Fascisme als diabolisch formalisme

In 1975 regisseerde Pier Paolo Pasolini wat zijn laatste film zou worden: Salò of de 120 dagen van Sodom, een adaptatie van D.A.F. de Sades beruchte Les 120 Journées de Sodome ou L’École du libertinage. Niemand die voor de eerste keer deze film ziet die zich niet een moment afvraagt: waarom moet ik dit zien? Waarom zit ik niet gewoon thuis naar een weekendfilm te kijken? Waarom moet ik deze kelk leegdrinken?

Zoals bijna iedereen weet ik dat het kwaad bestaat. Ik heb er geen verklaring voor, maar ik weet dat het extreme vormen kan aannemen. Ik heb geen onheilsprofeet als Pasolini nodig om mij spiraalsgewijs rond te leiden in de cirkels van het kwaad. Ik weet van Auschwitz, de Goelag, de Culturele Revolutie, de rode Khmer, ik heb erover gelezen, ik heb tientallen documentaires gezien. Ik weet vooral dat dergelijke extreme en op grote schaal georganiseerde gruwel helemaal niet tot het verleden behoort, maar ook vandaag de dag ongestoord doorgaat. Ik behoor tot degenen die zich ergeren aan diegenen die zich opwinden over wat ze ‘middeleeuwse toestanden’ noemen of zich beklagen over het feit dat bepaalde toestanden ‘aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog mogelijk zijn’. Zij ergeren mij omdat zij daarmee suggereren dat wij ‘in principe’ beschaafde lui zijn geworden, en op die manier de gruwel eigenlijk afdoen als een soort onbegrijpelijke ‘regressie’ of als pure achterlijkheid. Zij ergeren mij omdat zij niet willen weten van de radicale moderniteit van de gruwel.

De vraag ‘Waarom in godsnaam Salò?’ is dus ook voor mij legitiem. Ik begrijp dat al diegenen die steeds beweren dat kunst zijn nut niet hoeft te bewijzen, bij het zien van Salò toch de vraag bij zich voelen opkomen waarom deze ‘gore prent’ zo nodig moet. Eveneens begrijp ik dat diegenen, die het sinds lang als een evidentie beschouwen dat kunst niet schoon hoeft te zijn, zich naar aanleiding van Salò naar schoonheid voelen snakken. Ik begrijp dat diegenen die van mening zijn dat kunst moet provoceren na het zien van Salò zeggen dat ze het toch niet zo hebben bedoeld. Ik begrijp dat diegenen die altijd streng stellen dat kunst niet dient om van te genieten, naar aanleiding van Salò zeggen dat een kunstwerk, als het geen minimum aan genot kan verzekeren, zich buiten de kunst plaatst.

Salò leert ons dat de principes van de avant-garde slechts gemeengoed zijn kunnen worden voor zover niemand ze nog werkelijk serieus neemt. Door Salò betrappen we onszelf erop dat we allemaal aristotelianen zijn gebleven: hoe tragisch of ellendig het getoonde ook kan zijn, als het goed verteld en geënsceneerd is, moet de kijker er een genot aan kunnen onttrekken. Een tragedie gaat voor Aristoteles steeds over mensen die, hoewel ze verre van volmaakt zijn, het toch altijd ergens goed menen, maar zich helaas in hun ‘goede bedoelingen’ vergalopperen, verblind worden, de onbedoelde effecten van hun daden niet kunnen beheersen. Dat het pad naar de hel geplaveid is met goede voornemens, dat is tragisch en dat begrijpen we. Maar mensen die ondubbelzinnig slecht zijn, mensen die zonder meer bewust en zonder aanwijsbare reden voor het kwaad kiezen, vormen geen stof voor een tragedie. Kunnen zij hun slechte voornemens realiseren, dan is dat pijnlijk om te zien; falen zij daarin, dan zijn we opgelucht. Maar van ‘tragiek’ is in geen van beide gevallen sprake.

 

Onbegrijpelijk fascisme

Geen aanwijsbaar nut, geen schoonheid, geen genot. Maar wordt de kijker die Salò doorstaat dan wel beloond met meer inzicht? Offert Pasolini, om met Walter Benjamin te spreken, genadeloos de schoonheid op het altaar van een waarheid? In 1951 dicht Pasolini: “In de hel / blijven met het harde, kille voornemen / die te begrijpen, zo zal men het heil zoeken.” [1] De vraag is of Salò ons enig inzicht biedt in de structuur en de oorzaken van de fascistische hel. Niets lijkt minder zeker. Salò heeft niets te bieden dat lijkt op een sociologie, een psychologie of een historische genealogie van het kwaad. Hoewel Pasolini zich een ‘marxist’ noemt, suggereert hij niets over de sociale, economische of politieke oorzaken van het fascisme. Hij situeert zijn verhaal nochtans concreet in de tijd. Alles speelt zich af aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in de ‘Italiaanse Sociale Republiek’ in Noord-Italië, geleid vanuit het stadje Salò aan het Gardameer. De in september 1943 door SS-commando’s uit zijn gevangenis bevrijde Mussolini werd daar door de nazi’s geïnstalleerd als leider van een marionettenregime dat het uithield tot april 1945, de maand waarin Mussolini door partizanen werd vermoord. In een interview heeft Pasolini het over “een periode van louter wreedheid, razzia’s, executies, verlaten dorpen, allemaal nergens voor nodig” [2], maar in zijn film verdwijnt deze historische realiteit na vijf minuten volledig uit het zicht, om plaats te maken voor de heel strakke enscenering van wat men een fantasie kan noemen: vier ‘fascisten’ (een hertog, een bankdirecteur, een rechter en een generaal) drijven zestien op hun lichamelijke schoonheid geselecteerde adolescenten samen in een villa om hen, geassisteerd door vier bewakers en vier persoonlijke ‘medewerkers’, vier maanden lang te vernederen, te verkrachten en uiteindelijk dood te folteren. De ‘orgieën’ worden opgeluisterd door drie opgetutte hoerenmadams die ‘pikante’, erotische verhalen vertellen, en een pianiste. Alleen al de terugkeer van het getal vier wijst op de ijzige systematiek waarmee wordt gehandeld.

De vraag is of Pasolini nog maar enig licht werpt op de meest wreedaardige praktijken van het fascisme wanneer hij een (onafgewerkte) sadomasochistische roman uit de Franse achttiende eeuw (1785) transponeert naar het Italië van Mussolini. Sommige commentatoren hebben Salò betiteld als een ‘mythe’ zonder grond in de realiteit, een ‘abstractie’, een loze, nogal infantiele provocatie. [3] Reeds Sade kon met zijn De 120 dagen van Sodom onmogelijk de bedoeling hebben gehad om de uitspattingen te schetsen waaraan een bepaalde decadente aristocratie zich overgaf. Zelfs als we aannemen dat zijn geliefkoosde stijlfiguur de overdrijving was, is dit niet aannemelijk. Het ging er hem eerder om “het schandaligste verhaal te vertellen dat ooit verteld is sinds het begin van de wereld”. [4] Afgezien van de boeiende inleiding waarin vooral de locatie en de protagonisten worden geschetst, is zijn boek vooral een eindeloze catalogus van niet minder dan zeshonderd sexuele fantasieën die bijna allemaal een sadistische component bevatten (verteld door vier wulpse, gewetenloze koppelaarsters), afgewisseld met beschrijvingen van hoe de libertijnen deze fantasieën, met de nodige aanpassingen, in de praktijk brengen. Uiteindelijk worden zo’n dertig slachtoffers met folteringen die over dagen worden uitgesponnen, om het leven gebracht. Bij Pasolini wordt gesuggereerd dat alle zestien gevangenen om het leven worden gebracht. Van een viertal wordt dit, bijna helemaal op het einde van de film, getoond.

Het is hier niet de plaats om in detail de verschillen aan te duiden tussen Sades roman en Pasolini’s film. De bewerking naar een film toe maakt het uiteraard noodzakelijk dat één en ander wordt ingeperkt: minder verhalen, minder slachtoffers, minder folteringen. Sades geheimzinnige kasteel Silling, helemaal afgelegen in het Zwarte Woud, beschermd door een berg en omringd door een negen meter hoge muur en een diepe gracht, wordt bij Pasolini een nogal pompeuze, neoclassicistische villa met een smaakvol art-déco-interieur. Pasolini wilde hiermee duidelijk elke vorm van zwarte romantiek of decadent ‘satanisme’ uit de weg gaan, ook wat betreft de protagonisten. Hoewel hij de functies van de vier libertijnen behoudt, heeft hun voorkomen niets van het groteske dat men bij Sade tegenkomt. Zo is Pasolini’s rechter wel scheel en bepaald lelijk, maar hij haalt het op verre na niet bij zijn Sadeaans voorbeeld: “Behaard als een sater, platte rug, slappe, neerhangende billen die eerder twee vuile voddenlappen leken die over zijn dijen flodderden. De huid daar was zo door zweepslagen geteisterd dat men haar rond de vingers kon winden zonder dat hij er iets van voelde”, enzovoort. [5] Pasolini’s fascisten zien er uit als gewone burgers. Bovendien vertonen ze op het eerste gezicht helemaal geen neiging tot ‘fascisme’ of militarisme. Ze hebben juist een zekere elegantie en sensibiliteit. Ze spreken zelf graag over ‘un esprit de délicatesse’ dat zij graag in ere houden.

Bij Pasolini is dus alles in het algemeen minder excessief, minder exuberant. Dit komt de geloofwaardigheid van de historische situering ten goede, hoe gruwelijk het getoonde ook is. Ook het ontbreken van beroepservaring bij de meeste acteurs versterkt die indruk van ‘realisme’. Nogal expressieloos spreken de acteurs de regels uit die Pasolini hen net voordien heeft voorgezegd en verrichten ze, niets van het scenario afwetend, de handelingen die hun worden opgedragen. Dat de arbeider in de moderne industrie een vervangbare schakel is in een anoniem productieproces, wordt hier tot principe van de acteursregie verheven. Dit sluit aan bij de situatie van de slachtoffers die de acteurs moeten spelen. Deze zijn opgesloten in het heden van hun vernedering en pijn. Het enige wat zij weten, is dat zij ingeschakeld zijn in een gruwelijke machinerie waarvan het uiteindelijke doel hun ontgaat.

De camera is zeer statisch en toont de slachtoffers haast enkel in groep. Ook door de korte close-ups van de gezichten worden ze niet geïndividualiseerd. De vertelsters van hun kant zijn langdurig in beeld, maar van hun gezicht valt evenmin iets af te lezen. Met elk van hun woorden en kokette gebaren zijn ze druk in de weer te bewijzen dat ze ‘von Kopf biss Fuss auf Liebe eingestellt’ zijn. Ze wijken geen moment af van hun enige taak: het ophitsen van de fascisten. In variétéachtige stijl vertellen zij ‘pikante’ anekdotes waarbij het er volstrekt niet toe doet of het echt om persoonlijke herinneringen gaat, of dat ze hun verhalen enkel zo presenteren omdat dit opwindender is.

In contrast met al de naakte en zwijgende lichamen die in de ‘orgiezaal’ zitten te wachten hoe de vier heren vanuit hun ‘receptie’ of ‘interpretatie’ van deze verhalen elk moment iets op hen kunnen uitproberen, is de joligheid en de zogenaamde ‘Franse’ verfijndheid van de ‘erotische verhalen’ onverdraaglijk. Dit ondraaglijke contrast, deze volstrekte onverschilligheid van de verhalen tegenover de zwijgende lichamen is iets wat bij Sade helemaal ontbreekt en trouwens enkel in film zo tastbaar kan worden gemaakt. De afgrond tussen wat wordt gezegd en wat wordt gedaan, tussen de erotische vertellingen en filosofische bespiegelingen enerzijds en wat met de lichamen gebeurt anderzijds, is uiteraard een bekende stijlfiguur bij Sade. Maar bij hem heeft dit nog een komisch effect: al die libertijnen die filosofisch onderbouwde weerleggingen van het bestaan van God weggeven terwijl ze neuken of zich laten neuken, geselen of zich laten geselen. Bij Pasolini daarentegen is de kloof tussen lichaam en vertoog zonder meer ondraaglijk geworden.

Men kan spreken van een dubbele uitdrukkingsloosheid: die van de professionele, streng gecodeerde koketterie van de vertelsters en die van de stille, onderworpen lichamen die we in de film, misschien op één keer na, zelfs nooit horen kreunen of schreeuwen. Maar ook bij de hoofdpersonen, de vier hoge heren, is er niets dat enige ontroering of beroering verraadt. Af en toe onderbreekt één van hen de vertelsters en vraagt om een toelichting omtrent de concrete details van de vertelde uitspattingen.

Het zijn deze vier heren die zich als enigen het recht toe-eigenen het initiatief tot een handeling te nemen. Af en toe grijpen ze, wanneer ze door een bepaald element in het verhaal geëxciteerd worden, een adolescent vast en laten zich door hem masturberen, onderpissen, sodomiseren, enzovoort. Dit gebeurt meestal in een aanpalende ruimte, overigens analoog aan de privékabinetten bij Sade. Het gaat eerder om plotselinge gestes dan om handelingen. Het zijn steeds gebaren met een abrupt, spasmodisch karakter; ze onderbreken even de afwikkeling van het dagprogramma maar wijzigen het niet. Ze gebeuren ‘tussenin’.

Welbeschouwd wordt er in Salò nooit gehandeld in de zin dat mensen dingen doen die hun toekomst beïnvloeden, dat ze keuzes maken betreffende hun bestemming of hun verhouding tot anderen. Salò bestaat eerder uit een opeenvolging van stilstaande, bevroren tableaus waarin af en toe iemand zich te buiten gaat in een schijnbaar ongemotiveerde geste. Het blijft helemaal in het ongewisse wat die geste motiveert. In elk geval zijn het niet de slachtoffers. De fascisten zitten tussen hen in en evenals zij is hun blik strak gericht op de vertelsters. Wat hen opwindt, is dus niet één van de jongens of meisjes, maar iets in het verhaal dat zij aanhoren. Zij houden op die manier een strikt onderscheid aan tussen het (voor de omstaanders onbekende) element dat hen opwindt en het object-lichaam dat hen van die excitatie moet bevrijden. Dit is één van de procedures waarmee ze hun soevereiniteit tegenover hun slachtoffers trachten te behouden. De fascisten oefenen zich in onverschilligheid tegenover hen. De slachtoffers mogen nooit méér worden dan vervangbare attributen waarmee de fascisten hun fantasma’s, die door de verhalen worden geactiveerd, ensceneren. Op een bepaald moment beklaagt de hertog zich erover dat men anderen nodig heeft om aan seks te doen.

In zijn briljante Sade-essay, één van de teksten die Pasolini het publiek in de begingeneriek van Salò aanraadt, schrijft Pierre Klossowski: “De pervert onderwerpt zijn genot aan de uitvoering van een unieke geste. […] Het bestaan van de pervert wordt tot een voortdurend wachten op het ogenblik waarop hij deze geste kan uitvoeren. Op zichzelf beschouwd kan de pervert slechts door deze geste zichzelf betekenen: de uitvoering van deze geste heeft voor hem de waarde van het hele bestaan.” [6]

De geste waarover Klossowski spreekt, is voor geen enkele individuele levensfunctie van nut, noch voor het voortbestaan van de soort. Ze is dan ook erg verwant aan de vrije, want ongemotiveerde daad waar dadaïsten en surrealisten naar streefden. Omdat de pervert zijn dagen slijt met het wachten op een gelegenheid waarop hij een dergelijke geste kan verrichten, is de tijd voor hem leeg. De structuur die de perverse verhalen (met hun opbouw van de spanning, crescendo, epiloog) in de ‘orgieën’ aanbrengen, verbergt alleen maar dat voor de vier hoge heren de tijd betekenisloos voortkabbelt. Niets rijpt of groeit, er wordt naar niets gestreefd, niets geleerd, op niets vooruitgelopen, op niets voortgebouwd. “Er is geen geduld, geen ervaring”, schrijft Roland Barthes in een andere tekst die we van Pasolini moeten lezen. Zoals Sades roman kent Salò geen ontwikkeling. Als er iets gebeurt, dan gebeurt het, en dan duurt het niet lang eer het sperma spuit, het bloed vloeit, de stront wordt verorberd. Elke vorm van verleiding of erotische spanning ontbreekt. “Alles wordt meteen ten top gedreven: het weten, de macht, het genot”, schrijft Barthes – om weer in het niets te verdwijnen. [7]

Door het plotselinge, onvoorziene van de perverse gestes zijn de slachtoffers niet enkel fysisch, maar ook psychisch volledig ongewapend blootgesteld aan het geweld van hun beulen. Zelfs de mogelijkheid dit geweld enigszins te anticiperen, angst op te bouwen, wordt hun ontnomen. Dit is de toestand waarin de sadist zijn slachtoffer wil brengen: een toestand waarin het slachtoffer op ieder moment het ergste kan verwachten, waarin het constant ten prooi is aan een naamloze, slepende angst zonder de ‘angstvaardigheid’ (Freud) waarmee men zich normaal op het gevaar voorbereidt.

De anonimiteit van de slachtoffers en hun extreme passiviteit, hun totaal gebrek aan verzet, maken de identificatie van de toeschouwer met hen onmogelijk. Wel is er een formele analogie tussen de tijdservaring van beiden. Ook de toeschouwer wordt in het heden opgesloten. De ‘orgiezaal’ wordt hem getoond in strakke, langdurig aangehouden, overzichtelijke plans. De ‘handeling’ is zo monotoon dat er een hyperrealistisch, documentaireachtig effect ontstaat, alsof men alles ziet door een verborgen camera. We weten van de duivelse bedoelingen van de fascisten, maar dit weten blijft, zeker in de eerste helft van de film, abstract, even abstract als de wijze waarop de hertog in het begin hun bedoelingen kenbaar heeft gemaakt: “Jullie zijn er enkel voor ons genot… Wat de buitenwereld betreft zijn jullie al dood.” Maar de toeschouwer krijgt evenmin als de slachtoffers enige kijk op hun motieven. De vier vrienden gedragen zich helemaal niet als razende, louter door ‘lage instincten’ gedreven beesten. Ze lijken eerder op een trage, geduldige en vooral nogal apathische wijze een programma af te werken waartoe nu eenmaal werd besloten. 

Het heeft alles te maken met deze apathie dat Salò, ondanks het relatief beperkt aantal bloederige scènes, zo onvergelijkelijk veel ondraaglijker is om aan te zien dan talloze andere films waarin veel meer bloed vloeit en veel meer mensen worden omgebracht. [8] Het ligt voor de hand te wijzen op de volstrekte onschuld en de volstrekte hulpeloosheid van de slachtoffers. Maar wat de zaak pas echt onverdraaglijk maakt, is dat de fascisten helemaal niet zo gemotiveerd lijken. Het is alsof het hun ontbreekt aan passie, aan enthousiasme voor de gruwel en de misdaad die zij, zoals Sades helden, zeggen te verafgoden. In het eerste hoofdstuk van de film, De cirkel der manieën, gedragen de vier vrienden zich helemaal niet ‘manisch’. Zoals hun slachtoffers horen zij de vertelsters aan om af en toe in een zijkamertje hun ‘manie’ op één van hen uit te werken. In het tweede hoofdstuk, De cirkel van de stront, heeft het ritueel van de coprofagie helemaal niets van een ‘wild bachanaal’. Evenmin gaat het om een decadent ritueel waarin de stront functioneert als een precieus fetisjobject. Er wordt gewoon stront opgediend terwijl beulen, slachtoffers en bewakers braafjes aan tafel zitten. Zoals in het eerste deel doet af en toe één van de vrienden een perverse geste. Ook het derde deel, De cirkel van het bloed, waarin uiteindelijk wordt gefolterd en geëxecuteerd, heeft welbeschouwd niets ‘orgiastisch’.

Deze vreemde apathie van de fascisten, in combinatie met een vrijwel totaal gebrek aan situering van hun handelingen in de context van het historische fascisme, wijzen erop dat Pasolini het publiek de catharsis die het inzicht in de context en de motieven van de beulen kan teweegbrengen, niet gunt. We weten absoluut niet wat deze ‘fascisten’ beweegt. Dit onbegrip deelt het publiek met de slachtoffers die absoluut niet weten wat hun beulen (van hen) willen. De slachtoffers ervaren zodoende het geweld in zijn pure zinloosheid. De wijze waarop het slachtoffer zich verhoudt tot zijn beul lijkt hiermee wel paradigmatisch voor de wijze waarop het subject zich in het algemeen verhoudt tot het verlangen van de ander: het weet niet wat deze van hem verlangt.

 

Fascisme als formalisme

Puur, zinloos geweld. Ongemotiveerd, ‘apathisch’ sadisme. Pasolini lijkt het voor te stellen alsof het kwaad een demonische macht is die uit het niets opduikt of in de wereld komt door een act die vanuit een soort afgrondelijke vrijheid wordt uitgevoerd. Het is alsof de fascisten de beslissing hebben genomen om een aantal mensen tot het uiterste te kwellen, niet zozeer omdat dit hun passie is, maar omdat ze bewust voor het kwaad hebben gekozen, omdat ze, scherper gesteld, gekozen hebben zichzelf tot koele dienaars te maken van het kwaad.

Zo begrepen zou Salò als een absurde, holle provocatie kunnen worden afgedaan. Men kan immers altijd stellen dat mensen als de vier fascisten in de film niet bestaan, nooit bestaan hebben en nooit zullen bestaan. Velen kunnen wel beweren over Bin Laden dat hij, wat hij zichzelf en de zijnen ook wijsmaakt, objectief een perverse nihilist is: voor zichzelf is en blijft hij een idealist. Mao, Stalin, Hitler, Pol Pot, alle grote massamoordenaars van de geschiedenis hebben op hun manier het lot van hun volk of van de mensheid proberen te verbeteren. En indien zij nog leefden zouden zij ongetwijfeld trots zeggen: ‘I did it my way.’ Niet toevallig hebben zij tot op vandaag miljoenen aanhangers, waaronder talloze goedmenende zielen die geen vlieg kwaad zouden doen. Uiteraard waren zij allen verslaafd aan macht, en had deze verslaafdheid catastrofale gevolgen. Maar weinigen zullen zo ver gaan te beweren dat de dood en de ellende van miljoenen mensen voor deze tirannen een doel op zich was. Wijd verbreid is daarentegen de idee dat zij, verblind door een soort quasi-messianistisch waanbeeld, de mensheid van het Kwaad hebben willen zuiveren. Zo beschouwd zijn deze tirannen eerder fanatici van het Goede dan bewuste dienaren van het Kwaad. Hitler zag de uitroeiing van joden, zigeuners en homoseksuelen als onderdeel van zijn moreel-politieke opdracht om de integriteit van de Duitse Natie te herstellen. Het ging hem niet om een orgiastisch lynchfeest. Over Himmler bijvoorbeeld, die vaak tot toonbeeld van perversiteit wordt verheven, vertelde Hitlers secretaresse ooit aan Albert Speer dat hij na een gesprek met Hitler in een stoel zakte met de woorden: “Mijn God, wat moet ik doen, ik heb net een verschrikkelijke opdracht gekregen.” [9] Deze opdracht was de uitroeiing van de joden. Later zei Himmler dat deze opdracht zoveel morele moed vereiste dat alleen zo’n sterk volk als de Duitsers in staat was haar ‘zonder geestelijke verwonding’ tot een goed einde te brengen.

Maar iemand die geweld predikt omwille van het geweld zelf, iemand die er openlijk voor uitkomt dat volgens hem misdaad, verkrachting, marteling zo veel mogelijk zouden moeten worden bevorderd, iemand die voorstelt een ‘Société des Amis du Crime’ op te richten, gaat het verstand te boven. Hij zal nooit een volksheld of heilige worden. Hij zal, zoals de onfortuinlijke Sade, een duistere ster blijven voor een lucide, ietwat decadente avant-garde. En vooral: deze avant-garde kan slechts met Sade sympathiseren omdat ze weet dat het om literatuur gaat, en dat Sade, gezien ook het feit dat het met de concrete invulling van zijn literair-filosofisch sadisme erg meeviel, het allemaal niet echt meende. En inderdaad, voor iemand als Kant bijvoorbeeld kan het niet dat iemand zoiets meent. Kant onderscheidde vier verschillende graden van slechtheid. Iedereen begrijpt dat de mens, ondanks zijn goede wil, uit zwakheid toch het kwade kan doen; erger wordt het als zijn motieven zelf onzuiver zijn (egoïsme, eigenliefde…), hoezeer hij ze ook, hiermee zichzelf en anderen bedriegend, als zuiver kan voorstellen. Helemaal erg wordt het wanneer iemand van dergelijke onzuivere motieven principes maakt en van hieruit al dan niet moreel handelt al naargelang het hem uitkomt. Kant noemt zo iemand ‘bösartig’. Maar er is ook nog een kwaadaardigheid buiten categorie: het ‘diabolische’. Iemand is diabolisch wanneer hij niet zomaar een loopje met de morele wet neemt, maar er bewust een punt van maakt om tegen de morele wet te handelen, ook al schaadt hij hiermee eventueel zijn eigenbelang, ook al doet hij het kwade tegen zijn zin. [10]

Dit laatste geval vernoemt Kant alleen maar om te zeggen dat het om een onmogelijkheid gaat. Met andere woorden: Kant zou iemand als Sade enkel als ‘boosaardig’ beschouwen, namelijk als iemand die niet enkel de speelbal is van zijn driften, maar ze, zoals overigens vele ‘primitieven’ doen, nog verafgoodt ook. Over Sadeaanse personages zoals Saint-Fond en Clairwill uit de De 120 dagen, die zich het kwaad en dus de vernietiging zelf van het goede tot doel stellen, zou Kant ongetwijfeld duidelijk zijn: zij kunnen nooit méér zijn dan pure sciencefiction.

Wanneer Pasolini nu De 120 dagen situeert in het fascistische Salò, dan lijkt hij daarmee te suggeren dat het diabolische kwaad niet zomaar een literaire fantasie is, maar wel degelijk een antropologische mogelijkheid die concrete historische vormen kan aannemen. Maar de vraag blijft: ook al is deze ethische hypothese (wellicht van christelijk-augustinische origine) het overdenken waard, werpt ze een licht op het fascisme? Leert men het fascisme begrijpen als men het zo ‘diaboliseert’? Waren de fascisten geen verdwaalde, paranoïde geworden idealisten?

Op de ‘diabolische’ natuur van Pasolini’s fascisten wijst alvast het feit dat ze geen enkele poging doen hun handelingen te rechtvaardigen door een ideologie of een doctrine. Ze lijken alvast niet nationalistisch of racistisch te zijn. Ze spreken nooit in naam van de imaginaire entiteit ‘volk’ die van binnen- of buitenaf bedreigd zou worden door parasitaire of virusachtige elementen; ze lijken trouwens hun slachtoffers helemaal niet te haten. Zelfs de principes van orde en autoriteit hoor je ze niet verdedigen. Integendeel: de hertog beweert op een bepaald moment: “Wij fascisten zijn de enige echte anarchisten”. Dat wil zeggen: de orde die wij aan anderen opleggen, is slechts de voorwaarde om ons genot te verwezenlijken en genot – daarin zijn we het eens met vele onder onze linkse vrienden! – is wezenlijk anarchistisch.

Zo begrepen zijn Pasolini’s ‘fascisten’ helemaal niet representatief voor het fascisme, maar zijn het elitaristische genotsanarchisten die gebruik maken van de chaos en rechteloosheid die in de fascistische Salò-republiek heerst om hun perverse fantasieën te realiseren. Dergelijk tuig, zou men kunnen zeggen, komt nu eenmaal onder elk autoritair regime bovendrijven.

Maar misschien moeten we ons laten leiden door Adorno’s regel dat ‘alleen de overdrijvingen waar zijn’. Wat als het perverse, postideologische universum van Salò niet zomaar een exuberant limietgeval is, maar aan de essentie raakt van wat fascisme is? Wat als het fascisme zelf in wezen een perverse, postideologische formatie is waarin wel degelijk een diabolische wil tot het kwaad schuilt?

Het is niet zeker dat Hitler de nationaal-socialistische ideologie ooit ernstig heeft genomen. Hij sprak met spot over zowel Rosenberg, de filosoof van het racisme en het nationalisme (auteur van Mythos des Zwanzigsten Jahrhunderts) als over Himmler met zijn heidense natuurmystiek en zijn geëxalteerde retoriek over het Herrenvolk. Zoals elke nuchtere kleinburger vond hij dat ideologie iets was voor warhoofdige wereldverbeteraars, wereldvreemde intellectuelen die denken dat je de wereld met ideeën kunt veranderen. Hitlers fascisme was eerder een verafgoding van de orde omwille van zichzelf, waarbij elke doctrine en elk ideaal dienst kan doen als alibi. Zijn wezenlijke ambitie bestond erin om de hoofden allemaal in dezelfde richting te krijgen.

Het fascisme kan postideologisch genoemd worden omdat het vanaf het begin openlijk en zonder schaamte het omgekeerde deed van wat het voorgaf na te streven. Tegen de moderne, liberale idee van een maatschappij als een geheel van egoïstische, contractueel met elkaar verbonden individuen, pleitte het voor een gemeenschap als een levend organisme waarin mensen zich spontaan met elkaar verbonden voelen. Maar nooit werd een maatschappij zo vlug en efficiënt omgevormd tot één grote productie- en oorlogsmachine waarin individuen willekeurig konden worden ingezet als onder Hitler. Het nazisme prees zichzelf aan als antikapitalistisch, maar het installeerde meteen een monopoliekapitalisme. Het kritiseerde het gecalculeerde eigenbelang van de liberale burgerij en haar gebrek aan offervaardigheid, maar met zijn cultus van het offer bracht het niet meer voort dan een karikatuur van de burgerlijke doelrationaliteit. Het heroïsche ‘offer’ dat de onderdanen moesten brengen, bestond erin dat ze zich tot vervangbare schakels lieten maken in een militair-industriële machinerie. Nooit voerde men de soevereine moed en doodsverachting van de premoderne krijger zo hoog in het vaandel, nooit werd de instrumentalisering van mensen zo extreem doorgevoerd als onder het fascisme.

Kortom: het nazisme kon de ‘decadente’ burgerlijke samenleving enkel met zijn eigen middelen bestrijden en werd zo onvermijdelijk een karikatuur van zijn tegenstander. Alle romantische, antimoderne retoriek ten spijt is het nazisme in wezen de ten top gedreven, omwille van zichzelf doorgevoerde rationalisering en instrumentalisering. Het is geen ‘uitbarsting van irrationaliteit in het hart van de rationalistische burgerlijke cultuur’, het is het exces en de roes van de rationalisering zelf. Het fascisme is, om ietwat oneerbiedig een belangrijk motief uit Kants esthetica te parafraseren, doelrationaliteit zonder doel in de politiek.

Dit klinkt ons natuurlijk bekend, haast ietwat oubollig in de oren. Sades extremisme legt volgens Adorno en Horkheimer een fatale grondtendens van de Verlichting bloot: een neiging tot ‘formalisering van de rede’ en een daarmee gepaard gaande verslaving aan de ‘betovering’ die deze formalisering, deze ‘onttovering’ dus, teweegbrengt. Meer psychoanalytisch geformuleerd: alle lust wordt in de – doelloze – aanwending van de middelen geïnvesteerd. “Het middel wordt gefetisjeerd: het absorbeert alle lust.” [11] In het fascisme, maar ook in de naoorlogse consumptiemaatschappij, zou volgens Adorno en Horkheimer dit fetisjisme zijn toppunt bereiken.

Wie iets wil begrijpen van de betovering die uitgaat van de onttoverende formalisering, kan bijvoorbeeld het volgende fragment uit Albert Speers Herinneringen lezen. “Ik herinner me nog dat de filmopnamen van één der plechtige bijeenkomsten van het partijcongres in 1935 waren mislukt. Hitler bepaalde, op voorstel van Leni Riefenstahl [die voor Hitler de film Triumph des Willens maakte], dat de scènes in het atelier moesten worden herhaald. In één van de grote filmstudio’s in Berlijn-Johannistal bouwde ik als coulisse een gedeelte van de congreszaal op met het podium en de sprekerslessenaar. De schijnwerpers werden erop gericht, de filmmensen liepen bedrijvig rond – en op de achtergrond zag men Strecher, Rosenberg, en Frank met hun manuscripten in de hand op en neer lopen, ijverig bezig hun rollen uit het hoofd te leren. Hess arriveerde en werd als eerste gevraagd aan de opname mee te doen. Precies als voor de 30.000 toehoorders van het partijcongres hief hij ook nu plechtig de hand. Met het bij hem horende pathos van eerlijke ontroering wendde hij zich vervolgens naar waar Hitler nu niet zat en strak in de houding staand riep hij: “Mijn Führer, ik begroet u uit naam van het partijcongres. Het congres neemt een aanvang. Nu spreekt de Führer!” Hij maakte daarbij een zo overtuigende indruk dat ik sinds dat ogenblik niet meer volledig overtuigd was van de echtheid van zijn gevoelens. Ook de drie anderen speelden hun rol helemaal echt ondanks de leegte van de filmhal en zij toonden zich begaafde spelers. Ik was behoorlijk geïrriteerd. Maar mevrouw Riefenstahl daarentegen vond de in scène gezette opnamen beter dan de originele voorstelling. Wel had ik bewondering voor de berekenende techniek van Hitler die op vergaderingen bijvoorbeeld vaak lange tijd aan het zoeken was tot hij het punt had gevonden dat de eerste, reusachtige storm van applaus losmaakte. Ik zag ook beslist niet voorbij aan het demagogische element waaraan ik immers door de aankleding van de belangrijkste manifestaties zelf bijdroeg. Maar wel was ik tot die tijd overtuigd van de echtheid der gevoelens waarmee de sprekers bij de massa de geestdrift opwekten. Des te verrassender was het die dag in de Johannistaler filmstudio voor mij om te ervaren dat deze complete toverkunst ook zonder publiek ‘echt’ kon worden gebracht.” [12]

De naïviteit van Speer is hier op zijn minst misleidend te noemen. Speer was natuurlijk betoverd door Hitler. Maar we weten ook dat hij een modern mens was met een gezonde scepsis tegen alles wat met pathos en charisma te maken had. Als partijkunstenaar was hij immers de koele technicus-decorateur-regisseur van Hitlers charisma. Hij was dus de cynicus die het bedrog doorziet en het juist daardoor zo goed kan organiseren. In dit fragment projecteert hij dit cynisme op anderen. Terwijl hijzelf gepokt en gemazeld was in de manipulatie van emoties, doet hij alsof hij geschrokken is van de onechtheid van zijn collega’s. Speer wist trouwens beter dan wie ook dat Hitlers pathetisch discours over de grootsheid en de offerbereidheid van het Duitse volk ook niet zo ‘echt’ was, dat het een middel was om zijn macht over de massa te versterken.

En toch is de structuur van de cynische manipulatie niet zo eenvoudig: met zijn gewiekste, berekenende houding van degene die het hele zaakje ensceneert zonder er zelf in te geloven, verbergt de manipulator – ook voor zichzelf – het genot dat hij schept in de afstandelijke enscenering zelf, in deze quasi-apathische calculering van de effecten die het spektakel bij de massa teweegbrengt terwijl hijzelf daarbij onzichtbaar blijft – als een soort nederige, belangeloze dienaar, als een werktuig dat kan worden weggeworpen. Met deze in wezen masochistische positie die de regisseur van het spektakel inneemt (hij onderwerpt zich aan een spektakelmachine die zonder hem doordraait), verraadt hij dat hij – ook al weet hij dat niet – in het spektakel gelooft, dat hij gelooft in de hele retoriek van heldhaftige offerbereidheid waartegenover hij nochtans bewust een moderne, ‘ironische’ afstand behoudt. Zijn apathie zelf is zijn offer.

Er is dus inderdaad, zoals Adorno en Horkheimer hebben gezien, sprake van een fetisjering van het middel, een lust die wordt beleefd aan het grootscheepse arrangement van een gebeuren waarvan het doel er niet toe doet. Deze lust wordt vreemd genoeg beleefd aan de koele afstandelijkheid, de apathie waarmee de middelen worden ingezet. En deze paradoxale ‘lust aan de apathie’ vindt ongetwijfeld zijn grond in een onbewust-fantasmatische identificatie met een spektakel dat zogezegd niet voor de cynische manipulator bestemd is, maar voor de anderen: het volk, de ‘naïeve, kneedbare massa’. Met andere woorden: met de afstandelijke, vaak minachtende houding die de cynicus inneemt tegenover de zaak waaraan hij deelneemt, verbergt hij voor zichzelf dat hij in de zaak gelooft. Zijn minachting voor de ‘goedgelovige anderen’ is een heimelijke zelfminachting. Het is ongetwijfeld deze verloochening van het eigen geloof die maakt dat de spektakels waarmee de cynicus anderen intimideert enorme proporties kunnen aannemen.

Het fascisme is dus de formalistische cultus van de Orde als zodanig. De inhoud van de doctrine functioneert als een alibi voor het genot dat men put uit het opleggen van een Orde waarin of waarachter de manipulator verdwijnt. Het grote doel van al dat gemanipuleer verbergt een doelloos, ‘diabolisch’ genot aan de manipulatie omwille van zichzelf. ‘Verbergt’, zeggen we. Maar het geheim van het fascisme ligt helemaal aan zijn oppervlakte. Zijn succes is gelegen in een strategie van regelrechte, openlijke, goed georganiseerde intimidatie. Deze was mogelijk door de massamedia (vooral radio) die het geschreeuw van de agitatoren, het gedreun van de marcherende bataljons, het geloei van de sirenes alomtegenwoordig maakten. Het fascisme, dat is een Stem die onophoudelijk interpelleert om op te roepen tot participatie, tot meeleven, tot enthousiasme, tot gemeenschap, tot genot. En om die oproep kracht bij te zetten, kunnen naar believen zowel socialistische, christelijke, heidense of burgerlijk-sentimentele vormen en motieven worden aangewend. Het fascisme is de parasitaire kunst van het arrangement; het is de westerse traditie tot beklijvende radioprogramma’s, stevige oneliners verwerkt. Het gaat er niet om wat er wordt gezegd, het gaat erom dat iedereen mee is, dat men geen andere weg op kan. [13]

Zo begrepen is het fascisme zoiets als katholicisme toegepast in de politiek. Het is misleidend om te beweren dat het katholicisme een andere ‘doctrine’ heeft dan het protestantisme. Het katholicisme is in wezen antidoctrinair. Het is niet zozeer gericht tegen de inhoud van de protestantse leer, maar tegen de idee dat het in godsdienst om de leer gaat en dat men daarmee iets bij het volk bereikt. [14] Net zoals het katholicisme sinds de Reformatie weet dat het theologisch geen poot meer heeft om op te staan en theologische discussies over bijvoorbeeld vrije wil en genade dan ook ten zeerste afraadt of verbiedt, zo weet het fascisme dat elk serieus engagement in de leer van het fascisme slechts nadelig voor haar kan uitvallen. Beider ‘oplossing’ is analoog: laten we de mensen gewoon ‘pakken’, door spektakel, ceremonieel, theatralisering, dramatisering – van wat? Van een onwrikbare Orde en van het genot aan die Orde deelachtig te mogen zijn. Van niets dus. Niet het atheïsme, maar cynische formalismen zoals dat van de Kerk liggen aan de oorsprong van het moderne nihilisme.

In één van zijn pogingen iets van het fascisme te begrijpen, verwijst Adorno – hierin verwant aan Pasolini, die zijn fascisten onder meer Baudelaire, Nietzsche en Benn laat citeren – naar de literaire avant-garde. Zowel bij Poe als bij Baudelaire is er volgens Adorno sprake van “een onbekende dreiging waaraan het subject zich toevertrouwt en die in duizelingwekkende ommekeer lust belooft. Het nieuwe, een lege plek van het bewustzijn, als het ware met gesloten ogen verwacht, schijnt de formule waaronder aan afgrijzen en wanhoop de prikkel van een bekoring wordt ontleend.” [15]

Volgens Adorno speculeert het fascisme erop dat intimidatie, dreiging, terreur, hoewel traumatiserend, tevens lust opwekken. “Fascisme was de absolute sensatie: in een verklaring ten tijde van de eerste pogrom pochte Goebbels dat de nationaal-socialisten tenminste niet vervelend waren. In het Derde Rijk werd genoten van de abstracte verschrikking van bericht en gerucht als de enige prikkel die toereikend was om het verzwakte sensorium van de massa’s een ogenblik te doen ontgloeien.” [16]

De fascistische terreur speculeert erop dat wie schrik wordt aangejaagd, reageert met mimicry; degene die wordt aangevallen, identificeert zich reeds met zijn aanvaller in de geste zelf waarmee hij zich tegen hem verdedigt. Consequent uitgeoefende intimidatie leidt bij de geïntimeerde tot zelfintimidatie, tot een constante alertheid, een angstig zichzelf schrap zetten. Uiteindelijk verhardt men en gaat men zich veiliger voelen. De kostprijs hiervan is uiteraard dat men ten langen leste niet meer van zijn aanvaller te onderscheiden is.

Dit is de psychoanalytische grond van Adorno’s beruchte ‘cultuurpessimisme’: de mimicry, als een soort vlucht vooruit die met de schrik gepaard gaat, bereidt het angstige, geterroriseerde subject reeds voor op een zelfdisciplinering waarin het zichzelf tot kadaver maakt. Wie uiteindelijk meemarcheert, weet zich helemaal beschermd, hij heeft aan alle bevelen en slagzinnen geen boodschap meer. Hij belichaamt immers zelf hun ritme. En hierin kan hij slechts slagen, dit houdt hij slechts vol omdat hij er op een obscure wijze van geniet, omdat hij ervan geniet het instrument te zijn geworden van een hogere Orde.

Zo begrepen is het inderdaad te eenvoudig om het fascisme voor te stellen als een uit de hand gelopen idealisme, dat talloze goedmenende lieden samen met zich in de afgrond heeft gesleurd. De vraag is immers hoe een ‘idealisme’ zo extreem en systematisch uit de hand kan lopen en blijven lopen. Ondanks de kitscherige fraseologie over de morele grootsheid van de mens die het fascisme met alle bedenkelijke regimes tot op vandaag deelt, heeft het van meet af aan nooit veel moeite gedaan zijn cynisme te verbergen.

Cynisme wordt steeds geboren uit een soort schuld die men voelt omdat men zijn jeugdige, hooggestemde, bij voorbaat onrealiseerbare idealen heeft verraden. De cynicus weet zich van zijn narcistische hechting aan zijn zuiverheidsideaal slechts te bevrijden door een karikatuur ervan op de ander te projecteren. Wanneer de fascist van de democratie steeds beweert dat ze vals, hypocriet, halfslachtig, principeloos, corrupt is (‘eigenlijk geen haar beter dan de eerste de beste dictatuur’), dan schopt hij eigenlijk tegen zichzelf aan; zijn woede tegenover een ander is niets anders dan zijn woede over zijn eigen gekrenkt idealisme. Zoals elke brave kleinburger tot op vandaag, kan de fascist de democratie juist met het grootste gemak ‘doorprikken’ omdat hij zelf alle verantwoordelijkheid voor datgene waar de democratie voor staat vol minachting achter zich heeft gelaten. Buiten het kleinburgerlijke inzicht dat alles uiteindelijk neerkomt op macht en geweld, dat elk systeem, hoe humaan het er ook uitziet, niet meer is dan een voorwendsel voor bepaalde individuen om gewoon hun zin te doen, heeft het fascisme geen ideologie. De fascisten pochen met hun illusieloosheid, die zij lijken te hebben geleerd van de ‘filosofen van de argwaan’: alles draait om macht (Nietzsche), seks (Freud), bezit (Marx). En de fascisten oogsten nu juist succes omdat zij onomwonden de geminachte macht viseren. Op de vraag wat het programma van de fascistische beweging is, antwoordde Mussolini: “Ons programma is duidelijk: wij willen Italië leiden.” [17]

De moderniteit lijkt soms een zowel spannende als demonische wedstrijd in illusieloosheid, in non-naïviteit, in het ontmaskeren van morele pretenties. In deze met pokerface gespeelde wedstrijd hebben ‘subversieve’ kunstenaars van dadasignatuur en filosofen, gedreven door het koele pathos van de ontmaskering, altijd graag het voortouw genomen. [18] De ervaring van de twintigste eeuw is dat uiteindelijk enkel de grofste en meest perverse deze wedstrijd kan winnen. Salò gaat niet in de laatste plaats ook hierover: de verschrikkelijke verwantschap tussen de speelse absurditeiten van een bepaalde avant-garde en het fascisme. Pasolini’s hypothese is misschien dat het fascisme niet meer is dan de natte droom van de literair-artistieke avant-garde uit de negentiende en vroege twintigste eeuw die werkelijkheid wordt.

Misschien heeft het fascisme altijd evenveel lak gehad aan ideologie als dada, dat ‘wereldbeschouwingen’ ziet als “een mengsel van losse woordjes” (Walter Serner). [19] En ongetwijfeld heeft Mussolini van zijn anarchosyndicalistisch verleden overgehouden dat de hele burgerlijke moraal niet meer is dan een rechtvaardiging voor rijkdom en macht. In elk geval heeft het fascisme zijn nihilistische kern nooit kunnen of zelfs maar willen verbergen. Zijn heroïsch humanisme is zo potsierlijk, zijn met groot kabaal verkondigde toekomstvisioenen zijn zo geëxalteerd dat alles erop wijst dat nooit van iemand werd verwacht dat hij erin zou geloven. Het volstaat dat men vreest en beeft en daarbij het liefst – maar men kan bijna niet anders – een kick krijgt. Adorno: “Maar het fascisme is inderdaad minder ‘ideologisch’, voor zover het het principe van de heerschappij, dat zich elders verbergt, onmiddellijk proclameert. Alles wat de democratieën er aan humaans tegenover kunnen stellen, kan het spelenderwijs weerleggen met de opmerking dat het fascisme zich immers niet van de hele humaniteit, doch alleen van haar drogbeeld, manmoedig heeft ontdaan. De mensen zijn evenwel in de cultuur zo desperaat geworden dat zij op een wenk het kwetsbare betere weggooien, als de wereld hun boosheid maar het genoegen doet te bekennen hoe boos ze is.” [20]

Uit ressentiment tegen het eigen gekrenkte idealisme zoekt de cynicus bij anderen naar een bewijs dat het goede waarom hij machteloos treurt, niets is. Zo iemand vinden zou hem bevrijden van zijn schuldgevoel. Hij wordt dan ook wild van mensen die schaamteloos voor het kwade uitkomen. Men kan zich het aan de manie grenzende enthousiasme voorstellen van miljoenen Duitsers toen Hitler uitriep: “Het is waar wat ze van ons zeggen, wij zijn intolerant!” Berlusconi, wiens loutere verschijning erop wijst dat hij trots is op zijn machtshonger en zijn corruptie, weet dat deze trots de sleutel is voor zijn succes. Dergelijke leiders spreken voor tallozen vanuit de (onder)buik van het zijn zelf. Hun arrogantie, hun openlijk dédain voor het goede, bevrijdt de massa van het ongelukkige bewustzijn dat het goede slechts een impotent, idealistisch drogbeeld is. Dergelijke cynische leiders ‘genezen’ de mensen van hun treurnis dat het goede hen verraden heeft, terwijl het goede uiteraard juist in die treurnis nog voortleefde. Zo lossen al die melancholici hun haat/liefde verhouding met het verloren ideaal-object op: door de moord op het object – die zij door een duistere held laten uitvoeren. [21]

Eén van de argumenten voor het wegvoeren van de joden die in de nazitijd de ronde deden, was dat ze Christus vermoord hebben. Op de meest onwaarschijnlijke manier geeft het cynisme nog te kennen dat het treurt om de vermoorde onschuld waarmee het zich identificeert. Zelfs de meest rasechte fascist wordt onbewust gekweld door het goede dat hij zegt achter zich te hebben gelaten. Daarvan getuigt niet slechts zijn sentimentalisme, maar ook het feit dat hij de ijdelheid van het goede slechts kan bewijzen door de onophoudelijke, systematisch doorgevoerde vernedering en vernietiging ervan. De onverzadigbaarheid van zijn moord- en vernielzucht bewijst dat hij verslaafd is aan wat hij een drogbeeld noemt.

Voor Klossowski is deze melancholie die zichzelf verloochent nu juist typisch voor de Sadeaanse mens. Dit soort mens wil van zijn ‘geheime wonde’ niet weten. Dat hij de destructie tot principe maakt, komt doordat hij gehecht blijft aan een object dat hij eindeloos wil blijven verliezen. Juist omdat zijn slachtoffer heimelijk God als absoluut object incarneert, wil hij – daar legt ook Pasolini de nadruk op – van God niet meer horen. Het is niet zo dat God voor hem eenvoudigweg niet bestaat. De idee van God maakt hem razend. “L’idée de Dieu est le seul tort que je ne puisse pardonner à l’homme”, schrijft Sade. Zowel met zijn eindeloze godslasteringen als met de eindeloze destructie van lichamen waarvan de ‘goddelijke schoonheid’ vaak wordt bewierookt, verraadt het Sadeaanse personage een gehechtheid aan zijn verloren object. Maar zoals gezegd: hij wil daar niets van weten, hij maakt zichzelf liever tot werktuig van een diabolische antigod die niet alleen hemzelf, maar het gehele mensengeslacht op een volstrekt onberekenbare wijze, en hierbij badend in genot, zoveel mogelijk hel-op-aarde bezorgt. Met andere woorden: de Sadeaanse mens komt nooit aan een bezadigd, volwassen atheïsme toe, hoezeer hij dat met zijn materialistische en sensualistische theorieën ook zou willen. Met de hypothese van een Être suprême de méchanceté dat hem alles wil afnemen, houdt hij zich vast aan zijn verloren ideaal-object. Dit zal de lacaniaanse opvatting over het sadisme zijn: door voortdurend de ander te terroriseren, door te dreigen met de vernietiging van wat de ander het meest dierbaar is, maakt de sadist zichzelf wijs dat het suprème object daar ergens, bij zijn slachtoffer, ongeschonden bestaat, en dus alsnog kan worden toegeëigend. Met zijn wreedheid levert hij, zij het onbewust, zichzelf een godsbewijs.

Alvorens (in een volgende deel) dieper op de structuur van het sadisme in te gaan, keer ik nog even terug naar Pasolini. Na het uitkomen van Salò werd door sommige commentatoren gezegd dat de film een aanklacht is tegen de manier waarop niet alleen het fascisme, maar ook de hedendaagse consumptiecultuur het lichaam tot ding reduceert. Zij herhaalden daarmee eigenlijk wat Pasolini, die wel wat van de Frankfurter Schule had opgevangen, zelf had gezegd. [22] Gecompliceerder wordt de zaak wanneer men Pasolini’s obsessieve omgang met jonge mannelijke prostituees kent, en wanneer men weet dat hij dingen schreef als: “Ik heb een oneindige honger naar liefde / naar de liefde van lijven zonder ziel” [23], of: “Ik leef een leven geheel van spieren, binnenstebuiten gekeerd als een handschoen, volstrekt zonder sentimentalisme, tussen menselijke organismen die zo sensueel zijn dat het bijna mechanisch is.” [24]

De kritiek op de ‘verdinglijking’ (van bijvoorbeeld het lichaam) wordt algauw moraliserend wanneer deze gevoerd wordt vanuit één of andere idee van innerlijkheid, of vanuit een ideaal van eenheid tussen ziel en lichaam. Pasolini van zijn kant komt uit voor zijn fascinatie voor het zielloze. Adorno beweert, overigens zonder dit af te keuren, dat zo’n fascinatie eigen is aan de bourgeoisie. Zich bewust van het steriele, zielloze van zijn al te grote zekerheid geen ding, geen dier, geen hersenloze primitieveling te zijn en dus een ‘ziel’ te hebben, zoekt de burger de werkelijk levendige ziel juist in het primitieve, armoedige, infantiele, dwaas-naïeve. Zijn “liefde verliest zich aan het zielloze als aan het teken van het bezielde”. [25] Zo wekt nu net het ‘zielloze’ van arme mensen die met niets anders bezig zijn dan met hun overleven, bij de overbeschermde burger de nostalgie op naar een zowel gelukkig-passieve als traumatiserende openheid op een mogelijke redding, waarvan hij zichzelf afgesloten voelt. De burger hunkert naar het onbezielde als naar een pure, quasi-bewusteloze hunkering naar redding, omdat hij weet dat de ziel uiteindelijk niets anders dan die hunkering is. Vanuit deze burgerlijke nostalgie kunnen we iets begrijpen van Pasolini’s christelijke fantasma van een “samenzwering tussen het lompenproletariaat en God”. [26]

In zijn film Teorema (1969) behandelt Pasolini heel expliciet dit onbewuste verlangen van de zielloze mens om tot leven gewekt te worden door een externe macht. De onverbiddelijke antibourgeois Pasolini schrijft dit verlangen deze keer vol mededogen toe aan een steenrijk, hoogburgerlijk gezin. De in zijn banaliteit raadselachtige vreemdeling die hen in hun prachtige villa bezoekt, ‘bezielt’ hen slechts om hen bewust te maken van hun zielige zielloosheid. Hij is een soevereine, niets verwachtende aanwezigheid die tot niets dwingt, “die zo zuiver is dat er welhaast afzijdigheid uit spreekt”. [27] Hij neemt de gezinsleden één voor één zonder ze in bezit te nemen, zonder van zijn eigen verlangen een punt te maken, noch hun verlangen te willen vervullen. Hij schenkt ze wel een genot. Hoewel vervliedend, schrijft dit genot zich tegelijk onuitwisbaar in hun psyche in, om daar een vreemd lichaam te vormen, een soort cyste die hen ziek maakt en hun terugkeer naar de ‘realiteit’ onmogelijk of toch een stuk moeilijker maakt. De vreemdeling opent bij de gezinsleden hun eigen verlangen, hun ontredderde hunkering naar redding. Met het regelmatig terugkerend beeld van de woestijn suggereert Pasolini dat de leegte die de vreemdeling in de gezinsleden opent, even weids en onherbergzaam is als de woestijn voor het uit Egypte gevluchte joodse volk was. Als messias is de vreemdeling hun ‘goede beul’, een figuur die overigens regelmatig in Pasolini’s literaire werk opduikt.

Het ligt voor de hand de totale passiviteit van de gezinsleden in Teorema te vergelijken met die van de slachtoffers in Salò. De bezoeker in Teorema is op een sublieme wijze ontredderend. Voor elk van de gezinsleden is zijn bezoek een herhaling van een oud trauma die een onbestemde belofte inhoudt. De perversiteit van de vier hoge heren in Salò bestaat erin dat ze zich de positie van de vreemdeling, als grote Ontregelaar, toe-eigenen. Zij arrangeren opzettelijk en op berekenende wijze zijn ‘sublieme terreur’, alsof ze bij zichzelf denken: ‘Jeder Engel ist schrecklich (Rilke), en deze keer is het onze beurt!’ Ze ontrukken, zoals ook Christus met zijn volgelingen deed (zij het uiteraard niet met geweld), de jongeren aan het vertrouwde, burgerlijke en familiale leven, nemen hun alles af, niet om hun verlangen te openen op iets dat voorbij alle bereikbare goederen ligt, maar om ze in dit domein voorbij alle goederen te dwingen en hen erin op te sluiten. Dit domein is dat van een genot dat voor hen enkel als hel mag bestaan. Van dit genot, dat zij met hun mooie, jonge lichamen nochtans incarneren, mogen de jongeren immers enkel het passieve object, de verlamde ooggetuige of de agens zijn, nooit het subject. Zij mogen het genot enkel kennen als iets wat hen wordt opgelegd, als iets waarin ze worden geduwd, als de stront van de ander die ze verplicht zijn te eten. Pasolini’s fascisten genieten van de impasse die deze intimidatie, dit bevel tot genieten in het slachtoffer teweegbrengt. Ze genieten van de splijting die zich binnen het slachtoffer voordoet tussen zichzelf en de genotshandelingen die het gedwongen wordt aan te zien of te voltrekken. Vernederd wordt degene bij wie alles in de strot wordt geduwd dat nodig is voor het genot (verhalen, technieken, partners…) en die hierbij niet anders dan volledig koud kan blijven. Doel van de sadistische pervert is deze neurotische onmogelijkheid tot genieten bij de ander op de spits te drijven om zo de impasse bij zichzelf te verloochenen.

Maar hiermee is over de sadist niet alles gezegd. Het punt is dat hij onbewust-fantasmatisch aan het murw gemaakte, verlamde, wezenloos gepijnigde slachtoffer een ongekend, doorheen alle pijn en vernedering intact gebleven genot toeschrijft waarin hijzelf zou willen verdwijnen. De enige manier waarop hij voor zichzelf deze extatische verdwijning in het mysterieus genot van de ander kan ‘waarmaken’, is de koele extase van de apathie. In die apathie is de sadist in wezen het passieve, nederige, ‘masochistische’, niet-genietende werktuig van een goddelijk genot. [28]

Ik stelde dat het fascisme speculeerde op het obscure genot dat het volk ondervindt aan zijn intimidatiepraktijken, en dat het erop vertrouwt dat dit masochisme het volk meteen klaarmaakt voor een (zelf)disciplinering waarin het dit traumatische genot dwangmatig-mechanisch herhaalt. Het fascisme is niet zomaar een regressie naar premoderne vormen van machtsuitoefening. Zoals elke moderne mens heeft de fascist een bewustzijn van het arbitrair, conventioneel karakter van wetten, regels en verordeningen. In de twintigste eeuw maak je ook de man van de straat niet meer wijs dat politieke beslissingen gefundeerd zijn in God of de Natuur. Toch weet de fascist ook dat mensen zich niet om rationele redenen aan een orde onderwerpen, maar gewoon omdat zij dat om één of andere obscure reden graag doen. Bij de onderworpenen is er altijd een gefascineerde identificatie met iets in de orde dat die orde te buiten gaat: een component van genot die ongrijpbaar is, maar daarom niet minder de trouw aan de orde mogelijk maakt. Het is door deze genotscomponent dat de onderworpenen, net trouwens als de machthebbers, kunnen genieten van de orde omwille van de orde zelf, dat wil zeggen kunnen genieten van de verzaking aan genot.

 Met Salò waagt Pasolini zich aan een ‘fantasie’ over een paar hyperlucide en dus perfect cynische fascisten, dat wil zeggen fascisten die voor hun perverse praktijken geen alibi nodig hebben, noch naar zichzelf, noch naar hun slachtoffers toe: geen Heilige Orde, geen Wet, geen Vaderland, geen Duizendjarig Rijk, geen Lichtende Toekomst. Het is een fantasie over machtige heren die, voor de korte tijd dat ze nog aan de macht zijn, niet langer dwangneurotische functionarissen willen zijn van een orde waarin zij slechts een troosteloos kleine dosis genot kunnen meepikken, maar op inderdaad perverse wijze direct afgaan op het nonsensicale genot waarrond de hele orde draait, en als zodanig meteen ook cynisch het nonsensicale karakter blootleggen van de orde waarop hun macht steunt. Pasolini’s fascisten, die zich niet voor niets ‘de enige echte anarchisten’ noemen, viseren de transgressie van de orde door zichzelf waardoor die orde juist mensen kan onderwerpen. [29]

Men zou kunnen stellen dat dergelijke pervertelingen in elk autoritair systeem komen bovendrijven. Ja, maar mijn hypothese is dat de postideologische, formalistische, tautologische orde-idee van het fascisme (‘Volg ons omdat het moet, omdat je ertoe wordt geroepen’) een dergelijke perversiteit tot uitgangspunt neemt. [30]

Pasolini’s fascisten zijn radicaal postmodern: zij zien in dat alle ideologieën hun geloofwaardigheid hebben verloren, maar maken zich anderzijds niet wijs dat de grote massa het ooit zonder dergelijke ideologieën zal kunnen doen. Voor hen staat vast dat zij, in welke maatschappij of onder welk bewind ze ook leven, altijd de soevereinen zullen zijn en dat de anderen, die nog zo naïef zijn in iets te geloven, te arbeiden, aan de toekomst te werken, steeds hun ondergeschikten zullen zijn, ook al kunnen ze officieel hun ‘superieuren’ zijn. Kortom: de fascisten in Salò lijken erg op het geheime, elitaire genootschap (Le Cercle vicieux) van soevereine individuen waarover Klossowski het in zijn Nietzsche-boek heeft: mensen voor wie alle verworven kennis, techniek, cultuur, maatschappelijke instellingen, slechts van waarde zijn in zoverre deze hen in staat stellen zich over te geven aan hun meest singuliere, minst universaliseerbare, minst communiceerbare gril. Een duidelijk model van deze gril is uiteraard de perverse geste waarvan Klossowski spreekt. Hij wordt trouwens in dit verband geciteerd door één van de hoerenmadams in Salò!

In het door Klossowski geciteerde fragment waarin Nietzsche het over deze ‘overblijvende mensen’ (Überschüssigen) heeft, wordt gezegd dat voor hen alle staats- en maatschappijvormen te allen tijde vormen van slavernij zullen zijn, dat alle ideologieën slechts constructies zijn waarmee de slaven voor zichzelf hun troosteloze arbeid rechtvaardigen. [31] Mensen die hun eigen baas zijn, moeten zich dan ook niet met politiek of ideologie inlaten. En al die ernstige, welmenende, hardwerkende lui moeten zij beschouwen als hun accessoires (Zubehöre). Sades pervertelingen zijn even soeverein en apolitiek als Nietzsches Überschüssigen. Een artikel in de statuten van de ‘Société des Amis du Crime’ verbiedt hun zelfs elke politieke activiteit. Hoewel de leden als libertijnen uiteraard boven elke wet verheven zijn, moeten ze hun respect betuigen voor het bewind waaronder ze leven. Met andere woorden: bemin elkaar, of beter: folter naar hartelust, maar geef aan de keizer wat de keizer toekomt. Pasolini is hierin trouw aan Klossowski’s Sade-interpretatie geweest. Zijn fascisten reppen met geen woord over zo’n saai onderwerp als politiek. Zij hebben het alleen over filosofie, literatuur en over het ‘sublieme’ van de kunst. De villa waarin ze met perfecte timing hun slachtoffers doodkwellen en -folteren, is ingericht in een sobere art-décostijl. Hun praatkamer hangt vol met kubistische en futuristische schilderijen en Bauhausontwerpen. Zij houden van Baudelaire, Nietzsche en Proust, van Huysmans en Pound, en hebben over deze auteurs allesbehalve kleinburgerlijke opvattingen…

Deel 2 van deze tekst verschijnt in het volgende nummer van De Witte Raaf.

 

Noten

[1] Geciteerd door Barth David Schwartz in: Pasolini, Requiem. Een biografie, Amsterdam, Meulenhoff, 1992. Het citaat komt uit de bundel Le ceneri di Gramsci.

[2] Ibid., p. 734.

[3] Net voor de première van Salò vroeg een Frans interviewer Pasolini of hij “ooit heimwee voelde naar de tijd dat de mensen u op straat uitscholden” en of hij daar destijds “een zeker genoegen aan beleefde”. De kunstenaar wordt ervan verdacht al te veel te genieten van het provocerend effect van zijn werken. (Schwartz, p. 753)

[4] D.A.F. de Sade, De 120 dagen van Sodom, Amsterdam, Bert Bakker, 1979, p. 76.

[5] Ibid., p. 20.

[6] Pierre Klossowski, Sade mon prochain, Paris, Seuil, 1947 en 1967, p. 29.

[7] Roland Barthes, Sade Fourier Loyola, Paris, Seuil, 1971, p. 154; nederlandse vertaling Sade, Fourier, Loyola, Amsterdam, Arbeiderspers, 1971.

[8] Zowel bij Klossowski, Blanchot als, in hun spoor, Lacan, vormt deze apathie een wezenlijk punt in de Sade-interpretatie.

[9] Joachim C. Fest, Hitler- en Speerbiograaf, in De Morgen, 27 september 2001.

[10] Zie het eerste hoofdstuk van Immanuel Kant, Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft.

[11] Theodor W. Adorno en Max Horkheimer, Dialectiek van de Verlichting, SUN, Nijmegen, 1969, p. 119.

[12] Zie: Albert Speer, Herinneringen, deel 1, Baarn, In de Toren, 1970, pp. 78-79 (vertaling door mij aangepast).

[13] Van hieruit moeten we de betekenis van de mythe begrijpen bij Georges Sorel (Réflexions sur la violence uit 1908), de theoreticus van het revolutionair syndicalisme die nadien in extreem-rechts vaarwater terecht kwam. De inhoud van de mythe is hem onverschillig. Het gaat erom dat de mythe enthousiast maakt, tot actie aanzet en bereid maakt tot het offer. Sorel heeft ongetwijfeld nooit beseft dat hij, terwijl hij vanuit de mythe de burgerlijke, instrumentele rede heeft willen doorbreken, de fascistische instrumentalisering van de mythe heeft voorbereid.

[14] Vergelijk: Patrick Vandermeersch, Een katholiek, orthodox lichaam, in: Vertoog en Literatuur, Cahier 5, Antwerpen, Meulenhoff/Kritak, 1993.

[15] Theodor W. Adorno, Minima Moralia, Utrecht/Amsterdam, Het spectrum, 1971, nr. 150.

[16] Adorno en Horkheimer, op. cit. (noot 10), pp. 197-198.

[17] Het programma van Berlusconi en zijn fascistische vrienden lijkt niet anders te zijn. Hij fascineert omdat niemand hem ervan verdenkt dat hij zo naïef zou zijn om plotseling met een ‘samenlevingsmodel’ of ‘visie’ te komen aandraven. Hij is de rijkste, de sterkste en bezit het meeste sex appeal, en dat kan volstaan.

[18] Een voorbeeld van het vrolijke nihilisme van de avant-garde: “Toch kent de dadaïst den mensch eenige positieve waarden toe: het instinct om te domineeren en de behoefte elkander op te eten. Alle ethische drijfveren: goedertierenheid, barmhartigheid, medelijden enz. zijn voor de dadaïst slechts dekmantels om des menschen waren aard te verbergen.” (Theo van Doesburg in Wat is dada? uit 1923)

[19] Geciteerd door Peter Sloterdijk in Kritiek van de cynische rede, Amsterdam, Arbeiderspers, 1984, p. 618.

[20] Op. cit. (noot 15), nr. 71. Vergelijk: Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, p. 383.

[21] Men kan hierbij ook denken aan de nauwelijks merkbare rilling van genot die door een weldenkend gezelschap gaat wanneer één iemand het plots aandurft om gortige, ‘politiek incorrecte’ praat te verkopen. Om een vergelijking te maken met een ander domein: voor talloze kunstenaars geldt Warhol als de kunstenaar die het als eerste heeft aangedurfd alle ‘misplaatste schaamte’ overboord te gooien. De als sloterdijkiaanse ‘kynicus’ vermomde cynicus Wim Delvoye formuleert het zo: “Andy Warhol was de eerlijkste van alle kunstenaars. Hij maakte de mensen tenminste niets wijs. Hij zei van in het begin dat hij een ster wilde worden en dat hij oppervlakkig wilde zijn en rotcommercieel. Precies zoals het is gegaan.” (Mao-magazine nr. 19) Eigen aan de cynicus is dat hij onweerlegbaar is. Hij is het immers roerend eens met zijn criticus: ‘Ja, wij zijn commercieel! Ja, wij zijn intolerant!’ Men kan dan ook niets anders dan de cynicus aan zichzelf overlaten en hopen dat hij in de toekomst eerlijker met zijn melancholie omgaat.

[22] In: Schwartz, op. cit. (noot 1), p. 718.

[23] Ibid., p. 64.

[24] Ibid., p. 268.

[25] Adorno, op. cit. (noot 15), nr. 108. Deze hele alinea is een parafrasering van Adorno’s aforisme.

[26] Zie: Pasolini, Theorema, Bruna, Utrecht/Antwerpen, 1968, p. 90.

[27] Dit zijn de woorden van de moeder. Ibid., p. 89.

[28] De sadeaanse libertijn onderwerpt zich volgens psychoanalyst Serge André aan een substance-supposé-jouir. Zie: L’imposture perverse, Paris, Seuil, 1993, p. 23.

[29] Slavoj Zizek noemt deze inherente transgressie het ‘obscene supplement’ van de macht.

[30] Dit lijkt ook Slavoj Zizeks opvatting over het fascisme te zijn (zie bijvoorbeeld The Sublime Object of Ideology, London/New York, Verso, 1989, pp. 81-82), en ongetwijfeld reeds die van Adorno, die zowel bij Sade als in het fascisme een lust aan de formalisering ontwaart.

[31] Zie: Nietzsche et le cercle vicieux, Paris, Mercure de France, 1996, p. 232. Zie ook Friedrich Nietzsche, Kritische Gesamtausgabe, 9, München, de Gruyter, 1999, p. 664.

 

Salò van Pasolini wordt in de loop van dit jaar vertoond in ruim dertig Nederlandse filmtheaters, als onderdeel van een door het Nederlands Filmmuseum georganiseerde ‘klassiekertour’. Van 14 tot 27 maart draait de film dagelijks in het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam (www.filmmuseum.nl).

Geen lekkerder stront dan die van een ter dood veroordeelde vrouw

Ik wil de kont van uw God niet zien.

Hugo Claus

 

Een perfect kadaver

“We hebben nood aan eenheid, behoefte aan synthese, aan klare, strakke lijnen, aan welomschreven, in getal beperkte doelstellingen.” Het zou een zin kunnen zijn uit een of ander constructivistisch of ‘neoplasticistisch’ manifest. De zin is evenwel afkomstig uit een boek uit 1937 van de Vlaamse katholiek Leo Bollinger, Fascisme en levensbeschouwing, waarin de auteur zijn voorzichtige sympathie uitspreekt voor het fascisme. In het vorige nummer van De Witte Raaf heb ik geprobeerd aannemelijk te maken dat de ideologische doctrine die het fascisme naar voren schuift, slechts een alibi is voor een exaltatie van de orde-idee. De fascist heeft, zoals menig burger, een hekel aan ‘ideologieën’. In die zin is het fascisme, als ‘conservatieve revolutie’, radicaal modern. God is dood, de Zin van alles is onduidelijk, het Doel is weg, maar alles moet geordend blijven verlopen. En om die Orde te installeren, opdat de mensen die Orde zouden internaliseren, kan elk humanistisch, religieus en niet in de laatste plaats socialistisch gedachtegoed van pas komen. Het parool is Eenheid, en hiervoor kan elk historisch voorbeeld, ongeacht zijn inhoud, dienstdoen als model. Net zoals Georges Sorel in zijn Réflexions sur la violence (1908), verwijst Bollinger naar de ‘diepzinnige’ visie van het Romeinse keizerrijk: “één mensheid, één gezag, één kracht”. Even diepzinnig was volgens Bollinger de visie van de katholieke Kerk: “één volk en één God”. De fascisten waren gefascineerd door feodale, corporatistische, religieuze, etatistische, napoleontische vormen van orde. Ze keken evenzeer op naar vormen van solidaire gemeenschappelijkheid, bij andere, ‘primitieve’, ‘heidense’ volkeren, maar zeker ook bij de joden. Hitler zelf maakte geen geheim van zijn eerbied voor de streng hiërarchische structuur van de katholieke Kerk. [1] Van het motto ‘Orde leidt tot God’ is het inderdaad maar een kleine stap naar de vergoddelijking van de orde als zodanig. In de jaren dertig waren in Europa nog de meest democratische burgers om dezelfde reden gefascineerd door het fascisme, niet omwille van de inhoud van zijn ‘wereldbeschouwing’, maar door het formele gegeven dat miljoenen zich leken te verenigen in één idee. Welke idee? De idee zelf van de vereniging, van de eenwording die volgens de fascisten het principe is van het leven zelf. Het leven zelf wenst orde, het is een ordeningsprincipe dat elementen selecteert en vervolgens synthetiseert. Het ‘vereenvoudigt’, zoals Nietzsche graag zegt. En vermits ook de staat een levend organisme is, is de staat niets anders dan hang naar orde. Het doel van de staat is een perfect geordende staat. Deze tautologieën zijn modern. “Het doel van het kunstwerk is een perfect geordend kunstwerk.” Zoals bekend is dit de essentie van de modernistische esthetica. Een dergelijk formalisme kenmerkt, simpel gesteld, ook linguïstisch-filosofische stromingen als het Russisch formalisme en het structuralisme. Het kunstwerk, en trouwens eender welk cultureel construct, gold niet meer als de afspiegeling van een gegeven, natuurlijke ordening, maar als het resultaat van een autonome ordeningsactiviteit. [2] Voor de avant-garde heeft dit evenwel nooit betekend dat het kunstwerk van de realiteit is afgesneden. Integendeel: ook voor haar is elk ordenen de uitdrukking van een vitaal, energetisch principe.

‘Organisatie’, ‘montage’, ‘arrangement’, ‘constructie’ zijn de motto’s van de moderne tijd waarin het grote doel weg is. Maar uiteraard wordt dit formalisme, deze “doelmatigheid zonder doel” (Kant), enkel in het domein van de kunst als zodanig erkend. In het eerste deel van dit essay stelde ik dat het fascisme, weliswaar niet op het niveau van de expliciete doctrine maar in de praktijk, zo’n formalisme huldigde. Zo koos Hitler tegen de zin van het partijbestuur Leni Riefenstahl om een documentaire te maken over de Parteitag van de NSDAP; hij vond dat zij als echte kunstenares vrij was van de starre denkbeelden van de bestuursleden. Triumph des Willens werd een documentaire zonder off screen commentaar. De film toont slechts de eindeloze beweging van pelotons die strakke patronen vormen en tegelijk de indruk geven van een eindeloze beweeglijkheid en mogelijkheid tot variatie: pure kunst dus. Alsof de Orde en haar vermogen om telkens nieuwe configuraties te vormen geen commentaar behoeven om te tonen dat ze de kracht van het leven zelf zijn. Deze film is even ‘a-ideologisch’ als zijn onderwerp. Het grote ‘feest’ van de nazi’s was zelf niet veel meer dan een geometrisch perfecte choreografie, die Riefenstahl tot een soort formalistische, constructivistische extase opvoert, waarover ze een halve eeuw na datum nog steeds zonder schaamte haar trots kan laten blijken en die tot op vandaag door ‘linkse’ kunstenaars en critici met even weinig schaamte wordt bewonderd – “gewoon, je begrijpt wel, puur bekeken als kunstwerk”. Het hoeft geen betoog dat juist deze a-ideologische houding de ideologie in haar zuiverste staat vertegenwoordigt.

Nogmaals: het fascisme zelf is een formalisme. De grote doelen, de grote idealen die het proclameert, zijn alibi’s voor een lust die wordt ondervonden aan de ordening zelf, dat wil zeggen aan het disciplineren, dresseren, surveilleren zelf. De aard van deze lust is moeilijk te achterhalen. De fascistische leider ziet zichzelf als degene die zich opoffert, niet zozeer voor de grote Zaak, maar voor het belang van de massa die hij moet leiden. Hij is geen monarch die af en toe iets van zijn splendeur op de massa laat afstralen, maar de Arbeider die de amorfe, zwakke, al te passieve, ‘vrouwelijke’ massa moet bearbeiten opdat ze vaste vorm, Gestalt zou krijgen (Hitler sprak over de massa als over een vrouw die hij eronder moest krijgen). Zijn arbeid is een heroïsche strijd met een nog ongevormde substantie, analoog aan de strijd die, volgens een nog steeds populaire esthetica, de kunstenaar voert met de chaotische materie. Om de massa vorm te geven moet hij natuurlijk gebruik maken van grove simplificaties en leugens. Maar ook dit cynisme ervaart hij als een offer. Zoals Dostojevski’s jezuïtische grootinquisiteur tot de gevangengenomen Christus zegt: ‘Jij hebt makkelijk praten. Wij moeten ondertussen het vuile werk doen. Met jouw waarheid kom je niet ver als je er, zoals wij, verantwoordelijk voor bent dat de massa in rust en vrede leeft en werkt. Wat wij nodig hebben zijn goed klinkende leugens en een harde aanpak. En trouwens, zoals de ongelukkige Pilatus jou reeds oprecht vroeg: ‘Wat is waarheid?’ ’ Men kan de fascistische grootinquisiteur natuurlijk gemakkelijk van antwoord dienen: “Hou op over je offer, je geniet maar al te zeer van je gemanipuleer en je koude superioriteit, en de orde die je daarbij nastreeft is slechts een voorwendsel. Je spreekt er al te geëxalteerd over.” Deze kritiek is terecht. Al eeuwen lopen er bijvoorbeeld genoeg katholieken rond die niet in God en de hele santenkraam geloven, maar vinden dat het instituut met zijn rituelen en disciplineringsvormen moet blijven voortbestaan omdat dit nu eenmaal noodzakelijk is om de sociale cohesie te bewaren, om de mensen op een prereflexief niveau een basisvertrouwen in het bestaan te geven, enzovoort. Gezien de schaamteloze intellectuele oneerlijkheid die sinds eeuwen van hen afdruipt, is het trouwens nog maar de vraag of de kerkelijk leiders sinds de Contrareformatie in wat dan ook geloven tenzij in de formele noodzaak van orthodoxie en de bijbehorende ‘orthopraxie’.

“Maar zo erg kan het toch niet zijn!” is men geneigd uit te roepen. Wel en niet. In het eerste deel van dit essay deed een door Speer vertelde anekdote over het draaien van Riefenstahls Triumph des Willens bij ons het vermoeden rijzen dat daar niet de laatste waarheid over het cynisme van de macht werd verteld. Er is iets vreemd aan de hand met deze cynische, typisch moderne distantie van de leider tegenover de ideologie die hij er bij de ‘vormloze massa’ instampt. Speer vertelt bijvoorbeeld ook het volgende: “Op 30 januari 1934 werd op voorstel van Robert Ley, de leider van het Deutsche Arbeitsfront, een vrijetijdsorganisatie gesticht onder de naam ‘Kraft durch Freude’. Ik zou daarin de verantwoordelijkheid op me nemen voor de afdeling ‘Schönheit der Arbeit’, een formule die niet minder de spotlust opwekte dan de aanduiding ‘Kraft durch Freude’ zelf dat ook deed.” [3] De zaak wordt van meet af aan door alle verantwoordelijken als potsierlijk doorzien, maar geen middel wordt geschuwd om zoveel mogelijk mensen erin te doen geloven. Waarom altijd die spot? Waarom altijd die obscene grapjes waarmee men anderen maar eerst en vooral zichzelf wil bewijzen dat men niet zo stom is te geloven in wat men zelf door middel van grootscheeps opgezette ‘sensibiliseringscampagnes’ uitdraagt? Omdat men bang is dat men er via het geloof van de anderen zelf in gaat geloven. Op de cynische leider springen vonken over van het ‘naïeve’, ‘spontane’, ‘volkse’ geloof dat hijzelf heeft georkestreerd. Hij begint te geloven in het geloof van die anderen. Hij begint dus gewoon te geloven, of beter: het blijkt dat hij altijd al geloofde. Met de spottende grapjes die de fascistische leiders onder elkaar vertellen trachten zij zich boven de naïviteit van hun eigen geloof te verheffen.

De leider doet een ‘offer’. Hij cijfert zichzelf weg. Als verantwoordelijke organisator kan hij zelf niet deelnemen aan de ‘vreugdevolle’ opstanding van het volk, aan de ‘schoonheid’ van de arbeid. Als auteur van de Orde kan hij niet van die Orde genieten zoals het volk dat erin is opgenomen. De fascistische leider torst eenzaam het gewicht van de eeuwige twijfel, de scepsis, de ironie waaraan de moderne mens lijdt. Maar uit deze kille verzaking aan het ‘warme’ gemeenschapsgevoel put hij een surplus aan genot. En dit genot teert helemaal op het genot dat hij fantasmatisch aan het volk toeschrijft. De leider geniet via de anderen, zoals bijvoorbeeld de werkverslaafde zakenman geniet via zijn vrouw en kinderen die hij op vakantie stuurt. Onbewust identificeert hij zich jaloers met een passieve overgave waartoe hij zelf niet in staat is. Maar er is meer. Eigenlijk gunt de fascistische leider het volk zijn genot niet. Dit verraadt hij doordat hij het met zijn intimidatiepraktijken al te zeerverplicht te genieten en het daarmee in een impasse brengt.

“Kraft durch Freude. Hahaha!” Dit binnenskamers hoongelach, in zijn structuur identiek aan dat van reclamejongens die weer een gladde slogan hebben bedacht, is gekleurd door het vreugdeloze maar excessieve genot dat de leider put uit het besef dat het volk onmogelijk zijn plicht tot genieten kan vervullen, terwijl bij dat volk anderzijds niet de cynische distantie wordt getolereerd waarmee de leider zichzelf tegen de intimidatie door het collectieve enthousiasme beschermt. De leider, die van zijn onderdanen ondubbelzinnige participatie eist, geniet er dus heimelijk van dat zij enerzijds niet in staat zijn tot deze participatie maar anderzijds enkel van hun non-participatie, hun vrijheid dus, kunnen getuigen door zonder terughoudendheid te participeren, namelijk als kadaver. De fascist geniet wanneer het bestaan van de onderdaan zich samentrekt tot een kadaverachtige vreugde, tot een kadaverachtige glimlach, tot een kadaverachtige jeugdigheid. Als kadaver is de onderdaan het restant, het afval van een soort Mystiek Lichaam dat geniet, van het ene Lichaam van het Volk, het Rijk, de Führer, waarvan het vuur, zoals dat van de fascistische fakkel, eeuwig brandt. De fascist houdt dit vuur voor zichzelf levendig door er anderen mee te branden en te zien dat ze er niet en dus slechts als verminkte of dode mee om kunnen gaan. Geen wonder dat Hitlers elitetroepen, die als geen ander de ‘levenskracht’ van de natie incarneerden, het doodshoofd als embleem hadden. De onmenselijke abstractie waaraan het totalitarisme de mens onderwerpt is niet die van een levensvreemde geest, maar die van een fantasmatisch Genot. Men lijkt het leven te offeren aan een principe dat de orde schraagt, maar offert eigenlijk aan een Genot dat elke orde te buiten gaat. Met het doodshoofd van de SS bekent het fascisme cynisch dat niemand gerechtigd is om van dit Genot te genieten, tenzij als dode. De perversiteit van de SS-er bestaat erin actief de positie van deze dode in te nemen om zo zijn onmacht tegenover de dood, door Hegel “der absolute Meister” genoemd, voor zichzelf te kunnen verloochenen. De SS-er, als trots van de natie, maakt het niemand-zijn, de verzaking aan elke persoonlijke wil of gevoel, tot principium actionis. Hij is een geval van perfect geslaagde zelfintimidatie. Hij schept er genot in zichzelf tot het dode instrument te maken van een onverschillig genietende Ander. Anders gezegd: de SS-er, die al degenen die niet in de Orde passen – en de ‘jood’ vertegenwoordigt hier strikt genomen iedereen – als stront behandelt, kan dit slechts omdat hij in de scène van zijn fantasma eerst en vooral zichzelf heeft gereduceerd tot de perfect gelegde stront die hij een obscure Ander vol verrukking laat opeten.

 

Een buitenissige wet

Het wordt tijd om opnieuw naar Salò te kijken. Pasolini drijft de fascistische logica op de spits. De vier rijke vrienden in de film houden van orde, maar rechtvaardigen die orde niet vanuit één of ander edel doel. Wanneer, in de proloog van de film, het boek in beeld komt waarin de strenge, onverbiddelijke regels van het huis staan opgetekend, horen we de hertog off screen zeggen: “Alles is goed wat buitenissig is” (een letterlijk Sadecitaat). Dit laat aan duidelijkheid niets te wensen over: de orde die zal heersen, zal buitenissig ordelijk zijn. En de slachtoffers zullen deze buitenissigheid voelen.

Hoe moeten we deze buitenissigheid begrijpen? We kunnen daarvoor te rade gaan bij Zizek, meer bepaald bij diens interpretatie van het concept ‘ideologische interpellatie’ bij Althusser. Volgens de lacaniaan Zizek leest Althusser deze interpellatie nog teveel op het louter symbolische niveau, zeg maar op het niveau van de doctrine en haar inhoud. Op dit niveau echter kunnen de subjecten zich de ideologie nooit helemaal eigen maken. Iets in hen biedt hiertegen weerstand omdat er met de inplanting van de ideologie in de psyche altijd een traumatiserende component verbonden is die tegelijk een obscuur, ondraaglijk, ‘buitenissig’ genot opwekt. Zizeks punt is nu dat dit heimelijk genot de onderwerping van het subject aan de ideologie niet verhindert, maar juist mogelijk maakt. [4] Dit genot, waarin het even helemaal niet gaat om de inhoud van de ideologie, maakt de participatie aan de ideologie dwingend. Het engagement met de inhoud van de ideologie verlicht juist het dwingende, traumatiserende karakter van een interpellatie waarbij het subject niet weet wat hem overkomt. (Dit is trouwens de reden waarom totalitaire leiders er niet van houden dat men teveel interesse toont in de doctrine.) Traumatiserend is dat we niet weten wat van ons wordt gevraagd maar dat we, zoals de hoofdfiguur in Het procesvan Kafka, door de ideologische instantie wel worden geïnterpelleerd als degenen die het behoren te weten.

Zizek verwijst naar het banale sadisme dat we kennen uit het leger. De korporaal schreeuwt de nieuwelingen bijvoorbeeld toe: “Wel! wat sta je daar als idioten te staren? Weet je misschien niet wat je te doen staat? Aan jullie moet je werkelijk alles uitleggen!” [5] Zizeks stelling is dat mensen zonder een dergelijke terreur, die hen ertoe brengt meteen schaamte te voelen en zichzelf te beschuldigen omdat ze niet weten wat ze überhaupt nooit kunnen weten, nooit voor een ideologie zouden kunnen vallen. De perversiteit van het fascisme bestaat er dan in dat het daar meer dan ooit gebruik van maakt. Het fascisme vraagt van de mensen als het ware niets anders dan dat ze te allen tijde beschikbaar zijn, paraat, bereid tot. Van het fascisme gaat een obsceen appèl tot mobilisering uit [6] dat zo intimiderend is dat het er wel op gericht lijkt het vermogen tot symbolische identificatie, waarmee het subject ‘adequaat’ op dit appèl zou kunnen ingaan, te ondermijnen. [7] Het fascisme mikt niet op instemming met de doctrine, maar op onbegrip, perplexiteit. Het wil het subject, om het eender welke weg te kunnen opsturen, laten ervaren dat het geen enkele weg meer op kan.

Zo functioneert de macht in Pasolini’s Salò. De stijl waarmee de vier fascisten, geflankeerd door vier hoerenmadams, voor hun gevangenen op de eerste dag van hun verblijf vanop een hoog balkon de ‘regels’ van het huis aframmelen, verraadt dat ze niet op begrip rekenen: ‘orgiezaal’, ‘verhalen’, ‘de verbeelding stimuleren’, ‘verspreid als dieren op de grond’, ‘incest, overspel en sodomie’. Het enige wat de gevangenen hier angstig-verdoofd uit op kunnen maken, is dat er van hen een absolute, onvoorwaardelijke bereidwilligheid wordt geëist, een eis waaraan ze, zelfs als ze zouden willen, per definitie nooit tegemoet kunnen komen. Elke poging daartoe zou immers meteen als een aanmatigende, zelfs opstandige geste ontvangen worden. Dit is sadisme: niet dat men de ander onderwerpt aan de wet, maar dat men hem verhindert met de wet om te gaan, haar te ontcijferen, van enig begrip van de wet blijk te geven, op haar toepassing te anticiperen. De onderdaan mag eenvoudigweg geen houding kunnen aannemen tegenover de wet. De wet moet buitenissig blijven. Ze moet de obscene, materiële nabijheid van een intimiderende stem of aanraking behouden, en in die nabijheid ver en raadselachtig blijven, bij de onderdaan treiterig de valse indruk wekkend dat ze toch iets te vertellen heeft dat articuleerbaar is en waaraan de onderdaan misschien ooit tegemoet zou kunnen komen.

 

Tegen de fascinatie

Salò is een strenge film. Hij is er niet op uit de kijker te fascineren. De film gaat over fascinatie, over de wreedheid van de fascinatie, over fascinatie die altijd al op weg is wreed te worden, maar de film zelf fascineert niet. Hij is immers niet om aan te zien. Dat komt niet omdat de beelden ‘wreed’ zijn, in de zin van bloederig of gewelddadig. De door Georges Bataille bekend geworden foto waarop een levende man met haken stukken van het lijf worden gescheurd, is afschuwelijk, maar wie ernaar kijkt ontsnapt niet aan een kwellende fascinatie. Niets van dit soort gruwel bij Pasolini. Salò neigt evenmin naar een esthetiek van het ‘abjecte’ of het ‘vormloze’, waarbij de blik wordt aangezogen door een afstotelijk, nauwelijks herkenbaar fragment of product van het lichaam. Het abjecte fascineert omdat het de suggestie wekt van een overgave aan iets voormenselijks, aan een onheuglijke, met angst beladen vorm van lust. Het gaat daardoor algauw functioneren als het abstracte, en daardoor al bij al geruststellende tegendeel van het menselijke. Pasolini gunt ons dit niet. Geen ‘Unheimlichkeit’ in Salò. De camera zoomt bijvoorbeeld nooit in op een al dan niet verminkt lichaamsdeel, een wonde of een stuk stront. Salò maakt, algemener gesteld, nergens gebruik van de ‘vervreemdende’, ‘decontextualiserende’, ‘defamiliariserende’ isolering van details, waardoor ons het zicht op het totaalgebeuren wordt ontnomen. Salò gunt het de toeschouwer niet dat hij zich, al was het maar voor eventjes, verliest in de fascinatie voor iets dat hij niet meteen narratief kan plaatsen. Elke nadruk op het abjecte of quasi-onherkenbare detail zou de blik van de toeschouwer al te zeer seksualiseren en hem daarmee de gelegenheid bieden te ontsnappen uit het gesloten universum van Salò. Pasolini toont niets abject, hij toont de naakte machtsconstellatie waarin mensen worden verplicht te participeren in de cultus van het abjecte. De toeschouwer moet aanzien hoe de vier heren een soort avant-gardistische happening hebben opgezet waarin de steeds lichtzinnig geuite, utopische wens tot participatie van de toeschouwer in het onvoorstelbare, werkelijkheid is geworden.

Salò weigert niet alleen de fascinatie voor het abjecte te voeden, de film speelt überhaupt nergens in op fetisjistische neigingen bij de toeschouwer (inzoverre de cultus van het abjecte, zoals die bijvoorbeeld in de hedendaagse kunst en kunsttheorie hoogtij viert, niet op zichzelf reeds fetisjistisch is). Zo zijn we getuige van een schoonheidswedstrijd waarin de heren willen achterhalen wie van hun slachtoffers het meest welgevormde achterste heeft. De rest van het lichaam van de deelnemers wordt, om redenen van ‘objectiviteit’, bedekt en de zaal verduisterd. Maar wijzelf krijgen de achtersten niet te zien. We zien enkel de fascisten die hun tijd nemen om met hun lampen langs de achtersten te glijden, en die intussen commentaar geven, commentaar die overigens niet eens obsceen is.

Ook van de erotisering van kledingstukken of andere attributen is er geen spoor. Barthes wees al op de afwezigheid van striptease bij Sade. Pasolini blijft Sade hier trouw. Het langzame, verleidelijke spel van de onthulling ontbreekt volledig (er is enkel een brutale ontkleding door bewakers waarbij je enkel deze laatsten ziet). [8] Ofwel hebben de jongens en meisjes kostschooluniformen aan, ofwel zijn ze naakt. Noch met die uniformen, noch met die naakte lichamen doet de camera iets ‘suggestief’. Wat de vier heren betreft, zij zijn gekleed als gewone burgers. Pasolini maakt geen enkel gebruik van het feit dat de domeinen van het recht, van de kerk en van het leger in het sadistische of masochistische fantasma gemakkelijk met de erotiek van de totale onderwerping worden geassocieerd. Hij weigert om nog maar eens te tonen hoezeer de gewaden, insignes, de symboliek en het ceremonieel van de macht libidinaal bezet kunnen zijn. Geen decadent uniformenfetisjisme. Algemeen maakt Pasolini geen enkel gebruik van het bekende sex-appeal van het fascisme, dat in SM-clubs over de hele wereld wordt uitgebuit. [9] Ook de beproefde erotiek van de strafscène, van de ‘vuile hoer’ of het ‘ondeugende meisje’ dat moet worden ‘getuchtigd’, speelt geen enkele rol. De camera aanbidt geen foltertuigen (die overigens, afgezien van de eindscènes, ontbreken); nergens wordt trouwens het machinale in de brede zin van het woord tot fetisj gemaakt. Dit laatste is wèl een verschil met Sade. Bij Pasolini geen spoor van Sades ver doorgedreven, vaak letterlijk onvoorstelbaar ingewikkelde groepsseks, waarbij er lust wordt beleefd aan het koele arrangement van de gevormde ‘figuur’ (Barthes) en het onverschillig-mechanische verloop van het gebeuren. [10]

Salò brengt de seksuele obsessies van de vier heren niet op een ‘concrete’, ‘levensechte’ wijze in beeld. De situaties die de heren seksueel exciteren, worden nergens in scènes uitgesmeerd waarvan de toeschouwer met een neurotisch mengsel van afkeer en lust kennis kan nemen. Pasolini maakt ons niet medeplichtig aan de perverse blik van de vier hoge heren, om ons vervolgens weer op die medeplichtigheid te betrappen. In die zin bezondigt hij zich niet aan een moralisme dat aan de brave toeschouwer wil bewijzen dat hij ‘in feite ook pervers is’.

Juist door consequent erotiserende ensceneringen te vermijden, kan Pasolini zo hard en zonder franjes de ensceneringen tonen waarmee de heren in hun villa de tijd verdrijven. Juist door de afwezigheid van cinematografisch fetisjisme kan het gegeneraliseerd fetisjisme van het Salò-universum worden gereveleerd.

De vier heren eisen dat er door middel van verhalen, die op een cabareteske manier worden gebracht, onophoudelijk seksualiteit in de lucht wordt gepompt. Tevens zetten zij het ene ritueel na het andere op, rituelen die, althans door de jongeren, streng moeten worden gevolgd. De heren laten zich dus voortdurend onderdompelen in een bad van fictie en theatrale acts. Over de aard van het ‘lustgewin’ dat ze met al die behoorlijk professioneel opgezette vertelsessies en ceremoniële handelingen opstrijken, blijven we enigszins in het ongewisse. We weten wel wat hen opwindt (zij houden ondere andere van – voornamelijk passieve – sodomie, laten zich graag masturberen, hebben een wel zeer eigenaardige voorkeur voor stront en uiteraard voor het vernederen, pijnigen en doden van jonge mensen), maar het blijft onduidelijk in welke mate dit alles hen daadwerkelijk opwindt. Er spuit in elk geval geen sperma, zoals bij Sade en in harde pornofilms. Er worden evenmin monsterachtige, orgiastische kreten geslaakt; er is zelfs geen zucht of zacht gekerm hoorbaar. De gezichten vertrekken niet van genot. De president lacht net zo flauw terwijl hij gesodomiseerd wordt, als wanneer hij één van zijn grappen vertelt. De heren blijven roerloos de vertelsters aanstaren terwijl ze zich laten masturberen of de genitaliën van de jongen of het meisje naast hen betasten. Ze eten stront alsof het dagelijkse kost was. Het meisje is nog niet klaar met op het gezicht van de hertog te urineren, of deze laatste citeert reeds Baudelaire. De seksualiteit in Salò lijkt in hoge mate verinnerlijkt, ‘vergeestelijkt’. In een bepaalde scène volstaat het voor de rechter dat een meisje vanaf het toilet toeziet hoe hij in de lavabo urineert. Niets is minder ‘dionysisch’ dan wat zich in de ‘orgiezaal’ afspeelt.

 

Het einde van de femme fatale

En wat met de verhalen die de wulpse ‘signora’s’ ten beste geven? Ze worden gebracht alsof ze zich boven de hoofden van de vier heren moesten uitspreiden als een kleurrijk baldakijn dat hun uitspattingen meer schittering verleent. Maar het tegendeel gebeurt. De verhalen resoneren niet, ze vallen als het ware dood tegen de muren van de ‘orgiezaal’. Tussen de verhalen die de signora’s met zwoele stem en gebaren vertellen, en wat er echt gebeurt, gaapt een bodemloze afgrond. Dat ligt niet alleen aan het schrijnend duidelijke feit dat er in de verhalen met volle teugen van seks en geweld wordt genoten, terwijl in Salò de meerderheid slechts een uitzichtloos lijden beschoren is. Het komt ook doordat het genot dat de verhalen bij de vier heren teweegbrengen, armoedig, ja zelfs nauwelijks merkbaar is. In de korte perverse gestes waarmee ze af en toe de vertelling onderbreken, lezen we geen spoor van genot. De idee van een transgressie, van een afkeer die omslaat in extatische overgave, lijkt daarmee ver weg. De toeschouwer die iets over de film heeft opgevangen of die wat in Sades roman heeft gebladerd, heeft steeds het gevoel dat alles nog moet beginnen: de ‘orgie van seks en geweld’, het ware sadisme, het onvervalste, ‘satanische’ kwaad laat op zich wachten. ‘Voorlopig’ moet hij het stellen met verhalen, waarvoor hij toch niet naar de bioscoop was gekomen. De verhalen zijn pikant en, naar het einde van de film, steeds gewelddadiger. De grote helden en connaisseurs van de wellust passeren de revue. Elk verhaal eindigt er mee dat indrukwekkende penissen, als waren het tuinslangen, krachtige witte stralen spuiten.

De vertelsters spelen voor de vier fascisten de rol van in de wellust onderlegde femmes fatales. Hun spel is echter grotesk, en dat niet alleen door de context waarin zij dat spel spelen, of omdat het duidelijk gaat om vrouwen die hun beste tijd gehad hebben. Het is grotesk omdat de vrouwen worden ingezet als propagandisten van een, in haar rücksichtslose wreedheid, sublieme mannelijke viriliteit. Daarmee geeft de figuur van de femme fatale haar aura prijs.

De femme fatale is de verre erfgename van de ‘Dame’ die wordt aanbeden in de hoofse liefdespoëzie. In Lacans séminaire over de ethiek geldt zij als een paradigma van de sublimatie. Voor de dichter-aanbidder doet zij dienst als een soort sublieme stoplap die het tekort in de symbolische orde afdekt. De grillen en absurde eisen die de dichter zich vanwege zijn Dame laat welgevallen, maken zijn finale onwetendheid over wat de Ander van hem verlangt draaglijk. Op de plaats waar het aan een laatste teken ontbreekt waarmee de Ander zou bewijzen dat hij wel degelijk substantie bezit, plaatst de dichter “een gekmakend object, een onmenselijke partner” die hem arbitraire regels oplegt. [11] Liever een quasi-onbereikbare vrouw aan wier grillen men tenminste nog tegemoet kan komen, dan het afgrondelijke zwijgen van een Vader die zich niet toont.

Zoals bekend duikt de femme fatale in de negentiende-eeuwse literatuur op als ‘la belle dame dans merci’ die de man tot een slaafs werktuig maakt van haar duivelse lusten. Zij wordt steeds weer opgevoerd als een wrede, grillige, wraakzuchtige mannenverslindster. Haar schoonheid is altijd koud en ongenaakbaar, en betovert des te meer doordat haar lichaam en ziel de sporen dragen van de talloze uitspattingen waaraan zij zich ooit heeft overgegeven, of: waartoe zij werd gedwongen. Dit laatste blijft dubbelzinnig, en eigenlijk ontleent zij haar betovering pas aan deze dubbelzinnigheid. Doordat zij in een duister verleden misbruikt en vernederd werd, is er iets onschuldig aan haar koude wraakzucht en seksuele onverzadigbaarheid. Haar cynisme is dat van een wanhopige, gekwetste vrouwenziel. In het verhaal Novembre schrijft de jonge, romantische Flaubert over de courtisane Marie dat zij “droevig is in haar wellust”. “De rampspoed, die haar moet hebben bezocht, maakte haar mooi door de bitterheid die haar mond zelfs in haar slaap nog liet zien.” En verder: “De mannen aan wie zij had toebehoord, hadden op haar als de geur van een vervlogen parfum de sporen van verdwenen hartstochten achtergelaten, die haar ontucht luister verleenden. De seksuele uitspattingen tooiden haar met helse schoonheid. Zou zij zonder die orgieën die zelfmoordglimlach hebben gehad die haar het voorkomen gaf van een dode, opgestaan om de liefde te bedrijven?” [12]

De courtisane in Flauberts verhaal fascineert de jonge en onervaren jongeling omdat zij de schaamteloze wellust belichaamt, maar tegelijk ook omdat zij ongelukkig is, omdat zij doorheen al haar seksuele ervaringen grondig onbevredigd is gebleven. Bij een schrijver als d’Annunzio wordt de femme fatale een dodelijke vampier die, omdat zij geen druppel bloed bezit, zowel bij mannen als bij zichzelf al het bloed wegzuigt. [13] Zij is een soort radicale antimoeder, een vrouw die geen leven geeft, maar alle leven bij anderen moet halen. Wanneer Swinburne schrijft dat de Natuur “de pijn van de hele wereld gebruikt om de levenslust in haar eindeloze aderen te vergroten”, dan verwijst hij niet alleen impliciet naar Sades sadistische moeder-natuur, maar vat hij ook kernachtig samen hoe de vrouw vaak in zijn poëzie opduikt, namelijk als de incarnatie van het doodsprincipe. Kortom, bij de decadente schrijvers heeft de femme fatale veel minder van een eeuwig onbevredigde hysterica, maar wordt zij de ondubbelzinnige incarnatie van een boosaardig, dodelijk genot. Eigenlijk is het steeds Juliette, hoofdfiguur van Sades Juliette ou les prospérités du vice, die hier als model dient. In tegenstelling tot haar zuster Justine, het eeuwige slachtoffer, geniet Juliette van alles wat haar overkomt. “Alles wat haar treft, reveleert aan deze vrouw haar kracht, en ze geniet ervan als van iets dat haar doet groeien”, schrijft Blanchot. [14] Van de gewetenloze libertijnen die zij op haar levenspad heeft ontmoet, heeft zij geleerd om van alles wat haar overkomt, hoe rampzalig en wreed ook, te genieten, en het geheim van dit soevereine genot is de apathie, een neutralisering van alle spontane gevoelens en passies. De libertijnen, schrijft Blanchot nog, “pretenderen te genieten van hun gevoelloosheid, van hun ontkende gevoeligheid, en worden wreed”, en hij citeert Sade: “L’âme passe à une espèce d’apathie qui se métamorphose bientôt en plaisirs mille fois plus divins que ceux que leur procureraient des faiblesses.” [15]

Pasolini, die zei dat hij pas de definitieve beslissing nam om Sade te verfilmen na lezing van Blanchots Sade-essay, neemt Blanchots idee over de soevereiniteit ernstig, en dit op een manier die hij nooit kon voorzien. De hoerenmadams die hij in Salò opvoert, zijn gewoon dames die in hun libertijns examen zijn geslaagd, en die hun opperste best doen om hiervan in hun verhalen te getuigen. Van alles wat al die mannelijke wellustelingen en sadisten destijds met hen hebben uitgehaald, hebben zij naar eigen zeggen genoten, en dit genot, dit ‘vrouwelijk’ genot werd steeds bekroond met een spectaculaire, mannelijke ejaculatie waarover zij één en al verrukking zijn.

In de hoofse liefde trachtte de troubadour wanhopig het verlangen van de vrouw te ontcijferen. Tegen de kwellende onmogelijkheid daarvan beschermde hij zich door de sublimatie. Zijn kunst bestaat erin de schijnbewegingen die de Dame maakt, de obstakels die zij opwerpt, libidinaal te bezetten. Hij veinst zelf die obstakels op te werpen, hij eigent ze zich toe. [16] Hierdoor bevrijdt hij zich van zijn verstarde, impotente fascinatie voor het genot van de Ander en houdt hij zijn verlangen levendig. In de decadente romantiek, waar Lacan “infantiele echo’s” van de hoofse ideologie herkent, neemt dit alles extremere vormen aan. [17] De dichter fantaseert dat hij, om te voldoen aan de grillen van de vrouw, dodelijk wordt verwond, hij wil niets liever zijn dan “het machteloze slachtoffer van de razernij van een mooie vrouw” (Swinburne), van een vrouw die “in staat is met haar ijzeren hiel de hele wereld te vertrappen” (d’Annunzio). [18] De dichter cultiveert masochistisch zijn perplexiteit tegenover de vrouwelijke ander waaraan hij fantasmatisch een ‘goddelijk-duivels’ genot toeschrijft. De Duitse cabarets van de jaren twintig en dertig, druk bezocht door Duitse officieren en SS-ers, cultiveerden een gelijkaardig vrouwbeeld. Het is duidelijk dat Pasolini ook hieraan refereert. Salò biedt een kort, ontluisterend overzicht van de vooroorlogse, Europese cabaret- en variétécultuur. In de loop van de film wordt alles steeds ernstiger en daarmee ook grotesker. De eerste vertelster is een karikatuur van Franse koketterie. Haar taak bestaat erin van de slachtoffers ‘eersteklas hoeren’ te maken. De tweede, die de coprofiele fantasieën van de heren moet aandikken, meet zich Marlène Dietrichachtige allures aan. De derde speelt een soort Duitse ijskoningin, met zwoele, dreigende stem. [19]

Niets is de Salò-fascisten echter vreemder dan de cultus van de Vrouw. Zij ensceneren die hele poppenkast juist om aan de impotente fascinatie voor het koude mysterie van de femme fatale te ontkomen. Eigenlijk keren zij de zaak gewoon om: niet de man aanbidt in de vrouw “de bekoorlijke Gruwel, de ongrijpbare Gril” [20], maar als seksobject duidelijk afgedankte, potsierlijk opgetutte vrouwen bezingen vol adoratie sadistische mannen die de meest buitenissige seksuele fantasieën op hen uitproberen. Hierbij leggen de vrouwen er graag de nadruk op dat deze mannen dat deden zonder enige consideratie voor hun vrouwelijkheid. Immers, net zoals de vier heren zelf hebben alle perverten uit hun verleden een afkeer van de vagina, en prefereren zij de anus, inclusief datgene wat deze produceert… Als signora Maggi op verzoek van één van de heren haar rok opheft om haar vermaarde achterste te tonen, waarbij ze zegt dat ook zij de voorkeur geeft aan dit deel van haar lichaam, dan identificeert zij zich volledig met de apathie waarmee mannen haar langs die kant hebben genomen en ook nu nog bekijken. Ze presenteert haar achterste als ‘voorbeeld’ om het onderwerp van haar verhaal (namelijk sodomie en voornamelijk coprofilie) te introduceren. Dit achterste, dat even in close-up wordt getoond, is niet meer dan een toonexemplaar, een ‘monster’, een ‘wegwerpachterste’. Het is nog in een ander opzicht een wegwerpding, namelijk als dat deel waarin de vrouw ervan geniet als wegwerpding, als stront behandeld te worden. Dit achterste, en meer bepaald de anus, is de plaats waarin zij zich de libertijnse apathie het meest eigen heeft gemaakt. Ze lijkt het ook als haar taak te beschouwen de gevangenen tot die apathie op te leiden. Zij is het die alle slachtoffers samen naakt, op hun handen en knieën, in een verduisterde kamer opstelt, met een doek over hun hoofd zodat de achtersten ‘objectief’ op hun schoonheid kunnen worden beoordeeld. “Dit is mijn meesterwerk”, zegt zij pathetisch. Nadat een meisje wenend en kokhalzend de versgelegde stront van de hertog heeft moeten opeten, zegt zij: “Ondraaglijk dat zo’n kind daar zo overstuur van raakt.”

