width and height should be displayed here dynamically

Art Writing in Crisis

Op het eerste gezicht lijkt Art Writing in Crisis een larmoyant pleidooi voor het essentiële belang van kunstkritiek ‘in tijden van’. De wereld staat letterlijk en figuurlijk in brand, schrijven redacteuren Brad Haylock en Megan Patty in hun introductie: het woord ‘crisis’ in de titel verwijst naar bosbranden, de opwarming van de aarde, systemische ongelijkheid en de opkomst van giftig nationalisme, maar ook kunstkritiek zelf, meer bepaald art writing, zou zich in een crisis bevinden. Zo’n uitgangspunt lijkt een opstapje naar een boek dat kunstkritiek voorstelt als de oplossing voor de grote problemen van deze tijd. Gelukkig hebben Haylock en Patty (of de bijdragende auteurs) zich niet tot zulke hoogmoed laten verleiden. De centrale vraag van dit boek is opvallend bescheiden: ‘Wie produceert de kunstkritiek die we lezen, onder welke omstandigheden, met welk doel?’

Geen grote of algemene uitspraken dus over ‘de stand van de kritiek’. In plaats daarvan bundelt Art Writing in Crisis 21 diepgravende, persoonlijk gestoelde bijdragen van verschillende stemmen uit het veld: kunstcritici, uitgevers, kunstenaars, redacteuren en curatoren. Samen geven ze een beeld van wat het betekent om vandaag over kunst te schrijven.

De crisis van de kunstkritiek zelf komt redelijk vooraan in het boek aan bod, onder andere in een essay van voormalig Frieze-redacteur Dan Fox. Terugkijkend op de periode van twintig jaar dat hij als redacteur-criticus werkte, beschrijft Fox de veranderingen in het veld. De opkomst van de stercurator, de megagalerie en sociaal geëngageerde kunstprojecten, uitgelegd in zaalteksten vol onbegrijpelijk kunstjargon, het is allemaal al eens besproken, maar zelden zo scherp en spitsvondig als hier. Barry Schwabsky, ook een oudgediende in het vak, beschrijft de precariteit van de freelancecriticus, de krimpende ruimte voor kunstkritiek in kranten en tijdschriften, en de overgang van print naar digitaal die een jacht op clicks en likes met zich meebracht.

Het zijn zaken die, zoals Haylock en Patty in de inleiding aanduiden, ook al aan bod kwamen in Spaces for Criticism. Shifts in Contemporary Art Discourses, een reader uit 2015 samengesteld door Thijs Lijster, Suzana Milevska, Pascal Gielen en Ruth Sonderegger. En net als die publicatie laat ook Art Writing in Crisis zien dat kunstkritiek zich ondertussen allang niet meer alleen in krantenkolommen en op recensiepagina’s van tijdschriften afspeelt. Het spectrum dat onder de noemer art writing beschreven wordt, is bijzonder breed: van ‘klassieke’ kunstkritiek tot platforms die kunst vanuit een specifieke maatschappelijke lens bezien, van teksten geschreven door kunstenaars tot tentoonstellingscatalogi en zelfs de titels van kunstwerken. Ook meer experimentele benaderingen als ‘fictokritiek’ en collaboratief schrijven worden verkend, net zoals vormen van kritiek die aandacht besteden aan toeschouwers met zintuiglijke beperkingen.

In plaats van een crisis in de kunstkritiek te diagnosticeren, zou je afgaande op deze veelheid aan verschijningsvormen ook kunnen spreken van een bloeitijd. Een belangrijke vraag is wel in hoeverre zulke ‘nieuwe’ stemmen of vormen van kritiek in de marge werkelijk doordringen tot gevestigde instituten. De bundel is op z’n sterkst wanneer het gaat over inspanningen om het veld te verbeteren, verbreden en diversifiëren, en de dilemma’s die dat met zich meebrengt. Maddee Clark, redacteur van un Magazine, reflecteert in ‘How to Decolonize the Art World’ op wat ‘dekoloniseren’ in de context van de kunstwereld betekent. Hij bekritiseert de oppervlakkige pogingen van tijdschriften en kunstinstellingen die denken er met een gastcurator of een themanummer van af te kunnen komen, zonder werkelijk het weefsel van hun organisaties onder de loep te willen nemen. Clark wijst op de kunstenaarscollectieven die, juist doordat ze lang van ‘witte’ instituten zijn uitgesloten, hun eigen voorwaarden, kennis en gemeenschappen hebben gevormd. Hij eindigt zijn bijdrage met de vraag in hoeverre gevestigde instituten permanent doordrongen kunnen raken van Zwarte auteurs, kunstenaars en hun discours.

