weinig weten. Het zal zo’n vijfentwintig jaar geleden zijn dat men zich werkelijk voor de geschiedenis van de expositie begon te interesseren, het is echt een zwart gat in de kunstgeschiedenis. Het idee van de ‘heropvoering’ zoals wij dat regelmatig in de praktijk proberen te brengen – niet louter in historiografische, maar ook in artistieke zin – is voor zover ik weet uniek. Wanneer Mike KelleyThe Uncanny opnieuw inricht, is dat eenmalig; bij ons gebeurt het veelvuldig – niet systematisch maar wel veelvuldig. We borduren ook verder op het idee dat je in een museum altijd met fantomen te maken hebt. Wanneer aan een wand een werk wordt opgehangen, komt dat bovenop alle andere die het zijn voorgegaan. Deze fantomen zijn niet alleen de mijne, ze zijn het ook voor ons publiek, de mensen die het museum driemaal per jaar bezoeken. Die weten dat op die plek een bepaald werk heeft gehangen, van die en die kunstenaar, en wanneer ze een zaal betreden, willen ze zien wat dat met het nieuwe werk doet… We zijn steeds in staat in ons geheugen een vergelijking te maken. Vandaar de rol die de taal, de benoeming van de zalen speelt, vandaar ook de kunstenaars die terugkeren.

K.B./D.P.: Wat ons ook opvalt, is dat er veel ‘dense’ zalen zijn. In de zaal met de multipels van Armleder kan je makkelijk een uur vertoeven!

C.B.: Ja, verzadiging is een andere, veel door ons toegepaste methode, die ook samenhangt met de wens om de kunst te onttoveren, te desacraliseren. Verzadiging verveelvoudigt de meerduidige verbanden. Het kunstwerk wordt niet als meesterwerk te kijk gezet. Het gebeurt maar heel zelden dat we zalen als een white cube inrichten. Ik heb de ruimten trouwens zo ontworpen dat het lichaam van de bezoeker heel dichtbij het werk is. Dit is geen museum voor de massa, het is eerder te vergelijken met een huiselijke dan met een publieke ruimte. Ik hecht veel belang aan deze zeer intieme verhouding tot de kunstwerken en de grote nabijheid tussen de werken onderling. Ik heb trouwens herhaaldelijk exposities en accrochages van een grote dichtheid gemaakt. Bijvoorbeeld hebben we voor het platform van sculpturen een serie uitgewerkt met als titelHellzapoppin, naar de gelijknamige knotsgekke film. Het plan was om sculpturen of ruimtelijke voorwerpen uit de periode 1963-2000 bij elkaar te zetten, gerangschikt zoals een conservator het volgens ons over vijftig jaar zou doen. Dat wil zeggen, zoals iemand die veel meer oog heeft voor de verwantschappen dan voor de verschillen. In het heden breng je verschil aan om te begrijpen, probeer je te onderscheiden en te ontdekken wat specifiek is. De tijdgeest is een vernislaag die de dingen langzaam bedekt en op een gegeven moment iets over een bepaalde tijd zegt. Wanneer we kijken naar de schilderkunst uit 1760 vertoont deze een grote eenheid, ook al zijn er dan schakeringen: je zou nooit denken dat ze bijvoorbeeld uit 1790 dateert. Die werken bezitten dus een sterke innerlijke verbondenheid die op het moment dat ze werden vervaardigd niet als zodanig werd waargenomen. Vandaar het voornemen om dingen bij elkaar te zetten waarvan het nu ondenkbaar is om ze bij elkaar te zetten, maar die door de geschiedenis onvermijdelijk zullen worden verenigd. En dat leverde een geweldige kakofonie en chaos op, die we driemaal per jaar lieten evolueren door dingen weg te halen en andere toe te voegen. Als je een werk van Philippe Parreno naast een werk van Reiner Ruthenbeck of een Fischli & Weiss naast een Hans Haacke zet, dan kijken die werken opeens anders tegen elkaar aan. Ze zijn afkomstig uit zulke ver uiteenliggende werelden, maar op een gegeven moment landen ze op hetzelfde vliegveld. Dat was de gedachte achter het platform.

K.B./D.P.: De klemtoon ligt dus op het monografische, maar tegelijk zoek jij het tegenovergestelde extreem op, een uiterste diversiteit en incoherentie?

C.B.: Absoluut. Voor mij zit de samenhang nooit in het moment, het moment is altijd het theater van de contradicties. Je krijgt pas samenhang als het museum zich een tijd heeft ontwikkeld. Joëlle Tuerlinckx sluit bijvoorbeeld aan bij een aantal dingen die we eerder op dezelfde plek hebben gedaan, in het bijzonder met Silvia Bächli, in een compleet ander scenario dat toch ook vergelijkbaar is. En daarmee knopen die twee vrouwelijke kunstenaars dan weer aan bij de tentoonstellingen die we hebben gemaakt van Valie Export, Gina Pane, Hannah Villiger enzovoort. Na Joëlle Tuerlinckx zal Peter Kogler tentoonstellen op de vierde verdieping, hij zal eerst haar tentoonstelling hebben gezien en dan zijn eigen manier ontwikkelen om de ruimte te bezetten. En vervolgens geeft hij de fakkel door aan Alain Bublex, volgens hetzelfde scenario… Het is een permanente estafetteloop, het stokje wordt telkens doorgegeven…

K.B./D.P.: Puur formeel gesproken lijkt jouw werkwijze erg op die van andere musea. Veel musea voor hedendaagse kunst presenteren bijvoorbeeld niet langer één, maar tien kunstenaars, er zijn veel tijdelijke opstellingen, maar je krijgt de indruk dat het verandering is omwille van de verandering. Want ze moeten constant in beweging blijven, de musea voor hedendaagse kunst, toch? Het verschil is dat jij van een geheel eigen opvatting van het museum vertrekt…

C.B.: Ik probeer een andere manier te vinden om een museum vorm te geven, ik zie dat als een werk van de lange termijn, een traject dat ik samen met mijn medewerkers afleg. Om een voorbeeld te geven, de retrospectieve van Siah Armajani die jullie hebben gezien, is al de tweede die we hebben geprogrammeerd. Maar deze is volkomen anders, zowel door de keuze van de werken als door het gevolgde tentoonstellingsprotocol; de nieuwe retrospectieve biedt een andere, volledig herziene kijk op het werk van deze kunstenaar.

K.B./D.P.: Er is dus nog een retrospectieve van Armajani geweest in het Mamco?

C.B.: Jazeker, in 1995 was dat. Maar de expositie van 2007 is nog retrospectiever van aard, er is veel werk in opgenomen dat nooit eerder getoond werd. Natuurlijk zijn daar de werken van na 1995 bij, maar er is ook werk van voor de jaren ’60 te zien, naast enkele series, zoals bijvoorbeeld Dictionary for Building dat ik in 1995 achterwege liet omdat ik toen niet inzag hoe belangrijk het was – het gaat om een verzameling van 132 piepkleine maquettes, driedimensionale ‘schetsen’. Voor mij is Dictionary for Building een echt hoofdwerk en een sleutel om Armajani’s ontwikkeling te begrijpen. Tegelijkertijd is deze retrospectieve er gekomen omdat we het monografische ensemble dat we van hem bezitten – in totaal 54 maquettes – op een andere manier wilden installeren. In dat verband heb ik afgelopen zomer aan Armajani gevraagd om na te denken over het meubilair van zijn zaal, het Scheerbart Salon – het bed, de tafel, het raam – om zo tot een ander voorstel te komen voor het presenteren van zijn maquettes, die we twaalf jaar onafgebroken hadden tentoongesteld op dezelfde rekken die ik destijds al in zijn atelier had aangetroffen. We hebben vervolgens die Scheerbart Parlorgemaakt, die eveneens verder zal evolueren. Naar aanleiding van deze nieuwe presentatiewijze van de maquetteverzameling wilde ik opnieuw een retrospectieve maken, om te kunnen tonen wat ik nog niet had getoond. Ik denk dat ik Armajani in de loop der tijd beter ben gaan begrijpen, en dat deze expositie een stuk beter is dan de vorige. Maar ze is ook heel anders. Bovendien hebben we in de loop van al die jaren ook onderzoek gedaan naar architectuur, utopische bouwwerken, sculptuur als architectuur, architectuur als sculptuur, de maquette… En er zijn minstens twaalf verschillende tentoonstellingen geweest waarin die dingen weer aan bod kwamen, zodat we nu op een veel adequatere wijze op Armajani terug kunnen komen… Kortom, het loont vaak de moeite om naar kunstenaars te kijken wanneer ze niet in de schijnwerpers staan. In het duister kan je makkelijker nadenken.

K.B./D.P.: Wat vind je van die zogenaamde obsessie voor beweging in andere musea?

C.B.: Een van de grootste problemen van de musea in Europa is dat ze elke vijf jaar van conservator wisselen. Dat heeft nogal wat schadelijke gevolgen gehad. Ik probeer een langzaam denkproces te ontplooien dat met name wordt gevoed door wat ik van kunstenaars leer. Ik probeer mezelf vragen te stellen die ik in de loop der tijd uitdiep, zonder daarover het laatste woord te hoeven zeggen. Het gaat om ideeën in wording en poëtische lijnen. Het heeft dus niets te maken met de werkwijze van sommige van mijn collega’s. Tegelijkertijd programmeren we heel weinig vooraf. We hebben grote projecten die maar langzaam vorderen omdat we over te weinig tijd beschikken, geen grote ploeg hebben en toch proberen te programmeren op een schaal die beantwoordt aan onze wensen. En ik kan niet iets wensen dat al twee jaar van tevoren wordt besloten. Als een tentoonstelling pas over twee jaar wordt verwacht, weet ik dus nog niet hoe die eruit zal zien. Met John Armleder hebben we pas op 15 augustus de eerste lijst opgesteld van de werken die we op 15 oktober nodig zouden hebben, voor een tentoonstelling die 33 zalen beslaat… We waren al tien jaar in gesprek over deze tentoonstelling en zijn vijftien keer van idee veranderd, tot op de dag van de opening. Die manier van werken ligt mij nog het meest. Het is niet echt een regel, maar het principe is om niet te programmeren. Als we een bepaald voornemen verstandig vinden, dan zullen we het voor ogen houden, maar we proberen toch een grote flexibiliteit te bewaren.

K.B./D.P.: Het proces van verschuivingen en veranderingen in het Mamco produceert op een bepaalde manier betekenis… Hoe zou je die betekenis willen omschrijven?

C.B.: Daarvoor moeten we misschien teruggaan naar het begin van het Mamco. In het begin in 1994 nam ik mij voor om te vertrekken van een paar stabiele, dragende elementen en om voor de rest een permanent proces van verandering te doorlopen. Ik ben hier gekomen dankzij de Hallen für neue Kunst Schaffhausen, een schoolvoorbeeld van de onveranderlijkheid waar Donald Judd in Marfa van droomde. Dat model heeft het project van het Mamco mogelijk gemaakt. De les die ik uit deze geschiedenis trek is dat ik kan twijfelen, zelfs over de dingen die mij het meest overtuigen. Ik vind dat ik altijd moet twijfelen over wat we laten zien en nooit een voorkeur voor bepaalde werken mag tonen, zelfs als ik ze geweldig vind; dat ik altijd open moet blijven, mezelf niet mag verliezen, ook niet aan die waarden waar ik het meest aan gehecht ben, dat ik altijd een frisse blik moet behouden… Er zijn bijvoorbeeld werken die ik op dit moment haast nooit meer exposeer omdat ik niet meer weet hoe ik ernaar moet kijken. Maar er komt een moment waarop ik dat terug weet. Trouwens, als je wil dat een museum aantrekkelijk blijft, dan zijn er twee oplossingen: of je haalt de grote namen in huis of je gaat inderdaad dingen doen die de mensen nieuwsgierig maken naar het vervolg. Als ik mijn publiek aan me wil binden, moet ik het uitnodigen, en als ik het uitnodig, moet ik me steeds anders uitdossen.

K.B./D.P.: Er zit anderzijds een duidelijk element van continuïteit en bestendigheid in jouw manier van werken. Want het Mamco is wel degelijk een verzameling: een verzameling van tentoonstellingen…

C.B.: Het museum is absoluut een verzameling van tentoonstellingen, en dat geldt des te meer omdat we nu en dan ook aandacht hebben voor het geheugen van die tentoonstellingen. En we hebben replays gemaakt. Maar in plaats van een expositie gewoonweg te herhalen, doen we dat slechts gedeeltelijk, op een, twee of drie wanden, nooit op vier. Of we volgen hetzelfde protocol en gebruiken andere werken, of we gebruiken dezelfde werken en wijzigen het protocol. Met dezelfde elementen maken we dus een andere tentoonstelling. En vaak zijn de kunstenaars betrokken bij het opstellen van het protocol, omdat zijzelf met een voorstel komen of omdat wij hen erbij betrekken. Vandaar dat we de kunstenaars bijvoorbeeld vaak raadplegen over de kleurstelling van de ruimtes of over het behang. Of we vragen hen wall drawings of wall paintings te maken.

K.B./D.P.: Kan je iets vertellen over het publicatiebeleid? Hoe worden jullie catalogi geproduceerd? Wanneer beslissen jullie om een boek uit te brengen?

C.B.: We hebben beslist om geen catalogi uit te brengen bij onze exposities. We publiceren vooral boeken, want boeken zijn duurzamer dan catalogi en minder gebonden aan het moment van de tentoonstelling. De feitelijke tentoonstelling is voor ons maar een momentopname, en geen uitzonderlijke gebeurtenis. Hetzelfde geldt voor boeken: dat zijn ook momentopnames, maar ze hebben een langer leven. We publiceren teksten van kunstenaars, essays over kunst, mid-career monografieën die een overzicht van vijftien, twintig jaar werk bieden, en kunstenaarsboeken – geen experimentele boeken, want ze hebben een vrij ingetogen vormgeving. We gaan ervan uit dat er geen enkele haast mee gemoeid is, we brengen die boeken uit wanneer ze af zijn. Dertig zijn er al gepubliceerd en er zijn nog een twintigtal in voorbereiding. Ze laten bepaalde facetten van ons gedachtegoed zien, maar dat is niet het enige waar het om te doen is. Het publicatiebeleid staat volkomen los van onze tentoonstellingen. Overigens, we gaan een dvd uitbrengen waarop de complete iconografie van het werk van de kunstenaars is gearchiveerd.

K.B./D.P.: De boeken hebben een duidelijk format, een beetje zoals de zalen…

C.B.: Ja, dat klopt. Ze moeten een bepaalde identiteit hebben, ze moeten opvallen. Weet je, we zijn een klein museum, we hebben niet veel geld, we zitten in een kleine stad… Ik denk dat herkenbaarheid heel belangrijk is om te overleven, om mee te tellen en te communiceren. De boeken zijn onze ambassadeurs: ze moeten ons beeld uitdragen.

K.B./D.P.: Ze functioneren een beetje zoals de zalen…

C.B.: Zeker. We hebben hun uiterlijk, het grafisch ontwerp, bedacht met onze vormgever Ruedi Baur, precies op het moment dat we ook met de zalen bezig waren. Toen we ons bogen over de huisstijl hebben Ruedi en ik een paar weken samengewerkt. Hij was er ook bij toen ik met de architect aan de zalen werkte. Hij moest zien hoe wij de zalen ontwierpen om de boeken te kunnen vormgeven. Ik had hem al eens gevraagd voor de huisstijl van Villa Arson. Het is een geweldige kerel, die heel goed kan luisteren, wat bij vormgevers zelden voorkomt!

K.B./D.P.: Wat brengt de toekomst?

C.B.: Praktisch gesproken hoop ik uiteraard over meer middelen te beschikken en andere types tentoonstellingen te kunnen uitproberen. Ik zou graag niet meer uitsluitend rond recente thema’s willen werken, maar ook rond thema’s van de moderniteit. Ik denk bijvoorbeeld aan een groot project over Duchamp, iets heel aparts, of in ieder geval iets heel anders dan een Duchampretrospectieve, want daarvoor heb ik in ieder geval de middelen niet en het is al op een voortreffelijke manier gedaan. Als vorm is het museum conceptueel zó versleten, en als instelling is het zó kwetsbaar. Ik kan mij de toekomst van het museum alleen voorstellen als een staat van permanente crisis.

K.B./D.P.: Het Mamco is eigenlijk jouw werk…

C.B.: Ja… maar heb het dan over intellectuele arbeid. Noem het alstublieft geen ‘werk’ in de zin van een kunstwerk.

K.B./D.P.: Hoe kan je een punt zetten achter een dergelijke intellectuele arbeid?

C.B.: Een goede vraag. Intellectuele arbeid, dat wil zeggen kritische arbeid, houdt nooit op. Ik wil nog iets opmerken over die idee van een verzameling van exposities. Een tijd geleden hebben we een retrospectieve gemaakt met Bertrand Lavier. Het betrof geen overzicht van zijn werk maar van zijn tentoonstellingen. Op de een of andere manier zijn we erin geslaagd om, volgens sterk uiteenlopende protocollen, vijftien tentoonstellingen van Bertrand te reconstrueren. Soms waren dat letterlijke reconstructies, waarbij dezelfde werken op dezelfde manier zijn opgesteld, andere tentoonstellingen werden helemaal opnieuw opgebouwd, waarbij het scenario van twaalf, twintig jaar geleden compleet omgegooid werd. Natuurlijk weerspiegelde dat concept voor een retrospectieve van tentoonstellingen helemaal onze eigen manier van werken.

K.B./D.P.: Zou het dan kunnen eindigen met een retrospectieve van retrospectieven?

C.B.: Nee, dat zou volkomen overbodig zijn en veel te narcistisch! Je moet stilletjes vertrekken en de deur open laten voor je opvolgers. Je weet niet welk deel van wat je doet eventueel belangrijk zal zijn – wij weten nauwelijks wat nu belangrijk is voor ons. Niets is melancholischer dan een afscheidsboeket… Op een dag zullen anderen het Mamco opnieuw moeten uitvinden. Maar we werken hard aan een retrospectief overzicht van het verleden van het museum. We hebben duizenden foto’s, we hebben alles gefotografeerd, wand na wand, vanaf de eerste dag. Er ontbreekt misschien twee procent van wat we hebben gedaan. We zijn bezig met een encyclopedisch woordenboek van het Mamco en een uiterst vernuftige dvd met 1200 ingangen: een achteruitkijkspiegel voor de gaten in ons geheugen.

 

Redactie in het Frans: Julie Hellenbosch

Vertaling uit het Frans: Walter van der Star en Nele Ysebaert

 

In het volgende nummer verschijnt een interview met Joëlle Tuerlinckx, met onder meer aandacht voor haar recente tentoonstelling 64 EXPOSITIONS-MINUTE (SUR MESURE, ECHELLE VARIABLE) die liep in het Mamco te Genève van 21 februari tot 6 mei 2007.

 

De geschiedenis van het NICC

Koen Brams/Dirk Pültau.: Op zondag 1 februari 1998 heb jij samen met enkele tientallen kunstenaars het ICC bezet. Het initiatief tot die actie lag bij het collectief Hit & Run. Hoe had jij weet gekregen van het plan om het ICC te bezetten?

Danny Devos: Dat gerucht liep in het Antwerpse kunstwereldje. Het werd verteld op café. Op den duur wisten heel wat kunstenaars dat het ICC bezet zou worden.

K.B./D.P.: Kende jij Hit & Run op dat moment?

DDV: Ik kende de zes leden van Hit & Run, ik wist dat ze nauw bevriend waren en dat vier van hen – Giles Thomas & Patries Wichers en Jan Kempenaers & Karen Celis – een koppel vormden. Ik wist niet dat ze ook een actiegroep vormden – ik heb pas op de dag van de bezetting gezien dat er op de petitie en het pamflet een stempel stond van Hit & Run.

K.B./D.P.: Hoe heb jij de bezetting beleefd? Zag je het als een wilde actie?

DDV: Nee, alles was perfect georganiseerd. Christine Clinckx beschikte over de nodige expertise. Zij had nog aan acties van Greenpeace deelgenomen. Zij wist hoe ze de media moest bespelen. Hit & Run had een spandoek gemaakt en ook pamfletten en petitieformulieren opgesteld.

K.B./D.P.: Wanneer ben jij in actie gekomen?

DDV: Vanaf het moment dat de bezetting begon. Op 1 februari 1998 om 14 uur ben ik het ICC binnengestapt, samen met de anderen, zo’n vijftig à zestig personen, vooral Antwerpse kunstenaars. We hebben het spandoek opgehangen en een paar deuren geblokkeerd. Onmiddellijk zijn we pamfletten en petitieformulieren beginnen uit te delen voor de ingang van het ICC op de Antwerpse Meir.

K.B./D.P.: Terwijl het ICC nog open was voor het publiek…

DDV: Ja. Het was de dag waarop de laatste tentoonstelling afliep.

K.B./D.P.: Hoe reageerde het personeel aan de inkom?

DDV: Het personeel? Dat liet ons begaan.

K.B./D.P.: De actie verliep toch niet zonder slag of stoot?

DDV: Nee, we kregen de politie op bezoek, gevolgd door de burgemeester van Antwerpen, Leona Detiège. Ook Paul Huvenne kwam, de pas aangetreden directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, waaronder het ICC ressorteerde. We hadden hem zelf opgebeld. Gelukkig waren er veel camera’s en waren er een paar kunstenaars met naam bij de bezetting betrokken, onder wie Fred Bervoets, anders waren we misschien meteen in een politiecombi afgevoerd. De politie en Huvenne begrepen snel dat ze moeilijk Bervoets konden laten buitenslepen onder het oog van de camera’s van het BRT-journaal. Dat zou slecht aangekomen zijn bij het kunstminnende publiek van Antwerpen. We hebben het dus op een akkoordje gegooid. Huvenne en Detiège hebben ingestemd met onze eis dat er vijf mensen in het ICC zouden overnachten.

K.B./D.P.: Wat deden jullie daarna?

DDV: We zijn gaan samenzitten om de bezetting verder te organiseren.

K.B./D.P.: Met vijftig mensen?

DDV: Nee, zo’n tiental. Op dezelfde dag had zich al een harde kern gevormd met aan de ene kant de leden van Hit & Run en aan de andere kant een handvol kunstenaars die zich bij de bezetting hadden aangesloten: Marc Schepers, Chris Gillis, Philip Huyghe, Marc Jambers, Sven ‘t Jolle en ik. Wij hebben samen met Hit & Run de bezetting in handen genomen.

K.B./D.P.: Wat was de eerste actie?

DDV: Perscommuniqués versturen. Mensen mobiliseren. Het ICC was daar de ideale plek voor. De infrastructuur was er. Ikzelf ben meteen met mijn laptop aan de slag gegaan om een website in elkaar te knutselen en e-mails te versturen. Mijn laptop deed vanaf de eerste dag dienst als een soort secretariaat.

K.B./D.P.: Het eerste perscommuniqué dat jullie in de wereld hebben gestuurd bevat een activiteitenprogramma voor een volledige week: zondag 1 februari gaat de ‘bar’ open en is er een videovertoning; maandag 2 februari is er onder meer een cabaretavond… donderdag is een performance gepland… Elke dag is er iets te doen.

DDV: Over dat programma hebben we nog dezelfde dag gesproken.

K.B./D.P.: Op vrijdagavond staat het debat Plaats voor kunst op het programma. De laatste activiteiten zijn gepland op zaterdag 7 februari: optredens van Kris Dane, Jef Mercelis en Zita Swoon. Jullie wilden het ICC dus een week bezetten?

DDV: In het allerbeste geval! Dat hing af van de uitkomst van het debat. Op de eerste dag van de bezetting hebben we gediscussieerd over de manier waarop we het debat zouden aanpakken. We hebben ook een lijst van genodigden opgesteld. Wie zeker aan het panel moesten deelnemen, waren Paul Huvenne, de directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, en de verantwoordelijken van de drie overheden: de Vlaamse minister van cultuur Luc Martens, provinciegouverneur Camille Paulus en de Antwerpse schepen van cultuur Eric Antonis. Van hen wilden we concrete toezeggingen. Meteen daarna wilden we het debat evalueren en beslissen of de bezetting werd verdergezet.

K.B./D.P.: Het perscommuniqué bevat de nodige toelichting bij jullie grieven en eisen. Om te beginnen legitimeren jullie de bezetting door te verwijzen naar een Koninklijk Besluit van 28 januari 1970.

DDV: Het was een algemeen gevoel dat bij de kunstenaars leefde: het ICC is van ons. Koning Boudewijn had in 1970 bepaald dat het voormalig Koninklijk Paleis een culturele bestemming moest krijgen. Maar eind 1997, begin 1998 deden allerlei geruchten de ronde over een totaal andere bestemming. Minister Wivina Demeester, bevoegd voor overheidsgebouwen, wilde er een congrescentrum van maken, de stad Antwerpen had het plan om het secretariaat van het Van Dyckjaar (1999) in het ICC te vestigen en Brouwerij De Koninck wilde er een brasserie uitbaten… en ga zo maar door. Wij wilden de experimentele werking van het ICC veiligstellen.

K.B./D.P.: Ook gouverneur Paulus had plannen met het ICC. Op 6 februari vertelt hij aan Gazet van Antwerpen dat hij al in 1996 het plan had opgevat om de hoofdzetel van de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) in het ICC onder te brengen. Hij stelde dat de kunstenaars er zouden kunnen blijven exposeren.

DDV: Ik weet dat zoiets de ronde deed. Maar je gaat mij niet vertellen dat de UIA ruimte zou hebben gemaakt voor een ernstig artistiek beleid. De kunst zou gewoon de muren van de cafetaria hebben gedecoreerd.

K.B./D.P.: Wat het communiqué tevens leert, is dat jullie niet enkel tegen de sluiting van het ICC protesteren, maar ook tegen de “stopzetting van de tentoonstellingen van hedendaagse kunst in het Jordaenshuis”. Wat had het Jordaenshuis er precies mee te maken?

DDV: Het Jordaenshuis was een tentoonstellingsruimte van de Stad Antwerpen. Je kon er tentoonstellen zonder bemoeienis van curatoren of andere bemiddelaars, het enige wat je moest doen was het indienen van een dossier bij de stad. Er was dus weinig selectie. Ik geloof dat de stopzetting van de tentoonstellingen in het Jordaenshuis net voor de sluiting viel van het ICC. In die zin kon je zeggen dat de ruimte om actuele kunst te tonen, los van galeries en musea, sterk gekrompen was.

K.B./D.P.: Het perscommuniqué bevat verrassend genoeg ook een historische inleiding over het ICC, getiteld Een kleine geschiedenis. Daar wordt een bijzonder heroïsch beeld opgehangen van het ICC in de jaren ’70.

DDV: Heeft Johan Pas eraan meegeschreven? Zoals jullie weten heeft Johan Pas een doctoraat aan het ICC gewijd.

K.B./D.P.: De heroïek contrasteert scherp met de toestand waarin het ICC zich bevond op het moment van de bezetting. Het ICC was allang geen plek meer voor experimentele kunstbeoefening. Toch wordt die experimentele status gebruikt om te eisen dat het ICC “moet blijven”.

DDV: Zoals gezegd, misschien heeft Johan Pas Hit & Run geïnspireerd, misschien heeft hij hen gewezen op het historische belang van de plek en op de interessante effecten van een mogelijke bezetting… Dat zouden jullie aan hen moeten vragen. Eigenlijk denk ik dat het Jordaenshuis veel beter aansloot bij wat Hit & Run voor ogen had: een laagdrempelige plek voor actuele kunst waar de kunstenaars het voor het zeggen hadden.

K.B./D.P.: De belangrijkste eis die in het perscommuniqué wordt geformuleerd betreft een ruimte voor actuele kunst, onafhankelijk van de ‘gevestigde instituten’, zoals de musea. Die ruimte wordt verbonden met de locatie van het ICC. Het ICC moet openblijven.

DDV: Ja.

K.B./D.P.: Achteraan het perscommuniqué staat ook een zinnetje over het statuut van de kunstenaar: “Ook het ontbreken van een duidelijk sociaal statuut voor de beeldende kunstenaar en de afwezigheid van een efficiënte spreekbuis heeft aanleiding gegeven tot deze actie.”

DDV: Dat heb ik eraan toegevoegd. Overigens stond ik niet alleen, ook Marc Schepers en Marc Jambers onderschreven dat zinnetje. Ik moet er wel bij zeggen dat ik toen iets totaal anders met ‘sociaal statuut’ bedoelde. Eigenlijk had er ‘maatschappelijke positie’ moeten staan. Voor mij ging het om iets algemeens, ik had het over de onzekerheid van de positie van de kunstenaar, over het feit dat wij voortdurend in een schemerzone werkten, dat we niet betaald werden, dat we nergens op terug konden vallen… In 1998 wist ik nog niet dat de term ‘sociaal statuut’ enkel op de sociale zekerheid betrekking had.

K.B./D.P.: Je stelt dat je dat zinnetje over het sociaal statuut hebt toegevoegd. Er was dus al een basistekst?

DDV: Ja, op de avond van de bezetting heb ik de tekst overgetikt die door Hit & Run was voorbereid. Tijdens de eerste vergadering kon iedereen zaken toevoegen. Ook het activiteitenprogramma is op die avond doorgesproken, inclusief de lijst met de namen van de personen die we op het debat van 6 februari wilden uitnodigen. Tevens hebben we toen beslist dat Radio Centraal de live-uitzending van het debat zou verzorgen. Radio Centraal heeft vanaf de eerste dag verslag uitgebracht over de bezetting.

K.B./D.P.: Het sociaal statuut van de kunstenaar is een heel andere aangelegenheid dan ‘ruimte voor kunst’.

DDV: Dat klopt. Eigenlijk waren er vanaf de eerste dag twee verschillende strekkingen. Aan de ene kant was er Hit & Run: zij ijverden voor een platform voor beeldende kunst. Aan de andere kant waren er kunstenaars die vanaf het eerste uur bij de bezetting betrokken waren en die vonden dat er een bredere discussie moest komen over de maatschappelijke positie van de kunstenaar. Vooral Schepers, Jambers en ik trokken aan die kar. Wij hebben dat thema meteen op de agenda gezet. Wij vroegen ook aandacht voor kunst in de openbare ruimte, het kunstonderwijs…

K.B./D.P.: In de communicatie van de eerste dagen is daar niet veel van te merken.

DDV: Misschien omdat wij geen tafelspringers waren? Wij dachten gewoon: dit is wellicht een kans om iets op poten te zetten, om iets op gang te brengen. We konden het gebouw als gijzelaar gebruiken.

K.B./D.P.: Enkele dagen later mengt Bart De Baere zich in het debat. De Baere, toen medewerker van het Museum van Hedendaagse Kunst te Gent, publiceert op 5 en 6 februari 1998 twee artikels in De Standaard, waarvan één onder de titel Het ICC moet gesloten worden.

DDV: Het was niet de eerste keer dat De Baere zich met onze actie inliet. Een of twee dagen na de start van de bezetting van het ICC had hij al een fax naar Club Moral gestuurd – op mijn thuisadres en dat van Anne-Mie Van Kerckhoven: “Tav Hit and Run, and in fact, also to Club Moral. Beste groep, I will not respond to all your remarks on paper. This discussion will be too long and requires another platform. Some remarks, though…

K.B./D.P.: De fax is in het Engels opgesteld. Waarom eigenlijk?

DDV: Geen flauw idee. Ik vond dat absurd.

K.B./D.P.: Wat was volgens jou de aanleiding voor De Baere om te reageren?

DDV: Ik weet het niet. De Baere had net als honderden andere mensen de petitie voorgeschoteld gekregen. Ik stuurde dat document naar zowat iedereen in mijn adressenbestand; meer dan duizend mensen hebben er hun handtekening onder gezet. Het toppunt was dat De Baere in die fax ook persoonlijk naar Anne-Mie uithaalde: “Wivina Demeester, this is for Annemie Van Kerckhoven, was sad to hear her declare that nothing is done for Flemish artists, while WDM has the feeling that she did do something quite substantial for young artists last year, not only by the financially expressed invitation and – certainly in the case of Annemie – by offering her a (spatial/mental) possibility that goes beyond just buying a work, but also by opening up the field of integrated art and trying to do this for young artists and with an interesting perspective. Jan Verlinden from the administration of culture has taken part in this.” Anne-Mie was op de avond van het begin van de bezetting op het nieuws geweest, en had er uitgehaald naar de overheid omdat die te weinig voor de beeldende kunstenaars deed… Kort tevoren had ze een project gerealiseerd in het Ferrarisgebouw van de Vlaamse overheid. ‘Kunst in opdracht’ viel in die tijd onder Wivina Demeester, die als Vlaams minister verantwoordelijk was voor overheidsgebouwen.

K.B./D.P.: Die kunstopdracht had toch niets met de bezetting te maken?

DDV: Dat hoef je mij niet te vertellen. Ik vond het walgelijk hoe De Baere beide zaken vermengde.

K.B./D.P.: Opvallend is dat verschillende personen pogingen ondernemen om de bezetting te recupereren. Een dag na het begin van de bezetting gebruikt schepen Eric Antonis jullie actie om zijn ideologische agenda kracht bij te zetten. De kunst moet dienen om achtergestelde buurten op te vrolijken: “Je moet zoeken naar sociale impulsen die de buurt kunnen opkrikken. In plaats van in het stadscentrum op de Meir kan je zo’n vrijplaats beter op kwetsbaarder plaatsen in de stad vestigen. Zoals de Beweeging in de Gasstraat heeft gedaan.”

DDV: Dat was een plan waar Antonis al lang mee rondliep.

K.B./D.P.: Bruno Verbergt van Antwerpen Open vzw kondigt in een persbericht aan dat hij in het ICC een forum wil opzetten rond de eisen van de bezetters. Jullie sturen vervolgens een rechtzetting naar De Morgen waarin jullie de recuperatiepogingen van Verbergt aanklagen.

DDV: Verbergt speelde een dubbel spel. Hij deed alsof hij aan de kant van de kunstenaars stond, terwijl ondertussen al beslist was dat zijn eigen organisatie – Antwerpen Open – in het ICC zou worden ondergebracht.

K.B./D.P.: Volgens de kranten zouden twee kunstenaars zich in de achterbouw van het ICC hebben verschanst om Antwerpen Open de toegang tot het ICC te beletten.

DDV: Dat waren Giles Thomas en ik. Ik had voordien al eens een performance gedaan waarbij ik een stok tussen de deur en mijn lichaam inklemde; Giles en ik hebben daar voor de gelegenheid een variatie op gemaakt. We hebben de concièrge in de achterbouw verschalkt en gingen met een balk tussen ons lichaam en de achterdeur geklemd liggen, zodat de deur niet open kon.

K.B./D.P.: Op de vooravond van het debat, op donderdag 5 februari, verschijnt een nieuw communiqué waarin jullie met bijkomende eisen op de korte termijn op de proppen komen: “een kantoor voor het Internationaal Cultureel Centrum” en “één wettelijk minimumloon voor de persoon die dit kantoor bemant”.

DDV: Dat was noodzakelijk om aan onze sociale eisen te kunnen werken, zo wist ik uit ervaring. In de jaren 1983-1985 was ik enkele keren op het ministerie geweest, samen met mensen van de Vereniging van Plastische Kunstenaars (VPK), ex-actievoerders van ’68. We gingen het statuut van de kunstenaar aankaarten of een verlaging van de btw bepleiten… maar werden constant van het kastje naar de muur gespeeld, van de ene naar de andere dienst gestuurd. Als je op dat vlak iets wil bereiken, heb je een vast secretariaat nodig met een voltijdse werkkracht aan wie je voortdurend opdrachten kan toevertrouwen.

K.B./D.P.: Vreemd genoeg wordt de werking van het secretariaat in het bewuste communiqué op een totaal andere manier ingevuld, namelijk “als contact- en meldpunt voor invulling van een culturele programmatie op tijdelijke, beschikbare locaties”. Dat lag helemaal in de lijn van wat schepen Antonis wilde.

DDV: Dat idee moet van Hit & Run zijn gekomen. Ik vond dat onzin.

K.B./D.P.: Hoe heb jij het debat van 6 februari beleefd? Was het wat jij ervan verwachtte?

DDV: Laat ons zeggen dat er iets bewoog… Om te beginnen bij Antonis. Hij begreep dat je het Jordaenshuis en het ICC niet zonder meer kon sluiten. Hij stelde voor dat wijzelf een plek zochten en beloofde dat de stad de huur van het gebouw zou betalen, op voorwaarde dat de provincie en de Vlaamse Gemeenschap zich ook zouden engageren.

K.B./D.P.: En de andere partijen?

DDV: De provinciegouverneur was er niet; hij werd vertegenwoordigd door Jan Walgrave, die ik kende van bij de VPK. Het plaatje dat ons voor ogen stond was: de stad betaalt het gebouw, de provincie een vaste medewerker en de Vlaamse Gemeenschap zorgt voor werkingsmiddelen – want het was de Vlaamse Gemeenschap die kon beslissen over de middelen die binnen het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen (KMSKA) aan hedendaagse kunst werden besteed. Voor de provincie zou dat geen probleem vormen, daar had ik vertrouwen in. Cultuurminister Martens stelde als voorwaarde dat we ons zouden verenigen, zodat hij een aanspreekpunt had.

K.B./D.P.: Hoe stelde Paul Huvenne zich op tijdens het debat?

DDV: Toen ik hem vroeg hoeveel geld er in het KMSKA naar hedendaagse kunst ging, antwoordde hij: 6 miljoen Belgische frank. Ik zei daarop: “Dat bedrag gaat nu dus naar ons.” Huvenne moest even slikken…

K.B./D.P.: Waarom wilde Huvenne het ICC eigenlijk sluiten?

DDV: Geen idee. Het enige wat ik weet is dat het ICC al een tijdje aan het slabakken was en dat Huvenne daar niets aan gedaan heeft sinds hij in oktober 1997 aan de slag was gegaan in het KMSKA. Het KMSKA heeft het ICC laten verloederen en Huvenne wilde ervan af.

K.B./D.P.: Maar hebben jullie hem daarover aangesproken?

DDV: Waarom zouden we dat hebben gedaan? Huvenne was een specialist 17de-eeuwse kunst en wilde het geld van het ICC gebruiken voor zijn eigen hobby… Maar eigenlijk moet ik zeggen dat dat voor mij niet ter zake deed. Ik vond dat de sluiting van het ICC niet door de beugel kon, maar de redenen van de stopzetting interesseerden mij niet.

K.B./D.P.: Na het debat formuleren jullie evenwel andere eisen, zo blijkt uit de kranten. Zo zou duidelijk zijn geworden dat jullie niet per se vasthouden aan de locatie; het zou jullie eerder te doen zijn om het ‘concept’ van het ICC. Nochtans kwamen jullie in de communicatie van de eerste dagen heel erg op voor het gebouw van het Koninklijk Paleis aan de Meir. Waarom vonden jullie dat in het begin zo belangrijk?

DDV: Zoals ik al zei, Hit & Run was begaan met het ICC omdat het een symbool was. Zelf vond ik het gebouw interessant omwille van de infrastructuur die er voorhanden was. Die zou anders toch gewoon naar het KMSKA gaan, net als het budget.

K.B./D.P.: Terwijl tijdens het debat toezeggingen worden gedaan, met name door Eric Antonis, sturen jullie daags nadien een brief naar minister Martens met de vetgedrukte mededeling: “er is geen enkele konkrete toezegging op onze eisen”.

DDV: Ik herinner mij nog dat Marc Schepers na het debat zei: wat hebben we nu eigenlijk in handen? Er waren allerlei mondelinge beloftes gedaan maar er stond niets op papier.

K.B./D.P.: Opvallend is ook het slot van de brief: “wij nemen graag het aanbod van de heer Martens aan, om het label ‘ICC’ mee te nemen en ondertekenen dan voortaan ook met de meeste hoogachting, Internationaal Cultureel Centrum.” Martens heeft dus niet alleen gevraagd dat jullie je zouden organiseren. Hij heeft meteen ook een naam gesuggereerd.

DDV: Dat klopt.

K.B./D.P.: Op 11 februari kondigt Gazet van Antwerpen een overleg aan dat zal plaatsvinden op het stedelijk kabinet van Eric Antonis, met de schepen zelf, de provinciegouverneur, een delegatie van het ministerie van cultuur en een delegatie van de kunstenaars. Wie heeft jullie vertegenwoordigd?

DDV: Christine Clinckx, Philip Huyghe en ikzelf zijn afgevaardigd.

K.B./D.P.: Wat is er precies uit de bus gekomen?

DDV: We kregen de beschikking over een secretariaat met een voltijdse werkkracht, op voorwaarde dat we ons zouden verenigen. In dat geval zou de stad instaan voor een gebouw, de provincie voor een voltijdse werkkracht en de Vlaamse Gemeenschap voor werkingsmiddelen. We hebben de bezetting nog enkele dagen symbolisch verdergezet. Toen was het afgelopen.

K.B./D.P.: Op maandag 16 februari konden jullie aan de slag in het ICC.

DDV: Ja.

K.B./D.P.: Dat ging evenwel niet van een leien dakje. Op 17 februari beklagen de kunstenaars zich in de media over de territoriumdrift van Antwerpen Open, in de persoon van Bruno Verbergt.

DDV: Het werd snel duidelijk dat we niet lang in het ICC konden blijven. Antwerpen Open begon zijn intrek te nemen in de burelen achteraan het ICC. We deelden ook een bureau met Hilde Van Leuven van het KMSKA, zodat we moesten uitwijken om comfortabel en ‘discreet’ te kunnen werken en vergaderen.

K.B./D.P.: Op 19 februari wordt een protocol opgesteld tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Internationaal Cultureel Centrum vzw. Opvallend is dat de bezetters tekenen met “Internationaal Cultureel Centrum vzw”. Jullie hadden inmiddels een vzw opgericht?

DDV: Nee, we waren nog met de voorbereiding bezig. De discussie over de statuten van de vzw was nog aan de gang. Er was namelijk een serieus probleem gerezen.

K.B./D.P.: Wat bedoel je?

DDV: Op 19 februari vergaderden we een eerste keer om de vzw in de steigers te zetten. Er ontspon zich een heftige discussie over de vraag of we ons al dan niet moesten ‘verenigen’, met alle formele en juridische consequenties vandien. Uiteindelijk besloten we om een bredere groep kunstenaars hierover te polsen; in de tussentijd zouden Christine Clinckx en Patries Wichers een advocaat opzoeken om advies in te winnen over de oprichting van een vzw. Op 26 februari zou de kerngroep opnieuw bijeenkomen. Maar toen Philip Huyghe en ik in de week tussen 19 en 26 februari het ICC binnenliepen, vertelde Clinckx doodleuk dat er alvast een vzw was opgericht. Zonder de anderen op de hoogte te brengen, hadden ze de papieren naar het Staatsblad opgestuurd.

K.B./D.P.: Het initiatief kwam van Hit & Run?

DDV: Dat was duidelijk. Christine Clinckx, Karen Celis, Cel Crabeels en Jan Kempenaers traden op als stichtende leden. Zij waren immers de vier leden van Hit & Run die over de Belgische nationaliteit beschikten – Giles Thomas is een Brit, Patries Wichers een Nederlandse.

K.B./D.P.: Hoe hebben Philip en jij gereageerd?

DDV: We vielen van onze stoel. We hebben Christine ingepeperd dat zoiets niet door de beugel kon. Ik heb op het faxapparaat onmiddellijk een kopie gemaakt van de statuten van de vzw.

K.B./D.P.: Weet je nog hoe de vzw heette?

DDV: Vzw ICC!

K.B./D.P.: Het ICC moet blijven…

DDV: Zo kan je het samenvatten.

K.B./D.P.: Wat waren de doelstellingen van de vzw ICC?

DDV: Ze waren veel beperkter dan die van het latere NICC en lagen helemaal in de lijn van Hit & Run: “de vereniging heeft tot doel: de realisatie, promotie, verkoop, distributie, en organisatie van artistieke, culturele en educatieve activiteiten van elke aard.” Hit & Run wilde gewoon een ruimte om van alles te kunnen organiseren, ik zei het al.

K.B./D.P.: Op 26 februari vindt opnieuw een vergadering plaats. Er is slechts één agendapunt: de pas opgerichte vzw ICC. Opvallend is dat er in vergelijking met de vorige vergaderingen dubbel zoveel aanwezigen zijn.

DDV: Ik heb alle mensen gecontacteerd die de actie op 1 februari hadden gesteund en die me hadden laten weten dat ze op de hoogte wilden blijven. Het kon toch niet dat een klein groepje ging lopen met een initiatief dat door zoveel mensen werd gedragen.

K.B./D.P.: Hoe is de vergadering verlopen?

DDV: We hebben Hit & Run duidelijk gemaakt dat ze tegen hun eigen democratische principes hadden gezondigd. De bezetting was een idee van Hit & Run, en ik gun hen de credits van harte, maar hoe je het ook draait of keert: al op 1 februari had hun initiatief een enorme vlucht genomen en was er een totaal nieuwe situatie ontstaan. Uiteindelijk hebben we gestemd over de vraag of de nieuwe vzw zou blijven bestaan. Het resultaat was duidelijk: vijf stemmen voor, tien stemmen tegen en zeven onthoudingen.

K.B./D.P.: De stemmen vóór kwamen uiteraard van Hit & Run. Wie stemde er tegen?

DDV: De meeste kunstenaars, denk ik, onder wie natuurlijk ook Jambers, Schepers, Huyghe en ik. De onthoudingen kwamen allicht van de niet-kunstenaars. We hadden ook niet-kunstenaars uitgenodigd, zoals Philippe Pirotte en Kurt Van Belleghem.

K.B./D.P.: Wat is er vervolgens gebeurd?

DDV: We hebben beslist om de papieren die naar het Staatsblad waren verstuurd terug te trekken. De vzw was immers niet rechtsgeldig zolang de statuten niet waren verschenen.

K.B./D.P.: Is Hit & Run er toen uitgestapt?

DDV: Nee.

K.B./D.P.: Of is er een breuk ontstaan?

DDV: Iedereen bleef aan boord, maar bij Christine Clinckx is er wel iets blijven hangen, om het zacht uit te drukken. Dat heb ik gevoeld.

K.B./D.P.: En volgens jou gaat dat terug op de feiten tussen 19 en 26 februari?

DDV: Ja, want daarvoor was onze samenwerking prima. Christine was de campagneleidster, ze wist hoe ze de actie moest organiseren en de media bespelen; ik was het mobiele secretariaat. We vulden elkaar goed aan.

K.B./D.P.: Als je de stemming van 26 februari analyseert, dan hebben jullie er goed aan gedaan om extra mensen op te trommelen voor de vergadering. Anders was het nipt geweest.

DDV: Dat klopt. Ik kan er alleen over zeggen dat ik mij onmiddellijk zou hebben teruggetrokken indien de stemming negatief was uitgedraaid. Jammer van die gemiste kans, zou ik hebben gedacht.

Wordt vervolgd

Actuele volkskunst

Koen Brams/Dirk Pültau: Wanneer kreeg jij belangstelling voor beeldende kunst?

Marc Schepers: Ik was al in een heel vroeg stadium bezig met kunst en cultuur. Ik heb trouwens ook altijd heel veel interesse gehad voor geschiedenis. Als lid van Amada, de huidige PvdA, was ik in 1973 betrokken bij de cel Kunst en Revolutie, die een maoïstische visie op kunst en cultuur voorstond.

K.B./D.P.: Hoe was je bij Amada betrokken geraakt?

M.S.: Ik voelde me reeds op zeer jonge leeftijd aangetrokken door radicaal-links. Ik rebelleerde tegen de Staat.

K.B./D.P.: Waarom? Hoe kwam je daartoe?

M.S.: Om op die vraag te antwoorden moet ik in mijn familiegeschiedenis duiken. Ik ben de zoon van een beroepsmilitair. Tot mijn zevende heb ik in Antwerpen gewoond, tot mijn achtste in Brussel en tot mijn tiende in Tienen. Daarna werd mijn vader ingelijfd bij de BSD, de Belgische Strijdkrachten in Duitsland. Tot mijn twaalfde verbleef ik in Werl, tot mijn zeventiende in Soest. Telkens wanneer mijn vader een andere standplaats kreeg toegewezen, verhuisde het gezin mee: van de ene legerbasis naar de andere. In Vlaanderen leefden we nog in steden, in Duitsland in volledig van de buitenwereld afgezonderde stadjes.

K.B./D.P.: Het leger, dat was de Staat?

M.S.: Precies. Naarmate ik opgroeide, zette ik me er steeds meer tegen af. Ik heb de Koude Oorlog van zeer dichtbij meegemaakt. Voortdurend kregen we te horen dat aan de andere kant van het IJzeren Gordijn niets minder dan het kwaad huisde. Als ik om me heen keek en al die uniformen zag – tot in onze eigen woonkamer toe – dan moest ik wel tot de conclusie komen dat het in het zogenaamd vrije Westen ook niet bepaald fijn was. Het enige pluspunt was het onderwijs: dat werd verstrekt door hooggekwalificeerde leraren, die niet zelden een dokterstitel op zak hadden die ze op kosten van het leger hadden behaald. Op mijn zeventiende ben ik teruggekeerd naar het Beloofde Land, België. Maar ik kwam al vlug tot het besef dat het hier ook niet je dat was. Toen heb ik tegen mijn ouders gezegd dat ik mijn leven in eigen handen wilde nemen. Ik trok eropuit, reisde onder andere naar Amsterdam, werd een hippie.

K.B./D.P.: Wie heeft je bij Amada binnengeloodst?

M.S.: Als je ter (extreem-)linkerzijde actief wilde worden, dan had je de keuze tussen de Kommunistische Partij van België (KPB), de trotskisten van de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL) en de maoïsten van Alle Macht Aan De Arbeiders (Amada). Omstreeks 1972 volgde ik mijn toenmalige schoonbroer Georges Timmerman richting Amada.

K.B./D.P.: Hoe kwam jij in die dagen aan de kost?

M.S.: Ik had mijn humanioradiploma niet gehaald, was het merendeel van de tijd werkloos en kluste hier en daar bij, tot ik ging werken op de scheepswerf van Cockerill Yards in Hoboken.

K.B./D.P.: Had het feit dat je op de werf van Cockerill Yards ging werken te maken met je radicaal-linkse engagement?

M.S.: Dat was inderdaad de richtlijn van Amada. In 1973 heb ik de grote dokstaking in de Antwerpse haven meegemaakt. Wij gingen ‘s morgens om 5 uur de pamfletjes uitdelen die we gedurende de nacht geschreven en gestencild hadden. Door de acties van Amada stonden de vakbonden op scherp: de délégués werden kritischer, de stakingsleiders militanter.

K.B./D.P.: Hoelang heb je bij Cockerill Yards gewerkt?

M.S.: Negen maanden. Ik ben ontslagen na de staking. Ik was tijdens de staking al een paar maanden in ziekteverlof, enerzijds omdat ik bedankte voor de smerige klussen die ik steeds toegeschoven kreeg, anderzijds omdat ik me tijdens dat ziekteverlof inzette voor de dokwerkers. Zij zochten immers naar solidariteit, vooral bij de scheepsherstellers, maar ook bij de scheepsbouwers.

K.B./D.P.: Op welke manier zette je kunst en cultuur op de agenda van Amada?

M.S.: Onder het waakzame oog van Ludo Martens, Amada’s grote roerganger, werden er discussies georganiseerd met onder anderen Marc Jambers, Willem Degreef, Mick Matthys en mijzelf, over de plaats van kunst en cultuur binnen de radicaal-linkse beweging. Martens liet toe dat wij daarover van gedachten wisselden, maar hij was toch argwanend. Amada had geen visie op cultuur. Alles werd in puur economische en politieke termen vertaald. Maoïsten hebben immers geen vrije tijd!

K.B./D.P.: Waarom was Martens achterdochtig?

M.S.: Op cultureel vlak was er nog een andere groep actief: het Cultureel Front dat – net als de RAL – trotskistisch geïnspireerd was en vooral met podiumkunsten bezig was. De Internationaal Nieuwe Scène, Het Trojaanse Paard en MEN waren allemaal actief in het Cultureel Front.

K.B./D.P.: Hoe verhield jij je ten opzichte van het Cultureel Front?

M.S.: Ik was lid van Amada, maar ik zag ook de verdiensten van het Cultureel Front. Dat was op zich al een veel te genuanceerd standpunt. De radicaal-linksen spraken niet met elkaar. Doen ze dat nu wel? De angst voor scheuringen beheerste alles. Voortdurend werd op een weegschaaltje afgewogen of je niet van de partijlijn afweek. Het probleem was dat vooral de personen met enigszins dissidente ideeën het interessantst waren.

K.B./D.P.: Leidden de gesprekken in de schoot van Amada ergens toe?

M.S.: Jazeker, wij richtten een tijdschrift op, Kunst en Revolutie getiteld, waarvan we welgeteld één nummer uitbrachten.

K.B./D.P.: Wat omvatte dat nummer?

M.S.: We publiceerden commentaar op het manifest van Mao over de rol van de kunstenaar in de maatschappij – de Toespraken over Literatuur en Kunst – en een interview met Marc Jambers, die zelf kunstenaar was. Verder brachten we een polemische uiteenzetting rond een artikel over Strijdkultuur van Marianne Van Kerkhoven, gepubliceerd in het tijdschrift van het ‘Cultureel Front’, en een agitproptekst van ‘proton’, een links agitatie- en propagandacollectief. Het nummer omvatte ook teksten over de arbeiderscorrespondentenbeweging – arbeiders die over de situatie in de fabrieken berichtten. Amada nam dat zeer ernstig en ze publiceerden die verslagen ook in hun krant – dat doen ze trouwens nog steeds. Over het literaire gehalte van die teksten maalde men niet. Het waren onversneden verslagen van het stakingsfront of de ondernemingsraad. Dat bestond ook in Duitsland, waar men het Prolet Kultur of kortweg Prol Kult noemde. Ik herinner me dat dit artikel ook de aanleiding was om over sociaal geëngageerde literatuur in Vlaanderen te debatteren. Waren Lode Zielens en Stijn Streuvels revolutionairen? Hadden zij de proletarische cultuur in België vastgelegd? Dat waren de vragen die ons bezighielden. Maar die benadering werd niet geapprecieerd door de partij. Streuvels, was dat immers geen oerconservatieve katholiek? Alles bij Amada draaide om partijpolitiek. Dat is iets heel anders dan maatschappelijke betrokkenheid waarnaar mijn belangstelling uitging.

K.B./D.P.: Waarover handelde het interview met Marc Jambers?

M.S.: We ondervroegen hem over zijn engagement. Marc had aan de academie gestudeerd en wilde als kunstenaar aan het werk gaan in de fabriek. Zijn vader werkte via de Shop, het aanwervingslokaal voor de scheepsherstellers. Net zoals de dokwerkerskaart kon je ook de arbeidskaart van de Shop erven van je vader, als die een ‘vaste’ scheepshersteller was.

K.B./D.P.: Wat voor soort kunst maakte hij?

M.S.: Hij maakte sociaal-realistische beelden. Hij realiseerde ook een aantal lino’s geïnspireerd op Frans Masereel.

K.B./D.P.: Hoe stond jij tegenover die visie op kunst?

M.S.: Op dat moment heb ik die vraag zeker niet zo scherp gesteld. Ik was op zoek naar een beeldtaal die uitdrukking gaf aan datgene waarvoor ik me inzette als militant.

K.B./D.P.: Was het sociaal realisme op dat moment voor jou dan een valabele uitdrukkingsvorm?

M.S.: Ja, zeker als propaganda in het kader van de arbeidersstrijd. Maar met de implicaties van het sociaal realisme als stijl hielden we ons niet direct bezig. Op het specifieke vlak van de iconografie waren de verschillen tussen Amada, de RAL en de KPB trouwens miniem.

K.B./D.P.: Wat was jouw favoriete kunst op dat moment.

M.S.: Wat kende ik? Ik las Bertolt Brecht, Erich Kästner, Kurt Tucholsky en had waardering voor het plastische werk van John Heartfield. Ik was vooral georiënteerd op wat er in Duitsland gemaakt was – logisch omdat ik daar mijn adolescentie had doorgemaakt.

K.B./D.P.: Hoe werd het eerste nummer van het tijdschrift gefinancierd?

M.S.: Door de partij. Het was een eenvoudige, met nietjes vastgemaakte stenciluitgave.

K.B./D.P.: Hoe heb je afscheid genomen van Amada?

M.S.: Afscheid genomen? Ze hebben mij buitengegooid!

K.B./D.P.: Waarom?

M.S.: Ze lieten mij weten dat ik niet meer welkom was omdat er een Boeddhabeeld in mijn woonkamer stond. Dat was voor de Amadezen een brug te ver. Het was een teken van kleinburgerlijkheid.

K.B./D.P.: Was Ludo Martens persoonlijk verantwoordelijk voor die beslissing?

M.S.: Neen, het was een beslissing van het centraal comité. Amada was op een bijzonder strakke wijze gestructureerd. Naast een centraal comité was er ook een dagelijks bestuur. In Amada werd voortdurend gesproken over het mobiliseren van de arbeiders. Ik was voorbestemd om arbeider te worden omdat ik geen diploma had, maar ik werd als ‘revisionist’ bestempeld en kon mijn biezen pakken. Die breuken gingen altijd gepaard met ellenlange epistels over de partijlijn, het ‘revisionisme’ en de culturele revolutie.

K.B./D.P.: Hoelang ben je bij Amada actief geweest?

M.S.: Nauwelijks een jaar, meen ik.

 

2. Van Cockerill naar het Sterckshof

K.B./D.P.: Wat heb je gedaan nadat zowel Amada als Cockerill je de deur hadden gewezen?

M.S.: Op dat moment was ik al enige tijd bibliotheekwetenschappen aan het studeren.

K.B./D.P.: Je werkte dus bij Cockerill Yards en studeerde tegelijkertijd?

M.S.: Ja, ook dat zal wel een reden zijn geweest voor de directie om mij te ontslaan. Ik heb daarna een hele poos gestempeld, totdat ik in 1976 de kans kreeg om als tewerkgestelde werkloze aan de slag te gaan in de bibliotheek van de Afdeling Foto en Film van het Sterckshof in Deurne – de voorloper van het huidige FotoMuseum. Het was bijzonder inspirerend om op die plek te werken. Ik kwam er in contact met Jacques Sonck, een uitstekende fotograaf, die heel zijn leven voor de provincie Antwerpen heeft gewerkt. Vaak was hij ’s middags in de donkere kamer van alles aan het uitproberen. Ik zat op de eerste rij om te kijken wat hij aan het uitspoken was.

K.B./D.P.: Waaruit bestonden jouw werkzaamheden?

M.S.: In de kelder van het Sterckshof zat een grote partij boeken in dozen. Die boeken, eertijds geschonken door Gevaert, moesten allemaal naar boven gebracht, uitgepakt en beschreven worden. Ik was de eerste die ze voor het eerst opnieuw ter hand nam. Omdat omstreeks die tijd beslist werd dat de Afdeling Foto en Film zou uitgroeien tot een heus museum voor fotografie, werd op tal van fototijdschriften een abonnement genomen. Een openbaring was zonder meer Volksfoto – Zeitung für Fotografie van Andreas Seltzer en Dieter Hacker, tevens de drijvende krachten achter de 7. Produzentengalerie in Berlijn. Er werden ook gericht catalogi aangeschaft. Als bibliotheekmedewerker kreeg ik dus zicht op de meest actuele ontwikkelingen in fotografieland. Jammer genoeg heb ik die job slechts drie jaar kunnen doen.

K.B./D.P.: Om welke reden?

M.S.: De bestendige deputatie van de Provincie Antwerpen volgde de interne keuken van het Sterckshof op de voet. Anders gezegd: het museum was diepgaand gepolitiseerd. Toen ik omstreeks die tijd scheidde, volstond dat voor een aantal katholieke gedeputeerden om mij geen contract voor onbepaalde duur aan te bieden. Er brak opnieuw een periode van werkloosheid aan, gevolgd door allerlei tijdelijke contracten van het type BTK [Bijzonder Tijdelijk Kader] bij de administratie van huisvesting.

K.B./D.P.: Je bleef desondanks de ontwikkelingen op het vlak van de fotografie volgen?

M.S.: Jazeker. Ik had op dat moment vooral belangstelling voor conceptuele fotografie. ‘Wat is een foto?’, dat was de vraag die ik me voortdurend stelde. Ik was op de hoogte van de activiteiten van Floris Neusüss, een experimenteel fotograaf, die in 1972 in Kassel het Fotoforum had opgericht. Ik had ook al kennisgenomen van Un Art Moyen, Essais sur les usages sociaux de la photographie van Pierre Bourdieu en co. Uiteraard volgde ik ook Volksfoto, dat voornamelijk gewijd was aan amateurfotografie. Zo werd een andere belangrijke fascinatie van mij gevoed: het alledaagse. Omstreeks die tijd maakte ik kennis met Luc Tuymans. Ik vond in hem een gelijkgezinde.

K.B./D.P.: Hoe had je hem leren kennen?

M.S.: Op de trein naar Londen. Hij was op zoek naar een vervolgopleiding, want hij had net zijn studies aan Sint-Lukas Brussel afgerond. Ik reisde naar Londen om tentoonstellingen te bezoeken.

K.B./D.P.: Zijn jullie in Londen samen opgetrokken?

M.S.: Neen, maar het toeval wilde dat we op de terugreis naar België opnieuw op dezelfde trein zaten. Al pratende werd duidelijk dat we tal van gemeenschappelijke interesses hadden. Toen we onze adressen uitwisselden, bleek bovendien dat hij in de Lange Van Ruusbroecstraat woonde, op een steenworp van mijn woning in de Van der Meydenstraat.

K.B./D.P.: Wat bond jullie?

M.S.: We discussieerden over antropologie; we hadden beiden interesse voor het zogenaamd ‘gewone’ of ‘triviale’. In Lucs schilderijen is dat ook een belangrijk thema geweest, alledaagse voorwerpen en situaties. We lazen beide Hermann Broch. Ernst Bloch heb ik aangeraden aan Luc, die mij op zijn beurt Elias Canetti’s Massa en macht aanbevool. Het werk van Christopher Caudwell bestudeerden we ook. Caudwell heeft in de jaren 30 een marxistische literatuurtheorie ontwikkeld. Hij is vervolgens in de Spaanse Burgeroorlog aan de kant van de communisten gaan vechten, en gesneuveld. Caudwell wijdde zich trouwens ook aan antropologie. Ik toonde Volksfoto aan Luc. We waren het er roerend over eens dat we die richting moesten inslaan.

 

3. Morguen

K.B./D.P.: Jij en Luc hebben in 1979 een project opgezet over de Bleekhofbuurt. Morguen is de titel van het project en er is ook een publicatie bij verschenen, Tijdschrift voor levende volkskunst. Wat was het statuut van jullie samenwerking? Hadden jullie een vzw opgericht?

M.S.: Nee, het was een feitelijke vereniging, zonder statuten en zonder formele structuur. We hadden een projectgroep geformeerd die, naast Luc en mij, bestond uit mijn broer Frank, mijn toenmalige partner Leen Derks, Jacques Sonck en Bob Van Ruyssevelt, die aan de dokken werkte en met Luc bevriend was. We deelden allen dezelfde passie: de fascinatie voor het gewone leven in een straat, een wijk, een stad.

K.B./D.P.: Kan je toelichting geven bij de naam, Morguen?

M.S.: In Morguen zit het woord ‘morgue’, de ruimte waarin lijken worden tentoongesteld om te worden geïdentificeerd. Luc en ik hadden veel affiniteit met het werk van Edgar Allan Poe. Detectives trokken ons sterk aan: aandacht hebben voor details. We deelden ook de overtuiging dat je slechts kan tentoonstellen wat reeds ‘dood’ of ‘verleden’ is. Georges Bataille heeft daar mooie teksten over geschreven. Door de ‘n’ achter ‘morgue’ te zetten, gaven we de naam echter ook een prospectieve dimensie: ‘morguen’ klinkt immers hetzelfde als ‘morgen’.

K.B./D.P.: Het project betreft jullie eigen buurt, de straten rond de Bleekhofstraat. Waarom was dat het uitgangspunt?

M.S.: We vonden het belangrijk dat we eerst op een andere, veel bewustere en scherpere manier naar onze eigen dagdagelijkse omgeving zouden kijken. Wat gebeurt er eigenlijk voor je eigen deur? We – Leen, Luc en ik – maakten heel veel wandelingen in Antwerpen, zowel overdag als ‘s avonds. Ik maakte ook foto’s tijdens die tochten. In die periode volgde ik trouwens een cursus fotografie in de avondschool.

K.B./D.P.: De buurt betekent iets. Ze staat voor een vorm van samenhorigheid – dat is de impliciete boodschap van het project.

M.S.: Dat klopt, en die samenhorigheid heb ik in de loop der decennia zien veranderen. Vroeger kende je de mensen in je buurt, men zat buiten op straat en je kwam al vlug tot een praatje. Of je liep het buurthuis binnen om een koffie te drinken en spontaan raakte je in gesprek met een of meerdere van je buurtgenoten. Het was niet artificieel. Nu wordt die samenhorigheid ‘georganiseerd’ en ‘gereguleerd’, vroeger was ze er gewoon.

K.B./D.P.: Uit de fragmentaire chronologie over het project die is opgenomen in Morguen, Tijdschrift voor levende volkskunst, blijkt dat jullie het buurthuis Den Bleek bij het project hebben betrokken: ‘2 mensen, onder wie Marc Schepers uit de Van der Meydenstraat, komen een voorstel doen om tegen eind september een fototentoonstelling te maken over onze buurt, die dan op een zaterdag ergens buiten in een straat getoond zou worden. […] De volgende vergadering beslissen we; Marc komt dan opnieuw, maar dan met een paar voorbeeldjes van hoe hij het ziet.’ Jullie moesten hen blijkbaar zien te overtuigen.

M.S.: Dat is ook gelukt. In Ed De Meyer, een ongelofelijk gedreven buurtwerker die de spil vormde van het buurthuis Den Bleek, vonden wij een uiterst gemotiveerd gesprekspartner. Hij wist aan budgetten te raken, sprong daar redelijk autonoom mee om en kon op die manier een eigen visie op samenlevingsopbouw ontwikkelen. Ed heeft ons geholpen waar hij kon.

K.B./D.P.: In Morguen is ook het pamflet gepubliceerd waarmee jullie de buurtbewoners benaderden. Jullie verzoeken de bewoners van de straten rond de Bleekhofstraat om inzage in hun fotoalbums.

M.S.: Dat klopt. We vroegen of we hun familiealbums mochten inkijken en of we daaruit een selectie mochten maken. Elf families hebben hun medewerking verleend aan het project. Zelf namen we ook foto’s van typische situaties in de buurt.

K.B./D.P.: Wie selecteerde de beelden?

M.S.: Luc en ik. Leen was evenwel steeds in de buurt en gaf commentaar als ze dat nodig vond.

K.B./D.P.: Waar waren jullie naar op zoek? Welke beelden konden op jullie belangstelling rekenen?

M.S.: We hanteerden meerdere criteria, zowel inhoudelijke als vormelijke. We kozen bijvoorbeeld een foto van een Nederlandse vrouw van Surinaamse afkomst die op een gegeven moment Suriname was ontvlucht. Daarna was ze gehuwd. Zij en haar man waren beiden zeer overtuigde protestanten. Ze gingen van deur tot deur om hun geloof te verkondigen. In haar album zat een foto waarop ze samen een man poseerde, wellicht haar vorig lief uit Suriname. Die foto moesten we hebben. Het was een beeld uit het verleden. Dat trok ons enorm aan.

K.B./D.P.: Uit je verhaal kan worden opgemaakt dat jullie ook omstandig met die vrouw hebben gesproken.

M.S.: Wij hebben inderdaad uitvoerig met de eigenaren van de albums gepraat.

K.B./D.P.: Wat interesseerde jullie vormelijk?

M.S.: We kozen bijvoorbeeld drie bijna identieke foto’s van drie personen die op de Keyserlei lopen, vader, moeder en kind. Interessant was dat drie haast identieke foto’s in één album waren beland. Tussen de foto’s hadden de drie personen enkel een stap gezet. Waarom koos de samensteller van het album niet één beeld? Waarom drie? Dat soort vragen stelden wij ons.

K.B./D.P.: Jullie hadden dus ook belangstelling voor de keuzes van de samenstellers van de fotoalbums, in de blik op hun beelden of op de beelden waarin zij figureren? 

M.S.: Ja. Hoe brengt iemand zichzelf in beeld? Of hoe laat iemand zich in beeld brengen en welke beelden verkiest hij of zij vervolgens om in een album te kleven? Welk beeld brengt iemand in zijn biografie onder? In de beelden van het trio op de Keyserlei was voor ons ook het spel van licht en schaduw van belang. Het zijn haast filmische beelden. Zeer indrukwekkend. Een ander voorbeeld is een foto van een meisje met een grote witte strik. Ik weet haast zeker dat Luc dat beeld heeft gekozen: het flitslicht is op de strik gevallen, het gezicht is haast versluierd door de schaduw. De strik lijkt het eigenlijke onderwerp van het beeld, meer dan het gezicht van het meisje. In de invloed van het gebrek aan technische controle op de aard van de beelden waren wij ook zeer geïnteresseerd.

K.B./D.P.: Stelden jullie ook foto’s uit jullie eigen albums tentoon?

M.S.: Jazeker, dat leek ons essentieel. Iedereen gelijk voor de wet.

K.B./D.P.: Jullie hebben ook zelf foto’s genomen.

M.S.: Luc niet. Alleen Jacques Sonck en ik hebben in de buurt foto’s genomen. Soncks beelden staan nog steeds als een huis, de mijne niet. Ik kan niet meer achter die foto’s staan.

K.B./D.P.: Wat was de functie van de foto’s die jullie maakten?

M.S.: De albums bevatten uitsluitend beelden van het verleden. Wij wilden er beelden van het heden aan toevoegen. Onze foto’s toonden de sociale samenhang anno 1979. We werkten zeer gericht. Ik droeg er zorg voor dat een aantal welbepaalde personen zeker werden geportretteerd. Ik fotografeerde bijvoorbeeld een oude vrouw die als caissière werkzaam was geweest in Ciné Metro. Ze bleek een relatie te hebben gehad met de grote baas van Metro-Goldwyn-Mayer. Hij had haar gevraagd om met hem mee te gaan naar Los Angeles. Ze had er nog altijd spijt van dat ze dat niet had gedaan. Een andere foto betrof een man die uit liefdesverdriet voor Lily aan anorexia leed.

K.B./D.P.: Dat is allicht het hardste beeld dat je gemaakt hebt…

M.S.: Dat zou best kunnen. 

K.B./D.P.: Jouw foto’s leunen vaak aan bij de poëtica van Jacques Sonck.

M.S.: Dat kan ik niet ontkennen, maar de enscenering is steeds in overleg met de geportretteerden tot stand gekomen. Iemand volledig aansturen, iemand een pose opleggen, dat kan ik niet. Dat is meteen een van de redenen waarom ik nadien vooral met bestaande beelden ben gaan werken.

K.B./D.P.: Welke beelden droeg Jacques Sonck bij?

M.S.: Hij maakte een aantal foto’s in de buurtschool. Zijn werkwijze was indrukwekkend. Hij kon iemand die hem volstrekt vreemd was op straat aanspreken, er een korte babbel mee doen en dan beginnen te fotograferen.

K.B./D.P.: Sonck is een professioneel fotograaf. Is het niet merkwaardig om zijn beelden te combineren met die van amateurfotografen?

M.S.: Hij is inderdaad een professional, daar kan geen misverstand over bestaan, maar ik zie Jacques wel als een bijzonder sociaal bewogen fotograaf. Wij waren zeer geboeid door zijn engagement, dat we ook terugvonden in het werk van August Sander, Diane Arbus en de fotografen van de Farm Security Administration Photography Program in de Verenigde Staten – Walker Evans, Dorothea Lange, Ben Shahn…

K.B./D.P.: Hoe exposeerden jullie de foto’s – zowel de gevonden als de door jullie gemaakte beelden?

M.S.: Per album – of per familie zo je wil – maakten we een selectie die we op een kartonnen vel kleefden. We maakten met de foto’s heuse composities. De foto’s die we zelf hadden gemaakt, brachten we op een apart vel samen. Alle kartonnen vellen stelden we gedurende één dag – op 15 oktober 1979 – tentoon in een tent in de Marinusstraat, een zijstraat van de Bleekhofstraat. In datzelfde jaar, op 1 december 1979 om precies te zijn, hebben we de tentoonstelling nog eens opgezet, in buurthuis Den Bleek zelf.

K.B./D.P.: De buurtbewoners konden zelf geen foto’s voorstellen?

M.S.: Ze konden op 15 oktober 1979 met eigen materiaal naar de tent komen. Sommigen hebben dat ook gedaan. Voor de twee manifestaties hebben we haast geen publiciteit gemaakt – ook al drong Ed De Meyer daar wel op aan. We vonden dat niet gepast. We wilden de intimiteit van de deelnemers niet te grabbel gooien. Toen de tentoonstelling in Den Bleek plaatsvond, kwam een journalist van De Morgen eropaf, maar we hebben hem wandelen gestuurd. Voor ons was Morguen een project over, met, in – maar vooral – vóór onze buurt.

K.B./D.P.: Uit de tekst in het tijdschrift blijkt inderdaad dat het niet enkel de bedoeling was om ‘het leven van de mensen vroeger en nu [te] laten zien’, maar ook om ‘de mensen in contact [te] brengen met mekaar’.

M.S.: Ja, het was wellicht het eerste sociaal-artistieke project in België! Op sociaal vlak was het een geslaagde manifestatie; de buurtbewoners waren enthousiast. Ik herinner me dat we op het einde van de dag met heel wat buurtbewoners in de tent zaten om met elkaar van gedachten te wisselen.

K.B./D.P.: Publiceerden jullie Morguen, Tijdschrift voor levende volkskunst op de dag van de tentoonstelling in de Marinusstraat?

M.S.: Neen, en ook niet ten tijde van de tweede tentoonstelling in het buurthuis. Het tijdschrift is nadien tot stand gekomen.

K.B./D.P.: Was het een uitgave in eigen beheer?

M.S.: Ja, we hebben Morguen bij een drukker in de buurt laten drukken. Luc heeft het grotendeels betaald. Dat was Luc ten voeten uit: hij liet het geld rollen, ook al was hij toen niet vermogend.

K.B./D.P.: En de distributie?

M.S.: Daarvoor deden we een beroep op EPO. Een commercieel succes is het helaas niet geworden.

K.B./D.P.: Het tijdschrift omvat zeer veel tekst, maar er worden geen auteurs vermeld.

M.S.: Luc en ik hebben de teksten geschreven; Leen leverde commentaar. We baseerden ons deels op Volksfoto. Ik excuseer me wel voor de ontelbare taalfouten.

K.B./D.P.: In Morguen is ook een brief opgenomen van Dieter Hacker van Volksfoto. Daaruit blijkt dat jullie hem benaderd hadden met een – wellicht – vage vraag, want hij verzoekt om opheldering: ‘Wir können uns aber nur schwer eine Vorstellung davon machen, was Sie planen.’

M.S.: Volksfoto was voor ons een zeer belangrijke inspiratiebron. We hebben Hacker en Seltzer om die reden aangeschreven, maar we wisten inderdaad niet goed welke vorm een eventuele samenwerking kon aannemen.

K.B./D.P.: Hebben jullie nadien nog met Hacker en Seltzer gecorrespondeerd?

M.S.: Niet onmiddellijk, maar een aantal jaren later hebben we opnieuw contact opgenomen.

K.B./D.P.: In Morguen wordt ook gesteld dat jullie een bijeenkomst met de buurtbewoners in Den Bleek hebben georganiseerd: ‘Tijdens deze bijeenkomst kunnen reacties, indrukken en eventuele ideeën uitgewisseld worden. Ook zijn hier een aantal bandrecorders opgesteld om iedereen de kans te bieden zijn commentaar en reactie of een eventueel verhaal van hun levensloop te schetsen. Zo kunnen diegenen bij gebrek aan foto’s of om andere redenen nog steeds hun levensbeelden weergeven.’ En verder: ‘Een overzicht van de voornaamste stukken van de bandopnames zullen dan later gepubliceerd worden in een uitgave van de groep Morguen.’ In het tijdschrift zijn evenwel geen transcripties van bandopnames terug te vinden. Waarom niet?

M.S.: De buurtbewoners wilden er allicht niet aan meewerken. Zo’n project staat of valt met de deelname van de buurtbewoners. Werken in een sociale context is niet altijd makkelijk.

K.B./D.P.: Het valt op dat jullie, zeker in het eerste deel, enorm hameren op de authenticiteit van de volkskunst. Uit het betoog blijkt dat jullie in die authenticiteit geloven.

M.S.: Ja, zonder meer… Maar wat is dat, de authenticiteit van de volkskunst? Ik ben nog altijd met die vraag bezig. Maar het klopt dat we in verband met die authenticiteit eerder positief bevooroordeeld waren. Amateurfotografie was een mogelijkheid om het daarover te hebben.

K.B./D.P.: Wat beschouwden jullie dan als authentieke volkskunst? Is het voldoende dat de productie in handen is van een amateur opdat ze als authentiek kan worden gewaarmerkt?

M.S.: Op die vraag ben ik geneigd bevestigend te antwoorden. Ik zou wat dat betreft willen verwijzen naar een werk van Jürgen Olbricht. Onmiddellijk na de val van de communistische regimes op het einde van de jaren 80 vond hij op een vuilnisbelt in Tsjechië stapels zelfgemaakte en geborduurde pennenzakjes. Ze waren door de mensen thuis gemaakt en versierd. Toen de industrieel geproduceerde pennenzakjes hun intrede deden, werden de zelfgemaakte exemplaren weggegooid. Volkskunst, daarvan kan je zeggen dat het de dingen zijn die je zelf maakt, die je niet aanschaft.

K.B./D.P.: De productie van pennenzakjes tijdens de Koude Oorlog zou door niets bemiddeld zijn? Dat zou Marx niet hebben geloofd! Moet je niet gewoon stellen dat authenticiteit niet bestaat?

M.S.: Nee. Het beste voorbeeld van volkskunst is Schanulleke in Suske en Wiske: een zelfgemaakt poppetje. Het Mickey Mouse museum van Claes Oldenburg is een ander voorbeeld. Het is een schitterende verzameling volkskunst.

K.B./D.P.: Waaruit blijkt de authenticiteit van de foto’s in Morguen?

M.S.: Het quasi natuurlijk in beeld komen. Een voorbeeld is de foto van enkele jongens die aan het spelen zijn op straat. Of de foto van een man die dronken is.

K.B./D.P.: Zou je dat niet eerder als een verlies van controle moeten typeren?

M.S.: Het is misschien een verlies van controle, ja. Maar het levert wel een bijzonder beeld op.

K.B./D.P.: Je geeft nu een aantal voorbeelden van – volgens jou – authentieke volkskunst, maar die positieve benadering is ver te zoeken in Morguen zelf. In de teksten wordt voortdurend gewezen op datgene wat die authenticiteit corrumpeert. De authenticiteit blijkt voortdurend in gevaar. Als Kodak bijvoorbeeld een technisch geperfectioneerde camera op de markt brengt, dan tast die de authenticiteit aan, stellen jullie.

M.S.: Het technisch sturen van de naïeve blik of van het directe contact zagen wij inderdaad als een bedreiging, dat klopt.

K.B./D.P.: Voortdurend wordt het onderwerp in negatieve termen aan de orde gesteld. Jullie munten zelfs de term ‘in-artificieel’, een mooi linguïstisch bewijs van de in negatieve termen gevoerde discussie over authenticiteit.

M.S.: Wij formuleerden onze gedachten ook op positieve wijze. We deden bijvoorbeeld een beroep op Ernst Bloch, die stelde dat een idee – een betrachting of een utopie – haar eigen weg zoekt en aanwezig is in hetgeen gemaakt wordt.

K.B./D.P.: Je hebt het over zijn boek Das Prinzip Hoffnung?

M.S.: Ja. We lazen ook Hermann Broch, die in zijn esthetische geschriften aandacht had gevraagd voor kleine aspecten zoals ritmes, die eigen zijn aan een bepaald moment en aan een bepaalde plaats. Broch was ook interessant voor ons omdat hij heeft gepoogd te formuleren wat kitsch is.

K.B./D.P.: Als we na de teksten de beelden in Morguen bekijken, dan valt ons vooreerst op dat geen enkele foto geïdentificeerd wordt: Jacques Sonck en jij worden niet als auteurs vermeld, en bij de foto’s uit de albums wordt de herkomst niet aangegeven. Morguen omvat zowel afbeeldingen van de kartonnen vellen als individuele foto’s die op de vellen waren aangebracht. Waarom hebben jullie voor deze benadering gekozen?

M.S.: Wij gingen ervan uit dat die foto’s zo rijk en betekenisvol waren dat iedereen ermee aan de slag kon gaan. Als je aandachtig kijkt, dan zie je dat de ene foto dezelfde mensen portretteert als de foto ernaast, dat de geportretteerden ouder zijn op de ene dan op de andere, en dat de geportretteerden anders poseren voor mijn camera dan voor die van een familielid. We vonden het niet nodig om dat allemaal uit te leggen.

K.B./D.P.: Door geen enkele bron te vermelden, lijkt het dat jullie een vorm van anonieme beeldproductie voorstaan.

M.S.: We wilden dat het publiek een beroep zou doen op de eigen verbeelding. Het ging voor ons ook niet alleen maar om de individuen, maar om de buurt waarvan al die individuen deel uitmaakten.

K.B./D.P.: De weigering om bronnen en auteurs te vermelden, maakt het geheel wel bijzonder hermetisch. Dat jullie bijvoorbeeld in inhoudelijke en vormelijke onderwerpen geïnteresseerd waren, is nauwelijks afleesbaar. Het is jammer dat jullie niet meer uitdrukking hebben gegeven aan wat jullie fascineerde in de beelden.

M.S.: Dat zal ik niet tegenspreken. We waren jong en onervaren.

K.B./D.P.: Beschouwden jullie Morguen als een kunstproject?

M.S.: Neen, integendeel. We zetten ons in het tijdschrift precies af tegen de kunstwereld.

K.B./D.P.: Maar waarom gebruikten jullie dan de term ‘volkskunst’ in de ondertitel van Morguen? ‘Volkskunst’ of low art roept onwilleurig het tegengestelde op: high art.

M.S.: Die verwijzing naar ‘kunst’ is inderdaad problematisch. Ik zou dat nu niet meer doen. Het ging ons immers om de creativiteit die je bij wijze van spreken onder je neus – bij je buur of op de straat – kan aantreffen.

K.B./D.P.: Dat laatste wordt inderdaad gesuggereerd door te spreken over ‘actuele’ volkskunst. Het 19de-eeuwse paternalistische idee van volkskunst heeft altijd te maken met grootmoeders tijd – met de tijd die al lang voorbij is…

M.S.: …en met de agrarische samenleving.

K.B./D.P.: Die positie van superioriteit klagen jullie in zekere zin aan door te spreken over ‘actuele’ volkskunst. Maar het zou een sterker statement zijn geweest als jullie de toevoeging ‘kunst’ hadden laten vallen.

M.S.: Volksfoto, de titel van het tijdschrift van Hacker en Seltzer, zou honderd procent juist zijn geweest. Dat we voor ‘kunst’ en niet voor ‘fotografie’ kozen, had misschien te maken met het feit dat Luc al aan het schilderen was. Hij was met kunst bezig, ik met fotografie.

 

4. Carnaval in Sint-Andries

K.B./D.P.: Op een van de laatste pagina’s van Morguen worden de volgende themata aangekondigd: ‘bewust geënsceneerde foto’s, documentatie rond het thema: vermomming (clowneske toestanden, travesties, verkleedpartijen, eigenaardigheden, opgezette en bedachte gebeurtenissen)’. Dat tweede onderwerp, het carnaval, hebben jullie ook daadwerkelijk aangepakt.

M.S.: Ja, dat onderwerp hebben we een half jaar later aangesneden in de wijk Sint-Andries in Antwerpen. Een vermomming impliceert dat de betrokken persoon nagedacht heeft over de manier waarop hij zich aan zijn omgeving zal presenteren. Dat interesseerde ons.

K.B./D.P.: Hoe zou je die fascinatie karakteriseren?

M.S.: Als we samen aan tafel zaten – Leen, Luc en ik – dan stak het thema van het carnaval in het algemeen, het masker in het bijzonder, steeds de kop op. De band tussen het masker en primitieve culturen was daarbij van belang. Omwille van onze interesse in antropologie lag dat voor de hand. We zagen ook een relatie met het oeuvre van James Ensor en het Théâtre de la Cruauté van Antonin Artaud. De uitbarsting, de transgressie, hoe iemand zich te buiten gaat, dat vonden we boeiend.

K.B./D.P.: Hebben jullie het project op identieke wijze aangepakt als in de buurt rond de Bleekhofstraat?

M.S.: Niet helemaal, want er was van bij de start een groot verschil: we werkten niet in onze eigen buurt! We hadden wel al vaak gewandeld in het Sint-Andrieskwartier en hadden een prachtig café ontdekt in de Franckenstraat, een café dat vooral gefrequenteerd werd door dokwerkers. Het hele lokaal hing vol met zwart-witfoto’s van alleen maar mannen die zich verkleed hadden voor carnaval. Het was een fascinerende collage. In samenwerking met het buurtcomité hebben we toen een tentoonstelling met foto’s van carnavalsvierders gemaakt in een gebouw aan de Sint-Andriesplaats. We mochten de foto’s gebruiken die in het café hingen en we vroegen een aantal buurtbewoners om foto’s van de carnavalsstoet te maken – zowel zwart-wit- als kleurenfoto’s. Zelf heb ik ook foto’s van carnavalsvierders gemaakt. Ter voorbereiding deden we ook interviews met buurtbewoners.

K.B./D.P.: Je eigen foto’s zien er totaal anders uit dan de beelden die je maakte in je eigen buurt. Het zijn eerder snapshots, ze zien er bewust clumsy uit, terwijl je in je eigen buurt de bewoners statisch fotografeerde.

M.S.: Je loopt mee in een stoet: het spreekt vanzelf dat dat andere beelden oplevert. Ik was op dat moment ook meer bezig met street photography. Ik trok er vaak op uit – bijvoorbeeld in de Nieuwstraat in Brussel – en fotografeerde alles en iedereen rondom me zonder op te veel technische details te letten. Er zaten bijgevolg veel mislukte beelden tussen, maar soms ook zeer bijzondere, dynamische beelden.

K.B./D.P.: Plakten jullie de beelden opnieuw op kartonnen vellen toen jullie de foto’s tentoonstelden aan de Sint-Andriesplaats?

M.S.: Ja. Luc, Leen en ik maakten de selectie en verzorgden de presentatie. Per vel toonden we de foto’s van een specifieke fotograaf. Ook mijn beelden hingen op een vel.

K.B./D.P.: Ging de tentoonstelling door in het buurthuis van Sint-Andries?

M.S.: Neen, de expo, die ook slechts een dag duurde, ging door in een pand dat – na bemiddeling door het buurtcomité – ter beschikking was gesteld door een buurtbewoner. We lieten een grote affiche drukken om de tentoonstelling aan te kondigen. Op de affiche plaatsten we een foto die we in het dokwerkerscafé hadden gevonden.

K.B./D.P.: Kwam er ook een tweede nummer van Morguen uit?

M.S.: Neen, jammer genoeg beschikten we niet over genoeg middelen om een volwaardig nummer van Morguen uit te brengen. In de plaats van een tweede nummer stelden we een map samen met kopies van foto’s – het was slechts een beperkte selectie uit het ruime aanbod dat we in de tentoonstelling presenteerden. Teksten omvatte de map niet.

K.B./D.P.: Wat hebben jullie na de manifestatie in Sint-Andries ondernomen?

M.S.: Ik begon na te denken over een eigen kunstpraktijk. Met Luc hadden we toen even geen contact meer.

K.B./D.P.: Waarom niet?

M.S.: Omdat wij op tijd en stond ook ruzie maakten. Luc en ik deelden ooit een atelier in de Van der Meydenstraat nr. 44, vlakbij het huis waar Leen en ik woonden, in de Van der Meydenstraat nr. 10. We zagen en spraken elkaar elke dag. We zaten op elkaars lip. Op een gegeven moment hadden we woorden en Leen zette een werk dat Luc ons had gegeven – het portret van zijn oom – in de gang, met als impliciete boodschap: ‘Neem het maar terug mee’.

K.B./D.P.: Wat is er met het schilderij gebeurd?

M.S.: Luc heeft het terug mee naar huis genomen. Van dat werk is inmiddels een postzegel gemaakt. Het is dus een grap die pas nu zijn volle betekenis heeft gekregen. Na een lullige ruzie om een kleinigheid, zijn we een werk van Tuymans kwijtgespeeld!  

wordt vervolgd

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

 

Naar aanleiding van zijn dertigjarig bestaan organiseerde Ruimte Morguen van 11 mei tot 23 juni de tentoonstelling 01.06.1982 over de beginjaren (1982-1985) van de Ruimte. Van 6 september tot 20 oktober loopt het tweede luik van de jubileummanifestatie, een tentoonstelling van Andreas Seltzer. Ruimte Morguen is gevestigd aan de Waalsekaai 21-22 te 2000 Antwerpen (03/248.08.45). 

Een gesprek met Julian Heynen over Weitersehen 1980 -> 1990 -> (Haus Lange en Haus Esters, Krefeld, 1990) en kunst in de jaren 80 (in Düsseldorf)

1. c/o Haus Esters

Koen Brams/Dirk Pültau: In verband met Auswertung der Flugdaten. Kunst der 80. Eine Düsseldorfer Perspektive, een tentoonstelling die je samen met Valeria Liebermann organiseerde, willen we het ook graag met je hebben over Weitersehen 1980 -> 1990 -> (1990-1991), een terugblik op de kunst van de jaren 80 die je al eind 1990 organiseerde in Haus Lange en Haus Esters (Krefeld), waar je van 1984 tot 2000 als tentoonstellingsmaker werkte. De tentoonstelling omvatte werk van 21 kunstenaars. Acht daarvan behoorden tot de scene van Düsseldorf (Helmut Dorner, Katharina Fritsch, Hubert Kiecol, Harald Klingelhöller, Reinhard Mucha, Thomas Ruff, Thomas Schütte, Thomas Struth). Van de dertien overige kunstenaars, onder wie Jean-Marc Bustamante, Jan Vercruysse en Franz West, werden velen geassocieerd met de groep uit Düsseldorf. De tentoonstelling lijkt een terugblik te zijn op jouw betrokkenheid bij de kunst van de jaren 80. Misschien kan je allereerst vertellen hoe die betrokkenheid tot stand is gekomen.

Julian Heynen: Om dat toe te lichten moet ik eerst iets vertellen over hoe ik beroepsmatig met kunst in aanraking ben gekomen. Ik studeerde kunstgeschiedenis en literatuur vanaf het begin tot het midden van de jaren 70. Daarna was ik actief als assistent in het Museum Ludwig en het Wallraf-Richartz Museum (Keulen), en vervolgens als curator in het Wilhelm Lehmbruck Museum (Duisburg). In 1981 werd ik aangesteld als directeur tentoonstellingen van de Krefeldse Kunstmuseen, waaronder ook Haus Esters en Haus Lange ressorteren, de twee woonhuizen die door Mies van der Rohe zijn ontworpen en die dienstdoen als tentoonstellingsruimtes. Gedurende mijn hele studententijd en de eerste jaren van mijn carrière was ik erg ontevreden over wat er in de kunstwereld gaande was. Als student identificeerde ik me sterk met kunstenaars van de laatmodernistische generatie – Marcel Broodthaers, Daniel Buren, Bruce Nauman, om er een paar te noemen – maar tegelijkertijd kon je aanvoelen dat deze kunst een doodlopende weg was ingeslagen. De heropleving van de schilderkunst rond 1980 bracht geen verlichting. Die flitsende lichten van de nieuwe schilderkunst waren niets voor mij; ze leken me vooral regressief. Als gevolg daarvan startte ik mijn loopbaan in een periode van onzekerheid, die tot het begin van de jaren 80 duurde, toen ik geïnteresseerd begon te raken in kunstenaars zoals Reinhard Mucha, Thomas Schütte en Harald Klingelhöller, die allemaal aan de kunstacademie van Düsseldorf gestudeerd hadden. Bij mijn eerste tentoonstellingen in Haus Esters is er één die voor mij heel belangrijk is geweest: c/o Haus Esters, met werken van Reinhard Mucha, Thomas Schütte, Harald Klingelhöller, Wolfgang Luy en Ludger Gerdes. Deze kunstenaars hoorden tot mijn eigen generatie. Ze deelden een houding die ik duidelijk herkende.

K.B./D.P.: Wat was het precies dat je herkende?

J.H.: Hun standpunt ten aanzien van de laatmodernistische generatie die zo belangrijk voor mij was geweest. Ik kan het illustreren aan de hand van een anekdote die Harald Klingelhöller vertelde gedurende de voorbereidingen van Auswertung der Flugdaten. In 1982 bezocht Klingelhöller samen met een aantal andere kunstenaars een belangrijke tentoonstelling van Michael Asher en Daniel Buren die was samengesteld door Gerhard Storck in Haus Esters en Haus Lange. Ze gingen meerdere malen naar de tentoonstelling kijken. Ze hadden er een enorme bewondering voor en vonden dat ze de perfectie benaderde. En toch hadden ze het gevoel dat ze iets misten. Maar wat? Het was precies het vinden van het antwoord op die vraag wat de drijvende kracht voor Klingelhöller en zijn tijdgenoten werd. Ze probeerden uit te zoeken wat de tekortkomingen waren van de kunst van de laatmodernistische generatie, terwijl ze tegelijkertijd wilden behouden wat deze kunstenaars ‘goed deden’. Ik denk dat dat het voornaamste is wat de kunstenaars uit Düsseldorf gemeen hadden. Ze realiseerden zich dat de traditie van het modernisme in een cul de sac terechtgekomen was, en ze deelden een voorafspiegeling van een open, ongedefinieerd veld, wat de algemene conditie zou worden van de kunstwereld na 1989. Ze probeerden de twee te verbinden: het late modernisme en de openheid – maar ook de onzekerheid – die erop volgde. Deze specifieke gevoeligheid met betrekking tot het verleden werd natuurlijk versterkt door de aanwezigheid van de oudere kunstenaars aan de academie in Düsseldorf en in de instellingen en galerieën in Düsseldorf, waaronder met name de galerie van Konrad Fischer belangrijk was. De Düsseldorfse kunstenaars van de jaren 80 werden continu geconfronteerd met hun helden, niet alleen met hun werk, maar ook met hun persoonlijke aanwezigheid, gedurende de dag op school en ‘s avonds in de cafés.

K.B./D.P.: Het lijkt echt uniek dat in zulke recente tijden de naam van een stad nog steeds een artistiek perspectief kan representeren.

J.H.: Dat is waar. Maar je moet er meteen aan toevoegen dat de Düsseldorfers onderling ook erg verschillen. Ze delen sommige overtuigingen, maar deze overtuigingen zijn tegelijkertijd moeilijk te definiëren – zij zouden zelf de eersten zijn om te aarzelen om ze te definiëren – en ze kunnen niet makkelijk uit hun werk worden afgeleid. Niemand is erin geslaagd een label voor deze kunstenaars te vinden. Verwijzend naar de maquettes van Gerdes, Luy en Schütte noemde een journalist hen Modellbauer om de draak met hen te steken. Die benaming bleef echter niet plakken. Ik denk dat dat een belangrijk onderscheid is met bijvoorbeeld de schilders van de Neue Wilde of de Italiaanse Transavantguardia. In zekere zin waren Mucha en co de eersten die geboren waren in de postmodernistische tijd. Ze slaagden erin los te komen van het eenzijdige groepsdenken dat nog zo dominant was in de jaren 60.

 

2. Weitersehen 1980 -> 1990 ->

K.B./D.P.: In de tentoonstellingen die je tussen 1984 en 1990 organiseerde, kwamen veel ‘Düsseldorfers’ aan bod. Je initieerde niet alleen de tentoonstelling c/o Haus Esters, maar ook solotentoonstellingen met Hubert Kiecol (1986), Thomas Schütte (1986), Harald Klingelhöller (1988), Thomas Ruff (1988), Andreas Gursky (1989), Ludger Gerdes (1989) en Reinhard Mucha (1990). Vanaf 1990 nodigde je ook buitenlandse kunstenaars uit die vaak geassocieerd worden met de kunstenaars uit Düsseldorf, zoals Franz West (1989), Peter Halley (1989), Jean-Marc Bustamante en Ernst Caramelle (1990). Dan, eind 1990, organiseer je Weitersehen 1980 -> 1990 ->. Waarom programmeerde je die tentoonstelling precies op dat moment?

J.H.: Ik wilde terugblikken op het decennium waarin ik zeer actief betrokken was geweest bij de kunstenaars van mijn eigen generatie. Het was alsof ik zei: dit is niet definitief, maar misschien is het voorlopig genoeg.

K.B./D.P.: In Weitersehen 1980 -> 1990 -> bracht je ook kunstenaars die nog nooit in Haus Lange of Haus Esters tentoongesteld hadden.

J.H.: Dat klopt. Ik wilde niet een soort canon tonen. Bekende posities moesten in balans gebracht worden met onbekende posities, want we hadden het gevoel dat het tijdperk van de Nieuwe onoverzichtelijkheid (Jürgen Habermas) echt was aangebroken.

K.B./D.P.: In de tentoonstelling duikt zelfs een kunstenaar op die nog nooit een solotentoonstelling had gehad in Haus Lange/Haus Esters en die er ook nadien nooit een heeft gehad, alhoewel hij ook deel uitmaakt van Auswertung der Flugdaten: Jeff Koons, van wie in de tentoonstelling One Ball Total Equilibrium Tank wordt getoond. Je collega Ulrich Loock, die The Eighties: A Topology samenstelde in Porto, en die je wat betreft artistieke keuzes nabij staat, heeft nooit een werk van Koons getoond. Koons’ aanwezigheid is nogal verrassend.

J.H.: Die keuze is alleen onverwacht als je ervan uitgaat dat er tussen de Noord-Amerikaanse en de Europese posities van die tijd een onoverkomelijke scheiding zou bestaan. Er zijn grote verschillen wat betreft onderwerpen en houdingen, maar de vroege werken van Koons wisten een heel hedendaags moment vast te leggen: het gevoel van een bepaalde leegte, en de mogelijkheid van een implosie. Ik denk dat ik nooit een solotentoonstelling met Jeff Koons gedaan heb, omdat hij volgens mij in het merendeel van zijn werken niet meer heeft gedaan dan het oppoetsen van de readymade naar de stijl van het moment. Ik kon ook zijn affirmatieve strategieën niet volgen, welke wendingen je daar ook aan kan toeschrijven. Tegelijkertijd was en ben ik gefascineerd door die Equilibrium Tanks, die de ballen in een absurde staat van evenwicht houden. Het is alsof die ballen ieder moment uit hun perfecte positie kunnen raken. Ze zweven op de rand van de implosie. In die zin zijn het erg aantrekkelijke beelden. Ik ben er zeker van dat de Equilibrium Tanks zullen overleven als iconische beelden die een historische en culturele situatie articuleren, ongeacht wat er met de kunstenaar Jeff Koons in algemene zin zal gebeuren.

K.B./D.P.: De titel van de tentoonstelling Weitersehen 1980 -> 1990 -> [‘verder kijken’ maar ook ‘laten we afwachten en zien’] stelt ook een vraag: ‘Wat nu?’ Het is alsof je openlijk de toekomst van deze kunstenaars, de verdere ontwikkeling van hun werk en hun carrière bevraagt. Is er een toekomst voor hen en hun werk? Hoe ziet die eruit?

J.H.: Ik had geen twijfel wat betreft de individuele kwaliteit van het werk van deze kunstenaars, en ik had ook niet het gevoel dat het ‘programma’ van deze non-beweging slechts een kort moment beschoren was. Maar we mogen niet vergeten dat de jaren 80 het eerste decennium was waarin een avant-gardistische positie en een carrière elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsloten. In het begin van de jaren 80 hield ik nog steeds vast aan het geloof dat het volgen van mijn grote helden en ‘het juiste’ doen de enige dingen waren die ertoe deden. Het maakte niet uit hoe klein de minderheid was waartoe je behoorde. En toen, plotsklaps, in het midden of de tweede helft van de jaren 80 realiseerde ik me dat die houding op zijn einde liep. Voor velen kwam deze constatering als een schok. We waren er ons allemaal heel duidelijk van bewust hoe de markt invloed begon uit te oefenen op ons terrein, op een tot dan toe ongekende manier. Hoe nu verder? Hoe te overleven? Het waren belangrijke vragen. De nichecultuur van vooruitstrevende experimentele kunst stond nu in het centrum van de culturele belangstelling. Vele tienduizenden mensen waren ineens geïnteresseerd in hedendaagse kunst. Dat was heel erg nieuw. Natuurlijk had deze ontwikkeling een enorme impact. Ik denk dat Thomas Schütte en Reinhard Mucha interessante voorbeelden zijn. Zij hebben hun carrières totaal verschillend uitgebouwd.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

J.H.: Toen ik een solotentoonstelling maakte met Schütte in 1986 had hij in de voorgaande vijf of zes jaar deelgenomen aan vijftig of zestig tentoonstellingen. Hij noemde dat ‘oefenen’, ‘een repertoire opbouwen’. Deze manier van ‘leren door middel van doen’ was zijn houding vanaf het prille begin. Mucha daarentegen bereikte heel snel ‘de top’. In 1990 stelde hij tentoon in het Duitse paviljoen tijdens de Biënnale van Venetië. Vervolgens trok hij zich terug omdat hij niet als een beroemde kunstenaar wilde werken. Hij begon met het afwijzen van uitnodigingen voor internationale tentoonstellingen. Na de Biënnale besteedde hij twee of drie jaar aan het zoeken naar een permanente plek voor Deutschlandgerät, de installatie die hij tentoonstelde tijdens de Biënnale. Twee of drie jaar zocht hij naar een ruimte om het werk opnieuw te installeren! Het is het perspectief van een dinosaurus in vergelijking met hoe kunst nu functioneert. Andreas Gursky is een publiek figuur geworden, maar zijn vader was een commercieel fotograaf en hij was altijd al vertrouwd met de levensstijl die daarbij hoort. In het algemeen echter denk ik dat bijna niemand van de Düsseldorfse kunstenaars zich begon te gedragen als een beroemdheid, ook Thomas Schütte niet. Ze hadden geleerd van wat ze andere kunstenaars in Düsseldorf hadden zien doen.

K.B./D.P.: In welk opzicht?

J.H.: Ik bedoel hier de voorbeelden in de stad: Beuys natuurlijk, de kunstenaar als sjamaan en als Messias, en Jörg Immendorff, die bijna als Prins Carnaval optrad. Dat was perfect voor hen, maar het was zeker geen voorbeeld om te kopiëren. Integendeel, ze stonden er sceptisch tegenover.

 

3. Düsseldorf

K.B./D.P.: De afgelopen jaren zijn er een aantal overzichtstentoonstellingen van de jaren 80 geweest: Flashback. Revisiting the Art of the 80s, samengesteld door Philipp Kaiser (Kunstmuseum Basel & Museum für Gegenwartskunst, Basel, 2005), The Eighties: A Topology door Ulrich Loock en Sandra Guimarães (Museu Serralves, Porto, 2006-2007), Kavalierstart. 1978-1982 Aufbruch in die Kunst der 80er georganiseerd door Stefanie Kreuzer in Museum Morsbroich (Leverkusen), en het tweeluik Les années 80 – 1. Espèces d’Espace / 2. Images et (re)présentations gecureerd door Yves Aupetitallot (Le Magasin, Grenoble, 2008-2009). Heb je die tentoonstellingen gezien?

J.H.: De tentoonstelling van Yves Aupetitallot in Grenoble jammer genoeg niet, maar ik heb wel Flashback gezien, en de tentoonstelling in Leverkusen, en natuurlijk The Eighties: A Topology. Ik nam deel aan een discussie met Ulrich voor de catalogus. Stefanie Kreuzer was mijn assistente in de periode toen K21 van start ging in 2002. We hadden destijds veel gesprekken over het begin van de jaren 80, meer specifiek over de beeldende kunst in het jaar 1978. We hadden zelfs plannen om er een tentoonstelling over te maken.

K.B./D.P.: Kan je daar iets meer over vertellen?

J.H.: Veel van de vroege werken van belangrijke kunstenaars uit de jaren 80 werden in en rond 1978 gemaakt. Jenny Holzer begon met het ‘schrijven’ van haar Truisms. Jeff Wall maakte zijn eerste cibachrome transparency. Er zijn talloze voorbeelden van kunstenaars die een belangwekkend oeuvre beginnen op te bouwen in of omstreeks 1978. Wat betreft het bredere intellectuele veld is het opvallend dat vele belangrijke boeken in verband met poststructuralisme en deconstructie in dezelfde tijd uitkwamen. En uiteindelijk waren er ook vele belangrijke politieke en maatschappelijke gebeurtenissen die in datzelfde jaar plaatsvonden. De aanstelling van de Poolse Paus in Rome, wat gezien kan worden als een voorteken van het einde van het communisme; de geboorte van de eerste proefbuisbaby, wat de vraag rond the posthuman oproept; de terugkeer van Ayatollah Khomeini uit Parijs naar Teheran, wat zou leiden tot de Islam als een wereldwijde politieke factor… Deze en andere waren de onderwerpen die Stefanie en ik bespraken. Maar we hebben de tentoonstelling uiteindelijk niet gerealiseerd.

K.B./D.P.: Waarom niet?

J.H.: Ik weet het niet. Op een gegeven moment was ik niet meer zo overtuigd. Maar ik heb nog altijd een groot archief over kunstwerken uit die tijd en ik verzamel nog altijd informatie over historische, politieke, wetenschappelijke en culturele gebeurtenissen die rond die tijd plaatsvonden. Misschien heeft een groter, historisch perspectief uiteindelijk toch meer tijd nodig, en een zekere afstand tot de feiten.

K.B./D.P.: 1978 is ook het eerste jaar in de annalen die opgenomen zijn in Brigitte Kölles boek Es geht Voran. Kunst der 80er. Eine Düsseldorfer Perspektive, dat gepubliceerd werd ter gelegenheid van de tentoonstelling Auswertung der Flugdaten. De annalen in dat boek lopen van 1978 tot 1989. Zou men kunnen stellen dat het Düsseldorfse perspectief gemarkeerd wordt door deze twee jaren?

J.H.: Niet echt. Op de een of andere manier moesten we omgaan met de domme conventie van een decennium. We moesten vaststellen wanneer de jaren 80 begonnen en eindigden. Het antwoord op de vraag wat het einde was, was duidelijk: ze eindigen in 1989 met de val van de Berlijnse Muur. Het antwoord op de vraag wanneer ze begonnen, heb ik gegeven in mijn kleine samenvatting over het jaar 1978.

K.B./D.P.: Maar wanneer eindigde deze unieke situatie die je het ‘Düsseldorfse perspectief’ hebt genoemd – verankerd in zijn academie en het late modernisme?

J.H.: Ergens in het midden van de jaren 90? Dat was de tijd toen kunstenaars die kwamen studeren in Düsseldorf – tien jaar na de kunstenaars over wie we hier hebben gesproken – van de kunstacademie af kwamen en naar Berlijn verhuisden. Dat is wat ze na 1989 deden, vroeger of later. Maar ik denk dat er daarvóór al een hoop veranderd was. Vanaf het eind van de jaren 50 tot het eind van de jaren 80 had de academie een grote rol gespeeld in het artistieke landschap van het Rijnland. Alles was op de een of andere manier aan de academie verbonden of liep via de academie. Maar nadat Markus Lüpertz er directeur werd in 1988, veranderde de hele sfeer drastisch. 

K.B./D.P.: Wat veranderde er precies? 

J.H.: Het werd minder een plek van discussie en controverse. De academie had geen uitstraling meer. Dat was deels te wijten aan het reactionaire concept van wat een kunstacademie volgens Lüpertz moest zijn: zijn overdreven idee over meester en student, over de academie als een klooster waar alleen de beste kunstenaars worden gefokt. Dit negatieve soort kluizenaarschap vernietigde de hele atmosfeer. Ik denk dat deze vreemde agenda van Lüpertz, in combinatie met de algemene veranderingen in de hele culturele geografie van Centraal Europa, geen positieve invloed heeft gehad op de positie van Düsseldorf als een buitengewone plek voor de kunsten.

 

Transcriptie: Rose Borg

Redactie in het Engels: Dirk Pültau

Correctie van het Engels: Jim O’Driscoll & Lynne O’Driscoll

Vertaling uit het Engels: Gerrie van Noord 

 

Gesprek met Julian Heynen en Valeria Liebermann over Auswertung der Flugdaten – Kunst der 80er. Eine Düsseldorfer Perspektive, K21, Düsseldorf

1. De selectie van de kunstenaars

Koen Brams/Dirk Pültau: Hoe zijn jullie op het idee gekomen om een tentoonstelling te maken over de kunst van de jaren 80 in Düsseldorf?

Julian Heynen: Twee omstandigheden hebben daarbij een rol gespeeld. Ten eerste was er het kader van de Quadriënnale Düsseldorf, waarvan deze tentoonstelling een onderdeel is. De directeuren van de musea in Düsseldorf – onder wie ikzelf als directeur van K21, de 21ste-eeuwse sectie van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen – kozen na gezamenlijk overleg voor ‘50 jaar moderne kunst in Düsseldorf’ als het centrale thema van de Quadriënnale. Düsseldorf is immers al vanaf de jaren 50 onafgebroken een internationale draaischijf voor de hedendaagse beeldende kunst. Vrij snel echter bleek dat veel van mijn collega’s solotentoonstellingen wilden maken over kunstenaars uit de jaren 60 en 70, zoals Joseph Beuys, Nam June Paik en James Lee Byars. Bij K21 vonden we het jammer dat de jaren 80 niet aan bod kwamen. Ten tweede waren de jaren 80 al ons werkterrein, want de collectie van K21 vangt aan met die periode. De beslissing om de expositie samen met Valeria te maken was snel genomen. We hadden immers al een paar keer rond dit onderwerp samengewerkt. Valeria heeft een lange geschiedenis met de kunst van de jaren 80 in Düsseldorf.

K.B./D.P.: Valeria, zou je ons daar iets meer over willen vertellen?

Valeria Liebermann: Mijn omgang met de kunst van de jaren 80 begon omstreeks 1990, toen ik als assistent van Katharina Fritsch aan de slag ging, wat ik tot 1997 gedaan heb. Julian en ik hebben elkaar voor het eerst ontmoet in 1996 naar aanleiding van een tentoonstelling van Katharina Fritsch in het Museum of Modern Art in San Francisco. Ik was ook assistent van Jean-Christophe Amman toen hij in 1995 Katharina Fritsch, Martin Honert en Thomas Ruff exposeerde in het Duitse paviljoen tijdens de Biënnale in Venetië. Eind jaren 90 werd ik benoemd als curator van de privécollectie van Heinz & Simone Ackermans. Het zwaartepunt van hun verzameling ligt bij de Düsseldorfse kunstenaars van hun eigen generatie — kunstenaars die geboren zijn tussen 1950 en 1960 zoals Reinhard Mucha, Thomas Schütte en Katharina Fritsch. Dat is precies dezelfde groep kunstenaars met wie Julian vanaf de jaren 80 heeft gewerkt.

K.B./D.P.: Hadden jullie in de jaren 90 ook al samengewerkt?

V.L.: Nee, onze samenwerking begon pas in 2002, toen K21 onder leiding van Julian van start ging. De collectie van Heinz & Simone Ackermans werd als bruikleen in de Kunstsammlung opgenomen. Ik kwam als het ware met de collectie mee, en begon binnen K21 voor de collectie Ackermans te werken. Die situatie duurde een jaar of twee, drie. Daarna werd ik nog als freelancecurator ingehuurd voor verschillende projecten. Zo heb ik bijvoorbeeld de catalogus van de collectie eigentijdse kunst van K21 gemaakt, die in 2005 is verschenen. Samen met Julian heb ik ook de tentoonstelling van Juan Muñoz gemaakt (Rooms of My Mind, K21, 2006-2007) die onderdeel was van de eerste Quadriënnale Düsseldorf.

K.B./D.P.: Jullie tentoonstelling over de Düsseldorfse kunst van de jaren 80 heeft een nogal raadselachtige titel: Auswertung der Flugdaten.

J.H.: Dat was een toevalstreffer. De openingsdag kwam naderbij en we hadden nog steeds geen titel. Ik liet mijn oog langs de boekenkast glijden, en bleef haken bij de poëziebundel Auswertung der Flugdaten van Thomas Kling, die verschenen is in 2005, het jaar van zijn dood. Veel mensen denken dat de titel verwijst naar een ramp, maar dat is niet zo. Een ‘evaluatie van vluchtgegevens’ (‘Auswertung der Flugdaten’) vindt na elke normale vlucht plaats. Volgens mij beschrijft de titel exact wat wij willen doen met deze retrospectieve tentoonstelling. We kijken terug op een periode in het verleden, die nog in verband staat met het heden – een periode die bezig is geschiedenis te worden, maar het nog niet helemaal is. De titel is ook een goede beschrijving van de manier waarop deze kunstenaars tegen de neo-avantgarde van de vorige generatie aankijken, waarbij ze vragen stellen als: wat is interessant in deze kunst? Wat is eenzijdig? Wat valt te gebruiken? Wat is verloren gegaan en moet worden teruggehaald?

K.B./D.P.: De tentoonstelling omvat een heel select groepje van tien Duitse en vijf niet-Duitse kunstenaars. Hoe zijn jullie tot die keuze gekomen?

V.L.: De selectie is via een heel grillig parcours tot stand gekomen. In het begin wilden we de expositie buiten K21 organiseren. We overwogen verschillende locaties, waarvan sommige heel veel ruimte boden. Maar uiteindelijk zijn we in K21 geëindigd, waar we slechts over duizend vierkante meter beschikken, of nog minder. We besloten af te zien van een documentaire expositie, en te kiezen voor een duidelijk zwaartepunt. Na lange discussies kwamen we tot een selectie van amper negen kunstenaars uit Düsseldorf: de ‘beeldhouwers’ Katharina Fritsch, Ludger Gerdes, Harald Klingelhöller, Reinhard Mucha en Thomas Schütte; en de fotografen Andreas Gursky, Candida Höfer, Thomas Ruff en Thomas Struth. We beslisten tevens werken van kunstenaars op te nemen die belangrijk zijn geweest voor de Düsseldorfers: Richard Deacon, Fischli & Weiss, Isa Genzken – hoewel die uit Düsseldorf komt, is ze naar Keulen verhuisd en dus kan ze als ‘buitenlander’ worden beschouwd [lacht] – Jeff Koons, Cindy Sherman, Jeff Wall en Franz West. We hebben lang gepraat over de rol van de schilderkunst in de tentoonstelling, maar kwamen tot de conclusie om geen enkele schilder op te nemen.

K.B./D.P.: Waarom niet?

J.H.: Volgens ons moet de belangrijkste bijdrage van Düsseldorf aan de kunst van de jaren 80 niet in de schilderkunst worden gezocht. Ze betreft vooral de driedimensionale kunst en een specifiek soort fotografie, ontwikkeld door een groep fotografen die aan de academie in Düsseldorf studeerden bij Bernd Becher, die in 1976 als eerste professor fotografie aan een Duitse kunstacademie werd benoemd. Een andere rode draad in de tentoonstelling is het hernieuwde geloof in de rol van beelden en verhalen. Deze kunstenaars geloven in de potentie en rijkdom van beelden die verhalen vertellen. Het idee van Geschichten erzählen keerde voortdurend terug in de gesprekken die we tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling met de kunstenaars voerden. Dat is ook de reden waarom de expositie met een beeld van Jeff Wall opent. De eerste keer dat Walls werk in het Rijnland werd getoond, was in de afdeling Today van de tentoonstelling Westkunst (1981) in Keulen, waaraan ook Isa Genzken en Thomas Schütte deelnamen. Walls werk in Westkunst liet destijds een enorme indruk na op veel mensen in deze contreien.

K.B./D.P.: Op welke gronden zijn de andere ‘buitenlanders’ geselecteerd?

V.L.: We werkten in twee richtingen. Aan de ene kant stelden we aan de Düsseldorfers kunstenaars voor die naar ons idee destijds voor hen van invloed zijn geweest. Richard Deacon werd bijvoorbeeld gekozen vanwege de artisanale kwaliteit van zijn vroege werk, dat voor Thomas Schütte belangrijk is geweest. Daarom hebben we drie werken gekozen uit zijn vroege reeks Art for Other People en ze in de tentoonstelling gecombineerd met de Blauer Bunker van Schütte. Aan de andere kant vroegen we de kunstenaars uit Düsseldorf zelf ‘buitenlanders’ voor te stellen.

K.B./D.P.: Kunnen jullie een paar voorbeelden geven?

J.H.: Thomas Struth stelde Isa Genzken voor. Hij en de andere kunstenaars bewonderen haar vanwege haar strengheid en de brutale manier waarop zij van de ene serie werken tot de andere met zichzelf in tegenspraak treedt. Die tegenstellingen zijn het sterkst in haar vroege periode, zoals te zien is in de buitengewone diversiteit van de werken in de tentoonstelling: een slanke hyperbool (Feuervogel, 1981), advertenties uit de Hi-Fi Series, een van haar betonnen sculpturen die de ruïnes van de moderniteit evoceren (Rosa Zimmer, 1987)… en er is zelfs een schilderij, dat door vrijwel niemand als een werk van Genzken wordt herkend. Andere voorstellen waren heel verrassend…

V.L.: …Thomas Ruff en Katharina Fritsch kwamen bijvoorbeeld met Fischli & Weiss op de proppen. Blijkbaar hadden ze beiden een grote waardering voor de houding van Fischli & Weiss en de manier waarop ze humor en grappen verwerken in hun kunst. Candida Höfer had goede herinneringen aan hun films, die ze in de Bambi-bioscoop in Düsseldorf had gezien. Het is heel vreemd: Julian en ik hadden al over Fischli & Weiss gesproken, maar we dachten allebei dat ze te veraf stonden van de kunst van de Düsseldorfse kunstenaars. Misschien zagen we het niet breed genoeg, en dachten we te veel in kunsthistorische categorieën?

J.H.: Katharina noemde ook Jeff Koons. Dat was echt een verrassing.

K.B./D.P.: Waarom?

J.H.: In 1990 maakte ik Weitersehen ® 1980 ® 1990 in Haus Lange en Haus Esters in Krefeld, en ik herinner me dat Katharina woedend werd toen ik vertelde dat ik werk van Koons wilde laten zien. Ze beschouwde hem als de vijand, de duivel, de belichaming van het ultieme cynisme. Plots bleek ze totaal van mening veranderd! Daar heeft ze gelijk in, want haar werk heeft heel wat gemeen met dat van Koons. Hun omgang met het warenkarakter van het kunstwerk is beslist niet het enige wat ze delen. Blijkbaar kan Katharina haar verwantschap met Koons nu veel makkelijker accepteren dan in de jaren 80. Over het algemeen waren de discussies die we met de Düsseldorfse kunstenaars voerden heel ontspannen, veel meer dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden, toen er in de kunstwereld veel meer wrijving bestond – zeker bij de kunstenaars die deel uitmaakten van dat kleine, compacte wereldje van de Düsseldorfse scene.

K.B./D.P.: Waarover hebben jullie het nog gehad met de kunstenaars?

J.H.: Over hun herinneringen, over hun ervaringen op de academie in Düsseldorf, die zo belangrijk is geweest voor het ontstaan van dat specifieke klimaat van de Düsseldorfse kunst in die periode. Maar we hadden het ook over de inhoud van de tentoonstelling en de keuze van de werken.

V.L.: Eigenlijk kunnen alle Düsseldorfse kunstenaars – met uitzondering van Ludger Gerdes (1954-2008) – worden beschouwd als medecuratoren van de expositie. Zij kwamen met tegenvoorstellen op het moment dat wij bepaalde werken naar vorenschoven. We bespraken ook de presentatie van de werken. In een van de zalen zijn bijvoorbeeld werken van Katharina Fritsch met portretten van Thomas Ruff samengebracht. Beide kunstenaars gingen ermee akkoord een ruimte te delen, maar ze stelden andere werken voor. Onze discussies met de kunstenaars zijn even belangrijk geweest als onze eigen bijdrage aan de tentoonstelling.

 

2. De selectie van de kunstwerken

K.B./D.P.: De kunstenaars uit Düsseldorf worden in de tentoonstelling op verschillende manieren gepresenteerd: sommigen met een overzicht, anderen met een specifiek soort werk, en weer anderen – vooral Andreas Gursky – met heel vroeg werk. Kunnen jullie vertellen hoe jullie tot dit soort keuzes zijn gekomen?

J.H.: Eén algemene regel stond vanaf het begin voorop, namelijk om strikt historisch te werk te gaan. We hebben alleen werk gekozen uit de periode van de jaren 80 – dus geen enkel werk dat na 1990 tot stand is gekomen – wat aan de hele tentoonstelling een historisch patina verleent. Om die reden hebben we bijvoorbeeld bewust gekozen om de vroege analoge foto’s van Andreas Gursky te laten zien, in plaats van de latere gedigitaliseerde foto’s op groot formaat waarmee hij beroemd is geworden. Gursky is de jongste kunstenaar in de tentoonstelling, hij behoort bijna tot de generatie van de jaren 90. Wanneer je zijn buitengewoon glossy, industrieel geproduceerde foto’s uit de jaren 90 zou presenteren naast de driedimensionale werken van Klingelhöller, die voornamelijk van de vroege jaren 80 dateren, zou je de indruk krijgen dat ze tot een andere periode behoren. We wilden het historische patina niet verstoren.

K.B./D.P.: Thomas Schütte, Harald Klingelhöller en Thomas Struth zijn vertegenwoordigd met een brede keuze van werken die de hele jaren 80 omvatten.

J.H.: In hun geval vonden we het belangrijk om de enorme ontwikkeling te laten zien die hun werk in de loop van dat decennium heeft ondergaan. Thomas Schütte evolueerde van werken waarin decoratie een rol speelt, zoals Kollektion (1980) en Rote Girlande (1980), via architectonische modellen als de Blauer Bunker (1984) naar figuratieve voorstellingen als Mohr’s Life (1988). De selectie van Klingelhöllers werken laat zien dat hij begint met sculpturale constellaties die op dingen of objecten teruggaan – zoals in Frucht der Arbeit uit de vroege jaren 80 – om in de late jaren 80 over te stappen naar fragiele kartonnen werken, die gebaseerd zijn op de vormen van de letters van het alfabet. De selectie van Thomas Struth loopt van zijn heel vroege foto’s van straten in New York, Düsseldorf en Parijs (1978-1979) via zijn foto’s van steden uit de tweede helft van de jaren 80 naar de eerste museumfoto’s van eind jaren 80. In feite was het helemaal niet moeilijk om de werken van de fotografen te kiezen, want in veel gevallen hadden ze afdrukken in hun archief.

V.L.: Met een paar andere werken hadden we wel nogal wat problemen. Sommige werken verkeerden in slechte staat. De eigenaars waren bang dat hun werken tijdens het transport beschadigd zouden raken omdat ze zo kwetsbaar zijn. Tot onze verbazing waren sommige werken die Julian zich van zijn tentoonstellingen in Krefeld herinnerde niet meer beschikbaar of waren ze zelfs niet meer te vinden. We dachten dat we de kunstenaars en hun werk kenden, en dat alles voor het grijpen lag, maar dat was niet het geval. Uiteindelijk moesten we vaststellen dat sommige werken uit die tijd werkelijk historisch zijn geworden…

J.H.: Natuurlijk speelt ook de kunstmarkt een rol. De sculpturen uit de reeks Art for Other People van Deacon verhuisden zo snel van collectie naar collectie dat we er voortdurend achteraan moesten rennen.

K.B./D.P.: De in 2008 overleden Ludger Gerdes is voornamelijk vertegenwoordigd met zijn aquarellen, die worden getoond naast één driedimensionaal werk, Bau-Bild Böcklin (1983). Gerdes heeft zijn hele leven geprobeerd om kunst te maken die iets zou bijdragen aan de openbare ruimte. Hij zwenkte voortdurend heen en weer tussen de hoop kunstwerken te realiseren die van betekenis zouden zijn voor de omgeving enerzijds, en het gedesillusioneerde besef dat kunst een ‘vervreemde’ en geïsoleerde activiteit is anderzijds. Jullie keuze om vooral de tekeningen te tonen, benadrukt de ‘ongelukkige’ kant van zijn werk: de afstand tussen kunst en openbare ruimte, en de eenzame aard van de activiteit van de kunstenaar.

J.H.: Het was niet echt een keuze. De meeste van de werken die bekendstaan als zijn Baubilder bestaan niet meer – de grote muurschilderingen die erbij hoorden, werden na de tentoonstellingen overschilderd en de sculpturale elementen zijn ofwel hergebruikt in andere Baubilder ofwel verloren gegaan. Bijgevolg is zijn oeuvre heel klein en bestaat het voornamelijk uit werk op papier.

K.B./D.P.: Maar vinden jullie niet dat de presentatie van de tekeningen een pessimistischer beeld van Gerdes’ werk schetst?

J.H.: Daar ben ik niet zo zeker van. De aquarellen behoren zonder twijfel tot zijn belangrijkste werk. Volgens mij wordt zijn gehele oeuvre gekenmerkt door de ambiguïteit die jullie beschrijven. Bau-Bild Böcklin is evengoed een duister beeld. Maar het zou wel kunnen dat de aquarellen, met hun 19de-eeuwse figuren in een geconstrueerd landschap, de melancholie van zijn eigen ideeën versterken.

K.B./D.P.: Thomas Ruff is uitsluitend vertegenwoordigd met zijn portretten. 

V.L.: Dat is een welbewuste keuze geweest. Van het begin af aan was duidelijk dat Ruff uitsluitend op die manier vertegenwoordigd zou zijn en dat we de volledige reeks vroege, kleine portretten met een gekleurde achtergrond wilden tonen – die contrasteren met de grote, latere portretten met een witte achtergrond. Bijna de hele reeks kleine portretten bevindt zich in de lokale collectie van de Stadtsparkasse Düsseldorf; we hoefden maar een paar ervan uit andere collecties te lenen. Het is heel belangrijk om de hele reeks te laten zien. De kleine werken vormen immers het reservoir waaruit de grote portretten zijn ontstaan, die in de ruimte met Katharina Fritsch te zien zijn.

K.B./D.P.: De reeks portretten biedt inzicht in de seriële werkwijze van Ruff: iedereen kan een kleur en de richting van het gezicht kiezen… Ruff toont het menselijke gezicht als iets abstracts, als een ondoordringbaar oppervlak.

V.L.: Om die reden hebben we de grote portretten van Thomas Ruff gecombineerd met de werken van Katharina Fritsch. Beide kunstenaars hebben een soortgelijke manier om hun werk te presenteren. Beiden benadrukken de afstand tussen het werk en de kijker.

J.H.: Het beste werk van Katharina Fritsch balanceert tussen afstand en nabijheid…

V.L.: …als droombeelden, veraf en tegelijkertijd dicht bij jezelf.

K.B./D.P.: Reinhard Mucha is vertegenwoordigd met één werk: de installatie Kopfdiktate (1980-1990). Door die data omlijst het werk als het ware het hele decennium. Waarom is de keuze op dit werk gevallen?

J.H.: Precies om de reden die jullie net noemen: het ‘omlijst’ het decennium. Het doet dat niet alleen in letterlijke zin, maar ook via de gecompliceerde, sceptische houding van Mucha en de manier waarop het werk zich tot de moderniteit verhoudt. Kopfdiktate werd in twee versies tentoongesteld. De eerste, kleine versie werd in 1980 gepresenteerd in de Galerie Annelie Brusten in Wuppertal. Het werk bestond toen uit ingelijste foto’s waarop Reinhard Mucha zelf vanaf zijn kinderjaren tot zijn 29ste levensjaar te zien was, en die gepresenteerd werden naast bladzijden met Strafarbeiten (strafwerk) – de zogenoemde Kopfdiktate – uit zijn schoolschriftjes. De tweede, veel grotere versie werd in 1990 gemaakt voor Haus Esters in Krefeld. In die installatie zijn de ingelijste vellen papier en foto’s allemaal in vitrines verpakt, een soort met vilt beklede ‘doodskisten’ als je ze zo wilt noemen. De installatie maakt deel uit van de collectie van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, maar was al heel lang niet meer te zien geweest. Het is een fascinerend werk. Kopfdiktate illustreert perfect hoe de historische tijd voor Mucha samenvalt met de tijd van zijn eigen leven. Reinhard, Valeria en ik waren het er onmiddellijk over eens dat het een uitstekende keuze was voor deze tentoonstelling.

K.B./D.P.: Op de foto’s is Mucha te zien als een doodgewone jongen uit de arbeidersklasse die ervan droomt met een Harley Davidson te rijden.

J.H.: Hij lijkt zelfs trots dat hij in het leger zit! Mensen zijn geneigd een verband tussen Mucha en Beuys te zien omdat ze bepaalde formele kenmerken gemeen hebben, zoals het gebruik van vilt. Maar Mucha’s beeld van de kunstenaar is volkomen anders. Hij is geen ‘bevrijder’ of ‘goeroe’. Hij haalt de kunstenaar van zijn voetstuk… Tegelijkertijd worden deze beelden in lege dozen gelegd, waardoor ook weer de afstand tussen het werk en de kijker wordt benadrukt. Voor Mucha zijn de beelden en het verhaal niet het belangrijkste. Ze zijn vooral een middel om de kijker naar zich toe te halen en hem te confronteren met de opbouw en de betekenis van het hele werk. Kijk maar naar de vele motieven die verwijzen naar beweging of vooruitgang, of naar de belofte van het modernisme. Die hoop wordt door deze kisten verzegeld. Overal zie je ‘stilstaande beweging’. En in het glas van de vitrines herken je evenzeer je eigen beeld als de inhoud die erin ligt uitgestald.

K.B./D.P.: Het is opvallend hoeveel werken in deze tentoonstelling te maken hebben met het oppervlak, als iets dat je aantrekt maar tegelijk ondoordringbaar is.

J.H.: Misschien komt dat omdat fotografie zo’n belangrijk aandeel heeft in deze tentoonstelling? Neem bijvoorbeeld de portretten van Thomas Ruff…

V.L.: …maar ook het werk van Katharina Fritsch…

J.H.: …ik zie het evenwel niet in het werk van Thomas Schütte of Franz West.

K.B./D.P.: Toch zijn er heel veel werken die benadrukken dat ze onbenaderbaar zijn. Het lijkt of de tentoonstelling die boodschap wil uitdragen.

J.H.: Nee, dat was niet de bedoeling. We wilden in geen geval een vastomlijnde theorie verkondigen over wat deze kunstenaars gemeen hebben – het ging er niet om een groepsstijl te proclameren, om het wat ouderwets uit te drukken. Maar wat jullie beschrijven is misschien wél kenmerkend voor de kunst van de Düsseldorfers in het algemeen.

K.B./D.P.: Hoe zou jij dat omschrijven?

J.H.: Laten we het — half schertsend — de Gerhard Richter-mode noemen. Gerhard Richter was van 1971 tot 1993 professor aan de kunstacademie in Düsseldorf. Zijn werk geeft je altijd iets, en trekt het tegelijkertijd weer terug. Altijd is er die dialectiek tussen geven en terugtrekken. De kunstenaars uit Düsseldorf hebben dat met elkaar gemeen. Het onderscheidt hen van tijdgenoten als de Neue Wilde of de Mülheimer Freiheit. Ze staan heel kritisch tegenover elke illusie van directheid, zoals die bijvoorbeeld tot uiting komt in de beroemde drie woorden uit het historische manifest van Die Brücke: Unmittelbar und unverfälscht. De Düsseldorfers staan heel argwanend tegenover elk beeld en iedere voorstelling die pretendeert benaderbaar te zijn of die een directe band suggereert met de alledaagse ervaring van de kijker. Door dingen aan te bieden en terug te nemen, creëren hun werken een open ruimte waarin de kijker – de derde belangrijke speler in het spel – binnen kan komen.

 

3. De accrochage van de werken

K.B./D.P.: Als je de tentoonstelling bezoekt, maakt die een heel compacte indruk. Misschien compacter dan veel tentoonstellingen uit de jaren 80…

V.L.: Ja, misschien. Hoewel heel wat exposities in de jaren 80 eigenlijk ook behoorlijk compact waren. Neem bijvoorbeeld c/o Haus Esters, een tentoonstelling met Ludger Gerdes, Harald Klingelhöller, Wolfgang Luy, Reinhard Mucha en Thomas Schütte die Julian in 1984 in Haus Esters in Krefeld heeft gemaakt.

J.H.: Het was beslist niet de bedoeling om een ander presentatiemodel aan te reiken. We wilden zo dicht mogelijk bij de jaren 80 blijven. Zoals ik mij het decennium herinner, past de compactheid van deze tentoonstelling goed bij de feeling van die tijd.

K.B./D.P.: Bijna alle ruimtes bevatten werken van twee of meer kunstenaars.

V.L.: Vele van de kunstenaars in Auswertung der Flugdaten hadden in de vroege jaren 80 tweemanstentoonstellingen in galerieën. Het was niet ongebruikelijk voor hen om de ruimte te delen. In ieder geval hebben we de kunstenaars vanaf het begin duidelijk gemaakt dat geen van hen een eigen ruimte zou krijgen, met uitzondering van Reinhard Mucha – omdat in zijn geval de ruimte het werk is – en Candida Höfer, omdat haar diashow in een aparte verduisterde ruimte moet worden gepresenteerd.

K.B./D.P.: In veel gevallen is de installatie van de werken heel gedurfd. In de eerste ruimte – met werken van Wall, Gursky en Klingelhöller – raken de drie vroege werken van Klingelhöller elkaar bijna.

J.H.: Dat is typisch Klingelhöller. Hij stelt de autonomie van het object die kenmerkend is voor veel werk uit de jaren 80 ter discussie. De manier waarop hij zijn werken installeert is daar een illustratie van. De drie vroege werken die wij voor de tentoonstelling hebben gekozen (Ausschnitte aus dem Auditorium, 1982; Frucht der Arbeit, 1983; Das Ende des Tunnels, 1984) versmelten bijna tot één werk. De latere werken zijn letterlijk afhankelijk van hun context. Ich bin hier, Du bist hier (1989) leunt tegen de muur en raakt die maar op één plekje. Als je de muur weghaalt, zou het geheel instorten.

K.B./D.P.: De sculptuur uit 1989 staat ook buitengewoon dicht bij de cibachrome transparency van Jeff Wall.

V.L.: Voor Harald was dat geen probleem. Hij heeft zijn werk zelf geïnstalleerd, op het moment dat Walls werk al klaarstond om te worden opgehangen. Harald stond er alleen op dat er een klein stukje witte muur rond zijn sculpturen zichtbaar zou zijn. Hij staat open voor een dialoog tussen fotografie en sculptuur, zolang het maar mogelijk blijft om rond zijn werk te lopen.

J.H.: We hebben dat té nauwe contact tussen beide werken met opzet gecreëerd. Het was een psychologische truc om de kijker in de tentoonstelling binnen te lokken. In andere zalen hebben we soortgelijke ‘moeilijke situaties’ geschapen, met andere effecten. In de zaal met Isa Genzken en Jeff Koons laten we bijvoorbeeld bewust in het midden of het om een ruimte met één of twee kunstenaars gaat. Je zou hier bijna kunnen denken dat de slanke hyperbolo en de advertenties van Genzken en de One Ball Total Equilibrium Tank van Koons door een en dezelfde kunstenaar zijn gemaakt. Het is een soort curatorengrapje.

K.B./D.P.: Als je de tentoonstelling bezoekt, ben je inderdaad geneigd eerst te kijken naar de manier waarop de werken gepresenteerd worden. Zou je dat geen typische ‘jaren 80’- ervaring kunnen noemen? In de jaren 80 hadden mensen het vaak eerst over de inrichting van een tentoonstelling en pas daarna over de ‘betekenis’ van de werken.

J.H.: Ik ben het met jullie eens. Dat was een van de belangrijke lessen die de Düsseldorfers van hun helden uit de late jaren 60 en de jaren 70 hebben opgepikt. Kunstenaars als Joseph Beuys, Bruce Nauman en Marcel Broodthaers hadden een manier van presenteren ontwikkeld die ervoor zorgde dat de werken bijna zichzelf konden verklaren, zonder al te veel uitleg. Hun jongere collega’s – onder wie de kunstenaars uit Düsseldorf – namen die les volledig ter harte. Ze leerden kunstwerken zo te installeren dat je ze kon ‘begrijpen’ door alleen maar om je heen te kijken en de relatie tussen de werken, de ruimte en jezelf te ervaren. Pas op een secundair niveau probeerde je in taal en gedachten equivalenten te vinden voor wat je beleefde. Jan Debbaut heeft hier in K21 op 19 januari 2011 een lezing gehouden waarin hij de metafoor van het landschap gebruikte. Kunstenaars in de jaren 80 concipieerden tentoonstellingen als landschappen waarin je kan ronddwalen, om allerlei verbanden tussen de werken te ontdekken. Die onderlinge verbanden waren even belangrijk als de afzonderlijke werken op zich. Niet alleen eenmanstentoonstellingen, maar ook groepstentoonstellingen werden op die manier benaderd. Dat is echt een typische opvatting uit de jaren 80, die we in ons achterhoofd hadden toen we aan deze tentoonstelling werkten.

K.B./D.P.: Heb je enig idee wanneer die benadering verdwenen is?

J.H.: Ergens in de jaren 90? Ik denk dat die opvatting verdween op het moment dat een bepaalde soort van conceptuele kunst — die gepaard ging met een toenemende waardering van discours — een revival beleefde. Dat moet ergens in het begin van dat decennium zijn geweest. Volgens mij vindt de kwalijke reputatie van de kunst van de jaren 80 daar zijn oorsprong.

K.B./D.P.: De kwalijke reputatie? Hoe bedoel je?

J.H.: Vanuit het gezichtspunt van de ‘discursieve’ jaren 90 waren de kunstenaars uit de jaren 80 nog erg gebonden aan het object. Om die reden zien mensen de jaren 80 vaak als een periode waarin de schilderkunst, de kunstmarkt en het feestgedruis van de kunstwereld hoogtij vierden. In werkelijkheid is er veel meer continuïteit tussen beide decennia dan wordt aangenomen.

K.B./D.P.: In welke zin?

J.H.: Wij zien de jaren 80 als een incubatieperiode waarin bepaalde dingen die gewoonlijk met de periode na 1989 worden geassocieerd heel geleidelijk aan zichtbaar beginnen te worden. Neem bijvoorbeeld het einde van de koude oorlogperiode, die begint – om maar een beeld te gebruiken – met de benoeming in 1978 van Karol Wojtyla tot paus. Ook de virtuele wereld begint al in de jaren 80. In de kunst kan je de jaren 80 beschouwen als een overgangsperiode tussen het einde van het modernisme en het open, ongedefinieerde terrein waarmee we na 1989 werden geconfronteerd. Met hun pogingen de elementen van de moderne eigentijdse kunst van het Westen te behouden, en dingen die vergeten waren nieuw leven in te blazen, hebben de kunstenaars uit Düsseldorf een brug geslagen tussen die periodes, door elementen toe te voegen die volgens hen ontbraken in de kunst van de generatie voor hen.

 

Transcriptie: Rose Borg

Redactie in het Engels: Dirk Pültau

Correctie van het Engels: Jim O’Driscoll & Lynne O’Driscoll

Vertaling uit het Engels: Nelleke van Maaren

 

De tentoonstelling Auswertung der Flugdaten. Kunst der 80er. Eine Düsseldorfer Perspektive liep van 11 september 2010 tot 30 januari 2011 in K21 (Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen), Ständehausstraße 1, 40217 Düsseldorf (0211/83 81-204; www.kunstsammlung.de).

 

Een gesprek met Stefanie Kreuzer over Kavalierstart 1978-1982. Aufbruch in die Kunst der 80er (Museum Morsbroich, Leverkusen, 2008)

1. Proloog

Koen Brams & Dirk Pültau: Waarom wilde jij een tentoonstelling maken over de kunst aan het eind van de jaren 70 en het begin van de jaren 80?

Stefanie Kreuzer: Om op die vraag een antwoord te kunnen geven, moet ik teruggaan in de tijd. In de tweede helft van de jaren 90 werkte ik aan een proefschrift over Wolfgang Max Faust aan de Freie Universität Berlin. Ik verrichtte onderzoek aan de Akademie der Künste, waaraan Fausts archief door zijn partner was overgedragen. Faust is vooral bekend vanwege zijn boek Hunger nach Bildern (1982), waarin hij de nieuwe Duitse schilderkunst van het begin van de jaren 80 in de historische context probeert te plaatsen van de Duitse schilderkunst sinds de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft veel geschreven over de paradigmaverschuivingen die zich aan het eind van de jaren 70 en het begin van de jaren 80 voordeden. In mijn proefschrift – met als titel Katastrophe als Übergangsmodus kultureller Systeme im 20. Jahrhundert und das Phänomen des Übergangs bei Wolfgang Max Faust – gebruikte ik zijn geschriften en zijn ideeën om een theoretische analyse van de verandering van culturele systemen te ontwikkelen. Het proefschrift bestaat uit twee historische hoofdstukken over de notie van overgang en breuk tussen culturele systemen in de 20ste eeuw, gevolgd door een derde deel waarin ik deze begrippen op het werk en het gedachtegoed van Wolfgang Max Faust toepas. Tijdens mijn onderzoek werkte ik ook mee aan een tentoonstelling over Wolfgang Max Faust in de Neue Gesellschaft für Bildende Kunst (NGBK), een Kunstverein in Berlijn waar alle tentoonstellingen worden georganiseerd door projectgroepen die uit leden van het instituut bestaan. De tentoonstelling was onderdeel van een serie exposities over onderbroken carrières – van kunstenaars, critici en tentoonstellingsmakers die plotseling overleden waren, in veel gevallen ten gevolge van aids.

K.B./D.P.: Wat was er in de tentoonstelling te zien?

S.K.: De tentoonstelling was zeer divers. Ze omvatte manuscripten en documenten van Faust, naast werken van kunstenaars die hij destijds onder de aandacht had gebracht, zoals de Duitse schilders en de kunstenaars van de Italiaanse Transavanguardia. We presenteerden zowel voorwerpen uit Fausts collectie als exemplaren van Wolkenkratzer waarvan we zoveel mogelijk nummers poogden aan te schaffen — Faust heeft immers veel gepubliceerd in dat Duitse tijdschrift. Door mijn werkzaamheden aan de tentoonstelling en aan het proefschrift over Faust begon ik geïnteresseerd te raken in de overgangsperiode van het eind van de jaren 70 en het begin van de jaren 80. Maar het werd pas echt mijn hoofdonderwerp kort daarop, toen ik als vrijwilliger voor K21 begon te werken, na mijn promotie in april 2001. Ik ging aan de slag vóór de opening van K21, op een moment dat de directeur, Julian Heynen, net besloten had dat hij het eind van de jaren 70 en het begin van de jaren 80 als startpunt zou nemen voor de collectiewerking en het tentoonstellingsprogramma. Dat was precies de periode die me in mijn proefschrift en het project voor de NGBK zo had beziggehouden. Ik arriveerde net op het juiste moment.

K.B./D.P.: Wat voor soort werk deed je in K21?

S.K.: Ik droeg bij aan een publicatie met als titel Startkapital, die verscheen naar aanleiding van de opening van K21. Ik schreef voor dat boek een tekst over het jaar 1978 waarin ik uitlegde waarom dat zo’n buitengewoon en betekenisvol jaar is. In 1978 zijn er heel wat zaken gebeurd die achteraf grote gevolgen blijken te hebben gehad: de benoeming van Karol Wojtyla tot paus, een eerste voorteken van het einde van de Koude Oorlog; de start van het eerste computertijdschrift in Duitsland, een signaal dat de digitalisering van de wereld eraan kwam; de geboorte van de eerste reageerbuisbaby… 1978 was ook het jaar waarin verschillende belangrijke kunstwerken werden gemaakt. Jeff Wall realiseerde zijn eerste cibachrome transparency, Dan Graham zijn eerste paviljoen. John Baldessari creëerde zijn serie Blasted Allegories…

 

2. Topologie

K.B./D.P.: Wanneer vatte je het plan op om Kavalierstart te maken?

S.K.: Toen ik nog in Düsseldorf werkte! Destijds had ik al het idee opgevat om een tentoonstelling te organiseren over het begin van de jaren 80. Ik moest evenwel het goede moment afwachten om mijn plan ten uitvoer te brengen. In 2004, na mijn stage bij K21, werd ik directeur van de Neuer Aachener Kunstverein (NAK), maar daar kon ik een dergelijk project niet realiseren. Een Kunstverein is geen geschikte plek voor zo’n historische tentoonstelling. In januari 2007 werd ik aangesteld als verantwoordelijke voor zowel de permanente collectie als de tijdelijke tentoonstellingen van het Museum Morsbroich in Leverkusen. Ik wist meteen dat ik mijn programma wilde starten met deze tentoonstelling.

K.B./D.P.: De tentoonstelling begint in 1978 en eindigt in 1982…

S.K.: Ze begint in 1978 om redenen die ik al genoemd heb, en ze eindigt in 1982 omdat Documenta 7 in dat jaar plaatsvond. Veel kunstenaars werden in Documenta 7 voor het eerst aan een internationaal publiek voorgesteld. Het was een belangrijke stap in hun carrière. Vanwege de beperkte ruimte – het Museum Morsbroich is een klein museum met ruimtes op huiselijke schaal – besloot ik alleen kunstwerken te selecteren van Duitse en Amerikaanse kunstenaars, met uitzondering van twee Canadezen (Rodney Graham en Jeff Wall) en het Zwitserse duo Fischli & Weiss.

K.B./D.P.: In de catalogus herinnert Noemi Smolik ons eraan dat de kunstwereld van de jaren 60 en 70 gedomineerd werd door de Verenigde Staten. Die dominantie liep ten einde in de jaren 80. Opeens werd in heel veel landen belangrijke kunst gemaakt. Is het dan niet tegenstrijdig om een tentoonstelling te maken met zo’n Amerikaans-Duitse nadruk?

S.K.: Ik wilde niet suggereren dat andere landen minder belangrijk waren… maar het geselecteerde werk moest wel in het museum passen. Ik meende ook dat de klemtoon op twee landen de stelling van de tentoonstelling helderder zou maken. Kavalierstart spitst zich toe op de terugkeer van het beeld en de nieuwe benadering van de afbeelding in de kunst van de jaren 80. Het leek me in dat verband logisch om te focussen op Amerikaanse kunst. De Amerikaanse selectie in Kavalierstart wordt gedomineerd door een groep kunstenaars die bekend zijn geworden onder noemers zoals de Pictures Generation of appropriation art. Deze kunstenaars werkten veel met bestaande beelden; hun kunst heeft een zeer sterke link met de massamedia. Ik denk dat het overtuigender is als je je concentreert op deze groep en hun werk naast dat van kunstenaars plaatst die in één Europees land werkzaam waren – in dit geval Duitsland, met in het bijzonder twee kunstcentra, Düsseldorf en Keulen.

K.B./D.P.: Het merendeel van de kunstenaars in Kavalierstart waren ook vertegenwoordigd in de tentoonstelling The Eighties: A Topology die eind 2006 in Porto plaatsvond. Heb je die tentoonstelling gezien?

S.K.: Ja. Ik vond ze erg goed, maar de tentoonstelling omvatte geheel ander soort werk dan ik voor Kavalierstart in gedachten had. De werken waren veel groter. Veel mensen associëren de jaren 80 met grootschalige kunst, maar ik wilde kleinere werken laten zien in Leverkusen. Ik zat zozeer met dat idee in mijn hoofd dat de schaal van de werken in Porto me simpelweg overweldigde.

K.B./D.P.: De tentoonstelling van Loock handelde heel erg over ‘de plaats van de kunst’, jouw tentoonstelling gaat daarentegen over ‘de terugkeer van het beeld’. Mag je stellen dat in The Eighties. A Topology een Europees perspectief de voorkeur kreeg en in Kavalierstart een Amerikaans?

S.K.: Ik ben het daarmee eens. Misschien is Reinhard Mucha de enige kunstenaar in Kavalierstart wiens werk verband houdt met het thema van de plaats van de kunst.

K.B./D.P.: Er zijn ook punten van overeenkomst tussen de twee tentoonstellingen. Ze hanteren beide een ‘topologisch’ uitgangspunt. In Porto werden de werken van de kunstenaars zelfs gegroepeerd volgens hun land van herkomst.

S.K.: Zoals ik al heb uitgelegd is Kavalierstart slechts ‘topologisch’ op een secundair niveau. Ik heb die keuze gemaakt om praktische redenen en omwille van de helderheid van het betoog.

K.B./D.P.: De kleuren die gekozen zijn voor de covers van de catalogi zijn ook nogal verwant: roze in het geval van The Eighties in Porto, roze-achtig paars in het geval van Kavalierstart.

S.K.: We hebben niet naar de catalogus van Porto gekeken. Weten jullie waar de kleur van onze catalogus vandaan komt? Van een Adidas trainingspak in paars en crème. We kwamen erop toen we samen met de vormgevers via Google aan het zoeken waren. Omdat crème en paars nogal overdreven leek, zijn we beland bij dit heel mooie ‘roze-achtige paars’. Het is dus een volledig subjectieve beslissing, gebaseerd op mijn persoonlijke voorkeur.

K.B./D.P.: Een laatste punt van vergelijking betreft de manier waarop beide tentoonstellingen beginnen: met de Inflammatory Essays (1978-1979) van Jenny Holzer. In Porto werden die gecombineerd met een werk van Niek Kemps, om het verschil tussen een Amerikaanse en een Europese gevoeligheid te illustreren. De ene gericht naar de publieke omgeving, de andere in zichzelf besloten.

S.K.: Ik had een heel andere reden om het werk van Holzer aan het begin van het tentoonstellingsparcours te presenteren. De affiches zijn oorspronkelijk voor de openbare ruimte geconcipieerd: ze werden op straatmeubilair geplakt en op buitenmuren van gebouwen in New York… In Museum Morsbroich is de ingang de enige plek waar je nog niet het gevoel hebt dat je ‘binnen’ bent, en er nog steeds een verbinding is met de straat.

 

3. De terugkeer van het beeld

K.B./D.P.: Hoe ben je bij de titel van de tentoonstelling uitgekomen?

S.K.: Aanvankelijk wilde ik de tentoonstelling Verkommene Söhne, Missratene Töchter [Verdorven Zonen, Eigenzinnige Dochters] noemen – wat uiteindelijk de titel is geworden van mijn tekst in de catalogus – omdat zo de breuk met de oudere generatie werd opgeroepen. Maar op een gegeven moment zat ik bij een vriend in de auto, en ineens kwam het beeld van een Kavalierstart [Vliegende start] in me op. Ik vond het een heel goede titel omdat de doorbraak naar iets nieuws gesuggereerd wordt – een breuk – maar ook omdat het een beeld is. Het past bij het centrale punt van mijn tentoonstelling – de terugkeer van het beeld – terwijl tegelijkertijd de nadruk wordt gelegd op de breuk met de conceptuele, op tekst gebaseerde kunst van de jaren 70.

K.B./D.P.: Kan je iets zeggen over de manier waarop je de werken geselecteerd hebt?

S.K.: Ik ging doelbewust op zoek naar werken die gemaakt zijn aan het begin van de carrière van de kunstenaar of naar werken die dat gevoel van een nieuw begin uitdragen. 

K.B./D.P.: Kan je voorbeelden geven?

S.K.: Een voorbeeld is Schornstein uit 1979 van Katharina Fritsch. Het is een van haar eerste werken; ze studeerde nog aan de kunstacademie toen ze het maakte. In tegenstelling tot veel van haar latere objecten is het geen multipel, maar een uniek werk, en het heeft een ambachtelijke kwaliteit die nagenoeg afwezig is in haar latere werk. In andere werken in de tentoonstelling wordt een gelijkaardig gevoel van een begin op andere manieren overgedragen, bijvoorbeeld door de schaal of de specifieke media waarin ze zijn uitgevoerd; voorbeelden zijn hier de boeken en stickers van Martin Kippenberger, de boekontwerpen van Rosemarie Trockel en de flyers van Raymond Pettibon. In veel gevallen kreeg ik echter niet wat ik wilde. Het blijkt niet makkelijk te zijn om een tentoonstelling op te zetten met werken die vroeg in de carrière van een kunstenaar tot stand zijn gekomen.

K.B./D.P.: Waarom niet? 

S.K.: De kunstenaars waren jong toen ze deze werken maakten. Ze hadden geen archief en geen assistent die zich om het werk bekommerde. Niemand wist bijvoorbeeld waar Maschinen zur Abbau der Ausstellung Elend van Georg Herold was. Soms bestonden de werken niet eens meer, wat het geval was met Flugzeug (Airplane) (1981) van Reinhard Mucha, een installatie die bestond uit meubelstukken, een ladder en een ventilator. Ik kende het werk van een zwart-witfoto in de catalogus van een groepstentoonstelling in de Staatliche Kunsthalle in Baden-Baden, met acht kunstenaars die meededen aan de wedstrijd voor het Annemarie- und Will-Grohmann-Stipendium. Maar Mucha vertelde me dat het werk slechts een paar dagen bestaan had; met het oog op het stipendium was het in een ruimte in de academie in Düsseldorf geïnstalleerd en vervolgens afgebroken. In een aantal gevallen moest ik dus op zoek naar alternatieven – in dit specifieke geval koos ik voor een ander vroeg werk met meubilair, Flak (1981/1987).

K.B./D.P.: Je hebt ook twee werken geselecteerd die Dan Graham en John Baldessari in het midden van hun carrière maakten. Is het niet vreemd dat deze twee oudere, ‘conceptuele’ kunstenaars in een tentoonstelling zijn opgenomen die zozeer de nadruk legt op de notie van de breuk?

S.K.: Nee, omdat deze twee werken in mijn ogen illustratief zijn voor dezelfde paradigmawisseling. Het werk van Dan Graham, Alteration of a Suburban House (1978), kan gezien worden als een bewerking van zijn ‘tijdschriftwerk’ Homes for America, dat in 1965 in het tijdschrift Arts Magazine werd gepubliceerd en waarin hij de huisvesting in buitenwijken met minimal art vergelijkt. Het is ook een van de eerste werken waarin Graham een maquette gebruikt. Blasted Allegories (1978) van John Baldessari is erg belangrijk voor de tentoonstelling vanwege de meervoudige betekenissen die het werk oproept. Baldessari speelt in dit werk met het ‘gevaarlijke’ allegorische potentieel van beelden – vandaar de titel Blasted Allegories. Hij onderzoekt de mogelijkheid om complexe en veelzijdige betekenissen te genereren. Die idee van de complexiteit en polyvalentie van beelden ligt ook ten grondslag aan het werk van de jongere kunstenaars in de tentoonstelling.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven?

S.K.: Neem bijvoorbeeld de korte 16mm-film The Jump (1978) van Jack Goldstein. The Jump toont het schimmige, abstracte silhouet van een springende duiker tegen een ongedefinieerde blauwe achtergrond – de duikplank en de hele omgeving zijn uit het beeld gefilterd. Goldstein is een van de jongere kunstenaars in de tentoonstelling die beelden behandelt als culturele constructies die niet naar de werkelijkheid verwijzen, maar uit tekens bestaan. In die zin illustreert hij net als Baldessari het semiotische gezichtspunt van de tentoonstelling. Het is veelzeggend dat Douglas Crimp zijn catalogustekst voor de belangrijke tentoonstelling Pictures (Artists Space, New York, 1977) aanvat met een verwijzing naar deze film van Goldstein – alhoewel het werk indertijd niet eens af was! Crimp gebruikt de film om aan te geven dat achter ieder beeld een ander beeld zit. De tentoonstelling Pictures is een belangrijk referentiepunt voor Kavalierstart. In Pictures was werk te zien van kunstenaars die zich met beelden bezighouden in relatie tot een wereld die gedomineerd wordt door de massamedia; het was de eerste groepstentoonstelling waarin dit soort kunst een podium kreeg én van een theoretisch kader werd voorzien. In zijn tekst voor de catalogus ontleedt Crimp het beeld voor het eerst in semiotische termen, en niet in termen van representatie. Hij beschrijft de beelden die deze kunstenaars gebruiken als culturele constructies. Volgens mij gaat deze opvatting op voor zowel de oudere als de jongere kunstenaars in Kavalierstart.

K.B./D.P.: Zou je ook kunnen stellen dat de Amerikaanse kunstenaars in de tentoonstelling beelden als talige realiteiten behandelen — wat hun werk verbindt met de benadering van de conceptuele kunstenaars? 

S.K.: Ik vind ‘tekens’ een betere term dan ‘taal’. Ik denk dat er een cruciaal verschil is tussen de notie van het teken, die ten grondslag ligt aan het werk van deze kunstenaars, en de taal zoals die door de conceptuele kunstenaars werd gebruikt. De kunstenaars in de tentoonstelling beschouwen beelden als iconische tekens. Ze hebben de noties van de dematerialisatie en de verbalisering van de conceptuele kunst in het achterhoofd en dat laat hun toe om een bepaald type beelden te produceren. Het produceren van die beelden op die manier is iets nieuws. Er is sprake van een breuk.

K.B./D.P.: Het thema van de terugkeer van het beeld is duidelijk aanwezig in het werk van de Amerikaanse kunstenaars zoals Jack Goldstein, Louise Lawler, Richard Prince, Cindy Sherman en James Welling. Het is soms minder duidelijk als je naar het werk van de Duitse kunstenaars kijkt. We denken dan vooral aan het bij uitstek beeldloze werk van één kunstenaar: Reinhard Mucha.

S.K.: Er komen heus wel beelden in zijn werk voor. Een van de werken in de tentoonstelling – Ohne Titel (Wand – Kunst- und Museumsverein Wuppertal – 1978) (1985) – bestaat uit enorme vitrines waarin verschillende materialen en documenten getoond worden die in verband staan met een tentoonstelling van de klas van Klaus Rinke, die Mucha’s docent was in de academie van Düsseldorf. De tentoonstelling vond in 1978 plaats in de Kunst- und Museumsverein in Wuppertal. Onder die materialen bevinden zich ook foto’s van de tentoonstelling in 1978.

K.B./D.P.: Maar de vitrines stralen afwezigheid uit. De foto’s en documenten worden door het niets van deze lege toonkasten opgeslokt. Het is moeilijk om dit werk te relateren aan een tentoonstelling over de terugkeer van het beeld.

S.K.: Je moet rekening houden met de manier waarop het beeld in deze tentoonstelling gedefinieerd wordt. Je moet het beeld hier niet zien in de klassieke zin van representatie of reproductie. Het beeld moet beschouwd worden als een constructie van tekens. De tentoonstelling stelt een semiotische visie op het beeld voor en ik denk dat dat standpunt door Mucha gedeeld wordt.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

S.K.: Tussen de documenten die deel uitmaken van het werk, bevinden zich foto’s, een lijst van de deelnemers en een plattegrond van de tentoonstelling in Wuppertal. Als je die documenten goed bekijkt, stel je vast dat er 24 kunstenaars aan de tentoonstelling deelnamen, terwijl de Kunst- und Museumsverein slechts over 23 muren beschikte. Mucha voegde een muur toe, die de ramen blokkeerde en waarop het werk van een van zijn medestudenten, Isolde Wawrin, werd opgehangen. Hij focust op de structuur van het tentoonstellen, op het tonen en presenteren van kunst. Dat doet hij voorts ook door de foto’s en documenten in enorme, donkere toonkasten met dikke lijsten te tonen, en ze in veellagige structuren te verpakken. Zijn werk mag dan leeg en beeldloos lijken, het toont wel degelijk hoe beelden werken. Die nadruk op de structuur van de zichtbaarheid vind je ook terug in werken van andere kunstenaars in de tentoonstelling, zoals Mann in Matsch (1982) van Thomas Schütte, waarin een klein figuurtje op een enorme, complexe, podiumachtige structuur geplaatst is, of de tafel met multipels van Katharina Fritsch. Fritsch benadrukt steeds hoe dingen tentoongesteld worden – op tafels, op planken of op verschillende soorten sokkels. Al deze werken scheppen een afstand waardoor de structuur van het medium op de voorgrond treedt. Voor mij getuigt dit van een semiotische benadering die de Duitse kunstenaars delen met de Amerikaanse.

K.B./D.P.: Een andere ‘onverwachte’ genodigde is Martin Kippenberger. Hij is de enige schilder in de tentoonstelling.

S.K.: Ik beschouw hem niet als een schilder.

K.B./D.P.: Waarom niet?

S.K.: Er is slechts één schilderkunstig werk van Kippenberger in de tentoonstelling – de twaalfdelige serie Hoch und tief II – en zelfs uit dat werk blijkt duidelijk dat Kippenberger geen pure schilder is. Hij gebruikt schilderkunst als een taal van tekens. Verder ben ik ook geïnteresseerd in het gevoel voor ironie dat uit zijn boeken spreekt, zoals Unordentlich, aber in Ordnung, 50iger, 60iger, 70iger von Kippenberger (1979), en dat je ook terugvindt in de stickers uit de serie Vom Eindruck zum Ausdruck – ¼ Jahrhundert Kippenberger (1979). Zijn ironische houding komt vooral tot uiting in de manier waarop hij beelden uit allerlei soorten bronnen verzamelt en als het ware aaneenplakt tot zijn eigen biografie. Vooral de stickers illustreren die idee heel goed; het is immers de bedoeling dat je ze in boeken steekt en daardoor makkelijk kwijtraakt. Je vindt dezelfde ironische houding in werken van andere kunstenaars in de tentoonstelling, zoals Georg Herold, Raymond Pettibon en Fischli & Weiss. Wat die laatsten betreft: niet alleen hun ironie maar vooral hun theorie van de ironie vind ik belangwekkend. Ik denk dat er een sterke relatie bestaat tussen ironie en het semiotische perspectief van de tentoonstelling.

K.B./D.P.: Op welke manier?

S.K.: Je moet over een diep inzicht in de structuur van de taal beschikken – de taal in algemene zin, inclusief alle soorten iconische talen en systemen van tekens – om ironisch te kunnen zijn. Of, om het om te keren: ironie is een manier om afstand te nemen, om zo over de structuur van taal te kunnen nadenken.

 

4. Epiloog

K.B./D.P.: In het verleden heb jij je beziggehouden met de schilderkunst uit de jaren 80, via jouw proefschrift over Wolfgang Max Faust, de grote apologeet van het nieuwe schilderen. Maar in Kavalierstart zijn de schilders van de Keulse groep Mülheimer Freiheit of de Berlijnse groep rondom Galerie am Moritzplatz geheel afwezig. Waarom?

S.K.: Ik hield me niet bezig met de kunstenaars voor wie hij het opnam. Fausts geschriften waren mijn onderwerp, wat impliceert dat ik een metastandpunt innam: het ging mij om zijn manier van denken.

K.B./D.P.: Maar hoe zie jij de relatie tussen de kunst waar Faust zich over uitsprak – de Neue Wilde, Heftige Malerei, de Transavanguardia – en de werken in Kavalierstart? 

S.K.: Voor mij zijn ze onderdeel van dezelfde culturele verschuiving die in de tentoonstelling gethematiseerd wordt. Rainer Fetting schilderde zijn programmatische werk, Van Gogh und Mauer, in 1978. Achille Bonito Oliva publiceerde in datzelfde jaar zijn tekst over de Transavanguardia in Flash Art. In deze en andere teksten die rond 1980 verschenen, ontwikkelde Oliva het beeld van de kunstenaar als een nomade die de eeuwen doorkruist, her en der allerlei elementen oppikt, en fragmenten en structuren uit verschillende artistieke talen met elkaar combineert en vermengt. Het feit dat men nu kan putten uit alle mogelijke artistieke talen – inclusief het modernisme – heeft zijn oorsprong in de periode rond 1980 en was onderdeel van dezelfde bredere verschuiving. 

K.B./D.P.: In het begin van je loopbaan verrichtte je onderzoek naar een criticus die het nieuwe schilderen verdedigde. Later raakte je geïnteresseerd in een ander soort kunst uit dezelfde periode – de kunst die in Kavalierstart wordt getoond. Kan je daaruit toch niet opmaken dat jij je houding ten aanzien van het nieuwe schilderen enigszins hebt bijgesteld? 

S.K.: Noemi Smolik schrijft in de catalogus dat de schilderkunst voor veel schilders uit de jaren 80 een doodlopend straatje is gebleken. Ik denk dat ik het daarmee eens ben. Ik geef de voorkeur aan het meer gecompliceerde en rijkere gezichtspunt van de kunstenaars die met beelden werken. Wat niet wil zeggen dat er door schilders in de jaren 80 geen interessant en complex werk is voortgebracht. Ik heb simpelweg een andere keuze gemaakt.

K.B./D.P.: Misschien staat de kunst van de Neue Wilde, Heftige Malerei en Transavanguardia voor een grotere breuk dan de kunst in Kavalierstart. Veel van de nieuwe schilders trokken zich niets aan van het gewicht van de traditie. Ze begonnen gewoon weer te schilderen, alsof er in de voorafgaande decennia niets gebeurd was.

S.K.: Zo leek het misschien voor het bredere publiek, omdat deze kunstenaars onmiddellijk en op een heel grote schaal gerecipieerd werden. De nieuwe schilderkunst stond vanaf het begin volop in de aandacht. Het nieuwe fenomeen werd in prestigieuze tentoonstellingen voor het voetlicht gebracht. Maar misschien hebben jullie gelijk: het is makkelijk om ergens mee te breken als je de traditie niet kent of als je weigert om je ertoe te verhouden. Het is veel moeilijker als je je er wel bewust van bent.

 

Transcriptie: Rose Borg

Redactie in het Engels: Dirk Pültau

Correctie van het Engels: Jim O’Driscoll & Lynne O’Driscoll

Vertaling uit het Engels: Gerrie van Noord

 

De tentoonstelling Kavalierstart 1978-1982. Aufbruch in die Kunst der 80er liep van 20 april tot 20 juli 2008 in Museum Morsbroich, Gustav-Heinemann-Straße 80,
 51377 Leverkusen (0214 85556-0; www.museum-morsbroich.de).

 

Gesprek met Luc Tuymans

Koen Brams/Dirk Pültau: We willen het hebben over het moment waarop jij naar je schilderijen kijkt en naast maker ook toeschouwer van je werk wordt. Maar misschien moet je eerst jouw werkwijze toelichten?

Luc Tuymans: Hoe ik te werk ga? Het eerste wat ik moet zeggen, is dat elk beeld tot in de puntjes is vastgelegd. Het voorwerk is heel belangrijk.

K.B./D.P.: Ook alle picturale details zijn vooraf bepaald?

L.T.: Alles staat op papier. Ik moet het beeld enkel nog schilderen. Liefst wordt het zo zuiver mogelijk en zonder storingen uitgevoerd. Als ik begin te schilderen ben ik meestal erg zenuwachtig. Dat gevoel wijkt pas als ik halverwege het schilderij ben en de indruk krijg dat het me gaat lukken. Dan begin ik te genieten van wat ik aan het doen ben.

K.B./D.P.: Alles ligt dus vast vooraleer je begint te schilderen?

L.T.: Op één parameter na: het formaat. Ik heb de grootte ongeveer in gedachten, maar eens het beeld in de natte verf wordt getekend kan het een beetje groter of kleiner worden. Je hebt een beeld pas écht in de greep wanneer je er letterlijk tegenover staat. Misschien klinkt dat archaïsch, maar het is net als bij muurschilderingen: je moet fysiek voor het beeld gaan staan om er vat op te krijgen.

K.B./D.P.: Maak jij notities voor je een beeld schildert?

L.T.: Nee. Maar elke beeldreeks is natuurlijk het resultaat van een mentaal prcoes. Er gaat een proces van kritiek of censuur aan vooraf – een moeilijke oefening.

K.B./D.P.: Wat komt dan eerst? Waar begint een werk?

L.T.: Bij een idee, bijvoorbeeld, om een reeks over de jezuïeten te maken.

K.B./D.P.: En hoe kom je aan zo’n idee?