Om zich dit apathische, soevereine genot eigen te maken, hebben de vrouwen een zware prijs moeten betalen. Het zijn wandelende kadavers. Zij zijn niet de fatale vampierenvrouw, zij werden omgekeerd door hun libertijnse meesters uitgezogen en als lege hulzen achtergelaten. Het zijn onwerkelijke, spookachtige wezens zonder binnenkant. Net voor ze hun kamer uitgaan en de trap afdalen om te gaan optreden in de orgiezaal, glimlachen ze tegen zichzelf in de spiegel. Er is niets doodser en sterieler dan de ceremoniële glimlach die de dames met zichzelf uitwisselen.

 

De dood van de ander eten

Het laatste verhaal wordt met een hese grafkelderstem verteld door de in een lang wit kleed gehulde Signora Castella. Ook de meisjes, die verspreid over de vloer toehoren, zijn in witte gewaden gehuld. Het verhaal gaat over een onnoemelijk rijke sadist met het “geslachtsorgaan van een hengst”, die speciaal een landhuis had gekocht waarin hij zich aan zijn uitspattingen kon overleveren. Hij las ‘uiteraard’ Nietzsche en Huysmans, en had een beul in dienst die, uitgedost met “een masker en emblemen van de duivel, een hele collectie van vreselijke werktuigen bediende”. Zijn geliefkoosd amusement bestond erin verschillende meisjes in zijn mond te laten kakken (hij slikte niet door, hij proefde alleen maar), waarna hij zorgvuldig “een nummer in hun zachte vlees brandde”, om ze vervolgens het raam uit te schoppen zodat ze de kelder in donderden. Aldus culmineren de verhaalsessies van de dames in een plechtige ode aan een superslechterik die vrouwen als stront behandelt, of beter, die ze met hun stront identificeert. Dat hij de meisjes nummert en, zoals de signora benadrukt, alles “heel ernstig” uitvoert, wijst op de ‘sublieme’ apathie van zijn passie. [21]

 Scatologische motieven komen ook al voor in de hoofse liefde. In een door Lacan besproken gedicht schrijft de dichter Arnaut Daniel over een andere dichter die van zijn aanbeden dame de opdracht kreeg om haar ‘trompet’ te bespelen, dat wil zeggen in haar anus te blazen. [22] Zij vraagt hem dus om een wel heel letterlijke ode aan haar onwelriekende cloaca, iets waarvoor de onthutste dichter overigens – terecht, vindt Daniel – bedankt. De dichter prefereert de peniale boven de orale sodomie, en wel omdat deze de toegang tot haar cloaca gesloten houdt. De penis penetreert maar dient ook als een prop die afsluit en de helse genotssubstantie van de vrouw op afstand houdt. Op die manier doet hij dienst als fallus: hij bestendigt het verlangen naar een object dat onbereikbaar blijft. [23] De strategie van de superslechterik is radicaal anders. Hij neemt de inhoud van de darmen van de meisjes in zijn mond. Maar dat is nog niet het belangrijkste. Het meest wezenlijke is dat de opdracht niet uitgaat van de vrouw. Het is de man die de vrouw het bevel geeft zich in zijn mond te lozen. Hij is het die zich het goddelijk-duivelse genot, dat volgens zijn fantasma in de leegte van haar cloaca woedt, wil toe-eigenen. Hij zet actief en autoritair in scène hoe hij daadwerkelijk door haar genot wordt overspoeld, terwijl de hoofse dichter met zijn poëzie en omslachtig ceremonieel daar juist een dam tegen opwerpt.

Zoals gezegd wordt de grillige vrouw in de hoofse poëzie op de plaats gezet van een afwezige God. De dichter verkiest de grillige dame omdat hij onbewust vreest dat wat God van hem zou kunnen vragen, veel erger is. De sadeaanse libertijn is uiteraard atheïst. Niettemin getuigt hij in alles wat hij zegt en doet van een geloof in een boosaardige God van manicheïstische signatuur, soms ook ‘Natuur’ genoemd, die voortdurend bezig is voor alles wat leeft de hel te bereiden. Vanuit dit theologisch fantasma wordt de enorme nadruk op stront, met name op het eten ervan, in bijvoorbeeld De 120 dagen enigszins begrijpelijk. [24] Sades kwaadaardige God is een antischepper. Hij is immers een God die stront produceert, dit wil zeggen een God die ervan geniet elke levensvorm tot een amorfe, rottende substantie te herleiden. De meest radicale manier om zich hiertegen te wapenen, bestaat erin dat men zich met die rottende substantie identificeert. Vandaar dat de stront voor de libertijn de meest goddelijke, precieuze substantie is. Om deze ‘delicatesse’ te kunnen smaken moet men uiteraard al zijn spontane, natuurlijke neigingen aan de kant schuiven. Alleen zo kan men deelhebben aan het boosaardige genot van God zelf, een genot dat voorbij elke normale lust ligt – jenseits des Lustprinzips. De libertijn die stront eet, is immuun voor de schijtende God, voor zijn ondoorgrondelijke wil tot destructie. Hij is een meester omdat hij zich tot slaaf maakt van die monsterachtige God, omdat hij zichzelf reduceert tot een ‘machine’ (Sade) die apathisch Zijn bevelen volgt. Tijdens een wals met de bisschop vertelt Signora Maggi over een man die, in een door hemzelf gesimuleerd ‘stervensuur’, eerbewijs bracht aan haar kont en van haar eiste dat ze voor hem kakte. Dit is de meest eerbiedwaardige rol die de vrouw toebedeeld krijgt in het sadeaanse universum: zij is een priesteres die dienst doet als medium, als doorgeefluik, als anus van Gods stront die zij in signora Maggi’s geval als laatste sacrament bij de libertijn toedient. Wat de libertijn zich hier laat schenken, is zijn eigen nakende verrotting. Hij laat zich de eigen dood opdienen door een mooie, kakkende vrouw. De kakkende vrouw incarneert de kakkende God, de God die alles in kak verandert en hierbij oneindig geniet; alleen schijnt de vrouw dit niet te beseffen en daardoor maakt ze van het genot dat in haar darmen woedt niet het juiste gebruik. De libertijn, die als pervert de wetenschap van het genot meent te bezitten, is daar wel toe in staat. De vrouw heeft de libertijn als leraar of ceremoniemeester nodig om het genot te bevrijden dat ze in zich draagt, dat ze beleeft zonder het te kennen en juist hierdoor eigenlijk niet werkelijk beleeft. De waarheid over dit ‘leraarschap’ wordt ons onthuld door de reeds aangehaalde, ultieme slechterik in zijn chique villa: hij proeft de stront van de meisjes en gooit de meisjes zelf als lege hulzen weg. Dit lijkt wel het definitieve einde van de hoofse liefde. Eigenlijk had signora Maggi reeds aan het einde van het tweede hoofdstuk, De cirkel van de stront, het meest radicale excrementiële fantasma geopenbaard. In het zwart gehuld, en met een voile voor haar gezicht, toverde zij uit haar verhalendoos een “geheimzinnige gast” te voorschijn met een zeer exquise fantasie die hij door zijn onmetelijk fortuin nog regelmatig kon realiseren ook: het eten van de stront van ter dood veroordeelde vrouwen, liefst zo kort mogelijk voor hun dood. Hij “beweerde dat er geen lekkerder fecaliën bestaan dan die van een vrouw die zojuist haar doodvonnis heeft gehoord”.

Dit kan wel zonder overdrijven diabolisch worden genoemd. De stront van de ter dood veroordeelde windt de libertijn op omdat hij er een product in ziet van haar angst, die doodsangst is, en die voortkomt uit de absolute onmogelijkheid van de vrouw zich aan de dood over te geven, zich weg te geven aan het niets van de dood en daar enig genot aan te beleven. Wat de libertijn opwindt is dat de vrouw, die zichzelf niet kan weggeven, ondanks zichzelf in haar stront toch iets weggeeft. In het fantasma van de libertijn laat de vrouw het leven, waaraan zij vasthoudt, in haar stront toch los. De dood die voor haarzelf een afschuwelijke onvermijdelijkheid is, wordt in haar stront een gave. Haar stront is vervuld van angst voor de dood, maar is ook verzadigd van een lust die de keerzijde is van die angst. Het gaat om een dodelijke lust voorbij elk banaal, egoïstisch plezier, een lust waarvan zij niets weet en die de libertijn als het ware komt afromen. Als een soort libidinale kapitalist strijkt de libertijn de meerwaarde-aan-lust op die – volgens zijn fantasma – het traumatiserend bericht over haar spoedige dood voor deze vrouw oplevert. Hij snijdt als het ware de twee componenten van het ‘sublieme’ van elkaar los: alle horror is voor de ander, alle delight is voor hem. Hij is de perfecte parasiet. Hij eet de dood van de ander, die dood waartoe de ander niet in staat is, en in dat eten waant hij zich voorbij de dood: onsterfelijk. [25]

Voor de libertijn is de vrouw een ‘buis’ die buiten haar weten, en hierdoor als het ware onrechtmatig, de stront bevat waarin een boosaardige God geniet. In haar vrouwelijke naïviteit denkt de vrouw dat stront niets is om trots op te zijn en dus zo vlug mogelijk moet worden weggespoeld. Door het coprofiele ceremonieel van de libertijn ondergaat die stront echter een soort transsubstantiatie, waardoor het goddelijk genot dat hij bevat zich werkelijk openbaart en door de libertijn toegeëigend kan worden. Hierbij heeft de libertijn de angst en de afkeer van de ander nodig. De stront is voor de libertijn zo’n precieus object omdat hij voor zijn slachtoffer afstotelijk is, omdat hij voor deze laatste een teken vormt van de dood, van een stank en verrotting waaraan hij zelf ooit zal worden prijsgegeven. De libertijn geniet van wat voor de andere een absolute grens stelt aan het genot. Pasolini’s fascisten opereren volgens dit libertijnse model. Op de maaltijd ter gelegenheid van het ‘huwelijk’ van de rechter met een in maagdelijk wit geklede jongen wordt iedereen verplicht de stront van elkaar te eten, die in een grote pot werd verzameld. Het lijkt wel de gerealiseerde utopie van een perfecte democratische en intieme gemeenschap. Iedereen eet en geniet vol verrukking van het product dat iedereen zonder problemen kan afleveren. Uiteraard draait de zaak uit op het somberste eetmaal dat men zich kan voorstellen. De fascisten genieten van dit fiasco. Zij genieten van de verbijstering en de afkeer van hun slachtoffers, van de wezenloze gezichten van deze jongens en meisjes die zichzelf proberen af te sluiten, zichzelf als het ware proberen dood te maken om deze dood niet te hoeven smaken. De fascisten genieten van de kadaverachtige participatie van hun slachtoffers aan het stronteetmaal, aan hun onvermogen tot genieten, alsof zij tegen hun slachtoffers zeggen: “Inderdaad, doe maar alsof je dood bent, oefen maar, jullie zijn immers niet waard dat jullie leven want jullie kennen jullie eigen dood niet en willen hem niet kennen, jullie weten niet dat jullie stront de grootste delicatesse is. Jullie schijten slecht want tegen jullie zin, met schaamte, zonder grootmoedigheid. Wij daarentegen houden van jullie in alles, onvoorwaardelijk, we houden zelfs van jullie stront, het meest nog van jullie stront, eigenlijk alleen van jullie stront die zo heerlijk smaakt naar jullie dood die jullie enkel in de schrik kennen. De dood die wij aan jullie zullen onttrekken zal veel groter zijn dan elke dood die jullie in staat zijn te sterven.”

Zoals de vrouw voor de libertijnen, zijn de jongeren voor de fascisten de onbewuste, beschaamde, onwillige dragers van een boosaardig-goddelijk genot. De esoterische kennis van de libertijn bestaat erin dat hij als enige weet dat wie schijt iets goddelijks produceert, zich weggeeft aan een goddelijk genot; wie schijt, geniet, maar als het ware niet ‘zelf’. Hij geniet in en door en voor God. Hij geniet waar hij zich aan God offert: die offerlogica is bij Lacan het heersende principe van het anale genot. Alles voor de ander. [26] Het anale is, aldus Lacan, het domein van de oblativiteit. Het anale subject ervaart slechts lust in het weggeven van iets van zichzelf ter bevrediging van een ander, en is in die zin volledig van die ander afhankelijk. Het bestaat slechts in dat ding dat in de pot verdwijnt en waarvoor het bij de ander goedkeuring oogst. Deze goedkeuring is er enkel als het ding op de juiste tijd en plaats gedeponeerd wordt. Vandaar dat de anale lust beleefd wordt aan het inhouden van de bevrediging ten behoeve van de ander. Alle formalismen vinden hier hun oorsprong: beheersing, beheer, organisatie, controle, discipline, administratie, management – het hele domein van de troosteloos-machinale plichtsvervulling. Het anale subject cijfert zich weg opdat het aan de vraag van de ander tegemoet zou kunnen komen. Het wil niets liever dan bij de ander een verrukking teweegbrengen waarin het zelf als subject geëlimineerd is. Lacan gewaagt zelfs van een eclips van het seksuele – een eclips die uiteraard geseksualiseerd is en een surplus aan genot veroorzaakt. [27]

In het anale fantasma val ik samen met het product van mijn darmen, waarin ik mezelf wegschenk ter vervulling van het verlangen van de ander. Pas door het cadeau-dat-ik-ben komt God niets tekort, en is hij echt God. Pas in het abjecte ‘bijna niets’ dat ik hem geef, is God alles. [28] In Salò poëtiseert de rechter in aanwezigheid van zijn vrienden: “Heerlijk schepsel, wil jij mijn vuile onderbroek? Mijn oude slip, weet je dat die van een weergaloze verfijndheid is? Zie je hoe gevoelig ik ben voor de waarde der dingen? Luister, engeltje, mijn grootste verlangen is je verlangen te bevredigen. Ik respecteer alle smaken en grillen.” De hertog, die zich in het midden van de orgiezaal ontlast en van een meisje eist dat ze zijn stront opeet, zet deze radicale anale afhankelijkheid van het verlangen van de ander op een sadistische wijze in scène. Hij plaatst het meisje in de positie van die fantasmatische ander die door zijn gift totaal zou worden bevredigd. Deze ander is uiteraard moederlijk van aard. In deze scène, misschien de meest pijnlijke van de hele film, is trouwens expliciet sprake van de moeder. De hertog vernedert het meisje omdat zij in huilen uitbarst wanneer signora Maggi vertelt, dat de dag waarop haar moeder stierf de mooiste dag van haar leven was. Deze cynische opmerking herinnert het meisje eraan dat haar moeder door de fascisten is vermoord. De hertog voegt er aan toe dat moeders geen respect verdienen voor de lekkere neukpartij die tot de geboorte van hun kinderen leidt. De moeder is dus niet meer dan een obsceen genotswezen; haar moederlijke zorg is slechts een dekmantel voor seksuele bevrediging. Pervers is niet dit fantasma op zich. Dat wil zeggen: pervers is niet dat de moeder in het onbewuste van de hertog deze rol speelt – fantasma’s zijn overigens altijd ‘pervers’. Het perverse bij uitstek is dat de hertog het meisje letterlijk verplicht de plaats van dit obscene wezen in te nemen. Hij ontsteekt in woede omdat zij zijn anale gift niet op prijs stelt, omdat zij niet toekomt aan die goddelijk-obscene lust aan het abjecte die hij fantasmatisch aan haar toeschrijft, terwijl hij, met zijn in belangeloze dienstbaarheid geplaatste stront, intussen niets liever wil dan het instrument van die lust zijn. Uiteraard weet hij dat zij dit niet kan, en hij geniet ervan. De woede van de hertog is deel van zijn sadistisch spel. Hij geniet van haar onvermogen om op zijn vraag in te gaan.

Een ander voorval is niet minder sprekend. Tijdens een eetmaal staat de schele president op van zijn stoel, laat zijn broek tot aan zijn knieën zakken en buigt zich diep voorover om zijn verlepte achterste aan de aanwezigen te tonen. Hij schuifelt wat rond en vraagt aanhoudend: “Hoe vind je die van mij? Kijk dan!” Alsof hij zegt: “Kijk, ik ben niets anders dan de leegte die in mijn cloaca huist [29], en mijn diepste verlangen is dat jullie dit geweldig vinden.” Met deze extreem vernederende prosternatie stuit hij op een pijnlijke stilte, en bij de slachtoffers op afkeer en wezenloos onbegrip. Maar juist deze geïntimideerdheid is wat hij zoekt. Zij vormt voor hem het bewijs ex negativo dat een onbekende God zijn prosternatie tenvolle op prijs stelt. Daar gaat het uiteraard altijd om in het sadisme: juist in datgene waar de ander niet tegen kan, zit een subliem genot verscholen. [30] Het gelach dat vervolgens bij vrienden, bewakers, dames en enkele verschrikte jongeren uitbarst, bevrijdt de president van zijn al te eenzame onderonsje met zijn God, dat wil zeggen met zijn fantasma.

 

De fallus van de dode vrouw

Zoals gezegd doet de vrouw voor de libertijn dienst als buis van een obscene genotsgod. De vertelsters doen dan weer dienst als supplementaire buizen. Zij zijn immers de kadaverachtige spreekbuizen van de sadistische wellustelingen die zij in hun verhalen tot leven wekken. Deze neutralisering van de vrouw, haar reductie tot een medium, neemt niet weg dat al die indrukwekkende libertijnen dan toch maar uit de koker van deze dames ontspruiten.

Het ultieme ‘demonische’ genot is in Salò dan ook in hoge mate virtueel. De ‘orgiezaal’ wordt vooral gevuld met verhalen over het genot van anderen. De virtualiteit van dit genot wordt des te meer voelbaar doordat Pasolini Sade doorheen zijn Wirkungsgeschichte leest. Zo verschijnt de sadeaanse ‘superslechterik’ uit het verhaal van Signora Castelli als een figuur uit de decadente laatromantiek, geïnspireerd door het nogal softe, dandyeske satanisme van de katholieke Huysmans, nog een keer ‘hertaald’ voor een bordeelcabaret, waarbij de opgedirkte signora de femme fatale speelt die zij wellicht ooit was. Vreemd genoeg maakt juist het virtuele dat Salò zo moeilijk verteerbaar is: niet dat het, zoals de media zeggen, om ‘een orgie van wellust en bloed’ gaat, maar het totale gebrek aan orgiastische taferelen. Onverdraaglijk is dat het misdadige genot waaraan al dat geld, al die ‘know how’, al die levens worden opgeofferd, zich niet incarneert in een lichaam en ons dus geen steunpunt biedt voor een negatieve identificatie, voor een verontwaardiging die ons min of meer moreel zou kunnen bevredigen. Geen ‘duivelse extase’ in Salò. De hele batterij van symbolische ficties die de heren met behulp van de dames in gang hebben gezet, leidt niet tot een reële opwinding of bevrediging. Integendeel, het doel lijkt juist het in stand houden van het fictieve van dit alles, of beter, van iets in al die verhalen dat onvertelbaar blijft. Op dit ‘iets’ willen de vier heren de vinger leggen, telkens wanneer ze met een ‘perverse geste’, die voor de toeschouwer elke allure mist, tussen de mazen van het verhaal wegduiken. Dit ‘iets’ – zo weten we nu – is het boosaardig-goddelijke genot van een fantasmatische Ander. Vreemd genoeg moet dit fantasma voortdurend worden onderhouden door uitgeleefde vrouwen die door de fascisten zichtbaar seksueel worden geminacht. Voor de vier fascisten mag immers niets aan de verschijning van de vrouwen hun fantasma wakker roepen; enkel hun pornografische verhalen mogen dit, en met deze verhalen maken de vrouwen elke verleiding die nog van hen zou kunnen uitgaan definitief onmogelijk. Dit komt uiteraard door het totale gebrek aan schaamte waarmee ze over hun seksuele ervaringen vertellen. Ze presenteren zich als perfect afgestemd op de seksuele lust. Signora Viccari leert door middel van een levensgrote pop aan één van de meisjes hoe je een man moet afrukken. Signora Maggi vertelt hoe zij in haar wilde jaren haar lichaam “trainde om aan alle mogelijke wensen te voldoen”. Deze vrouwen lijken zo onwerkelijk doordat ze absoluut niet hysterisch zijn. Dat wil zeggen: het seksuele heeft voor hen niets van een vreemde, traumatiserende kracht die hen met een tekort tekent, een tekort dat zij dan door één of andere vrouwelijke maskerade bedekken. De reeds besproken courtisane van Flaubert droeg nog de tekenen van haar vroegere uitspattingen onder de sluier van haar schone droefheid. Dat aura missen de dames in Salò volledig. Zij rapporteren hun uitspattingen alsof ze uit een overzichtelijke catalogus voorlezen. Het hele gamma van verleidingstrucs en fetisjistische attributen (danspasjes, kokette of zwoele lachjes, geile intonaties, voiles, handschoenen…) komt over als een steriel citaat.

Er bestaat niet de minste onenigheid tussen deze vrouwen en het seksuele. De seksualiteit is bij hen van elke schuld en schaamte ontdaan, en daardoor zijn zij in wezen a-seksuele, dus dode creaturen. De paradox luidt dat wie het ‘gebruik van de lust’ perfect beheerst, een dode is. Vreemd genoeg hebben de vier fascisten deze vrouwelijke zombies nodig om in het grote libertijnse genot te kunnen geloven. Het geloof in hun diabolische helden kan enkel levendig worden gehouden door deze dames, die voorwenden dat ze ooit volledig – dat wil zeggen dodelijk – door deze helden zijn bevredigd. Enkel in deze opgedirkte kadaver-vrouwen, die zich perfect volgens de regels van de ars erotica bewegen, die door alle sperma, stront en roedes alleen maar zijn gegroeid, staat voor de fascisten het hemels-helse genot van de libertijnen overeind. Geïdentificeerd met hun libertijnse voorbeelden zijn de fascisten de fallus van dode vrouwen.

De virtualiteit van het fascistische genot in Salò is precies de virtualiteit die eigen is aan de fallus – in lacaniaanse zin. De fallus wijst op het bezit van het genot, maar als betekenaar betekent hij dat het subject van dit ‘bezit’ nooit reëel aan dit genot toekomt. Dat het genot ‘fallisch’ is impliceert immers dat het primair in het verhaal, de maskerade, het theater van de Ander opduikt en pas zo aan het subject wordt doorgegeven. De fallus is daarom altijd een artificieel, protheseachtig ding. In Salò is dit ding in handen van de vertelsters. Dat deze vrouwen slechts levende reclame zijn voor de libertijnen waarover ze verhalen, kan niet verhelen dat deze libertijnen omgekeerd slechts figuren zijn die deze dames als kleine duiveltjes uit hun oude verhalendoos laten springen en rond zich heen laten dansen. De ongebreideld genietende libertijnen met hun sublieme ejaculaties, waarmee de vier fascisten zich zo graag identificeren, bestaan slechts in het gekoketteer van deze uitgerangeerde dames, in hun kadaverachtige glimlach, in de steriele gebaren waarin ze ieder moment lijken te kunnen verstenen, in deze doodse en theatrale reanimering van de femme fatale die ze ooit waren. Het grotesk-fallische voorkomen van de libertijnen verraadt dat zij de objecten-instrumenten zijn van het verlangen van de vrouwen, emblemen waarmee deze zich tooien als met hun dood. De fascisten gedragen zich als soevereine meesters, maar dat kunnen ze slechts omdat ze op fantasmatisch niveau het passieve object zijn van een ander die zich aan hen bevredigt en in die bevrediging als het ware vol wordt, zichzelf rond maakt of afsluit. ‘Dood’ zijn deze vrouwen omdat ze van deze afgeslotenheid moeten getuigen. Ze mogen geen verlangen meer hebben.

Terwijl de dood zich bij de drie hoerenmadams toont in de fallische show waarin ze van hun ‘lust for life’ getuigen, incarneert de vierde vrouw, de muzikante (een figuur die bij Sade ondenkbaar is), het dood-zijn van de vrouwen op een nog exemplarischer wijze. Van begin tot einde loopt ze in het zwart gekleed. Ze kijkt ofwel somber, ofwel afwezig. Dit maakt haar voor de fascisten tot een onaantastbaar, quasi-abject wezen. Zij is als een zwart gat waarin elk genot doodvalt. Wanneer de hertog even een huwelijksceremonie onderbreekt om verschillende slachtoffers, bewakers en dames te betasten en te kussen, is zij het enige niet-slachtoffer dat stokstijf, als bevroren, blijft staan. Zijn hand strijkt slechts heel even langs haar borsten terwijl hij reeds iemand anders omhelst. Als muzikante heeft zij geen inhoudelijke inbreng. Zij ondersteunt de acts en de ceremonieën. Zij is ‘medeplichtig’, maar dan aan niets bepaalds, enkel aan de onafwendbaarheid van alles. De muziek, lijkt Pasolini te zeggen, kan zich niet verzetten, kan niet negeren, kan niet kritiseren, ze kent enkel, vrolijk of oneindig somber, de affirmatie. Zij zegt altijd: Es muss sein. Sprekend over het gebruik van muziek in zijn films, gewaagde Pasolini over “de onverschilligheid van de muziek”.

De participatie van de muzikante is zo perfect dat zij grenst aan afwezigheid. Het is de participatie van de levend-dode kopiist Bartleby in Melvilles gelijknamige verhaal, de participatie van degene die, zonder kracht, maar in die krachteloosheid onverzettelijk, almaar herhaalt: “I would prefer not to.” In Salò toont deze krachteloze onverzettelijkheid zich het duidelijkst in één geniale scène. Twee meisjes die het hebben gewaagd elkaar zonder toelating te kussen, worden in het ‘strafboek’ opgetekend. Het gezicht van de pianiste vertrekt, ze zet haar accordeon aan de kant, en wat doet zij? Zij brengt voor de eerste keer een cabaretnummer, een lichtvoetige, Franse act waarin ze in dialoog gaat met signora Viccari. Iedereen lacht, zelfs de slachtoffers. Plotseling begint zij evenwel zonder aanleiding verschrikkelijk te schreeuwen. “Wat is er met u?” vraagt Viccari. Bij gebrek aan antwoord en om haar gêne van zich af te schudden, imiteert zij met theatrale gebaren het geschreeuw van de muzikante. Dit brengt iedereen aan het lachen, ook de muzikante, die vervolgens de scène verlaat en met een somber gezicht accordeon begint te spelen.

De schreeuw van de muzikante is een schreeuw die zijn eigen impotente theatraliteit bij voorbaat incalculeert. Hij laat, in afgrondelijke ironie, enkel zijn eigen vergetelheid weergalmen. Het is een schreeuw die zichzelf uitwist en enkel een onopvallend, vluchtig spoor van die uitwissing achterlaat.

Tegen het einde van de film, wanneer het martelen is begonnen, gooit de muzikante zich uit het raam. De plof is onhoorbaar. Vanuit het raam zien we haar liggen als een verpletterde zwarte vogel op een zonnige middag. De afwezigheid van muziek is bijna tastbaar.

 

Deel 3 van deze tekst verschijnt in het volgende nummer van De Witte Raaf.

 

Noten

[1] Overigens gold de katholieke kerk voor Hitler niet als het meest eminente model. Hiervan getuigt een opmerking, opgetekend door Albert Speer: “Wij hebben uitgerekend het ongeluk een verkeerde religie te bezitten. Waarom hebben we niet dezelfde als de Japanners, die het offer voor het vaderland als het hoogste beschouwen? Ook de mohammedaanse religie zou voor ons veel geschikter zijn dan nu net het christendom met zijn slappe verdraagzaamheid.” (Herinneringen I, Baarn, In den Toren, 1970, p. 118).

[2] Zie Jan M. Broeckman, Strukturalisme, Amsterdam, Athenaeum, 1972, pp. 148-151.

[3] Speer, op. cit. (noot 1), p. 72.

[4] Slavoj Zizek, The Sublime Object of Ideology, London/New York, Verso, 1989, p. 43.

[5] Ibid., p. 181.

[6] Ik denk hier uiteraard aan “de geheimzinnige en dwingende eis” tot “totale Mobilmachung” die volgens Ernst Jünger typisch is voor de moderne tijd. Het koele, ‘apathische’ pathos waarmee hij dit fenomeen als een kosmische noodzaak behandelt, fascineert, maar moet ons ook argwanend stemmen.

[7] Onmogelijk hier niet te denken aan Heideggers ‘roep’ van het geweten die het Dasein roept, maar tot niets bepaald, ‘enkel’ tot vastberadenheid (Entschlossenheit) en in één en dezelfde beweging ook tot schuldig-zijn. Ik werp hier de lichtelijk retorische vraag op wat er gebeurt wanneer men deze ‘formele existentiaalstructuur’ gaat politiseren, wanneer met andere woorden plots een bepaalde politieke instantie deze roep van het geweten gaat vertolken. Of ook: misschien was Heideggers formele existentiaalanalyse van deze roep, die roept vanuit het niets en die tot niets bepaald roept, enkel mogelijk omdat de realiteit van de moderne bestaanswijze (van het politieke en openbare leven) reeds verregaand door formalisme was getekend.

[8] Barthes sympathiseert hiermee. Sade zou zich onttrekken aan de ‘westerse hermeneutiek’ (ongetwijfeld joods-christelijk van signatuur) van het geheim en de ‘Openbaring’. Sade lijkt dan meer een no-nonsense ‘materialisme’ voor te staan, waarin het niet om de Waarheid gaat, maar om genot (jouissance). Zie Roland Barthes, Sade, Fourier, Loyola, Amsterdam, Arbeiderspers, 1984, p. 164.

[9] Zie Susan Sontag, Fascinerend fascisme, in: In het teken van Saturnus, Weesp, Villa/Unieboek, 1984.

[10] Barthes lijkt, met zijn koele ‘grammatica’, in een mimetische wedijver verwikkeld met Sades apathie. Zie Barthes, op. cit. (noot 8), pp. 31-34.

[11] Jacques Lacan, Le séminaire, livre VII, L’éthique de la psychanalyse, Paris, Seuil, 1986, p. 180.

[12] Gustave Flaubert, November, in de verhalenbundel Zwarte romantiek, samengesteld door Joyce en Co, Amsterdam, Athenaeum, 1975, p. 125.

[13] Zie het bekende standaardwerk van Mario Praz, Lust, dood en duivel in de literatuur van de romantiek, Amsterdam, Agon, 1990, p. 216.

[14] Maurice Blanchot, Sade et Lautréamont, Paris, Minuit, 1963, p. 66.

[15] Ibid., p. 69.

[16] Lacan, Le séminaire, livre XX, Encore, Paris, Seuil, 1975, p. 65.

[17] Lacan, op. cit. (noot 11), p. 180.

[18] Al deze informatie is uiteraard afkomstig uit Mario Praz, op cit. (noot 13).

[19] Zie Kriss Ravetto, The Unmaking of Fascist Aesthetics, Minneapolis/London, University of Minnesota Press, 2001, p. 139.

[20] Iwan Gilkin, geciteerd door Praz, op. cit. (noot 13), p. 231.

[21] Dit kan misschien een licht werpen op het geval Eichmann. De vraag of Eichmann een banale bureacraat dan wel heimelijk een demonische pervert was, is wellicht naast de kwestie. Juist de bureaucratisering van de misdaad was volgens Zizek “op zichzelf een bron van additionele jouissance” (Het subject en zijn onbehagen, Amsterdam, Boom, 1997, p. 98). Het levert een surplus aan genot op wanneer men mensen foltert en vermoordt terwijl men doet alsof het gaat om een puur technische procedure of een hygiënische maatregel. Men geniet van de eigen ‘apathische’ plichtsvervulling en dus van de verloochening van wat men werkelijk uitricht. Dit laatste wordt behandeld als een obsceen, vunzig geheim dat met medeplichtigen wordt gedeeld.

[22] Lacan, op. cit. (noot 11), pp. 191-194, 254.

[23] Voor een gedetailleerde analyse van deze onsmakelijke geschiedenis, zie Marc De Kesel, Wij modernen, Leuven, Peeters, 1998, pp. 173-183.

[24] Zelfs Gilbert Lely, Sade-biograaf èn sympathisant, ergert zich over het feit dat meer dan de helft van de zeshonderd seksuele afwijkingen die Sade in dit boek beschrijft, een coprofagische component bevatten, terwijl coprofagie toch een perversie is die in de realiteit heel zelden voorkomt.

[25] Adorno schrijft: “Van zeer boze mensen kan men zich eigenlijk volstrekt niet voorstellen dat ze sterven.” Alsof zij zich de passiviteit van het sterven, of beter: het hyperpassieve onvermogen zich aan die passiviteit over te geven, niet kunnen laten aanleunen. Zij wanen zich immers de meesters van de dood, ‘der absolute Meister’. Zie Theodor W. Adorno, Minima moralia, Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum, 1971, p. 173.

[26] Jacques Lacan, Le séminairelivre VIIILe transfert, Paris, Seuil, 1991, p. 241.

[27] Ibid., p. 243. Men kan hierbij denken aan Cloaca, Wim Delvoyes naar eigen zeggen “super-kosmopolitische superstrontmachine”. Op het niveau van het anale gaat het niet om wat men brengt, maar om het feit dat de ander het ‘super’ vindt en dat men deze verrukking van de ander beheerst. Dit kan maar als men zelf op afstand blijft. Delvoyes ‘verrukking’ bestaat erin dat hij van achter zijn PC in Gent via internet in New York een geweldige diarree kan veroorzaken (zie Mao-magazine, december 2001, nr. 19). Misschien kan hier een link worden gelegd met de narcistische fantasie par excellence: aanwezig te zijn op de eigen begrafenis; mijn lijk als het volmaakste dat ik de Ander te geven heb. Het ideaal van de kunstenaar-superster bestaat er misschien in dat er onophoudelijk ergens in een supergrote stad een superbegrafenis van hem wordt georganiseerd, terwijl zijn ‘ziel’ ondertussen in zijn geboortedorp kaarten legt met oude vrienden.

[28] In Borges’ Deutsches Requiem, een fictieve alleenspraak van een ter dood veroordeelde nazi, zegt deze over de verwoesting van Duitsland waarvoor hij en zijn companen verantwoordelijk zijn: “Ik verheug me erover dat onze gift rond en volmaakt is.” Gift aan wie?

[29] Dit is wat volgens Lacan de hoofse dame ‘zegt’. Zie Lacan, op. cit. (noot 11), p. 254.

[30] We kunnen hier weer de manicheïstische logica in lezen: wat voor de mens afschuwelijk is, is voor een boosaardige God een bron van genot. Overigens is een dergelijke logica geen monopolie van het manicheïsme. Boven de reeds geciteerde alleenspraak van de nazi (zie noot 28) prijkt het volgende citaat uit het boek Job: “Al zou Hij mij doden, in Hem zal ik vertrouwen” (Job 13:15). En er is uiteraard Jesaja 52, over de dienaar van Jahwe van wie gezegd wordt dat “het Jahwe heeft behaagd hem ziek te maken en te breken”.

In jeugdige onschuld gedrenkt

Welk een heerlijke lichamen zijn er vandaag te zien! Pas in onze eeuw benadert de jeugd dankzij de sport weer de hellenistische idealen.

Adolf Hitler

 

For Ever Young

“Zijn we niet dodelijk verliefd op de jeugd?”, vraagt de verteller en hoofdfiguur in Witold Gombrowicz’ roman Ferdydurke zich af. De fascisten in Salò zullen dat moeilijk kunnen ontkennen. Zij zijn kinderen van hun tijd. Het hoeft geen betoog dat in het fascisme een cultus van de jeugd culmineert die met het ontstaan van massale jeugdbewegingen over heel Europa aan het einde van de negentiende eeuw een aanvang had genomen. Voor het eerst wordt de jeugd niet slechts als een voorbereiding op de volwassenheid gezien maar als een levensfase die omwille van zichzelf moet worden gewaardeerd. De jeugd is niet zomaar een onrijp volkje dat min of meer succesvolle, vaak nogal potsierlijke pogingen doet om volwassen te worden, maar belichaamt nu plotseling een pure, authentieke levenskracht, het levensechte enthousiasme, de ware hartstocht.

Rond de fascinatie voor deze goddelijke, verrukkelijke Jeugd draait ook een andere roman van Gombrowicz, De pornografie (1957). Gombrowicz suggereert hier dat de moderne mens de Jeugd verheft tot een God die hem zowel kwelt als in verrukking brengt. Zowel de ikfiguur als zijn kompaan Fryderyk zijn bezeten van de idee dat, nu God dood is, de mens zijn waarheid niet meer kan ontvluchten. De mens moet de leegte waarin elk streven uiteindelijk uitmondt, met moedige beslistheid in het gelaat kijken. Nadat de ikfiguur tijdens een misdienst op extreme wijze de afwezigheid van God had ervaren, zegt hij: “Ik was doorgedrongen tot mijn uiterste mogelijkheid”, alsof hij refereert aan de eis van Heidegger dat de mens “zijn dood als uiterste mogelijkheid zou uithouden”. De vrijheid die met dit heroïsch staren in de eigen leegte wordt veroverd, blijkt evenwel samen te vallen met haar tegendeel. “Beroofd van iedere steun voelde ik me in mijzelf als in handen van een monster, dat met mij alles, alles, alles doen kon!” [1] Enkele zinnen verder neemt dit monster reeds een vorm aan die de ikfiguur “als een pulserende bron van genot” beschrijft: “een stuk wang en een beetje nek”. De ikfiguur is bij het verlaten van de kerk verliefd geworden op een jongen van zestien! Dan toch weer “God en een wonder!” (p. 26).

Eenmaal van God bevrijd wordt de mens door zijn eigen vrijheid aangestaard als door een naamloos monster waaraan hij willoos is overgeleverd. Hij voelt zich achtervolgd, opgejaagd, aangekeken door iets in zichzelf dat hem tot een “karikatuur” van zichzelf maakt, “een schreeuwende vereenzelviging met zichzelf” (p. 24). Hij wordt geïntimideerd door zichzelf. Om aan deze onwezenlijke intimidatie het hoofd te bieden kan hij – daarover ging het onder meer in het vorige nummer van De Witte Raaf – bijvoorbeeld kiezen voor de zoete kwellingen waaraan een grillige Dame of een helse furie hem blootstelt. De hoofdfiguur van De pornografie ‘kiest’ ervoor om op de obsederende lege plek die de dode God heeft achtergelaten, de jonge Karol te plaatsen die voor hem het kwellende raadsel van de Jeugd incarneert.

Het laatste waar de ikfiguur aan denkt is om een verhouding met de jongen aan te gaan. Hij cultiveert slechts zijn fascinatie voor de erotische band die de jongen, hoe vaag ook en misschien zelfs helemaal onbewust, in zijn ogen moet hebben met het even jonge meisje Henja. Wat deze twee met elkaar hebben, lijkt hem en later ook zijn kompaan Fryderyk om één of andere obscure reden het summum, het toppunt van genot, van geluk, van verrukking – ook al wijst niets erop dat de twee adolescenten hiervan enig besef hebben. Voor de twee heren dragen zij deze verrukking als een schat in zich, en dit blijkt, tenminste voor degene die, zoals de twee heren, dit weet, uit talloze onaanzienlijke details. “Dat zich daar het hoogste geluk verborg, daar, in die onderontwikkelde God!”, verzucht de ikfiguur over Karol (p. 34).

Bij de ikfiguur blijft alles hangen in een bepaald zielige, dwangneurotische fascinatie die tot niet veel meer leidt dan een eindeloos gespeculeer. Fryderyk is stoutmoediger. Door de twee jongelui langzaam en geduldig te bewerken, weet hij hen ertoe te bewegen de relatie te ensceneren die hij tussen hen vermoedt. Machteloze gefascineerdheid verkeert in gewiekste manipulatie; de geïntimideerdheid door een op het tweetal geprojecteerd genot slaat om in een subtiele, weldoordachte intimidatie die hen ertoe moet brengen hun relatie op te biechten – wat feitelijk nooit gebeurt. Wat Fryderyk wel bij hen naar boven weet te halen en wat hem mateloos fascineert, is de neiging tot wreedheid, het plezier dat de jongen en het meisje er blijkbaar in scheppen om zonder aanwijsbare redenen te folteren en te doden. Wanneer Karol en Henja met hun voet elk het uiteinde van eenzelfde worm verpletteren, hecht de blik van Fryderyk zich verstard en “glazig” aan die worm “om haar lijden volledig te voorschijn te halen”. “Er was in hem niets anders dan het doordringen in de tortuur, het ledigen van de beker tot de laatste druppel.” (pp. 64-65)

Dit is de structuur: de moderne, postreligieuze mens die ‘authentiek’ wil zijn, eist van zichzelf dat hij het bestaan tot in de uitersten van pijn en sterven uithoudt, maar kan dit blijkbaar alleen als passieve toeschouwer van een extremiteit die gerealiseerd moet worden door een soeverein gewaande ander, en bij voorkeur door de jeugd die naïef, onrijp, ‘onschuldig’ genoeg is om bijvoorbeeld enkel voor de fun een dier te folteren.

Deze vermeende onschuld hebben de jongen en het meisje volgens de heren aan hun seksuele onrijpheid te danken. Door deze onrijpheid kunnen ze wreedheden begaan op een lichtvoetige, terloopse manier, ‘zomaar’. Het gaat om een sadisme zonder wellust, of in elk geval om een wellust die zichzelf niet kent, die nog niet tot zichzelf wil doordringen, nog niet reflexief is, nog niet bezwaard door de ‘existentiële’ taak ‘de beker tot op de bodem leeg te drinken’. De uiteindelijke ambitie van de twee heren bestaat erin om met de onschuldige, slechts door latente seksualiteit gekleurde wreedheid van de jeugd een verbond aan te gaan, dat wil zeggen om die wreedheid onder hun hoede te brengen, haar onder hun dwingende blik als het ware te bezegelen en zich aldus toe te eigenen. Hierin ‘slagen’ zij wanneer zij de jongen en het meisje zo ver weten te brengen dat ze in hun plaats een moord plegen, een moord die de heren door de leiding van het verzet is opgedragen maar waar ze zelf voor terugschrikken: de moord op een verdachte verzetsleider. De beide heren zijn zich oneindig scherp bewust van de perversiteit van de zaak. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat zij de jeugd hier misbruiken om een vuil karweitje op te knappen. Maar deze strategische manipulatie is slechts een dekmantel voor een verborgen agenda die de beide heren enkel tegen het einde niet langer voor elkaar én eerst en vooral niet meer voor zichzelf kunnen verzwijgen. Het doel van de moord, door Fryderyk verbijsterend koel en bewust nagestreefd, bestaat erin vol verrukking te kunnen onderduiken in de onverantwoordelijkheid en de lichtheid, in het onverschillige genot van de door hen gedroomde Jeugd, voor wie “de misdaad eigenlijk een vernietiging van de misdaad was; door hem uit te voeren hieven zij hem op” (p. 172). Gewiekste, laffe maar al bij al in dienst van het vaderland doorgevoerde manipulatie die tot moord leidt, dient hier als alibi voor een soort koude extase waarin de heren, al was het maar voor even, deel hebben in het sublieme geheim van de Jeugd.

Gedrenkt in jeugdige onschuld is moord niet langer moord – “alsof een dodelijk extreem idee doorzeefd was van lichtzinnigheid”, luidt het op de laatste bladzijde van De pornografie. Het moet duidelijk zijn geworden dat Gombrowicz’ intimistisch drama, dat zich voor een groot deel binnen de beslotenheid van een boerderij afspeelt, een licht werpt op de verhouding van het fascisme tot de jeugd en daarin een laag blootlegt die in Pasolini’s niet minder ‘intimistische’ Salò genadeloos wordt aangeboord.

 

Het heerlijke vlees van de Natie

 Het fascisme is doordrongen van nijd en wraakzucht, ontstaan uit een gevoel als volk vernederd te zijn. Maar nijd en wraakzucht zijn zelf vernederend; ze bezwaren de mens met een slecht geweten. Het fascisme ‘verlost’ zich van haar slecht geweten door zich een onschuldige jeugd te dromen die zonder bezwaard gemoed vooruitstormt, niet uit haat, niet uit jaloezie, maar gewoon omdat het haar zint, uit balorigheid, uit een dwaze, ongerichte levenslust, uit een natuurlijke honger naar levensruimte, die alleen maar een beetje moet worden gedisciplineerd om efficiënt te worden. Via de jeugdbewegingen, met hun nadruk op sport, dans en gymnastiek in de open lucht, roepen de fascisten de jeugd op trouw te zijn aan haar eigen wezen. In alle talen fluisteren ze de jeugd de grootsheid van de Jeugd in. Ze intimideren de jeugd met (het geloof in) de Jeugd. [2] Het strijdlied van de Italiaanse fascisten heette Giovanezza: jeugd, jeugdigheid.

Dit alles kan men uiteraard cynische manipulatie noemen. Deze jeugdromantiek moest voor de jeugd de gruwel van de aankomende oorlog verbergen en haar ertoe verleiden zich op te offeren voor de natie. Maar de fascisten vingen ook zichzelf in de droom die zij droomden. Kijkend in de spiegel van de Jeugd, die zij zich voorstelden als een kosmisch-vitale krachtbron, gingen de fascisten geloven in de natuurlijke onschuld van hun eigen sociaal-politieke beweging. “Al die lachende gezichten! Het kan toch niet dat wij alleen maar duivels zijn!” De fascisten hielden van hun jeugd. Ze waren er zelfs dodelijk verliefd op. Maar misschien vormde het heil van de Natie, net zoals bij Gombrowicz, slechts het alibi voor een dodelijke omhelzing; en misschien was het Heilige Mysterie van de Jeugd, waarin deze jeugd werd ingewijd, niets anders dan de eeuwig jonge ziel van de Natie zelf. In de cultus van de Jeugd wil de Natie als het ware aan haar eigen groeikracht, haar eigen pneumatische wezen raken. Voor de nazi’s incarneert de Natie zich in haar jeugd als in een soeverein lichaam dat buiten zijn levensdrift geen wet erkent en dat daarom zonder gêne al wie het voor de voeten loopt, kan verpletteren, zoals de adolescenten bij Gombrowicz ‘zomaar’ een worm verpletteren of een man uit de weg ruimen. Via hun gedroomde jeugd identificeren de nazi’s zich met deze levensdrift die ze zich als ‘natuurlijk’ voorstellen. Het is de levensdrift van Nietzsches “prachtige, naar prooi en zege begerig ronddolende blonde beest”! [3] Deze drift kent schaamte noch schuld, en geniet zonder enige terughoudendheid van zichzelf.

In alles wat het fascisme doet, verraadt het evenwel dat er een catastrofale doodsdrift in haar vitalistische ontologie schuilt. De idee van het leven als een onschuldige groeikracht verbergt het fantasma van het leven als een dodelijk exces waarvan men altijd een ander de bezitter of behoeder waant. Het meest opzichtige symptoom hiervan is uiteraard het antisemitisme van de nazi’s. Het paranoïde beeld van het joodse volk als een sluipende kracht, een virus dat de ziel van de natie van binnenuit aantast, wijst op een onbewuste identificatie. Onbewust belichaamt de jood wat de Duitser zou willen zijn: hij staat religieus-moreel in hoge mate aan de bron van de Europese en dus Duitse beschaving; er staat een machtige God achter hem die af en toe op draconische wijze orde op zaken stelt; hij heeft een intens gemeenschapsleven, dat gedragen wordt door strenge rituelen en gebruiken. Kortom, de jood staat aan de bronnen van het leven, hij beschikt over het geheim van het leven dat zich in zijn grootste verspreiding weet samen te houden; hij vormt niet zomaar een ras, hij is het ras zelve, hij belichaamt de kracht, de zuiverheid, de principiële onbekeerlijkheid ervan. En, zo dicteert de logica van het onbewuste, omdat zij het hebben, hebben wij het niet. De jood is de Duitser zoals hij het echt zou zijn indien de jood er niet was… De shoah was dan ook geen daad van een volk dat in zijn ‘natuurlijk’ verlangen naar overleven en groei, een ander volk schaamteloos verplettert. Het was een daad die voortkwam uit afgunst jegens een fantasmatische dubbelganger die de sterke identiteit belichaamt die men zichzelf op karikaturale wijze aanmeet. Deze afgunst was doordrongen van schaamte, een schaamte die voortkwam uit het onverdraaglijke vermoeden dat men veel méér had met de jood dan alleen maar de ‘gezonde’ afkeer en minachting waarmee men graag te koop liep. In de manier waarop de nazi’s het jodenvolk hebben proberen uit te roeien, is er niets dat wijst op de soevereine schaamteloosheid van Nietzsches ‘blonde beesten’. De uitroeiing werd zo onopvallend mogelijk voltrokken. Er was een totaal gebrek aan ritualisering van de slachting. De reden hiervoor was niet zomaar dat men geen paniek wilde veroorzaken bij de joden, of dat men de wereldopinie niet nog meer tegen Duitsland in het harnas wilde jagen. De extreme heimelijkheid van de shoah kwam voort uit de angst dat het voor de buitenwereld, maar eerst en vooral voor de nazi’s zelf, al te duidelijk zou worden dat het ‘jodenprobleem’ eerst en vooral een Duits probleem was. De idee dat zij een diepe band hadden met het object van hun haat, was voor hen zo ondraaglijk dat ze zich zo vlug mogelijk van dat object moesten ontdoen. De machinalisering, objectivering van de moord was op den duur de enige manier om voor zichzelf een libidinale gehechtheid te ontkennen die ze met elke klassieke, ‘barbaarse’ vorm van massamoord nog al te zeer zouden verraden. Het ideaal van de nazi’s was uiteindelijk dat alles gebeurde alsof het helemaal niet gebeurde, zonder dat zij het zelf zouden merken. Zoals Himmler zei, moest de ‘roem’ verbonden aan de shoah een onbeschreven blad van de geschiedenis blijven. Deze bladzijde moest uit de geschiedenis worden weggerukt op het moment dat zij werd geschreven. De ontkenning van de shoah hoort wezenlijk tot de shoah.

In de uitroeiing van de joden toont het nazistische verlangen naar zuiverheid zich als een obsessief wegzuiveren van ‘onzuivere elementen’, die door hun fantasmatische zuiverheid de nazi’s de ogen uitstaken. In de grootscheeps georkestreerde cultus van de Jeugd lijkt dit verlangen naar zuiverheid op een meer gesublimeerde wijze te worden ingevuld. De jeugd incarneert de heilige, letterlijk onaangetaste ziel van de Duitse natie. Vreemd genoeg echter moet deze heiligheid zich openbaren in een offer. Blijkbaar kan enkel het offer van wat de Natie par excellence incarneert, namelijk de jeugd, de eeuwig jeugdige ziel van de Natie in topvorm houden. De offerbereidheid van de jeugd moet bewijzen dat Duitsland pure Jeugd is, frisheid en onschuld van de oorsprong.

Jeugd staat voor passie, enthousiasme: het zichzelf weggeven. Heilig aan de jeugd is haar onvoorwaardelijke bereidheid-zonder-meer, haar overgave aan het nieuwe, wat het ook is. Heilig aan de jeugd is dus in extremis datgene in haar wat niet voor de dood terugschrikt. De nazi’s kunnen dan ook pas de ware Jeugd uit de jeugd te voorschijn halen door haar aan de dood bloot te stellen en zo voor zichzelf te ‘bewijzen’ dat de jeugd niets anders dan deze onbekommerde blootstelling is.

Voor de twee heren in De pornografie is de mobilisatie van twee adolescenten voor de zaak van het verzet slechts een alibi om voor zichzelf een verrukkelijke scène op te zetten waarin de jeugd subliem-lichtzinnig met de dood flirt. Analoog hieraan zijn voor de nazi’s de dromen over de grootse toekomst van de natie een alibi om voor zichzelf het fantasma van een zichzelf onbekommerd opofferende jeugd te voeden. Dit offer kan slechts zo zuiver zijn doordat de jeugd juist systematisch buiten het gebied van de dood wordt gehouden. De hele nazistische jeugdbeweging is er op gericht om de jeugd af te houden van alles wat naar de dood ruikt: ziekte, zwakte, verval. Zo zijn de dansen waarin de nazi’s de jeugd lieten opdraven niet meer dan gezonde gymnastiek. Terwijl de dans normaal altijd iets heeft van een geritualiseerde duizeling, waarin de danser speelt met zijn zelfverlies, getuigt de danser in de nazi-dansrituelen nog slechts van de fitheid van zijn lichaam en dus van zijn beschikbaarheid en inzetbaarheid. Hij toont dat hij klaar is om gemobiliseerd te worden. Geen spoor van het lichtvoetige spel van de danser met de dood; en algemener wordt elke vorm van kunst, ritueel of spel die de dood – op een onvermijdelijk geërotiseerde manier – in het spel brengt, als ‘decadent’ bestempeld. Zeker de jeugd moet het spel met de dood radicaal uit handen worden genomen. Alleen wie niets van de dood weet, kan er zich in stralende onbekommerdheid aan overgeven, als een gift die hij buiten zichzelf om geeft. Alleen wie niet weet wat hij geeft, kan zo grootmoedig, zo radicaal, zo volstrekt oneconomisch geven. Alleen een bereidheid die zichzelf niet kent is een waarachtige bereidheid, gevrijwaard van alle eigendunk.

Het fascisme is onerotisch. Het kent slechts natuurlijke groei, wasdom, zelfontplooiing. Sensualiteit daarentegen, hoe ‘viriel’ ook, bevat steeds een component van passief geraakt-worden en van overgave aan een vreemde kracht. Deze erotische overgave wordt de jongeren onthouden en wordt voor de dood op het slagveld gereserveerd. Enkel in de militaire offerdood mag het lichaam besef krijgen van het erotische verlangen om zich weg te schenken. Pas in zo’n maagdelijk offer komt voor de fascisten het opperste genot vrij, een genot dat ze zich toe-eigenen, wezenloos gefascineerd, apathisch.

De jood en de jeugd lijken in het nazisme chiasmatisch verbonden. Terwijl de jodenhaat een heimelijke aanbidding en zelfvernedering verbergt, schuilt in de liefde van de nazi voor de jeugd een gekwelde fascinatie voor het jeugdige lichaam dat zich aan de dood prijsgeeft. Niet enkel het ‘vreemde’ (de joden), maar ook het meest eigene (zijn eigen jeugdige wezen) is voor de nazi een vreemde instantie die hem intimideert, die aan hem de wreedste eisen stelt. Duitsland is het meest zuivere en ongeschonden Duitsland in dat ongrijpbare, puur fantasmatische punt waarop het vlees van de Duitse jeugd onschuldig-onbewust met zijn eigen dood instemt. “Ach, al die te vroeg gestorven jongens!” In hun fascinatie voor de jeugd dienen de nazi’s een diabolisch Duitsland, een Duitsland dat elk eigenbelang, elke idee van politieke of militaire strategie, elke bekommernis om zijn toekomst, achter zich heeft gelaten. In haar stervende jeugd houdt Nazi-Duitsland van het jeugdige offer dat zij is. Zij houdt van zichzelf voorbij haar nederlagen, voorbij haar ineenstorting, voorbij Duitsland zelf. “Ook al gaan wij ten onder, in het bloed van onze jeugd zijn wij onsterfelijk.” [4]

In De pornografie dringt het op een bepaald moment tot de hoofdfiguur door dat juist de seksuele onrijpheid van de twee adolescenten toelaat dat zij zich verbinden “in een gezamenlijk offer aan een onbekende Moloch” (p. 42). De heren beschouwen zich blijkbaar als handlangers van die Moloch, die de jongen en het meisje voor dit offer klaarmaken. Zij verwarren deze Moloch echter geenszins met de Natie. De twee heren weten perfect dat wat zij met het jonge tweetal voorhebben, volstrekt ontoelaatbaar is, en dat het in de wereld nooit een plaats kan hebben. Op elke bladzijde is het groteske van hun ambities af te lezen. De jeugd ontglipt de heren in het theater waarin zij haar geheim zou moeten openbaren. De heren beseffen dat elke ‘openbaring’ misschien alleen maar gekoketteer is van de jeugd met het beeld waarin de volwassene deze jeugd wil vangen (p. 117). Om dit gekoketteer te vlug af te zijn en de jongelui als het ware te dwingen hun ware wezen te tonen, zetten de heren hen aan tot een moord, waarin de onschuldige bloem van hun jeugd zou moeten opengaan. Maar zij weten aan de twee slechts een nietszeggend gegrinnik te ontworstelen.

 

Het geïntimideerde subject

“Dat zich daar het hoogste geluk verborg, daar, in die onderontwikkelde God!” De Salò-fascisten laten bij zichzelf de passieve geïntimideerdheid door het kwellende geheim van de jeugd niet toe. Ze hebben lak aan de subtiele strategie van zachte dwang en suggesties, waarmee de volwassene bij Gombrowicz de jeugd haar heimelijke verlangens en genietingen wil doen prijsgeven. De heren in Salò leggen ondubbelzinnig en volledig beslag op zestien jeugdige lichamen. De gevangen jongeren krijgen geen enkele speelruimte. Brutale opsluiting, reductie tot zwijgende, naakte of geüniformiseerde lichamen, intimidatie met straffen of willekeurige pijniging… – aan koketterie of theater hebben de fascisten geen enkele boodschap. Ze lijken het ideeëngoed achter een bepaald soort performance te delen dat ten tijde van Pasolini’s film opkwam: enkel de pijn van het naakte, zwijgende lichaam dat vreest en beeft, liegt niet. Enkel woordeloze pijn en angst zijn ‘authentiek’ en dus werkelijk openbarend. Het theater, het gekoketteer wordt aan de vertelsters overgelaten, maar dan volledig geprofessionaliseerd, en het scenario ligt vast. De vertelsters nemen de sublieme frivoliteit voor hun rekening die Gombrowicz’ ‘pornografen’ aan de jeugd toeschrijven. Maar zij zijn ‘frivool’ met een koude exaltatie. Hun koketterie is als versteend. Zij vertellen over hun jeugd waarin zij hebben geleerd om volledig soeverein te genieten van de rol die hen door machtige heren was toebedeeld. Zij vertellen hoe zij, om Nietzsche te citeren, hebben geleerd “pijn op te vatten als instrument, als vader van de lust”. [5]

Het sadisme van de nazi gaat gehuld in grootse visioenen over de toekomst van de Natie. Terwijl hij met groot ceremonieel rouwt om het verlies van jonge levens, zuigt hij zich heimelijk vast aan jeugdige lichamen die zich maagdelijk-onschuldig aan de dood weggeven. Hij droomt ervan hoe zich uit dit lichaam dat bloedend in de modder neervalt, een subliem, van zijn offer genietend Lichaam losmaakt dat de onsterfelijke essentie van Duitslands ziel bevat. De Salò-fascist deelt dit fantasma met de nazi, maar heeft geen romantische alibi’s meer nodig. Als ‘anarchist’ maakt hij zich uiteraard geen illusies over de offerbereidheid van de jeugd. Integendeel, hij geniet van de diepe afgrond die er gaapt tussen het jeugdige genot dat hem fascineert en de wanhoop van zijn slachtoffers, tussen de sublieme essentie van de Jeugd en de jonge lichamen waaruit hij met geweld die essentie naar boven wil halen. De vier heren genieten ervan dat de jongeren volstrekt onintegreerbaar zijn in het sadistisch universum waarin ze worden ondergedompeld. Wanneer de rechter in het begin opmerkt dat Signora Vaccari de meisjes in een paar weken tot hoeren zal hebben opgeleid omdat “niets zo besmettelijk is als zonde”, corrigeert de hertog hem: “U vergist zich. Weinigen kunnen zondigen zonder dat de passie ze drijft. En die zijn altijd ongelukkig. Ze worden wakker met spijt.” Met andere woorden: de meisjes zouden nooit tot meer in staat zijn dan tot een passioneel, door schaamte gekleurd engagement en dit maakt hen tot eeuwige buitenstaanders in een universum waarin enkel het apathische genot telt.

De afgrond tussen jeugd en Jeugd wordt in Salò voortdurend georganiseerd. De dames zijn er niet enkel om de verbeelding van de heren te prikkelen maar om onrechtstreeks de jongeren te intimideren met het raadselachtige beeld van de ongebreideld genietende jeugd waartoe de dames naar eigen zeggen ooit behoorden. Men zou kunnen opwerpen dat al hun potsierlijk gekoketteer over een van seks verzadigde jeugd volledig langs de wezenloze slachtoffers heengaat. [6] Ja, maar juist dit maakt het voor hen tot een kwelling. Daarin is de hele setting van Salò immers analoog aan wat de psychoanalyse de oerscène noemt. In zo’n scène wordt het subject geconfronteerd met het vreemde, intimiderende genot van een ander. Het gaat steeds om een scène die incompatibel is met alles wat tot de ervaringswereld van het subject behoort. De boodschap die van deze scène uitgaat, blijft duister en onontcijferbaar. Zij lijkt zich ook helemaal niet tot het subject te richten, of het daadwerkelijk aan te gaan; en toch gaat van deze scène zo’n dwingend appèl uit dat het lijkt alsof alles enkel dit subject betreft. Dit is nu wat de fascisten bewust zoeken: de extreem obscene verhalen van de dames sluiten op geen enkele manier aan bij de ervaring van de gevangen adolescenten. Ze worden bovendien op zo’n potsierlijke wijze gebracht dat ze niet ernstig te nemen zijn. Maar tegelijk wijst de hele situatie in de villa erop dat het lot van de jongeren in deze onwerkelijke verhalen ingeschreven is, dat zij buiten deze onwerkelijkheid voortaan geen enkele werkelijkheid meer zullen hebben. De fascisten genieten van deze ‘naïeve’ onontvankelijkheid van de slachtoffers voor boodschappen die niettemin enkel hen betreffen.

Gombrowicz en Pasolini hebben elk op hun eigen onnavolgbare wijze scherp laten zien dat de mens een door de ander bespookt wezen is. Psychoanalysten zoals Lacan en Laplanche hebben dit theoretisch geformaliseerd. Aan de oorsprong van het subject ligt een traumatiserende, dat wil zeggen onvoorziene, premature ontmoeting met het genot van de ander. Dit is de tot op vandaag nog even vreemd en ‘schandalig’ gebleven boodschap van de psychoanalyse. Deze boodschap gaat in tegen alle biologismen, neodarwinismen én humanistische zelfontplooiingsmythes waarmee we dagelijks worden overspoeld: het seksuele is iets dat van buitenaf in het subject wordt ingeplant. Het subject wordt geseksualiseerd in zijn perplexiteit tegenover het enigmatische genot van een ander dat hem als het ware gijzelt. Het fantasma is de manier waarop het subject dit genot, dat hem teveel is, ‘interpreteert’. In het fantasma maakt het subject meteen van zijn perplexiteit, van zijn hulpeloze, traumatiserende passiviteit tegenover dit binnenvallend genot een scène die in zijn onbewuste wordt ingekapseld. Met het fantasma stemt het subject als het ware ‘actief’ in met de inslag van het genot-van-de-ander, wat niet wegneemt dat dit genot een vreemd element blijft dat hem nu van binnenuit blijft bespoken en hem in die zin in een toestand van passiviteit houdt. [7] Om zich van de druk van dit fantasma te bevrijden, projecteert het subject dit vreemde genot altijd weer op anderen. Dit verklaart waarom het subject telkens weer eenzelfde soort transcendentale vergissing maakt: het denkt namelijk dat het altijd de anderen zijn die werkelijk genieten en niet hijzelf. Niet alleen geniet de ander meer dan ik, maar ik beschouw zijn superieur genot als een boosaardige beroving van het mijne. Vandaar de invidia: de nijd jegens een genietende ander bij wie ik eigenlijk enkel, als in een donkere spiegel, mijn eigen als onverdraaglijk ervaren genot zie. [8]

We kennen de haat van het fascisme tegen het kwetsbare, zwakke, ontredderde, passieve, Entartete. Het bovenstaande doet ons vermoeden dat deze haat een zelfhaat is die voortkomt uit de angst voor een passiviteit waaraan de fascist op onbewust-fantasmatisch niveau is overgeleverd. Het is de nijdige haat tegen de eigen machteloze want al te genotvolle geïntimideerdheid door (het genot van) een onheuglijke ander. Deze haat is onverzadigbaar omdat hij doordrongen is van verlangen. Daarom produceert de fascist voortdurend de zwakte en de ontreddering die hij haat; in die ontreddering haakt hij immers fantasmatisch naar een excessief genot, het genot als passieve ontvankelijkheid voor de intrusie van de ander.

Indien het fascisme het ‘nietzscheaanse’, gezond-gewetenloze vitalisme zou zijn waarvoor het zich uitgeeft, dan zou het alle zwakke, ‘gedegenereerde’ elementen die het voor de voeten lopen met jeugdige achteloosheid vertrappen. Alles wijst er evenwel op dat het fascisme door het ‘zwakke’ is geobsedeerd, dat het er zichzelf voortdurend mee intimideert, dat het het zwakke uitvindt, inbeeldt, er op volkomen oneconomische en zelfs voor zichzelf gevaarlijke wijze energie in investeert, om het uit te roken, te achtervolgen, bijeen te drijven. De fascist wil het zwakke niet zomaar vermorzelen, maar wil het als het ware in zijn zwakte duwen, het zijn zwakte – die niets anders dan zijn eigen ‘heerlijke zwakte’ is – doen bekennen, doen voelen.

De toespraak van de hertog aan het begin van het eerste hoofdstuk van Salò vangt aan met: “Zwakke schepsels. Jullie zijn hier voor ons genot.” Pasolini’s fascisten duwen hun slachtoffers onophoudelijk in de passiviteit waaraan ze zelf onbewust zijn overgeleverd. Om te ontkomen aan hun machteloze fascinatie voor het grillige genot van de jeugdige ander, nemen ze zelf de plaats van die ander in. Ze ensceneren voor hun slachtoffers het kwellende Raadsel, de grillige, boosaardig genietende ander. Ze terroriseren de jeugd met de Jeugd zelf. Zo laten ze de vertelsters opdraven als buikspreekpoppen van een schaamteloze, soeverein van al haar lichaamsopeningen genietende jeugd. Ze houden de jongeren de Jeugd als een verblindende fallus voor, ervan genietend dat de jeugd voor haar eigen beeld versteent als voor een medusaschild.

 

“Die bloem is van ons!”

Dit laatste gebeurt ook in de rituelen die de fascisten voor zichzelf en hun slachtoffers opzetten. In het eerste hoofdstuk organiseren ze een huwelijksceremonie. Een strak symmetrisch beeld toont ons het koppel in burgerlijke huwelijkskledij, begeleid door naakte jongens en meisjes die seringen en lelies in de hand houden. De jongeren moeten hier dus opdraven in een groteske simulatie van één of andere heidense natuurgodsdienst. Ze worden verplicht deel te nemen aan een zogenaamd authentieke, volkse, erotisch gekleurde viering van de vruchtbaarheid van het leven. Hun naakte lichamen doen dienst als een soort levende fetisjen. In het laatste hoofdstuk worden er drie huwelijken ingezegend. De hertog, de president en de rechter zijn opgetuigd als vrouwen, met lange gewaden, voiles en hoge hoeden. Twee van hen ‘trouwen’ met een jongen onder de slachtoffers, één met een bewaker. De bisschop leidt de ceremonie, zij het niet als bisschop, maar als een soort priester van Dionysos. Alles verloopt heel ernstig en plechtstatig, onder begeleiding van gedragen accordeonmuziek. De heren eisen van de jongeren dat ze stipt de ceremoniële code volgen, terwijl ze anderzijds duidelijk laten blijken dat ze zelf de zaak niet ernstig nemen. Met obscene opmerkingen geven ze te kennen dat ze, ‘anarchisten’ die ze nu eenmaal zijn, in wezen lak hebben aan rituelen. Rituelen belichamen immers de ongerechtvaardigde heerschappij van het onnadenkende ‘kuddedier’ over het vrije individu. Voordat hij de feestzaal betreedt, schreeuwt de hertog vanaf de trap tot de bisschop: “We willen een piekfijne zegening. Eerst de president. Die is het meest bronstig.” “Klootzakken”, mompelt de bisschop ondanks zijn hiëratische uitmonstering. Als de plechtigheid is begonnen, laat hij zich door een bewaker aan zijn kont zitten.

De historische fascisten ridiculiseerden hun Kraft durch Freude-campagne onder
elkaar, de fascisten van Salò ridiculiseren de zaak waar hun slachtoffers bijstaan. Ze verwachten niet van hen dat ze in het symbolisme van het ritueel geloven, ze willen hen enkel laten voelen dat ze onderworpen zijn aan een Orde die hen door een absoluut grillige, onberekenbare instantie wordt opgelegd. Wanneer zij hen woedend toeschreeuwen: “Is dit een rouwkamer? Vooruit stel idioten, laat zien dat jullie blij zijn! Waarom dans en zing je niet?”, dan is dat enkel om hen nog meer in hun onvermogen tot enthousiasme te doen verstijven. [9]

Waarvoor hebben de fascisten, die toch gewoon naar genot op zoek zijn, deze omslachtige ritualisering nodig? Zij schrijven hun slachtoffers fantasmatisch een vermogen tot oneindig genieten toe, en de starre mechaniek van de rituelen waaraan ze hen onderwerpen, dient er juist toe om hen systematisch van dit bij hen veronderstelde Genot af te splijten. Wat de fascisten in het ritueel aantrekt, is het onverbiddelijke formalisme ervan, de strengheid die geen plaats laat voor enig persoonlijk initiatief. Hun slachtoffers representeren die ander-in-zichzelf wiens genot het hunne bedreigt, en de rituelen zijn wraakacties tegen die fantasmatische ander, waarbij ze zijn plaats innemen. Dit is de reden waarom de fascisten ervan houden om de instelling van wetten en regels, die ze zelf niet erkennen, te theatraliseren. Het theater is een alibi om de plaats in te nemen van die obscene ander, die in hun fantasma het genot blijft monopoliseren, en die hen het genot enkel heeft laten zien om het hen te ontzeggen. Lacaniaans gesproken: voor de pervert is de anonieme, symbolische Ander van de wet, slechts een façade voor een werkelijk bestaande, reële ander die de wet voor zijn genot gebruikt. Door de plaats van dat boosaardig wezen te bezetten, bewijst de fascist voor zichzelf dat die ander bestaat – en dus ook datgene wat deze hem heeft ontstolen. [10] Zo houdt hij als het ware ex negativo het geloof in het Ware Genot in stand. Als ik er de ander van beroof, dan moet het wel bestaan, zo is de gedachte – alsof de ander, indien hij niet aan de strenge mechaniek van het ritueel was onderworpen, wél toegang zou hebben tot het Genot. Anders gezegd, door het slachtoffer sadistisch de toegang tot het genot te ontzeggen, kunnen de fascisten voor zichzelf de structurele ontoegankelijkheid ervan verbergen.

Er is een scène in Salò waarin we vanuit het standpunt van de vier heren zien hoe de bewaker Guido en signora Vaccari op bevel van diezelfde heren respectievelijk een jongen en een meisje onder de slachtoffers masturberen. Zoals steeds in deze film is niet wat de lichamen ons tonen obsceen, maar de situatie. We zien enkel de ruggen van de bewaker en de dame. Na verloop van tijd weet de bewaker te melden dat de jongen is klaargekomen en ‘dus’ een man is. “En zij is een vrouw”, voegt de dame er even later aan toe. Na het door de heren gearrangeerde ‘huwelijk’ tussen de twee, worden ze verplicht met elkaar te vrijen. Op het moment dat de jongen op het meisje gaat liggen, worden ze onderbroken door de hertog en de president die hen terstond ontmaagden: “Die bloem is van ons!”

De fascisten ontnemen de slachtoffers hun genot door het voor hen op een obsceen gedetailleerde manier te reguleren. “Jullie zijn toch zo’n genieters? Wel, geniet dan!” Ze willen het genot aan hun slachtoffers onttrekken. Hiervoor moeten ze dat genot als het ware eerst omsingelen en insnoeren, zodat het zich uiteindelijk, helemaal in het nauw gedreven, vrijgeeft. Dit is sadisme: het slachtoffer moet zich volledig aan zijn beul geven, dat wil zeggen zijn ‘diepste genot’ aan hem verraden, maar hij moet dit doen buiten zichzelf om. Hij moet buiten dit genot worden gehouden, en een eeuwig onrijpe maagd blijven. De sadist belet dan ook systematisch – en daarvoor dient het ritueel – dat het slachtoffer zich vanuit zichzelf geeft. Deze laatste mag zich niet kunnen geven, want dit zou betekenen dat hij ook iets kan achterhouden, en dat de fascist afhankelijk is van zijn gunst. Het slachtoffer mag zijn gift op geen enkele manier kunnen economiseren. Terwijl een ‘normaal’ symbolisch ritueel steeds ruimte laat voor verleidelijke veinzerij en koketterie – voor een spel waarin nooit duidelijk is of men zich geeft dan wel slechts voorgeeft zich te geven – moet de gift voor de sadist volkomen reëel zijn; maar dit kan slechts wanneer deze gift voor het slachtoffer zelf een absoluut geheim blijft waar hij geen deel aan heeft. Het slachtoffer moet zijn diepe passiviteit, zijn onvermogen-tot-geven geven. [11] De sadist gelooft dat er een techniek bestaat die deze gift bij zijn slachtoffer afdwingt. Door zijn slachtoffer in het ritueel als een mechanische automaat, als een levend lijk te laten opdraven, wil de sadist hem radicaal van zijn genotsgeheim scheiden. Het slachtoffer moet zijn genot als het ware uitscheiden als een excrement.

Als de functie van het sadistische ritueel erin bestaat door extreme regulering het slachtoffer van zijn genot af te scheiden, dan kan de eigenlijke toe-eigening van het genot slechts gebeuren door een plotselinge, juist gekozen onderbreking van het ritueel. Tijdens die onderbreking wordt het ingesnoerde genot als het ware afgetapt of, om een economische term te gebruiken, ‘geïnd’. Door zo’n onderbreking wordt de extreme hulpeloosheid, de angstige versteendheid van de gedwongen participanten voelbaar. Voelbaar wordt ook dat het de heren – net zomin trouwens als de historische fascisten – uiteindelijk niet om discipline te doen is. In dat geval zouden de jongeren zich in de onpersoonlijke orde van het ritueel kunnen verstoppen, zich onzichtbaar kunnen maken zoals soldaten doen. Wie rondmarcheert wordt tenminste niet geslagen. Door het verloop van de rituelen echter plotseling en willekeurig te onderbreken, laten de vier heren voelen dat het formalisme van het ritueel enkel dient om beslag te leggen op wat daarachter schuilgaat; en ze laten vooral voelen dat de slachtoffers juist daar geen enkel recht op hebben.

De hertog die de huwelijksceremonie onderbreekt om de bloemenmeisjes- en jongens te kussen en te betasten, kust en betast volledig verstijfde lichamen, als een pornokijker die naar believen het videobeeld heeft stilgezet, of als een figuur in kitscherige SF-films die, doordat de tijd is stilgezet, tussen bevroren lichamen rondloopt en zich plots in een wereld bevindt waarin alles toegelaten en beschikbaar is. Dit fantasmatische interval is de tijd van het onmogelijke genot die de fascisten voor zichzelf bereiden. Enkel aan kadavers laat zich het hemelse genot onttrekken, en alles wijst erop dat degene die zoiets doet zelf een kadaver is; dat het Genot dat hij zoekt niet meer is dan een boosaardig spook onder wiens grinnikend oog hij een sombere ritus voltrekt.

De obscene opmerkingen en de handtastelijkheden waarmee de fascisten de plechtige rituelen onderbreken, zorgen ervoor dat deze rituelen ook voor de kijker niets hebben van een ‘geheimzinnig’, ‘demonisch’ spektakel waaruit hij in al zijn verschrikking en morele verontwaardiging nog een beetje ‘lustwinst’ zou kunnen halen. Daarbij komt dat ook de camera als het ware niet aan de rituelen participeert. Door de koele, altijd statische brede shots vullen de rituelen het beeld nooit, maar blijft de stille leegte van de villazalen op elk moment merkbaar. Alles is en blijft pijnlijk helder. Scenario en regie van de rituelen zijn voelbaar. De bewakers staan met ontbloot bovenlijf tegen de muur geleund; lui genietend van de hele farce, zien ze erop toe dat alles goed verloopt. En uiteraard zijn er de dames, met hun eeuwige, op hun gezichten vastgetimmerde glimlach.

Deze ‘vervreemdingseffecten’ gunnen de toeschouwer niettemin geen ruimte om afstand te nemen. De toeschouwer kan meer bepaald deze afstand zelf niet meer nemen, omdat hij op voorhand stuit op de cynisch-apathische afstand die de fascisten zelf al hebben genomen. Aan het slot van de film, wanneer een zestal jongeren wordt doodgemarteld, is het juist deze afstand die ondraaglijk wordt.

 

Wrede afstand

De tendens die sinds geruime tijd in de cinema bestaat om het geweld in zijn onomfloerste realiteit te tonen, is ijdel en bevat op zichzelf iets gewelddadigs. De tegenstelling tussen een sentimenteel-moraliserende verloochening van het geweld en een zogenaamde harde eerlijkheid is vals. Geweld is nooit iets dat geobjectiveerd kan worden tot iets wat met lichamen gebeurt. Men toont het geweld niet door zogezegd ‘concreet’ te tonen hoe bijvoorbeeld een volstrekt hulpeloos mens eindeloos wordt gepijnigd, verkracht of gedood. Geweld is wat tussen mensen gebeurt. Geweld is, zoals liefde, een verhouding. Hierbij is een mechanisme aan het werk. “In mijn films is geweld een mechanisme, nooit een realiteit”, zei Pasolini naar aanleiding van Salò. Dit mechanisme is psychisch. Het heeft te maken met de lusteconomie van de beul. De beul heeft iets met zijn slachtoffer voor. Het probleem met harde, fysieke scènes van ‘zinloos geweld’ is niet dat ze tot geweld zouden aanzetten, maar dat ze onvermijdelijk een mede-lijdende identificatie met het slachtoffer uitlokken. De focus op het onschuldig lijden van het slachtoffer, leidt de aandacht weg van het gewelddadige mechanisme dat per slot van rekening door de beul in gang wordt gezet. Serieuze films houden zich met de beul bezig, en brengen ons begrip bij over de beul. [12] De reden dat dergelijke films zo zeldzaam of onpopulair zijn, schuilt in de wijdverbreide angst dat dit begrip van de beul onvermijdelijk leidt tot al te veel begrip voor de beul. Daarom wenst men niet gestoord te worden in zijn comfortabele identificatie met het onschuldige slachtoffer. [13]

 

We zagen dat de fascisten hun slachtoffers gebruiken om zich te wreken op die boosaardige ander die hen volgens hun fantasma berooft van hun genot. Ze nemen de plaats in van deze ander. Tegelijkertijd wijst alles erop dat ze zich, zoals Freud reeds zei over de sadist, masochistisch identificeren met hun slachtoffers. De fascisten imiteren voortdurend de hulpeloze passiviteit en immobiliteit van het slachtoffer. Ze laten zich sodomiseren, bekijken, bepissen, ze nemen plaats tussen de jongeren bij de vertelsessies, onderwerpen zich even gedwee aan de rituelen, treden met hen in het huwelijk als vrouw, en opdat daarover geen misverstand zou bestaan, citeert de hertog Baudelaires bekende gedicht L’héautontimorouménos: “Je suis la plaie et le couteau! (…) Et la victime et le bourreau!”.

Hoe moeten we deze masochistische identificatie van de sadist met het slachtoffer begrijpen? Hoe moeten we eerst en vooral het masochisme begrijpen? [14] Laat ons terugkeren naar de ‘oerscène’. In mijn premature confrontatie met het genot van de ander wordt dit genot meteen ook aan mij onttrokken. Het genot dat de ander mij toedient, wordt meteen uit mij losgesneden. Ik ben niets anders dan dat genotsding dat volledig in de macht van de ander is. In het fantasma schik ik me als het ware hiernaar. Ik organiseer reeds zelf mijn passiviteit. Ik ensceneer mijn hulpeloosheid en in deze ‘bemeestering’ schep ik genot. Het gaat dus om een masochistische “autotraumatisering” (Laplanche). Men kan ook zeggen: ik neem de obscure, intimiderende boodschap van de ander op mij. Ik ben niet langer zomaar de stomme, toevallige getuige ervan, maar ik maak mezelf tot de enige echte bestemmeling van zijn boodschap. Als onderworpene ben ik de uitverkorene van de ander: weliswaar niet meer dan een object, maar wel het object par excellence van zijn genot. Zo heb ik meteen een antwoord op mijn afgrondelijk niet-weten over wat die ander wil: hij wil van mij genieten, hij wil dat ik het werktuig ben van zijn genot. In mijn fantasma is het genot dat de ander uit mij haalt – en waar ik dus niet bij kan of alleen maar bij kan door in de ander te verdwijnen – het summum. Dit onmogelijke genot waartegen ik niet bestand was, wordt, eenmaal fantasmatisch bewerkt, hét genot. Hier ligt de masochistische, wrede wortel van elk idealisme: wat de mens wordt aangedaan en hem uit balans brengt, juist dat verabsoluteert hij, – letterlijk: hij zet het apart. Het excessieve genot van de ander-in-hem, te overweldigend om gepareerd te kunnen worden, wordt opgeborgen als iets onvernietigbaars. [15] Het opbergen van dit traumatiserende genot is natuurlijk een vorm van verdediging. Het subject maakt zich op dat niveau reeds hard. De constructie van het fantasma, als scenografie van een aangedaanheid, is een eerste oefening in onaangedaanheid, in apathie. Waar ik niet tegen kon, waar ik geen verhaal tegen had, juist dàt koester ik als een voor eeuwig onaantastbare schat.

En wat doet nu de masochist? Om kort te zijn: hij is, in tegenstelling tot de neuroticus, niet bang van zijn fantasma, hij zet het juist schaamteloos in scène. Hij dient zich ostentatief bij zijn ‘meester’ aan als object, als zijn willoze werktuig. Maar zijn verborgen agenda bestaat er uiteraard in de meester te intimideren met zijn geheim, alsof hij tegen hem zegt: “in het varken, in het waardeloze stuk vuil dat ik voor u ben, ben ik onvernietigbaar; ergens in mij geniet iets voorbij alle lust of onlust die u bekend is.”

Masochisme en sadisme staan dus niet eenvoudig tegenover elkaar als passiviteit en activiteit. De masochist ritualiseert, domineert de scène van zijn onderwerping. Hij schept een reeds ‘sadistisch’ te noemen genot in de ontdaanheid van de ander, die zichzelf tegenover zijn obscure, masochistische appèl alleen maar angstig een grens kan opleggen en zich dus aan de wet moet vastklampen. [16] De angstige consternatie van de ander doet hem in zijn eigen genotsgeheim geloven.

De sadist stelt zich niet tevreden met het masochistische genot dat erin bestaat opzichtig het geheim van zijn genot voor zich te houden. Hij wil dat het genot zich openbaart, dat het zich incarneert in een lichaam. Voor deze openbaring moet zijn slachtoffer opdraven. Aan diens lichaam moet het genot worden onttrokken. Het masochistisch theater van de passiviteit is de sadist niet genoeg; door de ander te folteren, zadelt de sadist zijn slachtoffer reëel op met de passiviteit die de ondraaglijke, onbereikbare kern is van zijn eigen genot. De bedoeling is dat het slachtoffer geen kant meer op kan, dat wil zeggen: hij mag niet kunnen omgaan met wat er hem overkomt, hij mag niet de kans krijgen het in zichzelf op te slaan, het in zichzelf te bewaren. Hierin berust de ‘ontmenselijking van het slachtoffer’ waar men het altijd over heeft: het slachtoffer mag niet kunnen fantaseren. De ‘andere scène’ van het onbewuste wordt hem niet gegund, enkel de absoluut reële, ‘actuele’, ‘concrete’ lichamelijkheid van de pijn, of beter: de pure lichamelijkheid die enkel als pijn bestaat. [17] Het surplus aan genot waartegen hijzelf enkel met een defensieve inkapseling kon reageren, wil de sadist nu via zijn slachtoffer opstrijken. Hij wil hem dit genotsexces laten voelen, maar deze keer zonder mogelijkheid tot defensieve fantasmatische inkleding en dus als een puur tekort aan genot. Door het tekort zo op zijn slachtoffer te verhalen, denkt de sadist aan zijn eigen tekort te kunnen ontkomen.

Onder het mom alle genot aan de ander te laten, intimideert de masochist hem met een geheimzinnig surplus aan genot waar die ander niet bij kan. Ook voor de sadist bestaat het genot slechts als iets absoluuts waar de ander niet bij kan, maar dat absolute wordt deze keer in het lichaam van de ander zelf ingeschreven. Deze moet er, terwijl hij het ondergaat, tezelfdertijd radicaal onontvankelijk voor blijven. Alleen zo staat hij er op de meest radicale, reële wijze aan bloot. Hij moet het absolute van het genot ontvangen als een bodemloos tekort aan genot, als een genot dat perfect van hem afgescheiden blijft en dus van hem kan afgescheiden worden. De vier heren in Salò localiseren dit Genot in de penis of de borst die wordt weggebrand, het oog dat wordt uitgehaald, het stuk huid dat wordt gescalpeerd. Alleen in wat uit de ander wordt weggesneden, wordt het eigen onmogelijke, jaloers opgebaarde genot aan hen ‘geopenbaard’. Wat in het geheim als onvernietigbaar werd gekoesterd, wordt vlees.

In Salò wordt er slechts de laatste vijf minuten gefolterd. Dit gebeurt op de binnenplaats van de villa door drie van de heren, geassisteerd door enkele bewakers. Er is altijd één van hen die vanuit een kamer op de eerste verdieping van de villa, door een gesloten raam, met een verrekijker het tafereel gadeslaat. Hij zit op een rijk beklede stoel die op een verhoog is geplaatst. We zien de folteringen en executies enkel door het omkaderde gezichtsveld van de verrekijker, bovendien nog doorsneden door het raamwerk van een hek dat zich ergens tussen de observatiepost en de hel daarbuiten bevindt.

Laplanche gebruikt, om de penibele positie te beschrijven die het kind tegenover de oerscène inneemt, terloops het beeld van Odysseus die de Sirenen hoort en ziet terwijl hij vastgebonden is aan de mast. [18] Maar we weten natuurlijk dat Odysseus zich heeft laten vastbinden, dat hij zijn ‘machteloze’ inertie zelf in de hand heeft. Hij heeft het, zoals Adorno en Horkheimer het mooi zeggen, “zo gearrangeerd dat hij, aan hen ten prooi, hun prooi niet wordt”. [19] Gewiekst masochisme inderdaad. Maar een sadist is Odysseus niet. Dat zou hij slechts zijn indien hij de sirenen zou dwingen tot de totale overgave die hij bij zichzelf zo vreest. Dit doen de fascisten. Daartoe folteren ze hun slachtoffers, en tezelfdertijd willen ze die folteringen vanaf een perfect geplaatste troon in zich opnemen, roerloos en onberoerd. De fascisten genieten van hun apathie. Ze genieten van deze afstand die hen scheidt van de hel die ze organiseren. Ze genieten ervan die afstand te regelen. Ze luisteren naar de radio terwijl ze de folteringen bekijken. De hertog draait af en toe aan zijn verrekijker, om de afstand groter of kleiner te maken. De president vertelt, gezeten op de troon, een grap aan de bewaker. De heren zwelgen in de strategieën waarmee ze er voor zorgen niet verzwolgen te worden. Ze genieten van hun ‘vervreemdingseffecten’ – en wij bijgevolg niet. De afstand die de film zelf tegenover de folterscènes inbouwt, en die alles voor ons draaglijk zou moeten maken, is helemaal door de fascisten zelf ingesteld. Wij kijken in hun kijkapparaat. Wij horen niets doordat zij het geluid voor ons dempen.

Het reële van deze wreedheid moeten we niet in de van pijn kronkelende lichamen zoeken; het is evenmin te lezen op de gezichten van de sadisten die trouwens helemaal niet ‘van perverse wellust vertrokken’ zijn. De wreedheid zit in de afstand waarin de toeschouwer wordt geduwd, zonder die afstand zelf actief te kunnen innemen. Deze afstand mimeert de afstand die zich in het gefolterde slachtoffer zelf opent, in het slachtoffer dat doof en blind zou willen blijven voor wat hem overkomt, dat met alle macht uit zichzelf zou willen wegvluchten, zichzelf zou willen doodmaken om deze dood niet te moeten meemaken. Daphnes lijden is het grootst in de momenten dat zij, door Apollo achternagezeten, nog net niet in een laurier verandert. Zichzelf immobiliserend spelen de fascisten als het ware zelf voor laurier terwijl ze het lijden van het slachtoffer levendig houden. Met hun soevereine onaangedaanheid theatraliseren ze de paniekerige zelfverstening, de dood die ze hun slachtoffers niet gunnen. In die gespeelde dood hebben zij het ‘bezit’ over de witgloeiende hitte van het leven, gelijk aan een God die zowel oneindig boven de dingen verheven is, als in het leven van elk ding vibreert.

 

Terwijl we door de verrekijker de folteringen zien, weerklinkt plotseling een lyrisch koorgezang van Carl Orff. Niemand kan ontkennen dat deze muziek de beklemming iets lichter maakt. Is dit niet de hemel die met oneindig mededogen neerkijkt, die een hoop schenkt die “ons enkel omwille van de hopelozen is gegeven” (Benjamin)? In Pasolini’s Accatone weerklinkt de Mattheuspassie terwijl het lompenproletariaat vechtend door het stof rolt. Onverschilligheid van de muziek, zoals Pasolini zei, onverschilligheid van de hemel? Maar toch: er is hemel. – Niets daarvan. Plotseling verzet één van de bewakers de radio naar een ander kanaal. Het blijkt dat de fascisten zelf voor deze muziek hebben gezorgd. We weten dat ze smaak hebben. De sublieme onverschilligheid van de hemel is de hunne, hij maakt deel uit van hun apathisch scenario. Deze hemel is niet zomaar apathisch voor de slachtoffers, maar in de slachtoffers; de hemelse eeuwigheid ervan vibreert in het leven dat aan hen wordt onttrokken. Ook het aanroepen van God is obsceen geworden.

 

Het vierde en laatste deel van deze tekst verschijnt in het volgende nummer van
De Witte Raaf.

 

Noten

[1] Witold Gombrowicz, De pornografie, Amsterdam, Athenaeum, 1964, p. 25.

[2] Gilles Deleuze schrijft ergens: “Si vous étiez pris dans le rêve de l’autre, vous étiez foutu.”

[3] Friedrich Nietzsche, Genealogie der moraal, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1980, p. 36.

[4] Een pervertering van het christelijke offer, inderdaad, zij het een pervertering die trouw is aan een belangrijke tendens in het christendom.

[5] Friedrich Nietzsche, Herwaardering van alle waarden, Amsterdam, Boom, 1992, p. 669.

[6] Het is trouwens ook voor de kijker moeilijk om zich op de inhoud van deze verhalen te concentreren.

[7] Ik verwijs bij dit alles naar Jean Laplanche en zijn theorie van de ‘veralgemeende verleiding’, die hij onder meer formuleert in Nouveaux fondements pour la psychanalyse, Paris, PUF, 1987. Deze theorie lijkt me niet incompatibel met Lacans theorie.

[8] Lacan verwijst naar een fragment in Augustinus’ Belijdenissen: “Ik heb zelf een baby gezien en meegemaakt die jaloers was: hij praatte nog niet en toch bekeek hij het kind dat samen met hem gezoogd werd met een verbitterde blik uit een bleek gezicht.” (I, VII, 11)

[9] We herkennen hierin uiteraard ook de taal van de DJ.

[10] Vgl. Bruce Fink, A Clinical Introduction to Lacanian Psychoanalysis. Theory and Technique, H.U.P., Cambridge, Massachusetts/London, 1997, pp. 189-190.

[11] Dit is wat volgens Augustinus God van ons vraagt. De fascist stelt zich in die zin op de plaats van God.

[12] Het mag duidelijk zijn dat films als The Silence of the Lambs, die de sadistische slechterik als een fascinerende demon voorstellen, niet tot dit begrip bijdragen.

[13] Denk aan 11 september, aan het moreel-politieke verbod dat in de V.S. heerste om te proberen de motieven van de daders te begrijpen.

[14] De psychoanalytische literatuur over het sadisme is vaak zo onbevredigend omdat het sadisme wordt besproken als een moeilijk te vatten variatie op het masochisme, waarmee men dan minder moeite heeft.

[15] Dit is een manier om uit te leggen wat Freud bedoelt als hij zegt dat voor het onbewuste de dood niet bestaat.

[16] Zie Bruce Fink, op cit. (noot 10), p. 187. Een vergelijking dringt zich op met Pasolini’s pakkende ode aan het masochisme. De – zeer religieus klinkende – kern ervan is: men kan nooit alles bezitten (“Het Bezit is het Kwaad”), maar men kan wel door het Alles bezeten worden. Maar: dit is een ervaring die men niet zelf mag orkestreren. Het is een “Genade”, “een ervaring die komt en gaat wanneer zij wil”. Pasolini lijkt dus op zoek naar een niet-sadistisch masochisme. (Olie, Amsterdam, Meulenhoff, 1992, p. 339)

[17] Het is goed om te weten dat de zoektocht, in de kunst of in de media, naar een pure lichamelijkheid die bevrijd is van allerlei culturele, symbolische, ‘patriarchale’ inkapselingen, wordt bespookt door een sadistisch fantasma.

[18] Jean Laplanche, Le primat de l’autre en psychanalyse, Paris, Flammarion, 1997, p. 52.

[19] Max Horkheimer en Theodor W. Adorno, Dialectiek van de verlichting, Nijmegen, SUN, 1987, p. 75.

Neem en eet, dit is je lichaam

Maar let op. De hel komt ook naar jullie toe. Hij komt weliswaar gemaskerd en onder verschillende vaandels… […] Misschien heb ik ongelijk, maar ik blijf toch zeggen dat we met ons allen in gevaar verkeren.

 

Pier Paolo Pasolini

 

Un intellectuel c’est quelqu’un qui a peur.

Maurice Blanchot

 

Pasolini bekende dat Salò voor hem een bittere afrekening was met zijn populaire ‘trilogie van het leven’, die hij net achter de rug had (Decamerone, The Canterbury Tales, De verhalen van duizend en één nacht). Deze films waren door Pasolini bedoeld als een ode aan een tijd “waarin het lichaam nog geen handelswaar was geworden”. [1] Hij had ze naar eigen zeggen gemaakt “in naam van eenvoudige mensen die door de armoede zuiver zijn gebleven. In naam van de gratie van duistere eeuwen. In naam van de schandalige revolutionaire kracht van het verleden”. Deze revolutionaire kracht ging uit van “ ‘onschuldige’ lichamen met het archaïsche, duistere, vitale geweld van hun geslachtsorganen”. [2] Maar juist een dergelijk vitalisme was nu problematisch geworden. De hedendaagse jeugd, die onder de invloed van de consumptiecultuur massaal met haar seksuele vrijheid te koop liep, kon de trilogie al te zeer als een goedkoop-nostalgisch identificatiemodel gebruiken. Geen schrijver of cineast in de twintigste eeuw heeft meer dan Pasolini met de censuur moeten afrekenen, en hij leefde en werkte in een tijd waarin ‘taboes doorbreken’ nog geen holle slogan was geworden. Maar in de ‘seksuele revolutie’ geloofde hij niet. Hij noemde de moderne permissiviteit “even groot als onwaarachtig”. “De ‘werkelijkheid’ van onschuldige lichamen is door de macht van de consumptie verkracht, gemanipuleerd, geknecht, sterker nog, zulk geweld tegen mensenlichamen is het meest macroscopische gegeven van de nieuwe tijd geworden. […] Wat eerst in seksuele fantasieën pijn en plezier was, is nu suïcidale teleurstelling, amorfe apathie.” En hij vervolgt bitter: “Zelfs als ik zou willen doorgaan met het maken van films als de ‘trilogie van het leven’, zou ik het niet kunnen, omdat ik de lichamen en geslachtsorganen tegenwoordig haat. Dat wil zeggen de lichamen en geslachtsorganen van de nieuwe generatie Italiaanse jongeren.”

 

Een apocalyptische toon

Volgens Pasolini is de hedendaagse verloedering van de lichaamscultuur zo extreem dat ze met “terugwerkende kracht” het verleden aantast. Als de jeugd is kunnen worden wat zij nu is, dan moet zij dat in aanleg altijd geweest zijn, zo redeneert hij. Er is nooit onschuld geweest. En dus moet de trilogie, die al te zeer de mythe cultiveerde van de verloren onschuld, verworpen worden. “De ineenstorting van het heden impliceert de ineenstorting van het verleden.” [3] De revolutionaire kracht van het verleden is uitgewerkt. Elke vorm van kunst die het lichaam celebreert als enige nog authentieke werkelijkheid, en hierbij een beroep doet op het verleden, is voortaan een alibi geworden voor de knechting van het lichaam. Van die knechting is Salò de genadeloze allegorie, zo suggereert Pasolini in gesprekken en interviews.

Sade als waarheid over het fascisme. Maar nu ook: de hel van Salò als waarheid over de naoorlogse consumptiemaatschappij. Pasolini heeft het in zijn film dus over ons. Men kan zich altijd afvragen of dit geen loze provocatie is, nog afgezien van de vraag of wij ons tot de beulen of de slachtoffers mogen rekenen – wat misschien niet zo’n groot verschil maakt: indien wij de slachtoffers zijn en wij weten dat niet of willen het niet weten, dan zijn wij medeplichtig. Pasolini lijkt de donkerste cultuur-pessimismen, van de oudtestamentische profeten tot Theodor W. Adorno, naar de kroon te willen steken door een verfilming van het meest abjecte boek aller tijden voor te stellen als een allegorie van het leven van de westerse mens in de tweede helft van de twintigste eeuw. “Mijn visie is zeker apocalyptisch”, geeft Pasolini toe. [4] Dat valt moeilijk te ontkennen. Het staat ook vast dat Pasolini, door in de laatste jaren van zijn leven steeds meer een apocalyptische toon aan te slaan, zichzelf systematisch bij alle partijen onmogelijk maakte. Niet enkel wat hij zei irriteerde mateloos, maar ook hoe hij het zei: autoritair, apodictisch, elliptisch, maar tegelijk volstrekt hulpeloos en kwetsbaar, alsof hij was belast met een verantwoordelijkheid die hij graag van zich had afgeworpen indien hij dat had gekund, inderdaad als een profeet dus, of als Luther die zei: “Hier sta ik, ik kan niet anders.”

Een extreme figuur als Pasolini dwingt ons in elk geval om stil te staan bij de vraag wat nu de eigenlijke functie is van een intellectueel. Een intellectueel is niet slechts iemand die intelligent over bepaalde dingen kan spreken of schrijven, maar iemand die ons ook weet te overtuigen van de noodzaak zich in te laten met datgene waarmee hij zich inlaat, en ons in die zin laat voelen dat er niet veel tijd meer te verliezen is. Dit kan hij enkel doordat hij een nooit gehoorde, unieke toon aanslaat, en ook: op een unieke wijze van toon kan wisselen. Wellicht kan dit niet zonder een zekere ‘apocalyptiek’ in de stijl van: “De tijd dringt. Als jullie nu nog niet begrijpen hoe het met jullie gesteld is, dan zal het jullie slecht vergaan. Dat ik jullie moet vertellen wat ik vertel betekent eigenlijk dat het ergste al gebeurd is.” Om intellectueel te zijn volstaat het dus niet dat men het goed kan uitleggen. Het gaat erom dat men appelleert aan een begrip dat er reeds bij het publiek is, een begrip waar het zich evenwel angstig voor afschermt. Voor iemand als Pasolini is waarheid geen stand van zaken waarvan men kennis neemt, maar een bezoeking die de mens overhoop haalt en waar hij zich het best voor openstelt, ook al ligt het evenzeer in zijn natuur er zich voor af te sluiten. Deze problematische verhouding van de mens tot de waarheid hebben zowel Freud als Heidegger – elk op een heel verschillende manier – in kaart proberen te brengen. Augustinus heeft die verhouding als volgt beschreven: “Want omdat ze niet misleid willen worden en wel willen misleiden, hebben ze de waarheid lief als zij zich laat bekijken, en haten ze haar als ze hen te kijk zet. En dat is iets dat de waarheid hun zal vergelden: wie door haar niet ontdekt willen worden, die zal zij ook tegen hun wil ontdekken, terwijl zij zelf voor hen onontdekt blijft. Zo, ja zo staat het met de menselijke geest, zo en niet anders: in zijn blindheid en traagheid, zijn lelijkheid en onooglijkheid wil hij verborgen blijven, maar dat er voor hem iets verborgen blijft wil hij niet. En dan krijgt hij precies het omgekeerde: hijzelf blijft niet verborgen voor de waarheid, maar de waarheid wel voor hem” (Belijdenissen, X, XXIII, 34). Wat een bekend motto over de politiek zegt, zou dus ook voor de waarheid gelden: wie zich niet met de waarheid bemoeit, mag er zeker van zijn dat de waarheid zich – en er wordt gesuggereerd: op een ongezellige manier – met hem zal bemoeien, dat wil zeggen hem in zijn blootje zal zetten.

Zo begrepen is Pasolini een intellectueel pur sang. Hij blijft maar zeggen dat het ergste staat te gebeuren en eigenlijk al gebeurd is. Op 30 januari 1975, enkele weken voor Salò in productie gaat, schrijft hij: “De consumptiecultuur is een ware antropologische catastrofe, die ik existentieel ervaar en die, althans voor dit moment, een pure ontaarding is; ik ervaar die in mijn tijd, in de vormen van mijn bestaan, aan mijn lichaam.” [5] Naast “antropologische catastrofe” heeft Pasolini het ook over een “culturele genocide”, die hij zelfs nauwkeurig in de tijd meent te kunnen situeren. “Tussen 1961 en 1975 is er iets essentieels veranderd: er heeft een genocide plaatsgehad. Er is een hele bevolking cultureel vernietigd. En het gaat om net zo’n culturele genocide als die welke voorafgingen aan de fysieke genocides van Hitler. Als ik een lange reis had gemaakt en na een paar jaar was teruggekomen, zou ik, wanneer ik door de ‘grootse, plebejische metropool’ liep, de indruk hebben gehad dat alle bewoners waren gedeporteerd en uitgeroeid, op de straten en in de huizenblokken vervangen door afgematte, ruwe, ongelukkige spoken. De SS van Hitler in feite. De jonge knapen, van hun waarden en voorbeelden beroofd als van hun eigen bloed, zijn spookachtige imitaties geworden van een andere levensstijl en -opvatting: die van de middenklasse.” [6] Wanneer Pasolini gevraagd wordt wat hij juist bedoelt met ‘genocide’ kan hij die metafoor slechts vol passie herhalen: “Bijvoorbeeld, in Rome bevond ik me in een borgata waar zo’n cultuur heerste als die waarover ik het heb gehad, heel karakteristiek en heel uitzonderlijk; kijk, als ik daar naartoe ga, tref ik daar geen levende wezens aan, maar kadavers: ze zijn vermoord.” Ze zijn vermoord door “de culturele aanpassing aan de macht van het Italiaanse consumentendom”. [7]

De triomf van de consumptiecultuur bij alle sociale lagen sluit niet alleen de mogelijkheid van een revolutie uit, maar maakt volgens Pasolini zelfs elke progressieve kritiek op het establishment “antiquarisch”. [8] In een tijdperk waarin iedereen zich met de middenklasse identificeert, kan de ‘bourgeoisie’ geen object van kritiek meer zijn. Arbeiders en boeren staan in de rij om bij de middenklasse toegelaten te worden. In zo’n sociaal-cultureel genivelleerde maatschappij wordt elke politiek-ideologische keuze in extreme mate inwisselbaar. Voor Pasolini is er thans geen wezenlijk onderscheid meer tussen een fascist en een antifascist. “Ze zijn cultureel, psychologisch, en wat vooral indruk maakt, fysiek inwisselbaar. In het alledaagse, mimische, somatische gedrag is er niets – buiten de meeting of de politieke actie – dat een fascist van een antifascist onderscheidt” (of een arme van een rijke, of een misdadiger van een brave burger), en dit terwijl men volgens Pasolini nog geen tien jaar daarvoor een fascist in één oogopslag kon herkennen. De fascisten die in 1969 en 1974 bommen hebben gelegd in Brescia en Milaan deden dat niet in naam van God, Vaderland, Familie, Traditie of Moraal. Ze consumeren even graag als iedereen, zijn net zo verslaafd aan televisie, zijn evenzeer gehecht aan hun bromfiets en hun leren jekker. De “verworvenheden van de vooruitgang” hebben “het mysticisme en het moralisme dat bij het traditionele fascisme hoorde volledig doen vervagen”. [9] Toch betekent dit voor Pasolini niet dat het fascisme nu is weggedeemsterd. Integendeel. Hij beweert onomwonden dat het fascisme zich met de consumptiecultuur heeft gerealiseerd. De consumptiecultuur is er immers in geslaagd, in naam van de vrijheid en de emancipatie, datgene te bereiken waartoe het fascisme nooit in staat is geweest: het gelijkvormig maken van de massa. Pasolini schrikt er niet voor terug om dit liberale, hedonistische, postfascistische fascisme “erger dan het traditionele” te noemen. [10] Terzelfdertijd suggereert hij dat het moderne ‘fascisme’ in het verlengde van het traditionele ligt. Italië heeft volgens hem immers “nooit een serieuze rechtse beweging gehad omdat het daarvoor niet de cultuur had. Het was slechts in staat het grove, belachelijke, barbaarse rechts voort te brengen dat het fascisme is”. [11] In zijn onafgewerkte roman Olie spreekt Pasolini van een “sinistere klucht”. Het is onmogelijk om hierbij niet te denken aan Salò. Pasolini heeft niet voor niets de kortstondige, bij voorbaat onleefbare republiek van Salò gekozen, waarin het fascisme zichzelf als een spookachtige karikatuur overleefde. [12] In het historische Salò van Mussolini restte van de ideologie nog slechts de naakte, willekeurige barbarij. De fascisten in Pasolini’s film weten dit en handelen ernaar. Zij weten dat het historische fascisme zijn tijd heeft gehad en hoeven binnen de muren van hun villa niet langer de schijn op te houden. Ze doen geen enkel beroep op traditionele waarden en geven onomwonden te kennen dat er voor hen geen waarde boven het genot bestaat. Hun 120 dagen durende ‘orgie’ kan in die zin worden begrepen als een letterlijk avant-gardistisch en dus onvermijdelijk nog elitair experiment dat het model levert voor het postfascistische fascisme van de naoorlogse consumptiemaatschappij, die dag en nacht “het pure hedonisme predikt”. [13]

Is dit enigszins ‘realistisch’? Sluit zo’n visie ook maar in de verste verte aan bij een begrip, een intuïtie, een vaag aanvoelen dat wij van onszelf en onze samenleving hebben? Kunnen wij in Pasolini’s ondraaglijke Salò, in het ijzig-apathisch sadisme waarmee vier heren zestien volstrekt hulpeloze adolescenten kwellen om uiteindelijk enkelen onder hen dood te martelen, ook maar met de grootste welwillendheid een spiegel zien van onze “Hedonistische Consumptiemaatschappij” (Pasolini), analoog aan de wijze waarop men in boeken zoals Cervantes’ Don Quichot, Swifts Gullivers reizen of Het slot van Kafka, ondanks hun droomachtig en absurd karakter, een scherpzinnige diagnose van de tijd heeft herkend? Concreter: roept Salò inderdaad een sluimerend onbehagen in ons wakker aangaande de manier waarop wij ons leven, tot onze meest intieme verlangens en dromen toe, door de ‘consumptiemaatschappij’ – wat een ouderwets woord trouwens! – laten reguleren? Is die maatschappij echt zo verderfelijk dat ze enkel in het meest gore sadisme haar allegorie kan vinden? Is juist de excessieve wreedheid van Salò niet een beletsel voor een eventuele herkenning? Doet zo’n extreme allegorie ons niet juist zin krijgen om onze ‘consumptiemaatschappij’ schoorvoetend te verdedigen tegen allerlei hysterische, reactionair-romantische, quasi fundamentalistische banvloeken, inclusief die van marxistische signatuur? Leven wij, ook al is het allemaal een beetje smakeloos, al met al niet in de beste der werelden tot nu toe, en is het grote probleem juist niet dat miljarden mensen niet in ons consumptief genot kunnen delen?

