width and height should be displayed here dynamically

Omstreeks 1980, in Antwerpen

Interview met Ria Pacquée

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1980 neem je deel aan de groepstentoonstelling 1980, georganiseerd door het ICC in Antwerpen. In de catalogus is een vrij uitgebreid overzicht van je activiteiten opgenomen. Jouw eerste tentoonstellingen, performances en acties dateren blijkbaar van 1975. Wat had jij voordien gedaan?

Ria Pacquée: In 1975 was ik eenentwintig jaar. Tot mijn achttiende heb ik school gelopen. Ik heb mijn humaniora afgemaakt en ben gaan werken. Reeds voordien was ik alleen gaan wonen in Antwerpen.

K.B./D.P.: Nog vóór je achttiende?

R.P.: Ja, ik ben heel lang een kind gebleven, tot mijn veertiende, denk ik. Op mijn vijftiende zat ik plots in cafés. Ik werd een beetje een probleemkind. Ik was schoolmoe, ik was alles moe.

K.B./D.P.: Naar welke school ben je geweest?

R.P.: Naar Stella Maris, een katholieke school in Merksem, een slechte school. In de les Nederlands moesten we eens onze favoriete boeken opgeven. Ik noemde Walging van Jean-Paul Sartre en Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline. Dat werd me niet in dank afgenomen. Ik kreeg te horen dat ik die boeken niet mocht lezen.

K.B./D.P.: Hoe had jij dan weet gekregen van Sartre en Céline? Via je ouders?

R.P.: Er werd bij ons thuis niet over kunst en cultuur gesproken. Op school evenmin. Ik kan me niet herinneren dat we ooit een tentoonstelling hebben bezocht. Ik wist zelfs niet dat er zoiets als kunst bestond. Neen, ik heb voor het eerst over die schrijvers gehoord toen ik op café zat. Die boeken waren aanknopingspunten. Ik zat met duizend-en-één vragen en ik kreeg geen antwoorden. ‘Wie ben ik?’, ‘Wat doe ik hier?’. Heel menselijke, heel banale vragen.

K.B./D.P.: Waarop je – op dat moment – nihilistische antwoorden gaf?

R.P.: Ik dacht over alles heel nihilistisch. Ik herkende me in Walging en Reis naar het einde van de nacht. Op dat moment sta je niet meer alleen.

 

1974-1975-1976

K.B./D.P.: Heb je ooit overwogen om na je humaniora naar de academie te gaan?

R.P.: Neen, de academieopleiding was gericht op het leren van een ambacht: tekenen, schilderen, beeldhouwen. Ik kon niet tekenen. De vrienden die ik op café had leren kennen en die academie liepen, raadden me het ten stelligste af. Ook zij wisten trouwens niet wat er in de kunstwereld aan de gang was. Er was nergens informatie.

K.B./D.P.: Naar welke cafés ging je?

R.P.: Ik zat vaak in de hippiebuurt van Antwerpen, de linkse, alternatieve scene: de Muze aan de Melkmarkt, de King Kong in de Keizerstraat, de Mok in de Wolstraat en het Pannenhuis aan het Conscienceplein, waar ik nog gewerkt heb. Al die cafés lagen vlak bij elkaar, in drie, vier straten. We gingen voortdurend van het ene naar het andere café – je kan niet de hele tijd op dezelfde kruk zitten. In de King Kong werd freejazz gespeeld, in de Muze kwam de klassieke jazz aan bod. In het Pannenhuis werd muziek van de Stones en Lou Reed gedraaid. Het was de tijd van de hippies en het begin van de punkbeweging, die een pijlsnelle opgang maakte in Antwerpen. Ik ging ook betogen tegen extreem-rechtse jongeren die elke week verzamelden in een pand in de Scheldestraat. In het begin deed ik gewoon mee, zonder dat ik écht wist wat er op het spel stond. Er waren enkelen die het voortouw namen en de troepen verzamelden. Het ging er soms gewelddadig aan toe. Langzaamaan vond ik aansluiting bij geestesgenoten.

K.B./D.P.: Met wie trok je op?