L.T.: Wel… het thema van de jezuïeten overviel mij toen ik onder de douche stond tijdens een colloquium over de laatste Biënnale van Venetië, waarbij Robert Storr instond voor de centrale tentoonstelling. Er was een Indische kunstenaar, Sala M. Hassan, die de politiek correcte toer opging. Hij hield een half versneden marxistisch betoog. Ook Paulo Herkenhoff en Gerardo Mosquera waren er. Ze kwamen zéér genuanceerd uit de hoek. Echte jezuïeten, dacht ik. Daarnaast is er het feit dat ik leef in een land waar drie kwart van de machtsposities worden ingenomen door mensen die bij de jezuïeten op school zijn geweest, wat mij altijd heeft gefascineerd. Ik ben boeken beginnen te lezen over de geschiedenis van de jezuïetenorde, zoekend naar bruikbare elementen, naar manieren om het thema uit te diepen. Via de jezuïeten kwam ik trouwens bij Disneyland terecht, het thema van mijn volgende tentoonstelling bij David Zwirner in februari 2008.

K.B./D.P.: Als we ons niet vergissen maak jij een schilderij op een dag. Klopt dat?

L.T.: Ja. Maar de hele week wordt in functie van dat ene schilderij ingezet.

K.B./D.P.: Wat doe je als het schilderij af is?

L.T.: Dan kijk ik ernaar, gedurende minstens twee uur. Vervolgens verlaat ik mijn atelier. Niet zelden ga ik stevig drinken. Alcohol helpt om afstand te nemen. De ochtend nadien keer ik terug naar het atelier, en zie ik het werk in licht benevelde toestand.

K.B./D.P.: Laat je een werk soms meerdere dagen of weken rusten?

L.T.: Nee, als ik met een schilderij bezig ben, sta ik zo onder spanning dat ik het geen week uithoud. Maar het werk blijft in mijn atelier terwijl ik aan een volgend schilderij werk. Mijn huidig atelier is immers groot genoeg.

K.B./D.P.: Terug naar die fameuze ochtend… Hoe kijk je naar het werk?

L.T.: Enerzijds focus ik op het beeld als geheel. Hoe dient het beeld zich aan? Hoe functioneert het vanop afstand… en hoe valt het uiteen in zijn componenten van zodra je dichter komt? Anderzijds wordt het beeld volledig gescand. Ik speur naar details die misschien niet de juiste aandacht hebben gekregen. Vooral de hoeken, de uiteinden van het schilderij, zijn belangrijk. Zelfs in werken van een goed schilder – Rubens bijvoorbeeld – zijn de hoeken vaak zwakkere zones.

K.B./D.P.: Een goed schilderij spant zich op in zijn kader. Bedoel je dat?

L.T.: Ja, maar ik moet nog vermelden dat ik nooit op een opgespannen doek werk. Soms duurt het een maand vooraleer een doek opgespannen wordt, doorgaans naar aanleiding van een tentoonstelling, en dan neem ik meteen een hele groep werken onder handen. Er is dus nog een tweede moment waarop ik als kijker voor het werk kom te staan: als het beeld opgespannen is.

K.B./D.P.: Wat gebeurt er dan?

L.T.: Een heel vreemde ervaring. Plots krijg je het beeld volledig te zien. Een schilderij dat niet opgespannen is, behoudt een grotere openheid. Eens op het spieraam aangebracht spreidt zich een waas over het doek die je met een vernislaag kan vergelijken. Als geheel wordt het beeld scherper.

K.B./D.P.: Het beeld springt naar voor?

L.T.: Ja, zo’n 3,5 centimeter. Het wordt een object. Overigens, er gebeurt iets gelijkaardigs als je een doek dat tegen de muur leunt áán de muur bevestigt. Of als je de hoogte van een doek verandert. Een portret lijkt te groeien als je het iets hoger hangt.

K.B./D.P.: Is dat geen risico, je werk opspannen vlak voor een tentoonstelling?

L.T.: Nee, eigenlijk niet, ik werk al zo lang dat ik het effect goed kan inschatten. Een beeld wordt gewoon beter als het opgespannen is. Ik heb zelden meegemaakt dat het implodeert. Ik moet wel zeggen dat ik vaak een potloodlijn rond een beeld trek en daar een witte band omheenschilder, om de focus van het beeld op een spieraam op te roepen. Desnoods kan ik dan nog een stuk wegnemen. Voorts is er nog een praktische kwestie, namelijk dat sommige werken zo groot zijn dat ze in opgerolde toestand vervoerd moeten worden, het stilleven voor Documenta 11 bijvoorbeeld. Volgend jaar ga ik bij David Zwirner nog grotere werken tonen. Alice in Wonderland wordt een reusachtig doek.

K.B./D.P.: Als het werk in een museum of bij een verzamelaar hangt, word je een derde keer met je werk geconfronteerd.

L.T.: Ik exposeer nu in de Hayward Gallery, mijn werken zijn voor een deel verspreid in de collectie, ze hangen tussen werken van hoge kwaliteit van Malcolm Morley, Richard Hamilton, Andy Warhol. Een boeiende test om te zien of ze standhouden. Bij verzamelaars ga ik echter altijd met de rug naar mijn werken zitten.

K.B./D.P.: Waarom?

L.T.: Ik blijf voortdurend fouten opmerken. Er hangt ook geen enkel werk bij mij thuis.

K.B./D.P.: Wat noem jij fouten?

L.T.: Je merkt soms dat je een stap verder had kunnen zetten… Ik denk ook dat een goed schilderij nooit af is.

K.B./D.P.: Op jouw tentoonstellingen heb je daar geen last van?

L.T.: Nee, want ik bouw ze zelf op. Zeker in mijn solotentoonstellingen kan ik een eigen discours ontwikkelen. Maar ik vind ook dat het een groot verschil is of je een werk in een institutioneel of in een huiselijk kader bekijkt. In een huis komt er altijd een dosis voyeurisme bij kijken, zeker in de Verenigde Staten, waar de verzamelaars zelfs hun slaapkamer laten zien. Daar hangt namelijk ook nog een werk… Echt gênant.

 

 

Het zelfportret

 

K.B./D.P.: Je hebt heel vroeg – in 1977 en 1978 – twee zelfportretten gemaakt.

L.T.: Een werk met een gezicht gekleefd op karton en een schilderij op doek. Dat laatste werk is mijn allereerste zelfportret. Ik heb in die tijd veel zelfportretten gemaakt, maar de twee werken zijn de enige die daarvan overgebleven zijn. Al de rest is vernietigd.

K.B./D.P.: Kan je iets over jouw eerste zelfportret uit 1977 zeggen?

L.T.: Eigenlijk was het op een kwartier geschilderd. Toen was het op zijn best… maar ik kon niet geloven dat je in een kwartier een schilderij kon maken. Ik bleef eraan prutsen. Zo heb ik het natuurlijk verknoeid. Pas drie maanden later had ik iets dat leek op wat er al was in het begin.

K.B./D.P.: Je hebt met dat schilderij een prijs gewonnen.

L.T.: Als beloning kreeg ik een boek van James Ensor. Ensor bleek op 18-, 19-jarige leeftijd een werk te hebben geschilderd dat precies was opgevat als het mijne. Terwijl ik de hele tijd had gedacht dat ik iets origineels had gepresteerd!

K.B./D.P.: Waarom wilde jij jezelf schilderen?

L.T.: Ik werd aangetrokken door het getormenteerde van een zelfportret.

K.B./D.P.: Het zelfportret als een geloofsbrief, als het summum van zelfexpressie?

L.T.: Ja, ik wilde een authentiek beeld maken. Natuurlijk ben ik daar niet in geslaagd. Een authentiek beeld van jezelf maken: het is nogal overmoedig om te denken dat zoiets kan. Maar zo gaat dat als je jong bent. Je wil het allemaal wat te groots aanpakken. Je bent kwetsbaar en onschuldig – dat komt later nooit meer terug.

K.B./D.P.: Je vertelde al hoe methodisch je tegenwoordig te werk gaat. Hoe ging dat ten tijde van jouw eerste zelfportret?

L.T.: Toen werkte ik heel gestueel en intuïtief. Met veel kleur. Op een bepaald moment is dat veranderd en kreeg het schilderen iets existentieels. Dat werd op de duur verstikkend. Ik heb toen beslist om te stoppen met schilderen en mij voor een tijd met film bezig te houden, om afstand te nemen, en om dan naar de schilderkunst terug te keren.

K.B./D.P.: Heb je later nog zelfportretten geschilderd?

L.T.: Ja, een reeks aquarellen, tekeningen en gouaches. Maar ik heb veel zelfportretten vernietigd. In 1993 heb ik nog één zelfportret geschilderd, maar dat kan je niet vergelijken, dat is eigenlijk geen echt zelfportret.

K.B./D.P.: In welke zin?

L.T.: Omdat het zeer onthecht is. Ik bedoel: je wordt niet met de geportretteerde geconfronteerd. De figuur wordt zijdelings in beeld gebracht en verschijnt vanachter een venster.

K.B./D.P.: We hadden het over jouw blik op je werk. Bij een zelfportret komt daar nog bij dat je naar jezelf kijkt.

L.T.: Zo ervaar ik dat absoluut niet. Nee, als ik mezelf schilder is het net alsof ik met een naaktmodel werk. Ook dan beeld je geen levende persoon af. De persoon wordt een object. Ik heb altijd een hekel gehad aan psychologische portretten. Psychologie interesseert mij absoluut niet.

K.B./D.P.: Wissel je tijdens het schilderen met anderen van gedachten.

L.T.: Nooit. Schilderen is een eenzame en zwijgzame bedoening.

K.B./D.P.: Maar je spreekt toch met anderen over je werk?

L.T.: Absoluut. Ik vind het heel belangrijk om die openheid te behouden.

K.B./D.P.: Wanneer vindt er dan een dialoog plaats? In welke fase?

L.T.: Bij de beeldselectie. Tijdens dat proces discussieer ik, met mijn vrouw of met vrienden. We wegen de pro’s en de contra’s af van de beelden die in aanmerking komen om geschilderd te worden.

K.B./D.P.: En als het werk af is? Neem je soms iemand mee als je ‘s ochtend naar je werk gaat kijken?

L.T.: Nooit! Ik wil het werk eerst alleen zien.

K.B./D.P.: Zodat je het nog kan verwerpen?

L.T.: Als ik twijfel, vraag ik eerst de mening van anderen. Maar wat ik slecht vind, komt niet naar buiten. Zelfs al valt het bij anderen in de smaak.

K.B./D.P.: En eens het werk is goedgekeurd?

L.T.: Dan wil ik het laten zien, dat is evident. Dan toon ik het aan de mensen van wie ik de mening belangrijk vind.

K.B./D.P.: En wat gebeurt er dan? Hoe beleef jij die eerste feedback?

L.T.: Dat is alsof je naar het werk kijkt door de ogen van iemand anders. Je begrijpt pas écht het effect van je werk.

K.B./D.P.: Heb jij ooit het gevoel gehad dat iemand naar je werk kijkt op dezelfde manier als jij?

L.T.: Zoiets lijkt mij moeilijk voorstelbaar, nee… Er zijn mensen die dingen zien die ik niet zie, en dat verrast mij altijd. Maar iemand die kijkt op dezelfde manier? Die persoon ben ik nog niet tegengekomen.

K.B./D.P.: Je zou je kunnen voorstellen dat dat onder kunstenaars wel voorkomt.

L.T.: Nee, niet echt. Wat je wel vaak hebt tussen schilders is een soort stilzwijgende verstandhouding. Schilders kijken op een specifieke manier naar schilderijen, hun blik laat zich met niets of niemand vergelijken. Ik heb dat heel sterk met Jan Van Imschoot. Als wij naar elkaars werk kijken is het alsof we weten wat we zien. Ons denken loopt voor een stuk parallel.

K.B./D.P.: Heeft hij een impact op jouw werk?

L.T.: Ik weet het niet.

K.B./D.P.: Of, meer in het algemeen, wat voor impact hebben de gesprekken met andere kunstenaars op je werk?

L.T.: Moeilijk te zeggen… Er zijn mensen geweest die voor mij heel belangrijk zijn geweest, als mens dan… en daar staat je werk natuurlijk niet los van. Maar dat is tamelijk ongrijpbaar.

K.B./D.P.: Zou je daar een voorbeeld van kunnen geven?

L.T.: Marc Schepers ken ik al heel lang. Hij is een jeugdvriend van mij. Hij was op zijn zestiende lid van de RAL – de Revolutionaire Arbeidersliga. Daarna is hij kunstenaar geworden en heeft hij in Antwerpen Ruimte Morguen opgericht waar ik mijn eerste solotentoonstellingen had. Samen lazen wij boeken, wij brainstormden uren… Via hem leerde ik Ernst Bloch en een groot stuk van de Duitse filosofie kennen, want hij woonde in Duitsland waar zijn vader als beroepsmilitair was gelegerd.

K.B./D.P.: Hoe heeft zich dat in jouw werk vertaald?

L.T.: Mijn argwaan tegenover beelden is ondenkbaar zonder Ernst Bloch. Aesthetik des Vor-Scheins van Bloch is een van mijn lijfboeken.

K.B./D.P.: Hoe heeft jouw sociabiliteit als kunstenaar zich ontwikkeld?

L.T.: Als beginnend kunstenaar werk je in een zelfgekozen isolement. Van zodra je succes krijgt, kom je in een publiek isolement terecht.

K.B./D.P.: Jij praat nu minder vaak met kunstenaars over je werk?

L.T.: De peers zijn er niet meer, zegt mijn vrouw altijd. Vroeger sprak ik geregeld met een aantal mensen af, zoals Bert De Beul en Stefaan Vermuyten, om te praten over wat we van plan waren. Op een gegeven moment kwam het succes en is er een breuk ontstaan. Ik heb er niet op aangestuurd, dat is gewoon gebeurd. Sindsdien ben ik dus in een publiek isolement beland.

K.B./D.P.: Maar je bent nog naar gesprekspartners op zoek?

L.T.: Jazeker, en nogal wanhopig zelfs. Het spijtige is dat er in België nauwelijks mensen rondlopen die in een situatie zitten die vergelijkbaar is met de mijne, ik bedoel: de situatie van een beroemd kunstenaar wiens naam over de tongen gaat. In New York zou ik kunnen praten met Alex Katz, Chuck Close, Elsworth Kelly, Brice Marden, Ed Ruscha. Wij appreciëren elkaars werk. Maar ik zie ze hooguit op vernissages en dat is niet de plek voor een goed gesprek.

K.B./D.P.: Met wie heb je vandaag nog contact?

L.T.: Zoals gezegd, met Jan Van Imschoot. Hij is een van de weinigen. Daarnaast Vincent Geyskens. En mijn vrouw natuurlijk, die ook kunstenaar is. Ik heb sinds kort ook goede gesprekken met Tommy Simoens, een kunstenaar van rond de 25, een heel slimme jongen, vind ik.

K.B./D.P.: En zo houd je een kritisch klankbord?

L.T.: Ik werk daaraan, ja, ik heb dat nodig. Ik kijk met verbazing naar een levende mythe als Robert Ryman, die steeds diezelfde werken maakt… en dan nog standvastig en consequent wordt genoemd, het beste bewijs van het conservatisme en het fetisjisme in de kunstwereld. Of naar dat soort beschermde figuren die omringd worden door mensen die alles fantastisch vinden wat ze doen, waardoor elke zelfkritiek natuurlijk verdwijnt. Ik heb nooit gedacht dat ik geniaal ben. Ik geloof niet in de idee van de kunstenaar als een superindividu dat alles controleert. Maar er is ook een algemener probleem: de kunstwereld is steeds meer een zich uitbreidend circuit waarin iedereen van hot naar haar reist om zijn projecten te etaleren. Misschien is artistieke uitwisseling in het algemeen een zeldzaamheid aan het worden.

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Dirk Pültau

 

Het Onding Kunst

In 1982 werd Ruimte Morguen opgericht door Marc Schepers en Leen Derks. Het kunstenaarsinitiatief was eerst gevestigd in de Van der Keilenstraat 59, Borgerhout, later (en tot op heden) aan de Waalse Kaai 21-22, Antwerpen. Ruimte Morguen fungeert als een platform voor individuele exposities en groepstentoonstellingen, zowel van de oprichters en/of programmatoren van de Ruimte als van externe kunstenaars. Van 1 november 1985 tot 27 juni 1987 vond in Ruimte Morguen het project Het Onding Kunst plaats, waarover we met Marc Schepers volgend gesprek hadden.

1. Het manifest

Koen Brams/Dirk Pültau: Ruimte Morguen geeft in 1985 ruchtbaarheid aan Het Onding Kunst middels een advertentie, waarin sprake is van een ‘projectgroep’. Wie waren de leden van de projectgroep?

Marc Schepers: De projectgroep was een los-vast gezelschap. We hadden geen vergaderagenda, noch een vaste vergaderplek. De mensen die op een gegeven moment rond de tafel zaten, namen de beslissingen. Wie deed er zoal mee? Nadine Tasseel en Lode De Clercq, Paul De Vylder, Leen Derks en ikzelf. Lieven De Cauter en Leen De Backer waren op het einde ook af en toe van de partij, Jan Ceuleers en Johan De Vos eerder bij het begin van het project.

K.B./D.P.: Wat bond deze mensen? Was de chemie vriendschappelijk of programmatorisch?

M.S.: Wat ons had samengebracht, is goed verwoord in de advertentie die voor ons gelijkstond met een manifest: ‘de onmacht van de kunst, haar onmogelijkheid, haar onhoudbaarheid, haar elitarisme, haar onderworpenheid aan de macht’ enzovoort. Dezelfde onderwerpen kwamen tevens ter sprake in Fase 2, het tijdschrift van Ruimte Morguen waarvan de informele redactie door min of meer dezelfde projectgroep gevormd werd.

K.B./D.P.: De tekst van het manifest klinkt bijzonder negatief. ‘Haar onderlijf, haar ondervoeding, haar armoede, haar onmondigheid’: dat gaat allemaal over de kunst.

M.S.: Ja, zo dachten wij er toen over.

K.B./D.P.: ‘De acrobatieën, valstrikken en schermutselingen […] worden vanuit een multidisciplinaire invalshoek aangegaan’: dat lijkt een zin die rechtstreeks uit de koker van Paul De Vylder is gekomen.

M.S.: Dat kan kloppen, maar alle leden van de projectgroep konden zich vinden in de tekst van het manifest, al zaten we misschien niet op alle punten op exact dezelfde lijn.

K.B./D.P.: Op welke punten niet?

M.S.: Paul De Vylder was haast geobsedeerd door de recuperatie door het systeem. Ik was er zeker niet blind voor, maar het hield me minder bezig. Mag ik jullie er anderzijds op wijzen dat Paul op dat moment zelf zeer actief was als beeldend kunstenaar? Hij schilderde, tekende, graveerde, maakte objecten en stelde ook tentoon, onder andere in Galerie Cintrik in Antwerpen.

K.B./D.P.: Wat trok jou het meest aan in het programma van het manifest?

M.S.: Wat mij geweldig boeide was de volkskunst, de kitsch en de status van het beeld in een mediale samenleving.

K.B./D.P.: De onderwerpen die je noemt, maken inderdaad deel uit van het manifest, maar ze blijven op de achtergrond door het retorische geweld over ‘de onlevensvatbaarheid’ van de kunst, om nog een term uit het manifest te citeren. De grondtoon is zonder meer defaitistisch.

M.S.: Het Onding Kunst was een project waarmee we ons afzetten tegen het officiële circuit waarvan Jan Hoet voor ons de vaandeldrager was, maar het was ook een poging om aandacht te vragen voor ‘perifere’ kunst.

K.B./D.P.: Wat zag jij als ‘perifere’ kunst?

M.S.: Kindertekeningen bijvoorbeeld. Andere vormen die vanuit andere contexten tot stand worden gebracht. Naar mijn mening moesten we met Het Onding Kunst proberen om alternatieve kunstvormen voor het voetlicht te brengen.

K.B./D.P.: Die positieve instelling is ver te zoeken in het manifest. Voortdurend wordt immers gehamerd op de onmogelijkheid van de kunst.

M.S.: Dat is een feit. Ik kan dat niet ontkennen. Ik herinner me echter wel dat ik met veel plezier aan het project heb gewerkt. Ik heb zeker niets tegen mijn goesting gedaan, wel integendeel.

K.B./D.P.: In het manifest wordt ook een oproep tot samenwerking gedaan: ‘hierbij worden dan ook medewerkers gevraagd die bereid zijn hun vel te wagen’. Hebben jullie effectief reacties ontvangen?

M.S.: Jawel, Roland Van de Berghe benaderde ons bijvoorbeeld. Hij had van het project gehoord via Marcel Van Maele. We vonden zijn voorstel onsamenhangend en hebben het niet weerhouden. Danny Devos kwam met een uitstekend idee. Zijn project In memory of Ed Gein kreeg een plaats in Het Onding.

K.B./D.P.: Hoe hebben jullie het manifest verspreid?

M.S.: We hebben het voornamelijk in Antwerpen verspreid, ook in cafés.

K.B./D.P.: Wisten jullie op voorhand hoe het programma er zou uitzien?

M.S.: Nee, het is beetje bij beetje ontstaan.

2. De tentoonstellingen in Ruimte Morguen

K.B./D.P.: Het Onding Kunst vangt aan met de solotentoonstelling Mein van Gogh Museum van Hilmar Liptow. Hoe waren jullie bij hem uitgekomen?

M.S.: Hilmar Liptow verkeerde in de kringen van Dieter Hacker die samen met Andreas Seltzer de uitgever was van Volksfoto, een Duits tijdschrift voor en over fotografie dat ik op de voet volgde.

K.B./D.P.: Wat stelde Liptow tentoon?

M.S.: Hij presenteerde onder andere een installatie met uitsluitend gele voorwerpen. Ik herinner me dat het transport van Keulen naar Antwerpen verschrikkelijk was. De installatie was beneden te zien. Op de eerste verdieping waren er nog twee werken: het eerste handelde over kleurverschillen tussen reproducties van werken van Van Gogh; een ander werk had de schoenen van Van Gogh als thema. Liptow raakte interessante zaken aan: de mythe van het kunstenaarschap, authenticiteit, het originele versus de reproductie van kunst. Zoals ik al aangaf: als programmator kon ik echt wel mijn ei kwijt in Het Onding Kunst.

K.B./D.P.: Van 31 januari tot 1 maart 1986 vervolgt het project met een groepstentoonstelling, die bijdragen omvatte van Simone De Paepe, Carolien Stikker, Jacques Lizène, Bure-Soh, Alphonse Allais en Guy Schraenen.

M.S.: Nadine Tasseel was op het idee gekomen om de Brigitte Bardotimitaties van Simone De Paepe te tonen. De Paepe was actief als model in de academie van Mechelen. In haar vrije tijd voerde ze Bardot op zoals die op sommige foto’s was vastgelegd. Ze nam dezelfde poses aan en deinsde er zelfs niet voor terug om dezelfde dure kleren te kopen. We hebben het werk in plastic mapjes getoond die aan de muur waren bevestigd.

K.B./D.P.: De beschrijving doet aan het werk van Cindy Sherman denken.

M.S.: De vraag is of we toen al weet hadden van Cindy Sherman. Ik durf daar ontkennend noch bevestigend op te antwoorden.

K.B./D.P.: Beschouwde Simone De Paepe zich als een kunstenares?

M.S.: Neen, helemaal niet. Het initiatief om de oorspronkelijke foto’s van Brigitte Bardot en de imitaties van Simone De Paepe te tonen ging uit van Nadine Tasseel. Het was haar bijdrage tot de groepstentoonstelling. De Paepe is wel de tentoonstelling komen bezoeken.

K.B./D.P.: Jullie smokkelden De Paepe in de tentoonstelling omdat jullie er een andere betekenis aan gaven dan zijzelf.

M.S.: Een andere betekenis? Ik zou dat niet durven stellen. Iemand zoals Simone De Paepe wou ook bijzonder zijn door iets te doen. Ik zie de foto’s van De Paepe bij uitstek als voorbeelden van wat ik eerder omschreef als ‘perifere’ kunst.

K.B./D.P.: Was het voor jullie ook belangrijk dat het foto’s betrof die als het ware gekoloniseerd zijn door de beeldindustrie? Het gaat over de manier waarop iemand haar individuele beeldvorming letterlijk vastzet op een soort ideaalbeeld. Was die mediakritische agenda van belang?

M.S.: Absoluut, ja. Ik herinner me dat Johan De Vos geschreven heeft over Simone De Paepe.

K.B./D.P.: Johan De Vos? Hij was betrokken bij Ruimte Morguen en Fase 2. Jullie organiseerden dus deels jullie eigen kritiek?

M.S.: Ik zou de kunstgeschiedenis niet willen schrijven als dat soort verschijnselen niet in aanmerking mogen worden genomen. De Vos was trouwens niet de enige criticus die Ruimte Morguen op de voet volgde. Max Borka en Paul Huylebroeck, om slechts twee critici te noemen, schreven regelmatig artikels over ons programma.

K.B./D.P.: Kan je de rest van de tentoonstelling beschrijven?

M.S.: Paul De Vylder stelde voor om een werk van Alphonse Allais te tonen: Première Communion de jeunes filles chlorotiques par un temps de neige: een ‘werk’ dat Allais, een tijd- en geestesgenoot van Erik Satie, had bedacht in 1893. Een wit vel papier was met vier witte punaises op een witte muur vastgespijkerd. Allais stelde met heel veel humor zaken aan de kaak. Het was conceptuele kunst avant la lettre: aan de hand van de titel van het werk moest de toeschouwer zelf ‘het beeld’ projecteren op het lege blad. De hele tentoonstelling was in feite minimalistisch: van Jacques Lizène toonden we Tapisser le mot nul, een installatie met behangpapier waarop het woord ‘nul’ in patronen was gedrukt; Carolien Stikker bracht de video Girl Asleep: ze projecteerde Het slapend meisje van Vermeer op haar eigen portret. Stikker studeerde op dat moment in New York en had het werk opgestuurd per post.

K.B./D.P.: Wat was de bijdrage van Guy Schraenen?

M.S.: Hij had de advertentie gezien en kwam met een voorstel. Hij wilde op de muren bij de ingang slogans over kunst aanbrengen, zoals die van Klaus Staeck: Vorsicht Kunst. Het leek ons een zinnige bijdrage aan Het Onding. De Chinese kunstenares Gwek Bure-Soh deed haast het omgekeerde. Ze presenteerde een tekst naast een bandrecorder die het geluid liet horen van de typmachine waarmee de tekst geschreven was: Thoughts and action leading to a typewritten statement.

K.B./D.P.: In hoeverre paste de groepstentoonstelling binnen het concept van Het Onding Kunst?

M.S.: Met elk werk werd de boodschap gebracht dat alles kunst kan worden of zijn. Dat gebeurde bovendien met uiterst beperkte middelen. Dat laatste was zeer belangrijk voor ons.

K.B./D.P.: Opvallend is ook dat jullie bijdragen presenteerden van mensen die niet bekendstonden als kunstenaars, zoals Simone De Paepe en Guy Schraenen.

M.S.: Ja, ook Lode De Clercq, evenmin een kunstenaar, heeft meegedaan aan Het Onding Kunst. We zochten die grens bewust op. Het ging er voor ons meer om wat mensen te vertellen hadden dan om de kwalificatie ‘kunstenaar’. Ik kan nog een ander voorbeeld geven: voor de vijfde tentoonstelling in het kader van Het Onding benaderden we de Franse kunstenaar Paul-Armand Gette. Hij had het echter te druk op dat moment en suggereerde ons twee jonge Franse kunstenaars, studenten van hem: Pierre Antoine en François Elie. Wel, we zijn met hen in zee gegaan. Zij hebben samen met Didier Bay het vijfde luik ingevuld. Geweldig toch? Wij zagen het in ieder geval als een belangrijk statement van Gette in het kader van ons project.

K.B./D.P.: Even terug naar de derde episode van Het Onding: een tentoonstelling met werken van Paul De Vylder, Connie Fitzsimons en Bruce Meisner, en Charles François.

M.S.: We kozen voor drie politiek gelieerde statements. Paul De Vylder toonde zijn project Gjölbaschi, pyrogravures op dwangbuizen. Connie Fitzsimons en Bruce Meisner waren met De eed van de Horatiërs van Jacques-Louis David aan de slag gegaan. Ze presenteerden een kopie van het werk waarvan ze een formele analyse hadden gemaakt. De kopie was in een lichtbak gemonteerd die tegen een tekst hing die handelde over de betekenis van politieke kunst. De tekst vulde de gehele muur van de kamer op de eerste verdieping. Charles François ten slotte haalde José Fosty uit de vergetelheid – Fosty had in Buchenwald gezeten en er tekeningen gemaakt.

K.B./D.P.: Hoe kenden jullie François?

M.S.: Jacques Lizène kende hem. Hij was net als Lizène een Luikenaar. François was geen kunstenaar, maar een verzamelaar. Bij de tekeningen van Fosty had hij een tekst geschreven.

K.B./D.P.: Aan de vierde tentoonstelling nemen jij en Lode De Clercq deel.

M.S.: Ik presenteerde Dreamtime (250 Neue Wilde oder Büroarbeit und Langeweile), Lode toonde Le musée imaginaire. Zijn werk focuste op de rol van het museum: hoe een object gepresenteerd wordt, hoe het benaderd en vernield kan worden. Voor zover ik weet, was dat een eenmalig werk. Hij is zich nadien gaan toeleggen op de restauratie van gebouwen.

K.B./D.P.: Wil je toelichting geven bij jouw bijdrage?

M.S.: Dreamtime toonde ik voor het eerst toen ik geselecteerd was voor de Jeune Peinture Belge. Het was een ensemble van 250 tekeningen aangebracht op wetenschappelijke micrografische foto’s.

K.B./D.P.: Hoe was je aan die foto’s gekomen?

M.S.: Ik was op dat ogenblik werkzaam bij een Antwerpse uitgever, De Vries-Brouwers. Ik vergezelde hem naar de Frankfurter Buchmesse, die een enorme afdeling wetenschappelijke boeken omvatte. Met valiezen vol wetenschappelijke tijdschriften keerde ik naar huis terug.

K.B./D.P.: Wat houdt de titel Dreamtime precies in?

M.S.: De Aboriginals in Australië gebruiken de term als zij in stenen en in het landschap figuren proberen te ontwaren. Ik vond het een interessant concept om het te hebben over de verbinding tussen vormen en betekenissen. Het werk gaat voor mij over beeldvorming en mediakritiek.

K.B./D.P.: Waarom? In welke zin?

M.S.: Die wetenschappelijke beelden die met fototechnische middelen tot stand zijn gekomen, kunnen niet door iedereen gelezen worden. Meer nog, ze kunnen slechts door een zeer beperkt aantal mensen worden geïnterpreteerd. Voor ons zijn die beelden ontoegankelijk. Het is slechts materiaal voor dreamtime.

K.B./D.P.: Binnen die kleine groep van vakmensen bestaat er wellicht geen volstrekte consensus over de interpretatie van die beelden.

M.S.: Dat klopt, maar de specialisten die dit soort beelden kunnen lezen, hebben de regels voor die lectuur meticuleus vastgelegd. Zelfs de lichtinval wordt gemeten, want er mogen geen afwijkingen zijn.

K.B./D.P.: Met de tekeningen die je op de foto’s maakte, voeg je subjectiviteit toe aan de beelden.

M.S.: Exact!

K.B./D.P.: Je bracht nóg een laag aan door het werk van een ondertitel te voorzien: 250 Neue Wilde oder Büroarbeit und Langeweile. Er zijn dus drie lagen: de micrografische foto’s die op zich polyinterpretabel zijn, jouw tekeningen op de foto’s die enerzijds een vorm van dreamtime zijn en anderzijds als een commentaar op het werk van de Neue Wilde kunnen worden gelezen.

M.S.: Het was een parodie op het werk van kunstenaars als Salomé en de schilders van de Mülheimer Freiheit.

K.B./D.P.: Zit de parodie ook in de werken zelf, of enkel in de ondertitel?

M.S.: Met de titel en de ondertitel wilde ik twee benaderingen van het materiaal aanbieden. Het werk kon evenwel maar als parodie fungeren als het corpus uitgebreid was. Ik moet hier wel aan toevoegen dat mij dat grote aantal aanvankelijk niet voor ogen stond, evenmin als de presentatievorm trouwens. Mijn werkwijze komt altijd hierop neer: eerst maak ik iets, pas daarna buig ik me over de manier waarop ik het wil tentoonstellen. In het geval van Dreamtime bleven de tekeningen maar komen en ineens constateerde ik dat het er 250 waren. Ik koos ervoor om ze in een grid te presenteren. Toen ben ik ook op de formulering van de ondertitel gekomen.

K.B./D.P.: Zag je een relatie tussen jouw werk en dat van mede-exposant Lode De Clercq, toen je Dreamtime in Ruimte Morguen tentoonstelde?

M.S.: Neen, en dat was ook geen probleem.

K.B./D.P.: Over de vijfde aflevering heb je het al summier gehad. In die tentoonstelling kregen Pierre Antoine en François Elie, de pupillen van Paul-Armand Gette, een kans om te exposeren. Naast hen was ook Didier Bay uitgenodigd. Wat toonden Antoine en Elie?

M.S.: Elie droeg een video-installatie bij. Hij projecteerde de omtrek van een schilderij van Giotto op de muur, ter grootte van het origineel dat zich in het Louvre bevindt: Sint-Franciscus die de stigmata ontvangt van Christus. Het is een rechthoekig schilderij waarvan het bovenste deel eindigt in een punt. Onderaan zijn drie fragmenten uit het leven van de heilige Franciscus te zien. Elie toonde zijn interpretatie van de scènes op drie videomonitoren. Ook Antoine werkte met een bestaand schilderij, namelijk het beroemde Le Balcon van Edouard Manet. Hij had de groene luiken die op het schilderij te zien zijn in de tentoonstellingsruimte geïnstalleerd en van commentaar voorzien.

K.B./D.P.: De Caspar David Friedrich à Marlboro, de titel van het werk van Didier Bay, geeft aan dat ook hij met kunsthistorisch materiaal aan de slag was gegaan.

M.S.: Ja. Hij toonde reproducties van schilderijen van Friedrich, gecombineerd met reclamebeelden van Marlboro. Hij had er ook een tekst over geschreven die we in Fase 2 hebben gepubliceerd.

K.B./D.P.: Zou je samenvattend kunnen stellen dat de drie kunstenaars tonen hoe hoogtepunten uit de westerse kunstgeschiedenis geïnstrumentaliseerd zijn door de beeldindustrie?

M.S.: Ja, het is in elk geval een omgang met bestaande voorstellingen en een persoonlijke interpretatie daarvan. Je kan daaraan de vraag koppelen in hoeverre een interpretatie niet reeds een vorm van deconstructie is.

K.B./D.P.: In de kalender van Het Onding valt na de expo van Antoine, Bay en Elie een groot gat. De tentoonstelling van het trio loopt af op 8 juni 1986 en de daaropvolgende expositie van Marcel Van Maele begint pas op 4 december 1986. Wat is er in tussentijd gebeurd in Ruimte Morguen?

M.S.: We hadden Ulrich Tillmann en Wolfgang Vollmer uitgenodigd om deel te nemen aan Het Onding. Zij hadden in 1984 het project Meisterwerke der Fotokunst – Sammlung Tillmann und Vollmer opgezet: een collectie van alom bekende foto’s (van August Sander, Man Ray enzovoort) die ze opnieuw hadden gefotografeerd en becommentarieerd. Het waren parodieën. Ons leek dit een perfecte bijdrage aan ons project. Maar wat bleek: Tillmann en Vollmer waren weliswaar bereid hun project te tonen in Ruimte Morguen, maar onder geen beding onder het label Het Onding Kunst. Zo geschiedde. Zij hebben hun project getoond, wellicht in het kader van De Zomer van de Fotografie. We hebben daarna ook nog een tentoonstelling van drie jonge fotografiestudenten gehad. Ook die expo paste niet in het kader van Het Onding. Ondertussen organiseerden we wel reprises van Het Onding op andere locaties.

K.B./D.P.: Welke locaties?

M.S.: In de Zwarte Zaal in Gent brachten we opnieuw de projecten van Simone De Paepe en Carolien Stikker.

K.B./D.P.: Wie had hen uitgenodigd?

M.S.: Paul De Vylder was docent aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Hij had Nadine Tasseel uitgenodigd, die opnieuw haar plaats had afgestaan aan Simone De Paepe. Daarnaast werd ook Girl Asleep van Stikker opnieuw gepresenteerd.

K.B./D.P.: Is Het Onding nog op andere plaatsen geland?

M.S.: Ja, in het kader van Galerie 86, een kunstbeurs van Antwerpse tentoonstellingsruimtes die in het Hessenhuis in Antwerpen plaatsvond, hebben we Gjölbaschi van Paul De Vylder gepresenteerd. Lieven De Cauter was vervolgens op het idee gekomen om een kunstenaar uit te vinden: W.A. Tanner. Hij maakte zogenaamde pedestrial art à la Stanley Brouwn, zij het dat het fysieke van zijn activiteit zeer belangrijk was. Lieven heeft over die fictieve kunstenaar een lezing gegeven in het Hessenhuis.

K.B./D.P.: Waarom was de keuze op De Vylder gevallen?

M.S.: Omdat het werk beschikbaar was en omdat Gjölbaschi haast het enige driedimensionale werk uit Het Onding was.

K.B./D.P.: Een verrassende deelnemer aan Het Onding Kunst in december 1986 is Marcel Van Maele.

M.S.: De slechtziende fotograaf! Foto’s om te zien was de titel van de tentoonstelling. Hij had van zijn vriendin een polaroidcamera gekregen en hij gebruikte die – letterlijk – om te zien. Hij maakte er waanzinnig plezante beelden mee, bijvoorbeeld foto’s van belknopjes als hij niet wist op welke bel hij moest duwen, of foto’s van kopjes, om te zien waar hij de koffie moest ingieten. Een hele vracht foto’s had hij.

K.B./D.P.: Kende jij Marcel Van Maele persoonlijk?

M.S.: Ja, ik sprak hem regelmatig in de kroeg. Zo wist ik dat hij die foto’s maakte. Dat waren nu eens echt beelden die om een totaal andere reden gemaakt waren dan de meeste andere beelden. Ik vermoed dat hij ze niet zou hebben tentoongesteld in zijn eigen galerie, De Zwarte Panter. Ik weet ook niet of hij het als echt werk beschouwde, maar wij vonden het geweldig interessant en hebben die foto’s bij hem opgehaald om ze tentoon te stellen in Ruimte Morguen. We exposeerden ook foto’s uit de verzameling van Johan De Vos onder de titel Ordinair sentiment. Johan droeg ook een tekst bij.

K.B./D.P.: Na de tentoonstelling van Marcel Van Maele vond de zevende aflevering van de cyclus plaats. De titel klinkt tamelijk baldadig: Neo-ding of Post-onding.

M.S.: Dat kwam van Paul De Vylder. Ik zat meer op de toer van ‘naverkoop’, ‘uitverkoop’ of ‘de solden van de kunst’. In ieder geval kwam de titel van de tentoonstelling eerst. Het was de bedoeling dat een anonieme kunstenaar het werk zou leveren. Maar welke ‘anonieme kunstenaar’? Toen puntje bij paaltje kwam, mocht ik de meubels redden.

K.B./D.P.: Heb je vervolgens je naam aan die expo verbonden?

M.S.: Daar moet ik een tweeslachtig antwoord op geven: in Ruimte Morguen was het een anonieme ‘bijdrage’ aan Het Onding Kunst; later heb ik de tentoonstelling wel in mijn curriculum opgenomen.

K.B./D.P.: Wat was voor jou de inzet van Neo-ding of Post-onding?

M.S.: Het was onze reactie op het postmodernisme. Leen Derks en ik hadden in 1985 de tentoonstelling Les Immatériaux van Jean-François Lyotard en Thierry Chaput bezocht in het Centre Pompidou in Parijs. We hebben de expo écht gezien. Vele toeschouwers hebben ze niet kunnen zien omdat de zekeringen waren gesprongen! Achteraf beschouwd moet ik tot de conclusie komen dat het een opmerkelijke tentoonstelling was – een echt statement. Het was het soort tentoonstelling waarvan je niet zou verwachten dat die ooit zou kunnen plaatsvinden. Wat was er te zien? Een paar vitrines met naoorlogse surrealistische kunst, veel computers en af en toe wat tekst. Dat was het. Het was een tentoonstelling die geen tentoonstelling was, het absolute nulpunt van de tentoonstelling. Alles was gereduceerd tot elektronica en een paar projecties. Het was ‘het absolute onding’.

K.B./D.P.: Waarom wou je die tentoonstelling zien? Hoe was je ervan op de hoogte geraakt?

M.S.: In die tijd bezochten we zeer veel exposities. We trokken met de rugzak van stad naar stad, van Wenen naar Zürich, van Zürich naar Stuttgart, en ga zo maar verder. We reisden ook regelmatig naar Parijs en dan schuimden we alle musea, galeries en alternatieve plekken af. We zagen zeer veel interessante tentoonstellingen die niet noodzakelijk in het plaatje van de kunst pasten zoals dat door het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent werd geschetst.

K.B./D.P.: Was Les Immatériaux voor jou de eerste kennismaking met het postmodernisme?

M.S.: Voor zover ik weet wel, ja.

K.B./D.P.: Heb je toen ook boeken van Lyotard gekocht?

M.S.: Ja, en ik heb ze proberen te lezen. We hebben die boeken besproken in de projectgroep van Het Onding. Ben ik daar een stap verder mee geraakt? Nee.

K.B./D.P.: In de loop van 1986 sta je ook in contact met Jeroen Boomgaard, een van de twee redacteurs van de essaybundel Van het postmodernisme (Amsterdam, SUA, 1985). Je hebt ons de correspondentie tussen jou en Jeroen bezorgd…

M.S.: …weten jullie hoe ik met hem in contact was gekomen?

K.B./D.P.: Nee, dat blijkt niet uit de briefwisseling.

M.S.: Jeroen had mijn werk Dreamtime gezien in De Brakke Grond in Amsterdam. Het werk was ook in Parijs te zien geweest in een groepstentoonstelling die deel uitmaakte van de Biennale de la Photographie. Een deel van die tentoonstelling was daarna naar Amsterdam gereisd. Jeroen en ik zijn toen met elkaar in contact gekomen en hij heeft me de tekst van zijn lezing over het postmodernisme bezorgd.

K.B./D.P.: Op 10 januari 1987, een maand voor Neo-ding of Post-onding opende in Ruimte Morguen, schrijf je een brief aan Boomgaard. De titel van de tentoonstelling luidt op dat moment trouwens nog anders: Postmodernisme, de metafoor van de transactie. Je vraagt Boomgaard of je de tekst van zijn lezing bij het genoemde project mag verspreiden. In zijn antwoord geeft Boomgaard je de toelating. Heb je die tekst dan ook ter beschikking gesteld van het publiek?

M.S.: Neen, dat is er niet van gekomen. Ik heb uiteindelijk beslist om zelf een tekst te schrijven, die het publiek kon meenemen. Het leek me beter om mijn eigen statement aan deze tentoonstelling te verbinden.

K.B./D.P.: In je brief aan Boomgaard stel je verder: ‘Voor de realisatie van dit project heb ik me gebaseerd op een reeks advertenties zoals die verschenen zijn in de jaren 50 en die vooral betrekking hebben op architectuur. […] het betreft hier een publicitaire na-aper, toepassing van ideeën die in de jaren 20 en 30 ontwikkeld zijn geworden, doch hiernaar enkel kunnen refereren.’

M.S.: Die advertenties maakten inderdaad deel uit van het Neo-ding of Post-onding. Wat mij totaal verbijsterd had toen ik die publicitaire beelden voor het eerst zag, waren de gelijkenissen met de installatiekunst van de jaren 80.

K.B./D.P.: Je schrijft dat ook in je brief aan Boomgaard: ‘[…] wat nu als Postmodern gepresenteerd wordt in de beeldende kunst refereert echter niet zozeer naar deze ‘historische avantgarde’ maar juist naar het ‘gefaald’ modernisme dat na de oorlog de kop opsteekt, naar het blijven hangen in ‘deco’.’

M.S.: Absoluut. Daar blijf ik volledig achter staan. Ik kan het niet anders verwoorden. Ik ben ervan overtuigd dat het modernisme – zeker in de beeldende kunst – impulsen heeft gebracht die nooit maatschappelijk zijn omgezet. Sommige avant-gardistische kunstenaars waren wel degelijk radicaal. Ze droomden over een andere politieke en sociale orde. We hebben dat vooroorlogse modernisme gerecupereerd, maar enkel als kunst, als beelden. Alleen de buitenkant is overgebleven; het ideeëngoed dat erachter zat, is niet meegenomen. Dat is de omgang van de burgerlijke maatschappij met de avant-garde.

K.B./D.P.: Wat zou dan voor jou de gelukte versie van die geschiedenis zijn geweest? Dat het modernisme echt geconsumeerd zou zijn geweest?

M.S.: Dat is een mooie uitdrukking. Maar het Bauhaus is enkel een façade gebleken, een teken voor iets dat had kunnen gebeuren.

K.B./D.P.: De wereld is niet naar het beeld van het modernisme getransformeerd, maar het modernisme is opgeslokt door reclame en design.

M.S.: Met het tentoonstellen van die advertenties wilde ik precies dat punt maken. Daarnaast toonde ik nog twee andere werken. Het ene bestond uit twee lege kasten die ik combineerde met de illustraties uit een staalboek van de Marmerie Belge. Dat werk had opnieuw Dreamtime als titel. Het andere werk doopte ik De uitvinding van de wereld.

K.B./D.P.: Hoe zag dat werk eruit?

M.S.: Het was een wereldbol die op een sokkel stond en die beschenen werd door een projector, zodat op de muur een cirkelvormige schaduw ontstond. Hierop had ik een driehoekig papier aangebracht. De cirkel van de wereld werd zo gereduceerd tot een meetkundige constructie.

K.B./D.P.: De uitvinding van de wereld is een projectie?

M.S.: Inderdaad. Het gaat letterlijk en figuurlijk over projectie. Iets bestaat als het geprojecteerd is, door een subject of door een projector. Hetzelfde gebeurt met het staalboek van de Marmerie Belge. Iedereen zal in die marmerstructuren iets anders ‘zien’ – of projecteren. Dat inzicht vormt de kern van mijn werk als kunstenaar.

K.B./D.P.: Mag je dan stellen dat het werk met de advertenties heel erg aansluit bij Het Onding Kunst, terwijl de twee andere werken meer affiniteit hebben met jouw eigen praktijk.

M.S.: Met die constatering kan ik leven, al moet ik er wel aan toevoegen dat het immateriële – het leeg zijn van de kasten en het efemere van de projectie – een belangrijk uitgangspunt was van Het Onding Kunst. Herinner je de bijdragen van Allais, Lizène, Bure-Soh en anderen.

K.B./D.P.: De laatste tentoonstelling in de reeks van Het Onding vindt plaats van 4 tot 27 juni 1987. Het betreft de expositie van Danny Devos die je al eerder noemde: In memory of Ed Gein, America’s most bizarre murderer. Waarom wilden jullie dat project presenteren?

M.S.: De combinatie van misdaad en kunst leek ons wel te passen in Het Onding. Het was meteen ook de eerste tentoonstelling op de nieuwe locatie van Ruimte Morguen aan de Waalse Kaai, vlakbij het MuHKA.

K.B./D.P.: Hoe hadden jullie die ruimte ontdekt?

M.S.: Leen Derks had het pand gevonden.

K.B./D.P.: Was het voor jullie belangrijk dat Ruimte Morguen zich in de buurt nestelde van het MuHKA en galeries zoals Zeno X en Micheline Szwajcer?

M.S.: Ja. Leen heeft er een beslissende rol in gespeeld. Zij beoogde een meer solide basis voor Ruimte Morguen.

K.B./D.P.: Hoe stond jij daar tegenover?

M.S.: Ik aarzelde. Paul De Vylder gaf ons de raad om de stap wel te zetten. ‘Zo’n kans krijg je maar een keer’, dat was de strekking van zijn advies.

K.B./D.P.: Wisten jullie dat Danny’s tentoonstelling de laatste zou zijn van Het Onding of hebben jullie nog overwogen om door te gaan?

M.S.: We wisten dat die expo de finale was. Het was echter niet alleen het einde van Het Onding Kunst, maar ook van de projectgroep én van het tijdschrift Fase 2!

K.B./D.P.: Wat was de reden voor de opheffing van de projectgroep en van Fase 2?

M.S.: Een groot deel van de verklaring ligt bij Fase 2 zelf. Het was altijd al heel veel werk geweest om het tijdschrift te maken, maar aan het laatste nummer hadden we ons compleet vertild. Het bedroeg niet minder dan 189 bladzijden, terwijl de eraan voorafgaande afleveringen nooit meer dan 82 bladzijden telden. Bovendien kregen wij – Leen Derks en ik – de indruk dat wij alleen nog maar goed waren om allerlei hand- en spandiensten te verrichten: de teksten te tikken, de plakletters aan te brengen, te proeflezen, te kopiëren en de distributie te organiseren.

K.B./D.P.: Zijn er harde woorden gevallen of zijn jullie gewoon uit elkaar gegroeid?

M.S.: We hadden een vergadering belegd en het ging er bepaald pittig aan toe. Op een gegeven moment zijn we opgestapt – letterlijk en figuurlijk.

K.B./D.P.: En daarna?

M.S.: Gelukkig hadden we het pand aan de Waalse Kaai! Leen en ik zijn doorgegaan met Ruimte Morguen. Fase 2 was dood en begraven. Noch wij, noch Lieven De Cauter, Paul De Vylder, Nadine Tasseel of Lode De Clercq hebben het tijdschrift voortgezet.

3. Het Onding Kunst in Stalker

K.B./D.P.: Het Onding Kunst heeft nog een vervolg gekregen in Galerie Stalker in Breda, waarbij tevens een catalogus verscheen. De tentoonstelling liep van 11 maart tot 30 april 1988. Hoe was het contact met Stalker tot stand gekomen?

M.S.: De uitnodiging van Peter van Houten en Anna Thalia Benus, de initiatiefnemers van Stalker, had ons al in 1987 bereikt. Peter had in die periode een tentoonstelling in Galerie Cintrik in Antwerpen. Hij had Het Onding op de voet gevolgd en wilde dat we het project naar Breda brachten. We hebben toen een vergadering georganiseerd waarop we alle kunstenaars uitnodigden die betrokken waren geweest bij Het Onding in Ruimte Morguen. Er was ook een grote delegatie uit Breda afgereisd om te spreken over de tentoonstelling in Stalker.

K.B./D.P.: Waren Paul De Vylder en Lode De Clercq ook aanwezig op die vergadering?

M.S.: Jazeker. Van onze kant was het duidelijk dat Het Onding Kunst een collectieve inspanning was geweest waaraan Paul en Lode een zeer belangrijke bijdrage hadden geleverd. Als we Het Onding opnieuw konden brengen in Stalker, dan moesten we die kans zeker grijpen, maar het was zonneklaar voor ons dat alle deelnemers aan Het Onding van de partij moesten zijn. Gelukkig zijn we daarin geslaagd, al waren er wel spanningen toen we de tentoonstelling voorbereidden.

K.B./D.P.: Herinner jij je waarom Stalker Het Onding wilde brengen in Breda?

M.S.: Dat heb ik eerlijk gezegd nooit geweten. Evenmin heb of had ik zicht op de activiteiten die zij voordien hadden georganiseerd. Ik kan wel met grote zekerheid stellen dat Peter het project zeer ter harte ging.

K.B./D.P.: Was Het Onding Kunst in Breda een heropvoering van het Morguen-project?

M.S.: We probeerden de kunstenaars te motiveren om nieuw werk bij te dragen aan de tentoonstelling. Dat is niet iedereen gelukt. Lode De Clercq en Connie Fitzsimons/Bruce Meisner droegen bijvoorbeeld een werk bij dat ten nauwste verwant was aan dat wat ze getoond hadden in Ruimte Morguen.

K.B./D.P.: En de anderen?

M.S.: Ik heb niet alle werken meer op mijn netvlies. Vergeet immers niet dat Leen en ik ook nog in Ruimte Morguen aan de slag waren. Toen we in Stalker aan het opbouwen waren, liep in Ruimte Morguen een tentoonstelling ten einde van Didier Bay en waren we een expo van Luc Tuymans aan het voorbereiden.

K.B./D.P.: Welke werken in Stalker zijn je bijgebleven?

M.S.: Ik herinner me dat Pierre Antoine in Stalker een werk heeft gemaakt op basis van het manifest van Malevitsj, dat Hilmar Liptows bijdrage verband hield met Le Chef-d’oeuvre inconnu van Honoré de Balzac, dat Didier Bay een werk toonde over het naakt in de kunst en dat Bure-Soh een klankinstallatie bijdroeg. Ikzelf heb in Stalker voor de eerste keer In guter Gesellschaft tentoongesteld.

K.B./D.P.: Kan je toelichting geven bij dat werk?

M.S.: In guter Gesellschaft was een driedimensionaal werk: een tafel, in feite een plank op twee schragen, waarop een aantal objecten geordend waren, aangelicht door een bureaulamp; aan de muur hingen een klok en een drietal prenten. Ik zag het werk als een stilleven. Ik heb het daarna verder uitgewerkt en nog tentoongesteld in het MuHKA, en tijdens Ressource Kunst (1989) in de Akademie der Künste (Berlijn).

K.B./D.P.: Uit een advertentie die gepubliceerd werd in Metropolis M blijkt dat in Breda een bijdrage van de Gesellschaft für Kunst und angewandte Geschichten werd getoond. Bij ons weten had de Gesellschaft niet geparticipeerd aan Het Onding in Ruimte Morguen.

M.S.: Ja, dat klopt. In 1986 wijdde Thomas Wulffen in Kunstforum International een tekst aan het werk van Ivan Dusanek en Michael Hatzel, de twee leden van de Gesellschaft für Kunst und angewandte Geschichten. Dusanek en Hatzel bedachten eenvoudige acties die ze vervolgens uitvoerden en ten slotte op foto vastlegden. In 1987 ontmoette ik Ivan voor het eerst tijdens de Frankfurter Buchmesse. Toen Het Onding in Stalker doorging, was het duo al gesplit, meen ik. Ik geloof dat ik enkel Ivan heb ontmoet.

K.B./D.P.: Blijkens de advertentie in Metropolis M werd de opening van de tentoonstelling voorafgegaan door een discussie- en lezingenprogramma dat van 11 tot 13 maart 1988 liep. Op 11 maart waren Jouke Kleerebezem en Hans Scholten, kunstenaars die betrokken waren bij het Groningse initiatief De Zaak, uitgenodigd om met jou in debat te gaan.

M.S.: Als ik het me goed herinner, vond de discussie plaats in de ruimte van Lokaal 01, want Stalker was boven dat kunstenaarsinitiatief gevestigd. Het gesprek was tamelijk heftig. Stel je voor: Kleerebezem en Scholten waren de mening toegedaan dat er geen vuiltje aan de lucht was in de kunstwereld anno 1988. Het ging hen enorm voor de wind. Wij waren maar bezig de zaak nodeloos te problematiseren. Tja, wat zat ik daar dan te doen? Ik heb nooit begrepen waarom Peter van Houten en Anna Thalia Benus juist die mensen tegenover mij hadden gezet.

K.B./D.P.: De Zaak stond misschien andere ideeën voor dan Ruimte Morguen, maar het was toch ook een kunstenaarsinitiatief pur sang. Misschien waren ze geïnteresseerd in dezelfde problematiek, maar keken ze ernaar met een andere bril?

M.S.: Met het Haags Centrum voor Actuele Kunst of Lokaal 01 hadden we waarschijnlijk meer gemeenschappelijk dan met De Zaak. De discussie met Kleerebezem en Scholten heb ik in ieder geval ervaren als een dovemansgesprek.

K.B./D.P.: Jullie waren niet betrokken bij de samenstelling van het discursieve programma in Stalker?

M.S.: Neen, hoegenaamd niet.

K.B./D.P.: De dag daarna, op zaterdag 12 maart, was er een programma met de kunsthistoricus Ron Miltenburg en de filosoof Eric Bolle. Wat was de inzet daarvan?

M.S.: Dat kan ik me niet meer herinneren.

K.B./D.P.: Op zondag 13 maart gaf Paul De Vylder de lezing Het Onding Kunst, wat doen we ermee?

M.S.: Dat was op de dag van de opening van de tentoonstelling. Paul bracht de tekst die tevens werd opgenomen in de door Stalker uitgegeven catalogus.

K.B./D.P.: De catalogus omvat ook twee teksten van jou: Het Onding Kunst en Naverkoop.

M.S.: Die laatste tekst had ik geschreven naar aanleiding van de tentoonstelling Neo-ding of Post-onding. Het was de tekst die het publiek kon meenemen.

K.B./D.P.: Met een verwijzing naar Zeit-Bilder van Arnold Gehlen betoog je eerst dat in de post-historie ‘het kunst-object [wordt] gezien als een losstaand ding, als ding zonder referenties, zonder connotaties, dat enkel binnen het kunstcircuit zijn legitimiteit ontvangt uit de transactie, het kopen van kunst’.

M.S.: Inderdaad, kunstobjecten worden data die volstrekt inwisselbaar zijn.

K.B./D.P.: Dat is het eerste deel van je redenering. Je stelt vervolgens dat deze data zich bij uitstek lenen tot controle ‘die alles te maken heeft met vervangsituaties, codes, replica en dies meer’. Je besluit: ‘Spreken over kunst heeft de laatste jaren blijkbaar meer te doen met – reclame – dan met – kritiek.’

M.S.: Dat is een stelling waar ik nog altijd achter sta. Heel spijtig, maar ik voel dat nog altijd zo aan.

K.B./D.P.: Het Onding Kunst was begonnen met een manifest waarin van de onmogelijkheid van de kunst werd uitgegaan. Ruim twee jaar later was de stemming zeker niet ten positieve gekeerd…

M.S.: Het zat nog altijd hoog, dat kan ik niet ontkennen.

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

Kunst en jeugd: gesprek met Joëlle Tuerlinckx

Koen Brams/Dirk Pültau: Heb jij iets ‘gemaakt’ toen je jong was – nog voor je begonnen was met de kunstopleiding – dat voor jou ‘kunst’ was?

Joëlle Tuerlinckx: Wat betekent het eigenlijk om als kunstenaar ‘werk te maken’ en ‘aan een oeuvre te werken’? Dat is de vraag! Ik heb zeker het gevoel gehad dat ik bepaalde gebaren stelde, dat ik dingen maakte waarvan ik achteraf beschouwd, met enige afstand in de tijd, kan zeggen dat het inderdaad ‘werken’ waren – terwijl er op het moment zelf hoogstens iets merkwaardigs gebeurt, iets memorabels, iets waarvan je voelt dat het belangrijk is, zonder dat je het een ‘werk’ kunt noemen. Mijn eerste herinnering aan een bepaalde collage/tekening is vreemd genoeg wel heel precies. Ik herinner me alle fasen waarin ze tot stand kwam. Ik zou het haast met een ‘fotochemisch’ geheugen kunnen navertellen. Die tekening staat zo in mijn geheugen gegrift dat ik ze haast onmiddellijk moet hebben beschouwd als iets dat in de buurt kwam van een werk – zonder dat woord toen al uit te spreken. Omdat ik bij het maken ervan zo vaak twijfelde en omdat ik me bewust was van de belangrijke beslissingen die ik moest nemen, geloof ik nog altijd dat er meer aan de hand was. Het ging toen duidelijk al om de constructie van een bepaalde gedachtegang, die meer te maken had met kunst dan met amusement, decoratie of kinderlijk geknutsel. Ik heb die tekening overigens getoond in Drawing Inventory, mijn tentoonstelling in New York in 2006. Door de collage/tekening ook op te nemen in de catalogus geef ik duidelijk aan dat ik ze toen al als een werk beschouwde.

K.B./D.P.: Wat ging er door je heen toen je die collage/tekening maakte?

J.T.: Ik was pas vijf. In de kleuterklas kregen we ieder een vel gekleurd glanspapier en een schaar. Ik vond het prachtig om voor het eerst in een kleur te knippen. Het papier had een onbeschrijflijk roze kleur – een kleur tussen rood en roze. Wat ik deed – had het te maken met het papier of met alles wat ik waarnam? Ik sneed een goudvis uit het papier, zonder patroon, rechtstreeks met de schaar in de kleur. Eigenlijk ontdekte ik wat Matisse moet hebben ervaren toen hij figuren uit kleurpapier begon te knippen. Ik voelde me waarschijnlijk zo gelukkig omdat ik me helemaal kon uitleven op een vel gekleurd papier waar nog niets op getekend was. Daarbij kwam nog de verbazing dat het waargenomen voorwerp zo herkenbaar bleek, dat ik zoveel realisme had bereikt. Meestal vond ik het malle resultaat van al dat natekenen nogal gênant, maar hier zag ik een vis die eindelijk in een aquarium kon zwemmen. Het was me gelukt de beweging voor te stellen, meer nog dan het voorwerp.

K.B./D.P.: Herinner je je echt dat je dat gevoel had?

J.T.: Ja, ik weet nog dat ik toen iets gewaarwerd dat veel gelijkenissen vertoont met wat ik vandaag ervaar wanneer ik met een werk, een tentoongesteld object en een manier van tentoonstellen kan instemmen. Ik herinner me goed dat ik hetzelfde grote geluk ervoer dat je alleen maar beleeft wanneer je echt ‘akkoord gaat’ met een werk.

K.B./D.P.: In een vorig interview vertelde je dat je als kind boeketten maakte. Beoogde je toen iets vergelijkbaars?

J.T.: De boeketten waren eerder het resultaat van wat ik nu een kritische werkwijze zou noemen. Ik plukte niet zomaar wat bloemen die goed bij elkaar pasten. Ik zocht naar natuurlijke of toevallige vormen van dissonantie. In een vrij uitgestrekt gebied plukte ik onkruid, planten en kleurrijke bloemen die ik samenvoegde tot wat je een boeket zou kunnen noemen. Die verplaatsingen ín en de verschuivingen vàn de ruimte zijn in zekere zin de voorlopers van wat ik later in mijn films ‘realiteitsvolumes’ of ‘ruimte-tijdblokken’ ben gaan noemen. Vanuit dezelfde optiek verzamelde ik toen ook stenen. Ik heb ze altijd bewaard. Niet omdat ze zo bijzonder of kostbaar waren, maar voor het plezier om ze bijvoorbeeld samen op een oranje tafelblad te kunnen presenteren. Ik hield van het contrast tussen kleur en natuur. Ik heb ook eens modder tegen een gevel gesmeten. Later heb ik dat soort activiteiten – op het randje van vandalisme – een groter kritisch gehalte toegedicht en heb ik ze ‘blagues de société’ genoemd. Sommige aspecten van die vroege activiteiten doen mij veronderstellen dat er toen al iets ‘abnormaals’ aan de hand was, zoals in het geval van die collage/tekening. Er was te veel engagement en er waren te veel hevige emoties mee gemoeid.

K.B./D.P.: Denk je dat iemand anders in die tekening en in die activiteiten meer kan zien dan gewoon wat geknutsel of kinderspel? Weet je zeker dat je de tekening niet achteraf zoveel betekenis hebt gegeven? Er zijn psychoanalytische theorieën die zeggen dat heel ons leven een antwoord is op iets imaginairs waarvan we denken dat we het werkelijk beleefd hebben.

J.T.: Ik geloof niet in een lineaire opvatting volgens dewelke alles en iedereen zich in dezelfde richting ontwikkelt – of het nu gaat om een kop hete koffie of wij die met elkaar praten. Kunst maken is rebelleren tegen die lineaire tijdsopvatting. Kunst maken is vooruitgaan in tegengestelde richting of averechts tegen de tijd ingaan. Vanuit die gedachte spreekt het dus vanzelf dat ik in die allereerste collage/tekening al alles zie waar ik nu over praat.

K.B./D.P.: Misschien omdat je de tekening achteraf betekenis hebt gegeven?

J.T.: Soms denk ik dat ik de betekenis van die tekening altijd ben blijven onderzoeken, tot op heden, in mijn recente tentoonstelling Le Présent absolument in Wenen. De tekening, samen met nog een paar andere tekeningen, gaf me een gevoel van: ‘dit is het!’. Het was een onmiddellijke sensatie, de indruk dat er mij iets groots te wachten stond, iets wat ik verder diende te ontwikkelen. Want er was niet alleen die vis. Het ging juist ook om datgene wat de collage/tekening betekenis zou verlenen. Ik herinner me dat ik het gevoel had dat er nog iets aan ontbrak en dat ik bang was dat alles verloren zou gaan. Nadat ik de vis had uitgeknipt, wilde ik er een bokaal omheen tekenen. Voor de bokaal koos ik een potlood met dezelfde kleur als de vis. Die keuze impliceerde een breuk met het naturalistisch realisme. Als omtrek tekende ik een aarzelende figuur, half cirkelvormig en half vierkant. En in een derde beweging, omdat ik me afvroeg of ik ook niet wat ‘sprekende details’ moest toevoegen, tekende ik na veel aarzelingen de gekartelde versiering op de rand van de bokaal. Het maken van de tekening verliep dus in drie fasen. Ik herken mezelf nog helemaal in elke aarzeling, in elk risico en in elke toen genomen beslissing. Ik realiseer mij dat ik in die tekening al vragen stelde die ik nu nog onderzoek. Vragen die te maken hebben met de esthetische en ethische relatie tussen een object en zijn context. Hoe dit anders te omschrijven dan als een zoektocht naar meer vrijheid? Ik had ongetwijfeld begrepen dat de voorwaarde voor die vrijheid kon worden vervuld door te spelen met de willekeur van het teken en dat bijvoorbeeld slechts één kleur kon volstaan. Maar ik weet niet wat anderen in die tekening zien. Dat is eerder een vraag die ik aan jullie zou moeten stellen.

K.B./D.P.: Heb je veel van die dingen uit je kindertijd teruggevonden, dingen die je bewust hebt behouden terwijl je andere vernietigd hebt?

J.T.: Ik bewaarde dingen zoals die tekening, dingen die voor mij onlosmakelijk verbonden zijn met gevoelsgeladen momenten die mij nogal ‘abnormaal’ leken en die op de een of andere manier te maken hebben met beeldende kunst of met beeldhouwkunst. De vis, een kip uit aardewerk, mijn eerste schriften voor de les meetkunde… Toen ik zes was, leerden we op school dat een vierkant bepaalde eigenschappen, ‘kwaliteiten’ had. Ik vond het eigenaardig dat een meetkundige vorm ook kwaliteiten kon hebben, net zoals een mens. En ik was getroffen door de terminologie die men voor de kwaliteiten van een vierkant gebruikte, terwijl het gewoon om rechte hoeken en lijnstukken ging. Nadat we de kwaliteiten hadden opgesomd, mochten we de vorm eindelijk ook inkleuren. Dat vond ik prachtig: stomweg een vierkant inkleuren dat getekend was op een vel papier met grote blauwe ruiten. Dat zijn zo van die momenten die ik koester. De schriften heb ik bewaard.

K.B./D.P.: Dat je deze en wellicht andere tekeningen hebt bewaard en dat je ze vervolgens ook hebt tentoongesteld, zijn bewuste beslissingen.

J.T.: Ja. Als je bepaalt om iets niet in de vergeetput te gooien, in de eerste plaats voor jezelf, dan neem je een eerste bewuste beslissing. Je hebt het idee dat je er nog niet klaar mee bent, ook al is het maar een kindertekening. Blijkbaar heb ik op een dag beslist om het schrift waar de tekening in zat weg te gooien en om de tekening te bewaren. Ik bewaarde ook een tekening van een boeket in een grote vaas die ik had uitgeknipt uit een stuk behangpapier waar zelf al bloemen op gedrukt stonden. Ik weet niet meer precies op welk ogenblik ik die twee vellen uit het schrift heb gescheurd om ze te ‘redden’. Er volgden nog andere collages. Eén ervan vond ik later terug: een klein vel papier met daarop onder meer de uitgeknipte afbeelding van een televisiescherm. Ook die collage heb ik bewaard. Ik heb ze inmiddels al tweemaal tentoongesteld.

K.B./D.P.: Hoe ben je ertoe gekomen om die collages/tekeningen tentoon te stellen?

J.T.: Als ik het voorgevoel heb dat iets belangrijk is, dan ga ik er op een speciale manier mee om. Noem het een ‘techniek’. Ik laat het ergens slingeren, zodat ik er op een bepaald moment door verrast kan worden. Ik zoek die mogelijkheid doelbewust op. Als ik het atelier opruim of aan het werk ben, stoot ik regelmatig op die tekeningen. Het is telkens weer een verrassende herontdekking. En gaandeweg ben ik beginnen denken dat ik mij eens in die vis moest vastbijten. Dat alles er al in aanwezig was. Hij is dus eigenlijk altijd ergens in mijn buurt geweest. Nu eens verloren, dan weer teruggevonden, tot ik heb beslist om de tekening in New York tentoon te stellen. Ik maakte dankbaar gebruik van een muur achterin de tentoonstellingszaal, een soort coulisse. Daarop verzamelde ik ‘families’ van uitzonderlijke tekeningen, alsof ze een onbewuster of minder zichtbaar onderdeel van de tentoonstelling vormden. Ik toonde er ook een van mijn weinige figuratieve tekeningen, een portret van Piet Mondriaan dat ik maakte toen ik negentien was. Op een dag had ik koorts en ik wilde weten hoe ik in die toestand met figuratie om zou gaan. Waarom Mondriaan? Het is merkwaardig dat het boegbeeld van de abstracte kunst het voorwerp van een van mijn zeldzame portretten is geworden. Het was een soort lapsus waarmee ik wellicht iets vertelde over de aantrekkingskracht die zijn abstracte werk op mij uitoefent. Ik heb dat portret al verschillende keren willen weggooien, met nog ander werk dat ik tijdens mijn ‘kunstopleiding’ heb gemaakt. Ik heb het moeten tentoonstellen om het in zekere zinte kunnen redden. Vandaag wil ik het soms nog weggooien. Het is uiteindelijk beland op een pagina van BILD, oder, het boek dat ik met Willem Oorebeek heb gemaakt. Een boek dat restanten bevat, dingen zonder waarde die in het atelier rondslingeren.

K.B./D.P.: Er zijn nog kunstenaars die hun kindertekeningen hebben getoond, zoals Wim Delvoye of Peter Friedl. Maar zij doen dat ten dele op een ironische of cynische manier, om te bewijzen dat ze alles wat ze ooit hebben gedaan kunnen tentoonstellen alsof het kunst is. Welke ideeën lagen ten grondslag aan jouw beslissing om die vis te integreren in een tentoonstelling zoals Drawing Inventory?

J.T.: Walter Swennen heeft eens gezegd dat er in de kunst geen ‘tweede graad’ bestaat. Dat doet mij zelf ook twijfelen aan de zin van ironie en cynisme in de kunst, zelfs al kun je het feit dat ik die tekening presenteer op een muur achter in de tentoonstellingsruimte vervolgens wel ironisch noemen. Alle kunstenaars die werk uit hun kindertijd tentoonstellen doen dat volgens mij om dezelfde reden. Ze doen het omdat ze zich erin herkennen of omdat ze een open vraag willen stellen aan het adres van al wie graag een begin van het kunstenaarschap aanwijst. Het is een vraag die je niet gemakkelijk kunt beantwoorden, waarschijnlijk omdat het kunstenaarschap in de kindertijd geen noodzakelijke functie of geen statuut heeft. Vóór de kunstopleiding zeg je niet dat je ‘kunstenaar’ bent. Vandaag noem ik mezelf nog altijd liever ‘iemand die sculpturen maakt’ dan ‘kunstenaar’.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er tussen het moment waarop je als vijfjarige die tekening maakte en het portret van Mondriaan? Welke band met kunst had je voor je aan de kunstopleiding begon?

J.T.: Je zou kunnen stellen dat mijn ‘handelingen’ of – zo je wil – mijn artistiek onderzoek altijd in fasen is verlopen. Er waren kleurrijke periodes en periodes in zwart-wit. Ik wou het zwart-wit de rug toekeren en de kleur opzoeken. Dat heeft me vele jaren gekost. Ik kocht, kreeg en bewaarde veel kleurdozen. In sommige van die dozen bleven de kleuren intact, in andere waren de verfblokjes aangetast, uitgelopen, gemengd of zelfs helemaal gesmolten. Ik bestudeerde alle bonte schakeringen. Ik raakte gefascineerd omdat ik in kleur een realiteit zag die kon verdwijnen, waar je doorheen kon gaan en waarmee je kon associëren. Ik vond het abnormaal dat ik zoveel dozen bezat zonder ook maar één schilderij te hebben gemaakt. Ik gebruikte kleuren al niet meer zoals een schilder ze gebruikt. Ik maakte zogenaamde ‘reizen door de kleur’ of ‘abstracte composities’, die ongetwijfeld waren geïnspireerd door wat ik zag in het atelier van de broer van mijn moeder, Jean-Paul Laenen. Hij maakte toen ruimtelijke werken met gekleurde onderdelen. Hij was een voorbeeld voor mij. Ik liet de kleur nu eens horizontaal, dan weer verticaal over het papier lopen. Ik bewaarde gekleurde vloeistoffen in tubes en reageerbuisjes. Ik mengde producten voor chemische reacties, verzamelde stenen en plukte planten die ik liet drogen. Als ik me goed herinner was mijn kamer in die jaren een en al chaos. Ze leek meer op een laboratorium dan op een kunstenaarsatelier. Toch besefte ik dat ik het veel belangrijker vond om mijn verzamelingen te presenteren op grote vellen kleurpapier dan om een streng wetenschappelijke houding te ontwikkelen. Ik was helemaal niet op zoek naar een formule, ik was veeleer getroffen door de waarneming van allerlei fenomenen.

K.B./D.P.: Zou je kunnen stellen dat alles in een stroomversnelling is geraakt met de aanschaf van een paar kleurdozen?

J.T.: En tegelijk ook met mijn stenenverzameling en mijn scheikundedozen. Daar zaten experimenten in die ik opzettelijk in de war stuurde om een ander resultaat te bekomen. En alles is óók begonnen met een boek over mineralogie. Het bevatte schematische figuren waar mijn ogen maar niet genoeg van kregen. Een kubus, kristalstructuren, koolstofverbindingen… Dat boek uit mijn kindertijd is voor mij altijd essentieel gebleven. Dankzij dat boek begrijp ik de vreemde verwantschap die ik voelde toen ik veel later de Amerikaanse minimal art ontdekte. Het werk van Sol LeWitt bijvoorbeeld.

K.B./D.P.: De keuze om kleur als materiaal te gebruiken en de weigering om schilderijen te maken gaan terug tot de tijd toen je die kleurdozen had?

J.T.: Ja. Ik was al gefascineerd door de kleurdozen toen ik vier of vijf jaar was. Er is nog een ander biografisch gegeven dat in dat opzicht een rol heeft gespeeld. Ik had gehoord dat mijn overgrootvader een beeldhouwer was – hij raakte bekend door een aantal standbeelden in Vlaamse steden. Bij alle monumenten en standbeelden die ik bekeek, vroeg ik me af of ze misschien niet waren gemaakt door mijn overgrootvader, een man over wie niemand zich trouwens nog iets herinnerde. Veel later, toen ik zestien was, zei ik dat ik ook beeldhouwer wilde worden. Maar ik voelde dat het dan wel heel anders moest. Met mijn oom praatte ik over tijdelijke, vluchtige sculpturen, maar daar geloofde hij niet in. Hij hechtte meer geloof aan zekerheden en vaste waarden, steen en brons. De verschillen werden duidelijk, ik sloeg andere richtingen in, hoewel ik mijn eigen ‘activiteiten’ ondanks onze meningsverschillen altijd duidelijk binnen de beeldhouwkunst ben blijven situeren. Ik denk opnieuw aan die collage/ tekening met de vis. Wat ik er zo mooi aan vond, was misschien de kleur, maar toch ook en vooral de indruk dat hij uitgesneden was. Ik hield van mijn kleurdozen omdat ik ernaar kon kijken en omdat ik het kleurenpalet naar mijn hand kon zetten. Later ging ik nog op andere manieren experimenteren met volumes. Ik haalde vellen papier door de elektrische koffiemolen en maakte daar witte papierkussens mee. Het fascineerde mij dat een oppervlakte van een bepaalde omvang langs deze weg een driedimensionale vorm kon aannemen. Met mijn blote handen en zonder gebruik te maken van een instrument maakte ik ook een volmaakte kubus uit gips. Ik werd heen en weer geslingerd tussen kunst en wetenschap, en zo moest ik wel twijfelen aan de exacte aard van al mijn bezigheden. Ik moet hebben gedacht dat het maar kunst was, anders had ik er waarschijnlijk wel sporen van overgehouden.

K.B./D.P.: Dat zijn dus je eerste ‘werken’. Herinner je je nog het moment waarop je besliste om kunstenaar te worden?

J.T.: Ik herinner me geen specifiek moment waarop ik zoiets heb beslist. Wel herinner ik me allerlei dingen die op de een of andere manier met kunst te maken hebben. Ik weet bijvoorbeeld nog heel goed welk cadeau ik kreeg voor mijn zevende verjaardag. Het was iets nieuws: een doos kleurpotloden van Caran d’Ache waarvan de kleuren feller werden als je ze nat maakte. Ik vond het geweldig dat je een tint alleen met water of met je eigen speeksel kon veranderen. Het was het mooiste cadeau dat ik ooit heb gekregen. Ik versierde graag mijn schoolschriften en ik tekende liever op het schoolbord dan te gaan ravotten op de speelplaats. Als er in de klas werd geboetseerd of als er schildersezels werden gebruikt, werd ik altijd wat zenuwachtig en opgewonden. Van mijn oom wist ik al dat je van zulke dingen je beroep kon maken. Dat heeft er allemaal voor gezorgd dat ik in de lagere school eigenlijk al ‘voelde’ dat ik kunstenaar zou worden.

K.B./D.P.: Maar je moest wel nog de overgang maken van de intieme overtuiging dat je kunstenaar was naar de openlijke affirmatie dat je kunstenaar zou worden. Heb je getwijfeld toen je aan de kunstopleiding begon?

J.T.: Ik werd steeds als de kunstenaar van de familie voorgesteld en ik heb me met dat woord geïdentificeerd. Het kwam als een boemerang terug naar me toe. Er is dus geen precies moment geweest waarop ik mijn kunstenaarschap diende te affirmeren, behalve dat ik inderdaad moest beslissen om naar de kunstacademie te gaan. Maar ook dat is altijd iets vanzelfsprekends geweest. Ik heb nooit geaarzeld voor ik eraan begon; pas later, tijdens mijn studies, staken de twijfels de kop op. In de lessen waarnemingstekenen had ik de grootste moeite met de proporties van lichamen en voorwerpen. De perspectieven stuurden alle proporties regelmatig in de war. Ik had nog niet begrepen dat tekenkunst iets anders is dan omgaan met proporties. Om dat te leren had ik tijd nodig, had ik… Cézanne nodig.

Wordt vervolgd

Transcriptie en redactie in het Frans: Laurence Tuerlinckx

Vertaling uit het Frans: Piet Joostens

 

Illustraties:

–          ‘Boîte de couleur’, jaren 60

–          ‘Le poisson rouge’ in the j.t.’s Parallel Drawing Papers # PREMIER COLLAGE 1963, tentoonstellingsmateriaal ‘Drawing Inventory’, Drawing Center, New York, 2006

–          ‘Collage 22-2-64’, 1964

–          Portret van Mondriaan, ca. 1977, detail van de tentoonstelling ‘Drawing Inventory’, Drawing Center, New York, 2006

–          ‘Le livre des pierres MINÉRAUX ET ROCHES’, in ‘BILD, oder  ’, 2004, publicatie gerealiseerd in samenwerking met Willem Oorebeek

–          Bâton-Barre blanc, 1973 (zelfde periode als de ‘Perfecte kubus’) getoond in de tentoonstelling ‘Discontinuous. Drawing lines from and to the work of Guy Mees’



 

‘Als je het expliciet maakt, dan is de waarde weg’

Paul Groot (1947) was tussen 1980 en 1989 hoofdredacteur van het Nederlandse kunsttijdschrift Museumjournaal. Het blad, dat in 1955 was opgericht als spreekbuis van de belangrijkste Nederlandse musea voor moderne kunst, had zich in de jaren 60 en 70 intensief met de achtereenvolgende stromingen van de internationale neoavant-garde beziggehouden. Vanaf het midden van de jaren 70 werd de eigentijdse vooruitstrevende kunst in het tijdschrift vooral beoordeeld op zijn maatschappelijke werkzaamheid. Groot was in 1980 aangesteld om de koers van het blad opnieuw in een meer kunstimmanente richting om te buigen. Vóór zijn indiensttreding bij Museumjournaal was hij als kunstcriticus aan NRC Handelsblad verbonden geweest. Hij had daar sinds 1978 naam gemaakt met kritieken waaruit een kunsthistorische en formeel-analytische benadering sprak.

In de eerste jaren van Groots hoofdredacteurschap schonk Museumjournaal intensief aandacht aan de nieuwe schilderkunst uit Italië en Duitsland. Hoewel de toon in die reportages nog betrekkelijk journalistiek en signalerend was, gaf Groot al van meet af aan blijk van zijn behoefte nieuwe kunstbeschouwelijke benaderingswijzen te ontwikkelen. Vanaf 1983 raakte hij steeds meer onder invloed van het Franse postmodernistische gedachtegoed. In de jaren daarna ontwikkelde Museumjournaal onder invloed van enkele nieuwe redacteuren en medewerkers een eigenzinnig genre kunstkritiek. In quasi-literaire teksten werd de ideeënwereld van de Franse socioloog Jean Baudrillard in suggestief verband gebracht met uitingen van film, theater, literatuur en beeldende kunst. In onderstaand gesprek blikt Paul Groot terug op het discours in Museumjournaal tijdens zijn hoofdredacteurschap.

 

Absolute schoonheid

Rogier Schumacher: In het begin van de jaren 80 verdiep jij je in verschillende theoretische benaderingswijzen. Zo getuig je in 1981 in een interview in Metropolis M van je affiniteit met de analytische taalfilosofie zoals die door het kunstenaarscollectief Art & Language gehanteerd werd. In 1983 blijk je vervolgens kennis te hebben genomen van de Franse poststructuralistische filosofie en voorspel je dat de ideeën van mensen als Derrida, Deleuze, Guattari en Debord ‘nog een heel belangrijke invloed zullen krijgen’. Kun je iets meer vertellen over de achtergronden van deze behoefte aan theoretische kaders en de manier waarop de postmoderne theorievorming daarop aansloot?

Paul Groot: Behoefte aan theorie heb ik altijd gehad. In mijn middelbare schooltijd was ik gefascineerd door de fenomenologie van mensen als Merleau-Ponty, tot Wittgenstein en de Britse taalfilosofie mijn belangstelling trokken. Het Franse denken raakte toen een paar jaar uit zicht, tot het opnieuw onder de noemer van het postmodernisme langskwam.

R.S.: Wanneer en via welke kanalen kwam jij deze ideeën op het spoor?

P.G.: Dat weet ik niet meer precies. Ik herinner me wel dat de Fransen begin jaren 80 internationaal doorbraken, vooral ook in de Amerikaanse academische wereld. Het zou kunnen dat ik er zo, heel toevallig en terloops, op geattendeerd werd via een blad als Artforum, de New York Review of Books of dichter bij huis Intermediair. Bovendien was er de stimulans van Marianne Brouwer, die vanaf 1981 namens het Kröller-Müller Museum in de redactie van Museumjournaal zat. Zij is nu echt iemand die postmodernistisch dacht nog voordat het woord bestond. Ongelooflijk helder en ongedurig, echt superieur en ook hooghartig. Ze had in Parijs gestudeerd en onder andere in Tokio gewoond, en allerlei dingen gedaan die ik ook had gewild, maar nooit durfde. Ze las veel en drukte zich goed uit. Ze ving ook altijd goede signalen op. Zij bracht de Franse theorie uit Parijs mee. Voor mij sloot het postmodernisme op dat moment vooral aan op de overdonderende ontwikkelingen in de kunst rond 1980. Daar was toen echt iets nieuws aan de gang.

R.S.: Wat was dat nieuwe?

P.G.: De officiële kunst werd minder truttig. Daarvoor was het allemaal erg weeïg, zoals ik het me herinner. Misschien heeft het er gewoon mee te maken dat er, met de jonge Italianen en Duitsers, jonge kunstenaars opkwamen die iets anders neerzetten dan de oude garde.

R.S.: Wat bedoel je als je zegt dat het ‘allemaal erg weeïg’ was? 

P.G.: Toen ik rond het midden van de jaren 70 in de kunstwereld binnenkwam, was Cobra nog steeds smaakbepalend.

R.S.: Cobra? Niet de internationale neoavant-gardismen die sinds het midden van de jaren 60 in de Nederlandse kunstwereld en ook in Museumjournaal intensief waren gevolgd?

P.G.: Als ik vanuit mijn positie bij NRC de kunstwereld overzag, vond ik het echt truttig. De dingen die jij noemt waren de uitzonderingen. Voor mij werd het beeld bepaald door galerietentoonstellingen met schilderijen, gouaches en tekeningen, die werden besproken door critici als Hans Redeker en Lambert Tegenbosch. Daar wilde ik tegenin gaan.

R.S.: Welke functie vervulde het postmodernismeconcept in die campagne?

P.G.: Het legitimeerde het openbreken van de grenzen. De vrijheid die ik nastreefde, werd ook elders opgezocht. Alles kon en mocht breder. Het benauwde kader werd afgeschud. Als je die Italiaanse kitsch van vóór het postmodernisme zag, dan kwam het werk van die vijf schilders – Sandro Chia, Francesco Clemente, Enzo Cucchi, Nicola de Maria en Mimo Paladino – geweldig over. Ze probeerden met groot gemak van alles uit. De een deed het veel beter dan de ander, maar er gebeurde weer wat, het ademde. Het beantwoordde aan mijn behoefte aan absolute schoonheid.

R.S.: Toch ben jij betrekkelijk vlug teruggekomen van je enthousiasme over de gesticulatieve schilderkunst van de jonge Italianen en Duitsers, heb ik de indruk.

P.G.: Dat kwam door de evolutie die ze doormaakten. Neem nou Kiefer. Ook hij was op zoek naar schoonheid, in zijn series rond de Brandenburgse bossen en in zijn boeken. Daar lukt het hem. Maar dan komen langzamerhand die pretenties. Dat zag ik bij veel kunstenaars in die periode.

R.S.: Museumjournaal publiceerde in 1983 een Nederlandse vertaling van Benjamin Buchlohs Figures of authority, ciphers of regression. In het rondetafelgesprek dat erop volgt stel jij je het meest achter Buchloh op.

P.G.: Buchloh is toch een wat saaie man, een Duitse marxist die naar New York trekt en van daaruit gaat vertellen hoe het allemaal in elkaar zit. Niet mijn ideaal, maar voor de manier waarop hij in Artforum Beuys’ oorsprongsmythe aan de kaak stelde, ben je zo iemand dankbaar.

R.S.: Maar het besluit om het artikel van Buchloh op te nemen moet toch op meer hebben gesteund dan sympathie voor Buchlohs ontmaskering van de Beuysmythe? Je zult in zijn oordeel over de nieuwe schilderkunst toch iets hebben herkend?

P.G.: Ik had respect voor de strengheid van zijn denken – maar het ging ons er toch vooral om een tegengeluid te laten horen, toen bleek dat die gebarende schilderkunst alom bejubeld werd, ook in de Nederlandse museumwereld; terwijl wij begonnen in te zien dat in die schilderkunst nog maar weinig belangwekkends gebeurde. Dat maakte ons recalcitrant.

 

Heftiger dingen

R.S.: Het opmerkelijke is dat je het doorprikken van mythen door Buchloh toejuicht, terwijl jij en je mederedacteuren van Museumjournaal zelf niet wars waren van mythes en enigmatisch klinkende begrippen. Vanaf 1984 verscheen een aantal themanummers rond onderwerpen als de obsessie (4, 1984), de dubbelganger (6, 1984) en de alchemie (4, 1985). De opzet van die nummers is, luidens het redactioneel van het laatstgenoemde nummer, ‘een klein deel van het intellectuele landschap in beeld [te brengen] waarvan de uitstraling ook een weerslag zal vinden in de ontwikkelingen van de beeldende kunst’. In deze themanummers krijgt ook een nieuw soort kunstkritiek vorm, die zwaar steunt op literaire en filosofische bronnen, en buitengewoon speculatief en evocatief van karakter is. Dat discours had allerminst een analytische inslag.

P.G.: Nee, het was eerder poëtisch van aard. Dat had te maken met de invloed van Pieter Jan Gijsberts, Kees Vollemans en het hele gezelschap dat in het tweede gedeelte van mijn redactietermijn de dienst uitmaakte. We waren onder meer geïnspireerd door Baudrillard. Dat was pas het echte postmodernisme; niet die schilders, maar wat Baudrillard deed over politiek, wat Vollemans schreef en wat Gijsberts deed met het themanummer dat hij samenstelde over Wenen in de jaren 10 en 20 (Wenen. Gedaanteverwisselingen van het verlies, Museumjournaal jrg. 31, nr. 2, 1986). Pieter Jan Gijsberts hield ervan om via een model dat hij aan een andere tijd en plek ontleende, iets te zeggen over de tijd van nu.

R.S.: Hoe en wanneer kwam jij met deze mensen in aanraking?

P.G.: Via Marianne Brouwer. Zij heeft me in contact gebracht met Kees Vollemans, Pieter Jan Gijsberts en Rein Houkes. De laatste zat vanaf 1986 in de redactie. Ook Frank Reijnders raakte erbij betrokken. Hem kende ik zelf al. Hij was een oud-studiegenoot van me aan de Universiteit van Amsterdam.

R.S.: Stelde jij ook thema’s voor?

P.G.: Meestal kwamen de thema’s niet van mij, maar het was een groot intellectueel genoegen om te zien hoe anderen erin thuis waren en ze helder wisten te maken. Ik stond erbij en keek ernaar, en ik deed mee.

R.S.: Het lijkt er dus op dat jij je als hoofdredacteur vanaf het aantreden van Vollemans en Houkes betrekkelijk terughoudend opstelde.

P.G.: Dat klopt wel. Mijn visie kwam niet altijd aan bod. Marianne Brouwer, Kees Vollemans, Pieter Jan Gijsberts en ik hadden alle vier een eigen wereld, waarbij ik een beetje ruimte moest maken om de anderen des te beter aan het woord te laten komen.

R.S.: Kun je die verschillende werelden typeren?

P.G.: Marianne Brouwer vertegenwoordigde de wereld van de hogere culture elite, Frans georiënteerd en vrijzinnig. Kees Vollemans kwam uit marxistische hoek en kon die radicale achtergrond nooit achter zich laten. Ook het postmodernisme beleefde hij op een heel absolute manier. En Pieter Jan Gijsberts, onlangs helaas overleden, was een aparte poëtische persoonlijkheid. Via de Italiaanse essayistiek van mensen als Massimo Cacciari had hij belangstelling opgevat voor het culturele klimaat in het vooroorlogse Oostenrijk. Die belangstelling werkte hij uit in het themanummer over Wenen uit 1986, dat zo-even al ter sprake kwam. Hun deelname leverde een heel ander verhaal op dan het verhaal uit de vroege jaren van Museumjournaal. Toen ging het over schilders, over kunst. Nu ging het ineens over heftiger dingen.

R.S.: De termen waarin Wenen in Gijsberts’ nummer wordt bezongen zijn inderdaad overwegend heftig; verlies, dood en geweld domineren de teksten. Ook in andere nummers vanaf 1985 wordt herhaaldelijk de suggestie van geweld en gevaar opgeroepen. De ontgrenzing die jullie voorstonden was niet zonder risico’s.

P.G.: Dat is zeker zo, natuurlijk. We haalden onze inspiratie uit films, in het bijzonder Fassbinder en Pasolini. Daar gebeurden dingen die hun gelijke niet kenden in de beeldende kunst. Het opzoeken van het gevaar hoort er natuurlijk ook bij. Juist omdat je dat hoge idee van schoonheid zoekt, weet je dat daar beneden ook iets zit. Dat kun je uit de weg gaan, wat het modernisme deed, maar je kunt het ook opzoeken, om te kijken wat daar gebeurt. Dat deden wij via de film en ook via de literatuur.

R.S.: Waar denk je aan als je het hebt over ‘gevaar’?

P.G.: Aan kunstenaars die de grenzen opzoeken van wat de kijker nog kan verdragen – of ze overschrijden, zoals Pasolini deed in zijn film Salò.

R.S.: Mede door de zelden geëxpliciteerde terminologie had het discours van Museumjournaal in de jaren na 1985 de neiging nogal hermetisch te zijn.

P.G.: Ja, ongetwijfeld. Mijn bedoeling was altijd zo helder mogelijk te zijn, maar dat lukte misschien niet. Wij wilden onze droom aan de lezer overbrengen. Dat Wenen-nummer van Pieter Jan Gijsberts is één grote hartstocht, die hij wilde delen met de lezer.

R.S.: Het was zijn hartstocht.

P.G.: Maar daarmee ook mijn hartstocht. Vergelijk het met een artistiek proces. Je maakt iets en hoopt dat de kijker het begrijpt, of dat de lezer er genoegen aan beleeft. Dat kan mislukken, maar dat doet niet af aan de absolute wil om iets aan de lezer mee te delen. Wellicht waren we naar binnen gekeerd, maar wij zagen die nummers als kunstwerken die we wilden delen met de lezer.

R.S.: Jullie zagen jezelf als kunstenaar?

P.G.: Ja, maar dat zeg je niet met zoveel woorden omdat het over die hartstocht ging.

R.S.: Kun je dat toelichten?

P.G.: Het expliciet maken van je uitgangspunten is vaak verantwoord, maar hartstochten moeten zichzelf openbaren. Ze hebben een eigen grammatica, die je als een geheime code zou kunnen zien die begrepen wordt door de goede lezer. Wie erbuiten staat, heeft doorgaans geen benul van wat er aan de hand is.

R.S.: Dat klinkt sektarisch.

P.G.: Onze zekerheid was de schoonheid, waar wij een absolute relatie mee hadden. Dat wilden we met de lezer delen. Wie niet in staat was om op dat aanbod in te gaan, haakte misschien af, maar dat was niet ons probleem.

 

Umwertung aller Werte

R.S.: De ideeënwereld, de apodictische toon en zelfs de barokke stijlfiguren van Jean Baudrillard waren in de tweede helft van de jaren 80 alomtegenwoordig in het blad. Wat sprak jullie aan in zijn werk?

P.G.: Baudrillard was het makkelijkst te begrijpen. Derrida en de anderen zijn veel moeilijker. Baudrillard was ook visueler ingesteld dan de andere Franse denkers.

R.S.: Lyotard heeft zich toch intensief met beeldende kunst verstaan?

P.G.: Hij was misschien toch iets te academisch. Baudrillard was wel heftig. Hij schreef ook over alledaagse visuele fenomenen. Maar misschien was het geen bewuste keuze. Baudrillard kwam gewoon veel sneller bij ons langs.

R.S.: Wie introduceerde Baudrillard?

P.G.: Ik weet het niet meer. Marianne Brouwer, Kees Vollemans of Frank Reijnders? Vermoedelijk was het Marianne.

R.S.: Wellicht speelde het feit mee dat Vollemans samen met Maurice Nio in 1985 een Nederlandse vertaling van Baudrillards Les stratégies fatales verzorgde?

P.G.: Ongetwijfeld. Ik kan me dat niet herinneren.

R.S.: Baudrillard leverde in 1988 enkele bijdragen aan Museumjournaal. Hoe kregen jullie toegang tot hem?

P.G.: Daar ben ik nog steeds heel trots op. In 1988 was er een AICA-congres in Buenos Aires. We waren er met z’n drieën naartoe gegaan. Frank Reijnders gaf er een lezing. Baudrillard was er ook – Reijnders was onder andere meegegaan vanwege Baudrillard. Ik heb toen contact met hem gelegd. Sindsdien konden we hem niets vragen of hij zegde toe. We hebben toen de hele week met hem rondgezworven. Niet dat dat zo bijzonder was, want hij was zo’n typische hoofdonderwijzer, keurig en beschaafd, en soms gewoon onzichtbaar.

R.S.: Museumjournaal heeft zich nooit intensief met het October-postmodernisme ingelaten, afgezien van de eerder genoemde tekst van Buchloh en een essay van Yve-Alain Bois over Lucio Fontana in 1986.

P.G.: Bois werd geïntroduceerd door Marianne. Zij hadden in Parijs samen gestudeerd en waren goede vrienden. Maar October was ons te academisch. Ik vond het wel goed dat ze film serieus namen. Dat heeft mij geïnspireerd.

R.S.: Maar dat heeft er niet toe geleid dat jullie teksten van iemand als Annette Michelson publiceerden.

P.G.: Nee. Dat soort teksten was ook te lang. En wij wilden zelf ook schrijven. October was voor mij wel een inspiratiebron. Een andere inspiratiebron, veel dichter bij huis, was de Canon galerie in de Leidsestraat, op de hoek met de Prinsengracht. De galerie had op de tweede etage een bibliotheekje. Daar lagen al die prachtige bladen uit Amerika en Engeland over film en fotografie. Ik bracht er meer tijd door dan in de bibliotheek van het Stedelijk Museum.

R.S.: Rond het midden van de jaren 80 verschenen boeken als Kunst – Geschiedenis. Verschijnen en verdwijnen van Frank Reijnders en de bundel Van het postmodernisme onder redactie van Jeroen Boomgaard en Sebastián Lopéz. Hoe verhielden jij en jouw mederedacteuren je tot het ‘postmodernistische’ discours dat daar gevoerd werd?

P.G.: Het boek van Frank Reijnders is voor mij essentieel geweest. In die bundel Van het postmodernisme heb ik nooit geloofd, die kwam veel te laat.

R.S.: In welk opzicht was het boek van Reijnders essentieel?

P.G.: Hij schoof het van oorsprong nietzscheaanse gegeven van de Umwertung aller Werte naar voren als uitgangspunt voor een kritische praktijk in de eigen tijd. Die gedachte werd er superieur en spannend in uitgewerkt.

R.S.: Je zei dat de bundel Van het postmodernisme te laat kwam. Te laat in welk opzicht?

P.G.: Het begrip ‘postmodernisme’ werd er geëxpliciteerd, terwijl het natuurlijk impliciet moest blijven. Bovendien gaat het effect van het postmoderne verloren als je het op een academische manier benadert.

R.S.: Waarom waren jullie zo terughoudend om over het postmodernisme te spreken?

P.G.: Omdat we zagen hoe anderen het postmodernisme begrepen. Men hanteerde het begrip op zo’n manier dat het voor ons onbruikbaar werd. Iedereen had in de gaten dat er zoiets als postmodernisme was. Maar als je het expliciet maakt, dan is de waarde weg.

R.S.: Wat bepaalde die waarde dan voor jullie?

P.G.: Juist de omkering van alle waarden, opgevat als het afwijzen van het officiële beeld.

R.S.: Herkende je een dergelijke omgang met het begrip ook elders in de kunstkritiek?

P.G.: In Artforum waren er wel critici die schreven wat wij dachten. Daar gebeurde het wel, al zag het blad er nog heel modernistisch uit.

R.S.: Kun je voorbeelden geven?

P.G.: Ik herinner me critici als Carter Ratcliff die een popster als David Bowie serieus namen. Ze beschouwden hem als kunstenaar, helemaal in de sfeer van Andy Warhol, en namen hem op in het denken over kunst. Ze stelden de film als een beeldend medium gelijk aan de ‘echte’ kunst. En ik denk aan Thomas McEvilley, ook een criticus van Artforum, die veel over Marina Abramovic heeft geschreven. Hij had in India filosofie gestudeerd – Indiase filosofie – en wilde het Indiase denken in de kunstwereld introduceren. Ik beschouw hem als een postmodernist, omdat hij vanuit zijn buitenstaanderspositie een heel ander verhaal bracht. Zoals ikzelf ook een soort postmodernist was doordat ik samen met kunstenaars dingen deed die niet door de beugel konden. Bijvoorbeeld in 1986, voor de Amsterdamse piratenzender Rabotnik TV, die door kunstenaars werd gedragen. Ik deed met hen mee alsof ik ook kunstenaar was. Ik heb me daar nooit op laten voorstaan omdat ik wist dat niemand dat serieus nam.

R.S.: Waarom nam men dat niet serieus?

P.G.: Omdat je in de ogen van het publiek niet tegelijk criticus en kunstenaar kan zijn. Ik vind het onzin te denken dat zoiets niet kan. Ik heb me altijd heel goed gevoeld bij een rol die tegelijk kritisch en artistiek opbouwend was.

R.S.: Hoe functioneerde Museumjournaal, met die nadrukkelijke artistieke pretentie en uitdagende houding, binnen het Nederlandse kunstklimaat van die jaren?

P.G.: ‘Kunstklimaat’ is natuurlijk een abstract begrip. En of het blad zich uitdagend opstelde, weet ik niet. Ikzelf wel.

R.S.: Daar ligt toch een behoefte aan ten grondslag iets in gang te zetten?

P.G.: Ja, ik nodigde mensen uit om mee te denken en eventueel van mening te veranderen als bleek dat ze ongelijk hadden. Jij noemt dat uitdagend. Ik zie dat meer als een intellectuele of educatieve opdracht.

R.S.: Is daar op niveau op gereageerd?

P.G.: Waarom zou het niet?

R.S.: Mijn indruk is dat veel mensen in de kunstwereld een afwijzende houding aannamen.

P.G.: Ik heb dat nooit zo ervaren. Ja, misschien de Utrechtse school. Carel Blotkamp en Evert van Uitert…

R.S.: Ik denk meer aan collega-critici als Anna Tilroe en Janneke Wesseling, die jij onder één noemer schaarde, ‘de dames met het wijzende vingertje’.

P.G.: Dat heb ik wel een keer gezegd, en misschien nog eens herhaald. Maar dat was niet onvriendelijk bedoeld. Ik heb met veel mensen discussies gehad, en met heel veel mensen goede relaties. Ik kan best tegen kritiek.

R.S.: Hoe was de relatie met het bestuur van de Stichting Kunstpublicaties die het blad uitgaf?

P.G.: Met Rudi Fuchs perfect, met Wim Beeren was het oorlog. Ik bewonderde Edy de Wilde.

R.S.: Waarom?

P.G.: Ik ben met het kunstbegrip van De Wilde en Fuchs opgegroeid. Ook toen mijn houding grondig geëvolueerd was, bleef ik respect opbrengen voor wat zij op een consistente wijze vertegenwoordigden. Maar Wim Beeren is natuurlijk de man van het spektakel. Hij moest dan ook niet veel hebben van onze geheime tuin vol schoonheid.

R.S.: Je spreekt nu over jouw verhouding tot de individuele bestuursleden. Had het bestuur een oordeel over de richting waarin het blad zich in de tweede helft van jouw redactietermijn bewoog?

P.G.: Eens per jaar was er een vergadering en dan kwamen die ontwikkelingen ter sprake. Ik vertegenwoordigde de redactie. Iedereen gedroeg zich keurig, maar men vond het niets.

R.S.: Dat zeiden ze met zoveel woorden?

P.G.: Je zag het aan de gezichten.

R.S.: Men liet jullie niettemin steeds de ruimte. Hoe verklaar je dat?

P.G.: Dat was te danken aan de welgemeende tolerantie van de musea, ingegeven door het idee dat het blad fungeerde als podium voor serieuze reflectie. En wij stonden natuurlijk wel voor een visie.

 

Vervalsing

R.S.: Terugblikkend op de jaren 80 noem jij in 1989 het postmodernisme ‘een vervalsing’ en ‘een quasialternatief om alles door te laten gaan’. Was je gedesillusioneerd geraakt?

P.G.: Nee, ik constateerde de uitholling van het begrip, door kunstenaars die een theorie begonnen te illustreren. Maar dat was geen teleurstelling. Ik zag dat al veel eerder.

R.S.: Wanneer?

P.G.: Je kon het al merken aan die merkwaardige objecten van Niek Kemps en zoveel andere kunstenaars die in mijn ogen maar wat deden. Marianne was helemaal weg van Niek Kemps. Ik begreep daar helemaal niets van. En ik begrijp het nog steeds niet. Er waren zoveel mensen die niet wisten wat ze deden en dat dan maar tot postmodernisme uitriepen.

R.S.: In 1989 traden jij en je mederedacteuren terug. Hoe en waarom is dat gebeurd?

P.G.: Dat gebeurde op mijn initiatief. Ik had al aan het eind van 1987 kenbaar gemaakt het hoofdredacteurschap te willen neerleggen. Na zeven jaar vond ik het genoeg. Het bestuur van de Stichting Kunstpublicaties had op dat moment nog geen duidelijke visie op de toekomst van het blad. Mij werd gevraagd aan te blijven tot er daarover meer duidelijkheid zou zijn – dat heb ik dus gedaan.

R.S.: Heb jij na die tijd nog contacten onderhouden met de kring rondom Museumjournaal?

P.G.: Nee, het viel uit elkaar. Met Marianne heb ik wel contact gehouden, maar niet zo intens. Frank Reijnders zag ik nog weleens, Vollemans eigenlijk niet.

R.S.: Was de chemie tegen het eind van jullie redactietermijn uitgewerkt?

P.G.: Nee, die indruk had ik niet.

R.S.: In hoeverre is jouw omgang met het postmodernisme in de jaren 80 bepalend gebleven voor hetgeen je nadien gedaan hebt? 

P.G.: Als mijn werk toentertijd postmodern genoemd kon worden, dan is het zeker van belang gebleven. Ik denk bijvoorbeeld nog steeds vanuit een verruimd kunstbegrip zonder scheidslijnen tussen de disciplines. Ik geef nu werkgroepen over Warhol en Godard aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunst. De tentoonstellingen die ik zo nu en dan maak, zijn ook nogal op Godard en Warhol georiënteerd. Hun beelden inspireren mij, zoals wel uit het werk van de studenten blijkt. Het heeft een soort actualiteit die de geschiedenis mooi in perspectief zet, of andersom, het heden juist in het perspectief van de geschiedenis plaatst.



De aankomst, de verwerking en het afscheid van het postmodernisme in Nederland

1.

Dirk Pültau: In een eerste ronde hadden we graag vernomen hoe jullie in aanraking zijn gekomen met begrippen als postmodernisme, het postmoderne of postmoderniteit, en welke betekenis die termen toen voor jullie hadden. Jeroen, hoe heb jij die termen leren kennen?

Jeroen Boomgaard: Ik hoorde de notie postmodernisme voor het eerst van Sebastián Lopéz. Sebastián is afkomstig uit Argentinië en werd in 1981 aangesteld als docent aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), twee jaar voordat ik er zelf aan de slag ging. Hij kende het begrip uit de Spaanse literatuurtheorie, waar het al vanaf de jaren 50 gebruikt werd. Ik was meteen gecharmeerd door het discours dat erachter schuilging, en dat is tot op heden zo.

D.P.: Wat beviel je precies?

J.B.: De zwaarmoedige oppervlakkigheid, het pessimistische optimisme dat eruit sprak. Het postmodernisme bracht een dubbele boodschap. Enerzijds poneerde het dat er geen waarheid is. Anderzijds ging het ervan uit dat we gevangen zitten in allerlei structuren waar we geen vat op hebben. Dat waren de twee uitgangspunten. Voor mij werkte het postmodernisme enorm bevrijdend. Het bood een uitweg uit het marxisme, dat de kunstgeschiedschrijving in die tijd domineerde en waar ik behoorlijk mee worstelde. Ik behoorde zelf tot een harde kern van neomarxistische kunsthistorici, maar voelde me er helemaal niet thuis.

D.P.: Wat stoorde jou aan het marxisme?

J.B.: Het meest bedrukkend vond ik de morele bril waarmee het marxisme naar de eigen tijd keek. Het heden werd er steevast gezien als de voorbereiding van een betere toekomst. Het neomarxisme worstelde ook ontzettend met moderne kunst. Met Frank ging ik vaak naar bijeenkomsten ten huize van Berthold Hinz, die door hem als gastdocent naar de UvA was gehaald, waar over de meest onbenullige realistische schilderijtjes gediscussieerd werd alsof het grote kunst betrof.

Frank Reijnders: Hinz verdedigde zelfs de Leipziger Schule – de kunst van realistische DDR-schilders als Werner Tübke en Willi Sitte. Kunstenaars die enorme wandschilderijen maakten over het lot van het proletariaat.

J.B.: Echte waarheidsschilders! Het postmodernisme gaf me het gevoel dat er veel mogelijk was, dat het denken opnieuw kon worden uitgevonden. Het bood de mogelijkheid om op een frisse manier naar kunst te kijken.

D.P.: Frank, hoe heb jij met het postmodernisme kennisgemaakt?

F.R.: Op een heel vreemde manier. Kort na de publicatie van mijn proefschrift Kunst — geschiedenis, verschijnen en verdwijnen dat ik in 1984 aan de Universiteit van Amsterdam had verdedigd, werd ik op allerlei fora uitgenodigd. Op een ervan, in het Stedelijk Museum te Amsterdam, haalde plots iemand uit naar wat hij mijn postmoderne visie noemde. Wellicht had die persoon het over Michel Foucault en Jean Baudrillard, de denkers waarop ik mij in het proefschrift baseerde. Het werd nog gekker toen ik na afloop met een aantal kunstenaars in gesprek raakte – onder wie Rob Scholte, Peer Veneman en Niek Kemps – die zich ‘postmodern’ noemden en zich aangesproken voelden door de ‘postmoderne’ visie die ik in het Stedelijk naar voren had gebracht. Ik werd dus voor het eerst met de term geconfronteerd doordat ik zelf postmodern werd genoemd, en daar heb ik meteen een allergie voor de term aan overgehouden. Wat later, in 1986, verscheen What is Post-Modernism? van Charles Jencks. Jencks’ boek bevat een hoop ideeën die ik al lang kende uit Learning from Las Vegas van Robert Venturi, Denise Scott Brown & Steven Izenour, een boek uit de jaren 70, maar die hij onder de vlag van het postmodernisme presenteerde. Dat maakte de term zo mogelijk nog meer verdacht. Het postmodernisme had alles van een mediahype. Het begrip lag lekker in de mond. Het werd gebruikt om mensen in hokjes te stoppen – want ofwel was je postmodern, ofwel was je het niet. Ik hou niet van dat soort begrippen en ik heb de term dan ook van meet af aan zoveel mogelijk vermeden. Ik heb wel besloten om te onderzoeken wat er achter de notie ‘postmodernisme’ schuilging nadat ik als postmodern was gecatalogeerd.

D.P.: Wat was je conclusie?

F.R.: Die was behoorlijk verrassend. Het bleek namelijk dat ik veel zaken die in de jaren 80 als ‘postmodern’ werden omschreven met de jaren 60 associeerde. Ik had ze ervaren in mijn jeugd.

D.P.: Kan je iets over jouw ‘postmoderne jeugdervaringen’ vertellen?

F.R.: Toen ik midden jaren 60 aan mijn studie kunstgeschiedenis begon, mocht je je niet met moderne, laat staan hedendaagse kunst bezighouden; die kunst was immers te recent om wetenschappelijk te kunnen worden bestudeerd… Maar nauwelijks enkele jaren later was ik de eerste die een scriptie schreef over een modern kunstenaar, Henri Matisse. Ik was gefascineerd door de popcultuur en het werk van Andy Warhol – allemaal zaken waar een kunsthistoricus zijn handen moest van afhouden – en bewoog me in een milieu van mensen die ervan hielden om zich op allerlei actuele fenomenen te storten. Die fascinatie voor de actualiteit heeft me ervan bewust gemaakt dat je altijd aan je tijd gebonden bent. Of je nu onderzoek doet naar Picasso of naar de Middeleeuwen, je kan jezelf en de context waarbinnen je opereert nooit wegcijferen. Ik heb dat besef als een echte doorbraak beleefd. Het was een afrekening met de illusie dat de kunsthistorische werkelijkheid waardevrij bestudeerd kan worden. Wat men in de jaren 80 postmodern noemde – het verdwijnen van de grote verhalen en van het grote Doel, het feit dat we geen identificatiemodellen meer hebben om ons handelen op te baseren – had ik dus al vijftien jaar eerder ervaren.

D.P.: Maar toen had je kennelijk nog niet met zogenaamd ‘postmoderne’ denkers als Foucault en Baudrillard kennisgemaakt. In jouw boekje Marx, Burckhardt en het probleem van de kunsthistorische wetenschap, in 1979 verschenen in de reeks ‘Kunsthistorische schriften’, hanteer je nog een marxistisch paradigma.

F.R.: Dat klopt. In de jaren 70 was ik er echt van overtuigd dat het marxisme een stevig fundament kon bieden aan elke historische discipline.

D.P.: Wanneer is daar precies verandering in gekomen?

F.R.: In 1980, het jaar waarin ik aan mijn proefschrift begon. In dat jaar heb ik Les Mots et les Choses. Une archéologie des sciences humaines (1966) van Michel Foucault gelezen, in een heel slechte vertaling uit de jaren 70. Dat boek heeft mijn denken fundamenteel veranderd. Foucault liet zien dat het ‘geschiedenisdenken’ een typische uitvinding is van de moderne tijd. Zonder dat boek had ik mijn proefschrift niet kunnen schrijven.

D.P.: Hoe was je ertoe gekomen Foucault te lezen?

F.R.: Hoe ik daartoe gekomen was…

J.B.: …ik herinner me een congres dat in 1978 plaatsvond in Nijmegen, naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van Histoire de l’art et lutte des classes van de marxistische kunsthistoricus Nicos Hadjinicolaou. Kees Vollemans en Jan de Heer kwamen er met Foucault aandraven. Vollemans was voornamelijk in Foucaults discours over disciplinering geïnteresseerd.

F.R.: Je hebt gelijk. Dat congres is heel belangrijk geweest. Er waren onder meer lezingen van de Italiaanse curator en architectuurhistoricus Francesco Dal Co en van de Duitser Michael Müller, die een achtergrond had in de Frankfurter Schule, en in dat gezelschap lieten Vollemans en De Heer plots een nieuw geluid horen. Misschien was dit congres wel de introductie van het postmoderne gedachtegoed voor de Nederlandse kunstgeschiedschrijving – indien je Foucault althans postmodern wil noemen…

D.P.: In Kunst – geschiedenis, verschijnen en verdwijnen wordt de kunstgeschiedenis evenwel ook beschreven als een ‘simulatiefiguur’ à la Baudrillard.

F.R.: Ik zal je eens wat vertellen. In 1983, een jaar voordat ik mijn proefschrift moest verdedigen, heb ik Les Stratégies fatales van Baudrillard gelezen, in het Frans. Ik schrok me rot. Ik had het gevoel dat ik mijn hele proefschrift moest herschrijven – en dat heb ik nog gedaan ook!

D.P.: Waardoor was je zo overrompeld?

F.R.: Baudrillard gaat ervan uit dat we het tijdperk van de geschiedenis reeds verlaten hebben. Dat was een verpletterende gedachte die nog een stuk verder ging dan wat Foucault betoogde. Het is aan Baudrillard te danken dat ik mijn argumentatie heb kunnen radicaliseren en dat mijn boek zo’n provocerende impact heeft gehad.

D.P.: Misschien is Verschijnen en verdwijnen geen ‘postmodern’ boek, maar een ‘posthistorisch’ boek? Je deconstrueert er immers de figuur van de (kunst)geschiedenis…

F.R.: Maar het boek gaat over nog zoveel meer. Het handelt ook over de figuur van de kunst. Duchamp was even belangrijk voor me als Foucault en Baudrillard – nog los van zovele andere ervaringen en kunstwerken die me hebben geïnspireerd.

Koen Brams: Arjen, hoe en wanneer ben jij met het postmodernisme in aanraking gekomen?

Arjen Mulder: Ik hoorde voor het eerst van de term in 1985, via de bundel Van het postmodernisme van Jeroen Boomgaard en Sebastián Lopéz. Ik bewonderde op dat moment de grote modernistische schrijvers, Faulkner, Joyce, Musil en Broch, maar tegelijk was ik er een beetje ‘doorheen gelezen’. Toen Van het postmodernisme uitkwam, keek ik verrast op. Er bestaat ook zoiets als postmodernisme! Er zit een vervolg aan mijn geliefde modernistische literatuur!

K.B.: Wat heb je toen gedaan?

A.M.: Ik besloot om kennis te maken met een aantal auteurs die in Van het postmodernisme besproken werden, onder wie Amerikaanse schrijvers als John Barth en Paul Auster… Wat viel dat tegen! Die boeken waren totaal niet aan mij besteed…

J.B.: …aan mij evenmin. Ik had het moeilijk met veel kunst die postmodern werd genoemd: de boeken van Auster, de schilderijen van David Salle of van de zogenaamde ‘nieuwe wilden’, om nog te zwijgen van de onbenullige architectuur die door Charles Jencks werd verdedigd. Dat maakte de omgang met het postmodernisme dan weer een stuk lastiger voor me.

A.M.: Wat later las ik La Condition postmoderne van Jean-François Lyotard. Ook dat boek beviel me niet echt. Ik hou wel van de dramatiek in zijn teksten, hij heeft mij altijd ontroerd… maar met zijn relaas over het einde van de grote verhalen had hij volgens mij zelf een groot verhaal opgesteld. Ik ben daarna wel boeken van andere filosofen gaan lezen die met het postmodernisme geassocieerd werden, zoals Gilles Deleuze, Michel Foucault en Jean Baudrillard. Ik genoot van de enorme spanning die uitging van Baudrillards teksten, zoals De la séduction en Les Stratégies fatales

Ger Groot: De waardering voor Baudrillard kan ik niet onderschrijven. Volgens mij heeft hij het postmodernisme een slechte naam bezorgd.

K.B.: Waarom?

G.G.: Ik vind zijn conceptueel apparaat enorm warrig. Problematisch vind ik met name zijn absolute verwerping van elke referentiële functie. Als je de referent helemaal buitenspel zet, dan zeg je dat alles voortaan toegelaten is. Een zeer problematische stelling.

A.M.: Dat zie ik anders. De manier waarop het denken zich in zijn boeken door een brij van taal en woorden boort… Echt geweldig! Over Baudrillard, Deleuze en Foucault heb ik zelfs les gegeven aan krakers.

K.B.: Kan je daar iets meer over vertellen?

A.M.: Dat was in het kader van Bilwet, de (Stichting ter) bevordering van de illegale wetenschap die ik midden jaren 80 samen met BasJan van Stam en Geert Lovink vormde. Geert en ik kwamen zelf uit het krakersmilieu. We waren van mening dat de krakers hun strategie moesten updaten. Die Franse denkers kwamen daarbij van pas.

D.P.: Noemden jullie dat soort activiteiten postmodern?

A.M.: Niet noodzakelijk. Na een tijdje begon ik de term wel in mijn teksten te gebruiken.

D.P.: Op welke manier?

A.M.: Ik maakte steeds een onderscheid tussen ‘postmodernisme’ als filosofische leer en de ‘postmoderne conditie’. Het is die conditie die me interesseerde. De ‘postmoderne conditie’ heeft niets met theorie te maken. Het is een realiteit waar je middenin zit. Je hoeft geen literatuur te bestuderen om ze te onderkennen. Het volstaat om te observeren om allerlei postmoderne effecten te ontwaren. Vervolgens is de vraag hoe je op die observaties reageert. Je reactie kan er bijvoorbeeld een van onverschilligheid zijn. Dat is dan weer interessant. Dat is namelijk een typisch postmoderne reactie…

K.B.: Ger, kan jij jouw kennismaking met het postmodernisme toelichten?

G.G.: De eerste keer dat ik de term hoorde, was – denk ik – in Parijs in 1980, het jaar nadat La Condition postmoderne van Lyotard was uitgekomen. Ik studeerde op dat moment filosofie in Parijs en heb er onder meer colleges gevolgd bij Roland Barthes, Jacques Derrida en Michel Foucault. Ik heb ook een voordracht van Lyotard bijgewoond in de Ecole Normale Supérieure. Voor amper een handvol mensen hield de filosoof een saai betoog over Wittgenstein. Maar daarin viel de notie ‘postmoderniteit’ – voor zover ik mij herinner – geen enkele keer; het begrip was duidelijk nog niet populair – en Lyotard evenmin! Rond 1980 ben ik dan naar Spanje getrokken, waar ik een drietal jaar gewoond heb. Vanuit Spanje heb ik mijn studies aan de Universiteit van Amsterdam afgemaakt. Het was in die periode – begin jaren 80 – dat het begrip postmodernisme begon te circuleren, vooral in het discours over architectuur. Zelf zat ik echter in een totaal andere wereld. Mijn afstudeerscriptie was een commentaar op Derrida’s boek Eperons. Les styles de Nietzsche. In 1983 verhuisde ik naar Nederland en werd ik als docent filosofie aangesteld aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), in zekere zin als opvolger van Eric Bolle. Later, in 1985, heb ik een geannoteerde vertaling van Derrida’s Eperons uitgebracht. Rond die tijd moet ik ook Sebastián Lopéz hebben leren kennen, ik denk via een vriend van mijn vrouw in Madrid.

K.B.: Heb je toen ‘postmoderne’ filosofie gedoceerd?

G.G.: Eigenlijk niet. Ik gaf in de jaren 80 veel les over Jacques Derrida en bij hem valt de term ‘postmodernisme’ helemaal niet. Ik was me er weliswaar van bewust dat Derrida – net als Nietzsche trouwens – met het postmodernisme geassocieerd werd, maar voor mij persoonlijk speelde dat geen rol. Als het over Derrida ging, gebruikte ik eerder de term ‘poststructuralisme’. In de jaren 90 begon ik les te geven over het moderne subjectbegrip. Pas toen kreeg het postmodernismebegrip voor mij een uitgesproken filosofische betekenis.

K.B.: Welke betekenis?

G.G.: De notie ‘postmodernisme’ stond voor het inzicht dat één samenhangend wereldbeeld niet meer mogelijk is. Ik baseerde mij vooral op het denken van de late Heidegger en van Isaiah Berlin. Berlin betoogt dat de Verlichting meteen vanaf haar ontstaan in een crisis terechtkomt. De idee van de Verlichting dat de werkelijkheid tot één schema kan worden teruggebracht, lijdt immers al schipbreuk in de Romantiek. Martin Heidegger formuleert na ‘die Kehre’ de gedachte dat de wereld in de filosofie niet kan worden beschouwd als een ding dat vóór ons staat. De wereld is voor de filosofie geen object dat je vanop een afstand en in zijn totaliteit kunt vatten, aldus Heidegger. De wereld verliest zich in het beschouwen ervan; ze verliest zich in een horizon die onmogelijk kan worden gethematiseerd. Die inzichten – van de late Heidegger en Berlin – breken opnieuw door aan het einde van de 20ste eeuw, en voor mij wordt dat moment met de term ‘postmodern’ samengevat.

K.B.: Heb je de term ‘postmodernisme’ toen zelf ook gebruikt?

G.G.: Ja, maar met de nodige distantie. In mijn colleges had ik het bijvoorbeeld over ‘wat men vaak postmodern noemt’ of ‘wat in de jaren 80 postmodern genoemd werd’. Ook in mijn teksten heb ik de term uiterst zelden gebruikt. Ik ben altijd gehecht gebleven aan de helderheid en het geloof in de argumentatie van de Verlichtingstraditie. Daarnaast probeerde ik echter om een licht te laten schijnen op de Verlichting zelf en de limieten van de Verlichting te denken. Dat zou je dan postmodern kunnen noemen. Allicht leun ik op dat punt aan bij Lyotard, die ik overigens pas later echt bestudeerd heb. Ik vind zijn houding ten aanzien van de Verlichting nog altijd zeer verdedigbaar. Om diezelfde reden voel ik me trouwens erg met Isaiah Berlin verwant. Ook bij Berlin vind je die dubbele houding tegenover de Verlichting terug.

 

2.

D.P.: Jeroen, in 1985 stelde je met Sebastián López de essaybundel Van het postmodernisme samen, het eerste boek in Nederlandstalig gebied waarin het postmodernisme in relatie tot de kunstproductie wordt gethematiseerd. Kan je wat meer vertellen over jullie plan om dat boek te maken?

J.B.: Ik was samen met vier andere kunsthistorici – Sebastián Lopéz, Debora Meijers, Nelly Mouris en Frank Reijnders – van start gegaan met de ‘Kunstreeks’ die gepubliceerd werd door Uitgeverij SUA in Amsterdam. Als eerste aflevering werd in 1984 Franks proefschrift Kunst — geschiedenis, verschijnen en verdwijnen uitgebracht. Sebastián stelde toen voor om als tweede aflevering een boek over het postmodernisme te maken. Zoals gezegd was hij al langer met de term vertrouwd en was ik er via hem mee in aanraking gekomen. Bovendien dook het begrip ondertussen overal op. Iedereen nam het in de mond. Sebastián en ik vreesden zelfs dat het boek te laat zou komen en dat die postmoderne golf alweer voorbij zou zijn. In de openingszin van de inleiding verwijzen we naar die mediahausse: ‘Er waart een spook door de media. Van Avenue tot Vrij Nederland, van De Groene tot Libelle, overal wordt erover geschreven.’

K.B.: De daaropvolgende zin luidt: ‘Maar ondanks deze overproductie en deze overexposure is het moeilijk er een duidelijk beeld van te krijgen.’ Als er één cliché bestaat over het postmodernisme, dan is het dit wel: iedereen gebruikt de term, maar niemand weet wat hij betekent.

J.B.: Daar waren wij al erg vroeg achtergekomen, vind je niet?

K.B.: Waarom wilden jullie vasthouden aan de term als er ‘geen duidelijk beeld van te krijgen is’?

J.B.: Het ging er ons niet om de term te definiëren of te oordelen of hij goed of slecht is. We stelden vast dat hij circuleerde, dat hij in de lucht hing, en dus dachten we: laat ons kijken wat ermee bedoeld wordt. Laat ons de diversiteit zichtbaar maken die zich achter dat vage begrip ophoudt. Daarnaast wilden we dat het boek het postmodernisme van binnenuit zou weergeven. De titel Van het postmodernisme geeft dat aan: het is geen boek over het postmodernisme, maar van het postmodernisme; het komt eruit voort. Ik was erg tevreden over die titel. Van het postmodernisme is uiteraard een germanisme…

F.R.: Of een verwijzing naar het Frans: De la postmoderne

J.B.: Omdat we het postmodernisme van binnenuit wilden beschrijven, hebben we nauwelijks filosofische artikelen opgenomen. We hadden wel de filosoof Willem van Reijen uit Utrecht om een bijdrage verzocht, maar zijn tekst stuitte op kritiek en Van Reijen was niet bereid om er verder aan te werken.

F.R.: Hij had een erg beschrijvende tekst aangeleverd. We hadden al zo’n tekst geselecteerd voor het boek: De kwestie van het postmodernisme van Ihab Hassan.

K.B.: Het boek bestaat voor het grootste deel uit bijdragen waarin telkens één kunstdiscipline onder de loep wordt genomen: Ernie Tee schrijft over film, Sebastián López en Frank Reijnders hebben het over beeldende kunst, Hans Bertens en Paula Boeijen behandelen de literatuur, en Jan Middendorp schrijft over theater. Waarom kozen jullie ervoor om langs alle disciplines te lopen?

J.B.: Ik heb de reden zonet aangegeven: we wilden een blik werpen op de diversiteit die het begrip opriep.

F.R.: De modernistische idee dat elke discipline zijn specificiteit naar voren brengt, was teloorgegaan. Er was een interdisciplinaire conditie ontstaan. Later heeft men van het begrip ‘interdisciplinariteit’ een dogma gemaakt, maar toen was dat een heel bevrijdende ontwikkeling.

K.B.: De term heeft per discipline andere betekenissen. Dat bewijst nogmaals zijn onbruikbaarheid.

J.B.: Je kon het ook anders bekijken. Je kon van de hypothese uitgaan dat die tegenstrijdige betekenissen juist met de ‘postmoderne conditie’ te maken hebben. Dat wilden wij uittesten. Vandaar dat we het postmodernisme niet wilden definiëren. Dat zou strijdig zijn geweest met het postmodernisme zelf. We wilden juist elk homogeniserend model achter ons laten.

K.B.: In de inleiding worden de zogenaamde nieuwe schilders of ‘neo-expressionisten’ postmodern genoemd.

J.B.: Terecht, vind ik. Typisch voor de nieuwe schilders was dat zij de kunstgeschiedenis op een conceptuele manier inzetten. De Neue Wilde schilderden niet expressionistisch, ze gebruikten expressionistische schema’s. Het expressionisme was bij hen een toepasbare code geworden en dat kan je een postmoderne ontwikkeling noemen.

F.R.: Wij hadden het indertijd over ‘lege tekens’. Alle kunsthistorische stijlen waren van hun betekenis ontdaan en konden als lege tekens worden ingezet. Stromingen als het expressionisme, het realisme, het surrealisme waren van hun oorspronkelijke context losgesneden en inwisselbare codes geworden. Jiri Georg Dokoupil is een voorbeeld van een kunstenaar die deze conditie thematiseerde. Kunstenaars als Dokoupil kregen in de kunstacademies met hetzelfde soort conflicten te maken als wij binnen de universiteiten. Zo kreeg Dokoupil van zijn leermeester Beuys te horen dat hij op het slechte pad aan het raken was en dat het fout zou aflopen als hij zo doorging. Dokoupil ondergroef het sérieux van de kunst en dat werd als een gevaar gezien.

D.P.: Frank, jij draagt een tekst bij aan Van het postmodernisme met de Baudrillard-achtige titel Verdwijnpunt object. Interessant is dat je in die tekst voor een keer wél de term postmodernisme gebruikt. Je noemt Flaubert, Manet en Baudelaire de eerste postmodernisten.

F.R.: Dat was een pesterij! Die tekst leunt volledig op mijn proefschrift, maar uit afkeer van de term ‘postmodernisme’ heb ik drie van de meest vooraanstaande modernisten ‘postmodernistisch’ genoemd. Dat heeft zijn doel overigens niet gemist. Op een feestje merkte een jongedame geïrriteerd op dat dat het hek van de dam haalde en dat je voortaan iedereen postmodern kon noemen. ‘Dat is nu eens een typisch postmoderne uitspraak’, riposteerde ik. Ik beleefde er best wel lol aan.

K.B.: In jouw bijdrage ga je in op het werk van Anselm Kiefer. Waarom is Kiefer postmodern?

J.B.: Denk aan zijn eerste werken waarin hij zichzelf in een landschap afbeeldt en de Hitlergroet brengt. Kiefers ironische omgang met de geschiedenis getuigde onmiskenbaar van een postmoderne impuls.

F.R.: Of neem de Hermannsschlacht. Dat is nou een typisch postmodern schilderij. Alle auteurs die over de mythische Hermannsschlacht hebben geschreven – incluis Kant en Heidegger – worden door Kiefer rond een vuurtje van berkenstammen geportretteerd. Het schilderij toont dat er meerdere verhalen over de Hermannsschlacht bestaan. De geschiedenis verschijnt er als een palimpsest.

K.B.: Het klopt dat Kiefer de geschiedenis tot onderwerp neemt, maar in het algemeen kan je hem toch niet ironisch noemen?

J.B.: Nee, akkoord. Daar ben ik het met je eens.

K.B.: Merkwaardig is het contrast tussen het begin en het einde van het boek. In de inleiding wordt het postmodernisme als een lunapark neergezet. De laatste tekst van het boek is een vertaling van Adorno come diavolo van Jean-François Lyotard.

J.B.: Die tekst was niet onze eerste keuze. We hadden een andere tekst van Lyotard op het oog – ik herinner me niet meer welke – maar de rechten op de vertaling waren in handen van Willem van Reijen. Na de kritiek op zijn bijdrage trok hij ook de rechten terug.

F.R.: Van Reijen had Lyotard in Nederland geïntroduceerd. Hij deed zich voor als de man die Nederland met het postmodernisme kwam verlichten. Eric Bolle claimde overigens hetzelfde voor wat de Franse filosofie betreft, het denken van Foucault en Deleuze. De houding van mensen als Van Reijen en Bolle was enigszins irritant.

K.B.: Was het een bewuste keuze om te beginnen met het ‘postmoderne lunapark’ en te eindigen met een tekst die het postmodernisme als een ethische kwestie omschrijft?

J.B.: We vonden het in elk geval belangrijk om aan de ethische discussie rond het postmodernisme aandacht te besteden. In de inleiding verwijzen we bijvoorbeeld naar Jürgen Habermas’ pleidooi voor een kritische voortzetting van het modernisme. Adorno come diavolo van Lyotard vertegenwoordigt het ethische standpunt van het postmodernisme in het boek. Of beter gezegd: de tekst articuleert het ethische standpunt waar het postmodernisme zich tegen afzet.

K.B.: Hoe bedoel je?

J.B.: Ik vind Lyotard geen echte postmodernist. Het is bijvoorbeeld betekenisvol dat hij zich in zijn geschriften over kunst steeds aan de avant-gardetraditie spiegelt. Ik zou hem als een modernistische postmodernist karakteriseren. Zijn opvatting over het postmodernisme ging voor ons niet ver genoeg.

K.B.: Hebben jullie een presentatie van het boek georganiseerd?

J.B.: Ja, in een galerie aan de Prinsengracht in Amsterdam. Sebastián en ik gaven een soort ‘performance’ ten beste. Hij deed alsof hij een betoog hield in het Spaans en ik deed alsof ik simultaan vertaalde – maar in werkelijkheid was het geluid afkomstig van een bandopnemer. We hadden namelijk speciaal voor de gelegenheid een geluidsopname gemaakt. Het ging er behoorlijk postmodern aan toe!

K.B.: Zijn er recensies van het boek verschenen?

J.B.: Niet dat ik me herinner…

K.B.: Of is er een debat op gevolgd?

J.B.: Ach nee… Het kenmerk bij uitstek van het Nederlandse intellectuele debat is dat het niet bestaat. Ik herinner me wel dat ik een lezingtekst heb geschreven waarmee ik heel Nederland ben afgereisd. Het heeft maar een haar gescheeld of de tekst was gepubliceerd in Fase 2, het tijdschrift van Marc Schepers, de drijvende kracht achter de Antwerpse Ruimte Morguen. Jammer genoeg werd het tijdschrift stopgezet omstreeks de tijd dat ik mijn tekst beëindigde.

 

3.

D.P.: Welke effecten heeft het postmodernisme – of het gedachtegoed dat onder die vlag paradeert – op jullie latere praktijk gehad? Jeroen, in 1995 verscheen jouw proefschrift De verloren zoon. Rembrandt en de Nederlandse kunstgeschiedschrijving.

J.B.: Dat kan je zonder meer een postmodern boek noemen.

D.P.: In welke zin?

J.B.: Ik probeerde te laten zien dat de kunstgeschiedschrijving aan waarheidsproductie doet. Ik behandelde alle auteurs die over Rembrandt hadden geschreven op een gelijkwaardige manier. Contemporaine schrijvers werden naast 19de-eeuwse auteurs geplaatst…

F.R.: …waaronder achterhaalde figuren als Frederik Schmidt-Degener, Julius Langbehn – auteurs die je niet zomaar straffeloos van stal haalt. De waardering van Rembrandt werd tussen aanhalingstekens gezet.

K.B.: Wat deed jij met die auteurs, Jeroen? Hun ideologische achtergrond analyseren?

J.B.: Daar ging het absoluut niet om.

K.B.: Waarom niet?

J.B.: Omdat dat een correct standpunt veronderstelt – alsof je over een transcendentale schijnwerper beschikt om de waarheid te laten zien. Dat dat mogelijk zou zijn, geloofde ik juist niet meer. Ik wilde laten zien dat de kunstgeschiedenis fictie bedrijft. Die verhalen zijn niet fout, ze moeten niet ontmaskerd worden. Ze zijn juist ontzettend rijk en interessant, zolang je ze niet laat doorgaan voor de waarheid. Je moet weten dat de vooruitgangsgedachte nog heel sterk leeft in de kunstgeschiedenis. Dat komt omdat er een object is. De kunsthistorici bijten zich vast in een object – ‘Rembrandt’ bijvoorbeeld – en denken dat ze dat object steeds beter zullen begrijpen, dat ze er steeds meer over te weten kunnen komen. Ik had bij het schrijven aan mijn proefschrift juist het gevoel dat ik hoe langer hoe minder wist wat ‘Rembrandt’ nu eigenlijk is. Een heuse postmoderne ervaring!

G.G.: Ik vind het heel belangrijk wat Jeroen stelt. Het stemt helemaal overeen met de inzichten die het deconstructiedenken van Derrida ons aan de hand doet. Aan de ene kant heb je bij hem de deconstructie van ‘de waarheid’ en de verdwijning van het waarheidsbegrip. Aan de andere kant is er het inzicht dat de werkelijkheid een constructie is. De werkelijkheid is fictie… maar die fictie is ‘echt’. Zij produceert werkelijkheid.

J.B.: Dat klopt. Deconstructie en postmodernisme zijn voor mij heel nauw verweven.

F.R.: Jeroens boek was bijzonder controversieel omdat het onverenigbaar was met het Rembrandt Research Project, geleid door Ernst van de Wetering, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de UvA. Voor hem was het onverdraaglijk dat iemand die 19de-auteurs plots serieus nam.

J.B.: Ik kan je daar een anekdote over vertellen. In 1990 bracht Mieke Bal Verf en verderf. Lezen in Rembrandt uit, een boek over Rembrandt waarin zij nadrukkelijk buiten de lijntjes van de kunsthistorische discipline kleurt. De specialisten van het Rembrandt Research Project waren natuurlijk helemaal tegen dat boek gekant. Op een bepaalde dag kreeg ik telefoon van Carel Peeters, die de boekenbijlage van Vrij Nederland leidde. Hij vroeg me of ik een recensie tégen dat boek wilde schrijven. De voorzitter van de projectgroep, Ernst van de Wetering, durfde het kennelijk zelf niet!

D.P.: Hoe is er op jouw eigen boek gereageerd?

J.B.: Sommige reacties van de commissie tijdens de verdediging van mijn proefschrift zijn me bijgebleven. Ik werd namelijk op de rooster gelegd over het vermeende ‘postmoderne’ karakter ervan.

D.P.: Jij werd met het postmodernisme geïdentificeerd?

J.B.: Ik werd ermee vereenzelvigd, ja, en dat kwam mij niet op gejuich te staan. Het werd me kwalijk genomen dat ik me niet had gehouden aan een klassiek kunsthistorisch perspectief.

D.P.: Arjen, na jouw ontgoochelende kennismaking met Amerikaanse postmoderne schrijvers ging je Franse filosofie lezen, onder meer Baudrillard. Kan je daar iets meer over vertellen?

A.M.: Ja, ik hield van de vervreemdingseffecten die de lectuur van Baudrillard bij je opwekt. Als ik Baudrillard lees, heb ik het gevoel dat ik mezelf zie denken. Ik heb Baudrillard evenwel nooit als een filosoof gelezen.

D.P.: Hoe bedoel je?

A.M.: Ik las hem als een essayist. Het postmodernisme is voor mij in de eerste plaats de ontdekking van het essay geweest.

J.B.: Ik herken me daar helemaal in. Ook voor mij is het essay uit het postmodernisme voortgekomen. Sinds het postmodernisme hebben we afstand genomen van het schrijven met de alomvattende boog. We durven het fragment als iets volwaardigs te accepteren. Die idee is in elk geval richtinggevend geweest voor mijn praktijk.

A.M.: In het modernisme kan het essay behoorlijk heftig zijn, maar op postmoderne wijze loopt het heel lekker.

D.P.: Arjen, welke essays heb jij geschreven die je bij uitstek als postmodern zou kwalificeren?

A.M.: Het is moeilijk om er een voorbeeld uit te pikken… In 1992 heb ik in het kader van Bilwet – samen met BasJan van Stam en Geert Lovink – een boekje gemaakt dat je wat mij betreft best een hoogtepunt in de postmoderne Nederlandse literatuur mag noemen – al is het misschien geen essay: Media-archief van Bilwet. Het is op consequente wijze met fragmenten opgebouwd, die uit hun verband gerukt en door de vertoogmixer gehaald zijn. Dat levert de meest wonderlijke frasen op.

D.P.: Heb je nog voorbeelden?

A.M.: Ja. In Het 20ste-eeuwse lichaam (1996) bijvoorbeeld, het eerste boek waarin ik mijn mediatheorie ontwikkelde, associeer ik media als film en fotografie met het modernisme, en video met het postmodernisme. De modernistische media zijn gebaseerd op de idee dat er een werkelijkheid bestaat die zich onafhankelijk van het medium ontwikkelt en van buitenaf door het medium geregistreerd wordt. Bij video is het andersom. Daar verandert in eerste instantie het medium zelf – en de werkelijkheid verandert mee. Dat primaat van het transformerende beeld noem ik postmodern. Daarnaast associeer ik modernisme en postmodernisme ook met verschillende lichaamsculturen. Het modernisme huldigt een ‘natuurlijk’ lichaamsideaal dat culmineert in de bewegingssporten van de jaren 30. Het lichaamsideaal van het postmodernisme is dat van de bodybuilding. Net als het beeld in video, transformeert het lichaam in bodybuilding van binnenuit. Arnold Schwarzenegger, Sylvester Stallone en Michael Jackson: dat waren mijn postmoderne helden.

D.P.: Waren er bepaalde auteurs die jou bij de ontwikkeling van die gedachte inspireerden?

A.M.: De idee dat een medium niet alleen een inhoud heeft, maar ook een omgeving vormt, komt uiteraard van Marshall McLuhan.

F.R.: Ik heb ook een boek geschreven dat misschien wel écht postmodern is: Metamorfose van de Barok.

D.P.: Kan je uitleggen waarom?

F.R.: In Metamorfose van de Barok beschrijf ik hoe ‘de kunst’ op elk moment van haar ontwikkeling – van de 18de eeuw tot vandaag – een nieuwe tegenstander oproept. De kunst volgt in mijn verhaal het gekende kunsthistorische traject – dat is misschien het zwakke punt van het boek – maar het bijzondere is die tegenstander van de kunst, die mét de kunst telkens weer van gedaante verandert. Ik duid die tegenstander aan met de term ‘barok’, omdat hij met die titel voor het eerst in het spel werd gebracht. Dat levert een grillig parcours op dat je zeker ‘postmodern’ zou kunnen noemen. Wat volgens mij echt ‘postmodern’ is, is dat we op die manier de geschiedenis herschrijven.

A.M.: Helemaal akkoord.

F.R.: De kunstgeschiedenis is een modern concept en dat was in de jaren 80 problematisch geworden. Door het postmodernisme werd de kunstgeschiedenis plots veel interessanter en rijker. We kwamen voor een grote grabbelton te staan, vol met de meest diverse onderwerpen waarmee je allerlei nieuwe montages kon maken. Ik ontmoette een student die een scriptie voorstelde waarin hij Catalaanse fresco’s met het werk van Picabia wilde confronteren. Ik heb hem begeleid omdat niemand anders bereid werd gevonden. Hij moet vast de eerste postmoderne student in Nederland zijn geweest.

J.B.: Rembrandt werd al in de jaren 20, 30 en 50 een impressionist of een expressionist genoemd. Dat zou je dan ook postmodern kunnen noemen?

F.R.: Dat lijkt me iets anders. In dat geval wordt Rembrandt naar het heden toegeschreven door te stellen dat hij ‘reeds modern’ is. Rembrandt wordt toegeëigend. Wij deden iets anders. Wij herschikten het verleden op willekeurige wijze of zetten het zelfs op zijn kop.

A.M.: Wat een opluchting dat dit allemaal mogelijk werd, vinden jullie niet? Het modernistische verhaal was helemaal dichtgeslibd. Het was heerlijk om de historische verbanden uit elkaar te kunnen nemen en de fragmenten op een andere manier weer aan elkaar te lassen. Het leuke aan het postmodernisme is dat het je toelaat dingen te zien waar je anders geen benul van hebt. Plots blijkt Laurence Sterne een postmodernist te zijn of gaat Orlando Furioso (1516) van Ariosto postmodernistisch klinken. Je kan ook postmodern naar de werkelijkheid kijken. In mijn nieuwste boek behandel ik Kandinsky en Mondriaan niet meer als modernisten; ik zie ze als mediatheoretici.

F.R.: Ja, dat dergelijke perspectiefverschuivingen mogelijk zijn, kan je als een verworvenheid van het postmodernisme zien. Een andere grote verworvenheid van het postmodernistische debat is dat we meer ruimte hebben gecreëerd voor ambivalentie, ook in de kritiek. In de tijd van het neomarxisme was dat ondenkbaar. Het was het een óf het ander. Sinds het postmodernisme accepteren we dat dingen vanuit verschillende blikrichtingen ‘waar’ kunnen zijn.

J.B.: Al had dat ook een keerzijde.

D.P.: Waarop doel je?

J.B.: Het ondergraven van waarheidspretenties is na een tijd een dogma geworden. ‘Er is geen waarheid’: overal, in lezingen, debatten en congressen, kreeg je datzelfde zinnetje te horen. Voor mij was het inzicht dat er geen waarheid was geen eind- maar een beginpunt, maar velen zagen dat niet zo. Dat er geen waarheid is, werd begrepen als: ‘Niets heeft zin’ of ‘Everything goes’.

G.G.: Als je met één kwestie niet licht mag omspringen, dan is het met de idee dat er geen waarheid is. Daar heeft Derrida onverdroten op gehamerd. Derrida maakt – in het verlengde van Nietzsche – duidelijk dat de afwezigheid van de waarheid ons voor enorme problemen stelt. In Nederland drong dat bij velen niet door. Wellicht heeft dat te maken met de import van het Franse denken uit Amerika.

D.P.: Hoe zie je dat precies?

G.G.: Veel Nederlanders hebben het Franse denken via Amerika leren kennen, niet via de Amerikaanse filosofie – die was immers voornamelijk analytisch georiënteerd – maar via de literatuurwetenschappen en de cultural studies. Het Franse denken had daardoor een deel van zijn conceptuele strengheid ingeboet. Dat heeft in Nederland veel misverstanden veroorzaakt.

F.R.: Ja, daar heb je wel gelijk in. Er werden aan het eind van de jaren tachtig teksten geschreven waar je helemaal gek van werd omdat bijna alle termen tussen aanhalingstekens stonden. Niets is echt, leert het postmodernisme immers.

J.B.: De schaduwzijde van het postmodernisme is de overwaardering van de taal. Mensen die gewoon kritiek bedreven, wilden plots mooi kunnen schrijven. Als we geen waarheid meer kunnen spreken, dan is de taal zelf de waarheid, zo luidde de onderliggende redenering. Dat had natuurlijk dramatische consequenties. Het kunsttijdschrift Museumjournaal heeft daarin een niet te onderschatten rol gespeeld. In de ogen van de meeste kunstliefhebbers stond het blad vol onbegrijpelijke onzin.

F.R.: Ik herinner me een nummer uit 1988 met als titel De Ronde van Nederland waarin volgens de ‘spiraal van de Ubu Roi’ en ‘de reis van Doctor Faustroll’ – twee karakters uit het oeuvre van de Franse schrijver Alfred Jarry – een imaginaire fietstocht werd uitgezet langs een aantal plekken in Nederland. Het ging om een patafysisch nummer in de radicale zin van het woord: het nummer handelde niet óver patafysica, maar was zélf patafysisch. Die aflevering is bij veel kunstliefhebbers in het verkeerde keelgat geschoten.

K.B.: Niettemin was er in Nederland een tijdschrift dat het postmoderne gedachtegoed publiceerde, vertaalde en bediscussieerde. Ook de Nederlandstalige boeken die bepalend waren voor het postmodernismedebat zijn vrijwel allemaal in Nederland geproduceerd: vertalingen van Baudrillard bij 1001, de bundel Van het postmodernisme bij Sua, het boek van Bilwet bij Ravijn… In Nederland heeft men de discussie in eigen handen genomen. In Vlaanderen is dat niet gebeurd.

A.M.: In Nederland was het simpelweg noodzakelijk om het heft in handen te nemen.

K.B.: Waarom?

A.M.: Toen ik met Bilwet van start ging, hadden mijn companen en ik het vaste voornemen om theorie te bedrijven. Wat Baudrillard en Deleuze in Frankrijk deden, dat wilden wij in Nederland doen. Maar algauw bleek dat een hopeloze zaak omdat het theoretische kader waar wij op steunden bij niemand bekend was. We vonden geen enkele aansluiting bij ons publiek! Om daaraan te verhelpen, moest eerst en vooral de Franse theorie worden verspreid. Voor ons waren die vertalingen van Baudrillard dus een geschenk uit de hemel.

J.B.: In Vlaanderen is men altijd zo verbaasd over wat er in Nederland gebeurt en wat hier allemaal kan verschijnen. Wij vinden dan weer dat in Vlaanderen tenminste een debat plaatsvindt. Wellicht zit daarbij slechts een handvol intellectuelen rond de tafel, maar er ontstaat wel een gesprek. Bij ons zitten er tweehonderd mensen in de zaal, maar wordt er alleen maar lucht geblazen. Ik vraag mezelf wel eens af hoe dat komt. Missen wij een soort hygiëne in het denken? Krijgen jullie een scholing in de filosofie die bij ons totaal afwezig is?

D.P.: Vallen er daarnaast specifiek Nederlandstalige bijdragen aan het postmodernisme te onderkennen?

J.B.: Jazeker. Typisch Nederlands is bijvoorbeeld de postmoderne heruitvinding van het modernisme in de architectuur.

D.P.: Kan je dat fenomeen beschrijven?

J.B.: Het kan in hoge mate worden toegeschreven aan het boek Supermodernisme (1998) van Hans Ibelings. Hij beschrijft daarin hoe het modernisme binnen een postmoderne conditie kan worden ingezet. Zijn vertoog heeft een enorme weerklank gevonden.

A.M.: Het resultaat zie je in de Vinexwijken. Midden in de polder tref je grachtenpandjes aan…

J.B.: …maar ook platte, modernistische villaatjes. Alles is mogelijk.

A.M.: Zo’n waanzinnige collage van citaten krijg je in geen enkel ander land te zien.

G.G.: Ik zie op het politieke en maatschappelijke vlak heel wat ‘Nederlandse’ uitingen van het postmodernisme. De gedachte van het ‘einde van de grote verhalen’ speelde onder meer een rol in het debat over het voortbestaan van de religie in een geseculariseerde tijd. In Nederland hebben we bijvoorbeeld een atheïstische dominee… postmoderner kan toch niet? Heel belangrijk lijkt me ook de negatieve manier waarop het begrip postmodernisme aan het eind van de jaren 90 werd ingezet in het kader van de discussie over de multiculturele samenleving.

K.B.: Kan je dat toelichten?

G.G.: In de tweede helft van de jaren 90 werd het taboe op het bekritiseren van de multiculturele samenleving in Nederland doorbroken. Dat gebeurde met het argument dat het wel zover moest komen omdat de postmoderne intellectuelen niet meer pal achter de waarden van de Verlichting wilden staan. Frits Bolkestein was een van de eersten die met dat soort argumentatie op de ‘schaduwkanten van de multiculturele samenleving’ wees. Ook Paul Scheffer speelde een belangrijke rol. Zijn betoog kwam er haast op neer dat je verraad pleegde aan de westerse beschaving als je voor de ‘multiculturele samenleving’ durfde op te komen. Het woord ‘multicultureel’ kreeg daardoor een nog negatievere bijklank dan het al had. De schuld werd in de schoenen van de postmodernen of de ‘postmoderne intellectuelen’ geschoven. Dat discours valt tot op de dag van vandaag te beluisteren.

 

4.

D.P.: Ger, gebruik jij de term postmodernisme nog?

G.G.: Ja, met dezelfde distantie als in de jaren 90.

D.P.: En jij, Jeroen?

J.B.: Ik maak zeker nog van de term gebruik om een periode aan te duiden.

F.R.: Dat lijkt me de enige manier om het begrip postmodernisme nog te hanteren: je kan ermee verwijzen naar een discussie die plaatsvond in de jaren 80 en 90. Als een term die een actuele situatie karakteriseert, heeft hij volgens mij geen zin meer.

J.B.: Ik vind het nog steeds belangrijk om in mijn lessen de kunst uit de jaren 80 en 90 op grond van een aantal kenmerken ‘postmodern’ te noemen: het citeren, de terugkeer naar de geschiedenis… Of, in de sculptuur, de voorkeur voor de schijn en de glans… Het postmodernisme is ook een stijl, weet je.

A.M.: Precies. Dat is ook de reden waarom ik het woord nog gebruik. Het is in de wereld van het ontwerpen nog steeds populair. Ik kan jullie een leuke anekdote vertellen over wat ik meemaakte aan de designafdeling van de MaHKU. Een Chinese student toonde me een ontwerp waar hij mee bezig was en wilde weten of het er ‘modernistisch’ uitzag. Dat kon ik alleen maar bevestigen – waarop hij me vroeg: ‘How can I make it postmodern?’ Heel eenvoudig, zei ik: ‘je haalt het ontwerp uit elkaar en je monteert de delen een beetje schots en scheef…’ Dat deed hij met verve! Het beste bewijs dat het postmodernisme een stijl is geworden.

D.P.: Lezen jullie de zogenaamde ‘postmoderne’ filosofen nog?

J.B.: De meeste denkers die toen belangrijk waren, lees ik vandaag nog steeds met studenten. Ik lees Lyotard, Foucault en Derrida; alleen Baudrillard lees ik niet meer.

K.B.: Waarom niet?

J.B.: Ik weet het niet. Ik ben een beetje allergisch voor hem geworden.

K.B.: Frank, lees jij Baudrillard nog?

F.R.: Ik heb ongeveer alles van hem gelezen… Maar of ik hem nog gebruik? Hij zit in mijn achterhoofd. Baudrillard is de auteur die voorkomt dat ik alsnog in een soort traditioneel modernisme terugglijd. Het valt me trouwens op dat de vroege Baudrillard de laatste tijd in trek is. Ik heb het over de auteur van sociopolitiek geörienteerde teksten zoals L’Economie politique du signe. Dat heeft wellicht te maken met de populariteit van Alain Badiou…

A.M.: …over Badiou gesproken: ik stel vast dat mijn studenten opnieuw geïnteresseerd zijn in het marxisme.

F.R.: Ik had ook die indruk, vlak voor ik op het kunsthistorisch instituut met pensioen ging. Er lijkt bij de jongere generatie een revival van het marxisme in de maak.

D.P.: Hoe komt dat volgens jullie?

A.M.: Omdat het marxisme de belofte van een kritisch denken inhoudt. Jongere generaties hebben geen flauw benul meer van wat ‘kritisch denken’ is. Tegelijk voelen ze de nood aan een fundament voor kritiek. Dat maakt het marxisme aantrekkelijk. Het postmodernisme biedt zo’n fundering immers niet. Het stond wel kritisch ten overstaan van het modernisme, maar een kritisch project kan je het niet noemen.

D.P.: Arjen, in 2002 publiceerde jij in Archis een tekst waarin je het prefix ‘post-‘ in het algemeen en de term postmodernisme in het bijzonder ‘nostalgisch’ noemt. Je schrijft: ‘Terugkijkend moet je constateren dat het begrip ‘postmodernisme’ iets
 geruststellends had, net als alle ‘post’-begrippen trouwens. […] Alle ‘post’-begrippen zijn 
door hun oriëntatie op een vroeger nostalgisch en voeren op hun best tot 
cultuurkritiek en deconstructie en op hun slechtst tot wanhoop en een
 ‘laat anderen het maar opknappen’-politiek.’

A.M.: Ik vind inderdaad dat het postmodernisme iets nostalgisch had. Ik denk niet dat het een goed idee zou zijn om vandaag een postmodern feest te organiseren. Volgens mij komt daar niemand nog op af. Het postmodernisme zette zich tegen iets af – de term zegt het al – en daar zit op zich al een stuk nostalgie in. Maar de postmoderne beweging is natuurlijk ook gewoon voorbij. Vandaag hebben we met een nieuwe conditie te maken: die van de globalisering en de digitalisering. Niemand begrijpt nu nog wat Lyotard bedoelde toen hij het over het ‘einde van de grote verhalen’ had.

D.P.: Hoezo?

A.M.: Omdat we terug met een groot verhaal te maken hebben. Het verhaal over de globalisering is het eerste metaverhaal dat na het postmodernisme verteld werd en waarin alles met alles werd verbonden. Volgens mij worden er trouwens altijd weer nieuwe grote verhalen verteld. Dat is gewoon onvermijdelijk.

F.R.: Ik vind dat er toch iets veranderd is. Dankzij Lyotards betoog kunnen we grote verhalen makkelijker doorzien.

G.G.: Het klopt dat men vandaag veel ambivalenter staat ten aanzien van die grote verhalen. Dat is een verschil met vroeger.

D.P.: Hoe sta jij daar tegenover, Jeroen?

J.B.: Ik zie geen nieuw paradigma dat in de plaats van het postmodernisme zou zijn gekomen. Van een terugkeer naar een samenhang, zoals het modernisme die postuleerde, is al helemaal geen sprake. Volgens mij wijst alles erop dat we nog steeds in een postmoderne conditie leven.

D.P.: Waaraan merk je dat?

J.B.: Onder meer aan het volstrekte onvermogen om een keuze te maken die gebaseerd is op een overtuiging van waarheid. De postmoderne versplintering bepaalt nog steeds ons dagelijks leven. Ik zie de postmoderne conditie ook doorwerken in de politiek. Men slaagt er niet in om aan een eenmaal ingenomen standpunt vast te houden. Politieke posities hebben geen vaste inhoud meer. De VVD heeft geen ideologie meer, de ene keer schuiven ze wat op naar links, dan weer wordt hun verhaal wat rechtser. Voor de CDA en de PvdA geldt precies hetzelfde. Er zijn daarnaast ook wel nieuwe fenomenen opgekomen, zoals het populisme… Maar het populisme kan je geen ideologie noemen. Het is niet eens een verhaal.

D.P.: Ger, zie jij de globalisering als een nieuw paradigma?

G.G.: Niet helemaal. Ik vind de ambiguïteit van het Verlichtingsproject namelijk ook in de globalisering terug. Dat bewijst voor mij dat het niet om een nieuw paradigma gaat.

D.P.: Kan je dat toelichten?

G.G.: Ook het verhaal van de globalisering heeft een dubbel gezicht. Enerzijds is het een zeer abstract verhaal. Anderzijds zie je dat overal de nadruk op het specifieke en het lokale wordt gelegd. Onlangs werd me gevraagd om een voorwoord te schrijven bij een boek over ‘mijn geliefde plekje’. Voor de meeste auteurs is dat allicht de sloot waarin ze als kind gespeeld hebben…

J.B.: Ik merk dezelfde gespletenheid in de kunstwereld. De kunstwereld denkt dat zij deel uitmaakt van de geglobaliseerde neoliberale wereldorde. Als wij een boek presenteren, doen we dat niet in Nederland, maar bijvoorbeeld in Istanbul. Maar onze wereld van de hoge kunst en de lokale cultuur van een stad als Istanbul hebben totaal niets met elkaar te maken.

A.M.: Ja, het is als een ruimteschip dat landt op een totaal onbekende plek.

J.B.: De verbinding tussen de wereld van de hoge kunst en deze plaatselijke culturen is helemaal verloren gegaan. De kunstwereld bestaat uit een klein clubje van mensen die alleen maar met elkaar praten. Ik vind dat echt een probleem.

G.G.: Ook de euroscepsis illustreert de ambiguïteit van het verhaal van de globalisering. De Europese Unie is bij uitstek een typisch Verlichtingsproject. Volgens mij moet je de crisis van Europa dan ook in het licht van de crisis van de Verlichting lezen. Al van bij haar ontstaan wordt de Verlichting achtervolgd door haar schaduw. Zij tracht zich er tevergeefs van los te maken. Hoe meer zij dit probeert – met andere woorden: hoe radicaler zij tracht te worden – hoe catastrofaler de gevolgen zijn. De globalisering, net als het postmodernisme, vormen een fase in de geschiedenis van de Verlichting. Misschien moeten we het dus niet over de postmoderniteit, maar over het dubbele gezicht van de moderniteit hebben.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Dirk Pültau

 

Personalia:

Jeroen Boomgaard Lector bij het Lectoraat Art & Public Space aan de Gerrit Rietveld Academie en hoofd van de onderzoeksmaster Artistic Research aan de Universiteit van Amsterdam. Promoveerde in 1995 cum laude op De verloren zoon. Rembrandt en de Nederlandse kunstgeschiedschrijving (Amsterdam, Babylon-De Geus, 1995). Publiceert over de avant-garde, kunst in de publieke ruimte en artistiek onderzoek.

Ger Groot Is hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit te Nijmegen en doceert filosofische antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Publiceert op het gebied van de cultuurfilosofie en het hedendaagse Franse denken. Recente boeken: Vier ongemakkelijke filosofen: Nietsche, Cioran, Bataille, Derrida (Amsterdam, SUN, 2003), De gelukkigste illusies. Over kwaad en verlossing (Amsterdam, SUN, 2008) en Papierverwerkende industrie. Lezen als beroep (Amsterdam, SUN, 2009).

Arjen Mulder Mediatheoreticus. Hij doceert mediatheorie aan de MaHKU te Utrecht. Recente boeken: Het fotografisch genoegen. Beeldcultuur in een digitale wereld (Amsterdam, Van Gennep, 2000), Over mediatheorie: taal, beeld, geluid, gedrag (Rotterdam, V2_Publishers / NAi Uitgevers, 2004), De vrouw voor wie Cesare Pavese zelfmoord pleegde (Amsterdam, Balans, 2005), Van beeld naar interactie. Betekenis en agency in de kunsten (Rotterdam, V2_Publishers / NAi Uitgevers, 2010).

Frank Reijnders Was van 1974 tot 2011 verbonden aan de Faculteit der Geesteswetenschappen, afdeling Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. In 1984 promoveerde hij op Kunst – geschiedenis, verschijnen en verdwijnen (Amsterdam, SUA, 1984). Op dit moment bereidt hij een publicatie voor met de titel Singulier en soeverein – over meesterwerken en meesterzetten.

Een in de sterren geschreven plan

Christophe Van Gerrewey: Zoals je weet zijn ondertussen bijna al je teksten digitaal beschikbaar. Dat maakt het mogelijk om na te gaan waar en wanneer je de termen ‘postmodernisme’ en ‘postmodern’ hebt gebruikt. Al in 1962, in een tekst over het museum van Peggy Guggenheim in Venetië, gepubliceerd in het tijdschrift De Linie, merk je verbaasd op dat ‘onze baardige jongeren en hun meisjes aan het Guggenheim-palazzo aan het Canal Grande voorbijvaren’. Je stelt vervolgens de vraag: ‘Heeft de moderne kunst voor hen die zich reeds in een postmoderne tijd voelen niets meer te zeggen?’ Je lijkt te betreuren dat er steeds minder aandacht is voor de modernistische avant-garde, en dat het publiek elders naar ‘nieuwe’ kunst op zoek gaat – bijvoorbeeld op de biënnale van Venetië.

Geert Bekaert: Ik heb de term ‘postmodern’ toen onbewust gebruikt: ik was zeker nog niet op de hoogte van het debat over het postmodernisme, dat al op beperkte schaal aan de gang was. Ik probeerde in dat artikel uiting te geven aan mijn ervaring: de kunst die in 1962 op de biënnale werd getoond, was tweedehands in vergelijking met die van het Guggenheim, en toch werd er meer aandacht aan besteed. De collectie van Peggy Guggenheim was zeker beperkt – ze richtte zich vooral op het vooroorlogse surrealisme – maar toch gebeurde daar iets dat op de biënnale ontbrak. Ik vond dat de actuele kunst onderdeed voor de consistentie van haar collectie.

C.V.G.: Misschien had je het over het aanbreken van een postmoderne tijd om aan te geven dat het publiek niet meer tevreden was met de modernistische kunst, en op zoek ging naar alternatieven?

G.B.: Ik had niet het gevoel dat er alternatieven werden aangeboden. Het modernisme werd zeker afgewezen, maar wat in de plaats werd gesteld bezat een grote zelfgenoegzaamheid. De ‘nieuwe’ kunst van toen was niets meer dan een kopie van het modernisme – een kopie die op een uiterst doorzichtige manier als oorspronkelijk werd gepresenteerd.

C.V.G.: Ben je geschrokken toen het postmodernisme vervolgens in de jaren 70 en 80 tevoorschijn kwam? Zeker in de architectuur gebeurde dat op een heel zichtbare en expliciete manier. Ik heb architectuurgeschiedenis gevolgd bij Francis Strauven, en ik herinner me dat hij tijdens zijn colleges benadrukte dat hij nooit had durven dromen dat er zoiets als het postmodernisme zou opdagen. Het was een schok! Heb je dat ook zo ervaren?

G.B.: Nee, ik heb de opkomst van het postmodernisme als vanzelfsprekend ervaren. Nu goed, Francis Strauven is in zekere zin een rechtlijnige modernist, hoewel zijn belangrijkste studieobject, Aldo van Eyck, het modernisme altijd heeft gerelativeerd of bekritiseerd.

C.V.G.: Toch kan ik me moeilijk voorstellen dat je zelf niet ook bent vertrokken vanuit een traditie van modernistische abstractie, waarin eerder het wegnemen van ornament of overdaad vooropstond, dan het opzichtig tonen van tekens of betekenissen. Als ik kijk naar de kunst die je in 1958 voor de tentoonstelling Ars Sacra hebt geselecteerd… je kan toch moeilijk zeggen dat je daar de weg van het postmodernisme hebt geplaveid?

G.B.: Het wordt erg ingewikkeld als je de problematiek van Ars Sacra erbij betrekt. Ik ben toen binnen het religieuze modernisme, dat ik schandalig vond en dat mij op alle mogelijke manieren tegen de borst stuitte, op zoek gegaan naar authenticiteit en waarachtigheid. Die bleek inderdaad te vinden binnen de moderne kunst – maar het ging daarbij om kunst die niet anders kon dan modern zijn, omdat je niet anders kan dan van je eigen tijd zijn, anders wordt het belachelijk. En toch waren die manifestaties niet aan een school of, zo je wil, aan het modernisme gebonden. Je moet alles altijd relativeren: je kan niet anders dan op een bepaald moment positie kiezen – zoals ik met Ars Sacra heb gedaan – maar die positie wordt altijd bepaald door een heleboel factoren. De fundamentele houding blijft echter dezelfde. Zo is het mogelijk – ik overdrijf nu een beetje – dat je op het ene moment het postmodernisme verdedigt om het op een ander moment af te vallen. Voorwaarde is dan dat je er betekenis aan geeft en je afwijzing of je verdediging beargumenteert. In zekere zin is dat de grondbetekenis van de postmoderne conditie.

C.V.G.: Dat is niet evident. Je kan flexibel zijn en je houding relativeren – maar hoe weet je wanneer je je moet verzetten tegen een bepaalde nieuwigheid die zich aandient?

G.B.: Je kan en je moet je daar niet tegen verzetten, zoals ik me ook niet tegen het postmodernisme verzet heb. Het komt erop aan door de oppervlakte naar de essentie te kijken, geval per geval. Er was in mijn ogen bijvoorbeeld niets tegen in te brengen dat Charles Vandenhove in de jaren 80 plots historiserende zuilen ging gebruiken, aangezien ze op een concrete en vanzelfsprekende manier waren geïntegreerd in een nieuw werk. In mijn ogen veranderde zijn aanpak daar niet wezenlijk door. Met zijn gebruik van tempelfrontons werd het lastiger, daar bereikte hij de limiet van de noodzaak. Je zag dat hij op zulke momenten ernaar zocht om een vorm van buitenaf te introduceren. Toch was net dat het positieve van het postmodernisme: alles werd weer mogelijk, de menselijke activiteit werd niet meer ingeperkt.

C.V.G.: Het postmodernisme in de architectuur lijkt nochtans vanuit een openlijke afkeer van het modernisme voort te komen, en zelfs vanuit een verbod op het merendeel van de bestaande praktijken. De stroming valt in die zin samen met een zoektocht naar alternatieven, naar een ‘andere’ architectuur op maat van het publiek. Het postmodernisme zoekt een antwoord op een crisis van de architectuur die je zelf vaak onderkend hebt.

G.B.: In zekere zin heb ik in 1967 al duidelijk op die crisis gewezen, toen ik Het einde van de architectuur publiceerde. De termen die gebruikt werden zijn niet zo belangrijk: Het einde van de architectuur is geen postmodernistisch manifest, en het is dus ook geen algemene afwijzing van het modernisme. De term zelf komt er niet in voor, maar waar het op neerkomt is dat je beseft dat de architectuur niet meer op een vanzelfsprekende en algemeen aanvaarde wijze de samenleving kan vormgeven. Wat ik altijd heb benadrukt, is dat de architecten die crisis niet kunnen oplossen en dat ze dat eigenlijk ook niet mogen proberen. Het verlangen om dat toch op een definitieve manier te doen, kan je als een verkeerde gerichtheid van het postmodernisme beschouwen.

