nr76
november-december 1998

Het kunstenaarschap in/als fictie

In deze aflevering staan we opnieuw uitgebreid stil bij het thema van het kunstenaarschap. Hadden we in de eerste aflevering van deze jaargang vooral aandacht voor de wijze waarop de beeldende kunstenaar zelf reflecteert over zijn kunstenaarschap – met onder andere analyses van het werk van Jan Vercruysse en Thierry De Cordier – dan ligt in dit nummer de klemtoon op de omgang met het kunstenaarschap van buitenaf. Scharnier tussen beide afleveringen is ongetwijfeld Marcel Duchamp, de kunstenaar die enerzijds teerde op het museum – het kunstinstituut bij uitstek – voor tal van bizarre kunstacts, bijvoorbeeld een partijtje schaak met een naakte schoonheid, maar anderzijds zijn kunstenaarschap fictio-naliseerde – en zo de kunst van zich afduwde – door zich te verschuilen achter verschillende alter ego’s, waarvan Rrose Sélavy zeker de bekendste is. In het januari-nummer werd de Duchamp van de blote Eve Babitz behandeld, nu Rrose Sélavy als fictief kunstenaar.

Een verzameling van andere fictieve beeldende kunstenaars, die we als encyclopedie hebben opgevat, vormt de ruggengraat van dit nummer. In alfabetische volgorde – van Osvald Alving (de Noorse schilder van abstract-mythologische figuren, wiens veelbelovende carrière plots spaak liep na de dood van zijn vader) tot Wang-Fô (de Chinese meester die de reputatie had dat wat hij schilderde echt tot leven kwam) – zijn meer dan vijftig fictieve kunstenaar gerepertorieerd. Bij elk van deze artiesten is het kunstenaarschap op de een of andere manier uitgedraaid op een nachtmerrie. Als niet een of andere verslaving, of een zwakke gezondheid tout court, deze kunstenaars parten speelde, dan toch zeker de liefde, of een familiaal drama in de ruime zin van het woord. Van slechts weinige fictieve kunstenaars zijn nog werken bekend, de meesten hebben alles zelf in de vernieling geholpen. Het is bijzonder verleidelijk om deze bonte collectie karikaturen te vergelijken met de artistieke beau monde op het einde van het tweede millennium. De vaak onwaarschijnlijke gelijkenissen zijn uiteraard weinig flatterend voor onze bricolerende of konterfijtende tijdgenoten, maar eigenlijk nog minder vleiend voor onze omgang met het kunstenaarschap, want het zijn wijzelf, kunsttheoretici, kunstcritici, schrijvers of lezers in het algemeen, die blijkbaar om de een of andere reden nood hebben aan deze wanstaltige voorstellingen. In plaats van de fictieve kunstenaars terug te koppelen naar hun reële tegenvoeters moeten wij dringend onze eigen angsten en verlangens met betrekking tot het kunstenaarschap in kaart brengen en ondervragen. Wellicht komt dan aan het licht dat wij lijden aan een onblusbare zucht naar helden en anti-helden, die zich vanaf de moderniteit, zo suggereert Paul De Vylder in zijn essay De mythografische machine, ook op de figuur van de beeldende kunstenaar vastzet.

Naast de encyclopedie, en voornoemd essay van De Vylder, bevat deze aflevering een aantal andere bijdragen over het verlangen (van de niet-kunstenaar) naar het kunstenaarschap, meer bepaald het verhaal De Koning van het woud van de Franse auteur Pierre Michon (over de fictieve kunstenaar Gian Domenico Desiderii en de reële kunstenaar Claude le Lorrain), het traité van Eddy Bettens over het verlangen naar het schrijverschap, de tekst van Steven Jacobs over de Hollywood-benadering van het kunstenaarschap en de hierboven reeds aangestipte bijdrage van Ernst van Alphen over Duchamp/Rrose Sélavy. In de volgende aflevering van De Witte Raaf vormt het tweede deel van de encyclopedie van fictieve kunstenaars het uitgangspunt voor een totaal ander onderzoek, niet meer over het verlangen naar het kunstenaarschap, maar over datgene wat er zoal bij het kunstenaar-zijn komt kijken.

Verder in dit nummer: Sjoukje van der Meulen over Bill Viola; Sven Lütticken over Rineke Dijkstra en De Moord op Mondriaan, de vijfde aflevering van de strip De lage landen.

ESSAYS

De Koning van het woud

Pierre Michon

Vita Nuova

Over het verlangen naar het schrijverschap

Eddy Bettens

Marcel Duchamp in travestie

Ernst van Alphen

De mythografische machine

Paul De Vylder

Abstractie en disciplinering

Over de series van Rineke Dijkstra

Sven Lütticken

Guillaume Bijl

Sven Lütticken

BESPREKINGEN


beeldende kunst


Jef Geys in Hasselt

Etienne Wynants

Marcel Broodthaers

Jan Florizoone

Kunst in de openbare ruimte

Sven Lütticken

Transparantie

Sven Lütticken

Tacita Dean

Sven Lütticken

Jason Rhoades

Rogier Schumacher

Power up

Sven Lütticken

Le Consortium in het Centre Pompidou

Lieven Van Den Abeele

Berlin Biënnale

Etienne Wynants

Allan Sekula

Etienne Wynants

Joachim Brohm

Rogier Schumacher

Dorothea Lange

Erik Eelbode

Helen Levitt

Erik Eelbode

Degrees of stillness

Erik Eelbode

architectuur


Sport in stadsbeeld

Petra Brouwer

Living bridges

Petra Brouwer

New Babylon

Petra Brouwer

publicaties


Gabriel Orozco

Sven Lütticken

Tiong Ang

Sven Lütticken

Veronica's Revenge

Erik Eelbode
← back