nr63
september-oktober 1996

Autobiografie

“Het zou wel eens een belangrijk besluit kunnen zijn dat ik gisteren genomen heb. Het komt voort uit de (bijna fysieke) behoefte om te schrijven, aan iets substantieels, dageliks. (…) Tevens is er de behoefte om eens meerdere nivoos tegelijk aan te spreken. De dagboekvorm lijkt daarvoor geschikt. (…) Afstand tussen notitie (aanduiding) en formulering (verwerking).” Dit zijn enkele fragmenten uit “Oefeningen in het dagboekschrijven voor publiek/augustus 1981 (een eerste keuze)” van J.F. Vogelaar, die vrijwel onmiddellijk nadat ze geschreven waren, verschenen in het Vlaamse tijdschrift “Heibel”. Enkele maanden later publiceerde Vogelaar in het Nederlandse tijdschrift “Raster” zijn “tweede keus”. En als die “tweede keus” uit hetzelfde dagboek al niet betekenisvol genoeg was voor zijn visie op het autobiografische, dan toch zeker de gewijzigde formulering van het laatst geciteerde fragment: “Wat gebeurt er in de ruimte tussen notitie (aanduiding) en formulering (verwerking)?” Het is precies deze vraag die opnieuw, vijftien jaar later, ten grondslag ligt aan een essay van Jacq Vogelaar, die ditmaal niet op zoek gaat naar een antwoord in zijn eigen schrijfpraktijk (alhoewel), maar graaft in de oeuvres van Robert Musil, Carlo Emilio Gadda, Franz Kafka en Isaak Babel.

In de tweede bijdrage van deze aflevering bespreekt Frank Vande Veire “Op het dak”, de autobiografische installatie die Ilya Kabakov recentelijk in het Paleis voor Schone Kunsten realiseerde. Hij beschrijft de listige structuur van deze totale installatie: hoe ze zichzelf ‘tentoonstelt’, op welke wijze de kunstenaar zich ‘showt’ én op welke manier ze de bezoeker betrekt in haar spel.

Wat is dat ‘auto’, het ‘zelf’, het ‘eigene’ dat in “Op het dak” en in talloze andere autobiografieën opgevoerd wordt? Is het wat we maken? Dan zou een monografisch museum een ideale plaats zijn om het op het spoor te komen. Is het wat we hebben? Dan zou bijvoorbeeld een verzameling het uitgelezen instrument zijn om onze zoektocht verder te zetten. Of heeft het te maken met ons geslacht? Dan moeten we zeker een aantal tentoonstellingen onderzoeken die zich op gender-issues toespitsen. Ziehier de inhoud in een notedop: Steven Jacobs over monografische musea in het algemeen en het Raveel-museum in het bijzonder, Renée Steenbergen over enkele verzamelaars, Sven Lütticken over de verzamelaar-kunstenaar in het werk van Georges Perec, Dirk Pültau over Gynaika en “Inside the Visible, an elliptical traverse of 20th century art (in, of, and from the feminine)” en Marc De Kesel over Batailles l’informe.

Ten slotte ook in dit nummer: de vijfde episode van het tweemaandelijkse feuilleton “KUNST”.

ESSAYS

Een schrijn voor kunst en kunstenaar

Over de dubbelzinnige ideologie van het monografische museum

Steven Jacobs

Een schrijn in het dorp

Stéphane Beels ontwerp voor het Raveel-museum

Steven Jacobs

De verzamelaar als autobiografisch project

8 interviews

Renée Steenbergen

Kunst, een gebruiksaanwijzing

Over 'Un cabinet d'amateur' en 'La vie mode d'emploi' van Georges Perec

Sven Lütticken

De affirmatieve vrouw in de kunst

Over Gynaika en 'Inside the Visible'

Dirk Pültau

Het vormeloze van een sokkel

Kunst als scatologie

Marc De Kesel

KUNST - Een feuilleton in afleveringen

Aflevering 5: De kunstenaars zijn alweer nieuwe grenzen aan het opzoeken

Linda Warmoes

BESPREKINGEN


beeldende kunst


Beelden in kleur 1840-1910

Sven Lütticken

James Turrell

Sven Lütticken

Daniel Buren

Sven Lütticken

Gabriel Orozco

Etienne Wynants

publicaties


Kunst & Museumjournaal

Sven Lütticken

Art gallery exhibiting

Sven Lütticken

Documentsdocumenta

Etienne Wynants

Roni Horn

Sven Lütticken

Jeff Koons

Sven Lütticken
← back