C.V.G.: Een van de elementen van de crisis in die periode bestaat er precies in dat het modernisme wordt verweten geen antwoord te bieden op de kloof tussen de architect en de massa, tussen de elite en de gewone mens. Architecten zijn gaan werken volgens abstracte idealen die ‘de mensen’ niet meer begrijpen: het utopische project van het modernisme, dat pretendeerde zich tot iedereen te richten en een universele taal te hanteren, is mislukt.

G.B.: Daar valt niks tegen in te brengen, maar het is tegelijkertijd slechts gedeeltelijk juist. Ik wou toen – en niet alleen toen – het isolement van de architectuur doorbreken zonder de architectuur wezenlijk te veranderen. Charles Jencks en de ‘echte’ postmodernisten deden het tegendeel: ze bleven binnen de architectuur opereren, ze stelden andere vormen voor, andere ontwerpmethodes, en ze wilden de architectuur zelf veranderen. Dat heb ik nooit als een oplossing beschouwd. Dat was het wezenlijke misverstand van het postmodernisme: het was een correcte interpretatie van de werkelijke situatie, maar in feite is het meteen ontaard, binnen het architectuurontwerp en ook binnen de architectuurwereld zelf, tot een vormelijke doctrine.

C.V.G.: Zou je die neiging met een meer actuele term ‘architecturaal populisme’ kunnen noemen? Je hebt je bijvoorbeeld verschillende keren afgezet tegen de studentenhuisvesting ‘de Mémé’ van Lucien Kroll, in 1972 voltooid in Woluwe – een gebouw dat een heel chaotische aanblik heeft en dat zo strikt mogelijk de modernistische eenvoud wil vermijden. Het is ook opgenomen in The Language of Post-Modern Architecture van Charles Jencks.

G.B.: Kroll heeft over dat gebouw verhaaltjes verteld die hij zelf niet eens geloofde. Om zogenaamd te benadrukken dat de architect geen dwingende vorm oplegt, heeft hij beweerd dat de werkman improviseerde bij het aanbrengen van decoratieve elementen. Dat was helemaal niet waar. De studenten konden zelf een kamertype kiezen. Hij liet zelfs de keus voor zogenaamd ‘fascistische’ kamers open. Dat heeft nooit gewerkt, en dat is ook in zijn later werk duidelijk gebleken. Zo’n aanpak slaat om in een barokke verbeelding van de architect, eerder dan dat er echt gewerkt wordt met populaire verlangens. Dat die populistische tendensen toch betekenis hebben gehad en toch zijn opgemerkt, bewijst alleen maar dat architectuur meer is dan plastische vorm.

C.V.G.: En toch blijft het een probleem dat uitermate zichtbaar werd in het postmodernisme: wat moet een architect doen om aansluiting te vinden bij het grote publiek?

G.B.: Het publiek is niet met architectuur bezig. De kloof waar je over spreekt kan je niet vullen. Dat was ten tijde van het postmodernisme zo, en dat is nog altijd zo. Om een actueel voorbeeld te geven: Bob Van Reeth heeft een uitbreiding gebouwd aan het klooster van West-Vleteren. Natuurlijk zijn de initiatiefnemers gepassioneerd door architectuur, en natuurlijk waren de verbouwing en de nieuwbouw absoluut noodzakelijk. En toch zijn een aantal leden van de orde niet met architectuur bezig en zijn ze er zelfs niet mee opgezet. Ze zaten veel liever in hun neogotisch en schabouwelijk gebouw dan in de nieuwbouw van Van Reeth! De architect moet die situatie negeren. De architectuur kan niet anders dan een norm stellen.

C.V.G.: Je zou dat een tragische situatie kunnen noemen.

G.B.: Het is een tragische situatie, maar die situatie geldt ook voor de literatuur, voor het theater of voor de beeldende kunst. Het zijn de grote dilemma’s die op het eind van de negentiende eeuw ontstaan zijn en waaruit het modernisme precies is voortgekomen.

C.V.G.: Een ander alternatief dat in het postmodernisme wordt opgezocht, kan je beschouwen als een extreme affirmatie van die crisis. Een architect als Peter Eisenman beoefent formele experimenten, die je in een tekst uit 1981 hebt omschreven als ‘de uitdrukking van de onmogelijkheid van de architectuur om het sociale nog vorm te geven’.

G.B.: Dat blijft waar, denk ik, maar het wil niet zeggen dat het werk van een architect als Eisenman geen zin heeft. Het speelt een rol, het heeft een zekere relevantie. Eisenman heeft meermaals beweerd dat hij net zo goed in karton zou kunnen bouwen: het gaat voor hem om spelen met de vorm. Er is trouwens geen enkele architect die daaraan ontsnapt, maar Eisenman maakt het expliciet. Het zijn de extreme vormen, zeker in het postmodernisme, die het duidelijkst de tendensen tonen die overal onderliggend aan het werk zijn.

C.V.G.: Als Eisenman de crisis benadrukt, als Jencks de crisis wil oplossen – is Koolhaas dan een architect die de crisis negeert? In 1982 schrijf je dat voor hem en voor zijn bureau OMA ‘de postmoderne discussie onbestaand is’. Koolhaas doet alsof het postmodernisme zich niet aandient.

G.B.: Dat klopt.

C.V.G.: Een tekst die je vaak hebt geciteerd in relatie tot het postmodernisme is Het moderne – een onvoltooid project van Jürgen Habermas uit 1980. Die tekst is door Habermas geschreven in reactie op de architectuurbiënnale van Venetië van 1980, waarin het postmodernisme voor het eerst aan de wereld werd getoond. Habermas verzette zich tegen die tentoonstelling en tegen deze postmoderne optie in het algemeen. Hij wou de erfenis van de Verlichting en van het moderne project niet loslaten.

G.B.: Ook tegenover die tekst van Habermas kan je alleen maar een dubbele houding aannemen. In zekere zin heeft hij gelijk als hij het postmodernisme interpreteert als een uitzuivering of een explicitatie van het modernisme. Maar langs de andere kant houdt hij vast aan een al te idealistische opvatting ervan, en daarmee raak je er nooit uit – zeker niet wat de architectuur betreft. Het is altijd mijn algemene houding geweest architectuur tegelijkertijd te affirmeren en te relativeren, en een doctrinair modernistische houding staat die ambiguïteit in de weg. Het had volgens mij ook geen zin om die biënnale af te wijzen als een manifest van het postmodernisme, zoals Habermas deed. Ik heb de Strada Novissima ervaren als een samenvatting van alle mogelijke architectuurbenaderingen, een perfecte weergave van de situatie van de architectuur op dat moment, vooral omdat ook de individuele aanpak van elke architect op een bijzondere manier tevoorschijn kwam. Het was niet zozeer een manifest als wel een opeenstapeling van verschillende houdingen.

C.V.G.: Koolhaas is ook aanwezig op die biënnale. In plaats van een echte gevel te maken met historische verwijzingen, trekt hij een zeil in textiel op. Je schrijft over die ingreep dat hij zich afschermt tegen ‘de drukdoenerij van de postmoderne straat’.

G.B.: Hij weigert een gevel te maken. Hij neemt het thema eigenlijk niet au sérieux. Achter dat scherm wil hij gewoon zijn architectuurprojecten tonen, in een klassieke tentoonstelling.

C.V.G.: Is Koolhaas dan niet ook een koppige modernist? Wil hij dan niet net als Habermas het onvoltooide project van het moderne verderzetten?

G.B.: Ja, dat heeft hij zelf vaak beweerd in die periode, dat hij de moderne beweging een tweede kans wou gunnen. Toch denk ik niet dat hij in de termen van Habermas denkt of dacht. Koolhaas is een groot architect, hij maakt werken – hij is eigenlijk geen denker, hij denkt niet in idealistische concepten. Hij neemt geen standpunt in, dat is zelfs in actuele interviews nog steeds zo, en dat blijkt ook uit de verscheidenheid van zijn architectuurprojecten.

C.V.G.: Je gebruikt de term postmodernisme ook een aantal keer in teksten over de Cogels-Osylei in Antwerpen, een negentiende-eeuwse straat vol huizen met zeer verschillende en overdadige gevels – een straat die je met de Strada Novissima zou kunnen vergelijken.

G.B.: Natuurlijk! De Cogels-Osylei is een typische uiting van het eclectisme, zonder exclusieven. Alle mogelijke houdingen, tegenover het verleden, tegenover de toekomst, staan daar op een rij. Het is een heel andere houding dan het gecodificeerde modernisme, waarin werd gezocht naar een uitdrukkelijke eenheid. In de Cogels-Osylei is ook een eenheid aanwezig, maar van een andere bepaaldheid en met een heel andere zichtbaarheid.

C.V.G.: Het is een proeve van een aanpak die nochtans moeilijk te actualiseren is. Een ander icoon van de postmodernistische architectuur in België is het psychopedagogisch instituut in Wasmes, in 1981 gebouwd door Guchez en Nunez: een uitermate eclectisch gebouw, een soort imitatie van een stad vol fragmenten, binnenstraten en pleintjes.

G.B.: Dat is een spielerei, iets dat een moment lang kan bekoren, maar het heeft geen enkele substantie. Het is ook Giancarlo De Carlo overkomen (en vele andere postmodernistische architecten): zijn laatste werk is van een oppervlakkige, ongebonden verbeelding, die niets met architectuur te maken heeft. Je kan het als een decor beschouwen dat morgen weer zal worden afgebroken. Ik denk dus niet dat het ons gegund is om nog iets als de Cogels-Osylei te bouwen. Je kan de oude stedelijke modellen of de oude complexiteit onmogelijk nabootsen, zoals Maurice Culot dat in België heeft geprobeerd. In Nederland zijn er ook volstrekt nieuwe straten ontworpen waarin verschillende architecten werden uitgenodigd om elk één huisje te bouwen: het leidt tot een vreemde manifestatiedrang en tot vaak uitzinnige resultaten. Het ideaal dat in de Cogels-Osylei tot uitdrukking komt – en dat je inderdaad het ideaal van het postmodernisme zou kunnen noemen – kan je wel in één werk leggen.

C.V.G.: Ik heb de indruk dat je in de eerste helft van de jaren 80 nagaat of het postmodernisme de voortzetting is van het modernisme in een andere vorm – en dat je dus met andere woorden de these van Habermas uittest. In teksten uit de tweede helft van de jaren 80 lijk je eerder een postmoderne conditie te onderstrepen – in de betekenis van Lyotard en ‘het einde van de grote verhalen’. In een tekst uit 1985 schrijf je: ‘De ambivalentie van het modernistisch project is in het postmodernisme onder ogen gezien. Alles wat in naam van een exclusieve synthese was uitgesloten, mag opnieuw in verwondering bekeken en betast worden, ontdekt en voortdurend nieuw ontdekt worden. De wereld is er, in zijn onoverzichtelijkheid en onsamenhangendheid, om gemaakt te worden en vernieuwd te worden. We zijn niet langer de uitvoerders van een in de sterren geschreven plan.’

G.B.: Dat is inderdaad essentieel, die verwezenlijking is de grootste verdienste van het postmodernisme.

C.V.G.: Die eliminatie van de grote verhalen maakt ook de weg vrij voor het singuliere werk. ‘In een postmodern tijdperk’, schrijf je in een recensie van een tentoonstelling van postmoderne architectuur in Duitsland uit 1985, ‘is het overigens ook zo dat de zwakheden zich sneller manifesteren omdat ze niet meer kunnen schuilgaan achter een algemeen aanvaard model, maar dat elk werk zichzelf moet waarmaken.’ Is het dat wat je bedoelt als je zegt dat het ideaal van de Cogels-Osylei toch nog in één werk gelegd kan worden?

G.B.: Het komt erop neer dat je oplossingen moet vinden in het werk zelf, keer op keer, zonder vooroordelen of voorafgaandelijke principes, dat is het belangrijkste.

C.V.G.: Sinds de opkomst van het postmodernisme hebben er zich alleszins geen nieuwe normen of algemene modellen meer aangeboden waaraan architectuur of kunst getoetst kan worden. In die zin leven we dus nog steeds in een postmoderne conditie, tot vandaag…

G.B.: Niet enkel tot vandaag – als je het postmoderne opvat als de afwezigheid van algemeen geldende principes, dan zijn we altijd postmodern geweest en zullen we altijd postmodern blijven! Daarom kan je het postmodernisme niet binnen een bepaalde historische context plaatsen. Met het modernisme kan je dat eventueel nog wel doen – alhoewel, ik herlees momenteel laatnegentiende-eeuwse romans: die zijn volledig actueel, alle problemen van vandaag staan erin beschreven, en ze ontkennen ook elke mogelijkheid tot historisering.

C.V.G.: In de jaren 90 is het nochtans zo dat je de term postmodernisme steeds vaker in een negatieve context gebruikt… het postmodernisme wordt bijna steeds afgewezen.

G.B.: Je moet een onderscheid maken tussen een postmoderne conditie en een postmodernistische architectuur. De term postmodernisme is in de architectuur gaandeweg verengd tot een doctrine, tot een historiserende stijl. Al in een lezing die ik in 1988 over het postmodernisme heb gegeven, heb ik benadrukt dat het een achterhaald begrip is. Als de term nu nog gebruikt wordt, dan nog enkel voor redelijk weerzinwekkende fenomenen, zoals de exclusieve, historisch geïnspireerde woonkazernes voor de superrijken.

C.V.G.: Je zou bijna medelijden krijgen met de term: Het postmodernisme is, zoals je in 1996 schrijft, ‘geruisloos verdwenen’.

G.B.: De term is nutteloos geworden. Het heeft vandaag niet veel zin om onszelf nog als postmodern te beschouwen. Nochtans is er vaak naar een term ter vervanging gezocht: er worden voortdurend nieuwe schooltjes en sekten gelanceerd, maar niets blijkt even sterk aan te slaan als het postmodernisme destijds.

C.V.G.: In een tekst uit 2008 over het Zuiderterras in Antwerpen van Bob Van Reeth uit 1989 schrijf je dat het postmodern genoemd kan worden omdat ‘het taboes heeft opengebroken’. In een tekst uit hetzelfde jaar schrijf je dat België, en de architectuur in België, altijd postmodern is geweest: ‘De generaties lopen door elkaar. Er is geen strenge afbakening, zoals er ook geen begrenzing van stijlen is. Verschillende interpretaties van het modernisme spreken elkaar niet tegen, maar vullen elkaar aan. Het modernisme is nooit een doctrine geworden, evenmin als het postmodernisme.’

G.B.: Dat klopt, daar heb ik ook in Het einde van de architectuur op gewezen, evenwel zonder, zoals ik al zei, de term zelf te gebruiken. Toen het postmodernisme modieus werd, heb ik het als een bevestiging beschouwd van wat ik altijd heb aangenomen: De architectuur – en al zeker de architectuur in België – laat zich niet in een beperkt aantal ‘grote verhalen’ classificeren.

C.V.G.: In een lezing over Paul Valéry in 2009 heb je het volgende gezegd: ‘Hij houdt zich afzijdig van trends en wil er vooral geen nieuwe lanceren zoals bijvoorbeeld het postmodernisme. In feite heeft hij de ontwikkelingen van vandaag en onze actuele houdingen vanuit zijn eigen benadering bijzonder spits geformuleerd en er een universele betekenis aan weten te geven.’ Heb je het dan niet vooral over jezelf, eerder dan over Valéry?

G.B.: Dat is mogelijk.

C.V.G.: Ik blijf het toch vreemd vinden dat je nooit terminologische zekerheid hebt nagestreefd. Je lijkt nooit naar definitieve woorden te hebben verlangd. Je had er ook voor kunnen kiezen om het postmodernisme niet meer los te laten, om de term te blijven gebruiken.

G.B.: Ik heb het al gezegd: er zijn geen universele principes, de wereld is altijd postmodern geweest – waarom zou ik dat dan nog blijven benadrukken? De vraag is waar je het meeste aandacht aan wenst te besteden. Ik wil niet bezig zijn met intellectuele trends die een eigen leven gaan leiden. Het is immers ook mogelijk om die trends te relateren aan de totaliteit. Dat heb ik proberen te doen. Het is een typisch westerse hebbelijkheid om alles in tendensen te willen vastleggen – dat is zo sinds de Verlichting, en de Verlichting blijft in dat opzicht de eeuwige referentie. Het is niet verwonderlijk dat binnen die catalogiseringsdrang nooit een definitieve plaats is gevonden voor de architectuur… De architectuur zal altijd blijven ontsnappen, zelfs aan de etiketten postmodernistisch of postmodern.

C.V.G.: De keuze om voor verrassingen open te staan, om niet te kiezen voor één duidelijk benoemde levenshouding, brengt, naar ik me kan voorstellen, persoonlijke moeilijkheden met zich mee. Hoeveel makkelijker zou het leven zijn als alles definitief door één model werd verklaard! Hoe moeilijk is het om er iedere keer voor te kiezen om niet te kiezen?

G.B.: Daar ga je te ver: ik kies er niet voor om niet te kiezen – ik kies iedere keer opnieuw.

C.V.G.: Akkoord, maar het maakt je aanpak ook vatbaar voor kritiek. Wie het traject van je omgang met het postmodernisme bekijkt, kan zich de vraag stellen: wat is het nu eigenlijk?

G.B.: Dat weet ik zelf ook niet. Maar je hebt gelijk dat het in zekere zin comfortabeler lijkt om definitief voor één houding te kiezen, één set van termen, noties en begrippen die je de rest van je leven blijft herhalen…

C.V.G.: Critici van het postmodernisme stellen het als wereldbeschouwelijk model geregeld gelijk aan de onbegrensdheid van het kapitalisme. Er is geen algemeen model meer, er zijn geen denkkaders waarmee kritiek kan worden uitgeoefend – dus: anything goes, alles is mogelijk, voor alles is er wel iets te zeggen… het postmodernisme is eigenlijk de ideologie van het kapitalisme – een ander ‘-isme’ dat je nooit echt hebt gehanteerd.

G.B.: Anything goes – daar ben ik het absoluut niet mee eens. Je kiest voortdurend. Je kan niet anders dan voortdurend kiezen en zeggen wat kan en wat niet kan. Maar het gaat om de normen die je gebruikt, en die normen kunnen niet wortelen in idealistische kaders. Je kiest vanuit een bepaalde ervaring van het leven, je moet voortdurend je traject uitzetten. Je kan niet in het wilde weg zeggen dat alles mogelijk is, dat is niet waar. Hetzelfde geldt voor het kapitalisme – wat is het kapitalisme? Het is in alle geval duidelijk dat het momenteel niet werkt, maar dat hoeft geen reden te zijn om het definitief af te wijzen. Je kan je echter onmogelijk neerleggen bij de toestand van vandaag. Het gaat dus niet om onverschilligheid of om willekeur, integendeel. Maar de postmoderne houding is inderdaad niet altijd comfortabel… En dan is precies de vraag: kunnen wij comfortabel leven? Wie comfortabel leeft…

C.V.G.: …is een charlatan?



Omstreeks 1980, in Antwerpen

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1980 neem je deel aan de groepstentoonstelling 1980, georganiseerd door het ICC in Antwerpen. In de catalogus is een vrij uitgebreid overzicht van je activiteiten opgenomen. Jouw eerste tentoonstellingen, performances en acties dateren blijkbaar van 1975. Wat had jij voordien gedaan?

Ria Pacquée: In 1975 was ik eenentwintig jaar. Tot mijn achttiende heb ik school gelopen. Ik heb mijn humaniora afgemaakt en ben gaan werken. Reeds voordien was ik alleen gaan wonen in Antwerpen.

K.B./D.P.: Nog vóór je achttiende?

R.P.: Ja, ik ben heel lang een kind gebleven, tot mijn veertiende, denk ik. Op mijn vijftiende zat ik plots in cafés. Ik werd een beetje een probleemkind. Ik was schoolmoe, ik was alles moe.

K.B./D.P.: Naar welke school ben je geweest?

R.P.: Naar Stella Maris, een katholieke school in Merksem, een slechte school. In de les Nederlands moesten we eens onze favoriete boeken opgeven. Ik noemde Walging van Jean-Paul Sartre en Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline. Dat werd me niet in dank afgenomen. Ik kreeg te horen dat ik die boeken niet mocht lezen.

K.B./D.P.: Hoe had jij dan weet gekregen van Sartre en Céline? Via je ouders?

R.P.: Er werd bij ons thuis niet over kunst en cultuur gesproken. Op school evenmin. Ik kan me niet herinneren dat we ooit een tentoonstelling hebben bezocht. Ik wist zelfs niet dat er zoiets als kunst bestond. Neen, ik heb voor het eerst over die schrijvers gehoord toen ik op café zat. Die boeken waren aanknopingspunten. Ik zat met duizend-en-één vragen en ik kreeg geen antwoorden. ‘Wie ben ik?’, ‘Wat doe ik hier?’. Heel menselijke, heel banale vragen.

K.B./D.P.: Waarop je – op dat moment – nihilistische antwoorden gaf?

R.P.: Ik dacht over alles heel nihilistisch. Ik herkende me in Walging en Reis naar het einde van de nacht. Op dat moment sta je niet meer alleen.

 

1974-1975-1976

K.B./D.P.: Heb je ooit overwogen om na je humaniora naar de academie te gaan?

R.P.: Neen, de academieopleiding was gericht op het leren van een ambacht: tekenen, schilderen, beeldhouwen. Ik kon niet tekenen. De vrienden die ik op café had leren kennen en die academie liepen, raadden me het ten stelligste af. Ook zij wisten trouwens niet wat er in de kunstwereld aan de gang was. Er was nergens informatie.

K.B./D.P.: Naar welke cafés ging je?

R.P.: Ik zat vaak in de hippiebuurt van Antwerpen, de linkse, alternatieve scene: de Muze aan de Melkmarkt, de King Kong in de Keizerstraat, de Mok in de Wolstraat en het Pannenhuis aan het Conscienceplein, waar ik nog gewerkt heb. Al die cafés lagen vlak bij elkaar, in drie, vier straten. We gingen voortdurend van het ene naar het andere café – je kan niet de hele tijd op dezelfde kruk zitten. In de King Kong werd freejazz gespeeld, in de Muze kwam de klassieke jazz aan bod. In het Pannenhuis werd muziek van de Stones en Lou Reed gedraaid. Het was de tijd van de hippies en het begin van de punkbeweging, die een pijlsnelle opgang maakte in Antwerpen. Ik ging ook betogen tegen extreem-rechtse jongeren die elke week verzamelden in een pand in de Scheldestraat. In het begin deed ik gewoon mee, zonder dat ik écht wist wat er op het spel stond. Er waren enkelen die het voortouw namen en de troepen verzamelden. Het ging er soms gewelddadig aan toe. Langzaamaan vond ik aansluiting bij geestesgenoten.

K.B./D.P.: Met wie trok je op?

R.P.: Onder anderen met Guillaume Bijl, die vaak in dezelfde cafés rondhing. Ik wist in het begin niet dat hij met kunst bezig was. We hebben het er, geloof ik, voor het eerst over gehad toen ik was teruggekeerd van een performance in Aalst. We troffen elkaar in de King Kong en hij vroeg me waar ik vandaan kwam.

K.B./D.P.: Waar kwam je vandaan?

R.P.: Van de New Reform Gallery in Aalst waar ik een performance had gedaan met onder anderen Luc Steels en Mark Verreckt.

K.B./D.P.: Hoe had je met hen kennisgemaakt?

R.P.: Dat is een lang verhaal. Op een gegeven ogenblik, in 1974 meen ik, heb ik een soloperformance of ‘actie’ opgezet. Ik was de tram opgestapt en had besloten om aan een tramhalte in de Nationalestraat uit te stappen en daar twaalf uur te blijven staan. Met de laatste tram, rond 23.00 uur, zou ik terug naar huis keren. Ik had tegen niemand gezegd wat ik van plan was en tijdens de ‘actie’ heeft niemand me erover aangesproken. Pas nadien heb ik er met verschillende mensen over gepraat en men zei me dat ik te rade moest gaan bij Ercola in de Wolstraat.

K.B./D.P.: Wat was Ercola?

R.P.: De officiële omschrijving was ‘informatie- en productiecentrum voor klank, licht, tijd en ruimte’; in feite was het een ontmoetingsplaats voor kunstenaars van allerlei slag, ook striptekenaars bijvoorbeeld. Het was een belangrijke plek. Ik maakte er kennis met Ludo Mich, Nicole Van Goethem, Filip Francis en uiteraard ook met Mark Verreckt en Luc Steels. Zij werkten samen in een groep die performances deed, evenwel niet op straat. Enige tijd na mijn eerste straatactie heb ik gevraagd of ik hen mocht vervoegen. Om me te ‘testen’, vroegen ze wat ik dacht over het werk van Buckminster Fuller. Ik had nog nooit van die man gehoord maar sprak me lovend uit over zijn werk, omdat ik mijn kansen niet wilde verknoeien. Ik werd toegelaten tot de groep en rende naar de bibliotheek om boeken over Buckminster Fuller uit te lenen…

K.B./D.P.: Hoe was je vooreerst op het idee gekomen om een soloperformance op te zetten?

R.P.: Dat weet ik nog steeds niet. Ik voelde een grote leegte; ik wou dat er iets gebeurde. Ik dacht wellicht dat ik iets moest doen, dat ik niet de gehele tijd in cafés kon blijven hangen. Met kunst was ik tot dan toe nauwelijks in contact gekomen. Misschien had ik de groep van Mark Verreckt en Luc Steels reeds aan het werk gezien… Ik herinner me wel dat ik een boek over Marcel Duchamp in de etalage van de Vlaamse Toeristen Bond had zien liggen. Op de cover stond het fietswiel. Ik heb het boek gekocht en onmiddellijk gelezen. Wat meer is: ik begreep het, terwijl ik toen heel veel andere zaken niet begreep. De openheid van de kunst sprak me enorm aan.

K.B./D.P.: Waarom had je gekozen voor een actie van twaalf uur?

R.P.: Ik weet het niet. Omdat het een ganse dag is? Eenmaal de klok rond? Ik wou alles stilzetten, denk ik. Ik ging gewoonlijk altijd ergens naartoe. Die keer wou ik nergens naartoe gaan. Het was een belangrijke ervaring.

K.B./D.P.: Met de actie aan de tramhalte lijk je in ieder geval afstand te nemen van een alledaagse activiteit. Was het lastig om twaalf uur ‘niets’ te doen?

R.P.: Nee, het was niet lastig of vermoeiend. Ik stond er ook niet als een standbeeld. Die tramhalte was ten andere een prettige locatie. Er gebeurde van alles. Een straat is een publieke plaats, alles is er mogelijk. Er is geen beter decor te bedenken.

K.B./D.P.: Kende je toen reeds het werk van Vito Acconci?

R.P.: Nee. Zelfs de termen ‘performance’ of ‘happening’ kende ik waarschijnlijk niet eens. Via Mark Verreckt heb ik dat allemaal leren kennen. Hij heeft mij veel bijgebracht. Hij studeerde aan de Universitaire Instelling Antwerpen en bracht boeken voor me mee. Aan hem en Guillaume Bijl heb ik heel veel te danken. Ook het ICC was voor mij belangrijk. Dat was mijn ‘school’. Ik zag er events en werken van Laurie Anderson, James Lee Byars, Ben Vautier, Abramovic & Ulay. Ik ging naar alle vernissages. Er werd heel open over kunst gepraat. Mensen wisselden zonder aarzeling informatie, ideeën en contacten uit.

K.B./D.P.: Wat behelsde de performance die je samen met Mark Verreckt en Luc Steels in New Reform in Aalst hebt gedaan?

R.P.: We gingen er samen naartoe, maar ter plekke deed iedereen zijn eigen performance. De groep bestond trouwens nog uit andere leden, maar de namen van die personen kan ik mij niet herinneren.

K.B./D.P.: Wat deed jij?

R.P.: Ik had een enorme pot spaghetti gekookt en was de hele tijd spaghetti aan het eten en terug aan het uitspuwen, gedurende een half uur, meen ik. Wat de anderen deden, heb ik nauwelijks kunnen waarnemen. Ik ging volledig op in mijn eigen actie. Na de manifestatie in New Reform is de groep gestopt. Ik heb daarna sommige leden gevraagd, onder wie Mark Verreckt, of ze wilden meedoen aan een project op straat, een optocht of een stoet. Mark Verreckt liep met krukken en beet af en toe op een ampul zodat het leek dat hij bloed kotste. Ik duwde een kinderkoets met skeletten van dode dieren. De stoet begon en eindigde aan de Groenplaats.

K.B./D.P.: Heb je nog andere performances opgezet?

R.P.: Ja, samen met een vriendin, Yvette Van Hauwaert. Op de Groenplaats hadden we een zone afgebakend en er allerlei spulletjes uitgestald. Op een gegeven moment begonnen we die dingen kapot te knippen. Er waren heel wat omstaanders die onze actie gadesloegen.

K.B./D.P.: Had je die actie samen met Yvette Van Hauwaert bedacht?

R.P.: Nee. Ik had het ‘scenario’ uitgewerkt en Yvette gevraagd of ze mee wilde doen. Ik heb haar later nog een aantal keren uitgenodigd om deel te nemen aan een performance.

K.B./D.P.: Wat waren je professionele activiteiten op dat moment?

R.P.: Ik werkte – om geld te verdienen. Mijn hart klopte evenwel voor de kunst. Maar het was toen ondenkbaar dat je daarvan zou kunnen leven.

K.B./D.P.: Verliet jij Antwerpen vaak?

R.P.: Nee. Er kwamen heel veel mensen naar Antwerpen. Het was voor mij al moeilijk genoeg om in Antwerpen mijn plaats te vinden. Ik voelde ook de behoefte niet om de stad te verlaten. Pas in het begin van de jaren tachtig ben ik beginnen te reizen.

 

1977-1978

K.B./D.P.: Je cv meldt haast geen werken uit 1977. Wat deed je dan in 1977?

R.P.: Ik was zeer actief met kunst bezig, zij het dat mijn bezigheden niet resulteerden in werken die je in een cv kunt opnemen. Ik las veel, bezocht tentoonstellingen en discussieerde met vrienden.

K.B./D.P.: Helemaal op het einde van 1977 stel je tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Hoe was het contact tot stand gekomen?

R.P.: Aurora was gevestigd in dezelfde straat waar Guillaume Bijl woonde, de Lange Leemstraat. Hij had de ruimte bezocht en zag mogelijkheden.

K.B./D.P.: Op de uitnodigingskaart is de naam van Guillaume Bijl gewoon afgedrukt, terwijl jouw naam geschreven is met interpunctie: R.I.A. Pacquée. Waarom?

R.P.: In die tijd was ik bezig met mailart. Als je R.I.A. in omgekeerde volgorde spelt, lees je A.I.R.

K.B./D.P.: Welk werk heb jij bijgedragen?

R.P.: Het was mijn eerste ‘tentoonstelling’. Aurora beschikte over een heel kleine ruimte. Ik heb assemblages gemaakt met goedkope spulletjes die ik in de Grand Bazar had gestolen. Het waren houten kisten waarin de gestolen waar – ‘nutteloze’ voorwerpen zoals gerief om je wenkbrauwen mee te krullen of nagelvijltjes – als buit werd tentoongesteld. De nutteloosheid van de voorwerpen sprak me enorm aan. Een stuk of vier, vijf kratten waren het. Ze waren heel lelijk.

K.B./D.P.: Waren het allemaal voorwerpen die in relatie stonden tot de leefwereld van de vrouw?

R.P.: Nee. Men heeft mijn werk weleens vaker in relatie gebracht met feminisme, maar daar heeft het niets mee te maken. Ik heb ooit een vergadering bijgewoond van feministen, maar ik voelde mij er niet thuis. Tegen het verbod op abortus ben ik wel gaan betogen, maar ik beschouw dat niet per se als een feministische zaak.

K.B./D.P.: Doordat je eerst de spulletjes bent gaan stelen, heeft het werk een performatief karakter.

R.P.: Ik voelde me als een jager die naar de grote supermarkt gaat en er kan nemen wat hij wil, zonder dat hij moet betalen.

K.B./D.P.: In dat jaar doe je allerlei andere acties in de publieke ruimte die vragen oproepen over ‘eigendom’.

R.P.: Ja, ik heb ‘te huur’-affiches aangebracht op deuren en ramen van leegstaande woningen en officiële gebouwen. Informatie kon worden opgevraagd op het stadhuis. Het was een protest tegen leegstand en het verkeerde gebruik van openbare gebouwen.

K.B./D.P.: Had jij contact met de krakersbeweging?

R.P.: Nee, die actie ging alleen van mezelf uit. Foto’s van die acties heb ik later ingestuurd als bijdrage aan de Jeune Peinture Belge. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik een eervolle vermelding! Ik heb in 1978 ook gedurende een week op verschillende plaatsen in de stad graffiti gespoten.

K.B./D.P.: Welke graffiti?

R.P.: Slogans zoals ‘Oh godverdoemme’, ‘dans toch niet mee met de sjah, sjah, sjah’ of ‘ga langzaam naar uw werk’. Die laatste slagzin is tamelijk succesvol gebleken. Ik ben al verschillende keren gevraagd om hem elders aan te brengen, onlangs nog door Witte de With. Netwerk in Aalst had me ook gevraagd, maar de stad Aalst heeft er een negatief advies over uitgebracht.

K.B./D.P.: Hebben die acties iets te maken met de politieke manifestaties waaraan je eerder had deelgenomen? Hebben die betogingen jou ertoe gebracht om artistieke acties op te zetten?

R.P.: Nee, zo’n betoging is niet iets individueels. Mijn slogans waren politieke statements, maar ik denk niet dat ze iets met die betogingen te maken hebben. Ik heb de straat wel altijd als een soort van beginpunt gezien. Alles is er aanwezig om iets persoonlijks tot stand te brengen. De straat is een belangrijke locatie.

K.B./D.P.: Toch doe je ook performances in het theater, zoals in het Cultuurcentrum De Warande in Turnhout.

R.P.: Ik heb buiten gewerkt, in de openbare ruimte, maar ook binnen, in theaters, musea en culturele centra. In De Warande was ik uitgenodigd door Annie Gentils, die daarna in het ICC werkzaam was en nog later een alternatieve kunstruimte heeft gerund, Montevideo, aan het Kattendijkdok. Zij zat net als ik vaak in het Pannenhuis.

K.B./D.P.: Wat was het ‘scenario’ van de performance in Turnhout?

R.P.: Een plexi kubus, van twee meter op twee meter, was als een stolp over me heen getild. Ik ben sigaretten beginnen roken tot mijn lichaam helemaal uit het zicht verdween. In 1979 heb ik ook een performance gedaan met koolgruis in de V.U.B.: Ashes to Ashes – Dust to Dust. Ik wilde mijzelf laten verdwijnen in dat koolgruis. Ik ging ermee aan de slag tot ik helemaal zwart zag.

K.B./D.P.: In Turnhout gaat je lichaam ‘in rook op’, in Brussel ‘keert het terug tot stof’.

R.P.: Dat was het idee. Het visuele aspect vond ik heel belangrijk, maar uiteraard raakte ik met deze performances ook een existentieel thema aan.

K.B./D.P.: Waar vond de performance plaats in De Warande?

R.P.: In de theaterzaal, meen ik. Ik herinner me dat er zeer veel volk was.

 

1979-1980

K.B./D.P.: In 1979 heb je in Ruimte Z tentoongesteld, een alternatieve kunstruimte in de Lovelingstraat in Antwerpen, waar eerder Guillaume Bijl zijn kunstliquidatieproject Autorijschool Z had gerealiseerd en Danny Devos een performance had gedaan.

R.P.: Het was mijn eerste individuele tentoonstelling.

K.B./D.P.: In het tijdschrift van Ruimte Z staat de tentoonstelling als volgt aangekondigd: ‘Tentoonstelling 16-24 nov Ria Pacquée en weekendperformance vanaf vrijdagavond 17 u tot maandagmorgen 8 u (weekend 16-19 nov) doorlopend’. Wat heb je precies gedaan?

R.P.: In de eerste kamer van Ruimte Z, aan de voorkant, heb ik een tentoonstelling ingericht. Samen met Walter Van Rooy, de drijvende kracht achter Ruimte Z, had ik een stuk gazon van twee meter op twee meter uitgegraven en in Ruimte Z gelegd. Ik had ook plakkaatjes ontvreemd waarop te lezen was: ‘verboden op het gras te lopen’. Die heb ik op het grasperk geprikt. Aan de muren heb ik collages gehangen en tijdens het weekend van 16 tot 19 november heb ik een performance gedaan. Ik was permanent beschikbaar en overnachtte in de tweede kamer van Ruimte Z. Ik had er een bed neergezet. Voorbijgangers konden binnen kijken, want Ruimte Z had een grote vitrine. Ze konden zien dat ik sliep en leefde in die ruimte. Ze mochten ook binnenkomen en vragen stellen.

K.B./D.P.: Welke ‘acties’ heb je gedaan tijdens het weekend?

R.P.: Ik heb er gekuist, op zaterdag, meen ik, en de gehele zondag heb ik in bed gelegen: dat noemde ik ‘mijn recht op luiheid’.

K.B./D.P.: Zijn er mensen binnengestapt?

R.P.: Niet veel. Er zijn wel vrienden langsgekomen.

K.B./D.P.: Het uitgraven van het gazon en het stelen van de bordjes zijn alweer illegale acties.

R.P.: Ik wou opnieuw zinspelen op het probleem van de privatisering van de openbare ruimte. Vandaar dat ik de openbaarheid van de Ruimte Z tot het uiterste wou oprekken.

K.B./D.P.: Het werk roept associaties op met de installatie Verboden te kamperen van Guillaume Bijl.

R.P.: Er is wel vaker een relatie gelegd tussen zijn en mijn werk, maar ik zie dat niet. Guillaume heeft zijn installatie gemaakt op een echt grasveld en er bordjes ‘Verboden te kamperen’ bij geplaatst. Ik vind dat iets heel anders dan wat ik in Ruimte Z gedaan heb. We hebben het beiden over realiteit en artificialiteit, maar op een totaal andere manier.

K.B./D.P.: In het tijdschrift van Ruimte Z is een A4 afgedrukt met een man die boven een rivier zweeft. Onderaan is in handschrift een zin aangebracht: ‘foert… Kust allemaal mijn kloten!’

R.P.: Dat was een van de collages. Die waren tamelijk dubieus. Om eerlijk te zijn: ze waren heel slecht. Ik dacht dat ik naast het grasperk nog iets anders moest tentoonstellen, maar dat had ik beter niet gedaan. Misschien was ik te jong om in Ruimte Z tentoon te stellen. Ik had er te weinig over nagedacht.

K.B./D.P.: Walter Van Rooy organiseerde in 1980 een bijzonder groepsproject waarvoor hij je uitnodigde: de tentoonstelling A-Z, waaraan niet minder dan 26 kunstenaars deelnamen. Elke kunstenaar kreeg een ruimte van één vierkante meter ter beschikking.

R.P.: Ik had met piepschuimplaten een constructie gebouwd van een vierkante meter. Er zat een klein teeveetje in dat je aan of af kon zetten. Daarbij werd de vraag gesteld: ‘Bent u ook een zwartkijker?’, in de twee betekenissen van het woord: bent u ook nihilistisch of bent u ook een zwartkijker, iemand die geen kijk- en luistergeld betaalt.

K.B./D.P.: A-Z werd financieel mede mogelijk gemaakt door het ICC. Opvallend is dat heel wat deelnemers aan deze tentoonstelling eerder hadden deelgenomen aan 1980, namelijk Guillaume Bijl, Guy Bleus, Danny Devos, Daniël Dewaele, Hugo Roelandt, Guy Rombouts, Leo Steculorum, Walter Van Rooy, en ook jij uiteraard.

R.P.: Daar had ik nog niet bij stilgestaan. De genoemde kunstenaars vormden de kern van Ruimte Z. Ze stelden er niet alleen tentoon, maar realiseerden ook bijdragen voor het gelijknamige tijdschrift.

K.B./D.P.: Wie had jou uitgenodigd om deel te nemen aan 1980?

R.P.: Annie Gentils. Zij had intussen De Warande verlaten en werkte sindsdien voor het ICC.

K.B./D.P.: De catalogus van 1980 vermeldt niet welk werk jij hebt gemaakt.

R.P.: Ik heb samen met Danny Devos een performance gedaan: Ondergrondse confrontatie. Voordien hadden we al eens samengewerkt.

K.B./D.P.: Waaruit bestond de performance?

R.P.: We wilden een actie buiten het ICC laten plaatsvinden. De keuze was gevallen op metrostation Meir, vlakbij het ICC. Metrostations zijn altijd non-plaatsen, absurde plekken. Ik stond in de ruimte waar de tram rijdt. Ik had er een vierkante meter afgebakend. Danny nam een verdieping hoger plaats, exact boven mij. Hij ging er liggen. Boven mij hadden wij een recipiënt gehangen. Af en toe viel er een druppel water op mijn voorhoofd. Waarvan dat water afkomstig was, was voor de passanten onduidelijk. Telkens er een druppel viel, klopte Danny met zijn voorhoofd tegen de grond.

K.B./D.P.: Kon jij dan horen dat Danny met zijn hoofd op de grond bonkte?

R.P.: Nee. De mensen zagen Danny, die met zijn hoofd op de grond bonkte, en als ze afdaalden, zagen ze mij staan. Alles was rechtstreeks te volgen op een monitor tijdens de opening in het ICC. Vanuit het ICC naar het metrostation waren er elektrische leidingen gelegd om de performance live te coveren. Het ICC beschikte over het nodige materiaal. De bijdrage aan 1980 is veel doordachter dan de eerdere performance in Ruimte Z.

K.B./D.P.: In de catalogus van 1980 is een foto afgedrukt van jou met de tekst: ‘Met deze bladzijde in de cataloog krijg ik de toelating verdere straatacties uit te voeren zonder vooraf toelating te moeten vragen aan stad of staat.’

R.P.: Ik werkte veel op straat. Om die reden maakte ik dat statement. Ik werd ook regelmatig op het politiekantoor ontboden voor belachelijke redenen. Vroeger werden cafés zoals De Muze en Het Pannenhuis geviseerd. Er waren heel vaak razzia’s. Ze vielen met honden binnen om drugs te zoeken. Of je werd geïnterpelleerd omdat je er anders uitzag. Op een gegeven moment besloot ik de rollen om te keren: ik ben zelf de politie met een polaroidcamera gaan volgen.

K.B./D.P.: De politiemannen die zich herkenden, konden hun foto komen ophalen in het ICC. Dat meldde je in de catalogus van 1980.

R.P.: Ze zijn niet gekomen. Een andere keer stonden ze wel aan mijn deur.

K.B./D.P.: Wat was de reden?

R.P.: Ik had Danny Devos een brief gestuurd. Op de achterkant van de envelop – dus zicht- en leesbaar voor iedereen – had ik geschreven dat hij op een bepaalde dag en een bepaald uur een filiaal van de Generale Bank zou overvallen. Tot mijn grote verbazing – en zeker die van Danny – had de post het briefje aan de politie bezorgd. Danny werd opgepakt, zijn ouders ondervraagd en ik werd ontboden op het politiekantoor. Het was hilarisch: wie meldt nu op de buitenkant van een envelop dat er een bankoverval op til is? Enige tijd later bakte Danny mij een gelijkaardige poets. Ditmaal leek de postzending op een bompakket dat Danny aan mij verstuurde als zogenaamde ‘afgewezen minnaar’. De kranten stonden er vol van. De artikels zijn later afgedrukt in een nummer van Ruimte Z, dat gewijd was aan mailart, naar aanleiding van een tentoonstelling van Guy Bleus in Ruimte Z.

K.B./D.P.: Je zei eerder dat jij reeds vóór jullie gezamenlijke bijdrage aan 1980 samen had gewerkt met Danny Devos.

R.P.: Ja. Hoewel Danny nog maar net was afgestudeerd aan de Academie van Gent, had hij reeds heel wat contacten, ook internationaal. Hij wist dat er in Parijs een plek was die aandacht had voor performance: Galerie Diagonale. Danny en ik hebben er een week verbleven, net voor de opening van 1980, en we hebben er performances gedaan, zowel individueel als samen.

K.B./D.P.: Hoe verliep de gezamenlijke performance?

R.P.: Danny lag in het midden van de ruimte. Met een spuitbus maakte ik een blauwe diagonale lijn over de gehele lengte van de ruimte, ook over de rug van Danny. Met schuurpapier verwijderde ik daarna de blauwe lijn op Danny’s lichaam. Hij schreef daarna op de grond: ‘I don’t belong here’.

K.B./D.P.: Dat is opnieuw een statement met een hoog existentialistisch gehalte.

R.P.: Ja, maar er is ook een meer prozaïsche verklaring: de Galerie Diagonale was zijn afspraken niet nagekomen. Onze reis- en verblijfkosten werden tegen eerdere afspraken in niet vergoed. We hadden er echt de pest in.

K.B./D.P.: Je hebt in Galerie Diagonale ook een soloperformance gedaan, zei je.

R.P.: Ik had in de hoek van de ruimte een stuk glas aangebracht en had me er met touwen boven gehesen. Met mijn tong schilderde ik met zwarte acrylverf in de hoek een zwarte lijn. Ik schilderde tot ik het niet meer kon houden en sprong vervolgens naar beneden zodat het glas verbrijzeld werd.

K.B./D.P.: De performance was niet zonder gevaar.

R.P.: Nee, maar ik had het gevoel dat ik het genoeg onder controle had.

K.B./D.P.: Hoe beslisten jullie eigenlijk wat jullie samen zouden doen?

R.P.: We planden nooit van tevoren dat we samen iets zouden doen. We kwamen toe op locatie, brachten er samen een tijdje door en kwamen dan tot een of meerdere voorstellen, solo of met zijn tweeën. Nadien zijn we nog samen opgetrokken naar Besançon en Hamburg. Daar hebben we elk apart acties opgezet.

K.B./D.P.: Galerie Diagonale was de eerste buitenlandse locatie waar je werkte?

R.P.: Ja, het was mijn eerste werk buiten België.

wordt vervolgd

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams

De geschiedenis van het NICC – aflevering 3

Wat voorafging

Op 15 maart 1998 wordt vzw NICC boven de doopvont gehouden. De officiële stichtingsvergadering vindt plaats in het MuHKA. Philip Aguirre wordt de eerste voorzitter; ondervoorzitters worden Guillaume Bijl, Cel Crabeels, Narcisse Tordoir, Luc Tuymans en Anne-Mie Van Kerckhoven. Cel Crabeels neemt de functie van penningmeester op zich, Patries Wichers deze van secretaris. Omdat al vlug blijkt dat het Koninklijk Paleis – door het NICC bezet vanaf 1 februari 1998 en daarna benut als uitvalsbasis – niet in aanmerking komt als definitieve huisvesting van het NICC, gaan de kunstenaars op zoek naar een andere locatie. Daarnaast leeft al vroeg de gedachte dat het NICC zijn tentakels buiten Antwerpen moet uitsteken, wil het een geloofwaardige vertegenwoordiger zijn voor de (Vlaamse) overheid en van alle Belgische kunstenaars. Ten laatste op 18 maart 1998 laat Michel François weten dat hij zich kandidaat stelt voor de Raad van Beheer: hij is meteen de eerste niet-Antwerpse én Franstalige kunstenaar in het NICC. Vanaf mei 1998 trekt het NICC op missie naar Brussel en Gent om plaatselijke afdelingen op te richten. Daarnaast worden contacten gelegd met het Limburgse, Brugse en Luikse kunstmilieu. In deze derde aflevering van de geschiedenis van het NICC spreken we over de zoektocht naar een gebouw en de uitbreiding van het NICC buiten Antwerpen. Onze gesprekspartners zijn Danny Devos, Philip Aguirre en enkele kunstenaars die aan de wieg stonden van de NICC-afdelingen in Brussel en Gent, respectievelijk Koen Theys (eerste voorzitter NICC Brussel), Paul Gees (eerste voorzitter NICC Gent) en Hans Van Heirseele (vzw Croxhapox en betrokken bij de oprichting van NICC Gent).

 

Gesprek met Danny Devos

 K.B./D.P.: In de tweede helft van maart 1998 duiken voor het eerst niet-Antwerpse kunstenaars op in het NICC. Het gaat hoofdzakelijk om Brusselse kunstenaars. Zo blijkt uit het NICC-verslag van 18 maart dat Michel François een fax heeft gestuurd waarin hij de wens uitdrukt om zich te engageren voor het NICC. Op een ledenlijst zijn tevens de namen van Joëlle Tuerlinckx en Christoph Fink terug te vinden. Op de vergadering van 20 maart is ook de Brusselse kunstenaar Axel Claes van de partij. Hoe zijn deze mensen bij het NICC betrokken geraakt?

DDV: De contacten met Michel François, Joëlle Tuerlinckx en Christoph Fink zullen zeker via Guillaume Bijl tot stand zijn gekomen. Guillaume kende de drie kunstenaars; hij had over het algemeen de meeste voeling met kunstenaars in andere steden. Marc Schepers en ikzelf stonden dan weer in verbinding met Axel Claes. Hij was tijdens de bezetting al langs geweest in het ICC.

K.B./D.P.: Wat was Claes’ achtergrond?

DDV: Hij werkte bij Renault in Vilvoorde en was geëngageerd in de vakbond. Hij deelde pamfletten uit en hield zich bezig met de relatie tussen kunst en sociale actie. Ik kende hem omdat hij samen met Dirk Paesmans en Koen Theys – de latere voorzitter van NICC Brussel – onder de naam V-side performances had gedaan in Club Moral. In 1998 is hij ook begonnen met het organiseren van tentoonstellingen met werkloze kunstenaars in het stempellokaal van Sint-Joost-ten-Node (Brussel). Het initiatief heette Plus tôt te Laat (PTTL) en was een protest tegen de absurde regel dat je als kunstenaar niets mocht creëren op de dagen dat je een werklozenuitkering ontving. Axel Claes werd een van de meest actieve leden van de Werkgroep Sociaal Statuut.

K.B./D.P.: Wat voor standpunten namen de twee Franstalige Brusselse kunstenaars in, Michel François en Joëlle Tuerlinckx?

DDV: Dat weet ik niet meer precies. Ik veronderstel dat zij de Brusselse en de Franstalige kunstenaars wilden vertegenwoordigen. Dat vonden wij trouwens prima. We wilden dat het NICC een nationale vereniging zou worden.

K.B./D.P.: Opvallend is dat in de verslagen van maart tot mei 1998 zeer vaak verwezen wordt naar Michel François, maar dat hijzelf vrijwel nooit aanwezig is op de vergaderingen in Antwerpen.

DDV: Dat klopt, François heeft slechts een paar vergaderingen van de Raad van Beheer bijgewoond. Maar hij heeft wel de eerste contacten gelegd tussen het NICC en de Brusselse kunstenaars. De eerste bijeenkomst van de Brusselse kunstenaars is door hem georganiseerd. NICC Brussel was trouwens de eerste afdeling van het NICC in een andere stad. We wilden in zoveel mogelijk Belgische steden afdelingen oprichten.

K.B./D.P.: Het eerste spoor van dat plan troffen we vreemd genoeg aan in een brief van de Vlaamse minister van Cultuur Luc Martens die hij op 25 februari, tien dagen na het einde van de bezetting, aan het NICC adresseerde. Martens schrijft: ‘Op de vergadering van 11 februari ’98 werd afgesproken dat u ondertussen in samenwerking met de stad Antwerpen op zoek gaat naar een geschikte locatie, waarvoor de stad Antwerpen een aantal ondersteuningsmogelijkheden aanbiedt. Ikzelf kan mij hierin niet engageren. Om te voorzien in de basisinfrastructuur moet een lokaal of provinciaal draagvlak kunnen instaan. Indien in Gent of Brugge een gelijkaardig initiatief zou ontstaan, wil ik dit met een even grote openheid, ernst en gelijkwaardigheid kunnen benaderen.’ De minister vermeldt natuurlijk alleen steden met een onberispelijk Vlaamse identiteit…

DDV: Ik vind die brief even vreemd als jullie. Ik heb geen flauw idee waarom Luc Martens over ‘gelijkaardige initiatieven’ in andere steden begint.

K.B./D.P.: Misschien op voorzet van jullie?

DDV: Wij hebben de minister zeker niet op ideeën gebracht. Het omgekeerde is evenmin het geval: de afdelingen in Gent of Hasselt zijn er niet gekomen omdat de minister dat vroeg. Ik weet alleen dat hij op dat fameuze debat van 6 februari 1998, tijdens de bezetting, de noodzaak van een aanspreekpunt aankaartte: hij beloofde Vlaamse overheidsteun op voorwaarde dat wij een vzw zouden oprichten.

K.B./D.P.: Waarom wilden jullie afdelingen in andere steden oprichten?

DDV: Ik denk dat we er vooral voor beducht waren als een Antwerps clubje te worden aanzien…

K.B./D.P.: Jullie hadden toch ook kunnen kiezen voor een evenwichtige samenstelling van de Raad van Beheer? Je hoeft toch niet in het hele land afdelingen uit de grond te stampen?

DDV: Dat is juist. Er was echter nog een ander motief: door aparte afdelingen in andere steden op te richten kon de impact van het NICC worden vergroot. Het NICC wás zeer Antwerps in het begin, niet enkel omdat er overwegend Antwerpenaars in de Raad van Beheer zetelden, maar ook omdat de overheidssteun voor het NICC voor meer dan de helft uit Antwerpse hoek kwam: de provincie Antwerpen die een voltijdse werkkracht had toegezegd en de stad Antwerpen die een huursubsidie zou verlenen. Ik was ervan overtuigd dat de legitimiteit en de impact van het NICC konden worden vergroot door een netwerk van lokale afdelingen op te richten.

K.B./D.P.: De eerste bijeenkomsten van niet-Antwerpse kunstenaars vinden respectievelijk plaats op 8 mei 1998 in het atelier van Franky De Coninck in Brussel en op 13 mei 1998 bij de Gentse vzw Croxhapox in de Aannemersstraat in Sint-Amandsberg. Die vergaderingen zijn dus door het NICC in Antwerpen georganiseerd?

DDV: Ik denk dat het initiatief ook van de Brusselse en Gentse kunstenaars kwam. Zij voelden de behoefte om zo’n vergadering te organiseren. Maar er was altijd wel iemand van Antwerpen bij om het NICC voor te stellen en vragen te beantwoorden.

K.B./D.P.: Uit de verslagen blijkt dat Guillaume Bijl zowel in Brussel als in Gent aanwezig was. Jij bent enkel in Gent van de partij. Waarom ging je niet mee naar Brussel?

DDV: Omdat ik niet zo’n vergaderbeest ben als Guillaume? Guillaume kende meer mensen in het Brusselse kunstenaarsmilieu en wilde graag overal bij zijn… Verder heeft misschien meegespeeld dat ik in Gent had gestudeerd en dat mijn vrouw Anne-Mie Van Kerckhoven lesgaf aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten. In Gent kende ik meer mensen. Maar wie er meeging naar Gent en Brussel was vooral een kwestie van praktische afspraken.

K.B./D.P.: In Brussel komen meer dan twintig kunstenaars opdagen; in Gent tekenen slechts negen kunstenaars present. Blijkbaar sloeg de boodschap van het NICC in Gent minder goed aan, dat blijkt ook uit het volgende citaat uit het verslag van de Raad van Beheer van 20 april: ‘Anne-Mie Van Kerckhoven zegt dat ze bv in Gent met ons lachen, Marc Maet en Philippe Vandenberg tenminste, en dat zij als kunstenaar liever in hun atelier zitten.’

DDV: Anne-Mie had in de Gentse academie zoveel mogelijk mensen over het NICC gesproken. We zochten immers iemand die het voorzitterschap van de Gentse afdeling op zich kon nemen en we dachten daarbij aan mensen als Leo Copers, Philippe Vandenberg of Marc Maet. Ik herinner mij inderdaad dat Anne-Mie vertelde dat Marc Maet haar in haar gezicht had uitgelachen toen zij hem daarover had aangesproken.

K.B./D.P.: Heb je een idee waarop hun sceptische houding tegenover het NICC gebaseerd was?

DDV: Volgens mij dachten zij dat het NICC was opgericht opdat kunstenaars curatortje zouden kunnen spelen. Dat is wat ik mij herinner.

K.B./D.P.: Waren Maet en Vandenberg de enigen die zich sceptisch uitlieten over het NICC? Of was die scepsis algemener?

DDV: Ik denk dat Maet en Vandenberg de enigen waren, maar het probleem was dat zij een behoorlijke impact hadden op de Gentse kunstwereld. Maet en Vandenberg konden het bovendien goed met elkaar vinden… Je moet je voorstellen dat Antwerpse kunstenaars als Luc Tuymans of Guillaume Bijl op ons hadden neergekeken… Dat zou een zeer slechte zaak zijn geweest voor het NICC. Het was dus belangrijk om de negatieve houding van Maet en Vandenberg om te buigen.

K.B./D.P.: Hoe hebben jullie dat aangepakt?

DDV: Door een extra informatievergadering te organiseren in Gent. We waren vastbesloten om uit te leggen aan de Gentse kunstenaars dat het om veel meer ging dan het organiseren van tentoonstellingen en dat het NICC opkwam voor de belangen van de beeldende kunstenaars in de breedste zin van het woord. Ik herinner mij die dag nog goed. Het was einde mei 1998, het had iets heroïsch: in een stoet van drie auto’s – met Guillaume, Narcisse, Luc, Anne-Mie, Cel en ik – trokken we naar Gent, waar de bijeenkomst plaatshad in Het Gouden Hoofd in de Slachthuisstraat, het café van Johan De Smet van The Simpletones. Ik kende De Smet omdat ik met hem ooit nog aan performances had deelgenomen.

K.B./D.P.: Hoe was de sfeer tijdens die vergadering?

DDV: Zeer rumoerig! Maet stond achteraan het café en ventileerde zijn scepsis met luide stem… maar achteraf leken Philippe Vandenberg en hij toch overtuigd. Er was trouwens veel enthousiasme in het Gouden Hoofd. Op het einde hadden we echt het gevoel dat de Antwerpse en Gentse kunstenaars broeders waren en streden voor dezelfde zaak.

K.B./D.P.: Heb je een idee welke argumenten die omslag bij Maet en Vandenberg hebben bewerkstelligd?

DDV: Het feit dat wij opkwamen voor de plaats van de kunstenaar in de maatschappij. Maet is trouwens lid geworden van het NICC, al heeft hij nooit een rol van betekenis gespeeld.

K.B./D.P.: Is NICC Gent van de grond gekomen?

DDV: Neen, NICC Gent is nooit uit de startblokken geraakt. Hoe komt dat? Volgens mij waren er wel gemotiveerde mensen, maar ontbrak het aan gedrevenheid om een volwaardige organisatie op poten te zetten. Ik probeerde de Gentse kunstenaars, onder wie Maria Blondeel, aan te porren om, naar het voorbeeld van het NICC in Antwerpen, ook in Gent middelen los te weken. Maar veel mensen van NICC Gent gingen er blijkbaar van uit dat het volstond om hun wagonnetje bij NICC Antwerpen aan te haken. Eigenlijk zijn NICC Brussel, en in mindere mate NICC Limburg, de enige levensvatbare afdelingen van het NICC gebleken.

K.B./D.P.: Hoe komt het dat het in Brussel wel heeft gewerkt?

DDV: Ik denk dat ze gewoon meer gedreven waren.

K.B./D.P.: In het verslag van de eerste Brusselse bijeenkomst valt op dat de Brusselse kunstenaars enorm zwartgallig tegen de situatie van de kunstenaar in Brussel en Wallonië aankijken. Ze tonen zich tevens verbitterd over het feit dat de kunstenaars totaal niet betrokken worden bij het project Brussel Culturele Hoofdstad dat toen volop voorbereid werd. Misschien was men daardoor meer gebeten om actie te ondernemen?

DDV: Dat zou kunnen. NICC Brussel is trouwens de enige afdeling die later in een officiële vzw is uitgemond – onder de officiële naam NICC Bruxel.

K.B./D.P.: Waarom is er gekozen voor een aparte vzw?

DDV: De vzw is in de eerste plaats opgericht om toe te laten dat het Brusselse NICC geld kon ontvangen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel en van Brussel 2000. Financiële steun kon enkel aan Brusselse verenigingen worden toegekend. We zijn pas in de loop van 1999 te weten gekomen dat er een Brusselse vzw moest worden opgericht indien we op de kar van Brussel 2000 wilden springen. Maar je kan zeker stellen dat de opportuniteiten en financiële perspectieven in Brussel de levensvatbaarheid van NICC Brussel ten goede zijn gekomen. 

 

Gesprek met Philip Aguirre

K.B./D.P.: De bezetting van het ICC op 1 februari 1998, die tot het ontstaan van het NICC heeft geleid, vond plaats op de sluitingsdag van een ICC-tentoonstelling waar jij zelf aan deelnam. Wat voor een tentoonstelling was dat?

P.A.: Een gewone groepstentoonstelling zonder thema. Er namen vier kunstenaars aan deel: Koen Broucke, Ingrid Mostrey, Alexander Viot-Lieck en ikzelf. Ik meen dat de tentoonstelling samengesteld was door Greet Van Broeckhoven, die als wetenschappelijk medewerker verbonden was aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Het ICC ressorteerde sinds het begin van de jaren 90 onder het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.

K.B./D.P.: Wist jij dat het om de laatste tentoonstelling van het ICC ging?

P.A.: Jazeker.

K.B./D.P.: En wist je dat er plannen waren om het ICC op de sluitingsdag te bezetten?

P.A.: Ik was daar zelfs uitstekend van op de hoogte! Hit & Run, het collectief dat de bezetting organiseerde, had mij namelijk een week voordien gevraagd om als woordvoerder van de bezettingsactie op te treden. Ze wilden dat ik hun eisen zou verwoorden tegenover de overheid en de pers. Christine Clinckx of Cel Crabeels hadden mij in dat verband gecontacteerd, maar ik kon mij onmogelijk vrijmaken op 1 februari, de dag waarop de bezetting gepland was. Ik geloof dat ik niet in het land was.

K.B./D.P.: Anders zou je hebben toegestemd?

P.A.: Vermoedelijk niet. Ik vond hun verzoek nogal bizar. Om te beginnen had ik nog nooit gehoord van Hit & Run, hoewel ik de leden wel afzonderlijk kende. Maar vooral leek het mij onmogelijk om een actieprogramma te vertolken als je de actie niet zelf hebt bedacht en van begin tot einde meegemaakt. Wat overigens niet wegneemt dat ik achter de idee van de bezetting stond.

K.B./D.P.: Waarom stond je achter de actie?

P.A.: Met het Jordaenshuis en het ICC waren twee ruimtes voor hedendaagse kunst gesloten zonder dat er een alternatief werd aangeboden – zoals jullie weten vormde dit de rechtstreekse aanleiding tot de bezetting. Je voelde dat er iets begon te gisten en dat de kunstenaars zich aangesproken voelden om ook op andere vlakken hun stem te laten horen.

K.B./D.P.: Voor zover we uit de verslagen kunnen opmaken ben jij nauwelijks betrokken bij de aanloop naar de oprichting van het NICC. Pas vier dagen voor de stichtingsvergadering – op de vergadering van 11 maart – schuif jij mee aan tafel.

P.A.: Dat klopt, maar ik heb de ontwikkelingen die aan de oprichting voorafgingen op de voet gevolgd. Toen ik nog tijdens de bezetting naar Antwerpen was teruggekeerd, ben ik verschillende keren een kijkje gaan nemen in het ICC – de bezetting heeft immers tot half februari geduurd en er waren dagelijks optredens. Ook na de bezetting bleef ik op de hoogte. Ik kende immers bijna alle kunstenaars die bij de oprichting van het NICC betrokken waren: Guillaume Bijl, Christine Clinckx, Cel Crabeels, Danny Devos, Marc Schepers, Narcisse Tordoir, Luc Tuymans, Anne-Mie Van Kerckhoven… Ze behoren bijna allemaal tot mijn kennissen- of vriendenkring. De meesten woonden zelfs in mijn buurt.

K.B./D.P.: Wie heeft jou overhaald om op 11 maart mee aan tafel te gaan zitten?

P.A.: Dat ging op een heel spontane manier. We spraken op café over wat er gaande was in de kunstenaarsgroep die de oprichting van het NICC voorbereidde en ik vermoed dat enkele kunstenaars mij op een bepaald moment hebben uitgenodigd.

K.B./D.P.: Weet je nog hoe die eerste vergadering verliep?

P.A.: Heel chaotisch, zoals wel vaker op vergaderingen van het NICC.

K.B./D.P.: Amper een week later word jij tot de eerste voorzitter van het NICC verkozen. Zo snel kan het blijkbaar gaan…

P.A.: Zoals jullie al weten van Danny Devos is daar en petit comité over vergaderd door onder anderen Luc Tuymans, Narcisse Tordoir, Guillaume Bijl en Anne-Mie Van Kerckhoven… Zij waren het er blijkbaar over eens dat ik een geschikte kandidaat was.

K.B./D.P.: En jij hebt onmiddellijk toegestemd?

P.A.: Ik heb er een paar dagen over nagedacht. Ik realiseerde mij maar al te goed dat het voorzitterschap een hoop werk met zich zou meebrengen – achteraf bleek ik dat trouwens nog te hebben onderschat.

K.B./D.P.: Wat heeft uiteindelijk de doorslag gegeven om positief te antwoorden?

P.A.: Een belangrijk element was zeker de keuze om met een team van één voorzitter en vijf ondervoorzitters te werken: Anne-Mie van Kerckhoven, Narcisse Tordoir, Luc Tuymans, Guillaume Bijl en Cel Crabeels. Wij zouden samen de bestuurstaken op ons nemen, en ik zou voorzitter zijn. Misschien heeft dat mij wel over de streep getrokken.

K.B./D.P.: Merkwaardig is dat na Hit & Run ook anderen aan jou denken als ze op zoek zijn naar iemand met een representatieve functie, iemand die als woordvoerder of als het gezicht van de vereniging kan optreden.

P.A.: Vreemd, niet? Alhoewel, in het HISK te Antwerpen, waar ik lesgaf, sprak ik geregeld het publiek toe in meerdere talen. Als voorzitter moet je dat kunnen. Wellicht zijn mijn optredens in het HISK niet onopgemerkt voorbijgegaan.

K.B./D.P.: Danny Devos stelde dat jij een neutrale positie innam. Dat zou de voornaamste reden zijn geweest om jou als voorzitter te vragen.

P.A.: Dat heeft zeker een belangrijke rol gespeeld. Het klinkt misschien negatiever dan ik bedoel, maar in het NICC waren nogal wat kliekjes: Hit & Run, de kring rond Guillaume Bijl, de mensen rond Luc Tuymans… Ik behoorde niet tot een club. Ik heb veel vrienden, onder wie de zonet genoemde kunstenaars, maar ik hoor niet bij een vriendenkliek.

K.B./D.P.: Danny vermeldde nog een ‘kwaliteit’ waar jij over zou beschikken: jij zou goede contacten hebben gehad met het Antwerpse stadsbestuur.

P.A.: Ik weet niet waar hij dat haalt. Ik heb de Antwerpse schepen van Cultuur Eric Antonis pas leren kennen toen ik namens het NICC besprekingen met hem ging voeren. Voordien kende ik Antonis zeker niet persoonlijk.

K.B./D.P.: De eerste bespreking die jij na de oprichting van het NICC met Antonis gevoerd hebt, valt volgens onze informatie op 6 april 1998: samen met Cel Crabeels en Narcisse Tordoir trek jij naar het stadhuis om met Antonis te spreken over een definitieve locatie voor het NICC. Kan je iets zeggen over de contacten met Antonis? Hoe verliep die samenwerking?

P.A.: Opperbest! Ik vond Eric Antonis een ongelooflijke schepen van Cultuur. Hij nam ons ernstig en was heel open tegenover ons. Hij deed zijn beloftes altijd gestand en heeft zich ingespannen opdat de Vlaamse Gemeenschap haar toezeggingen zou nakomen.

K.B./D.P.: Nochtans had Antonis tijdens de bezetting pogingen gedaan om de actie te recupereren. Zo stelde hij in de pers dat jullie beter zouden kiezen voor tijdelijke projecten in kansarme buurten. Dat paste in zijn beleid om onderkomen wijken met culturele initiatieven op te krikken.

P.A.: Antonis heeft ons nooit in een bepaalde richting proberen te duwen. Dat is althans mijn indruk.

K.B./D.P.: In het archief van het NICC vonden we een brief die jij vlak na die eerste bespreking met Antonis, en nog op dezelfde dag, adresseerde ‘aan Danny Devos en de leden van het NICC’. Waarom koos je ervoor een brief te schrijven? Je had in Antwerpen toch dagelijks contact met de kunstenaars?

P.A.: Ik stond op het punt om naar Senegal te vertrekken, waar ik zou deelnemen aan de Biënnale van Dakar – ik heb mij gedurende april en mei als voorzitter door ondervoorzitter Narcisse Tordoir laten vervangen. Voor mijn vertrek wilde ik nog een en ander op een rijtje zetten en het leek mij het best om dat per brief te doen.

K.B./D.P.: In de brief alludeer je op twee locaties die door de stad Antwerpen zouden zijn voorgesteld als definitieve huisvesting van het NICC: de Montevideo en het Elzenveld. Daarbij merk jij op ‘dat we ons niet mogen laten gebruiken door de politiek’. Wat bedoelde jij daarmee?

P.A.: Kennen jullie het Elzenveld? Die ruimte was helemaal in handen van de Antwerpse stadspolitiek. De Montevideomagazijnen wilde de stad door een bouwpromotor laten inrichten. Indien wij in dat complex een kantoor wilden vestigen, hadden we bij die bouwpromotor moeten lobbyen. Ik vond dat onze onafhankelijkheid in beide gevallen te zeer in het gedrang kwam. 

K.B./D.P.: Verder breng je ook een pand aan de Lijnwaadmarkt ter sprake. Blijkbaar was jij er erg voor te vinden. Je schrijft: ‘Misschien is een huis (lijnwaadmarkt), goed gelegen, contact met publiek, centrum, niet te groot… wel de beste optie, ook op lange termijn.’

P.A.: Ik vond het huis aan de Lijnwaadmarkt een veel betere locatie dan het pand waar uiteindelijk voor geopteerd is: de gewezen ruimte van de galerie Annick Ketele in de Pourbusstraat – op het Zuid, vlakbij het MuHKA en de galeries. Het pand aan de Lijnwaadmarkt was tegen de kathedraal aangebouwd. Een meer centrale ligging was niet denkbaar. Het was erg groot en absoluut niet duur. Ik geloof dat we zo’n 35.000 Belgische frank – minder dan 1000 euro! – huur moesten betalen. We hadden op de benedenverdieping een café kunnen openen waarmee we de huurprijs makkelijk hadden kunnen terugverdienen. Het pand in de Pourbusstraat had zeker voordelen, maar het was zeer duur. Ik vond dat het huis aan de Lijnwaadmarkt beter aansloot bij de missie van het NICC.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen?

P.A.: Door voor de Pourbusstraat te kiezen, lever je een krachtig statement af over de positie van het NICC in de kunstwereld. Dat is het voordeel – maar het nadeel is dat de kunstwereld een getto is. Aan de Lijnwaadmarkt had het NICC zich kunnen positioneren als open kunstenaarshuis. De nadruk zou er hebben gelegen op de brede publieke gerichtheid van het NICC en op haar bekommernis met betrekking tot de plaats van de kunstenaar in de maatschappij. In die zin sloot dat huis meer aan bij mijn persoonlijke visie op het NICC. Dat houdt trouwens verband met de ambitie om in het hele land afdelingen van het NICC op te richten.

K.B./D.P.: Dat gebeurde evenwel niet met onverdeeld succes. Alleen in Brussel is een bloeiende afdeling tot stand gekomen. In Gent wilde het niet echt lukken. Heb jij daar een verklaring voor?

P.A.: Ik denk dat er in Brussel meer een kunstenaarsgemeenschap was dan in Gent.

K.B./D.P.: Het Brusselse NICC is later – in september 1999 – ook een echte vzw geworden. Aanleiding daarvoor was dat het NICC een project voor Brussel 2000 wilde indienen en dat zo’n aanvraag alleen door een vzw met vestigingsplaats in Brussel kon gebeuren. Misschien is het feit dat er in het kader van Brussel 2000 iets te rapen viel een bijkomende stimulans geweest voor het Brusselse NICC?

P.A.: Dat zou kunnen. Ik kan daar geen uitspraken over doen. Weet je, het NICC is een vereniging geweest van zelfstandigen en individualisten die toch een algemeen belang nastreven en dat is per definitie een moeilijke zaak. 

 

Gesprek met Koen Theys

 Koen Brams/Dirk Pültau: In het jaarverslag 1998 van het NICC sta jij als eerste voorzitter van NICC Brussel vermeld. Nochtans was jij niet aanwezig op de eerste bijeenkomst van Brusselse kunstenaars waarvan wij weet hebben. Die vergadering vond plaats op 8 mei 1998 in het atelier van Franky Deconinck. Kan je vertellen hoe jij precies bij het NICC betrokken raakte?

Koen Theys: Ik ben inderdaad niet bij die samenkomst in het atelier van Franky Deconinck geweest, maar op een gegeven moment – ik vermoed nog in mei 1998 – werd ik gebeld door zowel Guillaume Bijl als Joëlle Tuerlinckx met de vraag of ik naar een vergadering van de Brusselse kunstenaars wilde komen. De bijeenkomst vond plaats thuis bij Claudia Radulescu. Ik herinner mij dat ik tijdens die vergadering nauwelijks een woord heb gezegd. Nadien kreeg ik opnieuw telefoon van Bijl en Tuerlinckx: of ik mij kandidaat wilde stellen als voorzitter van NICC Brussel.

K.B./D.P.: Na één vergadering waarop je niets gezegd had?

K.T.: Vreemd, niet? Toch is het zo gegaan. Ik had de indruk dat Bijl, Tuerlinckx en een aantal andere kunstenaars vooraf overlegd hadden over die kwestie en blijkbaar vonden zij mij de geknipte persoon. Ik heb een paar dagen nagedacht en uiteindelijk besloten om mij kandidaat te stellen… en ik werd verkozen.

K.B./D.P.: Feit is evenwel dat vooral Michel François al enige tijd actief was binnen het NICC in Antwerpen: hij was de eerste Brusselse kunstenaar die bij het NICC betrokken raakte, zetelde al twee maanden in de Raad van Beheer, trad op als spilfiguur van de Brusselse kunstenaars en organiseerde ook de bijeenkomst op 8 mei 1998. Toch wordt hij niet tot voorzitter verkozen. Heb jij daar een verklaring voor?

K.T.: Misschien was François niet zo’n vergaderfreak en wilde hij daarom geen voorzitter zijn? Ik denk vooral dat men iemand zocht die de twee landstalen beheerste en allicht had ik ook een neutraler profiel – niet dat ik mijzelf als een grijze muis zie… Laat ons zeggen dat ik aanvaardbaar was voor iedereen.

K.B./D.P.: En waarom wilde jij voorzitter worden?

K.T.: Vooral uit nieuwsgierigheid! Ik wist niet goed wat mij te wachten stond, maar ik vond het een plezierig vooruitzicht om mensen als Guillaume Bijl wat beter te leren kennen en het leek mij spannend om uit te zoeken wat het NICC voor een stad als Brussel kon betekenen. Achteraf begrijp ik waarom sommige kunstenaars liever iemand ánders voorzitter zagen worden: de voorzitter krijgt alle rompslomp te verwerken, wat de anderen toelaat zich bezig te houden met hun geliefde thema’s.

K.B./D.P.: Net als de Antwerpse voorzitter werd jij omringd door een team van meerdere ondervoorzitters: Anne Decock, Axel Claes, Christoph Fink, Bénédicte Jacobs. De secretaris is Claudia Radulescu. Hoe verliep de samenwerking?

K.T.: Aanvankelijk goed.

K.B./D.P.: Op 20 mei 1998 duik jij een eerste keer op in een vergadering van de Raad van Beheer in Antwerpen. Je was dus ook lid van de Raad van Beheer?

K.T.: Ja. Als voorzitter van NICC Brussel was het noodzakelijk dat ik het NICC op de voet volgde. Vanuit Antwerpen werd trouwens voortdurend gevraagd om verslag uit te brengen over wat er in NICC Brussel gebeurde. Ik vond dat men in Antwerpen soms overdreef op dat vlak.

K.B./D.P.: Jij had het gevoel dat het NICC in Antwerpen zich dominant opstelde tegenover Brussel?

K.T.: Laat ons zeggen dat hun houding dubbel was. Enerzijds heerste bij een aantal Antwerpse kunstenaars een grote openheid tegenover NICC Brussel en de andere afdelingen. Vooral Guillaume Bijl heeft zich enorm ingespannen om de andere afdelingen, waaronder NICC Brussel, uit de startblokken te helpen. Wat mij evenwel stoorde, was de voortdurende eis van de Raad van Beheer om verantwoording af te leggen en verslag uit te brengen over alles wat NICC Brussel ondernam. Paradoxaal genoeg gebeurde het soms dat de Antwerpse kunstenaars na afloop van de Raad van Beheer voort vergaderden in Antwerpse cafés… terwijl de kunstenaars die van elders kwamen al naar huis waren teruggekeerd. Op de volgende Raad van Beheer kwam je plots tot de vaststelling dat er punten waren behandeld waar je niets van afwist. Daarnaast had je ook kunstenaars die zich totaal niet interesseerden voor de lokale afdelingen en die vonden dat alles in Antwerpen moest gebeuren. Op een bepaald moment hebben een aantal Brusselse kunstenaars gepleit voor een roterende hoofdafdeling: een formule waarbij de hoofdzetel om de zoveel tijd zou verhuizen naar een andere stad. Ik geloof zelfs dat ik vóór dat plan heb gestemd om in te gaan tegen het centralisme van sommige Antwerpse kunstenaars.

K.B./D.P.: Is die roterende afdeling er ooit gekomen?

K.T.: Nee. Bij wijze van symbolische tegemoetkoming heeft de Raad van Beheer een paar keer vergaderd in Brussel en in Luik, maar het was niet realistisch om de hoofdzetel voor langere tijd elders onder te brengen. Het klopte ook niet om dat te doen. Het NICC is begonnen als een protest tegen het feit dat er kunstruimtes gesloten waren in Antwerpen. Het resultaat van dat protest was onder meer dat men in Antwerpen een vast kantoor kreeg. Bovendien hadden wij in Brussel niet de mensen om een organisatie als het NICC draaiende te houden: wij hadden geen figuren met het gewicht en de drive van Guillaume Bijl, Narcisse Tordoir en Luc Tuymans. Wij waren ook minder ambitieus dan het NICC in Antwerpen. Eigenlijk vond ik dat men in Antwerpen té ambitieus was.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen?

K.T.: In tegenstelling tot sommige Antwerpse kunstenaars vond ik niet dat het de taak was van het NICC om tentoonstellingen te organiseren. Het leek mij beter om debatten en lezingen te organiseren rond thema’s die aansloten bij de werking van het NICC.

K.B./D.P.: Hoe zou jij de sfeer omschrijven op de vergaderingen in Brussel en Antwerpen? Als je beide nu met elkaar zou vergelijken?

K.T.: In Antwerpen verliep alles volgens strakke regels; in Brussel ging het er informeler en gezelliger aan toe. Er waren ook niet zoveel kampen in Brussel als in Antwerpen. In Antwerpen had je de kunstenaars die rond het sociaal statuut wilden werken, je had iemand als Guillaume Bijl die vond dat het NICC kansen moest bieden aan jonge kunstenaars om te exposeren en je had mensen als Luc Tuymans en Narcisse Tordoir die een internationaal tentoonstellingsprogramma wilden uitbouwen. Het ging er soms hard aan toe. Misschien was het een geluk dat er ook kunstenaars uit andere steden in de Raad van Beheer zetelden, zodat de conflicten binnen de Antwerpse kunstenaarsgroep de debatten niet te veel beheersten. Zonder de niet-Antwerpse kunstenaars was het NICC misschien al veel vroeger uiteengespat.

 

Gesprek met Hans Van Heirseele

K.B./D.P.: De eerste keer dat we jouw naam in het archief van het NICC terugvinden is op een ledenlijst van 12 mei 1998. Hoe ben jij lid geworden?

H.V.H.: Ik meen dat Sjoerd Paridaen mij voor het eerst over het NICC sprak. Sjoerd was lid van het bestuursteam van Croxhapox en gaf les aan de Academie voor Schone Kunsten in Gent, waar hij een van de ondervoorzitters van het NICC onder zijn collega’s telde, Anne-Mie Van Kerckhoven. Via haar werd Sjoerd op de hoogte gehouden van wat er in het NICC gebeurde. Ik kende Anne-Mie trouwens ook een beetje omdat we het jaar voordien met Croxhapox een tentoonstelling hadden georganiseerd waarin een schilderij van haar was opgenomen: schilderkunst – hedendaags – belgisch. 

K.B./D.P.: Op 13 mei 1998 vindt de eerste bijeenkomst plaats van Gentse kunstenaars in het kader van het NICC. Dat gebeurt ten huize van vzw Croxhapox, toen nog in Sint-Amandsberg. Hoe kwam het dat de bijeenkomst daar georganiseerd werd?

H.V.H.: Ik ben samen met Sjoerd lid geworden van het NICC en als leden van het Crox-team voelden wij ons beiden erg verwant met de experimentele filosofie van het NICC. We vonden het een logische stap om het NICC in Gent te ontvangen.

K.B./D.P.: In welke zin sloot het NICC aan bij jullie filosofie? Kan je dat uitleggen?

H.V.H.: Ik doel op het feit dat wij niet commercieel werken. Croxhapox is geen galerie. Eigenlijk zie ik Croxhapox evengoed als een initiatief dat de kunstenaars een podium geeft, net zoals het NICC. Vandaar dat Sjoerd en ik het NICC in Gent een poot aan de grond wilden geven.

K.B./D.P.: Op de eerste bijeenkomst zijn naast Guillaume Bijl en Danny Devos een negental Gentse kunstenaars aanwezig: Maria Blondeel, Thomas Claus, Leo Copers, Wim Delvoye, Paul Gees, Philip Van Isacker, Lieve Van Stappen, Koen Vercaemer en jijzelf. Sjoerd Paridaen is er evenwel niet bij. 

H.V.H.: Dat is typisch Sjoerd. Sjoerd treedt vaak op als stuwende kracht, maar hij staat niet graag in de schijnwerpers.

K.B./D.P.: Wat herinner jij je nog van die eerste vergadering?

H.V.H.: Dat er geen kat was! Je noemt negen kunstenaars, maar wij hadden veel meer volk verwacht. Guillaume Bijl en Wim Delvoye maakten daar tijdens de vergadering trouwens grapjes over – daar was alle tijd voor. Ik geloof dat we de mensen wat te laat hadden verwittigd was. Vandaar dat wij aandrongen op een nieuwe vergadering. Die vond uiteindelijk plaats in Het Gouden Hoofd, het café van Johan De Smet, de pianist van Kamagurka. Die bijeenkomst was een enorm succes!

K.B./D.P.: Volgens Danny Devos lag het initiatief voor die vergadering bij het NICC in Antwerpen. Zij hadden namelijk opgevangen dat er in Gentse kunstmiddens enige scepsis bestond met betrekking tot het NICC – met name bij figuren als Marc Maet en Philippe Vandenberg.

H.V.H.: Dat zou ook kunnen. Wellicht hebben zij het initiatief genomen en heeft Croxhapox daarop ingespeeld.

K.B./D.P.: Herinner jij je iets van de scepsis bij Gentse kunstenaars?

H.V.H.: Ik herinner mij alleszins dat Maet tijdens de meeting voortdurend cynische opmerkingen maakte en dat er zich op een gegeven moment een discussie ontspon met Luc Tuymans, die het vaakst het woord voerde namens de Antwerpse kunstenaars.

K.B./D.P.: Was Maet de enige scepticus?

H.V.H.: Ik vermoed van wel. Voor het overige was bijna iedereen enthousiast.

K.B./D.P.: Na de bijeenkomst in Het Gouden Hoofd vinden opnieuw vergaderingen plaats met een groepje van vijf à tien mensen. Uit de verslagen blijkt evenwel dat jij nog maar één keer meevergaderde: op 27 juni 1998.

H.V.H.: Dat klopt. Op die bijeenkomst ben ik uit NICC Gent gestapt.

K.B./D.P.: Waarom?

H.V.H.: Ik had een slecht gevoel tijdens die laatste vergadering. Het leek dat sommige mensen alleen in het NICC geïnteresseerd waren omdat er geld zou vrijkomen. Ze wilden snel op de boot springen. Volgens mij waren de middelen van het NICC nochtans bestemd om het algemeen belang van de kunstenaars te dienen… Ik ben nog op diezelfde vergadering opgestaan met de boodschap dat ik mij van NICC Gent distantieerde.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de andere kunstenaars?

H.V.H.: Ik weet dat niet meer. Ik herinner mij dat er zich een discussie ontspon en dat ik op het einde mijn besluit meedeelde om op te stappen. Daarna heb ik amper nog iets vernomen van NICC Gent.

K.B./D.P.: Heb je daarna nog contact gezocht met het NICC?

H.V.H.: Nee. Maar achteraf heb ik gedacht dat het NICC Gent een gemiste kans is geweest.

 

Gesprek met Paul Gees

Koen Brams/Dirk Pültau: Het eerste spoor dat wij vonden van jouw betrokkenheid bij het NICC is een ledenlijst van 12 mei 1998. Hoe ben je met het NICC in contact gekomen?

Paul Gees: Ik geloof dat ik tijdens de bezetting in het ICC ben geweest. Ik vind het zelf een beetje gek nu ik dat bedenk… maar ik ben daar echt geweest. Hoe ik op de ledenlijst ben terechtgekomen, weet ik evenwel niet meer.

K.B./D.P.: Op 13 mei 1998 vindt een eerste bijeenkomst plaats ten huize van vzw Croxhapox in Sint-Amandsberg. Vervolgens wordt er op 29 mei 1998 vergaderd in het Gentse café Het Gouden Hoofd dat werd uitgebaat door Johan Desmet.

P.G.: Ik geloof niet dat ik daar ben geweest.

K.B./D.P.: Van de eerste vergadering van 13 mei beschikken we nochtans over een aanwezigheidslijst waarop jouw naam vermeld staat: naast jijzelf nemen ook Maria Blondeel, Thomas Claus, Leo Copers, Wim Delvoye, Hans Van Heirseele, Philip Van Isacker, Lieve Van Stappen en Koen Vercaemer aan de vergadering deel.

P.G.: Is dat echt zo? Ik herinner mij daar niets van. Ook die bijeenkomst in Het Gouden Hoofd zegt mij niets. Wat ik mij meen te herinneren is dat ik Lieve Van Stappen en Lieve D’Hondt ontmoette op de Raad van Beheer in Antwerpen en dat wij gedrieën hebben besloten om een Gentse afdeling op te richten. In elk geval weet ik dat er vanaf een bepaald moment op regelmatige tijdstippen is vergaderd door een kleine groep die bestond uit de mensen die jullie noemen. Later kwam Wouter Cox er nog bij.

K.B./D.P.: Waarom wilde jij betrokken zijn bij het NICC?

P.G.: Om andere kunstenaars te ontmoeten en omdat ik besefte dat het NICC ook wel een zinvol initiatief kon worden.

K.B./D.P.: In het jaarverslag 1998 van het NICC word jij vermeld als voorzitter van NICC Gent.

P.G.: Dat klopt.

K.B./D.P.: Hoe is dat gegaan?

P.G.: Ik was toen de oudste van de kleine groep kunstenaars. Het sprak een beetje vanzelf dat ik de taak van voorzitter op mij kon nemen. Ik weet niet meer of ik mij kandidaat heb gesteld dan wel of het mij gevraagd is. Allicht kwam het van beide kanten.

K.B./D.P.: Waarover gingen de vergaderingen in Gent? Wat wilden jullie eigenlijk doen?

P.G.: We hadden het aanvankelijk over de zoektocht naar een ruimte – de vergaderingen vonden immers plaats bij mij thuis of in het atelier van Cox en dat was verre van ideaal. Daarnaast discussieerden we over de publieksactiviteiten die we in het kader van NICC Gent zouden kunnen opzetten. Dat liep niet altijd even vlot omdat de verstandhouding tussen Lieve Van Stappen en de rest van de groep niet zo best zat. Lieve is eerder extravert en bitsig en de andere onder ons waren veeleer zachtmoedige en nuancerende types. Ik meen mij te herinneren dat wij over de aanpak en de prioriteiten niet altijd tot een vergelijk kwamen.

K.B./D.P.: Kan je een voorbeeld geven van een publieke activiteit die jullie wilden organiseren?

P.G.: Zelfs dat vind ik moeilijk om te reconstrueren. Er kwam immers geen schot in de zaak. Ik herinner mij dat NICC Antwerpen op een bepaald moment tweehonderdduizend frank stortte zodat wij middelen hadden om activiteiten te organiseren… maar omdat daar weinig van in huis kwam, hebben we dat bedrag na verloop van tijd integraal teruggestort.

K.B./D.P.: In het archief van het NICC vonden wij een verslag terug van de Raad van Beheer van 19 december 1998 waarin jij het volgende zegt: ‘De dienst Kunsten van de stad Gent heeft het NICC voorgesteld mee te werken aan een project ter gelegenheid van de opening van het SMAK, waaraan allerlei Gentse organisaties voor beeldende kunst zullen deelnemen. Het NICC Gent kan hiervoor een subsidie bij de stad Gent aanvragen maar de vraag blijft of er in principe inhoudelijke en ook financiële steun mogelijk is vanuit Antwerpen.’ Vervolgens merkt Philip Aguirre op: ‘Er is al beslist dat elke federatie een startgeld krijgt, streefdoel 200.000 frank, maar dan moet het NICC Gent eerst worden opgericht.’

P.G.: Dat bedrag van 200.000 frank zal bedoeld zijn geweest voor een event naar aanleiding van de opening van het SMAK, maar we zijn vast nooit verder geraakt dan een vaag plan.

K.B./D.P.: De Brusselse afdeling van het NICC heeft in 1999 een vzw opgericht om geld te kunnen ontvangen van de VGC en van Brussel 2000. Eigenlijk spoort Aguirre jullie in bovenstaand citaat aan om hetzelfde te doen… Maar allicht is er nooit een vzw opgericht?

P.G.: Nee. Zoals jullie allicht begrepen hebben, is NICC Gent nooit van de grond gekomen.

K.B./D.P.: Heb je daar een verklaring voor?

P.G.: Ik denk dat er in Gent een volwaardige afdeling het licht had kunnen zien indien er enkele meer krachtige figuren zouden zijn opgestaan, zoals in Antwerpen gebeurd is. Ik zei het al: wij waren te zachtmoedig en wellicht ook te bescheiden. Veel mensen die eerder met Gent verbonden waren – zoals Leo Copers en Patrick Van Caeckenbergh – waren wellicht eerder geneigd zich voor wat het NICC betrof op Antwerpen te richten.

K.B./D.P.: Als je met kunstenaars uit Antwerpen over het NICC spreekt, dan blijken ze elkaar te kennen en te frequenteren… misschien is het verschil dat er in Gent in tegenstelling tot Antwerpen geen echte kunstenaarsscene bestaat?

P.G.: Jullie zouden wel eens gelijk kunnen hebben. Er zijn veel factoren die daar een rol in spelen: in Antwerpen had je rond het Zuid een kunstbuurt met cafés waar kunstenaars elkaar ontmoeten; in Gent had je alleen het SMAK – Croxhapox had toen nog niet de uitstraling die het vandaag heeft. Om deze en andere redenen is er in Gent niet echt een kunstenaarsscene zoals je die in Antwerpen of in Brussel hebt en dat heeft zeker ook een rol gespeeld.

 

Transcripties: Tom De Moor (Philip Aguirre, Danny Devos), Jacqueline Schoemaker (Paul Gees, Koen Theys, Hans Van Heirseele)

Redactie: Dirk Pültau

Omstreeks 1980, in (en buiten) Antwerpen. Interview met Ria Pacquée / Ruimte Z Aksent (1982-1983)

Wat voorafging

Ria Pacquée, geboren in 1954 in Merksem, doet als autodidact omstreeks 1975 haar eerste straatactie: twaalf uren vat ze post aan een tramhalte, zonder dat ze voordien iemand op de hoogte heeft gebracht. Met performances raakt Pacquée nader vertrouwd in Ercola, het Antwerpse informatie- en productiecentrum voor klank, licht, tijd en ruimte, waar ze kennismaakt met de Dr. Buttock’s Players Pool, een groep waarvan onder anderen Luc Steels en Marc Verreckt deel uitmaken. Pacquée vervoegt de groep en participeert in de laatste activiteit van de Pool: een performance in New Reform, een Aalsterse galerie/kunstruimte, geleid door Roger D’Hondt.

Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen. Pacquées eerste solotentoonstelling vindt plaats in 1979 in Ruimte Z, een alternatieve kunstruimte in de Lovelingstraat in Antwerpen, waar onder anderen Guillaume Bijl, Guy Rombouts en Danny Devos voordien hadden geëxposeerd of opgetreden. Pacquée stelt collages tentoon en een stuk gazon waarop bordjes met de tekst ‘verboden op het gras te lopen’ zijn geprikt. Ze doet er ook een ‘weekendperformance’: de galerie is het gehele weekend geopend en Pacquée slaapt, eet en verblijft er. In 1980 wordt Pacquée door Annie Gentils, op dat moment als curator verbonden aan het ICC, uitgenodigd om deel te nemen aan de groepstentoonstelling 1980. Samen met Danny Devos realiseert ze een performance in het metrostation Meir, vlakbij het ICC. Een paar dagen voordien had Pacquée, eveneens met Devos, performances gerealiseerd in de Parijse galerie Diagonale, haar eerste ‘optreden’ in het buitenland. 

 

K.B./D.P.: Wat was je volgende buitenlandse project?

R.P.: In 1980 ben ik voor de eerste keer naar New York gereisd. Ik heb er twee acties gedaan.

K.B./D.P.: Waar?

R.P.: Ik deed een straatactie en een performance in een lift, die nogal vreemd is verlopen.

K.B./D.P.: Wat is er dan gebeurd?

R.P.: Ik had in een krant gelezen dat je ‘performances’ kon doen in een ruimte op Broadway. De ruimte was op de achtste verdieping gelegen. Ik ging er naartoe, kleedde mij uit en nam geblinddoekt plaats in de lift. Het publiek dat naar boven ging, werd dus met mij – naakt – geconfronteerd. Telkens de lift naar boven ging, bracht ik met een scheermesje een streepje aan op mijn rug. Ik stopte met de actie toen ik hoorde dat de performances boven begonnen: ik kleedde me terug aan en begaf me naar de performanceruimte. Wat bleek echter? Toen ik boven arriveerde, was het eerste wat ik zag een man met een cowboyhoed die aan het zingen was. In de ruimte vonden helemaal geen kunstperformances plaats, maar muziekoptredens. Het was de totaal verkeerde plaats! Achteraf gezien was het ook opmerkelijk dat ik me er niet van bewust was geweest dat het niet zonder gevaar was om pal in het centrum van New York naakt in een lift te gaan staan.

K.B./D.P.: Het is vreemd dat je niet verwijderd werd uit de lift, vermits deze geen toegang gaf tot een alternatieve kunstruimte, zoals jij aanvankelijk had gedacht…

R.P.: Ik begrijp het zelf ook nog altijd niet. Ik herinner me wel dat er op een bepaald moment iemand is komen bijstaan. ‘For safety’, werd me gezegd. Ik vond het prima en stelde er verder geen vragen bij.

K.B./D.P.: Kan je iets vertellen over de andere actie, die op straat plaatsvond?

R.P.: Ik had foto’s gemaakt van mensen die op straat leefden, daklozen. Van die foto’s heb ik fotokopies gemaakt en die heb ik uitgedeeld. Het was de eerste keer dat ik foto’s maakte om deze in te zetten in een actie. Ik heb zelf ook in een aantal kartonnen dozen op straat gelegen. Annie Gentils en Anne-Mie Van Kerckhoven waren in diezelfde periode in New York. Ze gingen naar een optreden van een muziekgroep en ze zagen mij daar op de stoep liggen. Ze hebben een foto van mij als dakloze genomen.

K.B./D.P.: Hoe was je op het idee gekomen om naar New York te gaan?

R.P.: Ik was nieuwsgierig en ik wist dat er veel gebeurde. Ik had vooraf ook niet het plan opgevat om iets in New York te doen totdat ik in de krant het bericht had gelezen.

K.B./D.P.: Welke werken heb je nog in 1980 gerealiseerd?

R.P.: Ik heb deelgenomen aan een programma dat plaatsvond in de marge van Jazz Bilzen. Het was een soloperformance in een kapel, getiteld R.U., in het Duits: Rückkehr Unerwünscht, vertaald: Terugkomst Ongewenst. R.U. werd door de Duitsers op de rug van gedetineerden getatoeëerd of gestempeld. Als je dat merkteken had, dan was je voorbestemd om omgebracht te worden.

K.B./D.P.: Dat is een heel beladen onderwerp. Wat heb je ondernomen?

R.P.: In de kapel had ik heel veel prikkeldraad aangebracht. Zelf was ik bij het begin van de performance vastgebonden met koorden. Eerst bevrijdde ik me en vervolgens probeerde ik door die prikkeldraad heen te geraken. Met een scheermesje heb ik me gesneden in de halsstreek. Op de muur schreef ik R.U. met mijn bloed. Vervolgens ben ik weggelopen. Op het einde was er leegte en veel bloed. Het publiek kon de hele actie door de buitenramen aanschouwen en zag me vanuit de kapel naar buiten lopen. Het gebeurde regelmatig dat ik mijn performances eindigde door weg te lopen.

K.B./D.P.: Hoe lang duurde de performance?

R.P.: Niet erg lang. Tien minuten, een kwartier? Als je aan het performen bent, heb je geen idee van de tijd. Ik streefde wel naar een gebalde actie. Hoe korter, hoe groter het effect, voor mezelf en voor de toeschouwers. Ik wilde mijzelf niet blijven snijden om nog wat meer effect te bekomen of om de tijd te rekken.

K.B./D.P.: De performance was niet zonder gevaar.

R.P.: Ja, dat is waar… ik had trouwens een beetje te diep met het scheermesje gesneden. Maar er is altijd een zekere controle, zeker als je alles in eigen handen hebt. Ik heb ooit een performance gedaan met Kees Mol en toen heb ik het tegenovergestelde ervaren.

 

1981

K.B./D.P.: Waar en wanneer vond die performance met Kees Mol plaats?

R.P.: In 1981 in het Cultureel Centrum van Tilburg. Kees had me gevraagd of ik mee wilde doen. Hij had een ruimtelijke installatie bedacht met ijzeren ressorts waaraan wij vasthingen, de ene achter de andere. Het ene lichaam werd door het andere opgespannen. Samen vormden we een diagonaal tussen de twee uiterste hoeken van de ruimte. Wij zweefden boven de vloer en hadden afgesproken om het zolang mogelijk vol te houden. Het was visueel heel sterk, denk ik. Op een bepaald moment heb ik hem losgelaten. Het was een fysieke uitputtingsslag. Toen is er iets gebeurd dat we niet op voorhand hadden besproken.

K.B./D.P.: Wat?

R.P.: Het ging razendsnel. Ik lag al op de grond en hij heeft mij opnieuw vastgenomen en door de ruimte getrokken, tussen het publiek dat in de ruimte stond. Het was niet pijnlijk, maar ik had het niet verwacht en ik vond ook dat het geen visuele meerwaarde bood. Kees Mol deed zware performances. Ik had kunnen weten dat hij verder zou gaan dan iemand anders. Met Danny Devos is iets dergelijks nooit gebeurd. We maakten steeds duidelijke afspraken waaraan we ons ook hielden.

K.B./D.P.: Wat was de titel van de performance met Kees Mol?

R.P.: Masked tap of bondage.

K.B./D.P.: Was de seksuele connotatie van belang?

R.P.: Nee, het was een ruimtelijk werk. De titel was bedacht door Kees Mol. Ik had er geen zeggenschap in. Nadien heb ik nog hooguit een keer met Kees opgetreden. Zulke performances waren mijn ding niet. Ik wilde zelf controle hebben over de actie.

K.B./D.P.: Heb je nog performances gedaan met Danny Devos?

R.P.: Ja, we zijn samen naar Besançon gereisd, waar in het Centre Culturel Pierre Baille een performancefestival plaatsvond. Zoals gebruikelijk hadden we niet op voorhand beslist of we alleen of samen zouden werken, maar we praatten wel voortdurend met elkaar over wat we zouden ondernemen. Veel hing ook af van de ruimte waarin de performances plaats zouden vinden.

K.B./D.P.: Wat hebben jullie in Besançon gedaan?

R.P.: We hebben elk apart iets ondernomen. Nadat ik een prachtige grote ruimte had gezien, heb ik de beslissing genomen om een soloperformance op te zetten. Met Frans brood heb ik een grote diagonale lijn over de gehele ruimte gelegd. Ik kroop – naakt – over die lijn, terwijl ik mijn mond volpropte met brood. Op het einde heb ik een gedicht van Antonin Artaud opgezegd, met het brood in mijn mond. Ik kon bijna niet spreken.

K.B./D.P.: Waarom deed je de performance naakt?

R.P.: Het zou belachelijk zijn geweest om de actie met kleren aan te doen. Het visuele is erg belangrijk. Als je met je kleren aan op een lijn met brood kruipt, sorteer je niet hetzelfde effect. Naakt was op dat moment nog taboe, zowel in het theater als in performances. Het was een heel bewuste keuze.

K.B./D.P.: De diagonaal keert voortdurend terug in het werk dat je rond 1980 maakt, ook in de Galerie Diagonale, in de performance die je met Danny Devos had opgezet. Het is een letterlijke vertaling van de naam van de galerie.

R.P.: Lijnen en cirkels komen veel voor in mijn werk, nog steeds.

K.B./D.P.: Wat is daarvan de betekenis? Het uitschakelen van de tijd?

R.P.: Je kan het op verschillende manieren interpreteren. Met een diagonale lijn krijg je controle over de ruimte. Als je alleen met een lichaam, met een volume, iets moet uitdrukken, is een lijn in een ruimte een dankbare hulp. Het is zeker geen doel op zichzelf.

K.B./D.P.: Het is een minimale manier om een ruimte te markeren?

R.P.: Ja.

K.B./D.P.: Heb je nog werken gerealiseerd waarin de diagonaal terugkeert?

R.P.: Ja, in 1981 werd ik door het Kaaitheater gevraagd om een performance te doen in het centrum van Brussel, in of vlakbij het Cultureel Centrum De Markten. Het honorarium bedroeg 5000 frank, dat vergeet ik nooit. Ik kreeg drie immens grote zalen ter beschikking. Ik heb lang nagedacht wat ik in die onmogelijk grote ruimten kon doen. Opnieuw heb ik een diagonale lijn getrokken. Op die lijn legde ik een steen die ik al kruipend met mijn hoofd voortduwde. In de eerste ruimte stonden voorts twee jonge meisjes, tien, elf of twaalf waren ze – een dochter van Luc Deleu en een dochter van Filip Francis. Ze speelden dwarsfluit. Ik had ook een vriendin gevraagd, Yvette Van Hauwaert, met wie ik eerder performances had gedaan. Zij was acht maanden zwanger. Op haar buik werd een zwart-witfilmpje geprojecteerd van een betoging in Parijs. Tijdens het filmen had ik slaag gekregen. Het filmpje eindigde met de klop die ik had moeten incasseren.

K.B./D.P.: Wat gebeurde er in de tweede ruimte?

R.P.: De vloer van de tweede ruimte was bedekt met vuilnis. De dagen voorafgaand aan de performance had ik enorm veel vuilniszakken in de buurt verzameld – een heel directe actie. De zakken had ik leeggeschud. Het resultaat was verbluffend. De veelheid van kleuren was indrukwekkend. Het was werkelijk mooi, ook al stonk het uiteraard enorm. Op een van de muren van de tweede ruimte had ik een tekst van de Baader-Meinhofgroep aangebracht. Er waren ook weer twee kindjes – de twee kleinste dochters van Luc Deleu en Filip Francis; zes jaar waren ze, denk ik – die aan elkaar waren vastgebonden en met een klein hamertje tegen die tekst van Baader-Meinhof tikten. In de derde zaal ten slotte greep ik een spiegel vast waarop geschreven stond: ‘Ode aan Chris Burden’. Ik nam de spiegel en tilde die boven mijn hoofd. Op dat moment schoot iemand, die niet zichtbaar was voor het publiek, de spiegel kapot. In dezelfde ruimte stond er een vat met olie. Dat heb ik opengedraaid zodat de olie er uitliep. Daarna ben ik door een vensterraam naar buiten geklommen. De hele performance had een half uur geduurd.

K.B./D.P.: Hoe moeten we die verwijzing naar Chris Burden begrijpen?

R.P.: Ik was gefascineerd door zijn werk. Hij had ooit een kogel door zijn bovenarm laten jagen. Zijn performances spraken me enorm aan, maar tegelijkertijd had ik schrik om te ver te gaan.

K.B./D.P.: Die steen die je voor je uitduwt, roept het beeld op van Sisyfus. In hoeverre is de performance een vertaling van existentialistische ideeën of gevoelens?

R.P.: Het is zeker een verwijzing naar het existentialisme.

K.B./D.P.: Je wilde uiting geven aan een gevoel van weltschmerz.

R.P.: Ja, de onmacht, de absurditeit van het leven. Het fysieke was ook heel erg belangrijk. Het was een ‘harde’ performance. Dat kan ik niet ontkennen. Dat zit in mezelf.

K.B./D.P.: De performance gaat door in drie ruimten, die anders zijn ingericht. Het zijn als het ware drie scènes. Het werk lijkt veel theatraler dan de voorgaande performances.

R.P.: Ja, het was anders, de ruimte was theatraler en ik werkte niet alleen.

K.B./D.P.: Heb je ooit overwogen om te kiezen voor het theater?

R.P.: Neen, in het theater moet je een stuk of een actie telkens opnieuw opvoeren. Dat zag ik mezelf niet doen. Een performance is iets eenmaligs. Dat vind ik de kracht ervan. Ik hou er heel erg van om een moment vast te grijpen. Om die reden voel ik me ook heel goed bij fotografie.

K.B./D.P.: Beschik je nog over documentatie van de performance?

R.P.: Neen. Het Kaaitheater wilde de performance vastleggen op video, maar ik heb dat geweigerd.

K.B./D.P.: Waarom?

R.P.: Voor mij was het geheel belangrijk, niet alleen de handelingen, maar bijvoorbeeld ook de geuren en geluiden. Ik had niet toevallig voor vuilnis en olie gekozen. Het geheel – ook de ruimtelijkheid, het fysieke van het voortduwen van de steen – kon je niet op film of video registreren. Achteraf gezien is het natuurlijk jammer, want nu beschik ik enkel nog over mijn herinneringen. Er bestaan zelfs geen foto’s van de performance.

K.B./D.P.: Zijn er andere performances in 1981 die niet of nauwelijks gedocumenteerd zijn?

R.P.: Vrijwel niets is op foto of video vastgelegd. In Straatsburg bijvoorbeeld heb ik twee soloperformances gedaan. De eerste speelde zich af in een traphal. Ik heb er gedurende een paar uur gestaan met een steen. Ik ‘fluisterde’ tegen de steen: Telling a secret to a stone. Alle performances waren op de tweede en de derde verdieping. De mensen kwamen voorbij terwijl ik tegen de steen aan het praten was.

K.B./D.P.: In welke taal?

R.P.: In het Nederlands. Het waren immers geheimen… Op een bepaald moment, toen elders de laatste performance bezig was, heb ik de steen naar beneden gegooid. Het publiek stond klaar om naar boven te komen.

K.B./D.P.: Je heb de steen in de richting van de mensen gegooid?

R.P.: Ja, maar ze konden tijdig opzijgaan. De andere performance was opnieuw een fysieke uitputtingsslag. Nadat ik de steen gegooid had, ben ik in het midden van een lege kamer gaan staan en heb ik hard en vlug achter elkaar in mijn handen geklapt tot ik uitgeput was. Ik schrok ervan hoe snel dat was. Ik dacht dat ik het lang zou volhouden, maar na een half uur had ik al enorme pijn in mijn armen. Duur is altijd een belangrijk aspect geweest van mijn performances.

K.B./D.P.: Je performances verlopen steeds volgens een vooraf bedacht scenario. Ofwel is de opeenvolging van de verschillende handelingen vooraf bepaald, zoals in de performances tijdens het Kaaitheaterfestival of Jazz Bilzen, ofwel bepaalt de weerstand van je lichaam de lengte van de performance.

R.P.: Er is een bepaald scenario. Je hoeft je er echter niet strikt aan te houden – je weet ook niet precies hoelang een bepaalde handeling gaat duren. Het heeft ook veel te maken met de omstandigheden waarin je moet werken. Vaak moest de performance in een mum van tijd worden voorbereid. Je komt ergens toe en na twee of drie dagen moet je iets laten zien. Je zoekt een ruimte uit en je moet geluk hebben dat niemand anders op dat moment die ruimte wil gebruiken. In het Künstlerhaus in Hamburg bijvoorbeeld, waar ik in 1981 samen met Danny Devos was uitgenodigd, was me een opening tussen twee ruimtes opgevallen. Ik heb er een performance met een schommel gedaan. Met mijn buik op een schommel bewoog ik tussen twee ruimtes in. Ruimte en tijd speelden een heel belangrijk rol in dat soort acties.

K.B./D.P.: Vroeg je soms op voorhand informatie op over de aard van de locatie om je voor te bereiden?

R.P.: Nee. Slechts een keer heb ik dat gedaan, in functie van een performance in Almada in Portugal. Almada bleek een communistisch bolwerk te zijn geweest. Het dorp had het langst verzet geboden tegen de rechtse dictatuur.

K.B./D.P.: Wat heb je er gedaan?

R.P.: Ik heb een performance in een boom opgezet. Ik had een verhaal geschreven toen ik Lissabon had bezocht. Dat verhaal – in het Nederlands – heb ik vanuit de boom verteld. Het hele dorp kwam kijken.

K.B./D.P.: Als je dat verhaal in het Nederlands vertelde, dan begreep toch niemand er iets van?

R.P.: Neen, maar er was ook visueel werk. Ik projecteerde dia’s die ik eerder ter plekke had gemaakt en samen met het voordragen van de tekst vormde dat een geheel.

K.B./D.P.: Wie had je in Almada uitgenodigd?

R.P.: Egídio Álvaro, de drijvende kracht achter Diagonale in Parijs die eerder Danny en mij had uitgenodigd.

K.B./D.P.: Je bent eigenlijk veel met Danny Devos opgetrokken: Parijs, Antwerpen, Besançon, Hamburg…

R.P.: Danny was thuis in de performancewereld. Hij stond in contact met Kees Mol en hij kende ook Boris Nieslony, die in Hamburg het Künstlerhaus had opgericht.

K.B./D.P.: Zagen jullie je als een duo?

R.P.: Nee, ik niet. En Danny evenmin, denk ik. Het was een samenwerking. We waren twee individuen en werden apart gevraagd, maar besloten soms om iets samen in een ruimte te doen. Als je een performance samen doet, is er een intense samenwerking, maar daar hield het op.

K.B./D.P.: Dat jullie minder zijn gaan samenwerken, had dat te maken met Danny’s ontmoeting met Anne-Mie Van Kerckhoven?

R.P.: Nee, dat denk ik niet. Ik ben me op een bepaald moment meer gaan toeleggen op tentoonstellingen en minder op performances. Anne-Mie en Danny waren veel meer met muziek bezig dan ik; ze hebben Club Moral gesticht. Ik trok trouwens ook vaak op met Guillaume Bijl. In 1981 waren we samen in Parijs. In de Usine Pali-Kao in Parijs heeft hij een installatie gemaakt – een altaar met wat stoelen. Mijn eigen bijdrage was een ander paar mouwen.

K.B./D.P.: Hoe bedoel je?

R.P.: Ik wilde iets in een keldergat doen, maar ik ben een paar dagen voor de opening zelf in het gat getuimeld en naar het ziekenhuis afgevoerd. Tijdens de opening lag ik op een brancard. Ik heb de foto’s van mijn breuk laten zien.

K.B./D.P.: Je hebt van de nood een deugd gemaakt?

R.P.: Ja.

K.B./D.P.: Je neemt ook deel aan Echelle 1:1981 Schaal in Plan K in Brussel. Guillaume Bijl participeerde eveneens aan die tentoonstelling. Hij toonde de installatie Verdacht. Wat presenteerde jij?

R.P.: Ik heb een installatie gemaakt: Who shot JR? Op dat moment zond de BRT Dallas uit, een ongelofelijk populaire soap. Op het einde van het seizoen werd het hoofdpersonage, J.R. Ewing, neergeschoten – misschien wel de meest besproken cliffhanger ooit. Ik had uitgezocht wie het schot had gelost en de oplossing neergeschreven. Aan de buitenkant stond de slogan ‘Who shot JR?’, in graffitistijl, op bruin papier. Het publiek kon vervolgens in een gang lopen die ik van hout en bruin papier had gemaakt. Aan het uiteinde stond de naam van de schutter.

K.B./D.P.: Heb je dat werk gemaakt omdat je je ergerde aan het succes van Dallas?

R.P.: Nee, want ik keek er soms ook naar. Ik verbaasde me vooral over het sérieux waarmee die soap bejegend werd.

K.B./D.P.: In 1981 maak je enerzijds zeer zwaar geladen performances, zoals deze in het kader van het Kaaitheaterfestival, en anderzijds werken zoals Who shot JR? Een aantal werken sluit zeer goed op elkaar aan, maar er zijn ook…

R.P.: …interludiums. Ja, dat weet ik. Ik probeerde van alles uit. Iemand anders doet dat in de academie, maar ik deed het gewoon op het podium dat ik aangeboden kreeg. Heel veel ‘werken’ heb ik ook gerealiseerd in alternatieve kunstruimten. Toen ik ze maakte, was ik niet bezig met de conceptie van zoiets als een oeuvre. Het waren stappen die ik zette als kunstenaar. Er zijn kunstenaars die vanaf hun achttien jaar een bepaalde lijn uitzetten. Ik ben altijd zoekende geweest, ik ben dat ook nu nog. Er zit zeker een bepaalde lijn in, ik zie die wel, maar er zijn ook vreemde wendingen. Voor mij mogen die er ook zijn. Gedeeltelijk had het ook te maken met de afstand die ik nam van het performen.

K.B./D.P.: Waarom?

R.P.: Het was tamelijk intens en je hebt de neiging om altijd een stapje verder te gaan. Je gaat steeds verder, ook met je eigen lichaam. Ik had daar eigenlijk niet veel zin in.

K.B./D.P.: In de performances in Bilzen en in New York bijvoorbeeld overschrijd je zeker bepaalde grenzen. Je begint je eigen lichaam te mutileren.

R.P.: Ja, ik kreeg schrik om te ver te gaan. Veel performances hadden ook een agressieve ondertoon. Ik kon het voor mezelf niet meer waarmaken en ik had ook geen zin meer om te werken voor een livepubliek. Ik vond het niet meer nodig. Ik merkte ook dat het een klein publiek was dat voor dat werk belangstelling had. De tijdgeest was bovendien veranderd. Het was tijd om andere wegen te bewandelen. Ik wilde iets anders doen, maar wát wist ik nog niet helemaal zeker.

 

1982

K.B./D.P.: Ben je dan helemaal gestopt met performen?

R.P.: Neen, ik heb nog enkele livewerken gemaakt, onder andere in Lokaal 01 in Breda en in Montevideo in Antwerpen.

K.B./D.P.: Waaruit bestond de performance in Lokaal 01?

R.P.: On a Grey Sunday Afternoon was de titel. Ik lag naakt, gemaskerd, in een afgesloten kelderruimte. Er mocht telkens slechts één persoon binnenkomen. Daarop werd toegezien door een buitenwipper. De toeschouwer moest een trap afdalen en werd dan met mijn naakte lichaam geconfronteerd. Ik had de ruimte helemaal grijs geschilderd en er waren poppetjes die stonden te dansen. Een vrouw, een feministe, is heel kwaad geworden en heeft die poppetjes stukgemaakt. Het was voor de bezoeker een soort beproeving, omdat hij of zij alleen was met mij.

K.B./D.P.: Wat heb je in 1982 verder op artistiek vlak gedaan?

R.P.: Ik heb voornamelijk in alternatieve ruimtes tentoongesteld, in Ruimte Morguen van Marc Schepers, in Club Moral van Danny Devos en Anne-Mie Van Kerckhoven, en in Montevideo, gerund door Annie Gentils. Montevideo was heel belangrijk. Het was op dat moment een van de weinige plekken waar iets kon. Samen met Guillaume Bijl heb ik op het einde van 1982 Ruimte Z van Walter Van Rooy overgenomen. Omdat het in feite om een nieuw initiatief ging, noemden we het Ruimte Z Aksent.

K.B./D.P.: De laatste tentoonstelling in Ruimte Z waarover wij documentatie beschikken – een mailartmanifestatie van Guy Bleus – dateert van mei/juni 1980. Wat gebeurde er in de tussenliggende periode in de Lovelingstraat 56, waar Ruimte Z gevestigd was?

R.P.: Walter Van Rooy gebruikte de ruimte als atelier, geloof ik. Op een bepaald moment is hij gestopt met schilderen en kwam de ruimte vrij. We zagen een kans om het initiatief nieuw leven in te blazen.

K.B./D.P.: Welke tentoonstellingen hebben jullie geprogrammeerd?

R.P.: We hebben exposities georganiseerd van Frank F. Castelyns, Leo Steculorum, Xavier De Clippeleir en Jörgen Voordeckers. We hebben ook airbrushschilderijen getoond. We dachten dat het heel goed was, maar dat was niet het geval. Het was pure kitsch.

K.B./D.P.: Heb je zelf ook tentoongesteld in Ruimte Z’?

R.P.: Ik heb deelgenomen aan een groepstentoonstelling waaraan alle Ruimte Z’-kunstenaars participeerden. Ruimte Z’ heeft echter niet lang bestaan.

K.B./D.P.: Waarom niet?

R.P.: We betaalden de huur aan iemand die ook in het pand woonde. Hij zou de huurgelden doorstorten aan de eigenaar. Dat is blijkbaar nooit gebeurd en plots kregen we van de eigenaar een factuur. Ofwel moesten we het hele jaar opnieuw betalen, ofwel moesten we opkrassen. We hadden het geld niet en het initiatief lag op apegapen.

K.B./D.P.: Je zei dat je in 1982 ook hebt tentoongesteld in Ruimte Morguen. Wat presenteerde je daar?

R.P.: Ik had een landschap met typisch Belgische huisjes gemaakt, en een Afrikaans landschap met hutjes en kleine poppetjes. Daarnaast zette ik grote poppen neer, die in de richting van de landschappen keken. De figuren waren van ijzerdraad gemaakt. Ik heb meerdere werken met die figuren gerealiseerd. Zoals ik al zei: ik was zoekende. Ik probeerde van alles uit en was niet in het minst geïnteresseerd in een ‘oeuvre’.

K.B./D.P.: Heb je in Montevideo in 1982 ook een installatie met figuren getoond?

R.P.: Ik was dat aanvankelijk van plan, maar uiteindelijk heb ik een ander werk gemaakt. De aanleiding voor het werk was een optreden van minus Delta t, een kunstenaarscollectief bestaande uit Mike Hentz, Bogumil Gernot, Karl Dudesek en Bernhard Müller. In het kader van hun zogenaamde Bangkok-project – het vervoer per vrachtwagen van een reusachtige steen naar Indië – hielden ze halt in Antwerpen en verzorgden ze een optreden. Een week voor ze arriveerden, had ik in de Montevideo Magazijnen met grote stenen een huisje gemaakt. In het huisje zette ik een defect televisietoestel en er liepen ook scharrelkippen rond. Het stonk er. Ik wou er ook een figuur in zetten, maar het was me niet gelukt om er een te vervaardigen en uiteindelijk heb ik beslist om er zelf in plaats te nemen, tijdens het optreden van minus Delta t. De hele avond zat ik voor een kapotte TV uit te staren. Mezelf erin zetten als Ria, die performances doet, dat klopte niet. Ik heb een pruik en een zonnebril opgezet en Stella Artois gedronken. Zonder het goed en wel te beseffen had ik voor de eerste keer de madamfiguur opgevoerd: het verweesde personage dat – in latere werken – een hondenshow en paardenwedrennen bezoekt of een vernissage in een galerie bijwoont.

K.B./D.P.: Je noemde die figuur reeds in 1982 ‘madam’?

R.P.: Neen. Ik had op dat moment niet eens het vermoeden dat die figuur ‘madam’ ging worden. ‘Ze’ had ook alleen maar plaatsgenomen in het huisje omdat ik er niet in geslaagd was om een ‘pop’ in elkaar te knutselen. Ik ben er ook niet meteen mee doorgegaan. Ik ben zeer uiteenlopende werken blijven realiseren – installaties met ijzeren poppen, performances, schilderijen zelfs – vooraleer een hele reeks fotowerken met ‘madam’ te produceren. Ik was aan het zoeken, terwijl ik het met die madamfiguur in feite al gevonden had…

K.B./D.P.: De fysieke kenmerken van madam waren dezelfde?

R.P.: Er waren ook verschillen. In de Montevideo was het een marginaal persoon, die totaal in haar eigen leefwereld opgesloten zit. De latere ‘madam’ is ook eenzaam, maar ze loopt in de wereld rond. Ze neemt deel aan de massacultuur. Die ontwikkeling loopt trouwens parallel met mijn eigen leven. Zelf ben ik ook stilletjes aan meer in de maatschappij gekomen. Ik begon op een andere manier naar de wereld en de maatschappij te kijken, terwijl ik mij er vroeger altijd – zeker in mijn straatacties en performances – tegen had afgezet.

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams

 

Bij het interview verschenen een reeks korte essays over personen en plaatsen vernoemd door Ria Pacquée, alsook een chronologisch overzicht van de programmatie in Ruimte Z Aksent:

 

Annie Gentils

Laura Hanssens

Annie Gentils is galeriehoudster van de Galerie Annie Gentils in de Peter Benoitstraat te Antwerpen. Als dochter van Vic Gentils raakte ze op jonge leeftijd met de kunstwereld vertrouwd. De actieve rol van haar vader als stichtend lid van de kunstenaarsgroep G58 in het Hessenhuis en de begeesterende sfeer van de jaren 60 vormden een rijke voedingsbodem voor haar artistieke visie.

Na in Gent haar studies Kunstgeschiedenis en Archeologie van het Oude Nabije Oosten te hebben voltooid, koos ze resoluut voor hedendaagse kunst. Eind 1978 werd ze aangesteld als cultuurfunctionaris bij de Warande in Turnhout. Een van haar eerste tentoonstellingen was een groepstentoonstelling met Luc Deleu, Filip Francis en Wout Vercammen. Aan de hand van bestaand, maar ook specifiek voor de Warande gecreëerd werk, stelden deze kunstenaars het absolute van de begrippen tijd en ruimte in vraag. Ze onderlijnden op soms ludieke wijze de veranderlijkheid en relativiteit van de dagelijkse werkelijkheid. Naast twee legoconstructies en een Voorstel tot afschaffing van de wet van 1939 exposeerde Deleu ook zijn Kapot museum voor kapotte kunst: genummerde betonnen brokstukken van een uit 1904 daterend waterwinningsgebouw uit Turnhout dat tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling was gesloopt. Filip Francis toonde onder meer zijn schilderijen Ontbreken van punaises en Tumbling Woodblocks. En Wout Vercammen creëerde een ruimtelijke sculptuur met één kilometer draad en spande zowel in de exporuimte als op het grasveld buiten enorme zeildoeken. [1] Hoewel de kunstenaars niet aan hun proefstuk toe waren, veroorzaakte de drie weken durende tentoonstelling een grote controverse binnen het katholieke en conservatieve Turnhout. Ondanks vele positieve reacties – De Morgen schreef: ‘Applaus voor een Kultureel Centrum dat zichzelf laat relativeren’ – viel de expositie bij het gemeentebestuur niet in goede aarde. [2] Annie Gentils werd ter verantwoording geroepen en het kwam zelfs tot een stemming over haar mogelijk ontslag – die op een ex aequo uitliep.

In 1980 organiseerde Gentils voor de Warande exposities als Kunst tegen werkloosheid van Daniël Dewaele, Landschapsinterpretaties in samenwerking met het Cultureel Centrum Tilburg, en samen met het ICC een dubbeltentoonstelling van de Japanse kunstenaar Keiji Uematsu. Na de voorbereidingen te hebben getroffen voor de tentoonstelling van Guillaume Bijl, die in de Warande zou plaatsvinden tijdens de lente van 1980, maakte Annie Gentils de overstap naar het ICC.

De eerste tentoonstelling waaraan Gentils in het ICC meewerkte, was de groepstentoonstelling 1980 – Jonge Belgische Kunst. Deze expositie vormde een vervolg op de tentoonstelling Aspecten van de Actuele Kunst in België, die het ICC in 1974 organiseerde. Ze toonde het werk van 21 jonge Belgische kunstenaars. Net als zijn voorganger had ook 1980 als doelstelling een overzicht te geven van de nieuwe generatie Belgische kunstenaars, zoals Guillaume Bijl, Johan Dehollander, Jan Vercruysse, Ria Pacquée en Philippe Van Snick. Daarna was Gentils medeorganisator van tentoonstellingen als Hole-ography van Dominique Stroobant en Terrence Dinnan, Equilibrium van de Zuid-Afrikaan Michael Gitlin, The Museum of Museums van Johan van Geluwe, Isomopolis van George Smits en de tentoonstelling Naar en in het landschap in de Belgische kunst van het begin van de 19de eeuw tot heden. Hoewel Annie Gentils in het ICC meer vrijheid genoot dan bij de Warande en er op financieel vlak meer mogelijkheden waren, koesterde ze ambitieuzere toekomstplannen. Samen met Florent Bex verliet Gentils het ICC in 1981.

Ze was zich inmiddels steeds meer bewust geraakt van de prangende nood aan ondersteuning en expositieruimte voor jonge Belgische kunstenaars, een probleem waar noch de musea noch de galeries zich mee bezig hielden. Overtuigd door haar vader en haar goede vriendin Anne-Mie Van Kerckhoven opende ze in 1981 samen met haar toenmalige vriend Stan Peers aan de Antwerpse haven de tentoonstellingsruimte Montevideo. De administratie werd gehuisvest in hun woning in de Albertstraat.

Montevideo, gelegen aan het Kattendijkdok, was een in 1895 gebouwd havenmagazijn van de Zuid-Amerikalijn dat sinds de jaren 50 leegstond. De 2000m2 grote opslagplaats, opgetrokken uit staal met grote houten wanden en een kasseien vloer, werd door Gentils en Peers van de stad Antwerpen gehuurd voor de luttele som van 2000 BEF per jaar. [3]

De doelstelling van de vzw Montevideo was een trefpunt te creëren voor de nationale en internationale avant-garde; een dynamisch centrum waar kunstenaars konden exposeren ‘zonder allerlei selectienormen te moeten doorploeteren’. Gentils en Peers wilden zich met Montevideo helemaal niet afzetten tegen musea of galeries, het behoorde juist tot hun betrachting om ‘een poel te vormen waaruit instellingen kunnen putten’. [4] Naast tentoonstellingen wilden ze eveneens performances, modeshows, concerten, dans, theater en film brengen.

Op 6 juni 1981 werd het startschot gegeven met de geluid- en lichtinstallatie Beam Space van Luc Steels. Enkele maanden later, in de winter van 1981, vond de indrukwekkende tentoonstelling Schaal en Perspectief van Luc Deleu plaats, waarbij een platgelegde hefkraan de ruimtelijke dialoog aanging met het specifieke architecturale karakter van de Montevideoruimte. Als uitnodiging voor de tentoonstelling spoten Peers en Gentils rode hefkranen als graffiti op Antwerpse gevels.

In 1982 organiseerde Montevideo een tiental activiteiten waaronder Lightning Strikes, een muziekavond met het experimentele platenlabel Les Disques Du Crépuscule, en de projectie van de film Subway Riders van de New Yorkse cineast Amos Poe. De theatergroep AKT bracht Ziektekiemen, de succesvolle tweede productie van Ivo van Hove [5], en Minus Delta t presenteerde zijn project Bangkok Europa ‘1982’. Ria Pacquée en Claude Yande [6] hielden performances.

Hoewel de rijk gevulde kalender van 1982 Montevideo op de internationale kaart plaatste, eiste het hoge ritme tevens zijn tol. De onverwarmde ruimte was ijskoud en te omvangrijk voor de twee initiatiefnemers, die naast alle activiteiten eveneens de uitnodigingen en publicaties verzorgden. Bovendien werden de activiteiten van Montevideo nagenoeg gratis georganiseerd; van overheidssteun was nauwelijks sprake. Of zoals Gentils het in 1983 stelde: ‘Het organiseren van een tentoonstelling is meer een zoektocht naar geld, dan een zich verdiepen in de materie van de tentoonstelling.‘ [7] Daarom besloot men het jaarlijkse aanbod te beperken tot een lente- en een zomerexpositie, die zich tevens meer zouden richten op plastische kunsten.

Op 13 april 1983 vond in Montevideo de opening plaats van de eerste groepstentoonstelling Marchandise, 5 millions de tonnes de marchandises livrées chaque année, met werk van een zestigtal Antwerpse kunstenaars zoals Guillaume Bijl, Luk Van Soom, Anne-Mie Van Kerckhoven, Ria Pacquée, Luc Deleu, Guy Rombouts en Liliane Vertessen. De titel van de expositie kwam van Stan Peers; hij ontleende hem aan een oude reclameaffiche uit de jaren 30. Het was een kritische zinspeling op het heersende filosofische debat over de commercialisering van kunst. Met Marchandise wilden Gentils en Peers Antwerpse kunstenaars met een expositieruimte ruggensteun bieden. Tijdens de opening vond bovendien een live-uitzending plaats van het BRT-programma IJsbreker, waarvoor Annie Gentils samen met Patrick Verelst en Paul De Vylder deelnam aan een debat met gesprekspartners in Brussel en Amsterdam. Onderwerp was de beeldende kunst en het haar omringende circuit. [8]

De volgende expositie, Diagonale, toonde werk van een veertigtal jonge internationale beeldende kunstenaars. Na zich in de vroege jaren 80 te hebben bevrijd van het juk van het minimalisme en de conceptuele kunst, herleefde niet enkel de schilderkunst, maar begonnen kunstenaars ook opnieuw ruimtelijk werk te maken. Figuratie, kleur, emotie en symboliek werden opnieuw mogelijk. Diagonale wilde een dwarsdoorsnede geven van wat er leefde in de kunstwereld en vormde een aanvulling of doorkruising – vandaar de titel – van de gelijktijdig lopende 17de Biënnale in het Antwerpse beeldenpark Middelheim. Tot de kunstenaars die aan Diagonale deelnamen, behoorden onder anderen Philippe Van Snick, Kate Blacker, Wout Vercammen, Henk Visch, Michael Kramer, Alexandre Gherban, Keiji Uematsu en Bernd Lohaus. Elke kunstenaar werd gevraagd ter plaatse werk te maken, waarbij de architecturale eigenheid van de oude Montevideohavenloods het vertrekpunt vormde. Guy Rombouts polijstte kasseien van de vloer tot het woord UNI, Niek Kemps groef voor zijn werk Résurrection, the Kiss of Life vijf kuilen en Olaf Metzel beitelde met Across Montevideo kronkelende figuren uit een bakstenen muur die hij opvulde met cement en beschilderde. [9] De uitgestrektheid van Montevideo gaf de kunstenaars een zeldzame ruimtelijke vrijheid, wat leidde tot monumentaal werk van ondermeer Horst Glasker en Wolfgang Luÿ.

In 1984 organiseerden Gentils en Peers in Montevideo De eerste Chauvenistische – la première Chauveniste. Tot de zestien hoofdzakelijk Belgische kunstenaars behoorden onder anderen Michel François, Claude Yande, Ann Veronica Janssens, Leo Copers, Bruneau, Monica Droste en Wout Vercammen. Zoals de titel en affiche, waarop België prijkt als een witte vlek in Europa, laten verstaan, pleitte deze tentoonstelling voor een opwaardering van Belgische kunst, zowel in eigen land als in het buitenland. [10]

De laatste tentoonstelling die in Montevideo plaatsvond droeg de titel Torens van Babel. Het concept van de expositie, hoogmoed en nederigheid in de beeldende kunst, was afkomstig van Vic Gentils. Voor de kleine, intimistische expositie nodigden Gentils en Peers uit zes verschillende landen een kunstenaar uit om te werken rond dit universele thema. De megalomane architectuur van de loods vormde op zich een toren van Babel waarmee de deelnemende kunstenaars Luc Deleu, Shirazeh Houshiary, Mario Merz, Pere Noguera, Jacques Vieille en Henk Visch geconfronteerd werden. Dit leidde tot enkele bijzondere ruimtelijke interventies. Voor A Labour of Love for Montevideo bedekte Henk Visch een twaalf meter lange zijwand van het magazijn met zwart fluweel, waarop in het midden een witte rechthoek werd aangebracht. Ook Luc Deleu bracht met Containers in Bulk, zeven schijnbaar lukraak gestapelde rode containers, een overweldigende ruimtelijke impressie. [11]

Ofschoon Montevideo in 1984 was uitgegroeid tot een internationaal gerenommeerde tentoonstellingsruimte, werd het project financieel steeds moeilijker draagbaar. Van de overheid uit was er nog steeds nauwelijks financiële steun. Toen Gentils en Peers eind 1984 hun relatie beëindigden, werden ook de deuren van Montevideo voorgoed gesloten.

In het daaropvolgende jaar groeide bij Annie Gentils het idee een eigen galerie te openen. De internationale avant-garde zou er aan bod komen, maar net als Montevideo zou ze zich voornamelijk toeleggen op het ondersteunen en lanceren van jonge Belgische kunstenaars. In de wintermaanden van 1985 kocht Annie Gentils een ruim, oud herenhuis in de Antwerpse Peter Benoitstraat dat ze renoveerde en omvormde tot Galerie Montevideo. Op 10 mei 1986 opende er de eerste tentoonstelling, Sculpturen en Concepten, van Leo Copers. In de daaropvolgende zes jaar exposeerden er kunstenaars als Luc Deleu, Leo Copers, Philip Huyghe, Ria Pacquée, Gerard Polhuis, Filip Francis, Jacques Vieille en Eddy De Vos.

In 1992 sloot Annie Gentils als kersverse moeder haar galerie voor enkele jaren, om in 1998 de deuren te openen van Galerie Annie Gentils. Ditmaal legt Gentils zich toe op een nieuwe generatie kunstenaars, met namen als Els Vanden Meersch, Kris Vleeschouwer, Charlotte Schleiffert, Filip Vervaet, Guy Van Bossche, Ruben Kindermans, Dirk Zoete en Kathe Burkhart. Zopas liep er de tentoonstelling Schlechte Hausfrau van de Duitse kunstenares Bianca Voss.

Noten

1 Luc Deleu, Filip Francis, Wout Vercammen (Cultuur- en ontmoetingscentrum de Warande, Turnhout, 16 december 1978 – 7 januari 1979), catalogus, Turnhout, 1979, pp. 1-5.

2 Jack Van Gils, Zwevend met de voeten op de grond, in De Morgen, 29 december 1978.

3 Diagonale (Montevideo, Antwerpen, 11 juni – 25 september 1983), catalogus, Antwerpen, 1983, p. 3.

4 Annie Gentils, Montevideo, in Fase 2, maart 1983, z.p.

5 Ingrid Vander Veken, AKT met Ziektekiemen in Montevideo. Een strijd tussen geweld en kwetsbaarheid, in De Nieuwe Gazet, 24 maart 1982.

6 Marc Ruyters, Performance van Groep Minus Delta t. Een steen reist naar Bangkok, in De Morgen, 27 mei 1982.

7 Gentils, op. cit. (noot 4).

8 Marchandise (Montevideo, Antwerpen, 13 april – 24 mei 1983), catalogus, Antwerpen, 1983.

9 Diagonale, op. cit. (noot 3), pp. 3-4.

10 De eerste Chauvenistische, la première Chauveniste (Montevideo, Antwerpen, 7 april – 20 mei 1984), catalogus, Antwerpen, 1984.

11 Torens van Babel (Montevideo, Antwerpen, 12 juni – 25 september 1984), Antwerpen, 1984, p. 3.

 

New Reform: performances, happenings en acties 1970-1979

Thomas Crombez

De in Aalst gesitueerde New Reform Gallery werd opgericht door Roger D’Hondt in 1970. Ze zou in dat decennium een van de weinige kunstencentra in België zijn die plaats boden aan performancekunst. D’Hondt kon zijn centrum, allicht een juistere aanduiding dan galerie, vanaf juli 1971 onderbrengen in de kelders van een groot burgerhuis in de toenmalige Schoolstraat (nu Bert van Hoorickstraat). Daar, maar ook op andere locaties, zou het centrum tot aan zijn opheffing in 1979 talrijke performances van binnen- en buitenlandse kunstenaars organiseren. D’Hondt gaf ook blijk van een levendige belangstelling voor conceptuele kunst, mail art en installaties. Zijn ‘antigalerie’ was wars van commerciële interesses. Door bewust te kiezen voor strooibiljetten en gestencilde krantjes, in plaats van gedrukte uitnodigingen en dure catalogi, wou hij het alternatieve statuut ervan in de verf zetten (‘elke traditionele figuratie zal worden geweerd’) en een zo divers mogelijk publiek naar de New Reformevenementen lokken.

‘Een kunstwerk moet mensen in beweging brengen. Kunst is schoonheid, maar kunst moet ook innerlijk kunnen overtuigen. En kunst moet een shock genereren, moet mensen overtuigingen geven, doen nadenken en doen spreken: wat gebeurt er nu? Wat is er? Waarom is dat kunst? Waarom is dat geen kunst? Als je dat niet hebt, dan weet ik niet goed waar een mens zich wel mee bezig moet houden… Als kunst te esthetisch wordt, heb ik daar altijd mijn twijfels bij.’ (Roger D’Hondt)

Hieronder volgt een chronologische, maar niet exhaustieve lijst van performances en happenings georganiseerd door New Reform. Ze vonden plaats in de galerieruimte van New Reform te Aalst of op andere plekken in de stad. Daarnaast werden evenementen ingericht op de campus van de Universitaire Instelling Antwerpen (Wilrijk), in het ICC (Internationaal Cultureel Centrum) op de Antwerpse Meir, de Zwarte Zaal van PROKA in de Academie van Gent, de Brusselse Beursschouwburg, de avondacademie RHoK te Brussel en Celbeton Dendermonde (Jungle Art Jungle), maar ook in het buitenland, in het Stadsarchief van Kassel en op de Kunstmarkt van Düsseldorf.

1971-08-22Tijdens de Aktie Riooldeksels van Werner Kausch werd het publiek uitgenodigd om mee afdrukken te maken van riooldeksels in Aalst.

1972-03-18Melk in Melk, een ‘Tautologische Aktie’ van Dieter Reich. Op een plastic zeil vormde Reich met melkblikjes het woord ‘melk’, maakte ze vervolgens open en liet de melk in de melk lopen.

1972-06-03Shadows. In het café van de populaire wielrenner Vic Neulandt te Nieuwerkerken (bij Aalst) werden kunstwerken en documenten uit de New Reformcollectie getoond. Op het dorpsplein gaven de organisatoren gehoor aan de oproep van de Japanse kunstenaar Mieko Schiomie om schaduwen te schilderen. Overal in de wereld en op hetzelfde tijdstip werd deze wens volbracht. De plaatselijke culturele vereniging maakte het initiatief van huis tot huis bekend.

1973-02-20Typerend voor de mysterieuze figuur van Jean-Marie Schwind was de anonieme actie die hij hield in kunstencentrum New Reform. Roger D’Hondt ontdekte een fotografische weergave ervan in het tijdschrift van galerie Perfamo te Wroclaw.

1973-06-16Bij de verhuis van New Reform naar een nieuwe ruimte werd Luc Steels uitgenodigd om als afscheidsmanifestatie Event-structures te organiseren. Hij gaf aan alle aanwezigen een kaartje met instructies zoals ‘Omvat iedereen die u tegenkomt bij de armen, zeg daarbij enkele vrolijkheden zoals: Hoera, uw aanwezigheid is voor mij een blijde verrassing’. Na het evenement werd aan het publiek krijt uitgedeeld om de maagdelijk witte muren van de galerie te bekladden.

1974-05-20Voor zijn actie Artistieke gezondheidszorg, georganiseerd door New Reform op de campus van de Universitaire Instelling Antwerpen te Wilrijk (UIA), nodigde Hervé Fischer Belgische kunstenaars uit om hem kunstwerken te brengen, die hij vervolgens zou verscheuren en deponeren in ‘hygiënische plastic zakken’.

1974-11-09Performance Projekt door de performancegroep Dr. Buttock’s Players Pool (opgericht door Luc Steels) met medewerking van Mark Verrekt, Ria Pacquée, Paul Geladi, Luc Mishalle, Marc Holthof, William Flips en Hugo Roelandt. Er werden muzikale acts gebracht en William Flips liep door het publiek in een kostuum dat een flipperkast voorstelde, het publiek uitnodigend om een spelletje flipper te spelen. Hugo Roelandt plaatste een model voor een witte achtergrond en begon gekleurde horizontale strepen te schilderen, zodat het lichaam in het schilderij werd opgenomen.

‘Omdat het een eerste begin was, wilde ik alles wat normaal als bestaand aanvaard wordt wegbannen, om echt opnieuw te beginnen. Daarom heb ik geprobeerd een persoon […] in de muur te schilderen: ik heb die persoon gewoon voor een muur gezet en met verf/kleurstof geprobeerd hem en de muur één te maken zodat hij verdween, omdat alles — vooral wat het denken betreft — zogezegd van de mens uit gebeurt. En als je dus een mens wegschildert, schilder je eigenlijk het elementaire weg.’ (Hugo Roelandt)

‘Ria Pacquée zat tijdens die avond in een hoekje en ze at gekookte spaghettidraden. Ze liet die spaghetti uit haar mond komen en at ze dan weer op, als commentaar op de hongertoestanden in de derde wereld. Maar dat ritueel ging zo een uurtje verder, of een uurtje of twee, dat weet ik niet meer zo goed. Dat vond ik zelf zeer hard, zelfs al waren dat elementen die mensen uit een artistiek milieu al min of meer gewoon waren. […] Maar diezelfde avond […], in een ruimte waar de afstand tussen publiek en performers bijna onbestaande was, maakte de kunstenaar Mark Verrekt plots aanstalten om enkele kippen in brand te steken. Toen hebben de mensen uit het publiek gereageerd en de performance stilgelegd. Dat voorval heeft voor hoogoplopende discussies gezorgd…’ (Roger D’Hondt)

1974-11-02 tot 1974-11-24Fotowerken. Eerste solotentoonstelling door Hugo Roelandt met foto’s uit het Antwerpse travestiemilieu en zelfportretten waarop hij zichzelf in verschillende gedaantes presenteerde.

1975-02-15Openingsperformance van de tentoonstelling De Explosie van de Media: Expositie in het Museum van de Informatie door Genesis P-Orridge en Cosey Fanni Tutti van de Britse performancegroep COUM Transmissions (een van de eerste groepen gesubsidieerd door de Britse Art Council; later transformeerde de groep zich tot de postpunkband Throbbing Gristle). Er werd geen woord gesproken. De kunstenaars verplaatsten voorwerpen in de ruimte om een toestand van desorganisatie tot stand te brengen, hun ‘nietzscheaanse’ visie indachtig dat kunst een sjamanistische dimensie moest oproepen, die ook tot zelfdestructieve en sadistische uitwassen leiden kon. ‘Affirmation of existence is art. All is contradiction, to understand is to lie.’ (COUM)

1975-04Mistero Buffo, een mixed-mediaproject/happening in New Reform (groep uit Lissabon).

1975-05-03 Nacht van de avant-garde, met performances door Tony Costa, Janet Goddart, Hervé Fischer, Fred Forrest en Jean-Paul Thenot.

1975-10Tijdens zijn Camera Event in New Reform vroeg Nikolaus Urban de fotocamera van een toeschouwer. Hij spoelde het apparaat in een emmer water met wasproduct en gooide het nadien tegen de grond te pletter.

1975-10-23 Uitvoering van Music with Changing Parts (bandopname) door het Philip Glass Ensemble.

1976-01-16 tot 1976-01-30Esthetisch Ideaal door Hugo Roelandt op de tentoonstelling Theorie, informatie en praktijk in de Academie voor Schone Kunsten (PROKA) te Gent. De installatie bestond uit 16 grote naaktfoto’s waarop voor- en achterzijde van 8 figuren werden afgebeeld. Tegelijk werd een enquêteformulier verspreid waarmee de kunstenaar wou peilen naar ‘het aktuele estetische menselijk-lichaamsideaal’. De bezoekers konden op een robottekening de lichaamsdelen vormgeven volgens hun ideaal. Roelandt wou aantonen dat het ideale lichaam van Michelangelo voorbijgestreefd was, en op basis van de respons van de toeschouwers een nieuw ideaal creëren. Tijdens de openingsperformance werden vijf menselijke figuren in een situatie geplaatst die leek op een figurengroep van Michelangelo.

1976-02-05Kzrysztof Zarebski realiseerde samen met LOGOS de performance-happening Sound Spot. In de hoop om de kunst dichter bij de mens te brengen en een spontane creatieve energie los te maken, herschiep hij consumptie- en wegwerpartikelen tot een desolaat landschap.

1976-10-16In samenwerking met Joris De Laet, Paul Geladi en Luc Steels creëerde Hugo Roelandt A Performance by (opgevoerd in Aalst, Antwerpen en Düsseldorf). De composities werden in real time verwezenlijkt met behulp van synthesizers, elektronische mixers en invloeden van externe geluiden. Opnieuw toonde Roelandt naakte modellen. Tegen een witte achtergrond werden ze in doorzichtige plastiek gewikkeld en vastgebonden, al dan niet aan een stoel. Hun monden werden afgekleefd. Roelandt herinnert zich het volgende over de performance in Düsseldorf: ‘Oh ja, toen zat Beuys in ons voorprogramma. (lacht) Diezelfde performance heb ik dat jaar ook in New Reform en de spiegelzaal van het ICC gedaan. Dat was met mensen van ‘De Kiek’ en Geladi en Steels van het UIA. Ik werkte er met licht, zowel daglicht als kunstlicht, en maakte er een berg met piepschuim. Ik had Duitse vlaggetjes bij die ik uitdeelde aan het publiek, refererend aan het planten van vlaggen na het veroveren van een bergtop. Er was veel volk want Beuys had net ‘opgetreden’, maar de mensen reageerden onthutst op die vlaggetjes, waarschijnlijk omwille van het oorlogsverleden van Duitsland.’

1976-11-20Aktie Reproduktie in het Aalsterse bedrijf Free Dress, georganiseerd door de Spaanse mediakunstenaar Antonio Muntadas, met medewerking van Miel Luyckx, Mon Van Der Biest, Paul Gees, Roger D’Hondt, Hugo Roelandt, Rudolf Verbesselt, Chiel, Narcisse Tordoir en Jan Janssen. ‘s Nachts, in volkomen duisternis, maakte de kunstenaar fotokopieën van de eerste pagina van New Reform Nieuws nr. 31 en van flarden uit dagbladen. De stukken werden in 10 exemplaren aan elkaar geniet. De performance refereerde zo aan de moeizame verspreiding van informatie in de Zuid-Amerikaanse dictaturen of onder het Francoregime.

1977-04-02 De Vier Seizoenen, groepsperformance ingericht door Hugo Roelandt samen met Jan Janssen, Narcisse Tordoir en Anne-Mie Van Kerckhoven. De actie vertrok van de vraag of het mogelijk was de jaargetijden op een kunstmatige wijze te beïnvloeden. In welke mate kan een kunstenaar de natuurelementen dirigeren? De herfst werd gecreëerd door Anne-Mie Van Kerckhoven, de zomer door Narcisse Tordoir, de lente door Jan Janssen en de winter was een coöperatie van deze drie. Hugo Roelandt nam het algemene concept voor zijn rekening. Achteraf verklaarde Roelandt: ‘Ik had op dat ogenblik een enorme hekel aan alles wat natuur was. […] Ik wou dus die natuur vervangen. Ik heb geprobeerd om het zelf te laten regenen, te laten misten… en dat ging wel. Maar die zon hé, dat lukte niet. Dat was te duur.’ Narcisse Tordoir herinnerde zich over het gebeuren: ‘Er moest regen gemaakt worden, dat was vooral ‘den dada’ van Hugo. Hij had een systeem gemaakt met plastic buizen met gaatjes in, en daar werd dan water doorgepompt dat naar alle kanten spoot. En onder die ‘regen’ deden wij dan van alles. Ik heb een zwarte stoel wit geschilderd en met die regen liep de verf er altijd terug af… Er lagen ook mensen op de grond en daar schilderde ik silhouetten rond, maar ook die vervaagden door het water. Achteraf maakten we met de attributen van de performance een installatie.’

1977-05-05 tot 1977-05-28Ontwerpen Voor Uitvoering. Performancekunstenaars uit binnen- en buitenland traden op in de Brusselse Academie RHoK, onder wie Paul Gees, Anna Banana, Wolf Kahlen, Horacio Zabala, Reindeer Werk, Hugo Roelandt, Narcisse Tordoir, Jan Janssen, Paul Geladi en Luc Steels. Thom Puckey en Dirk Larsen (Reindeer Werk) brachten in het kader van hun behaviour art een performance waarbij ze ongewoon gedrag aannamen, rituelen gebruikten en de houdingen van motorisch gestoorden nabootsten.

‘Reindeer Werk creëerde een vreemde toestand te midden van een traditioneel publiek. De mentaliteitsproblemen die zo karakteristiek zijn voor deze maatschappij werden vertaald in een plastische uitdrukkingswijze. Een groot deel van het publiek ervoer dit als een belediging hoewel de gestelde problematiek een parallel trok met een bestaande toestand. Het onderkennen van deze waarden was voor Reindeer Werk de reden van bestaan.’ (New Reform Retrospectief 1970-1979)

Anna Banana toonde haar verzameling objecten die allemaal met de vrucht in haar naam te maken hadden. Horacio Zabala legde getuigenis af van de repressie in de Latijns-Amerikaanse landen met een reeks plantekeningen van ondergrondse schuiloorden. Hugo Roelandt bracht er samen met Narcisse Tordoir, Anne-Mie Van Kerckhoven en Jan Janssen zijn project De Vier Seizoenen (zie boven).

1977-05-14Questions. Tijdens deze straatactie in Aalst deelde de groep CEAC (Centre for Experimental Arts and Communication uit Toronto, Canada) pamfletten uit met vragen aan de bevolking. De gedragingen van de mensen en hun reacties op onverwachte gebeurtenissen waren het onderwerp van hun onderzoek. Zo waren er vragen als ‘Zal er in de toekomst een gedrag zijn zonder opinie?’

1978-03-24Creatie van een stuk. De kleine ruimte van de New Reform Gallery werd bekleed met een zwarte plastiek. Daarbinnen plaatste Hugo Roelandt drie sterk gebundelde lichtstralen. Deze werden gericht naar op de grond liggende muzikanten. Het publiek moest door de lichtbundels lopen. De muzikanten speelden twee bestaande muziekstukken en één vrije improvisatie, telkens met een duur van zeven minuten. De muziek stopte elke keer dat een toeschouwer voor een lichtbundel liep. Het publiek besliste dus over het verloop van de opvoering. Na afloop van de performance bleef de bekleding van de ruimte en de lichtopstelling bewaard als een installatie, onder de titel Installatie van een ruimte.

In juli 1978 werd de performance herhaald op het UIA Performance Festival te Wilrijk, en in november bracht Roelandt een variant op het Performance Art Festival in de Beursschouwburg (gecureerd door Roger D’Hondt). De aankondiging luidde: ‘als u precies doet wat wij zeggen (of niet zo precies) dan maakt u zelf het stuk’. Acht muzikanten werden met behulp van een katrol in de lucht gehesen, elk door een lichtstraal beschenen. Het publiek kreeg bij aanvang enkele instructies. Wanneer een lichtstraal doorbroken werd door een toeschouwer, begon de muzikant te spelen. Wanneer de spot weer op hem scheen, stopte hij met spelen. De performance werd afgesloten toen een van de muzikanten zijn instrument met een knal naar beneden gooide, gevolgd door een explosie van licht.

1978-04-14 Performance door Maio Wassenberg in New Reform. Tijdens de performance ‘opereerde’ Wassenberg een door schimmel aangevreten tafel.

1978-05-03Baudouin Oosterlinck bracht Ceci n’est pas une performance. Kunstwerken in de galerie werden afgedekt met purperen doeken. De ruimte werd gevuld met muziek.

1978-05-13Installatie/performance van Allessandro in New Reform.

1978-06-16Installatie/performance door Daniël Dewaele.

1978-09Happening Grüne Hirsch’afer met Dadhanova Hamburg in New Reform

1978-10-02 tot 1978-10-15 Performance Art Festival 1978 in de Brusselse Beursschouwburg, gecureerd door Roger D’Hondt. Tientallen kunstenaars uit het theater, de videokunst en de beeldende kunst toonden liveperformances en documentatie van eerder uitgevoerd werk. De deelnemers omvatten zowel Belgische kunstenaars (Paul Gees, Maio Wassenberg, Lena Halflants, Vincent Halflants, Hugo Roelandt, Michel Laub en Maniac Productions) als kunstenaars uit het buitenland. Zo onder meer Audio Arts (Londen), Marc Camille Chaimowicz (Londen), Buky Grinberg (Amsterdam), Keiji Uematsu (Japan), Anna Banana & Bill Gaglione (San Francisco), Katharina Sieverding & Klaus Mettig (Düsseldorf), Tina Keane (Londen), Norma Jean Deak (La Jolla, USA), Boegel & Holtappels (Nederland) en Missing Associates (Toronto). In de documentaire tentoonstelling is werk opgenomen van Abramović & Ulay, Vito Acconci, Laurie Anderson, Ben d’Armagnac, Chris Burden, Jacques Charlier, Dan Graham en vele anderen.

1978-10-25Lobach Hinweiser bracht in New Reform een Tafeltennisaktie voor bewuste beleving.

1978-11Live situations in New Reform door 26 kunstenaars uit Europa, met onder meer Ubbeboda Groep uit Zweden en Yoshio Nakajima.

1979-01-06 tot 1979-01-15New Reform Gallery sloot zijn deuren met de manifestatie 28 zelfportretten, zoveel keer herhaald tot de muren van New Reform kunnen behangen worden door Vincent Halflants. De volledige ruimte werd behangen met fotokopieën van het portret van de kunstenaar. Toen hij vaststelde dat er onvoldoende kopieën voorhanden waren, tekende hij het portret verder op het plafond.

Bronnen

• Virginie Devillez, De New Reform Gallery en de performance in België: een context, 2006. http://www.netwerk-art.be/nl/data/texts/14

• Nele De Sloover, Oost-Europese performance in New Reform, Paper, Universiteit Antwerpen, 2008.

• Guy Van Deuren, Botsingen: Happenings, events en performances in Vlaanderen, 1963-1982, Thesis, Universiteit Antwerpen, 2002.

• Roger D’Hondt, New Reform Retrospectief 1970-1979, Gent, Goff, 1988.

• Barbora Klimova en Netwerk, Mei ’68 en het Oostblok: een interview met Roger D’Hondt. Netwerk/centrum voor hedendaagse kunst, Jaaroverzicht 2006, Aalst, Netwerk, 2006.

 

Ludo Mich: ondergrondse kunstenaar en holoïst

Robrecht Vanderbeeken

Bij gesprekken over kunst in Antwerpen tijdens de jaren 80 duikt de naam Ludo Mich geregeld op. Reeds van begin jaren 60 werkte hij aan een oeuvre van performances en experimentele films met een vaak futurologische inslag.

Ludovicus Michielsen, zo klinkt zijn officiële naam, werd geboren in 1945. Zijn curriculum vitae vermeldt: ‘genre: painter, sculptor, performer, poet, choreographer, film- and videomaker, animator, holographer and musician. Lives and works in Antwerp, Belgium’. Mich cureerde bovendien tentoonstellingen, gaf lezingen, organiseerde filmfestivals en maakte documentaires. In zijn visie vormt het oeuvre van een kunstenaar bij voorkeur een ‘totaalgebeurtenis’, een holistisch geheel van experimenten. Dit idee maakt van hem, zo stelt hij, een underground-kunstenaar.

Na zijn secundaire kunstopleiding aan het stedelijk instituut voor sierkunst en ambachten in de Cadixstraat (1957-1960) volgde Mich de graduaatopleiding schilderkunst aan de Academie van Antwerpen (1961-1964). In 1963 startte hij als assistent bij de schilder Floris Jespers (1889-1965) en bij de beeldhouwer Vic Gentils, en hij leerde zo de leden van G58 kennen. Al vanaf 1962 nam Mich deel aan groepstentoonstellingen in ‘t Pannenhuis (met o.a. Fred Bervoets en Wout Vercammen) en in de galerie Fenestra in Leuven. Mich experimenteerde toen ook met 16mm-film en organiseerde projecties in kunstcafé De Muze of op gevels in de publieke ruimte tijdens straatperformances. In 1967 volgde de performance Mich Elentriek. Mich liet zich gehuld in een zilveren pak met 36 fietslampjes door Pol Bervoets in een bakfiets de stad rondrijden. Zijn bewegingen lieten lichtbanen achter op foto- en filmregistraties. Helemaal in de geest van Fluxus bood hij in datzelfde jaar via posters met het opschrift ‘Te Huur Ludo Mich’ zijn diensten ‘als kunstwerk’ aan: het vuil buiten zetten, een feestje doen lukken of mislukken, seks, of de hond uitlaten. In die periode brak zijn toenmalige vrouw Ann Salens als modeontwerpster door. Mich creëerde films en performances voor haar controversiële spektakelmodeshows in Antwerpen, Düsseldorf, Brussel en Parijs.

Om het efemere karakter van zijn performances te ondervangen hield hij scriptboekjes bij waarin een performance beweging per beweging werd uitgetekend. Hij gebruikte ook 16mm- en super 8-film om de happenings te documenteren. Hanteerde hij het medium film aanvankelijk louter om te archiveren, wat later kwam het in zijn werk centraal te staan. Naast tal van performances in de jaren 70, bracht hij films uit als Deus Ex Machina (1969), Arthur is Fantastic (1970) en My Tailor is Rich (1971). In 1971 toonde hij tevens de eerste versie van Saturnus, tijdens het Experimentele Ludo Mich festival in galerie de Zwarte Panter. Dit driedaagse totaalspektakel omvatte naast een tentoonstelling, optredens, krijsende biggetjes in metalen kooien aan het plafond, performances en projecties, ook een makelaarskantoor dat grond op de planeet Saturnus verkocht. In Saturnus, een sciencefictionsprookje gefilmd met een visooglens en voorzien van een Afrikaans gesproken geluidsspoor, speelde zijn kompaan Guillaume Bijl een gladiator.

Mich maakte ook documentaire films, over bijvoorbeeld het festival Spruit 1971 (‘het Woodstock van Antwerpen’ op de Dageraadplaats) of over de gesimuleerde paddenstoelwolk van een atoomexplosie op Antwerpen Linkeroever in 1977, een happening door het collectief Mass Moving en vuurwerkmaker Hendrickx uit Deurne.

In 1972 organiseerde Mich het experimentele filmfestival Eerste filmgebeuren in Deurne, in de hoop met de inkomsten de tweede versie van Saturnus te financieren. Een acteur als Dennis Hopper was er te gast. Land of Silence and Darkness van Werner Herzog ging er in première, een controversiële langspeelfilm over blinde doven. In de voorprogramma’s was er plaats voor experimentele films van Raoul Servais, Johnny The Selfkicker (Johnny Van Doorn), Maurice Roquet en Roland Lethem. De tweede versie van Saturnus was uiteindelijk te zien op de Continental Film Tour in 1973: een initiatief van Luc Deleu en Filip Francis die films toonden in een bus waarmee ze door Vlaanderen toerden, met onder meer een tussenstop voor het ICC.

In de kelders van het ICC startte Mich in 1975 de opnames voor Lysistrata. Het werd een burleske interpretatie van de satire van Aristofanes, een kleurrijke hippieorgie, gespeeld door een vrolijk, naakt en geschminkt gezelschap, met onder anderen Guillaume Bijl, Nicole Van Goethem en Ria Pacquée. De schedel van de Minotaurus die tijdens het filmen van Lysistrata in de tuin van het ICC ritueel werd begraven, groef Mich in 2005 tijdens een archeologische performance weer op. Hij werd daarna tijdens de voorstelling van het boek Het ICC en de actuele kunst 1970-1990 door Johan Pas in het MuHKA tentoongesteld.

Vanaf de jaren 80 legde Mich zich toe op een nieuw medium: de holografie. Na een bezoek aan de tentoonstelling Beeldend licht in 1978, mede georganiseerd door de Universiteit Gent, raakte hij helemaal in de ban van deze techniek gebaseerd op de interferentie van lichtgolven. Hij beschouwde holografie als schilderen met licht. En zoals de fotografie voor een revolutie in de schilderkunst had gezorgd, zo zou de holografie een vergelijkbare tweede revolutie betekenen. Mich zocht contacten met experts aan de toenmalige RUCA, RUG, VUB en bij Agfa-Gevaert. Hij bouwde thuis zelf een labo en experimenteerde met lasers en andere lichtbronnen. In 1982 organiseerde hij met steun van de galeriste Annie Gentils het festival Licht, Holografie en Holoïsme. In de grote hangarruimte van vzw Montevideo aan het Kattendijkdok stonden performances op het programma, debatten met wetenschappers en filosofen, een tentoonstelling, lasershows en experimentele muziekoptredens. Tijdens de eerste Biënnale van de Antwerpse galeries in 1983 toonde Mich zijn installatie Holocinema in Ruimte Z Aksent, tijdens een groeptentoonstelling met onder anderen Pacquée, Bijl en Frank F. Castelyns.

In 1985 nam Mich Ruimte Z over van Walter Van Rooy en opende er het Museum voor holografie. Hij startte het tijdschrift Holoblad, het eerste Europese magazine over holografie, richtte in 1987 het Infocentrum voor Holografie en waarneming op, organiseerde tentoonstellingen als Holography 80 (1986) in Cirque Divers in Luik, Betovering van licht en ruimte (1986) in De Warande in Turnhout en Holografie, techniek en kunst (1988) in het Cultureel Centrum en de Stadschouwburg van Kortrijk. Hij verzorgde ook een holografische installatie voor de tentoonstelling Honderd jaar Louis Zimmer in Lier, tussen de presentaties van NASA, ESA en Glascosmos (USSR).

De experimenten van Mich met holografie waren niet alleen kleurrijk, maar ook erg kostelijk. Toen eind jaren 80 de hype rond holografie over zijn hoogtepunt heen was, zat Mich in financiële problemen. Vanuit een huidig standpunt lijkt dat misschien ironisch, maar het is vooral treffend. Mich kan immers gezien worden als een voorloper van een huidige generatie kunstenaars die een gelijkaardige futurologische droom koesteren, die met immersieve, generische en interactieve installaties een zogenaamde augmented reality creëren. Mich zelf trekt in zijn holoïsmemanifest de lijn verder door met een verwijzing naar László Moholy-Nagy: ‘It seems to me that we should direct all our efforts like the Dadaïst Raoul Hausmann toward the creation of an optophonic art which one day will allow us to see music and hear pictures simultaneously.’   

Bronnen

• Florent Bex, Kunst in België na 1975, Antwerpen, Mercatorfonds, 2001.

• Ludo Mich, Manifest Holoïsme, onuitgegeven pamflet, d.s.

• Ludo Mich, (red.), 1e Filmgebeuren, catalogus, Deurne, 1972.

• Ludo Mich (red.), Licht, holografie en holoïsme, catalogus, Montevideo, Antwerpen, 1982.

• Ludo Mich (red.), Betovering van licht en ruimte, catalogus De Warande, Turnhout, 1986.

• Ludo Mich, (red.), Holografie: techniek en kunst, catalogus, Cultureel Centrum Kortrijk, 1988.

• Ludo Mich, Tijd, Techniek, Cosmos, catalogus 100 jaar Zimmer, Stedelijk Museum Lier, 1988.

• Marc Ruyters, Lysistrata, in: De Andere Film, mei 1977.

• Marc Ruyters, Videofilms kijken in een container, De Tijd, 1983.

• Marc Ruyters, Superstrings van Ludo Mich, De Tijd, 2 april 2003.

• Pierre Sterckx, Ludo Mich holografeert Montevideo, De Nieuwe Gazet, 11 september 1982.

• VITRTI group exhibition, catalogus, Verbeke Foundation, Imschoot Uitgevers, 2007.

1 Tot de leden van het eerste uur behoorden o.m. Matti Brouns, Joseph Inghelbrecht, Annie Philippot-Reniers, Paul Rigaumont, Leo Steculorum en Luc Vermeesch.

• Mondelinge bron, 17 februari 2009, Berchem.

• http://ludomich.blogspot.com/

• László Moholy-Nagy,  Light: A New Medium of Expression, in: Architectural Forum, 70 (mei 1939), p. 2.

subj. zkt. obj.         

(Over de Filosofische Kring Aurora)

Serge Delbruyère

But I waive the biographies of all other scriveners for a few passages in the life of Bartleby, who was a scrivener of the strangest I ever saw or heard of. While of other law-copyists I might write the complete life, of Bartleby nothing of that sort can be done. I believe that no materials exist for a full and satisfactory biography of this man. It is an irreparable loss to literature.  Bartleby was one of those beings of whom nothing is ascertainable, except from the original sources, and in his case those are very small.

Herman Melville, Bartleby, the scrivener

1. In 1976 houdt VUB-professor wijsbegeerte Leopold Flam (1912-1995) de vzw Filosofische Kring Aurora boven de doopvont. Hij ontleent die naam onder meer aan een Russische pantserkruiser, die in tegenstelling tot de Potemkin ten onrechte wat in de vergetelheid geraakte in het westen. Het was de Aurora immers die met een kanonschot voor het begin van de Oktoberrevolutie zorgde.

2. Flam, de hete adem van het emeritaat in de nek, verliest gedurende de jaren 70 zijn geloof in het instituut en de academie. De universiteit, ondertussen geleid door voormalige contestanten van mei 68, is voor hem dood – recuperatie van het verzet zal een rode draad doorheen zijn werk blijven. Daarom zoekt hij een manier om zijn activiteiten als filosoof en (vooral) lesgever verder te zetten. Hij verzamelt een handvol jonge mensen [1], grotendeels oud-studenten, rond zich en zoekt een vrijplaats in de marge van het instituut. De Kring neemt haar intrek in de Lange Leemstraat in Antwerpen, waar de leden via een persoonlijke vriend van Flam gratis kunnen beschikken over een pand. De benedenverdieping wordt ingericht als open ruimte waarin naast lezingen ook tentoonstellingen mogelijk zijn.

3. Meteen na de oprichting in 1976 begint Aurora met het uitgeven van een gelijknamig tijdschrift, dat het volhoudt tot 1986. Opvallend is dat de eerste vier jaargangen als frontispice het voorblad gebruiken van Aurora oder Morgenröte in Aufgang van de 17de-eeuwse Duitse theoloog Jakob Böhme. Die beschouwt de mens als een uit de gratie Gods gevallen wezen dat de hemel enkel kan bereiken via de hel. De trouvaille is van Flam zelf, die naast het Franse existentialisme van Sartre, een uitgesproken voorkeur heeft voor het Duitse subjectdenken van Nietzsche en Heidegger. Het leeuwendeel van de veelal taaie essays draaien de eerste jaren dan ook rond het werk van deze filosofen. Toch houdt het tijdschrift tred met de tijdgeest. In de jaren 80 treft de lezer al eens een stuk aan over Joy Division of Baudrillard. Zo sijpelt de invloed van postmodernisme en cultural studies het existentialistische bastion van Flam binnen.   

4. In 1977 vindt er in de Lange Leemstraat een eerste kleine tentoonstelling plaats met werk van Guillaume Bijl en Ria Pacquée. Bijl toont er onder meer een zestal tekeningen op zwart papier. De reeks draagt al de titel Transformaties en met plannen voor het inpalmen van het ministerie van landsverdediging en (andere) instituten van cultureel belang, wordt hier de kern gelegd voor de latere, bekendere transformaties als Autorijschool Z (1979). Pacquée stelt een aantal ‘objets volés’ tentoon, waaronder een voor het Rubensjaar uitgegeven boek dat ze in stukken scheurt en assembleert tot een nieuw geheel.