R.P.: Onder anderen met Guillaume Bijl, die vaak in dezelfde cafés rondhing. Ik wist in het begin niet dat hij met kunst bezig was. We hebben het er, geloof ik, voor het eerst over gehad toen ik was teruggekeerd van een performance in Aalst. We troffen elkaar in de King Kong en hij vroeg me waar ik vandaan kwam.

K.B./D.P.: Waar kwam je vandaan?

R.P.: Van de New Reform Gallery in Aalst waar ik een performance had gedaan met onder anderen Luc Steels en Mark Verreckt.

K.B./D.P.: Hoe had je met hen kennisgemaakt?

R.P.: Dat is een lang verhaal. Op een gegeven ogenblik, in 1974 meen ik, heb ik een soloperformance of ‘actie’ opgezet. Ik was de tram opgestapt en had besloten om aan een tramhalte in de Nationalestraat uit te stappen en daar twaalf uur te blijven staan. Met de laatste tram, rond 23.00 uur, zou ik terug naar huis keren. Ik had tegen niemand gezegd wat ik van plan was en tijdens de ‘actie’ heeft niemand me erover aangesproken. Pas nadien heb ik er met verschillende mensen over gepraat en men zei me dat ik te rade moest gaan bij Ercola in de Wolstraat.

K.B./D.P.: Wat was Ercola?

R.P.: De officiële omschrijving was ‘informatie- en productiecentrum voor klank, licht, tijd en ruimte’; in feite was het een ontmoetingsplaats voor kunstenaars van allerlei slag, ook striptekenaars bijvoorbeeld. Het was een belangrijke plek. Ik maakte er kennis met Ludo Mich, Nicole Van Goethem, Filip Francis en uiteraard ook met Mark Verreckt en Luc Steels. Zij werkten samen in een groep die performances deed, evenwel niet op straat. Enige tijd na mijn eerste straatactie heb ik gevraagd of ik hen mocht vervoegen. Om me te ‘testen’, vroegen ze wat ik dacht over het werk van Buckminster Fuller. Ik had nog nooit van die man gehoord maar sprak me lovend uit over zijn werk, omdat ik mijn kansen niet wilde verknoeien. Ik werd toegelaten tot de groep en rende naar de bibliotheek om boeken over Buckminster Fuller uit te lenen…

K.B./D.P.: Hoe was je vooreerst op het idee gekomen om een soloperformance op te zetten?

R.P.: Dat weet ik nog steeds niet. Ik voelde een grote leegte; ik wou dat er iets gebeurde. Ik dacht wellicht dat ik iets moest doen, dat ik niet de gehele tijd in cafés kon blijven hangen. Met kunst was ik tot dan toe nauwelijks in contact gekomen. Misschien had ik de groep van Mark Verreckt en Luc Steels reeds aan het werk gezien… Ik herinner me wel dat ik een boek over Marcel Duchamp in de etalage van de Vlaamse Toeristen Bond had zien liggen. Op de cover stond het fietswiel. Ik heb het boek gekocht en onmiddellijk gelezen. Wat meer is: ik begreep het, terwijl ik toen heel veel andere zaken niet begreep. De openheid van de kunst sprak me enorm aan.

K.B./D.P.: Waarom had je gekozen voor een actie van twaalf uur?

R.P.: Ik weet het niet. Omdat het een ganse dag is? Eenmaal de klok rond? Ik wou alles stilzetten, denk ik. Ik ging gewoonlijk altijd ergens naartoe. Die keer wou ik nergens naartoe gaan. Het was een belangrijke ervaring.

K.B./D.P.: Met de actie aan de tramhalte lijk je in ieder geval afstand te nemen van een alledaagse activiteit. Was het lastig om twaalf uur ‘niets’ te doen?

R.P.: Nee, het was niet lastig of vermoeiend. Ik stond er ook niet als een standbeeld. Die tramhalte was ten andere een prettige locatie. Er gebeurde van alles. Een straat is een publieke plaats, alles is er mogelijk. Er is geen beter decor te bedenken.

