Keeping Culture. The Architecture of Storage
‘We stellen een museum voor waarin de veelheid ontsloten en geëxploreerd kan worden. In essentie is het een warenhuis waarin alle materiaal geordend wordt, bijvoorbeeld chronologisch en naar schaal. Het museum toont niet langer één syntheseverhaal […] maar genereert een veellagigheid van mogelijke percepties.’ Dit zijn geen zinnen uit een recent communicatieplan, maar fragmenten uit de toelichting bij het ontwerp dat Xaveer De Geyter Architecten in 1999 maakten voor het Museum aan de Stroom in Antwerpen. In dit volgens evenwijdige stroken georganiseerde gebouw van één verdieping, met de structuur van een vestiging van IKEA, zou het onderscheid tussen depot en tentoonstelling verdwijnen. Het ontwerp werd niet uitgevoerd (Neutelings Riedijk Architecten won de wedstrijd voor het MAS), maar het kondigde wel een evolutie aan die de laatste tien jaar sterker is geworden. Waarom zouden musea collectiestukken in een verafgelegen loods verbergen? Waarom zouden ze nog een subjectieve selectie uit hun verzameling maken om aan het publiek te tonen? Waarom zouden bezoekers niet alles mogen zien? En waarom zou een museum niet ook een magazijn kunnen zijn, en vice versa?
Die vragen zijn het onderwerp van een recente tekstbundel, Keeping Culture. The Architecture of Storage, samengesteld door Susan Holden en Ashley Paine, beiden verbonden aan de architectuurafdeling van de University of Queensland in Australië. In een indrukwekkende inleiding die bijna een derde van het boek beslaat, behandelen Holden en Paine reeds vele kwesties en voorbeelden, historisch zowel als actueel. Pontificaal vooraan staat, zoals te verwachten, het Depot van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, ontworpen door MVRDV en open sinds eind 2021. Zoals de naam aangeeft, is dit spiegelende volume geen museum – het ‘echte’ museum is al sinds 2019 gesloten voor renovatie en vernieuwing, en de heropening wordt pas in 2030 verwacht. (Die lange sluiting was trouwens een van de redenen waarom Sjarel Ex het Depot heeft laten bouwen: om meer dan een decennium lang toch iets te bieden te hebben.) Zoals onder anderen Martin van Schaik heeft aangegeven (De Witte Raaf, nr. 215) is het Depot allesbehalve volledig toegankelijk: de meeste stukken blijven achter glas, op afstand, ook tijdens een duurdere privérondleiding.
Wat dat betreft is de Rotterdamse Pot ‘zichtbare opslag op steroïden’, zoals Tim Reeve, adjunct-directeur van het Victoria and Albert Museum (V&A) in Londen, het omschrijft in een gesprek met Owen Hopkins dat ook in dit boek is opgenomen. Het V&A beschikt sinds mei 2025 over een East Storehouse, ontworpen door Diller Scofidio + Renfro, en hoewel de klassieke toonplekken van het V&A blijven bestaan, benadert dit gebouw veel dichter het ideaal van het magazijnmuseum: bezoekers kunnen tussen alle rekken wandelen, er zijn kleine pop-uptentoonstellingen en ondertussen doet het personeel gewoon z’n werk. ‘Uiteindelijk’, zo benadrukt Reeve, ‘willen we maximale toegang, maximale transparantie, een minimumaantal glazen kasten, minimale interpretatie, en dan kijken we hoe ver we bezoekers kunnen loslaten om te dwalen en te browsen.’ Het zijn bijna achteloos geopperde zinnetjes, die uiteraard een geheel andere definitie van het museum introduceren: verhalen vertellen of geschiedenissen construeren – ‘cureren’ en ‘instrueren’ – gebeurt niet meer. Zoals zoveel hedendaagse fenomenen lijkt het ‘open depot’ geïnspireerd door het web, en door online surfen en swipen: het ene volgt altijd op het andere, zonder noodzakelijk verband, niets blijft lang in the picture, maar: the fun never stops. Een kritische theorie van dit magazijnmuseum en van de oorzaken en gevolgen ervan wordt in Keeping Culture niet aangeboden. Het blijft dus wachten op een update van Adorno’s klassieke essay ‘Valéry Proust Museum’ (1953) voor de eenentwintigste eeuw, maar toch worden er in vele bijdragen aan dit boek belangrijke aanzetten gegeven.
Wat zo’n theorie zeker zou moeten uitklaren, is de specificiteit van het kunstwerk in vergelijking met een niet-artistiek collectiestuk – zoals een stoel, een gevelfragment of een vork uit de vijftiende eeuw. Dat Holden en Paine dat onderscheid niet maken, is misschien al een deel van het antwoord: als het op ‘bewaren’ en ‘opslaan’ aankomt, wordt ook een Vermeer een archiefobject – waardevol, broos, belangrijk en tegelijkertijd gelijkwaardig aan alle andere items. Anders gesteld: heeft een kunstwerk nog een eigen aura in een depot? En waaruit bestaat zo’n aura dan nog? Vele teksten in Keeping Culture gaan over private verzamelingen: Deyan Sudjic schrijft over het archief van architecten Herzog & de Meuron, waarvoor ze zelf een Kabinett ontwierpen; Susan Holden behandelt de vele collecties van Judith Neilson, een kapitaalkrachtige Australische filantroop; Scott W. Perkins spreekt met Tim Samuelson, een historicus uit Chicago die reeds als kind gebouwfragmenten begon te verzamelen; en Julian Worrall bezoekt het ‘Archi-Depot’ in Tokio, een soort Shurgard waar architecten hun maquettes kunnen deponeren, die vervolgens echter door iedereen bezocht kunnen worden. Is het dat wat elk item in een depot blijkt te zijn: een onderdeel van een verzameling, maar altijd iets dat je je nooit – letterlijk en figuurlijk – eigen kan maken, omdat het aan iemand anders toebehoort?
In zijn bijdrage aan het boek neemt Wouter Davidts de museumproblematiek in Vlaanderen als uitgangspunt. Hij klaagt aan dat in twee recente architectuurwedstrijden, voor het SMAK en het M HKA, de opslag van kunstwerken buiten beschouwing werd gelaten, terwijl de overheid jaarlijks fortuinen betaalt om collecties te stockeren in Antwerpse en Gentse loodsen van Katoen Natie van Fernand Huts, de rijkste man van België. ‘Het valt alleen maar te hopen dat in toekomstige museumprojecten deze uitdaging wordt aangegaan,’ schrijft Davidts. ‘Het voordeel zou liggen in de aanwezigheid en de nabijheid van de werken, eerder dan in hun afwezigheid en afstand.’ Het klinkt verleidelijk, maar aangezien het in Vlaanderen al onmogelijk is gebleken om een klassiek museum te bouwen, lijkt een magazijnmuseum niet meteen voor morgen. Bovendien blijken musea net op het vlak van stockage wel met elkaar te kunnen samenwerken, zij het op lokaal niveau: zowel in Antwerpen als in Gent staan bouwprojecten in de steigers om de stedelijke collecties in onder te brengen. Van ‘maximale toegang’ en ‘maximale transparantie’ zal er hoogstwaarschijnlijk geen sprake zijn.
• Susan Holden, Ashley Paine (red.), Keeping Culture. The Architecture of Storage, Amsterdam, Valiz, 2026, ISBN 9789493246553.