Het fascisme ja, het sadisme ja, het diabolische kwaad ja, maar wij? Wij die ons er zo goed mogelijk doorheen slaan, zonder daarbij anderen schade te berokkenen, wat heeft ons ordinaire, kleinmenselijke, door de democratische rechtsstaat gereguleerde egoïsme met het monsterachtige universum van Salò te maken? Of brengt Salò gewoon onze heimelijke sadomasochistische fantasieën ten tonele? En wat dan nog?

Het is ons al duidelijk geworden dat Pasolini, wanneer hij fulmineert tegen de “totale verburgerlijking (moderniserend, pseudo-tolerant, amerikaniserend, enzovoort)” [14], de triomf van een door de massamedia georkestreerd hedonisme viseert. Zo schrijft hij in oktober 1975 in een column: “In de praktijk is het de televisie die een einde gemaakt heeft aan het tijdperk van de vroomheid en het tijdperk van de doctrine van het genot heeft ingeluid, een tijdperk waarin de jongeren, gefrustreerd door de moeilijkheid om de door school en televisie voorgestelde modellen te bereiken, ertoe neigen agressief te worden en zelfs misdadig ofwel passief tot ze er ongelukkig van worden (wat geen minder erge fout is).” [15] In Olie schrijft Pasolini iets soortgelijks: “Er was nog maar één type mens over: het voorbeeld dat het centrum via de pers en televisie met zachte hand aan iedereen opdrong. En omdat het een kleinburgerlijk voorbeeld was, werd de immense hoeveelheid aan arme jongeren dat het trachtte te evenaren, erdoor gefrustreerd/vernederd. Er was geen volkstrots meer. […] Er was geen jongere uit het volk meer, op wiens gezicht niet een zelfvoldane grijns stond af te lezen, niemand meer die nog een ander in de ogen keek, of die niet met neergeslagen ogen liep als een kostschoolmeisje, om daarmee zijn waardigheid, gereserveerdheid en morele principes uit te drukken.” [16]

 

Fotogenieke jeugd

Zoals reeds uit eerdere citaten blijkt, ziet Pasolini vooral de jeugd als slachtoffer van de ‘culturele genocide’, zij het dat dit slachtoffer zich nogal gedwee naar de slachtbank laat voeren. Zijn bekommernis en deernis om de toestand van de jeugd is doordrenkt van afkeer en een haat die voortkomen uit een teleurgestelde, passionele liefde. Het loont de moeite even stil te staan bij de manier waarop Pasolini in Olie telkens weer de “Nieuwe Jongeren” beschrijft, die hij daarvoor reeds in zijn roman Teorema ongenadig had getypeerd: “hun gezichten eeuwig vertrokken in een grijns van zelfgenoegzaamheid en verwaandheid” (p. 248); ze zijn “ongedurig; hun zwakke, verwijfde lichaampjes lijken te trillen van nervositeit, ze kunnen hun aandacht er niet bij houden en trekken verveelde gezichten als verwende moederszoontjes” (p. 370); ze hebben “die uitdrukking waarvan de zelfgenoegzaamheid haat uitdrukt jegens alles en iedereen, hoewel ze niet vrij is van een (goed verborgen) angstige spanning waarmee zij smeken om aandacht” (p. 351). Hun “monden zijn verstard in een ‘eeuwige’ glimlach, die hun gele tandjes ontbloot. […] Ook hun ogen zijn geel van zelfvoldaanheid en minachting: maar de glimlach die erin zweeft, waterig en geforceerd, geeft aan die kleur een onoverwinnelijke nuance van afgunst, verzuurdheid, pijn en schlemieligheid” (p. 345). “De ogen en gebaren stralen de kalme gelukzaligheid uit van wie voldaan is en geslaagd, te zamen met de woede van wie een slecht geweten heeft over zijn slaafse onderwerping aan het Model en dit gevoel verwart met een ketterse en revolutionaire onrust” (p. 358). “Ze staan in schilderachtige, vooral fotogenieke groepjes langs de straat. Ze kijken niemand aan. Ze praten waarschijnlijk over serieuze onderwerpen; of ze staan in alle vriendelijkheid te kletsen, met een spottende grijns. […] Alles wat hun verder niet aangaat is een bron van gemelijke verveling en bijna van afkeer/walging, in hun bleke gezichten, de kringen onder hun ogen” (p. 390). “Ze hebben allemaal een ongezonde bleekheid, soms zelfs blauwig of lijkachtig. Hun ogen zijn zonder licht, of vol van een geëxalteerd licht” (p. 361). “De manier waarop ze zich uitdrukken is gemakkelijk, vloeiend, je zou zeggen dat ze in hun taal geen obstakels kennen en alles bespreekbaar achten. Maar al heel snel wordt duidelijk dat zij een automatisme herhalen dat hun ‘elders’ is verschaft.” Welbeschouwd lijden ze aan “afasie” (pp. 404-405). En in een artikel: “die imbeciele, verwaande jongelui die vinden dat ze genoeg hebben van wat de nieuwe maatschappij hun te bieden heeft; zo erg, dat ze er bijna eerbiedwaardige voorbeelden van zijn.” [17]

Wat Pasolini dus irriteert is een pose van zelfvoldaanheid, die gekleurd is door minachting voor de ander. Dit al te nadrukkelijk negeren van de ander verraadt juist het verloochende verlangen om door hem erkend te worden, indruk op hem te maken en hem te overtroeven. Het is alles slechts aanmatiging. De jongeren ontlenen hun zelfvoldaanheid aan de nabootsing van een Model waaraan ze zich narcistisch spiegelen, aan anderen waarvan ze zich inbeelden dat zij ‘het’ echt hebben: de juiste stijl, de juiste outfit, de juiste tongval, de juiste mimiek en gestiek. De gespeelde onverschilligheid tegenover de ander is gekleurd door een afgunst die uiteraard niet wordt toegegeven. Al die jongeren doen alsof ze aan zichzelf genoeg hebben, voeren neurotische wraakoefeningen uit op de superieur gewaande ander bij wie ze heimelijk naar bevestiging haken. Vooral geen nieuwsgierigheid laten blijken… Je hoort er slechts bij wanneer je te kennen geeft dat je niemand nodig hebt.

Eigenlijk beschrijft Pasolini een veralgemeend cynisme: er is niet enkel het dédain tegenover anderen, maar ook het openlijk gedemonstreerde dédain tegenover het algemeen aanvaarde leefpatroon en het comfort dat men zich anderzijds kritiekloos laat welgevallen. Het gaat dus om een leeg, ‘formeel’ negativisme, een krachteloos soort kwaadaardigheid waarin de ‘geest van de revolte’ is gereduceerd tot mechanisch herhaalde tics of stopwoordjes. Deze houding van ‘fuck, het is allemaal klote’, is nu juist de voorwaarde voor het meest radicale conformisme. Overigens had Pasolini reeds een dergelijke mentaliteit waargenomen in een tijd (1953) en op een plaats (een Romeinse sloppenwijk) die nog niet door de “culturele genocide” waren aangetast. In zijn
Studies over het leven in Testaccio
beschrijft hij hoe elke handeling of bezigheid van de jongeren “een ondertoon van ironie” heeft. Ze lijken te leven onder een wet die zegt: wat je ook doet, bijvoorbeeld vissen of hagedissen martelen, laat zien dat het je verveelt, dat het je eigenlijk onverschillig laat. De kunst bestaat er juist in “anderen te betrappen op lichtgelovigheid, vertrouwen, inzet – naïviteit”. [18]

Het is duidelijk dat Pasolini zijn idee over de “culturele genocide” niet haalt uit sociologische statistieken en politieke analyses, maar onder meer uit zijn waarneming van het gedrag en de mimiek van jongeren. De aard van zijn ergernis over de “Hedonistische Consumptiemaatschapij” kan men misschien nog het best begrijpen vanuit zijn commentaren op het moderne, jeugdige paar dat elkaar in het openbaar verliefd omhelst en dat in de jaren zestig inderdaad een antropologische primeur is die tot op vandaag allochtonen uit traditionele samenlevingen, voor wie blijken van tederheid tussen man en vrouw strikt tot de privé-sfeer horen, blijft verbazen. [19] In december 1973 schrijft Pasolini in een column: “Je ziet jonge mensen, ineens gegrepen door wie weet wat voor romantische opwelling, hand in hand over straat lopen, of elkaar omhelzen. Wat is dat allemaal ineens voor romantiek?, vraag je. Het is niets, het is alleen maar het nieuwe stel, dat door de consumptieve machten is ingevoerd, omdat stelletjes consumenten zijn. Ze kopen. Ze houden elkaars hand vast en waar gaan ze naartoe? Naar het warenhuis Rinascenta, naar de Upim-supermarkt.” [20] Het zit Pasolini hoog, want in augustus 1975 schrijft hij: “De jonge mannen die over straat lopen en met een beschermend gebaar een hand op de schouder van de vrouw leggen, of romantisch haar hand vasthouden, werken op je lachspieren of geven je even een naar gevoel. Er is niets zo onwaarachtig als de relatie waarvan dat consumptiepaartje de concrete uitdrukking is.” [21] En in september 1975 gaat hij er nog eens tegenaan: “Al die domme stelletjes die hand in hand lopen met een houding van nu eens romantische bescherming, dan weer bevlogen zekerheid over de toekomst. Ze zijn bedrogen, erin geluisd… en zie, hun welzijn, de oorzaak van hun monsterlijke karakter, laat hen in de steek terwijl de dans van de marionetten doorgaat.” [22]

In de roman Olie klinkt een en ander veel minder moralistisch. Met droge ironie serveert Pasolini een fenomenologie van het door de consumptiemaatschappij inderdaad aanbeden paar. Hij plaatst zijn rondkuierende paren in de vijftiende hellecirkel, waarin het “Element van de Lelijkheid en de Afstotelijkheid” overheerst. “Er zijn allerlei soorten paren; maar ze gedragen zich allemaal op volkomen identieke manier en houden zich aan de volgende regels: 1) Ze dwingen de bewondering af van alle omstanders, hoewel ze er heel kalm, en ook nog glimlachend, in slagen niemand met een blik te verwaardigen; 2) Ze manifesteren op de meest ondubbelzinnige wijze een absolute zelfvoldoening en een totaal gebrek aan iedere vorm van belangstelling voor alles wat niet te maken heeft met hun relatie; 3) Ze lopen in de regel stevig omarmd […]; 4) Ze zwijgen vanwege de demonstratieve, onuitsprekelijke diepte van hun relatie, waarmee ze provocerend te koop lopen (te midden van honderden andere paren die precies hetzelfde doen); 5) Als ze praten, praten ze druk en intiem met elkaar, als in het jargon van ingewijden, nauwelijks waarneembaar, zo onfeilbaar in hun wederzijds begrip; 6) Ze laten geen gelegenheid schieten om elkaar te kussen, waarbij ze zich nooit en te nimmer bekommeren om het (ongetwijfeld spectaculaire) effect hiervan op de voorbijgangers.” Zit er bijvoorbeeld een paar in familieverband in een pizzeria, dan hebben zij een “ereplaats”. “Zowel het meisje als de jongen zwijgt, als afgezonderd in heimelijkheid; maar hun stilte is de officiële stilte van wie succes heeft en weet dat hij degene is die moet worden vereerd en gerespecteerd.” Even verder klinkt het: “Het ostentatieve karakter van de liefde die deze paren gemeen hebben – een fatale en openlijk gemanifesteerde vleselijke liefde, toegestaan en zelfs verlangd door de permissieve maatschappij – onthult duidelijk dat het gaat om uiterst onoprechte relaties/liefdes.” Ook de gemengde groepjes van jongens en meisjes “leggen diezelfde heimelijkheid en hooggeëerde zelfgenoegzaamheid van de paren aan de dag”. [23]

De paren lopen naar Pasolini’s gevoel rond als potsierlijke levende publiciteit voor de Vrije Liefde. In de jaren zestig werd inderdaad het verval ingezet van het huwelijk, dat de affectie tussen twee mensen inbedt in symbolisch en moreel zwaar beladen instituten als Familie en Kerk. Het huwelijk stelde de band tussen man en vrouw onder het oog van een Ander die waakte over trouw en de vervulling van allerlei plichten. De moderne stelletjes die straten en parken bevolken hebben lak aan dit oog en laten dit ook merken. Ze sluiten zich voor ieders ogen van iedereen af. Doordat ze hun in splendid isolation beleefde liefdesband zo nodig moeten demonstreren, verraden ze dat ook zij hun band door het oog van een Ander willen verzegeld zien. Voor Pasolini, die het waagde de massale ja-stem van de Italianen voor de legalisering van echtscheiding in 1974 niet zomaar positief te onthalen, had de ineenstorting van het klassieke huwelijk tot een soort permanente prostitutie geleid. Zielig aan de moderne stelletjes is dat ze maar al te zeer de erkenning van het door hen zo ostentatief genegeerde publiek nodig hebben om in de ‘onuitsprekelijke diepte van hun relatie’ te geloven. Ook de ‘vrije liefde’ haakt naar de erkenning door een Ander, naar een Ander die hun armzalige liefde zou bezegelen, autoriseren, werkelijk zou maken. Alleen is dit verlangen naar erkenning hysterisch: de paren demonstreren hun soevereine zelfvoldaanheid; maar in al hun gedragingen, in al hun draaien en keren en ontwijken van blikken kunnen wij de vraag lezen die zij de hen onverschillige wereld insturen: “Wel, is onze liefde niet echt?” De blik waar zij op een verdraaide, verloochende manier naar zoeken is volgens Pasolini de blik van de Televisie waarin voortdurend de in het paar geïncarneerde Liefde wordt bezongen. De symbolische, erg geformaliseerde onderwerping aan God en Familie had volgens Pasolini “tussen 1961 en 1975” plaatsgemaakt voor een prosternatie tegenover het obscene, alomtegenwoordige oog van de massamedia, een oog dat iedereen erop nakijkt of hij wel genoeg op een vrije, vrolijke, innige, intense wijze van zijn lichaam en dat van zijn partner geniet. We kunnen ons enigszins voorstellen wat Pasolini gedacht moet hebben van John Lennon en Yoko Ono’s Love-in, een ‘performance’ die erin bestond dat ze hun wittebroodsweken samen in bed doorbrachten, in een kamer die voor iedereen toegankelijk was, zodat iedereen van hun prille huwelijksgeluk kon meegenieten…

Het ligt niet in mijn vermogen, noch is het mijn intentie om te begrijpen waarom Pasolini zich door die paren zo persoonlijk aangesproken en geïrriteerd voelde, waarom hij hun smeekbede om de erkenning van hun Liefde, die zij op zo’n verdraaide, angstig-heimelijke manier brachten, zo genadeloos en, men kan wel zeggen, op zijn beurt zo hysterisch van antwoord diende: “neen, jullie liefde is niet echt, hij is dwangmatig en vreugdeloos, en mijn angst is de volgende: deze liefde, die men onophoudelijk bezingt en die u naar haar beeld vormt, zou wel eens een wreedaardige Moloch kunnen zijn, wreedaardiger dan de abstracties God, Vaderland en Familie die de fascisten nog niet lang geleden op al bij al weinig succesvolle manier hebben willen opwarmen. Deze liefde is misschien een abstractie die zich dieper in uw vlees naar binnen snijdt, u dieper van binnenuit uitholt en u meer tot een bleek, afgunstig, eeuwig-malcontent spook maakt dan alle abstracties die tot nog toe het licht hebben gezien.” [24]

Het valt niet te ontkennen dat de cultuurkritiek die Pasolini in zijn artikels, openbare discussies en interviews laat horen, vaak klinkt als een nogal reactionair-romantische en hitsig-pamflettaire versie van een linkse kritiek die toen reeds geruime tijd op volle toeren draaide: Hans Magnus Enzensbergers Bewusstseinsindustrie (1962), Herbert Marcuses One-dimensional Man (1964), Guy Debords La société du spectacle (1967) en ook reeds La société de consommation (1970) van Jean Baudrillard. Pasolini als een soort tweederangs-Marcuse, het is hem toentertijd reeds verweten. Dit neemt niet weg dat we zijn (uiteraard van reflectie doordrongen) beschrijvingen van de jongerencultuur niet zomaar naast ons neer kunnen leggen.

Pasolini beschrijft hoe jongeren alles doen om te tonen hoe voldaan en vrijgevochten ze zijn, maar in alles ook verraden dat ze in de ban van het systeem leven. Dit ‘systeem’ heeft Baudrillard onder meer getypeerd in een hoofdstukje dat Pasolini ongetwijfeld zou hebben onderschreven: Le fun-System, ou la contrainte de jouissance. “De consumptiemens vindt dat hij moet genieten. Hij is een genots- en bevredigingsonderneming. Hij moet gelukkig zijn, verliefd, vleiend/gevleid, verleidelijk/verleid, participerend, euforisch en dynamisch. […] Het is de ‘fun-morality’ of het imperatief zich te amuseren, om al zijn mogelijkheden tot opwinding, genot of bevrediging tot op de bodem uit te buiten.” [25] Baudrillard wijst erop dat deze stille dwang tot genieten bij voorbaat elk genot de pas afsnijdt. Deze dwang bestaat immers in het onophoudelijke produceren van de elkaar differentiërende tekens van het genot die door het consumptiesysteem worden aangeboden. Het ‘genot’ is labeur, hetgeen Pasolini in Olie bijvoorbeeld op burleske wijze allegoriseert wanneer hij beschrijft hoe de jongen die met zijn meisje door alle hellecirkels wandelt, zijn liefdevolle omarming van het meisje enkel kan blijven volhouden ten koste van de ergste pijnen en krampen, tot hij haar uiteindelijk als een zoutzak moet laten vallen en zelf neervalt als een dode. Zeker jongeren worden voortdurend geïntimideerd door een soort obscene god die hen via de massamedia dagelijks met talloze signalen uitnodigt vooral onbekommerd, zonder schaamte of schuldgevoelens, van hun jeugdigheid te genieten. De jeugd is niet zomaar een uitermate belangrijke consumentengroep voor de industrie geworden, de consumptiemaatschappij is wezenlijk een ‘jeugdige’ maatschappij, waarin de cultus van het onbekommerde, onverantwoordelijke, eigengereide, ‘ondeugende’ genieten centraal staat. Dit hedonisme is eigenlijk een formalisme: het principe is dat men alles mag doen, zeggen, denken of voelen, op voorwaarde dat men er voor zichzelf plezier aan beleeft. Van jongeren wordt niet zozeer verwacht dat ze dit of dat doen of leren, maar dat ze het met volle goesting doen. Jongeren moeten voortdurend ‘gesensibiliseerd’, ‘gemotiveerd’ worden. Belangrijk is dat ze ‘ervoor gaan’. Waarvoor? Dáárvoor, voor datgene wat ze als jeugd ‘in zich’ hebben.

De hedonistische imperatief “Geniet!” is intimiderend. Het is een gebod dat geen enkel verweer en ook geen enkele reflectie toelaat. Men moet er wel op ingaan. Wie wil immers niet genieten?! [26] Tegelijkertijd is deze imperatief niet te assumeren. Wie er serieus op wil ingaan, komt onvermijdelijk in een impasse terecht. Kortom, we kunnen onmogelijk niet ontvankelijk zijn voor dit gebod, en toch kunnen we het niet adequaat naleven. Het overal weergalmende “Geniet!” brengt ons in een toestand van wezenloze, passieve ontvankelijkheid zonder werkelijke ontvangst.

Uit de psychoanalytische uitwijding in het derde deel van deze tekst (zie nummer 98 van De Witte Raaf) moet duidelijk zijn geworden dat het genot voor de mens een problematische zaak is, niet omdat maatschappelijke geboden en verboden allerlei vormen van genot verbieden of ontmoedigen, maar omdat het genot in de mens primair huishoudt als het genot van een ander dat hem, eenmaal opgeslagen onder de vorm van een fantasma, van binnenuit intimideert. Intimiderend is dat die fantasmatische ander hem lijkt te provoceren tot een genot terwijl hij anderzijds het geheim van dat ware genot voor zichzelf houdt. Het mag dan wel een populaire gedachte zijn dat maatschappelijke regels en rituelen de functie hebben om de losbandige genotzucht van de mens aan banden te leggen, veel juister is te stellen dat deze regels de mens beschermen tegen deze onbewuste (zelf)intimidatie, tegen die onmogelijke plicht tot genieten die van die geïnternaliseerde ander uitgaat. Regels, normen, door de traditie overgeleverde gewoontes en gebruiken richten, om met Lacan te spreken, tegenover de fantasmatische ander waar wij geen verhaal tegen hebben, de symbolische Ander op met wiens verhaal wij eindeloos aan de slag kunnen. In de moderne maatschappij, die van de mens vooral eist dat hij ‘zichzelf is’, heeft deze Ander zijn vanzelfsprekende legitimiteit verloren. Toch voelen wij ons daarom niet bevrijd en opgelucht, maar blijft een ‘onbehagen in de cultuur’ ons bespoken. Dit komt wellicht doordat we vandaag minder beschermd zijn tegen de genotsdwang die van het fantasma uitgaat. Eigenlijk is de greep die het symbolische systeem in onze ‘permissieve’ samenleving op de mensen heeft helemaal niet losser geworden. Integendeel, zou men
– met Pasolini – kunnen zeggen. In plaats van een barrière in te stellen tegen de impasse waar de genotsimperatief toe leidt, houdt het symbolische (als systeem) de mens in zijn greep met een soort gesystematiseerde fantasmagorie: de consumptiemaatschappij. Dit is althans de stelling die Baudrillard in La société de consommation verdedigt. Volgens hem is er tegen deze fantasmagorie geen verweer mogelijk omdat elk element (elk “object-teken”) ervan de consument “absorbeert” in het imaginaire (de “hyperrealiteit” zal het later heten) van een totale bevrediging. [27] Niet een repressie die de bevrediging verbiedt is hier de censurerende instantie, maar een “gedirigeerd narcisme” dat elk verlangen op quasi-hallucinatorische wijze ‘bevredigt’ zodra het opkomt. [28] De consumptiemaatschappij is de wereld van de “gerealiseerde utopie”. Hierin laten de subjecten zich “ludiek omvormen tot een SPOOK van tekens en objecten” die telkens naar een totale, dat wil zeggen imaginaire gezondheid, schoonheid, jeugdigheid, seksualiteit verwijzen. [29] Deze imaginaire referenten functioneren als ideologische alibi’s om, in een systeem dat zich eindeloos kan differentiëren, hun tekens (later “simulaties” genoemd) te produceren en dus deze referenten zelf (die ambigu zijn, onberekenbaar, door tekort getekend) onder tafel te vegen. Zoals we weten is Baudrillards visie radicaal. Zo stimuleert het vertoog dat ons maant onze seksualiteit of ons lichaam te bevrijden van eeuwenoude taboes, enkel nog maar het “perverse verlangen naar de code zelf”, “een verlangen dat de systematiek van de tekens viseert”. [30] De verplichting die mensen zichzelf opleggen om voor zichzelf en anderen als bevrijde, ‘geëmancipeerde’ mensen te verschijnen, is volgens Baudrillard, “obsessief”, “agressief”, “compulsief”, “autodestructief”. Het gaat hier om sacrificieel gedrag dat evenwel niets feestelijks heeft. Kortom: de doodsdrift is hier onderhuids aan het werk. [31] Men ziet er stralend uit, men houdt van zichzelf en zijn lichaam, maar op onbewust niveau is men een zwoegende slaaf die zich alles waar men zo ostentatief van geniet, pijnlijk onthoudt, tegelijk afgunstig op die fantasmatische ander die blijkbaar wel onbekommerd geniet. Pasolini’s jongeren doemen hier weer voor ons op, en de enorme ambiguïteit van hun ‘zelfvoldaanheid’.

Slavoj Zizek spreekt in dit verband van een omkering: het gaat niet meer om een publieke Orde die ons aanmaant onze driften te beteugelen, waarbij we dan genot kunnen putten uit het heimelijk overtreden van deze Orde. Onze maatschappij maant ons integendeel voortdurend aan vooral te genieten, naar eigen goeddunken onze lifestyle uit te kiezen, terwijl we eigenlijk, afgeschrikt door deze imperatief, heimelijk genot scheppen uit allerlei vormen van strakke regulering. [32] Ook zij die serieus lijken in te gaan op de eis om de mogelijkheden tot genot die hun lichaam hun biedt, ten volle uit te buiten, ontsnappen niet aan deze logica. De zoektocht naar genot verglijdt steeds weer in allerlei voorbereidende activiteiten waarbij men eindeloos aan het eigen imago werkt: jogging, body shaping, massage, ontharing, bruinen – het zijn vormen van strenge, obsessieve zelfdisciplinering waarbij men het ‘eigenlijke’ doel uit het oog verliest. [33]

Maar, zal men opwerpen, is dit geen paranoïde voorstelling van zaken die doet alsof iedereen wordt gevampiriseerd door een perfect in zichzelf sluitend systeem? De overgrote meerderheid van de mensen eet de soep nooit zo heet als ze door het systeem van de consumptie, door publiciteit en massamedia, wordt opgediend. De doorsneemens is sceptisch, relativistisch, min of meer tevreden met de lustwinst die hij hier en daar behaalt. Hij heeft een ‘gezonde’, ironische distantie tegenover de geëxalteerde modellen van bevrediging die de massamedia hem voorspiegelen. – Uiteraard, de ‘geabsorbeerdheid’ van het subject door het systeem moet niet worden begrepen als een participatie of navolging, maar eerder als een passieve fascinatie. En wat fascineert kan enkel datgene zijn “waaruit we, door zijn logica of interne perfectie, radicaal buitengesloten zijn”. [34] Wat we volgens Baudrillard eigenlijk consumeren, ongetwijfeld ‘ongelovig’ maar wel gefascineerd, is het subliem-onverschillige, zelfgenoegzame spektakel van het consumptiesysteem zelf. Met andere woorden: het systeem van de consumptie ‘integreert’ iedereen door iedereen buiten te sluiten. Juist hierdoor kan iedereen de indruk hebben dat hij er buiten staat en vrij is, terwijl hij ondertussen op het niveau van het fantasma, dat de motor van de fascinatie is, wel in het systeem zit opgesloten.

 

Liever zij dan wij

Wat Pasolini met “een gevoel van diepe en ontroostbare verslagenheid” [35] vaststelt is dat vooral de jongeren overgeleverd zijn aan deze passieve fascinatie die niets anders is dan een fascinatie voor hun eigen door de massamedia geëxalteerde Jeugdigheid: hoe meer de jongeren op straat voor de omstanders hun zelfvoldaanheid tentoonspreiden, des te meer bewijzen ze dat ze slechts opdraven in het spektakel van de consumptie. Hoe meer de jeugd doet alsof ze lak heeft aan het hele systeem van de opvoeding en van de cultuur van hun ouders, des te meer consumeert de jeugd slechts de Jeugd, en zit ze dus gevangen in haar spiegelbeeld, jaloers op zichzelf, wanhopig zoekend naar de blik die haar Jeugdigheid bezegelt, en juist daarom elke blik afwerend, want er angstig voor beducht door die blik te worden opgeslokt. De jongeren die Pasolini beschrijft genieten niet ‘echt’, ze demonstreren compulsief hun recht op genot, ze bezetten jaloers de plaats van het genot, alsof die plaats elk moment door iemand anders zou kunnen worden ingenomen, of beter: in het besef – dat ze alleen met hun ‘bleekheid’, ‘verzuurdheid’, ‘angstige spanning’, ‘nervositeit’ verraden – dat die plaats al ingenomen is, dat ze zelf slechts de marionetten zijn van een spookachtige ander die hun het genot afneemt door hen ertoe te verplichten.

De jongeren zijn de consumenten par excellence. Niet dat ze méér consumeren, ze staan gewoon meer bloot aan de imperatief zichzelf en alleen zichzelf te zijn en daarvan te genieten. Deze imperatief gaat uit van zowat alle beelden, gezangen en verhalen waarmee de door de volwassenen georkestreerde en gestuurde ‘jeugdcultuur’ de jeugd bestookt. De volwassenen lijken er belang bij te hebben dat de jongeren opdraven om een aanstekelijk soeverein levensgenot te incarneren. Zij geloven graag in de Jeugd. [36] Dit geloof is een massief feit dat zich in hoog tempo over de wereld verspreidt, en dat niet zomaar te begrijpen valt vanuit de enorme economische belangen die ermee zijn gemoeid. Het is voor volwassenen ook van libidinaal belang om hun fascinatie voor de jeugd te onderhouden en zich te onderwerpen aan die ‘rijpe onrijpheid’ waar Witold Gombrowicz het over heeft. Slavoj Zizek zou dit een geval van interpassiviteit noemen. Hij doelt daarmee op een defensiemechanisme tegen de eigen passiviteit. Op het niveau van het fantasma ben ik één en al passieve, ‘impotente’ gegrepenheid door het enigmatisch genot van de ander. Interpassiviteit bestaat erin dat ik me van die beklemmende passiviteit ontdoe door haar naar een concrete ander te verschuiven. [37] Eigenlijk is interpassiviteit een soort actieve zelfintimidatie: ik maak voor mezelf het primair-geïntimideerd zijn door de fantasmatische ander lichter door deze ander te externaliseren. In ons geval is die ander de jeugd. Het is aan de jeugd om ‘ten volle’ te genieten, om passief te zijn in de plaats van de volwassenen.

Zo wordt begrijpelijk waarom de volwassenen zich zo gewillig door de jeugd laten terroriseren, zoveel investeren om de Mythe van de Jeugd in stand te houden. Dat de jongeren in onze plaats genieten, betekent dat ze in onze plaats het hoofd moeten bieden aan dat “obscene Über-Ich” (Lacan) dat ons de genotsimperatief influistert. Het genot dat we de jeugd ‘belangeloos’ gunnen, is een genot dat we zelf liever kwijt dan rijk zijn. We verkiezen een moeilijk handelbare, balorige jeugd aan wier grillen we met steeds nieuwe gadgets tegemoet komen, of beter, die we op die manier creëren en installeren, wanneer we daarmee zelf de impasse van het genot kunnen vermijden. La belle jeunesse sans merci speelt de rol van die boosaardig genietende ander-in-ons en moet deze vooral afdekken. Door niet alleen de jeugd maar ook onszelf met de Jeugd te intimideren, dekken we de afgrond toe die zich in onze eigen vrijheid opent. Want in de Jeugd blijven we – als in een donkere spiegel – bedremmeld onszelf, ons eigen al te passieve, onmogelijke genot gadeslaan.

Onze ‘interpassieve’ verhouding tot de jeugd is dus op zijn minst verdacht. We gunnen de jongeren alles, niet zomaar een toekomst, maar eerst en vooral het unieke genot van hun jeugdigheid zelf. Maar tegelijk weten we maar al te goed dat ze aan de jeugdigheid, waarvoor ze door duizenden tekens gesensibiliseerd worden, onmogelijk kunnen toekomen. De mythe van de Jeugd is voor ons een alibi om de jongeren op te zadelen met een impasse die eigenlijk de onze is. Hoe zou deze imperatief “Wees jeugdig!” voor de jeugd niet ondraaglijk kunnen zijn? Het kan niet anders dan dat de jeugd voor de Jeugd vlucht, in allerlei vormen van cynisme, negativisme, nihilisme, verslaving, vermoeidheid, verveeldheid, hyperconformisme, ascetisme, desnoods agressie of zelfverminking – allerlei quasi-symptomatische uitingen waarmee de jeugd tot haar pleitbezorgers zegt: “Ik ben uw Jeugd niet.” Wie denkt dat deze uitingen van malaise sociaal-economisch kunnen worden verklaard – bijvoorbeeld door te weinig toegang tot de arbeidsmarkt of te weinig expressiemogelijkheden – bezondigt zich aan paternalisme. Met al deze houdingen, hoe ‘neurotisch’ ze ook kunnen zijn, biedt de jeugd weerstand tegen de terreur van de sensibilisering, tegen de jeugdige joligheid en ‘ludiekheid’ die haar overal belaagt, tegen de onophoudelijk weerklinkende oproep om ‘ervoor te gaan’. Tegenover de ‘aan de jeugd aangepaste’ bevredigingsvormen die overal worden aangeboden, kan de jeugd vaak slechts genot scheppen, voorbij elke bevrediging, in een pose van onbehagen. Een voorbeeld: punk en techno kunnen worden beschouwd als dubieuze, ostentatieve vormen van non-participatie aan de ‘vitaliteit’ van de officiële jeugdcultuur. Dansen is hier gereduceerd tot een consequent ongeëngageerde, vreugdeloze overgave aan een monotoon-mechanisch gedreun. Het is een kadaverachtig dansen, een dansen van het niet kunnen en niet willen dansen, een uitdagende manifestatie van onvrijheid, oncreativiteit, ongeïnspireerdheid; de om de jeugd bekommerde maatschappij wordt uitgedaagd met een excessief onvermogen tot genieten, en dus met een obscuur exces aan genot waar niemand bij kan. [38] Melancholie met een pokerface… In dergelijke vormen van subcultuur dreigen non-conformisme en ironisch, dandyesk hyperconformisme inwisselbaar te worden. Het zogenaamde non-conformisme kan altijd een narcistische pose zijn, en het conformisme kan zich altijd uitgeven voor een ‘subversieve parodie’.

De houding van minachting en zelfvoldaanheid die Pasolini ergert ligt hier
uiteraard steeds op de loer: een soort pretentieus gebrek aan naïviteit, die houding van ‘mij luis je er niet in’. En onvermijdelijk wordt alle verzet van de jeugd tegen de Jeugd meteen, vandaag nog veel vlugger dan in Pasolini’s tijd, geformaliseerd en dus lamgelegd door de jeugdcultuurindustrie waarin onverschilligheid en minachting al lang een stereotiepe pose zijn geworden, waarmee maar al te zeer tersluiks naar liefdevolle goedkeuring wordt gevist. In de trotse weigering aan het beeld van de Jeugd te willen voldoen, dagen jongeren de volwassenen uit met het geheim van hun jeugd, dat ze bewaren als in een tabernakel waar ze uiteraard zelf niet binnen kunnen. Zo lijkt de jeugd gevangen in een duivelse spiraal waarbinnen ze, zoals Gombrowicz beschrijft, nimmer kan ontsnappen uit de droom die over haar wordt gedroomd. Maar men kan volgens dezelfde Gombrowicz de zaak ook omkeren. Tegenover de gedachte dat elke vorm van verzet weer in conformisme uitmondt, kan altijd worden ingebracht dat achter een houding van conformisme een verzet kan schuilen. Al die jongeren die zo ‘voorbeeldig jeugdig’ zijn, misschien doen zij maar alsof; misschien gaat het om een ironische flirt met ons, volwassenen, terwijl zij ondertussen genieten van iets heel anders… [39] De hele ‘jeugdcultuur’ is misschien slechts een scherm waarachter de jeugd zich verschuilt…

Dat de jeugd overhoop ligt met de Jeugd, lijkt dus evident. Toch klagen wij er graag over dat de jeugd op jammerlijke wijze haar jeugd te grabbel gooit. “Ach, die jongeren! Ze zitten zichzelf in de weg! Hoe is het mogelijk dat ze niet tevreden zijn terwijl we hun geen strobreed in de weg leggen, hen helemaal zichzelf laten zijn? In hun plaats, indien ik hun mogelijkheden had…” Met dit gejammer genieten we hysterisch van de jeugd, dat wil zeggen wij zijn verslaafd aan onze klacht, wij zijn heimelijk maar al te blij dat zij keer op keer teleurstelt, dat de mythe van de Jeugd zich niet werkelijk realiseert, dat de jeugd niet goed raad weet met die tomeloze energie, die nog ongerichte levensvreugde, dat onuitputtelijke potentieel aan genietingen die we haar toeschrijven. Wij zijn blij dat wij nodig zijn, niet als vaders en moeders die hen met de onvermijdelijke wet confronteren, maar als begrijpende vrienden, ‘begeleiders’ of therapeuten die tussenkomen wanneer zij, geïntimideerd door de Jeugd, in een impasse terechtkomen. In deze amicale en therapeutische interventies laten wij ons maar al te graag in met de impasse waarmee we ze hebben opgezadeld, en wel omdat we weten dat juist in deze impasse hun ‘ware’ genot verborgen zit, een genot voorbij alle aangeboden vormen van bevrediging. Wij weten dit – zij het slechts op de duistere manier van Oedipus die ‘weet’ dat hij zelf de moordenaar is die hij zoekt. Wij weten dat het genot van de jongeren juist daar huist waar het voor hen onhandelbaar is, waar ze eraan lijden, er te veel of te weinig van hebben (en exces en tekort liggen dicht bij elkaar). Pas wanneer we ons buigen over de ‘jammerlijke’ mislukking van de jeugd, voelen we ons in de nabijheid van haar essentie. De aanblik van die mislukking sterkt telkens weer ons geloof in de mythe van de Jeugd, in die sublieme schat die ze zo onschuldig, zo argeloos, zo onnadenkend in zich meedraagt. Van die schat laten jongeren het meest zien in hun malaise, gekweld door de jeugdfantasmagorie die hen uitspuwt door hen te absorberen, zelf krachteloos spuwend op de Jeugd, excessief niet genietend. Voor zover we ons hoofdschuddend blijven verbazen over de feitelijke mislukking van de jeugd, verloochenen wij de structurele onmogelijkheid van de jeugd om trouw te zijn aan het imaginaire van de Jeugd, en zijn we medeplichtig aan het systeem dat de jeugd gijzelt met de Jeugd. Nogmaals, het is onze eigen impasse die wij daarmee ‘interpassief’ van ons afschuiven, wij modernen die zelf de last dragen van onze oeverloze jeugdigheid, van een leven waarin genieten een plicht is en de dood ons als iets ondenkbaars bespookt. De ander moet genieten zodat we ons ongestoord kunnen blijven overgeven aan onze obsessieve, jachtige activiteiten. De “Hedonistische Consumptiemaatschappij” is een maatschappij van hardwerkende, constant door stress geteisterde mensen.

Het is dezelfde structuur die ik in verband met Albert Speer aanduidde in het eerste deel van deze tekst (zie nummer 96 van De Witte Raaf): Speer, als hardwerkende producer van feesten en festivals, laat al het extatische genot aan de massa. Maar in die massa contempleert hij intussen niets anders dan zijn eigen passiviteit, zijn al te krachteloze, al te ‘vrouwelijke’ overgave aan de Führer. Zijn drukke manipulatieve activiteit verbergt een passieve, inerte, voor hemzelf ondraaglijke fascinatie voor het genot van de ander. Het is niet moeilijk om hierin eveneens de structuur te zien van al die cultuurproducenten die druk bezig zijn het ‘publiek’ te verwennen met meeslepende en ‘gemeenschapsbevorderende’ spektakels – als men maar niet zelf, machteloos toeziend, in de zaal moet zitten.

 

“Mijn kleine is goed uitgerust”

Wellicht openbaart Lacan, wanneer hij schrijft over het gespeculeer van moeders of andere vrouwen rond het piemeltje van een kleine jongen, de structuur van ons onwrikbaar geloof in de jeugd: “Mijn kleine is goed uitgerust. Of: Je zult veel kinderen hebben. Kortom, de waardering die hier wordt opgebracht voor het object, al met al nog een partieel object, contrasteert met de ontkenning van het verlangen (van de jongen), en dit op het moment zelf van de confrontatie met wat het subject inwijdt in het mysterie van het verlangen. Een splijting wordt hier teweeggebracht tussen enerzijds dit object dat het kenteken wordt van een geprivilegieerde positie, dat agalma wordt, de parel in de kern van het individu dat hier beeft rond de spil van zijn toegang tot de volheid van het leven, en anderzijds een vernedering van het subject. Het wordt gewaardeerd als object, geminacht als verlangen.” [40] Wellicht komt de cultus van de jeugd neer op zo’n vernederende infantilisering, waarbij men, juist door aan een subject een ongebreidelde vitaliteit toe te schrijven, het verlaagt tot willoos object. Het subject splijt hier, want op het moment dat alle mogelijkheden tot genot hem worden toegeschreven, wordt het genot hem als iets ontoegankelijks ingesproken. Tegenover zijn door de moederlijke Ander opgehemeld orgaan is het subject zelf niets. In deze ophemeling wordt zijn precieus orgaan hem ontvreemd en wordt het een zwevend, spookachtig ding: de imaginaire fallus. Dit is allicht wat we met de jeugd aanrichten. De cultus van de Jeugd en het Jeugdige is mogelijk niets anders dan een onophoudelijke castratie door een moederlijke Ander die, onder het mom de jeugd ‘alles te gunnen’, haar veroordeelt tot een krachteloze gefascineerdheid voor de sublieme schat die men in haar meent te hebben ontdekt.

Door systematische intimidatie produceert onze maatschappij bij de jeugd seksualiteit. Toch blijft zij hardnekkig de seksualiteit naturaliseren. In de mate waarin biologie, genetica en ontwikkelingspsychologie de seksualiteit voorstellen als een in wezen endogeen proces van natuurlijke ontplooiing dat alleen goed moet worden begeleid, ontkennen zij in alle talen het geweld dat de maatschappij uitoefent. Seks als natuurlijke behoefte, als instinct, waarbij schuld en schaamte en allerlei vormen van onbehagen moeten worden beschouwd als ‘disfunctionele’, ‘cultureel geïnduceerde’ neveneffecten: het is een verhaal dat ons, steeds met dezelfde onaardse glimlach, verteld wordt door seksuologen, therapeuten, vormingswerkers, human resource managers, neodarwinisten, progressieve priesters, popsterren en andere celebrities die hun ondeugende bekentenissen afleggen in de media. Het is een verhaal dat iedereen wezenloos aanhoort en dat blijkbaar eindeloos moeten worden herhaald, een verhaal dat niemand gelooft maar iedereen voor lief neemt. Juist dit verhaal wordt in Pasolini’s Salò ondraaglijk, en wel omdat deze ijskoude film het verhaal van dit verhaal vertelt, het verhaal van de wijze waarop subjecten in dit verhaal worden ingelijfd. We denken natuurlijk meteen aan de dames die olijke verhalen vertellen over hoe zij in hun jeugd ‘onbevangen’ van seks genoten, terwijl ze omringd zijn door de even ‘onbevangen’ naaktheid van de zwijgende lichamen rond hen. Ook al zijn, zeker in het eerste hoofdstuk van de film, de verhalen helemaal niet zo exuberant of pervers, uit de mond van de vertelsters klinkt alles buitenaards, onwerkelijk, sinister.

Zoals bekend is Sade een schijn-naturalist. Zijn naturalisme is een demonisme. Voor hem is de ‘natuur’ exces, constante verkrachting van zichzelf, destructieve haat tegen het leven dat zij zelf onophoudelijk creëert. De natuur is een sadistische instantie die ten koste van ons geniet. We weten dat deze ‘hersenkronkel’ van Sade alleen maar kan teruggaan op het fantasma van een archaïsche ander die het genot als iets ondraaglijks in het subject plant. Eigenlijk zegt Sade niets anders – en hier getuigt hij ook van met zijn eindeloos, wanhopig-repetitief vertoog – dan wat de consumptiemaatschappij in duizenden tekens verraadt maar uiteraard nooit zegt: dat het genot een wrede wet is, een obsederende imperatief. Dat is niet slecht gezien. Pervers is pas de gedachte dat men deze imperatief adequaat zou kunnen naleven, dat er een mens zou zijn die voor het genot is toegerust. Pervers is de idee dat men het met het excessieve genot van de ‘Natuur’ op een akkoordje zou kunnen gooien, als men haar geheime wetten maar genoeg kent en toepast. Zo’n ‘ethiek’ kan enkel tot sadisme leiden. De verloochening van de impasse waarop de genotsimperatief als plicht tot exces onvermijdelijk uitkomt, leidt ertoe dat men deze impasse op de ander verhaalt: op de sublieme jeugd bijvoorbeeld.

In Salò pakken de vertelsters uit met de nodige knowhow inzake het genot, terwijl ze, als seksobject volledig afgedankt, die niet mogen toepassen. Zij zijn levende publiciteitsborden voor hun sublieme maar voorbije Jeugd: restanten, kadavers. De jongeren van hun kant leveren, tot object gedegradeerd, de pure, nog maagdelijke materie van het genot. Zij moeten het genot als het ware produceren, terwijl het henzelf noodzakelijk ontglipt, bij gebrek aan knowhow. Ze zijn te vergelijken met primitieven die te zwak en te laks zijn om de grondstoffen die ze in eigen bodem hebben zitten, zelf te ontginnen. Nu zullen we ons niet laten verleiden tot de perverse idee dat de fascisten de synthese zouden realiseren tussen de knowhow over het genot en de substantie van het genot, door de libertijnse scientia sexualis toe te passen op een aantal jeugdige lichamen. Zij installeren zich eerder in de kloof tussen beide: tussen kennis en genot, tussen taal en lichaam. Of juister (en dit is sadisme): zij slaan die kloof bij hun slachtoffers. Hiermee doen zij eigenlijk opzettelijk wat, in het daarnet geciteerde fragment van Lacan, de moeders vanuit hun ‘naïef’, alledaags narcisme doen met hun jongetje. De fascisten omschrijven en ensceneren onophoudelijk het soevereine genot dat de Jeugd eigen is, maar dan met een retoriek en ritualistiek die zo uitgekiend is dat dit hen ‘eigen’ genot de jongeren absoluut vreemd blijft. Juist in die wezenloze (on)ontvankelijkheid van de jeugd voor de Geweldige Jeugd, ligt voor de fascisten het suprême genot verscholen. Ze genieten ervan hoe hun slachtoffers, niet in staat zich te onttrekken, kadaverachtig participeren. Zo genieten ze eigenlijk schaamteloos van iets waar de consumptiemaatschappij voortdurend voor zorgt, namelijk van het feit dat de jongeren, wat hun intiemste genot betreft, tot een volkomen passieve, versteende fascinatie zijn veroordeeld. De genotsimperatief die hun voortdurend wordt toegefluisterd, laat voor de jongeren slechts de dode, mechanische participatie aan de pure vorm van de jolige jeugdcultuur open. Baudrillard, wiens vroege werk niet onderschat mag worden, zei het reeds: het verlangen dat de consumptiemaatschappij gaande houdt, is door doodsdrift gekleurd. Het gaat om een apathische passie die zich aan de abstractie van de code zelf hecht, de code voor zover hij alles weggoochelt wat hij codeert. Als subjecten van dit vreemde verlangen worden jongeren tot een soort mascottes, opgevoerd in het spektakel van de Jeugd. Ze zijn consumenten van hun eigen dood, vergelijkbaar met die maagden in India die, om het vitale principe van de kosmos te kunnen incarneren, uit de cyclus van het leven worden weggehaald en in een heiligdom opgesloten.

De fascisten laten hun slachtoffers stront eten, en nog wel hun eigen stront. Van stront valt absoluut niet te genieten, en juist daarom geldt het voor de fascisten als een abstract, algemeen equivalent voor het genot (net zoals geld, dat volgens Freud in het onbewuste steeds met stront wordt geassocieerd, een algemeen equivalent is waaraan de waarde van alle goederen afgemeten kan worden, terwijl het zelf verstoken is van enige waarde). De jongeren moeten stront eten als iets wat, zonder genietbaar te zijn, de essentie van het genot bevat. Als zij trouw willen zijn aan hun jeugdige essentie, als zij willen genieten van hun Genot, dan kunnen zij dit meteen bewijzen door met overgave hun stront te eten. Want voor de fascisten zit het ware genot in de consumptie van het onconsumeerbare. En ze zitten niet ver van de waarheid. Genot is inderdaad iets wat elke lust dereguleert, te buiten gaat, remt of doet ontsporen, ‘onplezierig’ of méér dan plezierig maakt. Genot is datgene wat ervoor zorgt dat mensen nu nooit eens ‘gewoon’ kunnen genieten, omdat hun plezier doorkruist wordt door het onheuglijke, ondraaglijke genot van die fantasmatische ander die ze zelf zijn. Pervers zijn de fascisten omdat ze denken dat men zich comfortabel in dit exces zou kunnen installeren, dat er een ‘discipline’ of een ‘kunst’ van het exces mogelijk zou zijn. Pervers is hun motto: “Tout est bon ce qui est excessif.” De enig mogelijke toepassing van dit motto is dat men dit exces anderen aandoet, zodat zij het deze keer zijn voor wie het genot niet te slikken is. Pasolini’s fascisten intimideren hun slachtoffers bewust met het genot, als met het onmogelijke. Ze nemen de positie in van de raadselachtige fantasmatische ander, die boosaardige Genieter die mij het genot ontzegt door mij te terroriseren met het spektakel ervan. Ze laten hun slachtoffers niet enkel onophoudelijk alles bekijken en aanhoren, maar verplichten hen ertoe dit spektakel 120 dagen lang zelf op te voeren, en wel om ze te laten voelen dat zij, waar het Genot heerst, nergens zijn. In dit nergens zit voor de fascisten het hemelse genot verborgen. Daarom stellen ze zich niet enkel op als de meesters van het genot. Ze nestelen zich net zo goed systematisch in de situatie van hun slachtoffers die alles passief aanhoren en ondergaan. Ze simuleren de wezenloze geschoktheid van hun slachtoffers. Met de inerte, passieve positie die ze (aan het einde van de film) op hun troon innemen terwijl ze de folteringen gadeslaan, bootsen ze de oneindige passiviteit, de hulpeloze geïntimeerdheid na waaraan hun slachtoffers zijn overgeleverd. In deze geïntimideerdheid schuilt voor de fascisten een letterlijk absoluut genot, namelijk een genot dat van elk menselijk plezier is losgemaakt. Pasolini’s fascisten zien, neen: zij lezen in de absolute pijn van hun slachtoffers het negatief van een goddelijke gelukzaligheid, in hun absolute ‘neen’ tegen wat hun overkomt het negatief van een volmaakte ontvankelijkheid voor de andersheid van het genot. In de wonde van hun martelaars meldt zich de hemel. We weten dat hun contemplatie niet extatisch is maar apathisch. Hun blik is gewapend met onverschilligheid en ironie, met minachting voor hun eigen sadistisch engagement. Deze geacteerde, van zichzelf bewuste, zich aan zichzelf verlustigende apathie simuleert de bijna-dood van hun slachtoffers, hun dodelijke getroffenheid door een Genot dat zij nooit als zodanig zullen herkennen omdat het enkel in het spektakel van die getroffenheid een armzalige glimp van zichzelf openbaart. De fascist die op de binnenplaats als een gek met zijn roede op de slachtoffers inslaat, is woedend omdat het suprême genot hem ontglipt. De fascisten die vanaf hun troon toekijken, weten evenwel dat het genot verder ligt dan wat men kan voelen of betasten, verder dan het zichtbare. Het is zoiets als een onzichtbare substantie die zich onder het nauwlettende oog van een boosaardige God uit levend-dode lichamen losmaakt. Het sadisme is het gerealiseerde idealisme, de in het lichaam zelf ingesneden of ingebrande hemel.

“Le corps dont vous rêvez, c’est le vôtre”… Deze slogan is voor Baudrillard paradigmatisch voor de retoriek waarmee de consumptiemaatschappij ons, vooral de jeugdigen onder ons, of het jeugdige in ons, intimideert. Misschien brengt Salò ons die andere boodschap die in deze blijde boodschap verscholen zit, alsof Pasolini tot zijn geliefde jeugd zegt: Neem en eet, dit is je lichaam. Dit zijn de verhalen en de feesten waarmee men je warm maakt voor dat lichaam. Het enige aan je dat nog warm is, is een obscene god die in jou is neergedaald en zich met je vlees, je mond, je geslacht voedt om de triomf van je Jeugd te vieren. Jou wordt je stront opgediend als een volmaakt van jezelf afgesplitst genot en je eet het. Je bent erin geluisd. Je genot, waarvan men je bezweert het jezelf vooral niet te ontzeggen: het bestaat nergens dan in die gezichtsloze blik die met verliefde afgunst zijn droom in je lichaam kerft. Van die droom ben je het kadaverachtige aanhangsel. Mijn enige raad is: laat je door niemand wijsmaken dat je leeft. Wees nergens. Laat je je onmogelijkheid niet afpakken. 

 “Wie gekleed als moesjiek, nog geen zestien jaar oud, werkelijk geheel uitgeteerd sterft, zou misschien als enige gelijk hebben. Alle anderen maken elkaar af.” [41]

 

Noten

[1] Geciteerd door Barth David Schwartz in: Pasolini, Requiem. Een biografie, Amsterdam, Meulenhoff, 1992, p. 20.

[2] Ibid., p. 694 en pp. 726-727.

[3] Ibid., p. 727.

[4] Ibid., p. 709.

[5] Ibid., p. 719.

[6] Ibid., p. 722.

[7] Ibid., p. 710.

[8] Ibid., p. 716.

[9] In L’Unità van 2 juni 1974, zie de catalogus Identité italienne, L’art en Italie depuis 1959, red. Germano Celant, Paris, Centre Georges Pompidou, 1981, p. 447.

[10] Ibid., p. 448.

[11] Ibid., p. 447.

[12] Getuigen vertellen dat Mussolini, een marionet van de Duitsers zonder reële macht, nog steeds een peloton uitgeschudde soldaten toesprak alsof hij de keizer van Rome was.

[13] Zie Pasolini, Olie, Amsterdam, Meulenhoff, 1992, p. 534.

[14] Ibid., p. 477

[15] In de Corriere della Sera, 18 oktober 1975, zie Identité italienne (noot 9), p. 484.

[16] Pasolini, op. cit. (noot 13), p. 284.

[17] Pasolini, in: Schwartz, op. cit. (noot 1), p. 706.

[18] Ibid., p. 286.

[19] Een voorbeeld uit de eigen ervaring: mijn Tsetsjeense buurvrouw zegt schertsend tegen mijn vrouw dat, wanneer wij elkaar bijvoorbeeld voor de deur een afscheidskus geven, wij onze liefde ‘demonstreren’.

[20] Pasolini, in: Schwartz, op. cit. (noot 1), p. 705.

[21] Ibid., p. 721.

[22] Ibid., p. 712.

[23] Ibid., pp. 383-385.

[24] Vergelijk met de “ongelukkige spoken” en de “spookachtige imitaties” waarvan sprake in ons zesde citaat uit de Pasolini-biografie van Schwartz. Telkens wanneer aan radicale cultuurkritiek wordt gedaan, is er sprake van spoken. Stirner, Nietzsche, Marx en zelfs Baudrillard verzetten zich elk op hun manier tegen idealistische, ‘spookachtige’ abstracties die van de mens zelf een spook maken. Voor de geïnteresseerden: Derrida’s Spectres de Marx gaat over de filosofische onvermijdelijkheid van dit bezweren van spoken, terwijl Derrida anderzijds wijst op de onvermijdelijkheid om met spoken, dat wil zeggen met het onleefbare, te leven. Aporie, inderdaad.

[25] “L’homme-consommateur se considère comme devant-jouir, comme une entreprise de jouissance et de satisfaction. Comme devant-être heureux, amoureux, adulant/adulé, séduisant/séduit, participant, euphorique et dynamique. […] C’est la ‘fun-morality’ où l’impératif de s’amuser, d’exploiter à fond toutes les possibilités de se faire vibrer, jouir, ou gratifier.” Jean Baudrillard, La société de consommation, Paris, Gallimard, 1970, pp. 112-113.

[26] Het ‘postmoderne’ relativisme, meestal vermomd als ‘pluralisme’, hangt samen met de genotsimperatief. Alle meningen en waarheden zijn gelijkwaardig omdat het slechts verhalen zijn waarmee mensen zich een symbolisch universum creëren waarin ze zich lekker voelen.

[27] In termen van Lacan kan men spreken van een soort kortsluiting tussen het symbolische en het imaginaire ten koste van het eerste.

[28] Baudrillard, op. cit. (noot 25), pp. 228-229.

[29] Ibid., p. 311.

[30] Ibid., p. 101.

[31] Zie L’accomplissement du désir dans la valeur d’échange (in Pour une critique de l’économie politique du signe, Paris, Gallimard, 1972) waarin Baudrillard het heeft over de consequenties van het ‘systeem’ voor de libidinale huishouding van het subject.

[32] Slavoj Zizek, The Ticklish Subject, London/New York, Verso, 1999, p. 345.

[33] Ibid., p. 367.

[34] Baudrillard, op. cit. (noot 25), p. 106.

[35] Pasolini, op. cit. (noot 13), p. 358.

[36] Fellini uitte ooit zijn verbijstering over dit geloof: “Wat is er toch op een gegeven moment gebeurd, vraag ik mij af, wat voor beheksing heeft onze generatie getroffen, dat wij de jongeren plotseling zijn gaan beschouwen als gezanten van een of andere absolute waarheid? De jongeren, de jongeren, de jongeren… Het lijkt wel of ze opeens met een ruimteschip van een andere planeet zijn gekomen. […] Het moet een aanval van collectieve waanzin geweest zijn die ons ertoe heeft gebracht jongens van vijftien te gaan beschouwen als de voornaamste bewaarders van alle waarheden.” (in Fellini par Fellini, Paris, Calmann-Lévy, 1984, p. 163).

[37] Slavoj Zizek, Het subject en zijn onbehagen, Amsterdam/Meppel, Boom, 1997, pp. 136-137.

[38] Het volgende fragment van Nietzsche (uit 1874!) wil ik de lezer niet onthouden: “In niets verbloemende taal: de massa van het binnenstromende is zo groot, het bevreemdende, barbaarse en gewelddadige dringt zich zo overmachtig, ‘tot afschuwelijke klonters samengepakt’, aan de jeugdige ziel op, dat zij zich slechts door een opzettelijke stupiditeit weet te redden.” Zie: Oneigentijdse beschouwingen, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1983, pp. 133-134.

[39] Dit is tenminste een van de ‘paranoïde’ speculaties van de verteller/hoofdfiguur van Gombrowicz’ De Pornografie, Amsterdam, Athenaeum, 1964, p. 171.

[40] Jacques Lacan, Le séminaire, livre VIII, Le transfert, Paris, Seuil, 1991, p. 258.

[41] Pasolini, Theorema, Utrecht/Amsterdam, Bruna, 1976, p. 129.

 

 

Delen: het nieuwe bezitten?

Teilen ist das neue Haben! De populaire leus waarmee de Duitse Piratenpartei campagne voert, is niet alleen van toepassing op de door crisis en overconsumptie geplaagde maatschappij. Ook musea, die zich gedwongen zien steeds creatiever met aankoopbudget en depotruimte om te gaan, hebben gedeeld bezit als optie ontdekt.

Langzaam maar zeker begint de praktijk van het gezamenlijk aankopen aan terrein te winnen. Zo deed het Stedelijk Museum Amsterdam de afgelopen tijd aankopen in samenwerking met onder andere het Van Abbemuseum, het Centraal Museum Utrecht en De Hallen Haarlem. Deze zomer maakte Museum Boijmans Van Beuningen bekend dat het samen met het Centraal Museum Utrecht werk van Thomas Huber heeft aangeschaft. De musea verwierven ieder een doek van de tweedelige serie Bildaushub (2013), waardoor de schilderijen in de toekomst altijd samen getoond kunnen worden.

Al in 2002 vond de eerste internationale gezamenlijke kunstaankoop plaats, toen Tate Modern, the Whitney Museum en het Centre Pompidou samen het videowerk Five Angels for the Millennium (2001) van Bill Viola verworven. En hoewel The Art Newspaper twee jaar later The Days of Single Ownership are Over kopte, heeft het even geduurd voordat de praktijk van co-ownership navolging vond in Nederlandse musea. En dat terwijl het eigenlijk een even simpel als doeltreffend concept is: musea werven fondsen met gebundelde krachten, het werk kan vaker aan het publiek getoond worden en ondertussen wordt de samenwerking tussen de musea onderling sterk bevorderd. Zo kan worden gewaarborgd dat kunst die anders in privécollecties verdwijnt, openbaar bezit blijft. De ontwikkeling wordt door beleidsmakers van harte toegejuicht.

Waarom schaffen musea niet al op veel grotere schaal samen kunst aan? Hoewel het op het eerste gezicht geen gunstige ontwikkeling lijkt voor galeries, zijn deze er juist blij mee. Verkopen aan musea zijn immers belangrijk voor de kunstenaar, die zo in één keer in twee collecties vertegenwoordigd is. Ook voor galeries is het van belang dat werk van hun kunstenaars in openbaar bezit terechtkomt. De kans dat twee musea apart van elkaar een grote aanschaf doen is tegenwoordig om economische redenen bijzonder klein. Er zouden verdubbelingen ontstaan in de ‘Collectie Nederland’, en musea zouden het werk net zo goed van elkaar kunnen lenen.

Leylâ Akinci van de Amsterdamse galerie AKINCI, die het werk van Huber aan het Centraal Museum en het Boijmans verkocht, is enthousiast over de oplossing. Hoewel de twee schilderijen ook los van elkaar getoond kunnen worden, vullen ze elkaar aan en komen ze het beste tot hun recht wanneer ze samen te zien zijn. Wanneer een van de doeken in een privécollectie zou belanden, is het nog maar de vraag of de verzamelaar bereid is het werk voor langere tijd in bruikleen te geven zodat de werken toch samen tentoongesteld kunnen worden. Hoewel de aankoop niet door één maar door twee musea gedaan werd, liep deze volgens Akinci erg vlot.

Nochtans durven aankopen bij museale instellingen nogal eens veel tijd in beslag nemen. Dat is het mogelijke nadeel van gezamenlijk aankopen en wellicht de reden dat nog niet veel musea overstag zijn gegaan. Gedeeld bezit betekent dat twee musea de verantwoordelijkheid hebben over één werk. Dat brengt een hoop extra logistieke, administratieve en juridische drempels met zich mee. Wie verzekert het werk? Wie betaalt voor transport, opslag en restauratie? Welke van de eigenaren behandelt bruikleenaanvragen en wat gebeurt er als beide musea – bijvoorbeeld ter gelegenheid van het overlijden van de kunstenaar – het werk gelijktijdig willen tonen? Welke directeur is, kortom, de eindbaas over het werk?

De persoonlijke contacten tussen directeuren en conservatoren van musea die tot gedeeld eigendom overgaan, zijn op het moment van de aanschaf over het algemeen goed. Bovenstaande vragen kunnen daardoor met een telefoontje worden opgelost. Maar om in de toekomst of in geval van conflicten ook duidelijke afspraken te hebben over de gedeelde eigendommen, zijn vaak uitgebreide shared ownership-contracten nodig. Door de vele mogelijke variaties op gedeeld bezit (samen één enkel object, een digitaal werk, ieder de helft van een servies of van een fotoserie) en de zeer uiteenlopende aard van objecten die door musea kunnen worden verworven, is het onmogelijk een standaardcontract op te stellen. Een leidraad of checklist zou gezamenlijk aanschaffen al makkelijker kunnen maken, vooral voor kleinere musea.

Gedeeld bezit is momenteel een populaire term bij beleidsmakers en subsidieverleners. Behalve de praktische voordelen (meer beschikbaar geld en minder volle depots) sluit het immers goed aan bij het gedachtegoed van de ‘Collectie Nederland’, een imaginaire collectie waarin alle kunstwerken en andere objecten uit Nederlandse openbare musea samengevoegd zijn.

Een typisch geval waarbij men zijn toevlucht zoekt tot gedeelde aankopen is dat van Rineke Dijkstra. Het werk van Rineke Dijkstra werd in de jaren 90 op vrij grote schaal door Nederlandse musea aangekocht, waardoor er zich op dit moment meerdere edities van dezelfde foto’s en video’s in Nederlandse museumdepots bevinden. Inmiddels zijn de prijzen van Dijkstra’s werk zo gestegen dat de reguliere aankoopbudgetten van de meeste musea niet meer toereikend zijn om nieuw werk aan te schaffen. In dat geval biedt gezamenlijk aankopen een uitkomst. Zo verwierven Museum De Pont en Huis Marseille gezamenlijk The Weeping Woman, Tate Liverpool (2009) en kocht het Stedelijk Museum Amsterdam samen met De Hallen Haarlem The Krazy House (2009) aan. Dankzij deze aankopen wordt de continuïteit van Dijkstra’s werk in Nederlands openbaar kunstbezit gewaarborgd.

Het gaat overigens in beide gevallen om videowerk, een medium dat zich bijzonder goed voor gedeeld bezit leent. Het kunstwerk bestaat immers uit digitale bestanden waardoor logistieke problemen nauwelijks aan de orde zijn: ieder museum kan beschikken over zijn eigen kopie. Bij fysieke objecten, zoals de zeer kwetsbare kinderstoel uit 1921 van Rietveld, die eigendom is van zowel het Centraal Museum Utrecht als van het Stedelijk Museum Amsterdam, zijn de extra transporten een groot nadeel. Het is niet bepaald bevorderlijk voor de conditie van het object om veel heen en weer te reizen.

Behalve de genoemde praktische bezwaren is er ook inhoudelijk een kritisch geluid te horen. Opvallend genoeg komt het van Sjarel Ex, die als directeur van Museum Boijmans Van Beuningen verantwoordelijk was voor de gezamenlijke aankoop van Hubers Bildaushub. Deze aankoop noemt hij zelf een ‘parodie op gezamenlijk aankopen’. Van echt gedeeld eigendom is dan ook geen sprake: de musea hebben ieder een van de doeken in bezit en dragen zelf de verantwoordelijkheid voor dat ene doek. Er zijn geen ingewikkelde contracten; de musea hebben eenvoudigweg met elkaar afgesproken dat ze de werken altijd aan elkaar zullen uitlenen, zodat ze steeds samen tentoongesteld kunnen worden.

Volgens Ex is gedeeld museaal bezit ‘grote onzin’: wanneer een museum een stuk écht graag wil aankopen, zijn er altijd wel middelen voor te vinden, en in andere gevallen is het bijna altijd mogelijk om het te lenen. Het bruikleenverkeer tussen musea is zeer intensief, dus waarom aanspraak maken op elkaars aankoopbudget? ‘Beleidsporno’, noemt Ex het: een gevolg van de cultuurpolitiek van Halbe Zijlstra. De ontwikkeling leidt volgens Ex tot luiheid en op langere termijn tot een eentonig museaal landschap.

Gekeken naar de schaal waarop gezamenlijk aankopen momenteel plaatsvindt, lijkt dat laatste nog niet direct aan de orde. Toch bestaat inderdaad het risico dat de profilering van collecties aan scherpte verliest wanneer musea vaak voor gezamenlijk bezit kiezen, in plaats van sterke, collectiedefiniërende aankopen alleen te doen. Ook kan het lenen van kunstwerken ingewikkelder worden voor derde partijen, wanneer niet één, maar twee eigenaren akkoord moeten gaan met een bruikleen.

Het is dus van belang dat musea zeer kritisch naar de mogelijkheden kijken vooraleer tot een gezamenlijke aankoop over te gaan. Waarom eigenlijk een werk samen aankopen? Doet men het niet vooral om subsidieverleners te pleasen? En als het enkel vanwege het budget gebeurt, is het aanscherpen van het aankoopbeleid dan geen optie? Kan een aankoop niet gewoon aan een ander museum worden gegund, om het vervolgens door middel van bruiklenen te delen?

In sommige gevallen kan co-eigenaarschap een wenselijke uitkomst zijn en het is belangrijk dat musea zich hier steeds meer van bewust worden. Uiteraard is het beter dat musea voor het verwerven van topstukken de handen ineenslaan in plaats van elkaar te concurreren voor het verkrijgen van de nodige fondsen. Ook voor kleinere musea, die minder middelen hebben en voor wie het krijgen van bruiklenen lastiger is dan voor hun grotere zusterinstellingen, is gedeeld eigendom een interessante optie. Bij samenwerkingsverbanden op internationaal niveau speelt het gevaar van gelijkvormige collecties veel minder. De optie zou dan het beste kunnen worden gebruikt bij minder kwetsbaar werk zoals video, dat niet te lijden heeft onder verre, internationale reizen tussen twee eigenaren.

Het is nog even de vraag of gedeeld eigendom echt de toekomst heeft, dan wel of het een trend van voorbijgaande aard is. In sommige gevallen is delen wellicht het nieuwe bezitten. Maar met een gul uitleenbeleid komt men ook al een heel eind.

Het oor van David Lynch

Perhaps we could all go see Mulholland Drive, and then get over the fact that we’re all idiots for believing that sound comes from one place or another anyway.

Microsound mailing list, 16 februari 2002

 

In Blue Velvet (1986) begint alles met een oor. Alles is rustig in het Amerikaanse provinciestadje waar de film zich afspeelt, tot ergens in het gras een afgesneden oor wordt gevonden dat al aan de mieren ten prooi is gevallen. Het motief doet denken aan schilderijen van Salvador Dalí waarin montages van lichaamsdelen opdoemen tegen een woestijnachtige achtergrond, terwijl een sliert mieren over de huid van mensenvlees trekt. Het zijn beelden die verleiden tot psychoanalytische interpretaties, en het werk van Lynch is inderdaad al vaak op de sofa gelegd. Veel van Lynch’ scenario’s kan men lezen in termen van een conflict tussen het censurerende ego en een broeierig onbewuste. Dat geldt ook voor Blue Velvet; en het oor speelt daarin een belangrijke rol. Helemaal vooraan in het script staat het oor voor de toegang tot de onderwereld en de poort naar het onbewuste. Men kan de functie van de gehoorgang bij Lynch vergelijken met die van de konijnenpijp in Alice in Wonderland, al is het motief van Lynch uiteraard veel perverser.

Het is geen toeval dat Lynch zijn film laat beginnen met een oor. Lynch is gefascineerd door het gehoor, en in het bijzonder door die eigenschappen waardoor het gehoor van de visuele waarneming verschilt. In tegenstelling tot het oog is het oor bijvoorbeeld in staat om superpositie waar te nemen. Voor het oor kunnen verschillende lagen of zelfs objecten op hetzelfde moment dezelfde plaats in de akoestische ruimte innemen, zonder dat hun distinctief karakter verloren gaat. Het zicht oriënteert zich in een euclidische ruimte door middel van lineariteit – alle perspectivistische modellen zijn in wezen visueel – terwijl de auditieve perceptie bij machte is de ruimte te begrijpen volgens een circulair denkmodel waarin alles naar alle richtingen tegelijk wijst. Men zou kunnen stellen, met Marshall McLuhan overigens, dat het gehoor eerder verbonden is met een primitieve of mythische waarnemingsvorm, terwijl de westerse moderniteit haar wetenschappen en kunsten toch vooral gebouwd heeft op de modaliteiten van het oog. [1] Vandaar de associatie met het onbewuste: het oor is een bijna rechtstreekse passage naar de hersenen, een toegang die niet kan worden afgesloten, zelfs niet als je slaapt. Het oor registreert altijd omgevingsgeluiden, of je nu geconcentreerd aan het werk bent of in een restaurant aan tafel zit. De moderne mens heeft een automatisme aangekweekt om al die overtollige informatie weg te filteren, maar het gehoororgaan pikt de geluidsgolven wel degelijk op. Daarentegen is het oog in staat om het zenuwstelsel, door middel van een gecontroleerd spiercommando, van de buitenwereld te isoleren.

Daardoor zaait het gehoor, in tegenstelling tot de visuele waarneming, gemakkelijk verwarring tussen een toestand van waken en slapen. Denk maar aan de clichématige (film)scène waarin je enige seconden nodig hebt om te begrijpen dat het niet de telefoon is die staat te rinkelen, tijdens een stresserende droomepisode, maar de wekker naast je bed. Waarschijnlijk is het die suggestieve kwaliteit van de gehoorzin die David Lynch aanzet tot een voorkeursbehandeling van het geluidsontwerp in zijn films. Niet alleen uit zijn geluidsontwerp (waar hij vaak medeverantwoordelijk voor is) maar ook uit de muziek die voor zijn films of televisieseries wordt gecomponeerd, spreekt immers een hypnotiserende subliminale kracht. Lynch zei zelf in een interview: “Geluid heeft iets van een drug. Het is zo puur dat het, wanneer het je oren binnendringt, ogenblikkelijk iets met je doet.” [2]

Hoewel men het gehoor dus makkelijk kan opvatten als een luik dat toegang verleent tot het onbewuste, en men dit als vanzelfsprekend kan toepassen op de films van Lynch, wil ik toch proberen verder te gaan dan het voor de hand liggende schema dat audiovisualiteit structureert volgens een psychoanalytisch conflictmodel. Ik wil aantonen dat Lynch het concept ‘geluid’ ook allegorisch inzet, en zijn filmpoëtica hiermee structureel weet uit te bouwen.

 

Klankband

Vanaf het begin hebben critici gewezen op het belang dat Lynch hecht aan het geluid. De impact van Eraserhead (1977) is voor een groot deel toe te schrijven aan de uitzonderlijke klankband. Lynch en geluidsontwerper Alan Splet vinden in deze soundtrack aansluiting bij de traditie van de musique concrète. De pionier van de musique concrète, Pierre Schaeffer, verrichtte in de jaren vijftig onderzoek naar de eigenschappen van geluid. Daarbij isoleerde hij meestal een natuurlijke klank, om vervolgens de kenmerken ervan te definiëren op drie assen: amplitude, frequentiedomein en tenslotte de ontwikkeling van deze twee dimensies in de tijd. Op die manier creëerde Schaeffer een driedimensionaal beeld van een geluidsfragment – in zijn woorden een objet sonore. [3] Vervolgens bewerkte en manipuleerde hij deze klanken, zodat ze zich anders gingen gedragen op ieder van de genoemde assen. Als componist streefde hij ernaar de natuurlijke kenmerken van de opgenomen geluiden te abstraheren, tot het geluidsobject praktisch onherkenbaar was geworden, en het op grond van zijn specifieke en gemanipuleerde klankkleur deel ging uitmaken van een compositie.

Dat is precies ook de werkwijze geweest van Lynch en Splet. Als je goed luistert, kun je van de meeste klanken in Eraserhead de oorsprong nog wel achterhalen, maar hun functie krijgen deze klanken eerst en vooral binnen een abstracte, associatieve opeenvolging. Bovendien staan de geluiden in eerste instantie los van het beeld. Je hoort water door een leiding lopen, ver verwijderde draaiorgelmuziek, ontploffingen, fabriekshalgeluiden, tikkende mechaniekjes, vallend water, wind over een vlakte, maar in tegenstelling tot wat de Hollywoodconventies eisen, zijn de visuele tegenhangers van deze fenomenen haast nooit direct zichtbaar. In plaats daarvan worden de in de studio bewerkte klanken gebruikt om een sfeer te scheppen die vervolgens de beelden determineert. Zoals bij musique concrète zijn de opgenomen klanken vooral gefilterd en uitgerekt. Van donderslagen of fabrieksmachines worden bijvoorbeeld enkel de lagere frequentieregionen overgehouden, zodat een dreigende toon secondenlang aansleept; de wind passeert door een phaser; de alomtegenwoordige stadsruis gaat resoneren door het benadrukken van een eng frequentiebereik. Op die manier dwingt een sonore realiteit die wij gewoonlijk aan de periferie van het gehoorveld situeren, opnieuw een plaats af binnen het menselijke gehoorbereik. Alsof de frequenties van de ons omgevende dingen op wraak zinnen.

De vervreemding die de hele film doortrekt, gaat voor een groot deel terug op een audiobehandeling die de eigenschappen van een bepaald natuurlijk geluid vervormt door de overmatige beklemtoning van één van de samenstellende elementen. Zo wordt bijvoorbeeld kokend water op een overdreven volumeniveau weergegeven, klinkt de stadsomgeving net iets te scherp, of zijn aanhoudende industriegeluiden door een lowpassfilter gehaald, zodat er enkel een dof gebrom overblijft. Het lijkt wel alsof de akoestische omgeving van de filmhandeling enkel hoorbaar is via de registratie door een microfoon. Wie ooit in een stad of in de nabijheid van een stad iets op band heeft gezet, herkent het typische vernauwde stadsgeruis dat werkelijk overal onder blijkt te zitten. Door gewenning filteren de oren van de meeste stadsmensen het automatisch weg, maar in Eraserhead is deze achtergrond bijna continu naar voren gemixed. Ironisch genoeg is het resultaat realistischer dan we zouden denken. Hoewel wij ons na een dag in de wereld vooral de akoestische pieken herinneren die met informatieoverdracht gepaard gaan (zoals gesprekken, radionieuws, meetings…), geeft de werkelijke volumebalans een heel ander beeld. Eraserhead dankt zijn irreële kwaliteit aan een geluidsontwerp dat focust op sonoor materiaal dat wij als akoestisch randfenomeen ervaren, maar dat volgens de bandopnemer dezelfde intensiteit heeft als onze menselijke communicatie. De opnamemeter slaat even wijd uit, of het geluid nu van mensen afkomstig is of van een radiator. Daarbij komt dat ook de dialogen bij Lynch eerder als akoestisch omgevingslawaai dan als een gefocuste communicatieact klinken. Geen van de personages spreekt ook maar één moment op een normale conversatietoon een zin uit. Elke taaluiting lijkt een fragment van een aarzelende, langgerekte monoloog te zijn. Je zou kunnen zeggen dat ook de woorden van de acteurs niet aan de klankmanipulatie zijn ontsnapt, ook al is de techniek hier in werkelijkheid niet tussengekomen.

Vaak zijn de omgevingsgeluiden die bij een bepaalde setting horen, wel in de film opgenomen, maar niet op de juiste plaats en het juiste ogenblik; of ze zijn zodanig bewerkt dat men twijfelt of ze realistisch of abstract dienen te worden geïnterpreteerd. Het gefluit van de wind weerklinkt als achtergrond in onbeduidende handelingsscènes, maar wordt dan plots gebruikt als een ‘concreet’ actiegeluid wanneer de lady in the radiator zich in de radiator terugtrekt. Terwijl omgevingsgeluid meestal filmisch wordt ingezet om een voorgestelde wereld te objectiveren, om de toeschouwers coördinaten te geven, lijken in Eraserhead alle klanken eerst te passeren door de paranoïde beleving van een personage.

 

Het dubbel

Met die paranoia komen we bij een belangrijk aspect van de verbeeldingswereld van David Lynch. In veel van zijn films is het onderscheid tussen droom en werkelijkheid niet echt stabiel; maar de oppositie tussen droom en realiteit is eigenlijk nog te flauw als analytisch criterium. In de betogen die rond Lynch zijn opgezet, vind je telkens weer duidingen die uitgaan van de tweespalt die de verhalen structureert. Of het nu gaat om een (pseudo-)metafysische verdeling van de wereld in goed en kwaad (White Lodge/Black Lodge), om spiegelpersonages, om schizofrenie of om een verdubbeling op het niveau van de plot, steeds heet het dat de films van Lynch gestructureerd zijn volgens een dubbelconcept. [5] Dat is meestal ook zo, maar belangrijker is dat in een film als Eraserhead geen onderscheid meer bestaat tussen een onwerkelijke beleving en het gebruikelijke realisme van het speelfilmgenre. De paranoia zit niet in het hoofd van de protagonist, noch in dat van één van zijn naasten. De paranoia ís de werkelijkheid. De mogelijkheid om het waanbeeld te onderscheiden van het tastbare feit, wordt de toeschouwer ontnomen.

Net als het latere werk van Lynch presenteert Eraserhead een onmogelijke wereld in een zeer plausibele setting. Alle films van Lynch raken aan die spanning tussen het mogelijke en het onmogelijke. Uiteraard dient men met deze spanning tal van andere opposities te verbinden: de objectieve wereld en de ervaring van die wereld, het normale en het waanzinnige, het werkelijke en het gespeelde, het echte en het valse. Bij Lynch wordt het onmogelijke echter niet gekaderd door het mogelijke. De droom van een personage vormt geen afgebakende scène in de film, maar kan juist het geheel van de film uitmaken. Twee van zijn recentere films vertonen in dit opzicht nogal wat gelijkenissen. Zowel in Lost Highway (1997) als in Mulholland Drive (2001) neemt de lynchiaanse tweespalt de vorm aan van een ontdubbeling, die telkens als een merkwaardig structurerend principe optreedt. In beide gevallen ontplooit de film zich ergens halverwege als een alternatieve versie van zichzelf. We zien gelijkaardige (maar daarom niet dezelfde) personages, gespeeld door de acteurs die we net hebben leren kennen in wat we als hun ‘oorspronkelijke’ rol beschouwden (dat is op zich reeds een paradoxaal concept). Het verhaal ontrolt zich opnieuw maar in een andere en met onze opgebouwde voorkennis incompatibele richting.

 

Die structurele dubbelheid heeft zich ook altijd gemanifesteerd in de klankband, met dien verstande dat er op dat vlak de afgelopen decennia wel één en ander is veranderd, vooral in technisch opzicht. Lynch heeft mee de evolutie gevolgd van analoge tape-experimenten via de geleidelijke automatisering tijdens de jaren tachtig naar het digitale model van vandaag. Zijn films hebben hoorbaar geprofiteerd van de klanktechnische verbeteringen. Dankzij de hedendaagse technologie is het mogelijk veel preciezer te werken en daarbij moet veel minder rekening gehouden worden met de vervelende neveneffecten van klankmanipulatie, zoals ruisvorming en verlies aan frequentiebereik. Natuurlijk hebben Lynch en Splet bij het oudere Eraserhead ook van de nood een deugd gemaakt, door vooral met ruisgeluiden te werken en in het algemeen te kiezen voor een ruw en hoekig geluid, waarbij onderdrukte of juist verscherpte frequentiegebieden, of wat ruis meer of minder, net hielpen om de sfeer te bepalen.

Michel Chion geeft een goed voorbeeld van de evolutie naar een properder systeem, wanneer hij de achterstevoren uitgesproken woorden aanhaalt uit Twin Peaks: Fire Walk With Me (1992). Het betreft niet zomaar stukjes opnameband die achterstevoren worden afgespeeld; de zuiverheid en precisie van de klankkwaliteit en de montage zijn kenmerkend voor de finetuning die mogelijk is in een digitale omgeving. Volgens Chion heeft Lynch in die periode voor het eerst gewerkt met een computergestuurd mixingsysteem dat de mogelijkheden om te monteren heeft verveelvoudigd. [6] Een louter technische ontwikkeling, namelijk de verbetering van de signaal-ruisverhouding, heeft voor een esthetische revolutie gezorgd in het lynchiaanse universum. [7] Nog steeds putten Lynch en zijn geluidsingenieurs uit omgevingsgeluiden zoals het stadsgeruis en de wind, maar de grove korrel heeft plaatsgemaakt voor een paradoxaal cleane behandeling van ruis en lawaai. Gezoem, gefluit, gesis en geschuur worden zodanig gepolijst dat ze instrumentale kwaliteiten verwerven; bovendien kunnen ze perfect worden ingelast binnen de timing van een shot. In de films van de laatste jaren is Lynch er zelfs in geslaagd zijn klanken zo te sculpteren dat ze in het oor van de geconcentreerde luisteraar fysieke gedaanten kunnen aannemen. Juist deze klankweefsels zijn erg bepalend voor de globale sfeer in de Lynch-films, vaak zonder dat de kijker zich er bewust van is. De verfijning van het klankbeeld in de recentste films draagt nog meer bij tot die onderhuidse spanning, zeker wanneer Lynch de grens bespeelt tussen wat hoorbaar is en wat niet. In sommige fragmenten wordt er niet veel meer geproduceerd dan een laagfrequent gebrom en dikwijls wordt de muziek in het geluidsontwerp gemixed en vice versa, zodat het verschil tussen beide vervaagt. Net zoals vroeger is de klankband van de recente films gebaseerd op de verwerking van concrete geluiden, maar door de extreme uitzuivering van de klank wordt het ambivalente karakter van het geluidsobject opgevoerd; de klanken die de films van Lynch bevolken, kunnen inmiddels als louter synthetische producten worden waargenomen. Het geluidsontwerp mag dan op set- of veldopnamen gebaseerd zijn, het resultaat klinkt als een uitgekiend algoritme.

Mulholland Drive: akoestische spoken

 

Weinig mensen herinneren zich na het bekijken van Mulholland Drive dat de film eigenlijk begonnen is met een shot over een leeg bed – pas daarna krijgen we het naambordje van Mulholland Drive te zien, gevolgd door de scène met de autocrash. Aan het einde van de generiekbeelden van een jitterbugwedstrijd verschijnen de glunderende gezichten van de ‘actrice’ Betty en haar ouders, waarna de camera over een bed met rode satijnen lakens glijdt tot hij als het ware in het hoofdkussen duikt en het scherm duister wordt. Het eerste geluid dat we tijdens deze openingsbeelden te horen krijgen, is het zware ademen van iemand die in nood lijkt, of dodelijk vermoeid is. Het geluid ontstaat uit het applaus dat bij de jitterbug hoort en verdwijnt in het windeffect dat onder het muzikale titelthema wordt geschoven. De exclusieve focus op iemands ademhaling verraadt altijd in de eerste plaats hoe stil het is; wanneer we alleen nog iemand horen ademen, roept dat meteen de negatie van ademhaling op – doodse stilte. Je concentreren op je eigen ademhaling, jezelf beheersen en steeds stiller ademen, en vervolgens de stilte opmerken, dat is een akelig moment. [8] De film duikt op uit de stilte en lost op in de stilte. Het laatste geluid van Mulholland Drive is immers het door een vrouw gefluisterde “silencio”… Ingesloten tussen een openingsscène en een slotscène die beide stilte suggereren of beschrijven, gaat de film ook over de onmogelijkheid van stilte. Zodra men immers de aandacht vestigt op de stilte, zodra ze wordt betekend, lost ze op zonder een spoor na te laten. Het geluid in deze film balanceert op de grens tussen stilte en een nauwelijks aanwezige zoemtoon – een geluidseffect dat bijvoorbeeld opduikt wanneer de meisjes door de hal en de kamers van hun Hollywoodverblijf lopen.

De openingssequentie bevat echter meer dan de stilte van ademhaling. We horen ook een abrupt geluid – een deur die dichtslaat, een klap op iemands hoofd, een lichaam of een ding dat neerploft op de vloer… De klank is zo vaag dat het eender wat kan zijn. Dat komt door een procédé dat Lynch in de hele film toepast: hij drenkt zijn op de set opgenomen actiegeluiden consequent in baden van galm. Technisch gesproken blijft er van het oorspronkelijke, zogenaamd ‘droge’ signaal nooit veel over. De referent van het geluid wordt door een schaduw van zichzelf vervangen. De zogenoemde ‘galmstaart’ (reverb tail) overstemt de akoestische knal van de bruuske luchtdrukgolf die aan de oorsprong ligt van het effect. De uitzonderlijk lange nagalm
– normaal gezien slechts een marginaal effect – neemt in deze film soms de plaats in van het geluidsfenomeen zelf. Een mooie illustratie is de autocrash in Mulholland Drive. Natuurlijk gaat de crash gepaard met de obligate knal, maar de staart van het geluid wordt zodanig uitgetrokken en vertraagd, dat de klap oplost in een spookachtige schaduw. Het realisme van een verkeersongeval wordt in één ruk door het lynchiaanse sound design geabsorbeerd. Een dergelijke akoestische morphing is ondenkbaar zonder de digitalisering van de klankband, maar past ook naadloos binnen de filmpoëtica van David Lynch. Door het brongeluid in de nagalm te laten oplossen, verwisselt Lynch de termen in de causale keten. Meteen verdwijnt ook het onderscheid tussen representatie en referent. In het digitale model bestaat voor dat onderscheid geen grond meer. Alle signalen zijn immers gedefinieerd door hun cijfermatige representatie. De akoestische spoken die de klankband van Mulholland Drive bevolken, getuigen van dat digitale paradigma.

 

Een natuurlijke abstractie

 Tijdens de rit van Betty en Rita naar theater Silencio horen we een naar voren geschoven city hum die het midden houdt tussen wat je daadwerkelijk in een stad hoort en een versie daarvan die door de processor is gehaald. Het geluid is dat van Los Angeles, maar de computer heeft de oorspronkelijke opname geabstraheerd. Een dergelijke abstrahering voltrekt zich echter ook in het dagelijkse leven. Het verkeersgeraas dat ons in een auto met het venster op een kier overspoelt, wordt onwillekeurig door de hersenen gedecodeerd als een atmosferische drone die nergens meer vandaan komt en in die zin ‘abstract’ geworden is. Het reële geluid wordt een droomgeluid. De bewerking die Lynch met behulp van de technologie doorvoert, speelt zich dus gek genoeg ook in ons hoofd af, op een natuurlijke psychoakoestische wijze. Ook in dat opzicht maakt Lynch de ‘echtheid’ en de ‘onechtheid’ van geluiden inwisselbaar.

Aan de andere kant gebruikt Lynch het geluidsontwerp meermaals om duidelijk te maken dat film enkel bestaat dankzij naden en breuken, kortom dankzij montage. Reeds in Eraserhead creëerde hij een breukeffect door het geluid samen met het einde van het shot af te snijden: de toeschouwer wordt bij het shot betrokken door middel van een opgevoerde intensiteit en vervolgens buitengezet door het plotse afbreken van die intensiteit. Op het moment dat racende auto’s de Cadillac naderen, net voor de botsing in Mulholland Drive, hoor je een luid gegil van de jongeren dat abrupt afgesneden wordt wanneer de shots tussen de Cadillac en de andere auto’s wisselen. In een speelfilm wordt een luide piek in de klankband meestal geassocieerd met de uitbarsting van een opgehoopte spanning. Een historische en exemplarische scène is het verschijnen van het mes in de douchemoord van Hitchcocks Psycho, met de staccato strijkers op een maximaal volume. In Mulholland Drive komt zo’n effect éénmaal voor, maar dan met een perverse touch. Als Dan en Herb achteraan Winkie’s de plek gaan inspecteren waar de droom van Dan zich afspeelde, om zich ervan te vergewissen dat droom en realiteit twee verschillende dingen zijn, gebeurt plots het onmogelijke: de droom heeft de plaats ingenomen van het reële; het verbrande gezicht van een zwerver verschijnt vanachter een muur. In een conventionele thriller zou er een harde cut gemaakt worden of zou deze verschijning worden gemotiveerd (zoals: de moordenaar reikt vanuit het duister naar zijn nietsvermoedende slachtoffer). Lynch begeeft zich op een metaniveau door het aangezicht van de zwerver horizontaal het beeld in te laten schuiven, alsof het een montagetechnische ingreep betreft. Een uitbarsting van lawaai (met verre reminiscenties aan gierende banden of aan de klank van een mechaniek dat met een ruk tot stilstand wordt gebracht) begeleidt deze ‘natuurlijke’ wipe. Het geluid wordt behandeld als in een harde cut, maar het beeld schuift organisch op zijn plaats doordat eerder de acteur – vanachter een muur – in beeld schuift dan het frame zelf.

Een ander voorbeeld. Bij de aanvang van de Winkie’s-scène wordt een close-up getoond van het uithangbord van de fastfoodketen; dit shot wordt ondersteund door het gehuil van een voorbijrazende sirene. Een urgentievoertuig komt nochtans niet in beeld, noch één of ander teken dat het geluid zou kunnen motiveren. Door de ‘gratuite’ samenvoeging van beeld en geluid demonstreert Lynch het montageprincipe, en legt hij de onverschilligheid bloot waarmee de filmmachine beelden en geluiden registreert. De discontinuïteit tussen beeld en geluid wordt echter niet ingezet als een klassieke vervreemdingstechniek. Het is er Lynch niet om te doen de Hollywoodesthetiek te ontmaskeren of het filmmedium te demystificeren. Zijn radicaliteit bestaat erin dat hij de filmlogica consequent als een montagelogica begrijpt. Van daaruit stelt hij een alternatieve vorm van intensiteit en beleving van het filmshot voor.

 

Allegorie

Natuurlijke omgevingsgeluiden opnemen om daarna, in een studio-omgeving, met hun timbres te componeren als waren het abstracte vormen: Lynch mag dan speelfilms draaien met plotwendingen en personages, en het gros van de componenten ontlenen aan realistische genres, tegelijk bouwt hij zijn films op volgens een abstracte logica die weinig te maken heeft met psychologie of vertelling. Net zoals de musique concrète ‘monstert’ Lynch referentiële elementen, om deze samples opnieuw samen te voegen volgens de logica van een machine. De machine, of vandaag de software-editor, kent op wetenschappelijke basis parameters toe aan het signaal en maakt binnen dat calculatieve kader een opeenvolging van gedaanteverwisselingen mogelijk. Mijn stelling is dat dit samplingproces zich in Lost Highway en Mulholland Drive ontplooid heeft tot een allegorisch principe. Dat wil zeggen dat Lynch in deze films een bepaalde (fictieve) werkelijkheid reproduceert volgens de wetten van een machinaal proces, om ons te laten ontdekken dat deze gerepresenteerde wereld unheimlich weinig verschilt van de wereld zoals we die kennen.

Anders dan de typische Hollywood-producten zijn de films van Lynch gemaakt volgens de logica van het filmmedium. Een toeschouwer die speurt naar een chronologie, hoe pervers die ook mag zijn, kan zich behoorlijk suf piekeren op scènes zoals die uit Lost Highway waarin de mystery man op twee plaatsen tegelijk aanwezig is, op de receptie en in Fred Madisons huis; of de openingsscène (en daarmee tevens de slotscène die de andere zijde van het dubbel toont) waarin Fred bij zichzelf aanbelt én op hetzelfde ogenblik de parlofoon opneemt om zichzelf aan de andere kant van de deur te horen spreken. Volgens de logica van het reproductiemedium is het echter helemaal niet paradoxaal om op twee plaatsen tegelijkertijd aanwezig te zijn. De tape zelf maakt geen onderscheid tussen dubbel en origineel. De stemmen van de grootste sterren van deze planeet zijn voortdurend aanwezig in talloze huiskamers. Geluid is natuurlijk een geweldig medium om deze reproductielogica te illustreren. Het heeft geen zichtbaar lichaam en is toch waarneembaar, zelfs meetbaar.

Lost Highway opent met een displacement van de stem, zoals die ons dagelijks overkomt: via de parlofoon. Met iemand die slechts op enkele meters afstand van ons staat te wachten, spreken we via een medium dat die persoon zowel van ons verwijdert als dichtbij brengt. Een parlofoon is ontworpen om iemand te herkennen en na identificatie toegang te verlenen. Als men iemands woorden door een parlofoon echter al begrijpt, worden door de inferieure bandbreedte nog altijd zoveel frequenties weggevaagd dat alle stemmen een vergelijkbare kwaliteit opgedrukt krijgen. De ironie wil dus dat een apparaat dat iemands identiteit moet helpen achterhalen, tegelijkertijd iemands persoonlijkheid steelt. De typische Lost Highway-scènes nemen de barrière weg tussen wat wij als ‘vertrouwelijk’ ervaren en wat een ‘vreemde’ indruk op ons maakt. Meer nog, ze doen ons beseffen dat de zogenaamde machinelogica niet langer in strijd is met onze mensenlogica, ook al berust die laatste voor ons gevoel meer op continuïteit dan op totale verwisselbaarheid. Lost Highway laat ons zien dat die machinale logica op een onbewust niveau al deel uitmaakt van ons dagelijks leven. Of nog een stap verder gedacht: datgene wat ons paradoxaal of onmogelijk lijkt (bijvoorbeeld de scenario’s van Lost Highway en Mulholland Drive), en wat we derhalve catalogeren als artificieel of zelfs als kunst, is reeds vervat in onze argeloze beleving van de werkelijkheid.

Lynch kan de verschillende personages in Lost Highway ontdubbelen en toch een samenhangende film maken, omdat hij niet werkt volgens een menselijke logica, maar volgens die van de filmmachine. Hij hoeft geen onderscheid te maken tussen droom en realiteit, tussen realisme en vervreemding of tussen de verbeeldingswereld en de omgeving van de personages, omdat hij niet opereert volgens de epistemologische mechanismen van de mens. Aangezien film enkel aan de wetten van de montage moet gehoorzamen, springt hij over en weer tussen de binnenkant en de buitenkant van de hoofden van de personages, of laat hij het camerastandpunt heen en weer skippen over de middenstreep van een snelweg. De generiek van Lost Highway nodigt de kijker uit om met de camera in een auto over de snelweg te zoeven, maar de rit is naar menselijke normen een onmogelijke rit; geen bestuurder kan in een fractie van een seconde overschakelen van het linker- naar het rechterrijvak. Voor de filmmachine is dit echter de logica zelve; montage is niets meer dan een cut and paste schakelbord, en binnen die logica zijn ‘mogelijkheid’ en ‘onmogelijkheid’ geen tegengestelden.

 

To play for real

Een filmmachine die een film maakt, kan niet anders dan naar zichzelf verwijzen. Nooit eerder bevatte een Lynch-film zoveel scènes die zich afspelen in een theatraal of filmisch kader – repetities, audities, een theatervoorstelling… – als Mulholland Drive. Bovendien leert de meest voor de hand liggende interpretatie van Mulholland Drive dat Diane Selwyn de eerste helft van de film geheel voor zichzelf ensceneert. Ze is gefrustreerd door de breuk met haar geliefde Camilla, en geeft de opdracht aan een huurmoordenaar om Camilla te doden. Als ze de blauwe sleutel vindt – een teken dat de opdracht is uitgevoerd – pleegt ze uit wanhoop zelfmoord. Het eerste deel kun je dan lezen als een wensdroom van Diane om in alle onschuld opnieuw te kunnen beginnen; als een hercasting van zichzelf (want ze is actrice) waarbij ze de naam aanneemt van een serveerster in Winkie’s. Zo kan ze Camilla laten ontsnappen aan de moordenaars en haar aan geheugenverlies laten lijden, zodat ook zij, zonder verleden, de relatie een nieuwe aanvang kan laten nemen. De ordinaire blauwe yalesleutel wordt in deze herenscenering vervormd tot een mysterieuze driehoekige sleutel die past in een al even mysterieuze blauwe kubus, die gevonden werd in een theater waar een sleutelscène plaatsvindt. Als de kubus opengaat, blijkt hij leeg; Betty begint te trillen tot de cameralens haar in een veelvoud van zichzelf laat uiteenvallen en het verhaal stukbreekt in het zwarte gat waar de camera induikt.

Meer dan deze chronologiserende structuur frapperen mij echter de spelscènes op zich. Als Betty haar rol repeteert met Rita, wordt de kijker al een eerste keer op het verkeerde been gezet doordat de scène gefilmd wordt alsof ze deze dialoog met Rita ook echt voert. Ze speelt de scène doorleefd, en dat doet ze op de eigenlijke auditie zo mogelijk nog meer, zij het op een totaal andere manier. De auditie van Camilla neemt een vergelijkbare aanvang. Eerst lijkt het alsof er een muziekclip wordt opgenomen; bij het uitzoomen merken we dat het een opname in een muziekstudio betreft en bij het verder uitzoomen begrijpen we dat we getuige zijn van een auditie op een filmset. Dat alles vindt plaats binnen de gewenste enscenering door Diane/Betty, die trouwens ironisch genoeg samen met Rita een amateurdetective speelt die het verleden – het werkelijke verhaal – naar boven moet spitten; alsof ze de plaats van de toeschouwer inneemt die eveneens, knarsetandend, het door een duivelse scenarist bedachte verhaal tracht te ontrafelen. De spelscènes vormen een mise-en-abîme, waarbij spelen en niet-spelen nog moeilijk te ontwarren zijn. Het mooist wordt dat geïllustreerd door de repetitie in een wagen op de filmset. Terwijl Adam spelinstructies geeft aan Rita/Camilla, verliest hij zich in een hartstochtelijke kus met de actrice, waarmee hij duidelijk aan de regels van het spel voorbijgaat. Tegelijk commandeert hij nog de filmmachinerie door “Kill the lights” te roepen; de regisseur is zelf betrokken in het spelen. De grens tussen betrokkenheid in een scène en de controle over die scène is zoek.

To play for real, dat is wat Adam doet en wat eigenlijk alle personages in Mulholland Drive doen. De Engelse uitdrukking to play for real omschrijft een paradox die in deze film geen paradox is. Het gespeelde en het ‘echte’ sluiten elkaar niet uit; het mogelijke (de wereld van de kijker) en het onmogelijke (de filmische realiteit) gaan samen. Lynch demonstreert dat door een film te maken die de regels van het spel, de condities van zijn eigen bestaan, overtreedt. Mulholland Drive is in feite een raamvertelling, maar dat wordt niet echt aangegeven. Het gevolg is dat men nooit echt weet of de personages nu zichzelf spelen (dat wil zeggen het afgeronde geheel van een personage) of, binnen het fictieve raamwerk van hun personage, een ander personage spelen; Betty maakt van zichzelf een talent- en beloftevolle actrice en voorziet haar afvallige geliefde van een verleidelijke non-identiteit, en een naam die ze van Rita Hayworth steelt. De vrouwen spelen ‘voor echt’, ze spelen hun leven – en dit tegen de raad in van een wat schlemielige regisseur die Betty aanmaant: “Don’t play for real, until it gets real.” Ik lees dit als een ironisch commentaar van Lynch op de mainstreamspeelfilm. De halfzachte regisseur die Betty’s auditie bijwoont, vertegenwoordigt de filmindustrie die in haar eigen belang de grenzen tussen entertainment en everyday business klaar en duidelijk wil houden. De kijkers worden verondersteld zich te verliezen in een wereld van illusie en verlangen, en niet stil te staan bij de productiemachine die deze wereld tot stand brengt. David Lynch gaat, samen met Betty, rigoureus in tegen de raad van de vaderlijke regisseur door de raamvertelling van Mulholland Drive niet aan te geven als kader.

 

Er is bij Lynch dus geen enkel verschil tussen de originele productie van een fenomeen en het gereproduceerde dubbel – de zogeheten playback – en dat geldt zowel voor een film, een geluidsfragment, een popsong, een personage als een leven. Net zoals er in de poëtica van Lynch wel opdelingen tussen goed en kwaad bestaan, of tussen dromen en waken, bestaat er in Mulholland Drive en Lost Highway weliswaar een onderscheid tussen verschillende niveaus van realiteit; maar die identiteiten of realiteiten zijn op eender welk moment inwisselbaar, zoals rollen en acteurs in de filmstudio inwisselbaar zijn, of zoals in de montagekamer een audio- of filmsequentie probleemloos kan worden vervangen door een andere.

Het is in die zin dat het geluidsontwerp van Lynch allegorisch kan worden geïnterpreteerd; en in Mulholland Drive heet de allegorische figuur die deze metaoperatie uitvoert playback. Door het oeuvre van Lynch loopt een rode draad die onmiskenbaar in verband staat met deze playbackkwestie. In haast al zijn films komen immers scènes voor – soms op cruciale plekken in het scenario – waarin een soort performance op een podium wordt opgevoerd. In Twin Peaks is dat het muziekpodium in het Roadhouse-café, maar ook de dansende dwerg op de witzwarte tegelvloer tussen de rode fluwelen gordijnen in Coopers dromen. Verwant met laatstgenoemde scène is het kleine podium van de lady in the radiator in Eraserhead. De playback van Roy Orbison door Frank Booth in Blue Velvet is legendarisch, en in Lost Highway speelt de protagonist saxofoon in een club. [9]

De playbackscène bij uitstek waarin de filmmachine wordt geallegoriseerd – voor mij een sleutelscène in het oeuvre van Lynch – speelt zich af in theater Silencio. Het vertoonde spektakel wordt gepresenteerd door een goochelaar, die de theaterscène voorstelt als een magische plek waar alles waarachtiger lijkt dan het is. Nochtans staat achter de scène slechts een playbackmachine – dat suggereert hij, want de machine wordt niet getoond. “No hay banda… this is all a tape recording… and yet we hear a band.” De goochelaar presenteert een ontmaskeringsact, maar paradoxaal genoeg gebruikt hij daarvoor de maskerademachine van het theater, en wel op een zeer overtuigende manier. Op zijn commando klinken instrumenten als trombone en klarinet; even later dondert en bliksemt het in het theater. Hij stelt de goddelijke macht van een regisseur voor, terwijl hij echter wel deel uitmaakt van een enscenering, en de geijkte gebaren van een goochelaar maakt: de voor de borst samengevouwen handen en een lichte hoofdbuiging. [10] Hij haalt een trombonespeler te voorschijn die plots ophoudt met spelen en de handen in de lucht steekt, terwijl het instrument verder schalt. Net als we overtuigd zijn door deze doeltreffende ontmaskering van een playbackact, geeft de muzikant totaal onverwacht nog een laatste, perfect gesynchroniseerde ademstoot op zijn trompet. De playback is hier zo intensief en precies georkestreerd dat de toeschouwer niet langer weet of hij nu een geënsceneerde illusie van ‘liveness’, van authenticiteit te zien krijgt, of een opgevoerde illusie van ‘playbacking’, van een machinale spektakelvorm. Wat is echt en wat is schijn in het theater: de ontmaskering of de maskerade?

Vervolgens toont Lynch hoe de wetenschappelijke nuchterheid van een ontmaskering en de gepassioneerde beleving van de maskerade hand in hand gaan – alsof hij wil zeggen dat theatraliteit bestaat uit een onontwarbaar kluwen van tonen en verbergen, even mysterieus en banaal als het podium zelf. De zangeres Rebekka del Rio voert een cover op van Roy Orbisons Crying; op zich al een verwijzing naar de act van Frank in Blue Velvet. Het is zonder meer de meest intense en emotionerende scène van de film, een passage die teert op de doorvoelde expressie van de zangeres. Als zij bewusteloos valt, en de playback doorzichtig wordt, doet dit nochtans geen afbreuk aan de intensiteit van het drama. Dit is de logica van de montagemachine, een machine die geen onderscheid maakt tussen mystificatie en demystificatie, tussen het ‘binnen’ en het ‘buiten’ van de film. Op dat ogenblik beginnen Betty en Rita, beiden huilend, door de cameralens te ontdubbelen. Het is immers Betty die haar eigen leven en dat van Camilla in een film verwerkt, bij gebrek aan betere rollen in de Hollywoodduisternis. Het is Betty die in die zin eveneens een playback ten beste geeft van haar eigen leven. Voor de playbackmachine maakt het niet uit wie er sterft op scène, of wie reïncarneert in een ander personage.

