width and height should be displayed here dynamically

De plaats van de intellectueel – tweede paneldiscussie met Belgische deelnemers

31 maart 2007 - kantoor van De Witte Raaf Brussel Jean-Jacques Cassiman, Thierry de Duve, Dominiek Hoens, Dirk Pültau, Myriam Van Imschoot

Dirk Pültau: Ik wil beginnen met een passage uit de tekst Openbaar denken van Bart Verschaffel die we als denkstof namen voor dit gesprek. Verschaffel constateert – we schrijven 1988 – dat er geen intellectueel klimaat is in Vlaanderen. “We komen niet aan het levensminimum.”

Jean-Jacques Cassiman: Dat zou ik niet durven zeggen.

Thierry de Duve: “De afwezigheid van een intellectuele openbaarheid in Vlaanderen is een toestand”, schrijft Verschaffel. Ik vond dat verrassend om lezen. Ik behoor niet tot het openbare intellectuele leven in Vlaanderen maar word af en toe wel uitgenodigd, en dan blijkt dat daar toch een intellectueel debat aan de gang is. Door Walen word ik bijna nooit geïnviteerd en ik heb geen weet van een intellectueel debat in Wallonië. Ik betreur dat. Ik spreek over Wallonië, en niet over de Franstalige gemeenschap waar ook Brussel bijhoort – dat is een andere kwestie.

D.P.: Wat Verschaffel over Vlaanderen zegt, geldt veeleer voor Wallonië, dat is uw ervaring?

T.d.D.: Dat is mijn indruk ja, maar ik spreek hier als individu, meer bepaald als een Franstalige Belg die lange tijd in Parijs heeft gewoond. Ik vertegenwoordig geen gemeenschap.

J.J.C.: Ik zie aan Franstalige kant toch ook mensen en groepen met een intellectuele boodschap – om nu één iemand te noemen, de sociaal econoom Philippe Van Parijs neemt standpunten in die ik verrijkend vind. Het is wel een feit dat de Franstaligen meer afhangen van wat er in Frankrijk gebeurt, ze zijn cultureel en intellectueel minder autonoom – en dat speelt minder voor de Vlamingen ten opzichte van Nederland.

D.P.: Thierry de Duve, Verschaffel lijkt te suggereren dat men in Frankrijk wel de condities voor een intellectueel gesprek vindt.

T.d.D.: Hij idealiseert dat toch een beetje.

Myriam Van Imschoot: Ik kan hem ergens wel volgen, wanneer hij het over een gebrekkig intellectueel klimaat heeft, en ik zou dat met een generatie Vlaamse intellectuelen verbinden die eind jaren ’80 niet of toch niet meteen haar plaats binnen het academisch bestel in Vlaanderen vond. Doordat er een lost generationdreigde te ontstaan, stelde zich des te meer de vraag naar welk intellectueel vangnet daarbuiten bestond voor dergelijke vrijgekomen ‘radicalen’, voor die brain drain. Er zijn hier overigens boeken en teksten van hoge kwaliteit geproduceerd, er is meer dan genoeg denkstof aangemaakt, maar als je kijkt hoe weinig amplitude dat heeft gekend… Misschien chargeer ik, maar in een Franstalige context had Bart Verschaffel de bekendheid van een Roland Barthes kunnen hebben. Het gaat misschien minder om talent dan wel om kansen, draagvlakken en resonantie.

T.d.D.: Voor mij speelt nog een andere kwestie: heeft de intellectueel iets met nationale identiteit te maken? Bart Verschaffel werkt met nationale en linguïstische referentiekaders.

M.V.I.: Dat klopt, hij spreekt over het buitenland volgens een oude visie op internationalisme dat rond de verhouding van export en import draait. Bijvoorbeeld, uit die klacht over “het gebrek aan intellectueel klimaat in Vlaanderen” spreekt een lokaal perspectief dat je nu helemaal anders zou begrijpen. Als het dus gaat over wat er veranderd is sinds 1988, dan denk ik zeker aan een doorgedreven internationalisering en een heel andere mobiliteit, ook in de intellectuele beroepen. De communicatietechnologie en de mobiliteit hebben het veld van de intellectueel grondig hertekend.

T.d.D.: En er is nog iets anders wat in de tekst van Verschaffel ontbreekt: de politiek. Uiteindelijk is de term ‘intellectueel’ toch in een politieke context ontstaan, naar aanleiding van de zaak Dreyfus. Dat is trouwens de reden waarom een intellectueel in Frankrijk lange tijd per definitie links georiënteerd was. Pas sinds de crisis van het communisme begon men ook van rechtse intellectuelen te spreken.

 

De specialist versus de intellectueel

De verkaveling en de fetisjering van kennis

J.J.C.: Ik heb de indruk dat ook de meeste kunstenaars niet beantwoorden aan de definitie die Verschaffel geeft. Hij heeft een heel specifieke visie op de intellectueel: een beetje Frans, veeleer links en met een hogere opleiding, vooral in de filosofisch sfeer… Ik zou dat breder willen zien. In mijn ogen is iedereen die creatief is en door zijn creativiteit een bijdrage levert een intellectueel. Al hou ik niet zo van het woord intellectueel.

D.P.: Waarom niet?

J.J.C.: Omdat daar ‘intellect’ in zit en er voor mij verschillende vormen van intelligentie zijn. Je kan op zeer uiteenlopende manieren een intellectuele bijdrage leveren, afhankelijk van het gebied waarin je werkt. Een wetenschapper die beseft dat er nog een wereld buiten zijn domein is, die mag voor mijn part ook een ‘intellectueel’ worden genoemd.

T.d.D.: U en uw collega’s – harde wetenschappers onder elkaar – zien jullie elkaar als intellectuelen?

