width and height should be displayed here dynamically

Reflections on Fashion

Kunstmuseum Den Haag viert het 75-jarig bestaan van zijn omvangrijke modecollectie. Met ruim 50.000 objecten – van zeventiende-eeuwse wambuizen en moderne klassiekers van Cristóbal Balenciaga, Christian Dior en Pierre Balmain tot hedendaagse ontwerpen van Nederlandse bodem van Iris van Herpen en Viktor & Rolf – beschikt het museum over de grootste kleding- en sieradencollectie van Nederland. Los van de uiteenlopende herkomst van de objecten is de collectie sterk verbonden met Den Haag. De verzameling vindt haar oorsprong in het Nederlands Kostuummuseum, dat werd opgericht in 1951, en groeide verder door verschillende stichtingen, schenkingen en nieuwe verwervingen. Intussen is ze veertig jaar ondergebracht in het Berlage-gebouw.

Een korte video-introductie van conservator mode en kostuum Madelief Hohé en tentoonstellingsvormgever Maarten Spruyt leidt naar de eerste zaal waarin een robe à la française uit 1760 en hedendaagse stukken zoals de Cirkelcape van Frans Molenaar naast elkaar tentoongesteld worden. Enkele foto’s tonen collectieobjecten, zoals een habit à la française, in 1954 nog gedragen door echte modellen, totdat conserveringsoverwegingen de presentatie via mannequins noodzakelijk maakten: kledingstukken werden driedimensionaal in vorm gebracht met paspoppen en losse vullingen. De presentatie biedt een interessante inkijk in de veranderende omgang met mode als cultureel erfgoed en de strikte conservatieregels die daarmee gepaard gaan.

Hohé werkte samen met twaalf gastcuratoren om de collectie uit het depot opnieuw voor te stellen vanuit verschillende perspectieven. Iedere cocurator kreeg de vrijheid om een eigen ruimte in te richten vanuit een persoonlijke invalshoek, met als uitkomst dat elke ruimte in opzet overwegend uniform is (een beknopte zaaltekst, mannequins en objectlabels met titel, materiaal en datering) en dat een doortimmerd en verbindend sociaal-cultureel verhaal ontbreekt. Juist een dergelijke context zou de uiteenlopende objecten binnen de collectie in een betekenisvol verband kunnen plaatsen en de bezoeker kunnen uitnodigen om meer te zien dan een geïsoleerd artefact of een esthetisch voorwerp. In de zaal gecureerd door het modeplatform KledingCast wordt naast de introducerende zaaltekst bijvoorbeeld in de meeste gevallen weinig meer vermeld bij de stukken dan de naam van de ontwerper. Modekunstenaar Lisa Konno biedt daarentegen zowel in haar inleidende zaaltekst als in haar objectteksten wél context en toelichting, waardoor haar thema – ‘protest’ – aanzienlijk beter landt.

Een andere overtuigende uitzondering vormt de zaal van couturier Tess van Zalinge. De ruimte is opgevat als een bescheiden eerbetoon aan het zestigjarige restauratieatelier van het Kunstmuseum, een van de oudste van Europa. Voormalige restauratoren Vera van der Velden, Adrie Alkemade en Ilse Pohlert worden bij naam genoemd, terwijl zichtbaar wordt hoe het vak vandaag wordt beoefend: in een glazen miniatelier is restaurateur César Rodríguez Salinas tijdens de openingsuren aan het werk. Elders in de zaal vertelt een medewerker over herkomst, materialen en eerdere eigenaren aan de hand van historische stukken. Bij een korset uit 1750 wordt bijvoorbeeld de baleinenconstructie toegelicht, een detail dat de bezoekers, die zich rond de werktafel hebben verzameld, zichtbaar fascineert. Het enthousiasme benadrukt hoezeer directe kennisoverdracht sterker werkt dan een kledingstuk op een paspop. Uiteraard beperken conserveringsregels de presentatiemogelijkheden, maar juist het zoeken naar alternatieve manieren om historische kleding toegankelijker en betekenisvoller te maken verdient waardering.

De aanpak van modejournalist Janice Deul biedt wellicht de belangrijkste reflectie op de collectie. Zij onderzoekt hoe het koloniale verleden doorwerkt in de Nederlandse modegeschiedenis en brengt kleding en ontwerpen uit onder meer Suriname, de Antillen en Indonesië samen. Zo staat een afrofuturistische interpretatie van de robe à la française van Marga Weimans nabij een authentieke Afro-Surinaamse koto. Opvallend is dat van de zestien geëxposeerde werken slechts drie exemplaren uit de eigen collectie afkomstig zijn – de rest zijn bruiklenen. Voor een tentoonstelling die juist het 75-jarige verzamelverleden van het Kunstmuseum centraal stelt, is dat veelzeggend. Het impliceert dat Deul tijdens haar depotonderzoek stuitte op een hiaat. Dat gegeven heeft ongetwijfeld een waardevolle reflectie op het verzamelbeleid opgeleverd, getuige de verwerving van een werk van Patrick Kelly, op initiatief van Deul. De aankoop wordt aan het begin van de tentoonstelling benoemd, maar de schijnbare lacune in de collectie en een diepere reflectie op het verzamelbeleid zelf blijven voor de rest onbesproken.

De zalen van Deul en Van Zalinge laten zien wat Reflections on Fashion had kunnen zijn: een tentoonstelling die niet alleen naar mode kijkt, maar ook naar het museum als instituut en naar de manier waarop een collectie heel langzaam wordt gevormd. Welke keuzes maakten opeenvolgende conservatoren, curatoren en restaurateurs? Hoe veranderde het verzamel- en afstootbeleid? Welke praktijken uit het verleden werken vandaag nog door en welke zijn inmiddels verlaten? Want, zoals cocurator en modeontwerper Jan Taminiau terecht stelt: wanneer een kledingstuk onderdeel wordt van een museumcollectie, is het voor altijd beschermd en maakt het deel uit van iets groters. Juist deze overkoepelende constructie – het museum als instituut, maar ook als collectief van mensen die zich met hart en ziel inzetten voor historische kledingstukken en moderne modeobjecten – blijft in de tentoonstelling te vaak op de achtergrond, ondanks het feit dat de aanstelling en aftreding van verscheidene conservatoren en restauratoren in een meterslange tijdlijn van de collectie wordt benoemd.

Reflections on Fashion laat een schat aan modeobjecten zien, maar laat kansen liggen om in de diepte te gaan. Door de sterke nadruk op de samenwerking met de gastcuratoren komt de collectie niet altijd als samenhangend geheel naar voren. Toch is het een plezier om de tentoonstelling te bezoeken. De collectie bevat significante en iconische stukken, en het blijft waardevol wanneer objecten na jaren in het depot opnieuw zichtbaar worden. Dat gegeven alleen al is reden tot feest, maar juist een collectie van deze omvang verdient ook scherp zelfonderzoek.

 

Reflections on Fashion. 75 jaar modecollectie, tot 3 januari 2027, Kunstmuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41.