Hugo et l’architecture
In 1864 maakte de Franse schrijver Victor Hugo, op dat moment 62 jaar, een tekening van de skyline van Parijs. Vijftien centimeter hoog en dertig centimeter breed is het document eerder een collage of een vorm van mixed media. Om de tekening tot stand te brengen gebruikte Hugo pen en penseel, bruine, zwarte en blauwe inkt en aquarelverf, maar ook houtskool, vetpotloden en kleine deeltjes bladgoud. Uit een ander vel papier knipte hij letters die met de frottagetechniek werden overgezet. Van de Franse hoofdstad is het donkere silhouet te zien van achtereenvolgens de Arc de Triomphe, de Colonne Vendôme, de molens van Montmartre, de Notre-Dame en het Panthéon. In de bewolkte lucht boven de stad, die meer dan de helft van de tekening beslaat, hangen de drukletters van het woord ‘souvenir’, op hun beurt voorzien van data zonder jaartal. Vermoedelijk gaat het om momenten uit het privéleven van de auteur: op 2 juli 1845, bijvoorbeeld, werd hij, en flagrant délit, door de politie betrapt op overspel met Léonie Biard, die vervolgens gevangen werd gezet – Hugo zelf bleef dankzij zijn titel van Pair de France op vrije voeten.
In 1864, toen het stadsbeeld werd gefabriceerd, lagen de Parijse jaren van Hugo niet alleen ver weg in de tijd. Sinds eind 1851 leefde hij in ballingschap na de staatsgreep van Louis-Napoléon Bonaparte, die hij weigerde te erkennen als keizer van Frankrijk. Na een verblijf van acht maanden in Brussel vestigde Hugo zich in augustus 1852 met zijn familie (en zijn maîtresse) op Jersey, het grootste van de Kanaaleilanden, waar hij in totaal meer dan negentien jaar zou blijven. Souvenir is dus, op persoonlijk vlak, een uiting van nostalgie, van een schrijver die moest toezien hoe zijn geliefde Frankrijk werd getiranniseerd door een man die hij in het pamflet Napoléon le petit bestempelde als ‘de laatste der mensen’, ‘een dief’, ‘een crimineel’ en ‘een schurk’. Pas in 1870, na de afzetting van Napoléon III en de afkondiging van de Derde Franse Republiek, wenste Hugo terug te keren. In Parijs werd hij als een nationale held ontvangen, vooral omdat Les Misérables uit 1862 een bestseller was geworden. Toen hij in 1885 stierf, werd zijn lijkkist enkele dagen onder de Arc de Triomphe geplaatst en kreeg hij een laatste rustplaats in het Panthéon – wat de tekening uit 1864 tevens voorspellende kracht geeft, vooral omdat de letters beide gebouwen als een regenboog verbinden.
Tegelijkertijd is de prent op literair en artistiek vlak van belang. Hugo maakte tijdens zijn leven duizenden tekeningen. Hoewel hij er zelf niet al te veel belang aan wenste te hechten – veel schetsen kwamen tot stand als afbeeldingen bij zijn talloze reisbrieven, hoewel hij ook ‘vrij’ en totaal imaginair werk maakte – illustreerde hij geregeld edities van eigen teksten. Zijn grafische werk werd onder meer opgemerkt door Baudelaire, die de ‘magnifieke verbeeldingskracht’ ervan prees, gelijkaardig aan ‘het mysterie in de hemel’; veel van het saaie academisme dat de Franse dichter te zien kreeg op de Salon van 1859, verbleekte volgens hem bij de sterke, indrukwekkende en ongeremde tekeningen van Hugo. Conventioneel is het paysage de mémoire uit 1864 inderdaad niet, al was het maar door de spectaculaire manier waarop tekst en beeld worden gecombineerd, als in een ansichtkaart of een reclameposter. Niet alleen als literator, maar ook als tekenaar schrikte Hugo er niet voor terug om genreconventies te doorbreken en te parodiëren, altijd weer flirtend met overdrijving, donkere romantiek, pathos en effectbejag, altijd weer op zoek ‘naar onsterfelijke vrolijkheid, vreugde, het bovennatuurlijk, het magische en het wonderbaarlijke’, om nogmaals Baudelaire te citeren.
En dan is er nog de bouwkunst. Souvenir is, niet toevallig, te zien op de tentoonstelling Hugo et l’architecture, die loopt in het appartement met zicht op de Place des Vosges waar de schrijver van 1832 tot 1848 met zijn gezin woonde. Nog honderden andere tekeningen worden geëxposeerd, net als brieven, foto’s, manuscripten, en een nooit gerealiseerd plan voor een woning, in 1886 ontworpen door de Franse architect Philippe Leidenfrost en overduidelijk beïnvloed door de voorschriften van Viollet-le-Duc. Niet onverwacht is dat de (gereconstrueerde) interieurs van de woonplaatsen van Hugo niet bepaald minimalistisch werden ingericht – dit is een mens die bijna elke minuut van zijn leven, pen of potlood in de hand, besteed lijkt te hebben aan het bestrijden van het horror vacui.
Toch tonen zijn tekeningen meestal monumenten: kerken, stadhuizen, torens en burchten, zoals het griezelige Le Burg à la croix uit 1850, een van de grootste tekeningen die hij maakte. Ook Souvenir uit 1864 is gevuld met omvangrijke publieke bouwwerken, met de Notre-Dame uiteraard centraal, als de gotische kathedraal die het eigenlijke hoofdpersonage is van Hugo’s gelijknamige roman uit 1831. Beroemd en vaak geciteerd, uit dat boek, is de uitspraak ‘ceci tuera cela’ – de openingszin van de moderne mediatheorie: de boekdrukkunst zal de architectuur doden, omdat alleen gedrukte teksten nog in staat zijn om een soort algemene begrijpelijkheid te bezitten die de bouwkunst, volgens Hugo, na de gotiek definitief kwijtspeelde. Door de letteren een historische strijd te laten winnen, stelde deze schrijver alvast op theoretisch vlak zijn plaats in de geschiedenis veilig. De letters in de hemel boven Parijs krijgen op die manier iets triomfantelijks: de taal, schetterend in het luchtruim, zal altijd het laatste woord hebben; gebouwen spreken dan misschien wel, maar wat ze zeggen moet toch altijd door mensen worden opgeschreven. En ook dat is uiteindelijk relatief, want het document uit 1864 is geen gebouw en ook geen tekst – het is een tekening. Het grafische schaduwoeuvre van Victor Hugo toont het aan: terwijl de letteren en de architectuur elkaar probeerden om te leggen, werd het beeld oppermachtig en alomtegenwoordig.
• Hugo et l’architecture, tot 22 november, Maison de Victor Hugo, Place des Vosges 6, Parijs.