J.J.C.: Ik beschouw hen zeker niet allemaal als intellectuelen.

Dominiek Hoens: En wat zijn uw criteria?

J.J.C.: Dat het geen vakidioten zijn. Daar ben ik het met Verschaffel eens, als je enkel een bepaald kennisdomein claimt, ben je geen intellectueel.

T.d.D.: Akkoord, dat is een belangrijk verschil: een zuivere specialist is nog geen intellectueel. In de Franse traditie is een intellectueel iemand die spreekt in naam van iets universeels, of het nu om kunst, wetenschap, politiek, ethiek of zelfs om religie gaat. Een geneticus kan over stamcellen spreken op grond van zijn wetenschappelijke praktijk – als specialist – maar hij kan zich ook uitspreken over het gebruik van stamcellen, en dan krijg je een politieke en ethische dimensie, vanaf dan treedt hij op als intellectueel. Hij spreekt weliswaar nog vanuit zijn expertise, maar niet meer louter als expert, hij spreekt óók als mens, in naam van wat menselijk is.

D.P.: Maar vandaag is er vooral vraag naar échte specialisten, hebben jullie ook die indruk?

T.d.D.: Zeker in de media. De media hebben de openbare sfeer gekoloniseerd en er is een echte expertencultuur gegroeid. De autoriteit van de specialist is er op de plek terechtgekomen waar je vroeger misschien intellectuele stemmen zou hebben gehad. Parallel daaraan heb je ook het fenomeen dat de media hun gasten – vooral dan de stars – over alles en om het even wat een mening vragen.

M.V.I.: Ik vind dat symptomatisch voor de huidige kennismaatschappij en het fetisjeren, maar ook het verkavelen van kennis. Een specialist wordt door de media ingezet als de deskundige die vanuit zijn expertise spreekt en een vorm van kennis ‘representeert’ op een vaak sluitende manier. Die typecasting werkt ideologisch, want ze houdt een valse geruststelling of bezwering van onzekerheid in. Het intellectuele manifesteert zich volgens mij precies daar waar men kennis niet reproduceert, maar – sorry voor de geladen term – waarheid zoekt. Dat is een betekenisproces dat bij uitstek niet afgesloten wordt, maar dient te worden opengehouden. Het intellectuele is een praktijk van de vraag.

D.P.: Zelfs als het om filosofen en ethici gaat, kan je spreken van een verkaveling volgens afgebakende percelen of specialismen. Je hebt, bijvoorbeeld, een debat over een wetenschappelijk onderwerp waar ook een ethische kant aan zit, en dan wordt daar een filosoof of een ethicus voor ingeschakeld.

J.J.C.: Pas op, veel wetenschappelijk onderzoek is vandaag ondenkbaar als je geen rekening houdt met de ethische dimensie.

D.P.: Het probleem is dat men van die ethische dimensie een aparte expertise maakt.

D.H.: Men belet dat de specialist óók als mens en dus als intellectueel over zijn vakgebied spreekt. Men interviewt bijvoorbeeld vijf genetici en voor de ethische kwestie belt men de bekende ethicus Etienne Vermeersch op, die op zijn beurt spreekt vanuit zijn expertise. Dat is een probleem, want de intellectueel spreekt weliswaar ook met kennis van zaken, maar hij beseft tegelijk dat zijn standpunt nooit volledig gefundeerd kan zijn. De expert, daarentegen, dekt dat tekort af, hij mist dus de politieke en ethische dimensie van het spreken van de intellectueel. In die zin denk ik dat de huidige expertencultuur tot intellectuele passiviteit leidt, en uiteindelijk tot een depolitisering van het denken.

J.J.C.: Ik zou dat niet veralgemenen, ik hoor ook mensen op radio en televisie die als expert gevraagd worden en een bredere kijk geven. Maar het klopt wel dat veel specialisten schrik hebben om bepaalde zaken in hun context te plaatsen, omdat het hen kwetsbaar maakt. Ze blijven liever op vertrouwd terrein.

T.d.D.: Je moet ermee rekening houden dat de expert eveneens zijn ethische regels heeft, hij mag over zijn vakgebied niet emotioneel worden.

J.J.C.: Ik heb niet zo’n probleem met het feit dat experten in de media worden uitgenodigd om toelichting te geven bij een bepaald onderwerp. Ik mis veeleer het bredere debat waarbij de specialist en de journalist ook met andere partijen worden geconfronteerd.

D.P.: U wordt zelf al eens gevraagd om in de media toelichting te geven bij ontwikkelingen in uw vak, de genetica, een mediageniek onderwerp dat tot de verbeelding spreekt. Hoe gaat u daarmee om?

J.J.C.: Ik geef zoveel mogelijk achtergrond, tracht de beperkingen van de wetenschappelijke kennis aan te geven, zoveel mogelijk te relativeren om te beletten dat de fantasie op hol slaat. Men moet z’n woorden wikken om misverstanden te vermijden, want de tijd is altijd beperkt – dat is de moeilijkheid op dit ogenblik, je hebt dertig seconden om iets te vertellen.

D.H.: Wordt u ook geconfronteerd met vragen die uw expertise te buiten gaan?

J.J.C.: Zeker. Dan zeg ik dat ze het aan iemand anders moeten vragen.

 

De universiteit

Fundamenteel en toegepast onderzoek

De universiteit in een competitieve samenleving

Angst voor het denken

D.P.: Hoe ervaart u de maatschappelijke druk op het universitair onderzoek? Van onderzoek wordt verwacht dat het maatschappelijk relevant is.