Esthetisch-theoretisch gezien, zo zeggen de betrokkenen, verliep de keuze voor beide kunstenaars volstrekt arbitrair. Ze werden bij Aurora aangebracht door stichtend lid Matti Brouns, die persoonlijke banden onderhield met hen. Toch is het verleidelijk om in het geval van Pacquée over meer dan louter toeval te spreken. In De Kunstenaar (1981), waarin Flam vanuit de volgens hem radicale breuk in de kunst van de jaren 70 de verschillende subjectposities van de kunstenaar in kaart tracht te brengen, lezen we: ‘Maar hierop kan een schrijver noch schilder rekenen, tenzij zijn nagelaten werk door iemand zo zou geïnterpreteerd worden dat hij erdoor zou aangespoord worden het te herlezen of opnieuw te zien. Is de interpretatie van het werk middelmatig dan wordt de wedergeboorte zwak of onmogelijk. Zulks overkwam Thomas Mann in 1975 en Rubens in 1977. De schilderijen van Rubens werden zelfs op kartonnetjes gereproduceerd als onderlaag voor glazen en kopjes op cafétafels, door grote bierbrouwerijen. Het werk van Rubens bleef afwezig, doordat het tot een monument uit het verleden herleid werd. De mislukking van de hergeboorte zelf bewerkstelligen belicht overigens het geestelijk peil van een bepaalde cultuur zelf.’ [2] Misschien dat we het iconoclasme van Pacquée inderdaad moeten zien als een mogelijke ‘wedergeboorte’ in de geest van Flam.

5. In 1981 loopt er een dubbeltentoonstelling met foto’s van Marc Schepers, die een jaar later Ruimte Morguen zal oprichten, en schilderijen van Leo Steculorum, Auroralid van het eerste uur. Schepers toont een reeks foto’s, ‘Transformaties’, van een mummie in bovenaanzicht, waarbij elk beeld een verdere vervaging van het vorige inhoudt. De begeleidende brochure legt sterk de nadruk op de onmacht van het handelende subject om radicaal in te grijpen in het Dasein van het object. Schepers schrijft: ‘In het moment van de ingreep op de bewegingsloze mummie door het handelend subject, wordt het met betekenissen geladen onderwerp aan zichzelf overgelaten. In dit moment organiseert de vervormde mummie zelfstandig het begrip van zijn transformaties. Het handelend subject (de fotograaf) heeft niets vastgelegd.’ Misschien is onmacht een te sterke term. Misschien gaat het wel om een bewuste strategie, een radicale modaliteit waarin de subjectiviteit haar vrijheid vindt. In de begeleidende tekst bij de schilderijen van Steculorum formuleert Paul Rigaumont het aldus: ‘Het ‘iets’ of dat wat niet onmiddellijk wordt gevat, dat de subjectiviteit van de schilder-filosoof voortdurend op haar weg vindt, betreft wellicht de vraag naar de gegrondheid van die subjectiviteit, nl. haar vrijheid.’

Is het vergezocht om aan de ingrepen van Guy Rombouts, die in 1982 een dubbeltentoonstelling houdt in het Aurora Atelier en Zeno X, een gelijkaardige betekenis toe te kennen? In de Lange Leemstraat toont Rombouts ‘vondsten’ die nauwelijks de term assemblage kunnen dragen. Daarvoor zijn de objecten te fragiel, de ingrepen te minimaal. Een gevonden stukje metaal wordt omgebogen. Een meetlat wordt opgehangen in een visnet. Op een biljartstok wordt een fietsbel gemonteerd. Het is het werk van een subject dat de alledaagsheid overstijgt door zijn onbevangen en pretentieloze ingrepen.

6. Rond 1982 verhuist Aurora naar de Lovelingstraat, waar men de eerste verdieping van de intussen ter ziele gegane Ruimte Z van Walter Van Rooy huurt. Financiële beslommeringen nopen de kring medio jaren 80, na een verblijf in het Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven, tot een verhuis naar de Lange Brilstraat. Het meest belangwekkende wapenfeit uit die periode – misschien wel uit de hele geschiedenis van Aurora – is ongetwijfeld de oprichting van ‘FI 2000 Werkplaats voor Filosofie en Informatica’. Het project beoogt onder de noemer ‘consequent atheïsme’ en via verschillende workshops een kritische bevraging van de techno- en informatiecultuur, haar verzoenende functie en de ideologische omsluiering ervan. Opvallend is dat Aurora in een van de programmaverklaringen de eigen geschiedenis tegen het licht houdt en enigszins afstand neemt van het extatische subjectiviteitsdenken: ‘Het beleden avontuurlijke atheïsme van de romantische subjectiviteiten buigen wij, FI 2000 Werkplaats Filosofie/Informatica, schaamteloos om in een atheïsme als techniek. De groepering en ordening van individuen in anonieme machtsconfiguraties impliceert onmiddellijk protest en revolte. Het protest veronderstelt niet noodzakelijk een transcendentale subjectiviteit als voorwaarde. […] De eindige verwevenheid van macht en rebellie kan o.i. niet langer afhangen van een oneindige politiek van de revolutie.’

Nooddruft en inhoudelijke twistpunten over de te varen koers, maken dat er van het tijdschrift FI 2000 maar enkele nummers verschijnen.     

7. Eind jaren 80 kopen vier kernleden (Van Hellemont, Inghelbrecht, Rigaumont en Vermeesch) een pand in de Braziliëstraat, waar de vereniging onder de vlag Cultureel Filosofisch Centrum een minder eenduidige doorstart kent. Het project lijkt zoek en de begeleidende teksten bij de lezingen die er plaatsvinden houden het midden tussen de vaagheid van het weloverwogen compromis en de wat wollige retoriek van de oppositie zonder welomschreven object: ‘In de ruimte van het Cultureel & Filosofisch Centrum is elke individuele en collectieve activiteit een vorm van politiek engagement. […] Aurora biedt een forum voor de productie van tegenspraak en tegenmacht. Het is een plaats waar mensen hun oppositie organiseren en hun tegenstem uit de nestwarmte van hun huiskamers halen.’ Het CFC opent zijn deuren in 1990 en hoewel de rek gaandeweg uit de vereniging is verdwenen, vinden er nog steeds lezingen van enige importantie plaats, onder meer door Frank Vande Veire (Het Kunstwerk en het Tuig) en Erik Spinoy (over Paul van Ostayen). 

8. Anno 2009 bestaat de vzw Filosofische Kring Aurora enkel nog op papier. De facto is het een eenmansorganisatie van stichtend lid Paul Rigaumont, die de overgebleven infrastructuur in de Braziliëstraat gebruikt als atelier waar hij geregeld zijn lyrisch-abstracte schilderijen en nieuwe delen van zijn poëtisch-filosofische reflecties Anekdota voorstelt. Zijn wantrouwen tegenover geïnstitutionaliseerde cultuur heeft Aurora overleefd. Men zou van anachronistische naïviteit kunnen gewagen, van frustratie zelfs. Een respectvollere analyse zou in Rigaumont een Bartleby kunnen zien, die aan de verlokkingen van het publieke leven verzaakt met een beleefd maar gedecideerd ‘I would prefer not to’. Maar mogelijk is deze interpretatie te eng, te pathetisch. Melvilles Bartleby kan zijn milde maar verlammende breuk enkel realiseren bij gratie van het instituut dat hem in dienst heeft. Volgens Žižek maakt Bartleby komaf met de achterhaalde ‘politics of ‘resistance’ or ‘protestation’, which parasitizes upon what it negates’. [3] Dat is nu net de kritiek van iemand als Rigaumont aan het adres van kunstenaars als Bijl en Schepers: door de kunst als onding te beschouwen parasiteren ze zich een weg naar de kunst als instituut. Deze visie is echter te eenzijdig, want zo vervolgt Žižek, Bartleby effent het pad voor ‘a politics which opens up a new space outside the hegemonic position and its negation’. [4] Misschien belichaamt Bartleby in die zin de tragiek van Aurora. De teloorgang ervan is minstens deels te wijten aan de botsende opvattingen van de leden omtrent de recupererende aanzuigkracht van het instituut en de houding van het subject daartegenover. Wat te verkiezen? De hegemonie van het instituut (realisme) of de negatie van de marge (idealisme)? Het is slechts schijnbaar een patstelling, waaruit Bartleby een uitweg had kunnen tonen: ‘The difficulty of imagining the New is the difficulty of imagining Bartleby in power.’ [5]

1 Tot de leden van het eerste uur behoorden o.m. Matti Brouns, Joseph Inghelbrecht, Annie Philippot-Reniers, Paul Rigaumont, Leo Steculorum en Luc Vermeesch.

2 Leopold Flam, De Kunstenaar, Brussel, Studiereeks van het Tijdschrift van de VUB – Nieuwe Serie nr. 5, 1981, p. 215.

3 Slavoj Žižek, The Parallax View (Short Circuits), Cambridge, MIT Press, 2006.

4 Ibid.

5 Ibid.


Marc/k Verrecht _ Marc/k Verreckt _ Mark Verrekt _ Malik Abdulassam _ Marco Verrecht 

Klaar Leroy

Verreckt was spaarzaam met autobiografische gegevens. In een brief aan Roger D’Hondt beschrijft de 22-jarige kunstenaar zichzelf als: ‘Mark A.M. Verreckt (artistieke naam v Mark A.M. Verrecht) ° 21.05.1952. Licentiaat Germaanse Filologie. Medewerker De Nieuwe Gazet, Antwerpen (lees: corrector en gelegenheids-stukjesschrijver). Artistiek bedrijvig sinds februari 1973. Werkzaam als acteur, auteur, tentoonsteller, scenarist, komponist en/of kunstcriticus.’* Een zeldzame zelfbeschrijving, waaruit blijkt hoe veelzijdig zijn artistieke bezigheden op dat moment al waren. Om zijn levensloop te achterhalen is men aangewezen op herinneringen van mensen die hem hebben gekend. Er blijven echter gaten in de chronologie.

Mark Verreckt wordt geboren in Turnhout op 21 mei 1952. Zijn vader verandert de familienaam naar Verrecht, maar Mark blijft zich Verreckt noemen. Volgens mensen die hem kenden, kenmerkt die geste zijn tegendraadsheid. Mark studeert Germaanse talen aan de Ufsia (1970-1972) en behoort tot de eerste lichting aan de UIA (1972-1974). Voordien zou hij nog een jaar economie gestudeerd hebben in Leuven. Op de UIA is hij samen met Luc Steels een van de bezielers van het KKsentrum, het Kultureel en Kreatief sentrum voor en door studenten. In en rond de campus in Wilrijk vinden allerlei activiteiten plaats: tentoonstellingen, auteurslezingen, freejazzconcerten, performances en vertoningen van experimentele films. Verreckt is niet zelden de animator van dienst. Hij doet bijvoorbeeld op 10 december 1973 samen met Steels een vliegpoging in een ‘tweemansvliegtuig’ dat hij Dymaxion noemt, als eerbetuiging aan Buckminster Fuller, en schrijft ook een bijhorend artikel. Nog in 1973 is hij de eerste Vlaamse streaker: hij houdt bij zijn act, in beperkt gezelschap op de UIA-campus in Wilrijk, een bord vast met als opschrift ‘Op voor een geestig kultuurklimaat’. Verreckt is sterk in literatuur geïnteresseerd en Gerrit Krol is zijn grote voorbeeld. Samen met Steels geeft hij trouwens een tijdschrift voor visuele poëzie uit, Orgaan voor konseptuele dichtkunst.

De jaren aan de UIA blijken een vruchtbare voedingsbodem voor zijn artistieke activiteiten. Hij onderhoudt contacten met New Reform in Aalst en met de Antwerpse academie, waar Anne-Mie Van Kerckhoven en Hugo Roelandt studeren. Niet alleen op de UIA-campus, maar ook in de kelders van Ercola, in de Wolstraat, is Verreckt actief als performer. Tijdens One Happening in Ten Parts, in oktober 1973, zit hij verkleed aan een tafeltje en verplaatst hij eieren. Na zijn studie blijft Mark Verreckt in Antwerpen wonen. Hij deelt een appartement met Luc Steels.

Op 9 november 1974, tijdens het performanceprogramma in New Reform waarop Ria Pacquée spaghetti eet en kotst, vat hij het plan op om levende kippen in brand te steken. Dat veroorzaakt hevige commotie en de rest van de avond wordt afgelast. Getuigen herinneren zich vooral dergelijke performances, waarbij Verreckt de grenzen van de (zelf)destructie aftast. Om een genuanceerd beeld te schetsen van zijn performancekunst is echter te weinig archiefmateriaal beschikbaar.

Uit de jaren 1975-76 is vooral literair werk van Verreckt terug te vinden. Anne-Mie Van Kerckhoven laat haar tentoonstellingen door hem inleiden. Over haar werk en dat van Hugo Roelandt schrijft hij enkele teksten. Samen met Erik Kloeck maakt hij het scenario voor de film Lysistrata, die door Ludo Mich in de kelders van het ICC wordt gedraaid. In januari 1976 is Verreckt een van de Michelangelofiguren die worden beschilderd in een performance van Roelandt in de Zwarte Zaal in Gent. In datzelfde jaar heeft hij contacten bij uitgeverij Walter Soethoudt. Hij brengt er de dichtbundel Doodshoofd verbanden. Nieuw-fascistische gedichten uit. Dat jaar vertaalt en bewerkt hij Het hart der duisternis van Joseph Conrad. In december verschijnt een fragment uit Verreckts lectorverslag op een dichtbundel.

Begin 1977 verdwijnt Verreckt uit het zicht van de Antwerpse kunstwereld. Hij reist en verblijft een periode in het buitenland. Wanneer hij zich waar precies bevindt, blijft onduidelijk. Volgens mondelinge bronnen werkt hij in Arabische landen als handelsreiziger voor een Antwerpse import-exportfirma. De waren die Verreckt verkoopt, verschillen van bron tot bron: stofzuigers, sigaretten, horloges, wasmachines. En wat met de bewering dat hij wapens verkocht en dat hij in Libië met veel eer door Khadaffi werd ontvangen? Niemand van de getuigen kan het gerucht bevestigen of ontkennen.

Verreckt is in 1978-79 wellicht sporadisch terug in België. In de lente van 1979 neemt Hugo Roelandt deel aan het Kaaitheaterfestival. Hij zoekt een compagnon voor zijn ‘laatste’ performance. Bedoeling is om gehuld in ‘plastic bellen’ een hellend vlak op en neer te rennen, tot de zuurstof op raakt. Enkel Verreckt is bereid mee te doen. Hij neemt deel onder de naam Malik Abdussalam. De mee ingesloten kanaries zijn al dood als de twee zich na meer dan een half uur met een mes uit de bel bevrijden.

Voor zijn Arabische naam geeft Hugo Roelandt als verklaring dat Verreckt zich had laten besnijden. Tijdens een performance in Steve’s Club (Antwerpen, 1979) zou overigens ook Verreckts kennis van Arabische verzen gebleken zijn.

Vervolgens zijn er, tot eind van de jaren 80, geen gegevens meer voorhanden over Verreckts leven. In mei 1988 verhuist hij van de Canarische eilanden, waar hij bij een reisorganisatie werkte, terug naar Antwerpen. Op 31 oktober 1988 trouwt hij met Wenche Berit, een Noorse vrouw die veertien jaar ouder is. Met haar vertrekt hij in 1990 uit Borgerhout om dicht bij de zeedijk in Oostende te gaan wonen. Van april 1989 tot april 1992 pendelt Verreckt naar Brussel. Hij werkt er in een vertaalbureau. Men kent hem daar als Marco Verrecht, een uitstekende vertaler Engels die zijn privéleven niet met zijn collega’s deelt. Vanaf juni 1992 gaat Verreckt met ziekteverlof. Zijn vrouw was in 1991 overleden. Over zijn dood doen uiteenlopende verhalen de ronde, maar zeker is dat Verreckt zwaar ziek is geworden. Hij beseft dat hij stervende is en reist naar Tsjechië: het is zijn uitdrukkelijke wens in Praag te sterven en te worden gecremeerd. Hij overlijdt er op 40-jarige leeftijd, op 25 april 1993, in het Na Homolce ziekenhuis. Op zijn herinneringsprentje staat te lezen: ‘Praag, de gouden stad,/ zien en dan sterven’/zijn grote wens is vervuld!

*Fragment uit een brief van Mark A.M. Verreckt aan Roger D’Hondt (25/11/1974) waarin hij beschrijft hoe zijn en Ria Pacquées bijdrage aan de tentoonstelling Vormen van kreativiteit (14 tot 29 december 1974, New Reform Aalst) moeten gepresenteerd worden. Bron: Archief New Reform.

 

UIA – KK – Luc Steels & Dr. Buttock’s Players Pool

Steven De Belder

De Universitaire Instelling Antwerpen werd opgericht in 1972 en gevestigd in Wilrijk. De instelling, die enkel voortgezet hoger onderwijs aanbood (licentiaat en doctoraat), stond voor een nieuw model van hoger onderwijs, geschoeid op de Angelsaksische leest, met een pluralistisch co-beheer door katholieken en vrijzinnigen, een creditsysteem, nadruk op werkcolleges en zelfstudie, en een moderne campus buiten de stad. De nieuwe instelling, bevolkt door heel wat jonge docenten, onderzoekers en studenten, cultiveerde een geest van vernieuwing en wilde zichzelf scherp profileren. Daarbij was ruimte voor inspraak van de studenten, ook in de geest van de studentenrevoltes van eind jaren 60, begin jaren 70.

De StudentenWerkgroep (StuWer) was de overkoepelende studentenvereniging en vertegenwoordigde de studenten in de bestuursorganen van de universiteit. De werkgroep ontwikkelde ook culturele activiteiten voor de universitaire gemeenschap, en kreeg daarvoor een budget van de universiteit. Een lokaal op UIA werd tot het KKsentrum, het Kultureel en Kreatief sentrum gedoopt en werd gebruikt voor een brede reeks activiteiten: films, concerten, tentoonstellingen, theatervoorstellingen en performances. Het aanbod was zeer breed, van folkzangers en recitals van Jos Van Immerseel tot performances van Welfare State, COUM Transmissions of Marina Abramovic & Ulay. Verschillende activiteiten (waaronder het optreden van COUM) veroorzaakten heel wat deining in de universitaire gemeenschap, maar de werking werd nooit ten gronde ter discussie gesteld. Het bereik was die eerste jaren ook niet zo heel groot: het publiek bestond meestal uit leden van de universitaire gemeenschap, wellicht ook omdat de buitenwereld de weg naar de nieuwe universiteit tussen de velden nog niet gevonden had.

De eerste gangmakers van het cultuurprogramma waren Luc Steels en Luc Mishalle, ‘cultuurpreses’ in respectievelijk 1972-1974 en 1974-1976. Steels ontpopte zich als organisator, maar ook als muzikant en performancekunstenaar. Toen hij student was aan de Ufsia (1970-1972) reconstrueerde hij historische performances (dada, Kaprow) en bedacht hij er nieuwe die hij opvoerde in lokalen van de universiteit en panden in de buurt (zoals het Ercola-kunstenaarspand), samen met onder anderen Win Van den Abeele en Marc Verreckt. Met die mensen trad hij in 1972 ook op in het fringeprogramma van Dokumenta V.

In 1972 hoorde Steels bij de eerste lichting studenten op de UIA. Als eerste cultuurpreses van de Studentenwerkgroep (waarin ook Marc Ruyters zat) verzorgde hij het programma van het KKsentrum. Hij betrok er studenten van de Antwerpse Academie bij die hij had leren kennen tijdens de Ufsia-periode, zoals Anne-Mie Van Kerckhoven en Hugo Roelandt. Via Hugo Roelandt ontstond ook een band met de Aalsterse New Reform Gallery van Roger D’Hondt, waar Steels een aantal performances deed. De New Reform Gallery mocht op de UIA een aantal tentoonstellingen (onder andere Tendenzen in de Hedendaagse Kunst, 1973) en performances organiseren.

In de verdere ontwikkeling van zijn artistieke activiteiten vertrok Steels veelal vanuit de muziek. Vanaf 1973 vormde hij het trio ‘Mishalle-Geladi-Steels’, met Luc Mishalle en Paul Geladi. Het trio bracht geïmproviseerde muziek met vaak zelfgebouwde elektronische instrumenten, doorspekt met performances. Ze traden op in het KKsentrum, in het Paleis voor Schone Kunsten, de Academie, het ICC, op straat en in gevonden ruimtes. Steels was in 1973 ook medeoprichter van het Free Musicfestival van de Werkgroep Improviserende Musici (met Fred van Hove) en van de Stichting voor Elektronische Muziek (met Joris De Laet) en organiseerde met Luc Mishalle concerten in het ICC.

Steels, Mishalle, Roelandt en co. vormden in 1974 de groep Dr. Buttock’s Players Pool, een los collectief van performancekunstenaars, voornamelijk studenten van de UIA en de Academie. Na een aantal performances in 1974, onder andere in Antwerpen, Aalst en Düsseldorf, raakte de naam in onbruik. De groep functioneerde als een pool van spelers, onder wie Steels, Hugo Roelandt, Ria Pacquée, Paul Geladi, Luc Mishalle, Marc Holthof, Dirk Vercruysse en William Flips. De deelnemers maakten afspraken louter over het raamwerk en daarbinnen deed ieder zijn eigen performance. Een duidelijk opzet of een manifest was er niet.

Enkel van de performance in Aalst rest er een concreet spoor, namelijk een beschrijving in de catalogus van de New Reformretrospectieve in Netwerk in 1988. Steels bezat enkele foto’s en een filmopname, maar is deze in de loop der jaren kwijtgeraakt. Dat er amper archiefmateriaal ter beschikking is, hangt uiteraard samen met de erg informele houding in die jaren. Er bestond bij de mensen aan de ‘UIA-kant’ (uit diverse richtingen als Letterkunde, Rechten, Scheikunde…) ook geen behoefte om hun artistiek werk te professionaliseren. Ze studeerden af in 1976 en verdwenen van de campus of werden grotendeels opgeslorpt door doctoraatswerk. Zo desintegreerde het ad-hocgezelschap. Luc Mishalle woonde tussen 1976 en 1979 in Engeland, waar hij werkte bij de performancegroep Welfare State. Luc Steels vertrok in 1977, na zijn doctoraat in de linguïstiek, naar de Verenigde Staten. De volgende generatie studenten vulde het cultuurprogramma van de Studentenwerkgroep op een andere manier in.

In 1977 werd in de schoot van het Departement Germaanse het Centrum voor Experimenteel Theater (CET) opgericht dat opnieuw aandacht had voor performance. In het fort vlak naast de UIA-campus werd een theaterzaaltje ingericht waar heel wat buitenlandse kunstenaars passeerden. Luc Mishalle keerde in 1979 terug naar Wilrijk om er tot 1981 als gewetensbezwaarde het CET te coördineren. Het CET is geen rechtstreekse uitloper van de activiteiten van Steels, Mishalle en co., maar kan wel gezien worden als een poging om de artistieke dynamiek van de eerste jaren van UIA weer op te pikken en te professionaliseren.

 

Het Pannenhuis

Dirk Mertens

Hendrik Conscienceplein 3, 2000 Antwerpen. Anno 2009 kan je er Gegrilde lamskoteletjes met gebakken groenten en rozemarijn gaan eten in Restaurant De Manie. Of Filet van konijn gebakken in een kokosjasje. Tot 1981 was op dit adres een horecazaak gevestigd van een heel andere orde: café het Pannenhuis. Reeds vanaf de jaren 50 bekleedde het café een belangrijke plaats in het Antwerpse artistieke milieu. Tijdens de jaren 60 leek dat artistieke milieu, bijna als vanzelfsprekend, nauw verbonden met talrijke vormen van openlijk maatschappelijk verzet. Daarom klinkt de naam van het café ook dikwijls op in de verhalen over de acties die in die periode op het Conscienceplein plaatsvonden.

Dat de naam van het café verbonden is met die van linkse contesterende bewegingen dateert eigenlijk al van lang voor de Tweede Wereldoorlog. Rond 1920 was in ’t Pannenhuis immers het partijlokaal gevestigd van een communistische jeugdgroep, onderdeel van de Vlaamse federatie van de Kommunistische Partij, die zich liet inspireren door Abraham Soep en zich verzette tegen de nationalistische strekking in de Vlaamse federatie. In die zin nam het café ook toen al een symbolische plaats in op het plein, recht tegenover de barokke Sint-Carolus Borromeuskerk, die uiteraard voor het katholieke, behoudsgezinde Vlaanderen stond.

De wijk rond het Conscienceplein zag er voor, en ook nog lang na de oorlog helemaal anders uit dan nu. Het was een volkse buurt waar nogal wat armoede heerste en waar prostitutie een van de belangrijke economische activiteiten uitmaakte. In de jaren 50 was het Pannenhuis een ‘volks- en artiestencafé’, dat fungeerde als een verzamelpunt voor de buurt, maar ook als echt uitgaanscafé. Het was allesbehalve een aftands hol. Het wordt integendeel herinnerd als een prachtig café, als een grote ruimte met spiegels waar kunst tegen de muur hing. Niet lang voor zijn dood in 1960 had de toen quasi vergeten Paul Joostens er een tentoonstelling. Het pand liep diep door en achteraan was een apart feestzaaltje met een biljarttafel waar de plaatselijke middenstand wekelijks kwam vergaderen. Aan de straatkant waren grote ramen die omhoog konden worden geschoven, waardoor je er in de zomer het gevoel had echt op het plein te zitten – terrasjes bestonden toen nog niet. Een apparaat aangesloten op de radiodistributie zorgde, tegen het eind van de jaren 50, voor wat achtergrondmuziek. Het café werd gefrequenteerd door een zeer uiteenlopend publiek. Er kwamen arbeiders, prostituées, brandweerlieden van de kazerne even verderop, redactieleden en journalisten van De Nieuwe Gazet, muzikanten, schrijvers, schilders, acteurs…

In die vrijzinnige broeihaard waren ontmoetingen tussen, dikwijls nog studerende, jongeren en een oudere generatie kunstenaars vanzelfsprekend. Het café bood het decor voor vele gesprekken over kunst, onder mensen die meededen aan G58 bijvoorbeeld, of onder mensen die zich afscheurden van G58, de Nieuwe Vlaamse School. Zo zou Jef Verheyen in het Pannenhuis tegen Paul Neuhuys gezegd hebben: ‘C’est inouï le tort que nous a causé Permeke. À bas les peintres en sabots!’

In 1962 liep in het Pannenhuis een tentoonstelling met werk van Fred Bervoets en Ferre Grignard, respectievelijk 20 en 23 jaar oud. Er vond ook een performance plaats door Bervoets, Ludo Mich, Wout Vercammen, Albert Szukalski en Guy Mees rond het getal zeven, het getal van de harmonie. Mich schilderde een gigantische witte zeven op het Conscienceplein en belde vanuit een telefooncel naar telefoonnummers die zoveel mogelijk zevens telden. In datzelfde jaar 1962 verscheen overigens Jeugd voor de muur van Jaap Kruithof en Jos Van Ussel, dat onder het mom van een enquête wou afrekenen met de katholieke seksuele moraal en voor nogal wat deining zorgde. De seksuele ontvoogding was een veelbesproken onderwerp bij de jongeren. Tot echte burgerlijke ongehoorzaamheid zette vooral het situationistische gedachtegoed aan, dat toen circuleerde in dit milieu. Tegen die achtergrond werd, onder andere in het Pannenhuis, de basis gelegd voor het vervolg van de jaren 60, voor wat enkele jaren later uitgroeide tot de Antwerpse ‘provobeweging’.

Het zwaartepunt in het Antwerpse alternatieve uitgaansleven lag in de jaren 60 ontegensprekelijk lange tijd bij het jazzcafé de Muze, amper honderd meter verder. Toen in 1966 Louis De Vries, later manager van voetbalclub Beerschot, het Pannenhuis overnam, kwam daar enigszins verandering in. De Vries, van 66 tot 68 overigens ook manager van Ferre Grignard, maakte van het café een muziektempel met een programmatie die inspeelde op actuele trends in pop- en jazzmuziek. Lionel Hampton, John McLaughlin, Paul en Carla Bley, Toots Thielemans traden er op, maar ook The Zombies, The Marmalade, de Welshe cultgroep Man, Manfred Mann, The Action enzovoort. Het Pannenhuis werd bovendien gebruikt als repetitieruimte door Belgische popgroepen als Adams Recital, The Racers, the Pebbles en Paul’s Collection. Op 23 februari 1968 gaf Pink Floyd er – semiakoestisch – zijn eerste concert op Belgische bodem, na een mislukt optreden overigens de dag tevoren in Leuven.

Hoewel er voor beeldende kunst vanaf dat moment geen plaats meer was, bleef het café een ontmoetingsplek voor beeldend kunstenaars. Weer zal het, in de eerste helft van de jaren 70, fungeren als een ruimte waar een nieuwe generatie kunstenaars in contact komt met de vorige, de toekomstige ‘new-wavegeneratie’ met de voorbij ‘hippiegeneratie’, om het in termen uit de popmuziek uit te drukken. In de tweede helft van de jaren 70 was elke herinnering aan de hippietijd definitief uit het café verdwenen. Het was een hippe plek, een sobere, lichte, witte ruimte, waar de ‘gewone volksmens’ zich al lang niet meer thuis voelde. Je moest op de juiste manier zijn uitgedost, wilde je niet worden buitengekeken. Op de eerste verdieping bevond zich de gespecialiseerde platenzaak Rasta Connection waar Jacques Chapon (Professor Cat, de eerste reggae-dj) de nieuwste Jamaicaanse releases verkocht.

De laatste uitbaters, Toulouse (broer van kunstenaar Bruneau, Bruno Schnieders) en Greta, maakten van het Pannenhuis in de tweede helft van de jaren 70 weer een plaats waar belangwekkende tentoonstellingen en performances plaatsvonden. Anne-Mie Van Kerckhoven stelde er haar eerste plexiwerken rond ruimtevaart en toekomst tentoon. Ook voor kunstenaars als Guillaume Bijl en Narcisse Tordoir speelde het Pannenhuis een niet onbelangrijke rol in hun carrière. Er vonden performances plaats van onder anderen Danny Devos, Daniël Weinberger, Walter Van Rooy en Guy Bleus. Daarnaast bleven de uitbaters ook muziekoptredens programmeren.

Na het definitieve verdwijnen in 1981 van het Pannenhuis, is er in Antwerpen nooit meer een kunstenaarscafé geweest van vergelijkbare allure. Misschien is dat de reden waarom het Pannenhuis in het Antwerpse geheugen uitgegroeid is tot een mythische plek, waarom er sterke verhalen over circuleren die niet altijd helemaal overeenstemmen met de feiten. Of is het doordat er een resem klinkende namen aan de plek verbonden is, zoals die van Jan Decleir of Nicole Van Goethem of Wannes Van de Velde of Panamarenko? Of is het doordat het café geassocieerd is met het Conscienceplein, dat al even legendarisch is als eerste plek die in Antwerpen autovrij werd gemaakt, vier jaar na de vermaarde acties van Panamarenko en Hugo Heyrman in 1968?

 

It can happen here! Over Ercola

 Birgit Cleppe

Ercola. Experimental Research Center of Liberal Arts. Wat in november 1968 begon als een vriendeninitiatief van fotograaf Piet Verbist, tekenaars Jean-Claude Block en Jean-Claude Buytaert (aka ‘De Rosse’) en auteur Dominique Donnet (aka ‘totter’) naar aanleiding van een posterontwerpwedstrijd, groeide in de prille jaren 70 uit tot een knooppunt in het wijdvertakte netwerk van informele multidisciplinaire kunstenaarscollectieven, duistere galerieën en groezelige tijdschriftjes in het Antwerpse artistieke milieu.

De leden van de – voorlopig nog feitelijke – vereniging Ercola waren aanvankelijk vooral bedreven in het maken en uitgeven van strips en het uitvoeren van allerhande grafische ontwerpen. Zo namen ze in april 1969 deel aan een striptentoonstelling in het Museum voor Archieven in Antwerpen op uitnodiging van stripkenner en -verzamelaar Danny De Laet, ontwierpen ze enkele covers voor het Nederlandse stripmagazine Real Free Press Illustration van Olaf Stoop en wonnen ze de derde prijs in een wedstrijd van de Parijse stripvereniging Socerlid. In hetzelfde jaar verhuisden de Ercolaleden van de Lange Brilstraat naar een pand in de Grote Hondstraat, waar ze meteen de c.a.g.a.: comic art gallery oprichtten. Dit vormde de rechtstreekse aanleiding voor de toetreding van tekenaar Luk Carlens en auteur George Smits. Ercola legde in de daaropvolgende jaren contacten met tal van kunstenaars en kunstenaarscollectieven.

In 1970 ontstond de eerste intense samenwerking met kunstenaar Filip Francis, die vlakbij woonde in de Cogels Osylei, in hetzelfde huis als George Smits en Luc Deleu. Francis en zijn echtgenote Marysse Masson hadden er de alternatieve kunstgalerie ‘Vacuüm voor Nieuwe Dimensies’, waar in dat jaar de film Arthur is fantastic van Ludo Mich werd vertoond. Ercola ontwierp hiervoor de affiche. In Vacuüm zou Ercola bovendien de eerste contacten leggen met Luc Deleu, die er zijn afscheid van de architectuur vierde, en met Jan Putteneers, Hugo Heyrman en Wout Vercammen, die er exposeerden.

Ercola werkte ook samen met het Brusselse kunstenaarscollectief Mass Moving, opgericht in 1969 door Raphaël Opstaele en Bernard Delville, voor de uitgave van een brochure met illustraties van onder anderen George Smits en later voor het ontwerp van T-shirts en de poster voor Arts Lab Brussel. Bij de deelname aan het Mass Movingproject Superstar in februari 1971 kwamen de Ercolaleden in contact met de dichter Marcel Van Maele. Modeontwerpster Ann Salens, toenmalige echtgenote van Ludo Mich, kruiste het pad van Ercola toen ze de kostuums ontwierp voor de opvoering De Duivel en God van Sartre door Studio Herman Teirlinck. Ondertussen traden ook tekenaar Werner Goelen (aka Griffo), architect Luc Deleu en organisator-producer Rémonde Panis tot Ercola toe.

Met de oprichting van Ercola vzw in augustus 1971, werden de ambities bijgesteld. De statuten maakten de intenties van de vereniging duidelijk: ‘de studie, het beijveren en het centraliseren van de eigentijdse creatieve kunst door in het bijzonder een productief en informatief centrum te zijn door klank-, kleur-, licht-, tijd- en ruimte distributie.’ De Ercolaleden startten nog in dezelfde maand het ludieke, kakelbonte en nogal schuine striptijdschrift Spruit (aka ‘mannekesblad’) op. Er zouden slechts zes nummers verschijnen. Na het failliet van de drukkerij, die het blad tegen een vriendenprijsje op papier zette in ruil voor allerhande grafische opdrachten, werd de uitgave stopgezet.

De medewerkerslijst was indrukwekkend en nogal heterogeen. De absurde humor van George Smits vond onderdak in De verhalen van Jan, Marcel Van Maele schreef scenario’s voor De onthaarde maagd, getekend door Luk Carlens, Jean-Claude Block, Werner Goelen en De Rosse. Van Luc Deleu verscheen een pamflet tegen het Manhattanproject van Van Den Boeynants in Brussel, Hugo Heyrman verzorgde de puzzel- en spelletjespagina met Mathematical Sprout, Piet Verbist publiceerde er een kleurrijke en experimentele fotoroman en Walter Van Looy (aka Wally) vertelde het verhaal van Tarzan.

Voor het eerste nummer van Spruit werd de financiële hulp ingeroepen van Isi Fiszman. De Antwerpse diamanthandelaar en kunstverzamelaar financierde in 1969 reeds de oprichting van het alternatieve kunstenaarscentrum A379089 (ook wel ‘Het gouden huis’ genoemd) waar, ondanks zijn korte bestaan, James Lee Byars, Ben Vautier, Carl André, Marcel Broodthaers en zelfs La Mounte Young en Daniel Buren passeerden. Fiszman moet potentieel hebben gezien in de bonte verzameling artistieke personaliteiten die met Ercola gelieerd waren. De lancering van Spruit vormde voor Ercola meteen de aanleiding om het eerste in een reeks groots opgezette evenementen te organiseren. Op de Dageraadplaats in Berchem richtte de vereniging op 31 oktober 1971 het Vrij Volksfestival in, dat muziekoptredens, theatervoorstellingen, filmvoorstellingen en een striptentoonstelling combineerde met een ‘lightshow’ van George Smits en ‘de verschrikkelijke wandelende fashionshow’ van Ann Salens. Voor dezelfde gelegenheid diende Luc Deleu met T.O.P. Office overigens een van zijn welbekende voorstellen in: de bevlagging van de Cogels Osylei.

Door de steeds verdere uitbreiding van Ercola – eind 1971 traden kunstschilder Frans Van Roosmaelen en kunstenaar Jan Putteneers nog toe – werd de behuizing in de Grote Hondstraat te krap. Het collectief huurde vanaf mei 1972 een groot pand van de COO (Commissie Openbare Onderstand) in de Wolstraat af. Het oude godshuis J.J. Somers bestond uit 5 gebouwen en veertig kamers, waardoor Ercola in staat was ateliers aan kunstenaars ter beschikking te stellen, en ook binnenskamers grootschalige evenementen te organiseren. De verhuis werd aangekondigd in het Spruit-nummer van juli 1972 met een luchtfoto van het pand en erboven de bevlogen slogan: ‘It can happen here!’ Het was dan ook vooral met de vestiging in de Wolstraat dat Ercola begon te fungeren als uitgelezen uitvalsbasis voor ondernemende persoonlijkheden – kunstenaar of niet – om voorstellingen en tentoonstellingen te organiseren, tijdschriften uit te geven, feestjes te bouwen of kunstwerken te produceren.

Om precies te traceren wie er wanneer gewoond of gewerkt heeft, is een punctuele doorlichting van de boekhouding noodzakelijk. Maar zeker is dat striptekenaars Jean-Claude Block, Jean-Claude Buytaert, Luk Carlens, Suzzy Bailleux en Werner Goelen er leefden en werkten, dat fotograaf Piet Verbist er over een donkere kamer kon beschikken, dat Ferre Grignard er repeteerde en dat kunstenaars als Filip Francis, Ria Pacquée, George Smits en Bernd Urban er een atelier huurden. Ludo Mich en Ann Salens woonden naast de deur en ontwerpster Hilde Frunt had er een boetiek. Isi Fiszman stockeerde er zelfs werken van Panamarenko, Broodthaers en Christo. Jan Putteneers vestigde zijn Putteneers Foundation van oktober 1972 tot februari 1973 in de Wolstraat en gaf er drie nummers uit van zijn maandelijks tijdschrift Antwerp Art Info, dat naast een gedetailleerde tentoonstellings-, toneel- en filmagenda ook korte artikels bevatte over werk van kunstenaars als Hugo Heyrman, Luc Deleu, Jacques Charlier, Jef Geys, Marcel Van Maele, Filip Francis en Joost De Bruyne. Met Luc Deleu ontwikkelde hij in 1972 het project Packed Antwerp, dat een voorstel formuleerde om de volledige Antwerpse kunstscene met zeven containers naar de jongerenbiënnale van 1973 in Parijs te verhuizen. Het was eveneens Putteneers die kunstenaar en oprichter van O.A.V.P. (Ongeveer Alles Van Plastiek) Ludo Renders bij Ercola introduceerde. Renders hield er op uitnodiging van Putteneers in december 1972 een individuele expositie.

In juli 1973 was het eerste multimediagebeuren in het gebouw in de Wolstraat een feit. Het ‘animatiefilmprojektiefestival’ vond plaats in de binnentuin en had wederom een interdisciplinair karakter. Er stonden samenwerkingen op het programma met ARFO van Hugo Heyrman, met het Fringe Theater van Luc Steels en met Sixpense productions van Luc Monheim. Er werd werk getoond van onder meer Wout Vercammen, Bernd Urban, Mafprint, Frans Van Roosmaelen, Raoul Servais en Jan Putteneers.

In de tweede editie, het Gratis Totaal Gebeuren in oktober 1973, organiseerde Luc Steels met zijn Fringe Theater vreemde zaken in de kelder. In zijn One happening in ten parts moest het publiek een parcours afleggen in de kelderverdieping van het Ercolapand. Een man (acteur Mark Verreckt) verlegde er eieren, er was een stuk begraafplaats nagebouwd, er werd elektronische muziek van Joris De Laet en Luc Steels afgespeeld, ergens stond een schoteltje met vleesresten. Het geheel bracht ongetwijfeld het Living Theatre van Richard Schechner in herinnering. Een verdieping hoger werden er films van Luc Deleu en George Smits geprojecteerd. Op het binnenplein stond een podium opgesteld, waar de kolderieke travestietentheatergroep Kiek haar ding deed. Filip Francis had de gang ingepalmd. Hij schilderde er De Grootste Vloek, allerhande scheldwoorden in verschillende talen, op de muren en de vloer van de ruimte. Hij deed een vergelijkbare actie hetzelfde jaar in een ander Ercolasamenwerkingsproject in Het Empire Shopping Center in Antwerpen. Daar schreef hij twintig uur lang ononderbroken het cijfer 9 op de wanden van een van de leegstaande winkels. Hij noemde het werk The biggest written number of the World – 40.700 x 9.

Het multimediaevenement van Ercola kende nog een editie met het derde multimedia snelgebeuren in mei 1974. De rol van Ercola in het Antwerpse kunstenaarsmilieu kreeg stilaan erkenning: de grote evenementen werden besproken in Gazet van Antwerpen en Het Volk en in 1974 werd Ercola zelfs uitgenodigd voor de derde (en laatste) Triënnale voor actuele kunst in Brugge.

In de tweede helft van de jaren 70 plooiden de meeste leden zich echter meer en meer terug op hun individuele projecten. Er was wel nog de uitnodiging voor het themanummer van de Ciso Stripgids in 1978, of de reportage van Paul Jambers over Ercola die omstreeks 1975 werd gedraaid; het pand bleef ook functioneren als werkplek voor kunstenaars die er ateliers huurden, zoals Nicole Van Goethem die er in 1979 introk, Rudi Renson die in 1979 het atelier betrok dat hij samen met Luc Deleu had verbouwd en Wannes Van de Velde die er vanaf 1984 voorstellingen gaf van zijn poesjenellentheater Water en wijn, maar echt actieve samenwerkingen gebeurden toen enkel nog in het decoratelier Ercola, dat gerund werd door Jean-Claude Block, Walter Van Looy en Frank Daniels. Het leverde decors af voor film en theater, in 1976 bijvoorbeeld voor Deus lo volt van Luc Monheim, die voor zijn eerste langspeelfilm Verloren maandag uit 1973 reeds een deel van het gebouw in de Wolstraat als decor gebruikte. In de jaren 80 verzorgden ze de decors van het Echt Antwaarps Teater en van grotere filmproducties als Hector (Stijn Coninx, 1987), Skin (Guido Henderickx, 1987) en Blueberry Hill (Robbe de Hert, 1989). Vanaf 1988 werkten ze voor VTM en ze werden ook onder de arm genomen voor de producties van Studio 100.

 

Ruimte Z Aksent (1982-1983)

29 oktober-22 november 1982

In Ruimte Z Aksent, Lovelingstraat 56, 2200 Antwerpen vindt de mail-arttentoonstelling Dokumente plaats, die eerste in Kassel te zien was, en daarna reisde naar Amsterdam, Bonn, Basel en München. ‘Dokumente: honderd dossiers, per post verzonden door kunstenaars, werden in kartonnen boxen gedurende honderd dagen tentoongesteld in de kleinschalige galerij van Jürgen Olbrich te Kassel, gelijktijdig met de groots opgezette kapitaalkrachtige prestigetentoonstelling Dokumenta 7. Elk van deze kunstenaars kreeg een bepaalde dag de gelegenheid zijn dossier, met een eventueel daaraan verbonden plastische ingreep, voor te stellen. Ruimte Z Aksent neemt deze tentoonstelling over, geïllustreerd door foto’s en dia’s van de verschillende individuele activiteiten.’ Deelnemers: S. Joos-Schmidt, Mario Reis, Gotze Regenbogen, Jürgen Raap, Fuchser, der Bilderbauer, Niall P. Monro, Axel Dick, Ria Pacquée, Thomas Fischer, Peter Kaczmarek, Fritz Rahmann, Bernhard Sprute, Wolfgang Hainke, Reinhard Nible, Maria Stiehl, Joachim Wagner, Torben Ebbesen, Karla Gotze, Jo de Jonge, Annegret Soltau, Dieter Haist, Bodo Berheide, Jörgen Christensen, C. Schmidt-Olsen, Fritz Balthaus, Völker Hamann, Wulle Konsumkunst, Klaus Peter Finke, Horst Hahn, Klaus Eggemann, Stanislav Horvath, Friedrich Winnes, Hajo Antpohler, Herbert Kindermann, Johan Van Geluwe, Sjoerd Paridaen, Bernhard Schwarz, Sef Peeters, Pino Poggi, Erik Malzner, Klaus Urbons, Marianne Pitzen, Wim Kruiswijk, Steffen Missmahl, Wolfgang Wiesemes, Renate Bertlmann, Maarten Thiel, G.D. Donder-Langer, Angela Riemann, Lys Dana, C. + G. Ruch, Silvia Steiger, Klaus Richter, Marc Schepers, Erich Schiffer, Gerlinde Kemper, Boris Nieslony, Hermann Pitz, Martin Peulen, Tom Stark, Isabelle Marie, Bernd Lobach, Hajo Duchting, Janos Urban, Guy Bleus, Guillaume Bijl, Babbelplast, Jill Nustchin, Klaus Groh, Christof Mauler, Cejar, Adrian Phipps-Hunt, Mogens Otto Nielsen, Rolf Peter Baacke, Hermann Stuzmann, George J. Steinmann, Bruno Jakob, Ton Scheerder, Bruno Krenz, Birger Jesch, J.W. Huber, Jürgen Gottschalk, Robert Rehfeldt, Poul Esting, Markus Raetz, Klaus Staeck, Rolf Staeck, Gerd Garbe, Stephan Luthi, Hans Wolfgang Becker, Pier van Dijk, Rod Summers, Rolf Behme, Edelgard Breitkopf, Werner Elbrecht, Uwe Gibel, Karin Pabst, Josef Felix Müller, Hubert Kretschmer, Susann Kretschmer, Jürgen O. Olbrich.

december 1982-januari 1983

Jörgen Voordeckers stelt tentoon in Ruimte Z Aksent.

29 januari-27 februari 1983

Het magisch theater en zijn graffities, airbrushpaintings en geluidssferen in Ruimte Z Aksent, Lovelingstraat 56, 2200 Antwerpen. Opening op zaterdag 29 januari om 20.30 uur met optreden van Straggianopff 99 en zijn Vicieuze Memoriez, stroeve teksten over een lethargische tragiek.

23 april – 14 mei 1983

Xavier De Clippeleir stelt tentoon in Ruimte Z Aksent.

19 mei-4 juni 1983

Leo Steculorum stelt tentoon in Ruimte Z Aksent.

11-25 juni & 9-17 september 1983

In het kader van de Biënnale 1 van de Antwerpse galerijen vindt in Ruimte Z Aksent een tentoonstelling met objecten en reliëfs plaats. Deelnemers: George Smits, Luc Deleu, Guy Rombouts, Leo Steculorum, Frank Castelyns, Ria Pacquée, Xavier De Clippeleir, Guillaume Bijl, Pieter Roelse, Club Moral, Jürgen V. Deckers, Walter Van Rooy, Ludo Mich en Hugo Roelandt. Guillaume Bijl stelt een Composition trouvée tentoon in Ruimte Z’. Op zaterdag 11 juni gingen eveneens open: Middelheim (‘s middags), Montevideo, Cintric.

Voorafgaand aan deze tentoonstelling volgend briefje: ‘Geachte medewerker, Gelieve uw werk binnen te brengen Zaterdag 4 juni tussen 3 en 6 uur ‘s namiddags of ten laatste maandagavond (6 juni) tussen 7 en 9 uur. Omdat wij een overzicht in verband met accrochage [sic], die maandagavond zal zijn, gelieve deze uren na te leven. Indien dit voor u onmogelijk is, gelieve dan contact op te nemen met Ria of met Guillaume, achteraf zou het te laat kunnen zijn. Ingesloten vindt u de persnota over deze manifestatie. Het beste zou zijn dat iedereen maandagavond mee komt helpen installeren van zijn eigen werk. Met dank voor de aandacht, Vriendelijke groeten, Ruimte Z Aksent.’

Ria Pacquée neemt, ‘met enkele mensen uit de oude kern van Ruimte Z’, de alternatieve galerie Ruimte Z over. Uit de persmap: ‘Biënnale 1/Antwerpse Gallerijen. In 1979 en 1980 was Ruimte Z v.z.w. onder initiatief van de schilder Walter Van Rooy één van de weinige Antwerpse galerijen waar nieuwe plastische tendensen aan bod kwamen. Kunstenaars, die momenteel in een bepaalde belangstelling staan, hadden hier hun eerste Antwerpse tentoonstelling. Sinds 1980 is het galerijencircuit te Antwerpen op dit vlak vertienvoudigd (Blanco, Club Moral, Cintric, Montevideo, 121, Zeno X, Art Info e.a.) toch is de situatie van sommige geïsoleerder of ‘eerste tentoonstelling zoekende’ beeldende artiesten nog niet zonder moeilijkheden. Grotendeels daarom heeft Ria Pacquée, met enkele mensen uit de oude kern, besloten deze ruimte terug te openen in de geest van het voormalig initiatief, om nieuwe kunstenaars te introduceren. De nu opgezette tentoonstelling, aanleunend bij de Biënnale, draagt als titel Objecten en reliëfs en brengt werk en documentatie van zowel nieuwe als vroegere Ruimte Z-exposanten. Deze kunstenaars zijn geen typische beeldhouwers. Door verschillende ‘roots’ en disciplines komen zij soms tot een driedimensionale verlengenis van hun oeuvre: George Smits (schilder, muziek), Luc Deleu (architect, installatie), Guy Rombouts (woorden, lettervisualisaties), Leo Steculorum (filosoof, schrijver, schilder), Frank F. Castelyns (tekenaar, individuele mythologie), Ria Pacquée (performance, installatie), Xavier De Clippeleir (design), Guillaume Bijl (narratieve installaties), Peter Roelse (schrijver, computerkunst), Club Moral (schilder, performance, muziek), Jürgen V-Deckers (performance, schilder), Walter Van Rooy (schilder), Ludo Mich (performance, film), Hugo Roelandt (performance, video).’

? oktober – 5 november 1983

Jörgen Voordeckers stelt tentoon in Ruimte Z Aksent.

1 december 1983

Het Belgian Institute for World Affairs stelt tentoon in Ruimte Z Aksent, Lovelingstraat 56, 2200 Antwerpen. De uitnodiging vermeldt het uur 22.00 uur en de titel: Dualisme.

 

 

 

 

 

De aankomst, de verwerking en het afscheid van het postmodernisme in Vlaanderen

1.

Koen Brams: We willen eerst bespreken hoe jullie in aanraking kwamen met het postmodernisme en hoe jullie die term en dat gedachtegoed destijds begrepen. Ortwin, hoe heb jij kennisgemaakt met het postmodernisme?

Ortwin de Graef: Ik begon in 1980 met mijn studies Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Het postmodernisme herinner ik mij vooral als het label dat gebruikt werd om de boeken van Amerikaanse auteurs zoals Thomas Pynchon en William Gaddis op begrip te brengen. Pynchon en Gaddis zetten zich af tegen klassieke narratieve structuren en bedienden zich van collagetechnieken. Ze knutselden grote en vreemde ondingen in elkaar, durfden alle kanten op te gaan en leken zich niet te bekommeren om de lezer. Hun werk werd op een gegeven moment als postmodern bestempeld.

K.B.: Hoe keek jij tegen die kwalificatie aan?

O.d.G.: Aan de universiteit kreeg ik te horen dat Ulysses van James Joyce en The Waste Land van T.S. Eliot de grote werken van het modernisme waren. Ik las beide teksten en vroeg me af wat in feite de overeenkomsten waren. The Waste Land is eigenlijk een in hoge mate nostalgisch, reactionair werk, dat heel anders in elkaar zit dan Ulysses. Toch zouden dat alle twee modernistische werken zijn. Het postmodernisme zou dan nog iets anders zijn. Toen ik die analyse had gemaakt, begon ik meer en meer afstand te nemen van die termen, denkende: ‘It just doesn’t make any sense’. Met de term ‘postmodernisme’ is men er wel heel snel in geslaagd om de tijdgeest te vatten, daar kan je niet naast. Maar ik kon in het postmodernisme geen methode zien. Als je wou nadenken over menswetenschappelijke vraagstukken, waar ik me op heb toegespitst, dan kon je met het postmodernisme niet zo gek veel. Het poststructuralisme en de deconstructie daarentegen zijn veel enger, tegelijkertijd veel technischer, en bieden veel meer mogelijkheden. Deconstructie is een specifieke manier om met teksten om te gaan en aan te geven wat er problematisch aan zou kunnen zijn.

K.B.: Je maakte een doctoraat over Paul de Man, een van de prominente denkers van de deconstructie.

O.d.G.: Dat klopt.

Dirk Pültau: Johan, wanneer ben jij voor het eerst in contact gekomen met de term ‘postmodernisme’.

Johan Thielemans: Daar moet ik niet lang over nadenken: in de jaren 70 heb ik een cursus gevolgd bij Ihab Hassan, die reeds in 1971 de term had bedacht. In dat jaar publiceerde hij The Dismemberment of Orpheus: Toward a Postmodern Literature. Hassan was heel sterk in het maken van lijstjes met kenmerken van (post)moderne literatuur. De Amerikanen smulden ervan. Later kwam Jean-François Lyotard opnieuw met de term op de proppen. In 1979 publiceerde hij La Condition postmoderne. Ik heb trouwens in 1985 Les Immatériaux van Jean-François Lyotard en Thierry Chaput gezien, in het Centre Pompidou, de tentoonstelling die algemeen als het manifest van het postmodernisme wordt beschouwd. Niemand begreep er een sikkepit van, dat geef ik je op een blaadje.

D.P.: Hoe ging jij om met het werk van Ihab Hassan?

J.T.: Ik zag het als een handvat. Voor Radio 3 maakte ik op dat moment programma’s over Amerikaanse literatuur. Ik heb verschillende Amerikaanse auteurs ontmoet, sommigen zelfs meermaals, William Gaddis bijvoorbeeld, de auteur van The Recognitions en J.R. Gaddis had op dat moment nog niet dezelfde status in Amerika als nu. Het was al Norman Mailer, Philip Roth en Saul Bellow wat de klok sloeg. Vanuit Europa, meer bepaald vanuit Frankrijk, is aan Amerika gemeld dat Gaddis een belangrijk auteur was. Dat is een strijd geweest, die gelukkig in het voordeel van Gaddis is beslecht. Ik heb daar overigens een rol in gespeeld.

D.P.: Hoe bedoel je?

J.T.: Ik heb meegewerkt aan de bekendmaking van zijn oeuvre in Parijs. Op het thuisfront heb ik aan Gaddis en consoorten – onder anderen Thomas Pynchon en Gilbert Sorrentino – verschillende radio-uitzendingen gewijd. Ook Gilbert Sorrentino heb ik gesproken. Sorrentino is iemand die alleen maar speelt. Hij neemt bijvoorbeeld een pakje tarotkaarten en beschrijft die hoofdstuk per hoofdstuk. Dat was dan een roman. Ik schreef over deze auteurs ook teksten en werd regelmatig uitgenodigd om lezingen te geven.

O.d.G.: Ik herinner mij dat jij ooit een lezing hebt gegeven in het kader van een college van Vik Doyen, mijn toenmalige professor Amerikaanse literatuur…

J.T.: …dat was ik helemaal vergeten, maar je hebt gelijk, ik heb daarover toen een lezing gegeven aan de faculteit Letteren.

D.P.: Welke lading dekte de term voor jou, Johan?

J.T.: Ik zie de evolutie van het intellectuele en artistieke leven graag als een dialectisch proces. Het moderne, waar ik me tegen afzette, lokte iets anders uit, het postmoderne. Ik wil hierbij wel opmerken dat de discussie per discipline op een andere manier moet worden gevoerd. Terwijl Thomas Pynchon in zijn literaire meesterwerk V. enorm veel verhalen vertelt, opteert Merce Cunningham voor een abstracte beeldtaal – hij vertelt in wezen niets. Dat Cunningham bekendstaat als een postmoderne choreograaf, heeft te maken met het feit dat hij het lichaam als het ware uit elkaar haalt. In de architectuur woedt dan weer het debat over het ornament. Is dat een zonde? Neen, zeggen de postmodernisten, zoals de Amerikaanse architectuurtheoreticus Charles Jencks. Ze houden ook een pleidooi voor historische citaten. Per discipline wordt het postmodernisme op een andere manier geformuleerd. Probeer Cunningham en Jencks maar eens op een lijn te krijgen. Dat lukt nooit. Als je de term gebruikt, moet je meteen aangeven op welke discipline hij voor jou betrekking heeft.

K.B.: Frank, hoe heb jij met het postmodernisme kennisgemaakt?

Frank Vande Veire: Ik heb daar een leuke anekdote over. Op een gegeven moment vroeg Jan Hoet mij of ik hem, Karel Geirlandt en Roland Patteeuw wilde uitleggen wat de term ‘postmodernisme’ betekende: ‘Ze spreken daar de hele tijd over, maar wat is dat nu in feite?’ Hij zei ook: ‘Je moet niet over kunst spreken, dat doen wij wel.’ Ik wist eigenlijk ook van toeten noch blazen. Ik kwam die term af en toe tegen, maar ik kon niet een, twee, drie een definitie aanreiken. Ik heb me een paar weken ingelezen, vooral in het tijdschrift October, en toen bleek het postmodernisme iets te zijn waar ik al tien jaar mee bezig was! Jacques Derrida, Jean-François Lyotard, Jean Baudrillard… dat waren de auteurs van wie ik de boeken had verslonden, maar geen enkele van die zogenaamde postmoderne filosofen noemde zich postmodern of gebruikte die term. In elk geval: ik gaf gewoon een inleiding op Baudrillard en Lyotard. Een tijdje later vroeg Hoet mij een tekst te schrijven over postmodernisme in de kunst. Dat deed ik.

K.B.: Hoe reageerde Hoet op je geschrift?

F.V.V.: Ik wist dat hij de tekst moeilijk zou kunnen bekken. Het ging over tekens en simulacra en dergelijke. Zo’n discours paste niet bij hem. Bij hem gaat alles over authenticiteit, zelfexpressie…

D.P.: In het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent heeft men nadien niets met het postmodernisme gedaan. Jouw uitleg heeft zijn effect blijkbaar niet gemist!

K.B.: Heb jij La Condition postmoderne van Lyotard gelezen, Frank? Had je affiniteit met zijn invulling van het concept ‘postmodern’?

F.V.V.: Ik weet niet wanneer ik La Condition postmoderne heb gelezen, maar in elk geval vóór de publicatie van de Nederlandse vertaling in 1987. Ik vond het een nogal oppervlakkig boek, een soort brochure. Lyotard noemde het ook een rapport. In La Condition postmoderne constateert Lyotard dat de grote verhalen ten einde zijn. Dat is een verschrikkelijk simplistische analyse die bovendien ideologisch makkelijk te misbruiken is: als er zogezegd geen grote verhalen meer zijn, dan is er nog maar één groot verhaal, het neoliberale kapitalisme. De latere werken van Lyotard waren interessanter. Le Postmoderne expliqué aux enfants was interessanter dan de tekst die hij voor de ‘grote mensen’ had geschreven. Het betoog was meer toegespitst op de kunst en hij suggereerde ook geen strikte chronologie meer. Hij zag binnen het modernisme twee stromingen: het klassieke modernisme en het ‘alternatieve’ modernisme dat we als postmodernisme hebben leren opvatten.

D.P.: Bart, was Lyotard voor jou belangrijk bij het ontwikkelen van een omgang met het postmodernisme?

Bart Verschaffel: Nee, totaal niet, maar ik kende wel zijn stellingen. Als je het wil samenvatten, heb je niet veel tijd nodig. Ik heb altijd veel tijd gewonnen doordat anderen dat soort boeken lazen.

D.P.: Hoe ben jij dan met het postmodernisme in aanraking gekomen?

B.V.: Voor mij hebben de kunsten een zeer belangrijke rol gespeeld. Dans of danstheater sprong er zonder meer uit. Het is de meest internationaal georiënteerde kunstdiscipline, in de twee richtingen: vanuit België naar het buitenland, en vanuit buiten- naar binnenland. Het vroege werk van Jan Fabre zou ik bij uitstek postmodern noemen.

J.T.: Zijn theaterwerk of zijn plastisch werk? Want dat vind ik twee verschillende werelden.

B.V.: Dat zijn inderdaad twee andere soorten werk. Fabre is een onzuiver artiest.

F.V.V.: Dat kan je wel zeggen.

B.V.: Het is een van de redenen waarom ik hem interessant vind. Ik heb net zijn eerste drie stukken op dvd opnieuw gezien: Theater (geschreven) met een K is een kater, Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was en De macht der theaterlijke dwaasheden. Vooral de laatste twee zijn uitzonderlijk.

F.V.V.: Als er ooit een postmoderne titel bedacht is, dan is het wel De macht der theaterlijke dwaasheden.

B.V.: Zeker. Ik denk dat Fabres vroege werk belangrijk is geweest. Wat er postmodern is aan De Macht…? Hij heeft de theatraliteit die hij in de zaal aantrof, gebruikt als materiaal: de architectuur, de scène, het gordijn, de vierde wand die opengaat, de stilte voor de voorstelling begint. De modernisten moesten niet van gordijnen weten. Ze hadden niets met het perspectief. Ze zagen de theaterzaal als een black box. Een andere productie die voor mij van groot belang is geweest, is Ottone, Ottone van Rosas, niet de livevoorstelling, maar de video van Walter Verdin.

D.P.: Waarom?

B.V.: In de voorstellingen die eraan voorafgingen, hanteerde Anne Teresa De Keersmaeker een modernistische danstaal. Een aantal keren is ze daaraan voorbijgegaan, met name op het moment dat ze met materiaal begon te werken dat ze tot dan toe onaangeroerd had gelaten. Voor Ottone, Ottone ging ze aan de slag met een opera van Monteverdi. Plots zie je een soort van vrijheid: dat je kan omgaan met oude vormen, dat je met alles kan werken, dat het niet waar is dat je bij je eigen tijd moet horen.

D.P.: Jij was in de jaren 80 ook bezig met architectuur. Wat was daar aan de hand?

B.V.: In de wereld van architectuur en design kon je moeilijk actief zijn zonder de term tegen te komen. Het postmoderne was een cruciaal begrip om te thematiseren wat er in de architectuur – en het ontwerpen in het algemeen – aan het gebeuren was. Met de Strada Novissima van curator Paolo Portoghesi landde het postmodernisme in 1980 in Venetië: twintig architecten, allemaal met een modernistische opleiding, tekenden een gevel en maakten samen een straat in het Arsenale, met zuilen en allerlei kleuren. Dat was een krachttoer. De designbeweging Memphis manifesteerde zich een weinig later. Er kantelde iets: er was geen verplichte vormentaal meer; de vorm werd ‘vrij’. Het uitgangspunt was dat je de manier waarop een huis er moet uitzien niet kan beargumenteren.

D.P.: Hoe lagen de kaarten in België?

B.V.: Geert Bekaert schreef al in 1982 een tekst over de postmoderne architectuur van Peter Eisenman in het tijdschrift TABK. Begin jaren 80 werd in België ook de mode plots zeer interessant. Wat is er aan de hand in de samenleving? Wat gebeurt er met de verschijning, met het lichaam, met het geslachtelijke? Iemand als Walter Van Beirendonck had daar ineens zeer relevante dingen over te zeggen. Hij bombardeerde de verschijning tot een feest. In de jaren 80 werd design echt interessant, omdat er gezocht werd naar formuleringen die het individuele project overstegen. Was de poëzie in de jaren 80 tot iets gelijkaardigs in staat? Ik durf het te betwijfelen. Ik ben van mening dat sommige disciplines gevoeliger zijn om die nieuwe maatschappelijke voorwaarden te thematiseren.

J.T.: Ik zei daarstraks al dat je het postmodernisme per discipline moet definiëren.

B.V.: Ja, soms zijn disciplines veel meer bezig met hun eigen ontwikkeling, dan met de algemene maatschappelijke agenda. Andere factoren zijn de verhouding tot het publiek, tot instituties en tot internationalisering.

K.B.: Wat waren jouw filosofische referenties?

B.V.: Mijn doctoraat, dat ik in 1985 verdedigde, handelde over de filosofie van de geschiedwetenschappen. In 1979 of in 1980 had ik De kaas en de wormen van Carlo Ginzburg gelezen. Het was in het Italiaans gepubliceerd in 1976 en was nog niet vertaald toen ik het las. Het boek maakte deel uit van een reeks met een veelbetekenende titel: Microgeschiedenis. Samen met enkele medestanders poogde Ginzburg een soort geschiedenis op microniveau te schrijven: bijvoorbeeld over ‘het wereldbeeld van een zestiende-eeuwse molenaar’, wat de ondertitel is van De kaas en de wormen. De boodschap was dat de grote ideologische constructies geen vat krijgen op die microgeschiedenissen. Ik ben naar Italië gereisd om Ginzburg op te zoeken. Ik ontmoette niet alleen Ginzburg, maar ook zijn intellectuele medestanders, onder anderen Franco Rella en Gianni Vattimo. Ze hoorden tot de eerste generatie die uit de grote verhalen was gestapt. En dat mag je letterlijk nemen: ze waren allemaal communist geweest, hadden de partij of de beweging verlaten en waren bezig hun intellectuele bakens te verzetten. Het antwoord van Vattimo en consoorten, onder wie Pier Aldo Rovatti, was il pensiero debole, ‘het zwakke denken’. Het ging om een vernieuwd inzetten van rationaliteit, waarbij voornamelijk Martin Heidegger en Walter Benjamin als wegbereiders werden gezien.

O.d.G.: Ik denk dat het voor de geschiedenis niet zo gek veel uitmaakt of men nu uit het communisme of uit een andere politieke ideologie stapt. Al die politieke ideologieën zijn redelijk schaamteloos in hun pretentie dat zij een vorm van rechtvaardigheid dienen. Het geloof in rechtvaardigheid verlies je als je het postmodernisme omhelst.

B.V.: Let op: de teloorgang van het communisme in Italië had naast il pensiero debole van Vattimo en Rovatti ook een duistere kant. Sommige linksen, bijvoorbeeld de Rode Brigades, kozen voor een gewelddadige route. Als het communisme als veilige haven wegvalt, ontstaat er bij sommigen klaarblijkelijk een behoefte aan radicaliteit.

 

2.

K.B.: In de jaren 80 hebben jullie in sommige teksten stilgestaan bij, zoniet gefocust op het postmodernisme. Johan, in het Americana-nummer van Raster, nr. 27-28, publiceerde jij de tekst De trivialiteit van de twijfel, een portret van de postmoderne roman in Amerika. Je schreef: ‘Wanneer de duidelijke band tussen sociale realiteit en de wereld van het boek door de schrijver wordt doorgesneden, opent zich een scala aan nieuwe narratieve mogelijkheden. In Amerika is die afwijzing van de vigerende conventies bedacht met de naam postmodernisme.’

J.T.: Ja, in dat essay stelde ik de literatuur van de ‘realisten’ zoals Saul Bellow, Bernard Malamud en James Baldwin tegenover het werk van de ‘postmodernisten’ zoals William Gaddis, Gilbert Sorrentino, John Barth, Walter Abish en Thomas Pynchon.

F.V.V.: Ik heb vorig jaar voor het eerst Pynchon gelezen, meer bepaald The Crying of Lot 49. Ik vind het juist een ongelofelijk realistisch boek; het is een schets van de paranoïde samenleving waarin wij nu leven. Hij schrijft niet zozeer dat alles kan en alles mag, neen, hij beschrijft een wereldbeeld dat beheerst wordt door achtervolgingswaan.

K.B.: Wat sprak jou aan in het werk van Pynchon, Johan?

J.T.: Pynchon schetst in V. een groot wereldbeeld, opgehangen aan de letter V die zogezegd de ganse geschiedenis omvat en de sleutel is tot het verstaan van ons bestaan. Maar op het laatste ogenblik zegt hij: een gelukkig mens is een mens zonder wereldbeeld. Het einde is de grote ontnuchtering, wat ook het geval is in The Crying of Lot 49. De betekenis wordt opgeblazen. De postmoderne literatuur interesseerde me mateloos. Ik kreeg ook belangstelling voor postmoderne architectuur. Mies van der Rohe had mij nooit echt kunnen boeien. De postmoderne architectuur daarentegen sprak mij wel aan.

K.B.: Kan je dat toelichten?

J.T.: Als ik naar de gebouwen van Mies keek, dan werd ik daar niet warm van. Wat de postmoderne Amerikanen deden, trok me wel aan: ornamenten, citaten, grote gebaren, wat in Vlaanderen onheus spektakelarchitectuur wordt genoemd. Calatrava bijvoorbeeld wordt hier zeer negatief onthaald, maar ik zie dat graag. Of Frank Gehry die een papiertje neemt, er een plooi in legt en die papieren constructie vervolgens optrekt. Charles Jencks celebreerde de postmoderne architectuur. Hij woont ook in een postmodern huis dat hij zelf heeft ontworpen. Heel zijn huis zit vol symbolen; dat huis is een verhaal! Mag dat niet? Ik ben er in alle geval dol op.

F.V.V.: Ik herinner me dat ik een grote afkeer had van de term ‘postmodernisme’. Ik was van mening dat je aan de hand van een term iets moet kunnen verklaren; met de term ‘postmodernisme’ lukte dat niet. Er vonden vervelende lezingen plaats over de omschrijving van een bepaalde roman als ‘postmodern’. De personages zijn niet duidelijk afgebakend, de psychologische logica klopt niet helemaal, het wereldbeeld is versplinterd, dus is deze roman postmodern. Dat soort benadering. Er waren zes of zeven kenmerken, op basis waarvan een roman als ‘postmodern’ kon worden bestempeld. Het was hopeloos steriel om op die manier een literair werk of een kunstwerk te benaderen. Dat ging nergens over. De kenmerken die men opsomde, kon men bovendien ook makkelijk terugvinden in negentiende-eeuwse romans of kunstwerken. Wat was dan het nut van die lijstjes?

B.V.: Charles Jencks is ook zo’n apotheker.

K.B.: En Ihab Hassan uiteraard. Hij stelde een menu van eigenschappen samen, waaraan volgens hem een bepaalde vorm van literatuur beantwoordde die hij als ‘postmodern’ muntte.

J.T.: Hassan was daar inderdaad heel sterk in. Hij zag ook overal verbindingen, tussen Beckett en Joyce, tussen mysticisme en Boeddha. Op den duur had je er geen enkele vat meer op.

F.V.V.: Het was inderdaad uitermate verwarrend: als men Merce Cunningham of Samuel Beckett plots postmodernisten noemt, waar zijn we dan mee bezig? Dat zijn immers ultramodernisten in de goede zin van het woord: uitzuiveren, tot op het bot gaan, zoveel mogelijk woorden of gebaren schrappen…

K.B.: Frank, je hebt ons het typoscript bezorgd van de tekst over het postmodernisme die je in 1988 schreef voor Jan Hoet. In die tekst doe je in feite toch hetzelfde als Johan in zijn essay over de Amerikaanse postmoderne literatuur: je maakt een lijst van eigenschappen die samen de noemer van het postmodernisme vormen. Je relateert het postmodernisme ook aan één specifiek oeuvre, namelijk dat van Jan Vercruysse.

F.V.V.: Die tekst voor Jan Hoet schreef ik in zeven haasten. Ik had een week of twee weken tijd, als ik het me goed herinner. Wat ik schreef over het postmodernisme, heb ik inderdaad proberen toe te passen op het werk van een aantal kunstenaars. Het gaat niet alleen over het werk van Vercruysse. De tekst handelt over een aantal tendensen in de hedendaagse kunst op dat moment.

K.B.: De tekst beslaat in totaal zes bladzijden: de hoofdtekst beloopt drie bladzijden, de twee noten eveneens drie bladzijden. De tweede noot, de allerlangste, handelt alleen over de drempel en de schijn in het werk van Vercruysse.

F.V.V.: Ik denk dat het een verdienste is dat de tekst niet alleen een beeld schetst van een algemene situatie, maar ook op een oeuvre focust. In dat stuk heb ik een poging gedaan om het postmodernisme te beschermen tegen de vulgaire invulling van het concept, bijvoorbeeld de identificatie van postmodernisme met ironie, citaten of kitsch.

K.B.: De tekst is daarna gepubliceerd in het zevende nummer van het ALW-cahier, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap. Zowel jouw naam als die van Jan Hoet staan vermeld als auteurs.

F.V.V.: Echt waar? Ik weet daar niets van.

K.B.: Je weet niet dat die tekst gepubliceerd is?

F.V.V.: Neen, het is het eerste dat ik ervan hoor. Ik zou zo’n tekst nooit publiceren. De tekst die ik aan Jan Hoet bezorgde, was een schets voor een lezing die hij zou geven, meer niet. Door te focussen op de schijn heb ik een diepere inhoud aan de term willen geven. Ik ergerde me bijvoorbeeld mateloos aan het gedweep met de ironie, zogenaamd een van de wezenstrekken van postmoderne kunst. Ik vind ironie heel problematisch.

B.V.: Ja, de ironie is nu overal. Van het Reve, wist hij zelf nog of hij katholiek was of niet? Of neem Humo. Humo, dat is een grote pot van Devos-Lemmens, boordevol ironie. Het is tonen dat je vrij bent van de band met de betekenissen.

F.V.V.: Achter die ironie gaat echter veel meer ernst schuil dan men wil toegeven. Men maakt een bepaalde vorm van gedrag belachelijk en men verbergt datgene wat men ernstig meent. Onder het mom van het doen alsof, meent men echter maar al te goed wat men doet. Het is de logica van Madonna. In de ironische vormen die zij naar buiten brengt, toont ze wie ze echt is.

J.T.: Dat zijn toch alleen maar citaten van vrouwenbeelden.

F.V.V.: Neen, daar ben ik het niet mee eens. In de postmoderne theorie wordt uitgelegd dat Madonna ongelofelijk subversief en ironisch is, dat ze allerlei vormen parodieert, maar dat klopt niet. Dat is wie zij is. De echte Madonna zie je in de videoclips. Het is onjuist dat zij zogezegd alleen maar citeert.

O.d.G.: Ik ben het in grote lijnen met je eens, denk ik. Ironie is vaak een techniek om een betekenis te produceren. Ironie wordt pas interessant voor mij als het een effect is dat voortkomt uit de werking van het medium waarin je betekenis creëert, en dat aan je controle ontsnapt. Dan zeg je iets anders dan wat je wilt zeggen, niet omdat jij het wilt, maar omdat er iets ‘gebeurt’ op het niveau van de betekening. Wat daar interessant aan is, wordt gerecupereerd en geïnstrumentaliseerd door iemand als Madonna die zich bedient van ironische citaattechnieken. Het mogelijk kritische potentieel van de ironie wordt volledig uitgekleed.

F.V.V.: Ja, maar het is moeilijk om er de vinger achter te krijgen.

O.d.G.: De deconstructie is geïnteresseerd in de betekenisverschuivingen die niet het product zijn van een soeverein subject.

F.V.V.: Ironie is alleen maar interessant als er sprake is van een pijnlijke, gênante overidentificatie met datgene wat je ironiseert.

B.V.: Ja, dat is de definitie van het klassieke dandyisme.

D.P.: Ortwin, je stelde dat je reeds tijdens je studies de termen ‘modernisme’ en ‘postmodernisme’ problematisch vond. Weigerde je de termen ook te gebruiken toen je zelf les begon te geven aan de universiteit?

O.d.G.: Neen, zo ver ging het nu ook weer niet. In de jaren 90 heb ik een cursus gegeven met als titel Postmodern fiction. Ik las met mijn studenten Amerikaanse romans die als postmodern geëtiketteerd waren. De vraag was wat er ‘postmodern’ aan was. Het was een poging om die term kritisch te valideren. De slotsom was dat het begrip de lakmoesproef niet doorstond. Ook iemand als Jacques Derrida heeft zich er altijd tegen afgezet, tegen dat soort van ruwe classificaties. Het poststructuralisme is echter heel wat moeilijker te vertalen naar het grote publiek.

J.T.: Jacques Derrida en zijn Franse collega’s waren wel graag geziene sprekers in Amerika. In hun kringen waren ze echte vedetten. Hun werken werden ook gretig vertaald. Amerika heeft een belangrijke rol gespeeld in de promotie van postmodernisme, poststructuralisme en deconstructie.

D.P.: Johan, waarom wilde jij je bedienen van de term ‘postmodern’. Wat was voor jou de meerwaarde?

J.T.: Het postmoderne is ook een bevrijding. Pynchon maakte duidelijk dat de waarheid niet bestaat: V is de waarheid en met die waarheid maakt hij op het einde van zijn boek komaf. Hij ontmaskert en ontkracht de conventies als constructies of leugens. Het is een enorme bevrijding. Alle morele eisen worden afgevoerd. De zuiverheid van iemand als Mies van der Rohe wordt aan de kaak gesteld. Het verbod op het ornament wordt afgewezen. Het is een feest.

B.V.: Het inzicht dat er geen waarheid is en dat je ze zelf kan maken, is het begin van alle creativiteit: barok, rococo, van de neostijlen tot nu. Het is inderdaad een feest – de Memphis-ontwerpers onder wie Andrea Branzi, Alessandro Mendini, Ettore Sottsass, dat zijn futuristen in het kwadraat. Ze slaan alles los. De vormen zijn vrij, dat is een enorme winst.

F.V.V.: De postmoderniteit is volgens jou een democratisering of een vulgarisering van de avant-garde, zoals het futurisme?

B.V.: Ja, die avant-garde is volledig geabsorbeerd door de mainstreamcultuur. Bij ons was er iemand als Philippe Tonnard: hij beleefde plezier aan het decoratieve, aan sjablonen en aan de zotste metaforiek. Dat is echt fantastisch, maar je merkt dat het feest heel snel gerecupereerd wordt. Het is haast meteen zijn scherpte kwijt. De spektakelindustrie, de kitsch en de mode zien begrijpelijkerwijs veel heil in het postmoderne, maar halen er meteen ook de angel uit.

D.P.: Is de postmoderne architectuur – om even op die discipline te focussen – op enig moment kritisch geweest?

J.T.: ‘Wij willen geen rechte lijn meer’: ik vind dat een behoorlijk kritische uitlating.

B.V.: Ja, dat je geen vorm kan motiveren vanuit een functie, een doel of een betekenis: dat is een sterk statement. Op het moment dat de vorm vrij is, is alles wat zich voor, achter of naast jou bevindt perfect bruikbaar.

F.V.V.: Dat er geen causale relatie is tussen vorm en functie, daar heeft het postmodernisme terecht op gewezen.

D.P.: Is dat geen kritische demarche die zichzelf opbrandt zo gauw ze verschenen is?

B.V.: Uiteraard. Daar komt nog bij dat het postmodernisme stelt dat kritiek niet belangrijk is. Wat daarentegen wel interessant is, is van alles proeven, verwisselen, recycleren. Als het vervelend wordt, dan doe je gewoon iets anders.

O.d.G.: Dat is toch problematisch? Ik heb de postmodernen ook nog nooit iets horen zeggen over de catastrofes waarmee we te maken hebben of krijgen: de mondiale bevolkingsaangroei, global warming… We zijn al met te veel mensen op deze planeet en er komen steeds meer mensen bij, maar we zitten nog steeds in de postmoderne ontkenning daarvan. Elk dystopisch vuiltje wordt door de postmodernen weggepoetst.

K.B.: Bart, in 1989 werd jouw essaybundel De Glans der Dingen gepubliceerd, waarin de tekst Post-moderniteit. Over de dood van de Kunst en de alomtegenwoordigheid van de schoonheid is opgenomen. Kan je iets zeggen over de achtergrond van die tekst?

B.V.: Dat essay was het resultaat van een bewerking van twee teksten die eerder in tijdschriften waren verschenen. De waarheid en de glans der dingen, een tekst die onder andere handelde over Memphis, was in 1988 in Streven gepubliceerd; Kunst in quarantaine, een tekst die de gevolgen van het einde van de avant-gardes thematiseerde, was in datzelfde jaar verschenen in Kunst & Cultuur. De Glans der Dingen, de titel van de essaybundel, verwees zowel naar het artikel in Streven als naar de titel van een ander boek dat in 1983 was uitgegeven: Design als Gegenstand – der neue Glanz der Dinge van Rolf-Peter Baacke, Uta Brandes en Michael Erlhoff. De ‘glans’ in de titel van het boek was een cruciale term om te thematiseren wat er in de wereld van kunst en cultuur aan het gebeuren was.

K.B.: Je schrijft: ‘De avant-garde, de kunst van de bewegingen en de manifesten, de kunst met het zendingsbewustzijn, is voorbij. Aan het eind blijken de ‘moderne’ premissen – het ontwikkelingsbeginsel, de geschiedenis als één ontwikkelingsgang, als het Grote Avontuur van de mens op weg naar de vrijheid, en de Kunst als laboratorium en voorafspiegeling van de Komende Tijd – vals.’ In deze stelling weerklinkt heel duidelijk de boodschap van Lyotard.

B.V.: Ja, maar het verval van de ideologieën is slechts de helft van mijn verhaal. De andere helft gaat over de bevrijding van de vorm.

F.V.V.: Het feest van de aesthesis?

B.V.: Ja. De ideologische moderniteit is gepasseerd, de esthetische moderniteit heeft gewonnen.

K.B.: Frank, jij hebt De Glans der Dingen destijds bijzonder kritisch besproken in Yang. Jij wees bijvoorbeeld op de gevaren van recuperatie door neoconservatieve krachten…

F.V.V.: …in het zog van het esthetisch katholicisme van de negentiende eeuw. In De Glans der Dingen spreekt Bart waarderend over de triomf van de schijn. Dat de schijn geaffirmeerd wordt als schijn, looft hij. Dat was voor mij een brug te ver.

K.B.: Volgens jou, Bart, was dat een foute lezing?

B.V.: Ik schreef het in mijn reactie op Franks kritiek: je hebt alleen een stuk van dat boek besproken en de rest van het boek weggeknipt. De overheersing van de schijn heb ik inderdaad pogen te onderscheiden als een soort conditie. Laat ons proberen dat zo scherp mogelijk te zien. Laat ons de vraag stellen waar dat vandaan komt en dan nagaan wat we kunnen of moeten doen, of juist níet moeten doen. Het helpt niet om meteen te zeggen dat je tegen de triomf van de schijn bent. Je kan er ook tegen zijn dat het regent, maar dat verandert niets aan de weersomstandigheden.

F.V.V.: Wat mij ergerde, was dat het feest van de vormen, de triomf van de schijn, het loskomen van de voorstelling van de realiteit niet geproblematiseerd werden. Ik vond het onverdraaglijk dat dat gewoon zomaar gesteld werd.

B.V.: Wat ik wilde zeggen, is het volgende: op het moment dat je de waarheid opgeeft, kan je de richting van het futurisme en Memphis opgaan of de richting van het piëtisme en het conservatisme.

K.B.: Conservatisme of neokatholicisme dat zich verkoopt onder de vorm van ironie? Dat lijkt zeker het geval bij Van het Reve…

B.V.: Ja, met een beroep op Wittgenstein stelden mensen als Arnold Burms en Herman De Dijn dat het simpele feit dat je als katholiek wordt geboren, voldoende is om je erop te blijven beroepen, uit een soort van trouw aan de contingentie. In dat artikel heb ik proberen te schetsen dat het neokatholicisme, dat niet gelooft in God maar in het katholicisme, begint bij de Franse negentiende-eeuwse decadente auteurs en eindigt bij Van het Reve. Dat is toch een kritische beschrijving! Ik wist dat Burms gefascineerd was door Van het Reve. Wat is je strategie tegen dat soort denken? Je kan er natuurlijk diametraal tegen ingaan, maar dat is niet mijn aanpak. Frank schreef dat ik sympathieën had in die richting, maar ik wilde dat denken enkel openleggen. Ik wilde niet bekritiseren, maar het laten zien.

K.B.: Waar het vandaan komt?

B.V.: En waar je terechtkomt, in wat voor gezelschap je je dan bevindt. Die tekst over het neokatholicisme heb ik gelezen in het Hoger Instituut van de Wijsbegeerte in Leuven. Arnold Burms en Herman De Dijn waren ook van de partij; alhoewel ik hun naam niet heb genoemd in die lezing, wisten ze beiden heel goed over wie die tekst ging.

D.P.: Als jullie terugblikken op die hele periode, van 1980 tot nu, is er dan iets specifieks Vlaams of Belgisch dat onze omgang met het postmoderne denken kleurt? Hebben wij hier iets gedaan dat afwijkend is van de ons omringende landen of de wereld?

B.V.: Dat denk ik niet. Het is sowieso een academische of semiacademische kwestie.

J.T.: Het is zo gecodeerd dat er geen verschillen kunnen optreden.

O.d.G.: Hugo Bousset, dat is de paus van het postmodernisme, maar zijn inkleuring van de term is zeker niet specifiek ‘Vlaams’ of ‘Belgisch’.

D.P.: Als je beschouwt hoe de Vlamingen of de Belgen met die term en met dat gedachtegoed zijn omgegaan en je vergelijkt dat met de Nederlanders, dan is er toch wel een groot verschil?

O.d.G.: Ja. Dat heeft te maken met de Nederlandse weerstand tegen het complexe metafysische denken in de jaren 60, 70 en 80. De keizer van die resistentie was zonder meer Carel Peeters, die een schotschrift tegen het postmodernisme schreef. Een verschrikkelijk bekrompen en dom pamflet.

F.V.V.: Dat boekje van hem was inderdaad weerzinwekkend.

O.d.G.: Ik herinner mij dat hij een lezing gaf over het postmodernisme op een congres dat georganiseerd was door de Nederlandse onderzoekschool voor literatuurwetenschappen. Hij was bevriend met een van de éminences grises van het congresteam. Had hij die lezing vijf jaar eerder gehouden, dan had hij een zeer gewillig publiek gevonden. Maar het omgekeerde was het geval. Het werd een totale afgang voor hem. Niemand pikte zijn verhaal. De vreemde weerstand tegen het Franse denken was weg. Zowel het postmodernisme als het poststructuralisme en de deconstructie hebben veel later voet aan wal gekregen in de academische wereld in Nederland, denk ik. Over de wereld van kunst en cultuur spreek ik me niet uit.

 

3.

D.P.: Frank, in de tekst De onincarneerbare mens, gepubliceerd in De Witte Raaf in 1994, reflecteer je op een heel andere manier op het postmodernisme dan in je korte tekst die je schreef voor Jan Hoet. Je stelt vast dat de vertelling dat alle grote verhalen ten einde zijn het meesterverhaal bij uitstek is. Kan jij je intellectuele traject beschrijven tussen 1988 en 1994?

F.V.V.: Dat korte stuk voor Jan Hoet heb ik overduidelijk geschreven vanuit een positieve ingesteldheid. Ik wilde er het beste van maken. Waarom? Omdat ik op dat moment de stoïsche huisslaaf was van Jan Hoet! Toen ik er later grondiger over nadacht, moest ik wel tot de conclusie komen dat de term ‘postmodernisme’ niet zo bruikbaar was. Nadien heb ik de term altijd tussen aanhalingstekens geplaatst om mijn afstand ertoe te articuleren. Vaak deed ik het ook expliciet: ‘wat men dan ‘postmodern’ noemt…’

D.P.: Dat het einde van de grote verhalen het ultieme meesterverhaal is, had je dat al in 1988 kunnen schrijven of is het een stelling die enkel denkbaar werd na de val van de Muur en het daaropvolgende monopolie van het neoliberaal kapitalisme?

F.V.V.: Dat weet ik niet.

B.V.: Vattimo zegt al in 1984 of 1985 dat je niet zonder een superverhaal kunt. Het is een haast logisch argument, zeker geen inhoudelijke affirmatie van het kapitalisme.

F.V.V.: Maar hij komt vervolgens wel in neochristelijk vaarwater terecht.

B.V.: Ja, dat klopt.

J.T.: Dat is vaak de volgende stap.

F.V.V.: Ja, als alles zever is, dan is religie de laatste halte, want een mens heeft behoefte aan ‘zingeving’, weet je wel. Dit is lulkoek van de ergste soort!

D.P.: Johan, kan jij iets zeggen over jouw afscheid van het postmodernisme?

J.T.: Ik kan alleen maar een biografische reden aanhalen. Plots was ik met andere dingen bezig. Ik ben uitgeweken, vooral naar de podiumkunsten. Toen ik daar aankwam, werd er niet gesproken over postmodernisme.

D.P.: Wat jij zegt, is in contradictie met wat Bart eerder opmerkte. Bart gaf met name voorbeelden uit de wereld van de podiumkunsten.

J.T.: Wat Jan Fabre, Anne Teresa De Keersmaeker en Jan Lauwers maakten, wás postmodern, maar in theaterkringen werd die term volgens mij niet gebruikt. Je zou er de Etcetera’s van die tijd op na moeten slaan. Het werd avant-gardistisch, nieuw of experimenteel genoemd. De term ‘postmoderisme’ is er nooit populair geweest. Hans-Thies Lehmann heeft een paar jaar geleden een andere term geïntroduceerd: ‘postdramatisch’. Hij heeft er een boek over geschreven waarin verschillende Vlamingen figureren, onder anderen Jan Lauwers en Jan Fabre.

F.V.V.: De helft van Vlaanderen is nu wellicht een doctoraat aan het schrijven over ‘postdramatisch theater’.

D.P.: En wat mag dat dan wel zijn, ‘postdramatisch theater’?

J.T.: Het is theater dat aansluit bij de performance art. Het is theater zonder verhaal, gefragmenteerd, gemonteerd: het zijn collages. Men mengt er ook de verschillende disciplines, vooral theater en dans. Nu is de term cross-over erg in trek. Hoelang zal de term ‘postdramatisch’ meegaan?

D.P.: Bart, kan jij vertellen hoe het bij jou gegaan is, de uitstap uit het postmodernisme?

B.V.: Ik heb het idee dat ik op het einde van de jaren 80 een aantal conceptuele onderscheidingen heb gemaakt die ik eigenlijk nog steeds gebruik. Het is zeer zinvol om een onderscheid te maken tussen postmodernisme en postmoderniteit. De term die eindigt op ‘-isme’ kan je niet vangen, de andere die eindigt op ‘-teit’ wel: dat woord kan je pakken en scherp krijgen. Met de term die eindigt op ‘-isme’ kom je automatisch terecht in een eindeloos gesprek over stijlkenmerken. Heb je het daarentegen over postmoderniteit, dan maak je duidelijk dat het gaat om de cultuur als geheel. Dat is essentieel. Op dat niveau kan je stellen dat er een kanteling plaatsvindt: tijdens de moderniteit heerst het geloof dat je betekenissen kan vastleggen; met de postmoderniteit zijn we die zekerheid kwijtgespeeld.

F.V.V.: De vorm heeft zich losgekoppeld van de inhoud…

B.V.: …ja, de betekenaar komt los van de betekenis. Het is voortaan onmogelijk om precies te weten wat je zelf denkt, het is ondoenbaar om een definitieve of algemeen toepasbare ideologie te formuleren. Postmodernismen zou ik de verschillende vormen van cultuurproductie noemen die dat besef proberen te articuleren. Op het moment dat je er specifieke kenmerken van maakt, is het hek echter van de dam.

O.d.G.: In zoverre je mee kan gaan in die definitie van postmoderniteit, wordt het postmodernisme als kritiek op het modernisme impotent.

B.V.: Uiteraard!

F.V.V.: Ik kan me vinden in het onderscheid dat Bart maakt tussen postmodernisme en postmoderniteit. Van de eerste term had ik een afkeer: hij werd op een zeer oppervlakkige manier gebruikt en leek op alles toepasbaar. Met de notie ‘postmoderniteit’ wordt een belangrijk omslagmoment aangeduid. Er is wel degelijk iets veranderd. We bevinden ons niet meer in de moderniteit.

B.V.: Enerzijds is er het feest van de vrijheid, anderzijds is er de…

J.T.: …relativiteit van alles.

B.V.: Er is geen waarheid, maar als alles waar is, dan is er natuurlijk ook niets onwaar. We kunnen niet meer kiezen. De grondslag van elke vorm van kritiek is weggeslagen.

O.d.G.: Geen wonder dat we het conflict met de exacte wetenschappen meer en meer aan het verliezen zijn! Als wíj beweren dat er geen waarheid bestaat, dat er geen objectieve representatie van de werkelijkheid mogelijk is, dan geven we de exacte wetenschappen een vrijbrief om zich bezig te houden met onderwerpen waar wij eigenlijk veel beter in zijn. In de exacte wetenschappen wordt er geflirt met het idee dat alles kan worden verklaard door neurologische, neuropsychologische en neurosociologische modellen. Een echte ramp. Onze rijke menswetenschappelijke erfenis dreigt erdoor te worden weggevaagd. Wij hadden allang moeten stellen dat wij er de waarheid over kunnen vertellen. Misschien hebben we het pleit al verloren.

K.B.: Hoe sta jij tegenover het schema dat Bart aanreikt?

O.d.G.: Ik ben het er in grote lijnen mee eens, maar ik denk dat het belangrijk is om de materiële mogelijkheidsvoorwaarden van die ontwikkelingen te schetsen. Laat ons ook vooral eens terugblikken op de oorsprong van de moderniteit en daar de nodige lessen uit trekken. De moderniteit is mijns inziens niet denkbaar zonder de creatie van de publieke sfeer. Iedereen doet mee! Iedereen leert lezen! Iedereen is betrokken! It’s a cause of concern to people. Mensen werken samen aan de constructie van betekenissen en dat lukt bovendien ook. Er zijn zeker denkers die daaraan twijfelen, maar het lijkt op de een of andere manier te werken.

B.V.: Klopt. Tot pakweg 1970 regeert een vorm van eenheidsdenken. Er zijn wel intellectuelen en kunstenaars die er twijfels bij hebben, maar het eenheidsdenken staat stevig. De grote twijfel krijgt pas in de jaren 70 voet aan de grond. De ideologieën verdwijnen effectief en het kapitalisme triomfeert.

F.V.V.: Het begin van de postmoderniteit is inderdaad het einde van het communisme. Elke kunstenaar of intellectueel, Picasso bijvoorbeeld, was tot diep in de jaren 70 op een of andere manier socialist of communist. Men vond het geen verwijt om socialist of communist genoemd te worden, integendeel. Het communisme was een soort van horizon voor de activiteiten van kunstenaars en intellectuelen: zij geloofden dat een fundamenteel andere maatschappij mogelijk was. Wat zij deden, was in letterlijke zin avant-garde: de vrije manier waarop zij met vormen omgingen, was een afspiegeling van de creativiteit en de vrijheid die zouden heersen in de communistische maatschappij. Dat communisme was uiteraard in grote mate vals. Men profiteerde van de voordelen van de burgerlijke maatschappij, maar er was terzelfder tijd een vage utopie: het zal ooit helemaal anders worden. Die soms infantiele en vrijblijvende droom is compleet uit elkaar gespat. Dat is de meest traumatische gebeurtenis voor het intellectuele Westen. Op het moment dat de ideologie van het communisme instort, wordt het zelfgevoel van de artistieke en intellectuele elite helemaal anders.

O.d.G.: Het is niet zozeer het communisme dat ineenstuikt; het communisme wordt gewoon gekidnapt door een steeds succesvoller kapitalisme. Het resultaat is een hybride geheel. In de jaren 50, en zeker in de jaren 60 en 70, gaat het altijd maar beter en dat is een probleem als je een ideologische positie verdedigt waarbij je ervan uitgaat dat de wereld niet in orde is. Je wordt meer en meer geconfronteerd met de aperte irrelevantie van je eigen praktijk.

B.V.: Als het communisme verdampt en het kapitalisme zegeviert, wordt er een ideologisch gat geslagen in de publieke ruimte waar jij het daarnet nog over had. Kritiek is niet meer mogelijk, de commercie en het populisme nemen het over.

F.V.V.: Het besef dat er geen waarheid is, is inderdaad verpletterend. Op het moment dat dat inzicht in de samenleving sijpelt, beginnen de problemen.

B.V.: De term postmoderniteit is volgens mij nuttig om die omslag te beschrijven. Ik denk trouwens dat we absoluut niet uit de postmoderniteit zijn. Integendeel, we zitten er middenin.

D.P.: Postmoderniteit is voor jou nog steeds een geschikte term om onze huidige conditie te definiëren?

B.V.: Ja. Het is een concept om de huidige mogelijkheidsvoorwaarden voor betekenis te benoemen. Het gaat er niet zozeer om dat iemand zich realiseert dat het leven een fabel is, het gaat erom dat l’Oréal je vertelt dat jij jezelf kan maken. Het is trouwens Nietzsche die het patent heeft op die gedachte! Ze hebben ons Nietzsche afgepakt. Nietzsche is gerecupereerd door de populaire media: men is compleet vrij, men kan het over alles hebben, men kan met alles lachen – de fantastische lichtheid van alle betekenissen.

F.V.V.: De hele twintigste eeuw kan je zien als een opeenvolging van vulgariseringen van Nietzsche. In de jaren 30 en 40 was het de Nietzsche van het vitale, van de kracht, van de macht. De postmodernisten hebben zich vanaf de jaren 70 gestort op de Nietzsche van Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben waarin hij stelt dat de cultuur een samenraapsel is geworden van allerlei stijlen van heden en verleden, uit binnen- en buitenland. Het is een opeenstapeling van citaten, die niet doorleefd zijn, maar hier en daar weggeplukt zijn. De postmoderne mens is een soort van spook: half ironisch, half ernstig jongleert hij met bestaande culturele vormen.

B.V.: Iedereen heeft zijn eigen ideeën en we zijn allemaal creatief. De donkere zijde van dat verhaal is uiteraard dat je ook geen kritische positie meer kan innemen. We zijn die geprivilegieerde positie gewoon kwijtgespeeld. Als er evenveel waarheden als perspectieven zijn, kan je niets meer toetsen. Meningen botsen op niets meer. De media vormen een immense bubbel waarin geen enkel kritisch geluid te horen is. Alleen onder de radar is er nog een petieterige ruimte om iets te doen. In de marge is er nog iets mogelijk, elders in ieder geval niet. In de periferie kan je oppositie voeren, een standpunt innemen, nadenken over strategieën of iets artistieks formuleren.

O.d.G.: Ik denk dat het nog wel kan. Wij zien de schaal vaak niet meer. Als we kijken naar onze voorouders, dan moeten we constateren dat zij een veel kleiner publiek hadden, waardoor hun stem veel luider klonk en veel meer invloed leek te hebben. Wij hebben het gevoel dat er geen kat meer luistert, maar we hebben wel een veel groter publiek, waarvan we niet weten of en in welke mate we het beïnvloeden.

B.V.: Waarover kan je nu nog publiek spreken? Wat kan je publiek aan de orde stellen? Wat is actualiteit? Wat is er belangrijk? Die bubbel is virtueel; het is een apart universum geworden, dat heel weinig contact heeft met de realiteit of met de samenleving. Voor negentig procent van wat er in de samenleving gebeurt, bestaat nu geen enkel publiek forum meer om erover te spreken. In de wetenschappen zijn er uiteraard nog discussieplatforms, maar door de steeds verdergaande specialisering is het daar ook bijna onmogelijk om nog iets aan de orde te stellen.

O.d.G.: We moeten ervan uitgaan dat het nog wel mogelijk is.

B.V.: Kan je het in die bubbel nog over iets hebben op een serieuze manier? Ik denk het niet. Het televisieprogramma Container was wat dat betreft een betekenisvolle epiloog. Men verdroeg het niet dat vier intellectuelen over een abstract onderwerp op televisie redetwisten.

O.d.G.: We moeten het vertrouwen terugwinnen dat de kritische opmerkingen die wij maken effect kunnen hebben. Ze raken er wel, denk ik, onze gedachten, ook al zien we niet onmiddellijk de effecten.

B.V.: Wat je nu oproept, is het moment van de hoop. Dat is wat ieder van ons gaande houdt. Het is ook op iets gestoeld: er blijft nog iets van de openbare instituties over. Jij, Frank en ik, wij hebben nog onze studenten. Er bestaan ook nog enkele tijdschriften. Nu en dan kom je iemand tegen van wie je het gevoel hebt dat die wellicht ook in het complot zit, maar ik beschouw het toch vooral als een ondergrondse oppositie.

J.T.: We hebben het dan nog niet gehad over internet en de nieuwe sociale communicatiemedia zoals Facebook.

B.V.: Die media zijn er nog bijgekomen. Ze vormen een soort tweede communicatieballon waarin de vervaging tussen privaat en publiek aan de orde van de dag is. Hoe opereer je daar op een manier dat je je eigen leven nog ernstig kan nemen en dat je je kan verhouden tot betekenissen? Hoe ga je daar zelf mee om en hoe kan je daarover communiceren met anderen? Vattimo heeft in dat verband een nieuwe term geopperd: nieuw-realisme.

F.V.V.: Vattimo vertrouw ik voor geen haar.

B.V.: Wat hij over die term zegt, vind ik wel interessant. Het is een poging om de realiteit opnieuw te vatten. Het komt er volgens hem voor intellectuelen op aan om plaatsen op te zoeken waar je het nog over iets kan hebben. Vergelijk het met de ervaring die wij nog hebben in een collegezaal, als je met studenten werkt. Kan je daarvan een meer publieke, meer open variant maken?

K.B.: Bart, jouw appreciatie van de postmoderniteit is grondig geëvolueerd, dunkt me.

B.V.: Nee, absoluut niet.

F.V.V.: Bart klinkt nu veel bitterder dan op het einde van de jaren 80.

K.B.: Jouw huidige discours is inderdaad veel cultuurpessimistischer dan in De Glans der Dingen. Wat zeker nieuw is, is je focus op de publieke sfeer.

B.V.: Je moet het kader zien waarin ik in 1988 tot die gedachten was gekomen: mijn doctoraat was af, ik begon les te geven en had de wereld nog niet gezien. Maar als ik toen schreef dat de esthetische moderniteit gewonnen had, dan vind ik dat nu nog steeds een sterk statement.

K.B.: Je hebt dat toen inderdaad goed gezien, maar je hebt het niet gehad over de gevaren die met de overwinning van de esthetische moderniteit gepaard gaan: dat de publieke sfeer is verschrompeld tot iets virtueels en dat er nog enkel kritiek kan worden geleverd onder de radar.

F.V.V.: Dat het iets ergs, iets bedreigends, iets problematisch was, werd niet aan de orde gesteld.

B.V.: Dan heb je toch mijn toon gemist, vrees ik, maar ik voeg er onmiddellijk aan toe dat de situatie er niet op vooruit is gegaan. De vraag is hoe je met die situatie omgaat. Als je op filosofische gronden tot het inzicht komt dat woorden veel betekenissen hebben en dat er een probleem is met de waarheid, waarop steunt dan de kritiek?

K.B.: Wat is jouw antwoord op die fundamentele vraag?

B.V.: Wat is het grondbeginsel van de kritiek? Luciditeit, zo scherp mogelijk formuleren. Het is de enige uitweg om te zien wat er mogelijk is.

K.B.: De tekst van je weerwoord aan Frank eindigt met die uitdaging. Je stelt: ‘Het beschrijven is mijns inziens een zelfstandige en volwaardige vorm van begrijpen, die er niet naar vraagt om door een ‘verklaring’ gecompleteerd te worden.’

B.V.: Ik heb ook de daad bij het woord gevoegd. Ik ‘beschreef’ inderdaad kunstwerken. Ik keek naar oeuvres, naar situaties en ik schreef over datgene wat in de literatuur tot dan toe aan het oog was onttrokken. Betekenissen liggen niet vast. Op het moment dat de betekenissen vrij zijn en dat we weten dat ze vervuld zijn van verlangens, onnauwkeurigheden, vaagheden en dubbelzinnigheden, denk ik dat het belangrijk is om langs de kant van het denken te doen wat een kunstenaar vermag. Het is om die reden dat ik de formuleerkracht van een artiest het belangrijkste vind. Wat is er geformuleerd? Wat is er met een soort scherpte gezegd die andere dingen overbodig maakt en die het mogelijk maakt je tot iets te verhouden.

K.B.: Noem eens een kunstenaar die volgens jou die formuleerkracht heeft.

B.V.: Jan Vercruysse. De precisie van Jan Vercruysse vind ik interessant, de manie van het zorgvuldige. Langs de kant van het denken probeer ik hetzelfde te doen. Ik vind dat het belangrijkste en ik denk dat het ook een kritisch gehalte heeft.

D.P.: Om te eindigen: als de term ‘postmoderniteit’ in feite nog steeds bruikbaar is om onze conditie te beschrijven, hoe verklaren jullie dan dat die term zelf niet meer gebruikt wordt?

J.T.: Ja, wie gebruikt er nu nog de term? In de jaren 80 vond er echt een reiniging van het denken plaats. Valse ideeën werden opgeruimd, constructies werden ontmaskerd… maar je kan niet blijven ontmaskeren. Het zou kunnen dat we om die reden niet meer zo vaak de term postmodernisme gebruiken. Zelf ben ik wellicht een postmoderne mens: mijn hele leven heb ik neergekeken op detectives, nu kan ik niet meer zonder. Als je wil weten wat er in 1980 gebeurd is: lees geen experimentele romans, maar detectives. De crimi-auteurs hebben alles verteld wat er gebeurd is.

O.d.G.: Als een term niet meer gehanteerd wordt, dan heeft dat er doorgaans mee te maken dat het een te evidente eigennaam geworden is.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams

‘Iedereen maakt een paar keer in zijn leven een happy end’

Koen Brams/Dirk Pültau: Van 1979 tot 1982 maak je vier documentaires over contemporaine schrijvers – over de Nederlanders Oscar de Wit (1979), Jacq Vogelaar (1981) en Hans ten Berge (1982) en over de Belg Daniël Robberechts (1981). Hieraan voorafgaand realiseer je een film over het literaire oeuvre van de Belgische auteur Maurice Gilliams: Het gedroomde boek – Variaties op Vita Brevis. Vanaf wanneer had jij belangstelling voor het werk van Gilliams opgevat?

Jef Cornelis: Ik kende Gilliams’ werk reeds van in mijn jonge jaren. In de humaniora kwam zijn oeuvre ruimschoots aan bod – uiteraard zijn roman Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936). Ik meen me ook te herinneren dat ik in het Sint-Michielscollege (Brasschaat) samen met enkele schoolmakkers een poëzieprogramma heb opgezet waarin gedichten van Maurice Gilliams waren opgenomen. Het beeld dat ik van Antwerpen had, van de jaren 10, 20 en 30, had hij beschreven. Dat was briljant. Ik kende Antwerpen via mijn grootouders langs moederszijde. Bij hen heb ik een groot deel van mijn jeugd doorgebracht… Gilliams was voor mij ook belangrijk omdat hij mij de weg heeft gewezen naar de schilderkunst van Henri De Braekeleer.

K.B./D.P.: Voor Het gedroomde boek heb je samengewerkt met Georges Adé, die tekende voor het concept en deels instond voor het draaiboek. Waarom heb je hem erbij betrokken?

J.C.: Ik wist dat Georges het werk van Gilliams zeer goed kende. We hadden er al zoveel met elkaar over gesproken. Ik kon ook goed met Georges opschieten. Voor mij lag de keuze voor de hand. Maar een kans voor zo’n productie doet zich slechts een keer voor: zowel mijn werkgever, de openbare omroep, als de auteur moesten zich kunnen vinden in de opzet.

K.B./D.P.: In de generiek wordt niet Georges Adé genoemd als de bedenker van het concept en coauteur van het draaiboek, maar wel Laurent Veydt, Adés pseudoniem. Waarom verkoos Adé zijn bijdrage te tekenen met zijn pseudoniem?

J.C.: Dat weet ik niet. Hij heeft zich voornamelijk van dat pseudoniem bediend als auteur van experimenteel proza, dacht ik.

K.B./D.P.: In het eerste op schrift gestelde concept van de Gilliamsfilm dat we hebben teruggevonden in jouw archief is reeds duidelijk dat Het gedroomde boek – van die titel is trouwens nog geen sprake, evenmin van de eerste werktitel: ‘Er is niets dan hevig wit in mij’ – geen ‘gewone’ documentaire zal worden. Op 17 februari 1977 neemt Adé zich voor om ‘een cinematografische compositie op [te] stellen omtrent de teksten – de tekst van M.G.’. Jullie hebben nooit overwogen om een klassieke documentaire te maken over Maurice Gilliams?

J.C.: Nee, we zijn vanaf het begin uitgegaan van een filmisch equivalent van Vita Brevis, het verzameld werk van Gilliams. We wilden de atmosfeer van Gilliams’ werk overbrengen. Een documentaire zou ook niet doenbaar zijn geweest: Gilliams was ongrijpbaar. Hij stak zich weg. Met hem praten – onder twee ogen – was mogelijk; voor een camera zou hij echter dichtklappen. 

K.B./D.P.: In jouw archief bevindt zich ook een kopie van een brief van Georges Adé aan Maurice Gilliams waarin hij hem benadert over het filmproject. In de brief, gedateerd op 15 maart 1977, verwijst hij naar een etentje van het Antwerpse genootschap de Pink Poets, waarvan Adé lid en Gilliams erelid waren, en hij schrijft: ‘De aanleiding is de volgende: een vriend, Jef Cornelis [die U al kon ontmoeten, meen ik te weten], denkt eraan voor de televisie, waar hij werkt, iets te maken omtrent uw werk. Dat opzet bevindt zich nog altijd in een erg pril beginstadium. Hij heeft me gevraagd of ik hem daarin kon helpen en ik ben daar graag op ingegaan al was het maar omdat zo’n onderneming voor mij ook betekent dat ik uw werk met hernieuwde aandacht lees.’

J.C.: Ik had inderdaad reeds enige tijd contact met Gilliams toen Georges hem formeel vroeg om het filmproject met hem te bespreken.

K.B./D.P.: Had jij ook via de Pink Poets toegang tot Gilliams gezocht?

J.C.: Via de Pink Poets? In geen geval, dat gezelschap lag me niet. Hugues Pernath, de zogenaamd zevende Pink Poet, gestorven in 1975, heb ik heel goed gekend – hij was na de uitzending van mijn film Abdij van Park Heverlee in 1964 op mij toegestapt om zijn waardering uit te drukken – maar zie je mij al aan tafel zitten met iemand als Patrick Conrad? Neen, ik ontmoette Maurice Gilliams op besloten muziekavonden bij vrienden van mij, Jean en Marleen De Crée-Roex.

K.B./D.P.: Aan het echtpaar De Crée-Roex droeg Gilliams het essay Wasdom op, gewijd aan de Vlaamse kunstenaar Jos. Hendrickx.

J.C.: Jean De Crée, mijn huisdokter, en Bo Coolsaet, met wie ik ook een tijdje heb opgetrokken, waren de lijfartsen van Maurice Gilliams. De secretaresse van Jean De Crée heeft trouwens verschillende versies overgetikt van het manuscript van Gilliams’ postume proza, Gregoria of een huwelijk op Elseneur (1991). Ik heb dat proces van heel dichtbij meegemaakt.

K.B./D.P.: Had jij persoonlijk contact met Gilliams op die muziekavonden?

J.C.: Ja, maar het hele project is eerst met hem doorgesproken door vrienden en kennissen, onder wie Jean De Crée. Op een gegeven moment kreeg ik van hen het signaal dat Gilliams ermee zou instemmen. Hij stelde evenwel op prijs dat er op een welvoeglijke manier werd gecommuniceerd – vandaar het briefje van Georges, terwijl alles eigenlijk al in kannen en kruiken was.

 

Audio

K.B./D.P.: Over het begin van het filmproject hebben we een document gevonden in het VRT-archief dat nogal wat vragen oproept. Het maakt melding van problemen tussen jou en Nic Bal, de programmadirecteur van de omroep. Wat was er aan de hand?

J.C.: Nic Bal heeft bij mijn weten nooit dwarsgelegen. Ik herinner me wel dat ik de film op 35 mm wilde draaien, en dat ik hemel en aarde heb bewogen om dat voor elkaar te krijgen. Via Jean De Crée heb ik in Adriaan Verhulst, voorzitter van de raad van bestuur van de BRT, een medestander gevonden. Ook Jozef Deleu heeft gelobbyd. Het heeft echter niet mogen baten. Alle druk ten spijt heb ik Het gedroomde boek op 16 mm moeten realiseren.

K.B./D.P.: Heb jij Jozef Deleu ingeschakeld?

J.C.: Nee. Het kwam Deleu zelf goed uit. Een positief woordje van Gilliams was voor sommige Vlaamse dichters zeer belangrijk, maar Gilliams vond niemand zijn kleren waardig.

K.B./D.P.: Heb jij Verhulst benaderd?

J.C.: Nee, ik had veel vroeger reeds begrepen dat je beter niet zelf met de leiding van de organisatie in contact trad. Formeel voerde Ludo Bekkers als producer de communicatie met de BRT-directie. Via tussenpersonen heb ik evenwel de besluitvorming proberen te beïnvloeden op het hoogste niveau, met name met het oog op een 35 mm-productie.

K.B./D.P.: Op een gegeven moment, een jaar na het briefje van Adé aan Gilliams – op 16 maart 1978 om precies te zijn – is Nic Bal blijkbaar overtuigd geraakt van de opzet van de film. Hij zendt een nota aan Paul Vandenbussche, de directeur-generaal van de openbare omroep, waarin hij een pleidooi houdt voor de film: ‘Ik heb dit voorstel lang in beraad gehouden en het met de betrokkenen besproken. Ik heb enkele suggesties gedaan om dit programma niet te elitisch [sic] op te vatten zodat er een redelijk publiek voor kan gevonden worden. […] Het bedrag lijkt hoog voor een dergelijk programma, maar in het raam van onze viering van het 25-jarig bestaan van de Vlaamse televisie past het dat het kunstminnend publiek eveneens aan zijn trekken komt.’

J.C.: ‘Niet te elitisch’, schrijft Bal: dat zegt toch genoeg! Hij heeft het project niet geboycot, heel genegen was hij het evenmin. De beslissing is door de raad van bestuur genomen.

K.B./D.P.: De productie wordt door Paul Vandenbussche, directeur-generaal van de openbare omroep, geaccordeerd op 7 april 1978. Dat is slechts twee maanden voor de voorziene start van de opnamen. 

J.C.: Zo ging het toch altijd in de BRT. Als we op het akkoord van Vandenbussche hadden moeten wachten vooraleer de voorbereidingen aan te vatten, dan hadden we de start van de opnamen nooit gehaald. Neen, de voorbereidingen waren al veel vroeger gestart, namelijk op het einde van 1977. Toen hebben we de stem van Maurice Gilliams ingeblikt.

K.B./D.P.: Je hebt de passages die Gilliams in de film leest toen al opgenomen?

J.C.: Ja, zijn stem was voor mij van wezenlijk belang. Ik wou dat hij sommige teksten zelf las. Andere passages wilde ik door een jongen laten lezen – iemand van wie de stem nog niet definitief gevormd was. Als de geluidsopnamen eenmaal achter de rug zouden zijn, wist ik bovendien zeker dat de film kon worden verwezenlijkt. Ik wilde geen enkel risico lopen. Ik wist dat er reeds enkele pogingen waren ondernomen om met Gilliams te werken en dat die op niets waren uitgelopen. Vergeet ook niet dat hij in 1977 zevenenzeventig was geworden! 

K.B./D.P.: Lag het draaiboek toen al vast, of heb je hem allerlei teksten laten lezen – ook teksten die uiteindelijk niet in de film terecht zijn gekomen?

J.C.: Alles lag vast. We wisten precies wat we van hem wilden. Georges en ik hadden de keuze van de teksten met Gilliams tot in de puntjes overlegd. 

K.B./D.P.: Heb je ook het scenario met hem besproken?

J.C.: Ik denk het niet. We hebben het enkel gehad over de tekstexcerpten. Hij stelde zich geen vragen, omdat ik hem via Jean De Crée benaderd had, denk ik. Nadat hij zijn goedkeuring had gegeven, hebben we de geluidsopnamen gerealiseerd.

K.B./D.P.: Is hij daarvoor naar de openbare omroep gekomen?

J.C.: Neen, op zijn verzoek zijn de opnamen bij hem thuis gemaakt, in de Lange Gasthuisstraat in Antwerpen. We begonnen ‘s avonds en werkten door tot in de vroege uurtjes. Dat was zijn wens. Ik was er samen met hem en een geluidstechnicus. Maria-Elisabeth, zijn vrouw, was dan al gaan slapen. We hebben verschillende avonden en nachten aan de opnamen gewerkt, drie in totaal, geloof ik. Gilliams leefde ’s nachts. Zijn huis was zogenaamd onbetreedbaar. Dat is een flauw verhaal. Ik kwam er wanneer ik wilde en hij was echt blij als je er bleef hangen. Hij omarmde je bijna als je langskwam. Ik heb hem veel bezocht. Ik woonde toen om de hoek, in de Huidevettersstraat. Zijn werkkamer heb ik echter nooit betreden. Daar kwam niemand binnen.

K.B./D.P.: Waarover sprak je met Gilliams?

J.C.: Eindeloos kreeg je verhalen over zijn leven. Over Gregoria of een huwelijk op Elseneur heeft hij me uitgebreid onderhouden – het boek over zijn eerste mislukte huwelijk dat hij voor de zoveelste keer aan het reviseren was en dat uiteindelijk postuum gepubliceerd is. Hij praatte ook honderduit over zijn familie. De personages in zijn proza – tante Henriette, tante Theodora, Hermine, Aloysius… – gaan allemaal terug op bestaande figuren. Gilliams’ proza, van Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) over Winter te Antwerpen (1953) tot Gregoria (1991), is letterlijk te nemen. Het gaat allemaal over hem en zijn familie. Gilliams kende het leven van alle klassen, ook door zijn eigen situatie: vader was een drukker, kwam van nergens, moeder stamde uit een betere familie, die tot in de 19de eeuw rechten had op de steenweg tussen Antwerpen en Mechelen.

K.B./D.P.: Sprak hij Antwerps?

J.C.: Alleen als hij vertrouwelijk werd. Dat was prachtig, het dubbele, wat mij niet altijd lukt. Hij sprak bijvoorbeeld over de slemppartijen en het geslachtelijke verkeer op het einde van de 19de eeuw. Hij had dat allemaal uitgezocht. Over zijn eigen uitstapjes hield hij de lippen evenwel stijf op elkaar… Hij noemde zichzelf iemand die de moderniteit niet was ingestapt.

K.B.: Er is een metafoor die dat treffend illustreert: in de eerste druk van de roman Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936), die door Gilliams later deels is verworpen, sterft het hoofdpersonage Elias Lasalle in een elektriciteitskabine…

D.P.: …en de roman Gregoria of een huwelijk op Elseneur (1991) eindigt met het bericht dat de kaarsenfabriek van papa Balthazar, de vader van Gregoria, is afgebrand. Niet alleen het huwelijk met Gregoria is om zeep, er is een einde gekomen aan een era.

J.C.: Ja, Gilliams wijst de moderniteit gedeeltelijk af. Hij heeft de poëzie van Mallarmé weliswaar goed gelezen, maar zijn taalgebruik is diep geworteld in la Flandre profonde. Hij heeft de Vlaamsche lyriek ook gebloemleesd. Benevens voor de experimentele Paul van Ostaijen had hij tevens waardering voor de pastoor-dichter Guido Gezelle.

 

De catastrofe

K.B./D.P.: Georges Adé karakteriseerde ‘Er is niets dan hevig wit in mij’ – de eerste werktitel van de Gilliamsfilm – als een cinematografische compositie. Zou je de film ook kunnen omschrijven als fictie?

J.C.: Nee, het is hooguit fictie in de zin dat een aantal gedichten, dagboekbladen, essays en proza van een auteur in een bepaalde volgorde zijn geplaatst. Dat was het uitgangspunt: de selectie van een aantal excerpten uit het oeuvre die voorgelezen en/of ‘uitgebeeld’/’verbeeld’ worden. We hebben fragmenten uit Gilliams’ verzameld werk, Vita Brevis, bij elkaar gelegd en in elkaar geschoven.

K.B./D.P.: Hoe is de volgorde van de fragmenten tot stand gekomen?

J.C.: Het was snel duidelijk dat we de film wilden opbouwen rond Elias, het hoofdpersonage in Gilliams’ herinneringsproza en het alter ego van Maurice Gilliams: een onmogelijk, verwend, doodongelukkig, misgeboren kind. Georges heeft vervolgens een eerste schets gemaakt, letterlijk, een tekening met een aantal cirkels. De eerste cirkel betreft de moeder, die geassocieerd wordt met de stad en het interieur; de tweede cirkel omvat tante Henriette, neef Aloysius en het buitengoed; de derde cirkel handelt over de geliefde, met wie de hoofdfiguur kennismaakt in het hospitaal.

K.B./D.P.: De drie clusters komen in de film achtereenvolgens aan bod: eerst de relatie tussen Elias en de moeder, dan de verhouding van Elias met Henriette en Aloysius, ten slotte het verbond tussen Elias en zijn geliefde.

J.C.: Dat was het raamwerk waaraan we andere onderwerpen konden ophangen, zoals ‘het kunstenaarschap’, ‘het voorwerp’, ‘interieur/exterieur’, ‘kijken/bekeken worden’ enzovoort. Nadat Georges het eerste schema had aangeleverd, hebben we samen de selectie van de excerpten bepaald.

K.B./D.P.: De eerste cluster is bijzonder kort. Het deel omvat slechts vier scènes en eindigt met de dood van de moeder. De tweede cluster is het meest omvangrijk. Het deel telt twintig scènes waarin alles draait rond Henriette en Aloysius.

J.C.: Beiden zijn spiegelfiguren. Tante Henriette staat voor de verbeelding, de kunst, Aloysius voor het avontuur.

K.B./D.P.: De jongelingen Aloysius en Elias ontvluchten op een gegeven moment het buitengoed. Aloysius draagt Elias op de rug over een beek. Later maken ze met meisjes een dansje rond een kampvuur.

J.C.: Aloysius die Elias over de beek draagt, dat is voor mij de heilige Christoforus. Een belangrijk beeld, vind ik. Elias kijkt op naar Aloysius. Aloysius vertrekt later; hij wordt zeeman.

K.B./D.P.: Er is gekozen voor herkenbare scènes, zoals de Christoforusscène, of bijvoorbeeld tante Henriette die een truukje uithaalt met een duif. Zij slaagt erin de duif stil te doen zitten op haar hoofd.

J.C.: Ja. De film omvat heel wat archetypische, ja zelfs clichématige scènes. In die kwalificatie kan ik mij goed vinden.

K.B./D.P.: De derde cluster ten slotte telt negen scènes en begint met de kennismaking met de geliefde in het hospitaal.

J.C.: Die scène gaat terug op de werkelijke kennismaking van Maurice Gilliams met Maria-Elisabeth de Raeymaekers, die verpleegster was in het Stuivenbergziekenhuis in Antwerpen, waar hij talloze keren is opgenomen. Maria-Elisabeth, in de film ‘de liefste’ geheten, redt Elias.

K.B./D.P.: De drie hoofdstukken worden in de film evenwel niet als dusdanig benoemd.

J.C.: Dat klopt, de film is een continue flow van korte scènes die geïnspireerd zijn op passages uit Vita Brevis. In die zin is montage niet belangrijk in deze film. De sequensen moesten sterk genoeg zijn om op zichzelf te staan, maar we streefden ook associaties na tussen de fragmenten… Georges en ik waren het erover eens dat we Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) of Gilliams’ andere proza niet integraal moesten verfilmen. Hadden we dat al gewild, dan was het financiële kader in ieder geval ontoereikend geweest.

K.B./D.P.: Er was in 1978 immers niet eens genoeg geld voor een productie op 35 mm.

J.C.: Dat is zonder meer een grote frustratie.

K.B./D.P.: Twee maanden nadat de directeur-generaal ‘Er is niets dan hevig wit in mij’ gefiatteerd heeft, starten de eerste opnamen.

J.C.: Ja, in juni 1978. Alles was tot in de puntjes voorbereid: de acteursplanning, de technische bestaffing, de facilitaire voorzieningen. Toch is er op het technische vlak iets vreselijks misgegaan. Bij het bekijken van de eerste rushes bleken de beelden flikkeringen te bevatten. Die vaststelling was ongetwijfeld het meest dramatische moment – zeker op technisch vlak – in mijn gehele carrière.

K.B./D.P.: Wat was het probleem?

J.C.: De directeur fotografie, Michel Houssiau, en de cameraman, Guido Van Rooy, hadden een bepaald technisch aspect niet besproken. Zij waren er blijkbaar van uitgegaan dat er geen interferentie kon optreden tussen de camera en de lichtinstallatie. Dat bleek wel het geval, met name bij de binnenopnamen die we met kunstlicht hadden gerealiseerd. De buitenopnamen waren wel geslaagd.

K.B./D.P.: Welke oplossing heb je gezocht?

J.C.: We hebben lange tijd samengezeten, Michel Houssiau, Guido Van Rooy, enkele belichtingsspecialisten en Ludo Bekkers, de producer. We kwamen tot de conclusie dat we de productie best zouden stopzetten. Bekkers heeft toelating gevraagd en gekregen van Nic Bal.

K.B./D.P.: Hoe verliep de discussie?

J.C.: Ik was in alle staten. Guido Van Rooy vond dat ik te scherp was. Ik had jarenlang goed met hem samengewerkt – Het gedroomde boek was ons laatste project. Met Michel Houssiau heb ik nadien nog de documentaire over de Luikse architect Charles Vandenhove gemaakt.

K.B./D.P.: Hoe was je op het idee gekomen om Michel Houssiau te vragen als directeur fotografie?

J.C.: Hij had eerder samengewerkt met Chantal Akerman, voor wie hij schitterend werk had afgeleverd. Toen ik hem benaderde, had hij nog nooit voor de BRT gewerkt.

K.B./D.P.: Waarom kon de productie niet met enkele dagen worden uitgesteld?

J.C.: Liane Lefaivre, de actrice die de moeder vertolkte, vertrok naar het buitenland. Er zat niets anders op dan de productie stil te leggen, in de hoop dat we ze later opnieuw zouden mogen opstarten. Alle personen die hun agenda op de productie hadden afgesteld, moesten onverrichter zake naar huis worden gestuurd. Het was een echte catastrofe. Ik heb zoiets gelukkig maar één keer meegemaakt.

K.B./D.P.: Het stopzetten van de productie was een financiële strop.

J.C.: Uiteraard. Een aantal gedane uitgaven konden we recupereren, maar andere – in totaal voor om en bij 1 miljoen Belgische frank – waren onherroepelijk verloren. We hebben berekend wat er kon worden gerecupereerd en uiteindelijk hebben we de toestemming gekregen om de productie opnieuw op te starten in augustus 1978. Alle afspraken – met toeleveringsbedrijven, acteurs, technische stafleden – moesten opnieuw worden gemaakt.

K.B./D.P.: Zijn er nog aanpassingen doorgevoerd voordat de tweede draaiperiode aanving?

J.C.: Neen, alles lag vast sinds december 1977, toen we de audio-opnamen met Gilliams hadden gerealiseerd.

K.B./D.P.: Is de productie dan voorspoedig verlopen?

J.C.: Ja, de laatste opnamen werden gemaakt in november 1978. De film is gemonteerd in december 1978 en de postproductie vond plaats in februari 1979. Tijdens de postproductie ben ik zeer ernstig ziek geworden. Enkele maanden ben ik aan mijn bed gekluisterd gebleven.

 

Aanpassingen

K.B./D.P.: In alle conceptteksten wordt een andere dan de definitieve titel van de film genoemd, namelijk ‘Er is niets dan hevig wit in mij’, een vers uit Gilliams’ gedicht Tristitia ante van 1927. Waarom is deze titel komen te vervallen?

J.C.: In 1972 had de Belgische auteur Leo Pleysier het boek Niets dan schreeuw uitgebracht – overigens ook bij Orion, de uitgever van Gilliams’ Vita Brevis. Ik vond de gelijkenis tussen beide titels te sterk. In de film heb ik de strofe uit Tristitia ante echter wel behouden, voorgelezen door Gilliams. Ik vond Het gedroomde boek een betere titel. Het is een verwijzing naar een aantekening in De kunst van de fuga (1953), Gilliams’ tweede boek met dagboekbladen en essays: ‘Het gedroomde boek zonder gebeurtenissen, zonder intrige, zonder beschrijving, zonder merkbaar begin of einde’ en hij haalt er een citaat bij van Flaubert: ‘le livre sur rien, qui ne tiendrait que par la force interne de son style’. Met de film stond ons iets gelijkaardigs voor ogen: een reeks autonome scènes, haast zonder begin of einde, die desondanks een op zichzelf staand geheel moesten vormen.

K.B./D.P.: De titel kan ook worden geïnterpreteerd alsof de film de versie is van Gilliams’ verzameld werk zoals jij en Georges Adé dat hebben gedroomd.

J.C.: Dat is ook een valabele interpretatie.

K.B./D.P.: Laten we de drie delen van de film nogmaals overlopen. In de tweede scène van het eerste deel wordt Elias als kind opgevoerd. Hij ligt onder een tafel en speelt met een touwtje tussen zijn tenen…

J.C.: …die scène is gefilmd in een achterkamer. De tafel staat tegen het raam en er is een doorzicht naar een buitenruimte. In de rest van de film zijn er haast geen doorzichten…

K.B./D.P.: …in dezelfde scène verschijnt Elias plots als volwassene. Hij wordt ook liggend onder de tafel in beeld gebracht. De sequens is gebaseerd op de eerste zinnen uit Oefentocht in het luchtledige (1933). Gilliams beschrijft daarin enkel de wereld van Elias als kind. Waarom hebben jullie beslist om Elias tegelijkertijd als kind en als volwassene op te voeren in dezelfde sequens?

J.C.: Elias wordt niet volwassen. Hij blijft een slungel die met zijn lichaam geen blijf weet. Hij zal zijn identiteit nooit vinden.

K.B./D.P.: Door in sommige scènes Elias als kind of als jongeling in te ruilen voor Elias als volwassene suggereer je continuïteit in het personage. Zo roep je een psychologische lezing op. Het is alleszins een conventioneel biografisch schema: kind/jongeling/volwassene.

J.C.: Ik kan me eerder vinden in de omschrijving ‘continuïteit’. Er is inderdaad geen wezenlijke verandering. Ik zie de personages in Het gedroomde boek als poppen – zeker niet als mensen van vlees en bloed. De personages handelen niet vanuit een motief. Er is geen sprake van psychologie. Wat voelt Elias eigenlijk? Psychologie heb ik nooit ervaren in het oeuvre van Gilliams. Wel in Gregoria of een huwelijk op Elseneur (1991), maar om die reden heb ik zoveel problemen met dat boek.

K.B./D.P.: In een andere scène zie je eerst de volwassen Elias naast zijn moeder op bed zitten. Beiden kijken naar een spiegel. Daarna zit het kind bij de moeder op hetzelfde bed. Op die manier suggereer je dat de volwassen Elias niet van zijn moeder is kunnen loskomen.

J.C.: In psychologie was ik nochtans niet geïnteresseerd. Ik vond de scène op het bed sterk. Hoe het beeld anders is in de spiegel dan fysiek. Eerst zie je het spiegelbeeld en dan pas de twee lichamen. Ik vind dat Elias als kind eigenlijk het meest volwassen lijkt. Het kind Elias is – om het met Visconti te zeggen – het ideale verleidingsinstrument.

K.B./D.P.: De geluidsband bestaat uit passages uit Gilliams’ verhalend en beschouwend proza, dagboekbladen en poëzie, deels gelezen door Maurice Gilliams zelf, deels door een jonge knaap, Marcel Neefs. Is die keuze ook gemaakt om ‘continuïteit’ te suggereren?

J.C.: Dat kan je zo interpreteren.

K.B./D.P.: Gilliams leest met veel pathos. Toch maakt zijn lezing veel indruk. Als je die stem eenmaal gehoord hebt, dan lees je Vita Brevis op een andere manier.

J.C.: De tekst is nadrukkelijk aanwezig in Het gedroomde boek. Het Nederlands zoals Gilliams dat brengt, is een bijna uitgestorven taal.

K.B./D.P.: In de film worden Elias, de moeder, Aloysius, tante Henriette en de liefste opgevoerd. Merkwaardig is dat een aantal sleutelfiguren in Gilliams’ proza totaal afwezig zijn: de grootmoeder, tante Theodora, nicht Hermine… Een andere opvallende afwezige is de vader, aan wie Gilliams nochtans uitgebreide passages wijdt. In Winter te Antwerpen (1953) beschrijft hij het doodsbed van zijn moeder: hijzelf en zijn vader zijn de getuigen van haar doodsstrijd. Terwijl deze scène deel uitmaakt van het eerste deel van de film, is de vader in de film afwezig. Waarom?

J.C.: Het gedroomde boek heeft een zeer specifieke focus, namelijk de relatie van Elias, de hoofdfiguur, tot de vrouw – moeder, tante, liefste. We wilden werken op de vrouwenfiguren in Vita Brevis.

K.B./D.P.: Als je niet goed oplet, dan zou je zelfs denken dat het drie dezelfde vrouwen zijn.

J.C.: Inderdaad. Het zijn drie spiegels. In de film zijn er drie vrouwen, en Elias verschijnt als kind, jongeling en volwassene. Dat was belangrijk voor ons: drie vrouwen/drie leeftijden. Toch zijn er nuances: de moeder is voornaam, Henriette is hysterisch, de liefste is strak en abstract.

K.B./D.P.: Maar als de figuur van de vrouw zo belangrijk is, dan is het toch op zijn minst vreemd te noemen dat Gregoria niet wordt opgevoerd, niet in het tweede en evenmin in het derde deel van Het gedroomde boek. Gabriëlle Baelemans, alias Gregoria in de gelijknamige roman, was Gilliams’ eerste vrouw. Lang voordat Gilliams kennismaakte met zijn tweede vrouw Maria-Elisabeth in het Stuivenbergziekenhuis in Antwerpen, was hij gedurende een korte periode – ongelukkig – gehuwd met Gabriëlle/Gregoria.

J.C.: De roman was nog niet verschenen toen Georges en ik aan het script aan het sleutelen waren.

K.B./D.P.: Er was wel reeds een fragment verschenen in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, in het nummer van februari 1974. Een kopie ervan bevindt zich trouwens in jouw archief. De tekst begint als volgt: ‘Morgen trouw ik met Gregoria.’

J.C.: Ik vond dat proza onleesbaar. We hebben op geen enkel moment overwogen om die tekst op te nemen in het draaiboek. Voor de roman Gregoria of een huwelijk op Elseneur (1991), die postuum is verschenen, kan ik geen waardering opbrengen. Ik heb Gilliams altijd een dichter gevonden.

K.B./D.P.: Gregoria had een heel ander – minder flatteus – beeld van Elias’/Maurice Gilliams’ idee over de liefde kunnen opleveren. Het gedroomde boek besluit integendeel met het onversneden idyllische beeld van de eeuwige liefde: ‘Wij sterven traag om langer saam te schijnen.’ De finale is een happy end.

J.C.: De film eindigt inderdaad met de viering van de liefde. Dat is de keuze die we hebben gemaakt. Iedereen maakt een paar keren in zijn leven een happy end!

K.B./D.P.: Een andere keuze betreft de selectie uit het verzameld werk. Alle tekstsoorten – poëzie, beschouwend en verhalend proza, dagboekfragmenten – zijn weliswaar vertegenwoordigd, maar jullie hebben toch vooral uit Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) en Winter te Antwerpen (1953) geciteerd. De andere Gilliams, die gothic is, duister en unheimlich, komt in Het gedroomde boek niet aan bod.

J.C.: Aan welke teksten denken jullie dan?

K.B./D.P.: Aan sommige verhalen uit Oefentocht in het luchtledige (1933), aan de eerder cultuurpolitieke novelle Libera nos, domine (1959), aan sommige ‘expressionistische’ gedichten, aan Inleiding tot de idee Henri De Braekeleer (1941), waarin Gilliams uitgebreid ingaat op de verschijning van de vrouw in De Braekeleers schilderijen… Gilliams schrijft over De Braekeleer onmiddellijk nadat zijn huwelijk met Gabriëlle Baelemans/Gregoria op de klippen is gelopen.

J.C.: Die werken liggen me niet, misschien is dat de verklaring. Alles wat in dat genre na Edgar Allan Poe komt, is niet aan mij besteed. Er moesten ook keuzes worden gemaakt. De lengte van de film was bepaald op slechts 45 minuten. We moesten een strenge selectie maken.

K.B./D.P.: Het tweede deel van de film omvat wel een scène uit een boek dat Gilliams na de eerste druk verworpen heeft, het zogenaamde Tweede cahier van Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936), waarin Elias, het hoofdpersonage, om het leven komt.

J.C.: Ik heb dat Tweede cahier nooit gelezen.

K.B./D.P.: Dan moet de stof uit het Tweede cahier onrechtstreeks in de film terecht zijn gekomen – via de passages die Gilliams eruit filterde voor De man voor het venster (1943), zijn boek met aantekeningen, fragmentarische essays en dagboekbladen.

J.C.: Dat moet haast wel: Georges en ik hebben het nooit gehad over de eerste druk van Elias. We hebben ons uitsluitend gebaseerd op de tweede uitgave van het verzameld werk dat vanaf 1975 door Orion werd uitgegeven.

K.B./D.P.: In de film hebben jullie het ‘louteringskamertje’ uit het Tweede cahier van Elias/De man voor het venster nagebouwd: ‘alles moest er even blank uitzien: de meubels, de kamerwanden, het vloerkleed, de wit porceleinen kachel, de lamp, etc. Eén enkel cristallen voorwerp op de schrijftafel. Geen boeken. Zelf moet men een parelgrijs vest en pantalon aantrekken. Nooit bezoek ontvangen.’

J.C.: Ik heb enorm veel aandacht besteed aan de decors, niet alleen dat van het louteringskamertje. De meeste interieurs zijn haast leeg. Alleen de essentiële elementen staan er, bijna als zetstukken. In die ruimten kan je je niet oriënteren. Dat irrealistische vond ik belangrijk, terwijl ik anderzijds niet in een studio wilde werken. Ik herinner me dat Georges op de set was, toen we de scène van het louteringskamertje hebben gedraaid – een van de weinige keren dat Georges trouwens aanwezig was. Ik was vooral gefocust op het venster. Georges maakte me attent op de plaatsing van de voorwerpen op het tafeltje. Met verwijzing naar het atelier van Mondriaan bracht hij terecht enkele wijzigingen aan. Hij was van mening dat de tafel betekenis moest krijgen. Ik ben hem daarin gevolgd.

K.B./D.P.: Georges figureert ook zelf in de film.

J.C.: Ja, op het moment dat Elias door de stad kuiert, kan je hem in een van de huiskamers zien.

K.B./D.P.: Ook die buitenopnamen zijn vrijwel abstract. Het is niet uit te maken in welke stad Elias rondloopt.

J.C.: We hebben bewust afstand genomen van Antwerpen als locatie. Ik associeer Gilliams spontaan met Antwerpen – de stad waar hij zijn gehele leven gewoond heeft en waarover hij uitgebreid heeft geschreven, overigens niet altijd in lovende termen – maar in de film hebben we daarvan abstractie gemaakt. Het is een fictieve stad waarin Elias ronddwaalt. Herkenbare plaatsen in Antwerpen zijn vermeden; de meeste opnamen zijn zelfs buiten Antwerpen gemaakt. Het gedroomde boek is een soort poppenhuis. Je kan stellen dat de film enkel uit decors bestaat. Zelfs de meeste buitenopnamen lijken in een bordkartonnen omgeving gefilmd.

 

Filmische verbeelding

K.B./D.P.: De ondertitel van de film luidt: Variaties op Vita Brevis van Maurice Gilliams. Omdat Het gedroomde boek een cinematografische adaptatie is van Vita Brevis, is die ondertitel zeker niet ongepast. De ‘variatie’ betreft in de eerste plaats de selectie van de fragmenten – wat wél en wat níet in de film is opgenomen. We moeten het echter ook hebben over de filmische verbeelding. De meeste scènes in het eerste en tweede deel van de film volgen de tekst vrijwel getrouw. Zo beschrijft Gilliams in Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) een scène waarin Elias tijdens noodweer in de armen van tante Henriette wordt gedreven. In de verfilming van deze scène volgt jouw camera als het ware de pen van de auteur.

J.C.: Sommige passages zijn haast letterlijk verfilmd, andere zijn ietwat vrijer opgevat.

K.B./D.P.: De filmische verbeelding is in sommige gevallen rijker dan de literaire. In Winter te Antwerpen beschrijft Gilliams de verhuis van meubelen uit het buitengoed door ‘vier forsgebouwde mannen’. In de film is deze scène tekstgetrouw in beeld gebracht. Het is evenwel een sterk beeld, misschien zelfs sterker in de film dan in het boek.

J.C.: Het interieur – een aantal meubels – wordt naar buiten gedragen. ‘Binnen’ staat ‘buiten’. Het beeld wordt echter gaandeweg dichtgetimmerd. ‘Binnen’ ontneemt op die manier het zicht op ‘buiten’. Ja, het gefilmde beeld zegt meer dan de tekst. Het gedroomde boek gaat weliswaar volledig terug op het verzameld werk van Gilliams, de film moest evenwel ook op zichzelf kunnen functioneren. De film moest een eigen kracht hebben. Film is geen literatuur.

K.B./D.P.: Het beeld van de op elkaar gestapelde meubels, waarvan sommige spiegels bevatten, lijkt haast op een schilderij van Magritte. Het is in de eerste plaats een sterk beeld, geen ‘uitbeelding’ van literatuur.

J.C.: Met Magritte was ik toen nog niet bezig. Het was een manier om het beeld dicht te bouwen. Alles wordt weggedaan, buitengezet, maar alles blijft staan en het wordt inderdaad een wand. Exterieur wordt interieur.

K.B./D.P.: Andere fragmenten uit Vita Brevis laten een dergelijke ‘uitbeelding’ of ‘verbeelding’ niet toe. In Winter te Antwerpen (1953) dwaalt Elias door Antwerpen, terwijl hij voortdurend gedachten ontwikkelt. In de film zie je weliswaar een door de stad dwalende protagonist, maar zijn gedachten ‘zie’ je niet – het narratieve is radicaal gesplitst van het filosofische. Het beeld van de wandelende Elias in de film is in feite zeer pover.

J.C.: Ik maak meestal zeer arme beelden; in Het gedroomde boek zijn ze misschien soms te sterk, te geladen. Het beeld van een wandelende, in zichzelf gekeerde Elias was essentieel.

K.B./D.P.: De wandelende Elias keert voortdurend terug in de film. Hij slaat het maken van een bootje gade in een atelier. In de film worden hieraan vijf korte passages gewijd – vijf stappen in het bouwproces.

J.C.: Voor Gilliams was de boot een belangrijk beeld. De boot staat gelijk met het avontuur. In de film is de boot echter ook een voorwerp. In de vijfde bootscène is het sloepje met een glinsterend gespannen zeildoek bedekt. Het is een hard, gesloten object geworden, een beeld van het kunstwerk zoals Gilliams het voorstond.

K.B./D.P.: Je kan dat beeld ook lezen als gecastreerd verlangen.

J.C.: Of als een doodskist.

K.B./D.P.: In de eerste twee delen van Het gedroomde boek wordt de tekst zoals gezegd vrij nauwgezet gevolgd. In het derde deel dat handelt over Elias en zijn geliefde is er sprake van een zeer vrije interpretatie. Gilliams heeft in Winter te Antwerpen (1953) weliswaar geschreven over de kennismaking met zijn latere echtgenote, Maria-Elisabeth de Raeymaekers, maar verder is hij steeds zeer discreet gebleven over de aard van zijn liefdesrelatie met haar. Gilliams heeft nooit over Maria-Elisabeth geschreven als zijn ‘liefste’. Die omschrijving is door jou en Georges Adé uitgevonden.

J.C.: Neen, hij dicht over de liefste in het lange gedicht Landelijk solo (1927).

K.B./D.P.: Jullie hebben inderdaad Gilliams’ poëzie ingezet om het over Elias en de liefste te hebben. De laatste passages in de film zijn niet op proza gebaseerd – eenvoudigweg omdat hij in Vita Brevis nergens over een liefdesrelatie heeft geschreven. Landelijk solo (1927) schrijft Gilliams bovendien lang voor zijn tweede huwelijk met Maria-Elisabeth, zelfs lang voor zijn eerste mislukte huwelijk met Gabriëlle Baelemans (27 augustus 1935-12 februari 1936).

J.C.: We hebben ook latere gedichten als inspiratie gebruikt, zoals Winterkunst (1954), waarin Maria met naam en toenaam voorkomt.

K.B./D.P.: Het is hoe dan ook opmerkelijk dat jullie narratieve kernen of verhaallijnen hebben gedestilleerd uit de gedichten. Op het einde van de film zegt de liefste bijvoorbeeld tegen Elias: ‘blijf hier wonen’. Het is een letterlijk citaat uit het gedicht Gedroomd geluk (1927).

J.C.: Ja.

K.B./D.P.: Er zitten in het derde deel ook beelden die slechts zeer gedeeltelijk teruggaan op Gilliams’ werk. Gilliams dicht: ‘In uw liefdemacht, stoeiend overstelpt,/ daal ik af als in een bad lauwe melk,/en ‘k voel uw hart zwaar kloppen’. In de film glijdt de liefste met haar klederen aan in een bad dat tot aan de rand gevuld is met water.

J.C.: Het wegduwen van het lichamelijke op een bijna onnatuurlijke wijze…

K.B./D.P.: Een ander beeld is volledig door jou en Georges Adé verzonnen: de liefste komt binnen met een karaf water en een glas. Elias neemt het aan en drinkt het uit. De liefste wil het opnieuw vullen, maar Elias trekt het terug; het water valt op de vloer.

J.C.: Ja, poëzie laat veel meer toe.

K.B./D.P.: De beelden die je zelf maakt, die met andere woorden niet teruggaan op Gilliams’ literaire verbeelding, houden de mogelijkheid in zich van een interpretatie. Het is meer dan ‘uitbeelding’, het is ‘verbeelding’. Waarom is dat enkel in het derde deel gebeurd?

J.C.: Ik kan alleen maar stellen dat we met verwijzing naar zeer specifieke gedichten tot ‘beelden’ zijn gekomen.

K.B./D.P.: Het zijn veelbetekenende gebaren: een aangeklede vrouw die in een bad glijdt, water dat naast het glas wordt gegoten… De liefde wordt ‘gevierd’ met een erg symbolistische beeldentaal.

J.C.: Het is misschien zelfs pathetisch. Ik kan me die kritiek voorstellen.

 

Degré zéro

K.B./D.P.: Over de keuze van de acteurs hebben we een schriftelijk vastgelegde motivatie gevonden in het VRT-archief, wellicht geschreven door producer Ludo Bekkers: ‘De personages moeten een zo volledig mogelijke fysieke gelijkenis vertonen met de figuren uit het oeuvre.’ Aan de moeder en tante Henriette heeft Gilliams talloze beschrijvingen gewijd. Het is dan ook aannemelijk dat fysiek gelijkende acteurs voor hen konden worden opgespoord. Elias en de liefste zijn door Gilliams echter nauwelijks ‘in beeld gebracht’. Elias is immers de ik-figuur in Gilliams’ proza, die de wereld rondom hem observeert, beschrijft en duidt. Enkel in het door Gilliams later afgezworen Tweede cahier van Elias of het gevecht met de nachtegalen krijgen we een zicht op de protagonist, omdat hij daarin wordt geportretteerd door een jeugdvriend, Olivier Bloem. Over de liefste heeft Gilliams zoals reeds gezegd geen proza – slechts gedichten – geschreven.

J.C.: Georges en ik hebben de personages geïnterpreteerd. De kledij is zoveel mogelijk geïnspireerd op Gilliams’ tekst. Voor de kapsels hebben we ons laten inspireren door schilderijen van Henri De Braekeleer en Gustave Van de Woestijne. De film is in het algemeen sterk geïnspireerd op het werk van De Braekeleer. Het gedroomde boek berust niet alleen op de literaire verbeelding van Gilliams.

K.B./D.P.: Het document in het VRT-archief maakt ook melding van het voornemen om geen beroep te doen op beroepsacteurs: ‘De acterende figuren kunnen geen beroepsacteurs zijn omwille van het feit dat geen enkele gelijkenis met bestaande en bekende personen mag ontstaan.’

J.C.: Ik wou die leegte opzoeken. Geen herkenbaarheid. Gilliams’ poëtische oeuvre kon ik niet verbinden met theatraliteit. Ik zou bovendien niet weten welke acteurs in aanmerking zouden zijn gekomen.

K.B./D.P.: Voor Elias kies je wél iemand die in die tijd als nieuwsanker haast dagelijks op het televisiescherm kwam: Dirk Lesaffer.

J.C.: Ja, maar hij heeft niet lang het nieuws gepresenteerd. Hij incarneerde voor mij de Eliasfiguur: gevoelig, dromerig, introvert, aseksueel… Ik weet niet meer hoeveel andere kandidaten ik in overweging heb genomen.

K.B./D.P.: In een gesprek met Herman De Coninck, Humojournalist, zou producer Ludo Bekkers hebben gesteld dat Lesaffer ‘in de film terechtkwam op een moment dat [hij] met [zichzelf] in de knoop zat’. En dat dat gunstig was voor de film.

J.C.: De keuze voor Lesaffer heb ik gemaakt, niemand anders. Bij mijn weten had Lesaffer geen problemen. Hij was rustig en vriendelijk en hij deed wat ik vroeg.

K.B./D.P.: Elders meldt Ludo Bekkers: ‘Zijn [Lesaffers] fysische verschijning beantwoordt zo perfect aan de volwassen Elias uit het werk van Gilliams dat geen enkele kandidaat het bij hem haalde.’ Waarop baseert hij zich? Jullie hadden het Tweede cahier toch niet gelezen?

J.C.: Dat is juist. Ik herinner me dat we met sterke argumenten moesten komen om toelating te krijgen om Dirk Lesaffer te engageren omdat hij voor de nieuwsdienst van de openbare omroep werkte. Er is op het hoogste niveau over beraadslaagd vooraleer we toestemming kregen.

K.B./D.P.: De moeder wordt gespeeld door Liane Lefaivre, architectuurtheoreticus; tante Henriette door Myriam Ceriez, literatuurjournalist; en de liefste door Antoinette Sturbelle, grafisch vormgever. Twee van de actrices, Liane Lefaivre en Antoinette Sturbelle, zijn niet alleen onbekend in Vlaanderen, ze zijn zelfs het Nederlands onkundig.

J.C.: Zoals ik al zei: ik wou geen herkenbaarheid. De acteurs moesten bovendien zo goed als niet spreken. Ik herinner me nog goed hoe ik Liane Lefaivre gecast heb. Ik ontmoette haar in Eindhoven, samen met haar man, architectuurtheoreticus Alexander Tzonis en ik dacht: ‘Dat is ze, de moeder van Elias.’

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Er zijn vrouwen die moeder kunnen zijn zonder kinderen gehad te hebben. Dat is een voordeel. Zij moeten niet imiteren. Daarom heb ik haar gekozen.

K.B./D.P.: Lefaivre heeft gepoogd om jouw films over architectuur te tonen aan Amerikaanse universiteiten. Er wordt regelmatig over gesproken in de correspondentie die bewaard is gebleven in het archief van de VRT. In een brief aan Ludo Bekkers schrijft ze: ‘Quant à la présentation des films de monsieur Bekaert et Cornelis, nous attendons d’une journée à l’autre la décision de Harvard, de Montréal et possiblement de Columbia University…’

J.C.: Ik weet daar niets van.

K.B./D.P.: Welke instructies heb je de acteurs gegeven?

J.C.: Haast geen. Ik wou het degré zéro van het acteren.

K.B./D.P.: Zo’n degré zéro bestaat toch niet. Er wordt altijd geacteerd, hoe miniem ook. De acteurs spreken weinig, maar als ze spreken, dan komt het geforceerd over, precies omdat ze in haast alle scènes zwijgzaam zijn. Als Dirk Lesaffer (Elias) bijvoorbeeld zegt: ‘wie ben ik, wat is ‘ik’’, dan krijgt deze frase meteen een enorm gewicht.

J.C.: De enkele gesproken scènes zijn niet geslaagd, dat is juist. Ik wilde bordkartonnen personages, onechte wezens. Ik wou zo weinig mogelijk expressiviteit.

K.B./D.P.: Moet je niet precies een beroep doen op professionele acteurs als je een verregaande mate van abstractie of onechtheid wil bereiken?

J.C.: Misschien hebben we de casting verkeerd aangepakt… Het was de bedoeling om een cinematografisch gedicht te maken. Het gedroomde boek is een opeenvolging van stills. Het is een aantal beelden waar niets voor en niets achter komt.

K.B./D.P.: Dat klopt maar ten dele, vermits je Elias als kind, knaap en jongvolwassene opvoert. De bouw van het sloepje wordt ook gevolgd: er worden niet minder dan vijf takes aan gewijd, die tussen andere scènes zijn gemonteerd. De relatie van Elias met de liefste kent hoogten en laagten… Er is dus wel degelijk ontwikkeling.

J.C.: Er zitten enkele ‘ontwikkelingen’ in de film, maar het is geen gefilmd verhaal. We wilden niet de volledigheid betrachten, maar uitdrukking geven aan de atmosfeer in Gilliams’ werk. We hebben enkele sterke passages uit Vita Brevis in beeld gebracht, ervan uitgaande dat er tussen die fragmenten een interne dynamiek zou ontstaan. Ik lees het werk van Gilliams trouwens op die manier. Een roman heeft hij nooit geschreven. Het zijn slechts schetsen. Ik vergelijk zijn werk steeds met dat van Claude Debussy.

K.B./D.P.: Je gebruikt evenwel niet Debussy voor de klankband, maar Bach. André Laporte is verantwoordelijk voor – het wordt in de generiek nogal merkwaardig omschreven – het ‘muziekdecor’ van de film.

J.C.: Ja, Laporte is een liefhebber van het werk van Gilliams. Zij hebben elkaar ook ontmoet.

K.B./D.P.: Het ‘muziekdecor’ bestaat volledig uit fragmenten van Bach, maar niet steeds in de oorspronkelijke versie. Van twee orgelkoralen van Bach zijn de Busonibewerkingen voor piano te horen; de chaconne uit Bachs tweede partita voor viool wordt zowel in de originele versie als in Busoni’s bewerking voor piano gebruikt. De sarabande uit de vijfde cellosuite is dan weer te horen in Bachs eigen bewerking voor luit. Was de referentie naar het huiselijk musiceren van belang?

J.C.: Ja, dat heeft een rol gespeeld. Zoals ik al zei, is de binnenruimte, het interieur, bijzonder belangrijk in Het gedroomde boek.

K.B./D.P.: Ergens in de film leest Gilliams ook een stukje uit zijn boek De kunst van de fuga over Bach, overigens ook de eerste zinnen van dat boek. Het lijkt erop alsof dat fragment is gekozen om de soundtrack te legitimeren.

J.C.: Nee, dat is niet het geval. Gilliams’ stem was allang opgenomen. André Laporte heb ik pas benaderd nadat alle beelden geschoten waren.

 

‘Sommige beelden hebben me diep ontroerd’

K.B./D.P.: Het gedroomde boek is pas op 9 januari 1980 op antenne gekomen. Blijkens vermeldingen in het radio- en televisiemagazine HUMO was de uitzending eerst gepland op 17 oktober 1979, vervolgens op 19 december 1979 en ten slotte op 9 januari 1980.

J.C.: Ook de programmering van de film verliep rampzalig. In oktober 1979 was er een staking, in december 1979 moest Het gedroomde boek wijken voor de rechtstreekse uitzending van een voetbalwedstrijd. Maurice Gilliams en zijn vrouw hadden de film gelukkig al gezien: er was een preview voor hen georganiseerd met de grote bazen van de openbare omroep: Joz. Van Liempt, afdelingshoofd van de dienst Kunstzaken; Jan Van der Straeten, directeur Cultuur; Nic Bal, programmadirecteur en Paul Vandenbussche, directeur-generaal. Ook Jozef Deleu was van de partij. Gilliams werd ontvangen als een koning. De BRT-top was duidelijk in zijn nopjes. Het gedroomde boek is voor hen bovendien geprojecteerd als film, niet als video. Er is later ook een bioscoopversie gemaakt.

K.B./D.P.: Hoe reageerde Maurice Gilliams op de film?

J.C.: Hij was zeer tevreden. Na de uitzending op televisie heeft hij me zelfs een briefje gestuurd: ‘Sommige beelden hebben me diep ontroerd en ik heb er moeite mee gehad om mijn ontroering te verbergen voor de dierbare wezens die mede naar de beelden-poëzie met mij keken. Ik ben u dankbaar.’

K.B./D.P.: Ook de kritiek van de schrijvende pers was overwegend lovend.

J.C.: Zelfs Humo was gematigd positief. Ik heb gelukkig geen schade opgelopen door die film. Dat had nochtans gekund. Een film over Vita Brevis, dat was iets om je nek over te breken.

K.B./D.P.: Heb je contact gehouden met Gilliams?

J.C.: Ja, tot aan zijn dood in 1982. Eerst om professionele redenen: ik was onmiddellijk na de afronding van de Nederlandse versie begonnen aan de Franse en de Engelse versie. Met Wanda Boeke, de vertaler van de Engelse versie, ben ik, meen ik, tweemaal bij Gilliams’ thuis geweest. Zij wilde een aantal passages met hem doornemen.

K.B./D.P.: De anderstalige versies waren van bij het begin van het gehele project voorzien. In een document dat we hebben aangetroffen in het archief van de BRT motiveert Ludo Bekkers, producer, de opvatting over de regie van de film met verwijzing naar een mogelijke distributie in het buitenland: ‘Daarbij moet ingecalculeerd worden dat een dergelijke productie, waarbij dus geen spreekrollen voorzien worden, er kan toe bijdragen om deze merkwaardige auteur in het buitenland te leren kennen.’

J.C.: Dat is ook gelukt. De film is vertoond op een festival in Venetië. Ik meen dat de film daarna in Amerika door diverse PPS-stations vertoond is, onder impuls van een organisatie die zich bezighield met moeilijke producties voor televisie. Het gedroomde boek heeft een internationale carrière gehad! Ik vind de Engelse en de Franse versie trouwens ook beter dan de Nederlandse.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: De vertaling door Wanda Boeke, voor het Engels, en door Georges Adé, voor het Frans, waren uitstekend. Voor de Franse versie hebben we eerst Roland Barthes benaderd om de tekstexcerpten te lezen, maar hij hapte niet toe – ‘il me faut […] veiller rigoureusement à ne pas me disperser et renoncer à tout engagement extérieur à mon travail’. Drie maanden later overleed hij. We hebben gewerkt met ‘onbekende’ stemmen.

K.B./D.P.: Waarom wilde je per se met Roland Barthes werken?

J.C.: Dat is toch overduidelijk: Het gedroomde boek beschouw ik als een soort Fragments d’un discours amoureux.

K.B./D.P.: Vooral de stem van de jonge knaap is meer geslaagd in het Frans en het Engels.

J.C.: Ik was ook niet zo gelukkig met de stem van de jongen in de Nederlandse versie. Ik heb een kennis ingeschakeld, Ludo Frateur, om een vervanger te zoeken, maar hij heeft niemand anders aangebracht.

K.B./D.P.: Ook de Vlaamse pers noemt haast als enige punt van kritiek de stem van de jongen. Frans Boenders schrijft in Kunst en Cultuur: ‘Het enige wat mij […] heeft gestoord is de zegging van de jongen, niet omdat het ritme ervan hort of de dictie ongenietbaar is (beide aanmerkingen zijn overigens helaas juist), maar omdat de stijlbreuk met de nadrukkelijke, bezwerende stem van de 79-jarige auteur niet te verantwoorden is.’ En Freddy De Vree in NRC Handelsblad: ‘Soms hoort men een kinderstem, die in moeilijk te begrijpen Antwerps-Vlaams brokjes tekst leest – de enige fout in deze film.’

J.C.: Ik kan alleen maar herhalen dat ik met name de Engelse versie hoger inschat dan de Nederlandse, niet alleen omwille van de lectuur van de jongeling.

K.B./D.P.: Waarom?

J.C.: Er is een groot verschil tussen de Nederlandse tekst en de Engelse vertaling. Wanda Boeke heeft de Nederlandse tekst afgekrabd. Zij las Gilliams’ tekst op een bijzonder kritische manier. Er is heel veel tijd aan de vertaling besteed.

K.B./D.P.: Heeft Gilliams die vertaling gezien of gelezen?

J.C.: Nee. Boeke heeft hem wel om feedback verzocht, meen ik. De tekst is ook beter ingesproken, neutraler.

K.B./D.P.: Jij was dus uiteindelijk niet tevreden met de manier waarop Gilliams de teksten had ingelezen?

J.C.: Neen, dat geaffecteerde… ik wilde op een zeker moment af van dat pathos. Ik had me heel snel gerealiseerd dat ik voor de Nederlandse versie vastzat aan de stem van Gilliams. Welke andere oplossing had ik kunnen bedenken? Le livre rêvé en – meer nog – The envisioned book boden me echter de kans om met de tekst op een andere – veel lichtere – manier om te gaan. Dat Vlaamse moest weg.

 

Documentatie: Iris Paschalidis & Asia Wieloch

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Koen Brams

Met dank aan Argos & Albert Maene (VRT-archief)

De Janssens Werken (BAVO) en architectuur in Antwerpen – een paneldiscussie

Inleiding

Van 10 april tot 25 mei 2008 liep in 35m3-box in deSingel te Antwerpen een tentoonstelling van BAVO – een duo architectuurcritici bestaande uit Gideon Boie en Matthias Pauwels – onder de titel De Janssens Werken. In een speciaal nummer van het architectuurtijdschrift A+ noemde BAVO De Janssens Werken zonder omhaal een ‘charmeoffensief in zes delen’ dat de bedoeling heeft om architecten aan te zetten een positieve bijdrage te leveren aan het stadsproject van Antwerpen – het Antwerpen van Patrick Janssens. In de 35m3-box hingen onder meer posters van bouwwerken gerealiseerd onder het bewind van Patrick Janssens, die voorzien waren van de naam van de burgemeester in handgeschreven kapitalen: PATRICK. Tevens kon je in deSingel een model van een vertrouwenscode inkijken tussen de architecten en ’t Stad, en in de wandelgangen van deSingel was een informatiebox geplaatst waar ‘architecten en bezoekers zich [konden] informeren over de vele kansen die ’t Stad hen biedt om hun steentje bij te dragen voor de Antwerpse zaak’. De tentoonstelling omvatte verder een Open Oproep en een Architectengids en er was ook een ‘klantendienst’ in ondergebracht. De ongebreideld positieve toon van de presentatie had een ironisch effect. Het leek duidelijk om een kritische persiflage te gaan op de manier waarop Patrick Janssens de architectuur voor zijn politieke kar spande. Interessant was ook de reactie van de burgemeester zelf, die in De Standaard liet optekenen dat hij ‘geen moeite had met deze vorm van kritiek’. De tentoonstelling De Janssens Werken vormde samen met de recente deining rond architectuurprojecten in Antwerpen – met name de Oosterweelverbinding – voor De Witte Raaf de aanleiding om onderstaande paneldiscussie te organiseren. Vertrekkend van De Janssens Werken discussiëren Gideon Boie, Maarten Schmitt, Bob Van Reeth en Pieter Uyttenhove (moderator) over diverse vragen betreffende de rol van architectuur en de omgang met architectuur in de stad Antwerpen. Graag hadden we deze discussietekst in een van de afgelopen twee nummers – over Antwerpen – gepresenteerd, maar om praktische redenen kon het panelgesprek pas later plaatsvinden en komt het in dit nummer terecht.

 

Welke architectuurkritiek?

Pieter Uyttenhove: Gideon Boie, kan je kort uitleggen hoe de tentoonstelling van BAVO in deSingel tot stand is gekomen?

Gideon Boie (BAVO): We deden met BAVO al enige tijd onderzoek naar het architectuurbeleid in steden als Antwerpen, Rotterdam, Den Haag en Almere. De Antwerpse burgemeester Patrick Janssens wil met zijn slogan ’t Stad is van iedereen zeggen dat iedereen zijn plaats heeft in de stad en er zijn verantwoordelijkheid moet nemen, ook de architecten. Dat sprak ons aan. Toen we door deSingel werden uitgenodigd om een tentoonstelling in de 35m3-box te realiseren, besloten we om zijn beleid grondig te analyseren. Dat resulteerde in verschillende acties en documenten: een vertrouwenscode tussen Stad en architecten, een postercampagne, een informatiebox, een open oproep…

P.U.: Jullie actie heeft veel weg van een persiflage op de aanpak van de stad op het vlak van architectuur. Het lijkt alsof jullie de citybranding van Antwerpen willen doorprikken, evenals het feit dat de stad de architectuur gebruikt om zichzelf als kwaliteitsmerk te propageren.

G.B.: Dat was nochtans niet onze bedoeling. Als architectuurcritici ligt het misschien voor de hand om kritisch uit de hoek te komen, maar onze inzet was omgekeerd. Wij wilden iets positiefs doen. Onze ambitie sloot aan bij wat Tom Barman met de muziek heeft gedaan, door muzikanten te mobiliseren en te engageren voor het stadsproject van Antwerpen.

P.U.: Jullie actie was dus niet kritisch bedoeld?

G.B.: Nee.

P.U.: In De Standaard van 14 april 2008 werd de tentoonstelling nochtans omschreven als een ’knappe pastiche op de Antwerpse city-marketing‘. Maarten, hoe heb jij als buitenstaander De Janssens Werken gelezen?

Maarten Schmitt: Aanvankelijk had ik de indruk dat het discours in de architectengids van De Janssens Werken ook heel serieus kon bedoeld zijn. Tot ik zo’n zin las als: ’de stad is voor iedereen, dus ook voor de architecten…‘ Zoiets kan je toch niet ernstig bedoelen, dacht ik toen.

P.U.: Of neem een zin als: ’Kortom, zoals bij een goed democratisch bestuur gaat het om een goede mix tussen overtuigen, dreigen en bluffen.‘

G.B.: Ik weet dat de tentoonstelling door sommigen geïnterpreteerd is als een kritiek op het beleid van Patrick Janssens…

P.U.: Ook door Patrick Janssens zelf trouwens. Vreemd genoeg had de burgemeester evenwel geen problemen met die vermeende kritiek. In een interview met De Standaard zei hij: ‘Ik was compleet verrast door het initiatief. Nee, ik heb de tentoonstelling nog niet gezien, maar ik heb geen moeite met deze vorm van kritiek. Stedenbouw en architectuur vormen de kern van het beleid. Als jonge architecten het gevoel hebben dat architectuur gebruikt wordt in een marketingcampagne, is dat misschien terecht.’

G.B.: …wie het schoentje past trekke het aan, zou ik zeggen. Als Patrick Janssens onze tentoonstelling als een kritiek leest op zijn beleid, dan is dat zijn interpretatie; ik kan alleen maar herhalen dat dat niet onze ambitie was. Eigenlijk was onze actie vooral gericht op de architecten. Architectuur wordt in Antwerpen stevig in het beleid ingebed, over die intentie laat Patrick Janssens geen twijfel bestaan. De architecten die voor de stad bouwen, doen dat in opdracht van het autonoom gemeentebedrijf AG Vespa. De architecten zijn de voornaamste doelgroep van het project De Janssens Werken. Ik weet dat het paternalistisch klinkt, maar wij wilden de architecten sensibiliseren om zich in een positief stadsproject te engageren. Patrick Janssens heeft de tentoonstelling trouwens bezocht en was bijzonder opgetogen over dat aspect van de actie, omdat hij begreep dat architecten niet zo makkelijk in hun kaarten laten kijken.

P.U.: Wat bij de partij Groen!, in de persoon van Manu Claeys, dan weer het verwijt uitlokte dat jullie promotie maakten voor het Antwerpse beleid. Claeys vroeg zich openlijk af of deSingel zich wel tot dergelijke propaganda moest lenen.

G.B.: Zo’n reactie kan je waarschijnlijk van een oppositiepartij als Groen! verwachten. Vreemd genoeg was dat soort kritiek nergens te horen toen Tom Barman zijn 0110-concerten opzette.

P.U.: Dit alles duidt er toch op dat er verwarring bestond over de werkelijke inzet van jullie actie. Vinden jullie De Janssens Werken dan geen gemiste kans?

