Nieuwe publicaties (48)
• Amy Brandt. Interplay. Neo-Geo Neoconceptual Art of the 1980’s. Cambridge, Massachusetts / London: The MIT Press, 2014. 224 blz. 64 afb. ISBN 978-0-262-02753-3
In dit boek herbekijkt Amy Brandt de geschiedenis van het zogenaamde neoconceptualisme, een kunststroming die vroeger ook bekend stond als Neo-Geo. De term ‘neoconceptualisme’ wordt gebruikt voor een losse groep kunstenaars, die midden jaren tachtig van zich lieten horen in East Village, NY en die een nieuwe weg insloegen naast het neo-expressionisme en de zogenaamde Picture Generation (Cindy Sherman, Richard Prince, Barbara Kruger…). De kunstenaars die hier onder de noemer neoconceptualisme besproken worden zijn Ashley Bickerton, Peter Halley, Jeff Koons, Haim Steinbach, Philip Taaffe, Sherrie Levine, Meyer Vaisman en Allan McCollum. Hun opkomst in New York ging gepaard met een geweldige instroom van Franse filosofie, die draaide rond begrippen als intertekstualiteit (Kristeva) en deconstructie (Derrida), en die deels ook met de term poststructuralisme (Lyotard, Deleuze, Foucault) werd aangeduid. Sindsdien bekijkt men de neoconceptuelen in de kritische literatuur meestal vanuit deze complexe theorieën. De stelling van Amy Brandt is dat deze benadering eenzijdig is en dat de ‘neoconceptuelen’ evengoed formeel geworteld zijn in de kunstgeschiedenis van de 20e eeuw. Ze toont aan hoe belangrijk de werken waren van onder anderen Josef Albers, Brancusi, Barnett Newman, Frank Stella en Kazimir Malevitsj, maar vooral onderzoekt ze het fundamentele belang van de pop art en het minimalisme voor deze kunst.
• Marius Hentea. TaTa Dada: the Real Life and Adventures of Tristan Tzara. London: The MIT Press, 2014. 356 blz. 60 afb. ISBN 978-0262027540
Deze nieuwe biografie over de dadaïst Tristan Tzara (1896-1963) is volgens de uitgever de eerste Engelstalige biografie. Het werk is geschreven door Marius Hentea, momenteel docent aan de universiteit van Gent. Net als Tristan Tzara is hij afkomstig uit Roemenië en dat heeft natuurlijk zijn voordelen. Zo schrijft Marius Hentea met grote kennis van zaken over het Roemenië rond de eeuwwisseling, waardoor de lezer meteen begrijpt wat het betekende om als kind van Joodse ouders op te groeien. Moeiteloos trekt Marius Hentea de lijn door naar Zürich, waar Tristan Tzara in 1915 arriveert als stateloos dichter van 19 jaar en zich onmiddellijk integreert in een internationaal milieu van kunstenaars, die vaak gevlucht waren voor het oorlogsgeweld in Europa. Het is een verbazende vaststelling dat Tristan Tzara één jaar later reeds de centrale figuur was van het Cabaret Voltaire, waar de eerste dadaïstische avonden plaatsvonden voor een rumoerig publiek. Met hun provocerend taalgebruik stelden de optredende kunstenaars (Hugo Ball, Hans Arp, Richard Huelsenbeck…) alle kunstvormen in vraag. Vier jaar later was Dada uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk, dat uiteindelijk werd opgeslorpt door de surrealistische beweging van André Breton.
In zijn dankwoord vermeldt Marius Hentea niet minder dan 24 geraadpleegde bibliotheken en archieven. Door zijn uitgebreid archiefonderzoek weet hij diep af te dalen in de ontstaansgeschiedenis van de dadaïstische beweging, die de lezer als het ware van uur tot uur kan volgen. Soms raakt het personage van Tristan Tzara daardoor wat op de achtergrond, maar dat is nauwelijks een bezwaar. Na het lezen van het boek is het begrijpelijk waarom de poëet Tristan Tzara het dadaïsme uitvond, en niemand anders.
• Martin Kippenberger. Werkverzeichnis der Gemälde, Band IV: 1993-1997. Köln, Estate Martin Kippenberger, 2014. 476 blz. 531 afb. ISBN 978-3863354817
Het gedrukte oeuvre van Martin Kippenberger (1953-1997) is al meer dan 10 jaar tot in de puntjes gecatalogeerd. Reeds in 1989 verscheen een eerste deel over Kippenbergers uitnodigingskaarten: En cas de réclamation les sentiments vous seront remboursés. Onder de titel Bei Nichtgefallen Gefühle zurück: die gesamten Karten 1989-1997 verscheen het tweede deel in 2000. Maar ook de volledige beschrijvingen van de posters, kunstenaarsboeken en multipels zijn telkens terug te vinden in aparte catalogi. Nu is eindelijk ook het eerste volume van de catalogue raisonné van de schilderijen verschenen. Het boek behandelt de laatste vijf jaar van Kippenbergers werk. De komende jaren verschijnen nog drie volumes. Het boek kost 240 €, maar dat is niet uitzonderlijk voor een degelijk naslagwerk.