J.J.C.: Daar heb ik niet zo’n probleem mee. Het kan geen kwaad om de maatschappelijke relevantie van onderzoek in overweging te nemen, en al evenmin om jonge mensen te doen nadenken over het ‘waarom’ van wat ze doen. Bovendien moet je soms rekening houden met de economische gevolgen van een onderzoek.

D.P.: Maar wat als men van elke vorm van vrij onderzoek een maatschappelijke return gaat verwachten, ook in de humane wetenschappen en zelfs in de kunst?

J.J.C.: Die ‘maatschappelijke relevantie’ zou ik niet al te strikt interpreteren. Een bijdrage aan de kunstwereld kan ook maatschappelijk relevant zijn.

D.P.: Dat is het juist, vandaag is een bijdrage aan de kunstwereld niet meer genoeg. Men eist van de kunst een strikt maatschappelijke return.

J.J.C.: Daar raak je een algemener probleem aan: men ziet vandaag alles op korte termijn. Bij ons draait de grote discussie momenteel rond het verschil tussen toegepast en fundamenteel onderzoek. Men spreekt over onderzoek maar uiteindelijk bedoelt men vooral toegepast onderzoek, met een snel rendement, want de politicus die de budgetten toekent wil zijn kiezers iets kunnen tonen.

D.H.: Beïnvloedt dat de kwaliteit?

J.J.C.: De kwaliteit niet, die is veeleer toegenomen, het probleem zit in de aard van het onderzoek: er is minder ruimte om vrijblijvende vragen te stellen, om fundamenteel onderzoek te voeren. We bootsen de Amerikanen terwijl we daarvoor de middelen niet hebben. Op het vlak van productiviteit en toegepast onderzoek kunnen wij onmogelijk met de Verenigde Staten concurreren. Ik vrees dat we op termijn de tol gaan betalen.

D.H.: Met welk resultaat?

J.J.C.: Dat de druk toeneemt, wat je nu al voelt, en dat de creativiteit verloren gaat. Het is juist de kracht van België en van de andere Europese landen dat ze creatief zijn: overal waar de middelen beperkt zijn, is men creatief – kijk ook naar Rusland. Waar veel geld is, volgt men de trends.

D.H.: Maar creatief onderzoek is toch ook productief? Waar ligt precies het verschil?

J.J.C.: Grote uitvindingen gebeuren op het moment dat men het niet verwacht. Je zoekt en er komt iets uit wat je als potentieel belangrijk herkent. Je weet dus nooit wat je zal vinden, je zoekt niet doelgericht; de kunst is om het nieuwe te laten gebeuren en als zodanig te herkennen. Dat is écht fundamenteel onderzoek en ik vrees dat we dat aan het kwijtspelen zijn. Einstein heeft vier publicaties geschreven in zijn leven. Wel, vandaag maakt zo iemand aan de universiteit geen schijn van kans meer, hij zal niet eens meer kúnnen opstaan omdat hij nog hooguit origineel mag zijn in een bepaalde lijn – hij moet meedraaien in het productieproces.

D.P.: Zo gaat dat met de universiteit in een competitieve samenleving.

J.J.C.: Dat gaat over competitiviteit, inderdaad, en over werkdruk. En daar komt nog al het administratieve werk bij dat sinds de komst van de computer naar de afdelingen doorgeschoven wordt. Vandaag moet je over managerskwaliteiten beschikken als je een universitair onderzoek wil leiden, terwijl het vroeger nog kon volstaan om creatief te zijn – als je dan zoals Einstein een goede vrouw had die ook slim was en je goed souffleerde…

D.H.: Men is soms meer bezig met het evaluatiesysteem en het tevreden stellen van de controlecommissie dan met het onderzoek zelf, is dat niet ook het probleem?

J.J.C.: Daar is de balans misschien wat zoek. We zitten vandaag in een ander systeem, vroeger kon men jaren op de universiteit zitten zonder iets uit te steken, nu moet je een doctoraat op vier jaar afleveren.

M.V.I.: Ik zie een groeiend wantrouwen tegenover onderzoek op zich. Vroeger kon je jarenlang werken, zoals je zegt, en het resultaat zou wel blijken op de doctoraatsverdediging, maar vandaag is er bijna een dwang om het onderzoek in verschillende etappes en liefst zo snel mogelijk openbaar te maken.

J.J.C.: Ik weet niet of ik dat herken. Maar we zitten wel in een cultuur van publish or perish

M.V.I.: …die van de positieve wetenschappen naar de menswetenschappen is overgewaaid…

J.J.C.: Absoluut, dat is een serieus probleem, want je kan de criteria van de exacte wetenschappen onmogelijk op de menswetenschappen toepassen. In de humane wetenschappen schrijf je boeken, wij doen dat nauwelijks – wij hebben op een hele carrière misschien honderd publicaties die je dan achteraf in een boek zou kunnen bundelen. Maar gelukkig komt men daar nu stilaan op terug.

D.H.: Is dat zo? Mijn ervaring is dat het gebeurt dat een bepaald project wordt voorgesteld alsof men van een glasheldere onderzoeksvraag vertrekt en via vaste regels en methodes tot een loepzuiver resultaat zal komen. Projectleiders zien er dan nauwlettend op toe dat alles volgens het boekje verloopt en iedereen lijkt bijzonder gefascineerd door dit te volgen model – ook al wringt het soms, en werkt het van de weeromstuit een overidentificatie in de hand. Het effect is contraproductief: men zal namelijk alles in het werk stellen om het onderzoek zeer wetenschappelijk voor te stellen, zodat de controlecommissie tevreden is, maar in werkelijkheid doet men iets anders. Bijgevolg ontstaat er een clandestiene praktijk binnen de universiteit, een gespletenheid tussen wat men officieel en feitelijk doet, tussen datgene waarover men zogezegd werkt en het eigenlijke onderwerp. Die spanning is natuurlijk niet bevorderlijk voor het onderzoek.