G.B.: Ik vind die verwarring veel interessanter dan gewone kritiek. Met BAVO worden wij vaak uitgenodigd om kritische feedback te geven. Je mag kritiek geven zoveel je wil bij dat soort gelegenheden, iedereen knikt ja en vindt het interessant, maar niemand ligt er écht wakker van.

M.S.: Ik vind het geweldig dat jullie ervoor knokken om het grootst mogelijke kritische effect te genereren. Dat is wat architectuurkritiek moet doen. Architectuurkritiek zonder dat verlangen vind ik persoonlijk een heel cynische vorm van kritiek. Jullie willen meer zijn dan de horzel in de pels.

G.B.: Met verwarring zaaien draag je meer bij aan het creëren van een echt debat – dat hebben de reacties ook uitgewezen.

 

De autonomie van de architect(uur)

P.U.: Gideon, je zei daarnet dat jullie actie vooral op de architecten was gericht… Hoe hebben de architecten op de tentoonstelling gereageerd?

G.B.: Over het algemeen positief. Willem-Jan Neutelings zei dat wij vertolkten waar hij al tien jaar voor vocht. Paul Vermeulen zag De Janssens Werken als een betoog pro domo, maar begreep de inzet en onderschreef dat er in Antwerpen dankzij Patrick Janssens een goed klimaat heerste voor architectuur. Stéphane Beel was ook heel positief. Hij vond het alleen jammer dat niet al zijn medewerkers vermeld stonden! – in onze keuze van best practices in de tentoonstelling was namelijk ook een realisatie van Beel Architecten opgenomen. Daarentegen distantieerde Meta Architectuurbureau zich volledig van de tentoonstelling. Meta vond wellicht dat er een te sterke link werd gelegd tussen de stad en de architecten en dat zo de indruk ontstond dat zij hun autonomie hadden prijsgegeven. Wat een onzin! De stad gunt de architecten heus wel autonomie. Ze verwacht niet dat elke architect zich als ambtenaar komt aanbieden.

P.U.: Door de architecten op te roepen om de dienstmaagd van de stad te worden, provoceren jullie toch een beetje dergelijke reacties… In de afgelopen decennia is de autonomie van de architect herhaalde malen ter discussie gesteld door de architectuurkritiek… en nu zegt BAVO in deSingel dat de architect zich ten dienste moet stellen van het grote bedrijf dat de stad is. Niet te verwonderen dat architecten zich vragen stellen over het behoud van hun autonomie.

G.B.: Het klopt dat de stad Antwerpen op dit vlak een bedrijfsmatige aanpak hanteert. Ze opereert als een holding met bedrijfscellen en dochterondernemingen. Een van die dochterondernemingen is het autonome gemeentebedrijf AG Vespa dat als tijdelijk opdrachtgever optreedt in het kader van het zogenaamde ‘pandenbeleid’. Het gemeentebedrijf koopt verkrotte woningen op, vernieuwt en verbouwt ze in samenwerking met een architect, en verkoopt ze vervolgens door. Om dat beleid te realiseren stelt AG Vespa op basis van een publieke oproep een architectenpool samen die snel kan interveniëren in probleemgebieden in de stad. De architecten zijn vragende partij om op die manier te werken. Ik ben nog geen enkele architect tegengekomen die binnen de pool gewerkt heeft en ontevreden was. Degenen die ik ken zijn erg te spreken over de vrijheid die ze krijgen om te ontwerpen.

Bob Van Reeth: De architectenpool van Antwerpen bestaat vooral uit jonge architecten en louter en alleen uit goede architecten. AG Vespa stelt bepaalde culturele ambities voorop en kiest architecten die zich hebben bewezen en die de vooropgestelde ambitie kunnen vertalen in architectuur. Ik zie niet wat het probleem zou kunnen zijn. Er zitten trouwens heel verschillende architecten in de pool.

G.B.: Bovendien is het pandenbeleid een goede manier om voor een buurt nieuwe mensen aan te trekken. Als koper heb je immers het voordeel dat je het moeizame bouwproces met de architect bespaard blijft.

B.V.R.: De kans is ook groot dat je bij een privéontwikkelaar niet de dezelfde kwaliteit krijgt als bij AG Vespa.

P.U.: Bij mijn weten bestaat er evenwel geen echte controle op de selectie van architecten. In theorie zou het dus fout kunnen gaan.

B.V.R.: Dat klopt, maar je mag ervan uitgaan dat AG Vespa op dit moment de beste bedoelingen heeft. Weet je, in het opdrachtgeverschap in Vlaanderen is er veel veranderd door het instellen van het ambt van Vlaams Bouwmeester. Ik zeg dit niet omdat ik die functie zelf – van 1998 tot 2005 – heb waargenomen; het is immers Wivina Demeester die het initiatief heeft genomen tot het instellen van een bouwmeesterschap. Het besef van ’goed opdrachtgeverschap‘ is sindsdien beginnen groeien bij de beleidsvoerders. Patrick Janssens is een van die jonge politici die inzien dat stedenbouw en architectuur heel belangrijk zijn. Niet omdat je er macht mee kan verwerven, maar omdat je je macht via architectuur kan aanwenden ter verbetering van het stedelijke milieu. Als één man zijn idee doordrijft – zoals gebeurd is ten tijde van de voormalige Antwerpse burgemeester Bob Cools (1983-1994) – dan loopt het faliekant af. Wat je nodig hebt is iemand die gevoelig is voor wat er in de stad leeft en bestaat. Ik vind trouwens dat het belang van de architecten wordt overschat. De architectuur is niet van de architect, maar van de bouwheer. Die laatste moet de ambities ontwikkelen die door de architect tot architectuur kunnen worden verheven.

P.U.: Maar de architect draagt toch ook zelf een maatschappelijke of ethische verantwoordelijkheid ten opzichte van de projecten die hij ontwerpt? Of staat hij daar in zijn autonomie los van?

G.B.: Dat is een verstrekkende vraag.

P.U.: Ik denk opnieuw aan De Janssens Werken… Als jullie betoog naar de architecten is gericht, dan zou je De Janssens Werken ook kunnen interpreteren als een kritiek op een te autonome opstelling van de architect.

G.B.: Ik begrijp zeer goed dat de architect waakt over zijn autonomie, maar ik vrees dat veel architecten die autonomie gebruiken als een argument om elke discussie over de maatschappelijke wenselijkheid of functionaliteit van hun architectuur te vermijden.

P.U.: Anderzijds hebben jullie het, Gideon, in de architectengids van De Janssens Werken voortdurend over de marktconformiteit van de architect. Zo wordt Stéphane Beels Militair Hospitaal geprezen omdat het de stad ’verzekert van ruimtelijke meerwaarde zonder de marktconformiteit uit het oog te verliezen‘. Of is dat wél ironisch bedoeld?

G.B.: Het gaat erom welke afhankelijkheid je verkiest als architect. Begrijpelijk dat veel ontwerpers een afhankelijkheid verkiezen binnen een strikt professioneel, economisch kader met een duidelijk omschreven politiek van bouwopdrachten. Dat is beter dan een afhankelijkheid wanneer je ontwerpopdrachten toegespeeld krijgt na onduidelijke politieke onderhandelingen. 

B.V.R.: Stedenbouwkundigen en architecten krijgen geen opdrachten, jongeman. Ze worden gevraagd. Men heeft ze nodig om de wereld vorm te geven! Het probleem is evenwel dat de markt op korte termijn speculeert. Een ontwikkelaar wil opbrengsten binnen tien jaar. Een investeerder denkt al ruimer en wil een meerwaarde binnen vijftig of honderd jaar. Pas dan heb je het over architectuur en het vormgeven van de stad.

M.S.: Bij Patrick Janssens gaat het gelukkig niet om winst. Ik vind Antwerpen op dat vlak een groot voorbeeld voor andere steden. Veel Nederlandse steden zouden van Antwerpen kunnen leren.

P.U.: Het is niet mijn bedoeling mensen vast te pinnen op hun verleden, maar Patrick Janssens heeft een verleden als reclameman. Speelt dat mee in zijn beleid?

B.V.R.: Ja. Hij kent iets van management. Maar hij ziet ook het inhoudelijke verschil tussen reclame en duurzame dingen. Ik geloof niet dat hij architectuur behandelt als reclame.

G.B.: Dat zou betekenen dat hij architectuur opvat als een pakkend en provocerend beeld. Terwijl Janssens architectuur ook ziet als een kapitaal dat in en voor de stad kan renderen. Er is niets mis met de idee om architectuur als een meerwaarde te zien.

 

Architectuuriconen of beleidskaders

P.U.: Hoe zouden jullie het Antwerpse stadsproject van Patrick Janssens omschrijven? Wil het een ‘goede stad’ realiseren waar het voor de mensen aangenaam en gezond leven is of streeft het naar een ‘mooie stad’ die representatief is voor het beeld dat de inwoners van hun stad hebben? Met andere woorden, tot op welke hoogte worden architectuur en stedenbouw door de Antwerpse beleidsvoerders ingezet om politiek greep te krijgen op de stad?

G.B.: Patrick Janssens laat er geen twijfel over bestaan dat architectuur dient om een goed gevoel én een goed beeld van de stad te creëren. Dat is belangrijk ten opzichte van andere steden in de buurt, zoals Rotterdam en Brussel, maar ook om de eigen burgers te winnen voor zijn stadsproject.

P.U.: Dan is het evenwel vreemd, Gideon, dat jullie in De Janssens Werken alleen voorbeelden hebben gegeven van architectuurprojecten – van Beel, Neutelings, Rogers, B-architecten of Robbrecht & Daem – en dat jullie niet op stedenbouw- of infrastructuurprojecten ingaan. Die dragen nog veel meer bij aan het beeld en de ambiance van de stad.

G.B.: Een project als het Justitiepaleis van Rogers is toch ook een voorbeeld van een project met een grote stedelijke impact?

B.V.R.: Dat is geen project van Patrick Janssens!

G.B.: Het werd niettemin opgenomen in zijn campagne Werf van de Eeuw. Verder hebben we ook het pandenbeleid aangekaart. Het pandenbeleid beweegt zich op een kleinschalig niveau – de schaal van één woning – maar heeft een grote impact op de dagelijkse leefomgeving. De bevolking wordt op de meest concrete manier met zo’n beleid geconfronteerd. In Nederland noemt men dit ’gentripunctuur’ – een samentrekking van ‘acupunctuur’ en ‘gentrification’. Gentripunctuur staat voor het opwaarderen van een buurt door middel van kleine en punctuele ingrepen. We hebben het dus over twee manieren om aan het ‘beeld’ van de stad te werken: zowel door het bouwen van grote, belangrijke representatieve gebouwen, als door het voeren van een kleinschalig beleid op het niveau van de woning en de buurt. Het architectuurbeleid in Antwerpen bestaat erin op beide niveaus een inspirerend kader te bieden waarbinnen ontwikkelaars en architecten kunnen optreden.

M.S.: Dat kader is van kapitaal belang. In de stadsvernieuwing van de jaren 70 had je een sterke trend om de stedeling inspraak te geven bij de vormgeving van de woning, maar ook van de openbare ruimte. Op de duur was er geen collectieve drager meer waarop men zich kon oriënteren om woningen of kantoren een plek te geven. Dat heeft natuurlijk geleid tot een heilloze stad waarin alle functies, zoals wonen en werken, kriskras door elkaar staan. De stad heeft absoluut behoefte aan een kader, met zowel een artistieke, politieke als maatschappelijke dimensie, om een stedelijk beleid tot stand te brengen op de lange termijn. In dat opzicht is de stad verantwoordelijk voor de opgaven die gesteld worden aan de architecten. Ik zie de stad evenwel niet als opdrachtgever voor de architect.

P.U.: Feit is evenwel dat de stad vaak als opdrachtgever optreedt en dat de architect vaak mee de betekenisgever is van de stad. Daarbij wordt de architect toch dikwijls door de stad ingeschakeld voor het bouwen van stedelijke iconen.

B.V.R.: Natuurlijk.

M.S.: Ik haat iconen. Wat mij betreft heeft het begrip icoon noch politiek noch maatschappelijk enige relevantie.

B.V.R.: Nederland staat er vol van…

M.S.: De grote misvatting is dat beleidsmakers denken dat je aan een architect kan vragen om een icoon te bouwen. Zo werkt het niet. Het volstaat niet om te zeggen dat je aan de zuidkant van Antwerpen een icoon wil en vervolgens aan Rogers te vragen om daar het justitiepaleis te bouwen. In Den Haag heeft men dezelfde fout gemaakt in het kader van de opdracht voor een internationaal strafgerechtshof. Dat gebouw moest absoluut een ’symbool van hoop en gerechtigheid‘ worden en wat is het resultaat? Een flutding van een Duitse architect! De vraag is hoe je ’betekenisvol‘ bouwt. Betekenisvolle gebouwen – en dat geldt ook voor de beste iconen – komen voort uit een goede opdracht en een goede context. Sommige iconen ontstaan zonder dat ze als icoon bedoeld waren. Volgens mij kan in principe elk eisenprogramma een icoon opleveren. Maar ik haat het speculeren op iconen als fenomeen.

B.V.R.: Architecten doen niets liever dan iconen bouwen!

M.S.: Ze stellen zich nooit eens terughoudend of bescheiden op en ze krijgen er alle ruimte voor. In Nederland is dit grenzeloos populisme in toenemende mate aan de orde. Je moet Patrick Janssens prijzen voor zijn politieke moed en zijn visie op de stad. Zijn beleid is wars van het populisme of van het soort platvloersheid dat erop gericht is om elke vorm van debat uit te sluiten. Van zo’n man kan je een boel leren.

P.U.: Maar jullie vinden niet dat dit probleem in Antwerpen speelt? In Antwerpen is die obsessie met iconen niet aan de orde?

M.S.: Nou ja… voor mij was de discussie over het hoofdkantoor van de Port of Antwerp wel een tegenvaller. Ik was extern jurylid voor de ontwerpwedstrijd. De opgave was slecht geformuleerd en de stad Antwerpen heeft daar een rare rol in gespeeld. De architecten werden verplicht te bouwen óp een laatnegentiende-eeuwse en totaal gedateerde brandweerkazerne. Je kon je afvragen of de cultuurhistorische betekenis van dat gebouw wel volstond om het te behouden. De wedstrijd leverde een cynische serie ontwerpen op, met uitzondering misschien van de Duitse architect Christian Rapp. Uiteindelijk werd gekozen voor het ontwerp van sterarchitect Zaha Hadid. Onbegrijpelijk, vind ik. Die keuze is niet op een serieuze analyse gebaseerd, ze is louter gebaseerd op een beeld. Het gebouw van Hadid is een cartoon van een icoon geworden.

P.U.: Bob, jij hebt in 1985 aan de kaaien het Huis van Roosmalen gebouwd. Dat gebouw zou je enige icoonwaarde kunnen toeschrijven.

B.V.R.: Ik heb toen de wind van voren gekregen van burgemeester Bob Cools, die op die plek aan de kaaien sociale woningen had willen bouwen. Daar had hij nochtans al alle tijd voor gehad!

P.U.: Huis van Roosmalen heeft in hoge mate bijgedragen aan de opwaardering – zeg maar gentrification – van de buurt.

B.V.R.: Dat klopt. De kaaien waren aan het verkrotten. Mijn opdrachtgever vond dat het stadsdeel aan de kaaien een ongelooflijk residentiële kwaliteit had en wij hebben dat stadsdeel bezield.

P.U.: Met als gevolg dat de huur- en koopprijzen de hoogte inschoten.

B.V.R.: Op een jaar tijd zijn de prijzen vertienvoudigd! Maar dat was een goede zaak. Ik zou het huis Van Roosmalen nooit bouwen in een normale omgeving, want ik vind de banaliteit van het wonen in de stad ontzettend belangrijk.

P.U.: Het trieste is ook dat wat nadien aan het Zuid en aan de kaaien gebouwd is niet dezelfde kwaliteit heeft.

M.S.: Dat heeft ook veel met de kwaliteit van de architectenopleidingen te maken. Het totale gebrek aan historisch besef…

B.V.R.: Huis van Roosmalen was een signaal om de stad duidelijk te maken welke potentie die buurt had. Dat project ging niet over wonen. Wonen moet je immers niet verbijzonderen, of om Adolf Loos te parafraseren, banaliteit is sprakeloos en moet niet leiden tot sprakeloosheid.

P.U.: Daarnet is gezegd dat het architectuur- en stedenbouwbeleid van Patrick Janssens erop gericht is een positieve sfeer te creëren in de stad. Op dat moment kom je natuurlijk ook uit bij de strijd tegen extreem-rechts. Denken jullie dat een stedenbouwkundig beleid als dat van Janssens een wapen in de strijd tegen extreem-rechts is?

B.V.R.: Gematigd rechts is zo dom om sommige aspecten van Janssens‘ beleid niet te willen. Maar ik wil niet meemaken dat de openbare ruimte in Antwerpen door extreem-rechts zou worden vormgegeven.

G.B.: Elk ontwikkelingsbeleid steunt wel voor een stuk op een rechtse politiek. De woning- of renovatieprojecten die kaderen in het pandenbeleid zijn doorgaans bedoeld voor Vlaamse, autochtone gezinnen. Zij moeten verleid worden om terug in de negentiende-eeuwse gordels te gaan wonen.

B.V.R.: Dat is toch geen bewust beleid? Het heeft gewoon te maken met wie het kan betalen en wie er wil gaan wonen. Als er allochtone gezinnen in de negentiende-eeuwse gordel willen komen wonen, dan is dat geen enkel probleem. AG Vespa houdt geen enkele koper tegen. Kijk, volgens een zekere wetmatigheid start in een oude buurt eerst de verkrotting, dan arriveren de hoeren en dan komen de kunstenaars er wonen en werken. In realiteit zijn creatieve mensen bij de eersten die zich aanmelden om in een onderkomen buurt te komen wonen. Toen ik net afgestudeerd was, heb ik een huisje gekocht in Mechelen. Al mijn buren waren Marokkanen. Ik ben er gaan wonen omdat de stad de bedoeling had de hele buurt af te breken. De man die tegenover mij woonde, zei mij: ‘Meneer, koop dat niet want ze gaan het afbreken.‘ Maar wij hebben er met z’n allen voor gezorgd dat het bleef staan. Datzelfde effect probeert de stad Antwerpen nu aan te sturen. Voor elke buurt tracht men een vliegwiel te creëren, zodat er een dynamiek ontstaat. Vaak gaat het om kleine ingrepen. Je zou dat welhaast een liberale aanpak kunnen noemen. Ik vind dat persoonlijk een heel mooi beleid.

 

Antwerpse uitdagingen

P.U.: Jullie lijken overtuigd dat het huidige college onder leiding van Patrick Janssens goed werk levert en een kader heeft weten te scheppen voor een goed architectuurbeleid. Maar Janssens is toch geen wonderboy… Je kan moeilijk beweren dat hij van nul is begonnen.

M.S.: In Antwerpen bestaat traditioneel een brede visie op de stad.

P.U.: Kan je dat uitleggen, Maarten?

M.S.: Ik ben niet de grootste kenner van Antwerpen, maar ik heb Antwerpen altijd als een werkstad gezien, met een eigen proletarische moderniteit, die zowel in de voormalige negentiende-eeuwse industriegebieden – de havenstad – als in de burgerlijke binnenstad tastbaar aanwezig is. De kaaien, de ligging aan de stroom, zijn meermaals visionair gepresenteerd geweest. De relatie met het water is heel belangrijk…

P.U.: Nochtans wordt de gebrekkige relatie met het water nog altijd als een pijnpunt aangevoeld.

M.S.: Ik weet het. Maar ik heb het ook over kleinere interventies zoals de heropbouw van het Zuiderterras aan de Schelde in Antwerpen door Bob Van Reeth. Ik vind dat een mooi voorbeeld van een typisch Antwerpse interventie die bijgedragen heeft tot een nieuw stedelijk imago. Bobs Zuiderterras is een voorbeeld tot ruim buiten Antwerpen.

P.U.: In een havenstad als Antwerpen situeren veel projecten zich evenwel op een ander schaalniveau, van de militaire Brialmontomwalling rond de negentiende-eeuwse gordel, 150 jaar geleden, over de dokken en havenuitbreidingen of de spoorweg rond de stad, tot de aanleg van de kaaien… allemaal infrastructuurwerken op de schaal van de stad zelf. Vandaag is er het project van de Oosterweelverbinding, dat voorziet in verscheidene tunnels en een gigantische viaduct in het noorden van Antwerpen die, over een stuk van de haven heen, deel uitmaakt van de noordelijke en westelijke sluiting van de ring rond Antwerpen. Een project dat Antwerpen ten zeerste aangaat, maar tegelijk van een transregionale orde is. Hoe kan het college van Janssens daarmee omgaan?

B.V.R.: De stad is hier alvast geen opdrachtgever, de opdrachtgever is de Vlaamse Overheid. Zij heeft een jaar of acht geleden het tracé van de Oosterweelverbinding vastgelegd en studies laten uitvoeren door de BAM, de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel. De BAM heeft vervolgens via een Europese aanbesteding verschillende consortia gevraagd om voorstellen te formuleren. Uit de drie voorstellen kwam uiteindelijk de Lange Wapperbrug als sterkste uit de bus.

P.U.: Zoals bekend stuit dat project inmiddels op weerstand van allerlei actiegroepen, in het bijzonder van Straten Generaal onder impuls van onder anderen Manu Claeys.

B.V.R.: Ik vind het ongehoord wat er de laatste tijd gebeurd is. Ik vermoed dat het met verkiezingen te maken heeft. Op een gegeven moment begint iemand ’fijn stof‘ te roepen. Vervolgens wordt het internationaal ingenieursbureau Ove Arup & Partners aangesteld om de drie bestaande voorstellen aan een onderzoek te onderwerpen. Arup concludeert opnieuw dat de Oosterweelverbinding de beste oplossing is, maar stelt tegelijkertijd dat zijzelf nog een vierde en beter alternatief hebben. Die vorm van spontane sollicitatie vind ik werkelijk ongepermitteerd.

M.S.: Dat is inderdaad ongehoord. Daar ben ik het helemaal met je eens. 

P.U.: Bob, wat moet er nu volgens jou gebeuren?

B.V.R.: De overheid zal het voorstel van Arup nu moeten onderzoeken. Om electorale redenen en om de publieke opinie in Antwerpen niet te krenken, kan ze bijna niet anders.

P.U.: Terwijl er voor jou geen reden is om op de reeds genomen beslissing voor de Oosterweelverbinding terug te komen?

B.V.R.: Ik ben geen specialist op het ecologische vlak, maar ik zat in de jury die besliste over de uiteindelijke vormgeving van het geheel en wij vonden dat wat Laurent Ney voorstelde – de Lange Wapperbrug dus – van absolute wereldklasse getuigde.

M.S.: Vergelijkbaar met de Afsluitdijk in Nederland en de Erasmusbrug in Rotterdam.

P.U.: Als burgemeester bevindt Patrick Janssens zich in een precaire situatie. Hij wordt geconfronteerd met een probleem waar hij nauwelijks vat op heeft. Ook dat is wellicht typisch voor een havenstad…

M.S.: Zeker.

P.U.: Ondertussen gaat Janssens akkoord met een volksraadpleging.

B.V.R.: Wat kan hij anders doen? Begin juni zijn er verkiezingen…

P.U.: Wat is er volgens jou uiteindelijk fout gegaan in het project van de Oosterweelverbinding? Hoe komt het dat het project plots ter discussie werd gesteld?

B.V.R.: BAM heeft niet goed of helemaal niet gecommuniceerd. Het gevolg is dat de publieke opinie op haar democratische rechten staat en meer transparantie en directe inspraak wil. Daar situeert zich het conflict.

G.B.: In het Antwerpse stadsproject van Patrick Janssens is communicatie juist een heel sterk punt. Er is een duidelijk actieplan waarbij stapsgewijs wordt gecommuniceerd: het moment waarop de districtsraden worden geïnformeerd, waarop de pers informatie krijgt toegespeeld, het is allemaal heel precies vastgelegd… Alles is gericht op een soepele en zakelijke afloop. De Vlaamse overheid en BAM zouden beter leren van Patrick Janssens. Ik vind ook dat de Vlaamse overheid inzake de Oosterweelverbinding een archaïsche houding aanneemt door autoritair te beslissen en geen inspraak te dulden.

B.V.R.: Dat vind ik onzin. Van beleidsmensen kan je verwachten dat ze dat soort beslissingen nemen.

P.U.: De Oosterweelverbinding is een spectaculaire fly-over. Kan de brug een icoon worden voor Antwerpen? 

M.S.: Tuurlijk. Zonder enige twijfel!

B.V.R.: Natuurlijk kan de Lange Wapperbrug een icoon worden. Ik vind het trouwens een goede zaak dat het een icoon wordt.

P.U.: Waarom vind je dat in dit specifieke geval prima?

B.V.R.: Omdat de Oosterweelverbinding van ons allemaal is. Het is een project dat het hele beeld van de stad bepaalt. Het staat bij wijze van spreken ’op de voorgrond‘ van de stad. Projecten die ons allemaal aangaan mogen een icoonwaarde hebben, zodat we er met z’n allen fier op kunnen zijn. Ik vind het dus goed dat er is gekozen voor een bouwwerk met een grote monumentwaarde, een huzarenstukje waar iedereen graag naar komt kijken.

 

Deze discussie vond plaats op vrijdag 24 april in het bureau van AWG Architecten te Antwerpen. Met dank aan Bob Van Reeth voor de gastvrijheid.

 

Transcriptie: Tom De Moor, Klaar Leroy en Kristof Smeyers

Redactie: Pieter Uyttenhove

 

Gideon Boie Architect en filosoof. Samen met Matthias Pauwels vormt hij het duo BAVO, dat zich wijdt aan architectuurkritiek (www.bavo.biz).

 

Maarten Schmitt Architect. De afgelopen 11 jaar was hij ‘stadsstedenbouwer’ van Den Haag. Zopas ging hij met pensioen.

 

Pieter Uyttenhove Ingenieur-architect verbonden aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit Gent waar hij Theorie en Geschiedenis van de Stedenbouw doceert.

 

Bob Van Reeth Architect en voormalig Vlaams Bouwmeester (1998-2005). Samen met Geert Driesen, Filip Delanghe, Christine de Ruijter, Jan Verrelst en Ilse Van Berendoncks is hij vennoot van het bureau AWG architecten, gevestigd te Antwerpen.

Kunst en samenwerking

Koen Brams/Dirk Pültau: We willen met je van gedachten wisselen over de projecten die je hebt opgezet met andere kunstenaars. Kan je ons iets vertellen over je allereerste samenwerkingsproject?

Matt Mullican: Dat was een samenwerking met Hans Haacke, in 1972. Haacke was toen naar CalArts [1] gekomen, waar ik studeerde. Hij zocht vrijwilligers om deel te nemen aan een project dat hij in Santa Cruz zou organiseren.

K.B./D.P.: Waar ging dat project over?

M.M.: Hij vroeg ons om tien dagen naar Santa Cruz University te gaan, daar de omgeving te bestuderen en een kunstwerk te maken. Aan het eind van ons verblijf moesten we met alle kunstwerken een tentoonstelling opzetten in de galerie van de school.

K.B./D.P.: Wat heb jij toen gemaakt?

M.M.: Ik had een tekst gekozen van de directeur van de school. Daarin had hij het over Santa Cruz en wat voor een fantastisch project het zou worden. Ik markeerde die passages met gele inkt, en dat was het.

K.B./D.P.: Herinner je je nog andere kunstwerken?

M.M.: Er zaten prachtige stukken bij. Ik herinner me een Japanse kunstenaar die tien dagen lang foto’s nam. Hij moet zowat twintig rolletjes gebruikt hebben, met 35mm dia’s: een hele stapel cassettes. Aan het eind van ons verblijf maakte hij ze open om ze te belichten, de ene na de andere. We waren ons er de hele tijd erg van bewust geweest dat hij ons fotografeerde. Toen hij ze belichtte, leek het plots alsof we uit de context werden weggezogen. Het was een grappig werk. Alles bij elkaar genomen was het een erg interessant project, en met de 10 deelnemende kunstenaars hebben we veel lol gehad.

K.B./D.P.: Wat vond je zo interessant? Kun je dat uitleggen?

M.M.: We dachten dat Santa Cruz het thema zou worden. Dat was de opdracht: neem de context in je op en maak een kunstwerk. Maar we kwamen tot de ontdekking dat we eigenlijk veel meer CalArts weerspiegelden dan Santa Cruz. Dat was een verbluffende ervaring. Onze tentoonstelling was een fraaie, afgelikte, volmaakte, professionele, minimalistische, steriele installatie onder glas. Het resultaat leek op iets van Douglas Huebler of Robert Barry of om het even welke andere avant-gardekunstenaar uit die tijd. Het paste perfect in die scene. Overigens deden de studenten uit Santa Cruz net hetzelfde. Ze gebruikten kaders van roodhout en hun tentoonstelling zag er typisch ‘Santa Cruz’ uit. Die zelfreflectie groeide uit tot het thema. Dat was een verrassing, ook voor Haacke, die waarschijnlijk nooit had gedacht dat het zo sterk zou opvallen. Ik heb hem nooit iets over dit project horen vertellen en ik geloof niet dat hij het ooit getoond heeft. Misschien beschouwde hij het als een event.

K.B./D.P.: Was hij ontgoocheld? Had hij van jullie verwacht dat jullie diepgaander met de context zouden omgaan?

M.M.: Dat weet ik niet. Ik denk dat we daadwerkelijk met de context zijn omgegaan. We beseften heel goed waar we ons bevonden, maar dat leek onbelangrijk. We konden over de context discussiëren zoveel we wilden, uiteindelijk ging het er niet om wat we zegden, maar hoe we het zegden. Hoe we onszelf presenteerden: dat werd het thema. Het ging om de manier waarop we dingen inlijstten, ze aan de muur hingen, onze foto’s namen, onze tekeningen maakten…

K.B./D.P.: Hoe kijk je nu terug op dat project? Beschouw je het als een experiment dat was ingebed in een educatieve context of zou je het veeleer beschrijven als een echte samenwerking tussen onafhankelijke kunstenaars?

M.M.: Het was een echt project. Haacke had het opgestart, maar voor de rest liet hij ons begaan. Hij voegde er niets aan toe en heeft op geen enkel moment geprobeerd om ons iets te leren. Hij zei evenmin dat hij iets goed vond of niet zo goed vond. We mochten doen waar we zin in hadden: dat maakte deel uit van zijn project. Hij gebruikte ons alleen als subjecten: het was aan ons om te doen wat we hadden bedacht.

K.B./D.P.: Heeft hij het project geclaimd als een eigen kunstwerk?

M.M.: Ja. Het was duidelijk zijn werk.

K.B./D.P.: Kun je het dan wel als een echte samenwerking beschouwen? Het lijkt nauwelijks op de samenwerkingen die je later met andere kunstenaars zou opzetten.

M.M.: Het is niet helemaal hetzelfde, maar ik denk wel dat je het als een samenwerking tussen een groep mensen kunt beschouwen. Basquiat, Clemente en Warhol hebben ooit eens een samenwerking opgezet waarin ze enkele schilderijen met z’n drieën hebben gemaakt. Ik weet niet of ze tegelijk aan hetzelfde schilderij hebben gewerkt. Misschien gaven ze het doek aan elkaar door. Of misschien werkten ze gewoon samen in dezelfde studio. Dat is een duidelijk voorbeeld van een samenwerking waar meer dan twee mensen bij betrokken zijn. En als je er goed over nadenkt: zijn film en theater ook geen vormen van samenwerking? Er is maar één regisseur, maar tegelijk werkt iedereen op allerlei vlakken samen.

K.B./D.P.: Goed, maar deze samenwerking kun je toch moeilijk uit haar educatieve context losmaken. Misschien heeft Hans Haacke jullie niet opgedragen wat jullie moesten doen, maar jullie moeten duidelijk hebben beseft dat het om een student-docentrelatie ging. En uit het resultaat bleek dat iedereen heel duidelijk besefte dat hij of zij tot een bepaalde school behoorde, CalArts of UC Santa Cruz.

M.M.: Ongetwijfeld.

K.B./D.P.: Denk je dat dat een effect heeft gehad op de samenwerking?

M.M.: Misschien, maar ik denk dat de student-docentrelatie ook in andere projecten meespeelt. PONG, mijn meest recente samenwerking met John Baldessari, is duidelijk en welbewust doordrongen van de student-docentrelatie.

K.B./D.P.: Omdat Baldessari ooit je docent is geweest?

M.M.: Inderdaad. Dat kan ik niet ontkennen.

K.B./D.P.: Op je samenwerking met Baldessari zullen we later nog dieper ingaan, maar eerst willen we het even hebben over de aard van die student-docentrelatie. Wat voor leraar was Baldessari?

M.M.: Een geweldige leraar, die een hele generatie diepgaand heeft beïnvloed. Hij doceerde een cursus die Post Studio Art werd genoemd en hij nam ons mee naar allerlei rare plekken. Het was hilarisch. We hebben het grootste schilderij ter wereld gezien, in het Forest Lawn Cemetery, en we zijn naar het Movieland Wax Museum getrokken om het Palace of Living Art te bezoeken, waar je wassen beelden kunt zien van beroemde kunstenaars en hun werk. Ik denk dat die lessen een diepe invloed hebben gehad op de manier waarop ik het functioneren van kunst zie.

K.B./D.P.: De meeste lessen vonden buiten het leslokaal of de studio plaats?

M.M.: Niet altijd. Vaak werkten en studeerden we in ons lokaal. Dat deed John ook: hij werkte echt met ons samen. Hij maakte zijn video’s in hetzelfde lokaal als wij. Al die video’s van hem waar je op de achtergrond muren van sintelsteen ziet, die zijn allemaal in ons lokaal gemaakt. Als hij naar Europa ging, wat hij vaak deed, kwam hij terug met een koffer barstensvol tijdschriften en boeken, en die lazen we dan samen. Als werk van hem in een boek werd opgenomen, vroeg hij extra exemplaren aan die hij aan ons uitdeelde. Nieuw werk liet hij het eerst aan ons zien – we waren de eersten die de Parables [2] hebben gezien. Er was een echte interactie: dat maakte zo’n fantastische leraar van hem.

K.B./D.P.: Welk onderdeel van zijn lessen heeft je werk het diepst beïnvloed?

M.M.: Zoals elke leraar heeft hij een heleboel dingen gezegd die ik onthouden heb. Ik heb zoveel van hem geleerd. Het gebruik van het geschikte beeld, het filmbeeld en het stripbeeld, dat heeft allemaal te maken met Johns werk. Tegelijkertijd verschilt een groot deel van mijn werk ook sterk van wat hij doet. Mijn kosmologie en mijn hypnosewerk, bijvoorbeeld, hebben niets met hem te maken. Het belangrijkste dat hij me heeft geleerd, is misschien wel hoe je over kunst kunt praten, hoe je jezelf moet verdedigen, hoe je je ideeën kunt articuleren, hoe je je ideeën kunt formuleren zodat ze kunnen evolueren, hoe je moet werken. Dat heeft hij me allemaal onderweg naar school geleerd.

K.B./D.P.: Onderweg naar school?

M.M.: Ja, letterlijk. In mijn laatste jaar woonde ik in Los Angeles, terwijl John in Venice woonde. Ik mocht met hem meerijden. Hij had een proletarische visie op kunstopleidingen: hij zag ons als arbeiders op weg naar de kunstfabriek. Hij zei altijd dat een kunstenaar niet beter was dan een loodgieter. Hij beklemtoonde dat het er niet om ging dat je beter was dan iemand anders, maar dat kunstenaar wel het beste was dat je kon worden. Enerzijds was er die geweldige liefde voor wat je doet, maar anderzijds was die niet gekoppeld aan een sociale hiërarchie. Dergelijke inzichten had John altijd. Alles was oké voor hem, als het je maar hielp om de best mogelijke kunst te maken.

K.B./D.P.: Kun je een voorbeeld geven?

M.M.: Hij zei: als je een petieterige studio hebt, met erg weinig licht, maar die je toch helpt om het beste werk te maken waar je toe in staat bent, dan is dat de beste studio die je hebben kunt. Zo kan het ook een groot voordeel zijn als je niet bij de beste galerie zit. Misschien is mijn galerie wel zo perfect voor mij omdat ik een intieme relatie heb met Tracy Williams; ze benadert me individueel, we bellen elkaar elke dag, en dat heb ik nodig. Dat stelt me in staat mijn beste werk te maken. Als ik terugblik, is het moeilijk om Johns lessen uit de hele omgeving los te maken. CalArts was een erg strenge en krachtige context. Je moest zien te overleven.

K.B./D.P.: In welk opzicht was het streng? Waren de docenten zo veeleisend?

M.M.: John was prima. Hij gaf je de steun die je nodig had, en tegelijk waren we als student erg onafhankelijk. Zodra je de opleiding wilde volgen, beschouwde men je als een echte kunstenaar. Je had dus niet echt een docent nodig. Maar de andere studenten waren dodelijk.

K.B./D.P.: Kritisch?

M.M.: In extreme mate. En het was een waanzinnige, wilde tijd.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

M.M.: Ik maakte bijvoorbeeld een werkstuk waarin ik wilde laten zien wat zwaartekracht is, omdat zwaartekracht eigenlijk iets vreemds is. Ik bracht de helft van een biels mee naar de klas, een van die grote houten dwarsliggers die ze gebruiken om de sporen op te leggen. Ik wilde die biels zo lang mogelijk vasthouden. Uiteindelijk rustte hij op mijn voeten, zodat ik hem zo lang kon vasthouden als ik wou. Uren later was iedereen al naar huis gegaan, maar ik was er nog altijd. Wolfgang Stoerchle, onze docent, zei: ‘Ik ga de deur sluiten, je kunt ze achter jou op slot doen als je klaar bent.’ En zo was ik enkele uren lang helemaal alleen in het lokaal met dat stuk hout. Niemand kon me zien. De hele performance was alleen voor mijzelf bedoeld, en het voelde belachelijk om daar te zijn, belachelijk op een vreemde manier. Dat was typisch voor CalArts.

K.B./D.P.: Hoe wist je van CalArts af? Had je welbewust voor die school gekozen?

M.M.: Absoluut. Twee of drie jaar eerder had ik gehoord dat Disney veel geld in die kunstacademie had gepompt en ik kende de namen van enkele docenten.

K.B./D.P.: Zoals?

M.M.: Nam June Paik, Allan Kaprow, Paul Brach. Je had de Fluxusmensen, de feministen, de conceptuelen, de schilders… Het was een fantastische plek. Een hele maffia die naast elkaar leefde. En ze bekommerden zich niet om je SAT’s. [3] Gewoonlijk bepaalt je SAT-score voor welke school je mag solliciteren. Ik heb die SAT nooit gedaan, omdat het resultaat toch verschrikkelijk was geweest en omdat CalArts alleen rekening hield met je portfolio.

K.B./D.P.: Je zei dat de studenten erg onafhankelijk waren en dat je als een volwaardige kunstenaar werd beschouwd zodra je de school binnenkwam. Was je verplicht om een vast curriculum te volgen of kon je ook kiezen voor een of twee cursussen?

M.M.: Dat weet ik niet meer. Er waren lessen Critical Studies en kunstgeschiedenis. Lessen om te leren tekenen of schilderen heb ik niet gevolgd.

K.B./D.P.: Je mocht die links laten liggen?

M.M.: Zeker.

K.B./D.P.: Herinner je je nog andere cursussen die je hebt gevolgd?

M.M.: Je had Performance Art, gedoceerd door de componist Harold Bud en door Wolfgang Stoerchle, de beeldhouwer over wie ik het al heb gehad. De ene helft van de studenten bestond uit componisten, de andere helft uit kunstenaars, en samen organiseerden we performances. Aan het eind van het jaar hebben we gepraat over wat ons van elkaar onderscheidt. We kwamen tot de conclusie dat componisten meer bedreven zijn in het temporele aspect van het kunstwerk en beeldend kunstenaars meer in het ruimtelijke aspect. Daarin zat het verschil tussen muziek en sculptuur: een gevoel voor abstracte temporaliteit of abstracte ruimtelijkheid. Dat soort reflecties vond ik belangrijk. De beste gesprekken op CalArts probeerden het fundamentele idee van het kunstenaar-zijn te doorgronden. Wat betekent het om kunstenaar te zijn? Waar moet je werk heen gaan? Wat is er momenteel aan de hand? Wat is de zeitgeist? Wat staat er te gebeuren? Hoe ziet de toekomst eruit? Hoe politiek moet je werk zijn? Of moet het juist niet politiek zijn? Welke relatie heb je met de kerk, met spiritualiteit? Enzovoort.

K.B./D.P.: Hoe zat het met kunsttheorie? Waren er bekende kunsttheoretici aan de school verbonden?

M.M.: Die waren er wel, maar ik volgde geen lessen bij hen.

K.B./D.P.: Waarom niet?

M.M.: Ik denk dat ik enigszins geïntimideerd was. Het departement vormgeving was erg theoretisch. Je had daar een Wittgensteinkenner – Graham heette hij, geloof ik – en ik weet nog dat James Welling en andere mensen over Wittgenstein praatten. Ik dacht dat ze het over Lichtenstein hadden. Ik had geen flauw idee wie die Wittgenstein was. Toen ze dan toch over Lichtenstein begonnen, was ik opgelucht omdat ik tenminste wist waar ze het over hadden. Later kwam ik meer over Wittgenstein te weten, omdat James me briefjes begon te schrijven over zijn ideeën, die dicht bij de mijne lagen.

K.B./D.P.: Je zat in dezelfde klas als James Welling?

M.M.: Ja, David Salle, Roy Brauntuch, James Welling en ik zaten in dezelfde klas. Ik heb Jim ontmoet in de hal van het eerste leslokaal dat ik er ooit heb bezocht. De les heette Temporary Structures. De docent, Jack Goldstein, nam ons mee naar de woestijn, en we maakten earthworks, keken naar films en maakten video’s. We voerden theoretische discussies over wat een object uitmaakt en wat taal uitmaakt. Jim volgde die cursus ook, hoewel hij enkele jaren hoger zat. Ik denk dat hij al aan zijn vierde jaar bezig was toen ik daar begon, maar CalArts maakte geen onderscheid tussen het eerste, tweede en derde jaar en graduate school. Als graduate had je een eigen studio en moest je lesgeven aan undergraduates, maar voor de rest zat iedereen in hetzelfde systeem.

K.B./D.P.: Hoeveel jaar heb je aan CalArts gestudeerd?

M.M.: Ik heb me ingeschreven in 1971 en ben er drie jaar gebleven.

K.B./D.P.: Heb je er ooit aan gedacht om graduate school te volgen?

M.M.: Niet echt. In 1973 nam ik deel aan een uitwisselingsprogramma met Cooper Union en verbleef ik drie maanden in New York. Op dat moment stond ik als kunstenaar al op eigen benen. Ik was onafhankelijk en mijn werk begon vorm te krijgen. Toen ik mijn BFA [4] had gekregen, keerde ik meteen terug naar New York, zodat mijn opleiding eigenlijk tot het minimum beperkt is gebleven.

K.B./D.P.: Had je voordien al werk gemaakt?

M.M.: Je bedoelt op high school, voordat ik naar CalArts ging?

K.B./D.P.: Ja.

M.M.: Ik had allerlei dingen gedaan. Ik werkte met fotografie en teksten. Ik probeerde popart en conceptuele kunst te mixen. Ik maakte een potloodtekening van een pen en een pentekening van een potlood, dat soort werk. En ik deed ook performances, die ik ‘tours’ noemde. Ik nam vrienden met me mee in de auto voor tochtjes rond Los Angeles op de meest ongewone tijdstippen. Zo had je de spitsuurtour: we gingen autorijden en raakten vast in het verkeer om geen andere reden dan dat we vast wilden zitten in het verkeer. We wilden nergens heen: we zaten alleen maar te kijken hoe vreemd een file is – al die mensen die daar in hun eigen coconnetje zitten. Dat heb ik allemaal op high school gedaan.

K.B./D.P.: En hoe evalueer je dat werk nu? Zie je het als je eerste werk als onafhankelijke kunstenaar, of als werk van iemand die studeert om kunstenaar te worden?

M.M.: Ongetwijfeld zijn ze het werk van een student, al zijn sommige latere performances er wel uit voortgekomen. Maar mijn eerste substantiële werk maakte ik op CalArts: de kleurkaarten. Dat beschouw ik als mijn eerste voldragen werk. Ik bevestigde gekleurde kaarten aan de muur en projecteerde er licht op, zodat de kaarten van kleur veranderden. Het idee vloeide voort uit het besef dat mijn ogen alleen maar lichtpatronen kunnen zien. Maar als je dat beweert, dan is er geen verschil meer tussen dood en levend, goed en slecht, vast en vloeibaar. Die categorieën kun je niet meer hanteren. Terwijl ik nog met die kleurkaarten bezig was, zo rond Pasen 1973, zat ik in de auto toen ik plotseling dacht aan een detail van een autoband. Toen ik het tekende, besefte ik dat ik een detail van een denkbeeldige auto aan het tekenen was. Dat perspectief wilde ik uitbreiden. Wie zat aan het stuur? Waar ging de auto heen? Hoe oud was de auto? In welk seizoen speelde de scène zich af? Op een vrijdag, een maandag, een dinsdag, een woensdag? Plots kwamen een heleboel praktische vragen in me op over de context van dat kleine detail. Het leek alsof ik door een spiegel heen stapte, in een denkbeeldig universum. Ik dacht: als ik alleen maar patronen van leven zie, waar zit het leven in die patronen dan? Hoe bestaat het leven in die patronen? Het is duidelijk dat het in een constructie bestaat, in een projectie van het leven. Daarna begon ik tekeningen te maken van een lucifermannetje dat ik Glen noemde, omdat ik wilde bewijzen dat ook lucifermannetjes een leven leiden. Ik werkte me doorheen een biologieboek en een boek over psychologie en maakte ongeveer 500 tekeningen van Glen. Hij deed alles wat hij in die beeldruimte kon bedenken. Ik wilde de empathische respons bestuderen waarmee we leven in beelden projecteren. Die kwestie blijft actueel. Denk maar aan de avatar, die je identiteit vertegenwoordigt in de digitale wereld. Het lucifermannetje is de voorloper van de avatar. Het is de incarnatie van de empathische projectie.

K.B./D.P.: Puur uit nieuwsgierigheid: wat was het eerste wat je het lucifermannetje liet doen?

M.M.: Het eerste wat hij deed was in zijn vinger prikken met een naald. Hij kneep zich in de arm en hij prikte in zijn vinger, omdat ik geïnteresseerd was in de pijn die hij in zijn beeldruimte kon voelen. Ik wilde zijn pijn begrijpen, ontdekken waar die zich voordeed. Al die dingen stonden centraal in hetgeen ik in mijn derde jaar op CalArts deed.

K.B./D.P.: Aan het begin van je carrière heb je Glen gemaakt. Later heb je ook werk gemaakt onder hypnose en ook dat alter ego heb je een naam gegeven, that person, die persoon.

M.M.: Ja, maar that person is een ander verhaal. We kunnen het erover hebben, maar het is wel een uitgebreid onderwerp.

K.B./D.P.: We vermelden Glen en that person omdat je beide projecten kunt beschouwen als pogingen om een andere wereld binnen te gaan. Geldt dat ook niet voor de manier waarop samenwerkingen functioneren? Door met een andere kunstenaar samen te werken, overstijg je de begrenzingen van je artistieke denkwijze en ga je een andere wereld binnen, het domein van de samenwerking?

M.M.: Het gaat inderdaad om manieren om ergens aan te ontkomen. Daarom zijn samenwerkingen zo fantastisch. Je doet iets wat je anders niet zo snel zou doen, omdat je in dialoog met een andere kunstenaar werkt. Je moet inspelen op die ander. Mijn eerste samenwerking als onafhankelijke kunstenaar was met Lawrence Weiner in 1991. We hebben samen een stripboek gemaakt, In the Crack of the Dawn. Ik heb altijd van strips gehouden. Toen Lawrence en ik het daar ooit eens over hadden, besloten we er samen een te maken.

K.B./D.P.: Zomaar?

M.M.: Zomaar. Ik maakte cartoons en mijn assistent, een briljante schilder, kleurde ze in. Het waren uitstekende gouaches en toen Lawrence naar de studio kwam, hebben we ze verknipt en er zijn woorden in verwerkt. Het duurde ongeveer zes uur om dat stripverhaal te maken. Het ging erg snel.

K.B./D.P.: Je combineerde de wordworks van Lawrence Weiner met de beelden?

M.M.: Ja.

K.B./D.P.: Je assistent maakte de gouaches, jij selecteerde de gouaches waar je mee wilde werken en vervolgens verknipten jullie ze?

M.M.: Precies. Voor mij was het een uitstekende gelegenheid om met zo’n monument van een kunstenaar samen te werken. Het was opwindend om mijn naam en zijn naam op dezelfde pagina te zien, en om zijn ideeën met de mijne te vermengen. Wat ook fantastisch is: ik mag het werk houden, zodat ik nu mijn eigen Lawrence Weiner heb. Dat geldt ook voor het werk dat ik samen met John realiseerde. Mijn eigen reeks van Pong hou ik angstvallig voor mezelf. Ik heb altijd een Baldessari willen bezitten omdat hij zo’n belangrijke rol in mijn leven heeft gespeeld, en nu heb ik er een die in nauwe samenwerking met hem tot stand is gekomen.

K.B./D.P.: In In the Crack of the Dawn kun je gemakkelijk een onderscheid aanbrengen tussen jouw bijdrage en die van Lawrence Weiner. In 2004 heb je een samenwerking opgezet met Allan McCollum, en daar is het niet zo duidelijk. Hoe komt dat? Hebben jullie bewust geprobeerd om te verhullen wie wat heeft gedaan?

M.M.: Dat is nu net de vraag, niet? Hoe ontwar je zoiets? Het was zijn idee om een waarzeggersspel te maken, omdat dat gekke, psychische, spookachtige gedoe hem aan mij deed denken. Ik kwam met de dobbelstenen aanzetten. De rode steen staat voor de persoon die het spel speelt, en de witte stenen onthullen bepaalde kwaliteiten of kenmerken van die persoon. De beelden of tekens op de stenen staan voor breekbaarheid, gezin, emotie, juridische kwesties, partnerschappen, een erg belangrijk iemand, chaos, ten onder gaan, opklimmen enzovoort. We hebben zelfs een tekstje gemaakt over de interpretatie van de tekens. Je gooit de dobbelstenen en stelt een vraag over geld, liefde, geluk of wat je maar te binnen schiet. Aangezien op elke dobbelsteen slechts één afbeelding staat, heb je één kans op zes dat die specifieke afbeelding tevoorschijn komt. Je kunt dus één afbeelding krijgen, of geen enkele, of tien tegelijk.

K.B./D.P.: Van wie kwam het idee om met tekens te werken?

M.M.: Eigenlijk kwam Allan met de beelden aanzetten en had ik het idee om op elke dobbelsteen slechts één afbeelding te drukken.

K.B./D.P.: De tekens hebben jullie ook als tekeningen getoond, niet?

M.M.: We hebben tekeningen van de tekens gemaakt en ze aan de muur gehangen. Aan een andere muur hebben we ook een reeks tekeningen gehangen, maar zij zaten verborgen achter zwart vilt. Als je er eentje kocht, moest je wachten tot je thuis was om het vilt te verwijderen en te zien wat je gekocht had: dat was dus in zekere zin jouw lot. Heel wat mensen dachten dat die tekens van mij kwamen, maar eigenlijk had ik helemaal niet met tekens willen werken. Het idee om tekens te gebruiken kwam van Allan. En het idee om ze onder zwart vilt te verstoppen kwam van mij. Daardoor werden ze zwarte, ingelijste objecten, zodat ze erg op Allans werk gingen lijken. Eigenlijk was het dus mijn idee om op hem te lijken, en vice versa.

K.B./D.P.: Je zou het een versmelting van twee gevoeligheden kunnen noemen. Het idee van de herhaling en de minieme variatie in die herhaling lijkt iets van Allan McCollum, terwijl het idee van de veranderde bewustzijnstoestand en de immersie van de kijker in een andere realiteit veel dichter bij jouw werk aanleunt.

M.M.: Precies. Immersie is een bruikbare term voor mijn werk.

K.B./D.P.: Was dat idee ook voor dit spel belangrijk? Wilde je een spel maken dat de speler zou onderdompelen in een tranceachtige bewustzijnstoestand?

M.M.: De zogenaamde speltoestand vind je in al mijn werk. Al mijn projecten zien eruit als een spel. Your Fate is een spel dat mensen ook echt moeten spelen. Dat vond ik boeiend. Het gaat over paranoia. Als je op je dobbelsteen het teken van de dood ziet, vraag je je meteen af of en wanneer je dood zult gaan. Het is alsof je een waarzegger bezoekt. Wat hij of zij je ook vertelt, het blijft in je hoofd hangen. In die zin zijn we allemaal wel een beetje bijgelovig. In elk geval ben ik het, dat weet ik zeker.

K.B./D.P.: Hoe reageerde het publiek? Waren ze bereid om te spelen? Waren ze erop gebrand in hun lot te geloven?

M.M.: De opening was fantastisch. Iedereen gooide met de dobbelstenen, en ik ging overal het resultaat interpreteren. Het was erg leuk. En de mensen waren heel aandachtig omdat ze voelden dat het over hun toekomst ging. De beheerder van mijn appartementsgebouw kwam langs en kocht een setje dobbelstenen. Elke dag voordat hij naar zijn werk vertrok, gooide hij de stenen. Op een dag moet hij iets gruwelijks hebben gegooid. Hij moet erg geschrokken zijn, want sindsdien heeft hij de dobbelstenen niet meer aangeraakt. Ik heb geprobeerd om hem gerust te stellen: ‘Maak je geen zorgen, het is een bedenksel van Allan, Matt en Christine.’ Maar hij wilde het niet geloven omdat hij de resultaten van het spel niet uit zijn hoofd kreeg. Ook onze galeriehouder, Christine Burgin, had een boeiend verhaal. Ze gooide breekbaarheid en gezondheid en verder niets meer. Een week later gooide ze alleen gezondheid. Dat je dat twee keer gooit, eerst breekbare gezondheid en daarna gezondheid alleen, dat is merkwaardig. Maar dat is het spel. En het is een griezelig spel omdat het echt werkt.

K.B./D.P.: In welk opzicht was Your Fate ook een spel tussen jou en Allan McCollum?

M.M.: Dat is moeilijk te zeggen. Ik heb al verteld dat Allan en ik opzettelijk met ideeën kwamen aanzetten die aan het werk van de ander deden denken. In die zin speelden we een spel met het publiek en met onszelf. Los daarvan heeft Your Fate meer weg van een echt spel. Om te kunnen functioneren moet het gespeeld worden.

K.B./D.P.: Het spelelement zit dus in de praktische toepassing van het werk, en niet zozeer in het creatieve proces. Het is geen middel, maar een doel.

M.M.: Waarschijnlijk wel. Dit project heeft mijn samenwerking met John Baldessari erg beïnvloed. Ik wilde dat we een spel zouden bedenken dat we met z’n tweeën konden spelen, een soort actie-en-reactiespel. Eigenlijk was het Tracy Williams, mijn galeriehouder in New York, die de aanzet heeft gegeven. Ze nam contact op met John en met mij en vroeg ons of we zin hadden om samen te werken. Dat vonden we beiden een schitterend voorstel.

K.B./D.P.: Hoe hebben Baldessari en jij het uitgewerkt? Wat was het vertrekpunt?

M.M.: Het project moest een spel worden en we wilden werken met de student-docentrelatie, omdat die in ons leven zo’n belangrijke rol heeft gespeeld. We besloten dat een van ons beiden iets aan de ander zou geven. Die zou erop reageren, in een of andere hoedanigheid, het veranderen en het terugsturen, enzovoort. Dat was het idee. Omdat John de leraar was, waren we het erover eens dat hij het hele proces zou opstarten, alsof hij me een opdracht gaf.

K.B./D.P.: Wat stuurde hij je toe?

M.M.: Het duurde ongeveer tweeënhalf jaar om van hem iets los te krijgen omdat hij het erg druk had. Een jaar geleden ongeveer stuurde hij me tien foto’s: film- en televisiebeelden, typische Baldessaribeelden: mensen die elkaar kussen, die vechten, dansen enzovoort.

K.B./D.P.: En je kon erop reageren zoals jij dat wilde?

M.M.: Hij vroeg me één foto uit te kiezen. Dat was een goed begin: het boeiendste element in Johns vroege werk vind ik nu net het uitkiezen en aanwijzen. Dat is onze eerste interactie met de wereld. Dat John zoiets veelzeggends als basis voor onze samenwerking zag, vond ik fantastisch. Bij de foto’s was er een die niet helemaal in het rijtje paste. Het ging om een groepsportret van arbeiders op een boerderij. De foto leek niet op iets van Baldessari, maar eerder op werk van mij. Ik pikte hem eruit en stuurde hem naar John, met een briefje erbij: ‘Deze foto wil ik.’ John stuurde hem terug met de boodschap ‘Oké, doe er iets mee’. En dat heb ik gedaan. Ik heb hem verknipt: iedereen die op de foto stond heb ik apart op afzonderlijke pagina’s van een notitieboek gekleefd.

K.B./D.P.: Welk soort notitieboek?

M.M.: Een schoolschrift, met gelijnd papier.

K.B./D.P.: Hoeveel mensen stonden er op die foto?

M.M.: Ongeveer 35. Het leek een foto uit de jaren 20 of 30 van de vorige eeuw. In die tijd hadden mensen andere voornamen dan nu. Ik nam een highschooljaarboek uit de jaren 20 en zocht namen bij elkaar. Toevallig kwam het jaarboek uit een school die blauw en wit als kleuren had. In een vreemd handschrift, that person’s handwriting, schreef ik blauw en wit bovenaan de pagina in het notitieschrift, en ik voegde er een lijst namen aan toe, met de foto van elk personage ernaast. Daarna stuurde ik het schrift naar John. Zijn eerste reactie was: ‘Hoe krijg je dat aan een muur? Het is een boek.’ Ik antwoordde: ‘Ja, je stopt het in een kastje.’ Waarop hij weer: ‘Hoe ga je het laten zien? Je hebt dertig foto’s die je niet kunt tonen.’ Een verrassend inzicht, niet? John is altijd erg praktisch. Van elke pagina en ook van het boek heb ik afdrukken gemaakt die we aan de muur konden hangen. Het ging duidelijk om kopies van het origineel, dat in een glazen kast getoond zou kunnen worden. Het duurde zes maanden voordat John reageerde.

K.B./D.P.: Wat deed jij intussen?

M.M.: Ik heb zes maanden gewacht. John werkt alleen als de timing goed zit. Je mag hem niet opjagen. Toen hij voelde dat het moment gekomen was, knipte hij zes figuurtjes uit, trok er rechte lijnen omheen en maakte er een zeefdruk van, in pasteltinten. Het waren mooie beelden, erg elegant ingelijst. Ik vroeg me af hoe ik daarop moest reageren. De lijnen leken een raar patroon te vormen, de geometrische beschrijving van een persoon of zelfs van een geest. Ik wilde iets ongewoons doen – daar gaat het om in een samenwerking, dat ze je in staat stelt om iets nieuws te proberen. Ik tekende een geometrische vorm in mijn badkuip en schreef er de naam van een personage bij. Zowel de geometrische tekening als de naam waren een teken voor het ontbrekende lichaam. Daarna nam ik zes of zeven erg bizarre foto’s van de badkuip, met een erg rare lens. Op het filmrolletje stond nog een foto van de restauratie van het Pantheon, een souvenir van mijn laatste reis naar Italië. Hij paste perfect bij de badkuipfoto’s, zodat ik hem erbij voegde, als een ongewoon beeld. Het waren kleine, slordige foto’s, die er oud uitzagen en niet zo goed gekadreerd waren. Ik stuurde ze naar John, en die antwoordde al twee of drie dagen later. Toen wist ik dat hij had toegebeten. Hij stuurde me een omgekeerde print van de badkuip, waarop hij een echte Baldessari-ingreep had toegepast. Hij had mijn geometrische beeld op de badkuip kleiner gemaakt en de naam verschoven van de badkuip naar de rechterbenedenhoek van de foto, alsof het de handtekening van de kunstenaar was. Vervolgens gaf hij een badkamertegel een gele kleur. Dat was briljant. Op dat beeld uit de reeks kun je Baldessari echt herkennen. Het lijkt precies op een van zijn grafische werken. Ik kon het onmogelijk verbeteren. Het enige zinnige antwoord dat ik kon bedenken, was dit: ik ging naar de winkel en kocht een gele tegel. Die stuurde ik hem toe. Hij reageerde: ‘Laten we ermee ophouden. Dit is een goed eindpunt.’

K.B./D.P.: Hij wilde dat het project daar ophield.

M.M.: Ja.

K.B./D.P.: Weet je ook waarom?

M.M.: Ik vermoed dat de tegel hem enigszins heeft geschokt. Het maakte het in elk geval moeilijker, omdat je met een tegel om het even wat kunt doen.

K.B./D.P.: Heb je hem ervan proberen te overtuigen om verder te gaan?

M.M.: Ik zei: ‘We zijn nog maar net begonnen. We hebben vier objecten: hoe kun je daarmee een tentoonstelling opzetten?’ Dat begreep hij wel – ik heb al gezegd dat John erg praktisch is. Met rode letters stempelde hij het woord file op de gele tegel en stuurde hem naar mij terug.

K.B./D.P.: En dat was het einde?

M.M.: Helemaal niet: nu had hij pas echt de smaak te pakken. Hij begreep wat er op het spel stond: je moet het elkaar moeilijk proberen te maken. Hij dacht: probeer dat nu maar eens te overtreffen! Op internet tikte ik file en tile in. Dat leverde een tile file op – waarin pannendekkers hun dakpannen bewaren. Ik vond ook het recept voor flaming tile file fish, blijkbaar een oosters gerecht. In het gekke handschrift van that person schreef ik dus een recept voor flaming tile file fish en voor flaming file tiles. Dat stuurde ik hem toe. Daarop kwam hij aanzetten met een geschift versje over tilefish en Lyle die Kyle vile noemt, bile style, en een mile op een isle in de Nile. Een groot vel papier, met alleen maar woorden erop. Het was krankjorum en briljant tegelijk. Een klassieke Baldessari. Het is mijn favoriete stuk uit de reeks. Op internet zocht ik via Google Earth een isle in de Nile dat minstens een mile wide was. Zo werd het alsmaar geschifter. En plots ontdekte ik op Yahoo Singapore woordspelletjes waarin alle woorden die rijmden op file opgesomd stonden. Al die woorden had hij gebruikt – waarschijnlijk heeft hij ze daar gevonden. Ik bewerkte ze in een nieuw lettertype en maakte er een diareeks mee.

K.B./D.P.: Een reeks dia’s met de woorden die hij voor zijn versje had gebruikt?

M.M.: Precies. Als je er een tijdje naar kijkt, heeft het iets absurds: er is geen onder- of bovenkant, geen links of rechts. Ik stuurde hem de dia’s toe en hij reageerde met een rode, een gele en een groene cirkel op een vel grafiekpapier, met een x naast de rode cirkel. Die mededeling wil zoveel zeggen als: ‘Stop, ik ben aan het eind gekomen.’ Ik wilde hem nog een stap verder laten zetten, maar daar is hij niet op ingegaan. John is een aardige kerel, maar als hij nee zegt, dan is het nee.

K.B./D.P.: Je zegt dat je geprobeerd hebt om hem te overhalen. Heb je hem nog een antwoord gestuurd?

M.M.: Ja. Hij had een rode, een gele en een groene cirkel gebruikt. Als je daar zwart en blauw aan toevoegt, heb je mijn vijf kleuren. Ik nam zijn beeld en schilderde er eerst een zwarte en blauwe cirkel overheen. Daarna schilderde ik een grote rode cirkel op een enorm doek, omdat rood voor mij subjectiviteit betekent. In die cirkel schreef ik alle woorden die met mijn werk te maken hebben, de woorden die that person zou gebruiken. En dat was het.

K.B./D.P.: Maar eigenlijk was het Baldessari die duidelijk had gemaakt dat hij een eind aan het project wilde maken, zoals hij dat ook al na de gele badkamertegel had gedaan.

M.M.: Ik denk dat die gele tegel voor een ingrijpende wending heeft gezorgd. Eerst ging het over beelden. Toen John het woord file op de tegel zette, ging het plots over taal. Het lijkt alsof het hele proces de relatie tussen het beeld en het object vernietigd heeft. Ik denk dat we een punt hadden bereikt waarop we alleen nog in kringetjes konden draaien. Misschien waren we niet in herhaling gevallen, maar we hadden zeker een punt bereikt waarop ‘meer’ niet automatisch ‘beter’ werd. John moet hebben beseft dat we aan een grens waren gekomen.

K.B./D.P.: Was het discursieve proces in deze samenwerking alleen op beelden gebaseerd, of hebben jullie ook over het project gesproken?

M.M.: Er bestond geen enkele vorm van conversatie tussen ons. We kregen alleen te zien wat de ander had gemaakt. Er was geen sprake van dat we elkaar een handje zouden helpen. Wanneer hij me iets terugstuurde, zei hij alleen ‘Het beste ermee’ of iets in die aard. Dat was de enige communicatie die er tussen ons was. Het spel zat simpel in elkaar. Het was gemakkelijk om te begrijpen wat de ander je probeerde te vertellen. Eigenlijk communiceerden we de hele tijd, maar dan wel met objecten en foto’s. Ik maak een plakboek en daar reageert hij op met keurige, minimalistische foto’s. Hij stuurt me piekfijn afgewerkte foto’s, en daar reageer ik op met kleine, slecht gekadreerde foto’s enzovoort.

K.B./D.P.: Heeft de samenwerking je iets geleerd over je eigen werk, in relatie tot dat van Baldessari?

M.M.: Uit die samenwerking kun je besluiten dat mijn werk meer te maken heeft met de context van het beeld, en dat Johns werk abstracter is. Bij hem is de context doorgaans erg schoon en wit. Er heeft zich ook een interessante omkering voorgedaan. Als je Johns gedicht bekijkt en de diareeks die ik van zijn woorden heb gemaakt, dan zie je mijn dia’s als een reactie op zijn werk. Maar ze geven iets weer wat eraan vooraf is gegaan. Als mensen de diareeks zien, denken ze dat die er het eerst was. John construeert iets en ik deconstrueer wat hij heeft gemaakt, zodat het lijkt alsof ik eerst was. Dat is een grappig detail.

K.B./D.P.: Toen je zijn laatste werk zag, met de drie cirkels en de x, heb je dat onmiddellijk als het einde van het project geïnterpreteerd?

M.M.: Dat werk gaf me een raar gevoel. Hij had me nooit verteld dat hij er de brui aan wilde geven. Hij had het wel aan Tracy verteld, maar niet aan mij. Aanvankelijk had hij me duidelijk gemaakt dat ik voor het eindpunt moest zorgen, omdat hij met de reeks begonnen was. Omdat hij me de eerste foto had gegeven, moest ik voor het slotakkoord zorgen. Daar had ik mee ingestemd. Maar toen we in die fase van de samenwerking waren beland, wilde ik doorgaan. Ik had nog zes of zeven beurten willen voortgaan.

K.B./D.P.: Waarom? Wat ontbrak er volgens jou nog?

M.M.: Ik wilde er wat animatie aan toevoegen, maar dat paste niet bij dat hele file-tile gedoe. We hadden met foto’s gewerkt, met tekeningen, schilderijen, keramiek, tekst, en mijn eerste idee was om een filmpje van het isle te maken, iets heel eenvoudigs. Maar toen vond ik op Yahoo die tekst over files en tiles en dat hele geschifte gedoe. Ik denk dat de diareeks als een video functioneert, wat ik prima vind.

K.B./D.P.: Hoe zat het met de presentatie van die verschillende media in de galerie? Werden alle stadia getoond?

M.M.: Ja.

K.B./D.P.: Integraal?

M.M.: Ja. Eerst zie je de tien foto’s die John me had bezorgd, ingelijst. Daarna de foto die ik had gekozen, eveneens ingelijst. Vervolgens zie je wat ik ermee heb gedaan. Je ziet ook het grafische werk van de badkuip met de gele tegel. Het volgende element is een gele tegel. Daarna zie je een tegel met het woord file erop gestempeld. Dan mijn twee bladen met de flaming tile file fish, Johns maffe versje, mijn diareeks over zijn maffe versje, enzovoort.

K.B./D.P.: Elke fase zou je kunnen zien als een bewerking van de fase die eraan is voorafgegaan, zonder die eerdere fase materieel aan te tasten?

M.M.: In het persbericht werd als metafoor voor elke fase het cadavre exquis gebruikt, maar eigenlijk is het net het tegendeel. We weten wat voorafgaat. Waar we heen gaan, weten we niet, maar we weten wel waar we geweest zijn. Het lijkt op een gedachtegang, een dialoog tussen twee mensen. Dat maakt het zo bevredigend.

K.B./D.P.: Jullie hadden besloten dat Baldessari zou beginnen omdat hij de docent was en jij de student. Met die relatie wilden jullie spelen. Wat heb je na afloop van het hele project over die relatie ontdekt?

M.M.: Dat ik meer tijd heb dan hij. Dat is me nu wel duidelijk geworden. John heeft het zo ontzettend druk. Hij springt erg kwistig met zijn energie om. Hij heeft gevochten en hij is briljant. Toen hij me dat versje over Lyle en bile en isle stuurde, was ik werkelijk verbluft. Hij heeft er wat van zijn energie in gestopt en het is uitgegroeid tot iets geweldigs. Het leek hem erg gemakkelijk af te gaan. Interessant is natuurlijk ook dat ik hem zover heb gedreven. Aan het begin van het project had ik het gevoel dat ik de docent was. Ik gaf hem een zware opdracht, en vervolgens groeide hij uit tot een whiz kid, een wonderkind waardoor zijn leraar – ik dus – zich geïntimideerd voelde. Daarom wilde ik in dit project ook duidelijk laten zien wie wat gedaan heeft. Je hebt Johns idee en mijn reactie erop. Ik vond het ook boeiend om de samenwerking als zodanig te bestuderen. Ik wilde kijken hoe we ze uit elkaar konden halen, en ik wilde van onze werkstukken een embleem maken van dat proces.

K.B./D.P.: In de catalogus Model Architecture merkt Stephan Schmidt-Wulffen op dat jij in je werken uitgaat van modellen. [5] Hij stelt in dat verband ook dat jij modellen hanteert om de positie van de auteur te relativeren. Ben je het daarmee eens?

M.M.: Zeker. Ik werk constant met die afstand. Ik zie dat als een vorm van autisme. Ik kan dat niet genoeg herhalen. Ook het werk dat ik onder hypnose maak, hangt ermee samen.

K.B./D.P.: Dan is de vraag: functioneren je samenwerkingsprojecten volgens dezelfde logica?

M.M.: Nee. Daarom zijn ze ook zo boeiend.

K.B./D.P.: Waarom niet?

M.M.: Omdat er iemand anders bij betrokken is. Dat maakt het spel anders. Vergelijk het met praten over je eigen werk of over het werk van iemand anders. Het is een ernstige zaak om over het werk van iemand anders te praten, het is een ernstige zaak om met iemand samen te werken. Dat betekent niet dat ik helemaal anders werk. Ook tijdens samenwerkingsprojecten kan ik identiteitsspelletjes spelen, maar alles bij elkaar blijft het toch duidelijk mijn werk. Als ik snapshots aan de muur hang, als antwoord op de keurig gekadreerde zeefdrukken die John heeft gemaakt, dan speel ik met opvattingen over wat foto’s zijn en hoe ze functioneren.

K.B./D.P.: Zou je het zo kunnen formuleren: in je eigen werk stel je het begrip identiteit in vraag, maar in een samenwerking doe je dat niet, omdat identiteit daar het hoofdthema wordt?

M.M.: Zo is het. Er is een ander ego bij betrokken, en ik wil niet in naam van dat andere ego spreken. Ik wil niet in naam van John of Allan of Lawrence spreken. Ieder van ons doet zijn eigen ding. Het is duidelijk wat we doen, en dat is prima. Anderzijds is het boeiendste aspect van een samenwerking dat je je identiteit opheft. Het is een gelegenheid om jezelf te overstijgen. Zonder de samenwerking had ik dat werk nooit gemaakt. Ik kon doen wat ik wilde, zonder me zorgen te hoeven maken over mijn identiteit. Dat geldt ook voor John. Het duurde wel even, maar uiteindelijk leek hij zich geen zorgen meer te maken over Baldessari. Zijn eerste stappen in de samenwerking, tot de tegel, waren echt Baldessariachtig, maar de laatste drie stappen waren dat niet meer.

K.B./D.P.: Kun je de titel van het werk uitleggen: PONG?

M.M.: PONG is de naam van het allereerste videogame. Het verwijst ook naar pingpong, antwoord en reactie, heen en weer. Het spelelement in PONG zit in het creatieve proces. Het had te maken met de vraag wie nu eigenlijk de leraar was, wie primair en wie secondair was in onze relatie, en hoe dat voortdurend verschoof, afhankelijk van wat we deden.

K.B./D.P.: Gaat het niet ook om een dialoog tussen kunstenaars van twee verschillende generaties?

M.M.: Dat komt misschien duidelijk naar voren in de tentoonstelling. Het publiek kan ontdekken hoe John met het materiaal omgaat en hoe ik er op een andere manier mee omspring. Er is slechts één beeld dat John niet heeft ingelijst – het blad met Kyle en bile. Al de rest staat op hoogwaardig krantenpapier en zit achter glas. Ik denk dat John een spelletje speelt – wie het blad koopt, zal het zeker achter glas willen bewaren: het is te goed, te briljant.

K.B./D.P.: In zekere zin is het verrassend dat jij met andere kunstenaars kunt samenwerken, aangezien jouw werk een sterke totaliserende tendens heeft. Het lijkt verbonden te zijn met een immersietoestand die volkomen autonoom is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat je werk gesloten is, dat het geen ruimte laat voor samenwerking.

M.M.: Ja, maar het is gesloten als reactie op de mogelijkheid om werkelijk om het even wat te doen. Als ik de materialen opsom die ik gebruik, is de lijst eindeloos: van keramiek tot metaal, van glas tot beton; schilderen, tekenen, fotografie, video’s, computers, noem maar op. Het gaat erom dat ik mijn mogelijkheden uitbreid. Tegelijk kan ik mezelf niet van mezelf bevrijden. Daar gaat het misschien in de hypnose over, en misschien is het dat wat that person probeert te bereiken.

K.B./D.P.: Een bewuste poging om de grenzen van de subjectiviteit te traceren?

M.M.: In zekere zin. Dat aspect van mijn werk probeert het subjectieve als zodanig te begrijpen. Als je subjectief wil zijn, verlies je je oriëntatie. Zo ga ik er toch mee om. Als ik op een pagina Glen bezig zie, kan ik je vertellen waar hij is. Zodra ik hem word, weet ik niet meer waar ik ben. Mijn ideeën over hoe ik me voel of wat ik wil doen, zijn stuk voor stuk acties van de hersenen. Hoe meer ik met hypnose werk, hoe sterker ik besef dat that person meer een hoe is dan een wat. Hij is een manier om iets te doen en een hoe-vraag te zijn; hij sluit aan bij een bewustzijnstoestand, niet bij een individu. Lachen, schreeuwen, droefheid, angst, paranoia en al die andere zaken vormen de taal van de subjectiviteit die tussen ons en de wereld staat. Alleen wordt het tot een superhoog niveau opgepompt. Als je het volume van de radio zo hard zet dat je niets meer kunt horen, slaat het om in iets anders. Trance lijkt daar erg op: ik zet het volume zo hard dat het iets anders wordt. Het wordt die vorm van gekte, dat autisme.

K.B./D.P.: De drie samenwerkingen waar je het over hebt gehad zijn stuk voor stuk verschillend, niet alleen wat de mediakeuze betreft maar ook wat betreft de manier waarop ze zijn opgezet. Met Lawrence Weiner heb je in één dag een stripboek gemaakt. Met Allan McCollum heb je een spel gemaakt dat ook echt gespeeld kon worden. En met John Baldessari heb je een reeks gemaakt die uiteindelijk functioneert als een dialoog in de tijd. Welke andere samenwerkingen zie je jezelf nog doen?

M.M.: Ik denk dat een samenwerking rond theater wel leuk zou zijn.

K.B./D.P.: Heb je ooit samenwerkingsvoorstellen van andere kunstenaars gekregen die je hebt afgewimpeld?

M.M.: Nee. Nooit. Ik heb geen voorstellen gehad en heb niets afgewimpeld. Ik vind het wel belangrijk om de persoon te kennen. Als ik hem niet zou kennen zou ik het niet doen. Er moet een zekere intimiteit bestaan.

K.B./D.P.: Omdat je het werk van een andere kunstenaar binnenstapt.

M.M.: Je stapt een relatie binnen waarin je moet kunnen nemen en geven. Ik wilde bijvoorbeeld nog een project doen met Lawrence, maar die zag dat niet zitten. Hij vond dat het niet zou werken.

K.B./D.P.: Zijn er nog kunstenaars met wie je zou willen samenwerken?

M.M.: Ik denk meteen aan Allen Ruppersberg, en ook aan Mike Kelley, met wie ik veel interesses deel. Mike heeft heel wat projecten samen met Paul McCarthy gedaan. En ik zou heel graag samenwerken met Dan Graham, een erg belangrijk kunstenaar.

K.B./D.P.: En Europese kunstenaars?

M.M.: Ik zou graag een project doen met Harald Klingelhöller. Dat is een goede vriend van me, die nog nooit met iemand heeft samengewerkt, denk ik. Maar hij is nogal rigide, om het zacht uit te drukken. En natuurlijk is er ook Pedro Cabrita Reis. We hebben al twee keer geprobeerd om samen te werken.

K.B./D.P.: Aan welke projecten?

M.M.: Ons eerste project was bedoeld voor een kunstbeurs, maar die werd geannuleerd. In het tweede project wilden we in een en dezelfde ruimte elk een spiegel, een tafel, een tapijt en een lamp ontwerpen. Het tapijt kon erg klein zijn of juist enorm groot. Het kon om het even wat zijn. We vonden het beiden een goede vertrekbasis. Het project was bedoeld voor Art Basel, maar uiteindelijk ging het niet door. Ik vind Cabrita een prima kunstenaar om mee samen te spelen. Maar er zijn er nog andere: Thomas Schütte, bijvoorbeeld. Ik ken hem. Het zou een complexe onderneming worden.

K.B./D.P.: Momenteel lijken samenwerkingsprojecten als paddenstoelen uit de grond te rijzen. Hoe verklaar je dat?

M.M.: Volgens mij gaat het om betrokkenheid bij een kunstenaar die je bewondert. Er ontstaat een dialoog met die kunstenaar, en bij die betrokkenheid en die dialoog kun je alleen maar winnen. Het geeft je verse energie. Je krijgt de kans om iets nieuws te doen. En natuurlijk profiteer je van de wereld van die andere kunstenaar, zoals ik heb geprofiteerd van de wereld van John, Lawrence en Allan. Mij schiet in dit verband een grappige anekdote te binnen. Ze gaat over Julian Schnabel en David Salle, die halfweg de jaren 80 echte supersterren waren. David stelde voor om schilderijen uit te wisselen. Hij bezorgde Julian een schilderij en verwachtte er natuurlijk een terug. Op die manier zouden ze elk een schilderij van elkaar hebben. Maar Julian schilderde iets bovenop Davids doek en stuurde het hem terug. Ik denk dat het zelfs een tekening van David was die hij boven Davids schilderij had aangebracht. Dat was natuurlijk alleen maar lefgozerij, maar David was geschokt. Hij was van zijn stuk gebracht omdat Julian het hele proces had verknald. Ik vond het briljant. Wat een schitterend idee! Ze spraken af dat ze beiden mede-eigenaar van het doek zouden worden. Ik geloof dat ze het uiteindelijk voor een enorm bedrag hebben verkocht en de winst half om half hebben verdeeld.

 

Noten

1 California Institute of the Arts, in Valencia, Californië. Opgericht in 1961 door Walt en Roy Disney. CalArts was de eerste Amerikaanse instelling voor hoger onderwijs die zowel in beeldende kunsten als in podiumkunsten bachelor- en mastersdiploma’s aanbood.

2 Ingres and Other Parables was Baldessari’s eerste kunstenaarsboek, gepresenteerd in de vorm van een wandkalender. Aan de bovenkant van de ‘kalender’ staat een afbeelding, met daaronder een parabel, in vier talen, Engels, Frans, Duits en Italiaans. Elke parabel heeft een moraal, doorgaans een geestige opmerking.

3 De Scholastic Aptitude Test of Scholastic Assessment Test is een gestandaardiseerde test die in de VS vaak wordt gebruikt als indicatie om te bepalen wie naar de universiteit (college) mag. Meestal wordt hij afgenomen aan het eind van de middelbare school. De scores moeten de inschrijvingsverantwoordelijken van instellingen voor hoger onderwijs in staat stellen om lokale en individuele gegevens in een breder en landelijk perspectief te plaatsen.

4 Bachelor of Fine Arts, meestal afgekort als BFA, is de standaard undergraduateopleiding voor studenten die een beroepsopleiding in beeldende kunsten of podiumkunsten willen volgen. Het verschil met de Bachelor of Arts (BA) in de VS is dat de BFA-opleiding ook een praktisch studio-onderdeel bevat, en niet alleen colleges en lessen. Een typische BFA bestaat voor twee derden uit artistieke opleidingen en voor een derde uit brede algemene vorming. Voor een BA in Art is die verhouding vaak omgekeerd.

5 Stephan Schmidt-Wulffen, Modelic Thinking, in: Matt Mullican, Model Architecture, Hatje Cantz, Ostfildern, 2006, p. 9.

 

 Dit interview wordt gepubliceerd met de genereuze steun van de Edmond Hustinx Stichting, Maastricht.

 

Transcriptie: Pamela Uyttendaele

Redactie in het Engels: Nina Oeghoede

Vertaling uit het Engels: Eddy Bettens

In het najaar 2009 stelt Matt Mullican tentoon in STUK kunstencentrum te Leuven. Voor meer informatie: STUK kunstencentrum, Naamsestraat 96, Leuven (016/320.300, info@stuk.be; www.stuk.be)

La Zone Absolue

Graag bezorg ik u een offerte

Het was tijdens de zomer van 2007, in de auto op weg naar Parijs.

Terwijl hij aan de scenografie werkt van een tentoonstelling die hij deelt met Arnaud Labelle-Rojoux, komt Jacques Lizène op het idee om op de grond een lijn te trekken tussen de zone die aan hem is toegewezen en die waar Arnaud Labelle-Rojoux zijn werken zal opstellen. Of beter nog, verduidelijkt hij: we brengen op het beton een strook tape aan, en creëren zo een ‘twee-eiige’ ruimte. Ad rem zoals steeds, verklaart ‘le petit-maître’: ‘Dit is een hommage aan Jacques Charlier, La Zone Absolue, Apiaw, 1970.’

Om het publiek te kunnen informeren en de zaken meer dan 35 jaar na datum te duiden, neem ik naar aanleiding van deze dubbeltentoonstelling contact op met Jacques Charlier: of hij me misschien een foto kan bezorgen van die bewuste Zone Absolue, die, zo herinnert zich Jacques Lizène, destijds zoveel ophef maakte.

Jacques Charlier komt niet zomaar met een foto aanzetten, maar met een compleet archief. ‘Het was een totale satire, een heuse mystiek-collectieve waan’, vertelt hij, terwijl hij een voor een de beelden toelicht die we samen (her)ontdekken. Een hele reeks documenten houdt rechtstreeks verband met de tentoonstelling die in 1970 plaatsvond bij Apiaw, de Association pour le progrès intellectuel et artistique de Wallonie, maar er zitten ook andere archiefstukken bij. Het lijkt wel een verzameling propagandamateriaal, waartussen ook nog wat vreemdsoortige familiealbums zijn beland. Tekeningen, zogeheten ‘bedrijfsfoto’s’, beelden van acties en demonstraties, pamfletten, de gestencilde publicaties van de groep Total’s, een transparante vlag, een film getiteld Canalisation, postkaarten ook. ‘Y a bon béton’, staat op een ervan te lezen, en op een andere: ‘Je suis prêt à vous faire un devis’ (‘Graag bezorg ik u een offerte’). ‘Il faudrait bétonner l’espace de la terre à la lune’ (‘Betonneer de ruimte tussen de aarde en de maan’) klinkt het op een derde. Een hele reeks slogans passeert de revue: Sociale demobilisatie! Stort de stad vol! En overal die raadselachtige sticker: Ici bientôt zone absolue!, vergezeld van de officiële afkorting S.T.P., Service Technique Provincial. Die Zone Absolue is blijkbaar niet zomaar een werk, en ook geen tentoonstelling. Het is een cyclus van werken, een project over meerdere jaren, vertakt als een buizenstelsel, een strijdlustig aftasten van een artistieke en politieke werkelijkheid, een bevraging in de vorm van een actie.

In een tijd van collectivistische utopieën en van een even modern als conform geluk, bedrijft Jacques Charlier, die ook dan al blijk geeft van een groot strategisch inzicht in de geheimen van het kunstsysteem, voortdurend allerlei vormen van kritiek. Als een romantische Sisyphus op de terril van Saint-Gilles, als basismilitant in het verzet tegen de plannen voor een autoweg die zich door het Luikse stadscentrum zal boren, als goed geïnformeerde mail-artkunstenaar, onderkoelde activist, satiricus van sociaal-politieke ideeën en situaties en kameleontische beoefenaar van de meest uiteenlopende stijlen, bedient Charlier zich met bijzondere scherpzinnigheid van de parodie. Achter dat verhaal over allesoverheersend beton versus allesoverheersend groen, achter het voorstel tot ‘collectieve ontheemding’ binnen de stedelijke omgeving schuilt veel meer dan een sociologische of stedenbouwkundige kritiek. Eerder zou men kunnen spreken van een extreem monument tegen alle extremen. Absoluut.

 

Spoedig groeit het plan om de Zone Absolue te reactiveren in de vorm van een tentoonstelling. En om er dit interview bij te maken. Waarvan akte.

 

Collectieve ontheemding

Jean-Michel Botquin: De Zone Absolue behelst in feite een heel programma. Het lijkt om heel wat meer te gaan dan alleen maar een werk of een tentoonstelling, meer bepaald de tentoonstelling die in januari 1970 plaatsvindt in Luik.

Jacques Charlier: Je moet inderdaad de zaken in hun context zien om goed te begrijpen hoe ik ertoe gekomen ben dat allemaal te bedenken. Na mijn legerdienst ga ik in 1958 als aspirant-tekenaar aan de slag bij de Service Technique van de Provincie. Men vertrouwt me een aantal heel simpele taken toe: verslagen typen, plannen afdrukken, het terrein verkennen, de niveleerlat dragen om topografische opmetingen te verrichten. De opdracht bestaat erin het wegennet van het eerste district van die provinciale technische dienst te verbeteren en nieuwe industriezones te vestigen. Na de werkuren maak ik collages met objecten en ook abstract-expressionistische schilderijen. Op artistiek gebied ben ik een complete autodidact. In feite was ik al sinds mijn jeugd in kunst geïnteresseerd. Ik las ook veel, vooral Franz Kafka, die er zo wonderwel in slaagde zijn werk als schrijver te combineren met zijn baan bij een Praagse verzekeringsmaatschappij.

J.M.B.: Zo’n beetje uw situatie, niet? Of althans wat u bij de S.T.P. hebt gedaan?

J.C.: Inderdaad. Toen de popart en het Nouveau Réalisme hier de kop opstaken, stelde ik me de vraag hoe we onze identiteit konden vrijwaren tegen die Amerikaanse neodadaïstische pletwals. En hoe we moesten omgaan met Restany en zijn Nouveaux Réalistes. Ik praatte er vaak over met Marcel Broodthaers, die mijn bezorgdheid deelde. Waar was nog onze plaats, nu deze kunstenaars al Brussel en Antwerpen hadden veroverd? Ik ging er van uit dat de popart was ontstaan door de reclame te beschouwen als een readymade en ze, middels enkele esthetische ingrepen, naar de kunstwereld over te planten. Zo was ik op het idee gekomen om op mijn beurt datgene waar ik beroepsmatig, en louter om den brode, mee bezig was, als kritisch wapen in te zetten tegen het Nouveau Réalisme en de popart. Ik ben toen begonnen met het verzamelen van die kleine foto’s die werden gemaakt op de dienst waar ik voor werkte. Ik raakte bevriend met de mecanograaf en de fotograaf, collega’s met wie ik veel tijd doorbracht aangezien ik dag in dag uit plannen moest afdrukken volgens het ammoniakprocédé: plannen van wegen, makkelijk zes of zeven meter lang. In de vuilnisbakken van de mecanografische dienst had ik fotootjes van bietenvelden gevonden. Het waren heel banale foto’s die werden gebruikt ter illustratie van de verslagen van de dienst. Hun rauwe, onesthetische kant fascineerde me. Meestal is er geen voorplan; in technisch opzicht zijn het goede beelden, maar zonder enige aandacht voor compositie. En de plekken die in beeld komen, zijn uiteraard niet diegene waar de gemiddelde fotograaf naar op zoek is. Ik werd geconfronteerd met een volkomen nieuwe, ruige realiteit, die zich wel eens uitstekend zou kunnen lenen voor het beeldende weerwerk dat ik tegen de popart wilde bieden. Ondertussen tekende ik ontwerpen voor provinciale wegen, lengte- en dwarsprofielen, en uiterst gedetailleerde ontwerpen voor ‘kunstwerken’. En alweer stelde ik me de vraag hoe ik deze tekeningen in het artistieke veld zou kunnen introduceren. In Luik woedden op dat moment felle discussies over de plannen voor een autosnelweg die tot in het centrum zou reiken en zich letterlijk door de stad zou boren. De voorlopers van de groene beweging spraken zich unaniem uit tegen deze totale verstedelijking, die er steeds meer op gericht leek om alles te betonneren en groenzones en historische stadsdelen van de kaart te vegen…

J.M.B.: Totale verstedelijking… Ik mag aannemen dat dat iets te maken heeft met de groep Total’s, die u in 1965 opricht?

J.C.: Ja, in 1965. De naam verwees naar een werkgroepje, gesticht door Jean-Marie Decheneux en Paul Dubar. Total’s Club was de naam. Ze hadden zelfs lidkaarten. Ik vond het erg grappig en zo heb ik beslist een tijdschrift te lanceren onder de naam Total’s Underground, la revue souterraine liégeoise. Het tijdschrift zal sporadisch verschijnen tot in 1968. Als ik het me goed herinner, hebben we zeven of acht nummers uitgebracht, meer niet. We hadden een zestigtal abonnees verzameld, die ons trouw zijn gebleven tot de laatste snik. Maar tussen de zeldzame publicaties door vonden ook bijeenkomsten plaats, kleine happenings, acties. Dat blad was ook een middel om te communiceren met de buitenwereld, met activisten allerhande, zowel de Hollandse provo’s als een aantal groepen uit de Oostbloklanden. Via de post bereikten ons de geschriften van Australische en Britse anarchistische en revolutionaire groeperingen, van de Duitse Fluxusbeweging en zelfs van een collectief uit Malmö. Met de Franse scene waren we in verhouding minder vertrouwd, maar via uitgeverij Le Pavé onderhielden we toch contacten met de situationisten uit Straatsburg. Kortom, Total’s was een communicatiemiddel, in een tijd dat de mail art helemaal in was. De post was voor ons een manier om uit ons isolement te breken en op de hoogte te blijven van de situatie in het buitenland. In die periode ben ik trouwens ook op bezoek geweest bij de Amsterdamse provo’s. Hun hoofdkwartier was gevestigd op een woonboot. Een complete staff leefde er in een soort van commune. Om hen te benaderen moest je een heel ritueel doorlopen: er was zelfs een fluiter die bezoekers moest aankondigen, zoals bij het verzet. Je reinste waanzin. Bij die gelegenheid heb ik ook de leidster van de Amsterdamse feministen ontmoet; ze droomde ervan om een wolk van witte fietsen over de hele stad te laten uitzwermen. Het was een interessant idee; ze heeft sindsdien ook heel wat verwezenlijkt.

J.M.B.: Wat publiceerde u in Total’s?

J.C.: Het was niet altijd makkelijk om medewerkers te vinden…  Paul Dubar maakte tekeningen, we publiceerden teksten van Walter Swennen. Ik herinner me ook een bijdrage van Terry Riley, een musicus die vrij bekend was in het undergroundmilieu en ons een soort van fluitje had toegestuurd, een stuk papier waarmee je muziek kon maken. In het tijdschrift schoven we ook kleine kaartjes waarop de woorden ‘merde autorisée’ gedrukt stonden. Het was de bedoeling dat de lezers ze in de hoopjes hondenpoep zouden planten waar de stoepen mee bezaaid lagen; er waren ook aanplakbiljetten met ‘civilisation’ erop, die overal konden worden verspreid. Het ging eigenlijk om een onschuldige vorm van tijdverdrijf, een manier om onze avonden te vullen door spelletjes te verzinnen, een beetje in de geest van de situationisten, maar ongetwijfeld braver. Zo besloten we bijvoorbeeld ons te verplaatsen van punt A naar punt B, volgens een rechte lijn, ongeacht de hindernissen die we op onze weg zouden tegenkomen. Ik had zelfs het project opgevat om voor enkele uren of dagen de moeders en vaders van verschillende gezinnen uit te wisselen, waarbij het erop aan zou komen deze sociale rolpatronen zo conform mogelijk te vertolken. Het zou vandaag best een leuk format opleveren voor reality-tv. Achteraf gezien besef ik dat we sterk beïnvloed waren door de warholiaanse ideologie, waarover toen veel werd gesproken, en door de kritische analyse van Baudrillard. In 1968 leerde ik zijn Système des objets kennen en begon ik in tijdschriften artikels van hem te lezen. Tijdens de jaren 70 zou ik erg trouw blijven aan zijn gedachtegoed, terwijl de meeste professionele filosofen die mijn pad kruisten, vooral schermden met Barthes, Derrida, Foucault en Althusser. Geen van hen sprak me echt aan, en ik had moeite om ze te begrijpen. De meer poëtische benadering van Baudrillard beviel me veel beter.

J.M.B.: Ik neem aan dat het editoriaal van het eerste nummer van Total’s van uw hand is. Een bepaalde zin heeft me bijzonder getroffen. Grosso modo legt u in deze tekst uit dat u niet voor een provo, beatnik of anarchist wil doorgaan, en dat dat trouwens allemaal termen zijn uit een door de consumptie misvormde journalistiek. U voegt eraan toe, en daar wil ik precies toe komen, dat ‘Total’s geen hoop koestert, niet strijdt voor een nieuwe, utopische ‘vrijheid’ waarbij alle mensen eindelijk tot zelfbewustzijn zullen komen. Total’s stelt zich ermee tevreden in verborgen hoekjes te overleven, zonder te willen overtuigen’… Overleven in verborgen hoekjes, zonder te willen overtuigen: voor een militant vertoog klinkt dit erg poëtisch, maar het getuigt toch ook van een grote ontgoocheling, niet?

J.C.: Ik was inderdaad erg ontgoocheld in al die verscheidene vormen van verzet en dat is ook makkelijk te begrijpen. Vanaf m’n zeventiende had ik in een bepaalde sociale context geleefd, ik ging om met collega’s die de meest uiteenlopende politieke overtuigingen waren toegedaan; ik heb de bewegingen van ’68 zien opkomen, en vooral kunnen zien waar ze vandaan kwamen. Ik heb gereageerd in een soort van reflex: die van de arbeiderszoon tegenover de fils à papa. Ik stelde me dus grote vragen bij die rijkeluiskinderen die revolutietje speelden, zich in maopakken staken en niet eens beseften waar ze mee bezig waren. Natuurlijk vond ik een groot deel van de beweging erg vitaal, maar vanaf het ogenblik dat ze werkelijk tot de sociale sfeer wilde doordringen, zat ze er volgens mij glad naast. Ik was dus erg wantrouwig tegenover dit alles. Dit ongeloof zal me vaak worden verweten; sommigen zullen me uitmaken voor reactionaire jansenist. Volgens hen wilde ik ontkennen dat het mogelijk is de sociale werkelijkheid te veranderen in de wereld waarin we leven, ook de sociale werkelijkheid van de kunst. Mijn indruk was dat de meest extreme reacties reeds in de sfeer van het spectaculaire waren beland. Of ik voelde althans aan dat ze spectaculair zouden worden, dat ze door de markt zouden worden gerecupereerd. Soms nam ik deel aan bepaalde acties, zoals bijvoorbeeld het vermenigvuldigen van werken met het oog op democratisering, maar ik geloofde er eigenlijk niet zo in. Het bewijs: ter gelegenheid van de tentoonstelling Zone Absolue bracht ik een multipel uit die 500 ballen kostte, en ik heb er maar één exemplaar van verkocht! De rest heb ik achteraf vernietigd. Alleen spullen die op de markt worden overgewaardeerd, zijn als multipel verkoopbaar. Kortom, ik geloof dus niet in die complete breuk.

J.M.B.: Als het om politieke actie gaat, lijkt u al even sceptisch. U besluit het editoriaal met de volgende woorden: ‘Onze happenings mogen dan provocerend lijken, het zijn slechts proeven van collectieve ontheemding…’

J.C.: Absoluut. En dat geloof ik nog steeds.

J.M.B.: Wat is collectieve ontheemding?

J.C.: Collectieve ontheemding is misschien een manier om de kunst, de poëtische situatie en haar werkelijkheid, anders te bekijken. Verder gaat het voor mij niet. Ook wanneer de actie tot het uiterste wordt gedreven, beschouw ik ze niet als een soort doorbreken van taboes. Toen die worstenvreters van de Weense school op het toneel verschenen, kon ik daar best om lachen, maar ik geloofde er niet in. Het enige wat volgens mij in theoretisch opzicht wel van belang is geweest, is de tentoonstelling BMPT in het Musée d’Art moderne in Parijs in 1967. Ze maakte me aan het lachen en was tegelijk erg intelligent. Heel jammer trouwens dat de humoristische kant ervan zo onder de mat is geveegd. Er werd daar echt op een andere manier en met veel ironie tegen de situatie aangekeken. Eigenlijk is dat de eerste keer dat ik werd geconfronteerd met een zo radicaal discours over de uitwisselbaarheid van praktijken. Ik kwam er tot het besef dat elke toeschouwer, mits de nodige aandacht, de betekenis van deze werken kon vatten. De hele romantiek van de Nouveaux Réalistes werd hier overboord gegooid om alleen over te houden wat er te zien was, niets meer. Het was een spectaculaire, haast overspannen enscenering, een frisse wind, met die typisch Franse theoretische inslag waar ik altijd al een zwak voor heb gehad.

J.M.B.: Ik kom even terug op uw definitie van de actie: het gaat dus om collectieve ontheemding. En u vervolgt: ‘door een gebeuren op touw te zetten waarbij elkeen verplicht is iets te doen wat taboe is, en zo gedwongen wordt om, zonder exaltatie, uit zijn vertrouwde omgeving te stappen.’

J.C.: Ah ja! Zonder exaltatie! Geweldig! (lacht). Tijdens die evenementen en happenings heerste altijd een zekere opwinding, alsof het om een soort van voodooritueel ging, terwijl er eigenlijk helemaal niets gebeurde.

J.M.B.: En wat waren dan die ‘totalistische’ acties die u zo zonder exaltatie ondernam?

J.C.: Ik herinner me dat we ter gelegenheid van een opening bij Apiaw een grote spiegel hadden meegebracht, waarop we de woorden ‘Tableau total’ hadden geschreven. Er was vrij veel volk. Het vernissagepubliek kon zichzelf in de spiegel zien; het was de spiegel van de tentoonstelling. We hebben hem vernietigd voor we vertrokken. Tijdens een andere opening bracht ik Philippe Gielen, een bevriend kunstenaar, mee in een zak. Hij droeg een pak met das. Voor een van zijn eigen werken hebben we hem uit die zak gehaald en zorgvuldig zijn pak afgeborsteld. Echt om te gillen. Alweer bij Apiaw – ’t lijkt wel of we het op hen hadden gemunt – hadden we een kartonnen doos de tentoonstelling binnengesmokkeld, met een kip erin. We hebben die kip natuurlijk op het vernissagepubliek losgelaten. Jammer genoeg brak zij bij het neerkomen een poot. Zij werd de kreupele kip van de tentoonstelling. Onze acties hadden altijd klasse, er was niets trashy aan. In het museum hebben we, tijdens de officiële toespraken bij de opening van een tentoonstelling, rouwruikers neergelegd bij de schilderijen van een lyrisch abstract schilder, die net met een of andere prijs was bekroond. Dit alles zonder exaltatie, overeenkomstig de tijdgeest. Ik denk natuurlijk terug aan Allan Kaprow, voor wiens theoretische positie ik veel waardering had. Het idee om een verkeersopstopping als een kunstwerk te beschouwen, de manier waarop hij zich binnen artistieke bewegingen bewoog: het waren geen grootse dingen, maar ze waren wel heel doordacht. Een houtblok doormidden zagen en de stukken weer aan elkaar lijmen om dat blok te reconstrueren, bijvoorbeeld. Voor mij was zo’n aanpak veel interessanter dan die van het Nouveau Réalisme of de popkunstenaars. Het betekende voor mij een grote schok, even belangrijk als de kennismaking, iets eerder, met het werk van Rauschenberg.

J.M.B.: Ik citeer u verder: ‘Men hoeft alleen maar toe te kijken hoe wij leven. De revolutie en evolutie (als er al zoiets bestaat) is niets anders dan onze ‘andere’ manier van leven, die ons toelaat te ademen, scheppend bezig te zijn. Niet omdat wij dat willen en verlangen, maar omdat we niet anders kunnen ‘ageren’.’ U staat in die tijd vrij dicht bij een bepaalde Fluxusmentaliteit?

J.C.: Inderdaad. Maar we namen tegelijk ook een anarchistische houding aan jegens al die activistische strekkingen en de hele Fluxusbeweging. Wanneer ik voorstelde om het kunstsysteem te verstoren met die bedrijfsfoto’s, die door anderen waren gemaakt, maar door mij in de openbaarheid werden gebracht, dan ging dat lijnrecht in tegen bepaalde aspecten van de Fluxusideologie, waarbij de kunstenaar een soort van goeroe werd die anderen in staat stelde om kunstenaar te worden. Het duidelijkste voorbeeld was Joseph Beuys, die van zich liet spreken door de deuren van de Academie open te gooien en te verkondigen dat iedereen kunst kon maken. Ik zag de rol van kunst heel anders. Ik vond dat de popart en het Nouveau Réalisme een stuk van de werkelijkheid hadden genegeerd dat misschien in het domein van de kunst moest worden geïntroduceerd: de sociale werkelijkheid. Warhol gebruikte persfoto’s, Rosenquist de reclame, Rauschenberg hernam Schwitters’ Merzbauten en gaf ze een plaats in het Amerikaanse landschap. Vooral die laatste boeide me enorm; met hem voelde ik me het meest verwant omdat hij zo poëtisch ingesteld was en bleef openstaan voor alle disciplines. Ik van mijn kant besliste dus om me een werkelijkheid uit het bedrijfsleven toe te eigenen, objecten die door arbeiders waren vervaardigd, en deze in het artistieke veld te introduceren door ze te signeren, ze het statuut van kunstobject te verlenen. In ideologisch opzicht had ik het er wel moeilijk mee. Iets zomaar uit zijn sociale context lichten, het van de straat plukken en de kunstwereld binnenloodsen, het signeren, er een kunstwerk van maken en bijgevolg een object van speculatie: dat is toch een soort van bedrog, een vorm van religieuze toe-eigening. Tal van kunstenaars zullen daar hun paard van Troje van maken, en je zou haast kunnen stellen dat dit de pompierkunst is geweest van de 20ste eeuw. Ik was mij daarvan bewust geworden vanaf het moment dat ik met mijn  ‘bedrijfsfoto’s’ aan de slag was gegaan. Al die door ambachtslui of arbeiders vervaardigde kitschvoorwerpen worden een soort van grondstof, geconsacreerd door priester-kunstenaars die ze omtoveren tot objecten van speculatie, door er een totaal overgewaardeerde prijs op te plakken. En wat wordt dan de musea binnengeloodst? Markt- en consumptiegoederen die de verzamelaars zich op hun beurt zullen toe-eigenen. Het gaat hier om een geweldige geloofsbelijdenis: op deze manier kan ook het minste zuchtje wind worden getranssubstantieerd. Het wordt vergoddelijkt, uit het graf opgewekt, gered van de apocalyps. Ik denk dat dit ook samenhangt met onze opvatting van de dood. Aangezien die geen uitzicht meer biedt op het paradijs, moeten we dit laatste dan maar in het leven zelf waarmaken, in real time. Die wederopstanding van lichamen, de verheerlijkte lichamen van het christendom, vind je terug in de cultus van de eeuwige jeugd. Maar daar wordt het lichaam gekloond. En in die misdienst fungeert het kunstobject als zaligmakend object: het lichaam van Christus. Het wordt naar het museum gebracht om door het publiek te worden vereerd. En het museum moet druk bezocht worden. Er moet een massa-effect zijn, ‘faire plier Beaubourg’ (‘Beaubourg platlopen’), zoals Baudrillard zei. Het object moet gezien, bekeken worden, het wordt ons opgedrongen door de machthebbers, de macht van het kapitaal, een theologische macht. We leven in een soort van globale curie waar het Vaticaan vervangen is door een stel verzamelaars en galeriehouders in de rol van hogepriester. Dat had ik allemaal al heel snel in de gaten: die naar het museum getransponeerde straatreligie, de hele constructie. Het zijn bruggen die tot sculpturen worden, en steeds transparantere sculpturen. Dat gaat nog altijd door: kijk maar hoe transparant de hoogtechnologische brug van Millau in het landschap staat! (gelach)

J.M.B.: Transparant, zegt u?

J.C.: Het ideaal van transparantie, de obsessie met of de belofte van transparantie. In 1967 maak ik een transparante vlag. Ik heb een reeks transparante objecten gemaakt, onder meer een penseel. Had ik het kunnen betalen, dan had ik transparant meubilair ontworpen, een hele woonkamer bijvoorbeeld, als een karikatuur van wat de consumptiemaatschappij ons voorspiegelt. Het laatste nummer van Total’s heb ik in een transparante folie gebonden, waarop geschreven stond: ‘Edition Infinie’ (Oneindige Editie). We beleefden echt het fantasma van de transparantie en men beloofde ons een leven als in een aquarium, waar we naakt zouden kunnen rondlopen. Hoe meer men bezig was met transparantie, des te ondoordringbaarder werd het mysterie.

J.M.B.: Met die transparante vlag liep u op het Brusselse Brouckèreplein te zwaaien tijdens een betoging. Wat was daar gaande?

J.C.: De groep Total’s liep mee in de betoging tegen kernwapens in Brussel, met de transparante vlag. We hadden een pleister over onze mond gekleefd en deelden transparante papiertjes uit aan al wie we tegenkwamen. Wat die betoging betreft, was het ons enerzijds te doen om de verbeelding van die idee van transparantie waar ik het net over had, maar we wilden ook een zekere afkoeling brengen in die stoet, de temperatuur wat naar beneden halen, de megafoons en het tromgeroffel van antwoord dienen. We hebben een stille zone geschapen. Het was een manier om aan te geven dat er eigenlijks niets gebeurde, dat de realiteit helemaal elders lag en dat al dat theatrale gedoe weinig zin had. We protesteerden tegen de manier waarop het protest werd getheatraliseerd, terwijl we toch het programma van de betogers onderschreven. Het was een soort aftakking die niet over de werkelijkheid van de betoging ging, maar over de werkelijkheid die we daar op dat eigenste moment beleefden, een manier om te zeggen dat we ons niet door een utopistische beweging lieten leiden, terwijl de utopie alomtegenwoordig was, als in een kinderlijke vlucht. Ook al sloot ik me bij de beweging aan, toch ben ik altijd geneigd geweest er ijsblokken binnen te smokkelen, om het zaakje wat te laten afkoelen. 

J.M.B.: Keren we even terug naar uw beroepsleven…

J.C.: In die periode schilderde ik veel en ik probeerde allerlei stijlen uit, want ik trachtte elk van mijn ideeën uit te werken aan de hand van de stijl die er het best bij paste. Ik moet toegeven dat het zwaarste deel van mijn werk, de bedrijfsfoto’s, helemaal niet aansloeg. Ik toonde ze aan Marcel Broodthaers, maar hij moedigde me niet echt aan; hij vond het erg moeilijk. Bij Sonnabend werd ik gewoon wandelen gestuurd. De redenering was heel simpel: in deze werken viel nergens een interventie van de kunstenaar te bespeuren. Ik had nochtans een hele theorie ontwikkeld om uit te leggen dat deze foto’s het regelrechte tegendeel waren van een readymade, maar de critici waren helemaal niet geïnteresseerd. Ik had reeds plannen voor de Zone Absolue, een soort stedenbouwkundig plan dat helemaal in het teken zou staan van beton, een satire op de stadsontwikkeling. Mikpunt bij uitstek was dat project voor een autosnelweg die door het Luikse stadscentrum moest komen, de knotsgekke maquettes van die echte believers-urbanisten, die hele stedenbouwkundige waan. Ik liet het plan aan Marcel Broodthaers zien, die me aankeek alsof ik op mijn hoofd was gevallen en me, heel nuchter, de raad gaf om toch maar eerder een reeks schilderijen te maken rond het thema beton. Hij beloofde zelfs dat hij een koper voor me zou vinden. Ik kies dus in een vakblad een mooi betonblok uit en schilder een vijftiental doeken: betonblokken gezien vanuit verschillende standpunten. Yvan Lechien, die de Brusselse Galerie Cogeime runde, ziet ze en tot mijn uiterste verbazing koopt hij ze.

 

Betonurbanisatie

J.M.B.: Dat wordt de tentoonstelling ‘Blocs’, in 1969 in Brussel?

J.C.: Yvan Lechien heeft de doeken inderdaad tentoongesteld en er behoorlijk wat van verkocht. Het was echt een verrassing. Broodthaers maakte van de gelegenheid gebruik om me voor te stellen aan het Brusselse avant-gardekringetje: Marie-Jeanne en Jean Dypréau, Fernande en Jacques Meuris, Marcel Stael, Jean Ley, Isy Fiszman, Nicole en Herman Daled, Jean-Pierre Van Tieghem, Denise en Karel Geirlandt, Betty Barman… Na de tentoonstelling heb ik tevergeefs geprobeerd om Yvan Lechien te overtuigen een stap verder te gaan en een Zone Absolue te scheppen, aangezien hij toch al de geschilderde propaganda had getoond voor deze wereld van allesoverheersend beton. Ik tekende ook waterleidingen. Daar had Yvan Lechien wel enige belangstelling voor, maar van mijn Zone Absolue wilde hij niets weten.

J.M.B.: Bij dit plan uit 1968 heeft u een haast historische tekst geschreven, die in 1983 is verschenen als bijlage bij het boek Dans les règles de l’Art. De tekst is getiteld ‘Qu’est-ce que l’urbanisation-béton d’une ville? Comment la réaliser?’ (Over de betonurbanisatie van een stad en hoe deze te verwezenlijken). In deze tekst stelt u voor om ‘het probleem van de bewoning en de mobiliteit in de steden op drieste en radicale wijze aan te pakken’. Volgt een reeks methodologische aanbevelingen: psychologische voorbereiding van de doorsnee stadsbewoner, inrichting van avondcursussen over betonproductie, algemene mobilisatie van de aannemers. En u geeft een gedetailleerde beschrijving van de uit te voeren werken: het systematisch opvullen van rioleringen en afvoerpijpen, het in beton vatten van beschermde monumenten en folkloristische standbeelden, het bouwen van betonbarricades op de invalswegen naar de stad en, tot slot, de algehele betonnering van de stad. Het is regelrechte waanzin. Bovendien roept u zichzelf uit tot Directeur van de hele operatie en richt u een ‘Comité des Recherches d’établissement de Zones Absolues’ op.

J.C.: Absoluut, ik had mezelf inderdaad benoemd tot ‘Directeur des Zones Absolues’. Het was de tijd van de poëtische toe-eigeningen. Even later werd Marcel Broodthaers conservator van het Musée des Aigles, Filiou werkte aan zijn Poïpoïdrome, Ben richtte zijn galerie op, Panamarenko paradeerde in militair uniform, om maar te zwijgen over Beuys en zijn bureau in Düsseldorf. Wat mij betreft, ik nam enkel in het kader van dit werk de functie waar van Directeur des Zones Absolues. In de loop van de jaren 70 heb ik opnieuw toegeslagen: ik riep mezelf uit tot Directeur van de C.I.D.A.C., een instelling gespecialiseerd in de gevaren en toxiciteit van kunst, een ontwenningscentrum naar het model van de Anonieme Alcoholisten. Hoe te genezen van een verslaving aan kunst en creatie? Alweer een satirische omkering dus. Door je een dergelijke rol toe te meten, creëer je voor jezelf een parallelle, ondergrondse wereld, een pseudolegitimiteit.

J.M.B.: Waarin bestond precies het project voor die Zone Absolue, behalve in die waanzinnige betonfictie. Hoe zag u het precies?

J.C.: Die hele situationistische en anarchistische literatuur die voortdurend bij me in de bus viel, zette me steeds meer aan het denken over het kunstobject en zijn betekenis door de eeuwen heen. Ik begon me af te vragen of we niet terug moesten aanknopen bij een collectieve kunst, heel eenvoudige dingen die ons aan het denken konden zetten over de wereld, als een soort van kritische symboliek. Ik stond heel kritisch tegenover de voortschrijdende verstedelijking, maar evenzeer tegenover een bepaald slag van groene idealisten, die altijd maar de mond vol hadden van een terugkeer naar de natuur en naar de primitieve landbouw, een fantasma dat in de jaren 60 erg aansloeg. Ik wilde dus een duidelijk object creëren dat als een symbolisch en kritisch beeld zou fungeren tegen beide extremen. Ik kwam tot het volgende: we nemen een betonplaat – een verwijzing naar mijn beroepsleven – zo’n betonplaat waar wegen en ‘kunstwerken’ mee worden gebouwd. Dat is dan zone A, in feite een stuk rijweg. Daarnaast bakenen we eenzelfde oppervlakte goede landbouwgrond af: dat wordt zone B. Op de dag van de opening wordt het publiek uitgenodigd om zone B vol te planten met groenten, bomen of bloemen, alles door elkaar, maar wel contractueel vastgelegd door een notaris. Het protocol zag ik vervolgens als volgt: beide zones vormen samen een sculptuur. In de loop der jaren zal het beton aangetast, en op willekeurige wijze overwoekerd worden door de natuur, want om dit naturalistisch en nostalgisch fantasma tot het uiterste door te voeren, was ondubbelzinnig bepaald dat geen mens in de Zone Absolue mocht ingrijpen of bemiddelen. Zij moest in dat geleidelijke overwoekeringsproces volkomen ongerept blijven. Beide fantasma’s zouden aldus naast elkaar blijven bestaan. De Zone Absolue heeft iets van een twee-eiige tweeling. Beide delen hebben dezelfde afmetingen, maar zijn inhoudelijk tegengesteld; net als bij zo’n tweeling zijn ze helemaal eender én volkomen verschillend. Van dubbelgangers gaat altijd een soort fascinatie uit. Warhol had dat helemaal begrepen, en Magritte nog vóór hem. Deze fascinatie met tweelingen heeft altijd bestaan, van de stichting van Rome tot de vernieling van de WTC-torens. Op een van de covers van Total’s heb ik twee engelen getekend, ‘Total’s energetic’; ze zijn elkaars replica. Ze symboliseren het eeneiige universum dat een eindeloze weerspiegeling is van zichzelf en dat, net als Narcissus, in bewondering staat voor zijn eigen fysieke dubbelganger.

J.M.B.: Schuilt hierin misschien ook een kritiek op de omgevingskunst, de landart of het minimalisme? Een minimal betonplaat in een landschap, zou dat voor omgevingskunst kunnen doorgaan?

J.C.: Ook in de natuur kan je kritiek bedrijven. Ik wist toen wel waar de landart voor stond, maar zoals vele anderen kende ik die werken eigenlijk alleen via de fotografische neerslag ervan: de fraaie foto’s die men in keurige kunstgalerieën placht tentoon te stellen. Geef toe, men trekt er eerder zelden op uit om dat soort werken ter plekke te bekijken; en de foto’s die ervan getuigen, belanden uiteindelijk bij verzamelaars: het is een nieuwe school van Barbizon. Ik vind dit soort sculptuur en onderzoek, zowel in plastisch als in kunsthistorisch opzicht, best interessant, maar ik kan er echt niet de minste politieke kritiek in ontwaren. Wanneer ik voorstelde om in een stedelijke omgeving een Zone Absolue te installeren, te doen alsof het om een stuk rijweg ging, met daarnaast dat stuk begroeid terrein dat onbewerkt zou blijven, maar waar de mensen zelf, in een collectieve actie, een bepaalde vorm aan zouden geven, dan was de onderliggende intentie niet louter esthetisch, maar ook kritisch ten opzichte van de tijd waarin we leefden. Het werk markeerde in zekere zin een breuk met wat er in de galeries gebeurde; anderzijds had het rechtstreeks te maken met het milieu waar ik me beroepshalve in bewoog. Het was een erg hybridisch project. Er is me sindsdien vaak verweten dat ik nooit één bepaalde stijl beoefen, dat ik me van de meest uiteenlopende media bedien, dat ik in de kunstwereld meedraai maar tegelijk een zekere afstand bewaar en er zowat omheen cirkel. Ik stond wel degelijk – en dat zal sommigen ondanks alles toch geleidelijk aan duidelijk worden – kritisch tegenover de kunst, net zoals ik kritisch stond tegenover de stadsontwikkeling en haar toenmalige ontsporingen. Ook de ideologieën die de waarheid in pacht menen te hebben, met inbegrip van die burgerlijke pseudorevolutie, waren voor mij een voorwerp van kritiek. Ik zeg het nog eens: ook al zijn er in het kader van de beweging van ’68 dingen gebeurd die ik echt positief vond, toch was ik verontwaardigd over die revolutionaire rijkeluiskinderen die zich gingen bemoeien met de fabrieken en het arbeidersmilieu, waar ze helemaal niets van afwisten. Ik was als arbeiderszoon verplicht om aan de kost te komen met het tekenen van plannen voor de wegenaanleg. En ik heb ‘piket gestaan’ tijdens de stakingen in de jaren 60.

J.M.B.: In maart 1968 schreef u een korte tekst die perfect illustreert wat u nu zegt. De tekst hoorde bij een reeks beelden. Ik citeer: ‘Deze reeks krantenknipsels is afkomstig uit vaktijdschriften over openbare werken, die werden ontvangen op de Luikse S.T.P. Deze persfoto’s zijn in zekere zin professionele reclamefoto’s, waarmee de nieuwste technologische snufjes op het gebied van de afwatering worden aangeprezen. Door hun raadselachtige karakter kunnen ze niet alleen wedijveren met bepaalde hedendaagse vormen van plastisch onderzoek, maar deze zelfs overtreffen door hun monumentale expressiviteit. Dat zal echter nooit iemand zeggen, tenzij misschien als het te laat is. Zo gaat dat met de kunst van tegenwoordig: onder het mom van esoterische creatie wordt de werkelijkheid van de arbeid, die ondraaglijk is voor de dominante minderheid, verduisterd en omgebogen in eigen voordeel.’

J.C.: Van deze fotoreeks werden dia’s gemaakt, om ze te projecteren bovenop de super 8-film Canalisations souterraines, op de tentoonstelling Zone Absolue. Ja, die leidingen zijn de vrucht van de arbeid. Ik was destijds verbijsterd over de houding van bijvoorbeeld Bernd en Hilla Becher. Ik denk aan een tekst die Carl Andre schreef over hun ‘anonieme sculpturen’. Wie deze vermeende anonimiteit verkondigt, lapt de sociale realiteit van de gefotografeerde objecten aan zijn laars.

 

De Z van Zone absolue

J.M.B.: Laten we het even hebben over de tentoonstelling zelf. Wat toont u daar?

J.C.: De tentoonstelling was mede het product van een dilemma. Ze kwam tot stand op het moment dat de verantwoordelijken van Apiaw, Association pour le progrès intellectuel et artistique de Wallonie, ontslag hadden genomen. De Apiaw was in Luik een heel belangrijke plek, waar men zich onder meer tot doel had gesteld op de voet te volgen wat er in Parijs gebeurde. Door de beweging van ’68 is die vereniging op losse schroeven komen te staan. Je mag niet vergeten dat de Academie van Luik lange tijd bezet is geweest, een bezetting waaraan ik niet heb deelgenomen, ondanks de aanmaningen van Marcel Broodthaers, die zelf de aanvoerder was van de bezetting van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Broodthaers drukte me op het hart dat we de Academie moesten bezetten, en beloofde zelfs dat hij zich bij ons zou aansluiten, dat ik een actie op touw moest zetten, de transparante vlag van Total’s ernaartoe moest brengen. Mijn echtgenote, Nicole Forsbach, kende de hele context; zij had aan de Academie grafiek gestudeerd. Tot op de vooravond van de actie koesterde ik gemengde gevoelens. Ik had wel sympathie voor de inspanningen van sommigen – Nyst, Lizène, Guy Jungblut van galerie Yellow – maar ik vond toch dat het allemaal erg marginaal bleef, en dat het binnendringen in het academisch systeem slechts een nieuw soort academisme voortbracht. Kortom, ik heb niet meegedaan. Eind ’69 besliste het organiserend comité van Apiaw dus om carte blanche te geven en de programmering over te dragen in handen van een Luiks kunstenaarscollectief. Ik herinner me twee vergaderingen in een kroeg in het stadscentrum. Tot mijn eigen grote verbazing werd ik al bij de eerste stemming verkozen om de volgende tentoonstelling te maken. Er volgde natuurlijk protest, maar in een tweede stemronde werd de uitslag bevestigd. Ik deed er nog een schepje bovenop door voor de vergadering te verklaren dat de heer Schoefeniels moest worden verwittigd: ik wilde volledig vrij over de ruimte kunnen beschikken, want ik was van plan een tentoonstelling te maken die haaks zou staan op wat ‘zij’ verwachtten. Om goede of minder goede redenen had de vergadering niets liever dan dat ik er een provocatie van maakte. Aangezien ik de plannen voor de Zone Absolue had klaarliggen, meende ik dat de tijd nu rijp was om ermee voor de dag te komen. Als ik het me goed herinner had Léon Wuidar de vorige tentoonstelling verzorgd. Er staat me althans vaag voor de geest dat hij erbij was toen ik zorgvuldig de vloer schoonveegde om vervolgens, precies in het midden, twee stroken witte tape aan te brengen en zo de ruimte in twee gelijke delen te verdelen. Deze tweedeling was een voorafspiegeling van de zones A en B, de zones om te betonneren en te bezaaien, een soort plan van wat er op ware grootte zou kunnen gebeuren. Precies ter hoogte van de dubbele lijn was, tegen de achterste wand, een rood-wit verkeersbord aangebracht: ‘Ici bientôt Zone Absolue’. Tegen een van de lange wanden hing, gewoon op twee houten latjes gekleefd, de lange tekening van de Zone Absolue. Ik verwijs er naar het meest collectieve werk aller tijden: met een strip de evenaar markeren en aldus de grenzen aangeven van de meest ‘totalistische’ zones absolues: het noordelijk halfrond een en al beton, het zuidelijk halfrond een en al vegetatie. Aan de muur hingen ook nog andere tekeningen en grafieken: een plan voor de aanleg van een zone absolue in Luik, een ander voor de aanleg van iets soortgelijks in de zaal van Apiaw zelf.

J.M.B.: Op de foto’s die werden genomen tijdens de opening van de tentoonstelling, is ook een projectiescherm te zien, aan de kant van zone B. En zelfs twee projectietafels.

J.C.: Dat klopt, ik heb toen ook de film Canalisation getoond. Die had ik een jaar eerder gedraaid op de terril van Saint-Gilles. Het was een soort landartkarikatuur.

J.M.B.: In een nummer van Total’s Underground heb ik een ietwat hoogdravende, maar helaas onvolledige tekst teruggevonden, waarin u dit werk toelicht. Ik citeer: ‘Na een project van betonurbanisatie te hebben uitgewerkt, dat een topografische en sociologische oplossing kan bieden voor de problemen van de overbelaste steden. Na te hebben opgeroepen tot sociale demobilisatie en een mars op de zone absolue met behulp van de Total’s radiotelefoon. Na een lange reis door het dichte netwerk van de talloze psychische toe- en afvoerpijpen, ben ik uiteindelijk beland aan de grens van de zone absolue… Kort samengevat: ons eerste fysieke contact met de aarde bestaat erin dat wij erop rondlopen. Dan volgt een verkenning met behulp van de tastzin, de smaak enzovoort. Vervolgens komt de oerdaad die de mens tegenover de aarde stelt: hij graaft. Ik heb een plek/non-plek gekozen, die het beste beantwoordt aan mijn idee van een ‘gedemobiliseerde’ zone. Een terril. Een dode en steriele hoop grond, zonder bomen, zonder huis, zonder toekomst, niets dan de wind en de wolken… (De actie vond plaats op zondag 14 september 1969, van 14u30 tot 18u45). Enige getuigenis van het gebeuren: een super 8-film, gedraaid door Nicole Forsbach, mijn vrouw. Bij de film hoort…’ Op die plek is het blad jammer genoeg afgescheurd.

J.C.: Op de werven die ik heb bezocht, heb ik arbeiders zien zwoegen, hárd zwoegen. Er waren natuurlijk graafmachines, maar de arbeiders moesten ook met de hand graven. De terril is overigens de zone absolue uit mijn jeugd, de plek waar ik graag autobanden in de fik mocht steken om ze dan van de heuvel te laten afrollen. De terril is de afvalhoop van de arbeid, van de Waalse arbeid. Kan je een doodsere locatie bedenken om er een actie uit te voeren? Ik heb dus een gat in de grond gegraven. Wanneer ik daarmee klaar was, heb ik een stuk plastic op de bodem gelegd en het gat weer dichtgegooid. Een werk in de trant van Gurdjieff, totaal nutteloos, en dat ik vergezeld wilde laten gaan van een zeer eentonige geluidsband. In de tentoonstelling stonden inderdaad een diaprojector en een 8mm-filmprojector. Er stond ook een bandopnemer, want ik heb de film pas later van geluid voorzien. De film en de dia’s waarover we eerder spraken, die foto’s van afwateringssystemen, werden tegelijk op een scherm geprojecteerd. Met daarbij die eentonige, repetitieve muziek. De complexiteit van die dubbele projectie had alleen maar te maken met het feit dat ik niet over montagemateriaal beschikte. Het gebeurde allemaal met de hand: het betere knip- en plakwerk.

J.M.B.: Op een ander document zien we u, samen met Marcel Broodthaers, elk aan één kant van de demarcatielijn van de Zone Absolue.

J.C.: Marcel, die over de tentoonstelling had gehoord, had me inderdaad voorgesteld om ze te komen inhuldigen. Prachtig! Broodthaers was een begenadigd spreker, hij kwam uit Brussel. Ik was in de wolken. Ik dacht dat hij een prachtige presentatie zou houden van mijn Zone Absolue; ik rekende op een speech.

J.M.B.: Op een foto zien we inderdaad Marcel Broodthaers midden in de zaal staan, de handen op de rug, zo’n beetje als een condottiere, en het publiek dat zich voor hem verdringt, op eerbiedige afstand.

J.C.: Het publiek raakte inderdaad maar mondjesmaat in de tentoonstelling binnen en bleef een tijd lang samentroepen achterin de zaal. Marcel Broodthaers is dan ook heel diep in de zaal gaan staan om de mensen aan te moedigen dichterbij te komen. Hij stond bijna onder het bord Zone Absolue. Ik dacht dat er een speech zou volgen. Niet dus. Marcel heeft slechts enkele woorden gesproken, hij zei dat mijn werk brandend actueel was en dat je dit móést hebben gezien, en besloot met een simpele toast: ‘op jullie gezondheid’! Er hing een enorme spanning in de zaal, er was een soort van afgrijzen, een volslagen onbegrip, te meer daar de tentoonstelling nog vóór de opening al behoorlijk wat stof had doen opwaaien in de hele stad. Men keek ernaar uit. Met de groep Total’s hadden we ze op alle mogelijke manieren aangekondigd. In de bioscoop liep op dat moment Z, de film van Costa-Gavras uit 1969. De stad hing dus vol met Z-affiches van die film. Hierop inspelend waren we overal Z’s gaan spuiten op publieke gebouwen en hadden we filmaffiches omgeturnd tot Zone Absolue.

J.M.B.: Een leuke samenloop van omstandigheden, als je weet dat Costa-Gavras in die film net een aanklacht formuleert tegen een totalitair regime, dat van de Griekse kolonels.

J.C.: Juist, ja. Ook onze affiches ‘CivilisaTion’ plakten we aan, met de ‘totalistische’ T. Beter nog, op een nacht heb ik met Philippe Gielen een Zone Absolue-demarcatielijn aangebracht midden in de stad. Ik zie me nog zitten, in de kofferbak van Gielens autootje, met m’n verfpotten. Hij zat aan het stuur en doorkruiste de ‘Carré’, terwijl ik de ene pot verf na de andere over de rijweg uitgoot, in één lange, veelkleurige strip. ’s Ochtends was de verf nog niet droog. De ‘effecten’ ten gevolge van de autobanden die erover reden, waren werkelijk… verrassend. We waren er nogal stevig tegenaan gegaan… Ik kreeg telefoon van Robert Stéphane, die me gebood om ‘mijn mannen tot de orde te roepen’, nadat de gevel van de RTB was bespoten. Schoefeniels en Jacques Parisse, de verantwoordelijken van Apiaw, werden trouwens op het politiecommissariaat ontboden… Op de avond van de opening stond het publiek in elk geval perplex, men was zelfs geschrokken. De avond is geëindigd in een verschrikkelijke braspartij. De mensen waren zozeer in de war dat ze naar de fles grepen. Schoefeniels was razend: ‘Moet ik misschien verwarming betalen voor een paar lege muren?’, beet hij me toe. Het provocerende van de esthetiek van de tentoonstelling overschaduwde zelfs de inhoud. De mensen snapten niet waar ik eigenlijk naartoe wilde. Het werd allemaal afgedaan als hardcore conceptkunst of theoretische landart. Het was één groot misverstand, behalve dan voor een paar enkelingen: de ‘Totalistes’, de ‘bande du Jazz Crapuleux’, het publiek van galerie Yellow, een galerie die weldra heel belangrijk zou worden. Antaki was erbij, Richard Tialans, Alain d’Hooghe, Jacques Lizène, Michel Lhomme, Sangier… Later op de avond vertrouwde Broodthaers me toe dat hij er ook wel voor voelde om zijn werk te tonen in die zaal van Apiaw, dat die vereniging toch een mooie traditie had. Ik heb hem willen voorstellen aan Schoefeniels en heb geprobeerd uit te leggen wat voor werk Marcel maakte. Schoefeniels snauwde me af: ‘Nee bedankt, zo is het wel genoeg geweest! Geen mosselpotten onder mijn dak!’ Broodthaers zou niet in Luik tentoonstellen, althans niet meteen. Later heeft men het willen goedmaken: Robert Stéphane en Annie Lummerzheim hebben in de RTB-lokalen een kleine tentoonstelling gehouden onder de titel Broodthaers, Christiaens, Charlier. Bij de opening was er, ruim gerekend, vijf man.

J.M.B.: In het archief van deze tentoonstelling zit een hele reeks foto’s met muzikanten die op de grond zitten. Ze zien er, naar huidige normen, nogal ‘hippieachtig’ uit. Een jongetje speelt met de transparante vlag, en precies op de demarcatielijn staat een metronoom. Ik veronderstel dat hij balanceert tussen zone A en zone B.

J.C.: Dat is het ‘Jazz Crapuleux’-concert dat op een zondag in de tentoonstelling plaatsvond. De leider van de band was Milou Struvay, een vrij charismatische figuur, journalist bij de RTB en jazztrompetist met wie ik kennis had gemaakt in de begindagen van de groep Total’s. Struvay was een van de graffitispuiters geweest die mee de Zone hadden aangekondigd. Hij had een ensemble gesticht, een band waar ieder tijdens de sessies een instrument naar keuze bespeelde, ook al kende hij of zij niets van muziek, om tot concrete en geïmproviseerde composities te komen. Hij had me voorgesteld om zo’n concert te organiseren in de tentoonstelling. Dat concert heeft een eeuwigheid geduurd. Ik herinner me dat de alleraardigste dame die in de tentoonstelling toezicht moest houden, echt perplex stond. Concreet wás het, dat kan ik je wel vertellen!

J.M.B.: Op andere foto’s zien we mensen die proberen te tekenen of te schrijven voor een spiegel die verticaal op een tafeltje is geplaatst. Wat was de bedoeling? 

J.C.: Aangezien we toch bezig waren met collectivistische ideologieën, had ik de logica van de Zone Absolue tot in haar uiterste consequenties doorgetrokken: een extreem collectief, exponentieel werk, dat erin bestond de demarcatielijn van de Zone Absolue aan te brengen op de evenaar. Op een blad papier had ik een dubbele ring getekend, als een schema van de demarcatielijn, en ik stelde aan de mensen voor om die lijn na te trekken, om zich dus in de Zone Absolue, in de ring te bewegen, maar daarbij enkel naar het beeld van hun tekening in de spiegel te kijken. Het ging dus niet om blind, maar om spiegelbeeldig tekenen. Wie in de proef slaagde, was naar mijn mening in staat om uit de spiegeling te stappen, abstractie te maken van de spiegeling, wat hem of haar misschien in staat zou stellen tot een betere perceptie van de werkelijkheid. Het boekje met de resultaten heb ik wettelijk gedeponeerd in de Koninklijke Bibliotheek.

J.M.B.: Het is een soort toepassing van wat u in 1965 schrijft over de ‘totalistische’ acties: ‘Dit verleent hem toegang tot een wereld die hij gesloten waande. Wat hem in staat stelt zichzelf, en ons, helder te zien, buiten zichzelf en toch zo nabij.’

J.C.: (hilariteit) Ja! Leuk hé?

 

Vertaling uit het Frans: Catherine Robberechts

 

Département des Aigles

Brussel, 21 juli 69

Beste Jacques,

Elk zijn zones absolues, binnen de grenzen van de eigen beperkingen. Niet waar?

Bijvoorbeeld, met geachte groeten en de complimenten van kunsthandelaars allerhande.

Ziehier wat nieuws:

Vooreerst een perfecte masturbatie; ik heb van de sluitingstijd gebruik gemaakt om de lakens te laten drogen.

Maar nu ik er plots aan denk, hoe gaat het daar in Luik?

Ons denken gaat immers in sprongen, mijn beste Jacques, een gedachte na een droom… Een absolute zone na een valse… Een nederlaag na een overwinning…

Vervolgens gaat mijn museum, meer bepaald het ‘Département des Aigles’, op reis, in het vergulde kader van de tweehonderdste verjaardag van Napoleon. Massaal succes, mijn beste, ik heb er, bij wijze van persoonlijke herinnering, een filmpje gedraaid met soldaten.

Alleen al in publicitair opzicht was het een succes. Bescheiden weliswaar. De maan had in kleur moeten zijn.

Vriendelijke groeten,

M.B.

Musée d’Art Moderne, Section XIXe siècle

30 rue de la pépinière, Bruxelles 1

Tel. 12.09.54.62

 

Dit is de vertaling van een tekst verschenen in boekvorm naar aanleiding van de reactivering van de Zone absolue van Jacques Charlier, galerie nadjaVilenne, najaar 2006. Het interview werd afgenomen in mei 2007 te Luik. Het boekje werd uitgegeven door L’Usine à stars en Galerie nadjaVilenne. Een beperkte, genummerde oplage van 10 exemplaren is vergezeld van een DVD met de film Canalisation. Vijf exemplaren, genummerd van I tot V, zijn niet in omloop gebracht en voorbehouden voor de auteurs. Met dank aan Manette Repriels, directrice van galerie Vega, en aan Nicole en Herman Daled, voor hun steun aan dit project. Concept: Jean-Michel Botquin & Jacques Charlier. Fotografie: Nicole Forsbach, Jacques Piraprez, Jean-Michel Botquin. Tekst: Jean-Michel Botquin, Luik, 2007.

Over opus een en min een

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Kan je ons iets vertellen over je eerste kunstervaring(en)?

Wim Delvoye: Van kindsbeen af was ik gek op Jean Brusselmans. Hij gaf mij een beetje hoop. Als je nog niet goed kunt tekenen en je ziet een schilderij van Brusselmans, dan heb je het gevoel dat je het ook kunt. Je bent gek op iets dat je bereikbaar acht. Rubens zie je niet graag, maar dat komt je goed uit. Piet Mondriaan of Karel Appel, dát zijn favoriete kunstenaars van kinderen. Bij mij was het Brusselmans. Ik hield van de petroleumlampen en dat rurale, dat kitscherige, die tristesse. Als inwoner van Wervik meende ik bovendien de landschappen op zijn schilderijen te herkennen. Pas later ben ik te weten gekomen dat hij het Pajottenland had geschilderd.

K.B./D.P.: Tekende jij als kind?

W.D.: Ja, in de kleuterklas vond juffrouw Rita mij fantastisch. Als ze mijn ouders zag, zei ze altijd: ‘Dat kind kan ongelofelijk mooi tekenen.’ Later, in de lagere school, kwamen alle kindjes met hun poëzie eerst naar mij, omdat ik zo goed konijntjes kon tekenen. Eigenlijk is er nooit een breuk geweest. Ik heb nooit de kunst ontdekt – ze was er altijd al. Het werd ook sterk gestimuleerd door mijn ouders. Ik kom uit een leraarsgezin. Kunst en cultuur konden op veel waardering rekenen. Met het gezin bezochten we kerken. We gingen op vakantie naar de Loire om kastelen te bezoeken. Educatie stond centraal. Op woensdagnamiddag ging ik naar de kunstacademie. Muziek, plastische kunst, zelfs voordracht, ik heb het allemaal gedaan. Vanaf mijn vijftiende ben ik naar de kunsthumaniora gegaan.

K.B./D.P.: Hoe is de keuze voor de kunsthumaniora tot stand gekomen?

W.D.: De expert inzake studiekeuze was het PMS-centrum. Over de uitslag bestond geen twijfel. Het PMS had het ‘uitgerekend’: de kunsthumaniora, dat was iets voor Wim. We waren er allemaal zeer enthousiast over, mijn vader, mijn moeder en ikzelf ook, want ik was bezeten door plastische kunst. Tijdens de jaarlijkse skivakantie vertelde ik Tony, een vriend van mij, dat ik naar de kunsthumaniora in Kortrijk zou gaan. Hij raadde het me ten stelligste af. Tony zei dat ik er niets zou leren en er nooit iets mee zou kunnen doen in het leven. Ik herinner me nog dat hij zei: ‘Je moet aan je toekomst denken.’ Ik was zwaar onder de indruk en vertelde mijn moeder dat ik net als Tony voor de economische afdeling wilde kiezen. Mijn vader riep me wat later op het matje en zei hetzelfde wat Tony had gezegd: ‘Wim, je moet aan je toekomst denken.’ Mijn ouders dachten dat alleen de kunstenaar zou ontsnappen aan de gevolgen van de informatisering.

K.B./D.P.: Beantwoordde de kunsthumaniora aan je verwachtingen?

W.D.: De afdeling Plastische kunst was gemengd – als enige afdeling in de school. Wij leerden vlugger omgaan met meisjes. Op de speelplaats kon het gebeuren dat er een jongen van mijn leeftijd, die mechanica studeerde en een jeansvestje droeg met daarop het logo van Iron Maiden, op me afkwam en vroeg of wij goed aan onze trekken kwamen. Als men daar niet op zinspeelde, dan wel op onze seksuele voorkeur: kunst, is dat niet iets voor homo’s? Zelf had ik al lang haar. Kortom, ik was klaar voor het kunstenaarschap. In feite liep ik achter de feiten aan, want het was toen mode om heel kort haar te hebben.

K.B./D.P.: Had je toen reeds een opvatting over het kunstenaarschap?

W.D.: Ik leefde in een klein stadje, Wervik, en ik dacht dat je als kunstenaar heel lang haar moest hebben, zoals Nesten. Nesten was iemand die ramen beschilderde: hartjes als het Valentijn was en kerstmannen tijdens de eindejaarsperiode. Nesten had een lange baard en lang haar en liep op blote voeten. Hij woonde in een boerderij en had geen verwarming. Nesten was mijn voorbeeld. Ik kan er dus niet van verdacht worden dat ik rijk of succesvol wilde worden.

K.B./D.P.: Wat leerde je in de kunsthumaniora?

W.D.: Ik stond ervan versteld hoe weinig bagage mijn klasgenoten hadden. Ik was het zoontje van een leraar, een nerd. Als we van de Griekse mythologie vijf figuren moesten kennen, dan kende ik er vijfhonderd. Ik had een hele stamboom gemaakt, die begon met Chronos. Ik wist wie kozijn en nicht van elkaar was en ik kende iedere escapade van Jupiter.

K.B./D.P.: Van wie kreeg je les?

W.D.: Onder andere van de zoon van Jos Speybrouck. De oude Speybrouck heeft voor het katholieke Vlaams-nationalisme tekeningen geleverd in art-nouveaustijl. Zijn zoon zei ons: ‘Kunst is vijf procent inspiratie en vijfennegentig procent transpiratie.’ Die uitspraak is mij altijd bijgebleven. Ik kreeg ook les van Lucas Vandeghinste, een zeer goede leraar. Hij maakte ons enorm enthousiast voor de schilderkunst en toonde ons toen al – we waren nog maar vijftien jaar – het werk van Baselitz en Penck. Op je achttiende ben je dat soort werk dan wel beu gezien.

K.B./D.P.: Was Lucas Vandeghinste zelf ook kunstenaar?

W.D.: Ja, hij schilderde en exposeerde in het Kortrijkse. Hij had gekozen voor zijn gezin en heeft geen risico’s genomen. Hij is gebleven waar hij was en de lokale commerçanten steunden zijn werk. Maar ze kochten toch meestal schilderijen van Philippe Bouttens. Vandeghinste drukte ons vooral op het hart dat niemand ervan kon leven. We moesten er ons geen illusies over maken: nie-mand kon er-van le-ven, alleen Pol Mara. Panamarenko noemde hij niet. Waarschijnlijk kon Panamarenko ervan leven, maar hij zei dat niet of wist dat niet. Op de geldbiljetten stonden in die tijd evenwel portretten van kunstenaars afgedrukt. Er was dus hoop.

K.B./D.P.: Wat was het niveau van het onderwijs in het algemeen?

W.D.: Abominabel. Frans in de humaniora, dat was het van buiten leren van enkele liedjes van Serge Gainsbourg. We waren toch maar kunstenaars in opleiding.

K.B./D.P.: Wat tekende of schilderde je tijdens de kunsthumaniora?

W.D.: Als je twaalf bent, schilder je soldaten en harnassen, omdat het je interesseert. Daarna schilder je landschappen. Ik kwam ook op het idee om eropuit te trekken in de grote vakantie en de windmolen te schilderen. Ik moest dat doen, het sloot aan bij wat ik leerde in de kunsthumaniora. Zodra ik ingeschreven was aan de academie in Gent was dat taboe. Het was volstrekt taboe.

K.B./D.P.: Wat je schilderde, werd uiteraard gezien door je klasgenoten en leraars. Volgden je ouders ook wat je…

W.D.: …ik stelde zelfs tentoon! Toen ik zestien jaar was, had ik mijn eerste tentoonstelling. Ik was benaderd door Philippe Braem. Hij was ook van Wervik en maakte tentoonstellingen in vzw De Marmite, een jeugdcafé met een galerie die hij zelf had opgezet. Ik heb geëxposeerd en drie kunstwerken verkocht.

K.B./D.P.: Wat heb je tentoongesteld?

W.D.: Verschrikkelijke dingen, niet stijlvast. Het was een presentatie van alles wat zou hebben gekund en er niet van is gekomen.

K.B./D.P.: De windmolen van Wervik?

W.D.: Ja, maar op een moderne manier. Ik herinner me ook een landschap met wasco, waarover ik ecoline had gegoten. De ecoline was waterhoudend en werd door de wasco afgestoten. Het was half goed getekend en half modern. Ik was handig, gevaarlijk handig.

K.B./D.P.: Bezocht jij ook tentoonstellingen?

W.D.: Ja, wat een geweldige indruk op mij maakte, was de tentoonstelling Schilderen ’83 in de Lakenhalle in Ieper, met onder anderen Philippe Bouttens, Robert Clicque, Paul De Vylder, Marc Maet, Piet Moerman en Philippe Vandenberg. Jean-Luc Deprez deed er ook aan mee. Hij had mij uitgenodigd. In de kunsthumaniora had ik les van hem gekregen. Ik heb ook een tentoonstelling bezocht over surrealisme in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Ik zag er een onvergetelijk werk van Mesens: een piëta, gemaakt van twee lucifers, één verbrande en één niet-verbrande. Ik wist niet wie Mesens was. Ik wist ook nog niet dat de verkoop van kunstwerken noodzakelijk is om als kunstenaar te worden herinnerd.

2.

K.B./D.P.: Welke toekomstplannen maakte je tijdens de kunsthumaniora?

W.D.: Ik wilde doorgaan op de ingeslagen weg. Het logische vervolg was de academie, in mijn geval: de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor de academie in Gent?

W.D.: Mijn horizon was nog niet zo breed. Ik kwam uit een petieterig stadje. Het was een provincialistische reflex.

K.B./D.P.: Antwerpen is toch niet het einde van de wereld, zonder overigens te suggereren dat het daar beter zou zijn?

W.D.: Antwerpen leek zo ver. De stap van Wervik naar Gent is groter geweest dan die van Gent naar New York. De eerste stap kan je romantiseren, de tweede niet. Ik was niet alleen heel jong, maar mijn wereld en mijn referentiekader waren zeer klein. Gent moest ik leren kennen. Je meet de ambities af aan wat je kent.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor de academie en niet voor Sint-Lucas?

W.D.: Mijn ouders deden er heel luchtig over. Ik mocht doen wat ik wilde. Mijn vader gaf zelf les in een katholieke school, maar hij vond het niet erg dat ik voor een staatsschool koos.

K.B./D.P.: Heb je werk moeten tonen toen je je kandidaat stelde voor de academie? Was er een toelatingsproef?

W.D.: Dat weet ik niet meer. Maar de selectie was zeker niet streng. Sigaretten roken, uitgaan, dat was vooral wat je opstak in de academie. Je leerde er ook omgaan met ego’s. In die zin is de academie de kunstwereld in het klein. De ene leraar is een beetje bitter, een andere maakt je enthousiast, maar misschien heeft hij er belang bij om een collega te pesten. Die kleine probleempjes zijn een voorbereiding op wat komen gaat.

K.B./D.P.: Van wie kreeg je les in het eerste jaar?

W.D.: Nadine Van Lierde verzorgde de praktijklessen schilderkunst in het eerste jaar. In het begin was ik echt onder de indruk. Er was ook chaos in de academie – gelukkig maar. Jan Burssens was net op pensioen gegaan. Hij werd aanbeden. Voortaan maakten schilders zoals Karel Dierickx en Jean Bilquin de dienst uit.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor schilderkunst?

W.D.: Ik had in de eerste plaats gekozen voor vrije kunst. Het sprak eigenlijk vanzelf dat ik zou schilderen. Beeldhouwkunst schrok mij een beetje af – al die technieken. Iets waar ik nu verbazend goed in ben.

K.B./D.P.: De keuze voor Gent was provincialistisch, de keuze voor schilderkunst…

W.D.: …naïef.

K.B./D.P.: Wanneer ben je die naïviteit kwijtgeraakt?

W.D.: Geleidelijk. Ik was langer naïef dan de buitenwereld vermoedde.

K.B./D.P.: Aan welke andere docenten heb je herinneringen?

W.D.: Aan Eric Verhal, een kunstenaar die gedurende het gehele jaar vertelde over zijn expositie in New York. Het resultaat was dat we ervan doordrongen waren dat New York belangrijk was. In het eerste jaar moesten we in zijn opdracht een kleine thesis schrijven, twaalf bladzijden. Ik was gedreven: een thesis, zoals in een echte school! Gedurende nachten heb ik getypt. Ik heb meer dan honderd bladzijden volgetikt. Ik kreeg echter slechts een 7. Iedereen die twaalf bladzijden had ingeleverd had een 8 als score of ook een 7. Ik ben met zeer veel enthousiasme aan de academie begonnen, maar ze hebben me van bij het begin proberen te demotiveren.

K.B./D.P.: Hield de keuze voor schilderkunst in dat je je fulltime aan die discipline wijdde?

W.D.: Neen, het werd gestimuleerd om verder te kijken. Je mocht met alle technieken experimenteren. Dat multidisciplinaire stond me wel aan. Ik was iemand die altijd iets nieuws probeerde. Op een gegeven moment heb ik video’s gemaakt. Eentje was niet zo slecht. Ik was naakt en had mij beschilderd met stippen zoals een dalmatiër. Ik heb ook gewerkt bij Jos Pastijn, die lesgaf in het atelier vrije grafiek. Ik zocht hem op om van alles te leren, boekbinden bijvoorbeeld. Al die bezigheden waren echter niet meer dan de symptomen van de schuldgevoelens van een leraarszoontje dat wist dat hij zijn tijd aan het verprutsen was in de academie.

K.B./D.P.: Wat bracht Nadine Van Lierde je bij?

W.D.: Ze trok haar haren uit als ze mijn tekeningen zag: ze waren volgens haar te academisch. Ze waren crafty. Ik wou dat niet loslaten want ik kón dat zo goed. Ik kreeg te horen dat ik naar het werk van een studiegenoot moest kijken, die wel ‘een eigen wereld’ had en niet op effecten uit was. Die collega schilderde gegarandeerd een abstract schilderijtje, een beetje vies. Van Lierde zei dat ik ‘vrij’ moest schilderen, maar ik wou of ik kon dat niet.

K.B./D.P.: Wie waren jouw studiegenoten?

W.D.: Minstens twee van hen zijn nog actief als kunstenaar: Wim Ricourt en Jean-Marie Bytebier. In de academie stonden wij bekend als een straffe klas. Ricourt en Bytebier kunnen er nu ook nog van leven, denk ik. Dat is één criterium, er zijn nog andere criteria. Ze hebben het misschien lange tijd beter gehad dan ik.

K.B./D.P.: Welke impact had de kritische commentaar van Van Lierde?

W.D.: Aanvankelijk kwam het hard aan: ik dacht dat ik het nooit zou maken als kunstenaar. Na verloop van tijd begon ik te beseffen dat ik niet mijn beste beentje moest voorzetten. Je moest niets leren. Je mocht zelfs niet proberen iets te leren, want dat was geen vrije expressie. Als ze me ervan probeerde te overtuigen om ‘vrijer’ te schilderen, zei ik dat ik voor de academie had gekozen om iets te leren, de weergave van licht en schaduw bijvoorbeeld. Van Lierde gaf echter niet thuis. Ze zei voortdurend dat ik vrij – lees: abstract – moest schilderen. Ze gaf ook aan hoe ik het aan boord moest leggen: ik moest een stuk natuur kiezen en daar een kader over leggen; dat zou zeker abstract zijn en dan moest ik dat alleen nog vastleggen. Ze dacht dat ik anders nooit abstract zou kunnen schilderen! De waarheid was dat ik het niet over mijn hart kon krijgen. Wat deed ik? Ik had een tas gekregen van mijn vader die na zijn uren reizen van de VTB-VAB verkocht. Het was een donkerblauwe tas met witte letters: VTB-VAB. Iedereen lachte me uit, want zo’n tas was not done. Zo waren er wel meer zaken. Het was uitgekomen dat ik soms in de Quick at. Dat bleek slecht voor mijn populariteit in de klas. Naar de Quick gaan, dat kon en mocht niet. Voor dat soort dingen moest je opletten als je kunstenaar wilde worden.

K.B./D.P.: Wat deed je met die tas van de VTB-VAB?

W.D.: Ik voerde precies uit wat Van Lierde me had opgedragen: ik legde een kader op de tas, rond het logo van de Vlaamse Automobilisten Bond, en schilderde dat heel proper na. Nadine Van Lierde zag er popart in. Dat was nu ook weer niet de bedoeling… Ik zat ermee dat mijn ouders meenden dat ik van alles aan het leren was, terwijl het tegendeel het geval was. Ik zocht een uitweg. Toevallig zat ik op kot in de Zwartezustersstraat, vlakbij Sint-Lucas. Ik vatte het plan op om daar ’s avonds – na de uren – het vak te leren. In het geheim ging ik bij meneer Van Neuke op Sint-Lucas studeren. Hij doceerde tekenen. Ik vond het niet normaal dat je niets moest doen in de academie.

K.B./D.P.: Je wou het ambacht onder de knie krijgen?

W.D.: Ja, in de academie kon ik er nergens voor terecht. Ik vond het ook vreemd dat er allerlei kandidaten werden opgevist die elders waren gezakt. Sommigen – studenten die een onvoldoende hadden gekregen in de faculteit Kunstgeschiedenis – mochten onmiddellijk beginnen in het tweede of derde jaar. Ik hoorde een docent over zo’n student zeggen – het was een meisje – dat ze echt talent had en dat ze het ging maken. Stel je voor! Ik merkte dat kunst geen exacte wetenschap was. Dat was een ontgoocheling.

K.B./D.P.: Hoe lang heb je les gevolgd in Sint-Lucas?

W.D.: Twee jaar, iedere avond. Ik durfde het niet te zeggen in de academie. De keuze voor de academie heeft verschrikkelijk aan mijn geweten geknaagd. Ik vermoed dat heel veel van mijn werk verklaard kan worden door die eerste jaren. Mijn ouders zouden zeer trots zijn geweest als ik voor de universiteit had gekozen, bijvoorbeeld kunstgeschiedenis. Het zou me wel gelukt zijn, want het interesseerde mij enorm, maar ik dacht dat er eigenlijk geen verschil was tussen universiteit en academie – tot ik er was. Achteraf heb ik gehoord dat het niveau van de faculteit Kunstgeschiedenis nu ook weer niet zo hoog is.

K.B./D.P.: Welke commentaren kreeg je van de andere docenten?

W.D.: Iedereen lachte mij uit omdat ik zo geweldig goed kon tekenen. Dat was verdacht. Dat rook naar sociaal-realisme of naar fascisme. Vanaf het begin werden me verwijten naar het hoofd geslingerd die in feite niet gefundeerd waren. Ik voelde dat het rammelde. Als een docent voorbijliep terwijl ik aan het schilderen was, kreeg ik niet te horen: ‘Ik vind het niet goed.’ Neen, men zei dat het te anekdotisch was, of te decoratief, of te narratief, of te academisch. Na verloop van tijd had ik alle stereotiepe beoordelingen op een rijtje. Ik wilde wel eens iets maken dat ‘echt’ anekdotisch, decoratief, narratief of academisch was. Ik kreeg het idee om een kader te maken dat groter was dan het kunstwerk. Of een schilderij van een kader, een kader in een kader. Een kader mocht immers niet. Een sokkel trouwens ook niet. Het werd een kat- en muisspel. Toen ik doorhad hoe het er in de academie aan toeging, heb ik me goed geamuseerd. Je kon ongestraft ruzie maken, shockeren, hun theorieën in vraag stellen, maar ook je eigen theorieën de volgende dag herroepen. Ik had ook niets te verliezen, want Lucas Vandeghinste had gezegd dat ik er toch niet van zou kunnen leven.

K.B./D.P.: Je hebt ook les gehad van Wim Van Mulders.

W.D.: Ja, ik denk dat ik hem vier jaar gehad heb. Hij gaf steeds colleges met dia’s. Hij deed het licht uit en begon te spreken. Hij kwam pas los als het donker was. Contact met de zaal had hij niet. Paul Robbrecht trouwens ook niet. Robbrecht gaf haast exclusief les over Palladio. Vier jaar lang heeft hij daarover gesproken. Daarnaast werd in de academie vooral gesproken over Modigliani, Bonnard en Morandi. Men had het ook over popart, maar pop stond gelijk met Larry Rivers, die heel mooie schilderijen maakte. Het was pop die Karel Dierickx heel goed vond, schilderkunstige pop, zoals ook Jim Dine die beoefende. Concurrentie voor Van Lierde, Dierickx en co kwam er plots vanuit onverwachte hoek: Hilde Peleman begon met een boekhandel in ’t Gewad. Ik kreeg toegang tot kunst waarover onze praktijkdocenten niets vertelden. Ik schraapte al mijn geld bijeen en kocht het boek van Edward Lucie-Smith over moderne kunst.

K.B./D.P.: Waarover doceerde Van Mulders?

W.D.: Van Mulders had het over de kunst van de jaren 70 en de vroege jaren 80, onder andere over de Mülheimer Freiheit. Mij zijn vooral zijn lessen over de individuele mythologieën bijgebleven. Ik ben daar altijd door gefascineerd geweest. Ik vond het fantastisch dat je kon doen wat je maar wou, als het maar paste in een individuele mythologie. Beuys was een individuele mytholoog volgens Van Mulders. Het liet Beuys toe om performances te doen, zwart-witfoto’s te maken, grote installaties en hele mooie tekeningen. Die tekeningen van Beuys trokken me enorm aan. Ik was toen helemaal weg van Beuys, misschien zelfs meer dan van Warhol.

K.B./D.P.: Wim Van Mulders was belangrijk omdat hij die inzichten aanreikte?

W.D.: Ja, ook omdat hij ons inprentte dat kunst meer is dan vrije expressie. Dat heb ik bij die schilders niet opgestoken. Ik zag dat de conceptkunst saai was, maar wel ergens over ging. En dan begon ik te denken: wat mijn praktijkdocenten vertellen, gaat dat eigenlijk wel ergens over? Van Mulders tastte de autoriteit van de praktijkdocenten aan. Hij was ook niet zo graag gezien door hen.

K.B./D.P.: Heb je nog herinneringen aan andere docenten die kunstgeschiedenis of kunsttheorie doceerden?

W.D.: Ja, Paul De Vylder heeft mijn werk vaak verdedigd, tegen de stroom in. Ik hou ook goede herinneringen over aan Leo Van Damme. Dankzij hem heb ik het werk van Peter Sloterdijk gelezen in het tweede jaar, onder andere Kritiek van de cynische rede. Ik volg Peter Sloterdijk nog altijd.

K.B./D.P.: Welke werken realiseerde je in het schildersatelier?

W.D.: Ik heb van alles geschilderd en op zeer uiteenlopende wijze. Het is heel lang een gevecht geweest dat ik met mezelf heb geleverd: of ik voor of tegen het picturale was. De schilderkunst was zeer present in het begin van de jaren tachtig. De schilderkunst was twintig jaar tevoren zogezegd in slaap gekust. Ineens was ze weer klaarwakker – aan een reveil toe. Toen die Gentse schilders dat in de mot kregen, was het reveil alweer voorbij, maar ze hadden opnieuw een vast geloof verworven in de schilderkunst.

K.B./D.P.: Wat schilderde jij dan?

W.D.: Op een gegeven moment heb ik beslist om te experimenteren met behangpapier. Ik kocht het in een winkeltje in Gent en beschilderde het met latexverf, waarbij ik koos voor pasteltinten. Het zag er ‘dof’ uit, die latex op behangpapier. Ik pakte het een beetje slordig aan, schilderend binnen en buiten de lijntjes, spelend met voor- en achtergrond. Het effect was – paradoxaal genoeg – heel picturaal. Ik had goed gekeken hoe Jasper Johns cijfers schilderde. De drippings in zijn werken vond ik zeer overtuigend.

K.B./D.P.: Wat was er op het behangpapier gedrukt?

W.D.: Medaillons, een herderinnetje met een banjo, zulke motieven. In de academie kreeg ik voortdurend te horen dat ik ‘vrij’ moest schilderen. Dat was het tegendeel van ‘academisch’ schilderen, waaronder men ‘schools’ schilderen verstond. ‘Vrij schilderen’, dat was de opgave. Je móest vrij zijn. Het was een zodanige opgave dat ik me er bepaalde vragen bij stelde.

K.B./D.P.: Het schilderen op behangpapier was dus een verzet tegen de opgave om vrij te schilderen?

W.D.: Ja, op een naïeve manier wist ik dat ik komaf moest maken met al die aanwijzingen als ik iets belangrijks wilde doen. Je leerde de hele tijd om níet in de lijntjes te kleuren. Op het behangpapier deed ik precies dat: in – maar ook wel buiten – de lijntjes kleuren. Om mijn docenten nog meer op stang te jagen, zei ik dat ik kunst maakte per lopende meter. Ik beschilderde gehele rollen en rolde het beschilderde behangpapier ook op. Dat was een conceptueel manoeuvre en om die reden bijzonder verdacht. Ideeën hebben was immers uit den boze. Het waren in feite de eerste pogingen om kunst te demystificeren. Met dat behangpapier was ik begonnen met de realisatie van mijn programma. Wat later zou ik schilderen op tapijten.

K.B./D.P.: Heb je die werken op behangpapier nog?

W.D.: Ja, ik heb nog één of twee rollen. Ze zijn in zeer slechte staat, want het papier is heel broos. De werken op behangpapier sluiten naadloos aan bij mijn huidige interesses: het ornamentele, het repetitieve en het productmatige – het kunstwerk beschouwen als een product. Het is werk dat me nu nog steeds niet geneert.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de docenten?

W.D.: Ze vonden mij een lastpak, maar dat kwajongensachtige sprak hen anderzijds ook wel aan. Ze zouden mij niet doen zakken. Ik wist hoever ik kon gaan. Soms dacht ik dat de leraars zouden opkijken van mijn werk en zelfs jaloers zouden zijn, maar ze reageerden sympathiek. Sommige leraars zeiden dat ik hun poulain was.

3.

K.B./D.P.: Wanneer begon je te schilderen op tapijten?

W.D.: In het tweede jaar. Karel Dierickx was mijn docent – hij heeft het niet tegengehouden. Hij vond het wel iets hebben, iets poëtisch. Ik dacht dat ik niet goed zat: het was poëtisch.

K.B./D.P.: Hoe was Karel Dierickx als docent?

W.D.: Hij vertelde ons, negentienjarigen, hoe het spel gespeeld werd. Hij was in 1984 geselecteerd voor de Biënnale van Venetië, samen met Luc Deleu, Jan Fabre, Jan Vanriet en José Vermeersch, en hij legde ons uit hoeveel lobbywerk eraan te pas was gekomen. Hij maakte duidelijk dat het geen fraaie wereld was. Hij zei ook hoe Fabre de show gestolen had door overal in Venetië affiches te plakken. Het verhaal over Jan Fabre die zelf zijn doen en laten organiseerde, maakte een grote indruk op mij. Ik ben blij dat Dierickx ons ingewijd heeft. Hij bereidde ons voor op de kunstwereld.

K.B./D.P.: Hoe ben je op het idee gekomen om tapijten te beschilderen?

W.D.: Het baldadige ervan sprak me enorm aan. Het was fout, op vele vlakken. Het was de tijd van het neo-expressionisme. Je buik was je beste raadgever. Marc Maet incarneerde dat volledig: het grote gebaar, het gestuele, het primitieve. Ik vond het interessanter om te kijken wat er gebeurt als je schildert op tapijt dan om wat te smossen met verf op linnen. Door tapijt als drager te kiezen, nam ik tegelijkertijd afstand van het modernisme.

K.B./D.P.: Je hebt op de tapijten heel vet en wild geschilderd. Was dat naïviteit of een bewuste persiflage op de Nieuwe Schilders?

W.D.: Het was een mengeling van beide. Het intrinsieke van het materiaal liet ik nog niet los. Het schilderen op tapijt leverde een bepaalde esthetiek op. Het was een ander picturaal spel – verf op haar – waarbij ik respect wilde opbrengen voor de drager.

K.B./D.P.: Waar haalde je de tapijten?

W.D.: Op een gegeven moment had men ten tijde van het Filmfestival in Gent een tent ingericht. Op de vloer had men honderden oude Perzische tapijten gelegd. Na het festival wilde men ervan af. Ik had dat gehoord, want ik liep voortdurend op straat, en ik heb een paar tapijten gekocht. Ze waren vuil en vies. Als je op zo’n ondergrond werkt, haal je het niet in je hoofd om heel proper te schilderen of anatomisch correcte figuren aan te brengen. Als je tapijt vuil is, ben je vertrokken om ook nogal miezerig te schilderen. Ik wilde wel op nieuwe tapijten werken, maar ik moest eerst een vuil tapijtje verkocht krijgen om een proper aan te kunnen schaffen.

K.B./D.P.: Je bent van wild en vettig schilderen geëvolueerd naar meer egaal schilderen.

W.D.: Ja.

K.B./D.P.: Die ontwikkeling spoort met de drager, want de tapijten zijn vanaf dan kortharig.

W.D.: Ja, ik ben op een gegeven moment overgeschakeld op kortharige vilten tufttapijten.

K.B./D.P.: Hoe presenteerde je de tapijten? Rechtstreeks op de muur?

W.D.: Die vraag werd pas urgent toen ik te weten was gekomen dat in Brussel de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst werd uitgereikt – de belangrijkste wedstrijd voor Belgische kunst. Waarom ik dat zo laat te weten kwam, is voor mij nog steeds een raadsel. Pierre Vlerick, de directeur van de academie, had kennelijk opgeroepen om deel te nemen aan de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst om de leerlingen van Sint-Lucas een lesje te leren. Wim Ricourt en Jean-Marie Bytebier deden mee en lichtten me in.

K.B./D.P.: Vlerick spoorde zijn studenten aan? Zelfs de tweedejaars?

W.D.: Ja, de academie stond zelfs in voor het vervoer. De camionette heb ik echter gemist, want ik ben naar Wervik getrokken om daar in alle rust en kalmte te werken aan mijn inzending: een paneel waarop ik beschilderd behang had aangebracht en drie beschilderde tapijten, elk gemonteerd op een houten raamwerk. Mijn vader heeft ze vervoerd op zijn bagagerek. Ik had al verschillende werken op tapijt gemaakt. Ik deed het opnieuw, voor de wedstrijd. Het was wel de eerste keer dat ik een chassis aankocht. De rekening was niet mals: het kostte 35.000 frank. Mijn moeder was verontwaardigd, totdat ze hoorde dat de uitgave te maken had met de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst.

K.B./D.P.: Was het raamwerk zichtbaar?

W.D.: Ja, een beetje. Het was dé manier om een werk te presenteren. Maar het heeft niet geholpen: de prijs heb ik niet gewonnen.

K.B./D.P.: Marin Kasimir, Willy Van Sompel en Stephen Sack waren de laureaten in 1985.

W.D.: Ik had de prijs net niet gewonnen. Verschillende leden van de jury, onder anderen Jacqueline Lejeune en Anne-Marie Gillion-Crowet, benaderden me en begroetten me met Ah, le meilleur – want voor hen was ik de eigenlijke winnaar. Ze zeiden me dat ze het schandalig vonden dat ik de prijs niet had gekregen. Flor Bex, een ander lid van de jury, had gezegd dat dat niet kon gezien mijn leeftijd. ‘Hij heeft nog veel jaren om te winnen.’ Willy Van Sompel had inderdaad een prijs gewonnen, maar hij was 37 jaar oud. Dat was een groot leeftijdsverschil. Ik was twintig jaar. Willy Van Sompel haalde het omdat hij handig was. Hij sprak Frans en Engels, hij kon boekhouden en hij kon ondernemen. Hij was misschien naar New York geweest en hij had begrepen hoe hij moest schilderen. De originals wonnen niet omdat ze niet handig waren. De originals waren Philippe Tonnard, Hugo Debaere en ikzelf.

K.B./D.P.: Het is vreemd dat je je enerzijds afkeert van de neo-expressionisten, en anderzijds in Willy Van Sompel geen geestesverwant herkent.

W.D.: Hij schilderde een beetje slecht zodat je kon denken dat het conceptueel was of anti-schilderkunst. Ik was er in 1985 zeker geen tegenstander van, maar ik had de prijs toch liever zelf gekregen. Nog iemand anders was dezelfde mening toegedaan: Jos Van den Bergh. Hij vond het schandalig dat ik de Jeune Peinture niet had gewonnen. Hij nodigde me uit om deel te nemen aan een televisieprogramma van het Humanistisch Verbond. Hij bracht mij samen, in 121 Art Gallery, met Jiri Georg Dokoupil. Stel je voor! Ik weet nog dat ik hem vroeg om mij uit te leggen wat een galerie was. Ik wist niet eens wat een galerie was.

