width and height should be displayed here dynamically

Rem Before Koolhaas. Journalism by an Architect

‘Journalistiek maakt bouwen mogelijk en gaat eraan vooraf’; zonder de krant geen moderne architectuur en zonder architectuurkritiek geen correcte architectuurgeschiedenis, aldus architectuurhistoricus en -theoreticus Beatriz Colomina in het voorwoord van Rem Before Koolhaas, waarin het vroege journalistieke werk van de Nederlandse architect wordt verzameld. Al in de jaren tachtig richtte Colomina de leerstoel ‘Media and Modernity’ op aan Princeton University. Ze publiceerde vaak over het onderwerp, onder andere in het boek Privacy and Publicity. Modern Architecture as Mass Media (1994), over de rol van gedrukte media in het werk van Adolf Loos en Le Corbusier, twee architecten die ook bekend werden door hun geschriften en artikelen en wier werk volop onderwerp van discussie werd in kranten en tijdschriften.

Rem Koolhaas (1944) is bij uitstek hun naoorlogse tegenhanger. Ook hij begon zijn carrière als journalist voordat hij internationaal bekend werd met Delirious New York (1978) en als medeoprichter van OMA. Vooral in de beginjaren van het bureau stond Koolhaas bekend als een ‘papieren architect’ die succesvol aanzette tot discussie en debat. Zo verwierf hij een heel centrale positie in het internationale architectuurveld, wat leidde tot een grote hoeveelheid publicaties van en over hem – in 2019 bracht Christophe Van Gerrewey in OMA/Rem Koolhaas. A Critical Reader From ‘Delirious New York’ to ‘S,M,L,XL’ honderdvijftig van die teksten samen.

Dat in die veelheid de jaren van Koolhaas als journalist nagenoeg onbesproken bleven, vormt de directe aanleiding voor dit nieuwe boek. Voordat hij in 1968 architectuur ging studeren aan de Architectural Association in Londen, werkte Koolhaas van 1963 tot 1967 voor het Nederlandse opinieweekblad Haagse Post (dat in 1990 met De Tijd fuseerde tot het huidige HP/De Tijd). Overtuigd van het belang van deze leerschool voor het begrijpen en duiden van het latere werk, stelt Antonio Cantero deze vroege periode centraal. Dit doet hij aan de hand van vertalingen en besprekingen van dertien interviews die Koolhaas in HP publiceerde. De teksten, die variëren van interviews met Le Corbusier, Harry Mulisch en Gerard Reve tot stukken over Amsterdamse hippies en een serie over ‘seks in Nederland’, zijn ingedeeld in de categorieën architectuur, beeldende kunst, politiek/literatuur en sociologie/politiek. Cantero wil Koolhaas’ jaren als journalist analyseren ‘als een periode waarin een manier van kijken, schrijven en denken zich vormt’. Hij schetst een beeld van een jongeman die zijn omgeving realistisch observeert en humoristisch omschrijft. Zo herkent Koolhaas, op weg naar Willem Frederik Hermans, in het gezicht van een groep Groningse boeren ‘hetzelfde soort wratten […] als hun vee’. Le Corbusier omschrijft hij, na een lezing in 1964 van de Frans-Zwitserse architect in het Stedelijk in Amsterdam, als iemand ‘met een droog, bits uiterlijk, […] [met] vaalblauwe ogen, die zich met de zekerheid van een krokodil op één punt fixeren’.

De focus op het primaire materiaal, inclusief facsimile-afbeeldingen, levert een rijk boek op waarin de historische sensatie zegeviert. Het is daarom betreurenswaardig dat de Engelse vertalingen – die deze teksten voor een groter publiek toegankelijk maken – te wensen overlaten omdat ze al te letterlijk zijn. Zo wordt, in het gesprek met architect Hendrik Wijdeveld, ‘laat ik het zo zeggen’ vertaald naar ‘let me put it like this way’, en ‘zijn eerste contact met de bouwkunst’ naar ‘his first contact with architecture’. Deze heel letterlijke vertalingen zouden een bewuste keuze kunnen zijn om de analyse van Koolhaas’ stijl als direct en realistisch te bekrachtigen. Mijns inziens zou de scherpte en ironie van zijn Nederlandse directheid zich in een Engelstalige context juist speelser, indirect en onderhuids kunnen manifesteren.

In de commentaren bij de interviews schetst Cantero zowel de cultuurhistorische context als de redactionele processen. Zo laat hij zien hoe de hippiebeweging voortkwam uit de provobeweging, alvorens te reflecteren op de verschuiving van de tegencultuur van de straat naar de media, waar publiciteit niet alleen een middel, maar ook een strategisch protest op zich werd. Ook de relatie met de kunsten wordt onderzocht, bijvoorbeeld door dieper in te gaan op de happenings die werden georganiseerd. Bovendien bieden de besprekingen van Cantero een close reading van de uiteenlopende interviewvormen die Koolhaas hanteerde, net als van de ontwikkeling van diens strategieën. Cantero plaatst zijn analyse in de bredere context van de Nederlandse media en cultuur in de jaren zestig. Door rake en scherpe observaties, vaak vervat in niet meer dan een bijzin of een alinea, groeit het boek uit tot een vorm van mediageschiedenis – niet verrassend, aangezien Cantero, vooraleer hij professor werd aan de TU Delft, onderzoek verrichtte aan de eerdergenoemde vakgroep ‘Media and Modernity’.

Van Koolhaas kan je zeggen dat hij, na zijn jaren bij HP, technieken uit de publiciteit gebruikte als een commercieel middel om aandacht te genereren voor zijn gebouwen en zijn projecten. Hij is immers berucht om zijn tegenstrijdigheden en provocaties, wat hem naast architect en schrijver ook tot een pr-man maakt. Rem Before Koolhaasbestudeert zijn eerste ervaringen als journalist echter voornamelijk in stilistische en culturele termen, en niet als een belangrijke les over het belang van media en het creëren van aandacht. Als Koolhaas de afgelopen decennia iets heeft bewezen, is het zijn vermogen om telkens in het middelpunt te komen staan. Omdat reflectie hierover ontbreekt, loopt het boek het risico te bekrachtigen wat het wil ontwijken: de bekende persoonlijkheidscultus rondom Koolhaas.

Ook in het concluderende interview tussen Cantero en de architect-journalist staan geen schurende vragen. Wel is er ruimte voor een belangrijke, persoonlijke reflectie van Koolhaas. Hij ziet zijn tijd bij HP vooral als een jeugdige expeditie: ‘Ik lees de interviews met een soort ongeloof dat ik zo gedurfd kon zijn, of gewoon zo vrij, zo onverantwoordelijk. Wat mooi is aan deze interviews, is dat ze zo zorgeloos zijn.’ Misschien is dat inderdaad het belangrijkste inzicht. Als bouwen, net als schrijven, een vorm van denken is, dan vormt het schrift een belangrijke eerste stap in de architectuurpraktijk. Het geeft jonge architecten de vrijheid om hun ideeën te ontdekken en zich te positioneren in de publieke sfeer, voordat ze kostbare, tijdrovende gebouwen realiseren. Behoort het schrijven, als een medium voor architecten, voornamelijk tot het verleden – rijp en relevant voor historische studie?

 

• Antonio Cantero, Rem Before Koolhaas. Journalism by an Architect, Rotterdam, nai010, 2026, ISBN 9789462089457.