 

Binnenstebuiten

Niet alleen maakt de regisseur om zo te zeggen geen onderscheid tussen origineel en dubbel, tussen expressie en playback, tussen bewust en onbewust; hij rekent ook af met het verschil tussen realiteit en fictie. Dat betekent dat in Mulholland Drive ‘hoe een film gemaakt wordt’ verweven is met ‘wat een film vertelt’. In het midden van de film begint immers een ‘recasting’. De personages krijgen andere rollen, de synopsis een andere uitwerking. Business as usual wanneer dat gebeurt in de kantoren van Hollywood, maar Lynch verwisselt hier eigenwijs de wetten van de productiecontext met die van het product zelf. [11] Eén van de laatste scènes in Mulholland Drive is in dit opzicht bijzonder veelbetekenend. Op de societyparty van regisseur Adam Kesher duiken verschillende van de personages op die eerder een rol speelden in de film; alleen, nu blijken ze niet meer te zijn wie we dachten dat ze waren. Uiteraard blijkt Betty nu Diane Selwyn te zijn, de afgewezen geliefde van de donkerharige Camilla, die haar huwelijk met Adam aankondigt aan de feesttafel. Maar ook de actrice die Camilla Rhodes speelde in de auditiescène, blijkt nu een intieme band te hebben met deze Camilla. Conciërge Coco is plotseling de moeder van Adam en ondertussen loopt ook ‘de Cowboy’ daar ergens rond. Het lijkt wel alsof je als argeloze filmliefhebber op een Hollywoodfeestje bent beland en de verschillende personages die de acteurs gespeeld hebben, aan je ogen ziet voorbijtrekken. De werkelijke context van een filmproductie (acteurs die pretenderen iemand anders te zijn en in een volgende film weer iemand anders) en de fictieve vertelling in de film zelf overlappen elkaar. Lynch plooit de film binnenstebuiten. Het mysterie van Mulholland Drive bestaat erin dat er geen mysterie is: de ontdubbelingen van rollen vinden immers plaats in het Mekka van de ontdubbeling der rollen: Hollywood. In Hollywood is die ontdubbeling geen mysterie, het is de orde van de dag. En men verdient er dik zijn brood mee.

Films als Mulholland Drive of Lost Highway stel je je nog het best voor als een elektronisch schakelbord, waar de elementen van de plot met elkaar relaties onderhouden als in zo’n circuit. De homepage van de Mulholland Drive website (mulhollanddrive.com) draagt niet toevallig de naam ‘switchboard’ en stelt – evenmin toevallig – de Hollywood Hills voor, waarbij de namen van de verschillende webpagina’s als ‘Hollywood’-letters op de bergen zijn afgebeeld. De homepage van David Lynch (davidlynch.com) toont een circuitschema waarin de verschillende symbolen voor schakelingen doorverwijzen naar webkoppelingen. De narratieve ontwikkeling volgt niet de wetten van psychologie of van chronologie, maar flitst via een schakeling van de ene lijn in het diagram naar de andere. Er zijn alleen koppelingen, en de verdeling tussen binnen en buiten zit in het hoofd van de mens.

 

Noten

[1] Zie Marshall McLuhan and Bruce B. Powers. The Global Village: Transformations in World Life and Media in the 21st Century, New York, Oxford University Press, 1989; Wolfgang Welsch, On the Way to an Auditive Culture?, in: id., Undoing Aesthetics, London, Sage, 1997.

[2] David Lynch, Hollywood Reporter 328, nr. 29, 24 August 1993, p. 21.

[3] Zie Pierre Schaeffer, Traité des objets musicaux, Paris, Seuil, 1966.

[4] Zie verschillende artikels in Eckhard Pabst (Hrsg.), A strange world. Das Universum des David Lynch, Kiel, Ludwig, 1998.

[5] Zie Thierry Jousse, Lost Highway. L’isolation sensorielle selon Lynch, in: Cahiers du Cinéma nr. 511, maart 1997, p. 58.

[6] Michel Chion, David Lynch, Bloomington, Indiana University Press, 1994, p. 150.

[7] De signaal-ruisverhouding is een ratio die de verhouding uitdrukt tussen de eigenlijke signaalinhoud en de ruis die geproduceerd wordt door het medium dat het signaal overbrengt (bijvoorbeeld de kabel).

[8] In The Elephant Man speelt het astmatische ademen van John Merrick een centrale rol in het geluidsontwerp.

[9] Over het theaterpodium dat in één of andere vorm terugkeert in iedere Lynch-film, zie Eckhard Pabst, “He will look where he cannot.” Raum und Architektur in den Filmen David Lynchs, in: Pabst (ed.), op. cit. (noot 4), pp. 11-30.

[10] De goochelact van de regisseur is echter geen onschuldige truc, dat maakt de rest van de film wel duidelijk. Hollywood wordt geassocieerd met duivelse krachten (Mr. Roque, een zwijgende dwerg in het lichaam van een volwassen man), die via tussenpersonen (de Cowboy, een Hollywoodarchetype) hun machtsnetwerk in de filmbusiness uitbreiden. De industriële realiteit van Hollywood wordt net zo goed ‘geproduced’ als een filmrol gecast wordt; de illusiemachine, die een politieke machine is, plant een economische realiteit en voert ze uit.

[11] Het concept van ‘recasting’ komt ter sprake in Michael Henry, Entretien David Lynch. Désirer l’idée, in Positif nr. 490, december 2001. In dit interview zegt Lynch onder meer: “De acteur gaat van de ene rol naar de andere. Hij zal honderd verschillende personages spelen. Is dat niet zijn roeping?” (p. 87).

 

Illustraties: stills uit Blue Velvet (pagina 25 en 27) en Mulholland Drive (pagina 26).

Beelden schieten, schaduwen werpen

Het in elkaar grijpen van geheugen en verbeelding in relatie tot beelden is een van de centrale thema’s van Fiona Tans videowerk Linnaeus’ Flower Clock (1998). Voor deze video gebruikte zij voornamelijk gevonden filmmateriaal. Het werk begint met een lijst namen van bloemen en de tijdstippen van de dag waarop ze openen en sluiten. Voor elk uur van de dag is er een bloem, waardoor alle bloemen samen een volledige cyclus van de klok vormen. Toch roepen deze beelden geen cyclische conceptie van het leven op; ze suggereren eerder dat de dingen, in de woorden van Rilke die aan het einde worden geciteerd, “leven door te sterven”. Die gedachte wordt geëxpliciteerd door de versnelde filmbeelden van bloeiende papavers waarvan de knoppen binnen een tijdspanne van enkele seconden open en weer dicht gaan. De beelden van de bloeiende papavers, die meermaals worden herhaald, suggereren niet zozeer dat voorbijgaan een vorm van sterven is, maar sterven een vorm van voorbijgaan.

Het werk wisselt videobeelden af met korte teksten die tegen een zwarte achtergrond zijn geplaatst. De tekst die onmiddellijk volgt op de beelden van de papavers, vraagt om een allegorische interpretatie:

The passing of these pictures is part of their nature.

De papavers worden een organische metafoor voor de levensduur van beelden. Volgens deze allegorische lezing is het onmogelijk om mentaal beslag te leggen op beelden, want beelden verschijnen en verdwijnen; ze bloeien en vergaan net als bloemen. Een andere tekst vertelt ons dat er ogenblikken zijn, gelukkige ogenblikken, waarop we zouden wensen “for clocks to stop ticking”. We proberen ons tevergeefs aan die ogenblikken vast te klampen, maar het enige wat we kunnen doen, is een beeld ervan oproepen: “Like a child who wishes the same story to be told over and over, I repeat in my head my favourite scenes.” De video toont het voorbijgaan van dingen en beelden als iets ‘natuurlijks’, en onze enige troost berust erin om de geliefde beelden voor de geest te halen.

Andere fragmenten suggereren echter dat de herhaling van beelden geen passief gebeuren is, maar een uiterst actieve en creatieve handeling. We zien verschillende keren archiefbeelden van jonge mannen die van een springplank duiken. Vervolgens zien we beelden van Tan zelf, die eveneens in het water duikt, maar dan met haar gezicht naar achteren. De frappante juxtapositie van bestaande en zelfgemaakte beelden beklemtoont Tans keuze om zich binnen het beeld te situeren. Zoals Alice in Wonderland heeft ze toegang gevonden tot een imaginaire wereld. Ze eigent zich de oude beelden toe, en neemt die op in haar heden. Daarvoor moet ze echter achteruitkijken; met de blik op het verleden haalt ze oude beelden naar het heden.

Verre werelden en gebeurtenissen worden niet op afstand gehouden; de beelden daarvan worden getoond als dingen die opkomen en verdwijnen in het heden. Dit impliceert dat de herinnering en de verbeelding niet meer worden opgevat alsof ze in tegengestelde richting verlopen, de eerste gericht op het verleden, de tweede op de toekomst; beide worden voortaan gezien als een reeks beelden die ‘voorbijkomen’. Men kan de herinnering zelfs opvatten als iets dat in de toekomst plaatsgrijpt en gericht is op het heden. Dit in elkaar grijpen van geheugen en verbeelding wordt gearticuleerd in relatie tot beelden. In Linnaeus’ Flower Clock luidt het als volgt:

I try to imagine what I will remember in 30 years.

En zo mogelijk nog raadselachtiger:

I try to remember

what I will imagine in 30 years.

Linnaeus’ Flower Clock is in eerste instantie een film over liefde en verliefd zijn. Tegelijkertijd biedt hij een reflectie op het vertrouwen dat we in beelden stellen om onze werkelijkheid te construeren en te beleven. Met beelden bedoel ik met name het fotografische en filmische beeld. Het is immers vooral sinds de uitvinding van de fotografie en de film dat het beeld een specifiek epistemologische functie heeft gekregen. Terwijl schilderijen en tekeningen tot dan toe vooral als instructieve of idealiserende modellen hadden gediend, of als objecten van bewondering, gingen fotografische en filmische beelden spoedig functioneren als instrumenten om kennis te verwerven en de werkelijkheid te vatten. Het samenbrengen van beelden in een foto- of filmarchief is in die zin een manier om de wereld te verzamelen.

De opvatting dat fotografie en film objectieve informatie over de werkelijkheid verspreiden, beheerst meer dan ooit onze alledaagse omgang met beelden. In Linnaeus’ Flower Clock maar ook in andere werken stelt Fiona Tan alles in het werk om dit ‘beeld van het beeld’ op de proef te stellen. Ze betoogt langs visuele weg dat beelden hun substantie niet halen uit de realiteit, maar dat wij onze werkelijkheid substantie geven door middel van beelden. Deze omkering brengt met zich mee dat het beeld en de realiteit niet op zichzelf staan. Het beeld wordt in het werk van Tan consequent getoond als iets relationeels. In haar documentaire Kingdom of Shadows drukt ze dat als volgt uit: “An image does not exist without eyes that look at it. Thus the act of looking is the act of creating.” Deze opmerking kan als vertrekpunt worden gezien voor al haar werken. Ze werkt dit uitgangspunt op verschillende manieren uit, waarbij ze uiteenlopende functies van het beeld, en verschillende manieren om zich tot het beeld te verhouden, op de proef stelt.

Een belangrijk thema in het werk van Tan is bijvoorbeeld de verhouding tussen beeld en identiteit, in het bijzonder culturele identiteit. Ze problematiseert de onveranderlijkheid van culturele identiteit. Zelf is ze een migrant. Fiona Tan werd geboren in Indonesië als dochter van een Chinees-Indonesische vader en een Australische moeder. Ze bracht haar jeugd door in Australië, maar trok op achttienjarige leeftijd naar Europa om er te gaan studeren. Momenteel woont ze in Amsterdam. In haar documentaire May You Live in Interesting Times (1997), gemaakt voor de Nederlandse televisie, ondernam ze een zoektocht naar haar eigen culturele achtergrond en identiteit, een tocht die voerde door onder meer Australië, Indonesië, Hong Kong en China.

Op het eerste gezicht wordt de documentaire van Tan volledig beheerst door deze epistemologische queeste. In dit verband kan de film worden vergeleken met de roman The Joy Luck Club (1989) van haar Amerikaanse naamgenote Amy Tan. In dit boek tracht de verteller haar culturele achtergrond te achterhalen door te graven in de Chinese identiteit van haar moeder. Zowel in de roman van Amy Tan als in de documentaire van Fiona Tan willen de vertellers hun culturele identiteit kennen en meedelen door die te herleiden naar de oudere generaties in hun families en naar hun vaderland. Tot zover lopen tijd en plaats samen: terugblikken betekent op zoek gaan naar het thuisland, en vice versa. Bij nader inzien is de queeste van Fiona Tan echter minder rechtlijnig dan men zou denken. De documentaire doet geregeld een beroep op verschillende soorten representaties, zoals familiefoto’s, uittreksels uit haar dagboek, en opnames van een videomonitor die beelden herneemt die we kort tevoren nog als deel van de reportage zagen. Daarmee brengt ze in haar documentaire een reflexiviteit binnen die de verhouding tussen representatie en (culturele) identiteit centraal stelt. De film suggereert meer bepaald dat mensen hun identiteit aan beelden ontlenen. Dat is één van de redenen waarom we bepaalde beelden koesteren: we gebruiken beelden om tot een voorstelling van onszelf te komen.

De rol van beelden is dus niet langer epistemologisch maar constitutief. Deze afwijkende houding ten aanzien van de relatie tussen representatie en culturele identiteit treft men ook aan in een beduidend aantal ‘autobiografische’ teksten door migranten. Zo voert de autobiografische roman van Maxine Hong Kingston, The Woman Warrior (1976), een protagoniste op die niet zozeer worstelt met de moeilijkheid om de Chinese cultuur van haar ouders, of de Amerikaanse cultuur waarin ze leeft, te begrijpen, maar die worstelt met het feit dat ze zich met geen enkele wereld of culturele identiteit verbonden weet, laat staan met een identiteit die – adequaat of niet – gerepresenteerd zou kunnen worden. Door middel van haar verhaal poogt ze een continuïteit te scheppen met de culturen die haar omringen. Vandaar dat het in dit geval niet gaat om de waarachtigheid of geloofwaardigheid van de autobiografische vertelling, maar veeleer om de performatieve effectiviteit ervan. Uiteindelijk komt ook Fiona Tans documentaire tot deze conclusie. Tan verklaart in deze film het volgende: “It started off as a search, now it feels as if I’m constantly in search of my search.” Op dat moment krijgen de opnames waarin zij kijkt naar beelden die ze zelf genomen heeft, een diepere betekenis. Het is in het beeld dat ze haar speurtocht op het spoor kan komen. Tans film documenteert niet haar zoektocht naar een identiteit; veeleer geldt dat het maken van de film de zoektocht vormt waaraan ze haar identiteit ontleent.

Tans uitdaging van de epistemologische rol van het beeld beperkt zich niet tot het benadrukken van de constitutieve rol van het beeld in de vorming van een culturele identiteit. Haar video’s en films compliceren ook de relatie tussen het beeld en de kijker, door de aandacht te vestigen op de context waarin beide vertoeven – zowel in institutionele zin als in termen van een specifieke plaats en tijd. Ze benadrukt de tijd en de plaats door de keuze en de volgorde van de beelden. Vaak gebruikt ze archiefbeelden, waarmee ze refereert aan het filmische discours van de reiziger en de etnograaf. Ze kiest beeldmateriaal dat verwijst naar verafgelegen plaatsen en culturen, materiaal dat nadrukkelijk oud is, niet alleen door het discursieve kader maar ook doordat de beelden zelf een gevoel van ouderdom oproepen. Dit wordt nog versterkt doordat Tan het oude materiaal met nieuwe beelden van zelfreflectie combineert. We zien opnames van een iris, van een cameraman, en soms van de kunstenaar zelf. Dergelijke beelden installeren een reflexief bewustzijn van de operaties van de camera. Alle video’s en films van Tan vormen een bespiegeling over de manier waarop uiteenlopende media telkens specifieke relaties tussen kijker en beeld doen ontstaan. In zijn essay over Tan verwoordt Stephan Schmidt-Wulffen dit als volgt: “De vraag ‘wie ben ik’ kan nooit beantwoord worden zolang men niet in aanmerking neemt wie de vraag stelt, wanneer en in welk medium dit gebeurt, en wie er toekijkt.” [1]

In tegenstelling tot de centrale figuur in Tans documentaire May You Live in Interesting Times, moeten de personages die in haar video’s bezig zijn met het bekijken, selecteren en opnieuw opnemen van oud filmmateriaal, niet als echte migranten worden gezien. Deze centrale figuren stellen de subjectieve instanties voor die inherent zijn aan beelden en teksten in ieder willekeurig medium. Het werk bestaat in die zin uit een metadiscours over de aard van het beeld en over de vraag welke aspecten van het medium beslissend zijn voor het beeld.

 

Beelden die de context van de kijker tonen

Op het eerste gezicht doet Tans video Facing Forward niets anders dan achteruitkijken. De film, die beelden ontleent aan verschillende vormen van filmisch discours, bestaat volledig uit koloniaal en etnografisch archiefmateriaal. Hij opent met een beeld van een koloniaal groepsportret: we zien rijen van militaire functionarissen en burgers, omringd door hun ‘inheemse’ ondergeschikten. Ze staan voor de camera, klaar om visueel te worden toegeëigend. Het daaropvolgende archieffragment behoort tot een ander genre, de etnografische film. Een rij mannelijke stamleden poseert voor de camera. De video bevat meer van dat soort scènes die ‘inboorlingen’ tonen uit uiteenlopende exotische culturen: Indonesische, Japanse, Chinese en Afrikaanse. Het wetenschappelijke voorwendsel van dit type film wordt expliciet op het moment dat de poserende ‘inboorlingen’ op verzoek ronddraaien, om hun lichaam van voren, van achteren en van opzij te laten zien. Een derde filmgenre dat Tan in deze video heeft verwerkt, is eerder van toeristische aard. Archiefbeelden tonen een Indonesische stad met voetgangers, fietsers en auto’s – kortom, het straatleven in de kolonie. Er is niemand die voor de camera poseert; willekeurig gekozen personen worden gefilmd.

De drie genres die zo naast elkaar worden gezet, tonen verafgelegen plekken en culturen. Ze zijn bovendien archivarisch: het gaat om plekken uit het verleden. Nochtans bevat de video ook materiaal van een fundamenteel andere aard. Twee keer krijgen we plotseling archiefbeelden van een filmende cameraman te zien. In relatie tot het andere filmmateriaal, fungeren deze beelden als ‘tegen-shots’, als suture. [2] Toch zijn ook deze beelden historisch. Wij, de beschouwers van deze film, worden maar ten dele aangespoord om ons met de cameraman te identificeren. Ook wij kijken, maar niet noodzakelijk op dezelfde manier als zij dat lang geleden deden. De context van waaruit wij kijken is verschillend.

 Facing Forward kan worden gezien als een visueel archief. De beelden zijn oud; de volgorde waarin de uiteenlopende beelden zijn ondergebracht, is arbitrair. Met elkaar vormen ze geen verhaal. Door haar video op te vatten naar het voorbeeld van het visuele archief, relateert Tan haar werk aan een epistemologisch instrument dat een belangrijke plaats bekleedt in de westerse traditie. In zijn essay The Archive without Museums stelt Hal Foster dat visuele archieven die beelden van de meest uiteenlopende culturen bevatten, een universele kijker-consument veronderstellen, die wellicht de ultieme afstammeling is van het humanistische subject dat traditioneel met de Renaissance wordt geassocieerd. [3] Dit subject observeert de wereld vanuit haar middelpunt; de wereld is een beeld om te bekijken. Heidegger zegt daarover het volgende:

De voor het wezen van de moderne tijd beslissende verstrengeling van beide processen, dat de wereld tot beeld en de mens tot subject wordt, werpt tevens een licht op wat op het eerste gezicht een bijna absurd grondproces van de moderne geschiedenis is. Inderdaad, hoe omvattender en hoe krachtiger de wereld als de veroverde ter beschikking staat, des te objectiever verschijnt het object en des te subjectiever, dat wil zeggen des te dwingender verheft zich het subject en des te onweerstaanbaarder verandert de wereld-beschouwing en de wereld-leer in een leer van de mens, in een antropologie. Geen wonder dat pas daar waar de wereld tot beeld wordt het humanisme opkomt. [4]

Volgens Heidegger zag de moderne mens het daglicht toen de wereld aan een visuele praktijk werd onderworpen en in een beeld veranderde. Tan zoekt aansluiting bij deze traditie van het visuele archief, maar ondergraaft tegelijk de repercussies ervan door het cultureel specifieke, observerende subject in het beeld op te nemen. De beelden van de cameraman die de culturele ‘ander’ filmt, vormen het radicale keerpunt in Facing Forward. Door deze opnames in te lassen, reveleert Tan het visueel onbewuste van het humanistisch-epistemologische regime: om de wereld aan zijn blik te onderwerpen, moet het subject immers het centrum bezetten en dus zelf buiten beeld blijven. De idee van een visueel onbewuste krijgt een scherp en tegelijk komisch accent door de speelse ‘indianenveren’ die de blanke cameraman op zijn achterhoofd heeft gestoken. Flirtend met empathie, zoals spelende kinderen, kan hij niet weerstaan aan de drang om de infantiele impuls te ‘verbeelden’ die in het verlangen schuilt om indiaantje te spelen, om eruit te zien als die ander die de westerse mens fascineert.

Heidegger beschouwt de antropologie als de richtinggevende discipline voor het humanistische visuele regime en de notie van subjectiviteit waar dat regime op berust. Tans gebruik van etnografisch en koloniaal archiefmateriaal is dus verre van willekeurig. Dergelijk beeldmateriaal is exemplarisch voor het begrip van het beeld dat ze wil ondervragen en compliceren. Het verbaast niet dat het engagement van de kunstenaar Tan met het etnografische visuele discours een echo krijgt in een groeiende interesse van de antropologie voor beeldende kunst. Tijdens de laatste twee decennia zijn antropologen zich daadwerkelijk gaan richten naar het voorbeeld van kunstenaars. Ze begonnen aan ‘kunstenaarsnijd’ te lijden. “Op het moment dat de antropologie aan zelfreflectie begon te doen, werd de kunstenaar het toonbeeld van formele reflexiviteit: een zelfbewuste lezer van cultuur-opgevat-als-tekst.” [5] James Clifford is een van de belangrijkste aanspoorders van deze nijd. De introductie van het tekstuele model binnen de antropologie zorgde voor een fundamentele verandering in de visie van antropologen op wat ze doen wanneer ze observaties ‘verrichten’. Om die reden kon de etnografische tekst niet langer worden opgevat als een tekst in de derde persoon met een externe verteller. Observatie werd niet meer gezien als een neutraal, maar als een interactief proces, dat het product of resultaat van de observatie mede bepaalde. In de woorden van Clifford:

 ‘Culturen’ staan niet stil om geportretteerd te worden. Pogingen om ze daartoe te dwingen, leiden altijd tot simplificatie en uitsluiting, tot de selectie van een temporeel raamwerk, tot de constructie van een particuliere verhouding tussen het zelf en de ander, en tot het opleggen of ontkennen van een machtsrelatie. [6]

Door deze zelfbespiegeling veranderde de etnograaf-als-gemachtigde-observator in een persoon die representaties van culturen construeert. Terwijl het etnografische project er voordien uit had bestaan om de ander te observeren en in beeld te brengen, begon de antropologie nu afstand te nemen van haar impliciet ‘visualisme’ en haar vertrouwen in observatie. Het discours van observatie en visualiteit werd geruild voor een discours van dialoog en, nog later, performance. [7]

In relatie tot het werk van Fiona Tan leidt dit echter tot een paradox. Toen etnografen aan kunstenaarsnijd begonnen te lijden, werden zij niet geïnspireerd door het visuele karakter van de kunst, maar juist door een fascinatie voor haar geconstrueerde aspecten. Het gevolg was niet een versterking van het impliciete visualisme van de antropologie, maar een radicale ondergraving van de participantobservatortraditie. In haar kritische bevestiging van het etnografische materiaal, zweert Tan het beeld echter niet af. Zij bant de visualiteit niet uit, maar gebruikt het beeld op zo’n manier dat de kijker en zijn context niet langer buiten beeld blijven. In Facing Forward doet ze dit op een bijzonder subtiele en poëtische manier.

Tan gebruikt in Facing Forward twee strategieën om een naïef gebruik van archiefbeelden die ‘de ander’ tonen, te compliceren. Naast het tussenvoegen van zogenaamde tegen-shots (de beelden van een cameraman), wordt een tweede reflexief niveau geïntroduceerd door een voice-over die citeert uit Italo Calvino’s boek De onzichtbare steden. [8] De voice-over beschrijft hypothetische conversaties tussen de reiziger Marco Polo en de keizer Kublai Kan. De keizer vraagt zijn gast of zijn begrip van zichzelf, van de wereld en van zijn plaats binnen de wereld, onvermijdelijk berust op zijn eigen geschiedenis. De vragen aan Marco Polo typeren de gecompliceerde verhouding tussen de migrant en de beelden en verhalen uit het verre vaderland:

 “In gedachten antwoordde Marco Polo […] dat, hoe meer hij ronddwaalde in onbekende wijken van verre steden, des te beter hij de andere steden begreep waar hij al door was getrokken om uiteindelijk daar aan te komen […].” Op dit punt onderbrak Kublai Kan hem […] met een vraag als: “Ga jij vooruit, met je hoofd altijd naar achteren gewend? Wat je ziet, ligt dat altijd achter je? Speelt jouw reis zich alleen in het verleden af?” Dit alles opdat Marco Polo uit zou kunnen leggen […] dat wat hij zocht altijd iets vóór hem was, en ook al ging het over het verleden, dan was dat een verleden dat veranderde met het vorderen van zijn reis […]. Bij aankomst in iedere nieuwe stad vindt de reiziger iets van zijn verleden terug waarvan hij niet meer wist dat hij het had: de vreemdheid van dat wat je niet meer bent of wat je niet meer bezit wacht je op het moment dat je vreemde en niet eerder bezeten plaatsen betreedt.

Plaatsen uit het verleden worden heropgevoerd op de plekken waar Marco Polo in het heden arriveert. Verleden, heden en toekomst vormen voor hem geen lineaire continuïteit meer; het verleden kan enkel in het heden of in de toekomst worden bereikt. Tan maakt op die manier duidelijk dat de status van plaatsen die men in het verleden bezocht heeft, niet reëel maar per definitie ingebeeld is. Maar niet alleen de status van plekken uit het verleden is veranderd; ook het heden en de toekomst zijn getransformeerd tot schermen waar de ingebeelde plekken van het verleden op worden geprojecteerd. Vandaar dat zelfs het heden een imaginaire kwaliteit krijgt. Marco Polo wordt niet enkel uit het verleden ontzet, maar ook uit het heden. Dit wordt duidelijk wanneer de voice-over voor de tweede keer uit Calvino’s roman citeert:

Nu is Marco Polo inmiddels uitgesloten van dat echte of hypothetische verleden. Hij kan niet stoppen, hij moet verdergaan tot aan een andere stad waar hem een ander verleden wacht […]. “Reis jij om je verleden opnieuw te beleven” was op dit punt de vraag van Kublai Kan, een vraag die ook zo geformuleerd had kunnen worden: “Reis je om je toekomst terug te vinden?”

Verleden en heden vormen een niet te ontwarren knoop in het subject, dat zich tot het heden verhoudt door zich zowel steden uit het verleden als uit de toekomst voor te stellen. Maar om tot deze voorstelling te kunnen komen, is Marco Polo afhankelijk van de stad waar hij arriveert of verblijft in het heden. Het is in het licht van de actuele stad dat de stad uit het verleden ‘opnieuw beleefd’ of ‘herwonnen’ wordt.

Deze conclusie wordt erg concreet aan het einde van Tans video, wanneer de aftiteling vermeldt dat al het archiefmateriaal afkomstig is uit het Filmmuseum in Amsterdam. Hoe moeten we dit interpreteren? Weliswaar moet Facing Forward als fictie worden gezien en niet als Tans autobiografische relaas over haar ingebeelde plaats van herkomst, maar het is toch veelzeggend dat de verafgelegen plaatsen en culturen die we te zien krijgen, volledig afhangen van de geschiedenis van de plek waar Tan nu leeft, namelijk Amsterdam. Ze zou dit werk nergens anders gemaakt kunnen hebben. Het materiaal dat door het Nederlandse Filmmuseum verzameld wordt, is voor het grootste deel Nederlands, het is verbonden met de Nederlandse geschiedenis en de Nederlandse filmproductie. Derhalve zijn de Nederlandse koloniale geschiedenis en de bijzondere relatie die Nederland in het verleden met Japan onderhield, beslissend voor de aard van de plaatsen uit het verleden die konden worden verbeeld in dit videowerk. Als we dus de identiteit van de migrant opvatten als een door imaginaire identificatie gekenmerkte relatie met een oorspronkelijke plaats, het zogenaamde vaderland, dan leveren de historische dimensies van de plek waar die inbeelding plaatsvindt op een radicale wijze het kader voor die ingebeelde oorsprong. De plaats die van primair belang is voor de migrant die plaatsen uit het verleden laat herleven, is de plaats waar hij of zij in het heden verblijft. Als ik naar Facing Forward kijk, dan kijk ik terug op het verleden via de actualiteitsgebonden en toekomstgerichte verzamelpolitiek van het Nederlandse Filmmuseum in Amsterdam. Uiteindelijk zie ik niets anders dan Amsterdam. En het is in het aanzien van Amsterdam dat voorbije en afgelegen plaatsen mij opwachten.

 

Schaduwen op het beeld

Het zogenaamde objectkarakter van beelden wordt treffend weergegeven door de uitdrukking ‘plaatjes schieten’ [to shoot an image]. Deze zegswijze leert ons dat de transformatie in een beeld wordt voltrokken door een agressieve handeling – het schieten – die resulteert in een visueel spektakel, een beeld.

De uitdrukking heeft ook een narratieve versie: het mythische verhaal van de heilige Sebastiaan. Sebastiaan, die leefde in de derde eeuw na Christus, was een officier in de garde van de Romeinse keizer Diocletianus. Toen men ontdekte dat hij zich tot het christendom had bekeerd, beval de keizer hem door boogschutters ter dood te brengen. Hij werd doorboord met pijlen en voor dood achtergelaten op het Marsveld. Na een tijd bleek echter dat hij nog in leven was. Een weduwe, de heilige Irene, ontfermde zich over hem en door haar liefdevolle zorg herstelde hij; maar toen de keizer dit ontdekte, werd Sebastiaan – dit keer met succes – gedood met stokken. Het verhaal werd enorm populair in de westerse kunst, voor een deel omdat het de gelegenheid bood om het mannelijke lichaam in een visueel spektakel te transformeren. In de schilderkunst, beeldhouwkunst en fotografie wordt steeds hetzelfde typerende moment afgebeeld: het mooie lichaam van een jongeman doorboord met pijlen. [9] Ook hier resulteert het schieten – met pijlen – in een visueel spektakel. De mannelijkheid van Sint-Sebastiaan mag dan gebroken zijn, het beeld van dit krachteloze lichaam is indrukwekkender dan ooit. In de twintigste eeuw zou deze traditie een uitloper krijgen in de homosubcultuur, waar voorstellingen van Sint-Sebastiaan zeer populair werden. Net als de uitdrukking ‘plaatjes schieten’ verbindt het verhaal van Sint-Sebastiaan op een veelzeggende manier het schieten met het kijken: een schot is succesvol wanneer het exact de plaats raakt waar het oog naar kijkt. De impact van de scène van Sint-Sebastiaan steunt op de veronderstelling dat een aantal blikken buiten beeld het doorboorde lichaam in het vizier nemen.

Nemen we deze populaire traditie van Sint-Sebastiaanvoorstellingen in overweging, dan is Fiona Tans videoinstallatie Saint Sebastian (2001) in alle opzichten verrassend. Er valt geen prachtig mannelijk lichaam te bewonderen, er is geen Sint-Sebastiaan en er is evenmin sprake van mannelijke boogschutters. Zelfs de scène die het minst vaak gebruikt wordt om dit verhaal weer te geven – Irene die het verwonde lichaam van Sebastiaan verzorgt – is niet te herkennen. In plaats daarvan zien we Japanse vrouwen in traditioneel kostuum met pijl en boog schieten. De installatie bestaat uit een groot scherm dat diagonaal in het midden van de tentoonstellingsruimte is gehangen. Aan weerszijden van het scherm is een andere projectie te zien. Aan de ene kant zien we de Japanse vrouwen meestal schuin van achteren. We worden uitgenodigd om met hen mee te kijken, hoewel we nooit het object van hun blik te zien krijgen. Aan de andere kant van het scherm zien we dezelfde vrouwen, maar dit keer zoomt het beeld meer in op het gelaat. Terwijl we aan de ene kant met hen kijken, kijken we aan de andere kant naar hen, dat wil zeggen: we zien hoe zij kijken. Men zou kunnen zeggen dat de twee zijden van het scherm twee verschillende visuele posities vertolken in relatie tot de blikken van de vrouwen.

Inderdaad, deze vrouwen schieten. We zien hoe ze een object in het vizier nemen, maar we zien niet welk object. Ze staan in een rij. De ene na de andere maakt zich klaar voor haar beurt. We zien hoe ze zich concentreren. De beelden tonen alleen close-ups: van het bovenste deel van hun lichamen, van hun gezichten, hun haar, de spelden in hun haar, van hun handen die de boog spannen. Hoewel alles wat we zien buitengewoon mooi is, wordt ons oog niet door die schoonheid geraakt. Deze close-ups benadrukken dat de concentratie waarmee deze vrouwen hun pijlen afschieten, niet tot de handeling zelf beperkt is. Ze hebben zich gekleed met evenveel concentratie als ze in het schieten zelf aan de dag leggen – zich kleden is een bijkomende voorbereiding op het boogschieten.

Doordat de camera nooit afstand neemt van de vrouwen, distantieert Tan zich nog op een andere, agressieve manier van de traditie van Sint-Sebastiaanvoorstellingen. Die traditie impliceert immers dat we altijd het gehele lichaam te zien krijgen. De kijker wordt in een positie gebracht waarin hij het lichaam van de heilige in zijn geheel of in delen onder de loep kan nemen. We kunnen het lichaam visueel koloniseren en daar plezier aan beleven. Maar door enkel close-ups te tonen, frustreert Tan een dergelijke blik. Door enkel details te tonen, losgekoppeld van het geheel, wordt onze blik weggeleid van de vrouwen als geobjectiveerde wezens, als prachtige lichamen.

De notie van het geobjectiveerde beeld wordt echter niet enkel door de beelden op de proef gesteld, maar ook door de visuele verhaallijn. Vanaf het moment dat de vrouwen zich beginnen te concentreren tot het moment dat ze effectief schieten, blijven staan en kijken, verandert hun gelaatsuitdrukking nauwelijks. En in zoverre er minieme expressies in hun gezicht zijn te onderscheiden, weten we niet hoe deze te interpreteren. Niets op hun gezicht of in hun gebaren verraadt of hun schoten succesvol waren of niet. Het is alsof het richten en schieten geen doel had; alsof het succes van hun schoten niet afhankelijk was van het raken van een specifiek object.

Deze suggestie wordt kracht bijgezet door de klank. De muziek treedt op als een index van de spanning die de concentratie van de vrouwen met zich meebrengt, maar die spanning wordt in de klankband op geen enkel moment losgelaten, ook niet nadat de vrouwen hun pijlen hebben afgevuurd. De continuïteit in de klank en de gezichtsuitdrukking (of het gebrek aan uitdrukking) suggereert dat hun kijken en schieten niet gericht is op een object, maar verwikkeld is in het kijken als een intransitieve activiteit.

Hun blik lijkt daarmee op een ander optisch paradigma te berusten, een paradigma dat op een doeltreffende wijze is beschreven door Roland Barthes in zijn boek over fotografie, La chambre claire. Barthes vindt deze blik terug in foto’s waarin iemand de kijker rechtstreeks in de ogen kijkt. Wanneer hetzelfde in een film gebeurt, is het effect volkomen anders; in een film wordt de blik die zich rechtstreeks tot de camera wendt, onmiddellijk in de narratieve opeenvolging van beelden ingebed, om deel te worden van de illusionistische wereld van de film. De fotografische frontale blik heeft echter iets paradoxaals. Barthes beschrijft die paradox door te verwijzen naar een herkenbare situatie uit het alledaagse leven. Een jongen komt een bar binnen en laat zijn blik over de aanwezige mensen glijden. Barthes realiseert zich dat de blik van de jongen maar een fractie lang op hem heeft gerust. Hoewel de jongen naar hem keek, weet Barthes niet zeker of hij hem ook werkelijk gezien heeft. Hoe kunnen we kijken zonder te zien? Deze paradox treffen we aan in de fotografische blik:

Men kan zeggen dat de fotografie de opmerkzaamheid scheidt van de waarneming, en enkel de eerste aanbiedt, ook al is die onmogelijk zonder de laatstgenoemde; het is iets buitenissigs, een noèsis zonder noèma, een denkact zonder een gedachte, een gerichtheid zonder een doelwit. [10]

De fotografische blik is weerspannig omdat de aandacht van de blik wordt ‘opgehouden’ door iets inwendigs. De blik wordt opgeschort. Hoewel de ‘scopische setting’ in Tans videoinstallatie weinig te maken heeft met Barthes’ frontale pose, lijkt zijn karakterisering van de fotografische blik van toepassing op de manier waarop de vrouwen in haar video de aandacht voor het object van hun blik afhouden. Dit opschorten van de blik verplaatst onze aandacht naar wat in de vrouwen omgaat – naar hun ‘inwendig zien’, een ‘zien’ dat verband houdt met wat ik hierboven Tans relationele definitie van het beeld heb genoemd. In haar documentaire Kingdom of Shadows, karakteriseert Tan dit ‘zien’ als volgt: “By looking at photographs, my imagination throws its own shadows.” In Scenario, een recent gepubliceerd boek over haar werk, citeert Tan een tekst van Esma Moukhtar om te illustreren hoe het subject en het object van de blik – anders gezegd: van de kijker en het beeld – in elkaar verweven zitten.

De betekenis van een beeld blijft altijd verborgen. Wat in beeld is, verkrijgt zijn betekenis doordat het berust op wat achter de scène met het beeld gebeurt. Wat het ook is dat de maker in beeld brengt, het is zelf niet zichtbaar. Achter de zichtbare beelden verbergt zich een complex van volkomen persoonlijke interpretaties en betekenissen. Zelfs wat de kijker ziet en ervaart, is onzichtbaar. Op zijn beurt legt de kijker aan het beeld betekenissen op die door niemand anders kunnen worden waargenomen. Wat het beeld zelf is, en wat onze verbeelding is – het beeld kan die vraag niet beantwoorden. [11]

Het beeld wordt gekarakteriseerd als een ontmoetingsplaats van twee krachten die elk op zich onzichtbaar zijn. De verbeelding is onzichtbaar, niet omdat zij verborgen is, maar omdat ze op zich geen ‘substantie’ heeft. Ze heeft beelden nodig om in de wereld te komen, om zichtbaar te worden en gezien te worden. Toch valt ze niet samen met het beeld.

Het is precies dit onderscheid tussen beeld en verbeelding (tussen het schieten van beelden en het werpen van schaduwen), dat – vanuit zijn onzichtbaarheid – zichtbaar gemaakt wordt in Tans Saint Sebastian. De kijker is doordrongen van de geconcentreerde blik van de vrouwen. Deze blik leidt ons niet naar het object waar de blik zich op richt – niet enkel omdat het object zich buiten het kader van het beeld ophoudt, maar ook (en eerder) omdat deze blikken hun eigen verbeeldende kwaliteit affirmeren.

 

Beelden die beelden opwekken

De wijze waarop beelden de verbeeldende dimensie van de blik stimuleren, wordt ook verkend in de video- en filminstallatie Lift  (2000), en dit met wederom verschillende resultaten. Het werk suggereert niet alleen dat de blik zijn schaduw over het beeld werpt, maar dat verschillende soorten beelden ook nog eens verschillende soorten schaduwen creëren. De installatie bestaat uit een videomonitor waarop we in kleur bewegende beelden zien van de voeten van een persoon die van de grond is getild. In dezelfde ruimte is een grote projectie van een figuur te zien die wordt opgetild door een groot aantal reusachtige ballonnen. Deze beelden zijn in zwart-wit. De figuur zweeft tegen een achtergrond van bladerloze bomen en open lucht, terwijl de zwevende benen op de monitor alleen de harde bodem als achtergrond hebben. Geen van de beelden wordt door geluid begeleid.

Het effect van de grote projectie op de kijker lijkt te worden versterkt door de open lucht, of door het feit dat deze beelden vrijwel geen horizon te zien geven. De kijker is zich niet langer bewust van het kader van het beeld: hij of zij maakt er deel van uit. De afwezigheid van geluid en kleur draagt bij aan het dromerige effect. We zijn in een soort visueel vacuüm beland. Vreemd genoeg leidt de positie ‘binnen’ het beeld ons af van wat we in de beelden zien. Het beeld herinnert ons aan fantasieën dat we konden vliegen als een vogel, of aan andere beelden van vliegende of zwevende figuren, zoals Winnie de Poeh die met een ballon de lucht in vloog, of de mythische figuur Icarus die zich zo hoog waagde dat de hitte van de zon de was van zijn kunstmatige vleugels deed smelten, waardoor hij neerstortte. Terwijl dergelijke voorstellingen symbool staan voor de fantasmatische vlucht van de verbeelding, lijken ze tegelijk datgene op te wekken wat ze tonen: de blik van de kijker gaat zweven en hij begint zich films en beelden uit het verleden te herinneren.

De beelden die op de monitor worden getoond, hebben bijna het omgekeerde effect. Het kleine formaat van de monitor en de kleur van de beelden stimuleren een andersoortige blik. Hoewel we zwevende voeten zien, willen we het beeld een grond onder de voeten geven, en willen we te weten komen hoe het kan dat deze voeten zweven. Terwijl het grote formaat van de projectie bijna letterlijk bevrijdend werkt, omdat we opgenomen worden in een andere dimensie, geeft het kleine formaat van het beeld op de monitor ons het gevoel buitengesloten te zijn. Dit betekent niet dat de schaduwen die de kijker op deze beelden werpt minder intens zouden zijn. Maar ze hebben een ander karakter: eerder epistemologisch dan fantasmatisch, en eerder gerelateerd aan een uitwendig dan aan een inwendig zien.

Een andere installatie, ook met de titel Lift, bestaat uit drie stilstaande videobeelden op drie aparte monitors, waarvoor Tan hetzelfde fantasmatische motief van de ballon gebruikte. In de eerste still zien we een kind in een park met een enorme rode ballon. In de tweede still zien we twee kinderen, opnieuw met grote rode ballonnen. In de derde still echter zien we een Indiase jongen met een rode tulband. In zijn hand houdt hij iets wat het koord van een ballon zou kunnen zijn, maar de ballon zelf blijft buiten beeld. In deze reeks beelden lijkt de rode tulband dezelfde functie te hebben als de rode ballonnen: beide evoceren het domein van de fantasie. In het geval van de rode tulband wordt dit fantasmatische echter toegewezen aan de plek waar het zich effectief situeert: niet in de lucht maar in het hoofd, in de verbeelding.

Anders dan bij de eerste Lift-installatie, die uit bewegende beelden bestaat, bestaat deze installatie uit stills. De monitoren zijn als schilderijen of ingelijste foto’s aan de muur bevestigd. Precies deze associatie met het fotografische beeld maakt ons bewust van het verschil met een still op het scherm van een monitor. De drie stills van Lift missen de materiële substantie die fotografische beelden lijken te hebben, en dat gebrek aan substantie versterkt de fantasmatische kwaliteit van de beelden. En zoals in de andere Lift-installatie, evoceren de beelden in de kijker datgene waar ze over gaan.

 

Een antropologie van het beeld

De antropologie onderscheidde zich lange tijd niet alleen door haar studieobject van andere disciplines, maar in het bijzonder ook door haar methodologie van de zogenaamde participerende observatie. Etnografen moesten veldwerk doen – dat wil zeggen, ze moesten participeren in de ‘andere’ cultuur die ze wilden observeren. Deze participatie impliceerde echter niet dat ze ook deel waren van de geobserveerde ander. Integendeel, de etnograaf bleef onzichtbaar.

Zoals hierboven al gesteld werd, heeft Tans gebruik van etnografisch archiefmateriaal in Facing Forward of haar keuze voor een schijnbaar etnografisch onderwerp (zoals in Saint Sebastian) alles te maken met de wezenlijke band van dergelijk beeldmateriaal met een humanistisch visueel regime dat de wereld vat door haar te visualiseren en het subject van dit zien buiten beeld laat. [12] Tan gebruikt etnografisch beeldmateriaal om deze objectivistische conceptie van het zien en het beeld op de proef te stellen. Maar haar engagement met antropologie gaat verder dan dat. Ze gebruikt niet alleen etnografische beelden en thema’s, maar doet ook aan antropologie door methodes van de participerende observatie toe te passen. Het geobserveerde object is bij haar echter niet de culturele ander, maar het medium waarin ze werkt: het beeld. In die zin zou men ook werken zoals Lift of Linnaeus’ Flower Clock als een soort etnografisch document kunnen zien. Ook in deze werken praktiseert ze een medium dat terzelfdertijd haar onderzoeksobject vormt. Ze positioneert zichzelf binnen het scopische regime dat ze wil begrijpen door het te tonen. Hoe tegenstrijdig dit ook klinkt, men zou kunnen zeggen dat Tan, analoog aan de praktijk van de antropologie om de ander te visualiseren, het beeld visualiseert. [13]

 

Vertaling uit het Engels: Dirk Pültau

 

Noten

[1] Stephan Schmidt-Wulffen, With my own Eyes, in: Fiona Tan, Scenario (red. Mariska van den Berg en Gabrielle Franziska Götz), Amsterdam, Vandenberg & Wallroth, 2000, p. 161 e.v.

[2] Zie Kaja Silverman, The Subject of Semiotics, Oxford, Oxford University Press, 1983.

[3] Hal Foster, The Archive Without Museum, in: October nr. 77, zomer 1996, pp. 97-119.

[4] Martin Heidegger, Die Zeit des Weltbildes (1938), vertaald door prof. dr. H.M. Berghs als De tijd van het wereldbeeld, Tielt/Bussum, Lannoo, 1983, p. 50. Geciteerd door Hal Foster in: ibid., p. 113.

[5] Hal Foster, The Artist as Ethnographer, in: The Return of the Real. The Avantgarde at the End of the Century, Cambridge/London, MIT Press, 1996, p. 180.

[6] James Clifford, Introduction: Partial Truths, in: James Clifford & George E. Marcus (red.), Writing Cultures: The Poetics and Politics of Ethnography, Berkeley/Los Angeles, University of California Press, 1986, p. 10.

[7] Voor een uitgebreide uiteenzetting over de voordelen van het model van performance tegenover dat van dialoog, zie bijvoorbeeld: Johannes Fabian, Power and Performance. Ethnographic Explorations through Proverbial Wisdom and Theater in Shaba (Zaire), Madison, University of Wisconsin Press, 1990.

[8] Italo Calvino, De onzichtbare steden (1972), vertaald door Henny Vlot, Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2001 (1981), pp. 29-31. De citaten zijn gebaseerd op deze vertaling.

[9] Zie voor een overzicht van representaties van Sint-Sebastiaan in de twintigste-eeuwse kunst: Joachim Heusinger van Waldegg, Der Künstler als Märtyrer: Sankt Sebastian in der Kunst des 20. Jahrhunderts, Worms, Wernersche Verlagsgesellschaft, 1989.

[10] Roland Barthes, La chambre claire. Note sur la photographie, Gallimard/Seuil, Cahiers du Cinéma, 1980, p. 172.

[11] Fiona Tan, op. cit. (noot 1), pp. 120-121.

[12] Hetzelfde geldt trouwens voor video’s of films die hier niet aan bod konden komen, zoals Smoke Screen (1997), Cradle (1998), en Tuareg (1999). Een uitstekende lezing van deze werken wordt gegeven door Lynne Cooke in haar essay Fiona Tan: Re-Take, in: Fiona Tan, op. cit. (noot 1), pp. 20-34.

[13] Dit essay werd geschreven tijdens een verblijf als gastonderzoeker aan het Getty Research Institute in Los Angeles. Ik dank het instituut voor de enorme generositeit.

 

De tentoonstelling Akte 1 van Fiona Tan loopt nog 11 mei in De Pont, Wilhelminapark 1, 5000 AE Tilburg (013/543.83.00; www.depont.nl)

‘Wij hebben geen monument meer te verliezen’

Het aanwijzen, documenteren en conserveren van ‘industrieel erfgoed’ is in de patrimoniumpolitiek van de westerse landen een factor van belang aan het worden. De productiemiddelen uit de eerste industriële revolutie, die ten grondslag liggen aan de huidige postindustriële samenleving, worden niet langer verwaarloosd of zo maar vernietigd, maar kunnen nu officieel tot cultuurgoed of gedenkteken worden uitgeroepen. Silo’s, mijnschachten, watertorens, kalkovens, hoogovens, gashouders en dergelijke meer, zijn van minder hoogstaand geachte ingenieurskunst opgewaardeerd tot potentiële monumenten, tot “door mensen vervaardigde onroerende zaken, die ouder zijn dan 50 jaar en die van algemeen belang worden geacht wegens hun schoonheid, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde”, aldus de Nederlandse monumentenwet. Deze recente herwaardering van het industriegoed uit het stoom- en machinetijdperk valt zeker ook te begrijpen als onderdeel van de algehele, expansieve musealisering van de cultuur – als uitbreiding van de erfgoedindustrie. Toch gaat het niet alleen om het voeden en exploiteren van de actuele belangstelling voor het bewaarde verleden, of om de transformatie van industriële overblijfselen tot toeristisch-recreatieve producten. De belangstelling voor dit patrimonium kent ook een specifiekere motivatie.

De relatieve onzichtbaarheid van de concrete fundamenten van de tegenwoordige economie, die voor de consument alleen eindproducten etaleert, moet wel het verlangen naar demonstratieve zichtbaarheid, naar een expositie van de materiële basis van de huidige consumptie- en informatiemaatschappij stimuleren. De tastbaarheid en lokaliseerbaarheid van de huidige structuren van industrie en productie lijkt steeds meer af te nemen, ten gunste van de globalisering en virtualisering ervan. Niet alleen is de nadruk in de economie komen te liggen op productie middels ICT en hightechindustrie, met een deels onzichtbare infrastructuur van kabels, glasvezels en elektronische netwerken; een groot deel van de industriële fabricage van complete bedrijfstakken is inmiddels ook van de westerse landen overgeheveld naar lageloonlanden uit de derde wereld.

Door de werking van de globalisering is zoiets als ‘lokale’ of ‘nationale’ industrie betrekkelijker en virtueler aan het worden. Dienstverlening, transport, communicatie en logistiek bepalen meer dan vroeger het aanzicht van de westerse economie; de cultuur lijkt losgeweekt van haar concrete, materiële basis en de symboolwaarde van de techniek lijkt af te nemen. De sociale dynamiek van de industriële onderlaag in de consumptie-economie speelt zich grotendeels elders af. Concepten als ‘nationale identiteit’ en ‘nationale staat’ hebben aan bindende kracht ingeboet. De westerse consument beweegt zich door gemediatiseerde totaalwerelden die niet langer gegrond zijn in het lokale. Hij gebruikt goederen en omringt zich met objecten die overal gemaakt hadden kunnen zijn. Tegelijkertijd is techniek alom aanwezig in het dagelijks leven, geïnfiltreerd tot in het lichaam, steeds openlijker – echter niet zonder daarbij vreemder, ontoegankelijker en abstracter te worden.

De huidige aandacht, ook vanuit de overheid, voor de genese van de consumptiemaatschappij, voor het blootleggen en conserveren van haar fysieke fundamenten, zou ook verbonden kunnen worden met ontwikkelingen als virtualisering en globalisering, met het grootscheepse verplaatsen van industrieën en productieprocessen naar niet-westerse landen. De logische opeenvolging van technische en economische fasen, als onderdeel van een evolutionaire cultuurgeschiedenis, wordt daardoor geproblematiseerd en getroebleerd. De geschiedenis, als vorm waarin materiële objecten, gebeurtenissen en documenten onderling verbonden zijn tot een coherent verhaal van heden en verleden, volgt opeens een andere logica.

Door industriële overblijfselen te koesteren als geheugenobjecten en te overladen met betekenis, wordt de illusie van een stabiele identiteit in stand gehouden. De postmoderne cultuurtoerist, verloren in een gedecontextualiseerde spektakel- en consumptiemaatschappij, gaat op zoek naar een verloren culturele authenticiteit, en vindt deze in oudere identiteiten en sentimenten die kunstmatig worden gereanimeerd. In het gemanipuleerde culturele geheugen krijgt het machinetijdperk aldus het karakter van een heroïsch-mythologisch verleden, dat de onoverzichtelijkheid of leegte van het heden moet compenseren en verhullen.

 

Hoe verhoudt zich het fotografische oeuvre van Bernd en Hilla Becher, bekroond met de Erasmusprijs 2002, tot deze meer conservatieve en regressieve drijfveren van de industriële erfgoedzorg? Staat hun immer expanderende archief van industriële structuren uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw daar ten dienste van? Of gaat er juist een ondermijnende werking van uit? Welke ruimte opent het Becher-archief in de context van de huidige erfgoedpolitiek?

Al vanaf het eind van de jaren vijftig, toen het industriële erfgoed nog nauwelijks een kwestie was en veel industriegebouwen juist tegen de vlakte gingen, fotograferen de Bechers anonieme industriële architectuur: mijnschachten, graansilo’s, gastanks, hoogovens, raffinaderijen, watertorens en zo verder – in Europa, en later ook in Amerika en Canada. Hun archief is geordend naar typologieën, naar verzamelingen van bouwwerken met dezelfde functie en vorm die meestal gepresenteerd worden in reeksen van zes, negen of vijftien foto’s. Elk object is gefotografeerd volgens eenzelfde procédé: een licht verhoogde positie van de camera, geen kleur, neutrale belichting, beeldvullend, zonder menselijke aanwezigheid en met een omgeving die slechts aanwezig is als onnadrukkelijke achtergrond. Een registrerende, catalogiserende en objectieve fotografie dus, zonder een spoor van drama, emotie of sfeer.

Deze kenmerken geven het werk een documentair-wetenschappelijk en systematisch karakter, dat bij uitstek geschikt lijkt voor de samenstelling van een archief. Zelf hebben de Bechers altijd onderstreept dat hun interesse en missie vanaf het begin gelegen was in het inventariseren en vastleggen van een verdwijnend industrieel verleden. In dat licht lijkt hun oeuvre dus inderdaad in verband te kunnen worden gebracht met de ontwikkeling van de notie ‘industrieel erfgoed’ in bredere zin. De specifieke eigenschappen van hun archief suggereren echter een alternatieve opvatting van industrieel erfgoed, en een andere visie op de geschiedenis.

Hun taxonomische methode, waarbij ze motieven in formele en thematische reeksen ordenen, levert geen verzamelingen van ‘originelen’ op, zoals in traditionele museale ordeningen. Evenmin leggen de Bechers een collectie van ‘voorbeelden’ aan, waarbij één object representatief moet zijn voor een hele soort. Het gaat in hun archief steeds om series en groepen van beelden die bij elkaar gebracht zijn op basis van overeenkomsten in vorm en functie. Door middel van niet-hiërarchische reeksen van bepaalde typen (bijvoorbeeld watertorens, gashouders of hoogovens) manifesteren zich vervolgens analogieën en gelijkenissen, waarbij de nadruk op het identieke noch op het unieke ligt, maar op een dialectiek van herhaling en verschil. Aldus ontstaat er ook ruimte voor techniekhistorische en formeel-esthetische vergelijkingen.

In het tekensysteem van de Bechers ontbreekt een absolute referent. De geschiedenis ontvouwt er zich als een niet-representeerbare ruimte, als een andersheid die bepaald wordt door het verschil of de afstand tussen heden en verleden. Het paradoxale van deze beelden is dat ze ontdaan zijn van ideologie of betekenis – er valt an sich geen sociaal-historisch verhaal over de industrialisatie van af te lezen – terwijl ze het object tegelijkertijd wel weergeven in een ideale pose, bepaald door de vaste technische en formele parameters die de fotografen zichzelf hebben opgelegd. Die zelfgedefinieerde, dus feitelijk subjectieve ideale verschijningsvorm staat in het Becher-archief echter ten dienste van het object, en niet van het subject. Ondanks het registrerende en documentaire karakter van hun werk, beoefenen de Bechers geen realistische, maar een conceptuele en fenomenologische fotografie – fenomenologisch in de niet-transcendentale zin van ‘tot de zaken zelf komen’.

Jean Baudrillard pleitte voor een fotografie waarin “de triomferende epifanie van betekenis vervangen is door een stille ‘apofanie’ van objecten en hun verschijningen”. [1] In zijn verwerping van een fotografie waarin het subject overheerst, doordat het de letterlijke betekenis en verschijning van het beeld negeert ten gunste van een geprojecteerde ideologie, esthetiek en politiek, verdedigt hij een fotografie waarin de lens letterlijk en figuurlijk als ‘objectief’ het object beschermt tegen elke ideologische of esthetische transfiguratie. Deze fotografische, technische en objectiverende blik geeft geen analyse van de werkelijkheid, maar toont de dingen in hun letterlijkheid, zonder opgelegde betekenis. De objecten tonen zich allogeen, in hun objectieve vreemdheid. Het gaat dan niet om de ‘epifanie’ of verschijning van betekenis, maar om de ‘apofanie’ van het object, door Baudrillard zelf uitgelegd als ‘leegte’.

Deze apofanie doet zich ook voor bij het werk van de Bechers – zij het met name wanneer je de foto’s geïsoleerd van elkaar bekijkt en uit hun archief haalt. Apart gezien vertellen ze feitelijk niets over een externe context. Ze tonen zich volstrekt neutraal en lijken enkel naar zichzelf te verwijzen. De nadruk ligt op de vorm, waardoor ze ook beschouwd kunnen worden als abstracte of minimale sculpturen, als “anonieme sculpturen”. [2] Pas in de series openbaart zich door de formele herhalingen iets als stijl, en ontstaat een netwerk van betrekkingen en verbindingen.

Het oeuvre van de Bechers louter beschouwen als gesloten systeem of als verzameling ‘stomme’ beelden, en ze dus loskoppelen van de actualiteit en geschiedenis, is door de dwingende archivarische vorm waarin ze bestaan onmogelijk: binnen het archief gaan de beelden betekenisvolle relaties met elkaar aan, en het archief verhoudt zich hoe dan ook tot de werkelijkheid. Bovendien zou deze interpretatie de intenties van de fotografen zelf negeren. “Ons uitgangspunt was: als je deze anonieme gebouwen op onze manier documenteert krijgen ze een andere waarde. Het economische aspect raakt op de achtergrond, en in plaats daarvan worden de vorm benadrukt en het historische aspect dat eraan vast zit. Ik bedoel: veel van deze gebouwen bestaan alleen nog maar in de vorm van onze foto’s.” [3] Deze uitspraak van Bernd Becher onderstreept nog eens het belang dat het kunstenaarsduo hecht aan de historische dimensie van hun systematische arbeid, die soms ook het puur fotografische documenteren overschrijdt: voor de uitgave Die Architektur der Förder- und Wassertürme, waarin ook wetenschappelijke verhandelingen over de techniekgeschiedenis van de gefotografeerde objecten waren opgenomen, verzamelden de Bechers bijvoorbeeld gedetailleerde informatie over bouwjaren, formaten, stilleggingen en afbraakdata van de bouwwerken. [4]

Daarmee rijst opnieuw de vraag waarin het Becher-archief zich onderscheidt van het actuele industriële erfgoedvertoog. De exacte methodiek en de strikt constructietechnische criteria die de Bechers toepassen, ontbreken in de huidige inventarisering en documentering van het westerse industrieel erfgoed. Het beleid daaromtrent lijkt vaak nog gestuurd te worden door problemen van waardering en 
selectie, door sentiment en willekeur, door negentiende-eeuwse museale criteria, markteconomische belangen, bureaucratische rompslomp, of troebele ideologieën en geschiedenisopvattingen die een coherent of werkbaar cultuurhistorisch en filosofisch concept van industrieel erfgoed in de weg staan – toch noodzakelijk voor een geloofwaardige culturele planologie en ecologie.

Erfgoedorganisaties als UNESCO’s World Heritage Centre, DOCOMOMO, ICOMOS en TICCIH worstelen om goede samenwerkingsverbanden en criteria te creëren. [5] Op de DOCOMOMO-conferentie van vorig jaar werd geconstateerd dat van een methodologie of van een uitgewerkt en integraal concept van modern en industrieel erfgoed nog geen sprake is. Het is veelzeggend dat een museaal selectiecriterium (“[to] represent a masterpiece of human creative genius”) ook in de discussie rond industrieel erfgoed beslissend blijft. [6] Dat is niet alleen frappant omdat veel industriële structuren het werk zijn van anonieme civiel-ingenieurs, maar ook omdat een dergelijk criterium gebaseerd is op een infantiele geschiedenisopvatting die volledig is losgeweekt van de complexe sociale werkelijkheid, en zich enkel richt op een opeenvolging van technisch-creatieve hoogtepunten. De omgang met het industrieel erfgoed blijft steken in de cultus van een louter conserverende praktijk. De legitimatie gaat niet verder dan het discours van organisaties en staten die zich, onder het mom van ‘dringende noodzaak’, als redders en beschermers van de cultuur opwerpen. Verhuld wordt daarbij dat het bewaren een politieke strategie kan zijn, in dienst van het beheren en controleren van het heden en het voorbereiden van de toekomst.

 

Het Becher-archief, dat binnen verschillende vertogen functioneert, blijkt daarentegen wél in staat om meerdere dimensies van het industrieel erfgoed bloot te leggen, en om een ruimte te openen waarin sociale, ruimtelijke en culturele implicaties van het fenomeen ‘cultureel erfgoed’ gearticuleerd kunnen worden. Door een eigen systematiek en methodiek, die gedurende lange tijd consequent volgehouden wordt, scheppen de Bechers een industriële morfologie die de hele westerse cultuur omspant, die de materiële condities van de moderniteit subjectief ervaarbaar maakt en zowel synchrone (structureel beschrijvende) als diachrone (historisch-dynamische) vergelijkingen stimuleert. De combinatorische mogelijkheden van hun archief suggereren dat de leegte van een lineair geschiedenismodel kan worden vervangen door een orde van ‘medeaanwezigheid’, waarin de uitwendigheid van de gefotografeerde architectuur inwendig wordt, en zij haar eigen structuren blootlegt.

De objectiviteit waarmee de Bechers hun objecten benaderen, is erop gericht het heden in de flank te raken. Er is ten minste één officiële Becher-foto waarop de waarnemer/fotograaf en de daad van het fotograferen zélf zichtbaar zijn, en waarop de positie van de Bechers zich als engagement manifesteert: dit beeld problematiseert messcherp elke claim op neutraliteit, anonimiteit of objectiviteit. De monumentaliteit, tijdloosheid en vreemdheid die Bernd & Hilla Becher aan de industriële structuren van de negentiende en twintigste eeuw opleggen, kan alleen worden verward met die van Griekse tempels of Romaanse kerken [7] indien men het archief waarin ze bestaan negeert of de junkspace van het heden ontkent.

 

* “Wij hebben geen monument meer te verliezen”, slogan van het Europees Monumentenjaar 1975.

 

Noten

[1] Jean Baudrillard, La Photographie ou l’Ecriture de la Lumière: Littéralité de l’Image, in: L’Echange Impossible, Paris, Galilée, 1999, pp. 175-184.

[2] Een benaming afkomstig van de Bechers zelf. In 1970 verscheen een uitgave van hun werk onder de titelAnonyme Skulpturen. Eine Typologie technischer Bauten, Düsseldorf, Art Press Verlag.

[3] De hele familie compleet, interview met Bernd Becher door Hans den Hartog Jager, in: NRC Handelsblad, 5 mei 2000. Zie ook: http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/2000/05/05/Vp/cs.html

[4] Bernd & Hilla Becher, Die Architektur der Förder- und Wassertürme. Industrie-architektur des 19. Jahrhunderts, München, Prestel, 1971.

[5] Zie sites: www.docomomo.com, www.icomos.org, www.worldheritagesite.org, www.mnactec.com/ticcih, www.industrieel-erfgoed.nl.

[6] Zie verslag, http://www.archi.fr/DOCOMOMO-FR/confparis/ICOMOS.html.

[7] Ileana Sonnabend, On Bernd and Hilla Becher, in: Bernd und Hilla Becher. Festschrift Erasmuspreis 2002, München, Schirmer/Mosel, 2002, p. 41.

Uitschot in de dop

Gelieve de redactie te contacteren indien u deze tekst wil raadplegen.

Een verslag van ‘Luca?’, een debat over academisering en de integratie van de Sint-Lucas Gent in de KU Leuven, 13 februari 2013

Studenten van Sint-Lucas Beeldende Kunst Gent organiseerden op woensdagavond 13 februari een debat over de academisering en integratie van Sint-Lucas Gent in de KU Leuven. Ze zochten naar antwoorden op vragen als ‘Is de integratie in de KU Leuven ongrondwettelijk?’, ‘Wie beslist over onze toekomst?’, ‘Hebben praktijkdocenten echt een doctoraat nodig?’ en ‘Wordt schrijven over kunst belangrijker dan het maken ervan?’ Als sprekers kozen ze voor André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie KU Leuven; Dag Boutsen, departementshoofd van Sint-Lukas Architectuur (Brussel) en toekomstig decaan van de Faculteit Architectuur; Ann Laenen, decaan van de LUCA School of Arts; Wouter Soudan, als docent typografie en grafisch design verbonden aan MAD Faculty (Genk), tevens vertegenwoordiger van het personeel van deze instelling; en tot slot Jeroen Laureyns, docent aan Sint-Lucas Beeldende Kunst Gent en kunstcriticus. Koen Brams trad op als moderator.

 

De voorzitter van de Associatie

Voor André Oosterlinck zijn er slechts twee mogelijkheden voor de kunsthogescholen: ofwel treden zij toe tot het ‘academisch hoger onderwijs’, ofwel tot ‘het professioneel onderwijs’. Wat hem betreft horen de kunsthogescholen thuis in het academisch hoger onderwijs, en dat betekent, aldus Oosterlinck, dat zij automatisch deel worden van de universiteit. Ook LUCA School of Arts — de bundeling van het Lemmensinstituut (Leuven), Narafi (Brussel), Sint-Lucasarchitectuur (Gent, Brussel), Sint-Lucas Beeldende Kunst (Gent) en Sint-Lukas Brussel (Brussel) — die nu nog een faculteit met ‘een bijzonder statuut’ is, wil de Associatie in de toekomst ‘integreren’, net zoals ze dat al besliste voor de Faculteit Architectuur (waarvan Sint-Lucasarchitectuur (Gent, Brussel) vanaf het najaar 2013 deel zal uitmaken).

Waarom wil Oosterlinck dat zo graag? Omdat ‘de topuniversiteiten in de Verenigde Staten’ ook elk hun school of art, school of architecture… hebben. Hij wil hen navolgen: ‘Wij spiegelen ons aan topuniversiteiten.’ Hij noemt ze zijn ‘voorbeeld’; hij heeft het over ‘buitenlandse modellen’. Die uitmuntende, prestigieuze voorbeelden leren hem dat ‘de aanwezigheid van die kunstenaars’ voor ‘een enorme verrijking’ zorgen. Voorts heeft hij het over ‘een meerwaarde’ en ‘een win-winsituatie’. De kunstopleidingen zouden de multidisciplinariteit bevorderen: ‘interactie’ komt er ‘automatisch’ tot stand. Maar die samenwerking is niet het uiteindelijke doel van de integratie. De integratie moet er vooral voor zorgen dat zowel de Associatie als de verschillende vakgebieden die zij omvat een koppositie veroveren; zij moet van de KU Leuven een topuniversiteit maken.

André Oosterlinck beklemtoont terzelfdertijd de onafhankelijkheid van LUCA binnen wat hij het multicampusmodel noemt — een universiteit met campi in verschillende steden. Hij garandeert de geïntegreerde kunstenfaculteit ‘voldoende zelfstandigheid’. Die autonomie betreft dan wel niet ‘de economie en de boekhouding in de ondersteunende diensten’, maar wel de ‘inhoud’. Tegelijkertijd merkt hij op dat het onderzoek tot de verantwoordelijkheid van de universiteit hoort. Zij heeft immers ‘de grootste ervaring in wat onderzoek is’, in ‘onderzoek tout court’, in ‘onderzoeksmethodologieën’; en zij wordt ten slotte internationaal erkend als onderzoeksinstelling. Hijzelf typeert onderzoek als ‘het verleggen van de grens van de kennis’. De uitbreiding van kennis is voor hem niet noodzakelijk een doel op zich. Hij pleit ervoor om wetenschappelijk onderzoek ten dienste te stellen van de economie: het kan Europese bedrijven immers helpen om te innoveren en zo hun competitiviteit te verhogen in een geglobaliseerde wereld.

Wat de aan de kunstenfaculteit toegekende vrijheid betreft, merkt Oosterlinck op dat zij kan kiezen uit de vele modellen die in de universiteit gebruikt worden. Zo stelt hij met betrekking tot het aantal doctoraten dat een faculteit moet voortbrengen: ‘u kan het model uitkiezen dat u het best past’, en hij voegt er nog aan toe: ‘…of zelfs dat model aanpassen’. Oosterlinck presenteert zichzelf voortdurend als handelend subject: ‘Dat als we jullie integreren later in de universiteit […]’, en: ‘We gaan dat bekijken’, of nog: ‘Wij geven u die vrijheid.’ Tegelijk roept hij de kunsthogescholen op om zelf initiatief te nemen: ‘Neem de vrijheid!’, ‘Doe voorstellen!’ en: ‘Maar jullie moeten ze zelf wel invullen.’ De kritiek van zijn ‘harde tegenstanders’ noemt hij ‘leerrijk’: ‘Een applaus voor de twee heren.’ [1]

 

De decanen

De decanen benadrukken hun band met de universiteit. Dag Boutsen heeft er ‘partners’, Ann Laenen heeft het over ‘de collega’s in Leuven’, ‘de collega’s-decanen’. Boutsen stoort zich aan de ‘wij-zijdiscussie’ of het ‘wij-zijverhaal’ van de docenten. Ann Laenen beklemtoont de ‘openheid’ van haar gesprekspartners, die ze ‘nieuwsgierig’ noemt. Ze heeft het ook over ‘samen denken en oplossingen zoeken’, over ‘samenwerken’, ‘er samen ons werk van maken’. Volgens haar is er geen sprake van enig verschil in hiërarchie: ze staat ‘op gelijke voet’ met haar Leuvense gesprekspartners.

Boutsen en Laenen praten met de KU Leuven. Onderwerp van gesprek is ‘de eigenheid’ van LUCA School of Arts en de Faculteit Architectuur. Die eigenheid is blijkbaar iets waarover met de universiteit moet worden onderhandeld. Nu eens zouden de gesprekken met de Leuvense universiteit gevoerd worden om de eigenheid ‘te bewaren’, dan weer om ze ‘te bewerkstelligen’. Dag Boutsen verbindt die ‘eigenheid’ met ‘mooie beelden waarin ons onderzoek zich zou kunnen profileren’, of nog, met een ‘universiteit die ziet dat er inderdaad competenties zijn die minder ontwikkeld zijn bij hen’. Tegenover de ‘technical rationality’ van de universiteit plaatst Boutsen de excellentie van zijn eigen faculteit: ‘explorative imagination’.

Ann Laenen van haar kant, beschouwt de positie van LUCA als bijzondere faculteit slechts als een overgangsfase. Die periode vormt voor haar de ideale kans om de integratie goed voor te bereiden. De komende jaren bieden volgens haar ‘de mogelijkheid om […] een sterker hoger kunstonderwijs neer te zetten waarin we die eigenheid, die accenten kunnen leggen’. Ze heeft het onder meer over accenten op het gebied van onderzoek. Daarbij hanteert ze een klassieke opvatting over onderzoek. Artistiek onderzoek komt voor haar neer op het ‘toepassen’ van ‘het wetenschappelijk apparaat’ op de kunstpraktijk. De wetenschappelijke methodieken zouden de ‘eigen praktijk een stuk verder brengen en dus ook de discipline waar je in werkt’. De artistieke praktijk zelf lijkt voor haar niets met onderzoek te maken te hebben. Dat blijkt onder meer uit haar voorstel om in haar faculteit naast ‘het traject van het doctoraat’ ‘een evenwaardig traject’ te introduceren, namelijk dat ‘van de excellente kunstenaar’. Ze heeft het over ‘twee sporen die naast elkaar lopen’. Wat een excellente kunstenaar zou zijn, licht ze niet toe. Over de ideale kunstopleiding doet ze wél een uitspraak: ‘Als student zou je zelf een mandje moeten kunnen samenstellen met vakken die je vormen tot de kunstenaar die je wil zijn.’

 

De docenten

De docenten stellen dat met de academisering de kunstopleidingen hun zelfbeschikkingsrecht is ontnomen. Jeroen Laureyns betreurt de ondergeschikte positie waartoe de kunsthogescholen door de overheid werden veroordeeld. Die wees hun immers de universiteit als helper toe; de universiteit moet de kunsthogescholen ondersteunen bij het wegwerken van een ‘tekort’, namelijk het gebrek aan reflectie. Hij heeft het over ‘een zeer paternalistische visie’. De universiteit, een gezaghebber; de kunsthogescholen kinderen of pupillen, ‘hulpeloze slachtoffers’. Later drukt hij het nog sterker uit: de universiteit, ‘de meester’; de kunstopleiding, ‘de slaaf’. Kortom, universiteit en kunsthogeschool staan in een ‘ongelijke hiërarchische verhouding tot elkaar’.

Volgens Wouter Soudan is het echter niet de politiek die de relatie tussen kunsthogeschool en universiteit bepaalt, maar de vroegere rector van de KU Leuven en huidige voorzitter van de Associatie, André Oosterlinck zelf. Wordt hij immers niet voortdurend in het Vlaamse Parlement uitgenodigd om zijn mening te geven? ‘U bent in 2002-2003 gehoord en nu bent u weer gehoord.’ De universiteit zou eenvoudigweg de macht gegrepen hebben. Zij treedt daarenboven niet alleen eigenmachtig op, ze werpt zich ook op als voogd van de kunsthogescholen, omdat ze er zelf baat bij zou hebben. Niet zozeer de transformatie van de kunsthogescholen wordt beoogd, dan wel die van de KU Leuven zelf. De academisering moet tot ‘schaalvergroting’ leiden: grotere universiteit, meer studenten, meer geld… Wouter Soudan: ‘ge zijt ons aan het rollen, ge zijt ons aan het annexeren’, of nog: ‘Leuven gaat in expansie’. De KU Leuven zou zich ontwikkeld hebben tot een ‘multinational’, want dat zou het ‘gedistribueerde campusmodel’ van André Oosterlinck in wezen zijn: een groot bedrijf met een ‘centralistische structuur’, een bedrijf met vele ‘vestigingsplaatsen’, maar met ‘één hoofdzetel’. Hiertegenover pleit de docent voor ‘lean startups die efficiënt kunnen inspelen op ontwikkelingen, die grote molochs omverwerpen’.

Beide docenten stellen dat de incorporatie van hun hogeschool in de Associatie KU Leuven de opleidingen in hun hart raakt, de artistieke praktijk. Jeroen Laureyns: ‘We zien dus dat de academische praktijk in de plaats komt van de artistieke praktijk.’ Volgens Wouter Soudan is het doctoraat ‘dodelijk’ voor de kunstpraktijk. Deze kan binnen de universiteit enkel nog voortbestaan onder een valse gedaante: zo zien architecten zich verplicht om ‘het bouwen van huizen’ te ‘vermommen als een soort onderzoek’ en ‘strategieën’ te bedenken opdat die praktijk ‘overeind zou kunnen blijven’.

In tegenstelling tot de decanen, die vooral ‘gelijkenissen’ zoeken, leggen Laureyns en Soudan de nadruk op de verschillen. Laureyns herinnert eraan dat de kunstopleidingen ‘een heel andere traditie’ hebben en een ‘ander pedagogisch model’ hanteren: zij hebben altijd voor ‘kleinschaligheid’ gekozen. Ook Soudan plaatst tegenover de ‘schaalvergroting’ of het massaonderwijs van de universiteit ‘kwaliteitsonderwijs’ dat vraagt om ‘kleine groepen’ en ‘docenten die in het praktijkatelier met studenten kunnen bezig zijn’. Daarnaast zijn beiden ervan overtuigd dat de kunsten anders dienen te worden geëvalueerd. Laureyns stelt dat er ‘geen meetlat voor de kunsten’ bestaat en hij verwijst naar Marcel Duchamps 3 stoppages étalon. Tegenover het belang van de ‘consensus’ voor de wetenschap plaatst hij de noodzaak van de ‘dissidentie’ voor de kunst. Laureyns en Soudan wijzen tot slot op de fundamentele verschillen binnen de universiteit: tussen de positieve en de humane wetenschappen, tussen het toegepaste en het fundamentele onderzoek. Zij zien met lede ogen aan hoe de denk-, voorstellings-, benaderings- en werkwijzen van de ene pool die van de andere dreigen te overheersen.

 

Het (studenten)publiek

Vanuit de zaal komen niet minder dan acht interventies. Iemand maakt zich zorgen over de idee van de ‘meetbaarheid van de kunsten’ die het kunstonderwijs ‘blijft achtervolgen’. Zal er in de toekomst ruimte zijn voor kunstonderwijs ‘zonder outputmeting’? De veranderingsmoeheid slaat in het hoger kunstonderwijs toe, merkt een andere vraagsteller op. Een student schilderkunst betwijfelt of het wel klopt – zoals André Oosterlinck en Ann Laenen bij hoog en laag beweren – dat het hoger kunstonderwijs als gelijkwaardig met de universiteiten zal worden behandeld. Immers, ‘waarom moet ons curriculum dan zo grondig worden aangepast?’ Zijn ervaring is dat ‘wij minder kunnen produceren en minder vooruitgang boeken door de vele vakken die tussen onze praktijkperiodes vallen’. Een student – tevens een van de medeorganisatoren van het debat – stelt vragen over de naam van de kunstenfaculteit. Tijdens de introductie van Ann Laenen als decaan van LUCA School of Arts werd ‘hardnekkig ontkend’ dat LUCA een ‘afkorting’ zou zijn. Nochtans heeft een zoekopdracht op het internet hem geleerd dat LUCA staat voor Leuven University College of Arts. ‘Ik vraag mij af waarom studenten betutteld worden of misschien zelfs voorgelogen. Is het nu Leuven University College of Arts?’ ‘Voor ons is LUCA een roepnaam’, aldus Ann Laenen. En nog: ‘Je kan daar een afkorting van maken maar wij gaan voor LUCA, school of Arts. We gaan dat niet Leuven University College of Arts noemen, neen, het is LUCA, school of Arts.’ Tevens wil de student weten hoe de decaan tegen de integratie van LUCA in de universiteit aankijkt. Ann Laenen antwoordt: ‘We integreren nog niet. Wanneer we integreren, dat is politiek bepaald’. Het antwoord laat deze vraagsteller alvast op zijn honger: ‘Die aanstelling van u als decaan, of die discussie die wij hier nu voeren is toch met dat idee [het integreren] in het achterhoofd.‘ Nauwelijks later stelt Laenen: ‘We zijn een faculteit kunsten, we zijn een academische opleiding en we gaan zoveel mogelijk volgens het model… werken naar de integratie. Zodat op het moment dat die integratie er is, dat je er staat, dat er niet nog eens een hele verandering moet gebeuren.’

 

Noot

1 Op 25 maart deed Oosterlinck evenwel volgende uitspraak in Veto: ‘Die twee [Wouter Soudan en Jeroen Laureyns] lopen niet alleen naast hun schoenen, maar zweven erboven. Ze beschouwen zichzelf als de grootste creatievelingen en vinden het een schande dat de universiteit hen moet academiseren. Ik zie ze al binnenwandelen bij onze toponderzoekers, die zij beweren te kunnen helpen meer creatief te zijn.’

 

Creativiteit, informatie en de dood van de auteur

In 1991 publiceerde Vilém Flusser een essay onder de titel Esthetische opvoeding. [1] Deze tekst kwam voort uit zijn deelname aan een bijeenkomst in München over het thema Esthetische vorming in een technisch-mediale tijd. In Esthetische opvoeding schetst de mediafilosoof de kunsthogeschool van de toekomst, die hij als ‘onderbouw van de cultuur’ begrijpt. [2] Het onderwijs in die hogeschool moet beschikbare methoden overdragen en nieuwsoortige methoden ontwikkelen ‘waarmee uit opgeslagen informatie nieuwe informatie kan worden gemaakt’. [3] Flusser denkt daarbij niet aan het aanreiken van technieken waarmee kunstwerken kunnen worden gecreëerd, maar aan een theoretische discussie over het verschijnsel van de creativiteit zelf: ‘De school moeten we niet langer als een plaats voor informatieoverdracht beschouwen, maar als een plaats voor systeemanalyse en systeemsynthese.’ [4] De kunstenaars van de toekomst definieert hij als ‘systeemsynthetici’, die zich moeten concentreren op het ‘manipuleren van kunstmatige intelligenties’. [5] Hoe komt Flusser tot die visie?

Zijn argumentatie begint met een verwijzing naar de klassieke indeling van de idealen in het ware, het goede en het schone. Die heeft geleid tot de opsplitsing van de diverse wetenschappelijke disciplines. Tussen de daarvoor bevoegde hogescholen en faculteiten – technische, juridische, economische en artistieke – kan door de alsmaar ‘meer gesofisticeerde codes’ geen uitwisseling meer plaatsvinden: het is immers onmogelijk om van ‘de ene codegroep in een andere te vertalen’. [6] Doordat het onze cultuur ontbreekt aan ‘communicatie tussen haar subculturen’, is ze uit elkaar aan het vallen. [7] Het is maar zeer de vraag of de inspanningen om die opsplitsing op te heffen kans op slagen hebben, aangezien de noodzakelijke vertaling van het ene codesysteem in het andere tot een ‘vervlakking’ van de disciplines leidt. [8] De alom geproclameerde interdisciplinariteit brengt dan ook geen productievere uitwisseling tussen de diverse wetenschappen met zich mee: ze zorgt er alleen maar voor dat de diverse onderzoeksdisciplines worden gemarginaliseerd.

Nog een ander probleem is volgens Flusser dat de som van de beschikbare informatie voortdurend toeneemt. Sinds de Renaissance heeft de informatie zich – zoals Flusser het in een college ooit onderhoudend heeft geformuleerd – ‘zoals de konijntjes vermenigvuldigd’, zodat het ‘gewoonweg onnozel’ is om nog als solitaire auteur bedrijvig te willen zijn. [9] Door de overvloed aan informatie kan men onmogelijk nog de gehele cultuur overschouwen en in dat geheel nog de idealistische trits van het goede, ware en schone honoreren. Wie zich afkeert van de alsmaar voortschrijdende en niet meer communiceerbare specialisering van de diverse wetenschapsdomeinen, zit op een dwaalspoor. Universele geleerden en universele kunstenaars lijken in onze tijd onmogelijk geworden. Wetenschappers en kunstenaars worden niet meer in staat geacht om de verantwoordelijkheid op zich te nemen op essentiële vragen een antwoord te bieden. Ook voor Flusser is de op geniale wijze uit zichzelf scheppende auteur dood. Welke opdracht heeft de kunst dan, en hoe zijn kunsthogescholen nog te verantwoorden?

Een uitweg uit de ingewikkelde situatie vindt Flusser in de vaststelling dat het helemaal niet absoluut noodzakelijk is dat je elk bestanddeel van een systeem kent om het als een systeem te kunnen behandelen. Iemand hoeft niet elk stukje culturele informatie in zijn geheugen te kunnen oproepen om competent te zijn voor de hele cultuur: ‘Om een systeem te kunnen hanteren, is het niet nodig om alle elementen ervan te kennen. Er bestaat een hele discipline, de cybernetica, die zich bezighoudt met het hanteren van complexe systemen die niet tot in de details doorgrond kunnen worden.’ [10] Voor het individu gaat het er niet meer om zo veel mogelijk informatie te verwerken en op te vragen: het gaat erom de beschikbare massa informatie efficiënt te organiseren. Met de cybernetica verwijst Flusser naar het opslag- en organisatievermogen van computers. Informatie moet niet door de hersenen worden opgeslagen, maar door computers. Zoals hij elders schrijft, moeten alle automatiseerbare processen worden overgenomen door machines. [11] Dat biedt de mens de kans om zich te concentreren op het wezenlijke – het voortbrengen van wat nieuw en onwaarschijnlijk is. Creativiteit moet dan ook worden gelijkgesteld met de onwaarschijnlijke – want niet te voorspellen – recombinatie van beschikbare informatie. Creatief zijn betekent verbindingen tot stand brengen die door middel van geautomatiseerde processen niet gerealiseerd kunnen worden. Iemand is competent voor de cultuur als hij of zij geleerd heeft machinale geheugens te manipuleren, ‘en dan niet alleen om ze met nieuwe informatie te voeden en de opgeslagen informatie op te roepen, maar vooral om de opgeslagen informatie te koppelen’. [12]

De opdracht van de kunsthogescholen ligt er dan ook niet in om specialisten voort te brengen – bijvoorbeeld voor schilderkunst, grafiek of beeldhouwkunst – maar wel om generalisten op te leiden die in staat zijn om met de toenemende informatievloed om te gaan. Dat verandert de betekenis van kunst fundamenteel. Artistieke arbeid is dan geen doel op zichzelf meer, geen l’art pour l’art, maar krijgt meer omvattende taken toebedeeld. Zo begrepen heeft kunst een invloed op alle maatschappelijke domeinen – ze is net zo goed verantwoordelijk voor wetenschap en ethiek als voor esthetica, dus in gelijke mate voor het schone, het ware en het goede. Deze visie kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven voor het onderwijs aan kunsthogescholen. In een nog niet gepubliceerd essay met de eenvoudige titel Hogescholen stelt Flusser – daarin trouw aan zijn communicatiewetenschappelijke inslag – de doorslaggevende vraag: ‘Wil men in het geheugen van de ontvanger gegevens opslaan of wil men in de ontvanger beslissingen provoceren?’ [13] Na wat tot nu toe werd gezegd, ligt het antwoord voor de hand. Het opslaan van gegevens moet worden overgelaten aan cybernetische machines, terwijl studenten moet worden bijgebracht hoe ze kritisch en transformerend kunnen ingrijpen in de gegevensverzamelingen. Hoe onderwijs je die beslissingscompetenties?

In tal van teksten, maar vooral in zijn boek Kommunikologie, maakt Flusser een onderscheid tussen discursieve en dialogische communicatiestructuren. [14] In discursieve vormen van communicatie wordt informatie zo onvervalst mogelijk doorgegeven, terwijl dialogen de functie hebben om nieuwsoortige informatie voort te brengen. Kunsthogescholen hebben de opdracht om creativiteit te bevorderen en moeten volgens deze visie dus dialogisch worden georganiseerd. Dat sluit onderwijsmodellen uit waarin specialistische kennis eenzijdig wordt doorgegeven van de docent naar de student. In de plaats daarvan moeten niet-hiërarchische organisatievormen komen, waarin alle leden van een hogeschool – los van hun formele rol als docent of student – in gelijke mate bij het genereren van theoretische of praktische uitingen betrokken zijn. Kritisch denken ontstaat waar verantwoordelijkheid wordt gedeeld.

Als docent aan een kunsthogeschool komen dan niet meer de mensen in aanmerking die door hun opleiding hebben bewezen dat ze bestaande kennis kunnen verwerven en doorgeven, maar mensen die bereid zijn om een gelijkberechtigde dialoog aan te gaan. Hogeschooldocenten moeten zich niet meer profileren met hun successen – academische of andere geloofsbrieven – maar met de spelcompetentie die hun wordt toegeschreven. Die competentie onderscheidt zich vooral door het vermogen in te spelen op nieuwe en niet te voorspellen situaties, en daarbij permanent de eigen status quo in vraag te stellen. In die visie zijn kunsthogescholen geen instellingen meer voor de transfer van gecanoniseerde kennis en beproefde vormgevingstechnieken: het zijn ongestructureerde laboratoria – plaatsen voor het onvoorwaardelijke en dialogische experiment.

Zulke plaatsen zijn kunsthogescholen nu al, zo proclameren ze steeds weer, al maken ze die aanspraken niet waar. Misschien lopen hun goedbedoelde intenties spaak door de rol die kunstenaars doorgaans wordt toegeschreven: de romantische voorstelling van het genie dat uit het niets grandioze werken schept, louter en alleen dankzij de goddelijke inspiratie, lijkt hen nog altijd als een ongeneeslijke ziekte aan te kleven. Tegelijkertijd wordt even fel van kunstenaars verwacht dat ze kunnen functioneren in de maatschappij – en in de regel betekent dat in de wereld van de arbeid. Er wordt dus verwacht dat hun geniale of aangeleerde vaardigheden toepasbaar zijn. Daarom is het goed mogelijk dat het door Flusser voorgestelde studium generale, waarin geen vakkennis en gespecialiseerde vaardigheden worden onderwezen, maar methoden om informatie te verwerken, zich niet doorzet. Alvast op het eerste gezicht ontbreekt het deze opleiding immers aan de nodige mercantiele bruikbaarheid of aan een ander aantoonbaar nut. Wie zo’n opleiding heeft afgesloten, lijkt al even overbodig als een antieke filosoof. Mochten Flussers ideeën over een esthetische opvoeding toch ooit worden gerealiseerd, dan zou dat de rollen en de opdrachten die aan de kunst worden toegeschreven fundamenteel veranderen. Het zou een leven na de dood van de auteur kunnen betekenen.

 

Vertaling uit het Duits: Eddy Bettens

 

Noten

1 Vilém Flusser, Ästhetische Erziehung, In: Wolfgang Zacharias (red.), Schöne Aussichten? Ästhetische Bildung in einer technisch-medialen Welt, Essen, Klartext, 1991, pp. 121–127. In wat volgt wordt geciteerd uit het vijf pagina’s tellende typoscript dat zich in het Vilém-Flusser-Archiv in Berlijn bevindt.

2 Ibid., p. 5.

3 Ibid., p. 5.

4 Ibid., p. 5.

5 Ibid., p. 5.

6 Ibid., p. 1.

7 Ibid., p. 1.

8 Ibid., p. 2.

9 Vilém Flusser, Kommunikologie als Kulturkritik, in: Silvia Wagnermaier, Siegfried Zielinski (red.), Bochumer Vorlesungen 1991 (URL: http://www.flusser-archive.org/flusserstream/show_chapters.php [10.2.2013]).

10 Flusser, op. cit. (noot 1), p. 4.

11 Vilém Flusser, Automation und Künstlerische Kompetenz, in: Klaus Peter Dencker (red.), Interface 1. Elektronische Medien und künstlerische Kreativität, Hamburg, Verlag Hans-Bredow-Institut, 1992, pp. 148–151, hier p. 148.

12 Flusser, op. cit. (noot 1), p. 4.

13 Vilém Flusser, Hochschulen, ongepubliceerd typoscript uit het Vilém-Flusser-Archiv, p. 1.

14 Vilém Flusser, Kommunikologie, Frankfurt am Main, Fischer Taschenbuchverlag, 1998.

Masters?

In de gemeentelijke bibliotheek van Sint-Katelijne-Waver moet ergens een vreemd boek staan. Het heeft een witte cover. Binnenin vind je lege kolommen. Het boek is niet opgenomen in de catalogus van de bibliotheek en daardoor moeilijk terug te vinden. Het heeft geen vaste plaats. Het reist van het ene rek naar het andere, altijd maar verder. Om het op te sporen moet je de bibliotheek systematisch uitkammen. Maar het staat er nog steeds – zo werd mij onlangs bevestigd.

Sinds ik er voor het eerst van hoorde, houdt dat boek me voortdurend bezig; ik vraag me af hoe ik het moet begrijpen, waarom het daar staat. Het intrigeert me dat het aan elke systematiek ontsnapt – en daarmee elke ordening minacht – en via zijn verplaatsingen een eigengereide reis dwars door het systeem maakt, zonder ooit een eigen plek te vinden. Als boek tussen andere boeken valt het niet op, stoort het niet. Het kan rustig verder verhuizen, zonder dat iemand het opmerkt.

Ondertussen ben ik in gesprek geraakt met de persoon die het boek daar geplaatst heeft. Ik weet nu ook dat het een uitnodiging bevat om in de lege kolommen te noteren waar je het toevallig gevonden hebt, dat wil zeggen, tussen welke twee andere boeken.  Zo spreekt het over wat het feitelijk is. Een tautologie zonder verdere uitleg. Een boek tussen twee andere boeken.

Anderzijds gaat het relaties aan met ordeningssystemen, met publiek en personeel, met lezers, met andere boeken, met literatuur, fictie en non-fictie. Door zijn trage beweeglijkheid, die het normale functioneren van de bibliotheek doorkruist, weerspiegelt het van binnenuit wat we met woorden alleen van buitenaf zouden kunnen formuleren. Het draait de wereld om: geen denken over, geen metaspreken, maar een spreken van binnenuit.

The Library Book heet het boek en het gaat om een werk van de jonge kunstenaar Sarah Hendrickx, een van mijn studenten. Het is trouwens niet de enige kwestie waarvan de betekenis mij grotendeels ontsnapt. Er is immers zoveel werk van studenten dat niet te grijpen valt.

 

 Onwetendheid

Onderwijs of kunstonderwijs en onwetendheid. Geen onwetendheid van studenten, maar van docenten. Ook geen geveinsde onwetendheid, zoals bij Socrates indertijd, om zijn leerlingen uit te dagen, maar een feitelijk niet-weten.

Echte onwetendheid en vooral de omgang hiermee kan als een volwaardig pedagogisch principe gebruikt worden om tot kennis te komen. Het is een methode die we kunnen vergelijken met de psychoanalytische praktijk, waarin zowel analyst als analysant ‘niet weten’. Deze onwetendheid is fundamenteel. In het essay Psychoanalysis and Education. Teaching Terminable and Interminable gaat Shoshana Felman [1] uit van de freudiaanse gedachte dat iets aanleren niet mogelijk is. Kennis kan niet overgedragen worden omdat geen van beide partijen (analyst noch analysant, lesgever noch student) kennis heeft. Kennis moet gezocht worden, en meer nog: ze moet toegestaan, toegelaten worden. Het onderzoeksterrein van de psychoanalyse, met name het onbewuste, is immers ‘een weten dat het weten dat men weet niet kan verdragen’ [2], aldus Lacan. Naar analogie met de psychoanalyse moet ook de docent de weerstand tegen het weten trachten op te heffen. Er moet een dwang gecreëerd worden om te weten. Bovendien kan men stellen dat het hier om een zoeken naar kennis gaat, dat nooit tot een volledige kennis kan leiden.

Hier raken we aan de fundamentele onvolledigheid van kennis, zoals die ook in de kritiek op het Verlichtingsdenken geformuleerd werd. Totale kennis is niet bereikbaar, ook niet in de toekomst; het is een visie die zelfs in de positieve wetenschappen erkend wordt. [3] Onwetendheid moet niet gezien worden als het tegendeel van kennis, het is er de radicale mogelijkheidsvoorwaarde van. Onwetendheid maakt deel uit van de structuur van kennis.

De psychoanalyse stelt dat onwetendheid geen passieve staat is, maar een actieve weigering van informatie of een passionele weerstand ten opzichte van kennis, een verlangen om niet te weten. Zij laat dit niet-weten zelf instructief worden. Analoog hiermee is onderwijzen geen overdracht van kennis, maar bestaat het uit het creëren van een conditie die het mogelijk maakt te leren; een overwinnen van weerstand om te weten. Dit weten is geen kennis op basis van interpretaties van de werkelijkheid, maar een kennis, een vaardigheid om die interpretaties zelf te maken. Het is een vorm van analytisch vermogen dat niet via voorgekauwde systemen kan aangeleerd worden, maar dat bereikt wordt door het te doen. Kennis, niet als overdraagbare substantie, maar als structurele dynamiek.

 

Jacôtot, de onwetende meester

Wat betekent dit voor een onderwijssituatie? De docent kan geen meester zijn van kennis. Kennis kan alleen gezocht worden in de culturele productie van boeken, kunstwerken, gebouwen, voorstellingen, klanken. Studenten zoeken zo naar een weten in het eigen atelierwerk en in de kunstproductie van anderen. De docent begeleidt dit zoeken, zoals de analyst de analysant begeleidt.  Hierbij speelt de omgang met onwetendheid een cruciale rol: de attitude van de meester/docent tegenover het niet-weten leidt studenten in hun omgang met de eigen onwetendheid. Docenten dienen als modellen voor de omgang met de niet-kennis – modellen van eindeloos zoeken naar weten en naar betekenis. Hierin schemert de figuur door van de maître ignorant, de onwetende schoolmeester (zoals Jacques Rancière hem beschreef [4]) naar het model van de 19de-eeuwse meester Jacotôt, de meester die geen uitleg gaf en zijn studenten zelf liet zoeken. Uitleg geven is voor Jacotôt, alias Rancière, immers niet meer dan beweren ik ben slim en jij bent dom’. Het stelt een hiërarchie in die voor de zoektocht van de student eerder een belemmering vormt. Daarom laat de maître ignorant zijn eigen kennis thuis en dwingt zijn studenten zich te emanciperen via een gemeenschappelijke bron, in het geval van Jacotôt een boek. De onwetende meester gebruikt zijn wil/autoriteit als dwangmiddel om de studenten te doen leren. Deze dwang maakt een vrije relatie mogelijk tussen de intelligentie van de student en die van de meester, via het gemeenschappelijke weten van het boek. Een situatie die vergelijkbaar is met die van de analytische talking cure waarin de dwingende afspraak gemaakt wordt om te spreken en te blijven spreken.

 

Spreken

Zowel voor Freud als voor Rancière is het spreken cruciaal bij het leren. Spreken is dé manier van leren. Hierbij wijkt doeltreffendheid voor performatieve doelgerichtheid. Het spreken heeft immers geen vooropgestelde finaliteit. Het heeft wel een centrum: de zogenaamde bron van kennis, het onbewuste voor de analyst, het boek voor Jacotôt, het cultuurproduct en het eigen werk voor de student in de kunstschool. Rond deze bron komen docenten en studenten samen. Het discours zou moeten draaien rond deze kunstvormen en niet omgekeerd. (Kunst mag geen illustratie zijn van een dergelijk discours.) Het is de kunstproductie die een uitwisseling van ideeën teweegbrengt en leert denken. Zij vormt het centrum van het onderwijs. Zij is de aanleiding tot communicatie en dialoog waaruit – en, in dit geval, niet waarover – men iets kan leren.

Wat er in dit spreken gebeurt, is dan niet een abstraheren of een uitleggen. Het is een ontbinden en weer verbinden van woorden en dingen en plaatsen, een ontknopen en weer aan elkaar knopen waarbij de grenzen van de academische territoria genegeerd worden.  Het is een reizen zonder vaste bestemming. En dan denk ik weer aan Sarahs boek.

 

De gulle meester

De ideale leraar hierbij bestaat niet: ‘goed genoeg’ is de leraar die, zoals de analyst, de eigen verlangens thuislaat, zodat deze niet uitgespeeld worden tegen die van de student of, zoals de maître ignorant, degene die de eigen ideologieën thuislaat om aandachtig te kunnen luisteren, te laten spreken, te doen spreken en mee te spreken; degene die bovendien het eigen kennen als object van het spreken durft op het spel te zetten. Dit vraagt een generositeit die het eigen gelijk laat varen om, samen met studenten, actief te zoeken naar betekenissen en oplossingen. We moeten dan wel de 19de-eeuwse illusie van kunst als product van één geniaal individu laten varen en plaatsmaken voor kunst als samenspraak, samen denken en samen werken. Zo een anti-individualisme druist natuurlijk in tegen onze eigenwaan en tegen het idee-fixe dat studenten hun werk zelfstandig en alleen moeten maken. Het vraagt bovendien de gulheid van docenten om hun ‘eigen’ intelligentie en creativiteit te delen.

Leren is in deze context niet alleen een taak voor studenten; het wordt evenzeer een taak voor docenten: leren als onderwijsopdracht, als attitude en als model dat studenten kunnen navolgen; leren via het kritisch ondervragen van kunst en van het denken over kunst, als kunstenaar en/of als wetenschapper; en leren via het voortdurend in vraag stellen van de zogenaamde zekerheden die het denken binnensijpelen.

Een in vraag stellen. Is het dat wat Sarahs boek mij vertelt?

 

Kritische intimiteit

De vraag is hier of we met deze kritische reflectie niet terug de klassieke meester binnenhalen, de meester die van bovenaf spreekt. Of is er een alternatief om daaraan te ontsnappen? Is een kritisch denken mogelijk, dat vraagtekens plaatst van binnenuit, zoals de psychoanalyse dat doet of Jacotôt betrachtte? Hier kan het principe van kritische intimiteit van Gayatri Spivak [5] een model zijn: kritische intimiteit als methodologisch alternatief voor de klassieke kritische distantie die objectiviteit moet garanderen in de wetenschappen; een attitude die subjectieve betrokkenheid opzoekt in kennis en die ‘samen denken’ vooropstelt – zelfs in pedagogische relaties tussen docenten en studenten, waar studenten van docenten leren en docenten van studenten; een attitude die ook de grenzen van de wetenschappelijke en culturele disciplines durft te overschrijden om het vormelijke, het inhoudelijke en de context als een geheel te blijven zien. Experimenten hiermee door cultuurwetenschappers [6] tonen alvast een manier van werken waarin kunst en cultuur de samenhang behouden die ze dikwijls verliezen in een strikt academische analyse.

Zo een subjectief interpreteren kan een productief werkproces op gang brengen, dat bijzonder verwant is met het maken van kunst: kritische intimiteit dus niet alleen als methodologie in het zoeken naar kennis en in de pedagogische aanpak, maar ook in de kunstpraktijk – als antwoord op de kritische afstand die de modernistische kunstenaar nam om de wereld vanuit een niet-participerende positie, van buitenaf te kunnen beschouwen. Kunst wordt hier een sociaal engagement, een praktijk die infiltreert in een maatschappelijke omgeving, die daar ageert en de wereld toont van binnenuit.

Een tonen van binnenuit, zoals Sarahs boek dat probeert?

 

Masters?

Vanuit deze standpunten is het moeilijk om nog over meesterschap te spreken, omdat deze term een voortdurende controle veronderstelt. Zo komt de titel ‘master’ in het gedrang. Die term valt trouwens moeilijk te verenigen met een hedendaags kunstenaarschap. Waarover moet een kunstenaar immers meester zijn? Zeker na alle kritiek die de kunst sinds de jaren 60 formuleerde op dit denken, is deze term bijzonder irrelevant geworden, zowel voor studenten als voor docenten. In plaats van te streven naar een controlerend en wetend meesterschap, kunnen we beter het niet-weten productief maken. Dit besef doet ons telkens opnieuw zoeken naar betekenis, terwijl elke invulling van dit verlangen het meester-zijn in vraag stelt. Dit betekent dan wel dat wij, de  zogenaamde ‘meesters’ van de zogenaamde ‘masters’, veroordeeld zijn tot een levenslang leren. Wat wel een fijn lot is.

 

Noten

1 Shoshana Felman, Psychoanalysis and Education. Teaching Terminable and Interminable, in Yale French Studies, nr. 63, 1982, pp. 21-44.

2 Jacques Lacan, seminarie van 19 februari 1974 (onuitgegeven).

3 Denk aan de Gödelstellingen in verband met de principiële onvolledigheid van de wiskunde, zie o.a.: Diderik Batens, Kurt Gödel en de wetenschappelijke zekerheid, in: Jos Kint (red.), Nieuwe visies in de wetenschap, Leuven, Acco, 1989, pp. 43-66.

4 Jacques Rancière, Le Maître Ignorant. Cinq leçons sur l’émancipation intellectuelle, Paris, Fayard, 1987.

5 Gayatri Chakravorty Spivak, A Critique of Postcolonial Reason: Toward a History of the Vanishing Present, Cambridge (MA), Harvard University Press, 1999. Mieke Bal herwerkte dit concept van Spivak in haar boek Travelling Concepts in the Humanities. A Rough Guide, Toronto, University of Toronto Press, 2002, pp. 286-323.

6 Behalve aan de Amsterdam School of Cultural Analysis (Universiteit van Amsterdam) ook in het Centre for Cultural Analysis, Theory and History (University of Leeds).

‘Zicht op zee’

Drie jaar geleden, in het kader van Over the Edges te Gent, legde fotograaf Dirk Braeckman een laag hoogglansvernis over de afbladderende neoclassicistische zijgevel van de Gentse Academie voor Schone Kunsten, waarmee hij het gebouw als het ware in situ tot een typische Braeckmanfoto transformeerde. Met De Panne_Knokke 2002 heeft hij opnieuw een werk gerealiseerd met een uitgesproken architecturale dimensie. Dit keer gebruikt Braeckman echter louter fotografische middelen om uitspraken te doen over architecturale én stedenbouwkundige thema’s. In de nissen van de Venetiaanse Gaanderijen te Oostende heeft hij 29 foto’s geïnstalleerd, die elk een zicht op zee tonen vanuit een willekeurig gekozen flat in één van de gemeenten langs de Belgische kustlijn. [1]

 

Grijs

Braeckman is altijd gefascineerd geweest door de schemerige beslotenheid van kamers, en vooral door de manier waarop die kamers ingesnoerd, volgepakt en aangekleed worden met tapijten, vloertegels, behangsels, gordijnen, lambriseringen en capitonneringen. [2] Ook De Panne_Knokke 2002 getuigt daarvan: de gordijnen, raamkozijnen, verwarmingsroosters, banken, kussens, potplanten, tafellakens, luiken, televisietoestellen, vloertegels, glasvlakken en rugleuningen van stoelen en sofa’s lijken zo uit de vele sjofele kamers van Braeckmans eerdere foto’s geplukt. De combinatie met de openheid van de zee vormt daarentegen een nieuw element. Nochtans past het kwikzilveren vlies van de Noordzee uitstekend bij zijn fotografische sensibiliteit. Het ging Braeckman in zijn groezelige zwartwitfoto’s van kamers, gangen en hallen altijd al om het aftasten van grijstonen. Dit onuitputtelijke scala van grijzen vindt hij thans in een helderder register terug in de Noordzee. Bovendien laat het watervlak van de zee hem ook toe het spel van doffe en reflecterende oppervlakken uit zijn ‘portretten van kamers’ te hernemen.

Braeckman sluit daarmee aan bij een fascinatie uit de vroege geschiedenis van de fotografie. Voor veel fotografen was het licht dat over het zilverkleurige watervlak van de zee danste, een dankbare aanleiding om het onuitputtelijke gamma van grijstinten te exploreren. De onmetelijke vergezichten boden dan weer de mogelijkheid om de begrenzingen van de scherptediepte af te tasten, terwijl de kolkende watermassa van de zee hen toeliet om het tot stilstand brengen van beweging te thematiseren. Deze exploraties leidden al in 1850 tot een esthetisch hoogtepunt in de virtuoze marines die Gustave Le Gray aan de mediterrane en Normandische kust vervaardigde. Le Gray fotografeerde zowel tegen de rotsen opspattende golven als de weerspiegeling van het felle zonlicht op een zachtjes gerimpeld wateroppervlak. In sommige van zijn foto’s is de zee als gevolg van lange sluitertijden getransformeerd tot een egaal vlies, een ‘tijdloze’ mysterieuze sluier, en precies deze grijze waas vinden we vaak terug in hedendaagse fotografie die het zeemotief herneemt – zoals de beroemde Seascapes van Hiroshi Sugimoto. Braeckman vond deze meditatieve dimensie van het fotografische grijs aanvankelijk terug in het interieur. Zoals Le Gray en Sugimoto de zee tot een gedempt waas transformeren, zo zijn Braeckmans interieurs ondergedompeld in duifgrijze sluiers die met een korrelige onscherpte het beeld zachtjes temperen. En zoals Le Gray het verblindende zonlicht laat weerkaatsen op de golven, zo gebruikte Braeckman de reflectie van de flits om de tactiliteit van oppervlakken in het interieur te evoceren. Vanuit zijn preoccupatie met het grijs is Braeckman dus als vanzelf bij een oermotief uit de geschiedenis van de fotografie beland.