Interessant is ook de bijdrage van Taylor Renee Aldridge en Jessica Lynne, oprichters van ARTS.BLACK, een tijdschrift voor kunstkritiek vanuit een Zwart perspectief. ‘This Is How You Tell the Truth’ is een briefwisseling tussen bevriende collega’s over wat het betekent om kritiek te bedrijven. Het gaat er volgens de auteurs om de waarheid te vertellen, ook als die pijn doet. De tekst is een hommage aan Zwarte feministen als Michele Wallace, die in Black Macho and the Myth of the Superwoman in 1979 het (mannelijke) seksisme in Zwarte gemeenschappen blootlegde. Wallace werd door de gemeenschap ‘gestraft’ voor haar kritiek, zo zei ze zelf, en behandeld als paria. Het gaat met andere woorden om de ruimte voor kritiek, ook binnen zogeheten ‘gemarginaliseerde groepen’, juist als teken van liefde voor de gemeenschap.

Het verlangen naar verbinding is een wezenlijk punt dat in veel van de bijdragen wordt gemaakt. Bijvoorbeeld in een terloopse anekdote van Dan Fox, die vertelt hoe hij een uitgebreide brief ontving van een kunstenaar wiens werk hij recent daarvoor gerecenseerd had: ‘Ik realiseerde me wat ik zocht in het uitoefenen van kunstkritiek: een dialoog met medereizigers. Vijftien jaar later denk ik nog steeds aan die brief.’ In een interview dat de redacteuren afnamen met Astrid Vorstermans, oprichter van uitgeverij Valiz, haalt Vorstermans een tekst van ontwerper, kunstenaar en schrijver Danah Abdulla aan om haar werk als uitgever te beschrijven: een arbeid van ‘kleine gebaren’ die, bij elkaar, sociale verschuivingen teweeg kunnen brengen. Schrijvers en kunstenaars maken de ‘grote gebaren’ zegt Vorstermans, zij ontwikkelen ideeën, vocabulaires en gedachtelijnen. De kleine gebaren van de uitgever zitten in het ‘geloven, vertrouwen, verbindingen leggen, geduld hebben’.

In zekere zin rijst uit deze bundel het beeld op van kunstkritiek als ‘klein gebaar’. Naast de vanzelfsprekende taak van de criticus om dingen te scheiden – het goede van het slechte, het echte van het neppe – wijzen verschillende bijdragen op de rol die de criticus heeft in het leggen van verbindingen. Verbindingen tussen kunst en het geschreven woord, tussen kunst en maatschappelijke en politieke onderwerpen, tussen kunst en publiek, en tussen ‘fellow travelers’. Wat niettemin ontbreekt in deze verder breed uitwaaierende collectie is geografische diversiteit. De bijdragen richten zich met name op kunstkritiek en het kunstveld in de Verenigde Staten, Europa en Australië, met uitzondering van een essay van Rachel Marsden over fotoboeken als vorm van discours in China. Het Afrikaanse continent, Zuid-Amerika en de rest van Azië blijven grotendeels onderbelicht. Voor een bundel die een volledig beeld tracht te geven van wat kunstkritiek vandaag de dag is, en waarvan een groot deel van de bijdragen een overtuigend pleidooi geeft voor diversificatie en verbreding van het veld, is dat een gemiste kans.

 

Brad Haylock en Megan Patty (red.), Art Writing in Crisis, Londen, Sternberg Press, 2021, ISBN 9783956795855.