D.P.: Myriam, jij hebt het over een dwang om onderzoek openbaar te maken. Beschrijf je de effecten van externe druk?

M.V.I.: Nee, wat ik bedoel speelt zich in de eerste plaats intra muros af. Ik vind het verbazingwekkend hoe onhandig mensen aan de universiteit met onderzoek omgaan, zelfs als ze er al geruime tijd werken. Ik gebruik daar graag een Engels woord voor, anxiety. Rond onderzoek heerst anxiety, een eigenaardige mengeling van opwinding en angst, die natuurlijk door het controlemechanisme en de prestatiedruk aangewakkerd wordt… maar het fundamentele ongemak bestaat al veel langer en heeft betrekking op het denken als zodanig. ‘Denken’, wat is dat eigenlijk? Waar en hoe speelt zich dat af? Een aspirant beschikt over een beurs van 1500 euro per maand, maar wat doet die persoon in feite en doet hij überhaupt wel íets? Denken is immateriële arbeid die zich moeilijk laat grijpen, en dat wekt argwaan op. Op sommige plekken wordt van de onderzoeker geëist dat hij van negen tot vijf op kantoor komt werken en het zichtbare bewijs van zijn immateriële arbeid levert. Men installeert een aanwezigheidscultus, een prikkloksysteem, om het immateriële grijpbaar en het denkwerk beheersbaar of zelfs lokaliseerbaar te maken als kantoorarbeid. Dat wordt, zoals gezegd, in de hand gewerkt door het rentabiliteitsdenken en het controlesysteem, maar de angst was er al, ze bestond al onderhuids.

D.P.: Bart Verschaffel noemt als een van de voorwaarden voor een intellectueel klimaat dat je een institutionele ruimte hebt opdat het ‘gesprek over ideeën’ kan plaatsvinden. Idealiter is dat de universiteit. Maar als ik jullie hoor, dan heerst er op de universiteit niet echt meer een intellectueel klimaat…

J.J.C.: De tijd dat intellectuelen van alle strekkingen literatuur en filosofie konden lezen aan de universiteit ligt ver achter ons, als je dat bedoelt. Om een concreet voorbeeld te geven: enkele jaren geleden hebben wij geprobeerd om een universitasklimaat te creëren binnen de universiteit, zodat mensen over het muurtje heen konden kijken en zien wat er bij de buren gebeurt. Wel, dat heeft niet gewerkt. Dat is romantiek zo je wilt. Iedereen zit voor honderd procent vast – en toch zie ik nog wetenschappers die dat overstijgen en zich bezighouden met kunst en muziek, vreemd genoeg eigenlijk.

T.d.D.: Kant heeft een tekst geschreven over het conflict tussen de faculteiten en de plaats van de filosofie aan de universiteit. Eigenlijk impliceert die tekst dat elke richting een beperkte vorm van filosofieonderwijs in het curriculum moet inbouwen.

D.H.: Maar dan loop je weer het risico dat die cursus filosofie als een apart vak wordt beschouwd en dus geen effect sorteert. Dat brengt ons bij de andere voorwaarde voor een intellectueel gesprek die Verschaffel aanhaalt, namelijk de traditie, als een soort bodem voor elk intellectueel spreken. Vroeger leefde in het onderwijs nog de idee van Bildung, van een algemene vorming die niet meteen tot nuttige kennis leidde, of waar we niet meteen duidelijke vaardigheden aan overhielden; het waren misschien zelfs eerder een soortonvaardigheden. Welnu, die Bildung-gedachte wordt in de huidige onderwijskringen fors bekritiseerd; kritisch denken is nog wel belangrijk maar liefst niet te veel, en er is een grotere nadruk op doelgerichte skills, op competenties met een aantoonbaar nut.

J.J.C.: Ja en nee, men legt de nadruk op vaardigheden én er is veel aandacht voor kritisch denken en zelfstudie aan de universiteit, vooral in de eerste jaren van het curriculum. Met die zelfstudie heb ik echter grote problemen.

D.P.: U bent tegen de idee van zelfstudie gekant?

J.J.C.: Nee, de bedoeling vind ik goed. We komen uit een tijd met veel ex- cathedraonderwijs, waarbij de studenten veel van buiten leerden en dat reproduceerden op het examen. Daar wil men van af en dat is goed. Maar of de middelen volstaan? De bedoeling is om studenten een kritische houding bij te brengen, zodat het geen vakidioten worden, maar hoe kan je zoiets bereiken met groepen van honderden mensen? Als je er helemaal alleen voorstaat? Om iemand zelfstudie aan te leren, moet je hem begeleiden, en dat vraagt middelen en personeel.

T.d.D.: Ik ken niemand aan de universiteit die geen voorstander is van kritisch denken – natuurlijk zijn we allemaal voor kritisch denken. Maar de licentiaatsopleidingen of de huidige masters zijn een vorm van massaonderwijs. Dat is positief – want het wijst erop dat de gemiddelde vormingsgraad toeneemt – maar een kritische en zelfstandige denkpraktijk begint pas later. Het vrije denken is voor de doctoraatsstudenten.

J.J.C.: Dat denk ik ook, de licenties of de masters, dat is massaonderwijs, een licentiaatsdiploma betekent niets meer. En nu proberen almaar meer mensen te doctoreren…

M.V.I.: …en hoe beter dat systeem gestroomlijnd is, hoe meer mensen hun diploma halen in de diplomafabriek – wat doe je daar dan mee?

J.J.C.: Dat vele mensen een licentiaatsdiploma of een master behalen, dat is toch niet zo slecht, en ja, het bewijst effectief dat de intellectuele capaciteiten van de bevolking zijn toegenomen.