K.B./D.P.: Hoe verliep het gesprek met Dokoupil?

W.D.: Ik herinner me dat Dokoupil een lijfwacht had. Ik was nog maar begonnen met te proberen te begrijpen wat een galerie was en hij zat daar met een bodyguard. Het was belachelijk, maar Jos was fan van mij en van Dokoupil. Dokoupil had geëist dat hij niet herkenbaar zou worden gefilmd. Hij was kalend en wou niet in beeld komen. Ik heb dan maar gezegd dat ik ook niet wou worden gefilmd. Ik heb geen goede indruk gemaakt bij meneer Dokoupil. Het heeft jaren geduurd vooraleer ik dat kon, een goede indruk maken op de mensen.

K.B./D.P.: Wat heb jij verteld in dat televisieprogramma?

W.D.: Niets. Ik kon ook geen Engels. Ik zat in het tweede jaar en ik kon niets. Jos Van den Bergh projecteerde ambities op mij die ikzelf niet had. Ook de mensen in mijn omgeving waren op dat moment ambitieuzer dan ikzelf.

K.B./D.P.: In je verhaal lijkt naïviteit steeds te sporen met (zelf)bewustzijn. Enerzijds zeg je dat je niet wist wat een galerie is, anderzijds kan je een figuur als Van Sompel zeer goed plaatsen.

W.D.: Dat klopt, maar het ene is niet in tegenspraak met het andere. Je bént naïef als je achttien of negentien bent en kunst maakt in een academie. Op dat moment was enkel de grote kunstgeschiedenis van belang. Die kende ik van de Soubryprentjes en van het boek over moderne kunst van Edward Lucie-Smith dat ik in de boekhandel van Hilde Peleman had gekocht. Galeries kende ik niet. De Jeune Peinture was zowat de eerste tentoonstelling waaraan ik had deelgenomen. Dat had ik dan nog te danken aan Wim Ricourt en Jean-Marie Bytebier. Ik had de oproep van Pierre Vlerick immers gemist. Ricourt en Bytebier hadden me getipt.

K.B./D.P.: In Het Nieuwsblad verschijnt op 22 april 1985 het artikel Jonge Werviknaar op tv waarin een journalist – met de initialen jbw – stelt: ‘Wim Delvoye uit Wervik heeft slechts één ambitie: zichzelf waarmaken als kunstenaar. Hij beseft wel dat het hard knokken is om door te breken maar een gesprek met hem maakt onmiddellijk duidelijk dat hij er veel zoniet alles voor over heeft om dit te bereiken. Velen zullen misschien denken dat het hier een droombeeld is van een jongere, maar zijn erkenning bewijst dat hij op de goede weg is.’ Zo naïef was je blijkbaar niet.

W.D.: Die journalist was misschien van Zwevezele en vond dat ik het als laureaat van de Jeune Peinture ver geschopt had. Geloof me: ik wilde veel, maar ik wist niet van wanten.

K.B./D.P.: De journalist citeert je ook. Je zegt: ‘Onze maatschappij wordt overspoeld met allerlei strekkingen. Mijn doel bestaat er dan ook in een origineel iets te creëren. Het is precies die eigenschap die men vooral apprecieerde in mijn drie tapijtschilderijen. Als ik toch een poging zou doen om mijn werk te omschrijven dan zou ik het symbolisch, barok, anekdotisch, bewust narratief met invloed van pop-art en de pattern painting noemen.’ Je bent erg gedreven en kent blijkbaar reeds de pattern painting.

W.D.: Dat verbaast me. Ik moet het hebben opgepikt van iemand. Misschien van Paul De Vylder? Ik was helemaal niet extreem zelfbewust. Ik heb in 1985 bijvoorbeeld deelgenomen aan een tentoonstelling in het kasteel Blauwendaal in Waasmunster met jonge schilders. Een toonbeeld van carrièreplanning was dat niet.

K.B./D.P.: Wist men in de academie dat je net naast de Jeune Peinture gegrepen had?

W.D.: Ja. Ik stond niet bekend als een goede leerling in de academie – tot ze hoorden dat ik bíjna de prijs had gewonnen. Het waren geen dommeriken. Ze letten goed op. Ze werden voorzichtiger met het leveren van kritiek. Ineens werd ik aanvaard.

K.B./D.P.: Waaruit bleek dat?

W.D.: Begin 1986 vond de tentoonstelling Akademie bezet Vooruit plaats in het gelijknamige kunstencentrum. Karel Dierickx maakte de selectie en koos ‘de besten’, niet alleen uit ons jaar: onder anderen Jean-Marie Bytebier, Johan Creten, Wim Ricourt, Jan Van Imschoot en ikzelf.

4.

K.B./D.P.: Wanneer zet je je eerste stap in de ‘echte’ kunstwereld?

W.D.: Een jaar later, in 1986, in Plus-kern, de galerie van Jenny Van Driessche.

K.B./D.P.: Hoe was je daar terechtgekomen?

W.D.: Florent Minne had mijn werk gezien in de Jeune Peinture Belge. Hij nam contact met mij op en vroeg of ik nog ander werk had. Ik heb het hem getoond, ook slechtere werken, een beschilderde parasol bijvoorbeeld, werken die ik al lang vernietigd heb. Minne was opgetogen over wat hij zag en hij is met foto’s van mijn werk naar Jenny Van Driessche getrokken. Zij was al vanaf het einde van de jaren 60 actief in Gent, waar ze met kunstenaar Yves De Smet de galerie had gerund. Na hun scheiding heeft zij de galerie verdergezet in Brussel.

K.B./D.P.: Jenny Van Driessche heeft je dan benaderd?

W.D.: Ja, dat is een grappig verhaal. Ik woonde toen op de eerste verdieping van een pand in Tempelhof in Gent. Dirk, wij hebben elkaar toch leren kennen toen ik op de tweede verdieping van datzelfde pand huisde?

D.P.: Ja, dat herinner ik me nog.

K.B./D.P.: Hoe kwam het contact met Jenny Van Driessche precies tot stand?

W.D.: Jenny was door Florent overtuigd om contact met mij op te nemen. Omdat ik geen telefoon had, belde ze naar haar moeder, die in Gent woonde, met de vraag om me op te zoeken. Toen haar moeder in Tempelhof aankwam, merkte ze dat ik geen bel had. Ze heeft steentjes tegen mijn ruit gegooid. Ik hoorde iets vreemds, deed mijn venster open en ik zag dat er een oud vrouwtje op de stoep stond. Ze vroeg me om naar beneden te komen en naar het nummer van haar dochter te telefoneren. Ik stond daar met vuile schoenen, ik leefde nog in de droom van de bohème. Ik geloofde daarin. Ik had geen geld. Maar natuurlijk had ik geen geld, dat was ook de bedoeling! Het was anderzijds een ‘pure’ tijd. Ik had geen geld, maar ik had tijd – veel tijd.

K.B./D.P.: Je hebt dan naar Jenny gebeld?

W.D.: Haar moeder had me een papiertje gegeven met een telefoonnummer: een nummer met een 02-prefix, een nummer in Brussel dus! Omdat ik geen telefoontoestel had, moest ik naar de Brandweerstraat, waar er een telefooncel stond. Ik heb gebeld met stukken van vijf frank. Enkele dagen later ben ik naar Brussel gereisd met de trein. Ik was twintig en ik had niets. Ik had ook nog geen rijbewijs.

K.B./D.P.: Hoe verliep de ontmoeting?

W.D.: Zeer hartelijk. Florent was er ook, allicht om het ijs te breken. Jenny heeft me een tentoonstelling aangeboden. In 1986 heb ik er voor het eerst geëxposeerd. Zij is erg belangrijk voor me geweest. Ik was nog enorm naïef, maar ze heeft daar geen misbruik van gemaakt. Ze heeft me veel uitgelegd. Jenny heeft mijn blikveld geopend, omdat ze ouder en wijs was. Ik was goed terechtgekomen! Jenny was wel een beetje hebberig. Als ze iets verkocht, zei ze altijd: ‘Ja, dat kost niet veel, van jou kunnen wij niet leven.’ Ik moest mij schuldig voelen omdat ze máár de helft nam op zo’n belachelijke som. Anderzijds heeft ze me ook een moraal geschopt, gedurende twee, drie jaar. Jenny was tegen commercie. Er was niemand die beter deed dan Carl Andre. Carl Andre was integer, Carl Andre was een echte kunstenaar, Carl Andre hield niet van aardse goederen, integendeel, hij had altijd een overall aan. Hij liep bij wijze van spreken op zijn blote voeten, zoals Nesten. Ik heb minstens evenveel jaren nodig gehad om mij te ontdoen van die morele ballast.

K.B./D.P.: Waarom wilde Jenny Van Driessche samenwerken met jou?

W.D.: Ze wilde breken met alles wat ze voorheen gedaan had. Misschien had Benno Premsela haar daarvan overtuigd. Premsela, Nederlands designer en verzamelaar, kwam geregeld bij Jenny over de vloer. Hij had veel invloed op haar. Ze wou iets anders, maar was er ook halfslachtig in. Uiteindelijk bleef ik de enige kunstenaar bij haar met dit soort werk.

K.B./D.P.: Welke werken heb je getoond in Plus-kern?

W.D.: De schilderijen op tapijt. Er is ook een catalogus uitgegeven, waarvoor Florent Minne een tekst heeft afgeleverd, vertaald in drie talen. Hij schreef heel barok. In de eighties was dat haast een plicht.

K.B./D.P.: Heeft Jenny Van Driessche die catalogus betaald?

W.D.: Neen, ik heb het geld op tafel gelegd. Ik had een sponsor gevonden. Jenny heeft dat boekje cadeau gehad.

K.B./D.P.: Hoe had je dat voor elkaar gekregen?

W.D.: Ik had meegedaan aan een theaterstuk dat Souvenirs van het hart was getiteld – een grote theaterproductie, opgezet door het Kanaal in Kortrijk. Zes kunstenaars namen eraan deel. Ik maakte een ‘ruimte’ met tapijtschilderijen. Naar aanleiding daarvan heb ik een bedrijfsleider leren kennen in het Kortrijkse die 40.000 frank veil had voor een boekje. Ik had geld voor een catalogus, maar er was geen aanleiding om er een uit te geven. Toen Jenny mij uitnodigde, was de gelegenheid er. Ik wou per se de naam van haar galerie op de cover. Het was belangrijk om bij Plus-kern te exposeren omdat het een serieuze galerie was. De galerie gaf ook sérieux aan mijn werk. Ik had dat snel door. Philippe Tonnard verkocht veel bij galerie De Gryse. Ik had geen geld, maar ik wou niet in die galerie exposeren, omdat ik dacht dat het op lange termijn een probleem zou worden als je bij zo’n leuke galerie zit. Ik wou absoluut niet dat mijn werk leuk gevonden werd.

D.P.: Toen ik jou wat later leerde kennen, sprak je over kunstenaars zoals Milan Kunc en Rhonda Zwillinger. Herinner jij je wanneer jij je werk in relatie tot dat soort kunstenaars begon te zien?

W.D.: Ik denk dat Plus-kern in dat verband heel belangrijk is geweest. Jenny stond met heel wat ‘internationale’ actoren in contact, met Benno Premsela zoals ik al zei, maar ook met Paul Maenz, die heel lang een galerie heeft gehad in Brussel. Jenny heeft het werk getoond van Peter Roehr, de vriend van Paul Maenz, die op jonge leeftijd is gestorven. Zij kende heel goed de Amsterdamse galeriste Riekje Swart, waar ik in 1988 zou exposeren. Jenny had een goed netwerk. Als Frans Haks naar Brussel kwam, overnachtte hij steeds bij haar. Haks was directeur van het Groninger Museum en wou daar een nieuw concept introduceren. Hij wou de barokkunst lanceren – een regelrechte aanslag op het modernisme. Jenny toonde mijn werken aan Haks. Hij was heel enthousiast en bracht mijn werk in verband met de kunstenaars uit de East Village, zoals Arch Connelly en Rhonda Zwillinger. Hij was daar wild van. Hij heeft bewezen dat hij het meende, want hij heeft er een tijdje zijn gehele museumbudget aan besteed. Via Jenny kwam ik direct of indirect in contact met dat soort ideeën. Mijn blikveld werd breder.

K.B./D.P.: Heb je ook werken verkocht in Plus-kern?

W.D.: Ja, onder andere mijn bijdrage aan Jeugdzonde. Over opus één en opus min één, een klein tapijtschilderij. Jenny wist het op de opening te verpatsen aan Bert De Leenheer en Dirk Van Hecke van de latere Galerie Transit. Na amper twee, drie jaar begon ik mij echter te schamen voor mijn tapijtwerken en kreeg ik spijt dat ik het werk aan hen verkocht had. Het is afgrijselijk lelijk! In 1988 en 1989 beschilderde ik mijn eerste gasflessen met motieven in Delfts blauw, en ik vond dat de tapijtschilderijen te veel refereerden aan de nieuwe schilderkunst. Bovendien had de tijdgeest zich inmiddels tegen alles gekeerd wat naar verf rook. Ik was zo perfectionistisch dat ik werken die in mijn achting daalden het liefst van al in rook zag opgaan. Ik droomde van een smetteloos oeuvre. Zodoende vroeg ik Bert en Dirk om het werk terug te mogen kopen.

K.B./D.P.: En is dat gelukt?

W.D.: Nee. Hoe meer ik insisteerde, hoe meer Bert en Dirk ervan overtuigd raakten dat zij een volstrekt uniek werk in hun bezit hadden. Ze bezitten het nog steeds.

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams

Bovenstaand interview werd afgenomen in opdracht van LLS387 (Antwerpen) in het kader van de tentoonstelling Jeugdzonde. Over opus één en opus min één (19 maart – 30 mei 2009). Zie ook http://users.telenet.be/lls387/interv_wim_delvoye.html

Over opus een en min een

Koen Brams/Dirk Pültau: Waarom heb je een metronoom gekozen als bijdrage aan Jeugdzonde. Over opus één en opus min één?

Anouk De Clercq: Ik wilde graag iets kiezen dat verwijst naar mijn muzikale achtergrond: ik studeerde van mijn 6 tot mijn 16 jaar ritmiek, piano en notenleer. De piano was mijn geliefkoosde instrument. Alles kon ik erin kwijt. Soms denk ik dat ik in zwart-wit werk omdat ik zo gewoon ben om muziek te maken met de witte en zwarte pianotoetsen. Als bijdrage had ik een piano kunnen kiezen, maar dat was praktisch onhaalbaar – nogal massief. Daarom dus een metronoom: ritme.

K.B./D.P.: Waar heb je muziek gestudeerd?

A.D.C.: Ik ging naar een gewone muziekschool in een prachtig gebouw gelegen aan het Gravensteen te Gent.

K.B./D.P.: Werd je door je ouders gestimuleerd om naar de muziekschool te gaan?

A.D.C.: Het was vooral mijn grootmoeder die mij in de muziek heeft ingewijd. Als klein meisje leerde ik op haar schoot piano spelen en op een gegeven moment stimuleerde ze me om naar de muziekschool te gaan. Op je zes jaar ben je evenwel te jong om notenleer te volgen en een instrument te bespelen. Daarom krijg je aanvankelijk ritmiek. In de lessen ritmiek moet je op een bijna lijflijke manier uitdrukken wat muziek met je doet, hoe ritmes of hoe hoge en lage tonen op je inwerken. Ik heb een haast fysieke herinnering aan die lessen. Ik denk dat mijn huidige werk nog altijd van eenzelfde soort lichamelijke empathie vertrekt.

K.B./D.P.: Maar na de eerste jaren ritmiek kwam je in een ‘gewone’ muziekopleiding terecht?

A.D.C.: Inderdaad. Na twee jaar volgde ik notenleer en zang. Als instrument koos ik piano.

K.B./D.P.: Omdat je met dat instrument vertrouwd was?

A.D.C.: Omdat ik het kende, ja. De buffetpiano van mijn grootmoeder maakte in mijn kinderjaren deel uit van mijn omgeving. Later kwam het instrument bij mij thuis te staan. Ik had er een intieme band mee. Ik vind een buffetpiano een prachtig instrument. Op het moment dat je je handen op het klavier plaatst, is het alsof je een ruimte ontsluit waar je in kan kruipen. Zo zag ik de buffetpiano die bij mijn grootmoeder stond: als een tafel waar muziek uitkwam en waar je in kon kruipen zodat je helemaal omringd was door de klank. Ik wilde volledig opgaan in de muziek. Ik had voortdurend de neiging om het deksel te openen en de buffetkast te ontmantelen, alsof ik écht in de piano wilde kruipen.

K.B./D.P.: Wat is je verder van de muziekschool bijgebleven?

A.D.C.: Dat muziek een ongelooflijke harmonie kan bewerkstelligen. Je kon net voordien gevochten hebben op de speelplaats, in de zangles versmolt je stem met al die andere kinderstemmen tot een harmonieus geheel. Om kippenvel van te krijgen! Dat soort symbiose is voor mij nog altijd belangrijk. Ik werk graag samen met mensen en ga daarbij steeds naar die samenklank op zoek.

K.B./D.P.: Heb je ook uit andere kunstvormen iets meegekregen?

A.D.C.: Je kan gerust zeggen dat ik de perfecte culturele opvoeding heb gekregen. Mijn moeder nam mij al op erg jonge leeftijd mee naar theater. Rond mijn twaalfde zag ik Fase (1982) en Rosas danst Rosas (1983) van Anne-Teresa De Keersmaeker in het NTG in Gent. Ik herinner mij dat ik bij thuiskomst in de woonkamer stukken van de voorstelling nadanste. Mijn moeder noemde mij haar derwisjke omdat ik de draaiende en tollende bewegingen uit Fase imiteerde. Ik wilde voortdurend meedoen. Als kind ben je niet in staat om zo’n voorstelling te analyseren. Net als bij de eerste muzieklessen heb ik een haast lichamelijke herinnering aan de dansvoorstellingen die ik zag in mijn jeugd.

K.B./D.P.: Speelde beeldende kunst een rol in jouw jeugd?

A.D.C.: Niet echt. Mijn moeder had nochtans een tijdlang een relatie met een beeldhouwer. Soms hielp ik hem een beetje. Het boetseren in was vond ik best intrigerend, maar voor het overige sprak beeldhouwkunst mij niet zo aan. De man was verzot op de jazzmuziek van mensen als Chick Corea en Keith Jarrett. Een leuke bijkomstigheid was dat hij ook lesgaf op de Gentse Academie voor Schone Kunsten waar hij Johan Grimonprez onder zijn leerlingen telde. Johan kwam vaak bij ons op bezoek. Hij speelde mee in Les Ballets Contemporaines de la Belgique en we gingen vaak kijken.

K.B./D.P.: Heb je je muziekopleiding uiteindelijk volledig afgemaakt?

A.D.C.: Nee. Op mijn zestiende ben ik ermee opgehouden. Ik voelde mij niet meer thuis op de muziekschool.

K.B./D.P.: Hoe kwam dat?

A.D.C.: Ik heb acht jaar dezelfde leerkracht gehad, een schat van een dame die mij geleerd heeft om keuzes te maken… maar mijn keuzes vielen steeds minder samen met de hare. Eerst kwam ik met Bartók aanzetten. Rond mijn vijftiende greep ik echter naar steeds minimalere muziek. Aanvankelijk stelde mijn leerkracht zich open op, maar ik werd met de dag rebelser. Om begrijpelijke redenen vond zij het ook niet zinvol om mij die muziek te leren spelen. In klassiek muziekonderwijs loopt je traject van vrij eenvoudig naar steeds complexer. Ik bewandelde de omgekeerde weg: ik evolueerde naar steeds abstractere muziek; ik wilde de muziek reduceren tot pure klank.

K.B./D.P.: In welke muziek was je precies geïnteresseerd?

A.D.C.: Ik hield van componisten als Philip Glass, Steve Reich en Terry Riley. Wat ik bijvoorbeeld geweldig vond, is Riley’s In C. In dat werk voor een ensemble met variabele bezetting is de enige regel dat alle muzikanten de c spelen – de noot do. Elke muzikant mag zelf het moment bepalen waarop hij inzet en de rustpauzes worden ten dele door de aard van het instrument bepaald: een strijkinstrument kan blijven spelen, een trompettist moet adempauzes nemen. Die muziek fascineerde mij enorm.

K.B./D.P.: Met het muziekonderwijs was het afgelopen… Wat deed je toen?

A.D.C.: Mijn humaniora afmaken. Ik liep school in het Atheneum aan de Voskenslaan in Gent. Dat was geen goede ervaring; enkel een leraar Nederlands is mij bijgebleven. Ik bracht vanaf mijn zestiende overigens veel tijd door in de bioscoop. Van de ene dag op de andere ben ik gestopt met muziek en heb ik me met evenveel overgave op (de taal van) het beeld gegooid.

K.B./D.P.: Waar kwam die liefde voor film plots vandaan?

A.D.C.: Ik wilde weten of het mogelijk was om een verhaal te vertellen dat louter en alleen uit beelden bestaat – zonder woorden of muziek dus. Waarom? Ik weet het eigenlijk niet. Ik vermoed dat ook dat in het verlengde lag van mijn rebellie op de muziekschool.

K.B./D.P.: Zocht je naar een bepaald soort films? Stomme films bijvoorbeeld?

A.D.C.: Nee, ik was vooral gek op de Japanse cinema en de films van Theo Angelopoulos. Die Griekse cineast maakt heel uitgepuurde portretten van de mens in zijn omgeving, opgebouwd in lange plans-séquences, met kale landschappen, veel monologues intérieurs en meditatieve, melancholische muziek. In 1988 zag ik Landschap in de mist. De titel zegt al genoeg!

K.B./D.P.: En maakte je zelf kunst?

A.D.C.: Ik schreef theaterstukken die ik samen met mijn vrienden opvoerde – uiteraard trad ik zelf op als regisseur. Daarnaast schreef ik ook teksten.

K.B./D.P.: Wat voor teksten? 

A.D.C.: Ik beschreef allerlei situaties waarbij ik de nadruk legde op mijn subjectieve beleving van de situatie. Je zou mijn teksten uit die tijd gepoëtiseerde of getransformeerde beschrijvingen kunnen noemen. Ikzelf zie ze evenwel hooguit als een veredeld dagboek. Ik had iets nodig om het gat te vullen dat na het verlaten van de muziekschool was gevallen. Aanvankelijk wilde ik namelijk schrijver worden.

K.B./D.P.: Hoe kwam je op dat idee?

A.D.C.: Omdat ik boeken verslond. Als ik niet aan de piano zat, las ik boeken. Verder ging dat evenwel niet.

K.B./D.P.: Wat heb je uiteindelijk na je humaniora gedaan?

A.D.C.: Rond mijn zeventiende raakte ik bevriend met een groep acteurs – ik ging nog steeds vaak naar theater – en een van hen, een vrouw met wie ik nog steeds bevriend ben, raadde mij aan een filmopleiding te volgen. Zij heeft mij van mijn twijfel verlost. Ik zocht immers een richting waarin ik al mijn fascinaties kwijt kon: tekst, beeld en muziek. Uiteindelijk heb ik mij ingeschreven in de afdeling fictiefilm van Sint-Lukas Brussel.

K.B./D.P.: Waarom koos je niet voor het RITS?

A.D.C.: Omdat die opleiding mij te technisch leek en te zeer gericht op televisie. In Sint-Lukas stond de auteur centraal en werd film als een volwaardige kunstvorm bekeken. Bovendien wist ik dat Marc Didden in Sint-Lukas Brussel lesgaf. Ik had lovende commentaren opgevangen over de manier waarop Didden zijn eerste langspeelfilm Brussels by Night (1983) had aangepakt. Ik vond het ook knap hoe hij erin geslaagd was om die film met een heel beperkt budget te realiseren.

K.B./D.P.: Je had in Sint-Lukas ook voor de afdeling experimentele film kunnen opteren. Dat zou in jouw geval niet onlogisch zijn geweest.

A.D.C.: Dat klopt, maar over die richting werd gezegd dat alles er mogelijk was en dat de leraars zich heel inschikkelijk en tolerant opstelden. Het klonk mij niet bepaald uitdagend in de oren. Ik had behoefte aan sterke leermeesters met wie ik de confrontatie kon aangaan.

K.B./D.P.: Wat waren de eerste dingen die je gemaakt hebt in Sint-Lukas?

A.D.C.: Werkjes in opdracht rond typische thema’s. Onze allereerste opdracht had als thema ‘man en vrouw’. Ik heb toen een drie minuten durend filmpje gemaakt over Adam en Eva en de Val uit het Paradijs, bekeken door de ogen van een kind, een klein meisje. Voor een kind is dat hele verhaal over Eva die uit een rib van Adam wordt geboren nogal absurd en onbegrijpelijk. Een kind ziet alles ook vanuit een heel laag perspectief. Ik heb dus de absurditeit van het gebeuren in de verf gezet en alles vanuit kikkerperspectief gefilmd. Op het einde kijkt het meisje met een rare blik naar de appel, alsof ze het allemaal niet te best begrijpt. Ze legt de appel terzijde. Het filmpje was heel sec, maar best grappig, vond ik. Later moesten we nog filmpjes maken rond thema’s als ‘het zelfportret’ of ‘het dorp’.

K.B./D.P.: Vond je je gading in de opleiding fictiefilm?

A.D.C.: Ik kon mij best vinden in de werkwijze die je aangeleerd kreeg: de combinatie van schrijven, regisseren en monteren, en het teamwork dat gepaard gaat met het maken van een film. Ik hield van het montagewerk omdat ik er een muzikaal aspect in ontdekte en daarnaast vond ik het prettig om zelf muziek te kiezen. Het was precies zoals ik het mij voorgesteld had: in de filmopleiding kwamen al mijn interesses samen.

K.B./D.P.: Je hebt je dus tijdens je schooltijd tot een professionele cineaste ontwikkeld?

A.D.C.: Dat ook weer niet. Want in de loop van mijn tweede jaar begon ik kritischer te staan tegenover mijn opleiding.

K.B./D.P.: Hoe kwam dat?

A.D.C.: Vooral de lessen van Chris Dercon, Herman Asselberghs en Willem De Greef zaten daar voor iets tussen. Zij lieten ons kennismaken met experimentele film en video. De Greef gaf bovendien filmanalyse en semiotiek. Ik begon het lineaire en narratieve stramien van klassieke fictiefilms saai te vinden. Ik kreeg ook het gevoel dat er iets ontbrak.

K.B./D.P.: Wat precies?

A.D.C.: Het lichamelijke contact met het materiaal. Dat was precies wat ik zo sterk had ervaren in de tijd dat ik nog piano speelde. In experimentele films is dat contact soms letterlijk af te lezen aan de krassen die in de filmrol zijn aangebracht. Het maken van een fictiefilm is daarentegen een erg afstandelijke bedoening. Het is vooral een kwestie van delegeren en aanwijzingen geven.

K.B./D.P.: Welke cineasten waren toen je voorbeelden?

A.D.C.: Ik was vooral gebeten door de experimentele cinema van de jaren 20 en 30: mensen als Walter Rutmann, Oskar Fischinger… Mijn grootste voorbeeld was Len Lye (1901-1980). Toen ik zijn films leerde kennen, dacht ik: dát soort films wil ik maken. Lye maakte muziek met beelden en dat was precies wat mij voor ogen stond.

K.B./D.P.: Welke invloed hadden zijn films op jouw werk? Wat voor films maakte je in die tijd in Sint-Lukas?

A.D.C.: Een voor mij cruciaal werk was ongetwijfeld Born Blind uit 1993.

K.B./D.P.: In 1993 was je 22 jaar. Born Blind was dus je afstudeerwerk?

A.D.C.: Nee, het was het eindejaarswerk van mijn derde jaar. Ik heb mijn derde jaar namelijk overgedaan, samen met de meesten van mijn medestudenten.

K.B./D.P.: Omdat men ontevreden over jullie was?

A.D.C.: Ik zat in een fantastisch jaar met onder anderen Erik Lamens en Vincent Bal. Het was een heel hechte groep waarin iedereen elkaar geweldig stimuleerde. Maar na een tijdje werden de onderlinge banden te sterk. Het persoonlijke en het artistieke begonnen door elkaar te lopen. Wat aanvankelijk stimulerend werkte, pakte plots destructief uit. Op dat moment hebben de leraars beslist om ons ‘uit elkaar te trekken’ door een aantal studenten het jaar te laten overdoen. Zodoende is Born Blind het eindejaarswerk van mijn derde bisjaar.

K.B./D.P.: En wat had je precies gemaakt?

A.D.C.: Ik heb louter en alleen wolken gefilmd. Ik had mijn buik vol van al die films die rond man-vrouwverhoudingen en relatieproblemen draaiden. Gebabbel vond ik het.

K.B./D.P.: Born Blind was een statement?

A.D.C.: Het was een duidelijk signaal dat ik mijn eigen weg wou zoeken. Hoe onschuldig en zachtaardig hij ook lijkt.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de docenten op de film?

A.D.C.: Zeer slecht. Op het einde van het jaar werden alle eindejaarswerken getoond. Ik werd als enige ter verantwoording geroepen. Ik zie het nog altijd voor mij: die lange tafel met de heren juryleden! Dat was op zich best een grappig tafereel. Ik kreeg evenwel te horen dat de school mij niets meer te bieden had. Die conclusie kon ik op zich best begrijpen.

K.B./D.P.: Wellicht had je in de afdeling experimentele film wel gescoord met deze film…

A.D.C.: Misschien. Ik moet er overigens aan toevoegen dat ik erg veel zorg heb besteed aan de film, ook al was het een statement. Ik heb met grote zorgvuldigheid wolken geselecteerd en een montage gemaakt waarin wolken in realtime afwisselen met wolken die aan een versneld tempo – in timelapse – bewegen. De muziek is van Steven Brown en Blaine Reininger van Tuxedomoon, een Brusselse groep uit de jaren 80. Dat levert een lichte, vrolijke stroom van klanken op die fungeert als een soort draad om de beelden aan op te hangen.

K.B./D.P.: Wat wilde je met de titel uitdrukken: Born Blind?

A.D.C.: Als je geboren wordt, ben je blind… en ervaar je de wereld op een zuiver lichamelijke manier. Dat was precies wat ik wilde: weg van de woorden en weg van het verhaal. Ik wilde een puur lichamelijke ervaring overbrengen. Ik beschouw de wolkenfilm als mijn auteursmanifest. Om die reden heb ik hem als eerste film op mijn site gezet.

K.B./D.P.: Eigenlijk had je Born Blind als bijdrage kunnen voorstellen voor Jeugdzonde. Over opus één en opus min één. 

A.D.C.: Dat was een optie geweest, inderdaad. Het zou evenwel erg duur zijn uitgevallen – het gaat immers om een 16 mm-film, je moet hem in loop afspelen op een aangepaste projector óf hem overzetten op een andere drager. Maar ik weet niet of ik deze film nog wil laten zien. Het is een film die toen voor mij belangrijk was, maar gedateerd is.

Transcriptie: Tom De Moor

Redactie: Dirk Pültau

Bovenstaand interview werd afgenomen in opdracht van LLS387 (Antwerpen) in het kader van de tentoonstelling Jeugdzonde. Over opus één en opus min één (19 maart – 30 mei 2009). Zie ook http://users.telenet.be/lls387/interv_anouck_de_clercq..html

Over de situatie van de archieven inzake beeldende kunst in België

Dirk Pültau: In een eerste ronde willen we jullie vragen om kort aan te geven hoe jullie in aanraking komen of zijn gekomen met archieven. Fredie, wil jij als eerste het woord nemen?

Fredie Floré: Voor mijn proefschrift Lessen in goed wonen, dat handelt over vormen van woonvoorlichting in de periode tussen 1945 en 1958, heb ik uitgebreid onderzoek verricht in diverse archieven, gaande van archieven van Vlaamse, Waalse en Brusselse huisvestingsmaatschappijen, over private archieven van ontwerpers en architecten, tot provinciale, stads- en rijksarchieven. Mijn onderzoeksdomein grenst aan de kunstkritiek en om die reden heb ik bijvoorbeeld ook het Archief voor Hedendaagse Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België bezocht. Momenteel ben ik als docent verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en als onderzoeker aan de Universiteit Gent. Ook in die hoedanigheid consulteer ik vaak archieven.

Jan Ceuleers: Ik heb lange tijd gewerkt bij uitgeverij en boekhandel Kritak. Ik schreef toen ook geregeld teksten, bijvoorbeeld voor De stoute jaren ’58-‘68, een uitgave van Kritak. Voor het boek werkte ik samen met Johan De Vos. Samen hebben we verschillende fotoarchieven bezocht, onder andere van Belga en Humo. Eind jaren 80 ben ik aan de slag gegaan als antiquaar en ben ik beginnen samenwerken met Ronny Van de Velde. Wij kopen en verkopen zeldzame boeken, documenten, foto’s en handschriften in verband met moderne kunst en literatuur, met de nadruk op de avant-garde, van Francisco Goya tot Marcel Broodthaers. Bij voorkeur handelen we in integrale bibliotheken en archieven.

Hans De Wolf: Ik ben als hoogleraar verbonden aan de vakgroep Kunstgeschiedenis van de Vrije Universiteit Brussel. Mijn onderzoeksgebied is de moderne en hedendaagse kunst. Voor mijn proefschrift over Het Grote Glas van Marcel Duchamp heb ik talloze archieven bezocht, onder andere in Philadelphia, New York en New Haven. De mooiste vondst deed ik in de Beinecke Rare Books and Manuscripts Library van Yale University in New Haven: een postkaart van Marcel Duchamp gericht aan Katherine Dreier. Een onvoorstelbare ontdekking! Ik hou ervan om in archieven te werken.

Virginie Devillez: Hoe ík in de wereld van de kunstarchieven ben beland? Ik ben geen kunsthistorica — ik heb een proefschrift in de geschiedenis behaald aan de Université Libre de Bruxelles, dat getiteld is Kunst aan de orde. Kunst en Politiek in België 1918-1945, een zowel politicologisch als kunsthistorisch project. Ik heb in vele en heel verschillende archieven onderzoek verricht. Als historicus sta je immers onder een geweldige druk om zoveel mogelijk uitspraken te doen die gebaseerd zijn op bronnenonderzoek. Ik heb onderzoek gedaan in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, het Rijksarchief… Wellicht dankzij mijn terreinkennis ben ik op een gegeven moment gevraagd door de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten om de leiding te nemen over het Archief voor Hedendaagse Kunst in België (AKHB). Ik sta onder andere in voor de verwerving van archieven, via schenking of via aankoop. Ik heb enkele zeer belangrijke archieven weten veilig te stellen, ook op het vlak van mijn eigen interessesfeer: de kunstmarkt, de galeries en de verzamelaars. Op dit terrein ben ik ook nog steeds actief als onderzoeker. Ik ben gefascineerd door de inzichten en strategieën van voormalige verzamelaars zoals Philippe Dotremont en Bertie Urvater. Zij dachten en handelden op een geheel andere wijze dan wij vandaag.

D.P.: Kan je iets meer vertellen over de geschiedenis van het Archief voor Hedendaagse Kunst in België?

V.D.: Het archief heette oorspronkelijk Les archives d’expressionnisme en Belgique. Het is tot stand gekomen op het einde van de jaren 50 onder impuls van de Association Internationale des Critiques d’Art (AICA), net zoals Les archives du cubisme in Frankrijk en Les archives du futurisme in Italië. In de Koninklijke Musea en ook elders is het aandachtsgebied na verloop van tijd verbreed tot het hele terrein van de moderne en hedendaagse kunst. Ook het beleid inzake verwerving is grondig gewijzigd.

D.P.: In welke zin?

V.D.: Vroeger kochten de Koninklijke Musea meer individuele documenten. Als gehele archieven werden verworven, dan werden deze ‘ontmanteld’. Alle stukken werden gecatalogeerd per kunstenaar. Het AKHB zag zijn archief als een documentatiecentrum. De herkomst van die stukken uit een bepaald archief en de betekenis die ze daaraan ontleenden, werden uitgewist. Dat doen we nu niet meer. De archieven blijven als geheel behouden. Bovendien treden we nu veel meer proactief op. Ik ga op zoek naar archieven. Ik neem contact op met erfgenamen. Ik doe aan prospectie en ik probeer archiefeigenaars te overtuigen om hun eigendom te schenken of te verkopen aan de Koninklijke Musea. Of het nu om schenking of om verkoop gaat, ik probeer hen te overtuigen om het archief als geheel te behouden.

J.C.: Toen de Koninklijke nog archieven uit elkaar haalde, was dat in de Verenigde Staten al lang verleden tijd.

V.D.: Ja, dat klopt.

J.C.: De archieven zijn ‘wederstelbaar’, als ik het goed begrepen heb, want de oorsprong van alle documenten is weergegeven, maar ze effectief weer samenvoegen zou een bovenmenselijke opgave zijn. Het organische geheel is in feite voorgoed weg.

V.D.: Ja, maar we doen het nu dus helemaal anders.

D.P.: Wat is het verzamelgebied van het Archief van de Koninklijke Musea?

V.D.: Ik heb het beleid van het Archief voor Hedendaagse Kunst bijgesteld toen ik er begon te werken. Je kan immers geen archief uitbouwen dat over alles handelt. Het was belangrijk om een kern te definiëren. We concentreren ons op Belgische kunstenaars die in België of elders in de wereld hebben tentoongesteld. Dat is onze focus.

 

2.

Koen Brams: Hans en Fredie, jullie zijn werkzaam aan universiteiten en begeleiden studenten bij hun verhandelingen of scripties. Hoe bereiden jullie studenten voor op het werken in archieven?

F.F.: Vooraleer een student naar een archief te sturen, moet hij of zij eerst literatuuronderzoek doen. Ik stuur studenten nooit onvoorbereid op een archief af. Eenmaal het literatuuronderzoek is afgerond en niets een bezoek aan het archief nog in de weg staat, leg ik ze altijd goed uit dat ze misschien heel veel materiaal zullen vinden en dat het gevaar bestaat dat ze erin zullen verdrinken.

H.D.W.: Je hebt gelijk om de studenten eerst literatuuronderzoek te laten doen, maar daar wringt het schoentje. In het vorige nummer van De Witte Raaf heb ik aandacht gevraagd voor de lamentabele toestand van onze kunstbibliotheken en heb ik opgeroepen om er iets aan te doen. Ik kan niet genoeg herhalen dat we op dat vlak moeten investeren opdat studenten de kans zouden krijgen om gedegen literatuuronderzoek te doen.

J.C.: Ik moet Hans bijtreden: op het vlak van de secundaire literatuur zijn er hopeloos veel lacunes. Dat is onbegrijpelijk. Het betekent dat studenten zich niet goed kunnen oriënteren vooraleer archieven te bezoeken.

F.F.: Ik stuur mijn studenten naar verschillende bibliotheken. Vlaanderen is niet zo groot. Er bestaat ook zoiets als interbibliothecair leenverkeer.

J.C.: Veel tijdschriften staan ook online.

H.D.W.: Ik weet het, Jan. Maar het echte materiaal is belangrijk. Waarom? Omdat kennisuitbreiding ook te maken heeft met het vinden van wat je niet zocht. Ik noem dat transversale kennisuitbreiding. We zijn goed op weg om die mogelijkheid uit te sluiten. Ik zet de afbeeldingen die ik in mijn colleges gebruik ook niet online omdat ik mijn studenten dan een fundamenteel plezier ontneem, namelijk een spannende zoektocht in talloze boeken.

J.C.: Akkoord, ik ben het met je eens.

V.D.: Nu google je en op enkele seconden weet je het artikel te vinden waar je naar op zoek bent. Vroeger spendeerden we dagen in het doorbladeren van de Revue Belge de Philologie et d’Histoire.

H.D.W.: We richten ons nu te eenzijdig op het internet. Het is de enige kennisbron aan het worden. De snelheid van het medium is echter enorm verraderlijk.

F.F.: Ja, dat is waar, maar ik denk niet dat het noodzakelijk is dat alles op één plek zit.

H.D.W.: Ik vind het onbegrijpelijk dat we niet beschikken over een kennisinstrument om onze rijke artistieke traditie en de levendige kunstscene van vandaag te bestuderen. Er is nu geen plaats waar jonge vorsers kunnen groeien in dat kennisveld. Om een schrijnend voorbeeld te geven: het kan toch niet dat van het belangrijke Amerikaanse tijdschrift October slechts één volledige collectie is te vinden in België, namelijk in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, waarvan de bibliotheek echter slechts twee namiddagen per week toegankelijk is…

V.D.: …dat moet ik corrigeren. De bibliotheek is twee dagen per week open. Ik zeg niet dat dat een gunstige situatie is, maar twee dagen is wel het dubbele van twee namiddagen! We zouden de bibliotheek en het archief graag vijf dagen per week openstellen, maar we hebben er eenvoudigweg niet het personeel voor. Er hebben nooit minder personeelsleden gewerkt dan nu, terwijl wij de grootste collectie boeken en documenten over beeldende kunst bezitten in België.

J.C.: Ook het archief is slechts twee dagen per week open. Je moet werken in een klein kantoortje en je hebt geen internet ter beschikking. Het archief is wel degelijk toegankelijk en raadpleegbaar, maar de omstandigheden zijn niet optimaal.

V.D.: De situatie is niet ideaal, daar treed ik jullie in bij. Ik begrijp dat onderzoekers niet blij zijn. Toch zijn we niet gelukkig met die negatieve commentaar omdat die afbreuk doet aan de grote inspanningen die we leveren om ten minste die minimale service te kunnen blijven garanderen.

F.F.: Ook elders moet je vaak in primitieve omstandigheden werken, bijvoorbeeld in het Design Museum in Gent. Daar zit ook heel veel in kartonnen dozen op zolder, zonder klimaatregeling, een echt trieste situatie.

D.P.: Zelf geef ik een seminarie aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent over kunst in de jaren 80 en mijn studenten krijgen de opdracht om onderzoek te verrichten over één tentoonstelling die in België in de jaren 80 plaatsvond. Ze zijn verplicht om archiefonderzoek te doen. Sommigen studenten gaan naar het S.M.A.K. en krijgen te horen dat de archiefwerking is afgeschaft. Zo krijg je nog eens feedback over de toestand van onze archieven.

H.D.W.: Dat kan je wel zeggen, ja.

D.P.: Het S.M.A.K. is een publieke instelling. Het archief reikt terug tot de jaren 50 toen de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst werd opgericht. Als er geen archiefwerking is, betekent dat ook dat de ontstaansgeschiedenis van het eerste museum van hedendaagse kunst van België niet kan worden onderzocht.

H.D.W.: Het is een mentaliteitskwestie. Er staan overal kartonnen dozen en men verwart dat met een archiefwerking.

D.P.: Als archiefstukken in kartonnen dozen zitten en als die kartonnen dozen niet geïnventariseerd zijn, dan kunnen documenten vergaan of verdwijnen.

H.D.W.: Absoluut.

F.F.: Er gaat inderdaad veel verloren.

K.B.: Hans, jij verwees in je eerste tussenkomst naar Amerikaanse archieven.

H.D.W.: Een wereld van verschil in vergelijking met Belgische archieven, zowel op het vlak van de conservatie als op dat van de systematische ontsluiting van de archiefstukken. Op sommige plekken in België worden de stukken goed bewaard, maar is er geen systematische ordening. Op andere plekken heerst de totale willekeur. Belangrijke archiefstukken zitten ongeordend in kartonnen dozen. Zelfs op het elementaire vlak is het een aanfluiting van conservatie. Het moet echter gezegd dat onze instellingen eenvoudigweg niet over de middelen beschikken om archieven goed te bewaren en systematisch te ontsluiten. We moeten op diezelfde nagel blijven kloppen.

 

3.

K.B.: Wat zijn de best practices in België?

J.C.: Het Letterenhuis in Antwerpen. Dat is vijf dagen per week toegankelijk. Op hun website kan je zien welke stukken ze hebben. Vraag je die ter plekke op, dan liggen ze binnen het kwartier op je werkplek. Er staan computerterminals en er is een fotokopieerapparaat. De digitale doorzoekbaarheid kan nog worden verbeterd, dat wel, maar daar schijnen ze werk van te willen maken.

F.F.: Een archief dat ik redelijk goed ken en waar ik veel waardering voor heb, is het KADOC in Leuven. Wat ik interessant vind, is de thematische – in dit geval: maatschappelijke – insteek van dat archief. Het is een behoorlijk brede maar toch consistente verzameling. Dat er ook kunstenaarsarchieven worden bewaard, vind ik een meerwaarde. De archivarissen die in dergelijke instituten werken, hebben een bredere kijk op de archiefstukken. Dat is zonder meer een pluspunt.

V.D.: Ja, zoals het Amsab in Gent…

F.F.: Zowel het KADOC als het Amsab heeft trouwens goede relaties met een universiteit.

J.C.: De archiefinstellingen en de universiteiten zouden structureel met elkaar moeten samenwerken. Wat men reeds verzameld heeft, kan dan object van onderzoek zijn en omgekeerd kan het onderzoek het verzamelen aansturen. Het probleem van de kartonnen dozen is dan meteen opgelost.

H.D.W.: Dat is een terechte suggestie. In Rennes timmert Jean-Marc Poinsot al jaren aan de weg. Hij heeft het initiatief genomen om archieven van kunstcritici bijeen te brengen. Het centrum, Les Archives de la Critique d’Art, geeft ook een tijdschrift uit waarin aandacht wordt besteed aan de verworven archieven. Ik zou me kunnen voorstellen dat zo’n centrum aan een instituut – een museum of een universiteit – wordt gekoppeld om onderzoek te faciliteren.

V.D.: Je kan niet stellen dat er nu geen samenwerking is tussen archiefinstellingen en universiteiten. We gaan toch niet zoals de Getty beurzen moeten geven aan onderzoekers opdat er onderzoek zou worden verricht in onze archieven?

H.D.W.: De Getty geeft niet zomaar geld aan onderzoekers. Die tijd is gedaan. Het moet een ernstig project zijn, willen ze er geld in stoppen.

J.C.: In België is onderzoek op dit moment geen prioriteit. Laten we daar tenminste voor uitkomen. Michel Draguet, directeur van de Koninklijke Musea (Brussel) en Paul Huvenne, directeur van het Koninklijk Museum (Antwerpen), om slechts twee hoofdrolspelers te noemen, zullen niet het initiatief nemen om de archieven op orde te brengen, uit te breiden en te valoriseren voor onderzoek.

V.D.: Het is niet correct om te zeggen dat er nu niets gebeurt.

J.C.: Ik stel de zaken misschien als totaal hopeloos voor terwijl er natuurlijk wel uitzonderingen zijn. Jij hebt bijvoorbeeld die mooie onderzoekstentoonstelling gemaakt over het tijdschrift Quadrum. Dat was een project dat rechtstreeks vanuit het archief tot stand was gekomen, maar dat is een uitzondering.

V.D.: Als we de vergelijking met de situatie in de Verenigde Staten willen maken – bijvoorbeeld de Getty Foundation – dan moeten we erbij vermelden dat ons patrimonium publiek is, terwijl de collecties in de Verenigde Staten veelal in private handen zitten. Ze zijn tot stand gekomen met de financiële bijdragen van mecenassen en sponsors. De archieven en bibliotheken in de Verenigde Staten zijn fantastisch, vele malen belangrijker en beter ontsloten dan de onze, maar ze zijn feitelijk geprivatiseerd.

H.D.W.: Dat klopt, maar de collecties, bijvoorbeeld in de Getty in Los Angeles, zijn wel toegankelijk voor onderzoekers.

V.D.: Ze zijn inderdaad publiek toegankelijk, maar ik vind het toch belangrijk om op dat fundamentele verschil te wijzen.

J.C.: In Amerika heeft men een heel andere omgang met archieven. Fundraising is er geen vies woord. Het is er een vak apart. Er wordt terecht opgemerkt dat hier onvoldoende geld is: dat men dan geld zoekt om de archief- en bibliotheekwerking te verbeteren. Ik heb Pontus Hultén gekend. Hij zei me dat hij overal waar hij gewerkt heeft – in Zweden, Frankrijk en de Verenigde Staten – steeds op zoek was naar geld. Hij heeft natuurlijk ook tentoonstellingen gemaakt, maar hij was immer en altijd bezig met fundraising. Dat was zijn grote talent. Er zijn bij ons ook potentiële mecenassen, maar we moeten ze weten te vinden. Wisten jullie dat Pierre Bergé in Frankrijk elk jaar geld wegschonk aan onder meer de Bibliothèque Littéraire Jacques Doucet en de Bibliothèque nationale de France? Dat zijn nochtans geen privé-instellingen.

H.D.W.: In Vlaanderen is Thomas Leysen opgestaan om het Rubenianum te redden.

J.C.: Dat is een na te volgen voorbeeld. Maar heeft Albert Frère al één euro uitgegeven aan een artistiek of cultureel project? Ik dacht het niet. En er zijn toch nog kapitaalkrachtige ondernemers in dit land. Waar wachten zij op?

H.D.W.: De Europese situatie, geheel gestoeld op de overheid als motor van het artistieke en culturele leven, verschilt natuurlijk grondig van de Amerikaanse, waarvan de werking grotendeels op het initiatief van particulieren berust. De musea in Amerika worden rechtgehouden door weldoeners – mensen die investeren in de musea en de geïnvesteerde gelden aftrekken van hun belastingen.

K.B.: Dat brengt ons bij een cruciale vraag: waarom kan een groot project op het vlak van archieven en bibliotheken hier niet rekenen op krediet, noch van overheidswege, noch van particulieren? Waarom is hier niet mogelijk wat wel kan in Frankrijk, Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten, om slechts die landen te noemen?

H.D.W.: Gedeeltelijk zijn we zelf schuldig. Wij hebben tot dusverre onvoldoende gecommuniceerd over deze kwestie. Onlangs sprak ik erover met Roger Dillemans, ererector van de KUL. Ik vroeg hem of hij wist dat wij in België niet beschikken over een kunstbibliotheek die naam waardig. Hij viel van zijn stoel. Hij wist dat niet omdat niemand hem dat ooit verteld heeft. Dat is dramatisch.

K.B.: Maar waarom is er hier, zowel in België als in Vlaanderen, een gebrek aan zorg? Waarom is er geen visie op archieven en bibliotheken? Waarom hebben we er te weinig geld voor over?

H.D.W.: Je kan de vraag ook omkeren en vragen waarom er in de Verenigde Staten zoveel aandacht en zorg voor is. In de Verenigde Staten is er een ‘historisch tekort’, terwijl wij een ‘historisch overschot’ hebben. Maar dat mag geen alibi zijn om alles hier te laten verslonzen.

K.B.: Virginie, heb jij een antwoord op deze vragen?

V.D.: Het is misschien niet juist wat ik ga zeggen, maar ik wil toch de volgende verklaring op tafel leggen: in Frankrijk is het beleid gecentraliseerd en de kwestie van de archivering is er centraal geregeld. In België heeft de federalisering een einde gemaakt aan het centraal gestuurde beleid inzake archieven. Zowel de gemeenschappen en de gewesten als de federale overheid houden zich bezig met archieven. Coördinatie tussen al deze beleidsniveaus is zo goed als afwezig of berust op het initiatief van individuele verantwoordelijken. Door de opeenvolgende staatshervormingen is het archiefbeleid ontregeld en er is geen nieuw samenhangend beleid ontwikkeld.

 

4.

K.B.: Het is duidelijk dat er in de ons omringende landen veel meer belang wordt gehecht aan archieven dan hier. Het risico is niet denkbeeldig dat een aantal archieven naar het buitenland zullen verdwijnen — in het vorige nummer is aandacht geschonken aan zo’n mogelijke transfer, het archief van Jef Verheyen.

J.C.: Ja, dat is een goed voorbeeld… Maar we hebben hier in België allemaal uitnodigingskaarten op onze zolder of in onze kelder liggen. Wel, de Amerikanen hebben er geld voor veil om die te hebben. Ik zal een boude uitspraak doen: als iemand belangstelling heeft om diepgaand onderzoek te doen over de kunst van de jaren 50 of 60 in Europa, dan zal hij naar de Verenigde Staten moeten; musea en universiteiten kopen er aan grote snelheid zaken op.

D.P.: Kan je daar wat meer toelichting bij geven?

J.C.: Ze weten dat die uitnodigingskaarten onderzoekswaarde hebben. Die uitnodigingskaarten kunnen met andere woorden ‘geëxploiteerd’ worden. Ze hebben heel goed naar de wereldkaart gekeken en een duidelijke strategie op poten gezet. Ze verzamelen niet om te verzamelen. Met de stukken die ze verwerven, maken ze tentoonstellingen en boeken.

K.B.: In de Verenigde Staten heeft men blijkbaar belangstelling voor wat er elders is gebeurd. Musea als het MoMA ondernemen een heuse strooptocht in Europa. De Getty heeft het hele archief van de Duitse galerist Paul Maenz aangeschaft. Zij zien zich duidelijk als globale spelers. Moeten onze instellingen hetzelfde doen of zich beperken tot de Belgische kunst en de Belgische kunstenaars?

V.D.: Ik denk dat we ons tot Belgische kunst moeten beperken.

J.C.: Ik ben het daarmee eens: je kan niet alles verzamelen.

H.D.W.: Ik denk dat het beter is dat wij tenminste op Europese schaal denken.

V.D.: Wij hebben net het archief verworven van de Antwerpse galerie Ad Libitum. Dat ís een archief met een Europese dimensie. Het internationale karakter van de Belgische kunstscene blijkt uit dit archief.

D.P.: Jan, hoe toeschietelijk zijn de Belgische musea om archieven te kopen?

J.C.: Ik herinner me dat ik ooit brieven van Ensor wilde verkopen aan de Koninklijke Musea. Het was op een moment dat Virginie er nog niet werkte. Ik kreeg te horen dat sommige brieven al gepubliceerd waren. Ik merkte op dat de transcriptie van die brieven te wensen overliet, maar dat raakte hun koude kleren niet. Ik heb ze in Amerika aan de man gebracht. Het archief van Paul-Gustave van Hecke is een ander voorbeeld. Van Hecke was onder andere de uitgever van het legendarische tijdschrift Variétés. Een figuur van onschatbaar belang, zowel op het vlak van de beeldende kunst als de literatuur. Toen hij stierf, was er zo goed als niets bij hem thuis te vinden. Niets. Onvindbaar. De wildste hypotheses deden de ronde. Wat niemand wist, is dat heel veel bij kunstpromotor Emile Langui was beland. Pas toen diens vrouw overleed, dook Van Heckes archief op. Haar erfgenamen hebben het laten veilen bij Bernaerts. Bij het begin van de veiling werd een document overhandigd waarin bepaald werd dat loten zouden worden samengevoegd. Normaal gezien moet dat vooraf bekend zijn. Een heel schimmige figuur heeft die samengevoegde loten gekocht. Hij gaf duizend euro meer dan de andere bieders. Nadien is die hele boedel uit elkaar getrokken, terwijl een of meerdere musea het geheel hadden moeten kopen. Het had voor de hand gelegen dat de Koninklijke Musea het geheel hadden gekocht, alleen of samen met het Letterenhuis.

V.D.: In het geval van Van Hecke zijn we er niet in geslaagd om de buit binnen te halen. We hadden moeten kunnen onderhandelen met de erfgenamen voor de veilingcatalogus werd gemaakt. Die kans hebben we gemist. Ik krijg nog altijd buikpijn als ik aan die verkoop denk.

J.C.: Een ander verhaal: ik kocht op een bepaald moment een brief van Ensor, vergezeld van een soort van installatieplan van hemzelf voor een retrospectieve in de jaren 30 in het Koninklijk Museum in Antwerpen. Ik heb dat aangeboden aan het museum in Brussel. Men was niet geïnteresseerd. Ik heb het verkocht aan het Getty in Los Angeles. Ik vroeg niet eens een krankzinnige prijs. Ik heb ook altijd braaf een exportvergunning aangevraagd – vanaf het moment dat dat verplicht was – en ik heb ook altijd de toelating gekregen. Er is nooit een poging ondernomen om een verkoop tegen te houden of om stukken hier te houden.

D.P.: Het installatieplan van Ensor betrof het Koninklijk Museum van Antwerpen. Heb je dan de reflex om dat eerst aan het museum van Antwerpen aan te bieden?

J.C.: Ja. Het museum van Antwerpen verzamelt documenten betreffende hun eigen collectie. Maar ik heb het gevoel dat directeur Paul Huvenne zijn personeel — de bibliothecaris en de archivaris — niet stimuleert om actief stukken te verwerven. In de Koninklijke Musea van België is dat anders. Met de komst van Virginie is er veel ten goede veranderd.

V.D.: Ik denk dat het belangrijk is om vanuit de eigen collectie te redeneren als het gaat over de verwerving van archieven.

J.C.: Op een bepaald moment werd ik gecontacteerd door de weduwe van Robert Delevoy, voorman van de Jeune Peinture Belge en voormalig directeur van La Cambre. Zij wilde verhuizen en de archiefdozen en de bibliotheek van haar man mochten niet mee. Zij bleek het archief van de legendarische Galerie Apollo te bezitten. De inventaris besloeg niet minder dan 60 bladzijden. De Koninklijke Musea hadden vroeger al een stuk verworven. Het was dus logisch om hen de rest aan te bieden. Men was niet geïnteresseerd. Ik nam contact op met Saskia Scheltjens, die toen bibliothecaresse was van het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst (P.M.M.K.) van Oostende. Zij had belangstelling. Het Delevoy-archief is door het P.M.M.K. verworven.

K.B.: Jan, ik neem aan dat jij een zo hoog mogelijke prijs wil bedingen voor jouw waar?

J.C.: Nee. Ik denk dat ik realistisch ben. Ik wil niet het onderste uit de kan halen, in tegenstelling tot sommige van mijn collega’s. De prijzen die sommigen durven te vragen, vind ik echt absurd.

V.D.: Jan is niet zoals andere ‘pseudohandelaren’. Die laatsten vormen echt wel een echt probleem voor ons.

J.C.: Ja, dat klopt.

K.B.: Op wie doelen jullie?

V.D.: We hebben het over handelaren die geen handelsregister hebben. Ze komen altijd met kleine partijen documenten af. Het zijn halve handelaren, halve verzamelaars, particulieren dus. Ze kennen de waarde van de dingen niet en drijven de prijzen nodeloos op.

J.C.: Dat soort pseudohandelaren betaalt BTW noch belastingen.

K.B.: Jan, hoe benader jij klanten als je iets in de aanbieding hebt?

J.C.: Hoe ik daarbij te werk ga? Ik moet eerst onderhandelen met de particulier die gaat verkopen. Dikwijls wordt er theater gespeeld. Zo’n particulier wendt dan voor dat hij er niets van kent, maar als puntje bij paaltje komt, blijkt hij zelf al enkele musea te hebben afgeschuimd. Dat gebeurt steeds vaker. Ze hebben overal prijzen gehoord en dan komen ze bij mij en gebaren ze van kromme haas. Al moet ik eraan toevoegen dat erfgenamen het soms niet gemakkelijk hebben om hun archief ergens onder te brengen. Ze worden soms ook door instellingen onder druk gezet om het archief te schenken. Soms functioneer ik als een soort buffer.

D.P.: En als jij belangstelling hebt om een archief aan te kopen?

J.C.: Ik heb onlangs een archief gekocht betreffende de Russische balletten. Ik dacht dat ik een stommiteit had begaan. Het was een stapeltje Russische brieven. Er waren heel wat brieven in het cyrillisch bij. Ik moest onmiddellijk de knoop doorhakken. Ik kon niet alles bij de verkoper doornemen. De verkoper wou onmiddellijk geld zien. Dat is onze kracht, in vergelijking met collega’s: dat we onmiddellijk betalen. Mensen hebben soms echt geld nodig… Bleek achteraf dat er een paar brieven van Stravinsky in zaten.

D.P.: Aan wie bied je dan zo’n brievencollectie aan?

J.C.: De Bibliothèque nationale de France heeft een hele grote collectie van de Russische balletten. Een stuk van dat archief was er al beland. Wat wij aanboden, hoorde daar terecht te komen, maar dan start de onderhandeling over de prijs. De Bibliothèque nationale moest eerst sponsoring zien te vinden. Enige tijd daarna kreeg ik het bericht dat Bruno Racine, de grote baas van de Bibliothèque nationale, zeer geïnteresseerd was en niet meer wilde wachten. Zo’n verkoop vindt dus niet op een, twee, drie plaats. Het is een proces van maanden. Wat ik daar zelf aan verdiend heb, als je alles optelt en aftrekt? Het loon van een leraar?

K.B.: Werk jij bij voorkeur met publieke instellingen?

J.C.: Ja. We hebben nog nooit een archief aan een particulier verkocht, denk ik.

K.B.: Hebben particulieren niet steeds meer interesse voor archieven?

J.C.: Nee, dat denk ik niet. De archieven die wij verkopen zijn vaak te omvangrijk om behapbaar te zijn voor een particulier. Particulieren zijn verzot op losse handschriften met bijvoorbeeld een tekening van Chagall. Maar dat is een totaal andere handel.

V.D.: Particulieren hebben meer belangstelling gekregen voor archieven, maar er is altijd een zeker fetisjisme mee gemoeid. Privépersonen zullen nooit een volledig archief kopen. Ze zijn eerder op zoek naar een brief of iets dergelijks. Vaak kunnen ze zich geen kunstwerk van René Magritte of Marcel Broodthaers veroorloven. Een brief of een kattebelletje lukt nog net wel en daarop richten ze dan al hun pijlen. Zo’n brief van Magritte met een tekeningetje kaderen ze dan in en hangen ze aan de muur. Bij veilingen zijn er talloze van deze mensen die de prijzen doen exploderen.

J.C.: Ik wil hierbij opmerken dat een kunstenaarsarchief ook een omgekeerd effect kan hebben. Het kan de waarde van het werk van die kunstenaar op de kunstmarkt vergroten. Ook hier is het archief van Jef Verheyen misschien een goed voorbeeld.

V.D.: Dat de markt voor moderne en hedendaagse kunst nooit zo’n hoge prijzen heeft gehaald als nu, heeft als negatief effect dat een heleboel kopers zich nu richt op efemera. Bij Bernaerts is ooit een postkaart van Bugatti geveild – een postkaart met een handtekening om precies te zijn. Een particulier had er 5.000 euro voor over. Een catastrofale stommiteit, want daardoor blijven de prijzen voor efemera maar stijgen. Het zijn ware fetisjisten. Een traktaat, mooi blad papier, getypt, vinden ze maar niets, maar aan een uitnodigingskaart van een Magrittetentoonstelling, voorzien van een afbeelding, kunnen ze niet weerstaan. Wij kopen alleszins geen aparte documenten meer – of in ieder geval slechts in zeer uitzonderlijke gevallen.

 

5.

V.D.: Ik wil graag een andere kwestie ter sprake brengen: er stellen zich op het vlak van het archiveren nieuwe problemen, paradoxaal genoeg in verband met de nieuwe media die een zo grote hulp zijn geweest bij het opzetten van nieuwe ontsluitingssystemen.

D.P.: Wat zijn die problemen?

V.D.: De digitalisering stelt ons voor enorme uitdagingen. Wat doen we met digitale archieven? Databestanden? Bewaren we e-mails of smijten we die in de prullenmand? Moeten websites, digitale magazines en blogs worden geconserveerd? Wat denken de makers van die digitale producten ervan? Staan zij daarbij stil? Hebben zij oplossingen?

H.D.W.: Informatie wordt inderdaad almaar sneller rondgepompt.

V.D.: Er zijn talloze vragen. Moeten we onze oude fichebakken wegkieperen? In de Verenigde Staten is daar nu een discussie over aan de gang: wat doen we met de fiches, eenmaal ze zijn ingegeven in de computer? Ik ben van mening dat we die fiches moeten behouden. Vaak bevatten ze meer informatie dan wat in de computer wordt ingevoerd. Digitalisering mag niet hand in hand gaan met de vernietiging van delen van het archief, ook niet omwille van zogenaamd plaatsgebrek. Ook over het vraagstuk van de originaliteit roept de digitalisering een debat op. Wat is de status van een origineel, een gedupliceerd of een gedigitaliseerd document? Moeten we zowel het origineel als het gedupliceerd en het gedigitaliseerd document bewaren, of enkel het gedigitaliseerd document, omwille van plaatsgebrek? We moeten daar grondig over nadenken. Ik ben ervan overtuigd dat we steeds het originele papieren stuk moeten conserveren. Als ik een uitnodiging via e-mail ontvangen, dan print ik en klasseer ik die.

J.C.: Virginie, jij hebt zeer onderbouwde ideeën over het archief, maar zijn die wel bekend? Misschien blijft jouw beleidsvisie onderbelicht.

V.D.: Ik sta in contact met mijn collega’s in Brussel, Vlaanderen en Wallonië.

D.P.: Wat houden die contacten in?

V.D.: Als we zien dat er een interessant archief wordt aangeboden door een marchand of een veilinghuis, contacteer ik mijn collega’s. We willen niet concurreren met hen.

F.F.: Jullie hebben dus afspraken gemaakt over wie wat verzamelt?

V.D.: Ja, wij voeren overleg met elkaar en spreken over de kernen in onze collecties, al moet ik hier ter relativering aanvoeren dat we niet van alle collega’s de focus van hun collectiebeleid kennen. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent heeft laten weten zich te willen concentreren op het Vlaams expressionisme. Dat betekent dat wij er onze handen van afhouden. Een ander voorbeeld: het S.M.A.K. is begonnen met een Broodthaerskabinet. Ik stel mij dan meteen de vraag of de Koninklijke Musea nog duizenden euro’s moeten blijven uitgeven om archiefstukken over of van Broodthaers aan te schaffen. Hetzelfde geldt voor Panamarenko, sinds het M HKA zijn huis en inboedel heeft verworven. We willen de prijzen niet nodeloos opdrijven, dat heeft geen enkele zin. Ons verzamelbeleid is ook gericht op het contextualiseren van onze collectie, al zullen we ook steeds een centrum van archieven blijven. In die zin staan we open voor alle relevante archieven. De enige beperking is van financiële aard, daar valt jammer genoeg niet aan te ontsnappen.

D.P.: Is het overleg van structurele aard of is het eerder ad hoc?

V.D.: De contacten zijn niet van structurele aard. Wij voeren overleg als we in een verkoopscatalogus een interessant lot opmerken of als een handelaar ons een belangrijk archief aanbiedt. Ik zeg dan aan mijn collega’s dat wij belangstelling hebben en vraag of zij er ook iets in zien. Zo’n overleg is in ieder geval noodzakelijk als het om één of enkele items gaat, zoals een brief van een kunstenaar. Dan is het echt van belang om na te gaan waar die brief het best bewaard wordt – waar die brief een juiste context vindt. Ik kijk daarbij ook over het muurtje van de beeldende kunst. Het gebeurt bijvoorbeeld dat ik contact neem met de Archives & Musée de la Littérature in Brussel.

D.P.: Heb jij zelf die contacten opgebouwd of waren er al contacten voordat jij aan het hoofd kwam van het Archief voor Hedendaagse Kunst in België?

V.D.: Die contacten bestonden voorheen niet. Wat voor mij telt, is dat een archief openbaar wordt. Of het nu via een Vlaamse of een federale instelling is, maakt me niet uit.

K.B.: Die contacten zijn persoonsgebonden, wat erg risicovol is. Als jij je post verlaat, dan kunnen ze verwateren.

V.D.: Ja, dat klopt. We zijn niet verplicht ze te onderhouden. Het berust op vrijwilligheid. Het is dus geen beleid dat zal worden gecontinueerd, ongeacht wie de leiding over het archief heeft. Ik moet er wel aan toevoegen dat in Brussel de contacten met bijvoorbeeld de Vlaamse Gemeenschapscommissie wel geformaliseerd zijn. Het is niet omdat we een federale instelling zijn dat we niet kunnen meewerken aan projecten van de gemeenschappen. We weten dat het onderzoek niet ophoudt aan de poort van de stad.

 

6.

K.B.: Het Archief voor Hedendaagse Kunst in België is een federale instelling. In Vlaanderen is er een Letterenhuis, maar geen huis voor de (archieven van) beeldende kunst. Is dat een probleem? Moet er een thematisch archief worden gecreëerd voor de beeldende kunst?

J.C.: Ook het Letterenhuis heeft dossiers over beeldende kunst. Ik denk niet dat die zullen worden overgedragen aan een eventueel nog op te richten instelling. Dat geldt niet enkel voor het Letterenhuis, maar voor tal van instellingen die nu reeds archieven inzake beeldende kunst herbergen.

V.D.: De archieven bevinden zich nu reeds op heel veel plaatsen. Je kan die andere instellingen niet sluiten en het materiaal overbrengen naar één instituut dat zich zou richten op één onderwerp. Het is ondenkbaar dat dat zou gebeuren, maar het is ook niet wenselijk omdat archieven per definitie heterogeen zijn. Een homogene archiefinstelling is in zekere zin een contradictio in terminis.

F.F.: Op het vlak van architectuurarchieven is er de laatste jaren een debat gevoerd, aangezwengeld door het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa), dat zelf geen archief heeft maar actief beleid ontwikkelt terzake. Het CVAa bemiddelt tussen eigenaren en archiefinstellingen en gaat steeds op zoek naar een oplossing op maat. Ik vind dat een positieve ontwikkeling.

J.C.: Zo’n bemiddelingsorgaan is inderdaad toe te juichen. Organiseren zij ook overleg tussen de archiefinstellingen? Dat zou helemaal fantastisch zijn. Wat mij betreft zou het al een grote vooruitgang zijn mocht er een portaal zijn waarop de onderzoeker informatie kan krijgen over de inhoud van alle archieven te lande.

K.B.: Er is nood aan een helder aanspreekpunt?

J.C.: Ja. Er zou enorme winst kunnen worden geboekt als er een website zou bestaan waarop alle Belgische archieven hun materialen ontsluiten. Met een paar muisklikken zou je te weten kunnen komen waar wat zit. Nu moet iedereen het voor zichzelf uitzoeken en wordt er over een aantal zaken ronduit geheimzinnig gedaan. Iemand moet je nu bijvoorbeeld influisteren dat het archief van het Paleis voor Schone Kunsten zeer de moeite waard is.

D.P.: We weten nu inderdaad gewoon niet over welke materialen de bestaande instellingen beschikken. Dat het Museum voor Schone Kunsten van Gent het archief van Galerie Vyncke-Van Eyck heeft verworven is bijvoorbeeld een goed bewaard geheim.

F.F.: Zo’n website lijkt mij geen slecht idee. Ten eerste zou in kaart moeten worden gebracht waar de archieven zich bevinden en hoe ze kunnen worden geconsulteerd. Daarnaast zou elke instelling in zekere zin geprikkeld moeten worden om een eigen profiel te schetsen. Het is echter belangrijk om dit te vermelden: de personen die in archieven tewerkgesteld zijn, zijn vaak ontzettend begaan met de materialen waarover ze waken en zijn veelal uitstekende gidsen. Hun rol kan niet worden overschat. Een website kan die functie niet overnemen.

V.D.: Ik ben ook een absolute voorstander van zo’n website, maar wie gaat die maken? De Vlamingen, de Walen of de Brusselaars? We komen altijd weer uit bij dat politieke probleem.

H.D.W.: Dat is juist. Niet alleen bijna alle kennisgebieden zijn gefederaliseerd, ook de financiële hefbomen. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat de laatst overgebleven federale culturele en wetenschappelijke instellingen mogen worden verwaarloosd. Integendeel, zie dit als een oproep voor de krachtige ondersteuning van de federale instellingen.

V.D.: Het probleem is Belgisch en heeft te maken met onze problematische staatsinrichting: belastingvoordelen op het vlak van de aankoop van kunst en cultuur zouden enorm stimulerend kunnen werken, maar de belastingen zijn een federale bevoegdheid.

H.D.W.: Het doen van schenkingen is hier belastingtechnisch gesproken niet interessant. Andere landen staan daar veel verder in.

J.C.: Dat brengt ons bij de vraag of Vlaamse en Waalse kunstenaars, verzamelaars, galeristen, critici en curatoren hun archieven later zullen willen overdragen aan een federale instelling. Begrijp me niet verkeerd, ik zou niet liever willen, maar is het realistisch?

K.B.: Het is een kwestie die we niet mogen veronachtzamen en die opnieuw de vraag oproept of er een specifiek archiefinstituut voor de beeldende kunst in Vlaanderen moet worden opgericht. Om een voorbeeld te noemen: het lijkt me onwaarschijnlijk dat het kunstenaarsarchief van Luc Tuymans op termijn in de Koninklijke zal terechtkomen.

H.D.W.: De kartonnen dozen met zijn polaroids heeft hij in ieder geval geschonken aan het M HKA.

 

7.

K.B.: Om af te sluiten zouden we ieder van jullie nog willen vragen om een aantal aanbevelingen te formuleren. Fredie?

F.F.: Ik kom graag terug op het idee van de mapping van alle archiefinstellingen zodat we voortaan weten waar welke documenten zitten. Het lijkt me ook een heel haalbaar voorstel. Het is in elk geval het eerste dat moet worden gedaan. Daarna kunnen de profielen van de diverse betrokken instellingen bekeken en eventueel aangescherpt worden zodat eigenaren van archieven beter weten waar ze met hun archieven naartoe kunnen.

J.C.: Ik zou ervoor willen pleiten dat de Belgische archiefinstellingen onder de loep worden genomen, en niet enkel de Vlaamse. Verder zou ik het prachtig vinden indien al deze Belgische instellingen ook met elkaar in overleg traden. Ten slotte: in de beste van alle werelden zou elk museum ten volle zijn archief benutten voor zijn werking. Want wat hebben we aan perfecte archieven als ze niet worden gebruikt?

H.D.W.: Het ideale scenario? Ik ben de mening toegedaan dat er in dat script een rol is weggelegd voor de universitaire instellingen. Ook zij hebben een verplichting. Kijk naar de manier waarop sommige Amerikaanse universiteiten de uitdaging aangaan, Austin (Texas), Yale, Harvard, Berkeley… Deze universiteiten wedijveren met elkaar om de beste archieven binnen te halen. Archieven zouden hier met dezelfde ernst moeten worden behandeld als in de Verenigde Staten. We moeten ons hieraan spiegelen. Misschien moeten onze universiteiten, net als de Amerikaanse, archiverende instellingen worden?

F.F.: Is het niet beter om de samenwerking te versterken tussen de archieven en de universiteiten?

H.D.W.: De academische wereld moet in ieder geval zijn verantwoordelijkheid opnemen.

D.P.: Virginie, kan jij de ideale situatie schetsen?

V.D.: Het ideale archief is een archief waarvan de stukken geïnventariseerd en ontsloten zijn, een archief waarvan de inhoud bekend is via brochures en websites, een archief dat maximaal toegankelijk is en gevaloriseerd wordt door het onderzoek dat er plaatsvindt. In ons geval zou het prettig zijn dat het archief meer naar waarde wordt geschat voor het maken van tentoonstellingen en publicaties.

D.P.: Is er genoeg waardering voor de archieven in de Koninklijke zelf?

V.D.: Dat is een erg goede vraag waarop ik een diplomatisch antwoord ga geven: er zou meer waardering kunnen zijn.

D.P.: Hoe bedoel je?

V.D.: De archieven zouden zichtbaar aanwezig moeten zijn in de zalen van de permanente collectie. De Tate, de Reina Sofia en het Centre Pompidou doen dat al. In het Musée Magritte doen we het ook: er zijn meer archiefstukken te zien dan kunstwerken.

 

Transcriptie: Liesbeth Martens

Redactie: Koen Brams

‘De boekhouder in de televisiemaker’

In het nummer van mei-juni 2011 stonden we uitgebreid stil bij de eerste vier afleveringen van het livetelevisieprogramma IJsbreker waarvan in 1983 en 1984 door de Vlaamse openbare omroep 22 afleveringen werden uitgezonden. Jef Cornelis, bedenker en (eind)realisator van IJsbreker, bracht met dit programma een totaal nieuwe manier van livetelevisie. Via straalverbindingen traden op drie locaties in België en/of Nederland mensen met elkaar in discussie over een door de redactie gekozen onderwerp, terwijl een moderator — ‘de stem’: Pol Hoste — onzichtbaar bleef voor het publiek… In deze aflevering focussen we op de twintigste episode van IJsbreker, gewijd aan computerkunst, die op 24 oktober 1984 op de buis kwam.

 

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Aflevering 20 van IJsbreker staat in het teken van ‘computerkunst’. Wie was met dat thema op de proppen gekomen?

Jef Cornelis: Pol Hoste en Marianne Van Kerkhoven waren mijn inhoudelijke medewerkers. Ze werkten parttime en stonden elk beurtelings in voor de inhoudelijke onderbouwing van een aflevering. Heeft een van hun tweeën het thema voorgesteld? Of heb ik zelf het onderwerp geagendeerd? Het was in ieder geval een thema dat op het juiste moment kwam. De computer was aan zijn onstuitbare opmars begonnen. Ik herinner me dat ik het belangrijk vond dat de Nederlandse kunstenaar Peter Struycken en de Belgische theoreticus Luc Steels deel zouden nemen aan het programma.

K.B./D.P.: Peter Struycken stelde op dat moment solo tentoon in het Groninger Museum.

J.C.: Inderdaad, dat was de aanleiding! Het Groninger Museum was een van de drie locaties, naast het atelier van Peter Beyls in Gent en de videoroom in Brussel, waar de componist Dick Raaijmakers en de informaticaspecialist Luc Steels te gast waren. Het was aanvankelijk de bedoeling om vaker in Nederland te opereren. Dat plan hadden we grotendeels moeten opbergen omdat de straalverbindingen vanuit Nederland peperduur waren. Voor de IJsbreker over computerkunst konden we weer aanpikken bij de oorspronkelijke opzet.

K.B./D.P.: Kende jij Peter Struycken?

J.C.: Ja, ik denk dat ik met hem reeds kennis had gemaakt. Waar of wanneer, vraag het me niet. Had hij in de jaren 60 niet de Sikkensprijs gewonnen? Is er ooit aandacht besteed aan zijn werk in Openbaar Kunstbezit? Hij liep in elk geval vaak langs bij de Vissers — de verzamelaars Mia en Martin Visser die ik ook af en toe frequenteerde. Stond hij in contact met Jean Leering? Frans Haks, de directeur van het Groninger Museum, zag ik in ieder geval regelmatig. Hij kwam ook bij de Vissers over de vloer en was een fan van mijn werk.

K.B./D.P.: Wie heeft het idee geopperd om Dick Raaijmakers uit te nodigen? Hij had in 1978 een opmerkelijke tekst gepubliceerd: De kunst van het machine lezen, in Raster nr. 6, dat volledig gewijd was aan ‘de kunst van de machine’.

J.C.: Die aflevering van Raster zullen we zeker geconsulteerd hebben. Was Pol ermee voor de pinnen gekomen? Goed mogelijk. Hoe heb ik Luc Steels leren kennen? Dat is een belangrijke vraag. Ik had hem zeker voordien ontmoet. Steels is een knooppunt.

K.B./D.P.: Kende je Steels misschien via de Montevideo Magazijnen van Annie Gentils? In 1981 had hij de openingstentoonstelling van de Antwerpse alternatieve kunstruimte verzorgd.

J.C.: Nee… Ik vermoed dat ik hem heb leren kennen toen ik eind jaren 70 vaak op de Vrije Universiteit Brussel vertoefde voor een film over het beroep van architect. Steels was een entrepreneur. Hij reisde veel en had een brede interesse.

K.B./D.P.: Opvallend is dat Steels alleen als wetenschapper geïntroduceerd wordt, terwijl hij ook artistieke activiteiten ontwikkelde. Dat wordt niet gezegd aan het begin van het programma, terwijl de uitzending over computerkunst handelt.

J.C.: Inderdaad, zijn dubbelrol wordt niet belicht, maar daar moeten jullie niets achter zoeken. Steels was inderdaad actief op de artistieke scene. Hij heeft trouwens Peter Beyls uitgenodigd om te werken in zijn Artificial Intelligence Laboratory dat hij in 1983 aan de VUB had opgericht.

K.B./D.P.: Peter Beyls en Rudi Blondia werkten vanuit Beyls’ huis aan de Coupure in Gent aan het programma mee. Hoe waren zij bij IJsbreker betrokken geraakt?

J.C.: Voor Beyls vatte ik meteen sympathie op. Hij was een ‘timide’ propagandist. Hoe was Blondia in de uitzending terechtgekomen? Via Beyls, dat kan niet anders. Zij moeten elkaar hebben gekend.

K.B./D.P.: In het archief van de VRT hebben we een document gevonden waaruit blijkt dat het eerst de bedoeling was om Hugo Brandt Corstius te benaderen. Uiteindelijk is de keuze gevallen op Dick Raaijmakers. Waarom?

J.C.: Brandt Corstius zal hebben geweigerd, maar zijn beweegredenen kan ik me niet herinneren. Ik was een groot liefhebber van het polemische werk van Brandt Corstius in Vrij Nederland — een scherpe pen, een slecht karakter. Naast polemist was hij computertaalkundige, het motief om hem te vragen voor het programma.

 

2.

K.B./D.P.: In het ongedateerde programmavoorstel van IJsbreker 20 dat we hebben teruggevonden in het archief van de VRT, wordt het volgende gesteld: ‘Aan de basis van het programma van 24.10 ligt een belangstelling om kunstenaars in beeld te brengen die in hun creaties elektronische machines betrekken: schilders, grafici, fotografen, cineasten, componisten, schrijvers, dichters, choreografen, architecten… taalkundigen, wiskundigen, logici, informatici, neurologen.’ In IJsbreker 20 komen echter slechts twee kunstvormen aan bod: beeldende kunst en muziek, waarbij zowel Peter Beyls als Rudi Blondia met beide bezig zijn. Waarom is er gekozen voor beeldende kunst en muziek?

J.C.: Dat waren de kunstvormen die op televisie het makkelijkst opgeroepen konden worden. Een andere reden kan ik me niet voor de geest halen.

K.B./D.P.: Waarom is er geen aandacht besteed aan literatuur die met de computer wordt gemaakt? Reeds in 1971 had Gerrit Krol APPI gepubliceerd, Automatic Poetry by Pointed Information. Daar had het bijvoorbeeld ook over kunnen gaan.

J.C.: Nogmaals, ik denk dat de tentoonstelling van Peter Struycken in het Groninger Museum aan de basis lag van de uitzending.

K.B./D.P.: Interesseerde het werk van Peter Struycken jou?

J.C.: Ik vond zijn werk doodvervelend, maar ik wist dat hij een goede pedagoog was.

K.B./D.P.: Dat laatste kan je ook stellen over Luc Steels. Aan het begin van de uitzending houdt hij een vrij lang betoog over zijn redenen om deel te nemen aan de uitzending. De inleiding sluit hij af met het tonen van zijn laptop, een zogenaamde symbolic 3600. Uit de gearchiveerde correspondentie blijkt dat jij wou dat hij die computer meenam. Het is een bewijs dat er een educatieve drijfveer was.

J.C.: Denken jullie dat ik vies was van educatief werk? Helemaal niet. Als je trouwens zeer zorgvuldig keek en luisterde, kon je veel te weten komen over het thema.

K.B./D.P.: De inleiding van de uitzending neemt veel tijd in beslag. Eerst geeft Luc Steels een introductie, vervolgens Dick Raaijmakers. Dan wordt overgeschakeld naar Groningen waar Peter Struycken het publiek uitnodigt om naar zijn diabeelden te kijken. De uitzending is al 26 minuten bezig wanneer voor het eerst Peter Beyls aan het woord wordt gebracht. Rudi Blondia moet nog langer op zendtijd wachten.

J.C.: Beyls had het woord kunnen claimen. In de zestiende IJsbreker over bodybuilding gebeurde dat al na twee minuten. Waarom heeft Beyls dat niet gedaan?

K.B./D.P.: Een mogelijke verklaring is het door Pol Hoste vastgestelde script, dat hij van naaldje tot draadje afwerkt. Ter inleiding van de diverse sprekers leest hij niet minder dan drie bladzijden voor. Als hij na 43 minuten Rudi Blondia aan de kijker voorstelt, spreekt hij de laatste woorden uit van zijn vooraf geschreven scenario. Voor de rest is hij afwezig terwijl hij wel had kunnen ingrijpen. Hij had bijvoorbeeld eerder aan Beyls kunnen vragen wat hij van het werk van Struycken vond.

J.C.: Het verliep allemaal zeer kalm, dat is een juiste constatering.

K.B./D.P.: Een andere verklaring voor Beyls’ laattijdige opwachting in het programma betreft het feit dat er op voorhand is gerepeteerd.

J.C.: Waar? In de studio? Wat noemen jullie repeteren?

K.B./D.P.: Een voorbeeld: als Beyls voor het eerst aan het woord komt, stelt Steels een vraag aan hem. Beyls zegt: ‘Het is zo, ik heb uw vraag slecht begrepen maar of er dus esthetische beslissingen overgelaten worden aan het [computer]programma?’ Hij kan die vraag toch alleen maar kennen omdat er een repetitie aan vooraf is gegaan?

J.C.: Repeteren, vergeet het! Alle betrokken regisseurs, één per locatie, waren slechts bij een voorbereidende vergadering betrokken. Na de aflevering spraken we elkaar nog een keer, bij de evaluatie. Meer zagen die mensen elkaar niet.

K.B./D.P.: Een ander voorbeeld: Steels stelt een vraag aan Struycken en die zegt: ‘om dat uit te leggen heb ik papier nodig’. Hij loopt naar een andere ruimte en daar staat een statief, met viltstiften en papier. Het is allemaal voorbereid. In de schema’s van het programma wordt ook tijd voorzien om te repeteren: ‘algemene repetitie van 19.45 tot 21.15’. Dat is anderhalf uur.

J.C.: Weten jullie wat je maar kan doen tijdens anderhalf uur? We werkten bovendien met primitieve middelen. Dat anderhalf uur diende vooral om te kijken of alles goed werkte. Het is natuurlijk wel zo dat we na 19 afleveringen de formule van haver tot gort kenden.

K.B./D.P.: Dat Struycken diabeelden zou vertonen was toch ook op voorhand geprogrammeerd? Het is in elk geval het meest vervelende stuk van de hele aflevering.

J.C.: Als dat niet was gepland, was er waarschijnlijk van alles misgelopen in dat museum.

 

3.

K.B./D.P.: In het VRT-archief hebben we een document aangetroffen van de hand van Pol Hoste. Ter voorbereiding van de aflevering over computerkunst had hij twee bladzijden met gespreksthema’s gedefinieerd. Hij had heel interessante vragen bedacht, maar geen enkele is aan bod gekomen in de uitzending. Bijvoorbeeld: ‘als een computer iets als creatief denken in mechanische modellen kan vertalen, in welke mate is hij dan in staat de kunstenaar een inzicht te geven in zijn artistieke activiteit? (En waar is dat goed voor?)’. Elders schrijft hij: ‘Die IJsbreker kan nog een geleerd programma worden’.

J.C.: Typisch Pol, die humor… Hij bereidde zich inderdaad goed voor en stelde massa’s informatie ter beschikking van mij en Marianne.

K.B./D.P.: Waarom is hij dan niet tussengekomen? Hij had zoveel interessante vragen kunnen stellen.

J.C.: Wij hebben aan die uitzending in zekere zin geen verdienste. De sprekers hebben het programma zelf gemaakt. Het schoof in elkaar zonder dat er veel moest geduwd worden.

K.B./D.P.: Luc Steels speelt wat dat betreft een belangrijke rol.

J.C.: Dan moest Pol zwijgen, dat was de afspraak. Steels was heel relaxed.

K.B./D.P.: Is het mogelijk dat Pol Hoste en Luc Steels een afspraak in die zin hadden gemaakt?

J.C.: Neen, dat is uitgesloten.

K.B./D.P.: Het is spontaan gebeurd?

J.C.: Ja. Aan die uitzending hebben we weinig werk gehad. De deelnemers hebben die uitzending zelf gemaakt.

K.B./D.P.: In zekere zin vervult Steels de rol van moderator. Hij stelt zeer goede vragen. Hij vraagt Struycken bijvoorbeeld of hij wel een computer nodig heeft om die beelden te maken: ‘Je zou het dus even goed met de hand kunnen schilderen en met de hand berekenen als het niet lang zou duren?’ 

J.C.: Impliciet voel je dat hij denkt dat de computer voor Struycken een soort speeltje is.

K.B./D.P.: Elke vraag die Steels stelt, is relevant.

J.C.: Hij wist wat hij aan het doen was. Raaijmakers is niet veel meer tussengekomen.

K.B./D.P.: Luc Steels blijft heel kalm, maar hij wordt altijd maar kritischer. Hij stelt vragen die niet altijd expliciet kritisch zijn, maar minstens impliciet.

J.C.: Ja, bijvoorbeeld over de kern van Struyckens kunstenaarschap: zit het artistieke in de programmatuur waarmee de beelden worden gemaakt of in de eindproducten, de beelden? Een goede vraag.

K.B./D.P.: Steels stelt weliswaar kritische vragen, maar het valt op dat alle gasten het fundamenteel met elkaar eens zijn. Over de basispremisse dat je met een computer kunst kan maken, bestaat niet de geringste twijfel. Waarom heb je er niet voor gekozen om iemand uit te nodigen die daarover wel van mening verschilde?

J.C.: Hugo Brandt Corstius was uitgenodigd, maar die stuurde zijn kat. Of die een tegenstem had laten horen, zullen we nooit weten.

K.B./D.P.: Waarom hebben jullie geen kritische vervanger voor hem gezocht?

J.C.: We hadden wellicht te weinig tijd om iemand te engageren die fundamenteel van mening verschilde met kunstenaars zoals Struycken, Beyls en Blondia.

K.B./D.P.: Met het einde van de episode is iets vreemds aan de hand. Op een gegeven moment neemt Dick Raaijmakers het woord en hij toont een boek van Michel-Eugène Chevreul, de Franse 19de-eeuwse chemicus die onderzoek deed naar kleuren en kleurcombinaties. Raaijmakers wil op deze manier hulde brengen aan het werk van Struycken van wie hij weet dat hij een groot bewonderaar is van de Franse kleurtheoreticus. Het lijkt erop dat besloten was dat de aflevering hiermee zou worden afgesloten. Toch gebeurt dat niet. Waarom niet?

J.C.: Onmiddellijk nadat Raaijmakers zijn hommage aan Struycken had afgerond, wilde Steels nog wat kwijt over kunst en wetenschap…

K.B./D.P.: …en hij kwam met een op zijn zachtst gezegd verrassende uitspraak: ‘Ik zou er nog aan willen toevoegen dat [esthetische criteria] […] in wetenschappelijk onderzoek even goed een belangrijke rol spelen.’ Daarop pikt Beyls in en de uitzending vindt zijn tweede adem.

J.C.: Ik kreeg groen licht van de hoofdregie om nog even door te gaan.

K.B./D.P.: Struycken neemt vervolgens de rol van Steels over en stelt een kritische vraag aan Beyls. Hij meent hem te kunnen betrappen op een contradictie. Eerder had Beyls gezegd dat hij openstond voor verrassingen — in tegenstelling tot Struycken trouwens — en vervolgens verkondigde hij dat hij steeds op voorhand een beslissing nam aangaande het medium waarin hij wilde werken. Struycken liet de kans niet liggen om Beyls dat in te wrijven. Er was zowaar een conflict in de maak in deze IJsbreker.

J.C.: Ja, Beyls was heel zenuwachtig. Dat heb ik goed gevoeld.

K.B./D.P.: Het is jammer dat Struycken en Beyls pas zo laat echt met elkaar in de clinch gaan.

J.C.: Ze hadden er zestig minuten de kans toe gehad. Ik kreeg tien minuten respijt van de eindregie, maar daarna moest ik er een einde aan maken.

K.B./D.P.: Slotvraag: elke IJsbreker-aflevering wordt systematisch op dezelfde manier voorbereid. Alle stappen worden telkens genomen. In die zin zou je kunnen zeggen dat het een soort van machinale operatie is. Het is ongelofelijk strak georganiseerd.

J.C.: Dat kan je zeggen, ja. Er werd steeds hetzelfde protocol gevolgd. Dat is de boekhouder in de televisiemaker.

 

Transcriptie: Soetkin Beerten

Redactie: Koen Brams

Kunst en archief

1. Rond een eerste werk

Koen Brams/Dirk Pültau: Wanneer heb jij voor het eerst iets gearchiveerd?

Joëlle Tuerlinckx: Ik heb al vroeg een paar verzamelingen aangelegd, met als eerste en belangrijkste – want ze groeit nog altijd aan – een verzameling stenen. Ik denk trouwens dat er een verband bestaat tussen verzamelen en archiveren. Maar in de strikte zin gaat mijn eerste poging om te archiveren vermoedelijk terug op het moment waarop ik mijn werk voor het eerst openbaar moest maken. Dat was toen ik afstudeerde aan de academie en mijn eindwerk voor een externe jury diende te presenteren. Vreemd genoeg heb ik toen niet het werk zelf laten zien, maar wel het constructieproces, de bouwstenen. Dat resulteerde in een dik boek, samengesteld uit fotokopieën, zowel van bladzijden uit boeken waarin ik passages had onderlijnd als van foto’s van mijn eigen werk. Het object bestond in twee gedaanten: enerzijds als gebonden boek en anderzijds losbladig, als een verzameling op tafels uitgelegde fotokopieën. Hoewel ik dat toen niet kon formuleren zoals nu, was het er me klaarblijkelijk om te doen de blik op het werk te ensceneren, mijn eigen blik in de eerste plaats. Het ging er niet zozeer om het kritische kijken te bevoorrechten of uit te dagen. Wat ik het directe kijken noemde, die bijzondere, meer afstandelijke manier van kijken, omschreef ik toen al als een archiverende blik, ook al gebruikte ik het woord niet. Die afstandelijke benadering van mijn eigen werk had ongetwijfeld te maken met het feit dat ik een dergelijke toonsituatie als ongemakkelijk en verwarrend ervoer. Het stoorde me mateloos, niet zozeer dat er punten werden toegekend aan een getoond werk, maar wel dat je als auteur werk moest tonen met dat soort reactie in het achterhoofd. Ik voelde de behoefte om letterlijk afstand te nemen: de kijker op afstand te plaatsen.

K.B./D.P.: En het werk, bestond dat nog?

J.T.: Jawel, het bestond, maar het werd die dag niet getoond. De juryleden hebben mijn statement niet begrepen, en voor mezelf was het een behoorlijk pijnlijke situatie. De nodige kritische afstand ontbrak om dat gebaar als een statement te kunnen opvatten, het ging eerder om een ‘intuïtie’. Veel later pas, toen ik opnieuw delen van mijn werk in boekvorm heb verzameld, begon ik de wreedheid – of perversiteit? – van die keuze te begrijpen.

K.B./D.P.: Keken de juryleden naar het boek en de fotokopieën alsof dat het werk was?

J.T.: Ze stelden zich die vraag niet eens. Voor mezelf was het vermoedelijk ook niet zo duidelijk, of die archiefassemblage nu eigenlijk het werk was of niet. Later, met This book LIKE A BOOK (S.M.A.K., Gent, 1999), zette ik opnieuw een tentoonstellingsproject op dat als één grote, fictieve archivering was opgevat, de tentoonstelling als een boek… In zekere zin vormde die dikke bundel fotokopieën bij mijn afstuderen het eerste This book… Achteraf bekeken vormt hij de aanzet tot de ‘roze’ reeks, die bestaat uit fotokopieën van alle papieren uit het atelier, bijeengebracht in verschillende boekdelen onder evenzoveel thematische noemers.

K.B./D.P.: Was jouw aanpak strategisch ten aanzien van de jury? En heb je die strategie nog in andere contexten aangewend?

J.T.: Jaren later heb ik wel opnieuw een methode toegepast die je als een soortgelijke strategie kan beschouwen. Dat was samen met Willem Oorebeek voor de tentoonstelling Bild oder, mit dem Fuss in der Realität (Badischer Kunstverein, Karlsruhe, 2004). Aan de hand van een reeks originele, verklarende platen, samengesteld uit toevallige en willekeurige elementen, gevonden restanten en afval van werken, ‘lichtten’ wij – zoals we dat graag uitdrukten – onze individuele en gemeenschappelijke obsessies ‘toe’. Welnu, heel dat imposante werk bleef verzegeld. Het werd gepresenteerd in twee gesloten toonkasten. Het enige wat op dat moment van de inhoud werd prijsgegeven, waren de bijschriften tegen de muur bij de ingang: in feite de laatste katern van het boek, waarin de platen werden opgesomd en benoemd. De originelen hebben we pas veel later getoond. Waaruit meteen het strategische karakter van de onderneming blijkt. Precies omdat het een bewuste keuze was, kan je hier spreken van een werk en niet van een documentair archief. De intentie om tot kijken uit te dagen, maakt dat achter elke vorm van archivering tijdens mijn tentoonstellingen de wil schuilgaat om een werk te maken.

K.B./D.P.: Tot kijken uitdagen, is dat geen institutionele operatie?

J.T.: Ja, ook wel, in zekere zin. Het niet tonen of, zo men wil, het tonen via de omweg van de institutionele autoriteit, of het nu gaat om een toonkast of een boek, of een museum, is iets wat ik vaak toepas. Toen ik, door ermee te werken, tot het inzicht kwam dat een toonkast bittere ernst is, ben ik daarmee gaan spelen, bijvoorbeeld in This book… Vandaar de reeks kartonnen toonkasten die ik heb gemaakt. En vandaar ook mijn gebruik van de vitrineruimte van Witte de With in Pas d’histoire, Pas d’histoire (Rotterdam, 1994), voor een op de spits gedreven enscenering van tentoonstellingsrestanten (ballen en balletjes gemaakt van op de vloer achtergebleven afval). Sindsdien blijf ik me verbazen over het historische gewicht dat door het institutionele wordt toegekend, over de macht van de besloten ruimte van de toonkast, haar vermogen om het uitzicht van de dingen — papieren, objecten… — te wijzigen en hun geloofwaardigheid te doen toenemen.

K.B./D.P.: Wanneer ben je je ervan bewust geworden dat die afstand institutioneel zou kunnen zijn?

J.T.: Wellicht door het zelf te ervaren, dat wil zeggen van zodra ik in een instituut heb tentoongesteld. Toen heb ik ingezien dat iets doen in je atelier, of datzelfde gebaar stellen in het Paleis voor Schone Kunsten, radicaal verschillende intenties en gevolgen heeft. Ik denk hierbij aan mijn eerste tentoonstelling, op uitnodiging van Dirk Snauwaert, in de ‘Antichambres’ (Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, 1993). Ik had staan oefenen op een muur in het museum en besloot die wandschets zichtbaar te laten voor het publiek. Toen heb ik begrepen dat een museumwand niet hetzelfde is als een muur of vloer in je atelier, en dat je met die verschuiving kan spelen, die macht kan misbruiken of ondermijnen.

K.B./D.P.: Laten we het nog even hebben over de fotokopieën die je voor de externe jury had gepresenteerd. Zou je die, achteraf bekeken, ook als een werk kunnen beschouwen?

J.T.: Je zou ze kunnen beschouwen als een ‘half mislukt’ werk, aangezien dat boek in een vuilnisbak is beland en ik er verder niks van heb bewaard, behalve gelukkig een paar losse bladen… Of beschouw het misschien, juister, als een werk dat ik heb ‘gemist’, wat wellicht de reden is waarom ik er steeds weer naar verwijs.

K.B./D.P.: Door die ervaring raakte je dus doordrongen van de noodzaak om een opslagplaats of een archief aan te leggen?

J.T.: Misschien wel ja, onder meer daardoor… Wellicht is het omdat dit werk er niet meer is, én ik het bovendien zelf heb weggegooid, dat ik er vandaag nog zoveel aandacht aan schenk. En nadat ik dit soort aanpak meermaals onder andere vormen had herhaald, ben ik tot het inzicht gekomen dat het inderdaad wel een werk moet zijn geweest. Over het documentaire aspect van mijn werk en hoe dat telkens weer de kop opsteekt, blijven echter nog vele vragen onbeantwoord, met name in verband met het mogelijk dubbele statuut dat je aan het documentaire kan toeschrijven. Neem nu de manier waarop ik mijn eerder documentaire foto’s klasseer, zoals de beeldverslagen van tentoonstellingen. Tegenwoordig staat de immaterialiteit van het digitale beeld dat gevoel dat je mogelijk een werk aan het maken bent, in de weg – vermoedelijk omdat er geen fysieke manipulatie meer aan te pas komt. Vroeger klasseerde ik m’n dia’s met de hand, in mappen; ik schreef er de titels van de tentoonstellingen op en nam de tijd om die documenten te ordenen in insteekhoezen met 24 vakjes. De hoezen die in de handel te krijgen waren, klopten qua aantal beelden niet met de films, en daarom moest ik vaak verscheidene opnamen weglaten. Ik slaagde er nooit in om die fotomomenten echt weg te doen, ook al waren het onscherpe beelden, en ik hield ze bij in dozen. Uiteindelijk ben ik een flink deel van de tijd in de weer met klasseren en conserveren, en ik geef toe dat ik me, wanneer ik zo bezig ben, vaak de vraag stel waar de kunst eigenlijk begint en eindigt… Wanneer ik die reeks van 24 beelden orden, in een rasterstructuur van x bij y beelden, waarin ligt dan eigenlijk het verschil tussen zo’n constructie en een of andere collage of assemblage? Het is echt niet zo makkelijk om uit te maken of dit een werk is of niet. In mijn computerklassement daarentegen, stel ik vast dat ik een onderscheid maak tussen het werk en wat daar omheen zit, datgene wat ik heb omschreven als ‘rond het werk’. Rond…

K.B./D.P.: …de efemere zaken?

J.T.: Nee, niet noodzakelijk efemeer, maar zaken die op het werk betrekking hebben, die ermee samenhangen. Met inbegrip van de eigen herinnering eraan, ik bedoel de manier waarop het werk in het geheugen van de auteur wordt opgeslagen, in mijn geheugen dus.

K.B./D.P.: In je exposities toon je vaak elementen die met je werk samenhangen, maar aanvankelijk geen werk waren – bijvoorbeeld een reproductie van een werk of een krantenknipsel waarin over je werk wordt gesproken. Je integreert het in een constellatie. Je beweegt dus voortdurend heen en weer tussen die kern en wat zich ‘rond het werk’ bevindt.

J.T.: Ja, alles heeft deel aan het werk. Alles is potentieel werkmateriaal, en daar speelt voor mij geen hiërarchie of waardeoordeel: alles kan dienen voor het werk dat in de maak is, ook een eerder historisch document of een archiefstuk. Maar de vraag die ik in verband met het documentaire aspect niet kan beantwoorden, is of ikzelf, wanneer ik mijn eigen tentoonstellingen archiveer, een kunstwerk aan het maken ben.

 

2. Archiefmethode

K.B./D.P.: Wanneer ben je met je eigenlijke archief begonnen?

J.T.: Dat moet zo rond m’n vijfentwintigste zijn geweest, aanvankelijk met veel aarzelingen en vragen bij de methode. Alle tekeningen werden bijvoorbeeld gefotografeerd. Je ziet je eigen werk niet op dezelfde manier wanneer het wordt geprint, gefotokopieerd of in een boek afgedrukt. Iets wat me bij de tekeningen erg beviel, en wat ik in een meer ruimtelijke benadering niet kon bekomen, was die ontdubbeling door het kopiëren. Ik kwam op het idee om de vermenigvuldiging van die originelen verder te ontwikkelen. De kopie van een ding spreekt me evenzeer aan als het ding zelf, om te beginnen door de rastering die eigen is aan de fotomechanische reproductie. Daarom spreek ik liever over een tekening van de eerste of tweede generatie, dan over originelen en kopieën. Bij elke stap in het reproductieproces kan ik haast niet anders dan het nieuwe object als uniek en evenwaardig beschouwen. Ik geloof ook dat, wanneer je je eigen tekeningen fotografeert en groepeert in edities, genres, reeksen, het seriële aspect tevoorschijn komt, een aspect dat niet zichtbaar is wanneer je bezig bent met tekenen, schematiseren en denken. Wat me aan het archiveren bevalt, is wat het archief onverhoeds teruggeeft – zonder dat het de bedoeling was.

K.B./D.P.: Je hebt dus honderden tekeningen gefotografeerd, en zocht naar een manier om die allemaal te bewaren?

J.T.: Precies. Ik heb zelfs de manieren van bewaren bewaard: gewoon tussen dubbelgevouwen bladen, in krantenpapier, opgekleefd in boeken… Aanvankelijk kocht ik boekjes, tekenschriften. Ik maakte foto’s van mijn tekeningen, die ik dan in die boeken kleefde. Ik hou ook de woorden bij waarmee ik de omslagen en papieren mappen benoem… Ik kan die dingen moeilijk weggooien: die woorden getuigen van een indeling, ze vertellen de geschiedenis van een heel werkproces, ze vormen er de genealogie van.

K.B./D.P.: Heb je bij het zoeken naar een klasseringsmethode inspiratie gevonden in andere archieven?

J.T.: Ik word niet zozeer geïnspireerd maar aangetrokken door alle soorten van archieven: hoe de titels en namen zijn aangebracht, de nummeringssystemen, de cijfers… Ik vind het dan ook moeilijk om specifieke archieven te noemen. Als ik er dan toch een naam moet op plakken: Hanne Darboven? Of de inventaris van de werken van Georges Vantongerloo, of het archief met de manuscripten en beelden van Walter Benjamin, of het labyrint van Matt Mullican? Alle mensen die bewaren of conserveren, trekken me aan. Elk gearchiveerd materiaal, ook wanneer het me niet inspireert, geeft me zin om zelf aan de slag te gaan. Ik denk bijvoorbeeld aan een archief dat ik onlangs heb ontdekt in Cransac, een Frans dorpje waar ik werk aan de bouw van een monument en museum, het ‘MUSÉE DE LA MÉMOIRE PROPRIÉTÉ UNIVERSELLE®’: een archief over het plaatselijke voetbal, gekleefd op toevallige dragers, een pak beschuiten en zo…

K.B./D.P.: Heeft je manier van archiveren verschillende fasen gekend, momenten waarop je bewust je archiefprincipes of -methodes hebt bijgesteld?

J.T.: In het begin lag alles gewoon op de grond. Ik had een atelier gevonden van 400 vierkante meter. Omdat er zoveel plaats was, bestond de methode erin om alles horizontaal uit te spreiden, en als ik een lege plek wilde, versleepte ik alles van de ene ruimte naar de andere. De uitgestalde documenten bedekten de vloer, verkleurden door de zon. Aan de verkleuringen van een blad kon je zijn plaats aflezen. Tijd en licht deden hun werk. Het archief was eindeloos en onmiddellijk, de elementen werden niet gekozen of bewaard; zij waren, in hun oorspronkelijke toestand. Luc Derycke omschreef de archivering van mijn eigen werk ooit als een ‘archeologie van het vluchtige’. Daar kan ik goed inkomen. Precies daarin schuilt de paradox en de moeilijkheid van zo’n archivering: welk systeem of welke methode kan dat uiterst ongrijpbare karakter van de vluchtigheid der dingen, dat mij zo boeit, behouden? Het heeft jaren geduurd voor ik een archief kon organiseren, voor ik de onvermijdelijke bestendigheid ervan, hoe tijdelijk ook, kon aanvaarden. Maar iedere fase heb ik in zekere zin benut: de werken met tijdssporen getuigen bijvoorbeeld van die horizontale periode, toen ik alle papieren onbeschermd uitspreidde. Daar hebben zich wel een paar rampen, verdwijningen en beschadigingen voltrokken, maar ook enkele mooie ‘accidents solaires’, die ik uiteindelijk ook heb tentoongesteld. Het atelier is een soort van recyclagefabriek. Wanneer ik er kom, bekruipt me geregeld weerzin tegen al die dingen en toestanden die ik bewaar. Maar toen ik de Solar Room heb getoond in de tentoonstelling Decennium in het Antwerpse MuHKA (2003-2004), heb ik wel de oorspronkelijke bladen kunnen laten zien die ik simpelweg bewaard had. Dat waren authentieke papieren uit mijn atelier, uit de periode waar de tentoonstelling over ging (1990-2000). Hierdoor kon ik die zaal echt ‘maken’, zonder vals te spelen. In Congé annuel, mijn laatste tentoonstelling bij Stella Lohaus, heb ik een reeks van 50 prachtige bladen getoond met zonnevlekken. Deze papieren, die door de tijd getekend zijn, door twintig jaar ‘horizontale’ archivering, dragen de geschiedenis van het atelier met zich mee. Je kan jezelf haten omdat je dat allemaal bewaart, maar meer dan eens heeft de context van een tentoonstelling jaren later betekenis verleend aan die activiteit en aan die keuzes.

K.B./D.P.: Opdat de keuze om iets al of niet te bewaren ooit betekenis zou krijgen, moet het archief toch worden georganiseerd?

J.T.: Ik heb verschillende fysieke klasseringsmethoden uitgeprobeerd. Ik heb bijvoorbeeld ringmappen gekocht, dat was vergeefse moeite. Ik heb zelfs materiaal uit Amerika laten overkomen, omdat de Amerikaanse klasserings- en archiefmethoden me altijd zo efficiënt en helder hebben geleken. Zelfs hun handschrift lijkt daarop afgestemd.

K.B./D.P.: Maar uiteindelijk bleek niets van dat alles echt geschikt?

J.T.: Nee, na alle mislukte pogingen met bestaande boeken, omslagen, mappen, inclusief de Amerikaanse, heb ik uiteindelijk kartonnen dozen laten vervaardigen op maat, die Ria Pacquée en ik onder elkaar hebben verdeeld — ook in haar werk speelt het archiveren een belangrijke rol. De kartonnen doos heeft me als instrument flink vooruitgeholpen: een fysieke doos die je moet openmaken. Ik stel vast dat ik de inhoud van de dozen niet orden, noch chronologisch, noch alfabetisch: het moet allemaal beweeglijk blijven, het moet verplaatst kunnen worden, er moeten zelfs fouten in kunnen zitten. Mijn ordening is altijd veeleer schijn: achter de archivering gaan verscheidene indelingen schuil die door en over elkaar heen lopen, wat je op het eerste gezicht als chaos zou kunnen omschrijven. Het interessante is dat ik, wanneer ik naar een bepaald stuk zoek, er weer andere aantref. Door een gebrek in het klassement duikt een genegeerd of vergeten ding weer op. Iedere klassieke archiefmethode, chronologisch of alfabetisch, is voor mij onwerkbaar. Mijn belangstelling wordt pas gewekt wanneer iemand, zoals Matt Mullican of ikzelf, een instrument uitvindt dat nog niet bestaat: geen enkel bestaand instrument staat je aan, er is een probleem met orde, en je vindt een systeem uit om je toch uit de slag trekken. De introductie van die dozen is een belangrijk moment in de historiek van mijn archief: het staat voor een eerste keuzemoment, waarna er geen weg terug meer was; het betekent wellicht een eerste stap in een proces van aanvaarding van de archivering als noodzakelijk onderdeel van mijn leven en dus van mijn werk. De beslissing, die ik jaren lang heb uitgesteld omdat ik niet kon uitmaken hoeveel dozen ik moest bestellen, leek komaf te maken met die latente eindeloosheid van de reeks te onderscheiden categorieën.

K.B./D.P.: Hoe werkt de indeling in dozen? Hoe beslis je in welke doos iets moet terechtkomen?

J.T.: Hoe werkt het systeem? De tentoonstelling This book, like a book (volume 0) (Gent, Snoeck-Ducaju & Zoon, 1999) is beslissend geweest. Ik had toen het idee opgevat om werkelijk alle papieren die in mijn atelier rondslingerden, openbaar en zichtbaar te maken: alles wat van ver of van nabij verband hield met de opbouw van het werk. Om die massa informatie openbaar te maken, ben ik ze beginnen te sorteren, en zo heb ik ontdekt dat ik bepaalde verzamelingen van papieren die eenzelfde type van informatie bevatten, onder bepaalde noemers kon bijeenbrengen. Op dat moment wordt een boek interessanter dan een doos, want in een boek kan je documenten samenbrengen die onder een ander paradigma werden gearchiveerd. Zo heb ik voor een boek getiteld Points alle punten uit al mijn verschillende dozen bijeengezocht. Dit soort transversale bewegingen over verschillende genres heen, wordt door het kopiëren mogelijk gemaakt. De doos vind ik dus geschikt omdat ze geen orde opdringt en verplaatsingen toelaat, maar het boek blijft onvervangbaar. Het boek bekrachtigt ten volle het ‘avoir été là’ waar Roland Barthes het over heeft.

K.B./D.P.: Hoe verhouden de dozen zich tot elkaar? Hebben ze een thema, of is hun onderlinge relatie absurd?

J.T.: Omdat archieven dat borgesiaanse trekje hebben – ik denk aan ‘De tuin van de paden die zich splitsen’ – maar ook omdat zij hun eigen geheugenarbeid mee insluiten, omdat ze ook hun eigen ontstaansproces omvatten, blijf ik meer gefascineerd door de archiefmethode dan door het archief zelf. Neem bijvoorbeeld de doos ‘MOTs’, die in subcategorieën is onderverdeeld: ‘MOTs DE TRAVAIL’, ‘SOL’, ‘RUE’. Of de doos waarin de papieren terechtkomen die van de vloer van het atelier zijn geraapt: ‘SOL ATELIER’. In zo’n geval kan het aantal onderverdelingen eindeloos uitwaaieren en wordt het moeilijk om mijn onderneming in te perken. Dan aarzel ik. Zal ik het gevonden papier weggooien, of opbergen in ‘FAIT main’, ‘SOL’, ‘TACHEs’, naargelang van de sporen die het vertoont, of uiteindelijk in ‘ARCHIVES’? Eender welk blad, en ook dat is borgesiaans, kan immers terechtkomen in de algemene doos ‘ARCHIVES’. Dan aarzel ik zodanig dat ik nog meer genres toevoeg, en waar moet ik dan met dat blad blijven? Als het uit een doos is gevallen, of op de vloer van het atelier werd gevonden met een gat erin, als er een vlek op zit of het vertoont een gebrek, een handgeschreven aantekening of een notitie op een typoscript, dan aarzel ik om het weg te gooien. Maar ligt het op een tafel, dan kan het evengoed terechtkomen in ‘MOTs-TABLE’ – dat is een goed voorbeeld. Zo’n blad kan soms lange tijd van de ene doos naar de andere zwerven. Meteen wordt het belang van die activiteit in mijn leven duidelijker, het belang van de tijd die ik eraan besteed, de noodzaak van een structuur als het atelier, en van zijn geleidelijke en onvermijdelijke instrumentalisering.

K.B./D.P.: Alles kan in de dozen worden opgeborgen?

J.T.: Die dozen omvatten alles wat ik moeilijk kan weggooien. De absurditeit die eruit voortkomt, is in die zin ongewild. Ze vloeit voort uit die ene logica van een niet hiërarchisch geordende reeks obsederende of recurrente thema’s. Zo slaag ik er niet in om de bladen weg te gooien waarin ik een woord of teken heb uitgeknipt. Ze vormen een soort negatief van het uitgesneden ding dat, op zijn beurt, ergens circuleert en opereert. De archivering van die onvolledige bladen vertelt een verhaal via het buiten-beeld, het afwezige dat toch aanwezig wordt gesteld door datgene wat er omheen zit, bijvoorbeeld de andere titels op het blad. Deze doorboorde, uitgesneden bladen gaan dus in de doos ‘TROUs’. Dit type klassement zal je niet aantreffen in meer klassieke archieven.

K.B./D.P.: Je hanteert een negatieve definitie. Anderen zeggen: ‘Dit bewaar ik om die en die reden.’ Jij zegt: ‘Dit houd ik allemaal bij omdat ik het niet wil weggooien.’

J.T.: Of het nu gaat om die uitgesneden bladen of de sporen van bepaalde vormen van classificatie, de archivering streeft altijd naar haar tegendeel, namelijk de leegte. Zij levert op zich dus al een negatieve definitie van zichzelf. Daarom is het archief ook altijd met verdwijning bedreigd, want ik kan op een dag evengoed alles weggooien.

K.B./D.P.: Wat is het ultieme stadium van archivering?

J.T.: Het ultieme stadium is ondenkbaar: een archief waarvan de hele inhoud permanent zichtbaar zou zijn. Wat me interesseert in het stadium van de kartonnen dozen is dat ze geregeld worden vervoerd en verplaatst, zodat de zichtbare bovenkanten van de stapels voortdurend variëren, en er telkens weer nieuwe verbanden ontstaan. Deze methode bevalt me in het bijzonder voor het maken van bepaalde assemblages-collages. De driedimensionaliteit van elke collage wordt erdoor beklemtoond: tussen twee verschillende stukken doen tijd en ruimte hun werk. Onmetelijke grootteorden en categorieën van feiten die buiten iedere analogie, logica of intentie vallen, worden hier met elkaar verbonden. Als discours, wanneer zij voor zich spreken, zonder commentaar, zijn archieven fascinerend. Ze bevatten alles wat men mogelijk heeft kunnen zien of leren, die stukjes werkelijkheid die het brein niet heeft kunnen weerhouden, maar die misschien door het (collectieve of persoonlijke) onbewuste zijn gepercipieerd, gezien, geregistreerd… Archieven laten alles zien – kracht, idee of gebeurtenis – wat in het reële werkzaam is: parallelle werelden… Het is fascinerend wat er zoal parallel aan het eigen leven gebeurt, en door de archivering wordt onthuld.

K.B./D.P.: Heeft het gebruik van de dozen alle problemen opgelost?

J.T.: Toch niet, want in die dozen zit niet alles: er is ook nog al hetgeen dat niet in de dozen past. Daar heb ik nu meubels voor laten maken, die werden gebouwd in het atelier, voor de grotere bladen, tekeningen en collages op groot formaat. De beslissing om archiefmeubilair te bouwen was een tweede belangrijke stap: een minder passieve of nonchalante beslissing, waarmee ik te kennen gaf dat ik dingen wil bewaren. Iets wat vroeger niet het geval was: wanneer ik van het ene atelier naar het andere verhuisde, gooide ik geregeld alles weg, met uitzondering van mijn verzameling stenen.

K.B./D.P.: Wat is het statuut van die verzameling dozen? Je zou kunnen zeggen dat zij de afdeling van het ‘mogelijke’ vormen, aangezien de zaken die zich in die dozen bevinden je zouden kunnen inspireren, werken zouden kunnen worden…

J.T.: Op zich hebben ze geen statuut: de ruimte met dozen is zelf ontdubbeld, omdat ik in feite twee ateliers heb, op twee verschillende plekken. Er is het kleine atelier — dat ik ook wel ‘het kantoor’ noem, en soms ‘het brein’ — waar de dozen staan, en enkele straten verderop het grote atelier, waar ik werk, waar de restanten van tentoonstellingen belanden en opgestapeld worden, en waar de eigenlijke archivering van de tentoonstellingen plaatsvindt. Wanneer een doos van het kleine atelier vol is, neem ik die vaak mee om ze leeg te maken in haar tegenhanger in het grote atelier. En dan kunnen ze inderdaad werken voortbrengen.

 

3. Het digitale tijdperk

K.B./D.P.: Net als wij heb jij de overgang meegemaakt naar het digitale tijdperk. Welke invloed heeft de computer op jouw archiefmethode gehad?

J.T.: Ik werd erdoor gedwongen om op een meer gestructureerde manier te werk te gaan. Aanvankelijk was de computer niets anders dan een ‘bureau’ met stapels papier erop. Ik kende niets van de rangschikking in mappen, noch van informatica in het algemeen. Telkens wanneer ik een tekst nodig had, spitte ik alles om, vanuit een heel concrete en fysieke omgang met het bureaublad. Achteraf heb ik geleerd dat je alles in mappen kan stoppen, en wat ik vooral prachtig vond, was de copy-paste-functie. Anders dan in de analoge werkelijkheid, bleek de indeling beweeglijk. De computer heeft zeker ook bijgedragen tot de ontwikkeling van mijn reflectie omtrent de begrippen kopie en origineel, en tot de uitbreiding van die begrippen. Het is verwarrend dat iets makkelijker als een werk wordt beschouwd, louter en alleen omdat het een uniek of origineel exemplaar is. In die optiek was dat eerste boek met fotokopieën in feite wel degelijk een origineel. In zekere zin leer ik erg veel van de digitalisering en van de computer: in de eerste plaats, dat het reële onvervangbaar is. Het maakt mijn honger naar realiteit alleen maar groter.

K.B./D.P.: Je hebt ook een aantal negatieve aspecten genoemd, bijvoorbeeld het feit dat het virtuele niet kan worden gematerialiseerd. Wanneer je je dia’s ordent in insteekhoezen met 24 vakjes, dan is er een materiële limiet die de ordening vergemakkelijkt. Met digitale bestanden kan je makkelijk duizend beelden opslaan… In de digitale map is ook geen rangschikking mogelijk. Daartegenover staat dat je naar believen kopies kan maken en die in verschillende mappen kan onderbrengen, terwijl je met de analoge dozen moet kiezen waar je een bepaald papier stopt.

J.T.: Juist. Het atelier voert me terug naar het reële, naar alle kwesties met betrekking tot het reële, die naar mijn mening bijna met arbeidsethiek te maken hebben, bijvoorbeeld doordat je tot keuzes gedwongen wordt.

K.B./D.P.: Heb je digitale dubbels van reëel materiaal?

J.T.: Er zijn geen dubbels, en er is ook geen back-up van digitale bestanden. Wat echt niet verstandig is, ik zou geregeld dingen moeten opslaan, maar ik doe het niet: ik kan niet zonder die angst om dingen te verliezen. De idee dat indien ooit alles zou verdwijnen, alleen datgene zal overblijven wat door toeval hier en daar is terechtgekomen, bevalt me wel…

K.B./D.P.: Hoe zit het met de globale ordening van je digitaal archief? Is de structuur verschillend?

J.T.: Er zijn wel gelijkenissen, maar het digitale archief zit logischer in elkaar, het volgt de projecten. Er zijn verschillende harde schijven, telkens gewijd aan een ‘project’, maar tussen de schijven onderling bestaan overlappingen – dat is zo’n beetje mijn back-upsysteem. Zo staat alles wat ooit werd gepubliceerd op de schijf ‘GRAPHISME’. Een andere schijf, ‘J.T.’, heeft rechtstreeks betrekking op al mijn werk. Ze omvat een tekst- en een beeldgedeelte. In het tekstgedeelte zitten de teksten die ik heb geschreven over mijn werk en dat van andere kunstenaars, teksten van anderen en de Engelse vertalingen. Daar heerst wel een mengeling van orde en chaos, vanwege de vele bewaarde versies: final ok, final okok, definitief, goedgekeurd jt enzovoort. Onder ‘TEXTEs’ zit het lexicon, dat soms de basis vormt van een zaal, een Lexical Room — de eerste keer dat ik zo’n zaal gemaakt heb, was in Shanghai (Minsheng Art Museum, 2010). Die hele archiefsystematiek bestaat niet in de realiteit van een atelier. Het atelier biedt meer weerstand aan elke vorm van intrusie, en zeker aan iedere vorm van formattering van de werkelijkheid.

K.B./D.P.: Het materiële aspect, dat nauwer aanleunt bij de artistieke kant, is alleen in het atelier aanwezig. Dat is ook logisch aangezien je oeuvre en je werk materieel zijn en de computer niet.

J.T.: Ja. Met uitzondering dan van de Conférences en andere digitale werken, die wel degelijk als werk op zich bestaan, als diareeks, in de computer en dus niet in het atelier. De originele Plates, de papieren die ooit hebben gediend om een tafel of toonkast te bekleden of als wandpanelen hebben dienstgedaan, al die gescande beelden bestaan enkel nog op de harde schijf ‘SCAN’.

 

4. Het archief en de opslagplaats voor werken

K.B./D.P.: Hoe bewaar je de werken die deel hebben uitgemaakt van een tentoonstelling?

J.T.: Mijn werken zijn vaak samengesteld uit verschillende onderdelen, elementen die aan elkaar worden gezet. Na afloop van de tentoonstelling zijn er twee mogelijkheden. Soms wordt het werk aangekocht en blijft het in het museum of instituut (althans in het beste geval!): dan wordt het bewaard zoals het is. De uiteenlopende onderdelen worden gefixeerd, de tijdelijke tentoonstelling waarvan zij deel uitmaakten wordt als het ware hun sokkel. Maar meestal komen de werken in losse onderdelen terug. Dan stelt zich niet alleen de vraag wat bewaard wordt en wat niet; de belangrijkste vraag is of ik het werk zal bewaren zoals het werd getoond, dan wel of de onderdelen worden losgemaakt en beschikbaar gesteld voor nieuwe mogelijke configuraties. En meestal kies ik voor die opening naar de toekomst. Vaak haal ik de werken dus ‘uit elkaar’ en bestaan ze als zodanig slechts zolang de tentoonstelling loopt.

K.B./D.P.: Dan is er eigenlijk geen echte opslagplaats?

J.T.: Toch wel. Wanneer een object in een tentoonstelling werd gepresenteerd in een bepaalde configuratie, dan keert het na afloop terug naar een welbepaalde plek, de zaal achterin het grote atelier, die grosso modo dienst doet als opslagplaats, als plek waar het materiaal wordt opgeslagen dat ‘beschikbaar is voor de toekomst’. De elementen gaan in dat meubel, dat bestaat uit een werkblad en rekken met opbergbakken, en dat ik vanwege het wanordelijke werkblad en de schijnbare chaos die er heerst ook wel ‘de rommelkast’ noem. Net zo bestaat er een afzonderlijke bibliotheek, die losstaat van mijn eigen bibliotheek, en waarin alle boeken worden opgeborgen die ooit in vitrines werden tentoongesteld, of opengeslagen op een vloer, met of zonder bladwijzer. Ook die bladwijzers worden bewaard, op hun plek in het tentoongestelde boek. Op sommige voorwerpen komt een etiket of sticker met de plaats en tijd van hun tentoonstelling – maar dat heeft meer te maken met een esthetische en intrinsieke keuze dan met een conserveringsmethode.

K.B./D.P.: Indien alle objecten die ooit werden tentoongesteld hier terug te vinden zijn, dan kunnen alle tentoonstellingen worden heropgebouwd?

J.T.: Dat is mogelijk, al zal het veel werk kosten om in mijn archief te zoeken en inzicht te krijgen in mijn klassement… Ik begin pas de laatste tijd, samen met anderen, in te zien hoe belangrijk die archivering is, zeker als het gaat om tentoonstellingen met een variabele en complexe opbouw. Ik begin me zorgen te maken over de slordige omgang daarmee. Onlangs presenteerden twee jonge vrouwelijke curatoren, Florence Ostende en Kari Conte, als eindwerk aan het Royal College of Art in Londen de tentoonstelling Retracing Exhibitions (2009). Zij wilden een aantal wanden, een aantal momenten uit tentoonstellingen reconstrueren op basis van bestaande documenten, en ze kwamen tot de verrassende vaststelling dat de meeste musea nooit enig archiveringswerk verrichten. Toen ze gingen informeren naar de precieze afmetingen van deze of gene vitrine, of de exacte titel van de film die ik heb getoond in het Drawing Center in New York, kregen ze zulke waanzinnige antwoorden dat ik ze met spoed te hulp ben moeten schieten. Zelden zal men in een museum of instituut mijn installaties opmeten of er aantekeningen over maken. Het gaat nochtans om ensembles die speciaal voor hun ruimtes werden geconcipieerd, en bijgevolg om unieke gehelen die na afloop van de tentoonstelling worden vernietigd. De foto’s die men in de musea, instituten en dergelijke neemt, worden niet gemaakt met het oog op een eventuele reconstructie, maar veeleer omwille van de uitstraling, voor publicatie in een kunstblad bijvoorbeeld. Een van m’n allereerste tentoonstellingen was Les Archives de la Galerie (Parijs, Galerie des Archives, 1992). Voor die tentoonstelling heb ik de diaverzameling van de Galerie des Archives in Parijs tot confetti herleid. Van elke dia stopte ik één confettidetail in een nieuw diaraampje. Op het raampje van de dia bracht ik een gedetailleerd etiket aan: ‘Galerie des Archives, Richard Venlet, detail van tentoonstelling nummer zoveel’. Het was een kritiek op de manier waarop werken werden bewaard en op de omgang met de dia als informatiebron over het werk. Mijn eigen documenten zijn gemaakt met de bedoeling om het werk te kunnen heropbouwen, hetzij virtueel, hetzij misschien zelfs in de werkelijkheid. Ziedaar wellicht het ‘uiteindelijke’ en mogelijk ‘onbereikbare’ doel van mijn archiefpraktijk!

K.B./D.P.: Maar hoe kan je alle aspecten van een tentoonstelling archiveren met het oog op de reconstructie ervan?

J.T.: Hoe? Door het materiaal te bewaren en een veelheid aan middelen in te zetten, bijvoorbeeld de zogenaamde ‘Plates’: bladen die werden ingescand en gereproduceerd kunnen worden op de maat van een bestaande tafel of toonkast. Zij vormen op zich al een soort archivering, aangezien ik op die manier de formaten kan bijhouden van museumvitrines, die occasioneel werden gebruikt voor een bepaalde tentoonstelling. Mijn archief en de diverse methoden die ik uitprobeer mogen dan niet erg praktisch zijn, ze beantwoorden wel degelijk aan de vereisten van een heuse archiefpraktijk.

K.B./D.P.: Welk ander materiaal is er verder bij jou te vinden? Wat heb je bijvoorbeeld van de tentoonstelling A STRETCH MUSEUM SCALE 1:1 (Bonnefantenmuseum, Maastricht, 2001) in voorraad?

J.T.: Verscheidene diareeksen, onder meer de reeksen die door Christoph Fink werden gemaakt tijdens de opbouw van de tentoonstelling, naast films en notities… Ook de bladen zelf die de wanden bedekten zijn bewaard. Het was mijn bedoeling om al die bladen na de tentoonstelling met behulp van een plooitechniek te verwerken tot een boek. Om die reden werden de bladen van de muren gehaald en zijn ze onbewerkt teruggekeerd naar mijn atelier, naar de ‘rommelkast’. Mijn plan was dus om elke zaal van het Bonnefanten op schaal 1:1 om te zetten in een boek, net zoals ik gedaan heb met mijn tentoonstelling in Toronto (The Power Plant Contemporary Art Gallery, 2005). Van zodra het papier door een vouw de sporen draagt van een hoek, van het oppervlak van een wand of de omtrek van een plint, wordt het een historische getuigenis van een plek. Dat is voor mij belangrijk genoeg om het bij te houden. Alles wat een spoor vormt en betekenis heeft, bewaar ik. Er zijn ook andere, vrij pragmatische systemen. Zo bijvoorbeeld bedek ik geregeld de tafels met grote bladen papier. Sommige, die ik niet belangrijk vind, vervang ik, maar andere kan ik soms, omwille van de sporen die ze dragen, maandenlang bewaren, of ik knip er cirkels in uit, als er hier of daar interessante vlekken zijn ontstaan. Ik merk wel dat de herinneringssystemen die mij vanzelfsprekend lijken, over het algemeen nogal kwetsbaar zijn: een nieuwe assistent zal makkelijk en snel iets weggooien wat voor mij juist heel belangrijk is. Die parallelle vormen van registratie moet ik dus aanleren, ik moet er de aandacht op vestigen. Een of ander toonmoment zorgt daar dan wel voor: gewoonlijk is het de tentoonstelling die klaarheid schept…

K.B./D.P.: Wanneer er van een tentoonstelling geen enkele foto, geen enkel materieel spoor overblijft, kan men dan terugvallen op een ander type archivering?

J.T.: Er is nog altijd de beschrijving. Naast de fysieke archieven, beschrijf ik elk van mijn tentoonstellingen, maar met dat werk ben ik flink achterop geraakt. Ik heb nog vele jaren in te halen…

 

5. Het archief, gebruiksaanwijzing

K.B./D.P.: Kan een externe onderzoeker zijn weg vinden in jouw archief? Stel dat hij of zij over een tentoonstelling wil werken, bijvoorbeeld die in het Mamco in Genève (64 expositions-minute. Sur mesure, échelle variable, 2007)?

J.T.: Ik zou die persoon aanraden op twee manieren te werk te gaan. Eerst in het eerste atelier, het documentaire atelier, de externe harde schijf N°4, ‘VUES D’EXPOSITION’ raadplegen, en daar ’Mamco – 3’ opzoeken, of ‘diaporama mamco 2006’. Daarop zijn al mijn eigen fotografische wandelingen terug te vinden, genummerd, samen met een algemeen overzicht, dat uitgaande van het naambordje de algemene opbouw van de tentoonstelling weergeeft. Je kan ook naar Argos, waar films en stills te vinden zijn. Ik beschik er over een eigen kastje, waarin alle rushes, masters en werkversies van mijn videofilms zijn opgeborgen. Vervolgens dringt een bezoek aan het andere atelier zich op. Daar ben ik wel de enige die echt de weg weet. Een ander zal hard moeten zoeken, en misschien zonder succes.

K.B./D.P.: Een onderzoeker heeft dus jouw hulp nodig om een werk te reconstrueren?

J.T.: Op dit ogenblik wel, ja. In sommige delen van het atelier zal hij echt verdwalen, tussen datgene wat bestaan heeft of niet, tentoongesteld werd of niet, en hij zal niet kunnen uitmaken waarom een bepaald iets op díe plek bewaard is.

K.B./D.P.: En al jouw assistenten zijn allicht tijdelijk? Niemand heeft een kopie van je geheugen?

J.T.: Niemand heeft een volledige kopie, jammer genoeg. Al is er wel mijn dochter Juliette, die zoveel in het atelier heeft gespeeld dat zij misschien nog als enige in staat is er de diepere mechanismen van te doorgronden…

K.B./D.P.: Dat brengt ons bij de vraag wat er met jouw archief zal gebeuren wanneer jij er niet meer bent.

J.T.: Die vraag is voor mij op een gegeven moment heel urgent geworden naar aanleiding van een tegenslag, eentje van het soort dat een mens doet beseffen dat wij ‘niet eeuwig leven’… Ik was 36 jaar, het was dus ten tijde van de tentoonstelling in Witte de With (Rotterdam, 1994). Ik kwam plots tot het besef dat ik inderdaad de enige ben die het onderscheid kan maken tussen wat iets en wat niets is. Ik heb nu pas het stadium bereikt waarin ik voor een keuze sta: ofwel die hele handel op mij nemen, of al dat werk in half verwaarloosde toestand achterlaten. Aan allerlei tekenen, handelingen en beslissingen valt af te lezen dat het al lang een uitgemaakte zaak is: ik kies voor de uiterste consequentie, al is het ondanks mezelf.

K.B./D.P.: Betekent dit dat het einddoel van jouw archiefpraktijk samenvalt met een gevestigd, goed geordend en gestructureerd archief? Misschien zelfs een openbaar archief, een ‘Joëlle Tuerlinckx Archive’, ten behoeve van een onderzoekerspubliek?

J.T.: Ik hou wel van de idee dat een onderzoeker op mijn archief zou kunnen terugvallen om iets te reconstrueren, om op een bepaalde periode, gebeurtenis of tentoonstelling terug te komen.

K.B./D.P.: Zou je je kunnen voorstellen dat jouw archief zou worden opgenomen in een groter instituut, zoals de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, die een archief aanleggen over hedendaagse kunst? We denken ook aan het atelier van Wiertz, dat onder de bevoegdheid van de Koninklijke Musea valt. Alles wat Antoine Wiertz jarenlang in zijn atelier heeft gedaan is er voorhanden: de werken, archiefstukken, brieven… alles.

J.T.: Dat is op zich een schitterend idee, maar ik vind het tegelijk ook problematisch. Je zal immers niet voor elke kunstenaar zo’n archief kunnen oprichten. Iemand zal moeten uitmaken of mijn archief van openbaar nut is of niet. Dat is niet mijn taak.

K.B./D.P.: Het probleem schuilt misschien ook hierin, dat van zo’n kunstenaarsarchief een zekere macht uitgaat. Het is een manier om aan te geven dat het om een monument gaat. Neem nu het voorbeeld van Jef Geys. Hij bezat een enorm archief dat nu, ingepakt, in het depot van het museum van Gent staat: een werk in de absolute zin, zou je kunnen stellen, dat evenwel niet toegankelijk is.

J.T.: Ik vind het uniek wat Geys gedaan heeft. Hij thematiseert het fenomeen van de archivering, en hoe dat met het leven van de kunst en van de kunstenaar samenhangt, maar hij toont er in één beweging ook de beperkingen van aan, datgene waar men nooit toegang toe zal krijgen. Ik hou erg van die radicale beslissing. Maar tegelijkertijd streef ik, in zekere zin, naar iets diametraal tegenovergesteld. Ik wil graag toegang verschaffen tot die mentale constructie. In Jef Geys’ attitude herken ik het aspect van bewuste verdichting. Ik denk niet dat ik een eigen centrum zou willen met al mijn papieren en documenten, en… de digitale systemen kunnen zorgen voor een geweldige plaatsbesparing!

K.B./D.P.: Welk materiaal moet volgens jou in het archief bewaard blijven, en wat zou je er niet in willen?

J.T.: Daar moet ik nog wat verder over nadenken…

K.B./D.P.: Geen probleem. Je zegt dat de dingen pas betekenis krijgen wanneer er een tentoonstelling komt, en dat dat vaak gebeurt terwijl je het niet had verwacht. In die zin denken we dat zelfs ongebruikt materiaal interessant kan zijn. Het kan helpen om naar verbanden te zoeken tussen de uiteenlopende spullen die samen in één doos zitten.

J.T.: Ja, het gaat om een levenswerk en ik geloof dat die dingen van belang kunnen zijn zolang er echt gewerkt wordt. Maar de ware uitdaging zal erin bestaan om iets uit te bouwen zonder sentimentele of affectieve geladenheid, zonder overmatig fetisjisme — een denkwereld, iets dat niet in een kunstwerk uitmondt.

 

Transcriptie: Camille Barbasetti

Redactie in het Frans: Laurine Tuerlinckx

Vertaling uit het Frans: Catherine Robberechts

 

Het werk van Joëlle Tuerlinckx wordt in België vertegenwoordigd door Galerie Christian Nagel, Lange Kievitstraat 141, 2018 Antwerpen (contact: www.christian-nagel.de).

‘Ik geloof niet dat de computer kunst kan maken’

Koen Brams & Dirk Pültau: Naar aanleiding van jouw deelname aan een aflevering van het programma IJsbreker over computerkunst, uitgezonden op 24 oktober 1984, willen we het met jou hebben over jouw visie op de relatie tussen de computer en de kunsten. We weten dat je in de jaren 70 actief was in de kunstwereld in België en dat je computerwetenschappen hebt gestudeerd. Het jaar voor je optreden in IJsbreker had je aan de VUB een laboratorium voor artificiële intelligentie opgericht. Kan je vertellen hoe je met de computerwetenschappen in aanraking was gekomen?

Luc Steels: Ik ben daar omzeggens ingerold. Van 1969 tot 1973 heb ik Germaanse filologie gestudeerd, eerst aan het Ufsia (1969-1971) en vervolgens aan de pas opgerichte UIA (1971-1973), de Universitaire Instelling Antwerpen, gevestigd in Wilrijk, waar ik tot de allereerste lichting behoorde. In de licenties aan de UIA koos ik de optie Nederlands, met als specialisatie taalkunde. Ik had een grote interesse voor taal. Misschien had dat met de tijdgeest te maken? Ook de conceptuele kunstenaars hadden belangstelling voor de structuur en de filosofie van de taal. Op een goede dag vertelde een huisgenoot, die sociologie studeerde, dat in zijn faculteit een vak computerwetenschappen gedoceerd werd. Hij wilde die cursus volgen en vroeg of ik ook geïnteresseerd was. Dat moet in 1971 of 1972 zijn geweest.

K.B./D.P.: Had je voordien al belangstelling voor computers?

L.S.: Nee, helemaal niet! Het klinkt vreemd als je weet waar ik uiteindelijk ben beland, maar vóór ik dat vak ging volgen, zat ik in een compleet andere wereld. Tijdens mijn licenties op de UIA was ik preses cultuur van de studentenvereniging en hield ik me bijna dagelijks bezig met het organiseren van tentoonstellingen, performances, concerten… Je kan achteraf misschien zeggen dat taalkunde en computers niet zo ver van elkaar liggen, maar op dat moment was er geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht dat mijn toekomst in de computerwereld zou liggen.

K.B./D.P.: Wat bewoog je dan om een vak computerwetenschappen te volgen?

L.S.: Misschien is dat de aard van het beestje? Alles wat nieuw was, wekte mijn nieuwsgierigheid – ook in de kunst was ik altijd op zoek naar de nieuwste trends en fenomenen. En net zoals in de kunst was mijn honger niet gestild door er een boek over te lezen. Ik wilde met computers aan de slag.

K.B./D.P.: Betrof jouw scriptie een onderwerp dat in verband stond met computerwetenschappen?

L.S.: Het precieze onderwerp van mijn scriptie herinner ik mij niet meer. Wel ben ik zeker dat ze over taalkunde handelde. Na mijn studies ben ik dan ook assistent Nederlandse Taalkunde geworden.

K.B./D.P.: Wie was jouw diensthoofd?

L.S.: De linguïst Georges De Schutter. Hij liet mij vooral m’n gang gaan. Van computers had hij geen kaas gegeten. Hij heeft me wel een grote liefde voor de studie van taal bijgebracht.

K.B./D.P.: Hoe heb je je dan verder bekwaamd in de computerwetenschappen?

L.S.: Aan de UIA werd een vak in de computerwetenschappen gedoceerd door Jacques Noël, een specialist informatica uit Luik. Hij kwam uit de hoek van de Information Retrieval (IR) en had het onder meer over Terry Winograd. Dat maakte mij nieuwsgierig. In de zomer van 1974 heb ik Winograd ontmoet tijdens een geweldige summer school, de ‘International Summer School on Computational and Mathematical Linguistics’ in Pisa. Het was een onvergetelijke ervaring. Een aantal van de meest vooraanstaande Amerikaanse computerwetenschappers waren er te gast. Vanaf die zomer van 1974 nam mijn leven definitief een andere wending en wist ik dat mijn toekomst daar lag. Ik ben in die tijd dan ook aan een proefschrift in de computerwetenschappen begonnen. Door de confrontatie met Amerikaanse wetenschappers werd mij eveneens duidelijk dat ik vroeg of laat naar de Verenigde Staten moest trekken indien ik in die wereld iets wilde betekenen.

K.B./D.P.: Wat was het onderwerp van je proefschrift?

L.S.: De titel van mijn proefschrift luidt Aspects of a modular theory of language. Het betrof een studie over parsing, meer bepaald de ontwikkeling van een computerprogramma voor zinsontleding. Hugo Brandt Corstius trad op als promotor.

K.B./D.P.: Hoe was je bij hem terechtgekomen?

L.S.: Ik ben in samenspraak met De Schutter op zoek gegaan naar een promotor. Door allerlei conferenties bij te wonen en onderzoekers naar Antwerpen uit te nodigen om lezingen te geven, had ik het terrein verkend. Zo ben ik uiteindelijk bij Hugo Brandt Corstius uitgekomen, die op dat moment als computertaalkundige verbonden was aan de Vakgroep Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Eigenlijk was Brandt Corstius in de Nederlanden zowat de enige die in aanmerking kwam om voor een onderzoek als het mijne als promotor op te treden.

K.B./D.P.: Hoe liep de samenwerking?

L.S.: Veel heb ik aan Brandt Corstius niet gehad. Hij had immers geen tijd. Dat vond ik niet erg. Het was juist prettig dat hij me vrij liet in wat ik wilde doen. Mijn onderzoek was behoorlijk gesofisticeerd. Makkelijk werken was het evenwel niet.

K.B./D.P.: Waarom niet?

L.S.: Vooral de infrastructuur was nog erg rudimentair. Aanvankelijk was er niet eens een computer op de UIA. Pas na een jaar werd in het rekencentrum van de universiteit een machine geïnstalleerd, een PDP 11, en het duurde nog een tijd voor ik dat toestel mocht gebruiken. Ik kon er enkel ’s nachts op werken, als het vaste personeel naar huis was. Alles gebeurde bovendien nog met ponskaarten. Je kan je niet voorstellen hoeveel geduld wij hadden in die tijd.

K.B./D.P.: Was je ondertussen nog met kunst bezig?

L.S.: Ik heb zeker nog aan verschillende events deelgenomen, onder meer met de Dr. Buttock’s Players Pool, een collectief met wisselende samenstelling dat door mij was opgericht en waarbij onder anderen Ria Pacquée en Marc Holthof betrokken zijn geweest.

K.B./D.P.: Wanneer ben je dan uit de kunst gestapt?

L.S.: Ik ben nooit uit de kunst gestapt! Een dergelijke beslissing heb ik nooit genomen. Overigens, het beste bewijs dat ik de kunst niet losgelaten heb, is dat ik de avond na de verdediging van mijn proefschrift een performance heb uitgevoerd in het fort van Wilrijk, samen met Hugo Roelandt, Narcisse Tordoir en nog enkele andere kunstenaars. De kunst is nadien wat op de achtergrond geraakt omdat ik helemaal geobsedeerd raakte door de wetenschap en er voor artistieke nevenactiviteiten geen tijd meer was. Wetenschap kan enorm opslorpend zijn. Je hebt elke minuut nodig om iets te kunnen betekenen in je vakgebied.

K.B./D.P.: Wat heb je na je verdediging van je doctoraat gedaan?

L.S.: Ik ben kort daarna naar de Verenigde Staten getrokken om aan het Massachusetts Institute of Technology te gaan studeren. Ik gaf het al aan: sinds die summer school in Pisa wist ik dat de VS het beloofde land was op het vlak van de computerwetenschappen.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor het MIT?

L.S.: Die beslissing is geleidelijk tot stand gekomen. In de periode dat ik werkte aan mijn proefschrift leerde ik dat er twee plekken waren die koplopers waren op informaticagebied: het Computer Science and Artificial Intelligence Laboratory (CSAIL) van het Massachusetts Institute of Technology en het Stanford Artificial Intelligence Laboratory (SAIL). Via de Belgian American Educational Foundation (B.A.E.F.), die beurzen uitreikt in het kader van de uitwisseling tussen België en Amerika, kon ik een beurs bemachtigen als research fellow, voor een periode van twee jaar. Na een selectie mocht ik zelfs mijn voorkeur uitspreken voor een van de twee genoemde plekken. Mijn keuze viel op het MIT, vlakbij Boston – het AI-lab in Stanford was een even valabele keuze geweest.

 

AI-subcultuur

K.B./D.P.: Hoe was het om in Boston aan te komen?

L.S.: Dat was een serieuze schok.

K.B./D.P.: Vertel eens.

L.S.: Al die mensen die ik kende in Antwerpen, heel dat netwerk… dat viel plots helemaal weg. Het was naar adem happen. Ik moest terug voet aan de grond krijgen. Daarbij kwam dat ik van het ene op het andere moment in het meest geavanceerde laboratorium ter wereld terechtkwam. Het was duidelijk dat ik serieus moest bijbenen. Ik heb dan beslist om terug te gaan studeren.

K.B./D.P.: Je hebt je opnieuw als student ingeschreven?

L.S.: Ja, ik heb alle vakken van de masters in de computerwetenschappen van het MIT gevolgd en er examens over afgelegd, om mijzelf te dwingen de opgelopen achterstand in te halen. Je kan je niet voorstellen hoe hard ik gewerkt heb in die jaren. Dat deed trouwens iedereen in het MIT.

K.B./D.P.: Kan je de sfeer in het instituut beschrijven? Wat was het MIT voor een plek?

L.S.: Een enorm stimulerende plek! Iedereen werkte de klok rond. Op elk moment van de dag gonsde het van de activiteit. Wat de sfeer in het MIT nog het meest typeerde, was de centrale ruimte in het instituut. Ze werd the playroom genoemd. Er lagen een tapijt en kussens zodat je op de grond kon gaan liggen. Alles was er beschikbaar om te bouwen wat je maar wilde: voorzieningen voor mechanische en elektrische toestellen, robotica… Het devies van het MIT luidde dat er geen limieten zijn, behalve de limieten van je eigen verbeelding. Probeer maar uit, experimenteer naar hartelust, en zie waar je uitkomt, dat was de mentaliteit. Ik heb er een fantastische tijd gehad. Wel was het jammer dat ik te geïsoleerd zat om de kunstactualiteit te volgen. Ik heb slechts sporadisch interessante dingen gezien.

K.B./D.P.: Boston beschikt nochtans over een stevige culturele infrastructuur, of niet?

L.S.: Je had inderdaad een instelling als het ICA in Boston, maar er waren weinig interessante galeries, en van een performancecultuur zoals die bestond in Antwerpen was evenmin sprake. Ik miste de levendige voedingsbodem die ik in Antwerpen had gekend. Bovendien was de afstand met New York groot. In 1980 ben ik naar Connecticut dichtbij New York verhuisd om er aansluiting te zoeken bij de plaatselijke kunstscene, maar jammer genoeg is dat nooit gelukt. Ik heb wel een andere avant-garde in Amerika leren kennen, niet in de kunst, maar in de computerwereld. In de aftandse lofts van Boston woonde een groep mensen, onder wie een aantal van mijn medeonderzoekers in het MIT, die zich van de meest geavanceerde technologie hadden voorzien.

K.B./D.P.: Wat deden zij precies?

L.S.: Ze ontwikkelden computernetwerken en community memories. Zij waren het internet aan het uitvinden! Ze droomden van de totale democratisering van de computer. Je moet je voorstellen dat een computer in die tijd nog een geheimzinnig apparaat was dat enkel door lieden in witte stofjassen mocht worden gebruikt. Daar gingen ze tegenin. In hun ogen moest iedereen van jong tot oud een computer kunnen gebruiken. Ze waren maniakaal bezig met de ontwikkeling van de technologie die dat mogelijk moest maken en het ongelooflijke daarbij was dat het geen moment in hen opkwam dat ze rijk zouden worden of geschiedenis aan het schrijven waren. De computerwereld van Boston was een rasechte subcultuur, vergelijkbaar met wat ik in Antwerpen had gekend. Het ging om eenzelfde soort alternatieve leefcultuur, alleen was ze in Boston en Cambridge met nieuwe technologie verbonden. Die jonge computerwetenschappers hielden er vaak ideeën op na die vandaag nog radicaal zouden worden gevonden.

K.B./D.P.: Kan je daar voorbeelden van geven?

L.S.: Een van mijn collega’s was Danny Hillis. Hij woonde ook in een loft. Hij bedacht bijvoorbeeld een toestel om over het water te lopen. Hij heeft dat toestel ook gebouwd – hij is namelijk ingenieur. Wat later vatte hij het plan op om een computer met 1 miljoen processoren te bouwen – je moet je voorstellen dat de gloednieuwe computer op mijn bureau over welgeteld vier processoren beschikt. Met behulp van de meest geavanceerde chip design slaagde hij erin een computer met ‘slechts’ 64.000 processoren te bouwen. Een model van die machine bevindt zich nu in het MoMA te New York – de computer heeft een merkwaardige vorm: aan de buitenkant ziet hij eruit als een zwarte kubus met rode lichten, en als je hem opent zie je de processoren zitten. In het MIT zat het vol met jongelui van mijn leeftijd die om de haverklap met waanzinnige ideeën kwamen aandraven en die nog uitvoerden ook. Heel veel van de verworvenheden waarvan we nu profiteren, zijn voorbereid in de lofts van Boston – of in het AI-lab van Stanford, Palo Alto. De jaren 70 waren een van de meest creatieve fasen uit de geschiedenis van de computerwetenschappen, vooral op het vlak van de ontwikkeling van nieuwe technologie voor alledaags gebruik. Aan de westkust had je bijvoorbeeld Stewart Brand, het brein achter de Whole Earth Catalogue, of Alan Kay, die de programmeertaal Smalltalk bedacht. Ik had me graag nog een tijdje verder ontwikkeld in die omgeving. Ik had zelfs plannen om een tweede doctoraat te schrijven – tot bleek dat mijn vrouw zwanger was. Ik deed er dus goed aan om een job te zoeken.

K.B./D.P.: Waar ben je terechtgekomen?

L.S.: Ik heb nog even overwogen om samen met Alan Kay bij Xerox te gaan werken, maar uiteindelijk ben ik via Marvin Minsky terechtgekomen bij een bedrijf dat werkzaam was in de geofysica. Het hield zich bezig met het bepalen van de ligging en het opmeten van olievelden. Ik ben er vrij snel teamleider geworden. Het was een heel bijzonder bedrijf. Ook in de industriële wereld gebeurden toen spannende dingen met computers. In 1983 ben ik echter naar België teruggekeerd.

K.B./D.P.: Waarom?

L.S.: In de eerste plaats omwille van onze dochter. We wilden dat ze in België school liep. Ik ben aan de Vrije Universiteit Brussel aan de slag gegaan.

K.B./D.P.: Hoe ben je daar precies terechtgekomen?

L.S.: Ik gaf al computertaalkunde aan de VUB toen ik nog in Amerika verbleef. Op een gegeven moment kwam er een plaats voor een hoogleraar in de computerwetenschappen vrij. Ik heb me kandidaat gesteld, met succes.

 

Back in Belgium

K.B./D.P.: Hoe was het om naar België terug te keren?

L.S.: Tamelijk hallucinant. Wat een contrast met Cambridge! Op alle terreinen van de wetenschap, niet alleen in de computerwetenschappen, maar bijvoorbeeld ook in de biologie en in de fysica werden er de bakens verzet. In Brussel daarentegen duurde het een half jaar vooraleer ik de beschikking kreeg over een lokaal. Toen ik mijn oversten erop wees dat het de bedoeling was om een computerlaboratorium op te starten, kreeg ik het voorstel om in het rekencentrum te gaan werken. Een rekencentrum! Dat was totaal niet meer aangepast aan de nieuwste technologie van dat moment. Dat was iets van de jaren 70.

K.B./D.P.: Men wilde jou dus wel een post als computerwetenschapper aanbieden…

L.S.: …maar men dacht dat ik genoeg had aan een bureau. Je moet weten dat de computerwetenschappen aan de VUB onder het departement wiskunde ressorteerden. Mijn collega’s wiskundigen hadden geen idee van wat het runnen van een laboratorium inhield. Zij benaderden informatica op een totaal andere manier dan ik, die mijn opleiding in de Verenigde Staten had genoten. Er is namelijk een groot verschil tussen de Europese en de Amerikaanse computerwetenschappen.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

L.S.: In Europa is de informatica geworteld in de wiskunde. Ze is erg theoretisch gericht. Sommige Europese informatici – het voorbeeld bij uitstek is de Nederlander Edsger Wybe Dijkstra (1930-2002) – vonden dat je aan computerwetenschappen kon doen zonder een computer te gebruiken. Ze maakten er zelfs een erezaak van! Dijkstra vond dat je niet het recht had om te programmeren als je geen doctoraat in de wiskunde had, en eiste dat je de wiskundige correctheid van je programma kon bewijzen. Die mentaliteit verschilde enorm van de praktijk die ik in het MIT had leren kennen. Daar werd juist een pragmatische aanpak gehuldigd. De computer werd er zo toegankelijk mogelijk gemaakt. Je werkte met trial and error… Het maken van fouten was toegelaten; een fout werd immers beschouwd als een kans om bij te leren. Ik kon aan de VUB totaal niet opschieten met de wiskundigen van mijn departement. Mede daardoor ben ik de middelen om het laboratorium te financieren elders moeten gaan zoeken.

K.B./D.P.: Waar heb je geld gevonden?

L.S.: Bij de Europese commissie, die geld vrijmaakte voor wetenschappelijke projecten. Ook onze tijdelijke projecten werden met Europese middelen bekostigd. Na een tijdje konden we ook af en toe een beroep doen op het FWO (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek) en het IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie). Zo’n financiering heeft natuurlijk nadelen. Doordat je volledig drijft op tijdelijke projecten kan je geen langetermijnwerking opbouwen. Ik was voortdurend bezig met het schrijven van proposals. Er kroop enorm veel energie in de bureaucratische rompslomp en in allerlei manoeuvres – energie die in feite naar het wetenschappelijk onderzoek had moeten gaan.

K.B./D.P.: Hoelang heb je aan de VUB gewerkt?

L.S.: Ik ben nog steeds aan de VUB verbonden, maar sinds 1996 ben ik slechts deeltijds tewerkgesteld. In datzelfde jaar ben ik namelijk directeur geworden van het Sony Computer Science Laboratory in Parijs.

K.B./D.P.: Ondanks de door jou geschetste moeilijkheden lijkt het AI-lab van de VUB een stevige reputatie te hebben opgebouwd…

L.S.: We hebben inderdaad op heel wat terreinen baanbrekend werk verricht: inzake kennis- en expertsystemen, op het terrein van de robotica… Daarnaast heb ik van bij de aanvang ook kunstenaars in het AI-lab laten werken. Ik heb ook een computermuziekfestival georganiseerd. Ik wilde namelijk de draad met de kunst terug oppikken.

K.B./D.P.: Welke kunstenaars hebben zoal in het AI-lab gewerkt?

L.S.: Onder andere Anne-Mie Van Kerckhoven. Anne-Mie had overigens al in 1977 een animatiefilm gemaakt over de ideeën in mijn proefschrift. Ze heeft zich in het AI-lab toegelegd op het maken van tekeningen met behulp van de computer.

 

IJsbreker

K.B./D.P.: Weet je nog wie jou voor IJsbreker heeft gecontacteerd?

L.S.: Ik vermoed Jef Cornelis zelf? Ik kan het niet met zekerheid zeggen.

K.B./D.P.: In IJsbreker ben jij samen met de Nederlandse componist Dick Raaijmakers te gast in de videoroom te Brussel. Op de twee buitenlocaties bevinden zich Peter Beyls in het gezelschap van de ‘computermusicus’ Rudi Blondia (in Beyls’ woning te Gent) en de Nederlandse kunstenaar Peter Struycken (te midden van diens retrospectieve in het Groninger Museum). Raaijmakers had een stevige reputatie opgebouwd met experimenten in de computermuziek.

L.S.: Voor de uitzending kende ik hem evenwel niet. Ik was wel vertrouwd met de componisten en musici die werkten in het IPEM (Institute for Psychoacoustics and Electronic Music) te Gent, zoals Karel Goeyvaerts, of zoals Joris De Laet, die daarnaast een studio voor experimentele en elektronische muziek uitbaatte. Ik stond al sinds de jaren 70 met hen in contact. In die tijd was ik immers zelf met elekronische muziek bezig.

K.B./D.P.: Ook jouw gewezen promotor Hugo Brandt Corstius was gevraagd om aan de uitzending deel te nemen.

L.S.: Is dat zo? Dat wist ik niet.

K.B./D.P.: Opvallend is dat alleen de beeldende kunst en de muziek aan bod komen in de uitzending. Op een document dat zich in het archief van Pol Hoste bevindt, komt weliswaar de naam van Gerrit Krol voor, die zich onder meer bezighield met computergegenereerde poëzie, maar voor zover bekend werden geen pogingen ondernomen om een schrijver voor het programma te engageren.

L.S.: Gerrit Krol kende ik eveneens al geruime tijd. Tijdens mijn studententijd aan de UIA hebben Marc Verreckt en ik hem uitgenodigd om een lezing te komen geven, tot grote ontstentenis van Paul De Wispelaere, die Nederlandse literatuur doceerde. Wij – dat wil zeggen: Marc Verreckt en ik – wilden meer directe interactie met auteurs en besloten het heft in eigen handen te nemen.

K.B./D.P.: Krol had toen net APPI uitgebracht, een essay over poëzie die met de computer wordt gemaakt.

L.S.: Dat was evenwel niet de reden om hem uit te nodigen. Ik was nog niet met computers bezig. Het was overigens vooral Marc Verreckt die in experimentele literatuur geïnteresseerd was.

K.B./D.P.: Ben jij geconsulteerd over mogelijke deelnemers aan de IJsbreker-aflevering over computerkunst?

L.S.: Nee.

K.B./D.P.: Stel dat men jou om suggesties had gevraagd… welke mensen zou je hebben voorgesteld? Wie vond jij toen interessant op het terrein van de computerkunst?

L.S.: Een van de mensen die ik kende was Harold Cohen, die met een robot tekeningen maakte op de vloer en onder meer aan Documenta 6 (1977) had deelgenomen. Ik heb hem uitgenodigd voor een van de conferenties die ik met het AI-lab van de VUB georganiseerd heb. Niet dat ik zo wild was van zijn tekeningen… Over het algemeen sta ik trouwens nogal kritisch tegenover de resultaten van de zogenaamde computerkunst.

K.B./D.P.: Ook in IJsbreker stel jij je terughoudend op. Je stelt bijvoorbeeld kritische vragen met betrekking tot de plaats van het esthetische oordeel en de verantwoordelijkheid van de kunstenaar – is het de machine of de kunstenaar die beslist, en hoeveel laat je aan de machine over?

L.S.: Klopt. Wat mij vandaag enorm stoort, is de idee die bij veel ‘computerkunstenaars’ leeft dat de computer kunst kan maken. Ik geloof niet dat dat mogelijk is. Ik betwijfel sterk of het ooit mogelijk zal zijn.

K.B./D.P.: Wat je nu aansnijdt, lijkt zowat het spiegelargument van wat je in IJsbreker aanvoerde. In het geval van Struycken stelde je namelijk de noodzaak om met de computer te werken in vraag. Nadat Struycken uitlegde dat hij altijd vooraf wist wat hij wou, vroeg jij: ‘Je zou het dus evengoed met de hand kunnen schilderen en met de hand berekenen als het niet lang zou duren?’ Nu stoor jij je aan kunstenaars die denken dat de computer kunst kan maken.

L.S.: Ja, en wat me daarbij het meest stoort, is dat zij niet op de hoogte zijn van de kunstactualiteit en geen affiniteit hebben met kunst. Ik heb de laatste jaren in het lab van Sony verschillende onderzoekers over de vloer gehad die kunst wilden maken met de computer. Een van hen ontwikkelde een programma om tekeningen te maken. Over hedendaagse kunst wist hij evenwel niets. Bovendien wilde hij alles tonen wat de computer produceerde. Hij weigerde om keuzes te maken. Hij was daar allicht ook niet toe in staat, omdat het hem aan de nodige artistieke sensibiliteit ontbrak. Een andere onderzoeker beweerde dat hij een stuk ‘zoals Mozart’ had gecomponeerd. Hij had daartoe honderden stukken van de Oostenrijkse componist in een computer gestoken en met behulp van een programma de regelmatigheden geanalyseerd. Vervolgens kwam hij door het synthetiseren van die regelmatigheiden tot muziek die ‘als Mozart’ klonk – tenminste voor diegene die niet de sensibiliteit heeft om het unieke karakter van Mozarts muziek te onderscheiden. Het is niet moeilijk om zoiets te doen. Je kan een computer zonder enig probleem beelden laten genereren die pakweg op de schilderijen van Mondriaan lijken. Moeilijk is dat niet, alleen is het naast de kwestie. Mondriaans werk is immers ontstaan vanuit een geduldig zoeken naar het juiste evenwicht, en het steunt op een uitgewerkte filosofie. De mensen die dergelijke computersimulaties maken, hebben daar doorgaans geen flauw benul van. Ze missen de elementaire gevoeligheid om kunst te ervaren en te maken.

K.B./D.P.: Er is evenwel een belangrijk verschil tussen de ‘computerkunstenaars’ die in IJsbreker optraden en de mensen waarmee jij vandaag te maken hebt: in het eerste geval ging het om kunstenaars die een nieuw medium verkenden, in het laatste geval gaat het om wetenschappers die plots kunst willen maken. Dat doet de vraag rijzen waarom wetenschappers per se kunstenaar willen worden.

L.S.: Daar heb ik op zich geen problemen mee. Ik begrijp dat wetenschappers hun discipline te eng vinden en ruimere horizonten willen opzoeken. Ik vind wel dat ze zich beter geen kunstenaar noemen. Als ze toch willen kunstenaar zijn, dan eis ik dat ze hun artistieke praktijk even ernstig nemen als hun wetenschappelijk werk. Daar wringt het schoentje.

K.B./D.P.: De verklaring voor het fenomeen zou er precies in kunnen liggen dat het wetenschappelijke bedrijf te eng is… en zodoende verlangens worden gewekt naar een andere plek, de kunst.

L.S.: Denken jullie dat er zoveel wetenschappers zijn die vandaag kunst willen beoefenen?

K.B./D.P.: Het lijkt in elk geval een trend. Denk aan de vele manifestaties rond kunst en wetenschap de laatste jaren… Het loopt behoorlijk de spuigaten uit.

L.S.: Ik word zelf regelmatig op dat soort events uitgenodigd en wat ik te zien krijg, overtuigt me allerminst. De reden daarvoor sluit aan bij wat ik zonet aanhaalde: de techniciteit neemt de bovenhand op het artistieke. Het probleem is dat de computers van vandaag zoveel kunnen. Je kan er beelden mee maken waarvan je achterover valt… maar daarmee heb je natuurlijk nog geen interessante kunst.

K.B./D.P.: Het merkwaardige is dat jij computerkunstenaars in je lab hebt laten werken of hebt uitgenodigd, en zelfs een computermuziekfestival hebt georganiseerd… terwijl geen enkele kunstenaar jou kennelijk heeft overtuigd dat computer en kunst met elkaar te verzoenen zijn.

L.S.: Toch wel. Ik vind dat het wel kan zolang je de computer als een instrument gebruikt, zoals Anne-Mie Van Kerckhoven doet. In dat geval functioneert de computer als de pen en het papier van het digitale tijdperk.

K.B./D.P.: Aan het einde van IJsbreker maak je een verrassende en weinig gehoorde opmerking. Je zegt er: ‘Ik zou er nog aan willen toevoegen dat in wetenschappelijk onderzoek die esthetische criteria evengoed een belangrijke rol spelen.’

L.S.: Daar ben ik nog steeds van overtuigd. Ik vind dat de resultaten van wetenschappelijk werk een esthetische kwaliteit kunnen hebben. Programmeertalen bezitten vaak een bepaalde stijl. Een goed programma heeft een zekere schoonheid. Er zijn ook onderzoekers die prachtig werk maken – zonder dat ze pretenderen kunstenaar te zijn.

K.B./D.P.: Wanneer heb je dat inzicht voor het eerst gehad?

L.S.: Dat is proefondervindelijk gegroeid. Door langdurig aan dingen te werken, merk je dat ze beter en… ja, mooier worden. Ik zie het ook in werk van anderen. Of neem een wiskundige vergelijking. Bij wiskundige vergelijkingen duurt het soms decennia vooraleer ze hun definitieve vorm hebben gevonden – zelfs de letterkeuze komt pas na een lange tijd vast te liggen.

K.B./D.P.: Is het een kwestie van ‘less is more’? Is dat wat jou aantrekt?

L.S.: Nee, het gaat om de coherentie, om het evenwicht. Vergelijk het met muzikanten die samenspelen. Ook zij hebben soms de ervaring dat plots alles in de juiste plooi valt. Van een mooie vergelijking of een coherent programma kan een grote kracht uitgaan. Voor mij is dat een ontegensprekelijk bewijs dat esthetische criteria een cruciale rol spelen in de kwaliteit van wetenschappelijk werk. Jammer genoeg zijn er weinig mensen in mijn vak die een dergelijke vorm van schoonheid weten te appreciëren.

 

Transcriptie & redactie: Dirk Pültau

Met dank aan argos voor het beeldmateriaal.

Gesprek met Frank Theys over zijn relatie met de computer

Caroline Dumalin: Kan je vertellen hoe de computer in jouw leven binnenkwam?

Frank Theys: Die is gewoon thuis gepasseerd, via mijn vader, die vertaler was. Door hem heb ik de hele evolutie van mechanische over elektronische typemachine naar computer van dichtbij meegemaakt. Alle afgedankte machines werden aan de kinderen doorgegeven. Toen ik aan de beurt was, kreeg ik zijn eerste computer. Ik gebruikte die als tiener om allerlei teksten te schrijven – huiswerk, eigen schrijfsels, een cv… – want veel meer kon zo een toestel nog niet aan. Met één tekst in WordPerfect zat de harde schijf al vol.

C.D.: Hoe ben je er vervolgens toe gekomen om met de computer artistiek werk te maken?

F.T.: Ik heb in mijn jeugd bijzonder veel getekend en geschilderd, maar op een gegeven moment vond ik dat te bourgeois – laat het ons mijn punkperiode noemen. Werken met elektronisch materiaal zag ik als een boeiend alternatief, waarmee ik bovendien nieuwe elementen – zoals tijd en klank – kon verkennen. Helemaal in het begin van de jaren 80 hadden mijn broer Koen en ik samen met Dirk Paesmans de punkgroep Votnik opgericht. Naast het maken van elektronische muziek gaven we ook een gestencild tijdschrift uit. Via De Nieuwe Workshop in Brussel, gevestigd op de plek waar nu De Markten is, hebben we op een gegeven moment een U-Matic camera in handen gekregen. Daarmee is het allemaal begonnen.