 

Vensters

Braeckman is echter niet geïnteresseerd in de zee op zich, maar in de combinatie van zee en interieur. Daarbij zoekt hij niet het contrast op tussen beslotenheid en openheid, helderheid en duisternis, binnen en buiten, maar exploreert hij de mistige grenszone tussen beide werelden. Zo kan hij het zeegezicht meteen verbinden met zijn vertrouwde iconografie van vensters, glazen oppervlakken en gordijnen. Waar Braeckman in zijn interieurbeelden alle gradaties van opake en transparante vlakken tegen elkaar uitspeelde, worden de lichtomstandigheden nu nog complexer en voor de fotograaf uitdagender. De koppeling van de marine aan het venstermotief levert ook een interessant compositorisch spel op, waarbij de horizontaliteit van zee en strand doorkruist wordt door het verticale ritme van raamkozijnen, gordijnen of balkonleuningen. Verder biedt het bespelen van de grens tussen binnen en buiten de mogelijkheid om de fotografische condities van deze beelden af te tasten. Het venster geldt immers niet alleen in de schilderkunst als een klassieke metafoor van de representatie. Braeckman knoopt met het venstermotief ook aan bij de vroege geschiedenis van de fotografie: de eerste foto’s van Nièpce, Daguerre en Talbot waren gezichten vanuit een (soms weliswaar onzichtbaar) raam. Bovendien reflecteren Braeckmans glasoppervlakken – letterlijk – de aanwezigheid van de fotograaf, net zoals de reflecties van het flitslicht dat in zijn interieurbeelden deden. [3] En ten slotte presenteert Braeckman het raam als metafoor van de lens. De kadrering van het raam herhaalt de uitsnijding van het fotografische beeldvlak, wat ons eraan herinnert dat de randen van de foto, in tegenstelling tot die van een geschilderde voorstelling, een volkomen arbitrair karakter bezitten. De fotograaf versnijdt de ruimte die zich voorbij de randen verder uitstrekt. Braeckman thematiseert dit door de verschillende foto’s naast elkaar te plaatsen en zo de grenzeloze horizon van de zee op te roepen.

Vensters vormen niet alleen een visuele verbinding tussen twee ruimten, ze installeren en definiëren ook een fysieke en mentale afstand. Ze regelen de blik, zoals de camera dat doet, en ze transformeren de achterliggende wereld tot een beeld: waar men de dingen door een kader bekijkt, verkrijgen ze een picturaal en onwerkelijk karakter. Dat Braeckman juist in dit werk de nadruk legt op de scenografische dimensie van ramen, is niet verwonderlijk. De kustappartementen die hij fotografeert, hebben hun succes en kostbaarheid immers te danken aan hun zicht op zee. Vandaar de muurvullende glasvlakken in deze appartementen – in het Engels noemt men dergelijke ramen niet voor niets picture windows. Braeckmans glasvlakken worden enkel onderbroken door raamkozijnen en nooit door muurvlakken. Het visuele contact met de zee werd door de architecten van deze kustappartementen telkens maximaal benut. Zodoende benadert Braeckman deze appartementen aan de Belgische kust niet alleen als architectuur, maar ook als een specifieke kijkapparatuur.

 

Lijnstad

Door deze scenografische oriëntatie op de zee vertonen de raamcomposities van De Panne_Knokke 2002 steevast horizontale proporties. De horizontaliteit wordt herhaald in de presentatie van de foto’s, die in een strip naast elkaar hangen, en in de schijnbaar doorlopende horizonlijn die zich telkens op dezelfde hoogte bevindt. Het geheel doet onmiddellijk denken aan negentiende-eeuwse panoramische foto’s die eveneens vaak uit verschillende, naast elkaar gemonteerde beelden zijn samengesteld. Met de horizontaliteit van de afzonderlijke raamcomposities en van de fotoreeks in haar geheel levert Braeckman echter ook een commentaar op de architecturale en stedenbouwkundige context van deze plekken. Horizontale fenestratie is immers één van de belangrijkste kenmerken van modernistische architectuur, waarvan de bouwblokken aan de Belgische kust meestal banale afkooksels vormen. Bovendien roept Braeckman, door de zee telkens met een ander interieur te combineren, de ononderbroken stedenbouwkundige strip van het bebouwingspatroon langs de Belgische kust op. De amper zestig kilometer lange kustlijn is immers bijna volledig dichtgebouwd met één enkele doorlopende bouwmassa. Natuurlijk is dit in grote mate het resultaat van het spreekwoordelijke gebrek aan ruimtelijke ordening en de onstuitbare bouwdrift van de Vlaamse betonboeren; maar dat belet niet dat de stedenbouwkundige situatie aan de Belgische kust – een lang bouwlint dat parallel loopt aan een as voor gemotoriseerd verkeer (de beruchte Koninklijke Baan), een strip voor voetgangers (de dijk) en een recreatiestrook (het strand) – opvallende overeenkomsten vertoont met veel utopische lineaire stadsontwerpen van de avant-garde. Men kan onder meer denken aan de laatnegentiende-eeuwse ciudad lineal van Arturo Soria y Mata of de vele experimenten van diverse Sovjetrussische desurbanisten uit de jaren 1920 – die overigens invloed hebben uitgeoefend op de lijnstadsontwerpen van Belgische modernisten als Renaat Braem en Julien Schillemans. Het meest opvallend zijn echter de overeenkomsten met de lineaire stadsontwerpen van Le Corbusier, die de onmiddellijke confrontatie met een (evenwel meer dramatisch geladen) kustlijn aangaan: de schetsen voor de Corniche-uitbreidingen van Rio de Janeiro (1930) of het beroemde Plan Obus voor Algiers (1930-33). Met de formele uitwerking en de ideologische context van deze utopische lijnsteden heeft de bebouwing aan de Belgische kust nauwelijks iets gemeen, maar het planologische principe is hetzelfde: op een relatief smalle strook met hoge bouwdichtheid mensenmassa’s samenbrengen met een gemeenschappelijk uitzicht (op zee). Het flatgebouw, dat de modale Vlaming vanuit zijn in een verkaveling neergepote fermette als woonmodel misprijst, lijkt hij vreemd genoeg wel te aanvaarden in een recreatieve sfeer.

Hoewel de bouwstrook aan de Belgische kust het resultaat is van ruimtelijk wanbeleid en van een ongebreidelde roofbouw op het natuurlijke landschap, volgt zij een model dat – precies omwille van de compacte
accumulatie van familiale wooneenheden – ruimtelijk en ecologisch eerbiedwaardig is. Bovendien staat de Belgische kust voor een fascinerend stadsmodel dat al inspirerend heeft gewerkt voor Nederlandse ontwerpers als Willem-Jan Neutelings en Adriaan Geuze. Hen interesseert vooral het feit dat het potentieel van de site maximaal benut wordt in functie van grote mensengroepen die, althans in het toeristische seizoen, een metropolitane densiteit bezitten.

Van deze hectische vakantiedrukte is in Braeckmans foto’s echter niets te bespeuren. De kunstenaar realiseerde de fotoreeks in de maanden november en december. Dit stelde hem niet alleen in staat om dankbaar gebruik te maken van het getemperde licht maar ook om uren door te brengen in de vele huurappartementen die in zowat elke kustgemeente in deze periode leeg staan. De desolate indruk van de interieurs wordt beantwoord door de leegte van het kustlandschap. Slechts in uitzonderlijke gevallen is er een schip aan de horizon te zien, en hooguit in enkele foto’s kan men eenzame wandelaars bespeuren. Zelfs de zee lijkt in de meeste foto’s kalm; slechts zelden is de branding dichtbij en duidelijk te zien. We treffen in deze zeegezichten de ietwat troosteloze atmosfeer aan die we eerder aantroffen in Braeckmans eigen kamers, gangen en hallen of in de fotoreeks Cités de sable, die fotograaf Christian Meynen in de jaren negentig van de Belgische kustbebouwing maakte. Niets herinnert aan de pret en de drukte van het strand, de locus classicus van de amateurfotografie.

 

Noten

[1] Dit werk maakt deel uit van de tentoonstelling Beaufort 2003, die tot 28 september in diverse Belgische kustgemeenten te zien is.

[2] Steven Jacobs, Skinning Architecture: the Generic Tactility of Dirk Braeckman, in: A-Prior nr. 7, Spring/Summer 2002, pp. 112-117.

[3] Frank Vande Veire, Blinde autoreferentialiteit. Dirk Braeckmans licht op de fotografie, in: De Witte Raaf nr. 80, juli-augustus 1999, pp. 14-17.

De peilende blik: Carracci, Balthus (& Vercruysse)

Balthus zou gezegd hebben dat moderne schilderkunst “geen zinnen meer kan maken”, en dus enkel nog losse woorden, kreten of gestamel voortbrengt. Zelf wil hij een traditie voortzetten die niet enkel schilderkunstig vakmanschap betracht, maar ook nog een klassieke beeldtaal spreekt. Hij schildert dus ‘welgevormde’ landschappen en stillevens, naakten en portretten. Maar daarnaast heeft hij ook enkele grote en bijna monumentale tableaux of ‘situaties’ geschilderd die nu als zijn hoofdwerken worden beschouwd, zoals La Rue, La Montagne en La Chambre. Volgens Jean Clair zijn deze beelden wel degelijk modern, omdat ze niet meer variëren op klassieke thema’s of verhaalmotieven van de historieschilderkunst, maar zich naar binnen keren. Ze gaan over de dingen die in elk mens gebeuren zonder dat iemand ze bewust meemaakt. Blanche Reverchon, psychoanalytica en de echtgenote van Balthus’ vriend Pierre Jean Jouve, zou gezegd hebben dat Balthus altijd schildert “au plus près de la scène primitive”. Schilderen om dat ‘eerste beeld’ terug te vinden, om een voorstelling te maken die dicht op het Geheim zit, op dat duister ding dat kinderen nooit verteld wordt maar dat ze altijd wel ‘gezien’ hebben en dat ze, omdat ze er niets van begrepen, ergens in hun geheugen verloren zijn.

Balthus heeft lang geleefd, veel gewerkt en veel getekend, maar hij heeft altijd traag en bedachtzaam geschilderd. Zijn schilderijenproductie is klein en de motiefkeuze beperkt. Enkele van de sleutelwerken, zoals La Rue, Le Passage du Commerce-Saint-André en La Montagne, staan schijnbaar geïsoleerd in het oeuvre. In andere werken wordt een constellatie of een situatie telkens hernomen of gevarieerd, tot na een aantal omcirkelende studies het centrale beeld van dat motief verschijnt. Het gaat daarbij nagenoeg altijd om scènes in een interieur: er is een serie voorstellingen van slapende of landerige meisjes op en bij een sofa, een serie met een meisje of jonge vrouw met een handspiegel op een bed of zitbank, een serie met kaartspelende meisjes – een meisje speelt ‘patience’ of legt kaarten met een jongen… Een van de belangrijkste en meest enigmatische van deze series stelt een naakt of halfnaakt meisje voor dat, half liggend op een bank dwars in beeld, achteroverleunt en met een kat speelt, terwijl in de kamer een gedrongen personage toekijkt of zich afwendt naar het raam. Het eindbeeld van deze serie is La Chambre, een monumentaal werk met levensgrote figuren waaraan Balthus gewerkt heeft tussen 1952 en 1954, aan het eind van zijn Parijse periode. De naakte vrouw ligt op een ligbank met het hoofd achterover en een hangende arm, terwijl rechts in beeld een dwergachtige figuur het gordijn openhoudt en hard licht op de buik van de vrouw laat vallen. Rechtsachter in beeld zien we een poes die, rechtop gezeten op een hoog tafeltje, het tafereel gadeslaat. Achterin staat een schaal met schenkkan op een kastje.

Het schilderij heeft vele commentaren uitgelokt. Iedereen – aldus Virginie Monnier, die met Jean Clair de Catalogue raisonné heeft samengesteld en ook de catalogus van de laatste grote tentoonstelling twee jaar geleden in Venetië heeft gemaakt – ziet de vrouw als het slachtoffer van een verkrachting. Pierre Klossowski, de broer van Balthus, die gewoond heeft in de kamer waar Balthus La Chambre had geschilderd, vraagt zich in Du Tableau vivant dans la peinture de Balthus af of het beeld een “orgasme na een verkrachting” toont, dan wel of er hier niets gebeurd is – wat zou betekenen dat het beeld dat ‘niets’ en het ‘onherroepelijke’ zo op elkaar legt dat het ‘dubbel’ en onvatbaar wordt… Jean Clair heeft in verschillende teksten iconografische referenties en ontleningen van Balthus’ oeuvre aangegeven: het kinderboek Der Strüwelpeter van Heinrich Hoffmann, schilderijen en prenten van Cranach, Lorenzetti, Piero della Francesca, Caravaggio, klassieke vanitasmotieven (zoals de handspiegel) en het liefdeskoppel Venus en Psyche. Ook verschillende literaire inspiratiebronnen en verwijzingen zijn bekend: Wuthering Heights, werk van Jouve, bijdragen in Minotaure enzovoort. Clair suggereert, vooral verwijzend naar het personage van de dwerg, dat La Chambre ontstaan zou zijn uit proefillustraties die Balthus gemaakt heeft voor Roberte ce soir van Klossowski. In dezelfde catalogus van 2001 brengt Monnier het schilderij, evenwel zonder dit te beargumenteren, in verband met La Marquise d’O van Heinrich von Kleist, om dan toch maar te constateren dat “Up to now, investigations to locate the sources, either literary or pictorial, of La Chambre, have failed.” [1]

 

De blik van de sater

Ik wil hier betogen dat de hoofdbron van La Chambre geen tekst of verhaal is, maar een bekend beeld uit de erotische kunst van de Renaissance. Het schilderij is een uitvergroting en transformatie van een prent uit de reeks Le Lascive van Agostino Carracci. De betreffende prent toont een naakte vrouw die, dwars in het beeld, op een bank achteroverleunt, de linkerarm achter het hoofd geplooid, en naar haar schoot kijkt terwijl ze met de rechterhand het dekbed optilt voor een grijnzende poes. De poes zit op een boek. Tussen de benen van de vrouw staat een sater, met duidelijk gezwollen lid achter zijn schaamdoekje, die een peillood zo laat zakken dat het gewichtje bijna het geslacht van de vrouw raakt. Achter het koppel tilt een putto een gordijn op, terwijl hij met zijn blik het lood en het geslacht van de vrouw fixeert. In een open raam in de bovenhoek van het beeld zijn een schotel, een fles en een gekooide vogel te zien. Het peillood en de blik van de sater, die beide recht naar beneden op de onderbuik zijn gericht, meten ‘hoe diep het water is’. In La Chambre hercomponeert Balthus dit beeld, met hergebruik van alle attributen en figuranten, en zelfs met de rekwisieten. De compositie is dezelfde gebleven, maar het beeld toont een volgende episode in het verhaal. Schaal en kan zijn gegroepeerd op de achtergrond; de poes is met haar boek verhuisd naar de tafel achter in het beeld; de vrouw ligt uitgeput-afwezig op de bank. De putto is vanuit de achtergrond een kwartcirkel naar voren gedraaid en houdt rechts in beeld het gordijn open, terwijl hij, over zijn opgeheven arm, de buik van de vrouw blijft fixeren. Enkel de sater is wel uit het beeld maar niet uit de situatie verdwenen: hij is samen met de putto een kwartcirkel naar voren gedraaid en is zo buiten en voor het beeld terechtgekomen. De beschouwer die voor Balthus’ schilderij staat, komt vanzelf op de plaats van de sater terecht en wordt zo in de situatie getrokken: zijn blik vult de plaats die in de beeldcompositie aan de peilende blik van de sater is voorbehouden. Carracci’s beeld is nog voor de voyeur gemaakt. Het laat zich op een steelse en risicoloze manier bekijken door iemand die het geheim van anderen wil zien zonder ermee geconfronteerd te worden, dat wil zeggen zonder zelf betrokken te zijn of uitgedaagd te worden. De voyeur wil immers zien zonder gezien of geadresseerd te worden. Bij Carracci levert de figuur van de sater de blik-in-het-beeld en de aanwezigheid waarop de vrouw en de putto zich richten. Daardoor kijkt de beschouwer niet zelf maar ziet hij iemand kijken. Bij Balthus daarentegen toont de dwerg de vrouw aan de beschouwer die nu sater is geworden. Het afstandelijke, voyeuristische plaatje wordt zo – en zeker wanneer men geen catalogus met kleine afbeeldingen voor zich heeft, maar een tentoonstellingszaal binnenstapt en plots voor dat levensgrote tableau staat – een schokkend en agressief beeld dat de beschouwer insluit en medeplichtig maakt. Het intrigerende en raadselachtige karakter van La Chambre, dat alle commentatoren hebben aangegeven, berust dus op het feit dat – zoals uit Carracci’s prent duidelijk blijkt – een personage in het beeld is uitgespaard en de blik van de beschouwer zelf de sleutel van het raadsel vormt.

De prent van Carracci levert niet enkel de ondertekening voor La Chambre en de voorbereidende schilderijen (zoals La Semaine des quatre jeudis). Enkele van de motieven duiken ook geïsoleerd op in andere werken. Zo zijn er voorstellingen van jonge meisjes met blote benen en opgetrokken rokjes, slaperig achterovergeleund op een bankje, met de poes aan de voeten – die op één van de versies zelfs melk likt – waarbij de beschouwer de ‘saterblik’ krijgt aangemeten. [2] Maar er is vooral een bekend werk, Thérèse sur une banquette uit 1939. Het schilderij toont één van Balthus’ jonge meisjesfiguren, die dwars in beeld op het bankje zit met de linkerknie opgetrokken en opgeschoven rok; ze steunt met de linkerarm op de grond en houdt met de rechterhand boven haar schoot een draad omhoog. Op voorbereidende tekeningen completeert de tweede figuur aan het raam, die ook in de proeven van La Chambre meespeelt, de situatie. Monnier meent dat het meisje hier met een hondje speelt dat op een schets – die in de Catalogue raisonné uitzonderlijk niet wordt gereproduceerd – te zien zou zijn: “La position de la jeune fille se comprend si l’on note qu’elle tient à la main un fil au bout duquel pend une pelote avec laquelle elle amuse un chien.” [3] Bij Jean Clair is het hondje een poes geworden: het meisje speelt met “une pelote de fil invisible, qu’elle agite au nez d’un chat”. [4] Deze verklaringen van het tafereel zijn oncontroleerbaar, anekdotisch en blijven bovendien niet bij het beeld – als Balthus hier een kinderspel had geschilderd, zou het kameraadje trouwens onder de bank zichtbaar moeten zijn. In werkelijkheid is ook dit beeld overduidelijk een transformatie van Carracci’s peilende sater. Het meisje ligt op een bank precies zoals de vrouw bij Carracci; ze wordt nu enkel van de andere kant bekeken waardoor haar onderbuik verborgen blijft. Maar de draad hangt precies boven haar geslacht en gaat langs haar dij op dezelfde plaats als bij Carracci. Balthus eigent zich het beeld opnieuw toe, maar maakt het op een perverse manier troebel. De beschouwer wordt wel in de comfortabele voyeurspositie gebracht: hij (of zij) ziet een pubermeisje dat – in de termen van Michael Fried – niet theatraal maar verzonken “zichzelf peilt”. Maar de wellustige directheid van Carracci is hier impliciet geworden. De beschouwer ziet niet écht wat de draad aanduidt en het is nooit duidelijk of het meisje weet wat ze speelt. En dus wordt de beschouwer geconfronteerd met zijn eigen verlangens, nieuwsgierigheid en fantasmen.

 

La Peur des fantômes…

Uit het feit dat Balthus nog ten minste één ander beeld uit de reeks van Le Lascive gebruikt heeft, valt op te maken dat hij het thema van de peilende sater inderdaad bij Carracci heeft gehaald en niet bij een van de latere versies van het motief. De tweede duidelijke ontlening is het ‘portret’ van een jong meisje, en het is een schilderij met een verhaal: La Fenêtre (“La Peur des fantômes”) uit 1933. Het verhaal gaat dat toen het model, de jonge dochter van een kennis, voor het eerst op het atelier kwam, Balthus, die zich verkleed had in een oud legeruniform, met een dolk in de hand op haar toesprong en dreigde haar blouse open te rukken, waarop het meisje verschrikt naar het raam vluchtte. Balthus zou dan deze spontane reactie en haar verschrikt gezicht als motief voor zijn schilderij hebben genomen: het meisje zit midden op de vensterbank van een open raam, ze kijkt verschrikt op en maakt een afwerend gebaar met haar rechterhand, terwijl ze met haar linkerhand op de bank steunt. Ze heeft één voet op de grond en trekt haar linkerbeen op. Deze versie van het beeld is echter enkel bekend door een foto, want Balthus heeft later (ergens voor 1962) het schilderij herwerkt, waarbij hij onder meer het gelaat rustiger heeft gemaakt, maar vooral – als meest opvallende wijziging – één borst naakt geschilderd heeft. Monnier schrijft dat de tweede versie niet meer “the physical expression of terror” toont die Balthus “sought to provoke on the young girl’s face” toen ze binnenstapte. [5] En dat zou de reden zijn geweest waarom Balthus ten tijde van het samenstellen van de Catalogue raisonné aan Monnier en Clair heeft gevraagd om de ondertitel “La Peur des fantômes” toe te voegen. Het verhaal van de scène met de dolk komt trouwens ook van Balthus en is “verbally confirmed by Balthus”. Maar men moet niet alles geloven wat kunstenaars over hun werk vertellen. In zijn mythologisering van de oorsprong van dit schilderij speelt Balthus met de dubbelzinnigheid van het beeld zelf. De pose van het meisje is absoluut geen spontane en anekdotische reactie, maar een citaat uit Carracci’s lubrieke versie van Suzanna met de ouderlingen. Het bijbelverhaal van Suzanna, die bij haar bad bespied en benaderd wordt door twee oude mannen, is in de geschiedenis van de schilderkunst altijd aanleiding geweest voor suggestieve en dubbelzinnige inventio. Carracci maakt echter een bijzonder expliciete versie, waarbij de ouderlingen de naakte Suzanna niet meer bespieden, maar één van de mannen haar vastgrijpt terwijl de andere toekijkt, zijn kleed opschort, en – nog net buiten zicht – zijn hand al tussen zijn benen heeft. Balthus neemt zeer getrouw de pose en de gebaren over van Carracci’s Suzanna, en hij volgt de beeldopbouw: de twee verticalen, de lijn van de balustrade en wellicht zelfs de skyline. Balthus’ latere ‘gecorrigeerde’ versie, waarbij de borst ontbloot wordt, klopt inderdaad duidelijk meer met het ‘origineel’. Het verhaal dat de kunstenaar zelf over het schilderij heeft verspreid, en waarin hij in een oud uniform en met een dolk in de hand op het meisje toeschoot, is niets dan een halfgemaskeerde versie van het verhaal van Suzanna, waarbij Balthus zichzelf laat optreden in de figuur van de ouderling.

La Fenêtre is van 1933, het portret van Thérèse is van 1939, La Chambre is van 1952. Hieruit blijkt dat Balthus de prentenserie van Carracci in zijn hele oeuvre meeneemt. Het gaat niet om een eenmalige of terloopse verwijzing. Balthus heeft de enkele expliciet erotische werken uit zijn oeuvre, zoals La Leçon de guitare, later als jeugdige provocaties afgedaan, en hij heeft lang verboden om ze nog publiek te tonen. Uit het voorgaande blijkt echter dat het zinspelen op het erotische – en hetzelfde kan gezegd worden van zovele andere moderne kunstenaars, met Duchamp en Picasso als eminente voorbeelden – een basislaag vormt van veel van zijn beelden en zelfs van zijn hele oeuvre. Dikwijls worden de beelden op spanning gebracht door dit zeer expliciete begin juist te verzwijgen of te bedekken.

Dit alles is voldoende aanleiding om verder te gaan en ter toetsing de hele serie van Le Lascive naast het oeuvre van Balthus te leggen. Tenminste nog één beeld en één sleutelfiguur dringen zich daarbij op. Het meest obscene beeld van Carracci’s hele serie is wellicht Het toilet van Venus: de ‘godin’ zit naakt tegen een rots aan terwijl een putto haar teennagels vijlt en een kleine sater met een kleine erectie onder het opgeheven been van de godin door kruipt en lachend zijn wijsvinger in haar steekt. Een van de weinige belangrijke werken van Balthus, monumentaal, levensgroot en zeer complex, mét een dergelijk expliciet obsceen gebaar was de tweede versie van de straatscène van La Rue (1933). Balthus zelf beschouwde dit als het eerste echt belangrijke schilderij waarin hij geslaagd was precies te zeggen wat hij te zeggen had. Een tiental personages, die van elkaar geen weet lijken te hebben, treden samen op in een raadselachtig, hallucinatoir tafereel. Een man links in beeld nadert een meisje van achteren en grijpt met zijn ene hand haar linkerpols en met zijn andere haar schoot. Toen het schilderij in het MoMA tentoongesteld zou worden, bleek deze geste evenwel een probleem; Balthus heeft het doek toen maar zedig gecorrigeerd door de hand wat te verplaatsen. Het aandachtscentrum van het schilderij is echter een dwergmeisje vooraan in het midden. Het houdt in de linkerhand een soort tennisracket zonder snaren en lijkt met de wijsvinger van de rechterhand naar een rood balletje te wijzen dat op straat ligt. Bij nader inzien blijkt echter dat haar blik niet op die bal is gericht, maar focust op of vlak bij haar vinger – dus daar waar zich bij Carracci de schoot van Venus bevindt. De maat en de pose van het dwergfiguurtje, en in het bijzonder haar blik en het gebaar met de wijsvinger, komen wel bijzonder dicht bij de kleine sater.

La Rue is zeer zeker een bijzonder ingewikkeld beeld. Veel verwijzingen die de personages afzonderlijk betreffen en die hen betrekken op de hele westerse schilderkunst, zijn elders reeds genoemd, maar wat de personages samenbrengt of verbindt is nog niet opgehelderd. Dat blijft zo na de tentatieve lectuur van het dwergmeisje als Carracci’s sater, en na de herbeschrijving van het centrale gebaar van het tafereel als een aanraking. Maar een globale interpretatie kan, meen ik, deze elementen wel gebruiken. Het is immers bekend dat de man achter het dwergmeisje, in zijn opvallend witte jasje en broek en met de houten plank op de schouder, ontleend is aan Piero della Francesca’s frescocyclus in Arezzo. Bij Piero draagt de man echter geen broek waardoor – een bekend maar zeldzaam detail – een teelbal onder zijn kleed vandaan komt. Terwijl Balthus de figuur omkeert, en daardoor het detail achter diens bovenbeen verbergt?

 

Epiloog

Balthus’ beelden én het soort interpretatie dat beelden wil ‘oplossen’ passen in een oude traditie waarin het beeld als raadsel of als ‘probleem’ wordt behandeld. (Het Griekse woord ‘probleem’ betekent, vooreerst, het raadselachtige antwoord dat het orakel geeft aan de vraag die de mens stelt. In het antwoord van de pythia spreekt de god, en daarom kan het antwoord, dat van ‘hoog’ komt, niet anders dan een obstakel zijn, duister en raadselachtig. Het goddelijke antwoord behoeft dus steeds nog een verklaring. De mens moet ‘raden’.) Kunst maken en kunst bekijken is en blijft dikwijls raadsels maken en raadsels raden. Het raadsel is tegelijk en onontwarbaar ernst én spel, vals én diep. Het geheim, dat door het beeld tegelijkertijd verteld en verborgen wordt, kan voor de klassieke moderne kunst die Balthus maakt nog obsceen zijn: het beeld schept de mogelijkheid en de verwachting dat een geheim, dat bestemd is om beschermd en verdoken te blijven, plots en expliciet getoond kan worden. Een dergelijk beeld fascineert. Maar Balthus heeft deze beelden een halve eeuw geleden gemaakt. Wat er sindsdien met strategieën als de zijne en met het beeld in het algemeen gebeurd is, valt op te maken uit een veel recenter hergebruik van Carracci’s saterbeeld. In 1981 heeft Jan Vercruysse een fotoinstallatie gemaakt die overduidelijk het motief van Carracci’s prent herneemt, maar inzoomt op het centrum van het beeld. Leda bestaat uit een foto van de opgestoken, geopende, naakte knieën van een vrouw wiens onderbuik net onder de beeldrand blijft. Voor – en dus: buiten – het nadrukkelijk klassiek ingekaderde beeld hangt een peillood, waarvan het gewichtje voor het kader bungelt. Vercruysse herneemt Carracci, al is het niet de diepte van de schoot, maar het beeld zelf dat hier wordt gepeild. Niet meer de schoot, die in dit werk – zoals het naakt in het hele fotowerk van Vercruysse – als conventionele beeldinhoud behandeld wordt, maar het beeld zélf is het ‘raadsel’ en obstakel geworden.

 

Noten

[1] Virginie Monnier & Jean Clair, Balthus. Catalogue raisonné de l’oeuvre complet, Paris, Gallimard, 1999, p. 328.

[2] Het gaat om de schilderijen cat. nr. P101 (Jeune fille au chat) en P112 (Thérèse rêvant) in: ibid.

[3] Ibid., p. 136.

[4] Ibid., p. 38.

[5] Jean Clair (red.), Balthus, Milano, Bompiani, 2001, p. 230.

 

Bibliografische gegevens

De belangrijkste publicaties over Balthus zijn de catalogi van de tentoonstellingen in het Centre Pompidou in Parijs en het Palazzo Grassi te Venetië: Balthus. Centre Georges Pompidou, Musée National d’Art Moderne, Paris, 5 novembre 1983-23 janvier 1984/The Metropolitan Museum of Art, New York, 21 février-13 mai 1984, Paris, 1983; Jean Clair (red.), Balthus, Milano, Bompiani, 2001. De catalogus van 1983 verzamelt de belangrijkste kritieken en commentaren van voor 1983, met onder meer de tekst van Pierre Klossowski Du Tableau vivant dans la peinture de Balthus, en ook belangrijke essays van Jean Clair en John Russell. Daarnaast is er de oeuvrecatalogus door Virginie Monnier en Jean Clair: Balthus. Catalogue raisonné de l’oeuvre complet, Paris, Gallimard, 1999, met een zeer uitgebreide bibliografie. In het catalogusdeel van de drie publicaties is telkens de basisinformatie te vinden over de schilderijen die hier besproken zijn.

De prentenreeks van Agostino Carracci is onlangs opnieuw uitgegeven bij Les Éditions de l’Amateur, Parijs, 2003 (Augustin Carrache, Les Lascives, met teksten van Lionel Dax en Augustin de Butler).

Leda van Jan Vercruysse is opgenomen in Jan Vercruysse, Portretten van de Kunstenaar, met een essay van Pier Luigi Tazzi, Gevaert/Ludion, Brussel/Gent, 1997, p. 53. 

Mind your own business

B: Euh… wie begint?

A: Klungelaar. Nu denken ze zeker dat we de dialogen tussen Georges Duthuit en Samuel Beckett plagiëren. Terwijl we alleen maar een bescheiden oproep willen lanceren om Becketts fameuze essay “De schilderkunst van de Van Velde’s of de wereld en de broek” werkelijk naar waarde te schatten. Want dit essay is in de loop der tijd wel bijzonder wreedaardig behandeld. Niet in de laatste plaats door Beckett zelf, die het, onnodig gekweld door een slecht geweten, abusievelijk hield voor een analyse van zijn eigen impasse en het daarom verwierp als een dubbelzinnig gelegenheidswerk. Het zij hem vergeven. Veel kwalijker natuurlijk is de behandeling (met formol) door een groeiende clan vereerders van Bram Van Velde. Ondanks herhaalde vermaningen en zelfverwijten van Beckett lazen zij er de perfecte topografie in van hun ervaringen bij het aanschouwen van de doeken van de Hollandse meester, zodat het essay, na een aantal jaren in de anonimiteit te hebben vertoefd, uiteindelijk nog uitsluitend functioneerde als ultieme handleiding. Overbodig te vermelden dat daarmee én het lot van de tekst, én dat van het schildersoeuvre werd bezegeld, als kop en let van het inmiddels geklasseerde absurde thema “expressie van de onmogelijkheid tot expressie”, terwijl, ach…

B: (een heftige rentree) Terwijl dit essay op ongeregelde tijdstippen, rond een baksteen gewikkeld, door een aantal ruiten zou moeten vliegen!

A: Terwijl de centrifugale kracht van deze “serie apodictische uitspraken” gewoon ontkend werd. Wij stellen ons dan ook tot doel deze tekst te pluimen van zijn lichtontvlambare en scherpgerande uitspraken, en ze te strooien, daar waar we denken dat schade nog mogelijk is. Bij wijze van voorbeeld, enkele voorbeelden.

B: Ten eerste!

A: Systematiek is natuurlijk uit den boze.

B: (scheurt schijnbaar willekeurig een aantal fragmenten uit de verramsjte vertaling, verfrommelt ze, werpt ze door het raam de straat op, stuift met stoffer en blik naar beneden om ze bij elkaar te vegen, stormt de trap weer op, kiest er één met dichtgeknepen ogen, en leest, geheel buiten adem) “De wezenlijke onzichtbaarheid van de uiterlijke dingen te forceren tot die onzichtbaarheid zelf een ding wordt, en niet simpel een gevoel van begrenzing, maar een ding dat men kan zien en laten zien en maken, niet in het hoofd (schilders hebben geen hoofd, lees daarom op plaatsen waar ik hen daarmee tooi canvas of maag), maar op het doek-”

A: Een paradox die wij als volgt moeten begrijpen: als de verdediging van het eenvoudige feit dat kunstwerken, hoezeer ze ook het resultaat van processen en situaties zijn, slechts genoten worden naar aanleiding van hun verschijnen. Beckett plaatst Van Velde aan het eind van zijn eigen, hoogstpersoonlijke kunstgeschiedschrijving, en hoewel hij diens werk als radicale exponent ziet van een ontwikkeling die zich inlaat met riskante begrippen als “het onzichtbare” en “de onmogelijkheid tot expressie”, blijft hij zich voor die uitspraken beroepen op de doeken in kwestie. Op wat anders, natuurlijk. Algemener gesteld: het beeld regeert. Nog steeds. ‘t Is niet kapot te krijgen. De geschiedenis van zijn vernietiging is onstuitbaar, levert steeds weer nieuw interessant materiaal op.

B: De kat kwam weer, ze kon nie langer wach.

A: Het lijkt me dan ook een zinloze strategie om deze dictatuur middels zwakke beelden en, erger nog, programmatorische verantwoordingen daarvoor – waarin men zich bijna excuseert dat er nog iets te zien is dat de moeite loont – te willen weerleggen. Ik zeg u: wie niet verdraagt dat het beeld regeert – en daar is zeer goed in te komen – moet in de terreur stappen. Op het gevaar af natuurlijk dat de brokstukken van zijn activiteiten alweer tot fijne assemblages kunnen samengesteld worden.

B: (neemt een papiertje) “De ‘realist’, zwetend voor zijn waterval en scheldend op de wolken, brengt ons nog steeds in verrukking. Maar hij moet ons niet langer lastig vallen met zijn verhalen over objectiviteit en dingen die hij gezien heeft. Van alle dingen die niemand ooit gezien heeft zijn zijn watervallen vast de grootste. En als er een milieu is waarin men beter niet over objectiviteit kan praten is het wel dat waarin hij verkeert, onder zijn zonnehoed.” Hmm. Als waarschuwing toch wat gedateerd, volgens mij.

A: Dat dacht je maar. Borstel en lichtinval behoren inmiddels niet meer tot de instrumenten waarmee men bewijsmateriaal tracht te verzamelen, en voor het begrip “objectiviteit” zal iedereen zich wel behoeden, maar het kan toch niet ontkend worden dat het spook van de grotere waarheid weer door onze contreien waart. Tegenwoordig beroept men zich op sociologische, antropologische en andere methodes. Wat mij betreft prima. Doe zo verder, jongens en meisjes. Maar! Probeer ons in godsnaam niet wijs te maken dat dit de weergave van een ingewikkelde werkelijkheid beter zou dienen. Dat daarmee de relevantie van de geleverde arbeid zoveel scherper zou zijn af te lezen van de maatschappelijke tabellen. Dat is pure regressie. Een neopositivistische zinsbegoocheling. Een laatste nieuwe roes, en dan nog wel een die zich laat snuiven via deugdzaamheid en goede bedoelingen.

B: “Met woorden beschrijft men alleen zichzelf. Zelfs lexicografen laten het achterste van hun tong zien. En tot in de biechtstoel verraadt men zichzelf.” Als ik mij niet vergis is dit de apotheose van een fragment waarin hij de kunstkritiek minimaliseert. Iets tussen een psychedelische definitie en een vonnis.

A: Veel schijnt er hem op het eerste zicht niet aan gelegen, aan de kritiek, want het wezenlijke van de zaak weet ze volgens hem toch niet te beroeren. Ondertussen tovert hij wel de ene scherpzinnige opmerking na de andere te voorschijn, lapt hij alle regels van de beschrijving en de degelijke structuur aan de laars; hij vindt geen nieuw genre uit, maar weet zich schrijvend van wat voor genre dan ook te bevrijden. Met af en toe het vanzelfsprekend excuus dat dit “verward onaangenaam gebabbel” slechts op zichzelf, en niet op Van Velde slaat.

Van Velde had natuurlijk geluk – tenminste toen toch, in dat koude jaar 1, 1946. Hij werd slechts geclaimd door een andere verkleumde enkeling, die zijn bezitsdrang dan nog ruiterlijk toegaf. Het huidige probleem is dat verklaringen van organisatoren en duidingscomités als een welvaartsstaat om de mogelijke betekenissen van nieuwe oeuvres heen hangen, wat kunstenaars bij voorbaat degradeert tot hyperalerte stagiairs maatschappelijk werk die voorlopig nog flessen voor praktijk. Het betuttelt de ontluikende oeuvres, fnuikt hun ontwikkeling, door met stelligheid te verkondigen dat ze antwoord geven op een vorige impasse. Hoe zouden wij het vinden moest er door onze peetvaders voortdurend gebluft worden dat wij de staatsschuld wel zullen weghoesten?

B: (roert weer eens flink door de overgebleven papiertjes) “Laten we het om af te sluiten over iets anders hebben, laten we het over het ‘humane’ hebben. Dat is een devies, en waarschijnlijk ook een begrip, dat bewaard wordt voor tijden van grote slachtpartijen. Er is pest voor nodig, Lissabon en een volwassen religieus bloedbad, voordat de mensen op het idee komen van elkaar te houden, om de tuinman van hiernaast met rust te laten, om allereenvoudigst te worden. Het is een woord dat men tegenwoordig met nooit gekende heftigheid op elkaar afvuurt. Als dum-dum kogels. Dat is jammer. Want je zou zeggen dat kunst geen cataclysme nodig heeft om uitgeoefend te worden.”

A: Niet bepaald een voorzichtige vingerwijzing dat het in tijden van grote crisis – er wordt weer in decennia geteld – eigenlijk een moreel imperatief zou moeten zijn het sociale engagement aan te spreken. Dus dan pas! Dus dan al! Wat is er trouwens gebeurd in Lissabon? Niemand die het nog weet. Dat de geschiedenis voortaan in Sarajevo begint, is nog niet zo erg, maar dat ze er straks, als alles schijnbaar weer onderkoeld is – laat ons zeggen in 2001 – waarschijnlijk ook weer zal ophouden!

B: Zelf kon Beckett geen modieuze politieke interesse verweten worden. Wie ging er immers op studiereis in 1936 naar het Heilig Roomse Rijk, in de vaste overtuiging zich daar in de moderne kunst te kunnen bijschaven? Pas toen hij geen enkele Klee en Kandinsky meer vond in de Berlijnse galerijen, toen hij überhaupt geen galerijen meer vond in Berlijn, begon hem iets te dagen.

A: Die politieke bijziendheid corrigeerde hij wel door in ’40 in het verzet te stappen.

B: Ja, maar niet voordat een paar van zijn persoonlijke vrienden door de nazi’s vermoord waren. Langer dan een jaar hield hij het trouwens niet vol. De rest van de oorlog zat hij zich te vervelen in Zuid-Frankrijk.

A: We dwalen af.

B: (vist één van de twee overgebleven papiertjes op) “De zorgen van de maker zijn een peuleschil vergeleken met de kwellingen van de liefhebber, die door onze prullige iconografie is overvoerd met jaartallen, perioden, scholen, invloeden, en die het verschil kan zien, zo oplettend als hij is, tussen een gouache en een aquarel en die van tijd tot tijd denkt te vermoeden wat hij mooi vindt, terwijl hij toch voor alles open blijft staan. Want de arme ziel verbeeldt zich dat geen facet van de schilderkunst hem mag ontgaan.”

A: “Liefhebber”. Ontroerend, hoe hij de bezoeker hier bejegent! In enkelvoud, met tedere scherts, en vol respect. Dat is liefde. Heel wat anders dan het soort analyses van vandaag waarin men in sociale en etnische kasten denkt, zowel wat “het publiek” als wat “de kunstenaar” betreft. Over het publiek behoort men te zwijgen, in goede en in kwade dagen. Dat is de eer die men het altijd verschuldigd is.

Met hart en ziel verdedigt Beckett alle mogelijke situaties waarin een mens zich tegenover een kunstwerk kan bevinden. Het zijn er drie. Die van de maker, wiens sensitiviteit zich niet mag laten afleiden door wat ons iedere dag weer tot tranen beweegt; die van de criticus, die in wezen niets te zeggen heeft en zijn eigen aspiraties niet verbergen kan, maar wiens taak het blijft door de pijngrens te gaan; die van de toeschouwer (imiteert een zalige glimlach). Vanzelfsprekend houden ze de stoel warm voor elkaar.

B: (het laatste papiertje) “Wat komt er, in deze kermis, terecht van de eenzelvige schilderkunst, eenzelvig door de eenzaamheid die het hoofd bedekt, de eenzaamheid die de armen uitstrekt? Deze schilderkunst die in haar pink meer humaniteit heeft dan al hun processies naar offerdiergeluk. Ik neem aan dat hij gestenigd zal worden.” Hier pas ik. Dit is pathetisch.

A: Kunst kiest altijd voor een of andere vorm van pathetiek. Dat is nu niet anders. “Kan kunst de kloof met het leven dichten?”, luidt het. Een vraag die jaloezie met paniek vermengt. Want terwijl het zogenaamde dagelijks leven als een wereldbrand alle kanten uitslaat, staat de kunst er steeds vaker bij te kijken. Kortademig, met een leeg emmertje. Recente vermoeide pogingen laten dan ook vermoeden dat het noppes wordt. Treurig. Dieptragisch. Al die nieuwe, hopeloze ambities. Misschien is dat nog een onderwerp voor de toekomst: de kunst die er, na jarenlange laatdunkende weigering om iets over dat vervelende leven te zeggen, plotseling achterkomt dat ze dat ook helemaal niet kan. En dat net op het ogenblik dat ze zich afvraagt of het leven eigenlijk wel zo vervelend is. Wanhoop! Hysterie! Misschien ook dat op zoveel bloedstuwing wel een hartaanval met dodelijke afloop volgt. Of een sprong uit het raam. Waarna onvermijdelijk als thema zal volgen: de uiterst moeizame teraardebestelling van de kunst.

B: Of: de autopsie van de kunst. Of de crematie.

A: Maar veranderen zal er in wezen niks. Iemand komt toevallig iets tegen en staat er een tijdje met open mond bij te kijken. Gêne bij het betrapt zijn. Naar huis gaan met een geheim. Eten. Zwijgen. Zelf iets maken of vernielen. De keuze is aan hem.

 

Becketts teksten over Geer en Bram Van Velde, “De schilderkunst van de Van Velde’s of de wereld en de broek”“Schilders van de Belemmering” en “Drie Dialogen” verschenen in een vertaling van Karina Van Santen en Martine Vosmaer in aflevering 38 van het tijdschrift Raster. Raster is een uitgave van De Bezige Bij (Van Miereveldstraat 1, 1070 DW Amsterdam).

 

Over vallende lichamen en fezelende stemmen

Ergens schrijft de Roemeense Parijzenaar Emilio Cioran over Samuel Beckett: “Al bij onze eerste ontmoeting begreep ik dat hij het uiterste bereikt had, dat hij daar misschien zelfs was begonnen, bij het onmogelijke, het exceptionele, het uitzichtsloze. (…) De grenssituatie als uitgangspunt, het einde als aanvang. Vandaar dat zijn wereld, die verkrampte wereld in doodsstrijd, eindeloos zou kunnen voortduren, zelfs als de onze zou verdwijnen.”

Cioran heeft ongetwijfeld in Beckett een medestander gevonden voor wat ik de weg van de negatie ofwel de metafysica van de ontkenning zou willen noemen. Nadat filosofen het materiaal voor een positieve invulling van metafysische denkbeelden als zinledig, ijdele speculaties of te muffe wierook hadden gebrandmerkt, hanteerden vooral kunstenaars – hoewel niet alleen zij – de ontkenning zelf als paradoxale grondslag voor hun denkbeelden en artistieke experimenten. Het gejammer over de afwezigheid en onkenbaarheid van God, de Zin en de Waarheid werd hertaald in een voor de hand liggende reactie waarin juist die afwezigheid en onkenbaarheid als de meest betekenisvolle kenmerken van onze condition humaine geformuleerd werden. Tal van literatoren hebben de negatieve metafysica ontdekt en hun zinnen gezet op begrippen die door hun ontkennende taalvorm diepzinnige en raadselachtige paradoxen doen ontstaan en door hun vaagheid steeds een deel van de betekenis blijven toedekken. Het ondraaglijke gemis aan transcendente meerwaarde werd gecompenseerd door de subtiele omgang met termen die door een aantal semantische eigenschappen en verbeeldingsrijke connotaties zowaar uit de scholastiek naar het vocabularium van de negatieve metafysicus werden overgeheveld. Heidegger herontdekt, tot groot ongenoegen van Carnap, het Niets, Blanchot lijkt het alchemistische recept voor het middeleeuwseannihilatio in de taal te hebben gevonden, de Franse poststructuralisten dwepen met hun différence, Sloterdijk meent de ondetermineerbare energiebron van het kynisme in de lotgevallen van de brave soldaat Sjweik te hebben gevonden…

In de wereld van metafysische ideeën en voorstellingen, die toch al niet zo bijster groot is, was deze wending naar een metafysica van de ontkenning op z’n minst voorspelbaar. Natuurlijk is het lang geleden dat Hegel met de krachten van de negatie heeft gegoocheld en is het nog langer geleden dat een aantal Byzantijnse kerkvaders hun negatieve theologie ontwikkelden, maar dat alles neemt niet weg dat een hedendaagse lezer de wenkbrauwen fronst als hij voortdurend met allerlei paradoxen – de een al wat leuker dan de andere – om de oren wordt geslagen. In deze ware Heracleitos-revival wordt de paradox en zijn onderliggende kennistheorie het heilige middel om over de muren van-datgene-dat-niet-gekend-kan-worden te gluren.

Die wending, die als een ideeënhistorisch paradigma kan worden geïnterpreteerd, heeft niet alleen haar vertegenwoordigers, maar wordt tevens ondersteund door allerlei theorieën over taal, kennis, medemens en de wereld, die doorgaans nogal dicht aanleunen bij de meer gevestigde wijsgerige en wetenschappelijke beschouwingswijzen. Ofschoon de encyclopedia negativa nog moet worden geschreven, telt die reeds verschillende delen met rubriekjes die namen dragen als antimaterie, negativisme en scepticisme. Het gebruikte materiaal komt uit alle windhoeken en disciplines, maar de interpretatie van dat materiaal blijft steevast dezelfde, namelijk de termen en beweringen moeten een of andere negatieve connotatie toelaten, een grens tonen die niet overschreden kan worden, een uitdrukking zijn van ons falend vermogen.

Metafysische en kennistheoretische denkbeelden

 De Iers-Franse auteur Samuel Beckett (1906-1989) heeft in zijn erg diverse oeuvre niet bepaald een filantropisch en opbeurend mensbeeld gepresenteerd. Beckett, wiens persoonlijke leven getekend werd door chronische depressies, psychosomatische aandoeningen, slapeloosheid en een lichte vorm van schizofrenie, is daarover erg duidelijk: “Optimism is not my way. I shall always be depressed, but what comforts me is the realisation that I now can accept this dark side as the commanding side of my personality. In accepting it, it will make work for me.” Voor Beckett was de depressie dan ook niet louter een bewustzijnstoestand, maar een vast gegeven waardoor het verbond met het negatieve of de duisternis quasi onvermijdelijk werd. Beckett wil niet zoeken naar de psychische, sociale of existentiële oorzaken voor al die menselijke ellende. Hij interesseert zich weinig of niet voor factoren die deze menselijke toestand als een exceptioneel verschijnsel trachten te verklaren, maar voor overtuigingen die deze toestand als een universele, menselijke staat kunnen bevestigen. Bij Beckett gaat het om het accepteren van een verschijnsel, niet om het doorgronden van zijn ontstaansgeschiedenis. Ofschoon we vooral in de vroege romans nog beschrijvingen van het aftakelingsproces, de desintegratie of de overgang naar een andere bewustzijnstoestand aantreffen en hij ons tal van mechanismen, die daarmee gepaard gaan, laat zien, is de rol van psychische, sociale of existentiële factoren vrijwel steeds nihil. Hun plaats wordt ingenomen door metafysische en kennistheoretische denkbeelden. Net als bij Dostojewski zijn Becketts protagonisten afgestudeerde gekken die hun desintegratieproces te danken hebben aan wijsgerige opvattingen. Opvattingen die vooral Beckett toelieten zijn toestand te aanvaarden.

Kan men ontkennen dat Becketts oeuvre een wijsgerige grondtoon heeft en dat tal van centrale passages door kennis van metafysische of epistemologische bespiegelingen kunnen uitgeklaard worden? Ik meen van niet, althans wanneer men zich niet tevreden stelt met een typering van zijn werk als “een pakkende kijk op het eenzame leven van oudjes in onze hedendaagse tijd” of “hoe spoken in het hoofd de mens tot de afgrond kunnen brengen”. Welke opvattingen heeft Beckett voor de uitbouw van zijn negatieve metafysica gebruikt?

Aangezien het in dit artikel onmogelijk is om een gesystematiseerd overzicht van deze opvattingen te geven, zal ik me beperken tot de wijsgerige achtergrond van een tweetal vaak voorkomende motieven, de vallende lichamen en de stemmen. De interpretatie van deze motieven hanteert de wijsbegeerte van Réné Descartes (1596-1650) als vertrekpunt, wat evenwel niet zo verwonderlijk is als men weet dat Beckett lange tijd met het idee heeft gespeeld om aan het Dublinse Trinity College een doctorale verhandeling over deze 17de-eeuwse wijsgeer te schrijven. Becketts eerste lange gedicht “Whoroscope” (1930) was trouwens gebaseerd op het leven en werk van Descartes en tal van tijdgenoten en epigonen.

De vallende lichamen

Vele Beckettiaanse helden hebben ernstige problemen met hun lichaam. Hun benen worden stijf of krimpen, ze vallen omdat hun ledematen alle werking weigeren, ze zitten in rolstoelen, kruipen over de grond, donderen van hun fiets, of hebben, in het ergste geval, gewoon geen lichaam meer. Beckett heeft in zijn werk zowat alle variaties van lichamelijke verlamming of paralysie beproefd, zonder evenwel enige fysische of psychische oorzaak aan te geven. De verlamming kwam er als een donderslag bij heldere hemel. Een verklaring?

Descartes rekende met het middeleeuwse wereldbeeld af door het beginsel van alle kennis, namelijk de individuele geest, te bewijzen door middel van de activiteit van het beginsel zelf, zijn zogenaamde cogito, ergo sum als laatste evidentie. Zelfs indien men droomt, onzin praat of valsheden uitkraamt, is er nog steeds een dromer, een charlatan of een leugenaar. Een dergelijke bewijsvoering, indien ze al correct was, kon weliswaar de wind uit de zeilen van de populaire school der sceptici (de neo-pyrronisten) nemen, maar had voor gevolg dat men vragen begon te stellen over het bestaan van de wereld buiten de individuele geest. Hoe zou men het bestaan van die buitenwereld kunnen aantonen? Het misprijzen voor filosofische kwesties werd er niet beter op toen Descartes zijn voorstellen deed. Het bestaan van de extra-psychische wereld (inclusief het menselijk lichaam) werd gewaarborgd door de traditionele kosmologische en ontologische godsbewijzen, die later door Kant op een vernietigende wijze werden bekritiseerd. Ofschoon het Descartes’ bedoeling niet was, was het dualisme tussen geest en lichaam een feit. Lichaam en geest behoorden tot een verschillende wereld, het ene werkte volgens de pre-Newtoniaanse mechanica, de andere hoorde thuis in het rijk van de vrijheid.

Hierbij stelden zich twee fundamentele problemen. Primo, hoe slaagt de geest erin het lichaam te bevelen? Kortom, hoe is een wisselwerking (influxus) tussen geest en lichaam mogelijk? Secundo, wat moet men nu nog begrijpen onder de menselijke, vrije wil? Descartes’ antwoord op het eerste probleem is bekend, namelijk de pijnappelklier die als een hydraulische pomp het mechanische besturingssysteem van het lichaam op gang bracht. Het antwoord op het tweede probleem is dat minder. Descartes geloofde dat de hoeveelheid beweging in het heelal ongeacht de richting constant was. De hoeveelheid beweging was van goddelijke oorsprong en kon door de mens niet worden beïnvloed. De menselijke vrije wil beperkte zich tot het bepalen van de richting. Hoewel de hoeveelheid beweging in Gods handen was, kon de geest het lichaam als een wendbaar, telegeleid autootje in alle richtingen doen wandelen. Maar deze twee antwoorden waren onhoudbaar. Ten eerste bleek uit anatomisch onderzoek dat dieren eveneens een pijnappelklier hadden. Omdat het toekennen van intellectuele vermogens aan dieren in die tijd nog science-fiction was, was de conclusie dat de influxus op een andere wijze moest worden verklaard. Ten tweede ontdekten natuurkundigen de wet van behoud van het moment waaruit bleek dat de totale hoeveelheid beweging inderdaad constant, maar afhankelijk van de richting was. De beweging van objecten kon verklaard worden door verandering van positie waardoor Descartes’ visie op de geest als richtingaanwijzer kwam te vervallen. Wat nu met het menselijke initiatief?

Eén van de meest verrassende antwoorden op beide problemen is gegeven door de Leuvense hoogleraar Arnold Geulincx (1624-1669), die door Beckett op meerdere plaatsen wordt geciteerd. Geulincx behoorde met Malebranche, De la Forge, Cordemoy, tot de occasionalistische school die voor het tweede probleem het volgende bedacht. De kracht die verantwoordelijk is voor de beweging van lichamen is niet aanwezig in de lichamen zelf (dat geloofde Descartes ook), maar wordt geleverd door de goddelijke primaire en universele oorzaak van alle beweging. Indien er nu enkel zo’n primaire en universele oorzaak zou bestaan, dan is ieder menselijk initiatief uitgesloten. Vandaar dat de occasionalisten een onderscheid maken tussen de causa universalis die van goddelijke oorsprong is en de causa occasionalis, die een menselijke ingreep is. Hoe worden die beide nu gecombineerd? Een voorbeeld moet die amusante zienswijze duidelijk maken.

Indien men op een biljarttafel een witte bal naar een rode in rust stoot, dan heeft die rollende, witte bal die beweegt door de causa occasionalis niet de kracht om die rode bal in beweging te brengen. Om die rode bal te bewegen heeft men de causa universalis nodig, kortom, de actie van God, zoniet kaatst de witte bal op de rode bal af en verroert die laatste geen vin. De wetten van de mechanica gelden dus omdat God steeds bij de pinken is en precies op tijd de rode bal aan het rollen brengt. Indien God zich overslaapt, kunnen we de waterkraan wel opendraaien, maar van wassen of tanden poetsen is er geen sprake daar het water in de buizen op het ontwaken van de causa universalis wacht.

Het probleem van de influxus wordt door Geulincx op een soortgelijke wijze opgelost. Geulincx ontkent, enigszins terecht, dat een fysisch mechanisme de taak van Descartes’ pijnappelklier kan overnemen. Maar zijn alternatief, namelijk de zogenaamde twee klokkentheorie, getuigt opnieuw van meer verbeelding dan van wetenschappelijke ingesteldheid. Zowel lichaam als geest stelt hij voor door een klok. Zonder dat er echte wederzijdse beïnvloeding is, tikken de twee klokken gelijktijdig en hebben de wijzers dezelfde stand zodat wij de valse indruk krijgen als zou de geest ons lichaam bevelen en doen bewegen. Opnieuw is het God die ervoor zorgt dat de beide klokken gelijktijdig lopen. Dankzij de goddelijke synchroniciteit stemt de wil om mijn been op te heffen overeen met de werkelijke beweging, maar deze overeenkomst komt niet tot stand door mijn intentie of een fysisch mechanisme tussen mijn geest en mijn lichaam, maar door de exact getimede goddelijke interventie.

Geulincx heeft geen fysische of psychische, maar een metafysische verklaring gevonden voor beide problemen die tot Descartes’ erfenis behoren. Dat deze verklaring geen genade vond in de ogen van Christelijke theologen hoeft niet te verwonderen. In alle gevallen is God verantwoordelijk voor je daden en moet hij zich uitsloven om geen argwaan te wekken. Maar dat deze verklaring enig enthousiasme zou wekken bij ongelovige schrijvers kon men toch allerminst verwachten.

De interesse van Beckett voor Geulincx kan dan ook alleen maar worden begrepen in het kader van de negatieve metafysica. Voor een ongelovige die onze wereld niet meteen de leukste vindt, levert een atheïstische interpretatie van de twee-klokkentheorie een beeldrijke verklaring voor de lichamelijke aftakeling op. De klok van het lichaam volgt deze van de geest niet meer, de wijzers duiden verschillende standen aan, het getik kent geen vast ritme meer en uiteindelijk houdt de lichaamsklok op. De benen worden stijf of krimpen, de helden vallen omdat hun ledematen alle werking weigeren, men zit in een rolstoel, kruipt over de grond of de bodem van het bos, Molloy dondert in de gelijknamige roman van zijn fiets, latere protagonisten hebben gewoon geen lichaam meer. En dat allemaal omdat God niet meer bestaat. “Thus Murphy felt himself split in two, a body and a mind. They have intercourse apparantly, otherwise he could not have known that they had anything in common. But he felt his mind to be bodytight and did not understand through what channel the intercourse was affected nor how the two experiences came to overlap.” Ofschoon Beckett dit in “Murphy” (1935), zijn eerste roman, over het hoofdpersonage vertelt, mogen we gerust aannemen dat Beckett zelf daarover een duidelijke, zij het een dubieuze visie had.

De stemmen

Over dit tweede motief, dat tevens in het hiernaast afgedrukte fragment uit “Watt” voorkomt, is reeds heel wat geschreven. Dat is ook niet verwonderlijk. Beckett gebruikt de stemmen niet alleen als een nieuwe verhaaltechniek, maar geeft ze meteen een tragisch karakter, waardoor ze in veel teksten een bijzonder dominante plaats innemen. De meest simplistische en meest vergezochte hypothesen doen over dat motief de ronde. Sommigen beschouwen die stemmen gewoon als geïncorporeerde geluiden uit de buitenwereld, anderen interpreteren het verschijnsel aan de hand van allerlei psychologische, sociologische of wijsgerige theorieën, nog anderen vinden het nodig om fragmenten uit zijn werk te vergezellen van een heus plakboek van citaten uit de wereldliteratuur. Het probleem bij dergelijke interpretaties is vaak dat men ofwel het motief scheidt van andere motieven in Becketts werk, ofwel bij het toetsen van de hypothese amper drie regels ver geraakt vooraleer men merkt dat de verklaring van een nieuwe zin of een aantal nieuwe woorden terug een andere hypothese vergt. De opdracht is met andere woorden het opstellen van een hypothese – en geen zoveelste plakboek – die enigszins verenigbaar is met hypothesen voor andere motieven en die voldoende vruchtbaar is om doorheen een volledige tekst op een diepgaande manier gebruikt te worden.

Hoewel ik de hypothese die ik hier voorsta onmogelijk kan testen, kan ik wijzen op de verenigbaarheid met mijn interpretatie van het vorige motief. Opnieuw is Descartes, en meer bepaald zijn wijsgerige strijd tegen de school der sceptici (de neo-pyrronisten), het vertrekpunt. Beckett heeft voor de uitbouw van zijn negatieve metafysica oeverloos gebruik gemaakt van de sceptische leerstellingen. Eén van deze leerstellingen luidt dat als het bestaan van iets niet aantoonbaar is, dat iets tevens onkenbaar is en omgekeerd. Hoger hebben we dat iets reeds vervangen door de influxus of de wisselwerking tussen lichaam en geest. Becketts atheïstische interpretatie van Geulincx’ twee klokkentheorie ontkende het bestaan van een fysische influxus waardoor een extreem dualisme onvermijdelijk was en Murphy over de ware aard van de impulsen die zijn geest aan zijn lichaam geeft in het ongewisse bleef. Maar we kunnen het iets in de sceptische leerstelling tevens vervangen door het Ik of de componist van onze gedachten. Hoezo? Descartes had toch reeds aangetoond dat het Ik wel degelijk bestond? Het cogito, ergo sum had toch zijn werk volbracht zodat over het bestaan en de kenbaarheid van het Ik geen twijfels meer bestonden? Lezen we Descartes’ “Discours de la Méthode” even opnieuw. In het vierde deel staat er: “En tenslotte, overwegend dat alle gedachten, die wij hebben als wij wakker zijn, ons op dezelfde wijze ook kunnen overkomen wanneer wij slapen, zonder dat er dan één bij is die waar kan zijn, nam ik het besluit, te doen alsof alles waarvan ik mij ooit bewust was geweest, niet meer waarheid bevatte dan wat ik op bedrieglijke wijze droom.”. Waarop de beroemde zinnen volgen: “Maar onmiddellijk daarop besefte ik dat, terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is, het noodzakelijk was dat Ik die dat dacht, iets was. En beseffend dat deze waarheid: ik denk, dus ik ben zo sterk en zo zeker was dat zelfs de meest buitensporige veronderstellingen van de sceptici niet bij machte waren haar aan te tasten …”. Kortom, de wereld, het lichaam en de positie van het Ik kunnen geloochend worden, alleen het Ik niet. Indien alle gedachten ongeldig waren, dan nog zou één gedachte overeind blijven, namelijk de gedachte dat ik denk.

Maar waar komt dat Ik nu ineens vandaan? Descartes had het toch over gedachten die waar of vals kunnen zijn en toch helemaal niet over een Ik die deze gedachten formuleert? De eerste die Descartes’ evidentie-beginsel bekritiseerde en corrigeerde was Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799). Voor hem was de toevoeging van dat Ik een grammaticaal bedenksel en had Descartes moeten schrijven: “Het denkt, dus het is”. Dat motto, hoewel even incorrect, kon Lichtenberg gebruiken in zijn pleidooi voor een objectieve, natuurkundige taal, maar zou ruim een eeuw later door Nietzsche en vooral Russell definitief worden vervangen door: “Er zijn gedachten, dus gedachten bestaan”. In deze definitieve versie is er geen sprake meer van een persoonlijke noch van een onpersoonlijke componist van onze gedachten. Wat Descartes eigenlijk had aangetoond, was dat valse of ware gedachten enkel hun gedachteninhouden uitdrukken en bijgevolg bestaan. Of, dat ook het evidentie-beginsel cogito, ergo sum niet meer is dan een gedachte en enkel het bestaan van die gedachte uitdrukt. Plaatsen we die vaststelling in de hogervermelde sceptische leerstelling, dan krijgen we: “Gedachten bestaan, dus zijn ze kenbaar en omgekeerd”. Wat we hier onder gedachten moeten verstaan, doet niet ter zake. Het volstaat om op te merken dat Becketts scepticisme verdergaat en uiteindelijk enkel nog aan de taal een bestaansgrond zal toekennen.

Van groter belang zijn de gevolgen van deze correctie van Descartes’ evidentie-beginsel. Het Ik is niet meer dan een illusoire verzameling van anonieme gedachten, een juke-box van identiteitsloze kreten, zonder intellect, zonder het vermogen om de identiteit van het Ik te construeren. De kloof tussen het personage en zijn gedachten wordt de inzet van een tragische strijd tussen beide. Het Ik dat op zoek moet gaan naar zijn eigen identiteit, beseft dat alleen de gedachten en het denken zijn enige gids kunnen zijn. Maar het merkt tevens dat deze gedachten een apart, want uniek bestaan leiden en dat ze niet te groeperen zijn onder die abstracte noemer.

Welk ander middel zou Beckett nu kunnen gebruiken om die tragedie een literaire vorm te geven dan die anonieme gedachten voor te stellen als stemmen die het Ik, of wat er van rest, afwisselend treiteren en hoop geven? De stemmen nemen de plaats in van de gedachten die door de correctie van Descartes’ evidentie-beginsel voorgoed van het Ik zijn gescheiden. Voor wie vreest dat de gelijkstelling tussen gedachte en stem foutief is omdat de stem een nieuwe benaming is voor de drager van de gedachten zoals het Ik en bijgevolg onder dezelfde kritiek valt, heeft Beckett in “L’Innommable” (1953) de volgende mededeling: “Peut-on parler d’une voix, dans ces conditions? Sans doute que non. Pourtant je le fais. D’ailleurs toute cette histoire de voix est à revoir, à corriger, à démentir. N’entendant rien, je n’en suis pas moins la proie de communication. Appelez ça des voix, pourtant pas après tout, du moment qu’on sait qu’il n’en est rien.” Kortom, de stem als vertolker van de subjectloze gedachte is een gewillige pion in Becketts metafysica van de ontkenning.

Door de typering van Beckett als een vertegenwoordiger van een traditie die ik de metafysica van de ontkenning heb genoemd en door het pleiten voor vruchtbare en coherente interpretaties van zijn werk, wou ik in dit artikel het belang van de wijsgerige en metafysische dimensie van zijn oeuvre onderstrepen. Ongetwijfeld is Beckett een schrijver met puur literaire kwaliteiten, maar dat betekent geenszins dat zijn teksten zich in het luchtledige bevinden. Ofschoon hij zijn werk niet op een programmatische wijze heeft gecreëerd, is het gebaseerd op denkbeelden en beschouwingswijzen die men moet durven onder ogen zien en zelfs moet durven bekritiseren. Net omdat hij zocht naar bevestiging van zijn wereldbeeld, en niet in het minst naar rationele middelen daartoe, kan de lezer zich niet tevreden stellen met een zweverige affectie voor zijn werk zoals dat jammer genoeg nog steeds teveel het geval is.

Aan de 29 kunstenaars die door Witte de With geselecteerd werden voor de tentoonstelling “Watt” bezorgde het centrum voor hedendaagse kunst bovenstaand citaat uit Samuel Becketts roman “Watt”. Of en, indien zo, hoe de kunstenaars met dit motto (of het boek) aan de slag zijn gegaan, kunnen we gaan bekijken vanaf 12 februari tot 27 maart in Witte de With, Witte de Withstraat 50, 3012 BR Rotterdam (010/411.01.44) en van 19 februari tot 27 maart in de KunstHAL Rotterdam, Westzeedijk 341, 3015 AA Rotterdam (010/440.03.00). In ons volgend nummer komen we uiteraard terug op deze tentoonstelling. De aangezochte artiesten zijn: David Bade, Vered Ben‑Kiki, Pierre Bismuth, Christine Borland, Rita McBride, Dinos Chapman, Jake Chapman, Tacita Dean, Olga Chernysheva, Arturo Duclos, Nicole Eisenman, Chohreh Feyzdjou, Peter Fillingham, Claudia Di Gallo, Yannick Gonzalez, Douglas Gordon, Erik van Lieshout, Guy Limone, Sarah Lucas, Gabriel Orozco, Hervé Paraponaris, Wouter van Riessen, Maria Roosen, Yvan Salomone, Yvonne Trapp, Joëlle Tuerlinckx, Marijke van Warmerdam, Pae White en Maja Zomer.

Sans issue. Over de voorstelling van de ruimte bij Dirk Braeckman

S’il n’y a pas de changement d’images, union inattendue des images, il n’y a pas imagination […]. Si une image présente ne fait pas penser à une image absente, si une image occasionelle ne détermine pas une prodigalité d’images aberrantes, une explosion d’images, il n’y a pas imagination.

Gaston Bachelard

 

Je sais que l’amour physique est sans issue

Je le sais mais si je l’avais su à temps…

Serge Gainsbourg

 

Afgelopen winter was in het Museum M in Leuven een overzicht te zien van het werk van Dirk Braeckman, en tegelijk verscheen een rijk en lijvig boek met de werken uit de tentoonstelling, aangevuld met opnames die nog niet als fotowerk gerealiseerd zijn.* Het gaat om werk van het begin van de jaren 90 tot 2011. De eerste indruk die het hier verzamelde oeuvre geeft is die van een grote samenhang en van monotonie: het werk blijft binnen één ‘toon’. Het is, op enkele beelden na, grijzig. Het zegt alles met kleurwaarden die liggen tussen metafysisch opaak zwart en goddelijk verblindend wit, maar blijft weg van die uitersten en speelt ze niet tegen elkaar uit. Geen chiaroscuro, geen drama. Alle articulaties, alle verschillen, zelfs alle tegenstellingen worden eerst op één noemer gebracht en pas dan subtiel onderscheiden. Dat is niet anders wanneer Braeckman per uitzondering toch kleur gebruikt. Hij doet dat niet om de kleur en de kleurverschillen van de wereld weer te geven, maar om alle figuren en lichtwaarden opnieuw binnen één grondtoon – oud geel bijvoorbeeld – te herformuleren. Te midden van de echte wereld van gekleurde dingen vallen deze grijze en monochrome werken op. Ze dringen niet de wereld van de beschouwer binnen. Ze nemen geen plaats in, maar positioneren zich duidelijk op de rand van de gewone wereld, als ingehouden, zwijgzaam ‘beeld’. Ze zijn een opening waardoor men – zo lijkt het althans – naar ‘elders’ kan kijken. Eerst frappeert in het beeld vooral de algemene grijzigheid en het duister, maar even later, wanneer de ogen zich hebben aangepast, plooit zich binnen die ene toon een scala van nuances en verschillen open, en verschijnt een ruimte.

De tentoonstelling in Museum M en het boek presenteren de werken elk volgens hun eigen volgorde en logica. Voor mijn analyse en interpretatie ga ik hieraan voorbij; ik herschik de werken en groepeer ze, om na te gaan hoe de beelden werken en hoe het oeuvre als geheel moet worden gepositioneerd. Braeckman is immers wel fotograaf, maar in de eerste plaats toch vooral een ‘beeldenmaker’, die de fotografie en het afdrukken als artistiek middel gebruikt. Hij gebruikt het fotoapparaat niet omwille van het unieke vermogen om verder door te dringen in de tijd en de ruimte, om in gebaren en situaties details of uitdrukkingen zichtbaar te maken die niemand gezien heeft, om onherhaalbaar ‘juiste momenten’ te vatten, of middels een juiste gezichtshoek of focus beeldelementen uit te vergroten en naar voor te halen. Braeckman fotografeert immers geen gebeurtenissen of karakters, maar plaatsen. Wanneer er toch mensen in beeld verschijnen, zijn dat geen actoren. Het gaat immers niet om wat die mensen doen of om wie ze zijn. Braeckman gebruikt ze omdat ze bij de plaats passen. Braeckmans eerste referentie is niet de artistieke of journalistieke documentaire fotografie, maar de westerse beeldtraditie zoals die voornamelijk binnen de schilderkunst is ontwikkeld en door de eerste generaties fotografen nog is overgenomen. En opvallend is dat Braeckman daarbinnen zijn genres precies kiest. Geen geschiedenissen: geen situaties, geen drama en geen anekdotiek. Nauwelijks portretten: in dit boek is slechts één (allegorisch) zelfportret opgenomen. Geen landschappen, en evenmin een stillevenachtige evocatie van l’âme des choses. Maar wel variaties op en combinaties van het interieur en het naakt.

De wereld die Braeckman toont is letterlijk uitzichtloos: het is een wereld zonder ramen, zonder ‘buiten’. De vensters van zijn kamers zijn steeds afgeschermd met gaas, de gordijnen zijn dichtgetrokken, of het raam kijkt uit op een muur. (R.G.-B.X.-99, GA-NY-94/95) Wanneer er een zeldzame keer toch licht binnenvalt of uitzicht is – in het boek is één foto opgenomen uit de reeks strandzichten vanuit appartementsgebouwen langs de Belgische kust – voegt dat licht zich in de algehele grijzigheid van de kamer, en lijkt het uitzicht wel een poster die op het glas plakt.

Elk beeld beperkt, beklemt. Nagenoeg steeds vormt een wand of scherm waar men tegen oploopt of waar de blik tegen aanbotst het voornaamste beeldelement. Dikwijls wordt de kijker direct voor (een beeld van) een wand geplaatst en stelt het beeld zelfs geen ruimte voor, maar confronteert het met een close-up of uitsnede uit een paneel, een muur, of een oppervlak. Het voorgestelde materiaal is homogeen en doordat het aan de vier zijden over de randen doorloopt, is er niets om het mee te verbinden. Daardoor is het onmogelijk het beeld te situeren, zeer moeilijk om een schaal te bepalen, en dikwijls geheel onmogelijk om te benoemen wat men ziet. Het kan om een wateroppervlak of een wolkenhemel gaan, maar ook om een marmervloer, om planken of laminaat, om jute, om pleisterwerk of mozaïektegels, of om een dekbed. (N.P-M.I.-05, L.A.-R.A.-95, P.L.-D.P.-01, T.P.-B.X.-02, p. 277, p. 284, p. 319, p. 335, p. 338, p. 345) Een dergelijke voorstelling zegt niets, en tracht ook niets te zeggen: ze toont enkel een arm en onherkenbaar landschap, gevormd door de structuur en textuur van het materiaal, soms door decoratieve motieven met geen of weinig diepte of reliëf. (G.H.-W.E.-98, H.S.-N.Y.-0-94, B.D.-P.L.-95-01, p. 158, p. 323) Exemplarisch is de frontale en beeldvullende opname uit 1997 van een wandkaart van de wereld, waar het reliëf van de continenten tegelijk opdoemt uit en/of opnieuw wegzakt in de wand. (W.R.-W.A.-97) Wanneer het gaat om soepel materiaal, dat krult of plooit, krijgt het beeld een – zij het erg beperkte – diepte en suggereert het vaag ruimte. (S.C.E.-A.U.-11, p. 301) Maar wanneer het vlak overlapt met een of meerdere soortgelijke vlakken, of randen en hoeken heeft waar men langs of onderdoor kijkt, om bijvoorbeeld een hoek van een plafond of een tapijt te zien, volstaat dat ene detail als plaatsbepaling: ‘bedsprei’, ‘wandscherm’, ‘archiefkast’… Het volstaat om een Gestalt waar te nemen en het beeld krijgt structuur en diepte. (H.R.-B.A.-98, H.B.-V.E.-00, V.H.-G.E.-01, G.P.-P.O.-09, p. 265, p. 313, p. 295) Dit houdt echter niet in dat de namen van de dingen ook het onderwerp van het beeld vatten. Een bedsprei of een tapijtloper voor een muur herkennen is nog niet vatten wat het beeld toont. (p. 152)

Wanneer de foto overduidelijk een kamer of interieur voorstelt, gaat het nagenoeg altijd om doorgangsruimtes of om ruimtes waar niemand thuis is, waar men niets kan doen: lobby’s, zalen, lifthallen, hotelkamers. De rekwisieten zijn bedden, nachtkastjes en stoelen. Geen tafels, geen gebruiksvoorwerpen, geen persoonlijke bezittingen, geen kleren. Ook hier domineren homogene vlakken en wanden: vast tapijt, tegelvloeren, douchewanden, schuifwanden, kastdeuren, liftdeuren, bedspreien, wandgordijnen, rolluiken, glas, wandspiegels, lambrisering, plinten… De blik wordt op de wand gericht of in een hoek vastgezet. Het gevoel van beperking en beklemming wordt dikwijls versterkt door het systematisch openen en onmiddellijk opnieuw blokkeren van doorkijkjes. De doorkijk biedt immers nooit een uitzicht of een uitweg. Het perspectivisch, labyrintisch of unheimlich-mysterieus verdiepen van het interieur door middel van kieren, open kasten of deuren, traphallen, gangen en enfilades, en/of door het gebruik van schaduw en schemering in het interieur, heeft een lange traditie in de kunst, van Italiaanse renaissanceschilders zoals Carpaccio tot de 17de-eeuwse Hollandse traditie met schilders als De Hooch en Van Hoogstraeten, die het perspectief uitrekken en de stemmigheid van het interieur oplossen in een teveel aan abstracte ruimte. Maar er is ook de barokke traditie die de perspectivische, construerende blik verstrikt in oneindigheid, van de theaterdecors van de Bibiena-familie tot de Carceri van Piranesi. En er is de meer moderne, intimistische variant, die weifelt tussen het welbehagen van de burgerlijke huiselijkheid en het unheimliche, van schilders als Xavier Mellery, Vilhelm Hammershoi en Louis Thevenet tot de surrealisten en Alfred Hitchcock. Wanneer Braeckman het motief van de doorkijk gebruikt, sluit hij het zicht onmiddellijk af. Het gebruik van schemer of duisternis, waarbij men wel in de verte kijkt maar niets kan zien, is zeker de meest klassieke en zachtste manier om tegelijk de suggestie van ruimte en diepte te wekken, en die onmiddellijk af te stoppen. Braeckman gebruikt de formule herhaaldelijk (bijvoorbeeld E.R.-B.A.-98, p. 326). Het is zijn manier om ook buitenshuis besloten ruimtes te creëren: een flauwe lichtkring van een paar stappen groot, omringd door schemer waarin zwarte, compacte volumes opdoemen. (P.H.-G.E.-92/95, T.A.-A.N.-96) Maar hij ensceneert ook vele varianten van de traditionele ‘doorkijkjes’: de opening tussen gordijnen, de open deur, de gang, de kast die op een kier staat, de traphal. Ook dan frustreert hij onmiddellijk en abrupt de verwachting die de opening wekt: de doorkijk tussen of onder de gordijnen botst steevast op een tweede gordijn, op een lambrisering of op een kastenwand. De deur is vals, de rij opeenvolgende kamers zijn allemaal identiek, de weg loopt dood. (K.E.-W.E.-98, A.D.F.-S.A.-03, S.D.-V.O-99, A.D.F.-B.E.-03, K.A.-B.X.-96, p. 250, p. 302) Het beste voorbeeld binnen de schilderkunst van deze beeldopbouw is zeker het oeuvre van de 19de-eeuwse Antwerpse schilder Henri De Braekeleer. Men kan naast de foto’s van Braeckman makkelijk een reeks schilderijen van De Braekeleer hangen die, wat dit betreft, onthutsend gelijk zijn.

Het basisbeeld in Braeckmans oeuvre is de hotelkamer: de plaats waar iemand met zichzelf alleen is of waar lichamen met elkaar geconfronteerd worden, niet beschermd of verzacht door huiselijkheid. Naast interieurs fotografeert Braeckman ook naakten, op heel verschillende manieren: van picturaal afstandelijk tot glamourous, van Balthusachtig tot licht pornografisch. Het gaat niet om portretten. De vrouwen zijn ‘modellen’: generieke, algemene lichamen die niet het onderwerp zijn, maar als onderdeel van de compositie de betekenis van het beeld mede preciseren. De keuze voor traditionele beeldformules, de plaatsing en houding van de vrouwen, en het systematisch afdekken van de ogen en de gezichten leidt de aandacht naar het interieur zelf. De vrouwen die afgewend op bed of op de grond liggen, de vrouwen voor een deur of op de drempel, de close-ups van een vrouw met opgetrokken benen, werken daarbij als het verlengde en het vluchtpunt van de vele ‘doorkijkjes’: de blik dringt steeds dieper naar ‘binnen’, waarbij het donker schaamhaar van de vrouwen de rol van de kier opneemt, en de ‘ingang/uitgang’ van het beeld wordt. (E.P.-S.V.-93, Vladivostok 2-08, N.P-F.A.-04, E 105-1993) Het meest expliciete voorbeeld is de foto van een vrouw op de rand van het bed, die vooroverbuigt en tussen beide handen door naar haar buik kijkt, waarbij het lange zwarte haar tot in de schoot valt. (E.B.-L.Y.-96) De blik van de kijker, die vanzelf de ‘doorkijk’ in een beeld volgt, wordt hier parallel geschakeld met de reflex om de blikrichting van personages in een beeld te volgen. Zo wordt de donkere schoot het vluchtpunt van de weg die tot in de hotelkamer voert, het ‘diepste binnen’. Maar die weg is ook dan – zoals steeds bij Braeckman – sans issue. (Zie voor een beeld met een identieke beeldopbouw: V.R.-P.A.-96.)

Met het oog op het inperken of afsluiten van de beeldruimte componeert (of selecteert) Braeckman zijn beelden niet alleen heel precies, maar gebruikt hij ook bijzondere mogelijkheden van de fotografie. Zeer openlijk en duidelijk is het gebruik van de onscherpte – als kenmerk van het globale beeld, niet als het complement van dramatische focus – om het beeld ‘onleesbaar’ en zo minder toegankelijk te maken. (L.O.-N.Y.-94, G.P.-B.X.-98, CB-286-93) Een sterk voorbeeld is een zeer onscherpe close-up van een vrouw in een lange zwarte jas of cape. (p. 22) Het onscherpe donkere vlak dat het beeld goeddeels vult, lijkt eerst een schaduw die op een deur valt, tot een glimmende laars die onder het zwart uitsteekt toelaat een jas te herkennen. Onscherpte in een beeld die niet het effect kan zijn van mist of schemering, dringt de beschouwer het besef op dat hij slechts een beeld ziet. Braeckman gebruikt daarvoor ook, en zeer intensief, een tweede essentiële mogelijkheid van de fotografie: de reproductie. 

De wereld van Braeckman is letterlijk uitzichtloos, maar dat betekent niet dat er op de foto’s geen vertes en geen landschappen te zien zijn. Een paar keer duiken het soort exotische en grootstedelijke landschappen op waarmee men de muren van hotels en kantoorgangen pleegt te versieren. Van de openheid en wijdte die ze suggereren, blijft echter niets over. Ze fungeren als schamele substituten of trieste surrogaten voor écht uitzicht. (K.A.-A.N.-96, S.H.-L.O.-05) Vanzelfsprekend hoort het naakte meisje dat zich afwendt naar de muur thuis in het exotische landschap met water en bootjes en verte boven haar hoofd! Vanzelfsprekend is ‘la vraie vie’ elders, dat wil zeggen, daar! Maar dat ‘elders’ is niets dan een prent, en hier is er enkel dat ene lichaam. We zullen het dus met dat beetje ‘verte’ moeten stellen. (V.R.-P.A.-96) De meest brutale en radicale manier waarop Braeckman de kleine troost die het uitzicht kan bieden wegneemt, is door lege televisieschermen te fotograferen. Is het niet dat ‘zicht op de wereld’ dat de hotelkamers leefbaar maakt? Door een leeg grijs scherm frontaal te fotograferen en de onderrand van het scherm precies op de beeldrand te plaatsen, zodat het met het beeldvlak samenvalt, wordt het beeld zelf blind, en slaat de uitzichtloosheid van het onderwerp op het gehele beeld over. (S.O.-H.O.-96, pp. 306-307)

De voornaamste manier waarop Braeckman de reproductie artistiek gebruikt is door afbeeldingen te fotograferen. Soms doet hij dat bijna programmatisch en te duidelijk, bijvoorbeeld wanneer hij een naaktfoto fotografeert, maar nog net de randen van het beeld en de plank waarop het bevestigd is meeneemt (in R.P.-L.E. 98 is het Braeckman natuurlijk om de gekartelde rand te doen, waar de foto ter hoogte van het geslacht van een vrouw is afgescheurd). In bijna alle soortgelijke werken vult de gereproduceerde afbeelding echter het hele beeld. Het gaat om foto’s van illustraties, schilderijen (soms met hun lijst) en om werk van Braeckman zelf. Wanneer hij gedrukte beelden fotografeert en uitvergroot, wordt het raster zichtbaar en lost het beeld op in vlekken. Het vervaagde, nadrukkelijk onechte karakter van deze beelden biedt Braeckman wel de vrijheid om onderwerpen te kiezen die hij anders zelden behandelt, zoals het portret ten voeten uit (I.P.-E.E.-01, I.P.-E.E(3)-01), of een buitenzicht (G.H.-I.O-01). Wanneer hij schilderijen fotografeert, kiest hij conventionele realistische voorbeelden. Hij benadrukt zeker niet de materialiteit of de geste van het schilderen, maar zoekt de glans van de vernislaag op, om zo het beeldvlak te doen oplichten en te isoleren, en er de voorstelling zelf mee af te dekken. Het beeldvlak zelf zichtbaar maken, waarbij de beschouwer door de glans verblind wordt, is zeker een van de meest radicale manieren om het schilderij zijn diepte-illusie te ontnemen. (C.O.-I.S.L.-94, S.B.-G.E.-97, p. 180) Meestal fotografeert Braeckman echter zijn eigen werk. Net zoals bij de schilderijen, zoekt hij de glans op, of de weerschijn van de flash op de foto, om zo het beeldvlak voor het beeld te schuiven. Op de afdruk van de foto schuift deze ‘glans’ – van het licht dat weerkaatst op het schilderij of op de bladzijden van een boek – achteruit tot in het beeld, duwt daar het oorspronkelijke beeld achteruit en dekt het gedeeltelijk af. Zo wordt het beeld als geheel vlak: de kijker ziet immers dat de beeldruimte die zich lijkt te openen ‘onecht’ is. Verschillende beeldlagen worden deels naast, deels op elkaar gelegd, zodanig dat de glans de diepte in het beeld tegenspreekt én omgekeerd. (Zie bijvoorbeeld het complexe spel met het kapsel van een meisje, waarbij de schaduw ‘diepte’ suggereert en de glansvlek haar hoofd afdekt in M.R.-P.O.-99, en ook AP7/07-02.) Daarbij komt de glans van het gefotografeerde beeldoppervlak soms naast of bovenop de ‘natuurlijke’ glans te liggen van glimmende voorwerpen of materialen, die deel uitmaken van de interieurs die de ‘onderlaag’ van het beeld vormen. Vooral in het laatste geval ontstaat een bevreemdend composietbeeld, bijvoorbeeld wanneer Braeckman, in een van de zeldzame gekleurde werken, een foto van een nachtlamp zo fotografeert dat de glans van de flash op de foto het licht van de lamp tegelijk bedekt en vervangt (W.T.01, zie ook p. 305). In een aantal werken, vooral voorstellingen van zeer homogene vlakken en close-ups van wanden, is de schijn van de weerkaatsing op het materiaal en van het beeldoppervlak zo licht en subtiel, dat niet meer uit te maken valt of het gaat om een interieurbeeld of om een foto van een foto… (E.H-E.H.-01) Een vergelijkbaar eindeffect bekomt Braeckman door vervuilde of beschadigde negatieven af te drukken. Een perfect en gaaf beeld beeldt hier een ‘geschonden’ beeld van een interieur af, en de kijker beseft dat hij naar een kapot beeld kijkt, en niet door een venster naar een ‘elders’. (p. 228, p. 259)

Braeckman is geen fotograaf, maar een beeldenmaker die werkt binnen de picturale traditie, en vraagt wat het beeld is en wat het vermag. Hoeveel werkelijkheid kan het verdragen of vasthouden? Zijn oeuvre insisteert: beelden zijn schaduwen van schaduwen. Ze tonen bijna niets: iets van het verlangen dat overal woekert, en een beetje licht dat evenzeer verblindt en dus verduistert als verlicht. De eigenheid van Braeckmans beelden wordt duidelijk wanneer men zijn fotografisch grijs contrasteert met de manier waarop René Magritte het donker en het zwart in zijn schilderijen inzet. Het is een belangrijke bouwsteen in het systeem van opposities waarmee Magritte zijn modellen van de werkelijkheid samenstelt: het hemelsblauw tegen het zwart, het lichaam tegen de rots, de zwaarte en opaciteit van objecten tegen het beweeglijke en doorzichtige vuur. Magritte speelt in zijn werk de ambiguïteit van het zwart helemaal uit: het zwart kan immers de duisternis voorstellen, met al wat daarin schuilgaat en angstig maakt, maar ook het Niets, de absolute leegte, waar geen ding het licht kan vangen. Daarbij geeft de vage overgang of scherpe scheiding van licht en donker aan hoe het beeld te lezen. Hij gebruikt het absolute zwart in schilderijen zoals L’Image parfait (1928) en het sleutelwerk La Lunette d’approche (1963), waar een doorkijk het interieur op een zwarte nacht opent. Magritte heeft een reeks beelden gemaakt die de fotowerken van Braeckman inhoudelijk en/of compositorisch lijken te prefigureren, zoals Le Village mental (1926), La Réponse imprévue (1933, een zicht in een donkere ruimte door een deur waarin een silhouet is uitgezaagd), of L’Ombre céleste (1927, een silhouet gesneden uit wolkenhemel voor een muur waarnaast het donker dreigt). Maar in de duisternis van de schilderijen dreigt ook altijd het Niets, in de schrik zit er ook angst, in de psychologie zit er metafysica. Daar doet de schilderkunst van Magritte wat de fotograaf Braeckman niet kan: men kan immers wel de nacht, maar niet het Niets fotograferen. De beeldsoort maakt dus het verschil, en bepaalt de specificiteit – en de beperkingen – van het artistieke beeld dat vertrekt van een foto: de fotografie blijft steeds binnen de wereld en het leven, de schilderkunst gaat daar (soms) aan voorbij. Fotografia metafisica bestaat inderdaad niet. De fotowerken van Braeckman blijven spiegels die de wereld tonen, het zijn geen verschijningen die de wereld openbreken. Daarom komt Braeckman het dichtst in de buurt van Magritte waar deze duisternis voorstelt, en die niet metafysisch, maar mythisch oplaadt met vrouwentorso’s en het geheim van het geslacht, zoals in Le Palais d’une courtisane (1928) of het weinig bekende Le Symbole dissimulé (1929). En toch doet Braeckmans fotowerk meer dan een blik vastleggen of een stemming uitdrukken. Door de beeldruimte oppressief af te sluiten en in te perken, en de ervaring van verte, wijdte, leegte – waarin toch het besef of de wens schuilt dat de Werkelijkheid groter en méér is dan de Wereld – uit de interieurs te halen, stelt het beeld de angstaanjagende gedachte voor dat er is wat er is, en verder niets mogelijk is.

 

* Voor de verwijzingen naar werken die reeds gerealiseerd en getoond zijn, gebruik ik de titels; bij de foto’s die vooralsnog enkel in het boek zijn afgedrukt en nog geen titel hebben, vermeld ik de paginanummers. Een ruime selectie is ook te bekijken op de website www.dirkbraeckman.be.

 

De tentoonstelling Dirk Braeckman vond van 6 oktober 2011 tot 8 januari 2012 plaats in Museum M, Vanderkelenstraat 28, 3000 Leuven (016.27.29.29; www.mleuven.be).

Het boek Dirk Braeckman (essays van Martin Germann en Dirk Lauwaert) verscheen in 2011 bij Roma Publications te Amsterdam (www.romapublications; i.s.m. M – Museum Leuven, en de Appel, Amsterdam).

Het werk van Dirk Braeckman wordt vertegenwoordigd door Zeno X Gallery (Leopold De Waelplaats 16, 2000 Antwerpen & Appelstraat 37, 2140 Borgerhout; 03/216.38.88; www.zeno-x.com).

Yves Desmet

0.         Wat voorafging

Sinds oktober ’94 werkt Yves Desmet als hoofdredacteur voor De Morgen. Hij kreeg daarmee een zware erfenis in handen, want de krant had tot dan toe nooit anders dan problemen gekend. Talrijk waren de noodsituaties in de jaren ’80, waardoor men zich verplicht zag om zowel bij de overheid als bij de eigen lezers voor geld aan te kloppen. Financiële problemen dwongen haar tot een verstandshuwelijk met Het Laatste Nieuws. Het gebruik van de drukpersen van Van Thillo bracht echter een onredelijke vervroeging van de deadline met zich mee. Journalistiek bedrijven werd schier onmogelijk. Ook het lezerskorps kalfde zienderogen af. Piet Piryns, de vorige hoofdredacteur, vertrok en een opvolger kwam maar niet opdagen. De Morgen leidde kortom het leven van een ziekelijk zorgenkindje, voor haar toekomst moest permanent gevreesd worden.

In veel van dit alles is met de komst van Desmet grote verandering getreden. De krant sluit weliswaar nog steeds op hetzelfde uur af (sportliefhebbers komen dus nog steeds niet helemaal aan hun trekken), maar de verkoopcijfers gaan in stijgende lijn. Dat de krant een ander imago heeft gekregen, is daar de belangrijkste oorzaak van.

 

1.         Papier hier

Sinds Desmet aan het roer van De Morgen staat, heeft de krant een groot aantal wijzigingen ondergaan. Hij veranderde het logo, het lettertype en de lay-out – in grafisch opzicht een goede zaak. Kleurenfoto’s vormen niet langer een taboe, zolang ze niet al te opdringerig zijn. Ook het onderste artikeltje op de eerste pagina draagt de signatuur van de nieuwe hoofdredacteur: na een verslag over volkenmoord en corruptie kunnen we helemaal onderaan – waar vroeger het editoriaal van Paul Goossens stond – even op adem komen met een leuke anekdote. Het belang ervan schuilt niet in de melding op zich, maar in de plaats die het krijgt: ja, op de voorgrond. VTM heeft ons vertrouwd gemaakt met dit soort perspectiefvervalsingen, maar De Morgen doet het ook niet slecht. Het behoort tegenwoordig tot de plicht van nieuwsredacties om de mensen tussen alle doffe ellende door op te vrolijken met staaltjes van human interest. Nog een decorwisseling: de bladzijde met de ‘meningen’ (Opinie) promoveerde naar pagina twee, en het nieuws uit het buitenland zakte nog wat verder weg. Iedere dag wordt bovendien een volle pagina ingeruimd voor nieuws uit omroepland, de kijkcijfer-perikelen van het voorbije uur.

Een erg in het oog springende prestatie van Desmet vormt ongetwijfeld de aanzienlijke uitbreiding van de pagina’s door middel van diverse bijlagen, alles tezamen een waar opus magnum. Uitgezonderd ‘s maandags kunnen we ons elke dag – afhankelijk van de doelgroep waartoe we behoren – verrijken met gebundelde, specifieke informatie. Het weekend brengt Terzake voor de economisten, De Bijsluiter voor mensen die zich vervelen, en Het Vrije Leven voor de bon vivants onder ons. Aanvankelijk reserveerde men Café des Arts voor ‘s vrijdags, maar het gewicht van deze bijlage was blijkbaar niet te torsen, dus heeft men haar in twee gedeeld en start de cultuurtrip nu al op donderdag. ‘s Woensdagnamiddags hebben de jongeren vrij: veel tijd dus om door De Mix te zappen. Op dinsdag tenslotte heeft de krant iets speciaals in petto. De Stand der Dingen luidt de naam van deze bijlage, en in het logo is een wereldbol verwerkt. Niets minder dan de wonderbaarlijke evoluties op vlak van wetenschap, ethiek en menselijk gedrag in kaart te brengen, is de opzet – hoewel het soms ook over dieren gaat. Deze opstekers moeten ons de eenentwintigste eeuw binnenloodsen. De inwoners van Antwerpen tenslotte krijgen iedere werkdag nóg een bijlage in de handen gestopt, een Antwerpse ‘stadskrant’, met de krachtige roepnaam Metro. Nieuwtjes en interviewtjes die allemaal om de Metropool draaien.

Wat wil deze grote papierslag ons nu eigenlijk diets maken? Eenvoudigweg dit: dat De Morgen zich in staat acht het verslag van de wereld te doen, dat zij haar lezers zowel een macroscopische als microscopische blik garandeert op het reilen en zeilen van onze planeet. In werkelijkheid brengt ze daar niet veel van terecht. De Stand der Dingen spant de kroon. Het wil zich spiegelen aan de wetenschappelijke bijlages van buitenlandse kranten waar De Morgen zich verwant mee voelt, maar tussen de talrijke kleurenfoto’s gaapt de leegte, als gedrukte tekst vermomd, ons toe. Metro lijdt aan een heel ander euvel. De mensen die deze bladzijden volschrijven, zíjn geen journalist, ze spelen het. Zoals wel meer streekedities is Metro een imitatie-krant, compleet met een imitatie-hoofdartikel. Maar laten we niet te lang stilstaan bij deze minder belangrijke vernieuwingen. De dikte van een krant zegt uiteindelijk weinig over haar wezen.

 

2.         Excuses, beste lezer (deel 1)

Bij zijn aanstelling kreeg de nieuwe hoofdredacteur het dwingende advies mee om de cijfers op te krikken. Wat hij tot dusver ook gedaan heeft, per dag worden er inmiddels zo’n tienduizend exemplaren meer verkocht. Ieder half jaar verschijnt trots de mededeling dat de ‘kwaliteitskranten’ vooruitboeren, De Morgen op kop. En lap, daar is het woord gevallen: ‘kwaliteitskrant’. ‘De Morgen is een kwaliteitskrant.’ Wat betekent dat eigenlijk? In dit geval het volgende: dat men schrijft, niet voor de doorsnee lezer, maar voor de betere lezer. Niet dat dat noodzakelijk iemand anders hoeft te zijn, integendeel. In iedere doorsnee lezer zit een potentieel betere lezer verborgen, zodra hij zichzelf als zodanig in de mot krijgt. Men zou dit kunnen bestempelen als een eerste centrale gedachte waarop het nieuwe beleid gestoten is. De Morgen stelt alles in het werk om zijn lezers het nodige zelfbewustzijn bij te brengen. Te oordelen naar de respons, lijkt ze daar behoorlijk in te lukken. De betere lezer is bijvoorbeeld iemand die een woedende brief schrijft, omdat hij aanstoot neemt aan een breedhoekopname van een kettingbotsing. ‘Sensatiezucht,’ meent hij, ‘en dat in een kwaliteitskrant!’ Wat doet De Morgen dan: de onbetamelijkheid corrigeren door de volgende dag een poëtisch beeld van een detail hors cadre te plaatsen bij het verdere verloop van de gebeurtenissen. Een verloren schoen in de berm, een eenzame koplamp in de mist.

Integriteit is het domein bij uitstek waarop De Morgen haar naam onberispelijk schoon wil houden. Van journalistieke blunders of leugens daarentegen ligt zij niet echt wakker. Toen Ludwig Verduyn, een van de meesterknechten, de ontknoping van de moord op Van Noppen bij mekaar improviseerde, stond er de dag nadien doodleuk dat het verhaal misschien toch niet helemaal klopte. Geen zweempje deemoed te bekennen. Toch stonden er diezelfde week ‘excuses’ afgedrukt op de voorpagina, maar dan wel omdat in sommige exemplaren van de vrijdageditie een reproductie ontbrak uit de reeks Kunst uit de Doeken. Ieder beleid stelt zijn prioriteiten.

 

3.         Standpunt

In de wereld waarin Yves Desmet leeft, is er werk aan de winkel. Elke dag nieuwe schandalen die aan het licht komen, een mens zou er ziek van worden. Dat doet Desmet ook, maar dan wel op een constructieve manier. In zijn Standpunt, het dagelijkse stukje op pagina twee, klaagt hij onafgebroken de schuldigen aan. Gaat een politicus over de schreef, dan geeft Desmet hem een flinke pandoering. Verzuimt een onderzoeksrechter een spoor ernstig te nemen, dan spelt de hoofdredacteur hem gegarandeerd de les. Steeds met de even dringende als algemene conclusie dat er nu echt iets moeten veranderen, dat de grens nu echt wel is bereikt. Er valt zoveel te vermanen en te berispen dat hij er een zekere vaardigheid in verworven heeft. Vaak denk je zelfs: hij doet dit werk niet met tegenzin. In elk geval gaat hij er volledig in op, in deze formule. Het gaat vanzelf. Dat is ooit weleens anders geweest, vraag dat maar aan Paul Goossens. Er bestaan beelden van hem, verkrampt naar de klok kijkend, met het huiveringwekkende besef: dadelijk moet ik er weer aan beginnen. In zijn tijd gaf het schrijven van een Standpunt regelmatig aanleiding tot constipatie. Aan die writer’s block is definitief een einde gekomen. En als de meester zelf niet beschikbaar is, valt één van zijn pupillen in.

Desmet heeft zijn handen vol met de beklaagde van de dag. Dat heeft wel een aantal consequenties. Voor diepte-analyse blijft er bijvoorbeeld weinig tijd over. Een andere context dan de vanzelfsprekende, daar zul je bij hem tevergeefs naar op zoek gaan. Een onverwachte of tegendraadse visie zie je hem zelden of nooit ontwikkelen. Dat is echter geen toeval, maar een bewuste keuze, onderdeel van het beleid, zeg maar. Vertrouwd met de nieuwste mediatheorieën, verkiest Desmet het om zijn lezers ‘s ochtends niet tegen de haren in te strijken, maar hen te geven wat ze willen. Een hapklare brok verontwaardiging. Aan zijn stukjes, hoewel ze er kritisch uitzien, zitten dan ook geen weerhaken. Ze pijnigen of kwellen niet, leggen geen ingewikkelde werkelijkheid bloot. Ze zijn er gewoon om snel en ter plekke, als cornflakes, verorberd te worden. Desmet weet zo goed te verwoorden waarop zijn lezers iedere dag zitten te wachten, dat het lijkt of hij eerst een enquête liet uitvoeren. Publieksvriendelijke maatschappijkritiek, dat is zijn specialiteit.

 

4.         Impotente ironie, oppervlakkige ernst

Om De Morgen te maken tot wat ze vandaag is, heeft Desmet serieus aan het imago moeten sleutelen. Imago is een kwestie van stijl. Daarom luidt de belangrijke vraag: hoe ziet De Morgen eruit? Hoe klinkt ze? Sinds zijn aantreden heeft Desmet een stijl uitgezaaid die kleur en leven bracht. Gedaan met de grijze stroefheid van weleer. Op tekstueel vlak gelden zijn eigen stukjes uiteraard als lichtend voorbeeld, en het valt op dat hun inhoudelijke verteerbaarheid perfect in evenwicht is met de vorm waarin ze zijn gegoten. Dat hoort ook zo, want eenduidige boodschappen moeten vlot bereikbaar zijn. Doen we een greep uit het stilistische repertorium, dan springt de opmars van de ironie in het oog. Logisch, omdat ze het wapen van de jaren ’90 is. De flauwe glimlach vormt het eerste schild tegen de waanzin van de wereld. Maar voor De Morgen is ze nooit een doel op zich, die ironie: in puberale spot – zoals bij Humo – eindigt ze niet. Ze dient om nauwelijks te verbergen en daardoor te onthullen dat de zaken juist zeer ernstig worden genomen.

De ernst van De Morgen is een toegankelijke ernst. Het soort waar velen zich in kunnen herkennen, dat met eenvoudige middelen wordt voorgetoverd. Neem het principe van het kritische cliché. Spitaels is altijd ‘Dieu’, en het Vlaams Blok – tot treurens toe – een bende ‘fascisten in driedelige maatpakken’. De Morgen houdt zo’n termen graag een tijdje in roulatie, omdat ze snel snel haar juiste positie kunnen bewijzen. Maar daar laat Desmet het niet bij, even vaak gaat hij nog een stapje verder. Zijn fameuze beeldspraken kennen bijzonder veel bijval. Aan de lopende band verzint hij termpjes die eens gevat zullen zeggen waar het allemaal op slaat in deze maatschappij. Politici – het meest makkelijke doelwit – zijn Vlaamse dwergen, affairisten of regelneven. En vindt hij een meester die hem daarin overtreft, dan zal hij die met ingehouden adem in zijn stukje citeren (Rudy Vandendaele van Humo, over VTM-sterren als ‘glimplebs’).

Desmet kruipt in de huid van de gebelgde, maar om geloofwaardig en vooral verkoopbaar te blijven, moet hij de verontwaardiging wat insnoeren. Meestal eindigen zijn stukjes hoofdschuddend in de trant van ‘Mensen, waar zijn we toch mee bezig!’ Altijd sluipt er een toontje in dat ons doet schuddebollen en zuchten in plaats van nadenken. Waarna we dan kunnen besluiten: hij heeft het weer ferm gezegd vandaag. Hier wordt geaasd op een knikkende goedkeuring. Hier wordt een meninkje afgerond, een balletje eten voorgekauwd.

 

5.         De kracht van een beeld

Voor De Morgen is beeldspraak niet zomaar een stijlmiddel, maar een waar keurmerk. Desmet bewijst dat dagelijks. Maar soms vindt hij dat de kracht van zijn woorden tekortschiet, en grijpt hij naar de letterlijke beeldspraak, het sprekende beeld. Tot tweemaal toe lanceerde hij een campagne met posters die ons oorverdovend toeschreeuwden, conversatie onmogelijk. Meebrullen was het vriendelijke, doch nadrukkelijke devies. Eerst was er de Chirac-met-puisten-poster naar aanleiding van de proeven op Mururoa (‘Een prettige uitslag, mijnheer Chirac!’) en daarna de spaghetti-poster na de wraking van Connerotte. Ziehier de bijdrage van De Morgen aan de discussie over internationale politiek en ons rechtssysteem. Dit zijn de beelden waarmee deze feiten het collectieve geheugen moeten ingaan. Hang dit voor uw raam, en de vindingrijkheid straalt ook op u af. Ook u deelt in de eigen mening waar De Morgen zoveel reclame voor maakt, want De Morgen. U kunt maar beter een eigen mening hebben. En niet alleen dat, u kunt ze zelfs krijgen. Sloganeske beelden als deze slorpen als een zwart gat het denken op, en goochelen er een originele instantopinie voor in de plaats. Maar laten we vooral de finaliteit van deze affiches niet uit het oog verliezen. Als Benetton een stervende aids-patiënt opvoert, dan is dat in de eerste en laatste plaats om zichzelf te verkopen. Met de Chirac- en de spaghetti-posters doet De Morgen juist hetzelfde. Haar hele taal- en beeldpolitiek is daarop gericht. Haar kritische stijl is een recycleerbare voorverpakking, een lege doos die zijn inhoud aanprijst.