M.V.I.: Dus Bart Verschaffel zou een nieuw artikel kunnen schrijven met de boodschap dat er dankzij de grotere afvalbak van de universiteit sowieso een sterker intellectueel klimaat gaat komen.

J.J.C.: De gemiddelde burger is mede dankzij de hogere scholingsgraad veel beter geïnformeerd en veel kritischer geworden, zo denk ik daarover en ik vind dat positief. Je merkt het trouwens aan de moeite die politici doen om hun boodschap beter te verpakken. Ze voelen dat de burger niet meer alles klakkeloos slikt.

D.P.: En uw conclusie is dat de burger mondiger is geworden? De aandacht voor de verpakking toont dat de burger wordt benaderd als een kieskeurige consument, als een klein kind dat een snoepje wordt voorgehouden…

J.J.C.: …maar dat de volgende keer weerwraak zal nemen. Misschien dat politici daarom geen visie willen formuleren, als ze er al een hebben: ze hebben schrik van de burger die te veel weet en het niet meer slikt.

D.P.: Akkoord, misschien moeten we het dan hebben over de manier waarop dat ‘kritische’ geïnterpreteerd wordt. Met ‘kritisch’ wordt, denk ik, veelal iets particuliers en vrijblijvends bedoeld, een persoonlijke mening. Dat is nog iets anders dan een visie met een universeel appel – laat staan dus een intellectuele uitspraak. De kritische burger is vaak alleen maar misnoegd.

J.J.C.: Dat is de keerzijde, de maatschappij is zowel kritischer als individualistischer geworden. Weet je wat ik spijtig vind, dat men nooit naar de middengroepen en verenigingen luistert. Denk aan het Davidsfonds, de vrouwenverenigingen en de mannenclubs, organisaties zoals Actueel denkenMarkant… tienduizenden mensen die allemaal intellectueel actief zijn, die geïnteresseerd zijn in kunst, literatuur of wetenschap en die zich verplaatsen om naar een intellectueel discours te komen luisteren. De laatste tijd zijn de universiteiten voor de derde leeftijd opgekomen, dat is een ongelooflijk succes, zowel aan Vlaamse als aan Franstalige kant. De Koning Boudewijnstichting organiseert burgerconferenties: men vormt groepen van mensen die representatief zijn voor de bevolking, brengt hen samen, geeft hen informatie, en vervolgens laat men hen aan het woord over specifieke problemen.

D.P.: Wat levert dat op?

J.J.C.: Dat resulteert in aanbevelingen voor de overheid. Maar die maakt er geen gebruik van.

T.d.D.: Waarom nemen zij niet zelf het woord?

J.J.C.: Omdat ze te verdeeld zijn. Jammer, want dat zou een ongelooflijk intellectueel forum kunnen zijn, enorm interessant – niet om die mensen de beslissingen te laten nemen, want de politici moeten hun verantwoordelijkheid opnemen, maar om te weten wat er leeft, wat voor inzichten er in omloop zijn en wat er mogelijkerwijze veranderd kan worden.

 

De verdeeldheid van de intellectueel

De sprong tussen denken en actie

Intellectuele modellen

 D.P.: Thierry, in jouw carrière heb jij zelf tweemaal getracht om een intellectuele scene te maken: jij hebt je geëngageerd door een model voor een kunstschool uit te bouwen, en door tentoonstellingen te organiseren. Kan je dat intellectuele gestes noemen? Wat heeft jou bewogen?

T.d.D.: Dat waren intellectuele gestes – vormen van culturele overdracht. In de jaren ’90 heb ik een project voor een Parijse kunstschool uitgewerkt, omdat ik de toestand van het kunstonderwijs lamentabel vond. Dat is na vier jaar afgevoerd, door toedoen van burgemeester Chirac. Wat later heb ik mij geconcentreerd op de openbare plaats van de kunst, vooral met de tentoonstelling Kijk/Voici. Honderd jaar hedendaagse kunst (2000-2001) in het Paleis voor Schone Kunsten. Je kan in dit geval wel van een politieke geste spreken, een vorm van culturele overdracht. Ik wilde uit de kunstwereld breken waarin kunst alleen voor de incrowd wordt gemaakt, en mij rechtstreeks tot het breedst mogelijke publiek richten. Er kwamen toch 80.000 mensen op af. Ik heb dan nog het Belgisch paviljoen voor de Biënnale van Venetië (2003) gecureerd. Het Ministerie van de Franse Gemeenschap vroeg of ik mij kandidaat wilde stellen en eerst dacht ik er niet aan – maar uiteindelijk vond ik het een plicht om het toch te doen, want ik besefte dat men zonder Kijk/Voici nooit bij mij zou zijn terechtgekomen. Die uitnodiging was een effect van Kijk/Voici. Het cureren van het Belgisch paviljoen is automatisch een politieke stellingname – je vertegenwoordigt je land.

D.P.: Waarom wil jij zo’n publieke uitspraak doen?

T.d.D.: De keuze van de kunstenaars – of kunstenaressen en niet toevallig Sylvie Eyberg en Valérie Mannaerts – was in de eerste plaats artistiek, maar er was nog een politieke dimensie in relatie tot de kunstcontext. Want hun werk is bewust antispectaculair en meditatief. We wisten dat het risico bestond dat ze simpelweg niet zouden worden opgemerkt, in de context van de Biënnale, maar daar ging het juist over: we wilden de hysterie en de hype van de Biënnale afremmen en afkoelen, en ons tot diegenen richten die van kunst meer verwachten dan oppervlakkige prikkels. Overigens hield mijn keuze ook een – discrete – stellingname in tegenover de nationale politiek: wat betekent het om als ‘Belg’ op te treden wanneer je in feite maar de helft van het land mag vertegenwoordigen.

