width and height should be displayed here dynamically

Vierde Architectuur Biënnale Rotterdam: Open City: Designing Coexistence

De Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam is sinds 2001 een internationaal georiënteerde onderzoeksexercitie vanuit de overtuiging dat architectuur een publiek doel dient, en dat de belangrijkste taak van architectuur is om de dagelijkse leefomstandigheden van miljarden mensen te ontwerpen. Met andere woorden: architecten, planners en stedenbouwkundigen willen bijdragen aan de maatschappelijke, sociale, economische en culturele ontwikkeling van de stad. Elke twee jaar komt er een stortvloed aan ideeën vrij met de bedoeling oplossingen te bieden voor de leefbehoeften van alle mensen. Niet alleen in de biënnale in Rotterdam, ook in Venetië, in Istanbul. Dan zou het ook aardig zijn als ‘gewone’ mensen kennis konden nemen van al die ontwerp- en denkinspanningen die in hun belang worden verricht. Als architectuur iets alledaags is, dan zou het onderdeel moeten uitmaken van het alledaagse referentiekader.

Het thema van de vierde Rotterdamse biënnale, Open City, is goed gekozen. Juist de stad, waar inmiddels meer dan de helft van de wereldbevolking woont, biedt een kapstok voor reflectie op brede schaal. De stad is duur, ongezond, gevaarlijk. Er is drukte, het leven verloopt er anoniem en hectisch. Er zijn altijd mensen die er meer en mensen die er minder thuishoren. Er is sprake van discriminatie, xenofobie en uitsluiting. In het ergste geval hebben hele bevolkingsgroepen geen toegang tot de meest basale voorzieningen, zoals onderwijs, zorg of zelfs een eenvoudig dak boven het hoofd. Maar de stad heeft ook positieve kanten. Het is een plek voor ontmoetingen, voor samenwerken, samenleven, individuele ontplooiing en collectieve verbanden. De stad betekent vrijheid, kansen. Een stad met al die goede eigenschappen, zonder de negatieve kanten, die mag – in de visie van curator Kees Christiaanse – een Open Stad heten. Dat is een stad waarin iedereen gelijke kansen heeft, niemand wordt uitgesloten, waar nieuwkomers zorgen voor culturele diversiteit zonder frictie, waar stedelijke ruimte niet wordt omheind en afgebakend, maar waarvan in gezamenlijkheid wordt genoten. Die stad bestaat niet. Maar dat zouden we wel graag willen. De Open Stad is een utopie. De biënnale onderzoekt de mogelijkheden om die utopie dichterbij te brengen.

Dan komt de nuance. Een stad waar geen onveiligheid is, maar wel een grote sociale controle en cameratoezicht, waar prachtig ontworpen shoppingmalls, businessparks, resorts, gated communities en themaparken het straatbeeld bepalen, is niet ‘open’. Deze gebieden zijn immers bedoeld voor specifieke gebruikersgroepen. Dat zijn de steden die stelsels van eilanden en thematische enclaves zijn. Vervolgens is de vraag hoe ontwerpers het initiatief kunnen nemen en impact hebben op het sociaal weefsel, hoe ze verbindingen kunnen leggen. De antwoorden van de ontwerpers vallen uiteen in twee benaderingen: het concrete ontwerp en het onderzoek. Kees Christiaanse (Rotterdam) vroeg aan zes onderzoeksteams om in te gaan op zes thema’s. Cruciaal is dat zij geen concrete locatie, maar een onderzoeksgebied kregen toegewezen en de vraag te onderzoeken hoe hun thema kan floreren in een (fictieve) open stad. De thema’s zijn: toevluchtsoord, gemeenschap, collectieve woningbouw, (semi-)tijdelijke verblijven (squat), kruisbestuiving en maakbaarheid.