K.B./D.P.: Kende je toen reeds het werk van Vito Acconci?

R.P.: Nee. Zelfs de termen ‘performance’ of ‘happening’ kende ik waarschijnlijk niet eens. Via Mark Verreckt heb ik dat allemaal leren kennen. Hij heeft mij veel bijgebracht. Hij studeerde aan de Universitaire Instelling Antwerpen en bracht boeken voor me mee. Aan hem en Guillaume Bijl heb ik heel veel te danken. Ook het ICC was voor mij belangrijk. Dat was mijn ‘school’. Ik zag er events en werken van Laurie Anderson, James Lee Byars, Ben Vautier, Abramovic & Ulay. Ik ging naar alle vernissages. Er werd heel open over kunst gepraat. Mensen wisselden zonder aarzeling informatie, ideeën en contacten uit.

K.B./D.P.: Wat behelsde de performance die je samen met Mark Verreckt en Luc Steels in New Reform in Aalst hebt gedaan?

R.P.: We gingen er samen naartoe, maar ter plekke deed iedereen zijn eigen performance. De groep bestond trouwens nog uit andere leden, maar de namen van die personen kan ik mij niet herinneren.

K.B./D.P.: Wat deed jij?

R.P.: Ik had een enorme pot spaghetti gekookt en was de hele tijd spaghetti aan het eten en terug aan het uitspuwen, gedurende een half uur, meen ik. Wat de anderen deden, heb ik nauwelijks kunnen waarnemen. Ik ging volledig op in mijn eigen actie. Na de manifestatie in New Reform is de groep gestopt. Ik heb daarna sommige leden gevraagd, onder wie Mark Verreckt, of ze wilden meedoen aan een project op straat, een optocht of een stoet. Mark Verreckt liep met krukken en beet af en toe op een ampul zodat het leek dat hij bloed kotste. Ik duwde een kinderkoets met skeletten van dode dieren. De stoet begon en eindigde aan de Groenplaats.

K.B./D.P.: Heb je nog andere performances opgezet?

R.P.: Ja, samen met een vriendin, Yvette Van Hauwaert. Op de Groenplaats hadden we een zone afgebakend en er allerlei spulletjes uitgestald. Op een gegeven moment begonnen we die dingen kapot te knippen. Er waren heel wat omstaanders die onze actie gadesloegen.

K.B./D.P.: Had je die actie samen met Yvette Van Hauwaert bedacht?

R.P.: Nee. Ik had het ‘scenario’ uitgewerkt en Yvette gevraagd of ze mee wilde doen. Ik heb haar later nog een aantal keren uitgenodigd om deel te nemen aan een performance.

K.B./D.P.: Wat waren je professionele activiteiten op dat moment?

R.P.: Ik werkte – om geld te verdienen. Mijn hart klopte evenwel voor de kunst. Maar het was toen ondenkbaar dat je daarvan zou kunnen leven.

K.B./D.P.: Verliet jij Antwerpen vaak?

R.P.: Nee. Er kwamen heel veel mensen naar Antwerpen. Het was voor mij al moeilijk genoeg om in Antwerpen mijn plaats te vinden. Ik voelde ook de behoefte niet om de stad te verlaten. Pas in het begin van de jaren tachtig ben ik beginnen te reizen.

 

1977-1978

K.B./D.P.: Je cv meldt haast geen werken uit 1977. Wat deed je dan in 1977?

R.P.: Ik was zeer actief met kunst bezig, zij het dat mijn bezigheden niet resulteerden in werken die je in een cv kunt opnemen. Ik las veel, bezocht tentoonstellingen en discussieerde met vrienden.

K.B./D.P.: Helemaal op het einde van 1977 stel je tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Hoe was het contact tot stand gekomen?

R.P.: Aurora was gevestigd in dezelfde straat waar Guillaume Bijl woonde, de Lange Leemstraat. Hij had de ruimte bezocht en zag mogelijkheden.

K.B./D.P.: Op de uitnodigingskaart is de naam van Guillaume Bijl gewoon afgedrukt, terwijl jouw naam geschreven is met interpunctie: R.I.A. Pacquée. Waarom?