D.P.: Maar Kijk/Voici was een intellectueel en publiek statement over de plaats van de kunst?

T.d.D.: Absoluut, maar op de Biënnale ging het om esthetische keuzes mét ideologische en politieke consequenties. Het probleem van publieke uitspraken is dat ze een politiek karakter krijgen, met een betekenis die niet altijd met je intenties overeenstemt. Volgens mij treedt de intellectueel best niet te vaak op in het openbaar. Het is beter om strategisch om te gaan met publieke uistpraken. Dat zit ook in de Franse definitie van de intellectueel sinds de zaak Dreyfus, of het zou erin moeten zitten. De intellectueel is daar bijna altijd iemand die een politieke geste stelt, ook al gaat het niet rechtstreeks over politiek. Kijk/Voici was voor mij een buitengewoon moment. Vandaag opereer ik liever volgens een bescheiden definitie van de intellectueel: als iemand die nadenkt en schrijft en zich met theoretische kwesties bezighoudt. Dus ben ik minder geneigd om een publiek statement te maken.

D.H.: U gaat er dus van uit dat u een publieke rol speelt, maar u probeert een bepaalde invulling van die rol te vermijden?

T.d.D.: Ja, en ik maak een onderscheid: de intellectueel spreekt in naam van iets universeels maar er zijn nog andere universalia buiten de politiek. Kunst bijvoorbeeld.

M.V.I.: Dat is interessant. Jij merkt dat een bepaalde definitie van de intellectueel domineert, maar die blijkt niet in overeenstemming met jouw impliciete definitie van een intellectueel. Hoe verhouden die definities zich tot elkaar?

T.d.D.: Ik denk dat beide definities samenhangen, maar het is niet zo eenvoudig om te benoemen hoe ze precies samenhangen. Neem nu Sartre rond 1968. Overdag verdeelt hij La cause du peuple op de stoep van de fabrieken, en ’s avonds werkt hij aan zijn boek over Flaubert, L’idiot de la famille. Ik begrijp zeer goed waarom hij én het ene én het andere doet, maar ik begrijp niet wat er zich in zijn hoofd afspeelt en hoe hij de twee met elkaar weet te verbinden. Voor mij lijken dat twee levens.

J.J.C.: Sartre wil de wereld veranderen, dan is het toch logisch dat hij zich engageert en dat boeken schrijven een nevenactiviteit wordt?

T.d.D.: Dat kan je van Sartre niet zeggen. Wat je wel kan zeggen is dat Sartre als schrijver en als militant handelt in naam van iets universeels: literatuur aan de ene kant, de emancipatie van het volk aan de andere kant.

M.V.I.: Wat jij beschrijft is de schizofrenie die Jacques Rancière ook bij Foucault terugvindt, in een artikel inChroniques des temps consensuels.

T.d.D.: Bij Foucault is dat toch minder aan de hand. Hij weigert net als Deleuze om in naam van anderen te spreken. Foucault vervangt het model van de universele intellectueel à la Sartre door wat hijzelf de specifieke intellectueel noemt.

M.V.I.: Volgens Rancière vind je wel die tweespalt van Sartre terug bij Foucault, tussen de filosoof en de activist die Foucault was in de jaren ’70. En van daaruit stelt Rancière – met Foucault – dat je als intellectueel geen meesterpositie inneemt en de revolutie niet van directieven moet voorzien, als een mastermind. Want niet alleen behoort het denken aan iedereen toe, op een fundamenteler niveau zijn denken en actie radicaal verschillend. Het denken brengt je wel een eind verder, maar het kan de actie niet over de hele lijn motiveren of justifiëren. Tussen beide blijft een kloof, die niet overbrugd wordt door het denken, maar door een sprong, omdat ‘iets’ van de orde van het ‘ondraaglijke’ is en tot handelen aanzet. Le sentiment d’un intolérable noemt Rancière het. Ik voel wel wat voor die categorie van het ondraaglijke bij Rancière. Verontwaardiging lijkt me een belangrijke drijfveer, of het nu om intellectuele praktijken of om meer directe politieke interventies gaat.

D.P.: Wat jij beschrijft is dat vage gevoel van een onbestemde urgentie wat elke intellectueel ervaart, en waar hij geen blijf mee weet. ‘Wat ben ik hier nu eigenlijk aan het doen?’ en ‘Ik moet toch iets doen’. Woorden zijn zo licht en de realiteit is ondraaglijk…

T.d.D.: Je bent zo machteloos en tegelijk denk je ‘ik moet toch nuttig zijn’.

D.P.: Dat is misschien die verdeeldheid tussen schrijftafel en barricades.

D.H.: Maar dat is niet de enige manier om een dubbelleven te leiden als intellectueel. Sartre is een heel specifiek type intellectueel, iemand die vanuit zijn engagement de publieke ruimte opzoekt. Je zou ook aan Marguerite Duras kunnen denken, die romans schrijft maar ook veel journalistiek werk doet, vanuit een engagement en interesse in de wereld. Of aan een figuur als Alain Badiou. Net als bij Sartre is zijn filosofische arbeid doortrokken van een engagement of van vragen die met engagement te maken hebben. Soms wordt over Badiou gezegd dat hij zijn huidige populariteit te danken heeft aan het feit dat hij ons in een nostalgische reflex aan de oude intellectueel herinnert, de intellectueel die zich uitspreekt over verschillende domeinen, die terzelfdertijd de media niet schuwt, die geen schrik heeft om gerecupereerd te worden – kortom, allemaal aspecten die men ook verbindt met een figuur als Sartre.