Zo’n veelzijdige benadering houdt het gevaar in van overinformatie en richtingloosheid, van gefragmenteerde gedachten die het zicht op het geheel onttrekken. Dat is hier dan ook het geval. In het NAi zoeken zelfs de meest ingevoerde bezoekers wanhopig naar aanknopingspunten en overzicht. Toch blijkt dat de brede benadering, het vastleggen van ontwikkelingen, het documenteren van situaties, zónder een oplossing aan te dragen de meeste inspiratie biedt. De beelden van Jakarta: een eindeloze reeks van trappen, wanden, muren, badkamers – niet de concrete woonruimtes, maar juist de verbindende elementen. De organische, krakkemikkig gebouwde onderkomens in de sloppenwijken van Sao Paolo – hoe mensen desondanks kunnen samenleven. De woonkazernes in Moskou – hoe collectiviteit geen anonimiteit zou hoeven betekenen. Uit gedegen analyse van bestaande, lokale situaties blijkt – juist doordat deze wereldwijd bijeen zijn gebracht – hoe divers mensen wonen. Desondanks zijn de problemen universeel: hoe kunnen we saamhorigheid ontwikkelen? Hoe kunnen we veiligheid waarborgen zónder de privacy aan te tasten? Hoe kunnen we tijdelijke huisvesting waardevol of menswaardig maken? Die vragen spelen zowel in het rijke Westen als in ontwikkelingslanden. De verschijningsvorm kan verschillen, maar de onderliggende behoeften zijn overal gelijk.

In Rotterdam gaat alleen het thema Maakbaarheid aan een al te letterlijke benadering en aan te directe belangen ten onder. In Amsterdam gebeurt exact hetzelfde. Als dependance-programma voor de Biënnale vroeg de gemeente Amsterdam aan negen ontwerpbureaus naar een visie op ‘Vrijstaat Amsterdam 2050’. De gedachtegang moet ongeveer zo zijn geweest: open stad = toegankelijk = tolerant = vrijheid, blijheid. Met de nadruk dus op ‘designing co-existence’ en met als kernwoord Vrijheid gingen de bureaus aan de slag. Vrijheid werd in de breedste zin van het woord genomen: vrijhaven, autovrij, niet geprivatiseerd. De bureaus kregen een deelgebied toegewezen op de grenzen van de metropool Amsterdam. Waar Christiaanse met zijn thema’s ruimte biedt voor vrij onderzoek, slaat Vrijstaat Amsterdam de plank qua openstadgedachte volledig mis. Dat valt ook de ontwerpbureaus te verwijten, die onder het mom van ‘vrijheid, blijheid’ niet eens de moeite nemen om eenvoudige middelen als een legenda, een noordpijl en een situatieschets te integreren in hun – overigens prachtige – maquettes. Evenmin spannen ze zich in voor het ontwikkelen van een visie. De meesten hebben gewoon een ontwerp geleverd. Positieve uitzonderingen zijn ZUS en MUST, die tenminste hebben begrepen dat er een visie op een opgave moest komen die een periode van minstens 40 jaar kan overbruggen.

Toch is het hoogst verfrissend om zo tegen het fenomeen stad aan te kijken. Nergens klinkt een ‘PAS OP’, of een ‘KIJK UIT’, niemand MOET iets, er zijn geen opgeheven vingertjes met ‘DENK AAN’. Dat maakt van deze Biënnale-editie een buitengewoon inspirerende en, ondanks de abstracte presentatie, zelfs lichtvoetige exercitie. Open stad leidt óók tot open denkprocessen. De Biënnale biedt inzichten, aanknopingspunten en vooral heel veel beelden. Het enige dat nog ontbreekt is een duidelijke hiërarchie. Juist dat laatste zou de mensen om wie het gaat, de mensen die in die steden wonen, die naar de tentoonstellingen komen kijken, helpen om al die ontwerpinspanningen die voor hun woonomgeving bedoeld zijn te begrijpen, en vervolgens wellicht zelfs mee te denken. Al was het maar opdat zij zich een beeld zouden kunnen vormen van de moeite die ontwerpers zich getroosten, in hun belang.

 

Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam tot 10 januari in Rotterdam en Amsterdam, IABR Service Desk, NAi, Museumpark 25,
3015 CB Rotterdam (010/206.00.33; www.iabr.nl).

Vrijstaat Amsterdam liep tot 8 november in het paviljoen in de Tolhuistuin op de noordelijke IJ-oever, tegenover Station Amsterdam Centraal (www.vrijstaatamsterdam.nl).