R.P.: In die tijd was ik bezig met mailart. Als je R.I.A. in omgekeerde volgorde spelt, lees je A.I.R.

K.B./D.P.: Welk werk heb jij bijgedragen?

R.P.: Het was mijn eerste ‘tentoonstelling’. Aurora beschikte over een heel kleine ruimte. Ik heb assemblages gemaakt met goedkope spulletjes die ik in de Grand Bazar had gestolen. Het waren houten kisten waarin de gestolen waar – ‘nutteloze’ voorwerpen zoals gerief om je wenkbrauwen mee te krullen of nagelvijltjes – als buit werd tentoongesteld. De nutteloosheid van de voorwerpen sprak me enorm aan. Een stuk of vier, vijf kratten waren het. Ze waren heel lelijk.

K.B./D.P.: Waren het allemaal voorwerpen die in relatie stonden tot de leefwereld van de vrouw?

R.P.: Nee. Men heeft mijn werk weleens vaker in relatie gebracht met feminisme, maar daar heeft het niets mee te maken. Ik heb ooit een vergadering bijgewoond van feministen, maar ik voelde mij er niet thuis. Tegen het verbod op abortus ben ik wel gaan betogen, maar ik beschouw dat niet per se als een feministische zaak.

K.B./D.P.: Doordat je eerst de spulletjes bent gaan stelen, heeft het werk een performatief karakter.

R.P.: Ik voelde me als een jager die naar de grote supermarkt gaat en er kan nemen wat hij wil, zonder dat hij moet betalen.

K.B./D.P.: In dat jaar doe je allerlei andere acties in de publieke ruimte die vragen oproepen over ‘eigendom’.

R.P.: Ja, ik heb ‘te huur’-affiches aangebracht op deuren en ramen van leegstaande woningen en officiële gebouwen. Informatie kon worden opgevraagd op het stadhuis. Het was een protest tegen leegstand en het verkeerde gebruik van openbare gebouwen.

K.B./D.P.: Had jij contact met de krakersbeweging?

R.P.: Nee, die actie ging alleen van mezelf uit. Foto’s van die acties heb ik later ingestuurd als bijdrage aan de Jeune Peinture Belge. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik een eervolle vermelding! Ik heb in 1978 ook gedurende een week op verschillende plaatsen in de stad graffiti gespoten.

K.B./D.P.: Welke graffiti?

R.P.: Slogans zoals ‘Oh godverdoemme’, ‘dans toch niet mee met de sjah, sjah, sjah’ of ‘ga langzaam naar uw werk’. Die laatste slagzin is tamelijk succesvol gebleken. Ik ben al verschillende keren gevraagd om hem elders aan te brengen, onlangs nog door Witte de With. Netwerk in Aalst had me ook gevraagd, maar de stad Aalst heeft er een negatief advies over uitgebracht.

K.B./D.P.: Hebben die acties iets te maken met de politieke manifestaties waaraan je eerder had deelgenomen? Hebben die betogingen jou ertoe gebracht om artistieke acties op te zetten?

R.P.: Nee, zo’n betoging is niet iets individueels. Mijn slogans waren politieke statements, maar ik denk niet dat ze iets met die betogingen te maken hebben. Ik heb de straat wel altijd als een soort van beginpunt gezien. Alles is er aanwezig om iets persoonlijks tot stand te brengen. De straat is een belangrijke locatie.

K.B./D.P.: Toch doe je ook performances in het theater, zoals in het Cultuurcentrum De Warande in Turnhout.

R.P.: Ik heb buiten gewerkt, in de openbare ruimte, maar ook binnen, in theaters, musea en culturele centra. In De Warande was ik uitgenodigd door Annie Gentils, die daarna in het ICC werkzaam was en nog later een alternatieve kunstruimte heeft gerund, Montevideo, aan het Kattendijkdok. Zij zat net als ik vaak in het Pannenhuis.

K.B./D.P.: Wat was het ‘scenario’ van de performance in Turnhout?