C.D.: Een U-Matic camera gebruik je evenwel voor analoge video…

F.T.: Dat klopt. In het begin had video niets met computer te maken. Begin jaren 90 begonnen de meeste montagestudio’s hun oude systemen echter door computers te vervangen. Het gevolg was dat het bijna onmogelijk werd om nog videokunst te maken.

C.D.: Hoezo?

F.T.: Zo’n computer was een grote investering. Weinig studio’s waren bereid om een kunstenaar te laten prutsen aan een gloednieuwe machine waarvan ze de software zelf nog niet helemaal onder de knie hadden. Dat is ook de reden waarom videokunst begin jaren 90 nagenoeg verdwijnt. Het maken van video werd ook nog op andere manieren bemoeilijkt: in Vlaanderen viel video tussen twee stoelen. Noch de Filmcommissie, noch de Beeldende Kunstcommissie wilden zich over videoprojecten uitspreken. De galeries hadden nog geen interesse en een specifieke infrastructuur voor videokunst ontbrak. Ik ben mij toen op theater gaan concentreren. Tijdens het maken van de Wagnertapes (Het Rijngoud en De Walkure, 1986-1989), een tweedelige videocyclus gebaseerd op de opera’s van Wagner die ik samen met mijn broer Koen realiseerde, had ik met acteurs leren werken, en dat was mij goed bevallen. Ik had zin om dat vaker en diepgaand te doen.

C.D.: In jouw theaterstukken van de jaren 90 worden evenwel steevast videoprojecties geïntegreerd…

F.T.: Die slopen er automatisch weer in. Ik vond het boeiend om de twee te combineren. Het filmmateriaal was een manier om de buitenwereld naar binnen te halen. Bovendien beschikte ik in de theaterwereld plots over de infrastructuur en de middelen om videoprojecties te maken. Met de subsidies voor theatervoorstellingen kon ik acteurs én een monteur in een montagestudio betalen. In het stuk Van al die die niks te zeggen hebben, zijn die die zwijgen ’t aangenaamst (1993) heb ik bijvoorbeeld over de hele lengte van de voorstelling een videoprojectie geïntegreerd die qua complexiteit vergelijkbaar is met een langspeelfilm; alleen ging het om een verticale projectie, die als een deur op de scène stond.

C.D.: Wat later heb je een voorstelling over het internet gemaakt: 2012 (Now I Am Nationwide) (1995). Hoe ben je tot dat stuk gekomen?

F.T.: In een periode dat ik aan het nadenken was over een nieuwe voorstelling, kwam ik bij een vriend op bezoek die net een internetaansluiting had genomen, als een van de eerste particulieren in België. Hij liet me onder meer chatkanalen zien – van websites was er nog nauwelijks sprake. Voor mij was dat een bijzondere ontdekking. Zesentwintig mensen die samen aan de lopende band zaten te schrijven, vijf regels per seconde… Mijn dialogen gleden aan de lopende meter voorbij! Ik ben mij toen verder in het onderwerp gaan verdiepen. Ik heb zowat alle internetpioniers in België opgezocht en binnen Victoria samengebracht in de denktank The Fourth Wave. Dat was in 1994. Zo ben ik vertrouwd geraakt met die hele subcultuur en de wildste fantasieën die rond het internet leefden, zoals de natte droom om je eigen brein online in te pluggen. Die ideeën zouden enkele jaren later de basis vormen voor het scenario van Technocalyps, mijn documentairereeks over het transhumanisme. Wat mij in die chatkanalen echter het meest interesseerde was het taalgebruik, bijvoorbeeld de manier waarop de woorden ingekort worden. Op het internet wordt taal helemaal vervormd. Ik heb die chatdialogen vermengd met citaten van soaps, zoals The Bold and The Beautiful, omdat ik er meer drama in wilde verwerken. Elke acteur had een dertigtal zinnen om te dialogeren, gaande van ‘I’m gonna make your software hard’ tot ‘Sweetheart, you’re compromising yourself’. Het resultaat is interessanter dan je zou verwachten. Begin 1997 ben ik echter gestopt met theater en heb ik mij een computer aangeschaft. De machine kostte anderhalf miljoen Belgische frank [ca. 37.500 euro]. Dat was het mij waard. Eindelijk had ik mijn productiemiddelen in eigen handen.

C.D.: Wat was het eerste werk dat je op de computer maakte?

F.T.: Op mijn eigen computer? Dat was De Kus (1997). Het is een video met een heel simpele montage: een opeenvolging van MRI-scans van een kussend koppel. Mijn daaropvolgende videowerk was Burn, Baby, Burn! (1999), een installatie met verschillende projectoren, die in Argos is tentoongesteld. Aan het plafond hingen touwen van wel acht meter lang, waaraan spiegels bevestigd waren. Via de projecties en de weerkaatsingen in de spiegels werden allerlei digitaal vervormde figuren op het plafond en de muren geprojecteerd. Ik moest denken aan de demonen op het plafond van de Uffizi in Firenze. Ik was al sinds de Wagnertapes geïnteresseerd in het manipuleren van het menselijk lichaam. In beide delen, Het Rijngoud (1986) en De Walkure (1989), die ik samen met mijn broer Koen Theys heb gemaakt, speelde dat aspect al een belangrijke rol. Nu kon ik dankzij de computer weer zelf met het materiaal aan de slag en daardoor veel ingrijpender te werk gaan. Ironisch genoeg besteed ik de laatste tijd toch onderdelen uit, vooral als het om klussen gaat waarvan ik weet dat iemand anders erin gespecialiseerd is. Het is prettiger werken en je leert dingen bij zonder dat je de volledige controle over het medium verliest.

C.D.: Ben je een ander soort werk gaan maken sinds je zelf aan de computer zit?

F.T.: Net niet! Het enige verschil is dat ik steeds minder beperkingen ervaar, en steeds meer mogelijkheden zie om de dingen te maken die ik wil maken. Ik moet ook wel zeggen dat de randvoorwaarden verbeterd zijn. Het Vlaams Audiovisueel Fonds maakt nu middelen vrij voor dit soort werk. Hierdoor krijg ik de vrijheid om complexer werk te maken. Zo is mijn werk opnieuw narratiever geworden. Toen ik mijn computer pas gekocht had, hield ik me vooral bezig met de status van het beeld. Nu kan ik mijn ervaring met het theater en het schrijven van teksten combineren met het visuele aspect.

C.D.: Enkele jaren na de aanschaf van je computer maak je Self-Portrait (2002). De video toont een onthoofde man die tussen het raam van een kamer en het computerscherm op zijn bureau ijsbeert, terwijl het bloed uit zijn hals spuit. De video suggereert dat de toestand waarin de man zich bevindt met zijn computer te maken heeft… Hoe kom je aan dat lugubere beeld?

F.T.: Het was de periode dat mijn vader overleed aan een hartaanval. Hij lag een tijdlang op de intensive care met zijn benen in de lucht en zijn hoofd naar beneden, opdat er genoeg bloed naar zijn hersenen zou vloeien. Daardoor was zijn hoofd opgeblazen. Het was alsof het dreigde te ontploffen. Dat beeld heeft een sterke indruk nagelaten. Op zo’n moment kijk je terug op je eigen leven.

C.D.: Je noemt het werk ‘zelfportret’. Het gaat nadrukkelijk over jou…

F.T.: Dat kan ik niet ontkennen. Ik sta zelf model – al is mijn hoofd uit het beeld gewist. Het is zeker het meest existentialistische, psychologische werk dat ik ooit gemaakt heb. Het gaat ontegensprekelijk over mezelf…

C.D.: …en meer bepaald over je relatie met je computer.

F.T.: Self-Portrait was een manier om mij af te reageren op het ding.

C.D.: Waarom was dat nodig?

F.T.: Na een tijd merkte ik dat ik een enorm neurotische verhouding met het computerscherm had ontwikkeld. Ik geloof niet dat ik daarin alleen sta. De video werd ooit vertoond in Tbilisi (Georgië), in het kader van een literaire happening, en naar verluidt sloeg hij erg aan omdat heel wat schrijvers er zich in herkenden. De computer geeft je mogelijkheden, maar sluit je ook op in je eigen omgeving. Je hebt zogezegd toegang tot de wereld, maar je bent in feite constant met jezelf bezig, geïsoleerd in de huiskamer. De computer is ook verslavend. Soms lijkt hij wel mijn enige toevlucht om werk te kunnen maken. Op een gegeven moment zat ik dag en nacht voor die computer te werken. Na verloop van tijd kom je dan bijna in een trance terecht.

C.D.: Je verloor er om zo te zeggen je hoofd bij…

F.T.: Precies.

C.D.: De onthoofde man loopt mechanisch heen en weer tussen het venster en de computer. Zijn woonruimte lijkt ook zijn werkruimte te zijn. Het bureau staat naast de zetel en de televisie…

F.T.: Dat is in het verleden maar al te vaak het geval geweest. Tijdens de montage van Technocalyps sliep en at ik bijvoorbeeld letterlijk bij mijn computer. Alleen al voor de kleurcorrecties van de film, die 150 minuten duurt, had hij twee maanden ‘rekentijd’ nodig, en omdat deze computer nogal vaak crashte, kon ik hem niet lang alleen laten. Ik had anders nooit de deadline gehaald. Zo word je natuurlijk de slaaf van je computer. De laatste weken zaten we met zes G4-computers van Apple in mijn woonkamer: eentje voor de montage van het laatste deel, twee voor het rekenwerk en drie voor de Nederlands/Franse ondertiteling. Daarnaast zaten nog drie mensen thuis de 3D-animaties af te werken.

C.D.: Een ander veelzeggend detail is dat het spuitende bloed in de video grotendeels op de computer terechtkomt. Af en toe typt de man iets op het klavier, maar alles wordt door de bloedspatten op het scherm onleesbaar gemaakt…

F.T.: Ik dacht vooral aan het bekende filmpje van Marcel Broodthaers, waarin hij tracht te schrijven in de regen, maar alle inkt onmiddellijk door het water wordt weggespoeld. Ik voelde iets gelijkaardigs toen ik voor die computer zat. Je hele leven zit je ‘bloed te geven’ aan dat scherm, je geestdrift in die machine te steken… Het ritme van het bloed geeft ook de verveling en het tikken van de tijd aan. Het spuiten van het bloed heeft iets van masturbatie.

C.D.: Broodthaers’ actie verwijst naar het falen van de act van het schrijven als zodanig… Jij suggereert daarentegen dat het schrijfgerief – de computer – tegenwerkt.

F.T.: Zo is het ook. De computer eist je op en heeft soms een eigen wil. Hij doet niet altijd wat je van hem verlangt. Tegelijk is hij als een werknemer die enorm veel kan, maar niets verwezenlijkt zonder dat je hem opdrachten geeft.

C.D.: Het lijkt wel alsof je computerdroom hier in een nachtmerrie is omgeslagen… Beleef jij nog plezier aan het maken van kunst als er een computer aan te pas komt?

F.T.: Ik moet denken aan een uitspraak van een componist, ik geloof Tchaikovsky, die zei: als ik een lied voor mijn plezier schrijf, dan is het mijn geliefde, als ik het beroepsmatig doe, wordt het mijn vrouw. Gelukkig is de technologie er sterk op vooruitgegaan. Mijn huidige computer doet een paar uur over een klus waar mijn vorige computer nog enkele maanden voor nodig had. Overigens heb ik nu een atelier dat los van mijn woning staat. Ik slaag er dus beter in werk en leven te scheiden. Maar het blijft een feit dat de grens tussen kunst en leven sinds de intrede van de computer definitief is vervaagd.

 

Frank Theys wordt als beeldend kunstenaar vertegenwoordigd door Escautville (Ulrike Lindmayr), Lange Leemstraat 387, 2018 Antwerpen (0497/481 272).

Interview met Pol Hoste over IJsbreker 20: Computerkunst

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Op het moment dat aflevering 20 van IJsbreker wordt uitgezonden, fungeerde jij reeds geruime tijd – met name sinds aflevering 4: Kunst te koop – als de onzichtbare ‘stem’ van het programma. Jij verzorgde ook inleidende bindteksten en persberichten. Daarnaast was jij samen met Marianne Van Kerkhoven verantwoordelijk voor de inhoudelijke voorbereiding van de uitzendingen. Wat hield die voorbereiding precies in? Bepaalden jullie bijvoorbeeld het thema van de uitzending?

Pol Hoste: Nee, het thema werd vrijwel steeds door Jef Cornelis of door de andere realisators voorgesteld. Mijn taak bestond erin invalshoeken te bedenken van waaruit de problematiek kon worden benaderd. Ik ging ook op het terrein kijken wie er met het onderwerp bezig was. Eens de deelnemers aan het programma vastgelegd waren, bezocht ik samen met Jef de locaties. Ik overliep met de deelnemers welke thema’s aan bod zouden komen en bereidde hen op de uitzending voor.

K.B./D.P.: Wat deed Marianne Van Kerkhoven?

P.H.: Zij verzamelde voornamelijk documentatie. Zij verrichtte opzoekingswerk in de rijk gestoffeerde knipseldienst van de VRT en ging naar bibliotheken. Soms gebeurde het dat wij samen een organisatie bezochten. Voor de aflevering over dans zijn we bijvoorbeeld samen naar het Ballet van Vlaanderen getrokken. Maar het veldwerk was in de eerste plaats mijn verantwoordelijkheid.

K.B./D.P.: Hoe ging jij daarbij te werk?

P.H.: Voor de negende aflevering over dans ben ik simpelweg van de telefoongids vertrokken. Ik zocht in De Gele Gids op wie er met dans bezig was in Vlaanderen: dansgezelschappen, volksdansgroepen, dansscholen, noem maar op. Ook de 15de aflevering is me steeds bijgebleven, over goochelen en parapsychologie: ik heb toen tientallen goochelaars verspreid over heel Vlaanderen opgezocht.

K.B./D.P.: Hoe werden de kandidaten geselecteerd?

P.H.: Eerst maakte ik een ruime voorselectie die op de redactievergadering besproken werd. De overgebleven personen en organisaties zocht ik op. Ik bekeek wat ze te bieden hadden en op basis van mijn bevindingen werd de lijst verder uitgedund tijdens een tweede redactievergadering. Wie dan nog overbleef, werd door Jef persoonlijk gecontacteerd voor een gesprek. Jef had dus altijd het laatste woord.

K.B./D.P.: Daarnaast opereerde jij als de ‘stem’ die alles aan elkaar praatte. Volgens Jef schreef jij je bindteksten altijd volledig uit.

P.H.: Jef was daar erg tevreden over. Hij vond dat ik uitstekende bindteksten en persberichten maakte. Volgens hem zou ik een uitstekende kabinetschef zijn geweest.

K.B./D.P.: In de uitzending over computerkunst zijn informaticaspecialist Luc Steels en componist Dick Raaijmakers te gast in de videoroom te Brussel.

P.H.: Jef wist dat Steels met artificiële intelligentie bezig was. Ik kende Steels niet voor de uitzending eraan kwam.

K.B./D.P.: De gasten op de locaties zijn Peter Struycken, in het Groninger Museum, en het duo Peter Beyls en Rudi Blondia, in de woning van Beyls te Gent.

P.H.: Ook met hen heb ik pas naar aanleiding van de uitzending kennisgemaakt. Ik vermoed dus dat mijn werk als terreinverkenner in dit geval beperkt was. Jef zal hen vermoedelijk voorgesteld hebben.

K.B./D.P.: In het archief van de VRT bevindt zich een document waaruit blijkt dat het de bedoeling was om Hugo Brandt Corstius te benaderen.

P.H.: Brandt Corstius is een computertaalkundige. Allicht wilde Jef hem in de uitzending hebben omdat hij over de taligheid van de computerkunst kon reflecteren. Brandt Corstius gold als een moeilijke jongen.

K.B./D.P.: Weet je waarom hij geweigerd heeft?

P.H.: Omdat hij geen hoge dunk had van de expertise die in Vlaanderen voorhanden was? De ware reden zal hij aan Jef hebben meegedeeld. De gesprekken over effectieve deelname aan het programma werden altijd door hem gevoerd.

 

2.

K.B./D.P.: Wie was met het thema computerkunst op de proppen gekomen?

P.H.: Zoals ik zei werd het thema vrijwel steeds door Jef voorgesteld. Dat was ook nu het geval. Voor Jef lag zo’n thema nogal voor de hand.

K.B./D.P.: Waarom?

P.H.: Jef is altijd gefascineerd geweest door de materialiteit van de productiemiddelen. Hij wil weten hoe iets geproduceerd wordt. Hij is geïnteresseerd in de apparatuur. Hij kende iedereen die zich met technische kwesties bezighield op de VRT en stelde hen allerlei vragen over techniek. Ik heb altijd gevonden dat het werk van Jef Cornelis heel dicht bij een materialistische kunstopvatting staat.

K.B./D.P.: Wat bedoel je daar precies mee?

P.H.: Ik doel op de idee dat kunst begint met het oneigenlijk gebruik van materiaal. Verf is in oorsprong niet ontwikkeld om schilderijen mee te maken. IJsbreker is wat dat betreft exemplarisch. De straalverbindingen die in IJsbreker worden aangewend zijn niet voor dergelijke doeleinden bestemd. In De langste dag (1986), over de Gentse kunstzomer van 1986, zette Cornelis zelfs de motards en helikopters in die voor wielerwedstrijden worden gebruikt: middelen die de sportredactie al op een tegendraadse wijze aanwendde – helikopters dienen immers evenmin om de Ronde van Frankrijk te verslaan – gebruikte hij om een cultureel programma te maken. Het thema computerkunst sluit perfect aan bij die belangstelling voor de onvoorziene gebruiksmogelijkheden van technologische innovaties voor artistieke ontwikkelingen. Ook computers zijn immers niet bedacht om kunst mee te maken. Daarnaast sloot het thema computerkunst aan bij een discussie die binnen de VRT aan de gang was over allerlei nieuwe media. Zo herinner ik me dat de aanschaf van een digitale paint box werd overwogen. Het was ook de tijd waarin heel wat goedkopere opnameapparatuur op de markt kwam – ook dat vormde een gespreksonderwerp in de openbare omroep.

K.B./D.P.: Herinner jij je nog wat het thema computerkunst bij jou opriep toen Jef het ter tafel bracht?

P.H.: Mijn persoonlijke belangstelling ging vooral uit naar mijn eigen ervaring met allerlei media, van potlood tot computer. Ik had net twee jaar computerbrochures voor IBM vertaald. Aanvankelijk ging ik die vertalingen intikken op een computer in het kantoor van IBM aan de Kruidtuinlaan te Brussel. Een fascinerend apparaat: om ermee te werken moest je plaatsnemen in een zitmeubel dat het midden hield tussen een gynaecologische stoel en een zitplaats in een ruimtecapsule. Na een tijdje stelde André Hebbelinck, die bij IBM werkte, voor om de vertalingen in te tikken op een computer die bij mij thuis werd geïnstalleerd. In mijn vrije tijd mocht ik die computer gebruiken voor mijn literaire werk. Dat was mijn kennismaking met de computer, die ik overigens louter als schrijfmachine gebruikte. Ik herinner me wel dat ik toen reeds verbaasd was over de omwenteling die de computer teweegbracht. Zelf behoor ik tot een generatie van mensen die gewoon is eerst een doel te bepalen en dan de geëigende middelen te kiezen. Die verhouding tussen middel en doel werd door de computer op zijn kop gezet. De computer beloofde talloze gebruiksmogelijkheden, maar je had nauwelijks nog zicht op wat je er allemaal mee kon doen.

K.B./D.P.: Het is opvallend dat in deze IJsbreker slechts twee kunstvormen aan bod komen: beeldende kunst en muziek, waarbij Peter Beyls en Rudi Blondia met beide disciplines bezig zijn. Jij was nochtans goed geplaatst om kandidaten uit de literaire hoek te suggereren. Je had bijvoorbeeld iemand kunnen voorstellen als Gerrit Krol, de Nederlandse auteur die met computerpoëzie experimenteerde.

P.H.: Naar aanleiding van jullie vraag heb ik in mijn archief een lijst met te contacteren personen opgeduikeld waarop de naam van Gerrit Krol voorkomt. Maar ik herinner me niet dat ik Krol ter sprake heb gebracht.

K.B./D.P.: Waarom heb je dat niet gedaan?

P.H.: Ik stelde me dienstbaar op. Ik dacht nooit aan wat ik zelf interessant zou vinden. Ik probeerde als schrijver geen namen voor te stellen die mij literair van belang leken, maar mensen die voor Jef relevant konden zijn om een televisieprogramma als IJsbreker te maken.

K.B./D.P.: Heb jij los van jouw terughoudendheid een verklaring waarom er is gekozen om slechts twee kunstvormen aan bod te brengen in de uitzending?

P.H.: Ik vermoed dat de afwezigheid van schrijvers alvast met Jefs sceptische houding ten aanzien van de literatuur te maken heeft.

K.B./D.P.: Sceptisch? Jef had voorafgaand aan IJsbreker verschillende literatuurfilms gemaakt, films over Oscar de Wit, Maurice Gilliams, Daniël Robberechts, Jacq Vogelaar en H.C. ten Berghe.

P.H.: Ik heb die films nooit kunnen plaatsen. Ik heb altijd de indruk gehad dat Jef meer geïnteresseerd was in de manische volharding van die schrijvers dan in hun literaire werk. Hij zei: ‘Robberechts wordt niet gelezen en toch blijft hij maar doorgaan.’ Die pathologische koppigheid fascineerde hem.

 

3.

K.B./D.P.: In het archief vonden we een voorbereidende tekst van jouw hand waarin heel wat prikkelende vragen met betrekking tot computerkunst worden opgeworpen. Een voorbeeld: ‘Betekent de inschakeling van de machine de uitschakeling van de kunstenaar?’ Of wat verderop: ‘In welke mate is de inschakeling van de machine het resultaat van een Geloof in het Systeem?’ Vreemd genoeg wordt geen enkele van die kwesties tijdens de uitzending aan bod gebracht.

P.H.: Marianne Van Kerkhoven was telkens weer ontgoocheld als bleek dat de talrijke kwesties die zij belangrijk achtte niet aan bod kwamen in de uitzending. Ik vond dat normaal.

K.B./D.P.: Het frustreerde jou niet?

P.H.: Natuurlijk niet. De bedoeling van IJsbreker was juist om het gesprek zijn gang te laten gaan. De regel was om níet bij te sturen. Als ‘stem’ moest ik enkel de knikker in beweging brengen – ik moest ervoor zorgen dat het gesprek begon te lopen. Ingrijpen was slechts in het uiterste geval aangewezen, bijvoorbeeld wanneer de uitzending stil zou vallen. Ik geloof overigens niet dat dat ooit gebeurd is. Het was in de eerste plaats de bedoeling dat het televisiebeeld als zodanig zou spreken. Wat de deelnemers zeiden, moest de beeldtaal op de verschillende locaties op gang brengen.

K.B./D.P.: Vreemd genoeg duurt het in de aflevering over computerkunst bijzonder lang voor die ‘knikker’ echt in beweging raakt. Eerst houden Steels en Raaijmakers een lange inleiding van ongeveer tien minuten. Dan houdt Struycken in het Groninger Museum een inleidend praatje bij zijn werk en daarna – we zijn dan reeds 26 minuten ver – komen Peter Beyls en Rudi Blondia aan het woord. Alle sprekers worden door jou ingeleid, waarbij jij je scrupuleus houdt aan het door jou voorbereide script. Pas na de toelichting van Rudi Blondia heb jij dat scenario afgewerkt en kan de knikker beginnen rollen. Heb jij een verklaring voor het feit dat het zo lang duurde voor de interactie tussen de locaties op gang kwam?

P.H.: Een begin van een verklaring schuilt wellicht in het feit dat dit een van de laatste afleveringen van IJsbreker was. Naar het einde nam het gemor over de vermeende ‘onverstaanbaarheid’ van de uitzendingen toe. De kritiek kwam vooral uit de hoek van diegenen die de klassieke opdracht van de openbare omroep hoog in het vaandel voerden: informatie, ontspanning en – vooral – educatie. ‘Gaan onze kijkers dat wel verstaan?’, dat was hun grootste zorg.

K.B./D.P.: Misschien wordt er in deze aflevering zo veel ‘lesgegeven’ omdat jullie het over een nieuw en onbekend medium hadden?

P.H.: Dat zou kunnen, maar ik hecht meer geloof aan de verklaring die ik zonet heb gegeven.

K.B./D.P.: Daarnaast lijken de eerste 26 minuten van begin tot einde gerepeteerd.

P.H.: Is dat zo? Dat zou me verwonderen.

K.B./D.P.: Een illustratie daarvan vormt de volgende scène in Groningen. Struycken wil een uitleg geven bij een schilderij en zegt dat hij potlood en papier nodig heeft. Hij wandelt een eindje door het museum en komt als bij toeval uit bij een pupiter waarop papier en potlood klaarliggen. Het kan niet anders of die pupiter is daar neergezet. De hele scène is tot in de puntjes bedacht.

P.H.: De locaties werden natuurlijk voorbereid op de risico’s van de live-uitzending. Ook dat was een van mijn taken: ik coachte de deelnemers, ik bereidde hen voor op het moment dat ze in de ether kwamen. Ik vond het belangrijk om hen niet aan hun lot over te laten.

K.B./D.P.: Dat verklaart evenwel nog niet het gerepeteerde karakter van het overgrote deel van deze uitzending…

P.H.: Wellicht had de opnameleider op locatie zijn eigen scenario bedacht? Dat gebeurde namelijk wel eens. Daarnaast kwam het voor dat een gast verzocht om een bepaald script te volgen… door de eigengereidheid van de personen op de locaties bleef er soms nauwelijks iets over van de spontaneïteit die door IJsbreker beoogd werd.

K.B./D.P.: Terwijl jij je meticuleus aan het script houdt, neemt Steels de rol van moderator over. Heb jij dat ook zo ervaren, dat hij jouw rol overnam?

P.H.: Ik herinner mij dat niet. Voor mij was het in elk geval geen probleem als iemand in de uitzending de rol van moderator op zich nam. Ik zag mezelf ook niet als moderator. Zoals gezegd: Ik was slechts het apparaatje dat de knikker in beweging bracht.

K.B./D.P.: Steels vervult die rol van moderator uitstekend. Hij stelt voortdurend relevante, en doorgaans ook kritische vragen aan Struycken en Beyls.

P.H.: Wat ik me van de voorbereidende gesprekken met Steels herinner, is dat hij weinig kaas gegeten had van cognitieve psychologie. Dat kan pretentieus klinken, maar die indruk had ik toen.

K.B./D.P.: Wat vond je van de andere deelnemers, Beyls in Gent en Struycken in Groningen?

P.H.: Ik vond het interessant om hun visie te beluisteren. Het was mijn eerste kennismaking met beeldende kunstenaars die van computers gebruikmaakten. Struycken had een veeleer rationele houding, die ik met de Noord-Nederlandse nuchterheid associeer. Hij had de neiging om de output van de machine te controleren. Beyls was veel bezetener. Hij liet de machine meer toe in zijn werk. Hij was nieuwsgierig naar wat de machine hem te bieden had.

K.B./D.P.: Laat ons het nog even hebben over jouw rol als ‘moderator’ in IJsbreker. Bijzonder is dat de ‘stem’ onzichtbaar is.

P.H.: Dat lag mij uitstekend. Ik ben opgevoed om onzichtbaar te zijn, om als het ware niet te bestaan. Dat is me later duidelijk geworden…

K.B./D.P.: Juist die onzichtbaarheid maakt de stem enorm aanwezig.

P.H.: Absoluut. Men stoorde zich daar verschrikkelijk aan. Jackie Claeys en Dirk Christiaens wilden dat ik als ankerman in de videoroom zou postvatten. Ze zeiden: waarom breng je Pol niet in beeld? Af en toe kregen we zelfs een brief van iemand die wilde weten wie de man achter die stem was. Het is not done om de moderator van een televisieprogramma buiten beeld te houden. In televisie geldt een ongeschreven regel die zegt dat wie spreekt altijd ook in beeld komt.

K.B./D.P.: Door van die regel af te wijken, wordt als het ware een radio-element in het medium televisie binnengebracht.

P.H.: Dat kan je zo zeggen. Je kan radio in televisie binnenbrengen. Het omgekeerde is evenwel onmogelijk. Wat ik belangrijk vind aan IJsbreker is de idee dat het discours door het beeld wordt overgedragen.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen?

P.H.: Op sommige momenten – misschien waren die te zeldzaam – werd de betekenis in IJsbreker rechtstreeks door het beeld of door de opeenvolging van de beelden overgedragen. De gedachte om het literaire, tekstgebondene te verlaten en televisie als een zuiver beeldmatig discours te ontwikkelen vind ik zeer vernieuwend. Een ander inzicht dat IJsbreker mij bijbracht, is dat techniek bepalend is voor wat je kan doen. Als je vandaag naar een voetbalwedstrijd kijkt, krijg je vaak eerder een lyrische verbeelding dan een feitelijk verslag van die wedstrijd voorgeschoteld. Hoe komt dat? Omdat de cameraploeg zo gebeten is door de sport dat zij die ene geniale actie vanuit alle hoeken en kanten van het veld wil laten zien. Jefs meesterzet was om die technici en technische middelen in te zetten om een cultuurprogramma te maken. Hoe kan je die geavanceerde middelen inzetten om een cultuurprogramma te maken? Dat soort vragen hield hem bezig. Het leverde televisie op die fel afsteekt tegen de doorgaans armtierige televisieprogramma’s van vandaag. Vaak is televisie vandaag niet meer dan het aanzetten van een camera. Het medium biedt amper meer dan de registraties door bewakingscamera’s. Ik zou daarom geen ogenblik twijfelen mocht ik opnieuw gevraagd worden om voor een programma als IJsbreker te werken.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Dirk Pültau

Kunst en hypnose

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In de late jaren 70 heb je voor het eerst hypnose gebruikt in je performances. Kan je ons iets over die performances vertellen?

Matt Mullican: De eerste keer dat ik met hypnose werkte, was voor een performance in The Kitchen in New York in 1978. Ik heb sindsdien nooit meer zo opgezien tegen een productie. Het is de enige performance waar ik met ontzetting naar heb toegeleefd.

K.B./D.P.: Waarom?

M.M.: Dat weet ik niet precies. De hele situatie maakte me bijzonder nerveus. Ik had een hypnotiseur gevonden via een advertentie in de Village Voice. Het was een vreemde man, een echte ondernemer. Hij hield zich bezig met van alles, waaronder hypnose. Hij had een tv-show, hij schreef een beetje hier en daar en hij werkte als acteercoach. In zijn toneellessen hypnotiseerde hij zijn studenten opdat ze zich zouden verliezen in hun spel en meer bezieling in hun rollen zouden leggen.

K.B./D.P.: Die man had reclame gemaakt als hypnotiseur?

M.M.: Ja, dat klopt. Ik belde hem op en hij reageerde erg enthousiast toen ik vertelde dat ik iemand zocht voor mijn performance in The Kitchen. Voor de volledige show werkte hij met drie mensen. Een ervan was een vrouw van gemengde afkomst. De ene minuut zag ze er zwart uit en op een ander moment leek ze blank. Je kon niet zeggen wat ze was. Er was ook een Amerikaan bij met indiaanse roots, een doodgewone man. De derde acteur was een danser en een mimespeler. Hij zag er ongelooflijk vrouwelijk uit. Je kon bijna niet zien of hij een man of een vrouw was.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor acteurs die voor zwart en wit, en voor man en vrouw konden doorgaan?

M.M.: Ik had er niks mee te maken. De hypnotiseur had hen aangebracht. Ik vond het een eigenaardige keuze. Nu ik erop terugkijk, is het best interessant dat ze zich tussenin bevonden, want dat is precies waar ik me zelf bevind. Ik zit altijd ergens tussen That Person — de persoon die ik ben onder hypnose — en mezelf. De keuze voor de spelers was dus heel passend, maar ik denk niet dat er iemand was die daarbij stilstond. Het publiek maakte er niet veel van. Het is helemaal niet zo dat er iemand opstond en uitriep ‘O kijk haar toch! Ze is half zwart en half wit! O niet te geloven, die man zou een vrouw kunnen zijn!’

K.B./D.P: Wat gebeurde er tijdens de performance?

M.M.: De drie acteurs speelden samen een leven. De vrouw deed de geboorte en de kindertijd, de indiaanse Amerikaan nam het halverwege van haar over, en de vrouwelijke man nam het einde van het leven voor zijn rekening. Het was allemaal nogal bizar. De hypnotiseur stond erop om met drie acteurs te werken omdat hij dacht dat het te zwaar zou zijn voor één persoon.

K.B./D.P.: Was de performance gebaseerd op je Birth to Death List (1973)?

M.M.: Ja, ik heb er die lijst voor gebruikt. Op het moment dat ik de tekst schreef, in mijn studententijd, had ik hem nochtans niet opgevat als een script voor een performance, maar veeleer als een lijst met details van een verzonnen leven. Met de performance wilde ik de lijst leven inblazen. Ik koos er een dertigtal verschillende punten uit en maakte er een script van om te kijken wat er zou gebeuren. De acteurs werden onder hypnose gebracht en elk van hen kreeg tien scènes toebedeeld. Aanvankelijk wilde ik de performance in een brownstone laten plaatsvinden, een typisch New Yorks appartement dat uit twee delen bestaat. Aan de ene kant van een brownstone heb je de zitkamer en aan de andere kant de eetkamer, met in het midden een deur. Ik speelde met het idee om het publiek in de eetkamer te laten plaatsnemen en in de zitkamer een podium op te zetten. In de zitkamer zou zich dan een persoon in trance bevinden die de opdracht zou krijgen verschillende dingen te doen. De moeder van Gordon Matta-Clark, een vriend van de familie, had het perfecte appartement. Er is echter niks van in huis gekomen en toen heb ik me op de Birth to Death List geconcentreerd. De hypnotiseur kwam erbij, hij selecteerde de acteurs, en zo evolueerde het hele project in een totaal andere richting.

K.B./D.P.: Waarop was je keuze voor bepaalde scènes gebaseerd?

M.M.: Ik heb een gevarieerde selectie gemaakt. Er zaten zowel grote als kleine gebeurtenissen bij: de geboorte, zwemmen, winkelen en de dood. Eén scène was bijzonder intens en toonde hoe een vrouw de dood van haar echtgenoot beleefde. De mimespeler speelde de rol van de vrouw. Ze ging werkelijk door het lint, of liever, hij ging als vrouw door het lint. De geboortescène was ook best speciaal. De zwart en blanke vrouw speelde onbeschaamd haar eigen geboorte en maakte er een hele vertoning van. Op een later moment deed ze dan weer een scène waarbij ze gevraagd werd door een raam te kijken. Meer context kreeg ze niet. Ze maakte er een situatie van waarbij ze haar jongere broer ziet wegspurten van de politie. Ze probeert hem er nog van te overtuigen zichzelf over te geven en schreeuwt uit alle macht, ‘Ze zullen je pakken! Ze zullen je pakken! Ze zullen je pakken!’ Nog een erg aangrijpende scène was die waarbij de vrouwelijke man zichzelf moest bestuderen in een spiegel. Aandachtig bestudeerde hij zijn gezicht, zijn ogen en zijn handen. Het was duidelijk dat hij niet blij was met wat hij te zien kreeg. Hij vond dat hij er oud uitzag.

K.B./D.P.: Wanneer je in trance bent en in een spiegel kijkt, ben je je er dan van bewust dat het een spiegel is?

M.M.: Iemand in trance kijkt niet echt in een spiegel. Je doet alsof je in een spiegel kijkt. Je weet heel goed dat het voorwerp voor je neus een spiegel is, maar je ervaart het op een andere manier. Het lijkt wel alsof je in een superspiegel kijkt en wat je erin ziet, is een karikatuur. Dat is een van de aspecten van een hypnotische trance: je ervaart de werkelijkheid anders, je waant je in de superrealiteit van een tekenfilm. Als je bijvoorbeeld iemand vraagt om te doen alsof hij een kip is, dan zal hij zich niet gedragen als een gewone kip, maar als de ‘superkip’ die hij kent van de ontbijttelevisie. De persoon in trance vertrekt van het icoon van de suggestie. Dat is de reden waarom That Person bij uitstek het brein symboliseert. Al zijn ideeën zijn iconisch. Hij is bijvoorbeeld gek op ontbijten. Hij ontbijt echter niet zomaar, maar zet zich aan het clichéontbijt bij uitstek: spek met eieren en koffie met pannenkoeken. Hij is ook dol op vakantiedagen. Hij houdt van het leven als een plaatje. Kerstmis is zijn lievelingsdag en zijn favoriete minuut is die waarop het Kerstmis wordt: een voor middernacht op kerstavond, dat is zijn absolute lievelingsmoment.

K.B./D.P.: That Person is dus een erg conventioneel iemand?

M.M.: Precies. Hij vindt clichés heerlijk.

K.B./D.P.: Was jij ook onder hypnose tijdens de performance in The Kitchen?

M.M.: Nee, enkel de acteurs.

K.B./D.P.: Hoe heb jij de performance ervaren?

M.M.: Ik was zo nerveus dat ik vooral blij was toen alles achter de rug lag. Dat was het overheersende gevoel. Ik weet nog dat ik de dagen aftelde en met afgrijzen naar de performance toeleefde.

K.B./D.P.: Kon jij ingrijpen tijdens de performance?

M.M.: Kon ik dat? Ik heb het niet gedaan. Ik had de thema’s uitgekozen, maar op het podium was alles in handen van de hypnotiseur. Ik speelde de zoon, de vader, de broer, de minnaar, alle bijrolletjes. Wanneer iemands echtgenoot moest sterven, dan was ik degene die doodging.

K.B./D.P.: Hoe lang duurde het stuk?

M.M.: Ik denk dat het ongeveer een uur of anderhalf uur heeft geduurd. Het was een lang stuk en bizar, volslagen bizar.

K.B./D.P.: Kon de hypnotiseur beslissen om een scène te stoppen?

M.M.: Ja, dat deed hij ook.

K.B./D.P.: Weet je waarop hij zijn beslissing baseerde?

M.M.: Ik denk dat het een artistieke keuze was. Wanneer hij het gevoel had dat er niets meer uit het materiaal te halen viel, liet hij de volgende scène starten. Het is niet te vergelijken met mijn latere optredens waarin alles maar blijft doorgaan tot het allemaal vastloopt. Die eerste performance was nog erg conventioneel.

K.B./D.P.: De duur van de scènes was dus verschillend?

M.M.: Ja, maar ze waren allemaal redelijk kort en duurden niet langer dan twee of drie minuten elk. De hypnotiseur bevond zich de hele tijd op de bühne en praatte met de acteurs. Hij was een echte performer. Dat was ook het probleem. Hij stond graag in de belangstelling. Zijn haar lag netjes in de plooi en hij was piekfijn uitgedost. Hij was er echt helemaal klaar voor.

K.B./D.P.: Vind je dat hij te dominant aanwezig was in de performance?

M.M.: Absoluut. Tijdens latere performances ben ik vaak erg kwaad geworden op de hypnotiseur. Op een keer heb ik een kussen over mijn hoofd getrokken en geroepen, ‘Stop met praten! Stop met praten!’ De hypnotiseur wist echter van geen ophouden en toen heb ik het laatste kwartier volgeschreeuwd. Hierna besliste ik om voortaan met dokters te werken. Een hypnotiseur die ook dokter is mag geen show verkopen. De eed van Hippocrates verbiedt hem dat.

K.B./D.P.: Zoals je reeds aangaf, was dit de eerste keer dat je met hypnose werkte. Wat was de aanleiding? Wat bracht je ertoe hypnotische technieken te gebruiken voor deze performance?

M.M.: Daar zijn verschillende redenen voor. Ik had vroeger al met een vorm van trance gewerkt bij mijn project Entering the Picture. Alleen dacht ik er op dat moment niet in deze termen over. Je zou kunnen stellen dat ik zelfs al met mijn stick figures experimenteerde met een vorm van trance. Het was de bedoeling één te worden met de figuur in de tekening. Er was zo’n sterke vorm van empathie dat ik werkelijk kon voelen wat een stick figure voelde. Dat is een ervaring die erg veel weg heeft van trance.

K.B./D.P.: Heb je nog in andere werken gereflecteerd op hypnose of trance?

M.M.: Ja, in mijn charts of diagrammen. Ik heb een zone gemarkeerd voor theater, evenals dans, muziek, film en de world framed. Ik heb een zone gedefinieerd ná het theater en vóór de echte wereld, een zone tussenin. Ik wilde een ‘supertheater’ creëren waarbij de acteurs geloofden dat ze werkelijk aan het doen waren wat ze eigenlijk speelden. Ik wilde dat ze zouden geloven dat ze coyotes waren, of kippen, of wat dan ook.

K.B./D.P.: In je werk uit de vroege jaren 70 zoals Stick Figures en Entering the Picture is de trance zelfopgelegd. Sinds 1978 heb je steeds gebruik gemaakt van een hypnotiseur om anderen en jezelf te hypnotiseren. Kan je die twee manieren van werken vergelijken? Wat is het belangrijkste verschil?

M.M.: Entering the Picture is op heel wat vlakken erg vergelijkbaar met hypnose, al zou je kunnen betwisten in hoeverre ik mezelf werkelijk in trance breng wanneer ik een schilderij binnenga. Het grootste verschil ligt waarschijnlijk in de manier waarop ik werk, welk doel ik voor ogen heb. Ik herinner me nog hoe ik een keer onder hypnose een Breugel binnenging tijdens een performance georganiseerd door Barbara Vanderlinden. Het eerste wat me opviel in het schilderij was de vreselijke reuk. Het beeldde nochtans een wintertafereel uit, dus kon het er eigenlijk niet zo slecht ruiken, maar ik vond dat het er stonk! Ik ging maar door over het vuilnis en de stank. Die ervaring was helemaal anders dan die van Entering the Picture waarbij ik me in een Piranesi bevond. Hier vertelde ik een verhaaltje met een begin, een midden en een einde. In een hypnotische trance is het verhaal altijd veel abstracter. Het lijkt zelfs alsof er helemaal geen verhaal is. Ik ben er gewoon en weet niet goed wat me te doen staat.

K.B./D.P.: Zo’n ervaring waarbij je je in een schilderij bevindt is qua intensiteit toch niet te vergelijken met de situatie waarbij een vrouw onder hypnose haar echtgenoot ziet sterven?

M.M.: De graad van immersie is helemaal anders. Wanneer een hypnotiseur me onder hypnose brengt, ben ik ‘anders’ dan wanneer ik zelf een schilderij binnenga. En toch probeer ik me helemaal over te geven aan de situatie in het schilderij.

K.B./D.P.: Zou je kunnen stellen dat aan de basis van de zelfopgelegde trances een totale ‘suspension of disbelief’ ligt, vergelijkbaar met het meegaan in een verhaal wanneer je een boek leest?

M.M.: Ja, dat kan wel kloppen. Je zou de ervaring kunnen vergelijken met een cinemabezoek. Wanneer je de bioscoop binnenkomt, hoor je mensen praten, wandelen, popcorn knabbelen enzovoort. Na een tijdje hoor je het geroezemoes niet meer omdat je je op de film concentreert. Je in een schilderij bevinden is een gelijkaardige ervaring, met die uitzondering dat er geen geluid is.

K.B./D.P.: En wat met hypnose?

M.M.: De lijn tussen een zelfopgelegde trance en hypnose is uiteraard flou en het blijft gissen naar de verschillen tussen beide ervaringen. Een trance is sowieso een variabele situatie. Je kunt moeilijk stellen dat alle trances dezelfde zijn, want dan impliceer je dat het bewuste en het onbewuste elk voor zich homogeen zijn, met niets ertussenin. Bij hypnose ervaar je de wereld anders, je denkt op een andere manier. Het is een beetje zoals wanneer je paddo’s gebruikt. Ik heb de drug al twee keer gebruikt en die ervaring komt aardig in de buurt. Onder hypnose kan je je plots een verbazingwekkende hoeveelheid details herinneren – dat is ook de reden waarom de politie soms hypnose gebruikt. Je hebt het gevoel dat je in staat bent om voor uren aan een stuk met de grootste concentratie de wereld te bestuderen. Bij hypnose draait het allemaal om concentratie en tastzin. Wanneer ik het podium onder hypnose betreed, verken ik de plek. Ik raak met mijn kaak de wand aan, ik kruip over de vloer, ik zoen de hoek van de kamer, ik schuifel met mijn voeten. Ik raak de hele tijd dingen aan. Ik maak kennis met de ruimte en eigen me ze toe. Het is de allervreemdste ervaring, erg dierlijk. Vanuit dat opzicht is hypnose een actieve toestand en geen passieve. Maar er is geen script, geen plan. Je hebt er geen idee van wat je allemaal gaat doen.

 

2.

K.B./D.P.: Wanneer ben je begonnen met performances waarbij je zelf onder hypnose optrad?

M.M.: Dat moet in 1979 geweest zijn, een jaar na de performance in The Kitchen. Er was zoveel kritiek gekomen op dat stuk dat ik niet meer met acteurs durfde te werken.

K.B./D.P.: Wat was de kritiek?

M.M.: Het publiek reageerde ontsteld. Ze vonden dat ik de acteurs misbruikt had. Ik had acteurs de meest pijnlijke situaties laten beleven, zoals de dood van een partner. Iedereen kende me van mijn onschuldige vlaggen, posters en charts en nu zagen ze plots hoe ik mensen vreselijke ervaringen opdrong. Voor veel toeschouwers hing er een 1984-geurtje aan de performances. Amy Taubin, recensent voor de Village Voice, vond het een verschrikkelijk werk. Ze was er helemaal door van haar stuk gebracht en noemde me een fascist omdat ik de acteurs had gemanipuleerd. Isamu Noguchi, een vriend van de familie, had er dan weer ontzettend van genoten. Hij vond het een geweldige performance. De reacties waren dus erg uiteenlopend. Zelf beschouwde ik de kritiek dat ik me zou gedragen als een controlefreak en een fascist irrelevant. Toch besloot ik nooit meer zoiets te doen. Om de discussie rond het hypnotiseren van anderen te vermijden heb ik me toen voorgenomen om enkel nog mezelf onder hypnose te laten brengen. Sindsdien heb ik nooit meer iemand anders laten hypnotiseren.

K.B./D.P.: Verandert het werk inhoudelijk wanneer de kunstenaar zelf onder hypnose is?

M.M.: Ja, je schept een totaal andere situatie. In sommige kringen is het gebruikelijk om de artiest op te voeren als een sjamaan die rituele handelingen stelt. Je vindt het concept ook bij Joseph Beuys, maar het is uiteraard veel ouder. Elke antropoloog zal je vertellen dat je de traditie van de kunstenaar-priester-dokter in alle culturen kunt vinden. Mijn invulling van het begrip kunstenaar is in een bepaald opzicht erg traditioneel.

K.B./D.P.: De kunstenaar als sjamaan is inderdaad een traditionele opvatting. Het romantische idee van de sjamaan-kunstenaar veronderstelt echter dat de kunstenaar zijn eigen handelingen onder controle heeft. Je kunt je afvragen hoe bewust een kunstenaar onder hypnose nog is. Beuys verloor bijvoorbeeld nooit de controle, jij doet dat bewust wel.

M.M.: Dat klopt, ik probeer net niet kopje onder te gaan. Ik maak een onderscheid tussen Matt A en Matt B. Matt A is diegene die helder denkt, hij is het die nu met jullie praat. Matt B is die andere Matt, de Matt waarin ik verander als ik in trance ben. In feite zweef ik steeds tussen beide polen. Ik kan de trance intenser of oppervlakkiger beleven. Soms denken mensen dat ik helemaal bij bewustzijn ben, helemaal wakker, een en al aandacht. Ze kunnen best gelijk hebben, maar toch is dat niet de manier waarop het bewustzijn werkt. Ik kan de situatie helemaal meester zijn en toch niet bij bewustzijn zijn. Dat is helemaal niet abnormaal.

K.B./D.P.: Zou je kunnen stellen dat Matt A de kunstenaar is zoals we hem kennen en Matt B een premoderne kunstenaar, de kunstenaar als sjamaan?

M.M.: Geen van beide is kunstenaar per se. Mijn kunstenaarsbestaan maakt deel uit van hoe ik in elkaar steek. Ik ben een kunstenaar en ik ben er al zo lang een dat het een gedragspatroon is geworden.

K.B./D.P.: Daarnet stelde je dat de kunstenaar onder hypnose nooit op voorhand weet wat hij gaat doen. Dat is niet onmiddellijk de werkwijze van de moderne en vaak ook academische kunstenaar die steeds weet wat hij aan het doen is en de controle opeist.

M.M.: Dat klopt en dat is ook de reden waarom iemand als Lawrence Weiner zich niet kan vinden in mijn hypnoseperformances. Hij vertelde me op een gegeven moment dat hij nooit een glas zou willen drinken met That Person.

K.B./D.P.: Wat was zijn kritiek?

M.M.: Hij vindt dat That Person een verkeerd beeld ophangt van wat een kunstenaar is. Hij herkent er enkel het romantische idee van de kunstenaar als ziener in, het oude model van de kunstenaar als profeet en daar houdt hij niet van. Zijn visie op kunst is die van een conceptuele kunstenaar. Het mag duidelijk zijn dat ik dat anders zie.

K.B./D.P.: Is dit meningsverschil tussen jou en Lawrence Weiner misschien een generatieconflict?

M.M.: Ik ben uiteraard een kind van mijn tijd. Mijn vader was een modernist. Hij meende dat zijn abstracte schilderijen de werkelijkheid accurater konden weergeven dan de werkelijkheid die we waarnemen. Hij was ervan overtuigd dat de ware realiteit onze perceptie overstijgt. Ik denk niet meer op die manier. Ik ben een postmoderne, postconceptuele kunstenaar. Ik zal steeds een afstand in acht nemen. Wanneer ik aan de slag ga met That Person diep ik een deel van mezelf op alsof het een objet trouvé is. Ik speel ermee op een duchampiaanse manier. Voor iemand die vertrouwd is met mijn werk klinkt dit misschien vreemd. Het lijkt namelijk alsof ik helemaal in de ban ben van dat objet trouvé. Het is in de eerste plaats mijn bedoeling om het onbewuste te gebruiken, om het te verkennen en om na te gaan wat mijn pogingen om het weer te geven betekenen. Ik zoek contact met die buitenstaander die zich diep in mij bevindt. Ik laat die vreemdeling zien zoals ik een film zou laten zien. That Person heeft iets grappigs, de manier waarop hij praat en denkt is komisch. Hij zegt bijvoorbeeld, ‘Ik zou graag werken ten dienste van Waarheid en Schoonheid. Liefde komt op de eerste plaats.’ Een dergelijke uitspraak is zo mainstream dat het bijna pop wordt. Hij zou van Andy Warhol kunnen zijn. Ik laat That Person dus spreken als een objet trouvé.

K.B./D.P.: Wanneer je zegt dat je ermee speelt, bedoel je dan dat er toch een graad van reflectie is terwijl je in trance bent, een ultiem niveau van controle?

M.M.: Het is Matt A die ermee speelt, niet Matt B. Matt B weet zich geen raad. Hij bevindt zich in een psychotoneelstuk dat behoorlijk ver gaat. Wanneer ik in trance word gebracht, ben ik weg, helemaal verloren.

K.B./D.P.: Het lijkt nochtans alsof je je handelingen onder controle hebt tijdens de performances.

M.M.: Dat lijkt inderdaad zo. Soms komen er na afloop mensen op me af en zeggen, ‘Je ging helemaal uit de bol en dan nam je plots dat kopje thee op zonder een druppel te morsen. Het was net alsof je je helemaal bewust was van het feit dat je een kopje thee vasthield. Je hield het heel netjes in je handen. Hoe deed je dat?’ Je moet weten dat het deel van het brein waarmee je een kop thee vasthoudt niet hetzelfde is als het deel waarmee je neurotisch tript. We zijn geneigd te denken dat het of het ene deel of het andere is, maar de twee kunnen perfect naast elkaar bestaan. Zo werkt het brein nu eenmaal. Ik kan helemaal weg zijn en geen idee hebben van wat ik aan het doen ben, en toch iets nieuws uitvinden.

K.B./D.P.: Vind je in trance nieuwe kunstwerken uit?

M.M.: Ik vind nooit volledige werken uit, maar ik houd altijd wel nieuwe elementen over aan een performance. Dat heeft te maken met de bijzondere verhouding van het bewuste en het onbewuste tijdens een hypnoseperformance. Ik weet nog dat ik een keer speeksel aan verf toevoegde en het al blazend op papier aanbracht om van die kleine, fijne lijntjes te maken. Dat was een nieuwe uitvinding. Ik heb er geen idee van waarom ik zulke fijne lijntjes wilde maken. Het idee dook op uit het niets en ik heb het sindsdien een keer of drie, vier toegepast. Zo’n uitvinding voegt iets toe aan mijn repertoire van handelingen. Dat repertoire is niet uitgebreid, maar ik weet het te vertalen naar een alledaags niveau. Wanneer de hypnotiseur een handeling voorstelt, wordt dat de som van alle dingen die ik al heb gedaan. Als hij zegt dat ik een hond ben, dan ben ik niet zomaar een hond. Ik gedraag me als een hond die alles heeft gedaan wat ik al heb gedaan. Het is steeds een combinatie.

K.B./D.P.: Ben je je bewust van het materiaal dat je produceert in trance of besef je dat pas achteraf?

M.M.: Ik weet wat ik aan het doen ben.

K.B./D.P.: Toen we het daarnet hadden over de graad van reflectie zei je dat Matt B zich helemaal verliest in een trance, dat hij zich niet bewust lijkt van wat hij aan het doen is.

M.M.: Je kunt inderdaad discussiëren over de vraag in hoeverre ik echt weet wat ik aan het doen ben. Volgens mij is de hele kwestie van bewustzijn en reflectie voer voor discussie. Ik denk niet dat je helemaal bewust moet zijn om te kunnen reflecteren. Je kunt helemaal stoned zijn en dat heel goed beseffen. Voor mij is hypnose te vergelijken met het effect van drugs. Tot op een zeker niveau besef ik wat er zich afspeelt in mijn trance. Ik weet dat er een publiek is. Ik weet dat ik niet volledig grip heb op wat ik aan het doen ben. Ik lijk wel op bezoek in mijn eigen geest. Ik zeg bijvoorbeeld tegen mezelf, ‘Man, wat voer je nu weer uit? Waarom tier je de boel bij elkaar voor een krant? Dat is vreemd. Je weet best dat niemand je een krant zal komen brengen. Iedereen is doodsbang van je. Ook al houd je dit nog vijf minuten vol, niemand zal ook maar in de buurt komen.’ Dat is de manier waarop ik reflecteer over mijn eigen handelingen.

K.B./D.P.: Als je in trance beseft wat je aan het doen bent, waarom vind je het dan nodig om alles te filmen?

M.M.: Om er achteraf naar te kijken, om het te bestuderen, om ervan te leren. Ik wil de performance kunnen zien zodat ik er afstand van kan nemen.

K.B./D.P.: Kan je ons vertellen wat je leert van That Person?

M.M.: Dat is een goede vraag. Ik bestudeer hoe hij de zaken aanpakt. Ik voel de behoefte om alle stappen na te gaan en al zijn bewegingen thuis te brengen: het zingen, het dansen, de keren dat hij het woord ‘fake’ of ‘happy’ gebruikt. Ik gebruik de opnames om me in het materiaal te verdiepen. Het vertelt me ook iets over de aard van de psyche. De psyche is ontzettend ingewikkeld en hypnose toont me dat we er eigenlijk meer over weten dan we denken. We weten best veel over een heleboel dingen en ik ben ervan overtuigd dat we zelfs ons leven meer in handen hebben dan we denken. Dat is iets wat That Person me heeft bijgebracht. Bij mijn performance in de Tate Modern had de hypnotiseur me onder hypnose gebracht toen ik nog een uur moest wachten voor ik kon opkomen. Ik vertelde hem dat ik dacht dat ik een beestje was in mijn eigen schedel. Mijn schedel voelde gigantisch aan en ik kon er allerlei associaties van taal, plaats en mensen in gewaarworden. Er waren er miljoenen, allemaal in een lineair patroon en ik had alles onder controle. Ik kon van het ene verband naar het andere overgaan en inzichten verwerven in de gevolgen van elke handeling die we stellen. Ik was uiteraard onder hypnose, maar ik denk dat we in wezen allemaal zo in elkaar steken. De media leren ons om in tegenstellingen te denken zoals zwart en wit, groot en klein, wij en de anderen. In realiteit reikt alles veel verder. We zijn in staat de dingen heel precies te beschouwen.

K.B./D.P.: Leer je ook iets over jezelf? Of verwerf je algemene inzichten in de psyche?

M.M.: Dat hangt ervan af of ik dat wil toelaten of niet. Als ik mezelf steeds loop te vertellen dat wat ik doe compleet verknipt is, dan heb ik er duidelijk niets bij te winnen. Tijdens de performance in de Tate zei ik dat de hele tijd: ‘Niks te winnen. Niks te winnen. Niks te winnen.’ Ik leer iets over mezelf, maar niet op een therapeutische manier. Ik denk niet dat een psycholoog zulke dingen zou zeggen.

 

3.

K.B./D.P.: Kan je ons iets meer vertellen over je allereerste performances onder hypnose?

M.M.: Mijn eerste performances onder hypnose vonden plaats in de Foundation of Art Resources. Ze gingen over leeftijd: drie maanden, vijf jaar, vijfentwintig jaar, vijfendertig jaar en vijfentachtig jaar. Ik was zelf nog maar een twintiger, maar het was de vijfendertigjarige die de overhand nam. Hij saboteerde de hele performance. Ik werd gefilmd en hij verwijderde de camera’s. Hij deed alles om de directeur van het forum op stang te jagen. Hij probeerde het publiek te overhalen om met hem samen te spannen tegen de man. Hij deed ontzettend zijn best om te provoceren, maar uiteraard had het allemaal niet veel effect. Hij was in trance, er was dus niemand die hem serieus nam. Hij faalde en dat maakte hem woedend. Ik herinner me ook nog een performance in The Kitchen waar ik de vijfentachtigjarige opvoerde. Eigenlijk was hij geen vijfentachtig. Hij was tegelijk een kind en een oude man. Ik weet nog dat ik bij het opkomen aankondigde, ‘Ik ben een man en een vrouw. Ik ben een kind. Ik ben een opa. Ik ben het allemaal.’

K.B./D.P.: Tijdens de eerste performances was je dus erg jong en later was je zowel jong als oud?

M.M.: Ja. Tijdens de laatste performance was ik vijf en vijfentachtig op hetzelfde moment.

K.B./D.P.: Hoeveel jaar zat er tussen de eerste en de laatste performance?

M.M.: Zo’n vijf jaar.

K.B./D.P.: Waarom besloot je voor iedere performance een nieuwe leeftijdscategorie te kiezen?

M.M.: Voor de inhoud. Ik wilde verschillende perspectieven verkennen. Waarom zou ik steeds een kind willen zijn? Dat leek me nogal saai. Ik wilde mijn eigen leeftijd overstijgen. Wanneer ik me een kind waande, putte ik uit mijn eigen voorbeelden en ervaringen. Werd ik een oude man, dan ging ik aan de slag met mijn fantasie en stelde ik me voor hoe het zou zijn om oud te zijn. De toeschouwers hadden echter vooral bewondering voor de manier waarop ik me het bewustzijn van een kind eigen wist te maken. K.B./D.P.: Waarom?

M.M.: Wie zal het zeggen? Er zijn trouwens ook heel wat critici die me totaal genegeerd hebben, precies omdat ze mijn werk als infantiel beschouwen. Ze denken dat ik en het kind dezelfde zijn en dat het daarom niet de moeite loont mijn werk serieus te nemen.

K.B./D.P.: Kan je beschrijven wat er met je gebeurt als je uit zo’n trance komt?

M.M.: Het is net als wakker worden. Wanneer de hypnotiseur me in trance brengt, telt hij van tien tot een. Wanneer hij me terugbrengt, telt hij van een tot tien. Zo simpel is het. Hij zegt dan, ‘Ik tel van een tot tien en op tien ben je helemaal wakker.’ Dan telt hij en ik kom bij en voel me prima. Wanneer ik mijn ogen open, merk ik een groot verschil. Zelfs als ik niet kon geloven dat ik me in trance bevond, voel ik me onmiddellijk anders bij het ontwaken.

K.B./D.P.: Hoe ervaar je de performance nadien? Vraag je je soms af wat er met je is gebeurd?

M.M.: Wanneer ik weer bijkom, heb ik doorgaans een gevoel van hoe het was, maar ik kan het niet analyseren.

K.B./D.P.: Is het soms moeilijk om uit een trance te geraken?

M.M.: Dat is me een keer overkomen. Het was tijdens een performance voor een one-person show in The Kitchen. Het kan ook in het Institute of Contemporary Art in Boston geweest zijn, ik kan me niet precies herinneren waar het was. De hypnotiseur was overdonderd door de opkomst. Hij was dat niet gewoon en bracht me niet op de correcte manier terug. Het publiek was die dag bovendien nogal intimiderend. Er waren heel wat mensen die gewoon waren binnengewandeld en er geen idee van hadden wat ik aan het doen was. Ze wisten zelfs niet dat ik in trance was. Ze raakten erg geagiteerd. Ze spoten graffiti over mijn werk of schreven dat ze me haatten. Ze zeiden, ‘Moeten wij hiervoor betalen? Ga naar huis!’

K.B./D.P.: Wat gebeurt er als je niet op de goede manier uit een trance wordt gehaald?

M.M.: Je raakt er helemaal door in de war. Je bent erg kwetsbaar. Je geest staat open voor elke gewaarwording. Ik weet nog dat ik me nog een hele tijd niet op mijn gemak heb gevoeld.

K.B./D.P.: Hoe ben je dan uiteindelijk uit de trance geraakt?

M.M.: Het heeft even geduurd. Na die laatste performance voelde ik me een hele maand erg down. Ik was helemaal niet gelukkig, maar dat mag ik misschien niet uitsluitend aan de performance toeschrijven. Er waren waarschijnlijk wel meer redenen. Ik weet dat ik me oprecht schaamde. Tot op vandaag voel ik me er onbehaaglijk bij. Er bestaat een opname van de performance, maar ik heb ze nooit willen bekijken. Als ik er zou naar kijken, zou ik me waarschijnlijk afvragen wat ik aan het doen was. Waarom vindt het publiek er niks aan? Waarom vinden ze het niet goed? Wat is het dat ze haten als ze me zien? Hoe komt het dat ik het er zo moeilijk mee heb?

K.B./D.P.: Wat is je relatie tot het publiek tijdens een performance? Besef je dat er toeschouwers zijn? Besteed je aandacht aan wat ze zeggen of doen?

M.M.: Wanneer ik er sta, zie ik het publiek niet. Het lijkt wel of ik doof en blind ben. Ik ben me wel vaag bewust van het publiek door de hitte en de vibe in de zaal, maar ik let niet op het publiek. Ik doe zelfs alles om mezelf ervan te weerhouden naar hen te kijken. Ik heb ook geen herinneringen aan hen. Vaak zie ik hen pas op de video van de performance achteraf. Toen ik in Genève optrad, zat Gary Hill blijkbaar in de zaal. Hij zei me achteraf dat hij me had willen bespringen ‘om te kijken wat er zou zijn gebeurd’. Om eerlijk te zijn weet ik dat helemaal niet. Waarschijnlijk zou ik stilgevallen zijn en zou de hele performance geflopt zijn.

K.B./D.P.: Zijn de toeschouwers meer dan een objectieve massa waar je geen aandacht aan besteedt? Zijn ze belangrijk voor de performance?

M.M.: Ze zijn in elk geval niet onbelangrijk. Als dat het geval zou zijn, zou ik evengoed kunnen optreden zonder publiek. Ik doe mijn performances voor mensen die ze weten te appreciëren en in die zin maak ik contact met het publiek. Tijdens een van mijn performances in Lissabon vroeg de hypnotiseur me bewust te zijn van het publiek. Vreemd genoeg werd het hele stuk hierdoor een soort mind-fuck. Ik begon mezelf onder vuur te nemen omdat ik op de bühne stond. Er bestaat een transcriptie van de performance. Je kunt ze lezen, het gaat van ‘You fucking shit. Asshole. You think you are so smart? This is shit, fake. You are a fuck, shit, fake.’ En zo gaat het maar door en door. Toen ik de transcriptie voor het eerst las, kon ik het niet geloven. Mijn grootste angst voor wat mensen over me zouden kunnen denken werd hier werkelijkheid. Het is allemaal erg freudiaans. Je spreidt je psychose tentoon voor die mensen tegen wie je je het liefst zou willen wapenen. Ik reikte ze mezelf aan op een dienblad en ze hadden geen idee wat ze met me moesten aanvangen. Hoe ga je er ook mee om? Het is erg moeilijk zo’n hypnoseperformance een label toe te kennen. Het is niet echt theater, maar het is ook niet zomaar een performance. Het is bijna een publieke psychotherapie. Terwijl Chris Burden zichzelf laat neerknallen op scène, laat ik mezelf psychologisch neerschieten. Het is een spektakel waarin de geest wordt opengevouwen. Dat is ook de reden waarom ik niet houd van applaus aan het einde van een stuk. Ik heb liever dat het gewoon stopt, zonder applaus.

K.B./D.P.: Is er soms applaus?

M.M.: Niet altijd. Na mijn optreden in de Tate Modern was er bijna niemand die applaudiseerde. Dat beviel me wel. Ik had ze enorm op de zenuwen gewerkt, bedacht ik later. Toen ik na afloop op de cocktailparty toekwam en handen begon te schudden, bekeken de mensen me alsof ik een spook was. Ze vroegen me of ik me wel goed voelde. De sfeer was erg gespannen. Wanneer het brede publiek een van mijn performances ziet, voelen ze zich gegeneerd. De eerste, intuïtieve respons van heel wat mensen is er waarschijnlijk een van aversie, van een ongemakkelijk voyeurisme. Mensen hebben het gevoel dat ik iets erg intiems aan het doen ben, iets dat ze niet zouden mogen zien. Ik zou evengoed een eindje verderop aan het masturberen kunnen zijn of op de bühne seks kunnen hebben met mijn vrouw. Het is dus maar normaal dat mensen in elkaar krimpen als ze naar mijn stukken komen kijken, maar na een tijdje geraken ze zelf een beetje in de ban van de trance. Je kunt het vergelijken met je betrokkenheid als je een theaterstuk volgt of naar een sportwedstrijd kijkt. Het moment dat je er helemaal in geraakt, verlies je jezelf en identificeer je je met wat er gebeurt. Het heeft te maken met een sterke empathische respons.

K.B./D.P.: Pols je achteraf bij het publiek naar hun mening over de performance?

M.M.: Nee, ik stap zelf nooit op mensen af om het over de performance te hebben. Uiteraard komen er altijd mensen op mij af en vertellen ze me wat ze ervan vonden. Daar heb ik geen probleem mee. Mensen hebben er behoefte aan om over mijn werk te praten, precies omdat ze het zo moeilijk kunnen plaatsen. Het grootste probleem met die performances is dat je ze niet echt goed of slecht kunt vinden. Wanneer ik in trance ben, geef ik de controle uit handen. Het publiek voelt dat ik niet volledig insta voor wat ik doe. Het is net als dronken zijn. Je kunt een aardige dronkaard zijn of heel gemeen beginnen doen, maar wat je doet zal altijd worden beschouwd in het licht van je toestand. Mensen beschrijven mijn performances als saai of deprimerend of onderhoudend of grappig. Ze komen met een hele waaier adjectieven op de proppen, maar ze zullen het er niet over hebben in termen van goede of slechte kunst.

K.B./D.P.: Onlangs was er een video-opname te zien in De Appel in Amsterdam. De film toonde je aan het ontbijt met de krant. Waarom besloot je de video van de performance te tonen?

M.M.: Ik beschouw de opnames als plastisch werk. Ze zijn een deel van mijn oeuvre. Ze boeien me. Ik stel ze vaak tentoon. Ik ben nieuwsgierig naar de reacties van het publiek en naar de manier waarop zo’n film de sfeer in de zaal bepaalt. Ik wil weten wat mensen zien wanneer ze me in trance zien op film. Zoals ik al aangaf, tijdens een performance raakt het publiek zelf een beetje in trance. Met de video-opnames wil ik uitzoeken of en hoe het werk het publiek weet te raken.

K.B./D.P.: Hoe verhouden de video-opnames van de hypnoseperformances zich tot je andere werk?

M.M.: Die relatie kan je je voorstellen aan de hand van een van mijn charts. De hypnoseperformance illustreert het subjectieve in mijn werk, de rode zone. Over het algemeen blijft die zone leeg in mijn diagrammen. De opnames van mezelf in trance zijn echter werken die ik in die rode zone kan plaatsen. Het gaat niet zozeer om de video-opnames als object op zich, maar om de vraag hoe het object kan worden geïnterpreteerd. Centraal staat de waanzinnige dimensie van onze interpretatie wanneer we peilen naar de functie en betekenis van objecten. Het is dus een interpretatie van het ego en van krankzinnigheid. Het is een weergave van het subjectieve, de enige plaats in mijn werk waar ik werkelijk een pure relatie tot dat subject heb.

K.B./D.P.: Verkoop je veel video-opnames?

M.M.: Ik heb er een paar verkocht. Ze worden uitgebracht in een oplage van vijf of zes en ze kosten ongeveer drieduizend dollar per stuk. Wanneer ik er een verkoop, geef ik er soms een televisietoestel bij. Uiteindelijk denk ik dat mensen niet zozeer zo’n opname willen bezitten, ze willen er in de eerste plaats een zien.

K.B./D.P.: Je hypnoseperformances hebben steeds op veel bijval kunnen rekenen. Er komt altijd veel volk op af.

M.M.: Ik denk dat ik een erg goede performer ben in trance en mensen zijn benieuwd naar wat mijn werk te bieden heeft. Uiteraard is het sensationele aspect niet te onderschatten. Omdat een hypnotische trance wordt gezien als iets erg intiems, hebben de performances wel iets van een circusact. Mensen komen erop af om de acrobaat door de hoepel te zien springen. Naar aanleiding van mijn werk word ik soms gevraagd op shows over geesten en het occulte. Hypnose heeft echter niks te maken met esoterie. Het is net door die verwarring dat mensen soms weigerachtig staan tegenover mijn werk. Misschien is dat wel de reden waarom Lawrence Weiner er niet van houdt. Maar sensatie is beslist een integraal deel van de performance.

K.B./D.P.: Maar waarom doe je het nu eigenlijk? Dat lijkt ons een relevante vraag. Waarom kies je ervoor dit soort kunst te maken?

M.M.: Het is leuk en interessant werk. Ik hou ervan, ik leer ervan bij, en ik heb het gevoel dat ik helemaal mijn eigen weg ga. Ik vind het zelf uitmuntende kunst.

K.B./D.P.: Tussen de jaren 80 en 90 heb je niet zoveel performances onder hypnose gedaan.

M.M.: In de jaren 80 heb ik in het algemeen weinig opgetreden.

K.B./D.P.: Vanwaar die lange pauze?

M.M.: Hypnoseperformances eisen hun tol, zowel op fysiek als op mentaal vlak. Je krijgt er een terugslag van. Mijn relatie met Matt B is zo intens dat hij uiteindelijk met mijn geest begint te rotzooien. Hypnose kan lastig zijn en is niet zonder gevolgen. Er zijn nog veel andere redenen. Een heel praktische reden is dat ik in de jaren 80 helemaal opgeslorpt werd door het maken van plastisch werk. De vroegste performances vloeiden voort uit een situatie waarin ik me geen exposities kon veroorloven. In die tijd deden we allemaal performances omdat het niets kostte. De performancescene van de jaren 70 was heel erg levendig. Toen ik de kans kreeg veel te exposeren, was het niet meer nodig om performances te doen. Ik had mijn tentoonstellingen. Maar zoals ik al zei, ik denk dat die performances een prachtig corpus vormen.

K.B./D.P.: Het is nochtans moeilijk om aan de performances te refereren als kunstwerken omdat je er niet op dezelfde manier aan werkt als aan een beeldhouwwerk of aan een installatie, objecten die op een gegeven moment af zijn. Hoe zie je je hypnoseperformances in dit licht?

M.M.: Ze geven steeds aanleiding tot iets concreets. Ik zie beelden, leg verbanden. Er komt muziek en dans uit voort. Het alledaagse leven van That Person vloeit eruit voort. Maar ze tonen ook een geschifte psychose, een krankzinnige, abnormale geest.

Dit interview wordt gepubliceerd met de genereuze steun van de Edmond Hustinx Stichting, Maastricht.

Transcriptie: Pamela Uyttendaele

Redactie in het Engels: Nina Oeghoede

Vertaling uit het Engels: Sarah Posman

Matt Mullican stelt tot 24 januari tentoon in kunstencentrum STUK, Naamsestraat 96, Leuven (www.stuk.be; www.playgroundfestival.be).

‘Ik heb de conceptuele kunst nooit als gedematerialiseerd beschouwd’

Sinds september 2010 is het Stedelijk Museum in Amsterdam, hetzij op provisorische basis, weer toegankelijk voor het publiek. Onder de naam The Temporary Stedelijk stellen directeur Ann Goldstein en haar staf een divers programma van tentoonstellingen, collectiepresentaties, lezingen, rondleidingen en andere activiteiten samen, dat er bovenal op gericht is het Stedelijk weer een plek in de stad te geven. Onder meer door de nog beperkte klimaatregeling is voorlopig slechts een fractie te zien van de beroemde en alom gewaardeerde collectie van het Stedelijk, maar deze selectie fungeert wel als een prelude op het verzamel- en tentoonstellingsbeleid van Goldstein.

In gedegen historische overzichtstentoonstellingen die zij als conservator van het Museum of Contemporary Art (MOCA) in Los Angeles samenstelde, zoals Forest of Signs (1989), Reconsidering the Object of Art: 1965-1975 (1995) en A Minimal Future? Art as Object 1958-1968 (2004) liet Goldstein al haar voorkeur voor (post)conceptueel werk blijken. Ook in haar tentoonstellingen voor het Stedelijk komt die interesse terug, en daarmee neemt zij ook een positie in ten opzichte van de geschiedenis en collectie van het Stedelijk. In haar eerste tentoonstelling, Taking Place, toonde zij vooral haar favoriete kunstenaars van de generatie 60/70, met werken van onder anderen Lawrence Weiner, Hans Haacke, Daniel Buren, Jan Dibbets en William Leavitt. De tweede tentoonstelling onder haar directoraat, Making Histories: Changing Views of the Collection, is een serie van presentaties van verschillende onderdelen uit de collectie, met hoogtepunten als Mondriaans abstracte composities, de suprematistische schilderijen van Malevich en La Perruche et la Sirène van Matisse, maar ook nooit eerder getoonde ‘conceptuele’ werken van onder anderen Barbara Bloom, Robert Barry en Allan Ruppersberg.

Californië, en met name Los Angeles, waar Goldstein haar carrière heeft opgebouwd, kende een levendige traditie van conceptuele kunst, die bovendien nauwe banden had met de Nederlandse conceptuele scene. In tegenstelling tot de meeste musea werden in de Nederlandse musea, en dan vooral in het Stedelijk, echter al vanaf de begintijd werken van de conceptuele kunst getoond en aangekocht. Het belang van de receptie van de conceptuele kunst in Nederland wordt recentelijk steeds meer onderkend en onder de aandacht gebracht. [1] Hoe moet er volgens Goldstein worden omgegaan met de erfenis van deze kunst in het Stedelijk Museum? Wat is haar visie op de verzameling van ‘conceptuele kunst’ in het Stedelijk? Is het een traditie die moet worden heroverwogen en opnieuw getoond? En op welke manier zou dat moeten gebeuren?

 

Nathalie Zonnenberg: In 1995 stelde u de tentoonstelling Reconsidering the Object of Art: 1965-1975 in het MOCA Los Angeles samen, die nu als een belangrijk moment in de historisering van de zogenaamde conceptuele kunst wordt beschouwd. Hoe kijkt u op deze tentoonstelling terug? Wat was voor u het belang om die te maken?

Ann Goldstein: Ik heb het idee voor die tentoonstelling opgevat in 1990, samen met Ann Rorimer. De zogenaamde conceptuele kunst interesseerde mij enorm, als curator, maar ook als onderzoeker. Naar mijn idee waren deze werken in de VS – want dat was mijn referentiekader – nog niet vanuit een historisch perspectief geduid. Sinds de jaren 60 en 70 waren er geen overzichtstentoonstellingen geweest van de conceptuele kunst. Ik had het gevoel dat die tentoonstelling op dat moment noodzakelijk was. Het was de eerste tentoonstelling in de VS van dit type. Na Reconsidering zijn er nog verschillende van dit soort tentoonstellingen geweest, in de VS en elders, en ook vandaag worden er nog georganiseerd. In The Art Institute of Chicago vindt aan het einde van dit jaar bijvoorbeeld een tentoonstelling onder de titel Light Years plaats, die zal handelen over de fotografische praktijk in de conceptuele kunst. Het (her)schrijven van de geschiedenis van de conceptuele kunst is nog steeds gaande, en dat vind ik een goede zaak.

N.Z.: Volgens Jan Dibbets is die geschiedenis van de conceptuele kunst vooral in Europa geschreven. Wat vindt u van die claim?

A.G.: John Baldessari zei altijd: de conceptuele kunst heeft zo goed gewerkt omdat niet de kunstobjecten, maar de kunstenaars zelf werden getransporteerd – waardoor ze elkaar ontmoetten en er een netwerk ontstond. Ik denk dat het Europese milieu daarin veel ondersteunender was dan het Amerikaanse. De erkenning van de conceptuele kunst in de VS vond slechts heel geleidelijk plaats. Een van mijn laatste tentoonstellingen in het MOCA was een retrospectieve van Lawrence Weiner, en dat was de eerste retrospectieve van Weiner in de VS. Ook Dan Grahams retrospectieve die we enkele jaren geleden samen met het Whitney Museum organiseerden, was de eerste retrospectieve van Graham in de VS. Baldessari en Ed Ruscha kwamen eerder aan de beurt, maar de meeste conceptuele kunstenaars kregen pas een retrospectieve van hun werk toen ze in de zestig waren. Anderzijds hebben kunstenaars als Bas Jan Ader en Ger van Elk, maar ook Daniel Buren, vrij vroeg in Los Angeles tentoongesteld. Ook de kunstopleiding CalArts, die in de vroege jaren 70 opkwam, was heel belangrijk: daar werden al die kunstenaars uitgenodigd om les te geven.

N.Z.: Reconsidering the Object of Art besteedde veel aandacht aan die Californische situatie.

A.G.: Ja, omdat we vonden dat ze deel uitmaakte van het gehele verhaal. Het werk California Patio van William Leavitt bijvoorbeeld, werd op die tentoonstelling voor het eerst heruitgevoerd. Ook van Buren werd een werk heruitgevoerd, dat hij in de vroege jaren 70 in situ in Los Angeles had gemaakt. Het ging om een werk waarvoor hij de advertentieruimte van de bankjes bij busstations gebruikte. Op de achterkant is advertentieruimte te huur en daarop had hij zijn streepmotieven aangebracht. Het waren zo’n vijftig bankjes, verspreid over de hele stad, en die hebben we opnieuw beplakt. Maar er waren ook werken uit Europese collecties opgenomen, waaronder enkele belangrijke werken uit de collectie van het Stedelijk. We toonden Um den Fisch van Ger van Elk, Hanne Darbovens 24 Gesänge, en een groot aantal werken van Joan Jonas…

N.Z.: Het werk van William Leavitt was in Taking Place te zien. U heeft het bovendien aangekocht voor de collectie van het Stedelijk. Waarom was het belangrijk om dit typisch Californische werk voor het Stedelijk aan te kopen?

A.G.: Leavitt werd in Amsterdam vertegenwoordigd door Art & Project. Hij had een geschiedenis van enkele tentoonstellingen in Amsterdam. Hij onderhield contacten met Bas Jan Ader en Ger van Elk, die ook een werk van hem heeft, en is ook vertegenwoordigd in de collecties van Martijn Sanders en Rini Dippel. Ik vond dat zijn werk hier een context had, en tegelijk vond ik het heel mooi dat het zo totaal uit de context viel. Leavitt is een kunstenaar die veel fundamentele filosofieën en achtergronden deelt met andere conceptuele kunstenaars van zijn generatie. Zijn werk was bij mijn weten nog in geen enkele Europese collectie vertegenwoordigd. Ook daarom vond ik het belangrijk om het voor het Stedelijk aan te kopen. Voor dit museum moet ik strategisch en opportunistisch te werk gaan met acquisities en ik wist dat een van de belangrijkste werken van Leavitt nog steeds beschikbaar was. Dus heb ik mijn slag geslagen.

N.Z.: De collectie van het Stedelijk bevat heel wat belangrijke conceptuele werken, die veelal in een vroeg stadium zijn aangekocht. Wilt u dat deel van de collectie nog aanvullen?

A.G.: Dat zou ik graag willen, ja. Het is natuurlijk een expertisegebied van mij. Het werk van Leavitt was zoals gezegd een strategische aanwinst voor de collectie en ik houd mijn ogen open om op die wijze nog andere acquisities te kunnen doen. Er is nog veel werk te doen; er zijn nog wel enkele werken die ontbreken in onze collectie.

N.Z.: Kunt u daarvan een voorbeeld geven?

A.G.: Ik denk bijvoorbeeld aan Broodthaers. Daar hebben we geen werk van, en het zal niet gemakkelijk zijn daar nog een werk van te verwerven. Als de mogelijkheid zich zou voordoen, loop ik er natuurlijk niet voor weg, maar we moeten ook naar andere manieren kijken om de collectie uit te breiden. Ik zou graag werken verwerven die tevens aansluiten op de Collectie Nederland als geheel – want er zijn wel werken van Broodthaers in andere collecties in Nederland.

 

Temporary Contemporary / Temporary Stedelijk

N.Z.: Reconsidering the Object of Art was de eerste tentoonstelling die u maakte in het opnieuw geopende Temporary Contemporary, het industriële gebouw waar het Museum of Modern Art in Los Angeles tijdelijk gevestigd was. Net als uw eerste twee tentoonstellingen in het Stedelijk vond Reconsidering… dus plaats in een provisorisch gebouw. Door de programmering in het onaffe Stedelijk ‘The Temporary Stedelijk’ te noemen suggereert u een verband…

A.G.: Die naam is inderdaad niet toevallig gekozen. Het was een duidelijke verwijzing naar het MOCA en de inspiratie van die tijd.

N.Z.: Hoe verhouden beide zich tot elkaar?

A.G.: The Temporary Contemporary [nu The Geffen Contemporary] werd in 1983 geopend als een interimprogramma in afwachting van de constructie van het nieuwe gebouw. In tegenstelling tot het Stedelijk ging het om een museum dat nieuw werd opgericht. Via de programmering in het tijdelijke gebouw zocht het MOCA uit hoe het zich kon positioneren. Het tijdelijke onderkomen van het MOCA was het eerste museumproject van Frank Gehry, een heel mooi pakhuis dat hij nauwelijks gerenoveerd had; hij had het eigenlijk alleen maar ‘opgepoetst’. The Temporary Contemporary was dus niet alleen de naam van het interimprogramma, maar ook van de tijdelijke locatie. Het werd een permanent onderdeel van het MOCA omdat het zo succesvol bleek tegen de tijd dat het officiële gebouw in 1986 klaar was. In het Stedelijk is de situatie natuurlijk anders. Hier gaat het om een gebouw dat nog niet af is en dat voorbereid wordt om aangrenzend aan een nieuw, nog te realiseren gebouw te functioneren. De gemeente – die eigenaar is van het gebouw – gaf ons de gelegenheid om het gebouw weer open te stellen, en voor haar was het genoeg geweest om de gerenoveerde oudbouw te tonen. Maar dat vond ik onacceptabel. Ik ben van mening dat je de mensen die hier na al die jaren met hun herinneringen en verwachtingen binnenkomen enig comfort mee moet geven.

N.Z.: Hoe heeft u dat gedaan?

A.G.: We hebben eerst een café geïmproviseerd, en een educatieruimte, een leesruimte, een ruimte voor workshops en een auditorium in de tentoonstellingszalen ingericht. Een belangrijk deel van onze programmering op dit moment bestaat uit het aanbieden van een publieksprogramma: lezingen, performances enzovoort… Net als indertijd in het MOCA heb ik het Temporary Stedelijk geconcipieerd als een interimprogramma voor het instituut gedurende de periode die we nu doormaken. Ik vind het soms frustrerend dat ik alleen met de tentoonstelling die ik heb gemaakt wordt geïdentificeerd, want het was belangrijk voor me om een geheel concept voor het Temporary Stedelijk neer te leggen.

N.Z.: Waar draait dat concept voor u om?

A.G.: Heel eenvoudig gezegd komt het erop neer om weer leven in het gebouw te brengen. Na de lange periode van afwezigheid, waarin het museum letterlijk van de kaart is verdwenen, is het belangrijk het moment waarin het museum zich nu bevindt, te benadrukken. Sommige gebouwen hebben een soort van ‘ziel’ en presentie; er zijn gebouwen die tot leven komen als ze gebruikt worden… ze worden verlevendigd door de aanwezigheid van kunstwerken. Die ervaring had ik met The Temporary Contemporary, en dat gebeurde ook toen we de tentoonstelling Taking Place in het Stedelijk inrichtten. Het eerste werk dat we installeerden was Kaléidoscope, un travail in situ van Daniel Buren. Op het moment dat die subtiele streepmotieven in de zwikken rond de boogvormen van de entreehal werden aangebracht, kwam het hele gebouw tot leven, alsof iemand het licht had aangedaan. In Taking Place heb ik de specifieke conditie van het gebouw als uitgangspunt genomen. Ik ben vertrokken van hoe kunstenaars naar de museale ruimte kijken; hoe ze de museale ruimte articuleren en gebruiken in fysiek, conceptueel en materieel opzicht.

N.Z.: Hoe bent u tot de selectie van werken gekomen?

A.G.: We hebben uiteenlopende werken geselecteerd die dit uitgangspunt illustreren: historische werken, nieuw werk in opdracht, een werk als dat van Barbara Kruger die een museale ruimte tot discursieve ruimte transformeert… The Well-Polished Floor Sculpture van Ger van Elk, dat meer dan veertig jaar geleden werd gemaakt en het museum letterlijk als materiaal gebruikt, of Willem de Rooij die een project uitvoert dat hij zeventien jaar eerder voor het Stedelijk had geconcipieerd. Ik heb de tentoonstelling gemaakt in samenwerking met drie conservatoren. Een aantal van de werken zijn door hen voorgesteld, een aantal andere door mijzelf. Ik heb daarbij gedacht aan welk type werken zou passen in de context van de staat van het gebouw, om ernaar te kijken door de ogen van de kunstenaars.

N.Z.: Heeft u met de kunstenaars overlegd?

A.G.: We hebben met alle kunstenaars persoonlijk gesproken. Sommige van die gesprekken hebben verrassende resultaten opgeleverd.

N.Z.: Zoals?

A.G.: Louise Lawler vertelde bijvoorbeeld dat ze in 1995 in de Sandbergvleugel de vaste opstelling met werken van Donald Judd en Jeff Koons had gefotografeerd, en dat vond ik heel interessant. Ze wierp toen het idee op om een uitvergroting op zaalformaat te maken. Rineke Dijkstra’s I see a Woman Crying (The Weeping Woman) en Ruth Drawing Picasso, een nieuwe aanwinst, werkten heel goed omdat ze gaan over het bespreken van schilderijen (de Picasso’s) die je niet ziet, en die nu ook niet op zaal hangen. Jan Dibbets bracht een serie werken onder mijn aandacht, Vijf sokkels voor een museum, die historisch aansluiten op een heel belangrijke tentoonstelling die hier plaatsvond.

N.Z.: Ik ervoer dat werk van Dibbets als een sleutelwerk in de tentoonstelling. Kunt u vertellen hoe het in uw tentoonstellingsconcept paste?

A.G.: Toen ik met Jan over mijn tentoonstellingsconcept voor Taking Place sprak, kwam hij direct met het idee om deze vijf werken, die nog nooit samen te zien zijn geweest, te tonen. Zijn bijdrage bestond uit werktekeningen met foto’s van projecten die hij min of meer gelijktijdig voor vijf verschillende instituten uitvoerde in het kader van de tentoonstellingen Op losse schroeven en When Attitudes Become Form in Amsterdam, Bern, Londen, Essen en Krefeld in 1969. Ik denk dat Jan met dit voorstel een bepaalde geschiedenis wilde aanspreken. Zoals bekend overlapten deze tentoonstellingen elkaar in de tijd en dat is iets waarvan dit werk, zelfs alleen als idee, historisch verslag doet: hoe een dergelijke tentoonstelling heeft gereisd; hoe dergelijke werken reizen; hoe een dergelijk werk werd uitgedacht en hoe dat concept naar deze verschillende plekken werd overgebracht en telkens opnieuw werd toegepast. Wat ik interessant vind, is dat ze na de feitelijke actie zijn gemaakt. Het zijn documenten, maar het zijn ook kunstwerken, en ik vond ze perfect passen in de context van de tentoonstelling die ik voor ogen had.

 

Het voortbestaan van het (conceptuele) werk

N.Z.: De bijdrage van Dibbets bestaat in feite uit documentatie van het eigenlijke werk, dat niet meer bestaat. U had het werk ook opnieuw kunnen uitvoeren, zoals gebeurde met een vergelijkbaar werk van Chris Burden, Exposing the Foundation of the Museum (1986), dat in 2008 opnieuw werd geïnstalleerd voor de tentoonstelling Index: Conceptualism in California from the Permanent Collection in het MOCA. Zou dat geen optie zijn geweest?

A.G.: In principe wel… Maar dat is een vraag om aan Jan te stellen.

N.Z.: Dat het document tot kunstwerk wordt, is niet ongewoon in de conceptuele kunst… maar is het niet ook een paradox?

A.G.: Waarom zou dat een paradox zijn?

N.Z.: Het oorspronkelijke werk van Dibbets past helemaal in de pogingen van zijn generatie om de restricties van het museum, het ‘raamwerk’ te doorbreken. Deze kunstenaars wilden radicale kunst maken die de positie van het museum bevraagde en bekritiseerde. Nu de documentatie daarvan keurig ingelijst op zaal hangt, lijkt dat in tegenspraak met de oorspronkelijke bedoeling van het werk.

A.G.: Ik heb conceptuele kunst nooit als gedematerialiseerd beschouwd, dus zou ik dat niet zo gauw een paradox noemen. De projecten van de zogenaamde conceptuele kunstenaars heb ik altijd gewoon als werken beschouwd. Dat is een van de redenen waarom ik in 2004 de tentoonstelling A Minimal Future? Art as Object 1958-1968 heb gemaakt. Ik was van mening dat de conceptuele kunst voortkwam uit aspecten van de minimal art. De minimal art heeft de relatie tussen object en toeschouwer in een architecturale ruimte opnieuw gedefinieerd: sculptuur en persoon staan op hetzelfde niveau. Dat is niet iets wat iedereen onmiddellijk hoeft te begrijpen, maar dat heeft de regels van het spel wel volledig veranderd. Hoewel het object niet fysiek veranderd is, is alles eromheen veranderd. In de zogenaamde conceptuele kunst wordt die relatie met de toeschouwer in termen van objectstatus nog verder uitgespeeld. Wat in feite een ‘geherdefinieerde objectstatus’ is, noem ik nog steeds een object – al kan dat object wel voorbij de fysieke grenzen van het werk gaan.

N.Z.: Kunt u dat concretiseren?

A.G.: Een voorbeeld is het werk dat Robert Barry maakte in de woestijn van de American West in Californië, waarbij hij edelgassen vrijliet in de atmosfeer en er dan een foto van maakte. Je ziet dat niet, maar een edelgas is wel ‘materie’. Barry wilde die idee vangen in documentatie, in foto’s. In Vijf sokkels voor een museum gebruikt Dibbets de fotografie op zijn beurt als een bewijs dat het werk gemaakt is. Op eenzelfde manier ‘documenteerde’ Blinky Palermo zijn werken. Hij maakte een hele serie documentatiewerken, een soort voorbereidende tekeningen van zijn muurtekeningen en -schilderingen, met een document erbij. Dat is alles wat er van die werken over is. Het belang van de kwestie van het ‘voortbestaan’ van het werk drong voor het eerst tot mij door toen ik zo’n twintig jaar geleden in de Kunstverein in Hamburg een presentatie zag van zijn werk.

N.Z.: Om wat voor presentatie ging dat?

A.G.: Toen de Kunsthalle Hamburg gebouwd werd, was dat op de plek waar voorheen de Kunstverein stond. De Kunstverein zou worden afgebroken en een andere bestemming krijgen op een andere locatie bij de Deichtorhallen. Voor de afbraak wilde de directeur van de Kunstverein nog een laatste project in het gebouw doen. In het midden van het gebouw bevond zich de laatste muurtekening van Palermo. De directeur besloot om de lagen witte muurverf van jaren te laten verwijderen om de Palermo weer zichtbaar te maken. Alleen op die plekken waar grote brokstukken van Palermo’s verf loskwamen, werd de muurschildering enigszins gerestaureerd. Het werk was dus allesbehalve in perfecte staat.

N.Z.: Waarom was dit voor u een belangrijk project?

A.G.: Waarschijnlijk omdat het mij toeliet om me tot alle implicaties van een dergelijk project te verhouden. Het was heel goed gedaan. Alles was ontzettend goed gepresenteerd. Er was zelfs een catalogus gemaakt, een facsimile van de oorspronkelijke catalogus. Tegelijkertijd was het geen Palermo meer. Het voelde aan als een reliek. Het was geen kunstwerk, maar een artefact. Dat was interessant, maar ook heel curieus. De kunstenaar was immers overleden en je kon hem niet meer vragen of die reconstructie volgens hem een goed idee was.

N.Z.: En als dat wel mogelijk was geweest?

A.G.: Als de kunstenaar gezegd zou hebben dat het interessant was, zou ik er heel anders naar gekeken hebben. Een kunstenaar als LeWitt heeft een duidelijke strategie ontwikkeld om zijn werken te kunnen laten voortbestaan. Dat geldt ook voor Felix Gonzalez-Torres, met wie ik ook heb gewerkt. Hij baseerde zich deels op strategieën uit de traditie van de conceptuele kunst. Hij maakte zijn werk heel bewust in de wetenschap dat zijn leven hoogstwaarschijnlijk maar zeer kort zou zijn. Hij had bijvoorbeeld ideeën over een bepaald type snoepgoed voor zijn snoepwerken, en over de manier waarop een substituut kon worden gemaakt als dat snoepgoed uit productie zou zijn. Hij was zich bewust van het idee dat er een zekere ‘vergrijzing’ van het werk zou plaatsvinden en gebruikte met opzet zo banaal mogelijke materialen. Maar zelfs gloeilampen verdwijnen. Druktechnieken, zoals offset en zeefdruk, zijn al niet meer zo gebruikelijk. Het is zeer interessant hoe Gonzalez-Torres vooruit wilde denken, hoe hij over het ‘naleven’ van zijn werk nadacht en zijn werk concipieerde om het zonder hem te kunnen laten voortbestaan.

N.Z.: Je zou kunnen zeggen dat waar de kunstenaar geen duidelijke instructies heeft nagelaten, de verantwoordelijkheid van de conservator begint…

A.G.: Dat is waar.

N.Z.: Hoe gaat u daar in zo’n geval mee om?

A.G.: Als de kunstenaar niet meer in leven is, contacteer ik altijd eerst de estate omdat ik die autoriteit betreffende de omgang met het werk respecteer. Daarnaast consulteer ik ook andere partijen en bronnen… Maar het klopt dat je als conservator ook positie moet kiezen. Volgens mij moet je dat doen op basis van het respect voor de oorspronkelijke intenties van de kunstenaar en begrip voor zijn werkwijze. Wat ik zo interessant vind aan bepaalde conceptuele kunstwerken is de vraag hoe die oorspronkelijke intentie na het overlijden van de kunstenaar voortleeft. Als kunsthistoricus of conservator heb je de verantwoordelijkheid om daar zorgvuldig en respectvol mee om te gaan. Er zijn natuurlijk verschillende verdedigbare posities. Gonzalez-Torres, bijvoorbeeld, liet heel expliciete instructies na over hoe er met zijn werk omgegaan zou moeten worden, maar dat roept nog steeds vragen op. Die verhouding tussen de visie van de kunstenaar en de verantwoordelijkheid van de conservator vormt een van de belangrijkste uitdagingen voor de omgang met de erfenis van de conceptuele kunst.

 

Noot

1 Bijvoorbeeld in de tentoonstelling In & Out of Amsterdam: Travels in Conceptual Art, 1960-1976 in het MoMA in New York (19 juli – 5 oktober 2009), maar ook in de publicatie van Afterall over de tentoonstellingen Op losse schroeven en When Attitudes Become Form: Christian Rattemeyer e.a., Exhibiting the New Art. ‘Op losse schroeven’ and ‘When Attitudes Become Form’ 1969, Exhibition Histories, London/Wien/Eindhoven, Afterall Books/Academy of Fine Arts/Van Abbemuseum, 2010. 

Vuilheid kan van een betoverende schoonheid zijn

Het afgelopen jaar publiceerde Linda Warmoes een feuilleton in De Witte Raaf onder de titel KUNST. In zes afleveringen schetste zij een scherpzinnig en bij vlagen genadeloos beeld van de kunstwereld in Nederland en Vlaanderen. Tot besluit een interview met de auteur.

 

Koen Brams: Linda, mag ik stellen dat jouw werkstuk, dat ik als een roman à clef(s) over de kunstwereld opvat, in het verlengde ligt van de operaties – voornamelijk in Italië en België – om het establishment te zuiveren? Is het feuilleton de mani puliti van de kunstwereld?

Linda Warmoes: Nee, zo heb ik nou geen moment gedacht. Het woord ‘zuiveren’ alleen al vind ik buitengewoon eng. Zoals de zonde altijd veel prikkelender is dan de braafheid, zo verkies ik de vuilheid veruit boven de zuiverheid. Vuilheid kan van een betoverende schoonheid zijn.

 

K.B.: Wanneer had jij, schrijvend aan het feuilleton, echt het gevoel dat je op zo’n “vuilheid van een betoverende schoonheid” was gestoten?

L.W.: Nou, verschillende keren. Die scène in De Appel bijvoorbeeld, in aflevering 5, die lag behoorlijk dicht tegen de realiteit aan en was toch op een heel mooie manier vuil. En zo zou ik er nog wel een paar kunnen noemen. Maar in het algemeen heb ik het gevoel dat het in werkelijkheid nog veel erger is. Ik heb net de laatste aflevering ingeleverd, en daar verschijnt een interview met Rudi Fuchs in het NRC, echt te erg om te verzinnen! Wat een ijdelheid! Hij koketteerde verschrikkelijk, maar ondertussen zit hij zich gewoon te identificeren met Napoleon en Stalin! En dan toch weer huilen dat hij ooit helemaal alleen met Harry Mulisch op het boekenbal stond, met een grote kring van leegte om hen heen die niemand durfde te overbruggen. Of Jan Hoet, die zich enkele weken geleden helemaal naakt op een dienblad liet opdienen, tijdens die verjaardag van Abramovic. Wat had ik dat zelf graag verzonnen, al moet ik er onmiddellijk aan toevoegen dat het helemaal geen fraai gezicht was.

 

K.B.: Jij was daar dus ook. Hoe geraak jij eigenlijk binnen? Niemand kent je.

L.W.: No big deal. Ik kom er altijd in. Het grappige is wel dat iedereen denkt dat jij mij bent. Onlangs ben je bijna gemolesteerd, omdat ík onthuld had wie Jordi Geirlant is.

 

K.B.: Onthuld?! Je zat er falikant naast!.

L.W.: Ja, sorry. Maar inmiddels ben ik er wel achter, Koen.

 

K.B.: Wie is het dan?

L.W.: Het is Marc Ruyters, de flitsende reporter van De Financieel Economische Tijd. Saai, hè, maar het is nu eenmaal niet anders.

 

K.B.: Hoe ben je daar achter gekomen?

L.W.: Heel eenvoudig. Gewoon aangepapt met een journalist van Humo. Eerst wilde hij niks lossen, behalve dat het ‘iemand van gewicht’ was (proestende lach). Tja, vanaf dat moment was het eigenlijk heel simpel. Hij heeft je onlangs anders flink te grazen genomen.

 

K.B.: Ja, daar was ik behoorlijk van onder de indruk. Geirlant heeft een zware linkse. Als de kunst de satire krijgt die ze verdient, dan is het hier slecht gesteld met de kunst!

L.W.: Nou, bedankt hoor!

 

K.B.: Hoe kwam je er eigenlijk toe om anderhalf jaar geleden bij De Witte Raaf aan te kloppen met de vraag of wij geen zin hadden in een feuilleton over de kunstwereld?

L.W.: In die tijd deed ik niet veel anders dan soaps kijken, en omdat ik niks wist van televisie maken, maar wel ambities had om te schrijven, moest het een geschreven soap worden.

 

K.B.: Hoe ben je bij de kunstwereld terechtgekomen? Jij hebt toch rechten en sociologie gestudeerd?

L.W.: Er is al van alles versoapt, van de redactie van dagbladen tot ziekenhuizen, van de advocatuur tot het bedrijfsleven, maar bij mijn weten de kunstwereld nog niet. Ach, voor mij had het ook mogen gaan over televisie. Maar op een dag belandde ik met een vriend op een kunstbeurs, en wat ik daar allemaal zag leven en bloeien, je houdt het niet voor mogelijk. Nou, en toen… Veel schrijfervaring had ik niet, maar dat hield mij absoluut niet tegen. Ik wilde hoe dan ook schrijven.

 

K.B.: Maar is dat de enige reden?

L.W.: Geld ook. Jij betaalt mensen tenminste. Ik zit dus in de bijstand, en dit leek me een stuk leuker dan werken in een Amsterdams café.

 

K.B.: Hoe komt het dat je bepaalde figuren onevenredig hard hebt aangepakt, terwijl anderen, van wie ik hoopte dat ze de volle laag zouden krijgen, nauwelijks aan bod kwamen of zelfs helemaal gespaard bleven? Micheline Szwajcer en Flor Bex bijvoorbeeld hebben het zwaar te verduren gekregen. Paul Andriesse ook.

L.W.: Ach, wat is zwaar. Eigenlijk zit het zo, ik kwam erachter, zoals je dat schrijvers wel vaker hoort zeggen, dat sommige personages een eigen leven gingen leiden. Zo’n Andriesse komt naar voren als een tamelijk overgevoelige, zelfs larmoyante figuur. Soms had ik diep medelijden met hem, want het was alleen maar het verhaal zelf dat hem dat karakter oplegde. Wat sommige anderen betreft, soms volstaat het om iemand in één scène neer te zetten. Rob Scholte in de kunstHAL. Of Jan Debbaut. Weet je dat ze in het Stedelijk Museum trots waren toen ze zagen dat ze mochten meedoen? Ach, dat volk is gewoon ongevoelig voor spot. Iedereen die een machtspositie heeft opgebouwd, heeft en passant ook een zekere immuniteit opgebouwd. In Belgïe lag dat ietsje anders, heb ik vernomen, daar deden ze nogal pissig. Dat zal wel aan het befaamde Belgische gevoel voor humor liggen. De traditie van Ensor en Magritte.

 

K.B.: Je hebt één keer in het openbaar opgetreden, namelijk op een bijeenkomst in W139 in Amsterdam. Ik zag je praten met Joseph Kosuth, die daar ook een lezing gaf. Toen is de gedachte bij mij opgekomen dat wellicht Joseph Kosuth model heeft gestaan voor Henry Morton?

L.W.: Zo’n stoffige kunstenaar als Kosuth? Ben je gek! Vergeleken met Kosuth is Henry Morton de creativiteit zelve. Maar ik moet toegeven dat Joseph wel een zeer vriendelijke man is, en hij zei, althans tegen mij persoonlijk, leuke dingen. Ik heb er nog even over gedacht om naar het diner te gaan dat hij laatst gaf in zijn prachtige huis in Gent, dat hij helemaal bij elkaar heeft verdiend met zijn conceptuele fratsen.

 

K.B.: Maar?

L.W.: Nou, het feuilleton is afgelopen. Zonder doel voor ogen vergaat me de lust tot observeren en schrijven. Ik had graag door willen gaan, maar jij vond blijkbaar dat er een eind aan moest komen.

 

K.B.: We hadden toch slechts zes afleveringen bij jou geboekt?

L.W.: Wat is nou zes afleveringen man? Een beetje soap heeft er minstens honderd. Er liggen nog stapels ongebruikt materiaal, en elke dag komt er een stapel bij. Dat symposium in de Balie bijvoorbeeld, Objects versus Pixels: moderatoren die als een uitgewrongen dweil discussies leidden, een onverstaanbaar bloemkool-Engels sprekende Cathérine David, een onder luid protest de zaal verlatend publiek, en last but not least, na afloop het organiserende duo dat jubelde dat het allemaal fantastisch was geweest. Na nauwelijks enkele uren werd een van de moderatoren, Max Bruinsma, een absolute knoeipot, door de directie van de Balie op het matje geroepen? Als ik zo’n scène tracht te verbeelden, krijg ik het helemaal warm. Of eh…

 

K.B.: De opening van De Rode Poort?

L.W.: Dat hele gebeuren liet me Siberisch. Toen ik dat moddergevecht van Danny Devos moest meemaken, vroeg ik me af of dat land van jullie toch niet in een collectieve shock verkeert. Dat de Minister van Justitie Jan Hoet gevraagd heeft om een tentoonstelling te maken over misdaad en gerechtigheid, dat slaat toch werkelijk alles. Ik begrijp ook niet waarom die Rode Poort zo de lucht in geschreven wordt. Jan Braet voert in Knack nu al meer dan een maand lang de PR voor die tentoonstelling, iedere week een interview met een andere deelnemer, het ene al onbenulliger dan het andere.

 

K.B.: Het interview of de kunstenaar?

L.W.: Allebei. Hoe moet je zoiets noemen? Een schadelijke vorm van goede wil? Of is het gewoon corruptie? Gelukkig dat de kunstenaars Van Ensor tot Delvaux allemaal morsdood zijn. Stel je voor dat Spilliaert door Braet zou worden geïnterviewd. Dat zou beide gewoon fataal geworden zijn…

 

K.B.: Zijn dit soort combines mogelijk in Nederland?

L.W.: Ik heb het afgelopen jaar wat heen en weer gependeld. Ik moet je zeggen, de verschillen komen me steeds kosmetischer over. Natuurlijk zitten onze kunstinstellingen een beetje beter in de middelen, het gaat er allemaal professioneler aan toe, maar in wezen wordt er bij ons evenveel gezwetst en versjacherd als bij jullie.

 

K.B.: Zoals je weet, was de reactie op het feuilleton tamelijk lauw, de kijkcijfers vielen nogal tegen.

L.W.: Wat moet ik dáár nou op zeggen? Je hebt me verteld dat er zelden iemand spontaan opbiechtte dat ie het verhaal las, maar als een ander erover begon, wist plotseling iedereen drommels goed waarover het ging. Wat is succes? Er zijn toch verscheidene deelnemers en niet-deelnemers geweest die ons gevoelige informatie hebben doorgespeeld? Bij momenten heeft de soap gewerkt als een magneet. Dat vind ik dus een succes. Jij toch ook?

 

K.B.: Heb je de smaak te pakken voor nog meer avonturen in deze richting? Wat zijn jouw plannen?

L.W.: Eerst en vooral vakantie nemen. Dat kan nou wel, met het zakgeld dat ik opzij heb kunnen leggen (lacht).

 

K.B.: Mag ik daaruit afleiden dat je ook terugkeert? Dat de kunstwereld nog niet van je af is?

L.W.: Zo is het. Ik heb nog grote plannen. Maar daar vertel ik je verder lekker niets over.

 

K.B.: Ik heb vernomen dat iemand interesse toont om de zes afleveringen te bundelen in een aparte uitgave. Zou jij daar iets voor voelen?

L.W.: Ach, zou het nou werkelijk zo interessant zijn om een televisiesoap als een uren durende speelfilm achter elkaar te zien? Is het nou echt zo boeiend om al die voorvallen weer opnieuw opgedist te krijgen? Ik heb daar zo mijn twijfels over. Maar goed, ik ken mezelf en mijn ambities, dus als die uitgever even aandringt, ga ik wel meegeven, vermoed ik. Want net als iedereen heb ik natuurlijk een schoorsteen die moet blijven roken, zo is het nu eenmaal. Maar één ding moeten ze me wel met de hand op het hart beloven: een grote foto op de achterflap die mij laat zien op m’n mooist.

Werken in archieven. De MTL-case

In dit nummer van De Witte Raaf presenteren we een aantal onderzoeken in diverse archieven, zowel binnen- als buitenlandse, zowel private als publieke. De gemeenschappelijke noemer van deze onderzoeken is de Brusselse galerie MTL. Het programma van MTL, het geesteskind van kunstenaar, kunstcriticus en -theoreticus, galerist en kunstpromotor Fernand Spillemaeckers, stond voornamelijk in het teken van wat nu bekendstaat als ‘conceptuele kunst’. De galerie ging van start op 13 maart 1970 in de Armand Campenhoutstraat 48 met MTL-DTH, een tentoonstelling van Marcel Broodthaers. De laatste activiteiten van MTL vonden plaats in de Oudergemlaan 297 waar op 21 september 1978 een expo van Ed Ruscha van start ging. De galerie was toen reeds enige tijd overgenomen door Gilbert Goos. Fernand Spillemaeckers overleed op 12 juni 1978.

 

Het congres van Brussel (1-3 juli 1973)

Op 1, 2 en 3 juli 1973 organiseerden drie galeristen – Anny De Decker van de Wide White Space Gallery, Fernand Spillemaeckers van MTL en Paul Maenz van de galerie die zijn naam droeg – het congres van Brussel in de kunstacademie van Ter Kameren/La Cambre. Ze kregen daarbij de medewerking van een vierde galerist, Marc Poirier dit Caulier van de X-one Gallery, die als secretaris optrad. Het thema van het congres was de kunst en haar culturele context.

De Wide White Space Gallery was gevestigd in Antwerpen, evenals de X-one Gallery; de galerie van Paul Maenz bevond zich in Keulen, MTL in Brussel. Wat drie van de vier galeries gemeen hadden, was dat ze vanaf het voorjaar van 1973 naast hun hoofdzetel ook een dependance uitbaatten, en wel in dezelfde buurt: in de winkelgalerie Le Bailli aan de Louïzalaan in Brussel. [1] MTL baatte dus twee galeries uit in Brussel, één aan de Guldensporenlaan, vlakbij de vijvers van Elsene, en één in Le Bailli aan de Louïzalaan. MTL zou deze tweede Brusselse vestiging echter al snel opgeven, namelijk in mei 1973, en samen met de legendarische Amsterdamse galerie Art & Project een tweede dependance openen in Antwerpen. [2] Dat gebeurde in september 1973, met een tentoonstelling van Jan Dibbets.

Aan de kunstenaars die min of meer vast verbonden waren aan de vier galeries – 46 kunstenaars in totaal – werd op 7 april 1973 een uitnodiging voor het driedaagse congres gestuurd. Het initiatief tot het congres moet snel tot stand zijn gekomen. In de bewaard gebleven correspondentie van Fernand Spillemaeckers, Marc Poirier dit Caulier en Paul Maenz is immers vóór de datum van 7 april 1973 geen enkel spoor van de manifestatie te vinden. Voordat de formele uitnodiging werd verstuurd, was er met andere woorden geen correspondentie over het congres, niet tussen de initiatiefnemers en al evenmin tussen de galeristen en de met hen in verbinding staande kunstenaars.

De formulering van de uitnodiging droeg onmiskenbaar de handtekening van Fernand Spillemaeckers, de drijvende kracht achter MTL, zoals blijkt uit de inleidende passage: ‘This is an attempt to stimulate an exchange of ideas between art and its cultural context. We are gathering ‘documents’ which could serve as a basis for discussion (a congress) between a) propositions within the art system with theoretical/analytical implications; b) related propositions from various fields such as logics, politics, semiotics,…’. Eerder, in 1970, nog voor Spillemaeckers met MTL was begonnen, had hij een manifestatie opgezet waaruit zijn belangstelling voor Franse filosofie, en met name de semiotiek van onder anderen Roland Barthes, het structuralisme van filosofen zoals Jacques Derrida en Michel Foucault en het marxisme van Etienne Balibar en Louis Althusser nadrukkelijk merkbaar was. [3] Met een verwijzing naar semiotiek en marxisme in de uitnodiging voor het congres zette Spillemaeckers zijn intellectuele handtekening onder de uitnodiging. Hij was het brein achter het ‘congres’ van ter Kameren, waarvoor hij trouwens ook de credits heeft gekregen naar aanleiding van de enige publicatie van een deel van de transcriptie van het congres. Die transcriptie kan worden teruggevonden in de verzamelde geschriften van Lawrence Weiner. We lezen er: ‘The three day meeting was organized by Fernand Spillemaeckers, head of the Brussels gallery MTL, in cooperation with the galeries Paul Maenz and Wide White Space, both of which had branches in Brussels at the time.’ [4]

De organisatoren wilden evenwel niet enkel kunstenaars bij elkaar brengen. Ze hadden de intentie om de kunstenaars in contact te brengen met wetenschappers. In een brief aan Hans Haacke vertolkte Paul Maenz de doelstelling als volgt: ‘Wir wollen versuchen, einen Gedankenaustausch zwischen Künstlern (hoffentlich machen nicht alle mit, die wir aus Gründen der Fairness angeschrieben haben; Gut wären ca. 10 Leute, damit wir nicht beim ersten Versuch ersaufen) und klugen Köpfen ausserhalb der Kunstgemeinde in Gang zu bringen, sofern (z.B. wissenschaftliche) Wissens- und Forschungsgebiete bestehen.’ [5] Opmerkelijk is dat Maenz aangeeft dat hij hoopt dat slechts 10 kunstenaars aan het debat zullen deelnemen (terwijl meer dan een viervoud was uitgenodigd). In dezelfde brief stelt Maenz in dat verband: ‘Da keinerlei Budget vorhanden ist, werden diejenigen, die nicht wirklich sachlich echt interessiert sind, hoffentlich sowieso wegfallen.’

Om de discussie te voeden werden de kunstenaars gevraagd om teksten in te leveren zodat de wetenschappers zich konden voorbereiden op de discussie. Samen met het congres was ook een tentoonstelling gepland, opnieuw met als oogmerk om de wetenschappers verder te informeren. Enkel in het boek met de verzamelde geschriften van Lawrence Weiner vallen enkele namen van de ‘wetenschappers’ die men met de kunstenaars wilde confronteren: Leo Apostel, Jürgen Habermas, Jean-François Lyotard en Ernest Mandel, allemaal filosofen dus. Uiteindelijk raakte de brochure met de teksten van de genodigde kunstenaars niet voltooid, kwam de tentoonstelling niet van de grond, tenminste niet tijdens het congres, en verschenen de ‘wetenschappers’ of ‘filosofen’ niet op het appel. De reden voor hun afwezigheid is tot dusverre niet opgehelderd. Ook de locatie wijzigde op het allerlaatste moment. In de uitnodiging van 7 april was sprake van Deurle, zonder dat een specifiek adres werd genoemd. Ook in de oproep op 30 mei 1973 werd nog steeds verwezen naar een ‘exchange’ in Deurle. Pas op 14 juni 1973 werd aan de deelnemers gemeld dat het congres in de abdij van Ter Kameren zou plaatsvinden.

De lijst van de uitgenodigde kunstenaars is indrukwekkend, een weerspiegeling van het programma van de vier galeries, dat dus ook gerust imposant mag worden genoemd. Zowel John Baldessari als Giuseppe Penone figureren op de lijst, zowel Robert Filliou als On Kawara, zowel Hans-Peter Feldmann als Robert Ryman. [6] De vier genoemde galeries – Wide White Space Gallery, MTL, Paul Maenz en X-one Gallery – vertegenwoordigden haast alle protagonisten van wat nu bekendstaat als conceptuele kunst, arte povera en Fluxus.

De kunstenaars werden gevraagd om documenten in te sturen en aanwezig te zijn op het driedaagse congres. Eind mei 1973 hadden al 27 kunstenaars positief gereageerd. Midden juni hadden reeds 25 kunstenaars documenten ingestuurd. Op het congres zelf tekende een tiental van de geïnviteerde kunstenaars present: de Amerikanen Carl Andre, Sol LeWitt en Lawrence Weiner, de Britten Philip Pilkington en David Rushton van Art & Language, de Belg Marcel Broodthaers, de in Frankrijk woonachtige kunstenaars Daniel Buren, André Cadere en Niele Toroni en de Duitse kunstenaars Hans Haacke en Bernd Lohaus. Drie dagen, meerdere uren per dag, hebben deze kunstenaars met elkaar gediscussieerd.

Tijdens de eerste dag kwamen Carl Andre, Hans Haacke, Philip Pilkington, David Rushton en Lawrence Weiner aan het woord. Een andere opmerkelijk panellid was Albert Schuf, de directeur van de bibliotheek van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. De discussie is behoorlijk pittig. Dat geldt met name voor de steeds weer terugkerende vraag van Lawrence Weiner aan Philip Pilkington en David Rushton van Art & Language: of zij voor hun theoretische inzichten een plaats zien in de wereld van de kunst: ‘will you place this in an art context, for viewing’, vraagt Weiner. En nauwelijk enkele minuten later verbindt hij aan een eventueel positief antwoord vanwege Art & Language de volgende evaluatie: ‘And don’t you find yourself then presenting this research in an art context and placing this object which then is documentation of the work of two people or three people in a group, which makes it no different than the documentation of the traces of a masturbator or body artist, or something, who present their traces on the wall or in a book form, that here on this day I worked out a very complicated way of masturbating instead of masturbating with your genitals.’ Het congres was duidelijk geen avondwandeling. Er werden spijkers met koppen geslagen. De gehele tijd praatten de sprekers ofwel naast elkaar ofwel tégen elkaar: er was veel verwarring, maar ook oprechte dissensus. Het is heerlijk om dat onbegrip of die tegenstellingen van het blad te kunnen lezen. In Ter Kameren was er geen plaats voor academische prietpraat, verstikkende eenstemmigheid, maar voor echt wanbegrip en regelrechte animositeit.

Fernand Spillemaeckers zelf haalde de volgende herinnering aan het congres op: ‘What was said on the last day of the congress, between Jean Claude Garot on one side and Carl Andre, Marcel Broodthaers and Lawrence Weiner on the other, was an unexpected description of the way their work functions and of the cultural situation in which it functions. If printed, it may help to change the situation.’ [7]

Zowel de tentoonstelling die een week na het congres opende in Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle, als het boek met de door de kunstenaars ingezonden teksten dat in de zomer van 1973 het licht zag, zijn het voorwerp geweest van een lange en bittere polemiek, waarop we op een later moment uitgebreid zullen terugkomen. [8]

Achtendertig jaar na de feiten presenteert De Witte Raaf een transcriptie van de eerste sessie op de eerste dag van het congres van Brussel. Deze exclusieve publicatie was enkel mogelijk met de medewerking van Lili Dujourie, Anny De Decker, Gerd de Vries en Paul Maenz, die we hierbij hartelijk willen danken. Onze dank gaat ook uit naar Jason Poirier dit Caulier en Faby Bierhoff.

 

Noten

1 Galerie MTL opende in 1972 een dependance in de winkelgalerie Le Bailli, waar op dat moment reeds Galerie d gevestigd was. Paul Maenz opende zijn dependance in februari 1973, gevolgd door de Wide White Space Gallery in april 1973.

2 Reeds begin 1973 hadden MTL en Art & Project een eerste samenwerking op poten gezet: beide galeries wisselden twee tentoonstellingen met telkens vier Italiaanse kunstenaars uit. De acht Italiaanse kunstenaars waren: Giovanni Anselmo, Giulio Paolini, Giuseppe Penone, Salvo, Alighiero e Boetti, Gino de Dominicis, Mario Merz en Gilberto Zorio.

3 Referentie voor een marxistisch formalisme, samengesteld door Fernand Spillemaeckers, vond plaats op 10 januari 1970 in Celbeton in Dendermonde.

4 Gerti Fietzek & Gregor Stemmrich (red.), Having Been Said: 
Writings and Interviews of Lawrence Weiner 1968-2003, Ostfildern-Ruit, Hatje Cantz Verlag, 2004, p. 57.

5 Brief van Paul Maenz aan Hans Haacke, d.d. 24 april 1973 (Getty Archive).

6 De uitnodiging was gericht aan: Carl Andre, Terry Atkinson, David Askevold, David Bainbridge, John Baldessari, Michael Baldwin, Robert Barry, Joseph Beuys, Marcel Broodthaers, Stanley Brouwn, Daniel Buren, Victor Burgin, Ian Burn, James Lee Byars, Hanne Darboven, Jan Dibbets, Hans-Peter Feldmann, Robert Filliou, Dan Graham, Hans Haacke, Douglas Huebler, Harold Hurrell, Will Insley, On Kawara, Joseph Kosuth, David Lamelas, Sol LeWitt, Bernd Lohaus, Richard Long, Guy Mees, Panamarenko, Giulio Paolini, A.R. Penck, Giuseppe Penone, Philip Pilkington, Anne & Patrick Poirier, Mel Ramsden, David Rushton, Robert Ryman, Salvo, Niele Toroni, Ger van Elk, Philip Van Snick, Lawrence Weiner en Ian Wilson. André Cadere ontving deze collectieve uitnodiging niet, maar werd persoonlijk door Fernand Spillemaeckers van Galerie MTL geïnviteerd.

7 Fernand Spillemaeckers, Answer to the ‘Notes’ of Paul Maenz in Flash Art, December 1973, in: Flash Art, nr. 44-45, april 1974, p. 62.

8 Van 18 januari tot 29 februari 2004 liep een tentoonstelling over het congres, de tentoonstelling en de publicatie in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle, samengesteld door Edith Doove. Tijdens deze manifestatie kwamen de ‘tapes’ van het congres evenwel niet aan bod.

 

Transcription of the first day of the congress, 1 July 1973, Ter Kameren/La Cambre, Brussels. Participants: Carl Andre, Hans Haacke, Philip Pilkington, David Rushton, Albert Schug, Lawrence Weiner

?: …Contre l’académie, et pour lutter contre les processus de reproduction. [XXX] C’est pour moi un vif plaisir d’accueillir les artisans des productions les plus avancées de l’art actuel. Je suppose que la plupart d’entre vous connaissent les trois grandes articulations de ce symposium, symposium au cours duquel les artisans de l’art conceptuel confronteront leurs idées, confronteront leurs positions, d’une part, et d’autre part tenteront également de les confronter à celles de certains spécialistes des sciences humaines, et en particulier à celles de Lyotard, que nous entendrons demain. Cet après-midi, qui sera consacré à l’analyse des positions d’ Art & Language, devrait en quelque sorte permettre d’engager le dialogue entre les responsables d’Art & Language et le logicien, notre logicien Apostel. Malheureusemt il doit encore arriver. [XXX] Nous attendons demain Sol Lewitt et Daniel Buren, et après-demain [Georges Buyens?]. Je ne vais pas davantage m’attarder à exposer le programme de ce colloque et je donne la parole à Paul Maenz

Paul Maenz: Yeah, that’s not… I have to speak English because I cannot speak French, but there is not so much to say about this because you all have the information what it is about and why we did it and so, because you have been invited, most of you, I suppose. Anyway, I mean it is interesting to see that we have invited, I don’t know exactly how many what we call outside people, speech scientists, professors and so, the ones who, well, so to speak, produce the knowledge with which a lot of our artists work. Anyway, the result is that we have basically only artists, and people who are interested in what’s going on. So it’s a little bit difficult to – well, we found this is in the first place – it’s very difficult to structure this too much. So what here looks fairly disorganised is in fact the situation, because we cannot structure it too much, we cannot give too many directions, so it’s really a dialogue. And since nothing like this has been done before, at least I think it hasn’t been done before. So it’s fairly open, the form it takes and also the results it takes, and it’s up to you now to ask, to find something which is constructive and interesting, and just go ahead.

Philip Pilkington: Okay. Want me to go ahead? Something that has been puzzling me…

Paul Maenz: Oh yeah, maybe I should present the people, in case you don’t know. To start, Dr. Albert Schug from Museum Wallraf-Richartz in Cologne, Lawrence Weiner, Pilkington and Rushton, are both from Art & Language in England, Hans Haacke and Carl Andre.

Philip Pilkington: Okay. There was something that was puzzling me about this sort of invitation. It said: we are organising a congress with a proposition within the art system, with theoretical and analytical implications and, being related, propositions from various fields, such as logics, politics, and semiotics, I would have thought that… and a propos the introduction to this sort of congress, where the introduction was about the avant-garde, conceptual artists, and so on. I would have thought it would be fairly futile to start talking about artists within analytical sort of structures or logic and so on, but try and think of, in fact, a sort of edifying discourse where…

A member of the audience complains.

Philip Pilkington: You can’t hear then? I don’t think it’s…  It’s just a recording. I’ll try and speak up.

Same member of the audience: That’s why you should sit in front.

Female laughter, extraneous noises, chairs being moved, subdued chatter, general rumblings

Philip Pilkington: Well, the real problem that I was sort of thinking about with this letter of introduction sort of thing to this congress, was the fact that there were sort of categories delineated between people who were working with propositions within the art system. There was the idea, in fact, I thought it was sort of implicit with the congress, that there were philosophers, there were logicians and so on, and then there were artists. I thought it would be better that we started off in some way with a nexus point from an edifying discourse of some kind which, in fact, I would have thought was logically prior to any discourse that would take place about art, about logic, about propositional calculi, and so on. That in fact that we could think about some of the work that some of us have been doing over the last few months, which, in fact, sort of tried to get to the point of the foundations, if you like, of things like language, things like what in fact is merely conventionality, such as logic, such as semiotics as it is down here, although I don’t know of any semiotics that is worth talking about. And I would have thought that, in fact, something that occurred quite recently in Art & Language, as an edifying nexus point, was in fact the notion of Søren Kierkegaard, in fact, of the notion of faith. And faith, as it were, as some presupposition of some kind, some existence presupposition of some kind, not the existence presupposition of quantified logics, not of Russell, not of Frege, not of Wittgenstein. But the existence assumption spelled with a k, that is, of the Heidegger eksistence assumption. And think about, as it were, or try to think about, for this congress at least anyway, for the moment, try and think about it in the work as well that we’ve been doing over the last few months, of the pragmatic parameters that may, in some way, articulate what in fact our existence assumptions are – what our dasein is, in Heidegger’s philosophy of ontology, in fact, not being a problem of taxonomy of the categorisation or classification of set theory and so on, and of all the sophistications that have developed over the last fifty years. But in fact some sort of circumspect look at what in fact it is to acknowledge one’s place, one’s time, one’s culture, and so on. Now, I think one of the things we’ve got to, I think, appreciate here, that any sort of questions that are raised about what are the pragmatics, what are the pragmatic parameters that surround me, that I can in some way describe, and so on, are eventually gonna be involved with some dissatisfaction of some kind. That is, the questions are not going to have answers to them. Or, at least they are not, at least, gonna have answers that are in some way exhaustible, to the state of affairs that someone may be asking. So I think it’s rather – I think we’re rather, like, in a situation, all of us here I think, and this not only applies to, sort of, artists working, but to anybody at all who’d care to think about existence assumptions, or ontology, or language, or grammar. And all the, as it were, the points that come together at this nexus point of faith, of the existentialist point of existence. And that is in some way, how can we describe the minute that we are in fact in, and in some way that we are talking about, when we explain anything whatsoever, whether it’s teological explanation, whether it’s simple explanation of the sciences, that we’re in some way involved with something rather like a paradox of some kind. That is, whatever one is involved in, one is always involved with some self-referential problem of: okay, I have this methodology of some kind, however, it is always hoist by its own petard, to some extent; that is, the methodology is reflexive upon the person who is operating the methodology, and sort of a more vicious sort of notion of Bridgman’s operationalism of some kind. You know, I think that one of the ways out of this probable, you know, probable notion of a paradox in this situation is not to sort of think about the rationality assumptions that are implicit in operationalism, or the rationality assumptions that are implicit in any of the positivistic notions of grammar, language, existence, ontology, and so on, but rather to think about it as a very intuitive notion of existence, intuitive notion of articulation, intuitive problems about the non-exhaustibility, intuitive notions about the modalities of one’s pragmatics, and so on. One is involved in, I think, it is rather like saying: okay, I can explain what I am doing now, or something like this, or in some way trying to get hold of the dasein problem, that is, I exist at a certain time, certain place, I have a certain pragmatics of some kind that I operate with, in some way I am dealing with a praxis of some kind, some kind of activity. I think as soon as you start to talk about activity you are then involved with at least some sort of agreement with what people have said about activity; that is, that one does it but one doesn’t necessarily understand fully what that activity may involve. [momentary pause] Now, if we think of things rather like the classical things that in fact this Leo Apostel may know about, about the ordered pairs of language, about things like trying to have set satisfaction; that is, in some way trying to have some rationality from one point in time to another point in time. Or think of rationality in sections, in a Carnathian sense, in some way, is something rather like, I suppose, the identification of one individual through various time slices of some kind. However, I don’t know how we may articulate these [XX] but I think they’d be something rather like that. But the fact that the indexical point that they usually talk about, people like Richard Montague, people who have been dealing with pragmatic presentational languages and so on, they usually talk about a very, very limited, ordered, indexical point, usually related to something like the speaker and the utterance that is, as it were, a part of one’s phenomena of some kind. It appears that there is sort of… things that we can get, I think, from Chomsky and Katz and Postal and their dictionaries and their studies in grammar, plus a lot of other logics, I think, that would run into the dictionaries that Katz and Postal have been trying to construct. Where I think we can, in some way, intuitively, and I suppose I ought to express the point that intuition here is used in a sense in connection with, I think, Kantian intuition, where he deals with… where Kant deals with an aesthetic of some kind, a transcendental aesthetic, where he talks about the possibility of experience. I think in some way we’re talking about the possibility of the ability to express ourselves, the ability to express the situation that we’re in. In that sense I think we’re dealing with intuition. So I think that – to go back to the Montague sort of problems about the pragmatics – I think what we’ve got to deal with, as far as our language is concerned anyway, as far as I’m concerned. I think that we have to in some way order some depth structure of some kind that may be non-exhaustible, that in some ways may be defeasible, or in some way may be non-transcendental, that is, in fact, we are saying something rather like the fact… we’re not trying to revise ideology to an extent, but we are trying to find what in fact may be the possibility, or what in fact may make up the possibility of some transcendental aesthetic or, if you like, some possibility of experience. And if we run through these semantic markers that are in Chomsky and Katz, and so on, where they talk about semantic markers of some kind, it’s very apparent that all the semantic markers that they may put into their grammars and their dictionaries, and the transformations from one fragment of language to another… That in fact the depth that we may, in fact, think about, about a deontic relation of some kind, obligation of some kind, the notion of teleology, that is the notion of purpose of some kind, are completely ignored. They are simply spoken about as a semantic feature of some kind, that is, a simple, if you like, I suppose, meaning postulated, in the Carnathian sense. So I think maybe the edifying point about what I was trying to say, is that the Chomskyan dictionary, in some way, may be able to help us if it is, in fact, developed in some way, or articulated in some way, underlined with a Montague ordered pair of a pragmaticism kind. That is not of the simplistic type of Montague, nor the simplistic type of an ordered pair, or an ordered triple, or whatever, or simply thought-up of a very simple logical function of any kind but of a non-exhaustive function of an end-parameter inducted logic or an end-parameter or end-valued modal logic of some kind. But I think that we may, I think, begin to understand, at least only the difficulties, not only answers to transformations from one state of affairs to another state of affairs, whether they be linguistic, phenomenological, experiential, or whatever.

Pause

Philip Pilkington: I hope… Did any of you get that? That’s sort of… the only way I can sort of express it at the moment so that all these problems sort of are coming off the top of the head. I wonder if you also have some questions and I may be able to articulate a bit better.

Silence

Philip Pilkington: Do any of you… Do… Is Leo Apostel here, for example?… He’s not here?

Chair: There’s no point. The first to speak to, in your case, would be that what was planned, would be Apostel, so… Does any of you… ?

Philip Pilkington: For example, can I ask a question -do any of you think that you speak, in fact, a language? One language only… French, Walloon, English, German, whatever? Or do you think of yourselves as speaking fragments of language, fragments of grammar?

Member of the audience: But I didn’t understand you. I didn’t understand your English.

laughter from the audience

Philip Pilkington: That’s the problem… that’s the problem. [Audience mumbles and shuffles] It’s phonetic.

murmuring from the audience

Philip Pilkington: I think so, I think so, yeah.

murmuring from the audience

Philip Pilkington: That’s the problem reified.

murmuring from the audience

Carl Andre: I have a question about these matters which this gentleman was discussing. My disadvantage is the fact… is that within the language of this discourse, what he was talking about, I know absolutely nothing. I have not read any of the authors he spoke of, I have not ever studied any of the disciplines he spoke of, I really didn’t understand very much of what he said at all. But I do think I do understand what we may say is the foundation, or his need to analyse things in these terms, because I don’t understand the terms at all, so I cannot really say what he is saying or paraphrase or understand at all. But I wonder if there is not a need to believe that fundamental to reality is language, as fundamental to the reality of art is language, which I think that ultimately is a religious view because that means the universe has been written as a message to be read by some.

Philip Pilkington: I take your point, yeah.

Carl Andre: And this is a view I do not share at all. I think the universe is indifferent to language. Language is an accident in, in…

Philip Pilkington: Yeah.

Carl Andre: And I don’t think… I also don’t believe art is a linguistic system.

Philip Pilkington: Let’s, let’s…

Carl Andre: But that’s…

Philip Pilkington: Yeah, sure, I understand perfectly, and it’s quite a common sort of occurrence in myself to sort of think of that problem. Nevertheless, I think in some way I wasn’t saying that language was, as it were, the logically prior thing that occurs to oneself and, you know, it determines in any way what one’s life is. I think a lot of people have said that in the past, and a lot of influential people, especially in philosophy and in logic, and people who have said this, that, and the other, very categorically about ourselves, especially the positivists in the 1920s, you know the scientists as philosophers, where in fact they say: yes, of course there is a meaning to this sentence. Now, obviously, what I have been trying to say is in fact, that there is, in some way, to use the words of Teresa M Cheng, a linguist who has been sort of working quite recently with the problems of translation, and if you think of the translation of the problems that she deals with from Chinese to English, she says something rather like, well of course the problem of transformation from one language to another is in fact rather like the transformation of culture; in fact it uses up, in some way, the generation of language, the generation of grammar, it uses up the reservoir of one’s experience. Now what one’s sort of asking, I suppose, in a very sort of phenomenological way, is what on earth makes up one’s reservoir of experience? Or, what is the possibility of one’s experience? It’s a sort of a prior sort of problem I think, in many ways, to know what is [interference], what is… [interference], you can get… some [interference], some understanding… and this is why I think it’s an edifying discourse, it may be an edifying discourse to think of these problems, edifying as the only true problem, as the only true solution, in some way. And in some sense you’re right about it being religious. Although it’s non-catholic, it’s non-protestant, it’s in many ways the religion of the existentialists. In fact it’s very sceptical about the society at all being able to exist with a priori and religious notions whatsoever. So the question really is not simply that, let’s say: okay, we’re using language, which is a [XXX] language is the foundation of our world. We’re saying something rather like: okay, let’s take it for granted that Wittgenstein is in some ways rather, you know, rather right – he’s hit the nail on the head, to some extent. Nevertheless, what is language? And all the things that are written in a philosophy of language, always seems to take for granted, in fact, what language may be.

Carl Andre: I think that it’s something beyond that. Language may very well be the foundation of our world but our world is not the foundation of the world.

Lawrence Weiner: That’s it. That, if I may interject, is the whole crux of what you’ve been leading to. One must accept the, I’d almost say, Chomskyan worldview, that there is no ‘I’ without a language to realise the ‘I’. But what you are asking for now is a causeality of faith. In what essence and for what purpose is this causeality of faith and what relation does this faith have to do with art, other than the age-old, time-worn thing of: the artist is somebody who deals with the inner awarenesses of other people? Then you are preaching, if I read you correctly, and I must lead myself away from my esteemed colleague, Mr. Andre, that I am versed in this subject, and if you are leading to that, then you are justifying and asking for totally an expressionist ethic in art. That art therefore is the expression of quote-unquote: a separate class artists, their relationship to the society then, in pragmatic terms, will be above and beyond, almost, in a sense, the old-fashioned idea of the romantic priest-artist, which I must again, you know, if from a Marxist view must, you know, like, counter.

David Rushton: I’ll try and sort-out some historical account of the way that some of these conclusions have been reached. That might answer some of the problems.

Philip Pilkington: Nevertheless, it’s no justification. I mean, in no way are they dialectical conclusions.

Lawrence Weiner: Well, I am not making an accusation. I am merely asking it as an open-ended question.

Philip Pilkington: In a way Dave’s remarks will probably be like an index of our history, if anything else.

Lawrence Weiner: Please.

David Rushton: Well, the point was to do I suppose with Chomsky’s problems with universal grammar. And also, and countering that to some extent, the confrontation with the notion that arises out of, I suppose, originally out of semiology, from Roland Barthes, that the idea of an idiolect… now, when I looked at the prospect of the artist, to some extent being a possessive individual, or being, to some extent private, with respect to his sort of way of approaching things. And what the public got out of that was really the residue of the artist’s activity and there was very little dialogue between the artist and society or culture or whatever, prior to the sort of construction of an idiolect. Now an idiolect consists of, perhaps, something that derives out of, say, a group of individuals who interact, with the potentiality of that interaction being mapped onto a social language or ordinary language, or whatever way you would like to sort of paraphrase that. Now the way that Art & Language started looking at the idea of an idiolect was something that got thrust upon them to some extent. There was a group of people who were working more or less in the same way, who happened to live in the same area, who happened to see and talk to each other more frequently than they talked to other people, who happened to read fairly similar sort of books, whose terminology arose in a similar sort of fashion, and so on. Now, it became fairly secular, to a degree, with respect to, you know, the ongoing norms or modes of behaviour of other people, with respect to something like the art world or ordinary discourse of that world or whatever. Now, out of the notion of the idiolect, the thing is, that if you construct the possibility of an idiolect, then Chomsky’s grammar presumably will have to take account of that. Now either it would take account of it as a separate language that used words that were phonetically or morphologically the same but nevertheless the constructions put upon the semantics of those words was entirely distinct from the ordinary discourse. Or one had the notion of an idiolect such that and one had a semantic tree constructed out of Chomsky and Katz, such that one had various branching of that semantic tree which took account of various sorts of idiolects. Now when one looked at that position of, say, Art & Language as a group with a particular sort of problem, a particular sort of input for terminology and problems which arose out of a discipline that was historically considered to be discreet from it – philosophy, science, or sociology, or whatever. One looked, as it were, internally at the way those terms came to be used, and one tended to sort of construct the dictionary of those terms in terms of the use that the particular members of that group put upon them. Now, what arose out of that, in a sort of macroscopic way, was to say, well, all right, we’ve got an idiolect here. Now Chomsky, if he’s gonna construct a universal grammar, would have to take account of that idiolect. So then one would say: well, are there any other idiolects around? And one turns to science and one turns to philosophy and one turns to, you know, Oxford philosophy, and one finds that various groups of professionals of a certain sort, are behaving in a fairly similar sort of way. Now, one then tries to sort out whether there’s any traceability of those with respect to other groups who are working, i.e. distinctions between, for instance, existentialism and philosophy of language, or distinctions between Roland Barthes’s studies of language and Gries’s studies of language, things of that sort. Now, that sort of model became a problem that we had to tackle, to some extent. What was the way that we could describe our interactions and maintain those interactions as fairly fruitful? And also try and sort out some mapping of those interactions onto ordinary language. Now the way we looked at that, as I sort of mentioned earlier, was to sort of treat the notion of the semantic tree as one that was ongoing in the philosophy of language, but one that was not sufficiently well-developed, i.e. they had taken the history of language philosophy in England, at least they had taken fairly ordinary demonstrative terms, descriptions, or man-in-the-street sort of sentences, and applied Gries’s, for instance, Gries’s cooperative principles, such that there was a sort of ethical code between these people and their behaviour. And that behaviour was very, very shallow, to some extent. For instance, the notion of irony was an example that we looked at, insofar as the notion of irony doesn’t really operate for any two people who are interacting, who are dealing with something like street directions. Now when it comes to looking at irony with regard to an idiolect that might be fairly rich, or that the members interact socially, language-wise, etcetera, their inputs are fairly similar and so on. The notion of irony might well be something like ordinary language, with regard to that conversation. That is, fairly standard sentences uttered in the streets might turn out to be ironical in that context. Now, Gries’s language philosophy couldn’t really take account of that problem. So one had to again look at the semantic tree and the possibility for branchings on the semantic tree that one might, as it were, fill-in, as members of that, and hope or assume that, or look for studies that allowed for certain sorts of branchings, certain sorts of deviations to occur. It was not categorical with regard to a sort of concept of a universal grammar of any sort that is not sort of a [XXX] academy approach to it. And one looked at oneself sociologically to some extent, in that position. Now where the object of faith, the idea of faith, where Kierkegaard religious or theological problems arose, was to do with… here we seem to have a state of chaos, to a degree, because inside this idiolect, one’s using terms which are applied differently in some way. They have a different semantic branching outside of one’s own conversation. Nevertheless, one might not understand what one is talking about internally, or one couldn’t talk about correlations of an extensional sort between parts of the conversation internally. But, nevertheless, there was some desire, or whatever, or some process, or some possibility, or implication within that structure, such that that conversation could be ongoing. Now, out of that arose the idea of looking at what sort of power structures would be applicable inside an idiolect, by looking at [XXX] form, or looking at standard logical notions of implication, or looking at theological concept of acts of faith or objects of faith. But it was a case of looking at the problem of religion or looking at God or sort of looking at the God problem, rather than looking at the notion of a religious belief. It was a case of saying: it’s a possibility that it is a religious belief, but we are looking at that possibility rather than actually acting necessarily within that. The reflexive paradox might well be that it might turn out that there is nothing else which binds a set of people together for some sort of interaction, while the conversation remains in such a chaotic state that it does, i.e. the conversation inside in relation to the conversation outside. So… yeah, there might be a religious act of faith involved there, but one is not committing oneself to assuming that that is the case; one’s really assuming that the semantic tree, well, the problem of looking at semantic trees is such that deviations, or looking at deviations, is not in a very rich state of research as yet. So that, you know, one’s having to look for other possibilities of that semantic research, or whatever our sort of research or our sort of inquiry might well move into, and that might well be one of them.

Lawrence Weiner: May I take on that then and not to be facetious… What you are saying then is this idiolect society, the idiolectuals, which we must name them then if by turns are not secular, they’re sectarian, rather than secular. Sectarian, there is a historical precept for this sectarian language, and that’s the society of Jesus, the Jesuits. They built a sectarian dialect of Latin, for utilisation of discussing the same God problems. So these idiolectuals then, what you are saying, are then claiming what they are asking for is that Chomsky and other students of language, or other precepts of language and artists utilising language, accept this dialect within their researches as a normal and equal dialect. So it’s a class problem you are pushing, you’re saying that your class, your sect, your religious sect, is asking for representation, because you have a rich language that is not being utilised. You have made, you know, many mentions to the inside and the outside, which is a typical Jesuit problem in relationship to God. It’s a standard Jesuit problem, it’s the standard Jesuit thing. It’s the reason that Jacques Maritain had great difficulty with the society of Jesus when he began to teach in the new world, when he began to teach in the States, because he refused to accept the inside and the outside, and for an existential philosopher not to accept that, for a Christian existentialist, was a major problem.

Philip Pilkington: Can I answer that?

Lawrence Weiner: Please.

Philip Pilkington: I think that there’s a simple misunderstanding. I think that sort of upshots that occurred with the interest in existentialists from Kierkegaard, Heidegger and so on, the problem with [XXXX] like that situation which is in fact the culmination of the problem about God, in fact, used as an analogy for Art-Language, was in fact it came up as – I think it was reified as – not a problem about sectarianism and all the upshots of sectarianism but what in fact that sect may catch or what in fact may be the members of that sect. If we thought of Art-Language or any group whatsoever as a group or well-formed category, a set, then acknowledging the problems that we’ve been talking about, about what on earth are the resources of one’s expressions, the reservoir of one’s experience – what are in fact the pragmatic parameters that catch our lives and to some extent, catch our ontology and so on – when all those pessimistic Cartesian problems are shared, one is not dealing with sectarianism at all. One is dealing with a problem of what on earth is a group, what on earth is a group when it comes together.

Lawrence Weiner: But at the same time you are propounding a group so therefore you are a class within a structure within a society that is asking the classic question why are we here, what is our activity, which is really not the questions of this symposium. But I will accept it of course, it is your choice and it’s your right asking those questions. But you are at the same time asking for recognition as a class. Being in Belgium is a very good example of this. You are saying that there is a rich class that is speaking a dialect that has a rich culture.

Philip Pilkington: I don’t know.

Lawrence Weiner: Perhaps a new culture.

Philip Pilkington: I don’t know whether they understand me or not.

Lawrence Weiner: The idiolectals? You’re speaking – the idiolectuals are speaking…

Philip Pilkington: [inaudible interruption] are successful…

Lawrence Weiner: …Well, this is what you are basically saying. And this rich culture, therefore, must be accepted within the whole.

Philip Pilkington: But I’m not suggesting-

Lawrence Weiner: But you are still pushing this whole within a socially acceptable, totally God-oriented I-Thou, why are we here situation.

Philip Pilkington: No, it’s not… not at all.

Lawrence Weiner: I am afraid in 1973 being an existentialist is a rather dangerous profession because you are dealing here with groups of people who are ex-existentialists. [laughter] No, I am serious, this is a basic aesthetic problem. This is not just a philosophical problem, it is a problem of aesthetics. The majority of people you come in contact with are ex-existentialists and an existentialist usually falls to the right or falls to the left. They never seem to fall in the middle. [laughter]

David Rushton: But I thought that the fundamental point we were sort of raising was a concatenation of different subjects we were raising was not at all a sort of nicely, well-formed existentialist point of view but a simple borrowing to some extent of what in fact someone may learn something from.

Lawrence Weiner: Perhaps you are at a disadvantage having grown up in England and not having the whole basis of American and French existentialism to not realise the full extent of how far existentialism weighed before its collapse.

Philip Pilkington [or David Rushton?]: Let’s not use it as a tag.

Lawrence Weiner: No, no I’m using it as a tag because of the problem of most of the-, especially, Quine’s references to existentialism. They’re references to a certain kind of- existentialism is basically a nationalist movement. Always. It takes into account only the national characteristics of those people speaking that language. So when I say French and American existentialism this is not you know chauvinism of any sort. It’s a fact that existentialism is by its very nature nationalistic.

Philip Pilkington [or David Rushton?]: Oh, sure, we haven’t been using existentialism… across the…

Lawrence Weiner: Totally on the basis of language. So that’s it’s totally nationalistic.

Carl Andre: Can I ask a question?

about ten seconds of several overlapping conversations, during which time Lawrence Weiner can be heard saying ‘Totally impossible. Only the French were capable of translating-‘

Carl Andre: What is the foundation of the relation between art and language in the title? I mean, what do you mean by that title? Does it mean that our language is our art or our art is our language or we use language in order to explain art or use art…?

Philip Pilkington: I wish there was a simple-minded answer to that question about art and language. I think it is a question of…

period of overlapping, largely indistinct voices, towards the end of which can be heard…

Carl Andre: It just indicates an area of interest.

Philip Pilkington: No, not at all, it’s a name…

Carl Andre: -a conjunction of interests.

Member of audience: Will you please take this question into account: What is a group and what is a group when they come together and who is coming together here? You? I may assume that you have interesting debate among yourselves. I’m not sure of that. Maybe you are just playing a game. But we don’t participate at all. And most of us don’t even understand your language. So if there is an art and language problem, it is the problem – maybe Mr Weiner took it into account – that there is a monopoly in language. Maybe this monopoly of language is what you call an idiolect.

Philip Pilkington: Anyway you participated by just simply performing.

Member of audience: No. I got maybe a hundredth or a thousandth part of your discourse.

Philip Pilkington: Now if you think of [XXXX]

Lawrence Weiner: Some of the people who speak English naturally.

Member of audience: Huh?

Lawrence Weiner: No, there is a problem, no, really, there is a problem of the manner. Most of the things, if I may interject, most of the things that you say are debatable and they are well thought out, but the language has a tendency to become convoluted. English English has a tendency towards self-convolution and that self-convolution has been one of the major problems of our debate with Art-Language. Language itself convolutes itself so the gentlemen from Art-Language are not criminals perpetrating something but they are victims. They are victims of the language situation itself that convolutes when you attempt to do this. And the minute you start speaking then in relationship to aesthetics or in relationship to pragmatic problems with an identity problem, an identity crisis, of course it will convolute because each person is dealing with their own identity crisis. So you are dealing then with expressionists. Expressionists first ask you the act of faith: ‘Please believe I am involved and then bear with me.’ So they are asking you to bear with them.

Member of audience: Yeah, but you should understand acoustically.

Lawrence Weiner: Acoustics are a matter of presentation. That’s the steal. [laughter]

Member of audience: I think at the moment it is more a problem of representation. [XXXXX] Why don’t you try to speak French, for example?

laughter followed by short period of overlapping, indistinct voices, during which ‘or Flemish’ can be heard

Carl Andre: You just said the great celebration of Pentecost. Speaking in tongues.

Member of audience: Beter dan Nederlands. Beter dan Nederlands.

Lawrence Weiner: Je kunt wel Nederlands praten, mevrouw [Zegels?]. Je kunt wel Nederlands praten, wil je dat? Ja, ik denk misschien in het Nederlands de woorden is dezelfde van Engels van filosofie. Is dezelfde woorden van Engels, van Frans en van Nederlands.

Member of audience: Dutch to English.

Lawrence Weiner: Ja, and so on. Wat ben je willen. But it’s the same words in English, French and Nederlands. They are not any different. They are all coming from the Latin root and they are all the same words in philosophy. There is no problem in philosophy between French, Nederlands, German or English. It’s a very simple question. It’s a question that’s been talked about for the last three hundred years.

Chair: Maybe when we have an intermission, we start a general discussion and then-

period of overlapping, indistinct voices, at the end of which can be heard a number of hand-claps, apparently in an effort to get the meeting to return to the main discussion

Hans Haacke: I am not a native English speaker but I have been living in the States for a couple of years. So I more or less speak English. I have- always when I tried to read Art-Language literature, I was run against the wall language-wise and I don’t know if this is because I am simply stupid or if what is written there is written in a deliberately mystifying way. And I would like to ask you if there is a design behind writing this style.

Philip Pilkington: No. I think the answer very simply is, very crudely and probably quite incorrectly, is that you have a different way of life to anybody who writes in Art-Language. Just as anybody who writes for Art-Language, X let’s call him, will probably have a very different way of life to the guy who writes for Art-Language called Y. And I think Lawrence Weiner is wrong about there is no problem about the words, they all mean the same and so on. Otherwise people wouldn’t get their knickers in a twist about the differences in certain philosophers between certain words. You know, they get into immense etymological, philological discussion about the semantics, the interpretation and in fact if you like the egocentric aspect, I think, of the interpretation of a word.

Lawrence Weiner: But could semantics… Is not then semantics… Would you accept as a premise perhaps – I’m not giving it as a rule – as a premise that perhaps semantics is a device of the bourgeois to retain the power of discussion, is a device of the patronaat to retain power. Semantics is almost a false science. Linguistics has taught us that. You people yourselves have accepted that.

Philip Pilkington: I think ‘bourgeois’ in a way is quite a good…

Lawrence Weiner: Yeah, you people, in volume 2 of Art-Language, have accepted that semantics is basically a non-science. It’s a bullshit science, it’s like, you know, the way…

Philip Pilkington: It’s conservatism.

Lawrence Weiner: It’s not even conservatism. It’s almost reactionary.

Philip Pilkington: Well, you could call it conservatism to the point, in a certain point it may turn out to be even quite fascist when they say: okay, the meaning postulate of this word is p and shall always be whatever context, whatever situation that bit of syntax, that bit of morpheme, that bit of spelling is used in whatever context, it always has that meaning postulated. It is always interpreted as that.

Lawrence Weiner: Yeah, but meaning has nothing to do with what words mean. Meaning has very little to do with what words mean.

Philip Pilkington: Oh, quite, yes, semantics…

Lawrence Weiner: Yeah, what words mean are a constant in a linguistic sense but meaning is a totally different thing. You’re getting again into your sectarian problem of…

Philip Pilkington: We agree, we agree.

Lawrence Weiner: Yeah, okay.

Hans Haacke: Are you then saying one either has to adopt your style of language or stay out of it and not understand?

Philip Pilkington: No, I think, it’s not a simple matter of saying: you gotta do this. We are going to give you a task and you must fit this task and you must do it well and so on. But I think the situation is, as far as I see it – and it is, I suppose, an apology in some way (that is, only as I see it) – as an index to me or to Dave and the transformation from Dave to me and so on is problematic anyway. For I think there are certain problems that have to be sorted out and they are the individual’s indexical problems. That is, the locutions that someone utters, the propositions that are supposedly made, the language and so on, can only, I think, be made sense of and interpreted as far as that person’s way of life – and however deep the structure he wants to make of a way of life (obligations, theologies, political obligations, whatever) then that structure, if it is in fact a structure of some kind, one can in fact artificially construct some instrumentality of some kind – an approximation of some kind of one’s way of life – then one then begins to see, I think, the problem. And I think in some way the problem may be what in fact is the difference between my articulation of the problem and your articulation of the problem. Or your articulation of the linguistic structure or of your way of life…

Hans Haacke: What I still don’t quite understand is, are you trying to communicate by way of language or are you trying to express your own personality?

Philip Pilkington: I don’t know what communication is. I don’t know what language is. I don’t know what exactly may be the background, the parameters, the exhaustible explanation of what purposes are, etcetera, etcetera, etcetera.

Lawrence Weiner: Isn’t that simplistic? Every time you have to go to the bathroom in a strange place you know goddamn well what communication is.

Philip Pilkington: I don’t know whether- No, I am thinking of in our language or in a text or writing…

Lawrence Weiner: Oh, Art-Language is composed of still human beings even though they are sectarian and therefore if they can relate to each other they can communicate.

Philip Pilkington: Oh, then we beg to differ.

Lawrence Weiner: Yeah, they can still communicate, they haven’t yet transcended. [laughs]

Philip Pilkington: Yeah, but I don’t- I’m not simply thinking of things like- okay, communication may be in some way- my communication in the [XXX] I must get myself washed or must go to the loo or something like that. But if you think of communication the way in which people have been talking about communication…

Lawrence Weiner: How has anyone been talking about communication?

Philip Pilkington: Well, we’ve been talking about semantic surface and semantic depth and the distinction between the two and you can talk about surface, you can talk about surface separated from depth…

Lawrence Weiner: Right.

Philip Pilkington: That is that, you know, you live in 1973-

Lawrence Weiner: And also the cosmetic aspect of language. OK.

Philip Pilkington: -[XXXXXXXX] cultural backgrounds…

Lawrence Weiner: There’s a cosmetic aspect to language but-

Carl Andre: I have a question-

Philip Pilkington: So what is the problem about communication?

Carl Andre: -if I may ask. Why does Art-Language bother with art at all? Why has it situated itself in an art context? To my mind, since most of my adult activity has been involved in art and yet – although I am not saying it’d be a necessity – the overlapping between my activity and my experience and your statement is null, is zero. And the point is I do know various, erm, which your overlap with this ninety-nine percent. Now the point is, why is it that you bring this kind of analysis to art where there is no competence to deal with what you are doing? In other words, to put it another way, is it possible that some people talking together incomprehensibly to another group of people constitute an art movement?

Philip Pilkington: Well, I think the picture of this situation is a very simple one of [numerous?] circles in a way. I think that the linguistic problem, the one [XXXXXXX] is a horrible phrase. Language problem I think overlaps in some way, it envelops in some way any practice of any kind. That would include art, that would include any other defeasible category whatsoever…

Lawrence Weiner: Lack of qualifications, though, from speaking to academics, lack of qualifications would not allow you to enter into a linguistic world, though.

Philip Pilkington: Yeah, yeah. Sure.

Lawrence Weiner: And a total disdain, then, for art as an expressionist means would allow you to enter into any art world because in art there are no qualifications. It’s the last bastion of so-called educated people that you don’t need a ticket of need to get in. They can’t enter into a discussion with Quine. He won’t have it because they are not qualified. They are in the position of students in linguistics, but they think that because they are in the position of students of linguistics – they’re men of good will – that means that they can just as easily be artists. I disagree with that totally…

Indeterminate Speaker: [interruption apparently agreeing]

Lawrence Weiner: As well. Yeah, I disagree with that totally as well, Carl. I don’t see any relation between the writings of Art-Language to legitimate aesthetic problems.

Albert Schug: Yes, but there is a relation between art and language and this relation, I think, should be expressed more exactly here. For as far as I see, in art itself there are problems of language too and there’s the relation that art itself has its own problems of language. And I think it would be very good to begin with this relation between art and language in this discussion for all of you are, as far as I see, very far in linguistic problems and down the step into linguistic problems beyond art probably. And I think we should begin in the first place where art and language are related, where art problems are language problems and where language problems are art problems, and why, how these problems are discussed here. It would be very good.

David Rushton: Yeah, I think you may want to a botanist who would be a very good taxonomist to be able to split off various objects in a way. I’m just trying to think of- I can’t think of a relation, I can’t think of an articulation of a relation between art and language or language to art. I’m trying to think of how on earth you would approach it, you would think of art as a very settled collection or category of objects that may be in some way captured by that categorisation. Now this is, I think, ludicrous because one thinks then, of course, that there is in some way there is a background to that object – if it is in fact an art object, a painting, a sculpture whatever – coming into existence. There’s a cultural background of some kind. There is a history of some kind. Now that may in some way be captured along with the object by some circumspect look at the culture, look at the language, look at the way you come to a language and so on. But I think – I’m trying to in some way answer your question – the idea of uttering in some way a relation that will stand a priori for the identity, or in some way the set theoretical relation between language and art is absolutely ludicrous because as soon as you start in some way to sort out that relation, you are then again involved – to go back on the [freight?] of the existential point of view (the ek-sistence with a ‘k’, not with an ‘x’) – you are then involved with the indexicality of that relation of language to art.

Lawrence Weiner: Are you not [turning to?] your faith problem again? You are an apostle- [Rushton attempts to interrupt] No, you are an apostle of Art-Language. Art-Language precedes your development. [Rushton comments humorously on the use of the word ‘apostle’] No, an apostle. You are an apostle, you are an apostle of Art-Language. And yet you are saying that you yourself are not really aware of it but yet when the art-language dearly touches you, you can feel the power.

Philip Pilkington: Yeah.

Lawrence Weiner: So you are then asking, of course, then- That really justifies why you spent so much time at the beginning asking us for an article of faith because you are telling me now that you have felt the power but you can’t rationalise where this power comes from, what it is. But if one joins the church they will learn the language and- It sounds very much like Scientology. [Laughter. One person quietly applauds.]

David Rushton: Rationality [XXXXXX]. I mean, rationality, the idea of-[XXXXXXXXXXX]

Lawrence Weiner: I don’t mean to be funny. I’m really not doing-

David Rushton: I know, I know.

Lawrence Weiner: -but it does fit logically as Scientology.

David Rushton: -[XXXXXXXXX] There are [XX] notices in England…

Member of audience: No but artists have used language in their art. What are you trying to tell us now?

Philip Pilkington or David Rushton: Well, one of the things I will say, I can’t separate one activity very easily from another activity in my day-to-day life. There is art and the other activity is not art. I can think of methodological procedures. And in a way this is an attempt at revision, an ideological revision of some kind in Art-Language. But the only methodology we had was not especially with canvas, was not the- whatever the construction [of speech is?] in some way a conversation was the only methodology we could cling to.

Philip Pilkington or David Rushton: Again, reflexively and again apologetically, going back to existentialism, this reflexivity was not a paradox of any kind. It was simply seeing one’s history and trying to explain what one was doing in the past and trying to help oneself, what one would do in the future and what we are doing in the present. We are very simply trying to make sense of one’s own activity, acknowledging the fact that activity in some way could not be explained exhaustively.

Lawrence Weiner: It doesn’t reflect out. It’s purely reflexive.

Philip Pilkington: I don’t know about purely reflexive. If you think that your day-to-day activity and you think: ‘what did I do-?’

Lawrence Weiner: The application of your researches seem to be purely reflexive. What is your rational, then, for an existence within the society that feeds you?

Philip Pilkington: I don’t know about society feeding us.

Lawrence Weiner: So society feeds you. You eat every day. [interjected at this point are ‘Sure’, ‘I hope’ and ‘Not today’, the last probably from Pilkington] You look quite healthy and well-clothed. What is your own self-rationalisation for your job? Each of us work for a living and what is your rationalisation that you do? May I ask what you think at the end of the day you have done for eating? What you have done to justify the society supporting you?

Carl Andre: [XXXXXXXXXXXXXXXX] you for a professed Marxist, I think. [laughter]

Lawrence Weiner: I’m playing devil’s advocate here now, Carl. I am asking, really, I’d like that answer. What have you done?

Philip Pilkington: As Leonardo de Vinci said…

Carl Andre: That’s God as employer. I won’t accept that either. I think art is very much like- Now, earlier, in your initial remarks you- I thought you said something in the course of the argument about sex satisfaction and I was getting hot on that and then I realised…

Lawrence Weiner: Sex?

Carl Andre: Sex satisfaction.

Philip Pilkington: That’s not problematic.

Carl Andre: I think art is an area very much like sex satisfaction, eating, drinking, laughing, jokes, having a good time, sitting around here. I don’t think it’s much like lectures in a lecture hall. I don’t think it’s much like text books. I don’t- [interjection: ‘I think that’s appalling’, possibly Rushton]. I think that’s just a drag. I dropped out of school years ago because I didn’t want to sit in seedy places listening to seedy people telling me seedy ideas which have no application to any sense I have of the world. That’s all. That’s my relationship to, also the concept of- no thoughts. I don’t have ideas, I have desires for art. And I usually get them in a gratifying way.

Philip Pilkington: [XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX]

Carl Andre: Well, I’ll tell you. Art for me is a form ofeating, making love, doing all these things. It’s like those activities, it’s not at all like an activity of- Santayana summed it up perfectly for me, I have never read him, but I have read the title of his book Scepticism and Animal Faith. I think that’s, that’s enough.

Philip Pilkington: So this is just a piece of masochism.

Carl Andre: No, what I’m telling you is- No, no, no, I’m just telling you my temperament.

Philip Pilkington: No I meant that structurally or methodologically or whatever in terms of your feelings or however you would interpret this activity or relation to art. If your role in it would be somewhat masochistic or-

Carl Andre: In relation to art?

Philip Pilkington: No, in relation to this activity here.

Carl Andre: Oh no, meeting with people and talking to them is fine.

Philip Pilkington: [XXXXXXXXX] It really is.

Carl Andre: [laughs]. Well, people have a different scale to reality, you know.

Philip Pilkington: [XXXXXXXXX] all the good things in life are good, are great.

Carl Andre: Oh, no, no, a lot of good things in life that people like that I don’t care for at all.

Philip Pilkington: That’s a bit better. Pretty much exclude things I would have thought about a moral life.

Carl Andre: Anything involving decisions. You can call it taste, you can call it morality, you can call it ethics, you can call it anything else, but it’s the- what can I say, I’m interested in the unnameable. Really.

Philip Pilkington: Join the club.

Carl Andre: But also, could I ask you, like what is- what would you say was a first axiom? I mean, take me to the beginning. What would you say is a first axiom of your interest?

Philip Pilkington: The first axiom would be there aren’t any axioms. I mean- [Andre attempts to interrupt] I think- Lawrence’s theory that [XXXX] would never talk to [XX XXXXX] is quite a good point. But it also bears on things like- You know, you can’t rationalise your day-to-day activities. Why can’t you rationalise it? Why can’t you tell me this, that and the other? In fact that is rather like being in Quine’s position, by explicitly requiring some conventionality. [XXXXXXXXXX] that sort of activity [XXXXXXXXXX].

Carl Andre: I like very much the idea that you said earlier that the peculiar style or [XXXXXXX] the parochial style of Art-Language comes from the fact that typical people meeting together and talking together and building a common body of experience for them which does- it’s contained within the general body of language but is not as immediately accessible as to that group which are constantly transacting. Now my difficulty with that is the people I transact with, let’s say the fellow artists I meet, we’re hardly ever sober so we could never carry on a conversation very long on what you’re talking about.

Philip Pilkington: We stay drunk and carry on the conversation.

Carl Andre: Alright. Yes, Michael Baldwin I’ve heard do that. I finally had to ask him to stop. It’s like the sea breaking on a rock. But is there an initial axiom, an axiom of interest, if not an axiom of analysis?

Philip Pilkington: Well, I understand, yeah, if you think of axiom as how do you start off, rather than ‘This is true’…

Carl Andre: Exactly. I mean we all start with temperament-

Philip Pilkington: Yeah, suddenly- yeah I think something like that. Suddenly we’ve realised, I think, that we’ve been engaged in some heavy-scale intellectual activity of some kind, in scare quotes, and realised that in many ways that intellectual activity has been fairly futile, looking back at the people that we’ve borrowed from – David [XXXXX] and so on, [XXXXXXX] and so on –

Carl Andre: But aren’t they always doing that anyway?

Philip Pilkington: Yeah, but a lot of the people miss the point [XXX]. That is, you know, it’s like a part of our history that had to be explained. I think that is the only action, if you like, [XXXXXXX] explanation that I could, sort of, articulate. Simply that, that we found ourselves in the position of doing something that may be quite wrong or quite incorrect or quite unable to capture to what in fact we should be doing. However, what we should be doing is [XXXX] another problem.

Albert Schug: But as far as I see, in your language problems, which are, first, art-linguistic problems, you exclude the relation between language and the exterior world.

David Rushton: No, no-

Albert Schug: As I understood it.

David Rushton: I was trying to outline what appeared to us to be – if you like – the sorts of things that cropped up when one talked to some people and the sorts of things that cropped up when one talked to other people, even though in some sense the subject matter might well have been the same. Now if one was talking to Leo Apostel and I went along as a student or whatever, it might well be a different sort of conversation than one would have if one was talking about Leo Apostel’s papers to Philip or Michael or whatever. Now, what I was mapping, and where Lawrence went off on what appeared to me to be a tangent, was that the going-on relation or the relation which (whatever) appears at the moment [reflexively to bind one together?] which might well just be the fact that if you speak- if your interests are such and such then you mix with people whose interests are much the same, so you can talk to them. It might just be like that. [interjection: ‘That’s a massive assumption.’] The explanations or whatever one might start to look at, I started to construct a list of logical implications or concatenations or whatever and Kierkegaard’s act of faith was one part of that list that one might start looking at – one that Philip has been looking at, for instance – in a way to sort out this problem. Now, what I also suggested was that if one were to have a dictionary or a Chomskyian dictionary or whatever of a sort that various- that it’s going to be made up of various sorts of idiolects. It is going to be made up of the idiolect of me bearing in mind my pragmatic context talking to Leo Apostel. It’s going to be made up of me talking to him much on surface-level, much the same subject matter possibly. But these- There is going to be a branching of the sort between these two things. Now, what one’s interested in looking, having arrived at this position – and it’s an historical account of to some extent the chaos that we find ourselves in – is what are (if you like) the relations between the various parts of that dictionary, that hypothetical dictionary that could be constructed such that it could trace itself back onto various possible notions of what an ordinary discourse might be, an art discourse might be or whatever sort of possible discourses one had in scare quotes. And one might limit them to something like a dictionary of a lecture or a dictionary of a meeting between several different sorts of people. One’s not being universal.

Albert Schug: Yes, it is very interesting that you always say internal logic and dictionary. You always work with things in which words and language are completely abstract. As far as I see, Carl Andre too has language problems which are completely different from these language problems discussed here. They are language problems for the communication with the external world, with the formation of I don’t know the word – Begriff we say in German – and this relation between things you see in the external world which form the Begriff and then you can relate by aid of this Begriff with the external world. This concept is completely different from a thing that is in a dictionary for it has an immediate relation to the external world. It is for instance [XXXXXXXXX]. You can see it can fall on your head or something like this. And there is a relation which is emotional too and as far as I see relations from art and language to the external world are completely free of emotions. And for Carl Andre, as far as I see, this relation between the concept and the external world is a relation in which you involve emotions.