 

6.         Spot niet met de Duivel

Begin augustus ’96, zo’n bloedheet weekend knal in de zomer, verschijnt in de zaterdagse bijsluiter een paginagroot artikel over duivels en hoe men ze moet  uitdrijven. Om te lachen natuurlijk, want iedereen verveelt zich. “Noem hem Diabolos,” huivert Kardinaal Danneels. Met dit zinnetje op de cover wil men de lome lezer strikken. Geef toe, je zou voor minder beginnen te gniffelen. Maar veertien dagen later dompelt een ramp dit land in rouw en hysterie. Men vindt de lichamen van twee verdwenen kinderen, de dader heet Marc Dutroux. “HET GEZICHT VAN HET KWADE”, blokt De Morgen onder zijn foto. De Duivel bestaat dus toch, hij is zelfs onder ons! Uiteraard is er gepiekerd over deze titel, natuurlijk is de vraag gesteld of De Morgen moest meegaan in het aanblazen van de sensatie. Uit die eerste kop kunnen we aflezen dat de redactie van de nood een deugd heeft gemaakt. Ze gaf toe aan de sensatiezucht, maar liet tegelijk, middels kleine ingrepen, merken dat ze zich daarvan bewust was en er nog over nadacht ook. Daarom staat er niet ‘HET GEZICHT VAN HET KWAAD’. Het beste bewijs dat tenminste één journalist al eens een vertaling van Baudrillard in zijn handen heeft gekregen, dat het hier met andere woorden om een filosofisch gelegitimeerd begrip gaat. Sindsdien trok de redactie alle registers open, zoals de meeste kranten deden, maar altijd geraffineerder vormgegeven dan pakweg Het Nieuwsblad. Het procédé is eenvoudig: denk één stap verder dan het cliché, en de mond van de lezer zal openvallen van verbazing. Gebruik geen kleurenfoto’s, dat is vulgair. Zwartwit garandeert eerlijke emoties. Vermijd schreeuwerige slogans, vervang ze door poëtische mijmeringen. Laat uit het geheel een gevoelige mannelijkheid spreken. En na het vinden van de lichamen van Eefje Lambrecks en An Marchal staat volgende ontboezeming op de cover: “Er was nog hoop op leven. Tot gisteren. An en Eefje, Julie en Mélissa: vier meisjes, hetzelfde lot”. Als slogan waardeloos, maar de stunteligheid bewijst de oprechte ontroering.

Met de zaak-Dutroux heeft Desmet het profiel van De Morgen helemaal op punt kunnen stellen. Meer dan ooit ging blijken voor wie hij wilde schrijven. Niet voor het schuimbekkende dier dat op de trappen van het justitiepaleis om de herinvoering van de doodstraf stond te schreeuwen, wel voor de mens die zich in de kolk van zijn emoties nog wist vast te klampen aan een laatste halmpje redelijkheid, aan De Morgen zelf dus. Sensatie mocht – in onze wanhoop moésten we daaraan toegeven, ze vormde de catharsis – zolang ze maar van een kritische kanttekening werd voorzien. Zolang de plaats vanwaar we wellustig staan toe te zien af en toe zelf in beeld komt. Vormgeving speelt hierbij een cruciale rol. Ze moet het ongemeen schaamteloze verhullen en suggereert, door haar overdachte aanwezigheid, een afgewogen omgang met de inhoud. Waar kranten zonder kwaliteitslabel hulpeloos moeten uitkomen voor hun platheid, zal De Morgen er als een omhooggevallen proleet alles aan doen om haar betere smaak op een betere manier te etaleren.

 

7.         Excuses, beste lezer (deel 2)

In de zaak-Dutroux heeft de krant zich regelmatig voorgedaan als het laatste restje zuivere geweten in deze contreien. Voorlopig hoogtepunt was de furieuze reactie van de hoofdredacteur, begin januari van dit jaar, op de beslissing van twee Waalse kranten om verslag uit te brengen over een nieuwe pedofiliezaak, en dat na uitdrukkelijk verzoek van procureur Bourlet om een ‘persstop’ te respecteren. Desmet vangt zijn stukje aan met ‘excuses’. ‘Excuses, beste lezer, omdat mijn krant u de voorbije weken niet heeft gegeven waar u democratisch recht op heeft: nieuws.’ Desmet beschuldigt zichzelf er dus van correct en integer te zijn geweest, en voegt er met een krop in de keel nog aan toe dat er mensenlevens op het spel stonden. Het ontzag dat hier wordt opgewekt, verplettert ons. Het doet ons bijna vergeten dat De Morgen zelf, een maand eerder, uitvoerig verslag had uitgebracht over die pedofiliezaak.

Zichzelf verkopen als een mens van goede wil, ook dat is een constante, zeg maar een beleidslijn van de hoofdredacteur. De Vierde Macht? Niks mee te maken. Desmet staat aan de kant van ‘de gewone mensen’, zoals hij het in zijn stukje over de World Press Photo Award voor Stephan Vanfleteren resumeerde. De fotograaf won de prijs in de categorieën ‘People’ en ‘Daily Life’, een groter geluk kon De Morgen niet te beurt vallen, want, zegt Desmet, zijn krant kiest altijd voor de onbekende man en vrouw die de gevolgen ondergaan van wat op het hoogste niveau over hun lot wordt beslist. Als Arafat en Nethanyahu een akkoord tekenen, dan toont Desmet uiteraard een foto van het Palestijnse jongetje wiens hut wordt platgereden door een bulldozer. Niet de voorzitter van de handelsrechtbank komt in beeld, maar de arbeider van de Forges. In zulke gebaren put De Morgen zich uit. In dat soort zaken moeten we haar integriteit herkennen. Eigenlijk geeft Desmet hier zonder het te beseffen toe dat hij het principe van de negatiefafdruk als een demagogische truc hanteert. Hij vindt gewoon het sociaal-realisme weer uit. Alle artikelen en foto’s in zijn krant moeten zich legitimeren als gevolgen van de juiste ethische keuze. De Morgen doet er alles aan om aan de goede kant te staan. Het maakt haar kritiek bij voorbaat formeel en steriel.

 

8.         Op weg naar het centrum

Enige tijd geleden verraste De Morgen vriend en vijand met een paginagrote advertentie waarop niemand minder dan de hoofdredacteur zelf geciteerd werd. “Het gaat er niet om wat links en rechts is, het gaat er om wat link en recht is,” stond er trots. Een krant met een historische linkse signatuur verklaart het juk van eeuwenoude tegenstellingen te hebben afgeworpen. En het schijnt nog waar te zijn ook, want zeer recent verklaarde Lou De Clerck in een interview met Humo  dat De Morgen niet langer de linkse versie is van De Gazet Van Antwerpen in het begin van de jaren ’80. Tegenwoordig ziet ze er volgens hem fris en dynamisch uit. En om te bewijzen dat hij het meent, verklapte de voormalige chef van Gazet Van Antwerpen, De Standaard en Het Nieuwsblad met een knipoog dat hij binnenkort “boeken gaat bespreken” voor die opgefriste krant.

De Morgen ruilt zijn linkse verleden dus in voor iets anders, ze verkondigt de oorlog tussen de ideologieën achterhaald en overbodig. Niet toevallig gebeurt dat door middel van een slogan. Dat is immers de klassieke manier waarop de redactie haar inzichten verspreidt, en tevens de wijze waarop het geconsumeerd moet worden. Deze slogan schakelt iedere reflectie over het verleden uit. Amnestie voor de foute gedachten van vroeger, de blik nu gericht op de toekomst.

Aan wie appelleert deze slogan? Wat is de inzet ervan? Wie een dergelijke tegenstelling achter zich wil laten, en dat met zo’n gemak, kan maar op één ding azen: het centrum. Het centrum is het hedendaagse politieke toverwoord bij uitstek. Vroeger het verderfelijke oord der compromissen, nu opeens een plaats waar valse spanningen kunnen ontladen, een plaats om collectief te verzoenen – en een grote vijver ook om in te vissen. Heel even maakte het van de CVP – via Van Hecke, die de nieuwe betekenis van het begrip met succes ingang deed vinden – de meest vooruitstrevende partij van het land. Loos alarm bleek achteraf, maar de strijd werd er niet minder om: Tobback, Verhofstadt, Anciaux, allen pleiten ze met regelmaat en vooral in het openbaar voor het centrum, voor een politieke ruimte die vrij is van ideologische smet. (Ook het Vlaams Blok zou zijn extreem-rechtse aard graag met een ander imago opfrissen.) Wat men het centrum noemt, heeft met gemak aan populariteit gewonnen, juist omdat het ons van een loodzware intellectuele erfenis verlost. Daarom is de roes van het centrum tenminste ten dele anti-intellectueel: gezond verstand, goede wil, zin voor relativering, kortom alles wat men onder menselijkheid verstaat, krijgt voorrang op de ideologische discussie. Uiteindelijk is die – nog zo’n instantargument – toch alleen maar verzuild. In plaats van ‘links’ of ‘rechts’ noemt Desmet zich dus ‘onafhankelijk’, en is hij ondertussen, zoals vele anderen, maar elk vanuit hun richting, ijverig op weg naar het centrum.

 

9.         Amorele zoogdieren zijn we, Staf, met een dun laagje cultureel vernis

Niet toevallig gaat de strijd om het centrum gepaard met een lawine van signalen. Iedereen wil er zijn tegenwoordig, iedereen wil met iedereen afspraken maken om te praten, dus seint men zich een ongeluk. Alleen, niemand hapt echt toe. Er wordt wel teruggeseind, maar nooit met enig praktisch resultaat. Bijgevolg is men het signaleren op zich alvast als een belangrijke politieke daad gaan beschouwen, verder geraakt men nog niet. Ook Desmet heeft hierin een hartstochtelijke bezigheid gevonden. Hij signaleert er ook lustig op los, maar wil vooral signalen krijgen. Overal ziet hij een teken in. Iedereen die een rookpluim laat of met de lichten knippert, krijgt bij hem gegarandeerd een forum. Het mooiste voorbeeld gaf hij evenwel zelf, toen hij, toch geboekstaafd als een overtuigd atheïst, de grote oversteek waagde in de richting van de christelijke geloofsgemeenschap. Gevaarlijk was dat wel niet, want ondertussen werd hij vanuit de overkant tegemoet gegaan door Staf Nimmegeers, pastor van een passantenkerk in het hartje van Brussel. Halfweg kwamen ze mekaar tegen, voor een Gesprek. Ze trokken samen naar Jeruzalem (!), praatten uren met elkaar “over wat hen (nog) scheidde (!)”, en lieten hun gesprekken in boekvorm gieten door uitgeverij Lannoo (!). Uiteraard gaat het hier om een enscenering. De gesprekken, een pap van verweekte tegenstellingen, hebben nooit plaatsgevonden. Ze werden gespeeld, in een historisch decor, met de woorden die door de gegeven omstandigheden gesouffleerd werden. Van de talloze signalen die dit boek uitzendt, onthoud ik vooral het volgende: wie wil aantonen dat hij open staat voor een dialoog, bedient zich het best van gezwam en gezwijmel. Altijd prijs, ook de tweede druk van de Gesprekken in Jeruzalem slinkt aardig weg. Desmet ontpopt zich met dit boek tot een schijnheiligaard van het allerergste soort. Zogezegd niet in de hemel geloven, en hem ondertussen toch proberen te verdienen.

 

10.      Cultuur moet het peertje van de hoopvolle toekomst brandende houden

Corruptie, kinderverkrachting, volkenmoord. Iedere dag vraagt Desmet zich hardop af of hij er ooit nog gaat komen, die betere wereld. Maar af en toe vangt hij een signaal op dat hem weer hoop geeft. En waar vindt hij nog een beetje hoop? In cultuur uiteraard. Het editoriaal van 10 januari 1997 gaat dan ook over televisie. Naar aanleiding van de recente groeicijfers van de BRTN en het omgekeerd evenredige verlies bij VTM, schreef hij een stukje over de nationale omroep. Het deed hem deugd dat de BRTN zich na jaren miserie weer comfortabel in de top 20 van de kijkcijfers had genesteld, want wat bleek, stuk voor stuk ging het om fijne programma’s. De opiniemaker signaleert dat de BRTN zich herpakt en daar door de gewone mensen met warme kijkcijfers voor beloond wordt.

Desmet wil dat zijn betoog zo krachtig mogelijk overkomt, dus bedient hij zich van de overdrijving. Meer bepaald van een specifieke vorm van de overdrijving: de leugen. Als eerste voorbeeld stoten we op de uitspraak dat VTM in de eerste jaren van zijn bestaan de “kleine sympathieke opdonder” was. In een editoriaal van een jaar geleden (12 maart 1996) sprak hij over die begintijd nog als over “een natte droom voor uitgevers” en “een puur monopolistisch bedrijf”. Trouwens, de zender die acht jaar geleden Het rad van fortuin, De juiste prijs en Bompa opstartte, is natuurlijk nooit iets anders geweest dan een monstruositeit. Maar we moeten de context van zijn betoog in acht nemen, en vooral de finaliteit van de hier ontvouwde moraal niet uit het oog verliezen. Voor alle duidelijkheid gaat Desmet nog een stap verder. Hij laat zich ontvallen dat tegen deze “sympathieke opdonder” van weleer een “staatsmoloch” stond die “in ruil voor zoveel kijk- en luistergeld programma’s afleverde waarvan de makers nauwelijks hun dédain voor het publiek konden verstoppen en waar als regel gold dat hoe minder kijkers er keken, hoe kwaliteitsvoller het programma wel was”. Strikt genomen is dit ontzettend gortig. De vele programmamakers van toen, zij die naast Hoger Lager zo goed en zo kwaad het kon, andere televisie probeerden te maken, worden immers als ontaarde would-be kunstenaars voorgesteld en van volksafkeer beschuldigd. Maar het doel rechtvaardigt de middelen. Desmet wil het publiek immers laten weten dat het wel degelijk voor kwaliteit kan kiezen: als het maar in de gelegenheid wordt gesteld. Hij toont de gemeenschap graag dat er onder haar dikke lagen van luiheid en opportunisme een verlangen schuilt naar het betere, het echte, het ware. Geen verlangen waarop koplopers en voortrekkers meewarig moeten neerkijken, neen, bij nader inzicht komt het juist overeen met hun eigen verzuchtingen. Neem nu de ploeg van de BRTN-nieuwe stijl, ook zij durft er nu voor uit te komen dat niks haar liever is dan kwaliteitsprogramma’s die razend populair zijn. Zo bekent Dirk Sterckx in een interview met Humo dat hij naast Hoger Lager ook plat gaat voor het Swingpaleis. Wel, Desmet ziet hierin de voorafspiegeling van een nieuwe cultuur. Ten bate van een algehele verzoening tussen de elite en het grote publiek helpt hij oude vermeende tegenstellingen van de baan. Het is geen toeval dat hij juist in het universum van de televisie weer een sprankeltje hoop ontwaart. Symbolische voorstellingen moeten ons immers het voorbeeld geven in een wereld die in diepe duisternis is gehuld.

 

11.      Opiniemakers

De activiteiten van Desmet, inclusief zijn trip naar Jeruzalem, of zijn deelname aan een populair radioprogramma, kaderen allemaal in de redding van de intellectueel. Zoals we allemaal weten, behoren intellectuelen een bijzondere maatschappelijke invloed te hebben, maar helaas ligt de tijd dat dat ook het geval was, ver achter ons. De plek die deze vervlogen gedachte achterliet, blijft leeg, alsook de drang om haar opnieuw te bezetten. De drang om te bemiddelen tussen het volk en zijn machthebbers. Beurtelings een schandpaal en een lege sokkel in de processie, veracht en koestert men die plek, maar één ding is zeker: wie zich als kandidaat meldt, mag het achterste van zijn tong laten zien. De maatschappelijke dienstbaarheid van de intellectueel moet weer op de voorgrond treden, hij kan maar beter bewijzen dat hij zijn boterham waard is. Waar zaten de intellectuelen tijdens De Witte Mars, was de vraag die wekenlang door De Morgen woedde.

Desmet werpt zich uitdrukkelijk op als zo’n bemiddelaar. Hij behoort tot het nieuwe type intellectueel wiens denken en schrijven vrijwillig aan banden ligt van een ethisch verantwoord populisme. Dat is misschien het meest verbijsterende: dat die nieuwe intellectueel tegelijk ook anti-intellectueel moet zijn. Dat hij het ingewikkelde denken openlijk afzweert. Het bad van de political correctness: een hormonenkuur die het geslacht verandert.

Daarnaast moet de nieuwe intellectueel ook mediageniek zijn. Hij kan niet beter bewijzen dat hij een menselijk gezicht heeft dan door in beeld te komen. Desmet loopt voortdurend voor de camera, letterlijk en figuurlijk, al schrijvend en lijfelijk. Praat op de radio met die warme begripvolle stem. Etaleert een keure aan mannelijke emoties. Een stuk over De Morgen kan daarom slechts over zijn persoon gaan, omdat hij zo nadrukkelijk het gezicht van die krant wil zijn. Een stuk over De Morgen is een stuk over hem, hij smeekt er om.

 

12.      Wordt vervolgd

Om kritiek tot een populair, verkoopbaar artikel te maken, heeft Desmet het begrip moeten uithollen tot het enkel als verpakking, als pose overbleef. Eerst dan wordt het immers aantrekkelijk. Niet toevallig leidt zijn krant ook een uitermate politiek correct leven, wat haar kritische houding bij voorbaat tot een vormelijke aangelegenheid maakt. Twee ontwikkelingen, dezelfde conclusie. Als dit soort geslaagde huwelijken een wissel hebben op de toekomst, dan staan er ons nog barre tijden te wachten. Of mogen we toch nog hoop koesteren? Als straks alle politieke partijen overgaan tot de terugstorting van de Agusta- en Dassaultmiljoenen, dan zou De Morgen, die destijds helicoptergeld van de SP kreeg toegestopt, toch ook best een duit in de staatskas doen. Wie weet, moet de krant dan alsnog in vereffening gaan. Maar nog voor het zover komt, zou Desmet best de conclusie trekken die hij de naïeve dan wel corrupte PS-voorzitter Busquin nu al weken voorhoudt: inpakken en wegwezen.

 

Gesprekken in Jeruzalem van Yves Desmet en Staf Nimmegeers verscheen in 1996 bij Lannoo.

A fatality of misinterpretation

“Stripped of all experience except a variety of painterly effects, and devoid of communication, however, it came to seem as if the pig in the pigment were missing.”

Suzi Gablik, in: Has Modernism Failed?

 

Stilte

 In mei 1994 overleed in alle stilte de in 1909 in New York geboren kunstcriticus Clement Greenberg. De geringe aandacht die de internationale kunstpers aan zijn dood besteedde, staat in schril contrast met de enorme invloed die hij op de Angelsaksische kunstkritiek én kunstpraktijk van de laatste veertig jaar uitoefende. Zonder de teksten van Greenberg is het begrip van de avant-garde met betrekking tot de naoorlogse kunst zowat ondenkbaar. Zeker vanaf 1961, toen enkele van zijn sleutelteksten in gewijzigde vorm gebundeld en opnieuw gepubliceerd werden onder de titel Art and Culture, bekleedde Greenberg een prominente plaats in het debat over hedendaagse kunst.

Zijn positie was echter van meet af aan omstreden. Op het moment dat zijn modernistische kunsttheorie gestalte kreeg, begon de kunstpraktijk datzelfde modernistische paradigma te ondermijnen. Greenberg werd vooral een negatief referentiepunt, waarvan de nieuwe kunst zich moest distantiëren. Over Greenberg werd vooral veel gepraat en geschreven, maar zijn teksten bleven zo goed als ongelezen. Pas in de loop van de jaren ’80 werden zijn geschriften in hun oorspronkelijke vorm gebundeld in de door John O’Brian geredigeerde Collected Essays and Criticism. (1) Deze vier volumes omvatten zeer verschillende soorten teksten. Enerzijds zijn er de korte kunstkritische stukjes, besprekingen van tentoonstellingen of van enkele specifieke kunstwerken. Deze teksten zijn niet uitsluitend gewijd aan moderne kunst, al wordt ook in de stukken over oude kunst vaak de relatie gelegd met de moderne kunstpraktijk. Anderzijds zijn er de lange essays op het terrein van de theoretische esthetica, waarmee Greenberg op een duurzame wijze invloed uitoefende. Greenbergs teksten worden gekenmerkt door een meesterlijke vormelijke analyse en een bijzonder vlotte en heldere schrijfstijl, die van een grote, soms naar arrogantie neigende zelfzekerheid getuigt.

 

Marxisme als methode

 

Greenberg publiceerde zijn eerste teksten in 1939 en zijn ontwikkeling als criticus viel vrijwel geheel samen met de opkomst, ontwikkeling en ondergang van het Amerikaanse abstract expressionisme. Enkele langere, achteraf bijzonder invloedrijk gebleken essays publiceerde hij tijdens de jaren ’40 in Partisan Review, terwijl zijn kortere stukjes hoofdzakelijk in The Nation verschenen. Daarnaast leverde Greenberg tal van bijdragen aan vele andere tijdschriften. In zijn vroege teksten schonk hij veel aandacht aan literatuur, met een klemtoon op moderne poëzie. De concentratie op de beeldende kunst manifesteerde zich slechts geleidelijk.

Net als enkele andere Amerikaanse linkse cultuurcritici als Dwight Macdonald, Harold Rosenberg en Meyer Shapiro, vertrok Greenberg in zijn analyses duidelijk vanuit het marxistische ideeëngoed. Kunst en alle andere vormen van culturele expressie konden niet worden losgekoppeld van hun maatschappelijke context. Bovendien werd in de artistieke milieus die Greenberg in de periode van de New Deal frequenteerde druk gespeculeerd over de sociale verantwoordelijkheid van de kunstenaar. Greenbergs politieke engagement in deze periode bleek ook al uit zijn activiteiten als vertaler. In 1936 vertaalde hij in opdracht van een Amerikaanse uitgeverij vanuit het Duits The Brown Network: The Activities of the Nazis in Foreign Countries. Greenbergs verwerping van de kapitalistische samenleving, die zich in de periode van de depressie van haar meest schrijnende kant liet zien, was en bleef nog lange tijd marxistisch geïnspireerd. Zelfs kort na de Tweede Wereldoorlog schreef Greenberg: “The fact is that most people in our society lack the security, leisure, and comfort indispensable to the cultivation of taste; and only a socialist society can provide security, leisure, and comfort”. (II, 64)

Ook later, wanneer Greenbergs enthousiasme voor het marxisme op ideologisch en zeker op politiek vlak sterk was bekoeld en hij zich schikte in het Amerika van McCarthy, bleven zijn intellectuele positie, zijn opvattingen over historische ontwikkelingen en over de relatie tussen kunst en samenleving duidelijk schatplichtig aan Marx. Van bij de aanvang van de Moskou-processen in 1936 had Greenberg zich echter reeds gedistantieerd van het Stalinisme en onderging hij, zoals zovele andere Amerikaanse linkse intellectuelen onder de New Deal, de invloed van het Trotskisme. Het door Trotski geïnspireerde Manifeste pour un Art révolutionaire indépendant (1938) van Diego Rivera en André Breton sterkte Greenberg in zijn overtuiging dat voor de opbouw van een socialistische samenleving de artistieke vrijheid van de kunstenaar een conditio sine qua non is. Zijn ontevredenheid over het toen vaak in linkse kringen gepropageerde sociaal-realisme werd pregnanter, alsook zijn afkeer van het populaire regionalisme. Net als Meyer Shapiro met zijn in 1937 verschenen artikel Nature of Abstract Art, verdedigde Greenberg de idee van een kritische kunst die aan een idealistisch formalisme beantwoordt en zich radicaal afzet tegen het sociaal-realisme.

 

Avant-garde and Kitsch

 

Greenberg definieerde de relatie tussen kunst en samenleving, tussen artistieke expressie en werkelijkheid op een totaal nieuwe wijze. Zijn eigenzinnige positie begon zich af te tekenen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, op een ogenblik dat de Verenigde Staten volledig afgesneden waren van de Europese kunstmarkt. Terwijl in New York een aantal vooraanstaande figuren uit de Europese avant-garde aan de dreiging en later de effectieve verwoestingen van de oorlog konden ontsnappen, ontwikkelde zich een eigen Amerikaanse avant-garde. Terzelfder tijd kende het land door de oorlogsindustrie een heropleving van zijn economie en zag een nieuwe welvarende klasse en intellectuele elite het daglicht. Toen de oorlog was afgelopen, kon New York de fakkel van Parijs als het culturele centrum van de wereld overnemen. (2)

Eén van Greenbergs eerste artikels was Avant-garde and Kitsch, dat in 1939 in Partisan Review verscheen. (I, 5-22) Hierin argumenteert de auteur, met een duidelijk marxistische boventoon, dat de avant-garde erin is geslaagd om “de Alexandrijnse starheid” van de cultuur te doorbreken dankzij een superieur bewustzijn van de geschiedenis. De moderne kunstenaar is immers tot het inzicht gekomen dat de burgerlijke samenleving geen eeuwige, natuurlijke maatschappelijke ordening is. Na het wegvallen van het aristocratische mecenaat verhuist de kunst uit de kapitalistische markt naar bohemia. Om de cultuur en de maatschappij in beweging te brengen, trekt de avant-garde zich terug uit het publieke leven en lanceert ze de idee van de kunst om de kunst. De nieuwe kunst kent zich de taak toe naar het absolute te zoeken en de abstracte kunst kan als een hoogtepunt van dit streven worden beschouwd. De aandacht voor de inhoud verschuift volledig naar deze voor de vorm. De ambachtsmiddelen zelf worden het onderwerp van de kunst. “Picasso, Braque, Mondriaan, Miro, Kandinsky, Brancusi, of zelfs Klee, Matisse en Cézanne: allemaal ontlenen ze het grootste deel van hun inspiratie aan het medium waarin ze werken,” meent Greenberg, en op dit ogenblik bestaat er geen enkele andere manier om kunst van een hogere orde te scheppen.

De grootste verdienste van het essay is wellicht de wijze waarop de auteur de begrippen ‘avant-garde’ en ‘kitsch’ aan elkaar koppelt. Tegenover de avant-garde staat er iets als een achterhoede, die door de kitsch wordt belichaamd. Ongetwijfeld zijn ze aan elkaar tegengesteld, maar terzelfder tijd wordt erkend dat ze met elkaar zijn verbonden. De kitsch spruit immers voort uit dezelfde maatschappelijke condities die de avant-garde hebben gegenereerd. Kitsch vormt de culturele expressie van de verstedelijkte massa van de kleinburgerij, die het genoegen in de volkscultuur van het platteland heeft verloren, maar niet over de welstand en onbezette tijd beschikt om zich de traditionele stadscultuur toe te eigenen. Kitsch is volgens Greenberg evenwel op de eerste plaats een ersatzcultuur, louter verstrooiing en schone schijn. Terwijl de avant-garde met haar concentratie op de artistieke media de procédés van de kunst imiteert, aapt de kitsch haar effecten na. Kitsch etaleert een genot zonder moeite. De beschouwer van de avant-gardistische kunst daarentegen moet gevoelig zijn om adequaat te kunnen reageren op de plastische kwaliteiten van het kunstwerk. Greenberg beklemtoont tenslotte dat kitsch niet het gevolg is van een conditionering door de staat. Het aanmoedigen van de kitsch in de dictaturen van de jaren ’30 kan alleen verklaard worden door het feit dat de stalinistische, nazistische en fascistische despoten in de gunst van hun onderdanen willen komen. De avant-garde wordt in Duitsland en de Sovjet-Unie niet verboden omdat ze kritisch is, maar omdat ze onschuldig is, omdat men ze nauwelijks voor propagandistische doeleinden kan inschakelen. Indien het volk om avant-gardistische kunst zou vragen, zouden Hitler, Stalin en Mussolini niet aarzelen om ze te promoten, stelt Greenberg.

 

Laocoon

 

De ideeën uit Avant-garde and Kitsch werden verder ontwikkeld en concreter gemaakt in het essay Towards a Newer Laocoon, dat in juli 1940 in Partisan Review verscheen. (I, 23-38) Beide teksten kondigen samen Greenbergs latere opvattingen aan over een zelfbewuste avant-gardistische cultuur.

De titel is een toespeling op twee oudere, belangrijke kunstkritische werken. Vooreerst het fragmentarisch gebleven Laokoon, oder über die Grenzen der Malerei und Poesie (1766) van de dichter Gotthold Ephraim Lessing, waarin naar criteria werd gezocht om de poëzie en de schilderkunst van elkaar te scheiden. Zo sprak Lessing van beeldende kunsten in plaats van schone kunsten en maakte hij een onderscheid tussen ruimtelijke en temporele kunst. En ten tweede The New Laokoon: An Essay on the Confusion of the Arts (1910) van Irving Babbit, die de Romantiek voor deze verwarring verantwoordelijk achtte. Greenberg trekt deze lijn door. Volgens hem is er in de loop van de cultuurgeschiedenis meermaals een dominante artistieke discipline geweest. In de 17de eeuw bijvoorbeeld trachten de schilder- en beeldhouwkunst de mogelijkheden van de literatuur en dit leidt tot een verval in de beeldende kunst. Met haar creatieve energie biedt de Romantiek aanvankelijk hoop, maar de revolutie in de beeldende kunst blijft beperkt tot de inhoud. Voor de Romantici is kunst op de eerste plaats een vorm van communicatie en het medium is wel fysisch noodzakelijk, maar een betreurenswaardig obstakel tussen de kunstenaar en zijn publiek. De belangstelling voor de kunst als métier gaat verloren. De Romantiek is bovendien de laatste grote tendens die onmiddellijk voortkomt uit de burgerlijke samenleving. Na 1848 vindt de artistieke impuls nog wel zijn oorsprong in de burgerlijke maatschappij, maar de avant-garde zoekt voortaan in oppositie met de burgerlijke samenleving naar nieuwe en adequate culturele vormen. Als gevolg van de noodzaak om te ontsnappen aan de ideeën die de kunst infecteren met de ideologische disputen van de maatschappij, wordt het onderwerp in de beeldende kunst uitgewist. De nadruk komt volledig op de vorm te liggen en op de kunst als een onafhankelijke, autonome discipline. De avant-garde vormt dus op de eerste plaats “the embodiment of art’s instinct of self-preservation”.

De eerste breuk met de literatuur situeert Greenberg in het oeuvre van Gustave Courbet, die de traditionele, verheven thema’s inruilt voor het alledaagse, prozaïsche leven. Het onderwerp verliest met Courbet zijn esthetische waarde. De eerste de beste koe, weide, steenkapper of boer kan het onderwerp van een kunstwerk zijn. Niet wat, maar hoe wordt geschilderd, wordt belangrijk. En bovenal, merkt Greenberg op, “a new flatness begins to appear in Courbet’s painting, and an equally new attention to every inch of the canvas, regardless of its relation to the centers of interest”. Aangezien het onderwerp zijn esthetische rol heeft verloren, wordt elk detail van het schilderij even belangrijk. De all-over structure en de flatness die Greenberg telkens in de doeken van bijvoorbeeld Jackson Pollock beklemtoont, relateert de auteur aan het 19de-eeuwse Realisme.

“The history of avant-garde painting,” concludeert Greenberg, “is that of a progressive surrender to the resistance of its medium; which resistance consists chiefly in the flat picture plane’s denial of efforts to ‘hole through’ it for realistic perspectival space.” Penseelstreken worden omwille van hun eigen waarde geapprecieerd; primaire, eenvoudige kleuren verschijnen op de voorgrond en onder invloed van de rechthoekige vorm van het doek worden de vormen geometrisch en eenvoudig “because simplification is also part of the instinctive accommodation to the medium”. Maar bovenal wordt het beeldvlak vlakker en vlakker. Twintig jaar later blijft Greenberg hierop hameren: “For flatness alone was unique and exclusive to pictorial art. The enclosing shape of the picture was a limiting condition, or norm, that was shared with the art of the theatre; color was a norm and a means shared not only with the theatre, but also with sculpture. Because flatness was the only condition painting shared with no other art, Modernist painting oriented itself to flatness as it did to nothing else”. (IV, 87) Er wordt afgestapt van het chiaroscuro omdat het vasthouden aan de integriteit van het platte vlak de totstandkoming van een perspectivische ruimte verhindert. Fictieve dieptevlakken worden samengeduwd tot ze samenvallen met het echte, materiële vlak, dat het eigenlijke oppervlak van het doek is. “Where the painter still tries to indicate real objects their shapes flatten and spread in the dense, two-dimensional atmosphere. A vibrating tension is set up as the objects struggle to maintain their volume against the tendency of the real picture plane to re-assert its material flatness and crush them to silhouettes. In a further stage realistic space cracks and splinters into flat planes which come forward, parallel to the plane surface.” (I, 35) Greenberg lijkt hier een beschrijving te geven van de destructie van de ruimte in het analytische kubisme, waarin de kleur wordt ingeruild voor de monochromie om elke vorm van schaduwing te minimaliseren en het doek wordt opgebroken in een aantal subtiel recessieve vlakken.

 

Pollock

In vele andere teksten werkt Clement Greenberg deze ideeën verder uit en toetst hij ze aan het werk van bijvoorbeeld Cézanne, de kubisten, Manet en Matisse (cf. I, 199-204). Maar bovenal herkent hij deze eigenschappen in de eigentijdse ontluikende avant-garde, in het bijzonder in het werk van Jackson Pollock (3): “Pollock’s strength lies in the emphatic surfaces of his pictures, which it is his concern to maintain and intensify in all that thick, fuliginous flatness which began – but only began – to be the strong point of late cubism. Of no profound originality as a colorist, Pollock draws massively, laying on paint directly from the tube, and handles black, white and grey as they have not been handled since Gris’s middle period. No other abstract painter since cubism has been so well able to retain classical chiaroscuro”. (II, 160-170)

In zijn talrijke, stimulerende beschouwingen over het werk van Pollock zal Greenberg telkens de aan het kubisme herinnerende ambigue ruimtelijkheid beklemtonen. De beruchte all-over structure wordt zelfs uitdrukkelijk met flatness in verband gebracht. (II, 221-225) Het klassieke ezelschilderij maakt de decoratieve impact van het schilderij ondergeschikt aan het dramatische effect. De illusie van het schilderij als een doosachtige holte staat de werking van de picturale media in de weg. Wanneer Edouard Manet en de impressionisten deze holte uitvlakken en de picturale elementen in termen van vlakheid organiseren, wordt de status van het ezelschilderij aangetast. De vormen worden echter nog steeds gedifferentieerd en op een dramatische wijze in onevenwicht gehouden. Claude Monet bedreigt de identiteit van het ezelschilderij precies met betrekking tot dit aspect. Greenberg leest een schilderij van Monet als een “decentralized, polyphonic, all-over picture which, with a surface knit together of a multiplicity of identical or similar elements, repeats itself without strong variation from one end of the canvas to the other and dispenses, apparently, with beginning, middle and ending”.

Tenslotte betrekt Greenberg de nieuwe ruimtelijkheid in het werk van Pollock op de voorkeur voor grote formaten bij de abstract expressionisten: “That these pictures were big was no cause for surprise: the abstract expressionists were being compelled to huge canvases by the fact that they had increasingly renounced an illusion of depth within which they could develop pictorial incident without crowding; the flattening surfaces of their canvases compelled them to move along the picture plane laterally and seek in its sheer physical size the space necessary for the telling of their kind of pictorial story”. (III, 217-236) Het is opvallend dat Greenberg de voorkeur voor grote formaten nooit in verband brengt met een poging om de lichamelijke betrokkenheid van de kunstenaar en de toeschouwer bij het kunstwerk te maximaliseren.

Ook Pollocks belangstelling voor een automatistische techniek en de surrealistische en expressionistische dimensie in zijn werk worden door Greenberg nauwelijks aangestipt en vanaf de late jaren ’40 zelfs volledig over het hoofd gezien. In 1947 erkent hij nog de Gothic quality in het werk van Pollock: “Pollock’s art is still an attempt to cope with urban life; it dwells entirely in the lonely jungle of immediate sensations, impulses and notions, therefore is positivist, concrete”. Deze Gothic quality is voor Greenberg echter iets negatiefs – dit blijkt des te duidelijker in zijn afkeer van het surrealisme, dat hij met hetzelfde epitheton aanduidt – en over Pollock schrijft hij dan ook: “Yet its Gothicness, its paranoia and resentment narrow it; large though it may be in ambition, (…) it nevertheless lacks breadth”. (4)

In How Art Writing Earns Its Bad Name (IV, 135-149), een berucht geworden geschrift uit 1962 dat een polemiek met Herbert Read veroorzaakte, verkettert Greenberg Harold Rosenbergs lectuur van het werk van Pollock, die door Europese critici als Lawrence Alloway en Herbert Read gretig was overgenomen: “But it is as though a fatality dogged the success: a fatality of misinterpretation that was also a fatality of nonsense. I call it a fatality – though it might be more proper to call it a comedy – because the misinterpretation and the nonsense have come not from those who professed to reject the new American painting, but from friends or supposed friends. It was as though the critics of modern art set out to justify everything that philistines have said about them”. Greenberg trekt vooral van leer tegen Rosenbergs op het existentialisme van Heidegger en Sartre geïnspireerde opvatting dat schilders als Pollock niet zozeer het maken van ‘kunst’ nastreven, maar eerder hun eigen identiteit pogen te ontdekken met behulp van onmiddellijke en min of meer ongecontroleerde acts waarmee verf op het doek wordt aangebracht. Greenberg komt tot de vaststelling dat deze theoretici nog steeds over kunst en over artistieke kwaliteiten spreken. Bovendien vraagt hij zich af wat deze painted left-overs of action, die voor de kunstenaar enkel en alleen nog een autobiografische betekenis hebben, voor een buitenstaander zouden kunnen betekenen. Tenslotte stipt Greenberg ook aan dat Rosenberg geen antwoord kan bieden op de vraag waarom een bepaald by-product of action painting meer dan een ander moet worden gewaardeerd.

 

Impact

 

Greenbergs lectuur van het abstract expressionisme als een cool hedonism, waarin op de eerste plaats de mogelijkheden van het medium schilderkunst worden afgetast, determineerde onmiskenbaar de richting waarin de Amerikaanse kunst in de late jaren ’50 en ’60 evolueerde. Hoewel Greenberg later beklemtoonde dat hij slechts een neutraal, descriptief relaas van de kunstgeschiedenis trachtte te geven en geenszins criteria voor een artistieke praktijk wilde formuleren, bleek de impact van zijn geschriften op de Amerikaanse kunstscène enorm.

De zwarte schilderijen van Frank Stella uit de late jaren ’50 illusteren bijvoorbeeld de invloed van het Greenbergiaanse paradigma. De virtuositeit van de losse expressionistische penseelstreek wordt ingeruild voor een strakke symmetrische beeldopbouw waarin de persoonlijke hand van de kunstenaar nauwelijks bespeurd kan worden. De eigenschappen die Greenberg in het werk van Pollock onderkende (flatness, all-over structure, wall sized-formaat) worden overgenomen en zelfs consequent doorgetrokken. Thierry De Duve merkte ooit treffend op dat Stella’s Black Paintings kunnen worden gezien als de ultieme voorbeelden van de modernistische schilderkunst: “the black paintings would make Greenberg’s historical description prescriptive, even normative; they would make the minimal condition of flatness into a maximal one”. (5) Stella levert bovendien onmiskenbaar commentaar op Greenbergs theorie door de anti-illusionistische vlakheid van zijn Black Paintings te presenteren als een artistiek equivalent van het positivisme: “There aren’t any particularly poetic or mysterious qualities. My painting is based on the fact that only what can be seen there is there. (…) What you see is what you see”. (6) Het kunstwerk valt volledig samen met zijn visuele waarneming. Het schilderij, dat met zijn omkering van de optische verwachtingen (we lezen achtergrond als voorgrond en vice versa) elk ruimtelijk illusionisme een hak zet en de traditionele compositie inruilt voor een modulaire opbouw, doet niets anders dan de wetmatigheden van het medium aan een scrupuleus onderzoek te onderwerpen. Toch liet Greenberg zich nooit duidelijk in positieve termen uit over het werk van Stella, maar maakte hij gewag van een discrepantie tussen impact en substantie, die zijn kunst in het geheel niet compromitteert maar toch “makes him something less than the major artist he presents himself as being”. (7)

Eigenaardig genoeg was Greenberg weinig enthousiast over kunstenaars die zijn paradigma verder ontwikkelden. Ook over het werk van Jasper Johns liet Greenberg zich meermaals misprijzend uit. De spirituele leegte van het abstract expressionisme wordt door Johns weliswaar tenietgedaan door de representatie van voorwerpen uit de banale werkelijkheid, maar de illusie wordt ondergeschikt gemaakt aan de belangstelling voor de wetmatigheden van het eigen medium. Johns’ vlaggen, cijfers en landkaarten zijn niet alleen abstracties of conventionele symbolen, het zijn bovenal dingen die op zichzelf reeds plat zijn en dus niet onderworpen worden aan de betrachtingen van de figuratieve schilderkunst.

Ook een kunstenaar als Donald Judd kon Greenberg weinig bekoren, hoewel de geschriften en specific objects van Judd nu gewoonweg als een extensie van Greenbergs modernistische ideologie beschouwd kunnen worden. Judds monolithische en modulaire sculpturen zijn duidelijk schatplichtig aan de holistische schilderijen van Pollock (of beter, aan Greenbergs Pollock) en in zijn teksten neemt hij Greenbergs idee van een autonome en zelfverwijzende kunst over. Niettegenstaande hij Greenbergs lineaire en deterministische beeld van de kunstgeschiedenis aanvecht, stelt ook Judd dat de veranderingen in de kunst een “soort noodzakelijkheid en een coherente, progressieve continuïteit” vertonen. (8) In de schilderkunst betreft deze ontwikkeling de eliminatie van een ruimtelijk illusionisme. Om dit illusionisme te vermijden, zoekt Judd aanvankelijk zijn heil in de incorporatie van found objects in zijn schilderijen. De eliminatie van elk illusionisme noopt Judd uiteindelijk ertoe om de schilderkunst an sich te verlaten. Volgens Judd is een of andere vorm van ruimtelijk illusionisme immers eigen aan het medium schilderkunst. Elke vorm in een rechthoekig vlak, zelfs een geometrisch vlak dat naar de randen van het schilderij verwijst, suggereert onvermijdelijk een voorwerp in een ruimte. (9) Om trouw te blijven aan de eigenheid van het medium schilderkunst zag Judd zich dus genoodzaakt eerst haar zuiverheid te corrumperen om vervolgens het medium zelf te verlaten. Judd bestrijdt niet alleen Greenbergs centrale these door voor te houden dat elke vorm van schilderkunst per definitie illusionistisch is, maar legt ook de inconsequenties in Greenbergs preferenties voor beeldhouwkunst bloot: de door deze laatste gekoesterde werken van David Smith en Anthony Caro beantwoorden immers niet aan de wetmatigheden van het eigen medium. Greenberg had een voorkeur voor pictorial sculpture. (10)

Greenberg was over de voortbrengselen van de Minimal Art weinig enthousiast en klasseerde ze samen met de andere nieuwe ontwikkelingen die tijdens de jaren ’60 in de Verenigde Staten en Europa het daglicht zagen onder de denigrerende term novelty art. Donald Judd omschreef hij als “very small stuff” (IV, 310) en Minimal Art, zo stelde hij in 1967, “remains too much a feat of ideation, and not enough anything else. Its idea remains an idea, something deduced instead of felt and discovered”. (IV, 250-256) Toch moet Greenberg de affiniteit tussen zijn eigen inzichten en de minimale kunst hebben erkend want “I take minimal art more seriously than I do these other forms of novelty art,” concludeerde hij. Greenbergs verwerping van het werk van Judd en andere minimalisten was bovendien weinig geargumenteerd en zijn opmerking dat hun werk louter deductie is en niets met gevoel of ontdekking te maken heeft, was nogal pover in vergelijking met de goed gestructureerde en geargumenteerde theorieën waarmee hij een kwarteeuw tevoren de traditionele schilderkunst verwierp. Een serieuze poging om de Minimal Art vanuit de modernistische traditie te verwerpen, liet Greenberg over aan Michael Fried, die in zijn beroemd geworden tekst Art and Objecthood (1967), Minimal Art afwees op grond van het feit dat ze theatraal was en het moderne autoreferentiële karakter van de kunst ondermijnde.

 

Kant

De centrale positie die Greenberg in de late jaren ’50 en ’60 in het Amerikaanse kunstmilieu bekleedde, was dubbelzinnig. Enerzijds had het internationale succes van het abstract expressionisme in de jaren ’50 Greenberg de reputatie van een van de meest overtuigende en belangrijke critici verleend. In deze periode publiceerde hij ook meer en meer in de massamedia, legde hij zich toe op het organiseren van tentoonstellingen en gaf hij lezingen aan diverse universiteiten. Anderzijds werd Greenberg in negatieve zin naar voren geschoven als de belichaming van een modernisme, dat bestreden diende te worden. Andere critici, cultuurfilosofen en kunstenaars als Harold Rosenberg, Thomas Hess, Herbert Read, Christopher Lash en Donald Judd gingen met Greenberg in de clinch en nieuwe artistieke fenomenen als performance, happening en environment toonden duidelijk aan dat het Greenbergiaanse paradigma het kunstmilieu niet langer in zijn greep hield. Paradoxaal genoeg moet dus worden vastgesteld dat Greenbergs belang als criticus vrijwel omgekeerd evenredig toeneemt met de directe invloed van zijn kritieken.

Ondertussen ondergaan Greenbergs opvattingen inzake de relatie tussen kunst en samenleving ook enkele wijzigingen. Tot de vroege jaren ’60 verklaart Greenberg dat het marxisme de enige methode is om de culturele dynamiek in haar maatschappelijke samenhang te verklaren. In een boekbespreking van The Social History of Art van Arnold Hauser (III, 94-98), dat hij niet alleen als een voorbeeld van sociale geschiedenis maar ook als een verbeterde kunstgeschiedenis beschouwt, komt hij tot de conclusie dat de analyse van deze laatste marxistisch is en dat “no other available method can extract equally plausible meanings from the seeming contradictoriness of social evolution, especially in its relation to art”. Toch merkt hij op dat “Mr. Hauser’s marxism is too orthodox, in the Bolshevik sense, for my taste and his interpretation of social history as such follows the standard lines closely, leading him often to glib equations, but it rarely interferes with its view of art, since he does not extend his Marxism to aesthetic questions proper”. De relatie tussen kunst en samenleving is voor Greenberg te complex opdat één model alles zou kunnen verklaren. Het door het historisch materialisme voorgehouden onderscheid tussen onder- en bovenbouw wordt door Greenberg verworpen. Beide zijn volgens hem met elkaar verstrengeld. Tegelijkertijd bekritiseert hij ook iemand als T.S. Eliot omdat deze de cultuur te weinig in dialectische termen begrijpt en enkel als bovenbouw interpreteert. (11) Hoe dan ook versterkte zijn lectuur van Hauser opnieuw zijn belangstelling voor de centrale paradox van het modernisme, die reeds het onderwerp vormde van zijn tekst Avant-garde and Kitsch uit 1939: de manier waarop de kunst onlosmakelijk is verbonden met de kapitalistische samenleving, maar zich er terzelfder tijd van vervreemd heeft. De culturele degradatie, die het industriële kapitalisme met zich heeft gebracht, dwingt de kunst ertoe zich los te snijden van de alledaagse werkelijkheid en zich in een autonoom en autoreflexief domein te nestelen. De autonomie van de kunst, die gepaard gaat met een uitgesproken aandacht voor het medium, wordt door Greenberg ook verbonden met het concept van de esthetische afstand. De belangeloosheid van het kunstwerk wordt een conditio sine qua non voor zijn esthetische kwaliteit. Hierin wordt Greenberg uiteraard sterk beïnvloed door de filosofie van Immanuel Kant. (12)

De eerste expliciete verwijzing naar Kant in de geschriften van Greenberg kunnen we reeds in 1943 aanstippen, maar vooral na de Tweede wereldoorlog grijpt Greenberg steeds meer terug op de Verlichtingsfilosoof. Zo hanteert hij in 1950 de Kritik der Urteilskraft als sleuteltekst in een cursus over kunstkritiek aan het Black Mountain College en tien jaar later opent zijn belangrijke essay Modernist Painting met een passus over Kant: “Because he was the first to criticize the means itself of criticism, I conceive of Kant as the real first Modernist”. (IV, 85) Kant brengt Greenberg ertoe om zich als criticus vooral te concentreren op een analyse van de interne organisatie van het kunstwerk. “The essence of modernism lies, as I see it, in the use of characteristic methods of a discipline to criticize the discipline itself, not in order to subvert it but in order to entrench it more firmly in its area of competence. Kant used logic to establish the limits of logic, and while he withdrew much from its old jurisdiction, logic was left all the more secure in what remained to it.” Het zelfonderzoek van de kunst is dus voor Greenberg niet gericht op een zelfvernietiging (de strategie van Duchamp zou bijvoorbeeld zo geïnterpreteerd kunnen worden), maar in de eerste plaats op het verkrijgen van een grotere zuiverheid van het medium. De drijfveer van de moderne kunst bestaat er niet in om de waarden van de moderniteit aan te vallen, maar om te streven naar zuiverheid en de “standards of excellence” te behouden. Door op een kritische wijze de eigen procedures aan een scrupuleus onderzoek te onderwerpen, wordt de integriteit van de moderne traditie bewaard. “In this respect alone can modernism be considered subversive.” Met deze opvatting levert Greenberg ongetwijfeld een originele bijdrage aan de moderne kunstkritiek. Reeds in zijn allereerste teksten heeft hij immers tegen de gangbare opvattingen in geargumenteerd dat het fenomeen van de avant-garde eigenlijk niet veel te maken heeft met een tabula rasa, maar veeleer moet begrepen worden in een traditie (Courbet, Monet, Matisse, Picasso enzovoort). De avant-garde is voor Greenberg zelfs de enige ware verdediging van de traditie. (13)

In het bijna spreekwoordelijk geworden formalisme van de jaren ’50 wordt het vermogen van het modernisme tot negatie evenwel nog sterker beklemtoond. Zoals Adorno meent Greenberg dat de kunst in staat is om afstand te bewaren ten opzichte van de betrachtingen van de samenleving. De taak van het kunstwerk schuilt precies in het oproepen van een weerstand tegen de producten van de moderne maatschappij. Zoals in Avant-garde and Kitsch richt Greenberg zijn aandacht naar het onderscheid tussen high en low culture, naar hun onderlinge wisselwerking en naar de mechanismen die ze van elkaar scheiden.

Vanaf de late jaren ’40 veranderen echter de klemtonen. Greenberg uit voortaan vooral zijn ongerustheid over het feit dat de distincties tussen beide domeinen beginnen te vervagen. Hoewel hij stelt dat een zekere hoop gerechtvaardigd is omdat de naoorlogse Amerikaanse middenklasse naar cultuur hunkert, stelt hij vast dat dit verlangen vooral betrekking heeft op een kunst die “not too hard to consume” is: “We may be witnessing the emergence of a new, middlebrow form of popular art that, while it exploits many of the innovations of avant-garde art, lowers their intensity and dilutes their seriousness in order to convert them into something calendar and magazine can digest – as if in answer to a public that is making new and higher demands on the art offered to it”. (II, 57 en II, 160-170) Als de culturele elite ontbreekt om de kunstenaar te ondersteunen dan zal deze zich onderwerpen aan de conventies van de massacultuur, waarschuwt Greenberg.

Ondertussen tekenen zich op politiek en ideologisch vlak ingrijpende wijzigingen af in Greenbergs benadering. Omstreeks 1949, ongeveer gelijktijdig met het stopzetten van zijn activiteiten als recensent voor The Nation, verliest Greenberg elke hoop op een socialistische samenleving. Ondanks het feit dat hij zich distantieert van het demagogisch populisme van McCarthy, wordt Greenberg zelfs een militant anti-communist. Niet alleen reageert hij furieus op bepaalde artikels in The Nation die hij als sovjetpropaganda verkettert, hij participeert ook volop aan uitgesproken anti-communistische organisaties zoals het American Committee for Cultural Freedom. (14)

Vanzelfsprekend valt Greenbergs inschikkelijkheid tegenover de Amerikaanse politieke werkelijkheid samen met verschuivingen in zijn standpunten als criticus. In een lang essay uit 1953, The Plight Of Our Culture, (III, 122-152) herroept Greenberg zelfs zijn vroegere kritiek op de massacultuur. Op enkele jaren tijd ruilt hij zijn pessimistische visie op de cultuur van de moderniteit in voor een bijna stralend optimisme. Plotseling meent Greenberg dat de nieuwe, dominante cultuur van de middenklasse in staat is om aan de inauthenticiteit en de vervlakking van de massacultuur te weerstaan en zelf een oprechte cultuur kan produceren. “But can it not be hoped that middlebrow culture will in the course of time be able to transcend itself and rise to a level where it will be no longer middlebrow, but high culture? This hope assumes that the new urban middle classes in America will consolidate and increase their present social and material advantages and, in the process, achieve enough cultivation to support, spontaneously, a much higher level of culture than now. And then, supposedly, we shall see, for the first time in history, high urban culture on a mass basis.” Terwijl in Avant-garde and Kitsch enkel de marginale cultuur van de avant-garde weerstand kon bieden aan de vulgariteit van het moderne industrialisme, wordt in de tekst uit 1953 gesteld dat het industriële kapitalisme niet noodzakelijk leidt tot vulgariteit op cultureel vlak. Uiteraard beklemtoont Greenberg dan ook niet langer dat de moderne kunst in staat is om de dominante waarden van de burgerlijke samenleving te negeren. De centrale paradox van het modernisme, met name de vervreemding van de kunst van de kapitalistische samenleving, wordt bijgevolg volledig losgekoppeld van ideologische en politieke (Trotskistische) connotaties. De notie van de zelfreflexiviteit van de moderne, abstracte kunst en de preoccupatie met de artistieke media gaan niet langer gepaard met een kritiek op de waarden van de eigentijdse samenleving. Zijn preferentie voor het serene hedonisme van Matisse (15) boven de terribilità van Picasso en zijn voorkeur tijdens de jaren ’60 voor het werk van Morris Louis, Kenneth Noland en Jules Olitski geven duidelijk aan wat Greenberg als een valabele artistieke belichaming van de stralende culturele toekomst van de Amerikaanse droom beschouwde.

Het optimisme dat Greenberg in de jaren ’50 uitte, wordt in het daaropvolgende decennium evenwel getemperd. Gedesillusioneerd moet hij erkennen dat de nieuwe Amerikaanse middenklasse, waarin hij zijn hoop had gesteld, eerder middlebrow culture verkiest dan kunst. Bovendien blijkt de vooruitstrevende kunst (advanced art) uiteindelijk zelf niet bestand tegen de vervlakking van de massacultuur: “The avant-garde seems to have proven, finally, just as unable to protect itself from the infiltration of the middlebrow as every other department of culture in our society has been. And the middlebrow, not the lowbrow, has always been the avant-garde’s most formidable enemy”. (IV, 259-265) Nieuwe fenomenen als Pop Art en Minimal Art beschouwt Greenberg, zoals reeds aangetoond, als voorbeelden van novelty art, een product van een hypertrophied avant-garde die zich richt tot een publiek dat “the emblems, tokens, signs, and stigmata” verlangt van wat het reeds kent en als vooruitstrevende kunst mag verwachten.

Wat de verhouding tussen moderne kunst en samenleving betreft, kunnen we dus gewag maken van een drietal fasen in het denken van Greenberg. De eerste fase moet gesitueerd worden in de periode 1939-1949. In Avant-garde and Kitsch stelt Greenberg dat het industriële kapitalisme vernietigend is voor de cultuur en dat enkel het fenomeen van de avant-garde in staat is aan deze vernietiging weerstand te bieden. In de tweede fase, te situeren in de jaren ’50, meent Greenberg dat de moderne samenleving niet noodzakelijk tot een culturele vervlakking leidt en dat een alliantie tussen de nieuwe opkomende middenklasse en de nieuwe avant-gardistische cultuur mogelijk is. In de laatste fase tenslotte, tegen het eind van de jaren ’60, knoopt hij terug aan bij zijn vroege ideeën: de moderne samenleving is inderdaad vernietigend voor de cultuur, met dien verstande, dat zelfs de avant-garde daartegen niet bestand blijkt.

 

Hogepriester

Clement Greenbergs activiteiten als criticus nemen een einde wanneer hij merkt dat hij zijn greep op het eigentijdse kunstgebeuren verliest. De Collected Essays and Criticism worden afgesloten met een in 1969 afgenomen interview. Greenberg blijft bijna angstvallig vasthouden aan de idee van een zuiverheid van de cultuur. Hij veroordeelt alle pogingen die zijn puristische esthetica ondermijnen. Zijn voorkeur voor een cool hedonism, zoals belichaamd in de doeken van Olitski, Noland en Louis, beantwoordt echter niet alleen aan zijn ideaal van een zuivere en volledig autonome kunst, maar reflecteert ook zijn appreciatie van de kracht van de Pax Americana. Greenberg, ooit de high priest of formalism genoemd, wordt bijna de Amerikaanse dubbelganger van de Romeinse censor Cato maior, die hellenistische invloeden beschouwde als een aantasting van de Romeinse discipline en militaire slagvaardigheid. Niet voor niets heeft Greenberg de nieuwe Amerikaanse avant-garde, die zich tegen het provincialisme van de doorsnee Amerikaanse kunst had afgezet en zich een universele en kosmopolitische status had toegeëigend, American Type Painting genoemd. Als free trade painting zou zij de kitscherige aard van de kunst van de Oosteuropese regimes blootleggen.

Opvallend is ook zijn geringe belangstelling voor de naoorlogse Europese avant-garde. Net als sommige historische avant-gardes, met name het dadaïsme en het surrealisme, valt ze volledig buiten zijn kunsthistorisch schema. Het surrealisme beschouwt hij van meet af aan als een dieptepunt van de moderne kunst aangezien het op geen enkele manier kan verzoend worden met het ideaal van een gebalanceerde, zuivere, autonome, apollynische kunst, dat hij voor ogen had. (I, 225-231) Latere interpretatiemodellen zullen precies pogen hiervoor oplossingen te bedenken, zoals bijvoorbeeld Peter Bürger in zijn Theorie der Avantgarde (1972). Bürger, die in zijn interpretatie ook vanuit Marx vertrekt (de notie van systeem-immanente kritiek ontleent hij aan de Grundrisse), zal zich evenwel in zijn poging om zowel Malevich, Duchamp als de surrealisten in één enkel schema te integreren, richten op het maatschappelijke systeem van de kunst in plaats van op individuele kunstwerken.

Vanaf de late jaren ’60 wordt bovendien elk grand récit radicaal in vraag gesteld. Precies de poging om het modernisme te integreren in een historisch ontwikkelingsproces vormt Greenbergs grootste verdienste. Sinds Winckelmann is de kunstgeschiedenis niet langer een opeenstapeling van afzonderlijke feiten of verhalen. Zoals voor Hegel, Marx, Warburg, Riegl en Panofsky, is ook voor Greenberg de kunst een uitdrukking van wat we gemakshalve een Zeitgeist noemen. Ook voor Greenberg ligt de verklaring van de kunstgeschiedenis besloten buiten de kunst, in het domein van bredere sociale en culturele transformaties. Greenbergs originaliteit schuilt precies in het feit dat hij deze contextualistische of externalistische visie op de kunst koppelt aan het modernisme met zijn formalistische of internalistische connotaties. Voor Greenberg definieert kunst zijn eigen grenzen en moet ze als een autonome materie benaderd worden, maar dit moet vanuit een breder historisch perspectief bekeken worden. Greenbergs internalisme wordt als het ware ingebed in een contextualistische verklaring. Kants notie van een Zweckmäßigkeit ohne Zweck wordt in een Hegeliaans historisch ontwikkelingsproces geïncorporeerd. (16) Vanuit een marxistisch geïnspireerde visie op de geschiedenis als een lineair vooruitgangsproces wordt in de kapitalistische samenleving een stadium onderkend, waarin de kunstenaar naar bohemia wordt verbannen en de kunst tot autoreflectie wordt veroordeeld. Zoals voor Adorno, is ook voor Greenberg kunst een vorm van negatie en vindt zij haar nut in haar nutteloosheid voor het kapitalistische, industriële productieproces.

 

Noten

(1)        The Collected Essays and Criticism, Edited by John O’Brian, werden gepubliceerd door The University of Chicago Press, Chicago and London tussen 1986 en 1993. De vier volumes omvatten respectievelijk Perceptions and Judgments (1939-1944), Arrogant Purpose (1945-1949), Affirmations and Refusals (1950-1956) en Modernism with a Vengeance (1957-1969). Referenties aan teksten van Greenberg verwijzen naar de nummering en pagina-aanduiding van deze editie.

(2)        Zie Serge Guilbaut, How New York Stole the Idea of Modern Art: Abstract Expressionism, Freedom, and the Cold War, Chicago, 1983.

(3)        Zie Yve-Alain Bois, Dossier Pollock: Clement Greenberg; les textes sur Pollock, in: Macula, 2, 1977, pp. 36-39; Francis Frascina (ed.), Pollock and After: The Critical Debate, New York, 1985; Timothy J. Clark, Jackson Pollock’s Abstraction, in: Serge Guilbaut (ed.), Reconstructing Modernism.Art in New York, Paris, and Montreal 1945-1964, Cambridge, Mass., London, 1990, pp. 172-243; en Rosalind Krauss, Qui a peur du Pollock de Greenberg?, in: Les Cahiers du Musée national d’art moderne, 45/46, automne/hiver 1993, pp. 159-171.

(4)        The Present Prospects of American Painting and Sculpture, II, 65, pp. 160-170. In zijn in 1946 in Les Temps Modernes verschenen artikel over L’art américain au XXe siècle maakt Greenberg gewag van “une peinture d’un genre gothique, néo-expressioniste et abstrait (…). Cette oeuvre produit une impression baroque, élaborée, qui fait penser à Poe et elle est remplie d’une sensibilité sadique et scatologique”. Zie ook Timothy J. Clark, Jackson Pollock’s Abstraction, in: Serge Guilbaut, 1990, zie noot 3, pp. 172-243.

(5)        Thierry De Duve, The Monochrome and the Blank Canvas, in: Serge Guilbaut, 1990, zie noot 4, pp. 244-310. Zie ook Yve-Alain Bois, Les Amendements de Greenberg, in: Les Cahiers du Musée national d’art moderne, 45/46, automne/hiver 1993, pp. 52-60. Misschien moet ook worden aangestipt dat het essentialisme van Greenberg zich volledig concentreert op de flatness van de schilderkunst en, eigenaardig genoeg, slechts zeer zelden aandacht heeft voor de materiële aspecten van het picturale proces. Zie Jean Clay, La peinture en charpie, in: Macula, 3/4, novembre 1978, p. 171.

(6)        Bruce Glaser, Questions to Stella and Judd, in: Art News, 65, 1966, p. 58.

(7)        Deze opmerking heeft eigenlijk betrekking op het werk van Francis Bacon, maar onmiddellijk erna merkt Greenberg op dat “the same discrepancy has the same effect in the art of Frank Stella”. (IV, 282-288) Voor Greenbergs reacties op de Black Paintings van Stella zie ook Thierry De Duve, The Monochrome and the Black Canvas, zie noot 5.

(8)        Zie Barbara Haskell, Donald Judd, New York, 1988, p. 81.

(9)        Zie bijvoorbeeld Donald Judd, Specific Objects, in: Arts Yearbook, 8, 1965, p. 77; Complete Writings 1959-1975, p. 182.

(10)      De uitdrukking is ontleend aan Lucy R. Lippard, Tony Smith, New York, 1972, p. 20. Lippards verwijt is hier gericht tegen Michael Fried, die Greenbergs gedachtengang overneemt en verder uitwerkt.

(11)      Zie bijvoorbeeld I, 217-220; III, 66-71; en III, 122-152.

(12)      Zie Paul Crowther, Greenberg’s Kant and the Problem of Modernist Painting, in: British Journal of Aesthetics, 25, 4, 1985, pp. 317-325; en Ingrid Stadler, The Idea of Art and of Its Criticism: A Rational Reconstruction of a Kantian Doctrine, in: Ted Cohen & Paul Guyer (eds.), Essays in Kant’s Aesthetics, Chicago, 1982.

(13)      Zie Thierry De Duve, Clement Greenberg Between the Lines, Paris, 1996, p. 85.

(14)      Zie de introductie van John O’Brian tot het derde volume van The Collected Essays.

(15)      Zie John O’Brian, Greenberg’s Matisse and the Problem of Avant-Garde Hedonism, in: Serge Guilbaut, 1990, zie noot 3, pp. 144-171.

(16)      Zie Arthur C. Danto, Greenberg, Le grand récit du modernisme et la critique d’art essentialiste, in: Les Cahiers du Musée national d’art moderne, 45/46, automne/hiver 1993, pp. 19-29.

Bertini op papier (en celluloid)

Het strookje ingekleurde film van een rondtollende ballerina verrukte hem zeer. De strenge projectiezaal is een mengeling van warm comfort en afstandelijke grandeur, typerend voor de Italiaanse anni trenta, en zo verschillend van de noordelijke knusheid. Fausto Montesanti, de legendarische Romeinse filmhistoricus, is fetisjistisch verrukt over die ingekleurde vlinderdans (van de firma Edison?) die hij bijna letterlijk in zijn handen neemt. Dan gaan zijn handen open en leidt hij ons traag, stamelend en buigend naar een mythe: Francesca Bertini. Woorden schieten duidelijk tekort; zijn hoge stem is niet hoog genoeg. Hij spéélt het tekortschieten om Bertini nog groter te maken. Hij zegt dat deze film van onze tijd is, nog steeds modern. Als hij haar als jongeman op het scherm ziet, weet hij meteen dat hier niet meer met woorden, maar met een heel leven gerekend moet worden. Veertig jaar later vermoedt hij nog steeds dat dit het allermooiste is wat film hem ooit gegeven heeft.

Ze had zijn leeftijd toen hij haar als jongeman in Assunta Spina te zien kreeg. Ze had naast hem kunnen zitten in de zaal. Hij zou haar nooit vergeten. Veel later zou hij haar terugzien – toen hij haar te oude minnaar had kunnen zijn, of, in haar latere films, haar echtgenoot die ontzet haar grenzeloze verwarring moet aanzien. Bovendien kon hij moeiteloos de plaats van het zoontje innemen dat in familiedrama’s het onwetende instrument van haar verscheuring is. Haar lichaam genereerde het allemaal voor hem: de vriendin, de minnares, de moeder, de zuster, de echtgenote. Hij begreep dat dit zijn ‘type’ was – met haar beeld konden alle Familienromane in zijn verbeelding opgevoerd worden.

Lichamen in de film resoneren in de duur en de diepte van een mensenleven. Een star is vooral een werkzaam beeld: geen object, maar een proces; geen substantief, maar een werkwoord. Het proces is als het insijpelen in een landschap van regen die dan gedurende maanden doordringt in onzichtbare geologische lagen en daar stromen, meren en moerassen creëert. Of zoals een lied dat je eenmaal gehoord hebt en later opnieuw probeert te zingen, zoekend naar de eerste noot, tot plots de hele melodie fors in je opklinkt. Wat ik hier beschrijf is een weerklank: die trage, onstuitbare nagalm van Francesca Bertini na zovele tientallen jaren.

 

Fotografisch / Cinematografisch

Er bestaan van Bertini twee beeldtypes: geprojecteerd op een scherm, bewegend, zonder klank, of gedrukt op papier, zonder beweging, in de hand te nemen. Zij stond niet alleen voor de film- maar ook voor de fotocamera; niet alleen in de film-, maar ook in de fotostudio. Het zijn verwante, maar toch ook erg verschillende praktijken.

De film is de belangrijkste, maar wat na iedere voorstelling uiteindelijk blijft is een indruk die zich eerder conformeert aan de fotografie. In de herinnering verdwijnt de actuele beweging ten voordele van een globale indruk. De bewegende figuur wordt een geknede vorm in klei. De foto bakt de indruk tot een terracotta; een gietvorm voor die herinnering.

Het bewegen zelf kunnen we niet meenemen in het herinnerde, maar de intensiteit, de energie ervan blijft wel bestaan. Die doorstraalt de statische herinnering zoals licht een glasraam, of een autochroom. De vorm laadt op, de pose gaat gloeien, de aantrekkingskracht vult de povere foto op en jaagt hem als wolken langs de hemel van mijn innerlijk. Mijn werktafel is even een ligstoel van waaruit ik schrijvend naar Bertini kijk – ze zweeft door de zomerse lucht.

Niet de filmcamera, maar de fotocamera geeft aan de filmacteur het definitieve statuut van diva of star. In de fotostudio wordt de glamour – die in de filmclose-ups reeds aan mij verschenen is – vastgelegd. De film verifieert het fotogenieke potentieel, de foto legt dat potentieel vast. In de film verschijnt het, in de foto wordt het een fetisj. De beweeglijkheid van de actrice op het scherm wordt de bewogenheid van de fan door de foto. De onbeweeglijkheid van de foto laat de magie van de fotogenie pas helemaal in werking treden. De foto laat het verschijnen duren, rekt de fractie uit tot een eindeloos ogenblik.

De filmexploitatie onderkende dit snel en legde rond films en stars een fotografisch strand aan, waar de golven van de bewegende beelden en verhalen stilvallen in glooiende zandbanken, die zelf weer golvende vormen aannemen. Deze beelden lijken op het eerste gezicht marginalia die eerder rond de film parasiteren, maar hem zeker niet kunnen vertegenwoordigen. Toch moet men aan het fotografische corpus een heel strategische plaats toekennen. Aan de ene kant omdat de fotografie zo goed het fetisjisme van het publiek activeert. Aan de andere kant omdat foto’s een geconcentreerde versie van films en stars zijn, een economische reductie waarin het geraamte van verhaal en personage, van acteren en imago zichtbaar wordt. Die kernachtigheid laat toe deze foto’s te zien als een synoptische lectuur van hun onderwerp: de films, de actrice, bekeken door de industrie via de fotograaf. De foto’s zijn veeleer een commentaar op de films dan een document ervan. Wat ze zeggen, is: zo moet je ernaar kijken, zo moet je ze herinneren. Deze maximalistische interpretatie van de rol en de betekenis van de foto’s laat toe ze met een prikkelende verwachting te bekijken, eerder dan met een slordige aandacht voor efemere trivia. De fotografische iconografie rond Bertini wordt dus niet als afgeleide bekeken, maar als een ‘éminence grise’ achter de vele schermen van het filmische. In deze foto’s, zo luidt de hypothese, wordt Bertini ‘gedacht’.

Foto’s getuigen van films, zowel van hun materiële productie als van de productie van hun impact. De foto’s leggen het werk op de set vast – het werk van de acteur, maar ook de gevoelsarbeid die door de bewondering gegenereerd wordt. De keten van filmproductie, filmvoorstelling en filmbegeestering kan men in de fotografische documenten scherp volgen. Ze staan immers buiten en komen na de films. Ze behoren tot de nazorg, wortelen in de publieke verbeelding als de film reeds lang van het scherm verdwenen is. Ze voeden de herinnering aan de film, verdichten de affectieve projectie. Ze geven de oude film historische densiteit, en zijn een van de beste getuigen van de complexe maatschappelijke en emotionele inzet van de film en zijn populariteit.

 

Film op papier: de programmaboekjes

De verzameling Bertiniana waarop ik werkte, stamt uit de Cineteca di Bologna en de privé-archieven van Mingozzi en Martinelli. De verzameling is erg heterogeen. Ze laat slechts toe enkele suggesties te formuleren, zeker geen conclusies. Originele fotografische prints bevat ze bijna niet, alleen fotomechanische drukken. Naast fotogrammen zitten er ook enkele rariteiten tussen zoals ingekleurde, Latijns-Amerikaanse chocoladeprenten, die iets zeggen over haar populariteit, maar ook geaquarelleerde portretten en snapshots. Brokstukken die doen hopen later en elders meer te vinden en zo een complex iconografisch kabinet van de diva te kunnen uitbouwen.

Het meest verrassend zijn de programmabrochures. De vaak relatief zwakke kwaliteit van de fotomechanische druk wordt gecompenseerd door een zeer fraaie vormgeving, door bijhorende teksten en door getekende illustraties die samen een complete decoratieve filosofie rond Bertini weven.

Meteen voelde ik me geprikkeld om die grafische cultuur over de cinematografische te schuiven. Opvallend vaak wordt het personage dat Bertini speelt, getekend, in een allegorische context gezet – erg art nouveau en vaag decadent. Later liet de 20ste eeuw de grafische interpretatie van stars en films over aan afficheontwerpers en de schilders van callico’s. Maar in de beginjaren van de film is de grafische kunstenaar met zijn instrumentarium veel nadrukkelijker aanwezig om films en stars te articuleren. Het is niet ondenkbaar dat stars toen als grafische entiteiten gelezen en gepercipieerd werden. Voor Sarah Bernhardt bijvoorbeeld lijkt die suggestie vanzelfsprekend, maar de grafische documenten van Bertini suggereren iets gelijkaardigs. De verhouding tussen film en plastische kunst wordt steeds vanuit de avant-garde bekeken, maar ze kan ook onderzocht worden vanuit de grafiek, de decoratie, de illustratie, kortom vanuit de commerciële toegepaste kunsten.

Ook de mise-en-page is een mogelijke bron van verwondering, aandacht en verduidelijking. Deze brochures zien er uit als kleine fotoromans die het hart en het ritme van de filmervaring blootleggen. De combinatie van beelden met tekst en onderschrift versterkt een dergelijke hypothese. Erg spectaculair zijn enkele brochures waarin de foto’s in ingewikkelde fotocombinaties gemonteerd worden tot zeer fraaie collages, die de tegenstellingen van het verhaal en de positie van de personages grafisch articuleren. Deze collages hebben niet alleen inhoudelijke referenties, maar steunen ook op plastische suggesties. De poses van Bertini en haar verhouding tegenover partners worden hier nadrukkelijk als vormen gelezen: links en rechts, liggend en staand, voor en achter – de beeldmonteur heeft het allemaal gezien en geëxploiteerd. Men kijkt verrukt naar zoveel formele intelligentie in de omgang met het melodrama en het spel van Bertini. Het maakt ook duidelijk met hoeveel luciditeit én acute esthetische aandacht naar deze films gekeken werd.

 

Van setfotografie naar portretfotografie

De foto’s in de programmabrochures zijn setfoto’s. Ze worden in de filmstudio gemaakt, nauw aansluitend bij de filmopname, maar met een fotocamera. Van een heel andere orde zijn de portretten van Francesca Bertini. Ze staan buiten de afzonderlijke film, ze construeren daarbuiten een visuele mythologie: het imago van de diva. Deze portretten tonen noch de persoon Bertini, noch een van de personages die ze speelt. Ze tonen de actrice: niet de burgerlijke persoon, maar de fictionele rol. Het divaportret toont reeds fictie, een scène, een rol. Het is een beeld ‘in de loge’ gemaakt, in de coulissen. Virtueel is ze het personage al, maar actueel nog niet. In die tussenfase is ze ‘actrice’. Ze ontvangt de hommage van de kapper en de visagiste, de aanmoedigende blikken van de technici, de medeplichtige blik van de regisseur. Zo neemt de star in haar portretten ook de hommages in ontvangst van het licht, van de fotograaf, van haar kledij. Het is het meest koninklijke moment van de ster: al geen persoon meer, nog geen personage, maar een pure potentie die reeds volledig aan het ene kan ontsnappen en aan de arbeid van het andere nog niet onderhevig is. Een beeld van mythische soevereiniteit. Een beeld van de ‘idee’ Bertini, los van de trivialiteiten van een biografie – zowel die van haar persoon als die van haar personage.

Van deze portretten zijn er in de collectie vooral prentkaartversies, fotomechanisch gedrukte beelden, maar beduidend beter van kwaliteit dan de reproducties in de programmaboekjes. Er is weinig informatie over die portretten: datering, fotograaf, distributiefirma zijn haast nooit vermeld. Op enkele beelden staat de naam Pinto, vermoedelijk een Romeinse studio. Onbekend terrein is ook de exploitatie van zulke postkaarten in en buiten Italië. Tot in de jaren zestig behoorden deze prentkaarten tot de normale ondersteuning van het fanschap.

In het studioportret van de diva installeert zich het idool en de specifieke verhouding errond: de idolatrie. Het is een vernauwing en een verdieping. De incidenten van het verhaal, van een gebeuren – onderwerp van de setfoto’s in de programmaboekjes – zijn er niet meer. Niets beweegt, alles is. Geen emotioneel proces in een uitdrukking of een gebaar, geen ruimtelijk traject van een blik of houding: het imago is geen narratieve eenheid, maar een mythische essentie. Het imago van een star is een cluster van semantische ladingen, die onder geen enkele druk staan. De star incarneert een serene, klassieke stabiliteit die nooit veraf is van de slaap. Haar onbewogenheid voedt het verlangen van de fan met alles wat mogelijk zou kunnen zijn, ongehinderd door enige werkelijkheid. Niets staat er ter discussie, noch wat zij doet, noch wat er met haar gebeurt. Zij poneert, niet eens wie zij is, maar uitsluitend wat zij is.

In de portretfoto’s valt het decor weg, terwijl het in de setfoto’s juist zo fascinerend aanwezig is. Zeker in de Italiaanse setfoto’s, waar net als in de filmopname nadrukkelijk genereuzer met het decor wordt omgesprongen dan in de Amerikaanse film, die reeds veel meer in het decor snijdt. De Italiaanse film verkiest een erg groot volume, alsof men geen afstand kan nemen van de theaterscène, om het decor nauwer of losser rond de personages te schikken. Maar ook in historische doeken en genrestukken is de ruimte steeds een breed veld geweest, nooit een strikt gesneden segment. In de Amerikaanse traditie is de geconcentreerde ruimte van een compact kader reeds ingebouwd in het filmsysteem. In de Italiaanse filmregie geldt dat niet, daar is het contrast tussen setfoto en portretkader zonder decor des te groter. Het kader van het divaportret is trouwens geen formele spitsvondigheid, zoals zo vaak in de glamourportretten van Hollywood, maar een klassieke, degelijk burgerlijke presentatie.

De reductie van de star tot een verhaalloos ‘zijn’ – door het weglaten van het decor en de strakke kadrering – genereert in de Amerikaanse standaardversie van het starportret glamour; bij de Italiaanse diva is er sprake van een warme, volle aanwezigheid. Het Amerikaanse starportret is essentieel vorm – en vorm door licht. Het schittert, vlijmscherp, maar kil. De star is één en al gerichtheid, een kale maar virtuoze communicatiemachine. De vorm in het starportret is tegen het volume gericht. Niet zo bij Bertini, die geen slanke garçonne is en dat ook niet wil lijken. In haar beeld compenseert het volume steeds de té kale lijn. Bertini is niet hoekig en gebald – zoals de art-decostar – maar warme, volle zindering die niet diepgevroren is door formele geometrie. De prijs daarvoor is een geringere impact – haar lichaam en de vorm die het aanneemt zijn niet gestroomlijnd en op elkaar afgestemd. Ze is rijker, maar daardoor onduidelijker: ze klinkt voller, maar ook minder beheerst.

De Amerikaanse star wordt gedefinieerd door de glamour. Daarin wordt iets essentieels van de vrouwelijkheid weggenomen: de reserve. De economie van de star is té expliciet – haar spel van onthullen en verhullen is mechanisch, een doorgetrainde koketterie. Daarentegen geeft het volume aan de divaportretten van Bertini een vorm van voorzichtigheid, maar ook doorleefde vrouwelijkheid. De star is steeds simplistisch dubbelzinnig, typerend voor deze moderne, Amerikaanse en dus puriteinse creatie; de diva is op een eenvoudige manier complex. Haar semantisch ritme is traag, dat van de star is uiterst snel. Haar volume vertraagt haar, wat in de industriële beeldeconomie geen goede zaak is. Essentieel in het star- én divaportret is de torsie: middel, schouders, hoofd roteren op de as van de ruggengraat. De Amerikaanse variant is scherp en precies, gestroomlijnd economisch, maar ook droog. Enkele jaren na Bertini manoeuvreren Dietrich en Bacall zich feilloos draaiend voor de camera. Maar ze draaien geen eigen lichaam: ze sturen een contactmachine.

 

De torsie / het lijf

In Bertini’s portretten zie je de basisstructuur van haar houdingen erg zuiver. Het is een cruciale variant op de klassieke torsie van het star- en divaportret. Bertini draait het lichaam, maar niet naar voor, naar de lens, de camera, de kijker, de klant, maar opvallend vaak naar achteren, achteroverhellend. Haar torsie is niet de zelfbeheerste manipulatie van de kijker, maar een passief gemanipuleerd worden. Ze domineert het beeld niet, maar zet er zich gedomineerd ín. Haar manipulatie is niet actief (‘jij, kijk naar mij’), maar passief (‘kijk, ik moet gesteund worden’). Zo komt de kijker in de positie om haar in de rug te moeten ondersteunen. Ze wendt opvallend vaak het hoofd af, alsof de blik van de camera te agressief is. De star kijkt altijd in de camera en daar haalt ze haar kracht uit. Het ‘zijn’ dat in het divaportret geïnstalleerd wordt, is geen kapitaal van competenties, maar een som van weerstanden: te veel lichaam, afgeweerde frontaliteit.

Bertini is een forse vrouw; haar achteroverleunen, haar zwijmelende overgave wordt daardoor ook echt inzet van zwaartekracht. Haar lijf speelt een rol in haar imago. Ze is niet alleen idee, niet alleen een grafische vrouw, maar in eerste instantie een tastbaar volume. Die fysieke kwaliteit is voor mannelijke stars cruciaal, maar ongewenst in het imago van de vrouwelijke ster. Glamour is het wegnemen van het lijfelijke, het bezweren van de zwaartekracht in een lichtfiguur. Glamour maakt van de vrouw een tekening, een teken. Mannelijke stars zijn in die zin veel minder betekend dan vrouwen. De Italiaanse film heeft voor haar diva’s nooit zo’n extreme desincarnatie van de vrouw tot een schema nagestreefd.

Bertini installeert een heel ander sensueel dispositief dan de star. Ze genereert een ontroering rond de vrouw als lichaam, niet rond de vrouw als vorm. Ze is een tastbare vrouw, geen tekenvrouw. Haar lichaam biedt weerstand aan elk schema dat haar opgelegd wordt. Dat onevenwicht tussen vorm en lichaam, tussen teken en volume, die weerbarstigheid van het vlees tegenover het fantasme van de kijker maakt dat unieke klimaat dat men slechts in enkele stars te zien krijgt: ik denk aan Nielsen en Signoret, aan Valli en Magnani. Bij allen installeert het lichaam een materie die niet restloos aan het teken vrouw onderworpen kan worden. De onhandigheid die in die spanning ontstaat, is weergaloos ontroerend én sensueel.

 

Intimiteit / objectiviteit

Deze figuur genereert een ongeziene intimiteit. De toeschouwer heeft handen te kort om haar in de rug te steunen, bij het middel vast te houden. Ze openbaart iets essentieels – over haarzelf? over mij? – in de manier waarop ze buigt en plooit – honderden keren maakt ze dezelfde figuur. Ze ontkleedt zich – niet visueel, maar emotioneel. Dit spel voelt niet beredeneerd aan, maar eerder als een zelf ontwikkeld, huiselijk repertoire waarvan ze het succes al te goed kende. Als geen enkele andere actrice leek ze het verlangen van mannen naar bepaalde vrouwelijke bewegingen begrepen te hebben. Kleine aria’s van de kunst van de overgave zijn het, aangrijpende refreinen van de hulpeloosheid – tegelijk zo fysiek én zo beheerst gespeeld. Haar zien spelen is wachten op die enkele passages waarin ze telkens weer datzelfde doet – in andere kleren, een ander decor, een ander verhaal. De intimiteit die gesuggereerd wordt, merk ik, is vooral mijn zaak, die van de kijker. Ik geef evenveel prijs in mijn imaginaire hulpvaardigheid als zij in haar gespeelde ritueel van hulpeloosheid. Het welluidend akkoord van haar beweging kan ik eindeloos in mij reproduceren. Ik weet perfect hoe het in mij klinkt. Het klinkt voller dan bij eender welke actrice die ik me kan herinneren.

Wie goed naar haar kijkt, ziet dat hier geen kwetsbare actrice speelt, maar een soevereine technicienne. Ze valt als actrice niet samen met de emoties van haar personage, maar speelt die, bespeelt ze. Geen spoor van de exhibitionistische obsceniteit die later steeds meer het hart van het filmacteren zal aantasten en ontwrichten. Bertini is een uitvoerende, geen inlevende actrice. Is zij niet de moeder en minnares die het verlangen erkent en sust door het ontnuchterend te benoemen? Als ze iets beleeft, dan toch vooral de activiteit van het acteren zelf. Met weergaloos plezier staat ze op de scène, voor de camera, tussen al die figuranten – want dat is naast haar iederéén, ook haar tegenspelers zijn dat. Zoals een moeder voor het bal geen oog meer heeft voor haar kinderen, zo negeert ze haar partners in het spel. (Met zoveel plezier volg ik telkens hoe Gustavo Serena een eigen vorm schept in de schaduw van de diva). Haar plezier is tegelijk grote ernst. Zoals zoveel acteurs van de stille film speelt ze gedisciplineerd, plichtsbewust, zonder slordigheid en misprijzen. Het is alsof de latere klankfilm die professionele moraal onherroepelijk aantastte.

Stemloos kunnen deze acteurs terugvallen op de onoverbrugbare kloof die hen scheidt van hun publiek. Die afstand laat Bertini toe direct én hautain, expliciet én geraffineerd, verfijnd én brutaal te zijn. Alles baadt in een indrukwekkend besef van stijl: gave zonder overgave, schenken zonder wegschenken.

Voor latere kijkers is juist die moraal en dat zelfbesef problematisch. Haar sterkte maakt haar nu kwetsbaar; haar professionele geloof klinkt nu naïef. Het is waar, de technische ernst moedigt geen understatement aan. Integendeel, de actrice weet zich in een rituele positie en onderstreept die. Zo neemt ze haar populariteit als een ongecomplexeerde relatie. Zonder enige beschermende zelfspot dreigt ze snel misverstaan te worden – Bertini is geen Gloria Swanson; in haar oeuvre vindt men geen Sunset Boulevard, die handige liquidatie van de stille film. Ze zet zich niet boven de welomschreven figuur die ze te spelen heeft. Die figuur is voor haar geen karikatuur, maar een omvattende synthese van vrouwelijkheid. De term ‘diva’ onderstreept te veel de uitvergroting, onderspeelt daardoor de ernst.

 

Vorm / Substantie

In tegenstelling tot de standaardoplossing van het starportret – economisch, maar ook formalistisch – is het portret van Bertini nadrukkelijk gevuld met dramatische inhoud. In de klassieke starportretten primeert de dwang van het contact; deze formule is vooral rond het ‘jij’ gebouwd, het appel aan de kijker, de fan, de klant. Wat de star dan te vertellen heeft, is meestal minimaal. Garbo is daarop een uitzondering, Dietrich niet; de Franse starfotograaf Roger Corbeau vertelt in één beeld een intens verhaal, de Amerikaanse fotograaf George Hurrell geen enkel. Deze laatste maakt van zijn stars plastische objecten en werpt over hun poses een verstenend licht. In de starportretten van Bertini daarentegen is de fotograaf veel minder aanwezig, de actrice en haar dramatisch zelfbewustzijn des te meer. Het divaportret is geen creatie van licht, maar van haar spel.

Het glamourportret van stars geeft meteen prijs dat deze niet in de nuchtere realiteit te vinden zijn. Het portret van Bertini daarentegen is plaatselijk, ik zou haast zeggen ‘huiselijk’: het richt zich niet tot een wereldmarkt, maar tot een stad, een precieze gemeenschap van bewonderaars, met wie ze dezelfde cultuur en libido deelt. Ze impliceert een voorkennis, meer nog, een sympathie – de star is eerder een verbijsterend verschijnsel dat abstracte fascinatie afdwingt. De star is een object, Bertini nadrukkelijk niet. De star impliceert een minimale leescompetentie bij het publiek, Bertini genereert een veel complexere competentie, vol aandacht en inleving. Bertini staat voor de camera als zelfbewuste kunstenares, als auteur van haar figuren. In het glamourportret is de star juist geen interpreet, juist geen auteur, maar een lege vorm, zonder weerstand, waardoorheen het fantasme van het publiek stroomt. Bertini wordt in haar portretten niet tot beeld herleid; dat is haar zwakheid in de internationale concurrentie, maar ze vormt er een onschatbaar alternatief voor.

 

Trotse bewogenheid

Wat opvalt, is de nadrukkelijkheid waarmee ze zich voor de camera plaatst. Ze voert niet de verdoezelende schijnmanoeuvres uit waarmee glamourbeelden de fysieke directheid aftoppen. Nee, Bertini staat er meteen, helemaal voor zich. Terwijl de stars drukdoende over hun plaats onderhandelen en zich uitsloven in verleidelijkheid, laat Bertini zien waar ze staat en waarvoor; de toeschouwer wordt niet lokkend gecomplimenteerd. Zowel haar lichaam, haar pose als haar beeld zitten op één directe lijn: kordaat en frontaal.

Daarin is ze heel onvoorzichtig. Ze is er helemaal voor een publiek waarvan ze de bewondering en het enthousiasme als gegeven beschouwt. Ze moet zichzelf niet verkopen, want haar beeld is onvoorwaardelijk. Ze is gericht zoals het boegbeeld van een schip dat uit de haven vaart. Ze opent het hele beeld, met achter haar in het echoënde kielzog: mannen, het decor, de deur op het einde, soms dicht, soms open. Tegen de rechte lijn van die energie is niets opgewassen; het effect is helder als de middag en overweldigend. Zij is daar voor ons, zonder bijgedachten, ongecomplexeerd, efficiënt en genereus tegelijk. De liefde van het publiek moet ze niet verdienen, maar is haar verschuldigd. Ze pleit niet voor zichzelf, maar – zo lijkt het soms – voor ons, toeschouwers. Ze bemiddelt tussen haar absolute plaats en onze tekortkomingen.

Maar zoals een schip bij het uitvaren, net buiten de havenpier, plots wind vangt, een stroming capteert en langzaam heen en weer gaat wiegen, zo kantelt ook Bertini. Zelfs in foto’s is dat nog van het mooiste wat ik me kan herinneren. Zoveel kracht en helderheid die toch langzaam – zoals zeilschepen in piratenfilms – naar links buigt, naar rechts en achterover. Je kunt haar setfoto’s en portretten in zo’n volgorde zetten dat je een vloeiende beweging krijgt van poses uit al haar mogelijke films.

Maar het buigen is nooit een breken, het wiegende schip kantelt niet helemaal: onderaan staat ze immers sterk op de grond, als een schip met grote diepgang. De brede sleep geeft onderaan een massieve sokkel. Haar buigen is nooit een twijfelen. De melodramatische situaties zijn massieve, eenduidige entiteiten waarin we zonder complexen kunnen geloven, zodat zij ze standvastig kan spelen. Daar in de scène is ze veel stabieler dan alle mannen om haar heen. Die kunnen opvallend vaak zitten, steunen of soepel door de knieën gaan. Zij nooit: bewogen, dat is ze wel, maar altijd staat ze rechtop.

Hoe sterker haar sokkel, hoe meer haar bovenlichaam een antenne lijkt die zoveel mogelijk emoties opvangt, een ronddraaiende radar die iedere impact uit het verre verleden en de onbekende toekomst feilloos registreert.

Zoals alle actrices uit die periode speelt ze solistisch. Ondanks weinig close-ups en veel two-shots speelt ze alsof de cameraruimte er alleen voor haar is. Zij alleen kan het beeld doen zingen. Haar spel is een monoloog ondersteund door haar partner, nooit gestuurd. Hij geeft aan, vangt haar spel op: hij is een ring waarin zij als edelsteen is vastgezet. Hij plaatst haar en maakt haar geloofwaardig. Dat leidt voor een groot deel de aandacht af van haar schaamteloos egotisme, van haar meedogenloze beheersing. We zien iets minder van haar kracht en duidelijker haar bewogenheid.

De dosering tussen kracht en gevoel, tussen autonomie en passiviteit, tussen helderheid en ondergaan is trouwens een programma van de belle époque. In de geschilderde portretten van Boldini en Sargent zie je die geraffineerde combinatie van hautaine afstand en de ongereserveerde emotie. De melodramatische emoties worden door Bertini niet beleefd, maar lees- en kenbaar gemaakt. De hysterie van het personage wordt nooit hysterisch gespeeld. Het hautaine is nooit lege pretentie, maar de voorwaarde voor het doorleven.

 

De luisterende Bertini

Als actrice speelt ze weliswaar voor zich uit, als personage wordt ze daarentegen gestuurd door partners die achter haar staan. Ze zien haar rug, spelen over haar schouders, richten zich niet tot haar ogen, maar uitsluitend tot haar oren. Wij zien telkens weer hoe ze luistert naar iets dat haar niet in het gezicht gezegd wordt, maar dat haar van achteren overvalt, achtervolgt, belaagt. Zij kijkt niet, maar luistert. Ze speelt niet in functie van wat ze ziet, van waar ze naar kijkt, maar van wat ze hoort, waar ze naar luistert. Dat luisteren genereert een introvert aspect in haar spel. Ook als ze alleen is, achtergelaten in een scène, in de portretstudio, lijkt het kijken ondergeschikt aan het horen, de visuele activiteit aan de auditieve. Juist in de stille film, waar het spreken onmogelijk is, wordt het luisteren ontzettend sterk gebruikt.

Ze luistert niet echt naar wat haar gezegd wordt, ze luistert naar hoe ze zelf aan het luisteren is. Ze luistert niet naar buiten, maar naar binnen. In dat metaluisteren vindt ze de ruimte en de vrijheid voor een uitvergroting, voor een spiegelende overdrijving waarin ze zich ziet luisteren naar de muziek die de stem, de verwijten, de veroordelingen in haar opwekken. In dat luisteren esthetiseert ze alles. Wat haar van buiten overkomt, voedt de innerlijke melodie; daar is ze het eerste, extatische publiek van.

 

Het wit van het decor

De decors zijn opvallend breed. Rekwisieten worden daar helder in geplaatst. Meubels zijn steeds potentiële steunpunten. Stoelen, een sofa, een tafel zijn steeds strategisch over de ruimte verdeeld. Altijd staan er enkele vooraan, aangesneden door de onderrand van het kader. Het is daar, op het voorplan, dat Bertini bij voorkeur speelt; daarachter ligt steeds een brede open ruimte. Bertini speelt op een klein oppervlak, maar niet in een klein salon. De ruimte kent geen verkleinwoord. Die leegte achter haar maakt haar op het voorplan extra kwetsbaar. Achter haar geen deur die ze snel kan dichttrekken om aan de belagende beschuldigingen te ontsnappen. Meteen herken je dat breed gebied achter haar als bedreigend en gevaarlijk. Haar groeiende verwarring maakt er een emotionele woestijn van waar ze steeds minder door kan. Niets stut haar. Hier kan ze alleen nog naakt en krijsend doorheen. In die lege ruimte woedt een orkaan van schuld en verwijten. Die moet ze door.

Geen enkele ruimte waarin Bertini speelt, heeft de kwaliteit van een thuis: de ruimte is steeds die van een ritueel. Zij staat er middenin. Dat geeft wijding aan het spel van de actrice, dat drijft ook het melodramatische exces ten top.

Om haar heen is er een orkestratie van dingen en hun richtingen. Men moet de ruimte – opnieuw – in theatrale termen lezen, veel minder in realistische. Salons, balzalen, inkomhallen. Haar spel krijgt geen intieme, noch een kleinburgerlijk herkenbare omgeving. Dat zegt veel over de sociologie van haar personages, maar vooral over de stilistiek van haar spel. Die gezwollen ruimte is het volume dat voor haar spel nodig is. De afstanden tussen de dingen zijn imperiaal. Het melodrama wordt ontdaan van zijn (kleinburgerlijke) sociale beklemming en krijgt minder sociale definitie, maar ook een abstracte afstandelijkheid. De genereuze ruimte ontdoet het verhaal van realistische referenties en functioneert als een droomruimte die niet meer te lokaliseren is. Dat soort ruimte maakt haar melodramatische figuur en haar emotioneel parcours formeler. We kunnen helder de melodische lijnen zien van wat ze vertelt en hoe ze dat doet. De ruimte laat heel veel blanco toe waarin we haar als een perfecte lijn kunnen zien bewegen. Opnieuw grafiek.

 

Aangekleed

De decoratie van de divafilm verdient, net als zijn kostumering, een nauwgezet onderzoek. Men weet daar momenteel even weinig over als over de fotografen die setfoto’s en portretten maakten. De praktijk van de decoratie, de interpretatie van de gebruikte objecten, hun stijl verdienen een grondige studie.

Hoe dan ook behoort de aankleding van de diva én van de ruimte waarin ze speelt – steeds een echo van elkaar – tot de belle époque: de diva is triomfantelijk, het is de complexe art-nouveauvrouw, niet de snedige moderne vrouw. Drapering primeert op functionele constructie; de lyrische lijn op de instrumentele; de continuïteit op de discontinuïteit; de melodie op het ritme. Toch valt me op hoe zuiver die genereuze en ongestructureerd lijkende vormentaal wel is. Het textiel valt zoals het theatergordijn: even mateloos en allesomvattend als helder in zijn effecten. De drapering is geen vrijbrief voor nutteloze complicaties, maar een uitnodiging tot helderheid, niet door een puur uitwendige functionaliteit, maar door de erkenning van de volheid van de innerlijke complexiteit.

Het functionele voorstel van de gemoderniseerde kledij van de jaren twintig is toch een zeer ideologisch programma, dat de zeggingskracht van de geklede figuur niet vergroot, maar verstoort. De moderne vrouw spreekt uitsluitend haar bizarre geloof in functionaliteit uit. De premoderne kostumering – waarin we Bertini zien – exalteert de vrouw, herleidt haar niet tot een functie (zoals we ook al zagen in de glamourportretten), maar laat haar als bij een moiré-effect ondulerend het ene en meteen ook het complementaire ervan zien.

Het kledijtraject van Bertini doorheen de garderobe van haar personage is eentonig. Ze waagt zich niet aan sprekende contrasten tussen avondkledij en stadskledij, tussen thuis en het openbaar, tussen intiem en publiek. Bertini gaat ervan uit dat zij en haar personage enkel in de brede orkestratie van de spectaculaire salonkledij geschreven kunnen worden. Dat maakt het ook onmogelijk om kleine overgangsscènes en grote ariascènes tegen elkaar uit te spelen. Alles staat in hetzelfde extreme register. Dat wordt nochtans nooit eentonig door herhaling. De variatie zit niet in kledijsoorten, maar binnen die ene retorische salonkledij waarin alle emoties vertaald moeten worden. Met vaders – als moeder –, met minnaars – als echtgenote: steeds heerst dezelfde vaag onkuise, heel narcistische, massieve grandeur. Haar garderobe begeleidt haar als een groot orkest.

Eén uitzondering nochtans: de volkse kledij – zo mooi in Assunta Spina –, waarvan ze het dialect met een verrukkelijk naturel bespeelt. Daarin sleept ze niet, maar huppelt ze; haar bewegingstaal gaat uit van de heupen, niet meer van de schouders. In de ‘schoudertaal’ waaiert ieder gevoel, iedere beweging uit, traag als in een waterballet. Als een zeeanemoon slingeren haar ledematen heen en weer, terwijl ze met de voeten in de sleep aan de grond vastzit.

In het kledijdialect beweegt ze heftig, beheerst, en bespeelt ze de ruimte. Ze onderneemt en argumenteert. Dan lijdt ze discussiërend, niet verstomd. Vanuit de heupen speelt ze torso-met-sjaal en onderlichaam-met-rok tegen elkaar uit.

In de modieuze art-nouveaukledij van haar salonmelodrama’s is alles gekuist, vertaald, verschoven. Zwijgen moet ze – zo wil de melodramatische constructie –, zelfs over het grootste misverstand. Valselijk beschuldigd kan ze niets rechtzetten. Haar kledij maakt het lijden aan dat niet op te heffen misverstand zichtbaar. Die kledij ís het misverstand.

++++

Kopies van enkele honderden beelden. Geen films die ik opnieuw heb gezien. Later zelfs geen beelden meer op mijn werktafel, maar herinneringen aan beelden en films. De beelden waren verhuisd, van het papier naar de verbeelding. Om die verbeelding is het allemaal te doen.

Paul Klee in 1933

Het oeuvre van Paul Klee verwijst zelden naar de maatschappelijke en politieke actualiteit, het revolteert niet en slaat geen geëngageerde toon aan. Slechts een paar keer, en dan nog allegorisch verhuld, alludeert Klee op wat in de wereld omgaat; zo etst hij in 1905, het jaar van de bloedig onderdrukte februarirevolutie in Rusland, een Greiser Phoenix, een enigszins verhakkelde vogelvrouw die haast al haar pluimen heeft verloren en waarmee Klee op een cryptische manier de vruchteloosheid van (socialistische) revoluties becommentarieert. Dat kunst een revolutionair potentieel heeft, en als dusdanig kan deelnemen aan maatschappelijke omwentelingen, heeft Klee slechts één keer geloofd, namelijk in het zog van de Duitse novemberrevolutie (1918) vlak na de Eerste Wereldoorlog, als Duitsland even een communistische republiek lijkt te worden. Eerst bekijkt Klee de nakende revolutie nog argwanend; maar wanneer begin 1919 blijkt dat de Beierse radenregering in zijn eigen stad München zelfs de zogenaamde Aktionsausschuss revolutionärer Künstler als adviesorgaan erkent, ziet de avant-garde haar stoutste dromen uitkomen, en Klee, die toch avant-gardist is en zichzelf dus een beetje revolutionair vindt, drijft mee in de euforie. Midden april aanvaardt hij de uitnodiging om tot de Aktionsausschuss toe te treden – een kunstenaarscomité dat nog in dezelfde maand zelfs voorstelt om alle Münchense standbeelden en alle kunstcollecties van de staat te verkopen, en de opbrengst te draineren naar de sociale welzijnszorg. Amper enkele dagen later wordt de stad echter door het leger bezet, en is het precaire verbond van maatschappelijke en artistieke revolutionairen uiteengespat.

Kort na de euforie van april 1919 tekent Klee Versunkenheit, een ijle potloodtekening van een gezicht, frontaal, met gesloten ogen en stijf dichtgeknepen lippen. De trage, dunne potloodlijnen lijken dit gezicht bijna toe te naaien, en dat maakt Versunkenheit, al is het dan een beeld van introspectie, tegelijk hard en onsentimenteel. De lijn van dit gezicht werkt als een seismografische naad, die in zijn sluiting datgene registreert waarvan het gezicht zich tegelijk afkeert – de vreselijke waarheid die het ‘met alle geweld’ niet meer wil zien. Alsof dat gezicht zich in een reflex voor de onvoorstelbaarheid van de wereld wil samentrekken.

In de context van 1919 is Versunkenheit haast een programmaverklaring. Klee heeft zich even laten gaan, en dit mag hem nu nooit meer overkomen. Vanaf 1920 sluit zijn werk zich, meer dan ooit tevoren, tot een poëtisch universum dat alleen nog ‘innerlijk resoneert’. Toch verraadt juist de spanning op het verzonken gelaat dat het oeuvre in zijn geslotenheid nog met de wereld samenhangt, zelfs met de al te reële wereld die zich in de turbulente oorlogsjaren manifesteert. In het oorlogsjaar 1915, een jaar na de Tunisreis waarin Klee naar eigen zeggen zichzelf ontdekt als schilder, verwoordt hij dat als volgt: “Je schreckensvoller diese Welt (wie gerade heute), desto abstrakter die Kunst, während eine glückliche Welt eine diesseitige Kunst hervorbringt. […] Man verlässt die diesseitige Gegend und baut dafür hinüber in eine jenseitige, die ganz ja sein darf.” De ingekeerde kunst van Klee hangt met de wereld samen, zij het door middel van een negatie: naarmate de echte wereld reëler en dus verschrikkelijker wordt, raakt de kunst van de wereld los en wordt ze abstract. Het is de verschrikkelijke wereld die de kunst dwingt om abstract te worden en dus abstractie te maken van de wereld zelf. De wereld kan slechts ‘heel’ worden, haar breuken, tegenstellingen en antinomieën kunnen slechts worden opgeheven, wanneer men het radicaal onvoorstelbare en dus het abstracte van die wereld ten volle affirmeert – wanneer de kunst dus in zichzelf, in de abstractie van haar beeldende middelen verzinkt.

Klee zelf haalt de idee van deze Abstraktionsdrang, overigens net zoals zijn companen van de Blaue Reiter, uit Wilhelm Worringers Abstraktion und Einfühlung, dat sinds de eerste publicatie in 1908 ook in sommige artistieke milieus circuleert. In het verlengde van Worringer kan men Klees interpretatie van de abstracte kunst ‘stijlpsychologisch’ lezen, en het lijdt geen twijfel dat zij dan een kleinburgerlijk, escapistisch kantje krijgt: de ongelukkige kunstenaar zoekt zijn toevlucht en geluk in een geestelijke wereld die tenminste nog ‘heel mag zijn’. Al die lelijkheid en verbrokkeling daarbuiten is toch niet om aan te zien… Maar tussen de regels door vertelt het Kleecitaat uit 1915 ons ook iets over het wereldse van de ‘wereldvreemde’ ontwikkeling die de moderne kunst in die jaren doormaakt. De kunst heeft het punt bereikt waarop zij haar wereldsheid inderdaad niet meer in de wereld zelf kan aanwijzen. Waar de wereld onvoorstelbaar verschrikkelijk wordt, kan de kunst niet meer doen alsof ze van de wereld is. De kunst moet zeker ten volle ‘van haar tijd zijn’, maar dit kan ze niet meer door het Diesseitige van de wereld voor te stellen, zelfs niet in zijn gruwelen en extremiteiten. Daarmee zou zij immers nog te veel suggereren dat er een empathische, zinvolle verhouding tot de wereld mogelijk is. Klees uitspraak lijkt te erkennen dat wat de kunst wereldvreemd maakt, namelijk haar abstract, enigmatisch, ‘onherkenbaar karakter’, van de wereld zelf is. In haar verschrikkingen is de wereld zelf onherkenbaar en dus ‘abstract’ geworden. Maar heeft die wereld daarmee elk recht op een herkenbare voorstelling verloren?

 

Kunstenaars in 1933

We zijn tien jaar verder, eind jaren twintig. Paul Klee lijkt zich in het Bauhaus, waar hij sinds 1921 lesgeeft, steeds minder thuis te voelen. Hannes Meyer, die in 1928 Walter Gropius als directeur is opgevolgd, vat de kunstenaar steeds meer op als een ontwerper die functionele ontwerpen levert voor de nieuwe maatschappij, en in die opzet is het solipsistisch individualisme van Klee niet op zijn plaats. Ook afgezien daarvan voelt Klee zich steeds meer bedrukt door zijn verplichtingen aan het Bauhaus. In 1931 besluit hij een betrekking te aanvaarden aan de Staatliche Kunstakademie van Düsseldorf, waar hij als ‘autonoom werkend kunstenaar’ meer vrijheid krijgt.

 

Op 30 januari 1933 wordt Adolf Hitler door rijkspresident Paul von Hindenburg tot Rijkskanselier benoemd, en amper twee dagen later, op 1 februari, publiceert de NSDAP-krant Die Rote Erde een agressief artikel waarin de kunstacademie van Düsseldorf wordt afgeschilderd als een ‘jodenburcht’ die verantwoordelijk zou zijn voor de degeneratie van de Duitse kunst. Genoemd worden directeur Walter Kaesbach, de man die Klee naar Düsseldorf had gehaald, en de kunsthandelaar Alfred Flechtheim. Het opruiende betoog culmineert in de beschimping van Klee als een ‘galicische jood’ die de meest krankzinnige schilderkunst in het Rijnland heeft geïntroduceerd. Midden maart worden enkele moderne kunstaankopen van de stad Dessau – waaronder vermoedelijk ook twee werken van Klee – in de etalage van de NSDAP-krant Der Mitteldeutsche – Anhaltische Tageszeitung te kijk gezet; daarmee is de eerste van de zogenaamde Schandausstellungen van moderne kunst een feit. Rond dezelfde tijd, op 17 maart 1933, doorzoeken leden van de Sturmabteilung het huis van het echtpaar Klee in Dessau. Op 21 april verneemt Klee dat hij door de kunstacademie met verlof wordt gestuurd. Een half jaar later volgt zijn definitieve ontslag, en eind 1933 emigreert hij naar zijn geboortestad Bern.