R.P.: Een plexi kubus, van twee meter op twee meter, was als een stolp over me heen getild. Ik ben sigaretten beginnen roken tot mijn lichaam helemaal uit het zicht verdween. In 1979 heb ik ook een performance gedaan met koolgruis in de V.U.B.: Ashes to Ashes – Dust to Dust. Ik wilde mijzelf laten verdwijnen in dat koolgruis. Ik ging ermee aan de slag tot ik helemaal zwart zag.

K.B./D.P.: In Turnhout gaat je lichaam ‘in rook op’, in Brussel ‘keert het terug tot stof’.

R.P.: Dat was het idee. Het visuele aspect vond ik heel belangrijk, maar uiteraard raakte ik met deze performances ook een existentieel thema aan.

K.B./D.P.: Waar vond de performance plaats in De Warande?

R.P.: In de theaterzaal, meen ik. Ik herinner me dat er zeer veel volk was.

 

1979-1980

K.B./D.P.: In 1979 heb je in Ruimte Z tentoongesteld, een alternatieve kunstruimte in de Lovelingstraat in Antwerpen, waar eerder Guillaume Bijl zijn kunstliquidatieproject Autorijschool Z had gerealiseerd en Danny Devos een performance had gedaan.

R.P.: Het was mijn eerste individuele tentoonstelling.

K.B./D.P.: In het tijdschrift van Ruimte Z staat de tentoonstelling als volgt aangekondigd: ‘Tentoonstelling 16-24 nov Ria Pacquée en weekendperformance vanaf vrijdagavond 17 u tot maandagmorgen 8 u (weekend 16-19 nov) doorlopend’. Wat heb je precies gedaan?

R.P.: In de eerste kamer van Ruimte Z, aan de voorkant, heb ik een tentoonstelling ingericht. Samen met Walter Van Rooy, de drijvende kracht achter Ruimte Z, had ik een stuk gazon van twee meter op twee meter uitgegraven en in Ruimte Z gelegd. Ik had ook plakkaatjes ontvreemd waarop te lezen was: ‘verboden op het gras te lopen’. Die heb ik op het grasperk geprikt. Aan de muren heb ik collages gehangen en tijdens het weekend van 16 tot 19 november heb ik een performance gedaan. Ik was permanent beschikbaar en overnachtte in de tweede kamer van Ruimte Z. Ik had er een bed neergezet. Voorbijgangers konden binnen kijken, want Ruimte Z had een grote vitrine. Ze konden zien dat ik sliep en leefde in die ruimte. Ze mochten ook binnenkomen en vragen stellen.

K.B./D.P.: Welke ‘acties’ heb je gedaan tijdens het weekend?

R.P.: Ik heb er gekuist, op zaterdag, meen ik, en de gehele zondag heb ik in bed gelegen: dat noemde ik ‘mijn recht op luiheid’.

K.B./D.P.: Zijn er mensen binnengestapt?

R.P.: Niet veel. Er zijn wel vrienden langsgekomen.

K.B./D.P.: Het uitgraven van het gazon en het stelen van de bordjes zijn alweer illegale acties.

R.P.: Ik wou opnieuw zinspelen op het probleem van de privatisering van de openbare ruimte. Vandaar dat ik de openbaarheid van de Ruimte Z tot het uiterste wou oprekken.

K.B./D.P.: Het werk roept associaties op met de installatie Verboden te kamperen van Guillaume Bijl.

R.P.: Er is wel vaker een relatie gelegd tussen zijn en mijn werk, maar ik zie dat niet. Guillaume heeft zijn installatie gemaakt op een echt grasveld en er bordjes ‘Verboden te kamperen’ bij geplaatst. Ik vind dat iets heel anders dan wat ik in Ruimte Z gedaan heb. We hebben het beiden over realiteit en artificialiteit, maar op een totaal andere manier.

K.B./D.P.: In het tijdschrift van Ruimte Z is een A4 afgedrukt met een man die boven een rivier zweeft. Onderaan is in handschrift een zin aangebracht: ‘foert… Kust allemaal mijn kloten!’