• Catherine Marcangeli (red.). Adrian Henri Total Artist. London: Occasional Papers, 2014. 208 blz. ISBN 978-0-9569623-8-6
Sinds 2008 runnen grafisch ontwerpster Sara De Bondt en kunsthistoricus Anthony Hudek de Londense uitgeverij Occasional Papers. Ze publiceren betaalbare, maar goed verzorgde boeken over de recente geschiedenis van kunst, architectuur, design, film en literatuur, met een voorkeur voor Britse kunstenaars. Ze kijken graag naar de minder bekende hoeken van die geschiedenissen en aarzelen niet om hun onderwerpen met het betere theoretische werk te omkaderen. Zo verschenen reeds monografieën over de concrete dichter Dom Sylvester Houédard en de conceptuele kunstenaar John Latham, maar ook de verzamelde teksten van grafisch ontwerper Richard Hollis en een onuitgegeven interview uit 1994 van het kunstenaarscollectief Art in Ruins zagen reeds het daglicht. Hun meest recente publicatie is een monografie over Adrian Henri (1932-2000), een artistieke duizendpoot die de scene van de Liverpoolse tegencultuur domineerde in de jaren 60 en 70. Hij was zowel schilder, dichter-performer, docent, patafysicus als muzikant. Hij organiseerde in 1962 de eerste happenings in Groot-Brittanië en was in 1974 ook de auteur van verschillende boeken over environments, happenings en performances. Zijn schilderijen en collages verraden een fascinatie voor Robert Rauschenberg, Jasper Johns en pop art. Zijn gedichten verschenen in The Mersey Sound (1967), een van de best verkochte bloemlezingen. Als dichter-performer was hij de frontman van de groep Liverpool Scene waarmee hij optrad op het Isle of White, maar ook in het voorprogramma van Led Zeppelin. Deze veelzijdigheid was het resultaat van een open-mindedness voor het werk van andere kunstenaars waar hij ongedwongen naar verwijst (James Ensor, Allen Ginsberg, Kurt Schwitters, Alfred Jarry…). Dat levert geen bijster originele kunst op, maar zijn werk straalt energie en plezier uit, waardoor hij op verschillende fronten mee vooraan staat. Zonder een pionier te zijn capteert Adrian Henri zijn tijd, op een ongedwongen manier. Op YouTube zijn verschillende opnames te bekijken van zijn optreden als dichter-performer in de jaren 60.
• Claire Moulène (red.). MV, Monte Verità, Initiales 4. Lyon, Ecole nationale supérieure des beaux-arts de Lyon, september 2014. 128 blz. ISBN 978-2-915213-23-2
Het is niet uitzonderlijk dat een kunstschool een periodiek uitgeeft, maar meestal is het publieke bereik van deze tijdschriften beperkt tot de school zelf. De redactie van het tijdschrift Initiales van de Ecole nationale supérieure des beaux-arts de Lyon is ambitieuzer. Sinds 2013 verschenen vier afleveringen die telkens een kunstenaar, schrijver, cineast of architect centraal plaatsen. Onder de titels GM, JB en MD werden tot nu toe George Maciunas, John Baldessari en Marguerite Duras behandeld. Het recentste nummer is gewijd aan Monte Verità (MV), een kunstenaarsgemeenschap in de buurt van Ascona die ontstond in 1900 en een twintigtal jaren actief was. Initiales benadert het onderwerp niet kunsthistorisch of wetenschappelijk. De auteurs benaderen de centrale figuren in een ‘omcirkelende beweging’. De bijdragen komen van docenten en studenten, maar ook van externen. Op deze manier vormt Initiales een multidisciplinair platform (fotografie, grafische vormgeving, kunst, filosofie…) waarmee de studenten kunnen werken in een professioneel milieu.
De lijst van de bewoners van Monte Verità oogt indrukwekkend: pioniers van de seksuele revolutie zoals de psychologen Otto Gross en Carl Gustav Jung, de schrijvers Hermann Hesse en Thomas Mann, de filosofen Martin Buber en Rudolf Steiner, en kunstenaars zoals onder anderen Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp (die in direct contact stonden met het dadaïstische Cabaret Voltaire in Zürich), Oskar Schlemmer en Paul Klee. Maar men trof er ook anarchisten, pacifisten en choreografen aan, die samen met allerlei alternatievelingen op zoek waren naar een nieuwe vorm van leven. Artistieke aspiraties werden gecombineerd met een ongedwongen lichaamscultuur, vegetarisme en een intense natuurbeleving. In die zin was deze leefgemeenschap ontegensprekelijk een voorloper van de hippiecultuur. Monte Verità kreeg in de late jaren 70 bekendheid door Harald Szeemann (curator van Documenta 5 in 1972), die de gemeenschap zag als ‘une véritable réalization d’une utopie’. Hij maakte er zijn levenswerk van om Monte Verità een plaats te geven binnen de kunstgeschiedenis, wat leidde tot een grote reizende tentoonstelling (1979) en de oprichting van het museum La Casa Anatta in Ascona (1981). Momenteel is dit museum gesloten wegens renovatie, maar in 2016 opent het opnieuw de deuren.