 

De media als conditie van openbaarheid

De impact van andere media op andere sferen

Het denken wordt overbabbeld

D.P.: De media vormen geen conditie voor een intellectuele openbaarheid, kunnen we het zo stellen?

T.d.D.: In elk geval beantwoorden ze niet meer aan de definitie van de openbare sfeer van Habermas: ze vormen geen ruimte meer voor een openbaar debat dat iedereen aangaat en waar iedereen aan kan deelnemen.

M.V.I.: Je verschijnt in de media altijd op bestelling, dat is het probleem – niemand wandelt een studio binnen om een televisiestation te claimen, elk optreden is een invuloefening en zelfs als je de luis in de pels bent word je in die rol gevraagd. Voor mij veronderstelt een intellectuele geste dat je niet op bestelling een gevraagde rol invult, en radio en televisie bieden daar nog het minste kans toe. Ze kunnen dus nauwelijks een intellectueel klimaat vormen.

D.H.: Er is geen mogelijkheid tot interventie?

T.d.D.: Interveniëren kan al niet om de simpele reden dat er nog maar weinig live-uitzendingen zijn. Wanneer je echt intervenieert, wordt het eruit geknipt.

M.V.I.: Maar die ontwikkelingen binnen radio en televisie storen mij minder, ik vind het veel nefaster dat televisie ook andere contexten begint te bepalen. Overal heeft zich een televisueel spreken geïnstalleerd: snel ritme, een permanent enthousiaste toon in een ‘up-beat’-spreektempo… Je zou eens moeten nagaan hoezeer het spreken in de laatste twintig jaar gewijzigd is – het gaat almaar sneller in steeds meer verkavelde tijdspannes.

T.d.D.: Zwijgen kan niet meer.

D.P.: De angst voor de stilte.

M.V.I.: Absoluut. Weet je wat nog een interventie kan zijn? Een uitzending van 4’33” – vier minuten en drieëndertig seconden stilte – van Cage op de radio. Pas na zijn dood ging die wens van Cage in vervulling en werd zijn compositie op de radio uitgezonden. De grootste uitdaging van de BBC was om zijn eigen alarmsysteem dat bij stiltes aanspringt en de ether met muziek vult uit te schakelen. Wel, die paniek, die angst voor de stilte is vandaag compleet symptomatisch geworden. We kunnen niet meer om met stilte. Een wit beeld, een zwart beeld, dat is een buitenaardse invasie voor ons.

T.d.D.: Verschrikkelijk.

J.J.C.: Het wordt niet gepikt dat je zoiets toont, mensen zappen weg.

M.V.I.: Misschien is er een traag en inefficiënt spreken nodig? Stoppen met de eloquentie die we tot virtuositeit hebben leren maken?

D.P.: Als het gaat om het scheppen van kanalen voor Openbaar denken – om Verschaffels titel te parafraseren – wordt vaak naar het internet verwezen.

M.V.I.: Inderdaad: waarom spreken we over radio en televisie, internet is hét medium dat de vraag naar openbaarheid herijkt.

T.d.D.: Wat ik aan internet goed vind is dat er een niche kan worden gecreëerd rond een bepaald onderwerp, rond een gesprek of een manier van spreken.

D.P.: Maar schept dat een openbaarheid? Op het internet zoekt iedereen zelf uit waar het warm is, terwijl een lomp medium als televisie ons confronteert met zaken waar we niet om vroegen.

D.H.: Je verwijst naar de idee dat de openbare omroep zich in een universeel adres tot iedereen richt – een beetje in de zin van Badiou?

D.P.: Ja.

D.H.: Het grote verschil is dat internet een horizontale structuur heeft. Er is geen hiërarchie, zoals bij de openbare televisie.

D.P.: En ik denk dat je dat verticale en hiërarchische niet zomaar moet verwerpen, dat je die meesterpositie van het medium moet affirmeren, hoe onmogelijk die ook geworden is. Daarom ben ik de idee van Bildunggenegen. Je kan zeggen dat de positie van de meester-leraar onhoudbaar is, want idealistisch en hiërarchisch en noem maar op – en dat klopt natuurlijk ook – maar toch: alleen door de wrevel en de wrijving die zo’n arrogante positie oproept, gebeurt er nog iets bij de luisteraar of bij de student of de leerling. Alleen zo kan het weten geprikkeld en uitgedaagd worden.

T.d.D.: Je moet geen wrijving programmeren, er zal altijd wrijving zijn.

M.V.I.: Ook op het internet? Dat is toch een heel toegankelijk medium, heel doorlaatbaar, een plek claimen is er niet eens nodig.

T.d.D.: Het internet is al helemaal geen openbare sfeer à la Habermas meer, dat staat vast: het is een combinatie van private en publieke sfeer die compleet nieuw is. Je kan je eigen intieme leven op het internet verspreiden, de private, het intieme en het publieke lopen er in elkaar over.

 

De opkomst en de recuperatie van vrij onderzoek

Het vrij onderzoek wordt naar de kunsten gedraineerd

De kunstenaar wordt een simulacrum van de generieke intellectueel

T.d.D.: Mag ik even resumeren? Ik zie een positieve evolutie op de langere termijn. Voor de Tweede Wereldoorlog bestond fundamenteel onderzoek niet aan de Belgische universiteiten of beschouwde men dat als een nutteloze bezigheid – je deed het gratis en voor niets. Maar we zijn geleidelijk gaan beseffen dat vrij onderzoek wél zin heeft, ook al is het resultaat niet meteen zichtbaar of meetbaar. Die ontwikkeling heeft zich eerst in de geneeskunde en de biologie doorgezet, in de positieve wetenschappen, en daarna in de menswetenschappen, de sociologie, de psychologie… met het gevolg dat de sociologen nu vaak als de therapeuten van de maatschappij opdraven, dat ze worden geraadpleegd voor alles wat er scheefloopt in de wereld. En vandaag verplaatst dat zich naar de kunsten, nu worden de kunsten een soort vergaarbak voor de idee van vrij onderzoek. En dat gebeurt op basis van een misplaatste analogie tussen artistiek en wetenschappelijk onderzoek. Men doet alsof kunstenaars aan research doen. Een pijnlijk misverstand, een kunstenaar ‘onderzoekt’ niet zoals een wetenschapper dat doet. Picasso zei “je ne cherche pas, je trouve”.