R.P.: Dat was een van de collages. Die waren tamelijk dubieus. Om eerlijk te zijn: ze waren heel slecht. Ik dacht dat ik naast het grasperk nog iets anders moest tentoonstellen, maar dat had ik beter niet gedaan. Misschien was ik te jong om in Ruimte Z tentoon te stellen. Ik had er te weinig over nagedacht.

K.B./D.P.: Walter Van Rooy organiseerde in 1980 een bijzonder groepsproject waarvoor hij je uitnodigde: de tentoonstelling A-Z, waaraan niet minder dan 26 kunstenaars deelnamen. Elke kunstenaar kreeg een ruimte van één vierkante meter ter beschikking.

R.P.: Ik had met piepschuimplaten een constructie gebouwd van een vierkante meter. Er zat een klein teeveetje in dat je aan of af kon zetten. Daarbij werd de vraag gesteld: ‘Bent u ook een zwartkijker?’, in de twee betekenissen van het woord: bent u ook nihilistisch of bent u ook een zwartkijker, iemand die geen kijk- en luistergeld betaalt.

K.B./D.P.: A-Z werd financieel mede mogelijk gemaakt door het ICC. Opvallend is dat heel wat deelnemers aan deze tentoonstelling eerder hadden deelgenomen aan 1980, namelijk Guillaume Bijl, Guy Bleus, Danny Devos, Daniël Dewaele, Hugo Roelandt, Guy Rombouts, Leo Steculorum, Walter Van Rooy, en ook jij uiteraard.

R.P.: Daar had ik nog niet bij stilgestaan. De genoemde kunstenaars vormden de kern van Ruimte Z. Ze stelden er niet alleen tentoon, maar realiseerden ook bijdragen voor het gelijknamige tijdschrift.

K.B./D.P.: Wie had jou uitgenodigd om deel te nemen aan 1980?

R.P.: Annie Gentils. Zij had intussen De Warande verlaten en werkte sindsdien voor het ICC.

K.B./D.P.: De catalogus van 1980 vermeldt niet welk werk jij hebt gemaakt.

R.P.: Ik heb samen met Danny Devos een performance gedaan: Ondergrondse confrontatie. Voordien hadden we al eens samengewerkt.

K.B./D.P.: Waaruit bestond de performance?

R.P.: We wilden een actie buiten het ICC laten plaatsvinden. De keuze was gevallen op metrostation Meir, vlakbij het ICC. Metrostations zijn altijd non-plaatsen, absurde plekken. Ik stond in de ruimte waar de tram rijdt. Ik had er een vierkante meter afgebakend. Danny nam een verdieping hoger plaats, exact boven mij. Hij ging er liggen. Boven mij hadden wij een recipiënt gehangen. Af en toe viel er een druppel water op mijn voorhoofd. Waarvan dat water afkomstig was, was voor de passanten onduidelijk. Telkens er een druppel viel, klopte Danny met zijn voorhoofd tegen de grond.

K.B./D.P.: Kon jij dan horen dat Danny met zijn hoofd op de grond bonkte?

R.P.: Nee. De mensen zagen Danny, die met zijn hoofd op de grond bonkte, en als ze afdaalden, zagen ze mij staan. Alles was rechtstreeks te volgen op een monitor tijdens de opening in het ICC. Vanuit het ICC naar het metrostation waren er elektrische leidingen gelegd om de performance live te coveren. Het ICC beschikte over het nodige materiaal. De bijdrage aan 1980 is veel doordachter dan de eerdere performance in Ruimte Z.

K.B./D.P.: In de catalogus van 1980 is een foto afgedrukt van jou met de tekst: ‘Met deze bladzijde in de cataloog krijg ik de toelating verdere straatacties uit te voeren zonder vooraf toelating te moeten vragen aan stad of staat.’

R.P.: Ik werkte veel op straat. Om die reden maakte ik dat statement. Ik werd ook regelmatig op het politiekantoor ontboden voor belachelijke redenen. Vroeger werden cafés zoals De Muze en Het Pannenhuis geviseerd. Er waren heel vaak razzia’s. Ze vielen met honden binnen om drugs te zoeken. Of je werd geïnterpelleerd omdat je er anders uitzag. Op een gegeven moment besloot ik de rollen om te keren: ik ben zelf de politie met een polaroidcamera gaan volgen.

