Beyond the Manosphere. Masculinities Today

In een hoek van de tentoonstellingsruimte van het Stedelijk Museum ligt een stapel mannenkleding op de vloer. Broek, overhemd, colbert, schoenen, sokken en een riem: achtergelaten kledingstukken van een lichaam dat zelf afwezig is, alsof het net is vertrokken. Het werk van de Brits-Pakistaanse Reba Maybury oogt op het eerste gezicht als een postminimalistisch gebaar. Maar die schijnbare banaliteit is precies de inzet. Maybury werkt als kunstenaar vanuit haar rol als dominatrix onder de naam Mistress Rebecca. Veel van haar werken zijn instruction pieces die door ‘haar’ submissieve mannen op bevel worden uitgevoerd. Used Men (2021-2026) is er een van en maakt deel uit van een doorlopend werk: een man krijgt de opdracht zich uit te kleden en zijn volledige outfit af te staan.
Naast Used Men wordt Sylvie Fleury’s video Walking on Carl Andre (1997) getoond. Ook daarin is de mannelijke aanwezigheid tegelijk afwezig: niet via een lichaam, maar via de kunsthistorische autoriteit van Carl Andre. In de video lopen vrouwen op naaldhakken over de bekende minimalistische vloerwerken. De gekleurde hakken ontdoen het minimalisme van zijn vermeende neutraliteit. Waar Andre in de kunstgeschiedenis verschijnt als onaantastbare modernistische vaderfiguur, laat Fleury vrouwen letterlijk over zijn werk heen lopen. Zo uit ze kritiek op de mythologisering die mannelijke kunstenaars tot maatstaf heeft gemaakt.
In eerste instantie vormen de werken van Maybury en Fleury een sterk beginpunt voor Beyond the Manosphere. Masculinities Today, een tentoonstelling over mannelijkheid en macht. De titel suggereert dat de tentoonstelling niet alleen de manosfeer zelf wil tonen, maar wil onderzoeken wat daar voorbij ligt: de bredere culturele, sociale en politieke vormen waarin mannelijkheid vandaag gestalte krijgt. Als ik aan de manosfeer denk, denk ik aan TikTok-filmpjes van high value men, looksmaxxing, mogging, redpill-taal, commentaarsecties en thumbnails waarin de onzekerheid over mannelijkheid voortdurend wordt aangejaagd en verkocht. Aan podcastfragmenten waarin vrouwen worden gerangschikt, vernederd of tot datingstrategie gereduceerd. Manosfeer is niet zomaar een ander woord voor mannelijkheid, patriarchaat of mannelijke dominantie; het begrip verwijst naar een veel specifieker hedendaags online fenomeen waarin mannelijkheid wordt geproduceerd, gemonetariseerd en geradicaliseerd.
Beyond the Manosphere suggereert een confrontatie met die digitale wereld, maar de online infrastructuur waarin mannelijkheid vandaag vorm krijgt, is opvallend afwezig. Een tentoonstelling als Ben ik mannelijk?, eerder dit jaar in Het Noordbrabants Museum, vertrok nadrukkelijker vanuit die geleefde ervaring: hoe mannelijkheid wordt opgevoerd, betwijfeld of doorbroken in het dagelijks leven, inclusief TikToks. In het Stedelijk wordt die ervaring vooral bemiddeld door kunsthistorische referenties. Dat geldt bijvoorbeeld voor Hans Eijkelbooms serie De ideale man (1977-1982), die opvallend veel gelijkenissen vertoont met de ideale, looksmaxxing-man op sociale media, zoals de influencer Clavicular, ‘met duidelijke kaak- en jukbeenderen’, ‘vreselijk lichtblauwe ogen’ en een ‘rechtere kaak en kinlijn’. Ook de heroïsche lichamen van werkende mannen in Lucy McKenzies muurvullende If It Moves, Kiss It (2002) – gebaseerd op een muurschildering uit Stanley Kubricks A Clockwork Orange (1971), die zelf teruggaat op de nazibeeldtaal van Fritz Erler voor de Reichshauptbank in Berlijn – worden ondermijnd met graffiti, fallische toevoegingen en cartooneske teksten.