Het zijn slechts een paar van de resem feiten die te lezen staan in de kroniek Paul Klee, Kunst und Politik in Deutschland 1933. Eine Chronologie, afgedrukt in Paul Klee 1933, een boek dat verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling die Klees productie uit het jaar 1933 belicht. Centraal in het boek en de tentoonstelling staat een merkwaardige groep tekeningen die allerlei figuurtjes en komische taferelen tonen in een illustratieve, maar uiterst losse en vluchtige tekenstijl. Het is ongewoon werk voor Klee, en nog ongewoner is dat de ‘apolitieke’ kunstenaar Klee in 1933 dit compleet andere werk gaat maken. Het roept meteen een aantal vragen op. Hangen deze bladen samen met de politieke realiteit? En indien ja, hoe ‘apolitiek’ is deze kunstenaar dan? Of wat doet een apolitieke kunstenaar wanneer de politieke realiteit niet meer te negeren valt, en zij zelfs de (bij Klee) zwaar bewaakte grens tussen het atelier en de buitenwereld doordringt? Het zijn vragen die opduiken bij het lezen van de drie essays in het boek: tentoonstellingscommissaris Pamela Kort bespreekt het geheel van de bladen, de uiteenlopende verwijzingen naar de feiten in 1933 en de literaire bronnen die Klee gebruikte; Otto Karl Werckmeister vertrekt van één blad met de titel Haus-Revolution, om te betogen dat Klee het kunstpolitieke debat over moderne en conservatieve kunst ombuigt naar een artistiek debat over de kunstfiguur, zoals die aan het Bauhaus werd uitgewerkt door Oskar Schlemmer; en Osamu Okuda gaat ten slotte in op de relatie van enkele bladen met prenten van de door Klee bewonderde Honoré Daumier.

Om te weten wat deze bladen met de geschiedenis doen, moeten we echter de feiten kennen, en daarom bevat Paul Klee 1933 de genoemde kroniek. Die blijkt niet alleen interessant voor de studie van Klees tekeningen; hij vormt op zich fascinerend materiaal. Het is bijvoorbeeld verrassend om zien hoe divers de kunstenaars zich in 1933 gedragen, hoe dubbelzinnig of ‘genuanceerd’ ze zich opstellen in het licht van feiten die zo onheilspellend en fataal lijken. Het discours van de ontaarde kunst is in 1933 al volop te horen, en de werken van de belangrijkste moderne kunstenaars worden in Schandausstellungen aan de hoon van het volk blootgesteld. Afdelingen moderne kunst in musea worden gesloten, instellingen worden doorzocht en de verantwoordelijke personeelsleden ontslagen of met verlof gestuurd. Uiteraard blijven ook de kunstenaars niet gespaard: op 8 april wordt Otto Dix door de kunstacademie van Dresden naar huis gestuurd; Karl Hofer en Edwin Scharff worden op dezelfde dag door de Vereinigte Staatsschulen für freie und angewandte Kunst (Berlijn) aan de deur gezet. Klee overkomt hetzelfde in Düsseldorf, net als Ewald Mataré twee maanden later, en Oskar Schlemmer ontvangt zijn verlofbrief in mei.

Wat alleen Klee al meemaakt – de aantijgingen en scheldtirades in de pers, de intimiderende huiszoeking, het brutale ontslag – is vreselijk. Men kan zich de agressiviteit van het toenmalige discours en de grofheid van de maatregelen niet voorstellen, tenzij als een ubueske farce, en toch gaapt er in onze waarneming een merkwaardige kloof tussen die onheilstijdingen en de brieven en handelingen van de kunstenaars. Eén droge mededeling in de kroniek kunnen we wel rijmen met wat we over 1933 te weten komen: Heinrich Mann, Bertolt Brecht en de theatercriticus Alfred Kerr blijken al in februari 1933 te emigreren. Daarnaast zijn er natuurlijk de collaborateurs of zij die enigszins met het regime en zijn ideologie sympathiseren, zoals Emil Nolde. Dat zijn de heldere uitersten, die we op een historische lijn kunnen plaatsen: zij die ‘meedoen’ aan de ene kant, en zij die beseffen wat er gebeurt en hun politiek ‘juiste’ conclusie trekken.

Bij de rest van de kunstenaars lijken de feiten niet echt aan te komen, en hun handelswijze komt dan ook troebel en verdwaasd op ons over, ja lijkt bij momenten zelfs absurd. Zo zijn er de merkwaardige tactische manoeuvres en diplomatieke initiatieven die sommige kunstenaars uit hun hoed toveren, om zichzelf en de zaak van de kunst te redden. Oskar Schlemmer, die tot 1929 het theateratelier van het Bauhaus heeft geleid en in 1933 aan de Vereinigte Staatsschulen für freie und angewandte Kunst in Berlijn lesgeeft, stuurt in april een brief aan propagandaminister Joseph Goebbels om te protesteren tegen de Schreckenskammern waarin de moderne kunst te schande wordt gemaakt. Een maand later wordt Schlemmer zelf in Berlijn aan de deur gezet, maar eind augustus doet hij nogmaals een toenaderingspoging en publiceert hij een ‘constructief’ artikel waarin hij de moderne kunst tracht voor te stellen als de ‘sterke’ kunst die het ‘sterke’ Duitsland nodig heeft. Ook de progressieve criticus Bruno E. Werner probeert de avant-garde uit alle macht voor te stellen als dé artistieke partner van het nieuwe Duitsland. Nog onthutsender is het discursieve pokerspelletje dat deze diplomaten van de moderne kunst spelen. Eén woord, namelijk revolutie, treedt op als ‘schakelterm’ om de partijen dichter bij elkaar te brengen. Hadden Hitler en de zijnen immers geen nationaal-socialistische revolutie gepredikt? En wie waren de revolutionairen in de kunst? De avant-garde uiteraard! De conclusie is duidelijk: nationaal-socialisme en avant-garde, één strijd.

Natuurlijk is dit doorprikbaar, en wordt het door de tegenpartij ook ontzenuwd. Het is de hulpeloze logica van mensen die ontwapend zijn door de tijd. Maar toch: spreekt het niet vanzelf dat men dit probeert? Waarom zouden mensen al meteen veronderstellen dat er in de meest fatale zin ‘niets’ mogelijk is, en dat er met niemand te praten valt? Zo veegt Alfred Rosenberg, nochtans de stichter van de in 1929 opgerichte Kampfbund für Deutsche Kultur, de geciteerde toenaderingspogingen wel enkele keren van tafel, maar zonder steeds genadeloos af te geven op de moderne kunst. Zijn discours is doorspekt met de nodige aarzelingen. Dat Emil Nolde krachtige zeelandschappen heeft geschilderd, staat voor hem buiten kijf – zo schrijft hij in de Völkische Beobachter van 6 juli 1933 – en de beelden van Ernst Barlach beschikken ontegenzeggelijk over monumentaliteit. Rosenberg heeft weliswaar moeite met het mensbeeld van deze kunstenaars: “negroïde, piëteitsloos, ruw en zonder innerlijke vormende kracht” bij Nolde, en “vreemd, helemaal vreemd” bij Barlach. Zo zijn mensen toch niet? Draconische conclusies trekt hij echter niet; er is alleen nog werk aan de winkel. “Wir wollen ohne weiteres zugeben, dass ein Maler oder Bildhauer ganz grossen Stils, der wirklich Ausdeutung unserer Bewegung ist, noch nicht wirkt. Das sollte uns bescheiden warten lassen, das sollten wir schlicht zugeben.”

Het tijdsbeeld dat deze kroniek geeft, bevat alle ingrediënten om tot een fatale diagnose en drastische conclusie te komen, maar wie in de tijd staat, zoekt de kleinste opening om zich een weg te banen. Ook Wassily Kandinsky, de schilder die tot 1933 leraar is aan het Bauhaus en al vanaf zijn beginjaren in München (waar hij de Blaue Reiter mee opricht) een voortrekkersrol speelt, blijft de zaak van de moderne kunst in het nationaal-socialistische Duitsland bepleiten. In mei 1933 schrijft hij in een brief aan de schilder Willi Baumeister (die lesgeeft in Frankfurt en datzelfde jaar eveneens ontslagen zal worden), dat Bauhaus-leerlingen er goed aan doen om tot de reeds genoemde Kampfbund toe te treden. Hij insisteert dat men de moderne kunst aan de nieuwe machthebbers moet uitleggen. Kunnen we hem tegenspreken? En kunnen we Kandinsky niet bijtreden wanneer hij zich in een brief (van 25 juli) aan de kunstenaar Otto Nebel al bij al verheugd toont dat er, ondanks alle strijd, in 1933 ten minste gediscussieerd wordt over de moderne kunst, dat zij de mensen nu ten minste niet onverschillig laat?

De hedendaagse kunst laat nu ten minste niemand onberoerd. Het is alsof het vandaag in de krant stond. Frappant is niet dat er een ‘extreme blindheid’ uit spreekt, of dat het getuigt van naïviteit, van een schokkend opportunisme of van wat voor ongelooflijks dan ook, maar dat dit zo herkenbaar, banaal en alledaags klinkt. Van het gescheld op de ontaarde kunst kunnen we huiveren, en de meegaandheid van Nolde weet ons te schokken; maar anderzijds zijn we tegen dergelijke mythische excessen van het culturele jaar 1933 maar al te goed bestand: er bestaat allang een discours van de morele verontwaardiging voor, met zijn geijkte pathos en retorische plichtplegingen.

Wat we echter helemaal niet kunnen begrijpen, of waarvan we toch graag zeggen dat het ons begrip te boven gaat, zijn de banaal-menselijke gedragingen in deze ‘onvoorstelbare’ en onmenselijke tijd. Hoe kon men zo aanmodderen in deze ongewone omstandigheden? Hoe is het mogelijk dat er kunstenaars ontslagen worden, dat hun kunst als gekkenwerk wordt afgeschilderd en te kijk gezet, en dat buiten enkele verlichte geesten niemand op de vlucht slaat? Dit laveren van mensen tussen opportunisme en goede bedoelingen, tussen principiële standpunten en tactisch conformisme, vinden wij onbegrijpelijk. Nochtans is dat het meest begrijpelijke: het is wat ‘iedereen’ doet en wat wij vermoedelijk ook zouden doen. Wat hier zichtbaar wordt, is dat mensen altijd opgesloten zitten in hun eigen tijd, en handelen vanuit een manifest gebrek aan overzicht en historisch perspectief; wat zichtbaar wordt, is hoe ze in die gegrepenheid door de tijd, met alleen de volgende dag als horizon, de wegen kiezen die zich aandienen, waarbij ze hun tijdsperspectief desnoods elke dag opnieuw uitvinden. Zo leeft en handelt ‘iedereen’, en in ons onbegrip schudden we die anonieme geworpenheid van ‘iedereen’ van ons af. Om diezelfde reden menen we dat de verlichte Bertolt Brecht zoveel beter te begrijpen valt. Hij lijkt immers te beslissen om te emigreren, hij geeft ons de illusie dat hij op de geschiedenis toekijkt, en appelleert daarmee aan de soevereine blik op de geschiedenis die we ook aan onszelf toeschrijven. Maar waar mensen niet goed weten wat te beginnen en tussenwegen bewandelen, waar ze aanmodderen, daar ketsen we af op het dwaze en onbegrijpelijke feit dat zij in en niet tegenover 1933 stonden. In hun geworpenheid herkennen wij onszelf niet meer. En misschien is dat onvermijdelijk, want juist de geworpenheid die we allemaal delen, maakt ons tegelijk radicaal singulier en onverwisselbaar; juist in datgene wat ‘wij ook zouden doen’ zijn zij, die anderen, voor ons niet meer te volgen. Elke historische continuïteit valt hier achter ons uiteen.

In Italië hebben de moderne kunst en het fascisme elkaar gevonden, en in Duitsland had dat ook gekund, als het aan de kunstenaars had gelegen. In onze ogen staan de ontaarde slachtoffers en de volksgezonde gezagsdragers en collaborateurs echter diametraal tegenover elkaar. Tussen die extremen ontvouwt de kroniek, met haar neutraliserende nevenschikking van feiten, een verhaal van gemiste ontmoetingen en verzameld onbegrip. Hoe nog richting te krijgen in dit totale beeld?

 

Klee in 1933

In 1933 denken de kunstenaars aan zichzelf, aan de zaak van de kunst, of aan beide. Zij kiezen hoofdwegen of nevenwegen, sluiten compromissen, collaboreren of vluchten. Paul Klee neemt hier een aparte plaats in. Hij denkt er niet aan de zaak van de kunst te gaan verdedigen, zoals Kandinsky, laat staan dat hij zoals Schlemmer in zijn pen kruipt. Tegelijk voorvoelt hij als geen ander, en meer dan Kandinsky en Schlemmer, dat het helemaal de verkeerde kant op gaat. Klee maakt zich geen illusies, maar wat hij uitspreekt, lijkt hij slechts te willen fluisteren. Als hij iets neerschrijft, is het uitsluitend voor de intieme sfeer bestemd. Een enkele cryptische frase – Hinkt Europa oder hinke ich? – noteert hij in zijn zakagenda. De brieven die iets meer vertellen, zijn in meerderheid gericht aan zijn vrouw Lily, die tussen 1931 en 1933 nog in Dessau verblijft. Deze brieven laten sporadisch iets los over de politieke orde van de dag, soms met een ironie en een luchtige scepsis die de feiten hun gewicht willen ontnemen. In een brief van 30 januari loopt het politieke nieuws speels en bijna ongemerkt over in huiselijke anekdotes en berichten uit het atelier. “Ik was bijna vergeten je te melden dat Hitler rijkskanselier geworden is,” schrijft Klee, en na de ondubbelzinnig sceptische opmerking dat er volgens hem niets meer aan te doen valt – want “de mensen zijn dom” – begint hij over het regenweer en over de “tekeningen” die zijn kat Bimbo met haar vuile pootjes op het dak tekent – een “dakandantino” noemt hij ze. Hij eindigt de brief met de ironische mededeling dat hij “de redactie sluit”, om er “alleen voor [haar]” bij te zeggen dat hij aan “een flinke aanval van tekenkoorts” onderhevig is.

Aan het einde van de kroniek in Paul Klee 1933 zien we Klee steeds meer met de buitenwereld communiceren, maar dat gebeurt uitsluitend om zijn zaken te behartigen, zoals blijkt uit de brieven aan mecenassen, organisatoren van tentoonstellingen en galeristen – bij wie hij met het oog op zijn emigratie werken terugvordert. Klee communiceert met de tijd vanachter dikke muren, hij pareert de gebeurtenissen met een private scepsis die soms wat hautain overkomt, maar die tegelijk getuigt van een lucide, ironische geest. In zijn reactie op de feiten tast hij alles met fijne voelsprieten af, wat sommige van zijn uitspraken een ijlheid en ironische stilering geeft die ze stilletjes doet opschuiven naar de inwendigheid van het wijdvertakte en complex resonerende oeuvre. Hoe verschrikkelijker de buitenwereld, hoe meer zijn wereld in zichzelf verzinkt en samentrekt…

Eenzelfde distantie spreekt ook uit Klees passieve handelswijze in 1933. Hij reageert aarzelend op de feiten, of toch opmerkelijk geduldig. Begin april meent hij nog dat er met de nieuwe interimaris van de Staatliche Kunstakademie best te praten valt, en de afkondiging van zijn verlof midden april brengt hem nog altijd niet van het voornemen af om definitief van Dessau naar Düsseldorf te verhuizen. Ondertussen blijft hij vooral doorwerken. Niets verraadt dat de politieke actualiteit hem van zijn werk houdt, zelfs niet als deze hem persoonlijk raakt, door de huiszoeking en het ontslag. De enige zaken die Klee in 1933 uit zijn atelier weghouden, zijn de tragische dood van zijn pleegdochter Karla Grosch (begin mei) en de praktische beslommeringen die verband houden met zijn verhuisplannen en, aan het einde van het jaar, zijn nakende emigratie. Wanneer Klee na de dood van Karla Grosch zijn artistieke werkzaamheden hervat, begroet zijn intieme entourage dit als een gelukkig teken van herstel: “Er versucht leise wieder zu arbeiten,” schrijft Lily Klee bijna fluisterend aan Gertrud Grohmann. Of een ex-leerling van Klee aan zijn verloofde: “Zijn leven is nu erg teruggetrokken. Schilderkunst en muziek zijn nu alles.” En op het moment dat Klee in Parijs verblijft om een overeenkomst te sluiten met de kunsthandelaar Kahnweiler, nogmaals Lily: “Hij heeft nog tot zijn vertrek zonder ophouden gewerkt. Die ontspanning had hij nodig.” Klees productiviteit lijdt niet onder het jaar 1933; men krijgt eerder de indruk dat hij zich – volgens het bekende romantische keukenrecept – aan zijn kunst optrekt en er een vluchtheuvel of wat troost in vindt. Maar Klee mag dan productief blijven, het jaar 1933 zit hem toch behoorlijk op het lijf, ook wat de politieke ontwikkelingen betreft. Terwijl zoon Felix de nodige documenten opvraagt om de autoriteiten van zijn ‘christelijke geboorte’ te overtuigen, pruttelt Paul Klee tegen. Wat een vreselijk idee dat hij zijn arische herkomst moet bewijzen, schrijft hij aan Lily, dat is toch gewoon “beneden [zijn] waardigheid”. Dat hij, Paul Klee, nog met zoiets moet bezig zijn. Amper twee weken later stuurt hij een brief naar de burgerlijke stand van zijn geboortestadje, waarin hij om de benodigde documenten verzoekt…

Misschien is Klee dus inderdaad een apolitiek kunstenaar, maar is 1933 tegelijk te reëel, en zitten de gebeurtenissen hem te veel op de huid, raken ze Klee te zeer tot in zijn solipsistisch kunstenaarschap om helemaal weggefilterd te worden. Alle wanden zijn doorlaatbaar in 1933, ook die van het atelier.

 

“Ik heb de nationaal-socialistische revolutie getekend”

In 1929 schildert Klee Hauptweg und Nebenwege. We zien hoe een veelheid van paden, bestaande uit rechthoekige cellen, perspectivisch naar de horizon vlucht. De hoofdweg, die bijna centraal gelegen is, loopt als enige recht naar zijn verdwijnpunt, tot aan de horizontale banden die het vlak aan de bovenkant over de hele breedte afboorden. De vele paadjes en paden naast de hoofdweg zetten die perspectivische richting onder spanning. Ze splitsen zich op of worden samengevoegd, ze versmallen met de richting van het perspectief mee of verbreden tegen de vluchtlijnen in, waarbij ze hier en daar zelfs tot de breedte van de hoofdweg uitzetten. Hoe smal de zijwegen echter ook worden, de rechthoekige facetten waaruit ze bestaan, zijn overal met dezelfde microscopische scherpte uitgesneden. Het is alsof de schilder elke hiërarchie tussen hoofdweg en nevenweg, en daarmee ook elke perspectivische synthese wilde opschorten. Zijn metafysische microscoop brengt alles even dichtbij. Ook de kleuren – oranje, blauw, groen en allerlei met wit gemengde tinten – markeren geen onderscheid tussen hoofd- en nevenweg, maar verspringen voortdurend om slechts lokaal ritmische sequensen te vormen; het hele oppervlak is overspannen met eenzelfde gekwetste textuur, die de indruk wekt dat alle paden even druk bewandeld worden.

Het geheel van dit perspectivische tapijt lijkt een organisch ritme op te roepen, een groeisystematiek met vertakkende en zich samenvoegende cellen, maar de aandacht wordt zozeer op alle cellen afzonderlijk gevestigd, op hun individuele vorm en microscopische ritmes, dat we nooit over de details heenraken. We moeten overal tegelijk kijken. De idee van een voortgang in de tijd wordt opgeroepen, maar tevens, door de duizelingwekkende detaillering van het beeldveld, genegeerd, zoals ook het lineaire perspectief tegelijk opgeroepen én onderdrukt wordt. Daarmee wordt de ‘tijd’ als het ware in een synchronische massiviteit samengetrokken. Wie dit beeld niet ‘organisch’ zou lezen, maar als een allegorie van de historische tijd, herkent hier precies wat ook in de kroniek gebeurt, de kroniek die alle feiten even gedetailleerd naast elkaar plaatst. Ook de kroniek snijdt dwars door de geschiedenis, en legt in het opschorten van selectieve aandacht alle wegen en nevenwegen tegelijk open: alsof dé geschiedenis samen met alle mogelijke, fictieve en oningeloste geschiedenissen in één moment voor ons komt te staan.

Maar de kunstenaar die in de feiten van 1933 staat, en die ze aan den lijve ondervindt, verbeeldt de wetmatigheden van geschiedenis en groei niet. Hij maakt totaal ander werk.

 

Vermoedelijk eind juli 1933 toont Klee aan Alexander Zschokke en Walter Kaesbach – de eerste beeldhouwer en leraar, de tweede directeur van de Staatliche Kunstakademie van Düsseldorf – een map met tekeningen die hij volgens Zschokke introduceerde met de opmerking dat hij de “nationaal-socialistische revolutie getekend” had (zo getuigt de beeldhouwer in een tekst die pas in 1948 werd gepubliceerd en die ook in Paul Klee 1933 afgedrukt staat). In een losse, illustratieve stijl, met potlood of met vetkrijt op papier, heeft Klee komische en herkenbare figuurtjes getekend: mannen en vrouwen en kinderen, soms mensdieren met vogelkoppen, of ook dieren met menselijke trekken zoals we die uit dierenfabels of uit het circus kennen; en verder een heleboel wezens uit de mythische, historische of fantastische sfeer: nornen, heksen, goden, Karel V en Johannes de Doper… Er zijn per blad zelden meer dan een handvol figuurtjes in het spel, waardoor alles de helderheid behoudt van een tafereeltje of een satirische prent. De handelingen hebben betrekking op disciplinering, opvoeding, dressuur, straf, geweld; maar ook al eens op kunst of seksualiteit. In veel gevallen is de handeling echter cryptisch en onuitgesproken, en ontbreekt een duidelijke context, waardoor de personages wat verloren lopen op het witte blad. Dat geldt ook voor de bladen waarin slechts één figuurtje optreedt dat gewoon luistert, achteroverkijkt of op iets of iemand wacht. Het is alsof de tekenaar elk detail dat het tafereel zou kunnen situeren, in de snelheid van zijn notities heeft vergeten. De directe referenties aan de “nationaal-socialistische revolutie” die men zou verwachten, zijn dan ook zeldzaam, maar zeker niet afwezig: er treden een paar figuurtjes op met een gestrekte arm die verdacht veel op de Hitlergroet lijkt, en er komen geregeld militairen voor. Op één blad staat een bazig vogeldier dat naar een uitroepteken wijst en dat auch “ER” Dictator! ondertiteld is.

De beeldhouwer Zschokke is de enige getuige die de bladen met het opkomende nazisme verbindt, en hij werd dan nog meermaals tegengesproken. Lily Klee schreef al in haar (vanaf 1942 met de hand geschreven) herinneringen van 1933 dat Zschokke ongelijk had, en dat de bladen hoogstens uitdrukking waren “der chaotisch wirren Zeit”. Ook later hebben sommige kunsthistorici (waaronder de Amerikaan Marcel Franciscono, die in 1991 een uitputtende studie aan Klee wijdde) de politieke strekking van de bladen gerelativeerd. Het is nochtans niet gek om de tijd te lezen in bladen die onder meer een driftig dictatortje, kreupele soldaatjes en geweld- of strafscènes tonen, en die bevolkt worden door figuurtjes op de dool of op de vlucht, figuurtjes die achtervolgd of nagewezen worden, die verkrampte pogingen ondernemen om andere figuurtjes na te bootsen of zich in afgemeten houdingen wringen. Maar hoe kunnen we de impact van 1933 in rekening brengen, zonder de bladen vanuit de tijd te lezen en ze op te sluiten in hun status als ‘commentaar’? In het boek Paul Klee 1933 worden vooral pogingen ondernomen om letterlijke en synchrone koppelingen tot stand te brengen. Niet alleen wát de bladen tonen, ook hun schriftuur wordt er als repliek op de tijd gelezen: terwijl Pamela Kort in Klees humor “het snijdende zwaard van het komische” leest, en dat komische dus, als verzet tegen de tijd, aan de tijd bindt, wil ze in de wilde schriftuur van Klee de irrationaliteit en agressiviteit van het regime vertaald zien. De bladen interpreteren betekent in dat geval: ze doen verwijzen naar feiten en situaties van 1933. Men hoeft daarbij niet van een kale reis thuis te komen, al is het bij ontstentenis van een exacte chronologie een precaire activiteit om dergelijke correlaties op te sporen. Maar dan nog, als we enkel graven naar een cryptische boodschap die de kunstenaar in de tekeningen heeft verstopt, gaan we voorbij aan de specifieke aard van zijn omgang met de tijd. Die kunnen we alleen vatten als we ook aandacht hebben voor de momenten waarop Klees werk niet naar zijn tijd verwijst, er abstractie van maakt, haar naast zich neerlegt of er ten minste de wetten van zijn oeuvre aan oplegt. Klees specifieke reactiemodus valt niet af te leiden uit de feiten, maar moet gedacht worden vanuit zijn oeuvre, dat zelf een geschiedenis meebrengt en dus nooit blanco op uitwendige druk reageert. Het oeuvre beluistert externe prikkels inwendig, om daarin een eigen potentieel te reflecteren en te ontvouwen. De vraag luidt dan: wat is dit voor een oeuvre, dat in 1933 zo en niet anders ‘reageert’, dat de tijd op die specifieke manier in zichzelf beleeft, dat zo en niet anders met de tijd omgaat – zo abstract bijvoorbeeld, zo vanuit de verte en dus zo volledig anders dan de negentiende-eeuwer Daumier waarop Klee zich in enkele bladen van 1933 geïnspireerd heeft?

Die modus van Klee is zowel aan de scenografische inhoud (‘de tafereeltjes’) als aan de schriftuur van de bladen af te lezen. Wat tonen deze bladen? Een herkenbare wereld, want je kunt personages herkennen – man, vrouw, leeuw, hond – en soms kun je ook begrijpen wat ze met elkaar uitrichten. Zoals gezegd kun je sporadisch ook ‘1933’ herkennen, in de militairen en de personages met dictatoriale neigingen. Maar wie de tafereeltjes echt tegenover de tijd plaatst, ontkomt moeilijk aan hun vaagheid, hun abstrahering van de tijd tot de grootste gemene deler van vrouw en kind, man en vrouw, meester en slaaf; en evenmin ontkomt men aan de manier waarop de bladen hun ‘tijd’ verdunnen tot fictie en allegorie – de wereld van circus en amusement, van mythe en dierenfabel, of van bijbelse en historische figuren uit prentenboeken. Klee mag dan op de tijd alluderen, hij doet dat in een private geheimspraak, alsof hij er plezier in schept alles in cryptische figuren te verstoppen. De bladen spreken de taal van een ‘kindse wijze’ die de wereld in het theater van zijn fantasie naspeelt zonder goed te weten wat hij aan het spelen is – alsof die wereld zelf maar spel was.

In het boek Paul Klee 1933 beschrijft Pamela Kort hoe Klee zich in de jaren 1932-33 onderdompelde in literatuur die hem analogieën verschafte bij de eigen tijd, zoals de Römische Geschichte van Theodor Mommsen of Heinrich Heines Italienische Reisebilder. Klee las over Rome en Carthago, hij las Stendhal over Napoleon, alsof hij de opkomende dictatuur in een (meta-)historisch perspectief wilde plaatsen. Ook die lectuur lijkt in een strategie te passen om de tijd weg te abstraheren, en een scherm op te trekken waar alles slechts als een allegorisch schimmenspel doorheen sijpelt – vaag, fictief en verkleind tot een metafysische poppenkast. Het allegorische perspectief van de kindse wijze heeft vooral het effect dat er verhaaltjes worden verteld die ‘zichzelf niet meer begrijpen’. Sprekend zijn bijvoorbeeld de tekeningen waarin “een kind gemeten wordt”, of een kind in de lucht wordt getild om te constateren dat “het al stijf is” (Schon steif!): deze taferelen kunnen zeker verwijzen naar de lichaamscultuur van de nazitijd, maar het volstaat om ze naast prenten van Daumier te leggen – zoals Osamu Okuda in Paul Klee 1933 doet – om de cryptische absurditeit van de handeling voelbaar te maken. Terecht merkt Okuda op dat het ontbreken van elke context Klees bladen een bevreemdend karakter verleent. Alles lijkt zich in een vacuüm af te spelen. Spreken over een bedekte satire op de tijd is hier nog misleidend, omdat men dan de systematiek vergeet waarmee Klee elk volwassen gebaar van verwijzing uitbant en zijn wereld tot een solipsistische kinderwereld maakt. Elke handeling lijkt in deze wereld omwille van zichzelf te worden gepraktiseerd. Macht en geweld krijgen de lichtheid van een spel of een ritueel: iets dat omwille van zichzelf wordt beoefend. De macht, het geweld, kortom alles wat van de wereld is, is voor deze kunst zo onherkenbaar, zo abstract geworden dat het alleen nog in de cryptische geheimspraak van een kinderallegorie kan worden gevat. Zó kan Klees oeuvre nog over de harde buitenwereld spreken, op het moment dat het nochtans ‘illustratief’ wordt en, zoals dat in satirische prenten gebeurt, een ‘herkenbare wereld’ neerzet.

 

‘Aan het lijntje houden’

Even ijl zijn deze tekeningen in hun realisatie, in de schriftuur van het krijt of potlood. ‘Herkenbare’ figuurtjes en een satirische toonzetting kwamen al bij de vroege Klee voor, maar de dynamische schriftuur van deze bladen is zonder voorgaande. De figuren ontsnappen als nerveuze potloodtrekken aan de hand – soms zijn het bijna droedels. Wie van blad tot blad gaat, heeft de indruk dat de lijn geen moment stilstaat, alsof ze onophoudelijk figuren in de rook tekende. Het contrast met zijn ‘gewone’ werk is des te markanter: in Klees ander werk ontbreekt juist elke illusie van directe bewogenheid – de lijn is er niet los en vrij, maar koel en hard, het is een zelfbewuste lijn die precies weet waar ze naar toe gaat, en zich in dat bewustzijn lijkt op te spannen als een snaar. Terwijl Klees overige werk de beweging opslaat in bewogenheid, en dus in de altijd latente gespannenheid van de lijn – zijn kunst is daarin een echte Nervenkunst – wordt de energie in deze tekeningen radicaal vrijgegeven. Slechts enkele bladen met geometrische ‘draadfiguurtjes’, getekend in het begin van het jaar, herinneren nog aan Klees stijl uit de Bauhausperiode – zoals blijkt uit de titels, Erneuerung der Mannszucht en Wenn die Soldaten degenerieren, behoren ze ook tot de bladen die het meest expliciet naar 1933 verwijzen. Maar Klee lijkt in zijn ‘tekenkoorts’ meteen naar deze vlugge schriftuur te zijn overgestapt. Kwam die zijn tekenkoorts beter uit? Heeft de druk van de tijd zich in de urgentie van een lichte en illustratieve stijl afgedrukt?

De beeldhouwer Alexander Zschokke getuigt in 1948 van zijn onthutste reactie bij het bekijken van de bladen, vijftien jaar eerder: “[…] sie wurden immer wilder und wirkten wie die späten Partituren des tauben Beethoven…” Zschokke overdreef misschien een beetje, hij was uiteindelijk allesbehalve een modernist, maar een goedmenend en conservatief kunstenaar die open wilde staan voor het vreemde. Maar laten we dit standpunt serieus nemen, het standpunt van een academieleraar die niet zoveel gewend is. Zschokke zag hier iemand aan het werk die ‘figuratieve’ tekeningen maakte, tekeningen waarin hij, ondanks hun vrije schriftuur, iets kon herkennen en die dus enigszins bij zijn wereld aansloten – maar toch ook niet. Klees vrijheid is immers niet de gebonden vrijheid van een negentiende-eeuws kunstenaar die een voorstelling concipieert en vervolgens ‘vrij’ invult – een kunstenaar die een gegeven motief op een ‘gedurfde’ manier vertolkt, om zo de conventionaliteit van het motief of de voorstelling onder spanning te zetten. Voor Klee zijn conventies als die van de figuratieve voorstelling allang niet meer gegeven. Zijn lijn heeft de emancipatie van de beeldende middelen doorgemaakt en zich dus losgemaakt van de voorstelling. Een dergelijke lijn kan niet op haar ‘onderwerp’ terugvallen, zij is volledig op zichzelf aangewezen en wordt dus in eerste instantie altijd aangetrokken door de afgrond van het lege blad. Wanneer zij toch nog ‘iets’ tekent, dan als het ware omdat ze dit vanuit haar grondeloze soevereiniteit beslist. Een dergelijke lijn voltrekt zich niet binnen de voorstelling, maar gaat er haast aan vooraf en speelt er soeverein doorheen, als een uitwendig spoor dat een vreemde, zeg maar autonome materialiteit behoudt tegenover wat het ‘betekent’.

Het bewustzijn van deze uitwendige verhouding tussen lijn en motief openbaart zich bij Klee in de ironie. Ook elders in zijn werk is een dergelijke ironie aan het werk; ze verschijnt doorgaans waar de lijn aan zichzelf ontsnapt en ‘motivisch’ wordt, zich tot een figuurtje oprolt – waar ze, als het ware vanuit zichzelf, plots iets anders wordt dan alleen maar een lijn. In de tekeningen uit 1933 is die ironie echter bijna de motor, het principium actionis van Klees tekendrift. De ironie wordt er geacteerd, ze blijft niet meer onderhuids, maar drukt zich uit in de tweespalt tussen de lijn en de figuur die ze tekent.

Het blad An Schnüren zouden we als motto naar voor kunnen schuiven. Deze vluchtig geschetste marionet in de gedaante van een vogelmens wordt letterlijk en figuurlijk aan het lijntje gehouden: vier lijntjes lopen van zijn handen naar boven, om in de leegte van het witte blad te eindigen. Doordat de draden nog voor de rand doodlopen, hangt de figuur in het ijle en blijven we de draden als lijnen lezen. Draad en lijn komen op elkaar te liggen, waardoor de betekenis bijna letterlijk en materieel wordt, en het resultaat daarvan is dat de voorstelling niet meer dan een ironische speling, een secundair effect lijkt van de ‘lijn zelf’. Iets gelijkaardigs gebeurt in andere bladen die bevolkt worden door figuren met een wilde haargroei, dieren of enigszins verwilderde mensachtigen. De lijn blijft zo sterk in dat ‘haar’ aanwezig, ze speelt er zo nadrukkelijk en ‘autonoom’ doorheen, dat het lijkt alsof de harigheid een toevallig effect is van het soevereine lijnenspel. Het is alsof de lijn niet suggestief wordt ingezet, als beeldend middel, maar zélf soeverein beslist dat deze wezens wilde haren zouden dragen. Zijn grijze potloodlijnen immers niet van nature ‘harig’? Moesten deze figuren niet daarom behaard, en dus wild en dierlijk zijn? Het lijnenspel dat aan zichzelf is overgeleverd, cirkelt rond zichzelf en krult op, en plots tekent de lijn krulletjes, plots wordt ze… krullend poedel- of vrouwenhaar. De lijn schiet uit, en in die ironisch-zelfbewuste ontsporing acteert ze een ‘hitlergroet’ of een ‘wanhopig gebaar’. Daarbij is de bewogenheid, de wildheid en de drukdoenerij van de figuurtjes altijd ook de bewogenheid en wildheid van de lijn zelf, die haar eigen activiteit omspeelt, erop toekijkt, en als het ware tegelijk over de wereld én over zichzelf zegt: al die drukte voor niets…

Klees lijn is in wezen de vrij bewegende lijn van de abstracte kunst, en waar die lijn conventionele figuurtjes tekent, wordt die abstractie op een vreemde manier tastbaar: zij verschijnt er in de vreemdheid die de lijn behoudt ten aanzien van de ‘conventionele’ voorstelling. Enerzijds wordt de betekenis bijna letterlijk, en zien we hoe de lijn als lijn figuurtjes acteert; maar juist in die letterlijkheid blijken lijn en voorstelling zich ook willekeurig tot elkaar te verhouden, alsof de lijn eender wat kon hebben getekend en die lege soevereiniteit, die onrust van ‘de lijn zelf’, op elk moment meetrilt. Deze figuurtjes zijn inderdaad niets anders dan grillen van de lijn. Ze gebeuren nog slechts waar de lijn, onverhoeds bijna, iets betekent en daarin van zichzelf verschilt. In deze tekeningen wordt de lijn zich meer dan ooit van dit spel ‘bewust’: daarom is de ironie hier zo expliciet. De lijn wordt hier ‘ironisch’ waar ze dat spel lijkt ‘door te hebben’, en in het voortbrengen van allerlei voorstellingen nog slechts haar eigen Drahtseilakt – men zou kunnen zeggen: haar differentiële spel – herkent en uitspeelt.

In die differentiële trilling van de lijn schuilt ook het lichtzinnige geweld van deze tekeningen. Onder de bladen van 1933 zijn er enkele waarin één kronkelende ‘dradige’ lijn een figuurtje neerzet, zodat men de indruk heeft slechts aan de eindjes te moeten trekken om dat grappige misbaksel in een loodgrijs kluwen te versmoren. Niet de geweldscènes in deze tekeningen, maar de soevereine onrust waarmee de lijn figuren schrijft en wegschrijft, is gewelddadig. Het geweld zit in het lijnenspel zelf, en in de tastbare manier waarop de lijn abstractie maakt van wat ze tekent. Wat abstracte, vrije lijnen in een figuratieve wereld voortbrengen, verslinden ze tegelijk, alsof het niets was. Ze ‘spelen’ ermee zoals een kind dat per ongeluk dingen kapotmaakt omdat het, zoals de volwassenen dan zeggen, de waarde van dingen nog niet goed begrijpt. Dat lichtzinnige geweld becommentarieert niets meer. Wat de lijn hier uitdrukt, is haar eigen abstractie, die in deze tekeningen als een blindheid ten aanzien van elke herkenbare voorstelling verschijnt. En misschien is die abstracte blindheid nog het meest van de tijd: in de uitdrukkingsloze, abstracte kramp van de lijn licht 1933 op als datgene wat elk recht op uitdrukking verloren heeft.

 

Hauptweg und Nebenwege

Auch “ER” Dictator! toont een bazig vogelmannetje dat naar de onderste bladrand wijst, waar een uitroepteken genoteerd staat. “HIJ” wil zich kennelijk van een uitroepteken voorzien – het blad lijkt een satire op machtswellust als pure libidinale ‘zelfuitbreiding’.

Datzelfde uitroepteken keert ook terug in een ander werk uit 1933, een schilderij met als titel Europa, maar hier is volstrekt niet meer duidelijk wat er uitgeroepen wordt. Rond het uitroepteken zien we horizontale streepjes in een purper-blauwe aquarelzee, die water suggereert. In dat vloeibare veld, hier en daar opgebroken door zones die als een mozaïek in kleine geblokte accenten zijn verdeeld, wordt het bruinrode uitroepteken nog het meest in balans gehouden door een rode streep die de scheiding tussen de romp en de benen van een schriel lijnenfiguurtje markeert. Centraal zien we een witte verticale strook, afkomstig van de witte drager, en rechtsboven staat een onregelmatig Grieks kruis, als een fragment uit een plattegrond. De ruimte is opgebroken tot een cryptische tekenruimte, waarin alles ‘iets’ staat te betekenen – dit doen tekens nu eenmaal – maar zoals vaker bij Klee weet men niet wat. Eén narratieve sleutel is er wel: het schriele figuurtje staat op één been, het ‘hinkt’, en dat doet denken aan die zin die Klee in zijn zakagenda opschreef: Hinke Europa, oder hinke ich? Maar het werk wordt daar niet spraakzamer van; opvallend is eerder de manier waarop Klee bedenkingen over de tijd in raadselschrift omzet, alsof hij de illusie dat de tijd adequaat kan worden gevat, weg wil schrijven, door elke uitspraak naar de sterren te projecteren.

Klee maakt in 1933 veel tekeningen, maar hij blijft ook schilderen, en hoewel een beperkt aantal van die schilderijen samenhangt met de tekeningen, zet hij in andere werken gewoon het spoor van vorige jaren voort. Zijn werk is altijd veelsporig geweest – Klee werkt vaak ook aan verschillende werken tegelijk – en ook in dit ‘fatale’ jaar produceert hij werk dat met zijn cryptische symbolentaal en romantische motieven niets verraadt van wat er hem allemaal overkomt. Deze veelstemmigheid, die trouwens een van de interessantste aspecten is van de tentoonstelling Paul Klee 1933, maakt dat zijn productie uit 1933 geenszins kan worden gereduceerd tot een verhaal over de kunstenaar die ‘geschokt’ of ‘verontwaardigd’ reageert op zijn tijd. “Het belangrijkste is dat mijn man verder kan werken, en dat er veel moois is ontstaan,” schrijft Lily in 1933, en Klee denkt er net zo over: zolang we maar kunnen werken. Er is in 1933 dus iets dat hem te zeer op de huid zit, dat zijn bestaan als kunstenaar en mens te zeer raakt om te kunnen worden genegeerd, en dat zijn oeuvre daarom een zijpaadje opstuurt. Maar de hoofdweg wordt niet verlaten: je zou eerder zeggen dat de zijweg toelaat dat de hoofdweg wordt voortgezet.

Klee wordt door de ontwikkelingen geraakt, maar hij wil die geraaktheid licht houden; hij kan ze niet centraal stellen zonder zijn positie op het spel te zetten als burgerlijk kunstenaar die de waarheid spreekt door zich af te keren van de wereld. Zijn omgang met 1933 kan dus geen ‘hoofdweg’ zijn, maar moet een marginale, haast terloopse vorm aannemen. Daarom eisen Klees ‘uitspraken’ over de tijd nauwelijks een plaats op in het oeuvre, en lijken de dingen die Klee tekent nauwelijks te mogen duren: ze lossen op als figuren in de rook en glijden weg in de tekenmappen van de kunstenaar – op enkele bladen na, die hij als kerstgeschenk verstuurt naar de leden van de zogenaamde Klee-Gesellschaft (een groep verzamelaars die in ruil voor een maandgeld uit de eerste hand en aan voordelige prijzen werk konden kopen). Het gebaar van deze bladen is het kleinst mogelijke gebaar om de tijd, waarmee de kunst eigenlijk geen debat meer kan aangaan, recht te doen, en ervoor te zorgen dat het antagonisme tussen de autonome kunstenaar en de blinde, dwaze tijd niet verhardt. Hoezeer de tijd de kunst ook sprakeloos laat, en tot abstractie dwingt, ook de idee dat elke realiteitsbetrokken uitspraak onmogelijk is, wordt vals wanneer ze zich met zichzelf tevreden stelt. Maar omdat kunst niets meer in te brengen heeft, moet ze de herkenbare figuren die ze noteert, tegelijk uitwissen en uit de tijd wegschrijven. Het vluchtige van de tekeningen strookt dan ook met het terloopse van hun plaats binnen het oeuvre, én met hun private bestemming. Klees toegift aan de tijd is de ware flessenpost.

 

De tentoonstelling Paul Klee 1933 loopt nog tot 7 maart in de Hamburger Kunsthalle, Glockengießerwall, 20095 Hamburg (040/428.131.200; www.hamburger-kunsthalle.de). Het boek Paul Klee 1933 bevat essays van Pamela Kort, Osamu Okuda en Otto Karl Werckmeister, naast een chronologie van Stefan Frey en Andreas Hüneke, en werd in 2003 uitgegeven door de Städtische Galerie im Lenbachhaus (München) en Verlag der Buchhandlung Walther König, Ehrenstrasse 4, 50672 Keulen (0221/20.59.6-0; www.buchhandlung-walther-koenig.de).

De tentoonstelling Paul Klee – Tod und Feuer. Die Erfüllung im Spätwerk loopt tot 15 februari in het Sprengel Museum, Kurt-Schwitters-Platz, 30169 Hannover (0511/168.438.75; www.sprengel-museum.de).

Eeuwige schoonheid

Als Jeff Wall niet bestond, zou hij uitgevonden moeten worden; niemand lijkt zo soeverein verschillende facties van de kunstwereld met elkaar te verbinden als hij. Als kunstenaar die onze ‘honger naar beelden’ bevredigt, maar zich tegelijkertijd kritisch verhoudt tot de huidige beeldcultuur, wordt hij bewonderd door de meest uiteenlopende curatoren en theoretici, kunsthistorici en galeriehouders. Walls teksten en interviews getuigen niettemin van een voortdurende behoefte tot zelflegitimatie, met name in historische termen. Anders dan bijvoorbeeld bij Dan Graham en Robert Smithson hebben Walls teksten doorgaans een vrij conventioneel kunsthistorisch karakter. Waar de teksten van Smithson en Graham deel uitmaken van hun werk en (zoals Wall zelf ooit opmerkte) de discursiviteit saboteren en de lezer in een borgesiaans labyrint binnenleiden, lijken Walls essays op het eerste gezicht vaak zelfstandiger te opereren, als kunsthistorische verhandelingen die op eigen benen kunnen staan. [1] Toch is het werk altijd op de achtergrond aanwezig, en is er met name sinds de tweede helft van de jaren negentig geen tekst van Wall die niet werkt aan de kunsthistorische plaatsing van zijn eigen fotowerken. Dat de teksten niet zoals bij voornoemde kunstenaars deel uitmaken van het werk, betekent dus niet dat het verband losser is – integendeel. Net als het werk is het discours niet statisch, maar onderhevig aan revisies. De manier waarop Wall zijn werk middels zijn teksten kunsthistorisch situeert, wordt de laatste jaren steeds meer reductionistisch, en deze ontwikkeling is voor een deel ook terug te vinden bij auteurs die deel uitmaken van de ‘discoursgemeenschap’ rond Wall. Weliswaar gedragen zij zich niet simpelweg als een spreekbuis voor his master’s voice, maar doorgaans reageren ze wel op aanzetten van de kunstenaar zelf om diens werk te interpreteren en te contextualiseren. [2]

 

Dan Graham en Manet

Cruciaal voor de kunsthistorische legitimatie van Walls werk is de interpretatie van de neoavant-garde van rond 1970, waarvoor critici als Benjamin Buchloh historische claims hebben gemaakt die ongunstig kunnen uitvallen voor Wall. In het licht van deze kunst zou men zijn oeuvre als een terugval kunnen zien, en Buchloh doet het werk van Wall dan ook af als “a certain light-box photo-conceptualism” dat is bezweken voor de “powers of spectacle culture to permeate all conventions of perception and communication”. [3] Wall zou de elementen van het traditionele picturale beeld uitleveren aan het spektakel, daar waar kunstenaars als Buren, Asher, Broodthaers en Dan Graham het spektakel en de beeldtraditie juist analyseren en demonteren. Laatstgenoemde vormt als het ware een scharnierpunt tussen de opponenten Buchloh en Wall. Grahams Homes for America (1966/67) is voor Buchloh een radicale kritiek op de minimal art. Door de vormen van de minimal art in de sociale werkelijkheid aan te wijzen, ontmaskert Graham de minimalistische abstrahering en universalisering als een manoeuvre om typisch onthechte handelswaar te produceren.

Jeff Walls belangstelling voor Graham leidde in de jaren tachtig nog tot complexe beschouwingen over de conceptuele kunst, al verraadde zijn nadruk op het falen van de conceptuele kunst een zekere neiging om haar als een afgesloten hoofdstuk weg te schrijven; meer recent staat de rol van de fotografie en Grahams dialoog met Walker Evans centraal, wat Wall de mogelijkheid biedt zichzelf in een kunsthistorische traditie te plaatsen. [4] In zijn essay over de fotografie in de conceptuele kunst, “Marks of Indifference”: Aspects of Photography in, or as, Conceptual Art (1995), onderzoekt Wall hoe conceptkunstenaars als Graham, Ruscha en Smithson de fotografie omarmden omdat zij – indien zij amateuristisch werd gehanteerd – de utopie van de non-kunst leek te belichamen. [5] Immers, de foto’s van Graham zijn qua onderwerp en compositie wel aan Evans te relateren, maar het is duidelijk dat Graham in technisch opzicht geen ‘goede fotograaf’ is, volgens die criteria die de fotoscène in de loop der decennia had ontwikkeld. “Als ik echt nadacht over fotografie als fotografie, of over fotografie als kunst tout court, moest ik wel toegeven dat Evans, Atget and Strand beter waren dan Smithson of Ruscha,” aldus Wall in een recente terugblik op zijn ontwikkeling in de jaren zeventig. [6] Toch maakte pas het werk van Graham en consorten, juist door de onprofessionele, de-skilled werkwijze, de fotografie tot een valide medium voor de kunstenaar. De fotografie had decennialang geprobeerd kunststatus te verwerven, soms door de schilderkunst te imiteren (het pictorialisme), soms door een eigen esthetiek te ontwikkelen (Evans, Sander), maar toch was zij geen deel gaan uitmaken van ‘de moderne kunst’. Pas toen conceptuele kunstenaars de fotografie ontdekten als een niet-esthetisch, louter documentair medium, werd de fotografie met een fraaie dialectische volte in de beeldende kunst opgenomen.

De fotografie ondermijnde de ‘zuiverheid’ van het conceptualisme: “Omdat zij de zware last van de afbeelding draagt, kon de fotografie het zuivere of linguïstische conceptualisme niet tot het uiterste volgen. Zij kan niet de ervaring van de negatie van de ervaring bieden, maar moet doorgaan met het aanbieden van de ervaring van de afbeelding, van het Tableau.” [7] Voor de legitimatie van Walls werk is dit het cruciale punt. Het klassieke tableau is terug, zij het in een fotografische vorm; dit is de historische rol die de conceptuele kunst voor en volgens Wall heeft vervuld. “Zo bezien zou men kunnen zeggen dat het de rol en de taak van de fotografie was om zich af te wenden van de conceptuele kunst, weg van haar reductionisme en haar agressie. Fotoconceptualisme was zodoende de laatste fase in de prehistorie van fotografie-als-kunst, het einde van het Ancien Régime, de meest consequente en geraffineerde poging om het medium te bevrijden van zijn opmerkelijke, gedistantieerde verhouding tot het artistiek radicalisme en van zijn banden met het westerse Tableau. Door daarin te mislukken, transformeerde het fotoconceptualisme ons begrip van het Tableau en schiep het de voorwaarden voor de restauratie van dat begrip als centrale categorie van de hedendaagse kunst rond 1974.” [8] In feite reduceert Wall het belang van de fotografie in de kunst van begin jaren zeventig tot het mogelijk maken van zijn eigen werk. De prehistorie is ten einde; Jeff Wall verschijnt op het toneel.

Nu heeft de conceptuele kunst inderdaad, mede door Wall, een dialectische omslag geëffectueerd en het tableau weer een centrale plaats in de beeldende kunst gegeven; Wall analyseert die ontwikkeling in zijn essay briljant. Tendentieus wordt zijn tour de force echter door de houding die hij aanneemt tegenover alle kenmerken van de conceptuele fotografie die niet passen bij het latere werk (inclusief het zijne) dat erdoor mogelijk is gemaakt. Het is volgens Wall immers door het falen van de conceptuele pogingen om de fotografie te bevrijden van haar banden met het traditionele westerse tableau, dat ons concept van het Beeld is omgegooid. De conceptuele fotografie bracht het beeld opnieuw binnen, maar probeerde het nog te problematiseren. Als deze avant-gardistische moeilijkdoenerij is overwonnen en de foto eindelijk als waardige vorm van ‘the western picture’ is erkend, kan het klassieke tableau in fotografische vorm beginnen aan een triomftocht in de beeldende kunst, die nu eindelijk van de kritiek op de representatie verlost is. Het werk van Graham en consorten wordt gereduceerd tot een moment, een omslagpunt dat zo snel mogelijk moet worden gepasseerd.

Toch wil Wall het evenmin stellen zonder avant-gardistische legitimatie. Zijn werk mag niet simpelweg als een terugval worden gepresenteerd. Daarom brengt hij een andere avant-garde in stelling tegen de neoavant-garde van rond 1970, namelijk de schilderkunstige avant-garde van de tweede helft van de negentiende eeuw, met in het bijzonder het werk van Manet, dat zowel door Wall als door zijn exegeten steeds weer als voorbeeld wordt bezworen (al is Wall de laatste jaren wat huiverig voor een te grote nadruk op het schilderkunstige aspect van zijn werk). [9] In een recent catalogusessay presenteert Peter Bürger The Storyteller (1986) – een werk dat met zijn ‘kanslozen’ aan de rand van een bosje lijkt op een dystopische remake van het Déjeuner sur l’herbe – als het manifest van een alternatieve vorm van hedendaagse kunst, één die het klassieke tableau van binnenuit bekritiseert in plaats van het te demonteren. Bürger vat de link met Manet samen met een voor hem typerend simplisme: “Eine alternative zur NeoAvantgarde: der Rückgriff auf die malerische Tradition”. [10] Waar Wall het over een andere avant-garde heeft, houdt Bürger het bij ‘de schilderkunstige traditie’. Wall zou het niet zo bot stellen, maar toch denkt ook hij steeds nadrukkelijker in termen van een traditie die moet worden voortgezet, en dus in termen van continuïteit in plaats van breuken en herhalingen. De kunst komt in dienst te staan van een historisch verhaal, in plaats van in te grijpen in de geschiedenis en er iets ongekends (dat iets oerouds kan zijn) binnen te brengen.

 

Fotografie en de traditie

Wall is fotografen als Walker Evans en Robert Frank steeds meer gaan presenteren als erfgenamen van de peinture de la vie moderne; en in zijn onlangs door Artforum gepubliceerde essay Frames of Reference rekent hij Dan Graham samen met Evans, ondanks het onprofessionele karakter van Grahams fotografie, tot de mensen die zich met de “serious aesthetic problems” van de fotografie bezighouden. Wall plaatst Graham dus eerder in de traditie van de ‘serieuze’ fotografie dan in de context van de conceptuele kunst van de late jaren zestig. Tegelijk wordt zijn benadering van de fotogeschiedenis ook gevoed door zijn belangstelling voor auteursfilms van de jaren zestig en zeventig, en door zijn fascinatie voor Barthes’ essay over filmstills: “Dat maakte me bewust van het feit dat de technieken die we meestal met film associëren, in feite gewoon fotografische technieken zijn, en daarom (in ieder geval theoretisch) beschikbaar zijn voor iedere fotograaf.” [11] In het verlengde daarvan ontwikkelde Wall een vorm van fotografie die, net als het werk van Europese filmmakers van de jaren zestig en zeventig, het geënsceneerde met het documentaire vermengt. Het resultaat diende echter een min of meer conventionele foto te zijn, een beeld dat op zichzelf staat; kunstenaars die de fotografie integreren in installaties en multimediale werken, krijgen er van langs. “Helaas heeft deze vermenging van de fotografie met andere zaken, zoals schilderkunst, prentkunst en ruimtelijke kunstvormen, bijna onmiddellijk geleid tot de krachteloze hybriden die sindsdien zo tekenend zijn voor de kunst. Men zou dus kunnen betogen dat het ontsnappen aan de beperkingen van de fotografie een heilloze weg was, omdat er in het intermediale domein geen geldige criteria zijn, en ook niet kunnen zijn.” [12] Dit laatste mag dan inderdaad een probleem zijn, de bureaucratische restrictie van legitieme kunstbeoefening tot een mediumspecifieke kunstpraktijk is dat niet minder. Wall komt hier aardig in de buurt van Rosalind Krauss’ neomodernistische project van de laatste jaren, ook al behoort hij niet tot ‘haar’ kunstenaars.

Een directer verband is er met een andere ‘Greenberger’ uit de jaren zestig, Michael Fried. Wall memoreert hoe Fried zich in zijn “great essay” Art and Objecthood had afgekeerd van de tendens in de minimal art om “de fysieke aanwezigheid van het kunstobject te benadrukken en af te zonderen”. [13] Voor Wall was vooral van belang dat Fried (die hem blijkens de roddelrubriek van Artforum inmiddels heeft omarmd als een van de schaarse hedendaagse kunstenaars die zijn aandacht waard zijn) pleitte voor illusionisme. [14] “Fried wilde met ‘illusionisme’ niet verwijzen naar de traditionele perspectivische illusie, maar naar de voortzetting ervan in de ‘optische’ kwaliteiten van wat hij als de beste abstracte schilderkunst van die tijd beschouwde. In mijn interpretatie refereerde opticality aan de abstracte schilderkunst, zoals bij Fried, maar tevens aan de traditionele picturale illusie en, als onderdeel daarvan, aan het optische karakter van foto’s. Het fascineerde me dat Fried in de late jaren zestig plots zijn aandacht verlegde van de abstracte kunst naar de negentiende-eeuwse schilderkunst. Ik voelde aan dat er een belangrijke affiniteit was tussen zijn interessen en de mijne.” [15] Wall verdedigt de schilderkunst en haar inherente illusionisme omdat zij een traditie vertegenwoordigt waar hij zich mee wil verbinden. In de twintigste eeuw wordt deze traditie enerzijds gecontinueerd door schilders die de voorstelling afwezen, maar met schilderkunstige middelen nog wel ruimte suggereerden, en anderzijds door fotografen als Walker Evans, waarmee Wall zich via Graham in kunsthistorisch opzicht verbonden voelt.

Walls zwart-witfoto’s van de jaren negentig getuigen steeds meer van een streven om zijn werk in de geschiedenis van de fotografie te plaatsen, en de schilderkunstige referenties terug te dringen. De fotografie waarnaar Wall verwijst, wordt echter op haar beurt in de traditie van de grote (schilder)kunst verankerd. De relatie tussen modernistische schilderkunst en fotojournalistiek, en het samenkomen daarvan in het werk van kunstenaars uit de jaren zestig, behandelde Wall in zijn essay Monochrome and Photojournalism in On Kawara’s Today Paintings, waarin ook Warhol en Gerhard Richter een belangrijke rol spelen: in hun werk duikt de peinture de la vie moderne van Manet, de moderne erfgenaam van de historieschilderkunst, weer op in de context van de moderne schilderkunst en het monochroom, en in relatie tot fotografische technieken. [16] Net als deze kunstenaars – in ieder geval Warhol en Richter – combineert Wall de schaal van de westerse schilderkunst met beelden die aan de fotojournalistiek ontleend zijn of ernaar verwijzen. Zijn poging om terzelfdertijd te profiteren van het klassieke aura van de zwart-witfotografie én van het prestige van grote ‘schilderkunstige’ formaten, pakt in de zwart-witfoto’s echter nogal doorzichtig uit; de werken missen de spanning die de lichtbak creëert tussen schilderkunstige ambitie en banale reclameconnotaties.

Als Wall over de westerse traditie en haar schaalgevoel spreekt, klinkt hij als een Amerikaanse museumtrustee die lastige vragen afweert door zich op eeuwige waarden te beroepen: “Aan de westerse picturale traditie die tot in de negentiende eeuw reikt, ontleende ik met name twee zaken: een liefde voor het beeld, die volgens mij tegelijkertijd een liefde voor de natuur en voor het leven zelf is, en een maat- en schaalgevoel dat hoort bij de beeldende kunst, en dus bij het ethische gevoel voor de wereld dat in beeldende kunst zijn uitdrukking vindt.” [17] Ondanks zijn waardering voor Fried is Wall ruimhartig: een werk van Carl Andre is qua schaal vergelijkbaar met Las Meninas, hetgeen hem tot een nogal bizarre fantasie inspireert waarbij hij kijkt naar Las Meninas terwijl hij op een Carl Andre staat. [18] Extremer kan decontextualisering nauwelijks zijn; de twee werken zijn gereduceerd tot pionnen om een historische continuïteit te suggereren waarin Wall zich kan inschrijven. De tolerantie voor de minimal art kent overigens haar grenzen, want ook zij vormt een historische weg die naar het teleologische eindpunt Wall leidt: zij helpt hem immers om toegang te krijgen tot de schaal van Grote Kunst.

 

Representatie

Terwijl Wall het modernisme van de jaren zestig als voorgeschiedenis bij zijn eigen werk inlijft, en daarbij de herintroductie van het tableau in het fotoconceptualisme én desnoods ook de minimal art integreert, heeft hij moeite met andere vormen van avant-gardisme uit de late jaren zestig en zeventig. Het is opmerkelijk hoe de eenzijdige, maar niettemin ambitieuze betoogtrant van een tekst als “Marks of Indifference”, in een onpretentieus stuk als de recente Artforum-tekst plaatsmaakt voor klachten over de ideologische waandenkbeelden die men hem in de weg heeft gelegd: “Ik bestudeerde altijd al de oude meesters en waardeerde de kunst van het verleden. In de jaren zestig had ik het daarbij niet gemakkelijk, omdat ik moest werken in en afrekenen met een situatie waarin men aannam dat de kunst van het verleden ‘obsoleet’ was (om de leninistische terminologie van die tijd te gebruiken) en het enige serieuze antwoord erin bestond het avant-gardistische project opnieuw uit te vinden om voorbij de ‘burgerlijke’ kunst te raken.” [19] Het is de taal van de padvinder die, tevreden met zichzelf, vertelt over de slechte jongens die hem vroeger treiterden omwille van zijn goed gedrag, vanuit het besef dat zijn deugdzaamheid gelukkig is beloond. In de jaren tachtig had Wall nog aandacht voor datgene wat de neoavant-garde onderdrukte, en droeg hij bij tot de herontdekking van ideeën en procédés uit het interbellum; maar inmiddels is zijn visie even simplistisch als die van Peter Bürger: “De avant-gardes transponeren de gedachte van de revolutie naar de kunst. Hun principe is de breuk, en wel de volledige breuk met het bestaande.” [20]

Om te begrijpen hoe tendentieus een dergelijke bewering is, hoeft men maar te denken aan de oeuvres van Robert Smithson en Marcel Broodthaers, kunstenaars die juist voortdurend teruggrijpen op episodes uit de kunstgeschiedenis. Toch stellen Bürger én Wall alles in het werk om juist deze neoavant-garde onschadelijk te maken – misschien minder de kunst zelf dan haar specifieke canonisering. In zijn tekst over Wall haalt Peter Bürger uit naar de Überkanonisierung van neoavant-gardisten zoals Buren door critici als Benjamin Buchloh en Hal Foster. “Critici zoals Buchloh willen niet inzien dat de grote maatschappelijke verandering die het denken en handelen van de historische avant-gardes bepaalde, uiteindelijk niet is ingetreden, en dat de institutionele kritiek van de neoavant-garde zich bijgevolg heeft vernauwd tot een kritiek op het kunstbedrijf waarvan ze niettemin afhankelijk is.” [21] Dit is nu juist wat iemand als Buchloh, maar ook Hal Foster, wél inziet en nadrukkelijk thematiseert; de reflectie op de kunstcontext in het werk van kunstenaars als Asher, Graham, Buren en Broodthaers wordt gewaardeerd als een herbezinning op de eerdere avant-gardes in een veranderde context, namelijk die van een steeds sterker wordende integratie van de kunst in de cultuurindustrie. Het probleem bij Buchloh is dat hij deze neoavant-garde enerzijds begrijpt in haar historiciteit (ten opzichte van eerdere kunst), en haar vervolgens voor alle daaropvolgende kunst tot norm verheft. Waar Hal Foster nog heeft geprobeerd om een historisch schema uit te werken dat de kunst van de jaren negentig aan de vroegere avant-gardes relateert, heeft Buchloh de neiging om de kunst van de late jaren zestig en vroege jaren zeventig te celebreren als een niet te overtreffen hoogtepunt.

Als Wall zich in alle ernst wil verzetten tegen het denken in complete breuken, dan zou hij juist een dialoog moeten aangaan met de kunstenaars die, parallel aan zijn eigen ontwikkeling, een oeuvre hebben uitgebouwd dat historische gelaagdheid verbindt met een kritische reflectie op de eigen positie in de kunstwereld en de cultuur: Broodthaers, de allegorist en zelfkritische melancholicus, die schaakt met de brokstukken van de negentiende eeuw; Smithson, die een dialoog voert met het pittoreske; Buren, wiens oeuvre in eerste instantie minder historiserend aandoet en die in de late jaren zestig inderdaad tot een ‘revolutionaire’ breuk oproept, maar die in de loop der jaren nadrukkelijk gaat reflecteren op de classicistische component in zijn werk en op de rol van het decoratieve in de moderne kunst. Een werkelijke confrontatie met deze kunst zou echter ook de eenzijdige kanten kunnen blootleggen van Walls project, dat steeds meer steunt op een verhaal van continuïteit met de traditie van de Grote Kunst. Om die reden moet Wall de kunstenaars van de neoavant-garde ofwel wegpromoveren als voorlopers van een later rappel à l’ordre, ofwel terzijde schuiven als aberratie. Bij Daniel Buren gebeurt dat laatste. Buren kan niet met een dialectische list voor Walls karretje worden gespannen, zoals Graham, en dus wordt hij als een decorateur afgedaan: “Je schildert alleen nog strepen, altijd in dezelfde afstand en met enkele geselecteerde kleuren. Daarmee kun je dan de hele wereld decoreren – het station, een heuvel, een museum. Dat is toch een ongelooflijke beperking van wat kunst vermag. Ligt daar nu werkelijk de toekomst van de kunst?” [22]

Wat Wall bovenal dwars zit in de neoavant-garde, is haar kritiek en ontmanteling van de representatie. De latente representatie die in de ‘optische’ ruimtelijkheid van de modernistische abstractie werkzaam is, kan Wall nog in zijn eigen voorgeschiedenis inpassen, maar een fundamentele kritiek op de representatie, zoals we die bijvoorbeeld bij de Situationisten of bij Marcel Broodthaers tegenkomen, stelt hem voor problemen. Net als de Situationistische Internationale ging Broodthaers ervan uit dat de kunst deel uitmaakt van de spektakelcultuur; het kunstwerk is een van de sociale werkelijkheid losgezongen warenfetisj, een industriële representatie zonder binding aan de geleefde ervaring. Terwijl de Situationisten om die reden de kunst uiteindelijk afzwoeren, zou Broodthaers dat inzicht op kritische wijze exploiteren. Zijn inventarisatie van adelaars, een project dat de ideologische impact van representaties in de kunst én daarbuiten onderzoekt, benadrukt de verwevenheid van kunst en spektakel, van schilderij en reclame – en ridiculiseert daarmee alle plechtstatige retoriek over de verheven traditie van de kunst. Op dat vlak lijkt het werk van Wall minder weerstand te bieden, en het is dan ook verleidelijk om diens afkeer van kunst die expliciet op haar relatie met het spektakel reflecteert, terug te voeren op zijn eigen gehoorzaamheid aan de spektakelcultuur. Zijn deze foto’s in hun reclamelichtbakken geen picturale koopwaar in optima forma, exclusieve commodities in een oplage van drie? Getuigen zij met hun uitgekiende composities en koele licht niet al te vlekkeloos van de “powers of spectacle culture to permeate all conventions of perception and communication”? Zij zijn immers even perfect als een reclamefoto of een Hollywoodproductie, ook al willen ze meer op oude meesters lijken.

Toch is hun zwakke punt niet dat zij volgezogen zijn met spektakel – Buchlohs illusie dat de kunst zich daaraan kan onttrekken, is veel problematischer dan Walls inzet. Bovendien bevatten Walls beste werken genoeg weerstanden om te voorkomen dat zij zich volledig door het spektakel laten absorberen. Maar zijn wens om als erfgenaam van Manet het beste van de grote fotografen en van de modernistische schilderkunst (de twee paden waarin de grote traditie van de westerse kunst zich heeft opgesplitst) in zich te verenigen, leidt ook tot werk dat zich steeds meer opsluit in een kunsthistorische teleologie en steeds minder oog heeft voor de cultuur waarin het functioneert. Recentelijk bagatelliseert Wall de commerciële connotatie van de lichtbak; die zou bijzaak zijn. Terwijl Buchloh Wall veroordeelt omdat zijn werk het spektakel opzuigt, lijkt Wall zelf deze verwevenheid te ontkennen. De gevolgen van die houding beginnen ook in het werk zelf zichtbaar te worden.

 

Pictures: Appropriating Wall

In zijn situering van Wall, wiens kritische dialoog met de traditie langzamerhand een ‘terugkeer naar de traditie’ begint te worden,  stort Peter Bürger zich op de steeds prominentere conservatieve kant van diens werk. Men kan Wall echter ook in een andere context situeren, een context die zowel Bürger als Wall minimaliseren: die van de neoavant-garde en haar doorwerking in de appropriation art van de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig. Zo is het verhelderend om Dead Troops Talk (A Vision After an Ambush of a Red Army Patrol Near Moqor, Afghanistan, Winter 1986) uit 1992, een hysterische grande machine annex grand guignol die de esthetiserende oorlogsfotografie van binnenuit opblaast, te beschouwen als een appropriation van dergelijke fotografie. De theatrale uitbarsting van een werknemer in een door Aziaten bevolkt naaiatelier (Outburst, 1989) doet dan weer denken aan Aziatische vechtfilms, al is het abrupte gebaar van de man hier kennelijk te wijten aan slechte arbeidsomstandigheden of te hoge werkdruk.

Het is merkwaardig hoe stelselmatig Wall in teksten en interviews zwijgt over de kunstpraktijken en -theorieën die juist in de periode van zijn eerste lichtbakwerken de kritische herbezinning op de representatie centraal stelden: de zogenaamde pictures artists en de daarmee overlappende appropriation art, met hun kritische en theoretische begeleiding. Het is niet zo dat deze kunst en het bijbehorende discours naadloos op Walls praktijk aansluiten (het is nog maar de vraag of de praktijk en theorie van deze kunst rond 1980, en zeker later, op elkaar aansluiten). Toch is bijvoorbeeld het feit dat Crimp in 1979 de foto’s van Cindy Sherman bespreekt in termen van Barthes’ The Third Meaning, een tekst die ook voor Wall een belangrijke rol speelde, een indicatie van een gedeelde erfenis én van een tot op zekere hoogte parallelle ontwikkeling. [23] De terugkeer naar de representatie en naar het (fotografische) beeld die deze kunstenaars effectueerden, treffen we ook aan bij Wall. De pictures artists en appropriation-kunstenaars werden door critici als Douglas Crimp en Craig Owens echter gepresenteerd als erfgenamen van representatiekritische kunstenaars zoals Broodthaers, Haacke en Graham. De term pictures geeft al aan dat er weer beelden werden gemaakt, maar dat gebeurde niet vanuit de neo-expressionistische Hunger nach Bildern. Crimp koos de term pictures omdat hij ook een banale kant had; “plaatjes” zou een vertaling zijn die dat benadrukt. [24]

Dat het herfotograferen (rephotography) van foto’s rond 1980 zo’n cruciale rol speelde, hing enerzijds samen met een van de conceptuele kunst overgenomen verzet tegen de normen van de kunstfotografie, maar anderzijds ook met een streven om de verankering van beelden in gegeven representatiemodellen en visuele clichés te onderzoeken. De hergefotografeerde foto’s van Richard Prince of Sherrie Levine en de Untitled Film Stills van Cindy Sherman waren zelfkritische (meta)beelden. De vroege collages van Levine, met foto’s van vrouwen in clichématige rollen, uitgesneden in de vorm van de hoofden van Amerikaanse presidenten, boden voor Crimp, Owens en een jongere criticus als Hal Foster een ideale gelegenheid om te theoretiseren over representatie en macht. Nu kan men de betreffende teksten van Crimp en (in mindere mate) Owens eenzijdig vinden vanwege hun pogingen om het revolutionaire potentieel van de appropriation art te benadrukken, maar zij namen de neoavant-garde van rond 1970 serieuzer dan Wall deed. Voor hen was deze kunst meer dan een onbedoelde proloog tot de restauratie van de grote kunst van het verleden, en gaf zij, hoewel zij in sommige opzichten tijdgebonden was, belangrijke aanzetten voor de omgang met het beeld in een industriële beeldcultuur die het visuele perverteert.

De appropriation art erkende de promiscuïteit en de alomtegenwoordigheid van het medium fotografie, ook waar zij beelden niet direct overnam, maar er vrij op varieerde, zoals Cindy Sherman deed in haar Untitled Film Stills – die in dat opzicht dicht bij het werk van Wall staan. Critici als Crimp en Foster zagen ‘hun’ kunstenaars als barthesiaanse mythologen die mediabeelden, opgevat als mythen die een ideologische ‘diefstal’ van beelden inhouden, op hun beurt weer stelen: “Aangetrokken door beelden die de status van een culturele mythe hebben, legt Levine die status en de psychologische echo’s ervan bloot door middel van simpele strategieën. […] Levine kaapt ze weg van hun gebruikelijke plaats in onze cultuur en ondermijnt hun mythologieën.” [25] Hal Foster maakt de referentie naar Barthes expliciet: “Aangezien de mythe ons berooft, waarom niet de mythe beroven?” [26] Het zou de appropriation art erom te doen zijn tweedegraads mythen te produceren die een ‘ware mythologie’ zouden vormen. De vraag hoe men zich dit moet voorstellen, is nooit veel verder uitgewerkt. Zou de kunstenaar-mytholoog de kunst simpelweg als instrument voor een zuiver discursieve analyse moeten gebruiken? Het lijkt erop dat de critici destijds, om begrijpelijke redenen, de libidineuze investering van de kunstenaars in de gebruikte beelden hebben ondergewaardeerd. Een hedendaagse herbezinning op de appropriation art en haar theorie zou juist deze utopie van een ‘ware mythologie’, die al te schetsmatig en vrijblijvend bleef, kritisch moeten opnemen, onderzoeken en uitwerken.

Het is evident dat de appropriation art geen funeste slag heeft kunnen toebrengen aan de spektakelmaatschappij. Dat laat echter onverlet dat deze kunstenaars hun werk situeerden in een van beelden vergeven cultuur die weliswaar nog ruimte biedt voor een afwijkende productie, en dus voor werk zoals de appropriation art, maar geen volledig isolement meer toeliet. Ook Wall onderkent dit als hij conventies van bijvoorbeeld de oorlogsfotografie of de horrorfilm (The Vampires’ Picnic, 1991) overneemt en manipuleert. Bovendien kan men zijn gebruik van genres als het landschap en zijn referenties aan Manet, Courbet, Caravaggio of Hokusai eveneens als een vorm van appropriation zien, vergelijkbaar met de geherfotografeerde klassiekers van Sherrie Levine – voor zover de genoemde schilderkunstige voorbeelden niet gewoon dienen om het werk of het onderwerp een nobele glans te verlenen. Met name in de jaren tachtig en de vroege jaren negentig heeft Wall vaak een productieve clash tot stand gebracht tussen de ‘klassieke’ compositorische ingrediënten en beeldelementen die daarmee botsen. Door zich echter steeds exclusiever in een traditie van Grote Kunst te plaatsen – een traditie die thans nadrukkelijker dan in de jaren tachtig ook de twintigste-eeuwse fotografie omvat – raakt die historische frictie steeds meer op de achtergrond, ten gunste van een geruststellend traditionalisme dat alles toebereidt voor een welwillende contemplatie.

In zijn zwart-witwerken van de laatste jaren pleegt Wall niet zozeer een appropriation van de klassieke twintigste-eeuwse fotografie, die op de kunstmarkt intussen explosief in waarde is gestegen en nostalgisch wordt verheerlijkt, maar onderneemt hij een poging zich in haar traditie in te schrijven – daarbij de foto’s tot ‘kunsthistorische’ proporties opblazend, zodat zij door een beschouwer staande op een Carl Andre kunnen worden gecontempleerd. Hoewel hij blijft spelen met de spanning tussen het geënsceneerde en het documentaire, komen de resultaten bij Volunteer en Citizen (beide 1996), of bij Office Hallway, Spring St., Los Angeles (1997), gevaarlijk dicht in de buurt van Sozialkitsch. Forest (2001) lijkt dan weer de spanning uit B-films kunsthistorisch te willen veredelen: we zien een lichting in een kaal bos; er brandt een vuurtje. Links zien we door de bomen een kennelijk opgeschrikte langharige figuur (een man?) weglopen door de bomen. De foto heeft een hoog filmisch gehalte en herinnert aan een horrorfilm als The Blair Witch Project met zijn industrieel geproduceerde suspense. Hier, en in wel meer recente werken van Jeff Wall, wordt het scheppen van meerduidigheid een bijna mechanische aangelegenheid. Het is niet toevallig dat dit allemaal zwart-witfoto’s zijn; de kleurendia’s met hun felle licht en vele details zijn weerbarstiger dan het werk in zwart-wit. Ondanks het symptomatische gegeven dat Wall de laatste jaren geneigd is de reclameconnotaties van de presentatie in lichtbakken te relativeren, is het felle kunstlicht nog altijd slechts gedeeltelijk kunsthistorisch assimileerbaar. [27]

Toch gaat het ook met sommige kleurenfoto’s mis: Morning Cleaning, Mies van der Rohe Foundation, Barcelona (1999), een foto die een schoonmaker in het Barcelona-paviljoen van Mies van der Rohe toont, is een tot monumentale proporties opgeblazen genretafereel dat doet denken aan de meer conservatieve elementen van de negentiende-eeuwse kunst. Het is alsof Wall een ‘humanistische’ benadering van de ‘gewone man’ heeft gedistilleerd uit de klassiek-moderne fotografie, die voor hem als continuering van de klassieke schilderkunst steeds belangrijker is geworden. Toen Wall in The Storyteller (1986) de bohémiens en demi-mondaines van Manets Déjeuner verving door not-so-white-thrash, kon men dat nog zien als een tweede actualisering van Manets modernisering van de klassieke fête champêtre – al is Walls compositie in feite anekdotischer en daarmee geruststellender: het groepje met de druk gebarende vrouw links in beeld en de voor zich uit starende man rechts, heeft een retorische eloquentie die het werk van Manet vreemd is. Zeker vanaf de late jaren tachtig grijpt Wall vaak terug op het academische repertorium van gebaren waar Manet juist mee brak. Als hij dit drastisch op de spits drijft, kan het goed uitpakken, zoals in Outburst of, in een heel ander register, Dead Troops Talk. Maar zijn kunst rukt steeds meer naar het midden, het juste milieu. Werken als Morning Cleaning doen eerder denken aan Meissonier dan aan Manet. Sentimenteel gebruik van traditionele elementen, uitnodigend tot devote contemplatie, wint het van de actualiteit van het anachronisme. Door zich steeds exclusiever in een traditie van Grote Kunst en Eeuwige Schoonheid te plaatsen, accepteert Wall dat hij een producent van geruststellende mythen wordt – in plaats van een kunstenaar-mytholoog.

 

Noten

[1]        Jeff Wall, Een architecturaal embleem van vervalste openheid: Dan Grahams Kammerspiel II, in: Museumjournaal nr. 6, 1986, p. 368.

[2]        Tom Holert heeft het over de ‘Diskursgesellschaft’ rondom Wall in: Interview mit einem Vampir. Subjektivität und Visualität bei Jeff Wall, in: tent. cat. Jeff Wall. Photographs, Wenen, Museum Moderner Kunst Stiftung Ludwig, 2003, pp. 140-152.

[3]        Benjamin H.D. Buchloh, Neo-Avant-garde and Culture Industry. Essays on European and American Art from 1955 to 1975, Cambridge (MA)/London, MIT Press, 2000, p. xxi.

[4]        Zie Dan Graham’s Kammerspiel (1984), in Nederlandse vertaling in afleveringen gepubliceerd in Museumjournaal, nr. 5, 1986, pp. 276-284; nr. 6, 1986, pp. 367-371; nr. 1, 1987, pp. 32-37; nr. 2, 1987, pp. 94-97; nr. 3, 1987, pp. 156-158.

[5]        Jeff Wall, “Marks of Indifference”: Aspects of Photography in, or as, Conceptual Art, in: Ann Goldstein en Anne Rorimer (red.), Reconsidering the Object of Art: 1965-1975, Los Angeles, Museum of Contemporary Art, 1995, pp. 247-267.

[6]        “If I really thought about photography as photography, or about photography as art pure and simple, I had to admit that Evans, Atget, and Strand were better than Smithson or Ruscha.” Jeff Wall, Frames of Reference, in: Artforum 42, nr. 1, september 2003, p. 189.

[7]        “By dragging its heavy burden of depiction, photography could not follow pure, or linguistic, Conceptualism all the way to the frontier. It cannot provide the experience of the negation of experience, but must continue to provide the experience of depiction, of the Picture.” Wall, op. cit. (noot 5), p. 266.

[8]        “In this light, it could be said that it was photography’s role and task to turn away from Conceptual art, away from its reductivism and its aggressions. Photo-conceptualism was then the last moment of the prehistory of photography as art, the end of the Old Regime, the most sustained and sophisticated attempt to free the medium from its peculiar distanced relationship with artistic radicalism and from its ties to the Western Picture. In its failure to do so, it revolutionized our concept of the Picture and created the conditions for the restoration of that concept as a central category of contemporary art by around 1974.” Ibid.

[9]        Zie onder meer Jeff Wall, Unity and Fragmentation in Manet (1984), in: Jeff Wall, London, Phaidon, 1996, pp. 78-89.

[10]      Peter Bürger, Zur Kritik der Neo-Avantgarde, in: op. cit. (noot 2), p. 188.

[11]      “That helped me focus on the fact that the techniques we normally identify with film are in fact just photographic techniques and are therefore at least theoretically available to any photographer.” Wall, op. cit. (noot 6), p. 192.

[12]      “Unfortunately, this blending of photography with other things, like painting, printmaking, or three-dimensional art forms, almost immediately led to the unconvincing hybrids that are so sadly characteristic of art since then. An equally strong argument could hence be made that escaping the confines of ‘photography’ was a road to ruin because there were no valid criteria in the intermedia world, nor could there be any.” Ibid., p. 190.

[13]      Ibid., p. 191.

[14]      David Rimanelli, Entries, in: Artforum 41, nr. 3, november 2002, p. 42.

[15]      “Fried understood ‘illusionism’ to mean not traditional perspectival illusion but its subsequent form as the ‘optical’ qualities of what he thought to be the best abstract painting of his time. I understood opticality to refer to both abstract painting as Fried intended as well as traditional pictorial illusionism and, as part of that, the optical character of photographs. I was fascinated to watch Fried abruptly shift his focus at the end of the ’60s from abstract art to nineteenth-century pictorial art. I intuited that there was an important affinity between his interests and mine.” Wall, op. cit. (noot 6), p. 191.

[16]      Jeff Wall, Monochrome and Photojournalism in On Kawara’s Today Paintings (1993), in: Lynne Cooke en Karen Kelly (red.), Robert Lehman Lectures on Contemporary Art, New York, Dia Center for the Arts, 1996, pp. 135-156. Nederlandse versie in: De Witte Raaf nr. 91, mei-juni 2001, pp. 7-10.

[17]      “I extracted two things, primarily, from the Western pictorial tradition up through the nineteenth century: a love of pictures, which I believe is at the same time a love of nature and of existence itself, and an idea of the size and scale proper to pictorial art, and so proper to the ethical feeling for the world expressed in pictorial art.” Wall, op. cit. (noot 6), p. 190.

[18]      Ibid., p. 191.

[19]      “I had always studied the masters and respected the art of the past. I had a bit of a hard time during the ’60s because I needed to work in and through a situation that simply assumed the art of the past was ‘obsolete’ (to use the Leninist terminology of the time) and that the only serious possibilities lay in reinventing the avant-garde project of going beyond ‘bourgeois art.’” Ibid., p. 189.

[20]      “Die Avantgarden übertragen den Gedanken der Revolution in die Kunst. Ihr Prinzip ist der Bruch, und zwar der totale Bruch mit dem bestehenden.” Bürger, op. cit. (noot 10), p. 189. Voor Walls vroegere visie op neoavant-garde en geschiedenis, zie: Zinnebeeldige procedures van versterving. Dan Graham’s Kammerspiel, in: Museumjournaal nr. 5, 1986, pp. 277-278.

[21]      “Kritiker wie Buchloh wollen nicht wahrhaben, dass die grosse gesellschaftliche Veränderung, in der die historische Avantgarden dachten und handelten, leztlich nicht eingetreten ist und dass aus diesem Grunde die Institutionskritik der NeoAvantgarde sich zwangsläufig auf eine Kritik am Kunstbetrieb verengt, von dem sie zugleich abhängig ist.” Ibid., p. 187.

[22]      “Man malt nur noch Streifen, immer im gleichen Abstand, mit wenigen, ausgewählten Farben. Damit kann man dann eigentlich die ganze Welt dekorieren, den Bahnhof, einen Hügel, ein Museum. Das ist doch eine ungeheure Beschränkung dessen, was Kunst vermag. Liegt darin wirklich die Zukunft der Kunst?” Holger Liebs, Jeff Wall über Inszenierung, in: Süddeutsche Zeitung, 24/25 mei 2003.

[23]      Douglas Crimp, Pictures (1979), in: Brian Wallis (red.), Art After Modernism: Rethinking Representation, New York/Boston, The New Museum of Contemporary Art/David R. Godine, 1984, p. 181.

[24]      Voor recente analyses van Crimps Pictures-tentoonstelling in 1977 en de verschillende versies van het gelijknamige essay, zie: David Rimanelli, Signs of the Time en Scott Rothkopf, Hit or Myth, in: Artforum 40, nr. 2, oktober 2001, pp. 131-134.

[25]      “Drawn to pictures whose status is that of a cultural myth, Levine discloses that status and its psychological resonances through the imposition of very simple strategies. […] Levine steals them away from their usual place in our cultures and subverts their mythologies.” Crimp, op. cit. (noot 24), p. 185.

[26]      “Since myth robs us, why not rob myth?” Hal Foster, Recodings. Art, Spectacle, Cultural Politics, Seattle/Washington, Bay Press, p. 169. Het gaat uiteraard om een citaat uit Barthes’ Mythologies.

[27]      Zie bijvoorbeeld het interview van Friedrich Tietjen met Wall in: Camera Austria nr. 81, 2003, p. 18.

De hondin van het dorp

Er was eens een gemeenschap van schurken,

dit wil zeggen het waren geen schurken,

maar gewone mensen. Zij bleven elkaar altijd trouw.

[Franz Kafka]

 

She could have kept her vulnerability to herself, but she had elected to give herself up to him at random. As … Yes … a gift. “Generous, very generous” thought Tom.

[Dogville, Proloog, off-screen voice]

 

Dit zegt de Heer van de machten: “[…] Ruk dus uit en sla de Amalekieten neer en wijd alles wat hun toebehoort aan de vernietiging; spaar hen niet, maar dood iedereen, mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.”

[1 Samuel 15, 2-3]

 

1. ‘Iets’ als een gift

Mensen die samenleven, hebben iets met elkaar. Ze hoeven daarom nog geen koppel, familie of clan te vormen. Ook als ze toevallig op dezelfde plek wonen, en een dorp vormen of een wijk, groeit er algauw ‘iets’ dat ze gewild of ongewild met elkaar delen. Neen, geen groots idee of verheven project, niet zoiets waar moraalridders zwaarwichtig over doen, maar iets onbestemds dat nauwelijks wordt opgemerkt. Dit ‘iets’ doet zich ook voor als mensen elkaar het licht in de ogen niet gunnen; ook dan is er iets dat hen bindt, al weet niemand precies wat. En op momenten dat het helemaal weg lijkt, is er altijd wel een onverlaat die het in herinnering roept: een wakkere dwaas die zich luidop afvraagt of zij niet ook iets gemeen hebben, ‘iets’ dat misschien wat meer tot zijn recht zou moeten komen – daar zou de hele gemeenschap alleen maar wel bij varen.

Zo’n wakkere dwaas is Tom, een inwoner van Dogville, het fictieve dorpje aan de voet van de Rocky Mountains uit de nieuwste film van Lars von Trier. We zijn vroege jaren dertig, in volle ‘depressie’. Niemand heeft het breed, en iedereen tracht zo goed mogelijk in te dommelen in de dagelijkse sleur van kommer en kwel. Alleen Tom (Paul Bettany) heeft het breed genoeg om ook nog eens te mijmeren over het gemis van Dogville. Hij slaagt erin om zijn dorpsgenoten elke week samen te brengen in het mission house, om hen daar uitentreuren hun gemis aan te praten. Iedere keer krijgen de dorpelingen weer te horen dat ze als dorp, als gemeenschap, iets missen, dat ze aan ‘morele herbewapening’ toe zijn, dat ze nood hebben aan iets hogers dat hen boven de gesmoorde rust van Dogville doet uitstijgen. “De mensen van Dogville kunnen niet aannemen dat wat ze echt nodig hebben, iets is om aan te nemen, iets tastbaars, iets als een gift,” zo verzucht Tom in de proloog, tijdens het dagelijkse partijtje met zijn schaakvriend. [1] Iets als een gift, dat zou ons dorp doen herleven. Een waar godsgeschenk zou het zijn.

Even later verschijnt die gift op het toneel, al beloven de geweerschoten die net daarvoor in het verre avondlijke dal weerklonken, niet direct een godsgeschenk. Tom gaat naar buiten en zijn aandacht wordt getrokken door het geblaf van de hond Mozes, die bij de oude mijn een mooie jonge vrouw (Nicole Kidman) in bedwang houdt; zij is kennelijk op de vlucht voor het wapengeweld en wil een doodlopende weg naar de bergen inslaan. Voor Tom staat het dan al vast: zij is het broodnodige ‘geschenk’. Hij houdt de voortvluchtige in Dogville, en haalt het hele dorp over om haar bescherming te bieden.

Grace, de beautiful fugitive, blijkt inderdaad een geschenk te zijn voor Tom en de hele dorpsgemeenschap, een gift in alle betekenissen van het woord. Om te beginnen is zij een gift omdat zij het dorp weer met zichzelf confronteert. Ook de bewoners van Dogville zijn immers vluchtelingen, gestrand op hun weg naar de Far West. Ooit moet in Dogville een vrije pioniersmentaliteit hebben geheerst. In het begin van de film is die nog ver weg: de Amerikaanse droom van een vrije samenleving heeft met de crash van 1929 een ferme deuk gekregen; armoede, verveling, allerlei geschreven en ongeschreven regels hebben het leven in deze gemeenschap saai en bekrompen gemaakt. Maar in wezen is Dogville altijd vrij geweest, ondanks die regels, of misschien wel dankzij die regels. Om zijn vrijheid te kunnen beleven heeft het dorp voor die regels en gewoontes gekozen, en het geval Grace plaatst deze vrijheid terug op de agenda. Grace confronteert de mensen van Dogville met de vrije keuze die hen tot gemeenschap heeft gemaakt. Zij laat de dorpelingen de grond van hun gemeenschappelijkheid nog eens beleven. Op die manier bekleedt zij drie seizoenen lang de positie van dat ‘iets’ waarrond de gemeenschap van Dogville draait, een ‘iets’ dat deze gemeenschap sticht, maar dat de gemeenschap tegelijk voor zichzelf tot probleem maakt: juist datgene waardoor Dogville gegeven is, moet Dogville immers wel ontsnappen.

 

2. Vrijheid versus gift

Grace komt van buiten, ze komt uit het maffiamilieu, waarvoor ze op de vlucht is. Als Tom, op het moment dat hij Grace ontmoet, zo’n typische zwarte wagen met geblindeerde ramen het dorp ziet inrijden, begrijpt hij dat meteen: neen, hij heeft niemand gezien, zegt hij de heren maffiosi, en neemt beleefd hun kaartje in ontvangst. Zo weet Grace te ontsnappen, of toch voor een tijdje, want algauw schakelt de maffia de officiële instanties in. Overal verschijnen affiches met de foto en de naam van Grace: ze wordt door de politie gezocht en de prijs die op haar hoofd staat, is hoog genoeg om ook ‘de brave mensen van Dogville’ in verleiding te brengen.

Voortaan staat Grace echt overal buiten: buiten de wet én buiten het milieu van hen die de wet tarten. Wet noch misdaad beschermen haar. Nu ze vogelvrij is, kun je in principe in absolute vrijheid met haar omgaan; en zijzelf bestaat enkel nog voorzover ze aan de absolute vrijheid van anderen is uitgeleverd – voorzover ze gratis gegeven is. Zij is nu letterlijk een ‘gift’. Ze kan zich alleen nog maar weggeven en hopen dat het dorp haar ontvangt, in de wetenschap dat het dit evengoed niet kan doen, of dat het die rechteloze gift naar goeddunken kan gebruiken. In het begin van de film wordt het afgrondelijke van die situatie nog toegedekt, en wordt het contrast tussen de soevereine dorpelingen en de gift ‘Grace’ getemperd door een economische relatie te installeren. Voor wat de ene geeft, tracht de ander iets terug te geven. Nadat de verzamelde dorpelingen tijdens een eerste bespreking van het ‘geval Grace’ hebben beslist om haar een proeftijd van twee weken te gunnen, volgt ze de raad van Tom op en probeert ze de mensen van Dogville zover te brengen dat ze iets van haar aannemen. Zij die haar hele leven nog geen dag heeft gewerkt, gaat op Toms aanraden bij alle inwoners langs met de vraag of ze niet iets kan doen. Ze zou even op Vera’s kinderen kunnen passen, bijspringen in de boomgaard van Chuck, een bezoekje brengen bij Jack McKay (Ben Gazarra), de blinde die hardnekkig doet alsof hij niet blind is… Aanvankelijk lukt dat met moeite. Iedereen vertelt haar dat vooral de anderen hulp kunnen gebruiken, niemand lijkt behoefte aan haar te hebben.

Maar het tij keert en binnen de kortste keren heeft Grace in elk huis van het dorp wel iets om handen. Twee weken later neemt het dorp unaniem de beslissing dat ze mag blijven. Zelfs de mensen die haar eerst niet mochten, zoals de nukkige Chuck, hebben voor haar gestemd. Ze betekent echt iets voor het dorp. Ze voelde het al vóór de beslissende meeting, toen ze haar spullen verzamelde voor het geval ze Dogville zou moeten verlaten. In haar bagage had ze toen tal van kleine attenties gevonden die haar van pas konden komen tijdens haar tocht. “Grace had zich blootgegeven aan het dorp en dat had geantwoord met een grote gift: met vrienden,” aldus de off-screenstem. [2] Iedereen in Dogville is gelukkig dat ze een van hen is geworden. Ze vervult haar dagelijkse taken met steeds meer voldoening, en krijgt er voortaan zelfs een kleine vergoeding voor. Ook wanneer de politie een aanplakbiljet met haar foto komt ophangen waarop te lezen staat dat ze gezocht wordt, kan dit het geluk van Dogville en van Grace niet verstoren. “Je hebt van Dogville een fantastische plaats om te leven gemaakt,” verklaart de blinde McKay in zijn jaarlijkse speech op het feest van de vierde juli – een speech die hij voor het eerst houdt zonder het papiertje in de hand waarvan hij vroeger zijn toespraak veinsde af te lezen. En op diezelfde dag verklaart Tom haar zijn liefde, een liefde die zij graag met de hare zal beantwoorden.

Grace is aan Dogville overgeleverd, en de dorpelingen dekken het radicale van dit ‘gegeven zijn’ toe door de gift op een positieve, humane manier in ontvangst te nemen. Dat verandert echter niets aan de grond van de zaak. Ook wanneer die gift gehumaniseerd wordt, ook wanneer iedereen geniet van de warme menselijkheid die Grace in het verkilde dorpsleven binnenbrengt, doen de dorpelingen dat niet omdat het moet – Grace wordt immers door geen enkele wet gedekt – maar omdat het hen zint, omdat hun grillige soevereine wil daar behagen in schept. Dit was zoals gezegd haar eerste ‘gift’: dankzij haar beseft Dogville opnieuw dat het vrij is, meer bepaald vrij om iemand te ontvangen of te weigeren, of meer zelfs, iemand te redden of een gewisse dood in te sturen. En Grace beseft dit zo mogelijk nog eerder. Ze weet dat zij als vogelvrije is overgeleverd aan de vrijheid van Dogville en dat zij krachtig aan die vrijheid appelleert. Alles wat ze van het dorp krijgt, krijgt ze volledig gratis, buiten elke economie om, maar ze beseft tegelijk dat ze juist daarom nog meer in het krijt staat dan wanneer ze zou moeten of kunnen betalen. En zelfs als zij haar gastheren met tegengiften zou overladen, is zij als rechteloze nog altijd overgeleverd aan hun keuze om die gift te aanvaarden of te weigeren. Om die reden kan Grace zich ook niet voorstellen dat de mensen haar zouden aanvaarden. “Ik heb [immers] niets om hen terug te geven,” antwoordt ze helemaal in het begin op Toms voorstel om in Dogville te schuilen. [3] Zedenmeester Tom, op dat moment al compleet verliefd, ziet daarin een zoveelste ‘illustratie’ voor het ‘probleem’ dat de dorpsgemeenschap niet wil leren wat ‘acceptance’ is: wat het is om te aanvaarden, om aan te nemen. Wat het is om een gift te krijgen. [4]

 

3. Vrijheid ‘neemt’ wat ze krijgt

Na een tijd dringt de ware betekenis van zo’n gift maar al te goed tot Dogville door, al wordt men daar misschien minder verlicht van dan Tom had gehoopt. Nog tijdens McKay’s ontroerende speech komt een agent de weg naar het dorp opgereden om een nieuwe affiche op te hangen. Grace vlucht nog maar eens de afgedankte mijn in, en de dorpelingen bekijken met verbazing het nieuwe aanplakbiljet met haar portret, dit keer vergezeld van de boodschap dat zij gezocht wordt in verband met een reeks bankovervallen. Wanneer? wil Tom weten. Amper een paar weken terug, antwoordt de agent. Meteen is duidelijk dat de beschuldiging vals moet zijn, en toch is er vanaf dat moment iets gebroken. De wet mag zich immers vergissen, zij is nu eenmaal de wet. Wie haar niet volgt, is schuldig. [5]

Zoals steeds heeft Tom een oplossing paraat: als de balans door deze situatie verstoord wordt, dan is er gewoon wat ‘tegenwicht’ nodig. Dat Dogville de vluchtelinge ook tegen de wet in blijft beschermen, maakt de vrijgevigheid nog groter; daarom moet ook de tegengift worden opgedreven. Grace moet dus harder en langer werken voor minder geld. Maar de stugge Chuck (Stellan Skarsgård [6]), de man die zich tijdens de stemming pas als laatste voor Grace had uitgesproken, zit dichter bij de waarheid. Grace, zo zegt Chuck ongeveer, jij bent in Dogville de enige die zich voor mijn appels en mijn boomgaard interesseert, jij bent de enige die mij apprecieert en mij iets geeft om voor te leven, maar waarom geef je niet echt om mij, waarom geef je jezelf niet aan mij? Hij vraagt bijna letterlijk, waarom zij zich niet eens laat nemen, en zij ‘begrijpt’ hem: zij beseft dat ze hem alleen maar kan vergeven, en dat zij zelfs vergiffenis zou moeten vragen voor het feit dat ze hem zijn vraag kwalijk wilde nemen. [7] Chucks gedachtegang brengt de hele tragedie tot de kern terug. Grace heeft de gemeenschap zoveel gegeven, zoals Tom blijft herhalen [8]; zij maakt het leven voor iedereen een stuk aangenamer, en dankzij haar ‘gift’ is Dogville opnieuw een fantastische plaats om te leven. Maar waarom geeft ze zichzelf niet? Waarom onttrekt ze zichzelf aan die niet-aflatende stroom giften waarmee ze de dorpelingen verwent en verleidt? Waarom krijgen ze haar zelf niet? Zolang zij zichzelf buiten de gift houdt waarmee ze Dogville verleidt, zal ze nooit iemand van hen zijn, en heeft de politieaffiche gelijk. Als rechteloze vluchtelinge, die niet zoals de anderen in Dogville binnen de wet leeft, kan zij slechts tot de gemeenschap gaan behoren wanneer zij zichzelf volledig aan die gemeenschap geeft. Doet zij dat niet, dan moeten de anderen haar desnoods maar nemen. Ze hebben geen keus: desnoods moeten ze zich aan haar vergrijpen.

Ook de kleine Jason (Miles Purinton), het pientere en venijnige zoontje uit het zevenkoppige kroost van Vera (Patricia Clarkson) en Chuck, heeft dit goed begrepen. Hij ziet maar al te goed dat Grace, als tegengift voor de gastvrijheid van het dorp, alleen maar goeds kan teruggeven. Wetend dat zijn moeder elke vorm van fysiek geweld in de opvoeding verafschuwt – al was het maar uit afkeer van de gewelddadigheid van haar man – geeft Jason zich over aan zijn ‘infantiel sadisme’: onophoudelijk haalt hij Grace het bloed onder de nagels vandaan, in de hoop dat zij hem een pak slaag geeft. Hij gaat zelfs zover om aan de wieg van zijn jongste broertje Achilles te schudden en vervolgens een pak slaag te eisen. Je hoort me een klap te geven, want ik ben stout, aldus het kind; als je me geen klap geeft, vertel ik mamma toch lekker dat je me geslagen hebt en ik weet zeker dat ze het voor mij opneemt en dat jij de kop van jut bent. Jason kan Grace niet ‘nemen’, dus keert hij de rollen om: hij dwingt Grace hem te nemen, want hij weet dat Grace niets te nemen en alleen te geven heeft. Neem mij en je bent genomen, zo redeneert hij; Grace, radeloos, ziet geen uitweg en geeft Jason het gevraagde pak voor zijn broek.

Kort daarna komt zijn vader Chuck binnen. Nukkig en verward als altijd vertelt hij Grace dat de politie al in het dorp is, en dat hij ze een vreemd kledingstuk heeft aangewezen dat in het bos lag, met haar initialen erin; maar hij heeft het meegenomen. Hij had, zo vertelt hij, natuurlijk ook Toms hoed aan de politie kunnen geven, want die was ook verloren gewaaid in het bos. En nee, Grace moet niet weglopen of gaan schreeuwen, hij kan het toch niet helpen dat zij zo listig was hem het gevoel te geven (eindelijk) iemand te zijn. Het is háár fout dat hij nu zo’n nood heeft aan respect van haar kant… [9] Chucks delirante, maar logische betoog eindigt in een brutale verkrachting. Zij die niet onder bescherming van de wet staat, maar zich toch niet geeft, zal worden genomen – hij laat haar op de vloer van zijn huis achter en stuurt de politie met een smoesje wandelen.

Vanaf dan gaat het van kwaad naar erger. Chucks verkrachting wordt de eerste in een hele reeks. Door Jasons intriges valt Grace bij Vera in ongenade, en verliest zij alle geloofwaardigheid. Wanneer Chuck betrapt wordt op het moment dat hij zich aan Grace vergrijpt, legt Vera de schuld onmiddellijk bij Grace: hoe durft ze haar stugge, maar brave man te verleiden. Uiteindelijk stopt Grace de trucker Ben (Zeljko Ivanek) geld toe om haar in zijn laadbak te verbergen, zodat ze Dogville stiekem kan ontvluchten – het geld leent ze bij die goede Tom die het naar eigen zeggen van zijn vader kon lenen. Na een tijdje stopt de vrachtwagen, en komt Ben melden dat ze onder zware politiebewaking op het marktplein van Georgetown staan. Hij acht een ‘risicopremie’ bovenop zijn gage noodzakelijk, verkracht haar in de met appels gevulde laadbak, en rijdt haar vervolgens ongemerkt terug naar Dogville.

Daar stapelen de vernederingen zich op. Grace wordt ervan beschuldigd Toms vader te hebben bestolen, en ze krijgt een heus ijzerwerk rond de hals, voorzien van een bel en een lange ketting die aan een molensteen is vastgemaakt. Zo blijft Dogville verzekerd van de dagelijkse klusjes waaraan iedereen inmiddels gewend is geraakt. Elke nacht krijgt Grace bezoek van de mannen van het dorp die hun lusten komen botvieren. Zelfs de bel aan haar ijzerwerk houdt niemand tegen: wat zij doen met zo’n diep gevallen vrouw, zo’n hondin, kan toch bezwaarlijk een seksuele daad worden genoemd. [10]

 

4. Geven en vergeven

En nog is meester Tom niet ten einde raad. Natuurlijk was hij zo laf om de mensen te verzwijgen dat hij zijn vader heeft bestolen om Grace geld te kunnen lenen. Maar heeft dat zijn neutrale positie in het dorp niet gevrijwaard, zodat hij ook nu weer ongehinderd voor haar kan opkomen? Hij brengt de dorpelingen opnieuw samen in het mission house, waar hij als ultieme redmiddel Grace naar waarheid laat vertellen hoe ze door Vera, door Jason, door Chuck, door Ben, en door zo vele anderen is zwartgemaakt, vernederd, misbruikt en verkracht. Het wordt een heuse waarheidscommissie, waar het slachtoffer in de aanwezigheid van haar beulen eindelijk vrijuit kan spreken, zodat de heilzame werking van bekentenis en vergeving een kans krijgt. Maar tevergeefs: de rangen sluiten zich, iedereen wil van Grace af, en Tom wordt gesommeerd eindelijk eens te kiezen: voor ‘ons’ of voor die vluchtelinge.

Tom verlaat het mission house, bezoekt Grace en verklaart dat hij kiest voor haar en hun liefde. Daarop geeft hij voorzichtig te kennen dat hij haar ook wel eens wil bezitten, maar Grace reageert vriendelijk en beslist: doe niet zoals de anderen, neem me niet geketend en onder dwang, wacht tot we vrij zijn. Dat kwetst hem harder dan hem lief is, en plots… kiest hij voor de andere kant. Als iedereen vindt dat Grace een gevaar is voor Dogville, dan is zij dat ook voor hem. Zijn ultieme project van collectieve vergiffenis is niet zomaar door de voltallige gemeenschap afgewezen. De beautiful fugitive die Dogville nieuw leven leek te geven, blijkt toch een vergiftigd geschenk te zijn geweest. Tom vist het naamkaartje van de gangsters uit zijn schuif en belt hen.

Vijf dagen wacht het dorp in spanning. Als het zover is, wil Tom het hoge bezoek namens het dorp ontvangen, maar hij wordt door de maffiosi genegeerd. De meegereisde godfather eist dat Grace onmiddellijk van haar ketens wordt bevrijd, en laat het hele dorp onder schot houden. Hij blijkt de vader van Grace. Sinds zijn dochter was weggelopen, ziet hij haar voor het eerst terug; en niet om haar met alle geweld naar huis te sleuren – ze is vrij te doen wat ze wil – maar om met haar te praten, om het gesprek te beëindigen waarmee zij indertijd de deur had toegetrokken. Het resultaat van dit nieuwe gesprek, dat zich achter de geblindeerde ramen van de maffiawagen afspeelt, is verpletterend: op het einde stapt Grace uit, en beveelt ze in pure maffiastijl om het dorp volledig plat te branden en uit te moorden. Vera, de vrouw van Chuck, krijgt een voorkeursbehandeling: ze moet eerst toekijken hoe haar kinderen worden vermoord, alvorens ze zelf wordt afgemaakt. Ook voor Tom, die als laatste aan de beurt komt, heeft ze iets speciaals bedacht: hij krijgt van haar persoonlijk een kogel door de kop. Het enige wezen dat, eveneens op uitdrukkelijk bevel van Grace, aan de slachtpartij ontsnapt, is de hond Mozes.