K.B./D.P.: De politiemannen die zich herkenden, konden hun foto komen ophalen in het ICC. Dat meldde je in de catalogus van 1980.

R.P.: Ze zijn niet gekomen. Een andere keer stonden ze wel aan mijn deur.

K.B./D.P.: Wat was de reden?

R.P.: Ik had Danny Devos een brief gestuurd. Op de achterkant van de envelop – dus zicht- en leesbaar voor iedereen – had ik geschreven dat hij op een bepaalde dag en een bepaald uur een filiaal van de Generale Bank zou overvallen. Tot mijn grote verbazing – en zeker die van Danny – had de post het briefje aan de politie bezorgd. Danny werd opgepakt, zijn ouders ondervraagd en ik werd ontboden op het politiekantoor. Het was hilarisch: wie meldt nu op de buitenkant van een envelop dat er een bankoverval op til is? Enige tijd later bakte Danny mij een gelijkaardige poets. Ditmaal leek de postzending op een bompakket dat Danny aan mij verstuurde als zogenaamde ‘afgewezen minnaar’. De kranten stonden er vol van. De artikels zijn later afgedrukt in een nummer van Ruimte Z, dat gewijd was aan mailart, naar aanleiding van een tentoonstelling van Guy Bleus in Ruimte Z.

K.B./D.P.: Je zei eerder dat jij reeds vóór jullie gezamenlijke bijdrage aan 1980 samen had gewerkt met Danny Devos.

R.P.: Ja. Hoewel Danny nog maar net was afgestudeerd aan de Academie van Gent, had hij reeds heel wat contacten, ook internationaal. Hij wist dat er in Parijs een plek was die aandacht had voor performance: Galerie Diagonale. Danny en ik hebben er een week verbleven, net voor de opening van 1980, en we hebben er performances gedaan, zowel individueel als samen.

K.B./D.P.: Hoe verliep de gezamenlijke performance?

R.P.: Danny lag in het midden van de ruimte. Met een spuitbus maakte ik een blauwe diagonale lijn over de gehele lengte van de ruimte, ook over de rug van Danny. Met schuurpapier verwijderde ik daarna de blauwe lijn op Danny’s lichaam. Hij schreef daarna op de grond: ‘I don’t belong here’.

K.B./D.P.: Dat is opnieuw een statement met een hoog existentialistisch gehalte.

R.P.: Ja, maar er is ook een meer prozaïsche verklaring: de Galerie Diagonale was zijn afspraken niet nagekomen. Onze reis- en verblijfkosten werden tegen eerdere afspraken in niet vergoed. We hadden er echt de pest in.

K.B./D.P.: Je hebt in Galerie Diagonale ook een soloperformance gedaan, zei je.

R.P.: Ik had in de hoek van de ruimte een stuk glas aangebracht en had me er met touwen boven gehesen. Met mijn tong schilderde ik met zwarte acrylverf in de hoek een zwarte lijn. Ik schilderde tot ik het niet meer kon houden en sprong vervolgens naar beneden zodat het glas verbrijzeld werd.

K.B./D.P.: De performance was niet zonder gevaar.

R.P.: Nee, maar ik had het gevoel dat ik het genoeg onder controle had.

K.B./D.P.: Hoe beslisten jullie eigenlijk wat jullie samen zouden doen?

R.P.: We planden nooit van tevoren dat we samen iets zouden doen. We kwamen toe op locatie, brachten er samen een tijdje door en kwamen dan tot een of meerdere voorstellen, solo of met zijn tweeën. Nadien zijn we nog samen opgetrokken naar Besançon en Hamburg. Daar hebben we elk apart acties opgezet.

K.B./D.P.: Galerie Diagonale was de eerste buitenlandse locatie waar je werkte?

R.P.: Ja, het was mijn eerste werk buiten België.

wordt vervolgd

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Koen Brams