D.H.: En nu is er zelfs een doctoraat in de kunsten.

T.d.D.: Wat een onzin! In de kunsten bestaat al langer een ambigue relatie tussen theorie en praktijk en nu probeert men dat te legitimeren door een onderscheid tussen kunst en onderzoek in de kunst te maken. Dat is pervers. Maar wat ik net wilde zeggen, je kan een intellectueel ook gewoon definiëren als iemand die gratis denkt.

M.V.I.: Zoals een kunstenaar.

D.P.: Kunstenaars en intellectuelen hebben nog iets gemeen vandaag, ze moeten allebei de maatschappelijke relevantie van hun praktijk aantonen.

M.V.I.: Mij interesseert de morfogenese van die figuren: de kunstenaar en de intellectueel. Wanneer zijn ze historisch ontstaan, wanneer zijn het categorieën geworden en op welke manier leven we – bewust of onbewust – nog in de erflast van die historische momenten? Allebei zijn het kinderen van zowel een romantische traditie als van het verlichtingsdenken, vele motieven uit die tradities hebben ze gemeen. Een romantisch motief dat bijvoorbeeld doorleeft is dat kunstenaars nog steeds als zieners worden beschouwd, begiftigd met een soort zesde zintuig, die door het koffiedik van de actualiteit kunnen kijken als waren het orakels van Delphi. Het zouden liminale figuren zijn – een elite in de marge zoals de Franse sociologe Nathalie Heinich dat noemt.

J.J.C.: Het predikaat ‘intellectueel’ is niet echt positief bedoeld. Een intellectueel is eigenlijk iemand die wat achteroploopt en van de wereld niet weet – un intello zeggen ze in het Frans. Dat klinkt niet als een compliment.

M.V.I.: Ik denk ook aan hilarische mediastunts, zoals Table of free voices, waar kunstenaars en intellectuelen zich op enkele minuten moeten uitspreken over alle grote problemen in deze wereld, als waren ze beslagen in de meest diverse kennisgebieden. Ik begrijp dat de toenemende specialisatie de nood aan synthese groot maakt, maar kunstenaars op een dergelijke wijze overbelasten met de rol van synthetische alziener is grotesk.

T.d.D.: Je kan ook gewoon zeggen dat kunstenaars en intellectuelen ‘vrij denken’, los van elk nut of van iedere onmiddellijke toepassing.

M.V.I.: Maar er gaat méér achter zo’n opvatting schuil. Bijvoorbeeld, de romantische subjectiviteit heeft een soort hyperindividualisme avant la lettre geïntroduceerd, dat nu wijdverbreid is en van ons allen ‘de vrije scheppers’ van onszelf, van ons leven maakt. Alain Ehrenberg bespreekt dat in Fatigue de soi, hij verbindt dat met de toename van melancholie of – in actueel medisch jargon – van depressies in onze samenleving. Want de grotere verantwoordelijkheid om onszelf eigenhandig te ‘scheppen’ gaat gepaard met een euforie, maar ook – de andere kant van de medaille – met frustratie indien we tekortschieten ten opzichte van het ideale zelfbeeld. Historisch gezien was de melancholie de ziekte van ‘bijzondere’ mensen, bij uitstek kunstenaars en geleerden.

D.P.: De denker van Rodin kan staan voor de intellectueel, de melancholicus van Dürer wordt vaak met een modern kunstenaarstype verbonden…

M.V.I.: En in beide gevallen gaat het om zittende figuren, verzonken in gedachten, met de vuist tegen het hoofd als in een denkgebaar. Solipsistische figuren, teruggetrokken in zichzelf, aan de rand van het gedruis van de wereld.

D.P.: Wil jij die romantische definities counteren?

M.V.I.: Het zijn misschien minder definities dan wel beeldvormingen, die je niet zomaar vervangt als ging het om een paar sokken. Het zit complex in elkaar. Maar, ja, ik stel me wel zeer kritisch op ten aanzien van die hardnekkige zweem van solipsisme dat rond de kunstenaar en intellectueel hangt, met alle hyperindividualistische uitwassen vandien. Althans in mijn eigen leven deden de belangrijkste intellectuele sleutelmomenten zich in intersubjectieve constellaties voor. Het zijn mijn ‘denkaffaires’. Kortstondig of langdurig, maakt niet uit, wanneer zo’n ‘verhouding’ zich aandient is dat uniek, net als bij een verliefdheid. Noem het mentale libido.

 

Jean-Jacques Cassiman Onderzoeker en specialist in de menselijke genetica. Hij is sinds 1998 afdelingshoofd van het Centrum voor Menselijke Erfelijkheid van de Katholieke Universiteit Leuven.

Thierry de Duve Kunstheoreticus en filosoof. Hij is professor aan de Universiteit van Rijsel (Lille 3).

Dominiek Hoens Filosoof. Bereidt een proefschrift voor over de liefde in het werk van Lacan.

Dirk Pültau Kunsthistoricus. Hoofdredacteur van De Witte Raaf.

Myriam Van Imschoot Theoretica en dansdramaturge. Zij is stichter van Sarma (www.sarma.be).