In kunsthistorische zin zou Vito Acconci’s performance Seedbed (1972) hier interessant zijn als een vroege verbeelding van de mannelijke dominantie die ook in de manosfeer terugkeert. Acconci lag verborgen onder een verhoogde galerievloer, masturbeerde terwijl bezoekers boven hem door de ruimte liepen, en liet zijn seksuele fantasieën via speakers door de galerie klinken. Wie zijn uitgesproken fantasieën hoort, ervaart nog steeds hoe beklemmend het werk is. In die zin kan Seedbed worden gelezen tegen de achtergrond van de hedendaagse manosfeercultuur, waarin vrouwen in podcastfragmenten van figuren als Andrew Tate worden gereduceerd tot objecten van mannelijke controle, vernedering of strategie.
De vraag naar de relevantie van een dergelijke tentoonstelling lijkt besloten te liggen in het instituut zelf. In een recensie van Beyond the Manosphere in Art in America formuleerde Eugenie Brinkema deze kritiek scherp: musea proberen mee te bewegen met de aandachtseconomie, maar gebruiken de taal van online actualiteit vooral als lokmiddel. Brinkema’s punt raakt aan een bredere institutionele spanning. Musea zetten actuele begrippen in om relevant te blijven, maar riskeren juist daardoor achter de al te snelle onlinecultuur aan te lopen. De manosfeer is vluchtig, platformgebonden en afhankelijk van algoritmische herhaling; het museum daarentegen presenteert actualiteit in een vorm die structureel vertraagd is, via bruiklenen, collectiestukken en moeizame institutionele procedures. Wanneer een museum een internetterm als uitgangspunt neemt, ontstaat al snel een temporaliteitsprobleem.
Juist de werken die mannelijkheid niet als vaststaand begrip behandelen, maar als iets lichamelijks, zintuiglijks of kwetsbaars, blijven hangen. Violence and Vulgarity (Casual is the New Serious) (2018) van Sands Murray-Wassink opent bijvoorbeeld een ander register, waarin mannelijkheid niet draait om dominantie of controle, maar om emotionaliteit, queer aanwezigheid en het toestaan van ‘sadness as inspiration’. Ook de strakke rij parfumverpakkingen van EMIRHAKIN valt op. Het werk parodieert de opgeblazen namen van parfums en de commerciële belofte dat gender via geur kan worden gedragen en uitgestraald. Het doet denken aan Jeremy Fragrance, de influencer die parfum behandelt als lifestyle en die ook onderdeel is van een manosfeercultuur vol zelfoptimalisering en mannelijke performance.
Afferent Nerves (2023) van P. Staff bestaat uit een geëlektrificeerd net dat een dreigend, knetterend geluid verspreidt. De elektrisch geladen, geel verlichte ruimte werkt gek genoeg beter dan veel van de explicietere verwijzingen naar mannelijkheid. Via geluid, licht, spanning en de suggestie van pijn wordt de bezoeker lichamelijk aangesproken. De titel verwijst naar zenuwbanen die informatie van buitenaf naar de hersenen sturen, zoals aanraking, temperatuur of pijn. De gele ruimte voelt niet alleen geladen maar ook bedreigend, en maakt voelbaar hoe constructies van discipline en geweld het lichaam kunnen binnendringen. Cultivation by Radio-activity in the Electronic Circuit (1968) van Tetsumi Kudo, een dystopisch terrarium met kleine figuren, baadt in hetzelfde licht. Wordt de kwetsbare man met uitsterven bedreigd? Of verschijnt mannelijkheid juist als een elektrisch, giftig en nerveus systeem?
• Beyond the Manosphere. Masculinities Today, tot 2 augustus, Stedelijk Museum, Museumplein 10, Amsterdam.