David Rushton: Well, I would suggest that of lot of Art-Language and one reason the magazine of Art-Language which is I suppose the external organ, which is what one might say was an early attempt at saying what is the relation between this body of people and that body of people, a public magazine – The mistake with that was, I would say, largely was that it contained pieces of rhetoric which to me would have a very strong emotional content on one level. I.e. they would have to do with perhaps influencing on the basis of a [XXXXXXXX] charismatic authority or whatever in the absence of certain conventions that were available. And I would say that what got- where that got messed up was that either the rhetoric was incomprehensible or the magazines themselves were looked at as philosophical, quasi-philosophical journals and that if a term occurred like hermeneutics in that, it would be traced back to a standard philosophical interpretation. I.e. a lot would be forgotten or passed over with regard to the rhetorical force that a lot of it was intended to have. So it became a bit sort of atrophied as a quasi-philosophical magazine, which it was not what it was intended to be. It evolved into that position simply because the group as such was not- the group as such met under the auspices of constructing a magazine. Now the group meets because they have a common interest rather than the other way around. So how one would construct proceedings or whatever or publications or something that externalised itself from the group in some way would be to take into account either a fairer mirror image of that internal interaction – such that it would have a mirror image in the external world (so that there could be some correlation between them) – or one would give up proceeding altogether. Now, one’s looking into the possibility, I suppose, of seeing whether- of (bearing in mind some semantic) looking into the deviations of a semantic model of a sort where or how those proceedings will be caught, where one draws the line about proceedings, interactions, conversations and so on, and how one can present that in a fashion such that it’s not for a start-off taken simply as bland rhetoric – which really it never was but partly should have been – and on the other hand not taken as a sort of pseudo mind magazine or philosophical journal or whatever. So one’s looking into the – if you like – display problems to an extent, that is problems which I suppose Carl Andre or any other- a painter would have to deal with to some extent. So those problems do occur. I think a notion to say that Art-Language magazine is sterile of emotion is- I suppose exemplifies some of the points insofar as a lot of it was essentially political on a charismatic rather than a conventional level.

Carl Andre: But there is a psychological point I think here to take in. That it could be amply true that, well, to begin with – to respond to your observation – I have never been able to differentiate myself between an idea and an emotion at all. They are not separate to me, I cannot see them separate. If I suddenly discover something or have a realisation, it’s a thrill let’s say – what I call emotional life. When the emotions are low-grade, the thought is low-grade, I’ve found, when you are down, bored or when you’re roting – when you’re doing by rote rather than by construction. Indeed, I do not doubt of course your emotion involved in this, your satisfaction – I’ll just say sexually rooted from a Freudian point of view but just say your satisfaction from this thing. But to others it may appear a kind of fetishism. To me it does. Like, I’m not interested in boots but some people are interested in boots and there’s a tremendous process of sexual satisfaction with something that for somebody else there’s no satisfaction whatsoever. I’m saying that my temperament, confronted with arguments such as those of Art-Language, especially in the writing, I’m completely turned off. I mean I don’t- Perhaps I have a negative fetish. I’m certainly not an intellectual. So, I’m just suggesting that I do not doubt your own satisfactions because the person who does not pursue their own safisfactions is, I think, unfortunate. But, it’s very hard- In art the point is you are for what you do and I have the same problem with my own work. If people come by, they say that’s not art. [XXXXXX] Don’t worry about it. Art is not to worry about. If it was to worry about, I wouldn’t be interested in it, to offer possibilities of pleasure, of joy, of whatever you like to term it. If people don’t like it – and it could very well, as far as I’m concerned, with my own work – then it is inadequate for their needs. Art should be a various activity. But I’m still interested in this idea of a first axiom or a first definition or some- But you’re not interested in that anymore.

Philip Pilkington: But you think of [XXXXXXXXXXX] or whatever question you ask. I wonder, does he come to construct that axiom?

Carl Andre: Oh, yes, of course.

Philip Pilkington: That’s the simple answer to the problem about this is [XXXXXXXXXXX]. In that in a way answers your question about there is no emotion at all.

Lawrence Weiner: I never said anything about emotion in general. Could I interject a question? How am I as an artist then supposed to relate – this is a legitimate question – to the things that are exhibited by Art-Language for sale, very often which I have seen signed and numbered? How am I to relate to them as manifestations of what is then the theory of Art-Language because they are contradictory to the idea itself of Art-Language. The idea is that I have been able to cull from reading what Art & Language has written, which I have done.

Philip Pilkington: Most of the- sort of the [guff?] we have been talking about has been very, very recent sort of revision.

Lawrence Weiner: It’s a revision then. Then it will have to be a revision. There will be no further presentations of signed and numbered editions?

Philip Pilkington: Oh, no, no, no. The only problem really now is to sort of face people and say, okay, what is your art? OK, you’ve told me what your problems are. Now what is your art? Presumably, the way we get around that is simply by sampling in some way what our activities are. As we’ve said, we cannot- or at least not at this stage- I doubt whether we will be able to raise the massive methodological edifices to explain what our activities are, so that we would in fact be able to say, okay, here is the axiom, here is the set of axioms and so on. I think we would simply have to-

Lawrence Weiner: Could you help us a little bit and offer what the intent is aside from self-revelation? Because that is the intent common to most people in the world – I would say that almost all self-realisation is the intent – so that would not then justify its existence within the art context nor within the philosophical context. I don’t see any reason for you having – out of any sort of humility – to put parentheses around it or quotes around and say quasi. Say philosophical and if it fails as philosophy it fails as philosophy. But it’s …

Philip Pilkington: … good.

Lawrence Weiner: Yeah, I mean, there’s no reason to clothe it. I’m not accepting the conventions that you seem to be stuck by. The total academic conventions of …

Philip Pilkington: Oh, Christ, no …

Lawrence Weiner: So then don’t say quasi. Say you are involved, then, in philosophical involvement. But are you involved in aesthetics?

Philip Pilkington: No, philosophers don’t talk to us-

Lawrence Weiner: Yeah, I know, but you are internally in your sect. But are you involved with aesthetic problems?

Philip Pilkington: Well, if you can explain to me in five minutes what you mean by aesthetic then I may be able to answer yes or no.

Lawrence Weiner: Why does it necessarily have to be five minutes?

Philip Pilkington: Ten minutes, a quarter of an hour.

Lawrence Weiner: The relation of non-utilitarian objects produced by people for another purpose. Okay?

Philip Pilkington: I see.

Lawrence Weiner: Standard. Which is just a conglomerate rephrasing of what has been said well by Donald Judd, which is art is what artists make. That’s not an act of faith statement either because artists can classify themselves then as dialecticians, as object dialecticians, as idea dialecticians and that’s their prerogative. A man making sculptures or a person making paintings is, then, an object dialectician dealing with the dialectics of placing another object into the environment, an object that they have constructed. It’s a legitimate- legitimate units. 

Philip Pilkington: [XXXXXXXX] because I don’t think we are dealing with dialectics. I don’t think that one should talk about it.

Lawrence Weiner: If you are dealing with conversation dialectics, dialectics and conversation are synonymous.

Philip Pilkington: Ah, I doubt it.

Lawrence Weiner: Yes, they are. They’re synonymous.

Philip Pilkington: I thought dialectics was, you know, something that was dead and buried with Hegelianism.

Lawrence Weiner: No, dialectics and conversation are synonymous. Conversation on a certain point is a dialectic.

Philip Pilkington: No, I don’t think…

Lawrence Weiner: [laughs] That’s really a standard definition of dialectic.

whispering

Albert Schug: But you introduced the word which is very interesting for artists. You just introduced uttered the word aesthetics. What’s this in actual art?

Lawrence Weiner: In actual art? You’re asking- who are you  asking? Me? Hang on.

Unidentified speaker: There is no existence, then, other than aesthetics. There is just the rules of the game.

Lawrence Weiner: [XXXXXXX] Introducing objects or ideas within a certain context. That’s simple. That’s what aesthetics are. They’re the rules of the game, they’re changeable rules, but they are the rules of the game. They can change instantly with the introduction of a new object or new idea, but they are the rules of the game. They are the history of art, are aesthetics, the history of what has been done in art, are aesthetics. They are nothing more and nothing less.

Carl Andre: I have a question that perhaps would enlarge the interest of the discussion, because it would really be a question to those of you who face- Let’s see if that’s west- Some of us face north and some of us are facing south. Which way is north and which way is south, does anyone have- That’s east and west, obviously. That’s the north. Alright, the north-facing people, I have a question for the north facing people. In fact, it seems to me that a great deal of our experience of art or what we substitute for our experience of art is conveyed in language. This is certainly an American. I recognize it as an American art heresy I think, the substitute of information about art and reproductions of art and-

Philip Pilkington: [XXXXX] Catholic.

Carl Andre: …this old business about the experience of art itself. So I would wonder, I would ask anyone what are your problems or thoughts about Art-Language, especially to this tendency which to me has finally become manifest in art itself in what is called – and I would say [XXXXXXXX] little [XXXXXXXXXX] the whole  conceptual art movement seems to me a way of moving away from art and the inconvenience of actually having to have art and move only into the databank, as you will, or the file of photographs or the slides or the- you know, turn it exactly into information. Do you people have any art language problems except the fact we speak English?

Laughter

silence

Carl Andre: I don’t know. Would you turn around? No one will have any problem.

Member of audience: Not before meeting the Art-Language people.

further pause and murmuring

David Rushton: Can I ask you something, Carl, about your question? If I was a rather thick-headed person [XXXXXX]

Member of audience: Could you speak up?

David Rushton: If I was a thick-headed spectator coming to one of your exhibitions or coming to terms with your objects, do you think that you would be appalled by the idea of my in some way saying: This is a Carl Andre work? This is a work of art. This is an object. This is something that is discreet from my past experience or [XXXXXXXXXX], which is different from a Donald Judd. This is good art. This is bad art. This is art etcetera, etcetera. Because I think once you start to ask what in fact the basis of those decisions are, again, bringing in, in fact, a fragment of emotion in those decisions – because presumably one is always involved in some way with the, I suppose in some way the ontology, moral situation, with decisions – would you not then think that you would either exclude all those questions, exclude all those evaluations, exclude all those identifications with your object, or it being in fact your object at all, or would you then say, okay, this guy must in fact identify this thing in some way? He may evaluate it, it is permissible for him to evaluate it. Because if you then start to do that, then I think you then start bring – accepting that is problematic for all those evaluations – you then start to bring in the problematic of any influence whatsoever or of any object whatsoever or of any evaluation whatsoever.

Carl Andre: Yes, except you’re saying that there’s a piece, as if…

David Rushton: No, I’m simply seeing your thing as a bit of phenomena, that’s all. Very basic bits of phenomena, your objects-

Carl Andre: Any work of art, if in its material presence – There are no works of art here, I guess, unless somebody’s been signed. I think perhaps there is a work of art and I don’t know if that’s a work of art or not. It seems to resemble a work of art, in colours and-

David Rushton: You know, this is part of the problem that Lawrence brought up and you brought up. It has to do with the conventionality, it has to do with saying, well, look at the conventions by looking at the objects that are around us in some way and saying, well what are the objects? Something that somehow fits into that category of object on some level will be an art object and there’s no problem. Now what Lawrence brought up was this problem of Don Judd what the artist calls art is art and the liberalness of that, the openness of that with respect to Robert Barry or any other sort of assertion about past [XXXXXXXXX] or whatever and that anything theoretically under that sort of rubric comes up as an art object if it’s asserted to be an art object by an artist. Now, therefore, the artist comes before the art object on that basis. What looks odd about that is that you have a problem where somebody who is one day not an artist unless he asserts something that somehow fits into the conventionality prior to. That is, it’s in some way normal with respect to the other convention and then he may well be – and this is only a possibility – he may well be assigned a title such as artist such that he can then assert what the damn hell likes on the basis of his prior act within a conventional system. Nevertheless his tag artist will continue with him. It will follow on from that. Now, one disagrees with that because there are problems- there are problems to do with dialectics, which are to do with the problem of intention. They’re to do with the problems of only taking a surface sort of assertion, not taking performative aspects or competent aspects of that assertion, or taking constructions in plays, hypothetical contexts and all that sort of stuff, such that the conventions up till now have only dealt with that surface issue. It’s been- Asserting has been much the same as pushing into a gallery.

Carl Andre: Yes, but I think your problem is exactly this. You might say that all the art that has been produced – and how can we say ‘art objects’? We’ll have to say what we call art objects because we don’t know about other cultures, previous cultures. The word art itself is a recent invention, as you know – but within the conventions of our view there is a category called art and it’s not empty, evidently.

David Rushton: Yeah, and you’d list a lot of objects as a way of describing that category, rather than listing some-

Carl Andre: Well, no. I wouldn’t list any objects at all. I would take you to a place where I knew there was a work of art and I would point it out to you. And this would be my condition. I wouldn’t have to say anything to you at all. This is the point. I think you can carry on art perfectly well without saying anything at all.

David Rushton: Oh yeah, but we’re talking about language as sort of problematic [XXXXXX]-

Carl Andre: You can’t carry on the discussion about language, for god’s sake.

David Rushton: Listen, you could say rather something like: people use language to put categories on my work, your work, anybody else’s work. It’s a phenomenon. And what on earth are the backgrounds to that utterance, to that locutional [XXXXXXXXX]-

Carl Andre: I think there’s a great controversy between the nature of the art object and- or, to put it another way, art is what we do and culture is what is done to us and I think that a lot of the- Because art is not language, although you can talk about art in language, obviously. Art is not language and its relations to people are not linguistic any more than you can say the bullet from the enemy that pierces your heart and kills you, that’s not a message, really. I mean, you can think of it as a message but it’s trivial. It kills you. The great line: death is nature’s way of telling to slow down. I once saw that written in a john. We don’t live in a world of messages, we live in a world in which language- We employ language in order to facilitate our gratification. I mean, language is a tool. It is not-

David Rushton: Solely a tool of that sort?

Carl Andre: Pardon?

David Rushton: Solely a tool of that sort? An aid to a [state?] rather than- You mean you’re not allowing for description of other parts of language.

Carl Andre: Sure, that’s a tool used to describe the tool.

David Rushton: Fine. Yeah, sounds right. Phenomenology is phenomenology.

Carl Andre: I don’t know. That’s something you have to say. To me, I think the reason why I am involved with art is because of- Art is a way of myself mediating between a subjective world and a world of privacy and world of oneself, and both the social world of other people and their individual subjectivities and a material world which extends far beyond, let’s say, our world, if you see what I mean. And somehow art serves my psychological needs of mediating with this, breaking down the isolation, both the social isolation of the individual and the isolation of the individual as a complex biological organism with a situation which overall seems hostile to biological organisms of any kind. Like, we found nothing on the moon, identifiable. So, I think somehow art for me subjectively serves the mediation both with other people and with stuff, inanimate stuff that has no care for man or existence.

Philip Pilkington: I think it is a sort of paradigm [XXXXXXXX] You’re saying something rather like ‘My work is involved with, in some way, some transformation, some transcendence from our world’. [XXXXXX]-

Carl Andre: No, no, no. Not at all. You misunderstood. You see, what I’m saying it’s a mediation for me. I think one- Gratification is a matter of trying to go from high levels of tension to lower levels tension. Art serves to release tensions for me which are involved with the fact that I am one person and there are many persons. I am one person and I am going to die and become, you know- A work of art is dead and yet it is mine. So somehow perhaps in a deep unconscious pre-linguistic or unlinguistic way, it helps to reconcile me to the fact that I am going to die. And I don’t mean the immortality of the artwork, I think whether it’s going to live after me [XXXXXXXXXXX]. That’s nonsense. I mean between something relates to me in stones, to reconcile the fact that insofar as I am like a stone and not like a stone, insofar as I’m like other people and not like other people. It’s a way of reconciling oneself to one’s own fate.

Philip Pilkington: [XXXXXXXXX] A redemption through…

Carl Andre: Oh, it’s not redemption. No, not at all. I don’t think there is any redeeming. But that’s the whole thing that you won’t become like a stone. You want to be saved from the condition of stones. You want to be saved from the condition of other people. No, I don’t want to be saved from it. I want to be at peace with it. Put it that way. Not peace with it all; if somebody throws a stone at me, I don’t want to be at peace with that, I want to duck. But that- I mean that’s what art- I think how art functions with me.

Philip Pilkington: Or how you make up something.

Carl Andre: Could be.

Member of audience: One objection I would make to other members is that, for instance, in the text you published in the catalogue for documenta, you are always speaking about a method, about means of communication in making the art. Every content you’re introducing into your messages [XXXXX]. But it’s only speaking about method and never about the content you want to communicate about. And so I don’t see how you can give any opportunity to your readers to realise what you are speaking about. What is your message or what is the part of the public to have dialectics with your thoughts?

Philip Pilkington: Presumably, the problems that are iterated in the documenta catalogue- I can’t remember, I probably haven’t looked at it, haven’t read it-

Member of audience: Well, there’s a very simple thesis which is about communication with known animals-

Philip Pilkington: Hmm. Well, presumably that is reflexively the communication. To talk about this methodology is the talk, the content. But also it would depend on what you wanted to make of it, I would have thought. It’s as simple as that. It would also depend on what you wanted to make of the meaning of, the content of the text.

Member of audience: But I just asked about the content, which may be speaking about methodology.

Philip Pilkington: Well, I think that whatever one wanted to say to modify your interpretation of it would merely be a modification of your interpretation, nothing other than that. That is not unless you would- [audience member attempts to interrupt] That is, you would have a Gestalt of some kind of the content of the text and any modification would nevertheless be in some egocentric way a modification of that Gestalt of yours, of the text.

Member of audience: Then it’s something like gymnastics.

Philip Pilkington: Glad you noticed. How true!

silence, followed by murmurs about a cup of tea

Chair: Shall we have a break and then [XXXXXX] we continue?

 

Transcriptie: Petra Van der Jeught

Correctie: Jodie Hruby / Jim O’Driscoll

Gesprek met Léonore Verheyen over het archief van Jef Verheyen

Koen Brams/Dirk Pültau: Sinds wanneer beheer jij het archief van je vader?

Léonore Verheyen: Sinds de dood van mijn moeder, Dani Franque, in 1989. Mijn vader is in 1984 overleden en tot 1989 bleef mijn moeder in het bezit van het archief. Na haar overlijden waren mijn twee broers en ik het er snel over eens dat de documenten en de bibliotheek van mijn vader – en van mijn moeder, die ceramiste was – het best onder mijn hoede zouden komen. Het sprak in zekere zin vanzelf.

K.B./D.P.: Waarom was dat vanzelfsprekend?

L.V.: Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd en heb een scriptie gemaakt over de relatie van de Zero-kunstenaars met mijn vader. Mijn broers hadden die vorming niet.

K.B./D.P.: Wat heb je gedaan toen de documenten in jouw bezit kwamen?

L.V.: Halverwege de jaren 90 werd het voormalige huis van mijn ouders in Frankrijk verkocht. Met de verhuis naar Mechelen in het vooruitzicht heb ik het materiaal ter plekke al wat geordend. In Mechelen is het archief een tijdje in de dozen gebleven, tot mijn man en ik in 2000 een huis hebben gekocht in Heffen (Mechelen). We hebben met het oog op het archief voor een ruim gebouw geopteerd, een voormalige school. Pas toen de verhuis naar Heffen achter de rug was, ben ik begonnen met een meer grondige ordening van het materiaal. Die klus is nu voor het grootste deel geklaard. Twee à drie dozen met brieven van vrienden en een verzameling schriftjes met teksten van mijn vader wachten nog op verwerking. Vervolgens moet een inventaris worden opgesteld en dient het archief in een aparte ruimte te worden ondergebracht. Momenteel bevindt het zich immers in een privéruimte, vandaar dat ik het jullie niet kan laten zien.

K.B./D.P.: Kan je ons vertellen wat het archief omvat?

L.V.: Ik noemde al de schriftjes met teksten van mijn vader. Daarnaast omvat het archief correspondentie, vernissagekaarten, tentoonstellingscatalogi, affiches, publicaties, de boeken van mijn ouders, informatie over en foto’s van de meeste werken van mijn vader die zich in internationale collecties bevinden, documentatie met betrekking tot werken van mijn vader en van andere kunstenaars… Het is moeilijk om een overzicht te geven.

K.B./D.P.: Kan je ons een idee geven van de globale omvang van het archief?

L.V.: Een kast van tien bij twee meter is bijna volledig gevuld. Nu ik dat zo zeg, realiseer ik mij pas de omvang van het archief. Mijn vader heeft altijd alles bewaard. Er zijn bijvoorbeeld een 40-tal mappen met brieven.

K.B./D.P.: Met wie heeft Jef Verheyen het meest gecorrespondeerd?

L.V.: Van Lucio Fontana zijn er meer dan 40 brieven. Voorts correspondeerde hij vaak met Günther Uecker, Hermann Goepfert en Ivo Michiels. Het grootste deel stamt uit de jaren 60. Nadien werd de vriendenkring kleiner – Klein en Manzoni waren al begin jaren 60 overleden, Fontana stierf in 1969. Na 1974 – het jaar waarin mijn ouders naar Frankrijk verhuisden – correspondeerde hij ook met onder anderen Axel Vervoordt, Jos Macken & Dr. Ludo Van Bogaert.

K.B./D.P.: Zijn er reeds brieven gepubliceerd?

L.V.: De brieven van Fontana en Manzoni aan mijn vader zijn verschenen in Italiaanse publicaties over de betreffende kunstenaars. Ik heb overigens getracht om de brieven terug te vinden die mijn vader naar Fontana stuurde… maar tevergeefs. In de Fondazione Fontana (Milaan) is niets te vinden. In Ueckers omvangrijke archief in Düsseldorf heb ik wel de brieven naar Uecker teruggevonden. Een tijd geleden informeerde ik bij Günther of hij niets zou zien in een publicatie. Hij stond daar niet afwijzend tegenover, maar voorlopig is er nog niets op de sporen gezet.

K.B./D.P.: Is er in kader van het onderzoek naar Jef Verheyen al iets met het archief gebeurd?

L.V.: Nee, nog niet zoveel. In 1994 heeft Willy Van den Bussche in het toenmalige Provinciaal Museum voor Moderne Kunst te Oostende een retrospectieve georganiseerd, maar het archief was toen nog onvoldoende geordend en er was erg weinig tijd om opzoekingen te doen. Zo gaat het wel vaker. Het moet altijd snel gaan. In de catalogus en in de tentoonstelling Jef Verheyen and Friends die tot eind januari in de Langen Foundation loopt, wordt voor het eerst een ruimere keuze uit het fotomateriaal gepresenteerd. Zelf hoop ik in de toekomst nog iets te doen met de schriftjes met teksten van mijn vader.

K.B./D.P.: Waarom geen publicatie maken met alle teksten én de correspondentie? Met een dergelijk omvangrijk en ‘internationaal’ archief heb je toch een brok kunstgeschiedenis in huis?

L.V.: Ik weet het. Dat zou zeker een goed idee zijn, maar of ik daar een uitgever voor vind? Voor het maken van een oeuvrecatalogus heb ik al contacten gehad… Maar uiteindelijk zou ik die oeuvrecatalogus toch liefst volledig zelf maken. Ik ben al zo vaak ontgoocheld geweest.

K.B./D.P.: In welke zin? Kan je daar wat meer over vertellen?

L.V.: Laat ons zeggen dat bepaalde afspraken niet werden nagekomen of dat men gemaakte afspraken trachtte te ‘veranderen’… In het geval van boekpublicaties was het resultaat vaak niet wat ik ervan verwachtte. Zo liet de kwaliteit van de reproducties meestal te wensen over. Nee, ik zal heel serieuze garanties moeten krijgen voor ik mij nog engageer. Voor projecten rond het archief behoud ik het liefst van al de volledige controle.

K.B./D.P.: Krijg jij vaak vragen om archiefstukken te raadplegen?

L.V.: Af en toe gebeurt dat wel. Er komt nu wat interesse op gang en ik probeer altijd constructief mee te werken.

K.B./D.P.: Hoe pak je dat precies aan?

L.V.: Om een voorbeeld te geven: in 2002 heeft Axel Vervoordt een tentoonstelling over Jef Verheyen georganiseerd onder de titel Lux est Lex. Ik heb toen het nodige materiaal bezorgd aan Freddy De Vree, die aangezocht was om de catalogustekst te schrijven. Naar aanleiding van de huidige tentoonstelling in de Langen Foundation heb ik nauw met de curator samengewerkt en onder andere ook de archiefdocumenten die betrekking hebben op de oprichting van De Nieuwe Vlaamse School aan Johan Pas bezorgd. Zijn tekst in de catalogus handelt immers ook over het nummer van het tijdschrift De Tafelronde waarin de oprichting van de Nieuwe Vlaamse School wordt aangekondigd.

K.B./D.P.: En als iemand vraagt om in het archief te werken?

L.V.: Dat is onmogelijk. Ik probeer onderzoekers zo goed mogelijk van dienst te zijn, want ik vind het belangrijk dat het archief gebruikt wordt, maar ik kan niemand vrije inzage geven vooraleer ik zelf alles geordend en doorgenomen heb. Wij zijn trouwens ook geen archiefinstelling.

K.B./D.P.: Ben jij al door Belgische instituten of archiefinstellingen benaderd in verband met een mogelijke schenking?

L.V.: Absoluut niet.

K.B./D.P.: Hebben jullie al een Belgische instelling over het archief aangesproken?

L.V.: Nee. We hebben nog met geen enkele Belgische instelling contact gehad.

K.B./D.P.: Heb je al vragen uit het buitenland gekregen?

L.V.: De Zero Foundation in Düsseldorf heeft al naar de mogelijkheid van een schenking geïnformeerd. De Zero Foundation treedt samen met Axel Vervoordt en enkele particulieren – waaronder wijzelf – als organisator op van de tentoonstelling Jef Verheyen and friends in de Langen Foundation. Maar ik twijfel.

K.B./D.P.: Waarom?

L.V.: De Zero Foundation wil zoveel mogelijk documentatie van Zero-kunstenaars verzamelen, maar voorlopig blijft dat beperkt tot het materiaal van de drie stichters Heinz Mack, Otto Piene & Günther Uecker.

K.B./D.P.: De laatste tijd zie je steeds vaker dat archieven te koop worden aangeboden. Instellingen zoals de Getty Foundation (Los Angeles) of het MoMa (New York) zijn actief op zoek om archieven te verwerven en komen met geld op de proppen. Heb je al een dergelijk voorstel gekregen?

L.V.: Nee.

K.B./D.P.: Is dat voor jou een optie?

L.V.: Een aanbod van een instelling als het MOMA zou ik natuurlijk overwegen. In 2008 heb ik dankzij Tijs Visser met een New Yorkse galerie kunnen samenwerken die een Zero-tentoonstelling op touw zette. Het was een positieve ervaring waar ik uitstekende contacten met New Yorkse museummensen aan heb overgehouden.

K.B./D.P.: Wat zou voor jou een ideaal scenario zijn? Dat het archief in een aparte Verheyenstichting wordt ondergebracht of dat het een plaats krijgt binnen een grotere instelling?

L.V.: Dat zijn beide valabele opties. Het belangrijkste is voor mij dat er in de toekomst met het archief van mijn vader kan worden gewerkt.

K.B./D.P.: Heb je liefst dat het archief in België blijft? Of speelt dat voor jou geen rol?

L.V.: Weet je, ik wil niemand voor het hoofd stoten, maar ik stel vast dat men in het buitenland meer interesse toont voor het onderwerp. Er is nog niets beslist, maar als die situatie niet verandert, is de kans logischerwijze reëel dat het archief naar het buitenland wordt overgebracht.

 

 

Redactie: Dirk Pültau

 

De tentoonstelling Jef Verheyen & Friends loopt tot 30 januari in de Langen Foundation, Raketenstation Hombroich 1, 41472 Neuss (02182.5701-0; www.langenfoundation.de).

‘Ik geloof dat fragmenten opnieuw een geheel kunnen vormen’

In september 1987 riepen de broers Albrecht en Manfred Wandel in het Duitse stadje Reutlingen (Baden-Württemberg) de Stiftung für konkrete Kunst in het leven. Nadat deze stichting een tweetal jaar ‘oefende’ in een voorlopige ruimte, opende ze op zondag 9 april 1989 haar deuren op de plek waar ze ook vandaag nog werkzaam is: een voormalig fabriekspand van de Firma Christian Wandel, waar indertijd metaalgaas en machines werden vervaardigd. De openingstentoonstelling Das Ende der Komposition bracht werk van 17 kunstenaars (Bernard Aubertin, Hartmut Böhm, Alan Charlton, Dadamaino, Alan Green, Edgar Gutbub, Gottfried Honegger, Nikolaus Koliusis, Thomas Lenk, Richard Paul Lohse, François Morellet, Erich Reusch, Klaus Rinke, Alf Schuler, Jesus Rafael Soto, Anton Stankowski en Gilberto Zorio). In de afgelopen 23 jaar heeft de stichting meer dan 100 tentoonstellingen georganiseerd waarin niet enkel aandacht werd besteed aan concrete kunst in de enge betekenis, maar ook aan moderne kunst in een bredere zin. Vaak werd die kunst gecombineerd met ‘andersoortige’ objecten, zoals iconen, vaatwerk uit de Hallstattperiode of precolumbiaanse sculpturen. ‘Verzamelen, archiveren, tentoonstellen, dat is de kernopdracht van de Stichting’, zo luidt de eerste zin op de website www.stiftungkonkretekunst.de. Als je de stichting bezoekt en door Manfred Wandel door de tentoonstellingen en het archief wordt geleid, blijkt al gauw dat vooral de archiveringsopdracht met een radicale ernst wordt waargenomen. Naast het archief van de stichting beheert Manfred Wandel bovendien een reusachtig persoonlijk archief (AMW) dat eveneens in het voormalig fabriekspand is gehuisvest. Meer dan 5000 archiefdozen zitten vol documenten (boeken en catalogi, krantenknipsels, uitnodigingen, brieven, fotokopies…) die niet enkel op Wandels activiteiten in de kunstwereld betrekking hebben, maar op alles wat de thans 72-jarige archivaris dagelijks ziet, ervaart of leest.

 

Dirk Pültau: Wanneer ben je beginnen te ‘archiveren’?

Manfred Wandel: Erg vroeg. Ik was misschien 12, 13 jaar.

D.P.: Zo vroeg? Wat mag ik me daarbij voorstellen?

M.W.: Wel, ik had een kaartenbak waarin ik allerlei spullen bewaarde, foto’s, brieven, dingen die ik op straat vond of die ik gekregen had. Daarnaast had ik boeken. Ik bezat ook een Japans kistje waarin ik mijn eerste verzameling stenen bewaarde. Ik was niet in staat om ook maar iets weg te werpen. Mijn schoolleesboek van 1945, met tekeningen van Ludwig Richter, is nog steeds in mijn bezit. Ik heb dus al zeer vroeg een grote interesse voor ‘documenten’ opgevat. Zelf verbind ik dat altijd met mijn grootmoeder.

D.P.: Waarom precies?

M.W.: Toen Duitsland in 1945 gebombardeerd werd en we ons in de kelder verscholen, zei ze: je moet niet op het geluid van de bommen letten, kijk maar in die kist… Het ging om een kist waarin Japanse kimono’s, boeken en allerlei waardevolle, culturele voorwerpen opgeborgen waren. Terwijl de bommen vielen, hield ik me met die kist bezig. We hadden ook verschillende kunstenaars in de familie. De bekendste is ongetwijfeld Willi Baumeister, een neef van mijn vader. Als je in zo’n familie opgroeit, ontwikkel je natuurlijk een sterk gevoel voor alles wat culturele waarde bezit. Dat heeft er zeker ook toe bijgedragen dat ik al vroeg dingen begon te archiveren, al sprak ik in het begin nog niet van een ‘archief’.

D.P.: Hoe noemde jij het dan?

M.W.: Moeilijk te zeggen. Ik was natuurlijk jong. Verzamelen was voor mij een activiteit om bij weg te dromen. Wat ik verzamelde, dat was mijn wereld. Ik heb wel altijd bepaalde opdelingen gemaakt.

D.P.: Welke?

M.W.: Ik heb bijvoorbeeld altijd een onderscheid gemaakt tussen privaat – of noem het ‘geheim’ – en publiek. Publiek betekende dan: wat mijn familie onder ogen mocht komen. Later, toen ik in Stuttgart architectuur studeerde, begon ik kunst te kopen, aanvankelijk meestal grafiek. Na mijn studies te hebben afgerond, ben ik getrouwd en in een groot architectenbureau aan de slag gegaan, Heinle, Wischer & Partner Freie Architekten. Doordat ik regelmatig dingen kreeg, was de omvang van het archief enorm toegenomen. Ook de kunstverzameling was fors gegroeid. Op een bepaald moment werd het mijn gezin echt te veel…

D.P.: Wat is er gebeurd?

M.W.: Het was een verantwoordelijkheidskwestie: mag je zoveel geld en tijd in een dergelijk project investeren, als je een gezin hebt? Uiteindelijk is het erop uitgedraaid dat we uit elkaar zijn gegaan. Ik ben niet officieel gescheiden, maar ik ben elders gaan wonen, in een driekamerwoning waar ik rustig kon verder werken. Probeer je dat eens voor te stellen: drie kamers waarin alle muren bedekt waren met schilderijen. Mijn keuken deed dienst als schilderijendepot, het toilet voor de gasten had ik als keuken ingericht. En in de bergplaats – een ruimte van 2,5 op 1,5 meter – bevond zich het archief. Midden jaren 80 ben ik gestopt met mijn werk in het architectenbureau om mij volledig aan mijn culturele taak te kunnen wijden. Dat is uiteindelijk in 1987 geresulteerd in de oprichting van de Stiftung für konkrete Kunst. Met de stichting werden mijn mogelijkheden natuurlijk enorm uitgebreid. Belangrijk was daarbij dat ik de hulp kreeg van mevrouw Dr. Gabriele Kübler, mijn huidige levenspartner; zij werd in 1987 zaakvoerder van de stichting.

D.P.: Hoe ben je ertoe gekomen om een stichting op te richten? Hoe is dat precies in zijn werk gegaan?

M.W.: Dat is een geleidelijk proces geweest, waarbij heel wat mensen een rol hebben gespeeld. Veel van die mensen heb ik leren kennen in het architectenbureau waar ik werkte. Het bureau was gespecialiseerd in grootschalige projecten, ze hebben bijvoorbeeld het Olympisch dorp van de Spelen in München (1972) ontworpen. In het bureau was ik verantwoordelijk voor visuele communicatie. Dat hield onder meer in dat ik bemiddelde tussen architect, opdrachtgever en kunstenaar – het bureau nam immers ook de uitvoering op zich van grootschalige kunstintegratieprojecten. Ik zorgde ervoor dat de projecten van die kunstenaars konden worden gerealiseerd, dat ze door de opdrachtgever geaccepteerd werden. Ik heb dus altijd in een interdisciplinaire context gewerkt, en heb via die weg kennisgemaakt met kunstenaars als Günther Uecker, Otto Piene, Thomas Lenk en Georg Karl Pfahler. Ook met Anton Stankowski heb ik gewerkt, onder andere voor het stadhuis van Bonn, dat ontworpen is door Heinle, Wischer & Partner. Ik wist al vroeg werk van Stankowski te verwerven. Uit het contact met hem is een levenslange vriendschap ontstaan. Het is voor een groot deel aan Stankowski te danken dat ik een goede kijk heb ontwikkeld op wat mij vandaag nog steeds bezighoudt. Tijdens dat hele leerproces is bij mij de idee gerijpt om een stichting in het leven te roepen. Ik moet nog vermelden dat twee andere stichtingen voor mij heel belangrijk zijn geweest: de Stiftung für Konstruktive und Konkrete Kunst in Zürich, opgericht in 1986 door een groep privépersonen, en de Espace de l’art concret in Mouans-Sartoux in het zuiden van Frankrijk, die in 1990 werd opgericht door Sybil Albers en Gottfried Honegger.

D.P.: De Stiftung für konkrete Kunst presenteert ‘concrete kunst’…

M.W.: Wij begrijpen ‘concreet’ niet in de enge, historische zin. We zien het graag ruimer. Wij werken met de concrete dingen die we bezitten – concreet in de betekenis die Max Bill eraan geeft: lijn, kleur, vlak – en met voorwerpen die bestemd zijn voor intellectueel gebruik. Onder dat laatste versta ik evengoed boeken, folders, design, reclame als een uitnodigingskaart van Yves Klein. Met al die voorwerpen en documenten worden tentoonstellingen gemaakt, die meestal rond een thema draaien, alhoewel we ook retrospectieves hebben georganiseerd, bijvoorbeeld van François Morellet. Morellet is al veertig jaar belangrijk voor mijn manier van denken. Ik ben zeer goed met hem bevriend.

D.P.: Maakt jouw persoonlijk archief ook deel uit van de stichting?

M.W.: Mijn verzameling vormt de basis van de Stiftung für konkrete Kunst en het archief is daar een deel van. Voor mij is er geen verschil tussen de kunstverzameling en het archief. Het archief staat op mijn naam, maar de stichting kan er vrij over beschikken. Sinds het ontstaan van de stichting is er natuurlijk heel wat bij gekomen. Er zijn heel wat werken verworven of geschonken, als dank vanwege de kunstenaar.

D.P.: Beheert de stichting nog andere archieven?

M.W.: Ja, bijvoorbeeld het archief van Max Bense. Het gaat om een verzameling van documenten over concrete poëzie, aangelegd door Max Bense en Elisabeth Walther-Bense.

D.P.: Als ik langs de rekken van jouw persoonlijk archief loop, valt het mij op dat op elke doos een jaartal staat. Je hebt dus voor een chronologische ordening geopteerd. Was dat vanaf het begin het geval?

M.W.: Nee. Dat is zo gegroeid toen ik in die drie kamers leefde. Het heeft mij veel tijd en moeite gekost voor ik dat ordeningsprincipe consequent wist toe te passen. Tot ongeveer het midden van de jaren 80 heb ik met een compromis gewerkt.

D.P.: Een compromis?

M.W.: Ja, omdat de ordening op categorieën berustte. Om te beginnen was er een splitsing tussen kunst en niet-kunst. Ik moest dus telkens beslissen of iets kunst was of niet. Is die foto nu kunst of fotografie? Is Otl Aicher (1922-1991), die ik persoonlijk heb gekend, ontwerper of kunstenaar? Is wat hij maakt kunst of niet? Mijn vader had een groot bedrijf voor meetinstrumenten… Wat zijn meetinstrumenten, waar valt dat onder? Ik was al begonnen met het chronologisch ordenen van het materiaal, volgens de datum van ontstaan, maar ik bleef lang aan dat soort categorieën vasthouden. En steeds was er die tweedeling: de documenten over kunst stonden rechts in het rek, en links stond al de rest. Die tweespalt stoorde me, het klopte niet met mijn aanvoelen. Ik vond immers alles interessant.

D.P.: Hoe heb je komaf gemaakt met het compromis?

M.W.: In het midden van de jaren 80 heb ik een sabbatperiode van een half jaar ingelast. Dat heeft mij enorm deugd gedaan. Ik heb toen een nieuwe openheid weten te verwerven, die mij in staat stelde de grenzen tussen die categorieën open te breken – niet alleen de grens tussen kunst en niet-kunst, maar ook die tussen privaat en publiek. Gelukkig had ik vrienden die mij daarbij steunden, zoals Anton Stankowski. Hij leerde mij dat er geen categorieën zijn. Voor hem bestond er alleen maar vormgeving. Het is voor mij een enorme opluchting geweest dat ik kon zeggen: dit zijn documenten over Stankowski, en of Stankowski nu een ontwerper, een kunstenaar of gewoon een aardige man is, dat kan mij geen barst schelen. Ik ben dan op kleine schaal – dat wil zeggen in mijn toenmalige woonst – begonnen met het uitwerken van een nieuwe ordening…

D.P.: …waarin alles zonder (categorische) scheidslijnen wordt geordend volgens de datum waarop het zich ‘voordoet’.

M.W.: Nee, volgens de geboortedatum – of preciezer, het geboortejaar. Als ik bijvoorbeeld in de Frankfurter Allgemeine Zeitung een interessant artikel vind over een persoon die geboren is in 1950, dan wordt dat knipsel bij jaargang 1950 ondergebracht. Binnen die jaargang wordt het document alfabetisch geordend per persoon, en bij die persoon volgens de verschijningsdatum van het artikel.

D.P.: Je had toch ook het principe kunnen hanteren om alles volgens een feitelijke datum te ordenen? Waarom heb je dat niet gedaan?

M.W.: Dat zou mijn voorkeur hebben gehad, maar het bleek te ingewikkeld. En toen kwam ik op de idee dat je alle mensen door middel van hun geboortedatum in een structuur kan onderbrengen. Er zijn evenwel twee criteria. Het eerste criterium is de ‘geboortejaargang’, het tweede is de naam. De naam is ondergeschikt aan het geboortejaar. En binnen elke doos ligt het oudste document onderaan, en het meest actuele bovenaan. Anton Stankowski is bijvoorbeeld in 1906 geboren. De onderste laag bestaat in theorie uit zijn geboortekaartje van 1906, het vroegste document… Zijn doodsbericht uit het jaar 1998 wordt een stuk hogerop gelegd, en daar bovenop komen nog eens alle documenten van na zijn dood die met hem in verband staan.

D.P.: Je hebt er nooit aan gedacht alles volledig alfabetisch te ordenen?

M.W.: Nee, dat zou ik totaal zinloos hebben gevonden. Wat heb ik er nu aan dat Albers, Angelico en Arp allemaal vooraan naast elkaar komen te staan. Dat zegt mij totaal niets! Nee, ik was op zoek naar een vrij en open ordeningsprincipe zonder categorische beperkingen, maar dat ordeningsprincipe moest wel betekenisvol zijn.

D.P.: Je hebt dus geopteerd voor het systeem met de grootst mogelijke openheid, dat niettemin zinvol is…

M.W.: …en dat rekening houdt met de tijd – dat vind ik ontzettend belangrijk. Ook binnen elk jaargang speelt de tijd nog altijd een rol in de manier waarop de documenten ingevoegd worden. In principe gaat het er mij om dat er een chronologische overeenkomst ontstaat, zonder dat daarbij een waardeoordeel wordt uitgesproken. Toch is er nog een alfabetisch nevenklassement: de categorie A-Z (A tot Z). Die heb ik nodig omdat ik van sommige personen de geboortedatum niet ken. Ik heb bijvoorbeeld drie dozen met materiaal over de Parijse galeriste Denise René die onder de letter R gerangschikt staan, omdat ze haar geboortejaar tot dusver geheim heeft gehouden. Ook jouw documenten zitten nog in het klassement A-Z, ik weet immers niet wanneer jij geboren bent.

D.P.: Mijn documenten?

M.W.: Maar natuurlijk, ik heb je toch leren kennen? Je hebt mij drie e-mails gestuurd! Maar aangezien ik jouw geboortejaar niet ken…

D.P.: 1964!

M.W.: Laat ons nu eens een kijkje nemen bij het jaar 1964… Het is fascinerend om te zien wat er allemaal gebundeld is onder die noemer: de Franse componist Marc André, de acteur Ben Becker, de Amerikaanse kunstenaar John Beech… De kunstenaars Berlinde De Bruyckere, Liam Gillick, Subodh Gupta, Nol Hennissen, de sportman Jürgen Klinsmann, de filmregisseur Caroline Link. Ernesto Neto (kunst), Michelle Obama en Sarah Palin (politiek), Philippe Parreno (kunst)… Dat is nog maar een handvol van de ongeveer 540 personen die je onder jaargang 1964 terugvindt. Uiteraard wordt de naam Dirk Pültau daar nu aan toegevoegd. Het is ongelooflijk interessant om te zien hoe de tijd zich rond sommige jaartallen verdicht. Willi Baumeister (°1889) is bijvoorbeeld van hetzelfde jaar als Cocteau, Heidegger, Hitler, Masereel, de kunsthistoricus Max Raphael, Sophie Taeuber-Arp en Ludwig Wittgenstein. Over Hitler lees ik nog dagelijks, bijvoorbeeld over die voormalige nazikazernes die nu een nieuwe functie krijgen toebedeeld.

D.P.: Het archief draait helemaal rond personen.

M.W.: Dat klopt. Personen hebben voorrang.

D.P.: Wat doe je met instituten of thema’s?

M.W.: Die worden bij personen ingedeeld. Ik neem een voorbeeld uit uw land. Wij hebben uitstekende relaties met de Brusselse organisatie CCNOA. Als ik de documenten met betrekking tot CCNOA wil onderbrengen, dan heb ik de keuze: ofwel CCNOA-directeur Petra Bungert, ofwel haar partner, de kunstenaar en curator Tilman. Tilman heb ik als eerste leren kennen, daarom heb ik in eerste instantie voor hem geopteerd. Van veel documenten zijn echter op verschillende plekken fotokopies te vinden. De documenta is verbonden met de naam Arnold Bode, maar ik wil de prestatie van Harald Szeemann niet minimaliseren, of van de artistiek directeur van de volgende documenta, Carolyn Christov-Bakargiev. Daarom kan je een deel van de documenten over documenta ook onder hun naam terugvinden.

D.P.: Het archief begint echter in het jaar -3100 voor Christus. Het gaat terug tot Stonehenge.

M.W.: Dat klopt. Daar heb je geen geboortejaargangen meer. Die beginnen pas later – Ovidius vind je bijvoorbeeld onder -43 voor Christus. Ik kan het materiaal over de vroegste tijden weliswaar bij benadering in een chronologie onderbrengen, ik weet immers dat Altamira voor de iconen komt… maar de vroegste geschiedenis van de mensheid is een heus probleem.

D.P.: In welke zin?

M.W.: De grote tijdsafstanden die zich uitstrekken over miljoenen jaren, onttrekken zich aan elk voorstellingsvermogen. Ik heb besloten om het verleden dat miljoenen jaren terugligt in de categorie A-Z onder archeologie te klasseren. In ieder geval is de tijd in dit archief navoelbaar. De afstand tussen Mark Rothko (°1903) en de Amerikaan Michael Rouillard (°1955), van wie nu werk in de stichting te zien is, bedraagt niet minder dan 20 meter – zovéél dozen staan er tussen beide kunstenaars.

D.P.: Wat doe je met thema’s? Die zijn immers vaak ‘tijdloos’.

M.W.: Daaromtrent moet ik telkens samen met mevrouw Kübler een knoop doorhakken. We hebben er bijvoorbeeld voor gekozen om alles wat in mijn leven met ‘kosmos’ samenhangt, bij de kunstenaar Lucio Fontana onder te brengen.

D.P.: Waarom Fontana?

M.W.: Omdat Fontana voor mij verbonden is met het thema kosmos. Weet je, in 1960 heb ik in de galerie van Pasquale Senatore in Stuttgart voor het eerst werken van Fontana gezien. Ik was een jonge student en kon de betekenis van de snedes die Fontana in het doek maakte nog niet vatten. Pas veel later begreep ik dat het Fontana om de ruimte te doen was. Dankzij die snede, zie ik ruimte, in de meest reële zin van het woord, door middel van schaduw. Dat is voor mij een ongelooflijk belangrijke ervaring geweest. Vandaar dat ik besloten heb om alles wat met kosmos samenhangt bij Fontana onder te brengen. Ik had ook voor Kepler kunnen kiezen, maar voor mijn persoonlijk begrip van het thema kosmos is Fontana belangrijker geweest.

D.P.: Het archief omvat dus ook relaties van zeer persoonlijke aard, relaties die je als buitenstaander niet altijd kan achterhalen.

M.W.: Precies.

D.P.: Maar als je nu in een inventaris zou kunnen opzoeken bij welke persoon een thema of een instituut werd aangehaakt…

M.W.: Dat kan. We beschikken weliswaar slechts over een heel eenvoudige inventaris met fiches, maar je vindt er wel de namen van personen met hun geboorte- en sterfdatum, en er zijn ook kaarten met begrippen als kosmos, fotografie of futurisme, waarop een verwijzing staat naar de plek waar ze zijn ondergebracht.

D.P.: En als ik op zoek ben naar een bepaalde catalogus?

M.W.: Dat hebben we niet helemaal kunnen oplossen. De catalogi zijn slechts gedeeltelijk op kaarten gezet. Als je bijvoorbeeld een welbepaalde catalogus van Willi Baumeister uit het jaar 1926 zoekt, dan zit de kans erin dat je gewoon in de archiefdozen onder geboortejaargang 1889 moet gaan kijken of het boek erin zit.

D.P.: In de dozen vind je artikels, documenten, brieven, uitnodigingen. Je vindt er echter ook boeken. Jouw bibliotheek is letterlijk opgenomen in het archief.

M.W.: Natuurlijk. Boeken zijn voor mij evengoed documenten, culturele waarden. Je mag overigens de kunstwerken niet vergeten.

D.P.: De kunstwerken maken deel uit van het archief?

M.W.: In principe wel. Om praktische redenen is er natuurlijk een depot, maar ik zei het al: ik maak geen onderscheid tussen een kunstwerk en een document. Wat mij betreft kunnen de kunstwerken evengoed onder geboortejaargangen worden gerangschikt.

D.P.: En jijzelf, Manfred Wandel, zit jij ook in het archief?

M.W.: Ik zit natuurlijk overal in het archief. Het archief bestaat uit de documenten van mijn leven.

D.P.: Maar als ik bij jouw geboortejaargang ga kijken…

M.W.: Het jaar 1938? Daar zal je wel een en ander vinden. Maar de uiterst persoonlijke dingen heb ik in aparte ringmappen ondergebracht. In totaal zijn het er nu al 108. Je vindt er bijvoorbeeld het doodsbericht van mijn vader, brieven van Willi Baumeister aan mijn vader… Misschien zal je in het archief onder Willi Baumeister dubbels vinden van die brieven, maar de originelen zijn voor mij zo belangrijk dat ik geen enkel risico wil nemen. In principe kan je die 108 ringmappen evenwel in het archief integreren.

D.P.: Welke dingen uit jouw leven zitten niet in het archief? Heb je thuis nog een bibliotheek?

M.W.: Mijn bezittingen bevinden zich allemaal in de stichting. De bibliotheek van mevrouw Kübler, haar persoonlijke bibliotheek – ze heeft filosofie en kunstgeschiedenis gestudeerd – is ondergebracht in onze woning. Maar ook haar bibliotheek kan in principe in het archief worden ingepast.

D.P.: In zekere zin zit jouw hele leven in archiefdozen…

M.W.: Zo kan je het formuleren.

D.P.: Vind je dat niet lastig?

M.W.: Weet je, ik heb zelf zoveel tijd in mijn leven verloren, omdat men mij te weinig dingen uitgelegd heeft. Wat mij overkwam, zou ik andere mensen graag besparen. Daarom vond ik het belangrijk om mij niet alleen te uiten via de kunstwerken die in mijn leven een rol hebben gespeeld; ik wilde ook tonen vanuit welke achtergrond het voor mij überhaupt mogelijk was geworden om met die zaken om te gaan. Welnu, het archief is mijn achtergrond.

D.P.: Jouw archief is echter meer dan een didactisch project. Je zou het als een soort radicale zelfopoffering kunnen zien, en dan vraag je je af: waarom wil iemand zo’n offer brengen?

M.W.: Om mij tot de meest zwaarwichtige reden te beperken: ik heb de oorlog beleefd, ik heb puinhopen gezien. Naast het gebouw van de stichting, op de plek waar jij bent binnengekomen, stond de villa van mijn familie. Ze is er niet meer. Ik heb in mijn familie scheidingen beleefd, ik heb erfenissen meegemaakt, ik heb zo vaak moeten zien hoe dingen opgedeeld en versnipperd werden. Daar wil ik me tegen verzetten. Ik besef dat ook ik enkel met fragmenten werk, maar ik wil tonen dat je met fragmenten een geheel kan samenstellen. Ik wil tonen dat, dankzij ons vermogen om ons een eigen beeld van de wereld te vormen, de totaliteit over de vernieling triomfeert. Al heb ik de laatste tijd ook de omgekeerde ervaring. Ik heb namelijk het gevoel dat mijn leven in dit archief uiteenvalt.

D.P.: Hoe bedoel je?

M.W.: Drie jaar geleden zijn we begonnen een massa materiaal uit verschillende ruimten van de stichting en uit onze woning weg te halen, om alles te concentreren op één plek, het depot. Door die altijd maar toenemende massa materiaal… verdwijnt mijn leven. Ik weet dat het eigenaardig klinkt. Ik bedoel: hoe meer materiaal erbij komt, hoe meer de mogelijkheid verdwijnt om op basis van mijn archief tot een karakterisering van mijn persoon te komen.

D.P.: Heb jij je al beziggehouden met de vraag wat er later met het archief zou kunnen gebeuren?

M.W.: Ik hoop dat ik een aantal gedeelten in hun volledigheid zal kunnen overdragen. De kwaliteit van dit archief zit hem namelijk in de gelaagdheid ervan. Ik betwijfel echter of het archief in zijn totaliteit behouden kan blijven.

D.P.: Waarom ben je daar zo pessimistisch over? Als het archief in de stichting blijft, dan moet het toch mogelijk zijn het in zijn geheel te bewaren?

M.W.: Dat is in elk geval de bedoeling, maar de kans is reëel dat het mijn opvolger aan middelen zal ontbreken. Weet je, zelfs de integriteit van de Warburgbibliotheek wordt momenteel bedreigd. Het plan is om ze uit het Warburginstituut te lichten en in de Senate House Library van de Universiteit van Londen te integreren. Momenteel wordt volop strijd gevoerd om de Warburgbibliotheek als een zelfstandige entiteit te behouden. En daarbij: ik ben Warburg niet, ik ben maar Manfred Wandel. Ik hoop dat er ook in de toekomst met mijn archief kan worden gewerkt, maar ik ben niet zeker of dat mogelijk zal zijn. Misschien is mijn vrijheid hier te groot geweest.

 

Stiftung für konkrete Kunst, Eberhardstrasse 14, 72764 Reutlingen (07121-370328 en 25740; www.stiftungkonkretekunst.de), open woensdag en zaterdag van 14 tot 18 uur, en op afspraak. Tot 13 maart 2011 lopen er drie tentoonstellingen: Undsoweiter 4, Michael Rouillard, Lighter Still: works 2006-2010; Undsoweiter 5, Douglas Allsop, Thirteen Reflective Editors; Undsoweiter 6, Anton Stankowski, System einer Farbharmonie.

‘Creating icons of a new tinsel’

Koen Brams & Dirk Pültau: In 1987 studeer je af aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent. Je eerste tentoonstelling als gediplomeerd kunstenaar vindt plaats in de Beursschouwburg in Brussel.

Wim Delvoye: Ja, ik was pas verhuisd naar Brussel. Ik woonde in de Jubelfeestlaan, vlakbij mijn galerie, Plus-kern, die in de Vandernootstraat gevestigd was. Mijn toenmalige vriendin, een fotografe, had vlakbij de galerie een atelier gevonden. Jenny Van Driessche, mijn galeriste, kwam geregeld over de vloer bij mij en ik bij haar. Ze bracht zelfs regelmatig soep. Mijn werken volgden de omgekeerde richting. Ik droeg ze zelf over straat naar de galerie. Jenny maakte ook soep voor Carl Andre. Maar dat betekende nog niet dat ik bij haar mocht komen om Carl Andre een hand te schudden en met hem eens van gedachten te wisselen. Ze maakte een groot onderscheid tussen haar grote en haar jonge kunstenaar.

K.B./D.P.: Hoe is de tentoonstelling in de Beursschouwburg tot stand gekomen?

W.D.: Jan Florizoone werkte als curator in de Beursschouwburg. Hij kende mijn werk van de Jeune Peinture, denk ik. De Beursschouwburg was voor mij een speeltuin. Ik zag mijn werken als theaterrekwisieten in een kitscherig decor. Alles wat ik toonde, vond Jan fantastisch, ook mijn waaiers: grote houten constructies waarop ik een beschilderd tapijt bevestigde. Ik had geanimeerde gesprekken met hem en kon hem overtuigen om een tentoonstelling op te zetten met het Italiaanse collectief Plumcake. De Anacronisti was ik inmiddels beu, ik zocht mijn heil voortaan bij Plumcake. Ik wilde mijn bondgenoten naar België brengen. Meer dan de Beursschouwburg kon ik hen echter niet bieden. Ook Peter Angermann van de Gruppe Normal heeft er tentoongesteld.

K.B./D.P.: Waar heb je Plumcake ontdekt?

W.D.: Dat weet ik niet meer. Misschien heb ik ze leren kennen via Frans Haks, die grote waardering voor hen had. Plumcake stond op hun beurt in contact met de Milanese galerist Andrea Murnik, die mij in 1988 uitnodigde voor een tentoonstelling.

K.B./D.P.: Wat stond Plumcake voor?

W.D.: Zij hadden een pamflet geschreven over de New Plastic World. Ze streefden een plastieken wereld na, een artificiële of onechte wereld. Mijn werk paste daar niet in, maar ik nam met plezier kennis van hun standpunten. Ik tekende ook geen pamfletten of contracten. Ik was onzeker.

K.B./D.P.: Wat voor soort werk maakte Plumcake?

W.D.: Ze maakten figuurtjes in polyester, heel erg pop, heel anekdotisch ook. Wat ze deden vond ik interessant, maar ik stond ervan versteld dat ze hun klassiekers niet kenden. Carl Andre? Nooit van gehoord. Ik vond dat onfatsoenlijk. Ik wilde alles weten over Carl Andre, al was het maar om me er met enthousiasme tegen af te kunnen zetten. Het was zalven en slaan. Plumcake sloeg er alleen maar op los. Hoe konden ze zalven? Ze waren niet naar de academie gegaan en wisten nergens van.

K.B./D.P.: Wat is er van Plumcake geworden?

W.D.: Ze zijn volledig uit het zicht verdwenen. Zelf verloor ik ook snel interesse in hun werk. Zo ging dat in die tijd: vandaag had ik belangstelling voor de Anachronisten, morgen voor Plumcake, de dag daarop voor iets anders.

K.B./D.P.: Jouw tentoonstelling in de Beursschouwburg wordt bekritiseerd door Luk Lambrecht in Knack. Hij heeft met name kritiek op de waaiers: ‘De nu voor het eerst getoonde ‘waaiers’ functioneren wellicht in een theaterfoyer, maar missen iedere picturale zeggingskracht: de nieuwigheid van het gebruik van een ‘andere’ drager staat niet in verhouding tot het afwezig blijven van een toegevoegde artistieke meerwaarde.’ Hoe kwam die kritiek bij jou aan?

W.D.: Aangezien ik ze mij niet herinner, zal die recensie geen extreme gevoelens hebben opgewekt. Mijn enthousiasme om steeds barokker te werken volgde hij duidelijk niet. Maar dit gezegd zijnde: de waaiers wáren niet goed. Ik zat in een overgangsfase en probeerde iets uit. Meestal wordt de kwaliteit die ikzelf zie in een bepaald soort werken, bevestigd door de aantallen. Vind ik iets goed, dan maak ik er vele exemplaren van. Ben ik evenwel onzeker, dan zal ik slechts enkele exemplaren vervaardigen. Ik heb slechts twee of drie waaiers gemaakt. Ik heb ze later vernietigd.

K.B./D.P.: In 1988 heb je bij Riekje Swart in Amsterdam tentoongesteld. In het Plus-kern-archief hebben we een overzicht gevonden van de werken die je er presenteerde. Je exposeerde er ook een waaier.

W.D.: Ja, een kleintje. Ik wilde niet enkel tapijtschilderijen tonen omdat ik bang was dat ik met dat werk volledig vereenzelvigd zou worden. Ik wilde andere werken tonen, de eerstelingen van wat een nieuwe reeks zou worden. Tot overmaat van ramp echter raakte die waaier ook nog verkocht.

K.B./D.P.: Aan wie?

W.D.: Dat weet ik niet meer. Er waren mensen die iedere maand een werk bij Riekje Swart kochten. Zo’n mensen kopen dan bij voorbaat de grootste werken, zeker als ze al een tapijtje bezitten. Wat ik me wel herinner, is dat het werk in 1994 opdook in een veilingcatalogus van Sotheby’s in Amsterdam. Ik werd erover getipt. Toen ik de zwart-witfoto zag, was ik echt diep ongelukkig. De waaier was niet goed gemaakt, hij was knullig in elkaar getimmerd. Ik wou het werk terug hebben, maar ik had geen geld. Gelukkig kon ik Jacqueline Le Jeune, met wie ik een zeer goede verhouding had, overtuigen om het werk op te kopen. Telefonisch heeft ze op het werk geboden. Toen ik tentoonstelde bij Riekje was ik amper 23 jaar. Op zo’n jonge leeftijd verkopen, dat wreekt zich. De gouden regel voor een jonge artiest is: exposeer veel, doe om het even wat, maar verkoop de eerste vijf jaar niet. Alles wat je verkoopt, komt later terug als een boemerang. Als je een goede carrière uitbouwt, is de prijs van het verkopen op jonge leeftijd te hoog.

K.B./D.P.: Waarom was je opgelucht dat Jacqueline Le Jeune het werk verwierf?

W.D.: Het was de bedoeling dat zij dat werk zou ruilen met een nieuw werk van mij en dat ik de waaier vervolgens kon vernietigen. Toen puntje bij paaltje kwam, wou ze de waaier behouden. Als ze nieuw werk van mij wou hebben, zou ze dat wel kopen, zei ze me. De ruil ging niet door. Ik heb moeten wachten tot haar dood om haar erfgenamen ervan te overtuigen om de waaier voor een ander werk in te leveren.

K.B./D.P.: Was de tentoonstelling bij Riekje Swart tot stand gekomen door bemiddeling van Jenny Van Driessche?

W.D.: Ja, zij kende Riekje heel goed. Riekje is heel belangrijk geweest voor Nederland. Zij heeft de kunstenaars van de Mülheimer Freiheit getoond, nadat ze eerder arte povera en minimal art had gepresenteerd. Net zoals Ileana Sonnabend hield ze voeling met haar tijd. Toen ik Riekje leerde kennen, lag Frans Haks bij haar in de bovenste schuif. Hij was de messias die ons zou verlossen. Riekje was voortdurend op zoek naar kunstenaars om haar eigen publiek te verbazen. Ze zocht jong talent, jongeren die tegen de stroom durfden in te roeien. Ze bracht Milan Kunc, Walter Dahn, Jan Knap en Jiri Georg Dokoupil. Angermann vond ze minder goed. Dat ze radicaal durfde te breken met het verleden vond ik fantastisch.

K.B./D.P.: Naast de waaier presenteerde je bij Riekje Swart heel wat kleinere tapijtschilderijen. Kan je daar toelichting bij geven?

W.D.: Ik had een hele lading tapijtjes gekocht bij het bedrijf Tansens en Casaert. Het waren verticale tapijtjes – 62 x 105 cm – die twee kaders hadden, wat ik interessant vond. Ze hadden iets van 19de-eeuwse chromo’s: een kader in een kader in een kader. Het waren de lelijkste tapijtjes van de wereld: de paus in het Vaticaan, Da Vinci’s Laatste avondmaal, honden en katten die kaartspelen. Mijn lievelingstapijtje was de zwarte steen van Mekka: een bidtapijtje met een kompas erin verwerkt. Mijn ervaring was dat iedereen rondom mij ook saaie, zwarte stenen aanbad. Die tapijtjes waren eigenlijk te goed. Ze leken in feite op mijn schilderijen. Van de vijf of zes beste kocht ik meerdere exemplaren aan fabrieksprijs. Ik herinner me dat ik er zwaar over onderhandeld heb.

K.B./D.P.: Hoe ben je met die tapijtjes omgegaan, die naar jouw zeggen zelf al bijna werken waren?

W.D.: Ik heb vooral met spuitbussen op sjablonen gespoten.

K.B./D.P.: Welke sjablonen?

W.D.: Ik gebruikte kanten gordijntjes. Dat had ik reeds gedaan toen ik nog academie liep. Op een papieren vel legde ik een kanten gordijntje dat ik bespoot. De motieven waren windmolentjes, vogeltjes en nestjes, toile de jouy-iconografie. Het waren mijn ‘tekeningen’. De tapijtjes heb ik op dezelfde manier aangepakt. Van iets dat heel erg was, maakte ik echter iets minder erg. Dat was de zwakte van die werken. Een erg zwak werk heb ik gemaakt met een sjabloon van het profiel van Mies van der Rohe. Ik spaarde de meest interessante, de meest kitscherige stukjes uit. Ik wou de mensen laten weten dat ik iets wist, dat ik niet zomaar een onnozelaar was. Toen het transport echter naderde, begon ik te twijfelen. Hoe zouden de mensen reageren? Wat zou Riekje zeggen?

K.B./D.P.: In het Plus-kern-archief hebben we de afrekening gevonden die Riekje aan Jenny bezorgde. De tentoonstelling was succesvol. Er werd voor tienduizend gulden verkocht.

W.D.: Het precieze bedrag herinner ik me niet meer. Wat ik wel weet, is dat ik maanden op mijn geld heb moeten wachten. Het was een ware vernedering. Verschillende keren moest ik de trein nemen naar Amsterdam. Steeds kreeg ik slechts een klein beetje mee. Per werk splitste Riekje het bedrag op in twee of drie schijven. Ik moest steeds afspraken maken in een telefooncelletje. Dat kostte letterlijk handenvol geld. Je moest een torentje van vijf frankstukken hebben om te telefoneren naar Amsterdam. Als je het nummer verkeerd intoetste, was je al vijf frank kwijt. Riekje beloofde me voortdurend dat ze geld had, tot ik arriveerde in Amsterdam. Ze was te vriendelijk voor haar verzamelaars. Ik had niets. Ik leed bij wijze van spreken honger.

K.B./D.P.: Voor jou was het geen klein bedrag.

W.D.: Het was een hele wereld voor mij. Voor Riekje was het niets!

K.B./D.P.: Bemiddelde Jenny niet voor jou?

W.D.: Nee, ik moest mijn plan trekken. Ze stelde zich zeer passief op. Bovendien was Jenny een beetje verlegen dat Riekje verkocht en zij niet. Mij zei ze steeds dat mijn werk onverkoopbaar was. Ik stelde me er geen vragen bij. Wat later heb ik geleerd dat er niet zoiets bestaat als onverkoopbare kunst.

K.B./D.P.: Je hebt het volledige bedrag van Riekje gekregen?

W.D.: Ja, maar het heeft twee jaar geduurd. De laatste schijven werden steeds kleiner. Jenny had me bovendien ingepeperd dat ik alles in het wit moest doen. Telkens moest ik naar de post om zegeltjes te halen.

K.B./D.P.: Je hebt slechts één keer tentoongesteld bij Riekje Swart.

W.D.: Ja, ik had ondertussen contact met Adriaan van der Have van de Torch Gallery in Amsterdam. Hij had in feite als eerste de kans gekregen om me een tentoonstelling aan te bieden, maar had te lang getwijfeld. Toen hem het nieuws ter ore kwam dat ik bij Riekje Swart zou tentoonstellen, had hij spijt. Adriaan was een heel sympathieke man. Hij was niet zo established als Riekje, maar hij was correcter en – nog belangrijker – er was meer plezier te beleven bij hem. Hij sprak over kunst als een dj. Jenny wou met Adriaan samenwerken, maar het klikte niet zo goed tussen die twee. Ze heeft wel een aantal van de fotografen gebracht die bekendstonden als vertegenwoordigers van de Fotografia Buffa, zoals Henk Tas en Teun Hocks. De groep stelde tentoon in de Torch Gallery en kon ook op de steun van Frans Haks rekenen.

K.B./D.P.: Heb jij tentoongesteld in de Torch Gallery?

W.D.: Bijna. Tijdens de opening bij Riekje Swart was er al sprake van dat ik Riekjes galerie zou verlaten en bij hem zou tentoonstellen. Het was een moeilijke stap. Jenny adviseerde negatief.

K.B./D.P.: Op de uitnodigingskaart van je tentoonstelling bij Riekje Swart wordt reeds melding gemaakt van je tentoonstelling in Milaan later op het jaar: ‘Wim Delvoye (23 jaar), geboren te Wervik in België, stelde tentoon bij galerie Plus-kern in Brussel (1987). Krijgt dit jaar een tentoonstelling bij galerie Murnik in Milaan. In het tijdschrift Bijvoorbeeld wordt deze maand een artikel aan hem gewijd.

W.D.: Ja, Swart en Murnik apprecieerden elkaar en ze werden allebei gesteund door Frans Haks, maar Dokoupil wist Andrea Murnik niet voor zijn galerie te strikken. Dat was te hoog gegrepen voor hem.

K.B./D.P.: Hoe was je bij Murnik verzeild geraakt.

W.D.: Misschien had Frans Haks me gezegd dat ik contact met hem moest nemen, of Benno Premsela? Frans Haks noemde Murnik in elk geval dé man van Europa. Ik stond bij hem op de stoep toen hij nog maar net met zijn galerie was begonnen. De muren waren bij wijze van spreken nog maar net gewit. Hij hield eerst de boot af, want ik was nog heel jong.

K.B./D.P.: Welk werk toonde je aan hem?

W.D.: Ik toonde alles, zelfs de vuile tapijten. Hij vertelde me helemaal andere dingen dan Florent Minne, die de eerste serieuze tekst over mijn werk had geschreven. Ik mocht er niet voor uitkomen dat ik geschilderd had! Dat zou mijn zuiverheid aantasten als ‘plastic artist’. Hij had hetzelfde discours als de Plumcake-kunstenaars. Kunst noemde hij een placebo. Kunst was alleen maar glitter en glamour en dat wilde hij tonen.

K.B./D.P.: Met welke kunstenaars werkte hij?

W.D.: Met mijn toenmalige helden: Plumcake. Hij bracht ook Arch Connelly en Rhonda Zwillinger die hij vóór mij wilde exposeren. Zij stond hoger in de hiërarchie. Dat vond ik geen belediging, integendeel.

K.B./D.P.: Wat was voor Murnik het beslissende argument om jouw werk tentoon te stellen?

W.D.: Dat mijn werk verbeterd was. Ik beschilderde geen grote tapijten meer, maar werkte op kleine tapijtjes – kleine, koude snoepjes. Naar aanleiding van de tentoonstelling verscheen ook een klein cataloogje, een leporelloboekje.

K.B./D.P.: Welke werken toonde je bij Andrea Murnik?

W.D.: Dezelfde soort tapijtwerken die ik eerder bij Riekje Swart had geëxposeerd. Ik heb ook horizontale tapijtjes geëxposeerd, de tapijtjes met Da Vinci’s Laatste avondmaal. Logisch, de galerie bevond zich in Milaan. Een groter cliché kan je niet bedenken. Op de opening was Pierre Restany. Hij kwam naar mij toe en zei dat ik fantastisch werk maakte. Mensen die nostalgie hadden naar popart of nouveau réalisme, sprongen altijd op mij.

K.B./D.P.: Heb je op de tapijtjes ook verf gespoten?

W.D.: Ja, schilderen deed ik nog nauwelijks, al was het perfect mogelijk om er heel proper op te schilderen. Bij sommige tapijtjes heb ik niet alleen gebruik gemaakt van kanten gordijntjes om motieven te spuiten, maar de kanten gordijntjes ook zelf op de tapijtjes genaaid. Ik varieerde zoveel mogelijk omdat de drager steeds dezelfde was.

K.B./D.P.: Waarom was je zo goed als gestopt met schilderen?

W.D.: Ik liep zo snel mogelijk naar de uitgang van de schilderkunst, vooraleer iedereen tegelijk naar buiten wou.

K.B./D.P.: Heb jij die kanten gordijntjes zelf op de tapijten genaaid?

W.D.: Neen, ik heb dat aan mijn moeder gevraagd. Mijn moeder is geen diva, zij is zeer bescheiden.

K.B./D.P.: De schilderijen lijken op de platen van de rorschachtest.

W.D.: Symmetrie was belangrijk, zoals in mijn vroegere werk.

K.B./D.P.: De tentoonstelling bij Murnik heeft een titel: La Crème de la Crème. Ook de tentoonstelling bij Riekje Swart had je een titel gegeven: This Side of Paradise.

W.D.: Ik ben er na verloop van tijd mee gestopt om elke tentoonstelling een titel te geven. Ik kon dat niet volhouden. In mijn bio heb ik die titels achteraf ook weggelaten. La Crème de la Crème is een clichématige uitdrukking. Het zegt niets. Ik liet de mensen twijfelen of ik dom of slim was. Ook als je het werk in beschouwing nam, kon je je afvragen of ik het meende of niet.

K.B./D.P.: De titels van de werken in de tentoonstelling zijn ronduit ironisch. Een bepaald werk is getiteld The Collector. Andere titels zijn The Collectors and the Artist, Discussing collectors en They have been happy forever. Moeten die titels worden begrepen als een kritische reflectie op de kunstwereld?

W.D.: Ja, maar het was niet zwaar op de hand. Ik zag het maken en het verzamelen van kunst trouwens als één groot geheel. Ik ben immers zelf ook iemand die graag verzamelt. Van kindsbeen af was ik een verzamelaar van postzegels, sigarenbandjes en Soubry-prentjes. Door die prentjes in boeken te plakken, kwam ik trouwens voor het eerst in contact met het werk van de grootste kunstenaars! Vanaf 1985 verzamelde ik kaasdoosjes van La Vache qui rit. Of je Veronese bewondert of La Vache qui rit, dat maakt eigenlijk niet veel uit. Ze waren allebei even goed, even vernieuwend en even visionair. Ik wilde verzamelingen maken die kunstwerken zouden worden, al wist ik niet hoe ik dat moest aanpakken. Er is uiteindelijk ook niets van in huis gekomen.

K.B./D.P.: Was de tentoonstelling bij Murnik een commercieel succes?

W.D.: Eerlijk, ik weet het niet meer. Andrea Murnik was in ieder geval een heel ander type dan Riekje Swart. Hij was Slavisch, welbespraakt, goedgekleed, had charisma en sprak zeer goed Engels. Voordien was hij een impressario geweest. Zijn motivatie was niet in de eerste plaats commercieel. Hij zag zichzelf als een guerrillaleider met een ethische boodschap. In Milaan sprak iedereen over hem toen hij met zijn galerie begon in de Via Giulianova 1. Andrea zelf had het voornamelijk over Andy Warhol als zijn geestelijke vader. Hij is echter zeer snel aan de drank geraakt. Aan schulden en oneerlijke handelspraktijken is hij ten onder gegaan.

K.B./D.P.: In die tijd – lente 1988 – schrijf je een statement in het Engels, dat we hebben teruggevonden in het Plus-kern-archief. Je schrijft: ‘To seek for the pure, to eliminate the fine appearance was a utopian project that soon became terror.’ Het is een tekst tegen het modernisme.

W.D.: Juist. Ik was tegen alles en iedereen. Het was naïef, in slecht Engels gesteld en niet mooi geschreven. Het is ook maar een kladje dat je gelezen hebt.

K.B./D.P.: De term ‘plastic’ valt niet in de tekst, wel de term ‘kitsch’. Het is een tekst vóór kitsch en tégen het pure. Je zet je ook af tegen het adagium ‘form follows function’: het stoort je dat een auto er altijd uitziet als een auto, een huis altijd als een huis.

W.D.: Ja, ik had veel liever een balpen die eruitziet als een naakte vrouw en die aangeeft wat de temperatuur is.

K.B./D.P.: Over je eigen bijdrage schrijf je: ‘We can say that I bring the so-called low-culture in a context of art but, at the same time, I want to give reality her fine appearance again, creating icons of a new tinsel.’

W.D.: Ik sprak mijn voorkeur uit voor ersatz, maar die ersatz moest wel in een sterk beeld worden gegoten.

K.B./D.P.: Voor wie heb je die tekst geschreven?

W.D.: Voor Andrea Murnik, maar misschien heeft hij de tekst nooit gekregen. Ik schreef zulke teksten iedere week. Ik heb op die manier Engels geleerd.

K.B./D.P.: We hebben een tekst van Della Calberson teruggevonden waarin zij van leer trekt tegen het regime van de burgerlijke smaak: ‘In die tijd werd kunst door een groot publiek als goede smaak aanzien. Een schilderij dat ooit bedoeld was als herdenkingsmonument aan een historische gruwel, daarmee werden nu woonkamers opgefleurd. […] Jarenlang is de hier beschreven anekdote in mijn geest blijven hangen en heeft me doen maken wat ik nu maakte: kitscherig werk dat gekenmerkt werd door een dwaze en schokkende oppervlakkigheid. Jarenlang heeft een goede smaakpubliek mij zijn eigen dwaze oppervlakkigheid verweten.’ Jij was bevriend met Della Calberson. Was haar discours inspirerend voor jou?

W.D.: Ja, ik heb heel veel gehad aan de gesprekken met Della, maar ik zag ook dat haar houding haar carrière in de weg stond.

K.B./D.P.: Je houdt een betoog tegen het zuivere en voor de kitsch, maar je werken worden niet op die manier gerecipieerd. Je werken worden beschouwd in relatie tot het Belgische surrealisme. In de Italiaanse pers wordt naar aanleiding van je tentoonstelling bij Murnik gesproken over ‘een surrealistische sfeer typisch voor de recente en hedendaagse Belgische kunst’. Zag jij een verband tussen jouw werk en het surrealisme?

W.D.: Nee. Mijn werk werd automatisch op die wijze gecatalogeerd omdat ik van België kwam. Ik wist nog maar nauwelijks wie Broodthaers was of ik kreeg al vragen over de relatie van mijn werk tot het zijne. Ik zag Broodthaers niet als de godfather van de Belgische kunst. Ik had een ander theorietje. Voor mij was impotentie de gemeenschappelijke noemer: Thierry De Cordier die op een berg nabij Lyon met een megafoon een speech geeft.

 

2.

K.B./D.P.: In de herfst van 1988 word je uitgenodigd voor de groepstentoonstelling Zin en beeld. Jongste ontwikkelingen in de Belgische kunst, georganiseerd door het Museum voor Hedendaagse Kunst het Kruithuis in ’s-Hertogenbosch. Het is de eerste in een eindeloze reeks van tentoonstellingen over Belgische kunst waarvoor je uitgenodigd wordt.

W.D.: Ik had tentoongesteld in Amsterdam en Milaan en vond dat ik goed bezig was, maar niemand in België kende Andrea Murnik of Riekje Swart. Ik moest het parcours afleggen zoals alle andere Belgische kunstenaars, zelfs al had ik die internationale contacten.

K.B./D.P.: In krantenartikels over groepstentoonstellingen waaraan je deelneemt, staan haast steeds foto’s afgedrukt van jouw werk. Voelde je dat je carrière een snelle vlucht nam?

W.D.: Ik was me in ieder geval bewust van het fotogenieke van mijn werk. Er was altijd een goede reden om verder te doen. Iedere keer als ik twijfelde, kreeg ik een steuntje in de rug.

K.B./D.P.: Hoe was de uitnodiging voor Zin en beeld tot stand gekomen?

W.D.: Er waren voortdurend geruchten dat een bezoek van een buitenlandse curator op handen was. Zo gauw de Vlaamse kunstenaars daar lucht van kregen, begonnen ze hun ateliers te poetsen, wachtend op een signaal van Bart De Baere die als verkeersleider fungeerde. Jan Hoet had geen tijd meer om die buitenlanders op hun wenken te bedienen. Dat was een effect van de kunstzomer van 1986. Op een gegeven moment kwam Jos Poodt van het Kruithuis naar Gent. Hij wist duidelijk wat hij wou en daar hoorde blijkbaar ook mijn werk bij. Hij nodigde ook Patrick Van Caeckenbergh, Willem Cole, Franky DC en Jan & Paul Schietekat uit.

K.B./D.P.: Speelde de connectie met Haks een rol?

W.D.: Ja, Jos had bewondering voor Frans, maar ik had mijn twijfels bij Jos. Hij was heel lief, maar hij had naar mijn smaak te veel belangstelling voor keramiek. Ik was daar bijzonder gevoelig voor, omdat mijn werk ook iets ambachtelijks had, maar met een ironische toets. Die ironie zou erbij kunnen inschieten, was mijn angst.

K.B./D.P.: In Zin en beeld toon je voor het eerst de gasflessen met Delftse motieven. Kan je iets vertellen over de ontstaansgeschiedenis van die werken?

W.D.: Tijdens mijn opleiding had ik reeds op olietonnen geschilderd – op het einde van het derde jaar, meen ik. Ik herinner me dat de werken veel ophef veroorzaakten. Paul De Vylder steunde me openlijk toen ik die werken presenteerde. Hij moedigde me aan om ermee door te gaan. Paul Robbrecht, een extern jurylid, verdedigde mij ook.

K.B./D.P.: Waarom had je voor olietonnen gekozen?

W.D.: Het moest een object zijn dat steeds zou blijven bestaan in de vorm die er ooit voor was bedacht – een banale vorm die door iedereen onmiddellijk herkend wordt en die nooit meer zou worden gewijzigd. Over zo’n ton is niet nagedacht in esthetische termen. Die esthetische ‘indifferentie’ vond ik van wezenlijk belang. Vergelijk het met een smeerkaasdoosje. Van welk merk ook, het doosje heeft steeds dezelfde vorm. Ik was op zoek naar objecten waarvan de vorm meteen duidelijk maakt waar het voor dient.

K.B./D.P.: Wat waren de motieven waarmee je de olietonnen beschilderde?

W.D.: Ik koos van meet af aan voor Delftse motieven. Ik kan daar nog een anekdote over vertellen die jullie zeker zal interesseren.

K.B./D.P.: Uiteraard. Welke anekdote?

W.D.: Mijn vader heeft samen met twee vrienden het tabaksmuseum in Wervik gesticht. Op een gegeven moment wilden ze fondsen werven voor het museum. Ze kwamen op het lumineuze idee om multipels te vervaardigen: twee porseleinen tabakspotten, een blauwe en een gekleurde, telkens op 1.000 exemplaren. Elke pot was genummerd. De opbrengsten van de verkoop kwamen ten goede aan het museum.

K.B./D.P.: Wanneer was dat?

W.D.: In 1982. Onbewust heb ik enkele jaren later exact hetzelfde gedaan als mijn vader. Ik heb trouwens een aantal werken gerealiseerd die nog dichter bij de tabakspot aanleunen dan de Delftse flessen: een aantal zeer smalle, langwerpige gasflessen, die je vaak aantreft bij frituren, heb ik beschilderd als sigaren, compleet met sigarenbandje. Ik heb er drie of vier vervaardigd, maar ben er daarna mee gestopt. Het was te grappig.

K.B./D.P.: Zijn die werken verkocht?

W.D.: Gelukkig niet. Het sigarenbandje was niet zo goed gelukt. Weet je wat ik erop afbeeldde? Het portret van Rubens, prachtig geschilderd, met verven die ik had gekocht in een doe-het-zelfzaak.

K.B./D.P.: Zowel de tabakspot als de sigaren kan je associëren met wind. Tabak gaat de lucht in.

W.D.: Hetzelfde geldt voor gas. Ook de afbeeldingen op de gasflessen hebben te maken met wind: zeilbootjes en windmolentjes.

K.B./D.P.: Waarom heb je in 1988 niet teruggegrepen naar de olietonnen? Waarom koos je voor gasflessen?

W.D.: De keuze voor olietonnen had destijds te maken met de afmetingen van de tapijtschilderijen. Omwille van die grote tapijten wilde ik op grote objecten werken. In 1988 werkte ik op kleine tapijtjes. Wellicht ligt daar de verklaring voor de gasflessen. De gasflessen zijn ook steviger en mooier van vorm. Belangrijk evenwel was dat een gasfles overal ter wereld dezelfde vorm heeft. De vorm ‘betekent’ overal hetzelfde. Ik had ergens gelezen dat een lege gasfles in Japan ook twaalf en een halve kilo weegt en 65 cm hoog is. De gasfles was hetzelfde als het soepblik van Andy Warhol. Het was een perfect vehicle, om Allan McCollum te parafraseren.

K.B./D.P.: Heb je ook nog op andere objecten geschilderd, vooraleer je keuze viel op gasflessen?

W.D.: Ik was in 1988 nieuwe werken aan het voorbereiden. Ik schilderde bijvoorbeeld wapenschildjes op strijkijzers. Toen Riekje Swart me uitnodigde, stelde ik in eerste instantie de gasflessen voor. Riekje wou er niet van weten omdat de gasflessen voor haar de associatie opriepen met de Holocaust. Ik wou ook werken maken met schoppen of spades, maar ik wist bijna zeker dat Riekje die werken ook niet goed zou vinden.

K.B./D.P.: Toen je tentoonstelde in Amsterdam, schilderde je op tapijten én maakte je werken op gasflessen en strijkplanken?

W.D.: Ja, ik heb haast altijd aan diverse series tegelijkertijd gewerkt. Ik zag dat niet als een probleem, integendeel zelfs, want met de opbrengsten van het ene project financierde ik het andere. Met de inkomsten van de tapijtschilderijen schafte ik gasflessen aan. Eerst beschilderde ik die flessen zonder ze te behandelen. Daar kwam ik snel van terug, want ik merkte dat de flessen roestten en dat de beschildering werd aangetast. Ik besloot de flessen voortaan te laten zandstralen en ze een grondlaag van rode loodmenie te geven. Nadien heb ik die rode loodmenie ingeruild voor witte. Het heeft maanden geduurd om die witte loodmenie te vinden. Vanaf het moment dat ik beslist had om de gasflessen te laten zandstralen, werkte ik niet meer per stuk. Ik schafte partijen gasflessen aan en liet die allemaal tegelijk behandelen. Dat kostte uiteraard minder.

K.B./D.P.: Hoe heb je dan de beslissing genomen om te stoppen met tapijtschilderijen?

W.D.: Doordat ik een theorie van de visuele hygiëne had bedacht. Jaren eerder had ik al gesteld dat een beeld als een hamer op het netvlies moest inwerken. Rond 1989 kreeg ik een duidelijker idee van wat een beeld was. Ik had goed gekeken naar Magritte en naar de popart. Ik had geleerd wat een sterk beeld is. Een sterk beeld is niet in elkaar geknutseld. Ik ben daar nog altijd van overtuigd.

K.B./D.P.: Was het technisch makkelijk om een gasfles te beschilderen?

W.D.: Geen probleem. Ik had een motief dat qua lengte precies paste op een gasfles. Ik legde het motief naast mij, zette de fles op een stoel die kon draaien en schilderde het motief uit de losse pols na.

K.B./D.P.: Op elke fles schilder je meer dan twee beelden, telkens drie. Waarom?

W.D.: Een fles heeft een rond oppervlak. Als je er maar twee motieven op zou schilderen, zou het beeld te veel bol staan. Met meer dan twee motieven kan je als toeschouwer ook nooit alles tegelijk zien. Ik had over alles nagedacht.

K.B./D.P.: Het is grappig dat je in 1988 enkel nog tapijtschilderijen vervaardigt met sjablonen – de kanten gordijntjes – en bij de gasflessen terug van ‘af’ vertrekt en ze manueel – wild en virtuoos – beschildert.

W.D.: Ik herinner me dat ik ben blijven twijfelen tussen proper en niet proper. Ik vreesde dat het geen kunst meer was als ik het object te goed afwerkte. Net als bij de tapijtschilderijen kreeg ik gaandeweg meer vertrouwen om een zo ‘hygiënisch’ mogelijk beeld te maken. Na verloop van tijd gebruikte ik opnieuw de kanten gordijntjes als sjablonen om de flessen te bespuiten. Ik heb ook geprobeerd om de gasflessen te laten ‘bakken’ in een emaillerie – een bedrijf in Brussel, de laatste fabriek in België waar geëmailleerd werd. Die operatie is echter mislukt. Ik bleef vanaf 1988 geïnteresseerd in schilderkunst, maar het was nog slechts een klein onderdeeltje van een veel bredere interesse voor ambacht.

K.B./D.P.: Je hebt ooit gesteld dat je een tijdje getwijfeld hebt om Delftse motieven te schilderen omdat Delfts typisch Nederlands is. Wat was de reden van die overweging?

W.D.: Ik wou bewust provinciaal zijn. Ik beschouwde me als een Belgisch of hooguit als een Europees kunstenaar, niet als een internationaal kunstenaar. Iedereen die zich als internationaal kunstenaar presenteerde, bekeek ik met argwaan. Is Andy Warhol een internationaal kunstenaar? Kan je zijn werk los zien van New York? Volgens mij niet. Warhols kunst is een op-en-top New Yorks verschijnsel.

K.B./D.P.: Wat heeft je dan doen besluiten om toch met Delftse motieven te werken?

W.D.: Ik was tot de conclusie gekomen dat de motieven weliswaar historische wortels hadden in Nederland, maar intussen gemeengoed geworden waren. Het was evengoed van ons, Belgen, als van de Nederlanders. In Nice bezocht ik omstreeks die tijd een museum waarin een oude apotheek was geïntegreerd. Ik vond het prachtig: een volledige apotheek met Delfts blauwe potten. Het was echter dubbel: ik was zonder meer gefascineerd door de wereld van Delft, terwijl ik er ook de spot mee wilde drijven.

K.B./D.P.: Je hebt al gesproken over de tabakspot van je vader. Welke Delftse objecten stonden model voor de beschilderde gasflessen? Tabakspotten, apothekerspotten, vazen, borden of tegels?

W.D.: Zonder twijfel de tegels.

K.B./D.P.: Vertrok je van 17de-eeuwse schilderingen op tegels of van de verkitschte versies van die schilderingen?

W.D.: De Slegte is vaak een dankbare boekhandel gebleken. Daar kon je voor tien euro allerlei boeken over Delft kopen. Als je in de wereld van de Delftse motieven duikt – en ik duik graag in zo’n wereld – dan ben je iedere keer weer verbaasd hoe groot en fantastisch die wereld is. Ik probeerde die wereld te condenseren tot een abstract beeld, niet in de zin van een ‘niet-figuratief’ beeld, maar van een beeld dat alle gelijkaardige beelden vat, een beeld dat het Delftse incarneert.

K.B./D.P.: Bedoel je dan dat het specifieke motief – zoals dat op de gasflessen terecht is gekomen – niet bestaat, omdat het een gecomprimeerde, gesynthetiseerde versie is, omdat het door jou uitgevonden is als zijnde het stereotiepe Delftse beeld?

W.D.: Ja, dat klopt.

K.B./D.P.: Er bestaat geen tegel die letterlijk…

W.D.: …hetzelfde is? Neen.

K.B./D.P.: De voorstelling is altijd weergegeven in een soort van cartouche. Cartouches, is dat Delfts?

W.D.: Afgezien van enkele uitzonderingen, nee. De cartouche moest rococo zijn. Rococo was de stijl die welig tierde in kitscherige salons. De cartouches hadden meer te maken met de kanten gordijntjes.

K.B./D.P.: Het geheel – de verwijzingen naar Delft, de rococo – is dus pure fictie. Het klopt bij wijze van spreken helemaal niet.

W.D.: Zo is het. Het zijn blauw en wit geschilderde voorwerpen. Iedereen legde de relatie met Delft terwijl het eigenlijk valse Delft was.

D.P.: Ik heb zelf een gasfles gekocht in 1988 met een gouden stop. Waarom beschilderde je de stop?

W.D.: Die fles behoort tot het oudste lot. Op een gegeven moment merkte ik dat de stopjes vuil waren. Ik heb dan besloten om ze met goudverf te bespuiten. Net zoals met de tapijtschilderijen stoorde het me niet om de gasflessen bij te werken.

D.P.: Ik herinner mij dat ik voor de eerste keer met jou aan tafel zat in het Gentse studentenrestaurant Overpoort in de aanloop naar Confrontatie & Confrontaties, een groepstentoonstelling met jonge Belgische kunstenaars. Bart De Baere had me aangeraden om met jou contact op te nemen ‘omdat jij wist hoe alles in elkaar stak’. Jij doorzag alles, zei hij.

W.D.: Hij noemde me lucide?

D.P.: Ja, de eerste keer dat we elkaar spraken, was Bart De Baere er trouwens bij.

W.D.: Bart De Baere wilde een eigen beweging uit de grond stampen. Een naam had die niet, een eigen esthetiek des te meer. Het werk moest er vuil uitzien. Dat was niets voor mij, gezien mijn smetvrees. Bart De Baere vond het werk van Thierry De Cordier steengoed. De Cordier was hét gespreksonderwerp. De Baere noemde dat grote kunst. Als Thierry De Cordier grote kunst maakt, dan zal ik kleine kunst maken, dacht ik. Ik voelde me daar goed bij. Ik had geen zin om in een boerderij te wonen, geen fax te hebben en te spreken of te schrijven zoals in de 19de eeuw.

K.B./D.P.: Had Jan Hoet je uitgenodigd om deel te nemen aan Confrontatie & Confrontaties?

W.D.: Neen, Bart De Baere, maar hij had huizenhoge twijfels over mijn werk. Hij vond mijn werk onecht. Toen hij me uiteindelijk vroeg, heb ik mijn ouders Captagon gevraagd waaraan zij via een vriend konden komen. Ik heb twee weken aan een stuk geschilderd en heb misschien wel dertig gasflessen gemaakt. Altijd hetzelfde doen sprak me aan: het seriële, het schilderen als een machine.

K.B./D.P.: Heb je de Delftse gasflessen allemaal zelf gemaakt?

W.D.: Ik werkte samen met iemand die de flessen zandstraalde, maar ik kon me nog geen assistent veroorloven om de flessen te beschilderen.

K.B./D.P.: Hoe verliep de accrochage van de werken in Confrontatie & Confrontaties?

W.D.: Rampzalig. Iedereen had een zaal gekregen, behalve ik, omdat Bart De Baere te lang getwijfeld had. Ik heb mijn achttien flessen in een zaal gezet waar Jean-Marie Bytebier zijn intimistische schilderijen exposeerde. Ik was al blij dat ik erbij was.

K.B./D.P.: Hoe presenteerde je de gasflessen in Confrontatie & Confrontaties?

W.D.: De gasflessen stonden in gespreide slagorde – niet mooi in een rijtje, maar scattered, alsof ik niet echt mijn best had gedaan.

K.B./D.P.: De presentatie had de vorm van een installatie?

W.D.: Ja, maar elk werk stond op zich en kon afzonderlijk worden gekocht. Ik mocht er nog niet van dromen dat iemand het geheel als een installatie zou kopen. Dat was op dat moment ondenkbaar.

K.B./D.P.: Wat waren de reacties op jouw bijdrage?

W.D.: Tijdens de opening ving ik op dat het met mijn nieuwste werk de verkeerde kant opging. Ik wist dat de gasflessen moeilijker zouden liggen dan de tapijten. De mensen lachten ermee, maar er kwam bevestiging vanuit onverwachte hoek. Raymond Learsy was in die dagen op bezoek bij Anton en Annick Herbert. De Herberts behoorden niet tot mijn kennissenkring; het was het onbereikbare – het walhalla.

K.B./D.P.: Wie was Raymond Learsy?

W.D.: Hij was een topverzamelaar. Learsy had én Carl Andre én Julian Schnabel én Dan Asher. Hij sprak een mondje Frans. Hij kwam me in het Frans vragen wat de prijs van mijn werk was. Ik begon te zweten. Ik sprak geen Frans. Waarom moest hij de prijs weten? Was hij echt geïnteresseerd om een fles te kopen of was hij van de belastingen? Jenny had mij verwittigd dat ze mij ooit eens te grazen zouden nemen. Maar dat kon niet want ik ging altijd braaf zegeltjes halen bij de Post op de Korenmarkt. Ik noemde de prijs en hij zei dat hij er meteen drie wilde kopen. Wie Learsy was, wist ik nog niet. Ik lichtte Jenny in. ‘Wat heb je gedaan?’ vroeg ze me. Ja, het rollenpatroon was omgekeerd. Zij had nog nooit drie werken tegelijk verkocht. Ze zat ermee verveeld en begon grapjes te maken over het feit dat ik een West-Vlaming was en dat de commerciële instelling mij in de genen zat, terwijl ik eigenlijk haar werk had gedaan. Kortom, ze was niet tevreden.

K.B./D.P.: Enkele maanden later stel je voor de tweede maal tentoon in Plus-kern.

W.D.: De tweede en laatste maal.

K.B./D.P.: De titel van de show is Heraldia. Je stelt er gasflessen tentoon en ook strijkplanken. Plus-kern geeft ook een postkaart uit, een SCHILDerij: de afbeelding van een strijkplank beschilderd met een wapenschild.

W.D.: Het was het wapenschild van België. Naast de strijkplanken en gasflessen bracht ik overigens nog ander werk in Plus-kern.

K.B./D.P.: Wat dan?

W.D.: Ik toonde een stuk of zes lapjes waarop mijn moeder met de kruisjessteek logo’s van bedrijven had geborduurd, van Opel, Volkswagen, Apple en Suzuki onder andere. Het was absoluut not done: een beroep doen op de onschuld van je moeder! Jenny vertelde het aan iedereen die het horen wilde. Ze heeft die lapjes verkocht aan de Nederlandse Post.

K.B./D.P.: De afbeelding strookt niet met de drager – een stuk stof – en met de techniek – de kruisjessteek.

W.D.: Inderdaad, het was een spelletje met de tijd: Opel is een merk van een object van de 20ste eeuw, maar het logo wordt geborduurd, zoals de meisjes in de 19de eeuw deden. Vrouwen moesten dat doen voordat ze trouwden. Dat geeft het werk meteen een zekere geladenheid. Ik beschikte over catalogi – van het merk Royal Paris – met afbeeldingen die je met de kruisjessteek kon maken.

K.B./D.P.: De gasflessen die je in Plus-kern tentoonstelde, waren niet beschilderd met Delftse motieven maar met figuren die refereerden aan Griekse amforen. Waarom heb je die Attische gasflessen gemaakt?

W.D.: Misschien wilde ik in die tijd zoveel mogelijk doen of probeerde ik zoveel mogelijk terrein te bezetten. Misschien één keer iets doen zodat niemand anders het nog kon doen? Ik had echter ook twijfels. Ik vroeg me af wat ik met Griekenland te maken had. Was het ook niet te serieus? Veel Attische gasflessen heb ik in ieder geval niet gemaakt, hooguit een tiental. Over de Delftse daarentegen was ik zeer tevreden. Ik heb gedurende zes jaar Delftse gasflessen gefabriceerd.

K.B./D.P.: Waarom toon je de Attische gasflessen uitgerekend in Plus-kern?

W.D.: Vond Jenny die chiquer dan de Delftse? Het populisme van de Delftse flessen ging haar misschien te ver. De Attische flessen deden niet denken aan de eigen verstikkende middenklasse. De Griekse kunst wordt tentoongesteld in musea. Ik herinner me ook dat ze me heeft proberen te overtuigen om tapijten te blijven beschilderen. Die vond ze beter dan de gasflessen. Het is in ieder geval een constante in mijn carrière: steeds hebben mijn galeristen op me ingepraat om hetzelfde soort werk te blijven maken.

K.B./D.P.: De kleuren – rood en zwart – verwijzen niet enkel naar de Griekse amforen, het zijn ook de kleuren van de nazi’s.

W.D.: Riekje had geen ongelijk toen ze de butaanflessen associeerde met de concentratiekampen.

K.B./D.P.: Is er voor jou een verschil tussen de gasflessen en de strijkplanken? Is het niet opnieuw de toepassing van dezelfde idee: het samenbrengen van twee incongruente realiteiten, Delftse motieven op gasflessen; wapenschilden op strijkplanken?

W.D.: Het was de toepassing van dezelfde idee, ja. Maar ik vond het zeer gedurfd om met die strijkplanken uit te pakken. Het object trad erg op de voorgrond, zeker omdat ik de wapenschilden heel proper op de strijkplanken schilderde. Ik had het werk van John Armleder ontdekt. Hij schilderde ook op objecten. Als je jong bent, kijk je voortdurend naar wat anderen doen of gedaan hebben. Andere kunst of andere kunstenaars inspireren niet zozeer, ze dienen om je werk te legitimeren.

K.B./D.P.: Waar haalde je de strijkplanken vandaan? Waren het tweedehandse?

W.D.: Nee, nieuwe. Ik kocht ze bij Krëfel voor 600 frank per stuk. Het was een investering. Mijn voorkeur ging uit naar het merk Framart. Je kon mij dan op straat zien lopen met een aantal strijkplanken onder mijn arm. Ik vond het heerlijk dat mijn werken gewoon genoemd werden naar de oorspronkelijke drager. ‘Kan ik nog een gasfles hebben?’ ‘Nee, ik heb alleen nog maar strijkplanken in stock.’

K.B./D.P.: Waarom was Framart je lievelingsstrijkplank?

W.D.: Die strijkplank leek niet ‘ontworpen’. Het was het prototype van een strijkplank. Afgezien van één uitzondering heb ik nooit een andere strijkplank gewild. De vorm van een strijkplank kan je niet veranderen. Een designer kan dat niet aanpakken.

K.B./D.P.: Hoe zag het eerste werk op een strijkplank eruit?

W.D.: Het eerste werk was een typisch overgangswerk. Ik schilderde weliswaar een wapenschild – een leeuw – maar ik zat nog vast aan de schilderwijze die bij de tapijten paste. Ik heb vaak slechte overgangswerken gemaakt die ik na een week al vernietigde, soms na een of twee jaren. Probeersels moet je een tijdje laten liggen. Als het inmiddels door iemand anders zou zijn gemaakt, dan zou het ook niet zo’n goed idee zijn geweest. Je moet er een tijdje over laten gaan en dan het werk aan iemand tonen die langskomt. Zo werk ik nog altijd.

K.B./D.P.: Hoeveel strijkplanken heb je gemaakt?

W.D.: Dertig of veertig, meen ik. De leeuw en de adelaar waren mijn lievelingsmotieven. Ik heb misschien tien leeuwen geschilderd en tien of vijftien adelaars.

K.B./D.P.: Waren die strijkplanken identiek aan elkaar?

W.D.: Er waren altijd kleine verschillen, kleurverschillen bijvoorbeeld.

K.B./D.P.: Waren het altijd bestaande wapenschilden of heb je er ook ‘uitgevonden’?

W.D.: Allebei. Ik twijfelde iedere keer. Soms ‘verbeterde’ ik bestaande wapenschilden.

K.B./D.P.: Hoe besliste je welke motieven je schilderde op welke dragers? Waarom heraldische motieven op strijkplanken en Delftse of Attische motieven op gasflessen?

W.D.: De gasfles zag ik als een vaas, de cirkelzaag, waarop ik ook Delftse motieven heb geschilderd, als een bord. Een strijkplank heeft iets van een wapenschild. Het ijzertje van de strijkplank lijkt op een kroontje, de pootjes op twee lansen.

 

3.

K.B./D.P.: Na Zin en beeld in Den Bosch en Confrontatie & Confrontaties in Gent neem je begin 1989 opnieuw deel aan een tentoonstelling met Belgische kunstenaars: The Belgians/Flemish in de Jack Tilton Gallery in New York. De tentoonstelling omvat werk van Frank Van den Berghe, Raphael Buedts, Patrick Van Caeckenbergh, Willem Cole, Richard Venlet en jou. Wat was de voorgeschiedenis van die tentoonstelling?

W.D.: Heel simpel en banaal. Leo Copers werd vertegenwoordigd door Plus-kern. Zijn werk was niet saai, maar commercieel geen hoogvlieger. De tijden waren echter aan het veranderen. Roland Patteeuw was bezig met een boek over zijn werk en Jack Tilton bereidde een solotentoonstelling voor. Leo kreeg evenwel nóg een uitnodiging: van Jack Shainman, die ook een galerie in New York uitbaatte. Hij besloot de uitnodiging van de ene Jack – Tilton – naast zich neer te leggen en in te gaan op het aanbod van de andere – Shainman. Tilton vroeg Leo vervolgens of hij dan iets anders kon aanbieden. Jenny fluisterde Copers in dat hij een tentoonstelling met een paar jonge Belgische artiesten moest suggereren. Zo is het idee van The Belgians/Flemish geboren. Leo Copers selecteerde me voor de groepstentoonstelling bij Tilton. Niet evident, want ik was de jongste van het pak. Later heb ik zelf iets kunnen terugdoen: ik heb hem geïntroduceerd bij Andrea Murnik waar Leo vervolgens exposeerde. Ik heb altijd wederdiensten bewezen.

K.B./D.P.: Kreeg Leo Copers de vrije hand bij de selectie?

W.D.: Neen, Jack Tilton had het laatste woord. Hij bezocht me in België. Ik schaamde mij een beetje voor mijn levensomstandigheden. Hij was met een ‘backer’ gekomen, Susan Hort. Susan en Michael Hort zijn nu de meest actieve verzamelaars in Amerika. In plaats van te zeggen dat ik mee mocht doen aan de tentoonstelling, vroegen ze de prijs van mijn werken. Ze kochten meteen drie of vier werken alsof het niets was! Ik kreeg meteen een ander gevoel bij de prijzen van mijn werken. Ik belde Jenny en vertelde over de deal. Ze vond het een probleem dat ik de werken zelf had verkocht. Had ik dan moeten weigeren? Ik bracht haar toch correct op de hoogte van de verkoop? Ik gaf haar zelfs haar percent. Zij hamerde daar ook enorm op: een percent afgeven. Als Dirk een fles kocht, dan moest ik Jenny daarover informeren en een percent afstaan. Ik kon me er erg druk over maken. Van de andere kant besefte ik ook dat ik enkel dankzij Jenny en Leo in contact was gekomen met Jack Tilton.

K.B./D.P.: Ben je zelf naar New York gereisd?

W.D.: Ja, er waren zes Belgen geselecteerd, maar Jack Tilton betaalde slechts vier tickets. We zijn ook met z’n vieren gegaan: Richard Venlet, Patrick Van Caeckenbergh, Willem Cole en ik. Het was de eerste keer dat ik in een vliegtuig stapte. We moesten allemaal samen slapen in het oude studentenkamertje van Jack Tilton, bijgenaamd Cockroach Palace, in Hell’s Kitchen. We hadden echter niet allemaal dezelfde opvattingen over hygiëne. Op het einde was het nauwelijks nog te harden.

K.B./D.P.: Welke werken heb je bij Jack Tilton getoond?

W.D.: Dat is nog een ander verhaal. Toen we in New York aankwamen, bleek de container nog niet gearriveerd te zijn. Martens, waar wij onze werken in België naartoe hadden moeten brengen, had het transport niet goed gepland. De container zat vast bij de douane in New York. Gelukkig had ik enkele borduurlapjes in mijn valies meegenomen. Op de opening heb ik die getoond. Ik herinner me dat Micheline Szwajcer aanwezig was op die opening. Nadat ze jarenlang internationale vedetten had getoond, begon ze interesse te krijgen voor de jonge Belgische kunst.

K.B./D.P.: De tentoonstelling is uiteindelijk wel tot stand gekomen?

W.D.: De container is twee, drie dagen later aangekomen en we hebben de tentoonstelling ingericht. In die container zaten ook de drie gasflessen die ik aan Learsy had verkocht. Jenny bedacht altijd dat soort deals om de prijs van het transport te drukken.

K.B./D.P.: Hoe reageerde Jack Tilton op het gedeelde transport?

W.D.: Hij was in alle staten: ‘So she wants to use my transport without telling me? Can she pay the damn thing?’ Tot hij hoorde voor wie de gasflessen bestemd waren. ‘Raymond Learsy bought your work?’

K.B./D.P.: Was de tentoonstelling een succes?

W.D.: Voor mij en Patrick Van Caeckenbergh vast en zeker. Het werk van Richard Venlet verkocht als zoete broodjes bij Jenny. Zijn prijzen lagen drie keer hoger dan de mijne. In New York waren de rollen omgekeerd. Ik verkocht alles: alle borduurlapjes en alle gasflessen. Wat Andrea Murnik en Frans Haks gezegd hadden, bleek nog waar te zijn ook: in New York sloeg mijn werk in als een bom. Patrick verkocht zijn werk aan een New Yorks kunstenaar, Richard Tuttle. Patrick had eigenlijk een onverkoopbaar werk gemaakt met nageltjes aan de muur. We moesten met een limo van tien, twaalf meter lang naar de doe-het-zelfzaak om twee multiplex platen te halen, waarop het werk van Patrick moest worden gemonteerd zodat het kon worden verkocht.

K.B./D.P.: Heb je nog herinneringen aan je verblijf in New York?

W.D.: We gingen elk ons weegs in New York. De een zei tegen de ander dat hij naar de Empire State Building ging, maar we liepen elkaar terug tegen het lijf in SoHo, waar toen de meeste galeries gevestigd waren. Ik wist heel goed welke galeries ik wilde bezoeken: Gracie Mansion, de galerie die Frans Haks frequenteerde, en Holly Solomon, de dealer van Pattern Painter Robert Kushner. Holly Solomon, dat was hoog gegrepen. Ik ging zeker niet naar Ileana Sonnabend, dat was het onhaalbare. Minder dan twee jaar later kreeg ik echter een uitnodiging om daar tentoon te stellen. Zo snel is het gegaan.

K.B./D.P.: Voor jou is de groepstentoonstelling een groot succes. Tilton nodigt je ook uit voor een solotentoonstelling.

W.D.: Onmiddellijk. Hij wou ook meer gasflessen. Exact een jaar later stelde ik opnieuw in New York tentoon. Tilton was een echte Amerikaan. Meermaals schokte ons dat. Geld was geen taboe, verkopen was het meest vanzelfsprekende wat er bestond. Hij was wel altijd heel correct.

K.B./D.P.: Je neemt nadien deel aan de groepstentoonstelling The European Avant-Garde in de Freedman Gallery of Albright College.

W.D.: Dat was een onmiddellijk gevolg van de tentoonstelling bij Tilton. Ik moest er geen moeite voor doen. Plots begon alles op wieltjes te lopen. Ik bekeek het kaartje en merkte dat het goed met mij begon te gaan. Ik kende alle andere deelnemers uit de lessen van Wim Van Mulders, onder anderen Günther Förg, Rob Scholte, Tony Cragg en Susana Solano.

K.B./D.P.: Heb je die tentoonstelling bezocht?

W.D.: Neen, het was een groepstentoonstelling, waarvoor ik bestaand werk instuurde.

K.B./D.P.: Ongeveer gelijktijdig starten twee groepstentoonstellingen in Nederland waarvoor jij wordt uitgenodigd: Parallel Views – 10 visions on Railroads and Photography in Arti et Amicitiae in Amsterdam en – nog belangrijker – Groeten uit Utrecht in het Centraal Museum in Utrecht.

W.D.: Voor de eerste tekende Adriaan van der Have (Torch Gallery) als curator, voor de tweede Sjarel Ex, die daarmee zijn eerste tentoonstelling realiseerde in het Centraal Museum.

K.B./D.P.: Wat toonde je in Amsterdam?

W.D.: Een met het wapenschild van Amsterdam beschilderde strijkplank.

K.B./D.P.: De groepstentoonstelling in Arti et Amicitiae thematiseert het reizen met de trein naar aanleiding van 150 jaar Nederlandse Spoorwegen. Vond je het een goed teken dat jouw werk ook bij zo’n thema paste?

W.D.: Misschien was dat thema een beetje onnozel, maar ik vond het niet slecht dat mijn werk in verschillende contexten paste.

K.B./D.P.: Later op het jaar presenteert Adriaan van der Have werk van jou op de kunstbeurs van Keulen.

W.D.: Ik heb er een waanzinnig project gerealiseerd: een met Delftse motieven beschilderde caravan in de vorm van een theepot.

K.B./D.P.: Een caravan in de vorm van een theepot? Hoe was je daaraan geraakt?

W.D.: Ik had hem gevonden bij een Brusselse antiquair.

K.B./D.P.: Het was een bestaand object?

W.D.: Ja, om die reden heb ik het werk niet in mijn oeuvrecatalogus opgenomen. De caravan was gemaakt ten tijde van Expo 58. Ik heb hem gekocht zonder dat ik wist wat ermee aan te vangen. Hij stond bij mijn ouders in Wervik. Adriaan had er weet van gekregen en wilde hem met al zijn vrienden zien. Zijn beeld van de Belg was heel clichématig. Hij zag ons als kabouters. Hij dacht zelfs dat ik in die theepot woonde. Toen hij de caravan zag, wou hij hem meteen exposeren op de Kunstbeurs in Keulen. Ik heb toen beslist om de theepot te beschilderen met Delftse motieven. Mijn moeder heeft de kussens opnieuw gemaakt. Ze heeft ook kanten gordijntjes gemaakt.

K.B./D.P.: Wat trok je zo aan in de theepot?

W.D.: Het was een heerlijk kitscherig object. Ik was ook geïnteresseerd in een object dat een atypische vorm had. Het was in zekere zin het omgekeerde van de olieton die alleen maar een olieton kon zijn. De caravan had het uitzicht van een theepot.

K.B./D.P.: Heb je de theepot gemaakt zonder externe financiële steun?

W.D.: Ja. Het transport nam Adriaan voor zijn rekening.

K.B./D.P.: Kon je de caravan aan een auto hangen?

W.D.: Ja, maar volgens de verkeerswet waren de wieltjes te klein. We hebben een boer moeten vragen om een helling te maken met zand. Op die helling hebben we de caravan geduwd totdat hij op de vrachtwagen stond. Over dat transport heeft Adriaan nog een humoristisch tekstje geschreven waarin hij vooral de clichés over België dik in de verf zette. Hij schreef er echter niet bij dat hij het zonder de hulp van die boer niet voor elkaar had gekregen.

K.B./D.P.: Hoe reageerde men in Keulen op de theepot?

W.D.: De theepot stond bij het café. Mensen die iets wilden drinken, waren wel verrast. In zijn stand verkocht Adriaan cirkelzagen. Hij verkocht er heel wat, meer nog, hij verkocht een installatie van achttien of negentien gasflessen aan Bruno Musati uit São Paulo.

K.B./D.P.: Naast de tentoonstelling in Arti et Amicitiae waarvan Adriaan van der Have de curator was, neem je ook deel aan de openingstentoonstelling van Sjarel Ex in het Centraal Museum. Welk werk toonde je daar?

W.D.: Sjarel Ex had een reputatie opgebouwd. Hij had Rhonda Zwillinger uitgenodigd voor de groepstentoonstelling Century 87. Ex was hip; zijn keuzes waren spannend. Voor Groeten uit Utrecht wilde hij dat elke kunstenaar een statement leverde over de collectie. Ik wilde een werk maken met Delftse gasflessen en cirkelzagen. In de collectie vond ik een fraaie kast. De flessen heb ik bovenop de kast gezet, de cirkelzagen op bordhouders in de kast. Op de cirkelzagen in de kast zijn voornamelijk molentjes op Delftse wijze geschilderd: molentjes op cirkelzagen die zelf ook ronddraaien.

K.B./D.P.: Op de eerste cirkelzagen die je realiseert, schilder je naast molentjes ook bootjes, bloemetjes en vogeltjes. Er is variatie. Na verloop van tijd schilder je enkel nog molentjes op cirkelzagen. Waarom ben je tot de beperking van motieven overgegaan?

W.D.: Vroeger wou ik altijd variëren. Ik zag een tapijtje, kocht er tien en begon te variëren. Ik merkte dat ik het telkens slechter maakte. Ik wou niet meer variëren en zoals Allan McCollum – die al gerespecteerd was – steeds hetzelfde doen. De motieven bleven kitscherig, tegengesteld aan wat Allan McCollum voorstond. Ik moest het een klein beetje dommer maken – nog dommer zodat het slimmer werd.

K.B./D.P.: Jouw werk is dus op twee manieren gerelateerd aan dat van McCollum: enerzijds door het feit dat iedereen onmiddellijk begrijpt wat het object is, wat resoneert in McCollums titel, Perfect Vehicles; anderzijds door het principe van het seriële in combinatie met een variatie die er eigenlijk niet toe doet. Je schildert elke keer een ander molentje of zeilbootje, maar eigenlijk doet het er niet toe.

W.D.: Ja.

K.B./D.P.: Wat waren de reacties van het publiek op je bijdrage aan Groeten uit Utrecht?

W.D.: Iedereen was enthousiast. Heel wat verzamelaars waren al vijftien of twintig jaar

Wording en controle

Toni Negri: Het probleem van het politieke lijkt in uw intellectuele leven altijd aanwezig te zijn geweest. U heeft deelgenomen aan een aantal bewegingen (gevangenen, homoseksuelen, Italiaanse ‘autonomisten’, Palestijnen) en tegelijk bleef u voortdurend de instituties problematiseren. In uw werk volgen die zaken elkaar voortdurend op, ze wisselen elkaar af, van uw boek over Hume tot dat over Foucault. Vanwaar die onafgebroken benadering van de vraag van het politieke? En hoe kon die benadering doorheen uw werk op deze manier gehandhaafd blijven? Waarom is het verband tussen beweging en instituties altijd problematisch?

Gilles Deleuze: Ik was vooral geïnteresseerd in collectieve creaties, eerder dan in representaties. In het geval van de ‘instituties’ is er een hele beweging die losstaat van zowel wetten als overeenkomsten. Bij Hume bijvoorbeeld vond ik een erg creatieve opvatting van institutie en rechten. Aanvankelijk had ik ook meer belangstelling voor rechten dan voor politiek. Wat me zelfs bij Sade en Masoch aansprak, waren hun volstrekt gewrongen opvattingen over overeenkomsten (Masoch) en instituties (Sade), beide in verband met seksualiteit. Het werk van François Ewald, die een filosofie van het recht in ere wil herstellen, lijkt me ook vandaag nog bijzonder essentieel. Ik ben niet geïnteresseerd in de wet of in wetten (wet is een leeg begrip en wetten zijn kritiekloze begrippen), zelfs niet in recht of rechten, maar wel in rechtspraak. De rechtspraak is de echte creatieve locus van het recht: ze zou niet in de handen van rechters mogen blijven. Schrijvers zouden niet het burgerlijk wetboek moeten lezen maar bundels met rechtspraak. Men overweegt nu al een recht van de moderne biologie in te voeren. Maar in de moderne biologie, in de nieuwe situaties die zij creëert en de nieuwe gebeurtenissen die zij mogelijk maakt, is alles een kwestie van rechtspraak. We hebben geen nood aan een moreel en pseudo-competent comité van wijzen, we hebben nood aan gebruikersgroepen. Op dat ogenblik maak je de overstap van recht naar politiek. Zo’n overstap naar de politiek heb ik zelf gemaakt met mei ’68, naarmate ik voeling kreeg met heel precieze problemen, dankzij Guattari, dankzij Foucault en dankzij Elie Sambar. Heel Anti-Œdipe was een politiek filosofisch boek.

T.N.: U heeft de gebeurtenissen van ’68 ervaren als de triomf van het Ontijdige, als de realisatie van de tegen-effectuering. Reeds in de jaren voor ’68, in uw werk over Nietzsche en wat later ook in Sacher Masoch, heeft u het politieke heroverd met termen als mogelijkheid, evenement en singulariteit. Er zijn kortsluitingen die het heden openstellen voor de toekomst en die dus ook de instituties zelf wijzigen. Na ’68 lijkt uw evaluatie toch genuanceerder: in de tijd doet het nomadische denken zich altijd voor in de vorm van een kortstondige tegen-effectuering; in de ruimte is alleen “een minderheid-worden universeel”. Maar wat is dat eigenlijk, die universaliteit van het Ontijdige?

G.D.: Het punt is dat ik steeds meer voeling kreeg met een mogelijk onderscheid tussen wording en geschiedenis. Nietzsche zei dat er niets belangrijks gebeurt zonder een “niet-historische wolk”. Het gaat niet om een tegenstelling tussen het eeuwige en het historische of tussen actie en contemplatie: Nietzsche spreekt over wat gebeurt, over het eigenlijke evenement of de wording. Wat de geschiedenis weerhoudt van het evenement, is wat het effectueert in een aantal toestanden, maar als wording ontsnapt het evenement aan de geschiedenis. De geschiedenis is niet experimenteel; ze is slechts het geheel van de min of meer negatieve condities die het experimenteren met wat aan de geschiedenis ontsnapt mogelijk maken. Zonder de geschiedenis zou het experiment onbepaald en ongeconditioneerd blijven, maar het experimenteren zelf is niet historisch. Péguy heeft in zijn grote filosofische werk Clio uitgelegd dat je het evenement op twee manieren kunt bekijken. De ene manier bestaat erin dat je aan het evenement voorbijgaat, dat je enkel de effectuering van het evenement in de geschiedenis opvangt, inclusief de conditionering en ontbinding van dit evenement. De andere manier bestaat erin dat je het evenement opzoekt, dat je erin plaatsneemt als in een wording, dat je er tegelijk jonger en ouder in wordt, dat je alle onderdelen of singulariteiten van het evenement doormaakt. Wording is geen geschiedenis; geschiedenis is alleen de naam voor het geheel van condities die je, hoe recent ze ook zijn, de rug toekeert om te ‘worden’, om met andere woorden iets nieuws te creëren. Dat is precies wat Nietzsche het Ontijdige noemt. Mei ’68 was de manifestatie, de irruptie van een wording in zuivere toestand. Vandaag is het in de mode om de verschrikkingen van de revolutie aan de kaak te stellen. Dat is zelfs niets nieuws: de hele Engelse romantiek was één reflectie over Cromwell, analoog met de huidige reflecties over Stalin. Men zegt dat revoluties een slechte toekomst hebben. Maar twee zaken worden voortdurend met elkaar verward: de toekomst van revoluties in de geschiedenis en het revolutionair-worden van mensen. Het gaat in beide gevallen niet eens om dezelfde mensen. De enige kans die mensen wordt geboden zit in het revolutionair-worden: de enige manier om de schaamte te bezweren of een antwoord te formuleren op het ontoelaatbare.

T.N.: Ik heb de indruk dat Mille plateaux, dat ik als een groot filosofisch werk beschouw, ook een catalogus van onopgeloste problemen is, en dan vooral op het gebied van de politieke filosofie. Conflictuerende begrippenparen zoals proces-project, singulariteit-subject, compositie-organisatie, vluchtlijnen-dispositieven en strategieën, micro-macro enzovoort, dat alles blijft niet alleen open maar wordt ook altijd weer opengegooid, met een ongelofelijke wil om te theoretiseren en een geweldige kracht die herinnert aan de toon van ketterijen. Ik heb geen bezwaar tegen al die subversiviteit, wel integendeel. Maar soms krijg ik toch het gevoel dat ik er een tragische noot in hoor, wanneer het niet helemaal duidelijk is waar die “oorlogsmachine” juist naartoe wil.

G.D.: Wat u zegt raakt mij. Ik denk dat Félix Guattari en ik marxisten zijn gebleven, ieder misschien op zijn manier, maar wel allebei. We geloven namelijk niet in een politieke filosofie die niet uitgaat van een analyse van (de ontwikkelingen van) het kapitalisme. Wat ons bij Marx het meest interesseert is zijn analyse van het kapitalisme als een immanent systeem dat voortdurend zijn eigen grenzen verlegt en die grenzen ook op een steeds grotere schaal terugvindt, aangezien de grens het Kapitaal zélf is. In Mille plateaux worden tal van richtingen aangeduid. Ik noem de drie voornaamste. Ten eerste wordt een maatschappij volgens ons minder gedefinieerd vanuit haar contradicties dan vanuit haar vluchtlijnen; er vlucht en lekt langs alle kanten van alles uit, en het is erg boeiend om de vluchtlijnen die zich op een bepaald ogenblik aftekenen te proberen volgen. Neem nu het Europa van vandaag: westerse politici hebben zich veel moeite getroost om het te maken en technocraten hebben hard gewerkt om reglementeringen en stelsels eenvormig te krijgen. Maar wat ons dreigt te verrassen is enerzijds het explosieve dat het verleggen van de grenzen bij jongeren, bij vrouwen, kan teweegbrengen (dat valt technocratisch niet te beheersen). Anderzijds kun je ook vrolijk zeggen dat dit Europa al compleet voorbijgestreefd is nog voor het is begonnen, voorbijgestreefd door de bewegingen uit het oosten. Dat zijn serieuze vluchtlijnen. Een andere richting die in Mille plateaux wordt aangeduid is dat we niet alleen eerder moeten kijken naar vluchtlijnen dan naar contradicties, maar ook eerder naar minderheden dan naar klassen. En ten slotte nog een derde richting: dat we een statuut moeten zoeken voor de “oorlogsmachines”. Deze worden helemaal niet gekenmerkt door oorlog maar door een bepaalde manier om de ruimte-tijd te bezetten en op te vullen: revolutionaire bewegingen (men ziet bijvoorbeeld niet genoeg in welke mate de PLO een ruimte-tijd moest uitvinden in de Arabische wereld) maar ook artistieke bewegingen zijn oorlogsmachines.

U zegt dat dit alles een tragische of melancholische toon heeft. En ik denk wel dat ik zie waarom. Ik was erg getroffen door de bladzijden waarin Primo Levi uitlegt dat de nazikampen ons hebben opgezadeld met “de schaamte een mens te zijn”. Dat betekent niet, zegt hij, dat we allemaal verantwoordelijk zijn voor het nazisme, zoals men ons wil doen geloven. Maar we werden er wel mee bevuild: zelfs de overlevenden hebben compromissen moeten sluiten, al was het maar om in de kampen te kúnnen overleven. De schaamte dat er mensen zijn geweest om nazi te zijn, de schaamte dat men het niet heeft kunnen of mogen voorkomen, de schaamte dat men compromissen heeft gesloten, dat noemt Primo Levi allemaal de “grijze zone”. Die schaamte een mens te zijn ondervinden we soms ook in ronduit belachelijke omstandigheden: ten aanzien van een al te grote vulgariteit in het denken bijvoorbeeld, of bij een televisieshow, of wanneer we luisteren naar de toespraak van een minister of naar de praatjes van ‘bon-vivants’. Die schaamte is een van de krachtigste motieven van de filosofie, en maakt er noodgedwongen een politieke filosofie van. Er is in het kapitalisme maar één ding universeel, en dat is de markt. Er is geen universele staat, net omdat er een universele markt is waarvoor de diverse staten als haard, als beurs dienen. De markt universaliseert of homogeniseert niet; ze is integendeel een fantastische fabriek voor rijkdom en ellende. De mensenrechten werken actief mee aan het liberale kapitalisme; ze zullen ons nooit in de verleiding kunnen brengen om de ‘geneugten’ daarvan voor lief te nemen. Er is niet één democratische staat die niet tot in het diepst van zijn vezels betrokken is in de fabricage van menselijke ellende. Het beschamende is wel dat we over geen enkel probaat middel beschikken om de verschillende wordingen veilig te stellen en a fortiori ook te laten ontkiemen, ook niet in onszelf. Welke richting een groep uitgaat en hoe zo’n groep in de geschiedenis terug zal vallen, dat alles zou een voorwerp van aanhoudende ‘zorg’ moeten zijn. We beschikken niet langer over een beeld van de proletariër waar we ons alleen maar bewust van zouden moeten worden.

T.N.: Hoe kan het minderheid-worden een kracht zijn? Hoe kan verzet opstand worden? Als ik u lees, twijfel ik altijd aan de antwoorden die je op zulke vragen moet geven, ook al vind ik in uw boeken altijd een impuls die me ertoe verplicht dergelijke vragen theoretisch en praktisch te herformuleren. En toch, als ik lees wat u allemaal schrijft over de verbeelding of over “datgene wat aan alles gemeen is” bij Spinoza, als ik in L’image-temps volg hoe u de vorming van de revolutionaire filmkunst in derde wereldlanden beschrijft, als ik dan samen met u greep krijg op de overgang van beeld naar “fabulatie” en politieke praxis, krijg ik bijna het gevoel dat ik een antwoord heb gevonden… Of vergis ik mij? Is er een manier om het verzet van de onderdrukten effectief te laten worden en het ontoelaatbare definitief uit te wissen? Is er een manier waarop de massa singulariteiten en atomen die we allemaal zijn zich kan presenteren als constituerende macht, of moeten we integendeel de juridische paradox aanvaarden dat die constituerende macht alleen door de geconstitueerde macht kan worden gedefinieerd?

G.D.: Het onderscheid tussen minderheden en meerderheden is geen kwestie van aantallen. Een minderheid is soms talrijker dan een meerderheid. De meerderheid wordt bepaald door een model waaraan je je moet conformeren: de gemiddelde volwassen mannelijke Europese stedeling bijvoorbeeld. Een minderheid heeft geen model, ze is een wording, een proces. De meerderheid is niemand, zou je kunnen stellen. Iedereen is in een of ander opzicht betrokken in een minderheid-worden dat hem onbekende paden zou laten bewandelen als hij eenmaal zou beslissen het te volgen. Wanneer een minderheid haar modellen schept, doet ze dat omdat ze een meerderheid wil worden, en voor haar overleven en haar welzijn is dat misschien ook wel onvermijdelijk (ze wil bijvoorbeeld een eigen staat, ze wil erkend worden, haar rechten kunnen doen gelden). Maar ze put haar kracht uit wat ze kon creëren, en dat is iets wat in het model ook min of meer behouden blijft, zonder dat het van dit model afhangt. Het volk is altijd een creatieve minderheid, en dat blijft het ook wanneer het een meerderheid verovert: die twee dingen kunnen samengaan omdat ze niet op hetzelfde niveau worden beleefd. De grootste kunstenaars (géén populistische kunstenaars) beroepen zich op een volk en moeten vervolgens vaststellen dat ‘het volk ontbreekt’: Mallarmé, Rimbaud, Klee, Berg. In de filmkunst zijn er de Straubs. De kunstenaar kan niet anders dan zich beroepen op een volk, hij heeft het nodig in het diepst van wat hij doet, hij hoeft het volk niet zelf te creëren; hij kán dat ook niet. Kunst is wat weerstand biedt: verzet tegen de dood, tegen slavernij, laagheid en schaamte. Maar het volk kan zich niet met kunst bezighouden. Hoe creëert een volk zichzelf, in wat voor afschuwelijk leed? Wanneer een volk zichzelf creëert, doet het dat met eigen middelen, maar ook om aansluiting te vinden bij iets wat tot de kunst behoort (Garrel zei dat ook in het Louvre een afschuwelijke massa leed ligt opgeslagen), of opdat de kunst aansluiting vindt bij wat aan de kunst ontbrak. Utopie is geen goed concept: we zouden beter spreken over een ‘fabulatie’ die door het volk en de kunst wordt gedeeld. We zouden Bergsons begrip ‘fabulatie’ weer op moeten pikken om er een politieke betekenis aan te geven.

T.N.: In uw boek over Foucault en later ook in het tv-interview voor het Institut national de l’audiovisuel heeft u een grondigere studie van drie machtspraktijken voorgesteld: het Soevereine, het Disciplinaire en vooral de Controle over de ‘communicatie’, die vandaag dominant wordt. Het laatste scenario verwijst naar de extreem geperfectioneerde overheersing die ook het taalgebruik en de verbeelding aantast. Maar anderzijds is iedereen, zijn alle minderheden en singulariteiten vandaag meer dan ooit potentieel in staat het woord te nemen en zo een grotere vrijheid te verwerven. In de utopie van Marx’ Grundrisse wordt het communisme juist geconfigureerd als een transversale organisatie van vrije individuen, met een technische basis die er de voorwaarden voor garandeert. Is het communisme nog denkbaar? Misschien is het in onze communicatiemaatschappij wel minder utopisch dan tot voor kort?

G.D.: Ongetwijfeld komen we nu in het tijdperk van de ‘controlemaatschappijen’, maatschappijen die niet echt disciplinair meer zijn. Foucault wordt vaak gezien als de denker van de disciplinemaatschappijen, met hun voornaamste techniek, de insluiting (niet alleen het ziekenhuis en de gevangenis, maar ook de school, de fabriek, de kazerne). Maar het is ook zo dat Foucault een van de eersten was die zei dat we de disciplinemaatschappijen al aan het verlaten zijn, dat de disciplinemaatschappij nu al is wat we niet meer zijn. We komen terecht in controlemaatschappijen die niet meer functioneren via insluiting maar via permanente controle en instantcommunicatie. Burroughs heeft dat als eerste geanalyseerd. Natuurlijk hebben we het nog voortdurend over gevangenissen, scholen en ziekenhuizen: die instituties verkeren in een crisis. Maar hun crises zijn achterhoedegevechten. Nieuwe types van sanctionering, opvoeding en zorgverlening worden voorzichtig in stelling gebracht. De eerste open ziekenhuizen, thuisverplegingsteams enzovoort, hebben al lang hun opwachting gemaakt. Het ziet ernaar uit dat opvoeding zich steeds minder zal afspelen in een gesloten milieu dat zich onderscheidt van de werkvloer als ander gesloten milieu. Beide milieus zullen plaatsmaken voor een extreme vorm van permanente opleiding en controle, uitgeoefend op de arbeider die tegelijk leerling is of op de universitair die tegelijk actief is in de staf van een onderneming. Men probeert ons wijs te maken dat het onderwijs wordt hervormd, maar het wordt eigenlijk geliquideerd. In een regime dat gebaseerd is op controle ben je nooit ergens mee klaar. Een hele tijd geleden heeft u zelf nog een mutatie in de Italiaanse arbeidsomstandigheden geanalyseerd, met vormen van tijdelijke arbeid en thuisarbeid die sindsdien gemeengoed zijn geworden (en nieuwe vormen van circulatie en distributie van producten). Voor elk maatschappijtype kun je makkelijk een typische machine noemen: eenvoudige of dynamische machines voor soevereiniteitsmaatschappijen, energetische machines voor disciplinemaatschappijen, cybernetica en computers voor controlemaatschappijen. Maar machines verklaren niets: je zou een analyse moeten maken van de collectieve inrichtingen waar ze slechts een onderdeel van zijn. In vergelijking met de vormen van onophoudelijke controle in open milieus die ons te wachten staan, zouden we nog wel eens de indruk kunnen krijgen dat de hardere vormen van insluiting tot een heerlijk, zachtaardig verleden behoren. Het onderzoek naar de “universalia van de communicatie” doet ons het ergste vrezen. Natuurlijk verschijnen er ook al vormen van delinquentie of verzet (twee verschillende zaken) nog vóór de controlemaatschappijen daadwerkelijk georganiseerd zijn. Hacking of computervirussen zullen bijvoorbeeld in de plaats komen van stakingen en van wat men in de 19de eeuw ‘sabotage’ noemde (de klomp – sabot – in de machine gooien). U vraagt mij of de controle- of communicatiemaatschappijen geen vormen van verzet zullen losweken die nieuwe kansen bieden aan een soort van communisme, opgevat als “transversale organisatie van vrije individuen”. Dat weet ik niet, misschien. Maar dan niet in die mate dat minderheden opnieuw het woord zullen kunnen nemen. Misschien zijn het taalgebruik en de communicatie wel al helemaal rot. Ze zijn helemaal doordrongen van geld: niet per ongeluk maar van nature. De taal moet oneigenlijk gebruikt worden. Creatie is altijd al iets anders geweest dan communicatie. Het belangrijkste is misschien dat er holtes met non-communicatie en stroomonderbrekers worden gecreëerd om aan de controle te ontsnappen.

T.N.: In Foucault en in Le pli lijken de subjectiveringsprocessen meer aandacht te krijgen dan in sommige van uw andere boeken. Het subject is de limiet van een continue beweging tussen een binnen en een buiten. Wat zijn de politieke consequenties van deze opvatting van het subject? Als het subject niet in de exterioriteit van het burgerschap kan worden opgelost, kan het dit burgerschap dan vestigen in de kracht [puissance] en in het leven? Kan het subject een nieuwe militante pragmatiek mogelijk maken, tegelijk pietàs voor de wereld en uiterst radicale constructie? Welke politiek kan de schittering van evenement en subjectiviteit doorgeven in de geschiedenis? Hoe denk je een gemeenschap zonder fundament die toch kracht heeft, een gemeenschap zonder totaliteit maar die toch, zoals bij Spinoza, absoluut is?

G.D.: Je kunt inderdaad spreken van subjectiveringsprocessen als je kijkt naar de uiteenlopende manieren waarop individuen of collectiviteiten zich als subject constitueren: zulke processen zijn slechts geldig wanneer ze bij hun totstandkoming ontsnappen aan de al geconstitueerde kennis [les savoirs constitués] en de heersende machten. Zelfs als ze achteraf nieuwe machten in het leven roepen of opnieuw in nieuwe kennis overgaan. Maar op het moment zelf hebben ze wel een rebelse spontaniteit. Dat heeft niets te maken met een terugkeer naar het ‘subject’, naar een instantie die is toegerust met plichten, macht en kennis. In plaats van te spreken over subjectiveringsprocessen zou je evengoed kunnen spreken over nieuwe types van evenementen: evenementen die niet worden verklaard door de toestand waar ze uit voortkomen of waar ze opnieuw in vervallen. Ze steken plots de kop op, en net dat ogenblik is belangrijk, een kans die je moet grijpen. Of je zou ook gewoon van brein kunnen spreken: het brein is juist de limiet van een continue beweging in twee richtingen tussen een Binnen en een Buiten, het membraan tussen beide. Nieuwe wegen die in de hersenen worden gebaand, nieuwe wijzen van denken, verklaar je niet via microchirurgie; het is de wetenschap die moet trachten te ontdekken wat er in het brein eventueel is gebeurd om op deze of gene manier te kunnen gaan denken. Subjectivering, evenement of brein, volgens mij is dat zo’n beetje hetzelfde. Geloof in de wereld, dat missen we nog het meest van al. We zijn de wereld helemaal kwijtgespeeld, men heeft ons de wereld afgenomen. Geloven in de wereld betekent ook evenementen losmaken die, hoe klein ze ook zijn, aan de controle ontsnappen, of nieuwe ruimte-tijden doen ontstaan, zelfs oppervlakkige of kleinschalige. Dat is wat u pietàs noemt. Bij elke poging moet de verzetscapaciteit of integendeel de onderwerping aan de controle worden beoordeeld. Er is nood aan creatie én volk tegelijk.

Vertaling uit het Frans: Piet Joostens

Bovenstaande tekst is de vertaling van het gesprek Contrôle et devenir dat eerst werd gepubliceerd in het tijdschrift Futur antérieur (nr. 1, lente 1990) en daarna werd opgenomen in Pourparlers. 1972-1990, Parijs, Minuit, 1990, pp. 229-239.

 

Een gesprek over subsidies

Naar aanleiding van de tekst van Hans Abbing organiseerde de redactie een groepsdiscussie met enkele specialisten en veldspelers die van dichtbij met de subsidieproblematiek te maken hebben.

 

Deelnemers:

Hans Abbing (HA)

Pascal Gielen (PG)

Bart Meuleman (BM)

Jerome Symons (JS)

Hans van Dulken (HvD)

Bart Verschaffel (BV) (moderator)

Camiel van Winkel (CvW)

 

Bart Verschaffel: Wat hebben jullie uit de tekst van Hans Abbing overgehouden?

Hans van Dulken: Ik apprecieer de tekst van Hans, maar ik denk dat de stelling dat subsidies het aantal kunstenaars verhogen en het inkomen verlagen, genuanceerd moet worden. Ik vraag me vooral af wat de reikwijdte is van die uitspraak. Geldt dit specifiek voor de beeldende kunst, of raakt deze uitspraak ook aan andere disciplines?

Pascal Gielen: Ik heb geen problemen met het globale betoog, en evenmin met het betoog over de WIK-regeling, maar de tekst suggereert ten onrechte dat dit verhaal kan worden doorgetrokken naar de subsidieproblematiek in het algemeen. Er wordt op twee niveaus veralgemeend; ten eerste spreekt de tekst over de kunst terwijl hij volgens mij alleen van toepassing is op beeldende kunst, en ten tweede spreekt hij over subsidies zonder meer, terwijl hij slechts op één type subsidies betrekking heeft. De WIK is een sociale regeling voor de kunsten, en verschilt van subsidies die selectief en volgens inhoudelijke criteria toegekend worden.

Jerome Symons: Ik vraag me af waarom dit stuk geschreven is. Als je het vanuit een iets andere optiek bekijkt en het woord kunstenaar vervangt door kunstproducties, dan leiden subsidies niet meer tot lagere inkomsten maar tot meer kunstproducties, en ik zou niet weten wat daar op tegen is. De kunst wordt hier gereduceerd tot de kunstenaars, en het verwondert mij dat een econoom niet het product en het belang van dat product in rekening brengt.

Bart Meuleman: Ik voel me minder aangesproken door de economische kant van de tekst. Mij interesseert vooral het filosofische aspect dat als een onderstroom in Abbings betoog aanwezig is. Ik heb het dan minder over de vraag of de overheid de kunst moet subsidiëren of niet – ik ga er sowieso van uit dat dit haar taak is – maar over het probleem dat een subsidiërende overheid, of ze nu wil of niet, ook altijd de idee kunstenaar subsidieert: de mythe van de kunstenaar en alles wat daaromheen hangt.

 

Het economische paradigma

BV: Laat ons even scherpstellen op het feit dat Hans Abbing de subsidieproblematiek geheel in economische termen opvat. Om te beginnen heeft subsidiëring voor hem enkel een sociaal-economische doelstelling, namelijk een behoorlijk inkomen voor de kunstenaars. Vervolgens constateert hij dat de leden van die beroepsgroep economisch irrationeel handelen, aangezien ze niet alles doen om hun inkomen te maximaliseren, maar voor hun kunst gaan leven.

Hans Abbing: Mijn analyse is inderdaad economisch, maar steunt tegelijk op een sociologische kijk op de mens, waarbij ik bij kunstenaars een neiging vaststel om voor minder dan een gewoon inkomen te werken. Met name bij beeldend kunstenaars is die neiging sterk, dat leid ik af uit de lage inkomens. Hoewel ik daar minder cijfers over heb, vermoed ik dat je bij andere scheppende kunstenaars zoals schrijvers of componisten ongeveer hetzelfde verschijnsel tegenkomt. Ik zou niet zeggen dat kunstenaars daarom economisch irrationeel handelen. Als er meer overheidsgeld komt, merk je immers dat er meer bijen op de honingpot afzwermen, en dat is volledig in overeenstemming met een economische logica. Het opvallende is echter wel dat ze, ook wanneer ze elders meer honing zouden kunnen krijgen, toch naar die subsidiepot blijven toestromen en kunst willen maken. Dat is voor mij het sociologische aspect: er is een habitus die de bereidheid tot ‘offeren’ inhoudt – een habitus die mythisch bezet is.

BV: Als jij stelt dat er te veel kunstenaars zijn, dan bedoel jij een te groot aanbod voor een te kleine vraag. Maar kan je hier uitgaan van een economische vraag? Wat is dat eigenlijk, die vraag van de samenleving naar kunst?

HA: Ik zeg eigenlijk nergens dat er te veel kunstenaars zijn, maar ik heb het inderdaad over een vraag, en ik zie dat in relatie tot een publiek: de steun zorgt ervoor dat veel mensen kunstenaar willen zijn, waardoor veel kunstenaars niets verkopen en hun werk geen bestemming vindt. Dat klinkt misschien platvloers en simpel, maar het is vrij doorslaggevend voor mezelf. Een kunstenaar wil toch door zijn arbeid meewerken aan de reproductie van menselijk leven.

BV: Maar kun je die maatschappelijke vraag naar kunst meten? Jij verwijst naar vroegere tijden, toen kunstenaars het beter hadden, maar toen was de verhouding tussen kunst en samenleving harmonieuzer en was er inderdaad vraag naar artistieke producten voor representatie, decoratie enzovoort. Vandaag staat de kunst echter in een meer gespannen en kritische verhouding tot de samenleving. Het is maar de vraag of je de zin van kunst dan nog kan denken vanuit een maatschappelijke vraag naar kunst. Volgens mij is het een van de basisinzichten van kunst in de twintigste eeuw dat de moderne kunst niet ‘past’ in de wereld en de wereld eigenlijk niet om kunst vraagt.

HA: Dat valt mee hoor, er zijn behoorlijke markten, alleen is het aanbod wel erg groot. De beeldende kunstmarkt in Nederland is niet klein. Maar tegelijk moet je die markt ook laten beslissen en verschuivingen accepteren. Ik geef een voorbeeld. In de negentiende eeuw kwam op een gegeven moment de fotografie op, waardoor de portretfotografen brood wegnamen van de portretschilders. De vraag naar geschilderde portretten verminderde. Dat gaat over heel simpele marktverhoudingen. Is dat vreselijk? Had men toen portretschilders moeten subsidiëren of promotie voeren voor het geschilderde portret? Uiteindelijk is die portretschilderkunst wel een beetje teruggekomen, en inmiddels zijn fotografen ook kunstenaars geworden. Je kunt dus treuren over de teloorgang van de portretschilderkunst, maar uiteindelijk komt er ook weer iets anders voor in de plaats, en die ontwikkeling moet je ook kansen geven.

Camiel van Winkel: Tegelijk houdt jouw tekst toch heel sterk vast aan het model van die portretschilder die op bestelling werkt. De kunstenaar lijkt in jouw betoog op een loodgieter: iemand die bepaalde duidelijk omschreven diensten levert, waar een kwantificeerbare behoefte aan bestaat. Ik geloof niet dat je dat kan volhouden. Jij stelt dat de aanwezigheid van grote aantallen kunstenaars betekent dat heel veel kunstenaars weinig of niets verkopen. Dus als er veel minder kunstenaars zouden zijn, zouden die elk veel meer werk verkopen? Ik denk dat dat onzin is.

HA: Het zou toch vreemd zijn als er niet wat meer werk voor de overblijvers zou ontstaan.

JS: Kunstenaars brengen hun eigen vraag mee. Meer kunstenaars betekent gewoon meer vraag.

HA: Was dat maar zo. Dat blijkt duidelijk niet het geval.

 

De gelaagdheid en complexiteit van het beleid

BV: Laten we een onderscheid maken tussen een kunstenbeleid en een kunstenaarsbeleid, en dit zien in relatie tot drie soorten van overheidsbemoeienis en subsidiëring. Ten eerste kan de overheid een sociaal kunstenaarsbeleid voeren dat zich richt op de volledige beroepsgroep, dat wil zeggen op iedereen die als kunstenaar wil werken, zonder onderscheid. Ten tweede investeert de overheid in de culturele infrastructuur, in theaters, symfonieorkesten, musea, kunsthallen enzovoort. Ook deze instellingen zijn een bron van inkomsten voor kunstenaars, en zijn dus indirecte subsidiekanalen. De verantwoordelijken van die instellingen werken met kunstenaars, maar zonder dat deze hun loon als een officiële beloning of erkenning kunnen beschouwen. Ten derde kan de overheid een selectief kunstenbeleid voeren: zij ondersteunt dan de kunst die zij belangrijk vindt, bijvoorbeeld via aankopen of werkbeurzen, waarbij de subsidiëring voor de kunstenaar wel degelijk een officiële erkenning en een uitverkiezing inhoudt. Binnen dit geheel van de subsidiëring vormt het sociale kunstenaarsbeleid waarover Abbing het in zijn tekst heeft dus maar een deelproblematiek.

HA: Ik hou er terdege rekening mee dat er verschillende soorten subsidies bestaan. Mijn verhaal concentreert zich weliswaar op de sociale subsidies, maar is relevant voor alle vormen van subsidies, voor al het geld dat naar de kunst gaat. De algemene stelregel binnen mijn benadering is dat alle subsidievormen hetzelfde nadeel hebben: ze leiden allemaal tot grotere aantallen kunstenaars en dus tot lagere inkomens per kunstenaar. Maar bij een kunstenbeleid en een infrastructuurbeleid zijn de voordelen die daar tegenover staan duidelijk groter, terwijl bij een sociaal beleid de voordelen niet opwegen tegen het nadeel. Het voordeel daar had immers een verhoging van de inkomens moeten zijn, en het resultaat is net het omgekeerde. Op de twee andere beleidsniveaus heb je hetzelfde nadeel, maar dit keer staan er wellicht voordelen tegenover. In dat geval kun je ervoor kiezen om het nadeel op de koop toe te nemen.

BV: Een selectief kunstenbeleid heeft toch niet als effect dat er veel kunstenaars zijn? Het garandeert enkel dat een kleine groep kunstenaars min of meer behoorlijk kan werken. Hetzelfde geldt voor de instellingen: dat Vlaanderen een eigen opera en enkele orkesten heeft, en zo een groep muzikanten een inkomen verzekert, betekent toch niet dat er steeds meer muzikanten bijkomen. Een selectief en een voorwaardenscheppend beleid heeft trouwens niet als doel het inkomen van de kunstenaar op peil te brengen: ze moeten samen goede kunst mogelijk maken.

HA: Wanneer zo’n beleid op dat vlak een verkeerde uitwerking heeft, moet de beleidsmaker daar wel rekening mee houden. Wat niet belet dat hij nog steeds kan zeggen: wat ik wél wil, is zo belangrijk dat ik dat neveneffect op de koop toeneem, en dat zou ik in dit geval ook terecht vinden.

HvD: In dat verband denk ik dat het verhaal van Hans opgaat voor scheppende kunstenaars, componisten, schrijvers en beeldend kunstenaars. Maar als je het hebt over een kunstenaarsbeleid voor uitvoerende kunstenaars, zoals dansers en acteurs, dan krijg je een ander verhaal. Daar wordt onderhandeld over lonen, er worden CAO’s afgesloten, er zijn belangenverenigingen zoals de vereniging van toneelgezelschappen. Het verhaal van Hans heeft dus betrekking op individuele subsidies aan beeldend kunstenaars, en niet op subsidies aan instellingen die voornamelijk met uitvoerende kunstenaars werken.

HA: Toch denk ik dat er ook binnen de uitvoerende kunsten grote groepen zijn waarvoor hetzelfde geldt als voor scheppende kunstenaars. Talloze musici komen niet in orkesten of ensembles aan de bak, en moeten dan maar wat schnabbelen.

PG: Ik denk toch dat de redenering van Hans nog in een ander opzicht tekortschiet. Een kunstenbeleid heeft niet alleen een economische maar ook een symbolische dimensie. Het doet uitspraken over wat belangrijk is in deze samenleving. Die erkenning gaat uit van een officieel fonds of een officiële commissie, meestal samengesteld uit de peergroup van de kunstwereld, wat het symbolisch effect van de selectie nog vergroot. Er is op dat vlak wel een verschil tussen de podiumkunsten en de beeldende kunst. In de podiumkunsten verleent vooral de overheid symbolisch krediet, terwijl er in de beeldende kunst veel meer consacreringspunten naast elkaar bestaan, met naast de overheid ook museumdirecteuren, internationale curatoren en belangrijke verzamelaars. Ook in dat opzicht is Hans’ tekst reducerend. Hij laat de symbolische, sociologische en artistieke factoren wegvallen.

JS: Ik wil ook wijzen op de politieke dimensie van een overheidsbeleid voor de kunsten. Men kan historisch aantonen dat de moderne kunstenaars de zaak van de vrijheid dienen. In die zin is een kunstenaarsbeleid niet alleen een zaak van inkomens die veiliggesteld worden, maar gaat het om het behoud van een oord in het maatschappelijk bestel waar men kan opkomen voor de vrijheid wanneer deze in het geding komt. Het gaat om het beschermen van een universele en permanente menselijke capaciteit…

BV: Dat kun je ook en beter doen door die vrijplaats waar kunst kan worden gemaakt, institutioneel te verankeren. Daarvoor is geen sociaal kunstenaarsbeleid nodig.

BM: Het subsidiëren van instellingen betekent nog niet dat kunstenaars kunnen leven. Het gebeurt nu vaak bij kunstprojecten dat iedereen normaal en goed betaald wordt, tot de drukker en de vertaler, terwijl alleen de kunstenaar nagenoeg gratis werkt.

PG: De overheid kan op dat vlak wel dirigistisch optreden, door te zeggen dat musea kunstenaars moeten betalen op straffe van het intrekken van subsidies.

JS: In Nederland is er op dat vlak absoluut geen eenvormige regel, en daar moet zeker verandering in komen, zodat de kunstenaars niet als enigen onbezoldigd blijven. Momenteel wordt bij opdrachten het meeste geld gewoon in de maatschappij teruggepompt. Het vloeit niet naar de kunstenaars, maar gaat op aan diensten nodig om die kunst te realiseren.

 

Cultureel ondernemerschap en het primaat van de vraag

HvD: Het is ook van belang te wijzen op het paradigma waarin de WIK past. In de jaren tachtig en negentig ontstond de idee dat kunstenaars zich op de markt moeten oriënteren. Cultureel ondernemerschap heette dat. Maar de beleidsmakers meenden dat de kunstenaar dan wel de kans moet krijgen om cultureel ondernemer te worden, dus bedacht men een tussenfase van een aantal groeijaren waarin de kunstenaar zich op de markt kan oriënteren.

PG: Misschien is dat niet slecht, op voorwaarde dat men het aan bepaalde criteria bindt. De kunstenaar moet dan kunnen aantonen dat hij zich inderdaad op de markt beweegt, dat hij tentoonstellingen heeft en werk verkoopt. Lukt dat niet, dan vallen de subsidies weg.

Het is typisch voor de politiek dat zij niet goed raad weet met het artistieke bedrijf en het daarom sociaal vertaalt. Dat is in Vlaanderen heel lang het beeldende kunstbeleid geweest: geen kunstenbeleid maar steun aan kunstenaars. Men dacht, we moeten nog eens een werkje kopen, want die kunstenaars hebben het al niet breed.

BM: Maar dat doet men bij Ford Genk ook, dus wat dat betreft zijn kunstenaars niet zo uitzonderlijk. En het is allicht maar goed dat een dergelijk sociaal perspectief niet wordt uitgeschakeld. Men moet de kunstensector niet bij voorbaat een uitzonderingspositie toedichten. Wel merkt men dat het subsidiedebat steeds, alleen omdat het over kunst gaat, een symbolische meerwaarde krijgt. Subsidiekwesties in de kunsten zijn altijd symbooldossiers, er is altijd méér in het geding dan geld alleen – terwijl het financieel gezien toch om peanuts gaat in vergelijking met de subsidies die naar de landbouw of de industrie gaan.

HvD: In Nederland verlegt men het accent van een aanbodgericht naar een vraaggericht kunstbeleid. Zeker op het gebied van de podiumkunsten worden steeds opnieuw instrumenten ontwikkeld om de vraag te versterken. De achterliggende idee is dan dat het aanbodgericht beleid geleid heeft tot een vervreemding tussen kunst en publiek, en met een vraagstimulerend beleid meent men in te kunnen spelen op de wensen van het publiek… In het huidige neoliberale tijdsgewricht wordt het immers steeds moeilijker iets te steunen waarvoor geen belangstelling bestaat. In de jaren zeventig kon je aanhaken bij de welzijnslegitimatie, maar wat dat betreft komt de legitimeringspraktijk steeds meer onder druk te staan. Dus moet de ‘vraag’ geactiveerd worden.

BM: In die context begrijp ik ook waarom er zoveel wrevel bestaat over een betoog als dat van Hans Abbing. We zitten momenteel in een populistisch klimaat en elke kritiek of zelfkritiek van de kunstensector wordt al heel snel, terecht of onterecht, als een pleidooi voor een afbouw van subsidiëring gelezen. Daarom is het belangrijk dat we het gesprek op een genuanceerde manier voeren, en dat we duidelijk maken dat we niet meewerken aan de afbouw van subsidiëring, maar misschien zoeken naar een beter evenwicht. Ik denk ook niet dat je het belang van de ‘vraagzijde’ daarbij moet uitsluiten. Tegelijk denk ik dat je nooit mag afstappen van het principe dat een overheid het marktmechanisme moet corrigeren. Dat is een basisvoorwaarde.

PG: Ik vind dat de overheid meer moet doen dan corrigeren. Zij moet ook garanderen, bijvoorbeeld garanderen dat er een ruimte blijft voor kunst. Dat is een heel andere stelling dan de neoliberale stelling die ervan uitgaat dat de overheid alleen maar wat moet corrigeren wanneer het marktmechanisme niet goed werkt. Ik vind dat een overheid kan poneren. Zij kan zeggen: dat is een waarde, dat is onze ideologie, en daar gaan we voor.

HA: Ik zou daar graag een heel ander standpunt tegenoverstellen – en ik ga nu even polariseren. Vaak wordt gezegd dat de overheid de markt moet corrigeren, maar je kunt ook het tegendeel zeggen, namelijk dat de markt heel gevarieerd is en dat er – zeker bij een kleinschalig product als beeldende kunst – heel wat kleine niches zijn en er voor elk soort werk wel ergens een potentiële vraag is. De overheid is daarentegen monomaan en bevoordeelt al lange tijd een bepaald soort kunstenaars volgens een bepaald paradigma. De gediversifieerde markt geeft ook kansen aan wie officieel afgewezen zou worden.

JS: De activiteit van kunstenaars past echter steeds minder in dit model van de producent die een kunstproduct op de markt aanbiedt om afnemers te vinden. Althans in Nederland worden kunstenaars steeds vaker betrokken bij projecten van stedelijke vormgeving. Tegelijk is er de tendens om kunst steeds meer als communicatie op te vatten, en minder als productie van objecten. Kunstenaars zijn steeds meer geneigd om zich eerst af te vragen wat hun publiek is, waar het publiek is, en wat zij daarmee gaan doen. Die beweging spoort met een tendens waarbij overheden af willen van de heiligheid van de kunsten, en de waarde van kunst meer in termen van maatschappelijke processen gaan zien. Natuurlijk werkt de erfenis van de avant-garde daarin door: de kunstenaar wordt een groot moreel krediet toegedicht, hij wordt vaak ingezet als gewetensfunctie. Het valt mij op dat er een enorme behoefte is bij mensen die ontwerpen maken voor de samenleving, om op zijn minst in dialoog te verkeren met mensen die een ander soort begrippenkader hebben dan louter het functionele.

CvW: Toch denk ik dat die ontwikkeling helemaal past in het vraaggericht beleid, waarbij de kunstenaar wordt gezien als iemand die een bepaalde dienst levert waar maatschappelijke kanalen voor bestaan.

HA: Ben jij daar tegen?

CvW: Ik bestrijd de economische logica daarvan. Ik geloof ook niet dat de beeldende kunst een welomschreven maatschappelijke expertise inbrengt.

HA: Er zijn veel kunstenaars die zich presenteren als leveranciers van diensten. Waarom niet? Marketing is een beetje deel van de kunst, je kunt dat niet meer scheiden.

BV: Dus jij kan in dit subsidiëren van de kunstenaar-communicator meegaan? Omdat hij op een vraag ingaat?

HA: Ja, waarom niet. Je moet wel even aftasten of de subsidie niet te hoog of te laag is. Het moet goed werken, maar mag ook niet te goed werken. Over een bepaalde tijd kan de subsidie weer afgebouwd worden.

BV: Als het over diensten gaat, moet dat toch helemaal niet afgebouwd worden, net zomin als je moet ophouden de architecten of de sociologen te betalen waarmee die kunstenaars samenwerken?

HA: Toch wel, want uiteindelijk moet de vraag tot samenwerking van de producenten zelf komen. Als het om bruikbare expertise of een goed product gaat, dan kunnen die clubs het ook zelf gaan betalen. Er kan dan een regeling voor steun bestaan, voor vijf jaar bijvoorbeeld, en dan moet dat weer verplicht geëvalueerd worden.

PG: Toch heeft de overheid andere instrumenten om ervoor te zorgen dat een kunstenaar niet uitsluitend afhankelijk is van rechtstreekse steun of zich moet omvormen tot creatief adviseur. Een overheid kan er ook voor zorgen dat kunstenaars opgemerkt worden door artistieke instellingen en initiatieven, en dat ze internationaal worden uitgenodigd. Dit vind ik in elk geval een veel interessantere en meer overdachte beleidsstrategie dan een loutere inkomenspolitiek. Want met zo’n inkomen doe je wat je wilt. Je leunt rustig achterover of je gaat aan de slag. Tegelijk mag een beleid dat de deelname aan dergelijke projecten steunt, niet uitgaan van een natiestaatpolitiek, waarbij de kunstenaar in grote kunstprojecten wordt ingeschakeld, zonder dat hij de kans krijgt om duurzame contacten te leggen in het land waar hij werkt. Op dat vlak voert Nederland een heel andere politiek, het voert een echt netwerkbeleid, zoals ik in New York heb kunnen constateren.

JS: Of dat soort van netwerkvorming officieel gesteund wordt of niet is afhankelijk van de inspanningen van de Nederlandse cultureel attaché in dat land. Je mag dat niet veralgemenen. De Mondriaan Stichting houdt zich ook bezig met networking, het Fonds BKVB voorziet in een aantal gastateliers verspreid over heel de wereld. De kunstenaars die er gebruik van maken en de curatoren die dat begeleiden, kunnen zo inderdaad hun werkbasis verbreden. Toch heeft Nederland geen echt netwerkbeleid. Het is eerder een randverschijnsel.

BM: Een en ander is natuurlijk sterk afhankelijk van de sector. Voor theater en literatuur vormden Vlaanderen en Nederland tot voor kort één werkveld. Er was een tijd dat veel Vlaamse theatermakers gemakkelijk in Nederland konden werken. Maar dat lijkt voorbij. En de voornaamste reden waarom men in Nederland niet langer naar Vlaams toneel gaat kijken, is de opkomst in Nederland van de zogenaamde vrije producties of het commerciële toneel.

HvD: En dat heeft weer te maken met de kleine marges in de kunst- en cultuursector. In de jaren tachtig heeft men de overheidstaken geanalyseerd: wat doen het Rijk, de provincie en de gemeente? Voor de kunstsector betekende dit dat men besloot dat het Rijk het aanbod zou gaan subsidiëren, en de gemeenten de accommodaties – de afname, de zaal… Voor het toneellandschap betekende dit dat een theaterdirecteur voortaan drie heren moest dienen: het beleidsparadigma van de rijksoverheid, het artistiek paradigma van de gezelschappen die al dan niet bij hem willen komen spelen, en de wethouder van de gemeente die eigenaar is van de zaal en de zaal vol wil zien. De wethouder heeft de uitbating van de zaal verzelfstandigd, de directeur heeft dus inkomsten nodig want de zaal moet zichzelf bedruipen. Die zal dan natuurlijk eerder een populaire cabaretgroep met lichte logistiek en een volle zaal programmeren dan een risicovolle voorstelling uit Vlaanderen voor een klein publiek.

BM: De volgende stap is dat die vrije producties, omdat ze meer publiek trekken en het publiek dus lijken te geven wat het wil, vinden dat zij de subsidies verdienen.

CvW: Datzelfde publiek dat eerst naar Ivo Van Hove ging, gaat nu naar Joop van den Ende?

BM: We zijn intussen vijftien jaar verder. Er komen nieuwe generaties toneelgangers op, en dan zie je dat de situatie verandert. Eigenlijk zou de overheid dat permanent in de gaten moeten houden en bijsturen.

 

De mythe

BM: Hans, jij vertelde dat je 3/10 econoom bent en 7/10 kunstenaar. Betekent dit dat jij je eigen kunstenaarsactiviteit op die manier subsidieert?

HA: Daar komt het op neer. Enkele jaren geleden kon ik nog rondkomen omdat ik tekeningen maakte. Sinds ik fotografeer, gaat dat niet meer, want dat fotograferen kost veel meer geld dan het opbrengt. Mijn bijbaan maakt dat nu wel mogelijk. In dat opzicht ben ik dus een ouderwetse kunstenaar…

BM: Wil je dat de kunstenaar minder betutteld wordt door de overheid? Wil je een kunstenaar die autonomer is?

HA: Dat weet ik niet goed. Het is een tendens dat minder kunstenaars voltijds kunstenaar willen zijn. De bijbaantjes worden populairder. Dat stuit me tegen de borst omdat dit een stap terug in de geschiedenis is. Zo wordt het kunstenaarschap een luxebaan. Enkel wie vermogend is, kan dan nog kunstenaar zijn, dank zij familiekapitaal of een goede bijbaan. Eigenlijk zou ik wensen dat het kunstenaarschap zo wat minder aura krijgt en gewoner wordt, waardoor echte professionalisering mogelijk wordt. We moeten naar een situatie waarin een aantal voltijds kunstenaars professioneel en in goede omstandigheden het beroep kan uitoefenen, zonder al die mythes en status eromheen.

BM: Tegelijk pleit je voor trots en zelfredzaamheid.

HA: Ja, een beroepstrots. Maar de zelfstandigheid betekent niet dat de kunstenaar zich niets van de vraag wil aantrekken, of weigert om zich tot de maatschappij te verhouden.

JS: De beroepskunstenaar hoeft ook niet slechts één soort activiteit te ontwikkelen, hij kan een gemengd bedrijf hebben. Hij kan artistieke producten maken in de traditionele zin, maar daarnaast ook optreden als creatief adviseur, hij kan educatie verzorgen enzovoort.

BM: Eigenlijk is de kloof tussen jou en Hans Abbing niet zo groot.

JS: Ik steiger alleen bij het taalgebruik in zijn tekst. En dat heeft vooral te maken met de idee van de ontheiliging van de kunst die ik daarin terugvind. Het is juist de mythe van de kunst die het voor kunstenaars mogelijk maakt om te functioneren in een in principe kunstvijandige omgeving. De mythe is het masker waar wij baat bij hebben. Ik zou dus oppassen met die ontmythologisering.

HA: Ik ben daar niet zo bang voor, met name omdat die mythe zo ontzettend sterk is dat ik er zelf niet eens aan ontsnap. Ik wil best mijn steentje bijdragen aan die demystificatie, maar die mythe zit ook in mij. Als econoom kan ik mezelf redelijk goed inschatten; ik ken mijn plaats in de maatschappij en de academische wereld, en weet bijvoorbeeld dat ik nog een paar stapjes verder kan komen, maar niet zo heel veel. Als kunstenaar daarentegen kan ik altijd blijven dagdromen over een doorbraak op mijn zeventigste – dat dromen gaat vanzelf. Heb jij dat ook Jerome?

JS: Ja, ik hoop ooit ook nog eens door te breken…

HA: Ik sta er wel van te kijken dat we als kunstenaar plots zo weinig realiteitszin hebben. Op het ene moment heb je dat wel, en op het andere moment helemaal niet. En dat heeft met die kunstenaarsmythe te maken die zelfs bij postmoderne kunstenaars nog doorleeft, in de ironische ontkenning ervan.

BM: Daar hoort bij dat sommigen zich pas echt kunstenaar gaan voelen als ze gesubsidieerd worden.

JS: In Nederland speelt dat een enorme rol, omdat dat een soort inruilbaar krediet is waarmee je zaken kunt doen. Ik heb het meegemaakt dat kunstenaars bij het Fonds BKVB een werkbeurs aanvroegen, niet zozeer omdat ze het geld nodig hadden, maar om bij dat groepje te horen dat erkenning kreeg. Dat was een stap in je carrière die je gehad moet hebben. Je moest op je curriculum vitae kunnen schrijven: werkbeurs.

CvW: Er zijn er ook die het principieel weigeren.

HvD: Afgewezen worden door het Fonds houdt de facto in dat je afgewezen wordt door een commissie van vakgenoten. Dat houdt noodzakelijk een narcistische krenking in: jij bent niet goed genoeg.

JS: Maar dat is nu veranderd. De werkbeurzen zijn nu bestemd voor een zeer kleine groep nationale grootheden en zijn daardoor ook heel prestigieus geworden. De andere kunstenaars kunnen projectsubsidies aanvragen.

HA: De overheid koopt met zo’n project een prestatie.

CvW: Het systeem van projectbeurzen is tamelijk dubbelzinnig. Het gaat er van uit dat de kunstenaar, als een soort bedrijfsleider, vooraf kan zeggen wat die het komende jaar gaat doen, dat hij duidelijke doelstellingen kan formuleren en op voorhand een gedetailleerde begroting kan maken…

PG: De overheid moet daarbij oppassen dat ze niet in een situatie komt waarbij ze niet de interessante kunstenaars steunt, maar investeert in diegenen die vooral bedreven zijn in het schrijven van dossiers, en daardoor mettertijd een soort van staatskunstenaars worden.

 

Transcriptie: David Nolens en Dirk Pültau

Redactie: Dirk Pültau en Bart Verschaffel

 

Colofon

 

Hans Abbing Econoom verbonden aan de Erasmus Universiteit (Rotterdam). Deeltijds kunstenaar.

Pascal Gielen Verbonden aan het Centrum voor Cultuursociologie (KU Leuven). Schrijft over cultuurbeleid.

Bart Meuleman Schrijft essays, toneel en gedichten. Voorzitter van de Raad van Bestuur van De Witte Raaf.

Jerome Symons Beeldend kunstenaar. Adviseur beeldende kunst in de openbare ruimte bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK).

Hans van Dulken Socioloog. Werkte voor de Boekmanstichting (Amsterdam), waar hij publiceerde over beleid. Stafdocent aan de Utrechtse Hogeschool voor de Kunsten.

Camiel van Winkel Kunsthistoricus en -criticus. Werkt aan een boek over het primaat van de zichtbaarheid. Redactielid van De Witte Raaf.

Bart Verschaffel Filosoof. Doceert architectuurtheorie aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent. Redactielid van De Witte Raaf.