Welk verpletterend inzicht deed Grace zo abrupt van gedachten veranderen? Maanden eerder was ze kwaad uit diezelfde auto gestapt, om het gangstermilieu voorgoed de rug toe te keren. Natuurlijk was er sindsdien van alles gebeurd. Ze had het ware leven leren kennen, het leven van simpele mensen in een gewoon dorp, ‘goede mensen’ die hard moeten werken en die hun liefdes en ruzies niet met pistolen beslechten, hoe onbeholpen ze verder ook met elkaar omgaan – ook daar wist Grace intussen het fijne van. Misschien had ze dit alles moeten doorstaan om te kunnen begrijpen wat haar vader destijds had willen zeggen. Van zijn kant was hij toen pijnlijk getroffen door wat zij hem verweten had: zij had hem arrogant genoemd. Plunderen ‘als was het een door God gegeven recht’ is inderdaad redelijk arrogant.

Maar in de voortzetting van dat gesprek op het einde van de film keert de godfather de zaken om: zij is volgens hem arrogant. [11] Niet zozeer omdat zij over mensen oordeelt en zich daarin God waant – dat doet hij namelijk ook – maar omdat ze dat niet doet: omdat ze hen bij voorbaat vergeeft. Haar vergevingsgezindheid, haar goedheid, haar mededogen, haar menselijkheid: dát is haar arrogantie. Dat ze het de mensen in Dogville nog steeds niet kwalijk neemt dat ze haar hebben misbruikt en verkracht; dat ze maar blijft wijzen op hun schamele bestaan ‘in moeilijke omstandigheden’; dat ze hen de misdaden waarvan ze zelf getuige én slachtoffer is geweest, niet als schuld wil aanrekenen, dát is onnoemelijk arrogant. “In verkrachters en moordenaars zie jij nog altijd slachtoffers,” zegt haar vader. [12] “Jij hebt dat vooringenomen idee dat niemand […] in staat is dezelfde hoge ethische norm te halen als jij, zodat je hen ervan vrijstelt.” [13] Graces fout is niet dat ze mensen wel eens vergeeft, maar dat ze dit altijd en onvoorwaardelijk doet. Dat is het ergste en meest boosaardige wat je mensen kunt aandoen, want zo ontneem je hen elk normbesef. Omdat Grace iedereen al vergeven heeft, kan niemand nog over de schreef gaan en een misdaad plegen: dat is haar misdaad. Door hen alles te geven, door zichzelf aan hen te geven en hen in een moeite door te vergeven dat ze haar zo schandelijk nemen, neemt zij hen alles af. Elk gevoel voor wet en recht zijn die mensen nu kwijt, elke houvast hebben ze verloren om in een uitzichtloze wetteloosheid rond te zwalpen. En, erger nog, zo betoogt de godfather: op die manier stel jij jezelf boven de wet, alsof je juist ongenaakbaar bent op het moment dat heel de wereld soeverein over jou denkt te kunnen beschikken.

Wat haar vader hier zegt, had ook Chuck al uitgesproken. Grace geeft en is één en al gift, maar ze geeft zichzelf niet. Ze geeft mensen weer iets om voor te leven, ze doet hen opnieuw zin krijgen om zich aan het leven te geven, en om zich aan haar te geven. Maar tegelijk blijkt dat de gever, juist waar zij volop geeft, zichzelf nooit geeft. In haar vergevingsgezindheid trekt ze zich uit haar gift terug, en zo blijft ze voor haar eigen gift immuun. Ze blijft de Maagd, de Immaculata, de Onbevlekte Ontvangenis: op het moment dat jij je aan haar geeft en dat zij zich aan jou geeft, blijft ze in wezen onaangeroerd. Die arrogante ongenaakbaarheid brengt je natuurlijk buiten jezelf. Zij ontneemt je immers je verkrachtingsdaad nog voor je eraan begonnen bent. Ze heeft je immers al vergeven. Chuck had nog een hele scène opgezet: hij had haar gechanteerd met dat kledingstuk, hij had de politie geroepen, en zijn eigen huis als plaats van de misdaad gekozen. Maar had hij beseft dat zijn misdaad hem bij voorbaat al vergeven was, dan was zijn hele plan nog ridiculer geweest. Toch zou dat hem niet hebben tegengehouden, het zou hem alleen tot een ‘wetteloze’ razernij hebben gebracht. Alleen zijn ongeletterde stugheid heeft hem (en haar) voor erger behoed.

 

5. Gegeven: Apocalyps nu

Is dat het inzicht waarmee ze uit de wagen stapt om het bevel tot de slachtpartij te geven? Heeft ze in de woorden van haar vader opnieuw de hulpeloze blik van Chuck gevoeld, en zich nu echt in zijn hulpeloosheid herkend? Is het omdat ze haar eigen hulpeloosheid herkent dat ze dit hele zootje niet meer kan vergeven, maar alleen kan straffen, om zich te wreken? Dit heeft zeker meegespeeld: ze heeft haar ‘begrip’ voor Chuck en de moeilijke omstandigheden waarin de dorpelingen leven, laten varen. Eindelijk is ze een van hen geworden, een mens onder de mensen, dat wil zeggen een ‘schurk onder de schurken’. [14]

Maar dat is niet alles. Vóór ze die beslissing nam, had ze haar vader immers ook gevraagd of ze, zoals hij eigenlijk al had beloofd, in zijn ‘verantwoordelijkheden’ mocht delen, wat betekent: de absolute macht krijgen en dus tot nieuwe godfather worden gepromoveerd; niet in een verre toekomst, maar met onmiddellijke ingang, nu meteen. En hij had haar zonder aarzeling de macht overgedragen, een macht die zij meteen ten volle gebruikt, en wel door – naar een oude maffiagewoonte – de machtsoverdracht onmiddellijk met een transgressie te verkrachten. Want zo had haar vader dat natuurlijk niet bedoeld. Hij had gezegd dat je mensen hun normgevoel, hun standaard, hun wet niet mocht afnemen. Natuurlijk moet je bij momenten wreed zijn, maar voor de maffia is die wreedheid altijd ook een ode aan de wet. De maffia overtreedt de wet weliswaar, maar niet zozeer om de mensen die wet te ontnemen, als wel om ze opnieuw te bevestigen. Zonder wet zou er immers geen misdaad zijn.

Die basisregels treedt de kersverse godfather zonder meer met voeten. Ze beslist niet om het dorp te berispen en te laten voelen dat het zich op de meest ontoelaatbare manier aan collectief sadisme heeft bezondigd; ze wil het dorp niet het standje geven waar het bij monde van de kleine Jason zelf om had gevraagd. Evenmin wil ze Dogville beter maken. Daarvoor is Dogville gewoon niet goed genoeg, beseft ze nu: “Als er één dorp is waar de wereld beter zou van worden als het er niet is, dan is het dit.” [15] Zoals Jahwe in het onverkwikkelijke verhaal van 1 Samuel 15 het bevel geeft om “Amalek neer te slaan” en iedereen om te brengen, “mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels”, zo spreekt Grace een bovenmenselijke banvloek uit over Dogville. [16] Maar nauwgezetter dan de troepen van Saul, die eerder buit dan slachtoffers willen maken, voeren de troepen van Grace die banvloek onverkort uit. Het dorp wordt met de grond gelijkgemaakt, al wat rechtop staat brandt, en al wat leeft gaat dood. Behalve de hond van het hondendorp.

 

6. Gegeven: een buiten

Chuck had gelijk: Grace is nooit een van hen geweest. Eén en al gift, heeft ze nooit zichzelf gegeven. Ze blijft de dochter van een maffiabaas – maar is ze dan weer een van hen geworden? Is ze tot de maffia teruggekeerd? Ook dat niet. Haar bevel tot deze ‘holocaust’ druist al te zeer in tegen een logica die ook de maffia niet naast zich neer kan leggen. Met haar misdaad heeft Grace geen enkele wet gesteld of hersteld in Dogville, ze heeft het stellen van een wet alleen onmogelijk gemaakt. Aangezien de transgressieve macht van de maffia slechts bestaat bij gratie van de wet die ze overtreedt, ondermijnt ze ook het bestaansrecht van de maffia zelf. Grace behoort dus tot Dogville noch tot de maffia. Wat ze de dorpelingen weigert, weigert ze ook wanneer ze zich tegen hen keert: ze weigert toe te treden tot de ‘cirkel van de schuld’.

Precies daarom is Grace zo vergevingsgezind. Door alles te vergeven, kan ze zichzelf voor heilig blijven aanzien. En waar ze zich toch schuldig weet (wat in een bepaald opzicht altijd het geval is), wentelt ze zich al te zeer in het comfort van haar schuldbewustzijn: ze weigert over die schuld ook schuldig te liegen. Net zoals de dorpelingen is ze trouw aan de bestaande wetten en regels, er vast van overtuigd dat die ten goede leiden, maar in tegenstelling tot Grace hebben de dorpelingen deel aan de wet vanuit een besef dat je nooit met de wet in het reine bent, en dat je daarom altijd, bewust of onbewust, moet schipperen tussen trouw en ontrouw aan de wet. Hoezeer je ook je best doet, je staat altijd al in de schuld. En des te beter, want het gesjoemel van mensen komt de wet ook ten goede. Omdat Grace echter het gesjoemel van Dogville verafschuwt, gaf ze zich niet aan Dogville en voelde Dogville zich terecht verraden; daardoor konden de dorpelingen bijna niet anders dan hun eigen verraad ten aanzien van haar opdrijven, waardoor ze nog duidelijker buiten de gemeenschap en haar ‘kring van de schuld’ kwam te staan.

Ook wanneer Grace naar de échte schurken terugkeert, gebruikt ze haar macht niet om de cirkel van de schuld te betreden, maar om die te doorbreken, en de wereld te zuiveren van misdaad en schuld. Ze wreekt zich niet, ze betaalt Dogville niet met gelijke munt; dat zou haar te zeer de gelijke maken van die mistroostige dorpelingen. Ze is inderdaad arrogant; ze veracht de mensen van Dogville omdat ze samenleven bij de gratie van een wet die ze heimelijk met de voeten treden. Om de wereld daarvoor te behoeden, zet ze letterlijk haar apocalyptische macht in. Ze keert dus alleen terug om Dogville als voorbeeld voor de wereld te kunnen uitroeien, en een heilige wraak te voltrekken waar de maffia onvermijdelijk het ultieme mikpunt van moet worden.

 

7. Gegeven: een object

Grace staat overal buiten. Haar ‘buitenpositie’ is zo radicaal dat ze bijna niet menselijk te noemen is. De film is daarin erg duidelijk, niet alleen omdat Grace met het onmenselijke wordt geassocieerd – onmenselijk is zij als slachtoffer én als beul – maar ook doordat de film Dogville niet echt over Grace gaat. Als persoon is zij niet het onderwerp van de film. Elke toegang tot haar psyche wordt ons immers ontzegd. We weten niet wat ze denkt, voelt of wil – ze blijft al bij al een abstract personage.

Zij is geen subject – in de twee betekenissen van het woord: zij heeft geen specifieke subjectiviteit én zij is evenmin het onderwerp (‘subject’) van de film. Het onderwerp is Dogville zelf, en de rol van Grace bestaat erin het ‘object’ van Dogville te zijn: ‘iets’ dat daar toevallig binnenkomt, en het voorwerp wordt van Dogvilles (gast)vrijheid. Niet door de karweitjes die zij opknapt, geeft Grace iets aan Dogville. Zij ‘geeft’ niet als een subject dat zich actief voor de gemeenschap inzet, maar als een object waarnaar het dorp kan verlangen. Anderzijds betekent dit niet dat Grace met dit object samenvalt; dat is juist haar drama. Grace belandt slechts toevallig op de plaats van dat object, op de plaats van dat reeds genoemde ‘iets’ – een ‘iets’ dat aan de samenleving ontsnapt, dat niemand goed kan plaatsen, maar dat de samenleving niettemin bindt doordat zij ernaar verlangt.

Omdat dit ‘iets’ van de orde van het verlangen is, komt het per definitie van buiten. Het is een ‘probleem’ dat mensen in beweging zet en hun leven weer zin geeft. Alleen geeft Grace die zin niet zélf. Zij is het niet die de mensen opnieuw iets geeft om naar te verlangen. Doordat zij op de plaats van dat ‘iets’ belandde, dat excentrische ‘iets’ waarop een verlangen gericht is, heeft ze de mensen slechts aan dit ‘iets’ herinnerd en hun verlangen aangewakkerd. Haar tragedie begint op het moment dat de mensen zich inbeelden dat zij dit ‘iets’ zelf bezit, dat zij het dus kan geven, dat men het van haar kan eisen. Daarin berust de verwarring van Chuck en de rest van het dorp, en daarom verwijten zij haar dat ze, ondanks haar grenzeloze vrijgevigheid, weigert om zichzelf te geven. Maar zelfs indien ze zichzelf zou geven, wat ze in zekere zin toch doet, zou ze nooit geven wat Chuck en de anderen écht willen. Zij willen immers datgene wat hen doet verlangen, ze willen het object dat de grond is van hun verlangen, want ze willen dat verlangen meester worden. En over dat ultieme object van verlangen is niemand meester, ook niet diegene die toevallig op de plek van het object terechtkomt. Dogville zal dus nooit tevreden zijn, ook al geeft Grace ‘zichzelf’.

Het object van verlangen waarin Dogville zijn laatste ankerpunt vindt, valt per definitie buiten Dogville. Wat het dorp doet verlangen en waarvan het dus leeft, is een genade, een Grace; geen goddelijke genade die uitgaat van een bovennatuurlijk en oppermachtig subject, maar een onhandelbare genade die uitgaat van een opwindend maar onbevattelijk ‘iets’. Dit ‘iets’ is een fantasma dat het dorp zelf opwekt, en dat zich toch buiten het dorp situeert. Het is datgene waardoor Dogville tot een gemeenschap wordt, maar dan enkel door ernaar te verlangen en het dus niet te bezitten. Indien Dogville zich dit ‘iets’ zou toe-eigenen, zou het daar zelf het slachtoffer van worden. Waar het dorp zich de grond van zijn verlangen toe-eigent, houdt het op te bestaan.

En zo geschiedt: zodra de gemeenschap zijn fantasma niet alleen in Grace herkent, maar ook letterlijk uit haar wil opdelven, ontvangt die gemeenschap geen nieuw leven, maar wordt ze ontwricht. Het dorp dat meester wil worden van de gift, zet zijn eigen verlangen en dus zichzelf op het spel. Dit verlangen toont zich nu als een doodsverlangen. Het tweede, sadistische deel van het verhaal brengt daar gedetailleerd verslag van uit. Het toont de diverse pogingen van Dogville om de ‘zin’ en het ‘verlangen’ dat Grace hen geeft, daadwerkelijk te bemachtigen en meester te worden – door zich letterlijk aan haar te vergrijpen. Niet alleen voor Grace, ook voor Dogville wordt die gift nu een marteling: de dorpelingen ervaren immers dat ze alleen maar naast die gift kunnen grijpen, en dat maakt hen nog ongelukkiger. Hun onmacht reageren ze af op Grace.

Die onmacht treft Grace een tweede keer op het einde van de film, als zij haar wrede beslissing neemt. Dan blijkt dat zij de plaats van het object van waaruit zij Dogville deed leven en verlangen, onmogelijk als subject kan innemen. Deze plaats is immers een ‘abjecte’ plaats; op die plaats staat ze buiten Dogville én buiten de maffia. Nam ze die plaats als subject in, dan zou ze de ‘kring van de schuld’ binnentreden, een schurk onder de schurken worden, eender of ze voor de gewone mensen of voor de maffia koos. In plaats daarvan blijft Grace koppig op de plaats staan waar anderen haar hebben neergezet, en waar ze zich het ultieme object van hun verlangen fantaseren: de plaats waar hun verlangen buiten de cirkel van de schuld zou treden, buiten het compromis, om op te gaan in de geile onschuld van het genot. Staand op dat ultieme punt waar ieders verlangen naar uitgaat, en dat zich nu als de plaats van de soevereine almacht toont, krijgt ze de vrijheid te doen wat ze wil. Ze doet dit evenwel niet als het subject van haar verlangen, maar als het object van andermans verlangen, als het begeerde-tegelijk-abjecte ding waar de goegemeente zich door aangetrokken voelt. In haar macabere beslissing wordt het punt zichtbaar tot waar het verlangen van de anderen reikt: tot de dood die elk verlangen opschort. Van dat object, van die dood was de gift afkomstig die Dogville tot een ‘fantastische plaats om te leven’ maakt. De dood is de ultieme naam voor de blinde ‘genade’ (grace) waar de gift van uitgaat.

 

8. Pasolini’s theorema

De plaats die Grace in Dogville bekleedt, komt in veel opzichten overeen met de plaats die de (naamloze) ‘gast’ bekleedt in Pasolini’s Teorema (1968). [17] Ook deze film draait rond een figuur die plots, door een genadig toeval, komt binnenvallen – deze keer in de beslotenheid van een Milanees bourgeoisgezin. Hij wordt er gastvrij ontvangen en dient aan elk van de familieleden een ‘injectie’ van nieuw leven toe: hij doet hen opnieuw verlangen. Wanneer hij, even onverwacht als hij gekomen was, weer vertrekt, laat hij ieder van hen volkomen ontwricht achter.

Zijn gift is dezelfde onhandelbare en desastreuze gift als die van Grace in Dogville, maar krijgt een andere ‘setting’. De leden van het gezin – een industrieel, zijn echtgenote, hun zoon en dochter, en de meid van het huis – raken allemaal in de ban van de innemende schoonheid van de jonge ‘gast’, die zich zonder voorbehoud aan hen geeft. Maar in dit geval zijn de ‘begenadigden’ niet zelf aan zet, zij nemen hem niet, zoals de mensen van Dogville Grace nemen: de gast neemt integendeel hen, ook seksueel en telkens met volle instemming van de betrokkene. De gift is hier dus actiever en (letterlijk zelfs) mannelijker geënsceneerd dan bij Von Trier. Zij gaat niet uit van een object, maar van een actief subject dat zelf het initiatief neemt, dat ‘neemt’ en in dit ‘nemen’ actief geeft. De ‘gast’ schenkt wat men van hem verlangt, en – wonder van de erotische gift – doet dit precies door hen te ‘nemen’.

Religieuze reminiscenties zijn in de films van Pasolini nooit ver weg, en Teorema vormt daarop geen uitzondering. De ‘gast’ kun je probleemloos duiden als een geseculariseerde Christusfiguur. Ook de Messias gaf zich, als ‘openbaring’ van een goddelijk ‘buiten’, met een liefde die alle grenzen te buiten ging. Hij schonk de mensen niet alleen een nieuw en eeuwig leven, hij schonk ook letterlijk zichzelf – niet in erotische zin, zoals de ‘gast’, maar lijfelijk en reëel. Hij liet zich voor hen afslachten. Die radicale gift, zo geloofden zij die ervoor openstonden, maakte de weg vrij naar een leven dat geen dood meer zou kennen. Wanneer, na Christus’ radicale gift en ondanks zijn verrijzenis, de dood bleef heersen zoals tevoren, kon dit het verlangen naar een ander, eeuwig leven toch niet smoren, een verlangen dat zij die in hem geloofden meer kwelde dan hen lief was. Zelfs de lofzangen op hun verrezen Heer verraadden vooral de klacht dat hij van hen was weggegaan en, ondanks gedane beloften, nog steeds weigerde terug te keren.

De ‘intrusie’ van de gast in de Milanese familie kent een zelfde structuur. Hij valt het verkrampte bourgeoismilieu met zo’n ontwapenende onschuld binnen, dat de geijkte coördinaten er alle geldigheid verliezen. Ook wanneer hij, tegen alle regels van fatsoen en moraal in, met elk van hen de liefde bedrijft, tast dat zijn onschuld niet aan. Integendeel, iedereen begint nu nog intenser naar een nieuwe onschuld te verlangen. Bij de gezinsleden ontluikt meer dan ooit de hoop op een leven dat niet bezoedeld is door schuld en compromissen. Wanneer de gast is vertrokken, kantelt die hoop in ontreddering en wordt zijn openbarende liefde een onuitputtelijke bron van kwelling.

De verheven metaforiek waarmee de religie die openbaring en haar effect beschrijft, is bij Pasolini vervangen door een aardse erotiek. Maar ook het monotheïsme was niet zonder erotische connotaties – denk maar aan de woorden van de profeet Jeremia: “Heer, U hebt mij verleid; ik ben bezweken, U was te sterk voor mij.” [18] Die bekentenis lezen we ook in de blik van de vijf gezinsleden, op het moment dat ze voor de erotische charmes van de gast bezwijken.

Pasolini leest de monotheïstische religie als de articulatie van het gevoel overweldigd te zijn door een gift waaruit een mens weliswaar al zijn kracht put, maar die hem tegelijk weerloos maakt en ‘verkracht’. Als het bestaan een zin heeft, dan berust die in de genade van een alles overspoelende gift. In dat inzicht berust de intelligentie van de religie. Natuurlijk serveert de religie een fabel, maar haar kern ligt minder in die fabel zelf dan in de gift die er aan de orde wordt gesteld. Het leven is een gift, een gift die ons gegeven is door een god, maar daarmee zegt de religie ook altijd dat de mens die gift niet aankan. Welke tegengift hij ook verzint, door offers, gebeden of goede werken, tegen de gift van God valt niet op te bieden: er blijft een discrepantie tussen de goddelijke gever en de menselijke ontvanger.

Dit geldt bij uitstek voor de monotheïstische traditie. In een van de stichtingsverhalen van deze traditie wordt verteld hoe Jakob, de aartsvader van het joodse volk, door God wordt omgedoopt tot ‘Israël’ – wat ook de naam wordt voor het volk dat van Jakob afstamt én voor de oudste monotheïstische traditie. Jakob krijgt die naam na een nacht waarin hij, op de vlucht voor zijn broer Esau, alleen achterblijft en bezocht wordt door een “man” die met hem “vecht tot het aanbreken van de dageraad”. Het gevecht blijft onbeslist, en de man, die kennelijk de dageraad schuwt, stoot Jakob “boven tegen de heup […] zodat die ontwricht werd”. Vervolgens wil de man ervandoor, maar Jakob, die merkt dat er iets vreemds aan de hand is, eist dat de man zich eerst bekendmaakt en hem zegent. Zijn naam geeft de man niet prijs, maar met de zegen die hij Jakob toedient, verandert wel de naam van deze laatste: “voortaan zul je niet meer Jakob heten, maar Israël, want je hebt met God en met mensen gevochten en je staande kunnen houden.” Pas nadat Jakob met de Naamloze – met God – gevochten heeft, krijgt hij diens zegen, om voortaan te leven van de genade van diens gift, en met zijn twaalf zonen de basis te vormen voor het twaalf stammen tellende ‘volk van Israël’. [19]

Ook in het verhaal van Jakob en Israël verschijnt de mens als gegrepen door een gift die hem ontredderd en vragend achterlaat: de mens is een vraag waarop geen sluitend antwoord bestaat; hij is een brandend verlangen dat, net als het brandende braambos [20], alleen door zijn eigen vuur wordt gevoed. Elk religieus discours draagt deze negatieve, tragische grondstructuur van de mens in zich, maar verbergt deze tegelijk door er een positieve wending aan te geven. God is wel de naam voor een gift die ons ‘verkracht’, maar dat die gift van hem uitgaat, geeft ons ook altijd de garantie dat we door een heilzaam geweld worden overspoeld – een ‘geweldige’ goedheid. God is zo ‘geweldig’ goed omdat hij het oergeweld waarop de mens berust, in bedwang houdt, en het transgressieve geweld van die gift met zijn nog grotere transgressieve macht ten goede doet keren. Vandaar ook zijn oneindige vergevingsgezindheid, die hem boven de wet verheft en dus in de buurt van de misdaad brengt. Omdat hij machtiger is dan de machtigste gangster, kan hij elke misdaad niet alleen bestrijden, maar ook vergeven. Omdat hij een God van de wraak is, is hij ook een vergevende god.

In Teorema ontdoet Pasolini dit verhaal van de religieuze bovenlaag: hij articuleert de grammatica van de gift in louter menselijke termen. Niet God geeft, maar de mens, en de liefde die hij geeft is menselijk en dus erotisch van aard. Net zoals de oude christelijke God geeft hij zich aan de mensen, en daarbij laat hij alle wetten en regels achter zich; maar als mens beschikt hij niet langer over het vermogen om die transgressie ten goede te keren. Hij kan het gif in de gift niet meer transformeren tot het waarmerk van een almachtige goedheid; de omkering van de kruisdood in de verrijzenis en verlossing is niet meer mogelijk. Op de prozaïsche, zij het mysterieuze erotische overweldiging van de gast volgt slechts het onvermogen om daarmee in het reine te komen.

 

9. Lars von Triers theorema…

En toch, hoewel Pasolini die grondeloze gift van zijn religieuze aspect wil ontdoen, is zijn film religieuzer dan hem lief is. Dit heeft te maken met het humanistische restant van Teorema: de liefdesgift gaat nog steeds uit van een mens, een mooie jongeling. Verbergt dit ‘humane’ beeld niet op zijn beurt de basale structuur van de gift? Gaat de gift die hier wordt blootgelegd, de gift die de mens leven geeft en hem tegelijk uit balans brengt, in laatste instantie wel uit van een mens? Is de alteriteit waarnaar de gift verwijst nog ‘humaan’ te noemen? Dit zou veronderstellen dat er een oorspronkelijke menselijke onschuld bestaat, geïncarneerd in een volmaakt schone mens, die aan ons bestaan zin geeft door ons te ‘nemen’ – al is die ‘zin’ dan een even onmisbare als onaanvaardbare gift.

Op dit punt zet Von Triers film een theorema neer dat voorbijgaat aan dat van Pasolini. Dogville suggereert dat achter het gevende subject een ‘object’ schuilgaat dat de ware bron van de gift is. Het sekseverschil tussen de schenkers van Pasolini en Von Trier is hierbij niet zonder betekenis. Bij Pasolini gaat de gift uit van een ‘man’, in de traditionele zin van het woord: iemand die actief geeft en neemt. Von Trier laat de gift uitgaan van een ‘vrouw’, die eveneens in haar traditionele rol optreedt: iemand die genomen wordt en die, wanneer ze geeft, dat doet ondanks zichzelf, als een ‘bron’, om maar een klassiek beeld te gebruiken. Beide films zetten een stereotiep man- en vrouwbeeld in om hun theorema zo scherp mogelijk te formuleren. Wat Pasolini in een klassieke ‘mannelijke’ grammatica verbeeldt, hertaalt von Trier in zekere zin in een klassiek vrouwelijke setting. De functie die beiden aan de schoonheid toedichten, is daarbij telkens revelerend.

Grace mag dan een ‘bloedmooie vluchtelinge’ zijn, haar schoonheid functioneert op een andere manier dan die van de intrigerende ‘gast’ in Teorema. Neem bijvoorbeeld de scène uit Teorema waarin de gast bespied wordt door Pietro, de zoon van het gezin. De gast slaapt in de kamer van de zoon, en die laatste kan het niet laten om bij het bed te gaan staan en, na lang aarzelen, stiekem de dekens weg te halen om in volle bewondering naar het naakte lichaam te staren. Als de gast op dat moment ontwaakt, raadt hij onmiddellijk Pietro’s voyeuristische bedoelingen en ziet hij hoe de puber het besterft van schaamte. Maar in plaats van een verwijtende blik, zien we in de ogen van de gast “dat vaderlijke licht vol moederlijk vertrouwen”, en hij buigt zich over Pietro om zich aan hem te ‘geven’. [21] De gast ‘stort’ zich in liefde over Pietro uit, zoals Jahwe’s geest zich over iemand uitstort, namelijk op een manier die overheerlijk en tegelijk ontwrichtend is. [22] De schoonheid van de ‘gast’ verblindt, zoals Jahwe’s geest verblindt, of zoals de duisternis Jakob verblindde: de schoonheid reveleert niets, zij verhult de bron van de gift. Zij omarmt het overweldigende en ontwrichtende gebeuren van de gift met een zachte en verblindende genade, waarachter de eigenlijke oorsprong van de gift verdwijnt.

De schoonheid van Grace is daarentegen geen ontzagwekkende openbaring waar mensen uit angst of schaamte voor terugdeinzen. Het is Grace zelf die vol angst en schaamte voor de dorpsbewoners verschijnt. Haar schoonheid wekt het verlangen op, maar sluit dat verlangen niet genadevol in de armen. Of juister, Grace kan dat maar heel even – en ondanks haarzelf. In tegenstelling tot de gast is ze niet in staat te geven wat de anderen verwachten, waardoor de plattelandsidylle niet alleen voor het dorp maar ook voor haarzelf in een hel ontaardt – daar waar Pasolini’s ‘gast’ aan de hel ontsnapt die hij achterlaat.

De lotgevallen van Grace tonen in zekere zin wat de ‘gast’ zou zijn overkomen als hij niet was vertrokken en zijn vijfvoudige erotische relatie had voortgezet. Het Messiaanse aura dat hem omgaf, zou niet lang overeind zijn gebleven. Van iemand die zo genereus is hen te ‘nemen’, zou hij iemand geworden zijn die, zoals Grace, door hen genomen werd. Ook de verbluffende onschuld die in zijn transgressies zo vorstelijk overeind bleef, zou binnen de kortste keren in de banale molen van schuld en aflossing terecht zijn gekomen. De subversieve minnaar zou de alledaagse geliefde geworden zijn. Misschien was hij nog een bron van subversie gebleven, maar dan zonder die subversie meester te zijn; eerder was hij er het slachtoffer van geworden.

Hier stoten we op de grenzen van Pasolini’s erotische metafoor. Die werkt slechts bij de gratie van de religieuze verwijzing waarvoor ze juist een alternatief wil bieden. De film toont hoe de mens in een overweldigende erotische ervaring wordt geconfronteerd met de gift waarop hij teruggaat, zonder dat hij haar kan toe-eigenen. De mens blijkt gegrepen door een verlangen dat hem ‘neemt’ en waar hij, hoewel het ‘zijn’ verlangen is, toch nooit greep op krijgt. Dit is het theorema van Teorema. Maar Pasolini laat die erotische gift uitgaan van iemand die aan de paradoxen van eros en gift ontsnapt, doordat hij ze beheerst. Daarmee verliest de giftmetafoor haar subversieve kracht. De fatale onmogelijkheid die zich in de gift aandient, blijkt niet op te gaan voor de schenker. Als de rol van de ‘gast’ die van een afwezige is (zelfs afwezig in de liefde die hij bedrijft), dan niet van de afwezige mens, maar van een afwezige god. Hij is diegene die sinds Gods dood niet langer mogelijk is: de bezitter en schenker van de gift waarvan de mens leeft; hij is het onmogelijke soevereine subject dat bewust en vrij, als een ware ‘Heer’, de gift die liefde heet – of de liefde die een gift is – uitdeelt en weggeeft zonder er zelf aan ten onder te gaan.

Die metafoor van een mannelijke, ‘heerlijke’ schenker dringt niet door tot de kern van de gift. Dogville is op dat vlak strenger en preciezer. De gift die het dorp doet opleven, en waar de dorpelingen überhaupt van leven, is hen gegeven in de strikte zin van het woord: de gift komt van buiten, uit het niets, en is volkomen gratuit. Maar daarbuiten, waar die gift vandaan komt, is er geen sprake van een volmaaktheid die genereus kan zijn. Dit ‘buiten’ is niets anders dan het ‘object’ van ons verlangen. Ons bestaan is één en al verlangen; het wordt ons paradoxaal gegeven door datgene wat we niet hebben. We krijgen wat we zijn (we zijn niet zomaar wat we zijn), en we krijgen het van wat we verlangen, van wat we buiten onze wereld dromen, van dat louter fantasmatische ‘iets’ waarvan we hopen dat het ons boven de sleur van alledag zal uittillen.

Eeuwenlang hebben we ons een onsterfelijke god gefantaseerd die ons dit ‘iets’ geeft. Pasolini vindt een mooie sterfelijke god uit, een heerlijk goddeloze jongeling, om ‘het’ aan de bourgeois te geven. In Von Triers film is de gift even imaginair: de film verbeeldt dat de gift die van Dogville ‘een fantastische plek om te leven’ maakt, gegeven wordt door ‘iets’ wat Dogville zichzelf verbeeldt. Maar die gift wordt nu niet meer vertegenwoordigd door een god of een goddelijke jongeling, maar door een vrouw. Zij is nu dit ‘iets’; niet omdat een vrouw niet ‘iemand’ kan zijn, maar omdat zij hier enkel optreedt voorzover zij begeerd en genomen wordt: als het voorwerp van andermans verlangen. Enkel als object van verlangen geeft zij de mensen van Dogville hun leven en hun verlangen. Dat betekent dat deze gift in de meest strikte zin niet de hare is. ‘Haar’ gift is een leven, een verlangen, dat ze ‘teruggeeft’ aan mensen die het echter nooit hebben bezeten, en het ook nooit zullen bezitten. En zoals gezegd: niet zij doet dit. Zij komt alleen per ongeluk op de plaats terecht waar Dogville dat ‘iets’ poneerde van waaruit het zijn verlangen gegeven weet.

 

Dogville is het eerste deel van een trilogie waarin Lars von Trier zijn kijk op de moderne ‘vrije’ samenleving zal geven. In dit eerste deel brengt hij de vrijheid terug tot haar vergeten fundament: haar ‘gegevenheid’. Wij definiëren vrijheid doorgaans als iets waarin we meester over onszelf zijn: als vrije mens staan we ‘op eigen poten’ en beslissen we zelf over wat we denken en wie we zijn. Dogville toont wat onder die populaire vrijheidsgedachte verborgen zit. Vrijheid verschijnt in deze film als iets wat gegeven wordt, en wat zichzelf ook wil geven: vrijheid is wat we krijgen van iets waar we denken vrij over te beschikken; zij is een verlangen om ons tot voorbij ons zelfbehoud weg te geven.

Het is de kracht van Von Triers film dat hij die gift, nochtans een religieuze metafoor bij uitstek, volledig buiten de religieuze sfeer heeft gehouden. In de traditie van de strengste verlichting (en niet toevallig is de toon van de film die van een laatachttiende-eeuwse roman), ontleedt hij de basale structuren en mechanismen onder het oppervlak van de religie. Dat hij daarmee ook de structuur van onze allerrecentste fascinatie voor, en flirt met de religie heeft blootgelegd, zal wellicht nog duidelijker blijken uit het volgende deel van de trilogie. We kunnen er alleen maar naar uitkijken.

 

Noten

[1]        Tom [tegen zijn schaakvriend die hem voor de zoveelste keer vraagt waarvoor die bijeenkomsten nu eigenlijk goed zijn]: “mmh … I don’t know. See if the people of Dogville have a problem with the acceptance. What they really need is something for them to accept, something tangible, like a gift” (scène 1).

[2]        “Grace had bared her throat to the town and it had responded with a great gift: with friends” (scène 14).

[3]        Grace: “But I have nothing to offer them in return” (scène 3).

[4]        “And Tom had launched himself fearlessly into his endeavour to illustrate the human problem: to receive,” aldus de off-screenstem aan het begin van scène 4. Of, tijdens de meeting waar Grace voor het eerst ter sprake komt en Tom, net voor hij haar onaangekondigd introduceert, zegt: “But the whole country would be better served with a greater attitude of openness and acceptance” (scène 4).

[5]        “Well, they couldn’t really argue that anything had changed. But by not telling the police they felt they were committing a crime themselves,” vertelt Grace aan Tom de avond van haar eerste werkdag na het feest (scène 21).

[6]        Hij speelde Jan, de mannelijke hoofdrol in Breaking the Waves.

[7]        “You’ve really been alone up here, haven’t you? You haven’t had anyone to comfort you and I should ask you for forgiveness… Still friends?” (scène 23).

[8]        Zoals bijvoorbeeld in de daaropvolgende scène, wanneer Grace zich bij hem beklaagt dat de mensen van Dogville al te veeleisend worden en dat nu ook anderen, in casu de blinde McKay, erotische avances maken. Ach, zegt Tom, “I think you’re doing a wonderful job. You give us so much. What Mr. McKay said [in zijn 4th of July-speech], right on the button… right on the button.” “He tried to put his hand on my knee today,” repliceert Grace, waarop Tom antwoordt: “Oh, he is blind, after all. Probably an accident.”

[9]        Chuck: “It wasn’t me who wanted you here. You are far too beautiful and frail for this place. You tricked me into feeling that I meant something to you. It’s your own damn fault I need your respect, Grace” (scène 25).

[10]      “But since the chain had been attached, things had become easier for everyone: the harassments in bed did not have to be kept so secret anymore, because they couldn’t really be compared to a sexual act. They were embarrassing the way it is when a hillbilly has his way with a cow, but no more than that.” (scène 39)

[11]      Grace: “So, what is it? What is it, the thing… the thing that you don’t like about me?” The big man: “It was a word you used that provoked me. You called me arrogant.” Grace: “To plunder as it were a God given right. I’d called that arrogant, daddy.” The big man: “But that is exactly what I don’t like about you. It is you that is arrogant” (scène 48).

[12]      “You do not pass judgement, because you sympathize with them. A deprived childhood and a homicide isn’t necessarily a homicide, right? The only thing you can blame is circumstances. Rapists and murderers may be victims, according to you. But I, I call them dogs, and if they’re lapping up their own vomit, the only way to stop them is with a lash,” zegt de vader tegen zijn dochter in scène 48.

[13]      Grace: “So I’m arrogant. I’m arrogant because I forgive people?” The big man: “My God, can’t you see how condescending you are when you say that? You have this preconceived notion that nobody, listen, that nobody can’t possibly attain the same high ethical standards as you, so you exonerate them. I cannot think of anything more arrogant than that. You, my child … my dear child, you forgive others with excuses that you would never in the world permit to yourself” (scène 48).

[14]      Denk aan Kafka’s verhaal Een gemeenschap van schurken (uit: De chinese muur en andere verhalen), waarvan de twee eerste zinnen als motto aan het begin van dit essay staan.

[15]      Grace: “If there is any town this world would be better without, this is it” (scène 48).

[16]      Zie een van de motto’s bij het begin van dit essay. Het bijbelverhaal is een fragment uit de verhalencyclus rond Saul, de eerste koning van Israël. Het vertelt de eerste van een reeks misstappen die ervoor zorgen dat Saul ten slotte zijn protectie van Jahwe verliest ten gunste van David, zijn opvolger. Merkwaardig is dat Sauls eerste misstap erin bestaat dat hij zijn troepen, bij de oorlog tegen Amelek, niet het bevel tot de ‘holocaust’ heeft gegeven, en dat ze de stad niet aan de totale verwoesting (holocaustos, Grieks voor ‘allesbrand’) hebben prijsgegeven. In plaats daarvan hebben ze geroofd, al was het maar om economische redenen (soldaten kunnen nu eenmaal niet zonder soldij of iets dergelijks). In het verhaal zal Saul het daarover aan de stok krijgen met Samuel, Jahwe’s profeet. Na diverse ontwijkende manoeuvres van Saul zal Samuel, op bevel van Jahwe, de hoofdtrofee uit de oorlogsbuit, met name de koning van Amelek, eigenhandig ombrengen. De bijbeltekst is hier macaber helder: “En Samuël hakte Agag in stukken, voor het aangezicht van Jahwe in Gilgal” (1 Sam 15, 33).

[17]      Voor de romanversie in Nederlandse vertaling, zie: Pier Paolo Pasolini, Theorema, vertaald door Grazella Rais, Amsterdam, Meulenhoff, 1988.

[18]      Jeremia 20, 7. Pasolini citeert dit bijbelvers in Theorema, in een andere, minder expliciet erotische vertaling, die hij daarom van commentaar voorziet: “Heer, Gij hebt mij overweldigd (ook in lichamelijke zin [zo voegt Pasolini eraan toe]), ik kan niet tegen u op.” Pasolini, op. cit. (noot 17), p. 170.

[19]      Genesis 32, 23-32.

[20]      Exodus 3, 2.

[21]      Pasolini, op. cit. (noot 17), p. 33.

[22]      “Dan zal de Geest des HEREN u aangrijpen; gij zult met hen in geestvervoering geraken en tot een ander mens worden” (1 Samuel 10, 6). “En de Geest des HEREN greep hem aan: hij ging naar Askelon, sloeg daar dertig mannen dood, nam hun bovenklederen en gaf die aan hen, die het raadsel hadden opgelost. Maar zijn toorn was ontbrand en hij keerde terug naar het huis van zijn vader” (Rechters 14, 19). Of, in een meer apocalyptische sfeer, waarin Jahwe’s uitgestorte geest de wereld zal veranderen: “Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien” (Joël 2, 28).

Op ware grootte

1.         Hoe het ooit is begonnen

 

In de ZONE 09 ging een onbesuisde journalist er onlangs van uit dat Jan Fabre een conceptueel kunstenaar is. Fabre, licht gepikeerd: “Ik ben geen conceptueel kunstenaar! […] Al mijn werk bestaat bij gratie van de ervaring. Al mijn tekeningen zijn in feite lichamelijke getuigenissen.” Nochtans heeft hij zich ooit wel als conceptueel kunstenaar gezien. Meer nog; lang geleden, vanaf het einde van de jaren zeventig tot een stuk in de jaren tachtig, wou hij niets liever dan een conceptueel kunstenaar zijn. Veel van zijn vroege tekeningen en performances situeren zich uitdrukkelijk zowel in de geschiedenis als in de toenmalige actualiteit van de kunst, om er vrolijk en baldadig commentaar op te geven. In de reeks The Fountain of the World (1979) zitten verwijzingen naar onder andere Duchamp, Buñuel en Courbet. Ilad of the Bic-art (1980) is een reeks met stylo bekraste prentkaarten van meesterwerken van onder andere Goya, Rembrandt, Cézanne en Van Gogh – merk ook het anagram van Dalí in de titel. En in de roemruchte Money Performance (1980) verbrandt hij het geld van de toegangskaarten om met de as ervan het woord ‘ART’ te schrijven. Conceptueler kan haast niet. Duchamp en Broodthaers komen hier nadrukkelijk om het hoekje kijken. Dan zijn er natuurlijk ook de eerste theatervoorstellingen van Fabre, Theater met een K is een kater, Het is theater zoals te voorzien en te verwachten en De Macht der theaterlijke dwaasheden. Ze hollen op een spectaculaire manier de codes van het theater uit en maken de kunstenaar op slag wereldberoemd.

Wie het werk van de jonge Fabre beschouwt, moet besluiten dat Fabre zich met nadruk binnen de kunst wil positioneren. Vanaf het begin wilde Fabre serieus genomen worden door de kunstwereld. Hij wil onmiddellijk de taal van de Grote Mensen spreken, teneinde zelf een van de Grote Mensen te kunnen worden. De conceptuele context is daar op dat ogenblik het middel toe. Weliswaar is het conceptuele genre dan over zijn eigenlijke hoogtepunt heen – alleszins in de beeldende kunst, niet in het theater – en begint men zich ook in semiotische middens wat te vervelen; toch vormt de zelfreflexieve, deconstruerende kunst nog altijd het entreekaartje om in het milieu te worden toegelaten. Bovendien hebben zijn performances, alsook zijn korte filmpjes uit die tijd, een intrigerende kracht, die inderdaad het gevolg is van hun lichamelijke inzet. Je zou kunnen zeggen dat hij het conceptuele wil toepassen op het lichaam – vaak dat van de kunstenaar zelf. In elk geval verheft het werk zich duidelijk boven het gemiddelde. En wat zijn theatervoorstellingen betreft: die zijn te nemen of te laten, maar de radicaliteit waarmee Fabre op zoek gaat naar de nulgraad van het toneel, kan eigenlijk niemand onberoerd laten. Fabre knapt hier een klus op die anders iemand anders op zich had moeten nemen. Maar hij slaagt in zijn opzet, en wordt daarvoor ook beloond. Het is theater zoals te verwachten en te voorzien maakt van hem een ster in de kunstwereld.

Als Fabre dus beweert dat hij geen conceptueel kunstenaar is, dan spreekt hij zijn ambities uit het verleden tegen. Het is natuurlijk zinloos om vandaag uitdrukkelijk te beweren geen conceptueel kunstenaar te zijn – omdat elke kunstenaar, zelfs de slechtste, dat per definitie en tegen wil en dank geworden is. Maar de uitspraak onthult iets heel belangrijks. Zozeer als Fabre ooit een conceptueel kunstenaar heeft willen zijn, zo weinig wil hij nu nog aan die ambitie herinnerd worden. Want wat toen een noodzakelijke voorwaarde was om in de gesloten kunstwereld opgenomen te worden, is nu een scheldwoord voor de verzamelde democratische cultuurliefhebbers – het tegenwoordige doelpubliek. Moest een kunstenaar vroeger appelleren aan een kleine elite, dan doet hij dat nu aan de groeiende groep lezers van weekendbijlages en bezoekers van megatentoonstellingen. Van die receptieve ontwikkeling, die zich in de jaren negentig heeft voltrokken, is Jan Fabre meer dan wie ook de incarnatie. Ze vertelt veel over de veranderde grondstof waarmee artistieke status zich tegenwoordig moet voeden. Ze zegt ook iets over de evolutie in het werk van de kunstenaar zelf.

 

2.         Hé, wat een plezierige zottigheid

Tussen de vroege tekeningen van Fabre zitten echt goede dingen. Neem nu de reeks gouaches in inkt en potlood Sleep, Sleep and Sleep, Little Animals (de kunstenaar dateert ze 1975, hoewel ze als datum 1977 dragen). Het zijn fantasieën over vliegen, maden, rupsen, maar ook over solden en wc-ontstoppers; soms – maar het hoeft niet – verpakt als satirisch commentaar op de kunstwereld (zoals het suikerklontje met de “L.S.D.-maden”, “te gebruiken tijdens opening/vernissages van tentoonstellingen”). Het is het werk van een brutale, jolige, anarchistische geest, die zich aan de voorschriften van de compositie noch aan de strenge eisen van het concept houdt. Alles mag hier. Ook als de betekenis zich niet direct laat raden, staat dat de spontane lach niet in de weg. Een andere reeks heet The Fountain of the World (1979): tekeningen met gutsende pis- of bloedstromen, meestal uit kutten, maar ook uit urinoirs of wonden, en dat alles in een stripachtige, wat onhandige tekenstijl. Fabre, aan de slag met het surrealisme à la Bellmer, maar dan wranger en/want grappiger, en helemaal niet gekweld. Het is ook een reeks die niet mét bloed geschilderd is, dus geen letterlijkheid met zich meedraagt, zoals de veel zwakkere reeks My Body, My Blood, My Landscape (1978), maar die óver het bloed gaat, die het bloed thematiseert. Of de reeks Rorschach (1979): Fabre die volgens het gelijknamige procédé inkt op een blad giet, het dubbel vouwt en op de ontstane symmetrische vlekken zijn kinderlijke fantasie loslaat. Hij tekent er insectachtige wezens bij en zet er opschriften boven of onder.

Drie reeksen, drie compleet verschillende maar intrigerende grafische avonturen. Het werk van een dilettant, zowel qua concept als qua schriftuur. Humor, brutaliteit, grafisch experiment, afwezigheid van behaagzieke esthetiek. Fabre weet nog niet of hij het allemaal moet menen.

 

3.         Het blauwe fabriekje

In de loop van de jaren tachtig verandert er iets cruciaals in het werk van Fabre. Zijn beeldend werk verdwijnt dan wat naar de achtergrond, de spil van zijn werk in die tijd is ongetwijfeld zijn theater: de iconoclastische marathons die met een brutaal en krachtig armgebaar alles van tafel vegen wat de theatertraditie daar zo mooi en zo breekbaar bij elkaar had geschikt. De eerste opdracht – breek alles af – is daarmee alvast geslaagd. Maar wat moet ervoor in de plaats komen? Dat is achteraf het probleem gebleken.

Fabre gaat de ruimte die na afbraak is vrijgekomen beetje bij beetje weer opvullen met wat hij zelf “mijn universum”, zijn Kunstenaarschap noemt. De voorstellingen uit de trilogie waren dan wel tot in de kleinste vezels doordrongen van een metatheatrale pretentie, maar wat niemand op dat moment wist – mogelijk ook Fabre zelf niet – was dat ze tegelijk ook de kiemen bevatten van wat zou komen na de grote zondvloed. Dat was, kort gezegd, een rijk waarin Fabre zich – met behulp van vele genereuze vrienden en een idolate hofhouding – helemaal aan zichzelf heeft kunnen wijden, een voortdurende, dwangmatige bevestiging van zijn eigen Belangrijkheid, een tautologische kosmos. Dat zit al vervat in De macht der theaterlijke dwaasheden, waarin de acteurs de voorstelling een plaats geven tussen alle belangrijke toneelgebeurtenissen van de afgelopen honderden jaren. Iedereen denkt dan dat het om te lachen is. Maar wat op dat ogenblik nog als ironie kan worden verstaan, is later bloedige ernst gebleken.

Zoals na de kaalslag tussen het puin stilaan weer bloemen gaan bloeien, zo is op de leeggemaakte scène beetje bij beetje weer schoonheid ontstaan. Een fabriaanse schoonheid dan wel, volstrekt volgens de wetten van de schepper die hier – en hier alleen – zijn heerschappij doet gelden. Een schoonheid van Bloed, Kracht, Spieren, Sperma, Wreedaardigheid, Uitputting, Chaos en vooral ook Orde. Het is in deze leeggemaakte ruimte dat Fabre zijn echte entree kan maken, als een generaal op een uitgewoed slagveld, en stap voor stap kan etaleren wat voor heerschappij hij nu precies wil stichten.

Ook op het vlak van zijn beeldend werk verandert er iets cruciaals. Het is zelfs via zijn beeldend werk, zijn bictekeningen, dat goed duidelijk wordt wat er met Fabre gebeurd is in die periode. Als hij eind jaren zeventig begint te biccen, besmet hij de kunst met een banaliteit door te tekenen en te krabbelen op bestaande prenten met een stylo. Vooral boeiend zijn de tekeningen die Fabre maakt naar aanleiding van zijn voorstellingen Theater met een ‘K’ is een kater en De macht der theaterlijke dwaasheden. Al tekenend stuit hij op de beperkingen van de theatrale representatie. Het zijn voorstudies op de stukken, en alles lijkt hier samen te vallen. Fabre, fantaserend over de ruimte die hij wil vullen, tekent pornografische, sadomasochistische situaties die hij niet op de scène kan realiseren. De bic geeft de tekeningen tegelijk een dagdromerig, droedelachtig karakter – de verveling die toeslaat tijdens vergaderingen – en juist die dagdromen en droedels brengen hem – hoe kon het anders – bij geweld en seks. Of de tekeningen op zichzelf kunnen staan – een kwestie die toen door Jan Hoet aan de orde is gesteld – doet niet ter zake. Het biccen onthult treffend iets over de (on)mogelijkheden van de fantasie.

Maar eenmaal de machine goed aan het draaien is, kan Fabre niet meer stoppen. Fabre, dat is biccen – en biccen, dat is Fabre. Hij heeft er zijn identiteit aan verkocht en begint nu alles met een stylo te bewerken. Ergens in dat manische proces om alles wat hem onder ogen komt blauw te laten kribbelen – hij doet het dan ook niet meer zelf, maar zet loonslaven in – moet de omslag hebben plaatsgevonden. En wat ooit als een demystifiërend en tegelijk onthullend gebaar begon, verkrijgt stilaan een sacrale status. Wat Fabre ooit als een quasi-lucide iconoclastisch gebaar heeft ingezet, met een grafisch interessant resultaat, verwordt tot een lege geste, die vooral naar de Hand achter dit gebaar gaat verwijzen. Alles wordt het product van zijn levensgrote Signatuur.

Is het toeval dat Fabre rond die periode – we spreken dan eind jaren tachtig – de Poëzie ontdekt? Het reusachtige, blauwgebicte doek uit De macht der theaterlijke dwaasheden, waartegen de acteurs hun uitputtingsslag leveren, heet eerst Bic-Art; een paar jaren later duikt het als ‘autonoom kunstwerk’ op onder de titel Het Uur Blauw. Op dat moment verruilt Fabre het pad van het conceptuele, het radicale, het iconoclastische definitief voor dat van de zelfverheerlijking. Alles moet nu Schoonheid voorstellen en diepzinnigheid suggereren. En wat we ooit als zijn kenmerkende brutale ironie beschouwden, blijkt als een zinsbegoocheling uit elkaar gespat. Vanaf nu zien we Fabre in zijn ware, serieuze gedaante.

Olijk is ondertussen wel dat, hoe beter het blauwe fabriekje draait, hoe meer Fabre zijn eigen mislukking proclameert. Zonder verpinken noemt hij zichzelf ‘de Keizer van het Verlies’. Hij is degene die telkens weer alles op het spel zet, hij experimenteert naar eigen zeggen alsof zijn leven ervan afhangt, er klaarblijkelijk van overtuigd dat hij met iedere nieuwe geste aan een zoveelste mislukking bezig is – terwijl een steeds grotere aanhang van bewonderaars aan de kant van de weg staat te kraaien van de pret, en het geld van producenten en subsidiënten steeds rijkelijker begint toe te stromen.

Van de groeiende appreciatie voor zijn werk schijnt de artiest zelf geen weet te hebben – althans in zijn werk is daar niets van te merken. Je zou van een intelligente kunstenaar toch mogen verwachten dat zoveel mislukking, paradoxaal genoeg begroet met zoveel bewondering en geestdrift, haar sporen moet nalaten in nieuwe werken; dat hij zich in de onmogelijke rol van hofnar of paljas gedrongen weet, en daar commentaar op wil geven. Maar niks hoor, schijnbaar blind voor ’s werelds lof blijft hij de onbegrepen artiest uithangen, die ons voorhoudt zich met elke sprong aan een nieuwe catastrofe te wagen. Vreemd is ook dat Fabre zich in uitlatingen of interviews dan wel voordoet als ‘Keizer van het Verlies’, maar dat zijn werk zelf bulkt van het zelfvertrouwen. Zijn verbale retoriek is één en al misleiding, omdat het werk op geen enkel moment getuigt van zelfreflectie of zelfkritiek. Het herneemt wel thema’s en motieven, maar dan volledig in het luchtledige, niet gevoed door de ervaringen van hoe het gepercipieerd werd. Het ziet zich nooit voor problemen geplaatst, het twijfelt niet, het vergist zich niet. Het enige wat het doet is, vanuit een staalhard geloof in de eigen onfeilbaarheid, zijn kracht, vindingrijkheid en genialiteit uitkramen. Het universum van Fabre is daarmee in geen enkel opzicht meer verwant aan dat van Marcel Duchamp – wel aan dat van Arnold Schwarzenegger. Ook Schwarzenegger heeft nooit aan zijn spierkracht getwijfeld. Fabre zelf moet met die vergelijking waarschijnlijk geen problemen hebben. Een conceptueel kunstenaar wil hij immers al lang niet meer zijn; hij is vooral een man van de ervaring, een man die zich graag in de gevaarlijke actie stort. En hij is natuurlijk vooral iemand die zichzelf fantastisch vindt. Dat horen we uiteindelijk ook in de retoriek die hij over zichzelf rondstrooit. Fabres verklaringen over zijn mislukking en zijn verlies klinken nooit onzeker of terneergeslagen. Ze blaken juist van zelfvertrouwen en bevestigen het onverminderde geloof in zichzelf.

 

4          De Meester van de Seefhoek.

De nieuwe scène waarop Fabre verschijnt, heeft ook zijn aanvankelijk zo prikkelende tekenkunst, toch de bron van zijn kunstenaarschap, geen goed gedaan. Wat in sommige vroege reeksen al in de kiem aanwezig was, is rond het begin van de jaren negentig op deerniswekkende wijze tot bloei gekomen: een pathetisch narcisme, dat de gloeiende kern is van alles wat Fabre de wereld instuurt. Als Fabre nu met zijn bloed tekent, zoals in de belachelijke reeks Sanguis/Mantis (2001), wil hij vooral dat we huiverend beseffen dat hij het ritueelsgewijs bij zichzelf heeft afgetapt. Hij is inmiddels ondubbelzinnig het centrum geworden van het universum waarmee hij de wereld wil beconcurreren, en hij prijkt daar als een Jezus Christus die in zijn kunst voor ons wil lijden. Maar waar Jezus nog een betere wereld voorstond, een hoger goed, een beter samenleven, compleet met voorschriften en verboden, wijst Fabre alleen maar opnieuw naar zichzelf. In vergelijking met de echte Messias lijkt hij daarom meer op een ordinaire sekteleider. En als we zijn spermatekeningen (Sperma van de papegaai, 1990-2000) zien, dan moeten we ons vooral voorstellen hoe Fabre zich op hotelkamers heeft liggen aftrekken, en beseffen: dit was niet zomaar een aftrekken, dit was een artistiek noodzakelijk aftrekken, een pijnlijk aftrekken, een koppig, wilskrachtig aftrekken, een verheven aftrekken, een plengoffer van de artiest in zijn strijd om de grenzen van de verbeelding én de werkelijkheid te verleggen en nieuwe mogelijkheden van het lichaam te ontdekken. En wij, goeie genade, wij mogen daar met onze alledaagse verbeelding een tikkeltje deelachtig aan worden. Wij mogen hem prijzen om zoveel onbegrijpelijke, maar hoogstwaarschijnlijk onpeilbaar diepzinnige durf. Wij mogen begrijpen dat we nooit zullen begrijpen wat voor uitdaging er hier op het spel staat. Immers, wat de kunstenaar met zijn kattenogen in het duister ziet, kunnen wij niet zien. We zien alleen dat wat hij er, ten behoeve van ons, met zijn klauwen uit vandaan heeft gehaald; een dooie muis, een halfopgevreten vogel, waarvan wij tijdens dit nachtelijk avontuur alleen maar de doodskreten hebben gehoord. We mogen beseffen dat in het dierlijk-menselijke dat Fabre altijd ten tonele voert, weer eens zoveel Waarheid en Schoonheid lag verborgen die zonder hem aan onze aandacht ontsnapt zou zijn. En vooral mogen wij in bewondering staan toe te kijken en ons afvragen wat voor straffe toeren de Meester van de Seefhoek nog in petto heeft. Inderdaad, hij steekt nooit onder stoelen of banken waar zijn kribbe heeft gestaan: in het Faboert, de outskirts van Antwerpen. Hij is daarmee ook een jongen uit het volk, iemand die het from zero to hero heeft geschopt. Fabre heeft zijn roots niet alleen tot een legende willen kneden, hij doet er een uitdrukkelijk beroep op. Het laat beter dan wat ook zien hoe groot de sprong wel is die hij naar de Kunst gemaakt heeft. En iedereen gaat daar vrolijk in mee: de Stad Antwerpen, bijvoorbeeld, die hem met subsidiegeld uit het Sociaal Impulsfonds heeft bedacht om het Ringtheater te kunnen verbouwen, zijn eigen theaterplek in de Seefhoek.

 

5.         Mestkevers en strontvliegen

Alles wat Fabre zegt of doet, wil hij onmiddellijk in de Geschiedenis gesitueerd hebben. In zijn beginperiode was dat vooral de geschiedenis van de moderne conceptuele kunst; tegenwoordig, in deze ecclectische tijden, heeft hij het universum waarin zijn werk gedijt, verruimd met oude en vreemde culturen. Je kan het zo gek niet bedenken, of Fabre voelt er zich verwant mee: Indianen, vrouwelijke mystici uit de Middeleeuwen, oude meesters, alchemisten… Ook in kevers, papegaaien en schildpadden kan hij zich ongelofelijk goed inleven. Al deze werelden wil hij op zijn eigen maaksels laten afstralen. Als hij weer eens iets het licht heeft laten zien, heeft dat onmiddellijk een band met het Andere, en dat met het gemak waarmee iemand anders een krant koopt. Als hij iets met schildpadden doet, dan is dat omdat de oude Grieken ook al iets in die beesten zagen. Als hij met bloed schildert, is dat omdat de Vlaamse Primitieven al bloed mengden bij hun rood pigment (misschien dat Brueghel ook wel eens een klodder sperma door de verf roerde, wie weet).

Fabre wil alleen maar als Kunstenaar bestaan hebben. Hij doet obsessieve pogingen om elke fase van zijn biografie een kunstzinnige draai te geven. Geen gelegenheid laat hij onbenut om op de ontstaansdatum van zijn oude teksten te wijzen (de latere solo’s voor zijn fetisjactrice, Els Deceuckelier). Het is verbazingwekkend hoe hij met name zijn kindertijd en jeugd wil voorstellen als een pad van Voorbestemming. Terwijl anderen hun plechtige communie doen, experimenteert Fabre met strontvliegen en mestkevers. Als andere pubers achter de meisjes aanzitten, schrijft Fabre zijn eerste teksten, die, hoewel de conceptuele kunsttheorie hem dan nog onbekend is, er wonderwel al vonken van bevatten. Alsof het denken van grote geesten zich hier openbaart in een nog onbevangen, maar door de goddelijke voorzienigheid aangeduide jongen die in het belang van de mensheid hun Werk moet verderzetten.

 

6.         Baudrillard

Alles, elke letter die Fabre over zichzelf de wereld instuurt, staat in het teken van een leven in, voor en door de Kunst. Dat kan hij natuurlijk niet in zijn eentje klaren, dat heeft hij zelf zeer goed beseft. Wie ‘Fabre’ zegt, heeft het daarom minder over een welbepaalde artiest, een persoon van vlees en bloed, dan over een klein bedrijf dat hij Troubleyn heeft gedoopt. Sinds jaar en dag heeft er zich rond de persoon van Fabre een organisatie genesteld die men wel eens zijn ‘hofhouding’ noemt, maar die, als men doorheeft waarmee ze eigenlijk bezig is, beter iets minder archaïsch bekeken zou worden. Het is feitelijk een lobbyorganisme.

Dat organisme heeft in de voorbije twintig jaar iets voor elkaar gekregen dat uniek mag worden genoemd. Om te beginnen heeft het – vaak met succes – getracht de berichtgeving over Fabre in dagbladen te manipuleren. Het laat voor een nieuwe première altijd met aandrang aan cultuurredacties weten welke recensent het wel, en welke het niet graag op het gebeuren ziet verschijnen. Daarnaast fungeert het als officiële escorte van de kunstenaar. Het veert als één man recht na voorstellingen, om staande ovaties te geven. Zelfs na de première van Het nut van de nacht, een voorstelling die nadien werd afgelast omdat ze zo slecht was, kon niets het enthousiasme van de hofhouding temperen. (Vermakelijk is trouwens ook dat niemand minder dan Fabre zelf na de voorstelling Je suis sang in deSingel van pure bewondering voor zoveel schoons met de voeten op de tribune begon te trappelen. Zijn grootste fan zat in de zaal!)

Maar het strafste van deze organisatie is dat ze er vanaf het midden van de jaren tachtig in geslaagd is om zowat iedere schrijvende intellectueel in dit landsdeel die nog niet werd gerecupereerd, voor de kar van de artiest te spannen. De talloze teksten die in Vlaanderen over hem het licht hebben gezien, kwamen er vaak niet na een ingeving of een interesse van de betrokken auteur; ze kwamen er na een procedure die haast elke schrijvende Vlaamse intellectueel die zich aan ‘de kant van de betere smaak’ bevond, heeft moeten doorlopen. Dat gaat grosso modo ongeveer zo. Men wordt door de hofhouding gescreend en krijgt dan de eer verleend om eens langs te komen. Men belt best niet zelf, want dan krijgt men – letterlijk – te horen dat Fabre “aan het creëren” is en bijgevolg niet gestoord mag worden. De hofhouding belt zelf wel, om de betrokken scribent bijvoorbeeld uit te nodigen op een repetitie en daar de sfeer te komen snuiven. Men wordt behandeld als een graaggeziene gast die tegelijk ook zijn plaats moet weten – men staat immers op het punt om zich te engageren voor de keizer van het verlies zelf. Het is niet Fabre, maar zijn hofhouding die aldus de geselecteerde kandidaten speent, poeiert en pampert om hen in een staat te brengen van kinderlijke verwondering en dankbaarheid.

Zelden heeft iemand zo de hand willen hebben in de intellectuele onderbouwing van zijn werk – uitgevoerd door anderen. Zelden heeft iemand zo’n behoefte gehad aan intellectuele lakeien, en zelden heeft een generatie schrijvers, filosofen en sociologen zich met zoveel gemak in die rol laten duwen. Het is een studie op zich waard, een studie over de intellectuele belangenvermenging in het Vlaanderen van de jaren tachtig en negentig. Het is niet zo eenvoudig om de diepere oorzaken van deze belangenvermenging op het spoor te komen, maar op het eerste zicht lijkt een verstrengeling van euforie en angst een mogelijke verklaring te bieden. Vanaf begin jaren tachtig ontwikkelt Fabre een theatertaal die radicaal breekt met de gekende traditie van representatie en daarmee een uitweg lijkt te bieden uit de impasse waarin het theater op dat moment verzeild is geraakt. In die zin is de intellectuele sensatie die Fabres vroege toneel teweegbrengt wel te begrijpen. Men zou voor minder euforisch worden. Tegelijk moet sommigen zoiets als een lichte angst bekropen hebben om de boot te missen. Over Fabre schrijven wordt een legitimatie op zich – zeker als op een bepaald ogenblik het gerucht de ronde doet dat niemand minder dan Jean Baudrillard een paar gedachten aan het fenomeen gaat wijden. Niets beters dus dan een tekst over Fabre, waarmee men zijn profiel kan verstevigen. Men ging er ook toe behoren, tot diegenen die al over Fabre hadden geschreven. Het veld is ondertussen ver uitgedeind. Zelfs Herman De Coninck is er op zijn oude dag nog ingestonken, getuige de twee gedichten die de aanblik van een werk van Fabre hem op een namiddag ontlokt hebben. Sommigen hebben in de loop der jaren iets ingezien en ongemerkt de kerk verlaten. Anderen, vanuit onpeilbare motieven, staan nog altijd op de eerste rij met hun gezicht naar het altaar.

Kritische teksten over Fabre, teksten waarin een en ander wordt afgewogen, zijn er vanuit deze intellectuele kring nauwelijks gekomen. Men schreef om hem te dienen, niet om het werk te bevragen of om er zich tegenover te verhouden. Dat is eigenaardig, want verscheidene van de Fabre-exegeten zijn niet direct de minsten. Ze hebben hun kritische zin in teksten over andere kunstenaars wel aan het woord gelaten. Het heeft die teksten, maar ook het werk van die andere kunstenaars, er vaak alleen maar interessanter op gemaakt. Terwijl een kunstkritisch essay een werk of een kunstenaar zijn plaats in de wereld behoort te geven, hebben de betrokken kunstcritici rond Fabre een cordon opgetrokken dat zijn werk van de wereld afschermde. De Fabre-exegese is medeverantwoordelijk voor het feit dat alles rond deze artiest in een sfeer van steriliteit baadt.

Misschien speelt er nog een derde sentiment mee in deze kwestie: schaamte. Want off the record is wel geweten dat niet iedereen zijn geloof in het werk van Fabre heeft kunnen behouden. Alleen heeft men het niet aangedurfd tegen zijn eigen vroegere klakkeloze bewondering in te gaan. Geen enkele auteur heeft het tot nog toe geriskeerd om zwart op wit op zijn vroegere bevindingen, zijn vroegere appreciatie terug te keren. Men geeft er de voorkeur aan om stilletjes te zwijgen.

Met het organiseren van de perceptie van zijn eigen werk is Fabre overigens al vroeg begonnen. Terwijl zijn generatiegenoot Jan Decorte het schijt had aan wat men over hem schreef, en een scribent wel eens ongevraagd op een bak stront trakteerde, is Fabre al vroeg begonnen met het uitnodigen van thesisstudenten of stagiairs. Die mochten hem dan uitleggen wat dat allemaal betekende, waar hij mee bezig was; wat dat Blauw nu precies wou zeggen. Dit is het begin geweest van een grootschalige intellectuele zwendel, waarin de kritische afstand letterlijk en figuurlijk werd uitgeschakeld.

 

7.         Waarover men niet spreekt

Naast de intellectuele perceptie van zijn werk in Vlaanderen, heeft Fabre ook op internationale schaal een aantal initiatieven ondernomen om het grote belang van zijn persoonlijkheid kleur te geven. Zo heeft hij een aantal ontmoetingen met internationaal gereputeerde artiesten en filosofen geënsceneerd en op video laten vastleggen. De interessantste is ongetwijfeld die met de Russische kunstenaar Ilya Kabakov – interessant, omdat ze zo ontluisterend is.

De video toont de twee op het dak van Kabakovs appartement in New York. Kabakov, in zijn werk al jarenlang bezig met vliegen en voor de gelegenheid daarom verkleed als vlieg, legt uit wat vliegen voor hem betekenen. Hij vergelijkt toeristen die naar het Louvre trekken met vliegen die allemaal naar hetzelfde klontje suiker willen. In een helder en aanstekelijk betoog horen we hem uitleggen hoe we aan de hand van de wereld van de vlieg iets van de wereld van de mens kunnen begrijpen. Kabakov is hier zoals zijn werk; sociaal-kritisch, geestig en een beetje brutaal. Als hij klaar is, vraagt hij aan Fabre, die conform zíjn interesses als kever is uitgedost, om nu hetzelfde te doen en uit te leggen waar kevers voor hem voor staan. Fabre schrikt. Zoiets wereldlijks, daar heeft hij duidelijk nog niet over nagedacht. Hij begint maar iets te wauwelen, en het is in dat gewauwel dat pijnlijk goed duidelijk wordt waar het hem om te doen was: samen met de grote Kabakov in beeld te verschijnen. Eigenlijk zit alles al vervat in de insecten waarvoor beide kunstenaars hebben gekozen: de vlieg geeft aanleiding tot lucide gedachten over absurditeit en viezigheid; de kever leidt tot verheven kunstenaarsromantiek.

Ook het fameuze Engelstalige tijdschrift Janus is een poging om de reikwijdte aan te geven van de hemisfeer van het genie van de Seefhoek. Toen het tijdschrift boven het doopvont werd gehouden, benadrukte de hofhouding dat het er niet om ging om teksten over Fabre zelf te publiceren. Natuurlijk niet! Over God behoort men niet te spreken! Men moet alleen maar van het besef doordrongen zijn dat men alles wat men doet, in zijn naam doet. Terwijl iedereen naarstig zijn stukjes schrijft, zijn interviewtjes pleegt, zijn verbandjes legt tussen kunst, wetenschap, filosofie, sociologie en wat nog allemaal, is er één die, ongenoemd, boven dit alles uittroont, en ziet dat het goed is.

Uit dit alles spreekt een levensgrote angst. Iemand die zo’n panische behoefte heeft om zijn eigen receptie te organiseren, iemand die zich zo massief omgeven wil weten door niet alleen essayisten, maar ook door andere kunstenaars van wie de glorie op hem af kan stralen (de Kababov-video is tot nog toe het beste voorbeeld), moet wel een ongelofelijke schrik hebben om zijn onsterfelijkheid te verspelen.

 

8.         Ondertussen in de Gazastrook

Wie Fabre tegenover zich krijgt, voor een interview bijvoorbeeld, wordt geconfronteerd met een amalgaam van steeds terugkerende uitspraken. Ongeacht de vragen vallen er altijd wel uitdrukkingen als “de macht van de nacht”, “krijgers van de schoonheid”, “de sporen van mijn hart” enzovoort, en dat altijd in combinatie met “ik ben een kever” of “ik ben een embryo”. Een interview is niet zelden de gelegenheid waar Fabre nieuwe metaforen over zichzelf bedenkt, om ze, glimmend van tevredenheid, de wereld in te sturen. Zelden of nooit is er iemand die dieper ingaat op wat de artiest daar allemaal uitkraamt of die daar kritische vragen over stelt. Interviews met Fabre hebben dan ook het karakter van een dovemansgesprek. Het recente KNACK-interview met Paul Demets (13 augustus 2003) gaat onder meer over Fabres recente activiteiten met bloed, zoals de Sanguis/Mantis-performance en de voorstelling Je suis sang. Wat Fabre hier niet allemaal uitkraamt. “De enige mogelijkheid om onze diepste driften te bevrijden, is de mens helemaal in bloed te laten uitvloeien.” En ook “de tekst van Je suis sang vraagt om terug te keren naar ons lichaam door het vloeibaar te maken. Want ons lichaam heeft het grootste geheugen, het meeste kracht. En door het omhulsel dat het lichaam is, achter te laten, kun je geen wonden meer hebben.” Hij voelt zich over zijn werk ook aangevallen (door wie eigenlijk?). Want “je mag blijkbaar niet geloven dat er een ander mensbeeld zou kunnen zijn”. Dat noemt Fabre dan ook zijn engagement. Hij wil “promotie maken voor een bepaalde attitude binnen en buiten de kunst”.

Maar wat is die attitude? Welk mensbeeld wil hij in de praktijk gezet zien worden? Stuurt hij aan op een grotere radicaliteit van het individuele handelen binnen de samenleving? En waaruit zou die radicaliteit dan moeten bestaan? Dat was nu net zo interessant aan de voorstudies van De macht der theaterlijke dwaasheden: dat ze op de grenzen van de artistieke fantasie stootten toen bleek dat die fantasie op een scène niet gerealiseerd kon worden. Precies omdat er met vlees en bloed, met mensen gewerkt moest worden. Maar van die luciditeit is in de retoriek van Fabre al lang geen spoor meer. We kunnen niet anders meer doen dan wat hij zegt letterlijk te nemen. Dat valt niet zo goed uit voor de artiest.

Wat betreft dat “in bloed laten uitvloeien van de mens”, denk ik dat hij vooral bijval zal vinden bij Hamas en de Hezbollah. Die willen inderdaad dat het omhulsel van het lichaam wordt achtergelaten, en dat er, eenmaal men helemaal uiteen is geblazen, geen wonden meer zijn. Met andere woorden: ook maar een tikkeltje aan de realiteit getoetst, is hier iemand aan het woord wiens uitspraken in een abstract-fascistoïde oerzee zwemmen. Maar uiteraard, we hoéven zijn uitspraken niet serieus te nemen. Hij is tenslotte een Kunstenaar, en die heeft het verworven recht om in raadsels te spreken.

Niemand weet nog of men aan Fabre enige ernst moet toeschrijven dan wel of men hem moet laten orakelen tot de tape vol staat. Iedereen neemt genoegen met het spervuur aan cryptische of ridicule oneliners die geen enkel dieper doordenken verdragen. Fabre bevindt zich daarmee in het gezelschap van een keur aan bekende Vlamingen waarvan we allang niet meer weten of het om een geval van dementie gaat dan wel om uitgekookte verkitschte promotie voor het eigen zelf. Hij hoort thuis in het rijtje Jan Hoet, Jean-Marie Pfaff en Eddy Wally.

 

9.         Het succes van The Beetles

Halverwege de jaren negentig zien we de gevolgen van een nieuwe inval die Fabre heeft gekregen. Hij laat nu voorwerpen of vormen beplakken met talloze juweelkevers, die restaurants uit het Verre Oosten voor hem verzamelen. Het resultaat is werkelijk onwaarschijnlijk. Zelden is een kunstenaar zo diep afgedaald in de kitsch – zonder dat hij het zelf in de gaten heeft. Zelfs Octave Landuyt of Pol Mara zijn nooit zo diep door de knieën gegaan. Onder het mom van een bespiegeling over de kringloop van leven en dood, kiest Fabre voor objecten die iedere vorm van verbeelding en raadsel bij voorbaat onmogelijk maken: een geriatrische wandelstok, een doodskist, zowaar zelfs een schedel.

Maar dan komt plots de apotheose, wanneer Fabre door ons vorstenpaar wordt uitgenodigd om iets met een zaal te doen die dringend aan een grondige opknapbeurt toe is. De ideeën heeft hij al klaar, het wordt opnieuw iets met kevers, met duizenden tegelijk zullen ze tegen het plafond en de wanden worden gekleefd. En zie: het resultaat is oogverblindend. Plots moeten we zijn werk niet meer in gelijk welke artistieke traditie kunnen plaatsen, we hoeven het alleen nog bewonderend aan te gapen als een vuurwerk of een ijsballet. Plots begrijpen we waar Fabre wél goed in is. Met die hele keveraffaire mag hij dan zijn artistieke lot bezegeld hebben, als decorateur komt hij opeens wél goed uit de verf. Heeft hij niet ooit, lang geleden een opleiding als etalagist gevolgd? En zo blijkt de cirkel toch nog rond, en is Fabre weer aanbeland waar hij ooit vertrokken is: hij kan op zijn best iets in scène zetten, iets dat aangenaam is om naar te kijken.

Dat herinnert mij ook aan de balletfragmenten uit Sweet Temptations, meisjes in blauwe pakjes die als knippende schaartjes op het podium bewogen, en hoe betoverend mooi dat even was. Hoe vrijblijvend ook. Want veel van wat Fabre doet is – net als de Meester zelf – panisch dat het niet gezien zou worden. Vandaar dat hij altijd maar weer de grote middelen moet bovenhalen: de scènes vol chaos waarin hij uiteindelijk orde schept, het creëren met bloed, sperma en kevers.

 

10.       Dalí

Over het theaterwerk van Fabre is wel eens gezegd dat het zich niet laat benaderen vanuit een modernistische perceptie. Het kent geen helden in klassiek-theatrale zin. Het werkt niet met personages, plot, spanning, en draait ook niet uit op een katharsis. Men komt niet bepaald gelouterd uit zijn voorstellingen, maar behoort daas te zijn van de wervelwind aan beelden die men op het netvlies gebrand kreeg. Het theaterwerk zou bestaan uit allegorieën, uitbeeldingen, die niet op een dramatische of een vertellende manier op elkaar inwerken, maar die op een premodern afbeeldende, in serie geschakelde wijze de wereld oproepen zoals hij bestaat in de geest van de maker. Wie er zo over denkt, heeft echter de plicht om te onderzoeken of zo’n poëtica, zo’n voorstellingswijze wel mogelijk is in deze tijden, en wat daar de consequenties van zouden zijn. Daarnaast kan men natuurlijk ook niet blind blijven voor de positie van de kunstenaar. Ik dacht juist dat het ‘ik’ van de kunstenaar in de premoderne tijden, bijvoorbeeld in de late Middeleeuwen, helemaal niet van belang was. Omdat die zich toen wegcijferde ter meerdere eer en glorie van zijn schepping, die een gift was ter meerdere eer en glorie van de échte Almachtige. Wie over Fabre schrijft, met andere woorden, kan niet om de wijze heen waarop hij zich positioneert – en die is bepaald niet premodern. Ook niet postmodernistisch, trouwens. We zouden Fabre kunnen vergelijken met de grote megalomanen van de 19de eeuw à la Antoine Wiertz, die met ieder nieuw gigantisch artefact Gods schepping zelf naar de kroon staken. Met dit verschil dat de (kunstsociologische) situatie van Wiertz duidelijk interessanter is: Wiertz genoot, ondanks het geloof in zichzelf, helemaal niet het succes dat Fabre nu ten deel valt. Hij benadert veel meer dan Fabre de positie van ‘verliezer’. Een betere vergelijking is daarom Dalí. Ook Dalí maakte van zichzelf een succesvolle kitschfabriek, ook hij verwerd tot een Signatuur die werken bleef produceren om het beeld van zijn excentrieke Genie onophoudelijk te kunnen voeden. En net als Dalí slaagt Fabre erin om zichzelf bij een breed publiek te verkopen als de kunstenaar bij uitstek van deze tijden.

In het licht van de recente evoluties in de kunst is dat een gênante en kwalijke aangelegenheid. Want terwijl ontelbare artiesten, essayisten en andere figuren in en rondom de kunst vandaag bezig zijn om de positie van de kunstenaar een beetje te ontheiligen – toegegeven, met wisselend succes – draait Fabre de klok een heel eind terug. Hij staat voor de almachtige en quasi-alwetende artiest die, halfbewust van zijn goddelijke kwaliteiten, maar aan zijn mouw hoeft te schudden of er valt alweer iets uit waarvan hij het genie niet kan inschatten – dat doet zijn exegesemachine wel voor hem.

 

11.       Tot slot

Het werk van Fabre is, afgemeten aan die interessante dingen die hij vroeger deed, vandaag meestal zeer middelmatig; een eindeloze recyclage van motieven en thema’s die we ondertussen tot vervelens toe kennen. Het is in die zin niet iets om wakker van te liggen, of om veel woorden en gedachten aan te verspillen. Maar het kunstenaarsbeeld dat Fabre – met de gretige hulp van de media – van zichzelf heeft populair weten maken, is een beeld van regressie. De schade die hij daarmee aanricht, is aanzienlijk.

Kippenburgerking

Ich will nicht viel, ich will mehr.

Martin Kippenberger

 

Het fenomeen Martin Kippenberger laat zich niet eenvoudig benaderen. Waar begint zijn omvangrijke oeuvre en waar eindigt het? Bij de uitnodigingskaarten, de tentoonstellingsaffiches en de catalogi die de kunstenaar onophoudelijk van de persen liet rollen? Of bij de feitelijk geëxposeerde werken: de tekeningen, collages, foto’s, schilderijen, sculpturen en installaties? Veel van Kippenbergers bezigheden onttrekken zich aan classificatie, zoals zijn aandeel in de punkclub SO 36, zijn beruchte Büro in Berlijn, het project voor een museum voor moderne kunst op het Griekse eiland Syros, en het dit jaar in Venetië weer uit de kast getrokken plan voor een wereldwijd metronet. Wie het wil hebben over Kippenbergers werk kan natuurlijk niet om dat van zijn medewerkers heen, waaronder Albert Oehlen, Werner Büttner en Jeff Koons, noch om dat van zijn legendarische assistenten: Michael Krebber, Ulrich Strothjohann, Merlin Carpenter en al die anderen. Daarbij komen nog zijn ‘performances’: de vileine grappen, de dronkemanstoespraken en de vele gevraagde en ongevraagde adviezen die hij om zich heen strooide. Weinig ontsnapte aan zijn gretige vingers, en niets aan zijn scherpe tong. Toen ‘Kippi’ in 1997 op 44-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van leverkanker, liet hij niet alleen een onmetelijke hoeveelheid werken achter, maar ook een grote verzameling anekdotes. De verhalen die over hem de ronde doen en die, als een ongepland samenwerkingsproject, steeds opnieuw worden doorverteld, hebben het effect dat ze een op zichzelf al indrukwekkende productielijn over het graf heen verderzetten en in leven houden.

De herdenking van Kippenbergers vijftigste geboortedag dit jaar laat zien dat zijn werk niet te scheiden valt van zijn leven, noch van het leven van anderen. Terwijl de kunstenaar zelf zijn vijfentwintigste verjaardag vierde met een boekje onder de titel 1/4 Jahrhundert Kippenberger, uitgegeven door “de erven Picasso”, [1] is zijn schaamteloze autobiografische zelfpromotie inmiddels opgegaan in een orale traditie die van het werk een organisch en collectief gebeuren maakt. De viering van een halve eeuw Kippenberger genereert niet alleen de nodige tentoonstellingen (in Tübingen, Braunschweig, Karlsruhe en vanaf deze maand in Eindhoven), maar ook een reeks publicaties die onvermijdelijk vol staan met persoonlijke getuigenissen. Het gaat hier niet om zalvende nostalgie, maar om een totale versmelting van kunst en leven: formele kwesties blijken volledig vergroeid met het gegeven van een familieclan, waarvan de leden, gewild of ongewild, door Kippenberger werden ingeschakeld om werk te produceren. In een door galerist Max Hetzler gepubliceerde hommage noemt de schilder Werner Büttner zijn vriend “een fanatieke familiestichter”, wiens catalogi en boeken “gekruid zijn met foto’s van clans en extended families”. [2] In een zeldzame oprisping van vertrouwelijkheid bekent Hetzler dat Kippenberger de grondslag heeft gelegd voor zijn eigen familie. [3] En Merlin Carpenter stelt dat Kippenberger zijn assistenten gebruikte “op een intensere wijze dan voorheen” en zich daarbij hun ideeën, arbeid en werken ongewijzigd toe-eigende. Overigens werden Carpenters eigen schilderijen eens stukgehakt en als sculptuur in afvalcontainers geëxposeerd, omdat Kippenberger meende dat ze “gewoon te goed [waren], te behendig en dus te kitsch”. [4]

In Amerika – het land dat Kippenberger, in de voetsporen van Kafka, symbolisch veroverde via een invasie van Amerikaanse galerieën, academies en cafés – zette Artforum de anekdotische trend voort door verschillende kunstenaars naar hun mening over hem te vragen. [5] Het resultaat leest als een hedendaagse en gecondenseerde versie van Vasari’s Vite, met als voornaamste verschil dat elk verhaal hier steeds naar dezelfde persoon verwijst. Jeff Koons, ontwerper van het tentoonstellingsaffiche Jeff Koons thinks Martin Kippenberger is great, tremendous, fabulous, everything (1990), geeft de persoonlijk-professionele toon aan: “Altijd als mij wordt gevraagd welke kunstenaar mij heeft beïnvloed, zeg ik: Martin Kippenberger. […] Martin stond open voor alles om hem heen.” Ook Christopher Wool, Stephen Prina en Andrea Fraser doen een duit in het zakje. Fraser wijst op Kippenbergers incorrecte gedrag jegens vrouwen, homo’s en vreemdelingen. Hoewel Kippenberger inderdaad inging tegen alles wat doorgaat voor ‘politiek correct’, steunde zijn werk, hoe ongepast en aanstootgevend ook, duidelijk op een centrale leerstelling van de ‘PC’-beweging: het persoonlijke is politiek.

Het is niet moeilijk om Kippenbergers versmelting van kunst en leven, van het persoonlijke en het politieke, te veroordelen als cynisch, romantisch, onverantwoordelijk of ronduit ziek, maar daarmee is het laatste woord nog niet gezegd. Met Fluxus deelt Kippenberger de esthetisering van het Koning Midassyndroom: alles wat hij aanraakte – van hotelbriefpapier tot aan zijn eigen dochter – veranderde in kunst. Hij profiteerde van de kunstenaars die hij bewonderde: Andy Warhol, wiens fabrieksmatige productielijn hij evenaarde; Dieter Roth, die hij aan de drukpers trachtte te verslaan; en Joseph Beuys, die streefde naar een democratisering van de rol van de kunstenaar in een steeds meer door economische krachten gedomineerde cultuur. Het werk van Kippenberger bezit ook zelf een opvallende economische dimensie, die niet alleen tot uitdrukking komt in de kwantiteit en de clanachtige opzet van zijn kunstproductie, maar ook in de gekozen thema’s en materialen. Zijn eerste solo-expositie bij Max Hetzler in 1981 droeg de beloftevolle titel Ein Erfolgsgeheimnis des Herrn A. Onassis; de uitnodigingskaart voor Peter – Die russische Stellung (1987) was gebaseerd op een advertentie voor een set schroevendraaiers; en het in 1989 gepubliceerde boekje INPUT-OUTPUT, een reactie op een werk van Beuys uit 1978 getiteld Output, bevat 57 tekeningen gemaakt op oude restaurantnota’s. De kunstenaar gebruikte het kapitalisme als ondergrond en de kunstwereld als geldautomaat om zijn materiaal te financieren. Ondanks Kippenbergers toewijding aan de schilderkunst doet zijn voortdurende beroep op economische processen denken aan de ‘relationele esthetiek’, de beweging die aan het begin van de jaren negentig een kritisch antwoord formuleerde op de kapitalistische kolonisering van intermenselijke relaties. Kippenberger collectiviseerde zowel de productie als de receptie van zijn werk, waarbij hij demonstreerde hoezeer het functioneren van de kunstwereld afhankelijk is van een permanente verwarring tussen vriendschappelijke betrekkingen en commerciële relaties.

Over de aard van Kippenbergers ‘totale gebaar’ mag geen misverstand bestaan. Zijn verwerping van de autonomie van het kunstwerk, gekoppeld aan een esthetisering van politiek en economie, herinnert aan de grote totalitaire projecten van de twintigste eeuw – fascisme en communisme – met hun alomvattende beeldtaal en spectaculaire zelfdestructie. Anders dan zijn ‘voorlopers’ Hitler en Stalin herleidde Kippenberger alles wat hij ondernam tot zijn eigen leven en dat van zijn naasten, en niet tot de abstracte collectiviteit van een natiestaat. De Kippenbergercultus is de verheerlijking van een kunstenaar-dictator die “kitscherige kunstcarrières in de knop placht te breken” (Rudolf Schmitz) en de massa’s beledigde in plaats van verdelgde. Zijn strategie was erop gericht om de versmelting van esthetiek, politiek en economie een autobiografische bekroning te geven, ofwel om één individu tot de bron van alle waarden en betekenissen te maken – een uitzonderlijke en grillige uitwerking van Foucaults biopolitiek. Hij was een zelfbenoemd stamhoofd dat persoonlijk alle opbrengsten incasseerde, maar tevens met zijn leven betaalde, zodat in zijn inflatoire boekhouding de grootste winst en het grootste verlies op één en hetzelfde conto kwamen te staan.

Natuurlijk is het kapitalisme ouder dan Kippenberger; zijn economie kon derhalve, ondanks zijn maximale inzet, geen totale maar slechts een parasitaire zijn. Toch had deze kunstenaar al lang voor de opkomst van de antiglobaliseringsbeweging in de gaten wat de totalitaire dimensie van het global capitalism was, en begreep hij hoe schijnbaar profane en ideologisch ontlaste consumptiesymbolen de plaats kunnen innemen van religieuze en nationale rituelen – hoe het individu zichzelf definieert aan de hand van mode, muziek, vakantiereizen en leefstijl. In tegenstelling tot de ideologen van fascisme en communisme verwierp Kippenberger de rationaliteit van het utilitarisme en omarmde hij de consumptie van een luxeleven en de onbeheersbare verspilling van arbeid en productiviteit. De gewoonte om geschiedenisboeken te herschrijven nam bij hem de gedaante aan van een orale verteltraditie zonder enige waarheidsdrang. De ideologie zelf werd tenslotte verdrongen door een mythologie waarvan de symbolen een mengvorm waren van plakboek, familiealbum en belastingdossier. Kippenberger liet liever zijn eigen handtekening achter op een eindeloos consumptietraject dan dat hij zich liet definiëren door de afzonderlijke producten die hij onderweg innam en verteerde.

Een vergelijking met een andere exponent van kapitalistische consumptiekunst, Andy Warhol, geeft enig inzicht in het bijzondere van Kippenbergers benadering. Warhols dagboeken begonnen als een registratie van aftrekbare beroepskosten, zoals taxiritten en lunches, die hij aan het eind van elke dag noteerde. De 611 Time Capsules (1974-1987) stonden oorspronkelijk als afvalbakken naast het bureau van de kunstenaar, wat hem in staat stelde om de ‘dagopbrengst’ met de neutrale efficiëntie van een bibliothecaris te archiveren; elke gevulde doos werd verzegeld, gedateerd en tot nader order opgeslagen. Kippenberger voegde aan Warhols archiveringsproject een element van autobiografische transformatie toe. Hij was een even toegewijde verzamelaar van mensen en objecten, maar maakte van zijn documenten een resonerend dagboek, zoals blijkt uit de tekeningen op hotelpapier of restaurantnota’s. Hij behandelde het papier als een leeg oppervlak dat hij met zijn creaties kon vullen en verminken. De hoteltekeningen zijn te beschouwen als opulente graffiti die het reistraject van de kunstenaar rond de wereld vastleggen en een gepersonaliseerde beeldtaal inschrijven onder het maagdelijke briefhoofd van deftige hotels. Als een billboard bedekt met spuitbusverf krijgt de voorstelling – bijvoorbeeld van een stel voluptueuze vrouwen of van de kunstenaar als verleidelijke kerstman – met de naam van het hotel ook steeds een onwaarschijnlijke coauteur. De restaurantnota’s uit INPUT-OUTPUT registreren op vergelijkbare wijze Kippenbergers voedsel- en drankconsumptie gedurende de maanden januari en februari 1986 in het café-restaurant van Hotel Othon in Salvador. Als de Cliente van kamer 620 gaf Kippenberger een persoonlijke toets aan de nota’s door er met wisselende nauwkeurigheid zijn eigen naam op te schrijven; de rest werd ingevuld door de ober, inclusief de datum en de Assinatura hóspede onderaan de rekening (de plek die bij een kunstwerk doorgaans is gereserveerd voor een signering door de maker). Uiteindelijk nam Kippenberger de leiding weer over; hij tekende in twee jaar tijd op elke nota de plattegrond van een van de locaties waar hij tussen zijn vierde en vijfendertigste had gewoond – van Plaza Conde de Miranda 4 tot Weiszgerberlaende Wien. De gebruikte nota veranderde zo in een architectonisch raster; de in Hotel Othon uitgewisselde goederen, diensten en geldbedragen werden overwoekerd door abstracte kamers, meubels en lichamen in een serie locaties waarvan het hotel in Salvador slechts de zoveelste toevoeging was. De tekeningen werden uitgevoerd met pastel, pen, potlood, aquarelverf en correctievloeistof. De naam van de betreffende locatie stempelde Kippenberger in zwarte letters naast het totaalbedrag van de rekening; daar kwam soms nog een tweede gestempelde tekst bij: “Wer hat mit dem Quatsch angefangen?”

Zowel Warhol als Kippenberger presenteerden het kunstwerk als een persoonlijke en exemplarische inventaris van kapitalistische consumptie. Maar terwijl Warhol het genoeg vond om aan het eind van de dag zijn bonnetjes in een grote doos te stoppen, had Kippenberger duidelijk de behoefte om productie en consumptie te blijven herhalen – om het circuleren van de handelswaar binnen het kapitalistische systeem te beantwoorden en te verdubbelen met zijn eigen varianten van productie en consumptie. Net als Marx schilderde hij de verzamelaar af als een dwaas, een doorgedraaide kapitalist die maar niet begrijpt dat er zonder circulatie geen meerwaarde kan ontstaan. Kippenbergers verzameltechniek registreerde, meer dan die van Warhol, de sporen van de geleefde tijd, de gelaagdheid maar ook de slijtage van het leven; consumptie, architectuur, autobiografie en kunst perste hij samen tot een intieme constellatie – niet in een handige opslagdoos maar binnen de beperkte ruimte van een oude rekening. Wat bij Warhol nog een eenduidig consumeermoment en een lineair documentatieproces was, werd bij Kippenberger een meervoudige temporaliteit: die van het verblijf in Hotel Othon (januari-februari 1986), het verhuizen van de ene verblijfplaats naar de andere (1957-1988), de uitvoering van de tekeningen (1986-1988) en het tijdstip van hun publicatie en expositie (1989) – om nog maar te zwijgen van de temporaliteit die de lezer of beschouwer zelf inbracht.

Beide kunstenaars runden een fabriek. Warhol reproduceerde iconen door uiterst zichtbare producten te kiezen, de achtergrond weg te laten en met zijn zeefdrukpers nieuwe kleuren toe te voegen. Binnen zijn repetitieve series van steeds hetzelfde beeld ontstonden slechts verschillen door het wisselen van de kleur en door onzorgvuldigheden bij het drukken; deze laatste vergrootten bovendien het iconische gehalte door het bewijs te leveren van een grootschalige reproductietechniek die een zekere foutenmarge acceptabel maakt. (Reproductiefouten doen sowieso niets af aan de kracht van een icoon; goedkope prentjes van Jezus zijn even heilig als de meest kostbare.) Met zijn silkscreens creëerde Warhol de illusie van de behoefte aan een product dat toch al op grote schaal werd geproduceerd en gedistribueerd. Wie had Marylin Monroe nog nooit eerder gezien? Zo hield hij de kapitalistische consumptiemaatschappij, waarin reclamecampagnes een vraag creëren naar overbodige goederen, een spiegel voor.

Bij Kippenberger is het oppervlak van het schilderij geen ondoordringbare weerspiegeling van de omgeving, maar een dorstige spons die altijd nog meer betekenislagen kan opzuigen. Ook hij plaatste iconen in series, maar hij deformeerde ze al schilderend. De serie is bij Kippenberger een polyfone opeenstapeling die getuigt van het herhaalde individuele en collectieve gebruik van een beeld uit de reclame. De wijdverbreide slogan “I Love…” – populair geworden door de toeristische campagne “I Love New York”, waarbij het woord love vervangen is door het symbool van een hart – keert terug op verschillende van zijn doeken, zoals I Love Oslo (1981), Casa magnetica in very veritas (1985), Meine Fuesse von unten gegen das Diktat von oben (1985), Kaputtes Kind (1985) en The Capitalist Futurist Painter in his Car (1985). De slogan fungeert bij Kippenberger als een sticker die in grote aantallen en schijnbaar lukraak over het gehele oppervlak van het schilderij is geplakt, zoals op de koffer of auto van een toerist. De termen waarop de slogan eindigt (“Simone de Beauvoir”, “Peace and Money”, “50%”, “Polke + Baselitz”, “Bezahlen”, “Mi(l)ch”, “Larry Flint”, “Nicaragua” en nog veel meer) vormen een onwaarschijnlijke reeks liefdesobjecten. Terwijl Warhol het hart zou hebben losgekoppeld van de slogan en tot een serie in verschillende kleuren zou hebben verwerkt, ontkoppelde Kippenberger de slogan van zijn gebruikelijke referent (New York), om in plaats daarvan zijn eigen provocatieve termen in te vullen. De moeilijk te combineren ‘liefdes’ van de kunstenaar werken als elkaar uitsluitende bijschriften die ieder voor zich de voorstelling op het schilderij trachten te definiëren. Het resultaat vervormt het oppervlak van de schilderachtige doeken – die overigens door Kippenberger zelf maar evengoed door een onbeduidende assistent kunnen zijn uitgevoerd, of door elk een beetje.

Kippenberger handelde niet in iconen maar in mythen, op een wijze die herinnert aan Roland Barthes. De theorie van Barthes sluit nauw aan bij Kippenbergers seriële omgang met de kapitalistische hoorn des overvloeds. De mythe koppelt een vorm aan een betekenis, maar blijft altijd beschikbaar voor sociale mobilisatie. “Ieder object ter wereld,” schrijft Barthes, “kan van een gesloten, zwijgend bestaan tot de spraak doordringen en zo door de maatschappij toegeëigend worden, want er is geen enkele wet, natuurlijk of niet, die verbiedt over dingen te spreken.” Van sprookjes tot advertenties, van foto’s tot schilderijen, als mythe is iets “geschikt gemaakt voor een bepaalde vorm van consumptie, bekleed met literaire bijbedoelingen, herinnerend aan opstanden, beelden, kortom maatschappelijke gebruiken, allemaal toevoegingen aan de pure materie.” [6] In dit verband is Kippenbergers werk te beschouwen als een poging om de vele mythen van het kapitalisme voorbij te streven, door ze zo vaak te herhalen dat ze uiteindelijk niet meer los gezien kunnen worden van Kippenberger zelf. Gegeven de intensiteit van de kapitalistische circulatie wekt de intensiteit van zijn output (zowel op het materiële als het anekdotische vlak) geen verbazing meer; het enige wat wellicht verbaast is dat hij, bij zijn pogingen om de kapitalistische consumptiedwang te overtreffen, nog 44 jaar oud is geworden. De orale dimensie van het werk – de schimpscheuten, de beschonken redevoeringen, het incorrecte gedrag – diende onmiskenbaar om stomme of zwijgende voorwerpen – inclusief de kunstenaar zelf – in een mythologische rol te dwingen. Zijn persoonlijke beledigingen en homofobe opmerkingen maakten het collectief van passieve consumenten tot actieve gebruikers met individuele opinies. Zijn onethische methoden dwongen bij vriend en vijand tenminste een ethische reactie af – een menselijke en individuele waardebepaling, in een tijdperk waarin alle waarden een afgeleide zijn geworden van het kapitaal; want de geborgenheid die het consumentisme biedt, mag dan vrij van religieuze en ideologische doctrines lijken, zij is nooit vrij van een vooraf vastgestelde prijs.

Hoewel Kippenbergers oeuvre vanuit geen enkel gezichtspunt eenvoudig te bevatten valt, ontstaat er een begin van overzicht wanneer we zijn verhouding tot de mythologie in kaart proberen te brengen. De tentoonstelling Orgonkiste bei Nacht uit 1982, met schilderijen van Kippenberger en Albert Oehlen, ontleende zijn momentum aan de ‘orgone energy accumulators’ van Wilhelm Reich, die ook in de cultromans van William Burroughs voorkomen. [7] Later zette de kunstenaar allerlei kunsthistorische mythen in, waarvan hij het aura op zijn eigen werk liet afstralen. De samenwerking met kunstenaars als Oehlen en Wool droeg bij aan de verdere expansie van de Kippi-mythologie en aan de uitbreiding van de sociale toepassingen daarvan. (Een passende hommage is Oehlens schilderij Martin Kippenberger als Vater von Indira Ghandi uit 1984.) Maar een groot deel van Kippenbergers oeuvre – eigenhandig uitgevoerd of niet – voedde zich met mythologieën die verknoopt waren met de machtige economieën van Noord-Amerika en West-Duitsland, die hij trachtte onder te brengen in zijn eigen totalitaire systeem. Een goed voorbeeld is het immense ei-project, dat in 1997 uitmondde in de tentoonstelling Der Eiermann und seine Ausleger in Düsseldorf, geopend kort voor de dood van de kunstenaar. Het is niet duidelijk of Kippenberger bekend was met de polemiek die Karl Krauss ooit voerde tegen het Sternschuss-ei – een van de eerste voorbeelden van een natuurproduct dat een wettelijk gedeponeerd handelsmerk werd; in elk geval maakte hij het ei tot zijn eigen merk. Op de afgebeelde werken in de catalogus, die teruggaan tot 1982, komt maar liefst 150 keer een ei voor. [8] Kippenbergers ei-project is geen cynisch commentaar op het kapitalisme, maar een populistische omkering, een soort almanak waarin alle mythische verhalen rond het eenzame ei plotseling blijken te ontspringen aan de Kippi-mythologie, of sterker nog, aan Kippenberger zelf: de kip, het ei en alles wat daar omheen fladdert.

Waar te beginnen met Kippenberger, en waar te eindigen? Vanuit kapitalistisch perspectief maakt het allemaal niet uit. De chocoladereep die je in de buurtwinkel koopt, maakt evengoed deel uit van het kapitalistische systeem als de luxesuite in het vijfsterrenhotel; de eenzame krabbel op een velletje papier is even indicatief voor Kippenbergers oeuvre als zijn omvangrijkste installatie. Het een leidt naar het ander. Vanuit mythologisch perspectief maakt het ook niet uit waar je begint; alles kan een mythe worden, zolang het maar collectief wordt ingezet. Alleen in het gebruik kan Kippenbergers onmogelijke project voortleven; een project dat erom draaide de consumptie te consumeren zonder zelf geheel te worden verteerd.

 

Vertaling uit het Engels: Camiel van Winkel

 

Noten

 

[1]        Vom Eindruck zum Ausdruck. 1/4 Jahrhundert Kippenberger, Paris/Berlin, Verlag Pikasso’s Erben, 1979.

[2]        Thomas Groetz (red.), Gitarren, die nicht Gudrun heissen. Hommage to Martin Kippenberger, Berlin, Galerie Max Hetzler/Holzwarth Publications, 2003, p. 9.

[3]        Ibid., p. 7.

[4]        Ibid., p. 27 en 29.

[5]        Gregory Williams, The Happy End of Kippenberger’s Amerika as Told to Gregory Williams, in: Artforum 41, nr. 6, februari 2003, pp. 96-104.

[6]        Roland Barthes, Mythologieën [1957], vertaling Kees Jongenburger, Utrecht, Uitgeverij IJzer, 2002, pp. 209-210.

[7]        Zie Groetz, op. cit. (noot 2), pp. 44 en 49.

[8]        Cat. MARTIN KIPPENBERGER. Der Eiermann und seine Ausleger, Düsseldorf, Städtisches Museum Abteiberg/Oktagon Verlag, 1997.

Plankenkoorts

Ik geloof dat ik aan Martin werd voorgesteld tijdens mijn eerste solotentoonstelling, die in 1990 plaatsvond in Galerie Christian Nagel in Keulen. Hij kocht een exemplaar van een van mijn video’s van museumrondleidingen, en een aantal van de lachende en fronsende gezichtjes in aluminium, die ik had gemaakt om ze naast andere kunstwerken te hangen. Een merkwaardige eigenschap van Kippenberger was zijn bereidheid om vrouwelijke kunstenaars te steunen, hoewel hij tot in het excessieve de rol van Duitse machoschilder speelde. Eigenlijk haalde hij op die manier het antagonisme onderuit zoals dat bestond tussen de (Duitse) schilderkunst en de postmodernistische, neoconceptuele, feministische posities waarmee ik mij vereenzelvigde – een antagonisme dat typerend was voor de jaren tachtig. Jammer genoeg was ik in die tijd te zeer doordrongen van die ideologische strijd om voorbij het dronken machopersonage te kunnen raken.

Toen ik een aantal jaar geleden begon met mijn werk over de positie van de kunstenaar, ging ik serieus nadenken over Kippenbergers projecten. John Miller heeft geschreven dat Kippenberger het pathos niet zozeer belichaamde als wel speelde. Wat ik steeds meer waardeerde, was dat hij zijn positie als kunstenaar tegelijk belichaamde en acteerde. Zo zit zijn dronken en geïmproviseerde tafelrede, die ik heb nagespeeld in mijn performance Art Must Hang (2001), vol met wat je vanuit Amerikaans perspectief wel moet beschouwen als misogyne, homofobe en xenofobe elementen. Nu is het best mogelijk dat misogynie, homofobie en xenofobie hoorden bij een bepaalde, door Kippenberger bewust overgenomen en nagespeelde positie binnen de Duitse kunstwereld en de Duitse samenleving. Net zo goed is het mogelijk dat hij zelf tot op zekere hoogte misogyn, homofoob en xenofoob was. Misschien besefte hij dat zelf ook wel en ligt die zelfkennis aan de basis van de zelfhaat in zijn werk. Maar liever dan zulke attitudes simpelweg te loochenen, acteerde hij ze, in uitzonderlijke staaltjes van zelfobjectivering die tegelijk komisch, heftig, meelijwekkend en grotesk waren.

Die zelfobjectivering is volgens mij het meest wezenlijke aspect van Kippenbergers werk. Ik zou hem nooit karakteriseren als ironisch. Het groteske is voor mij datgene wat voorbij de ironie ligt – wat je krijgt als je de ironische afstand elimineert door, bijvoorbeeld, performance en belichaming in elkaar te schuiven. Evenmin zou ik Kippenberger ooit omschrijven als cynisch. Er stond voor hem duidelijk enorm veel op het spel, misschien meer dan hij zelf kon verstouwen.

Als kunstenaars profiteren we van de vrijheid die we vertegenwoordigen met ons transgressieve gedrag en onze kritische en subversieve houding. Maar als we eerlijk zijn, beseffen we dat zelfs in die vrijheid onze rol grotendeels bepaald wordt door de sociale instituties waarbinnen we functioneren. Hoezeer we ons ook van die bepaaldheid bewust zijn, we kunnen er nooit echt aan ontsnappen. De moeilijkste opdracht voor een kunstenaar is daarom om de onlosmakelijke verbondenheid van vrijheid en bepaaldheid te acteren – om die contradictie als performance op te voeren zonder ze met gemakkelijke ironie op afstand te houden of in cynisme te smoren, en zonder te vergeten dat je er niet aan kunt ontsnappen door een wilsdaad, door reflectie of door een taboedoorbrekende handeling. Dat is waar ik steeds naar streef, maar ik vrees dat het me niet lukt. Ik denk dat het Kippenberger wel gelukt is.

 

Vertaling uit het Engels: Eddy Bettens

 

Eerder verschenen onder de titel Performance Anxiety in: Artforum 41, nr. 6, februari 2003. © Artforum, February 2003, Performance Anxiety, by Andrea Fraser, from The Happy End of Kippenberger’s America: as Told to Gregory Williams