width and height should be displayed here dynamically

242

Tentoonstellingen

Ook in een cultuur waarin prestaties en ervaringen voortdurend worden geëtaleerd, bestaan kunsttentoonstellingen nog steeds. Onverstoorbaar, zij het niet zonder problemen of conflicten, blijven kunstwerken, oud of nieuw, geëxposeerd worden – aangeboden aan een onkenbaar publiek dat reageert met enthousiasme, onverschilligheid, verontwaardiging of bewondering. In dit zomernummer van De Witte Raaf worden recente tentoonstellingen besproken en historische tentoonstellingen geanalyseerd.

Angela Bartholomew blikt terug op de Gentse kunstzomer van 1986 door aandacht te besteden aan Initiatief d’Amis en Antichambre, twee expo’s die als ‘perifeer’ werden bestempeld naast Chambres d’Amis en Initiatief 86. De Belgische kunst bevond zich op een keerpunt en streefde, op sleeptouw genomen door Jan Hoet, naar (internationale) erkenning. Veel kunstenaars voelden zich uitgesloten en besloten zelf initiatief te nemen. Ook in het S.M.A.K. gaat dit jubileum niet onopgemerkt voorbij: Joris D’hooghe bespreekt de (archief)tentoonstelling waarmee het instituut de zomer van 1986 viert en komt tot de conclusie dat deze ‘terugkeer naar het museum’ de kritische inzet van toen neutraliseert. Het verleden van het S.M.A.K. mag dan als glorieus worden beschouwd, de toekomst van het instituut is onzekerder dan ooit, zowel op infrastructureel, organisatorisch als inhoudelijk vlak.

Nathalie Zonnenberg schrijft over een terugkerende tentoonstelling in Nederland die crisis in het DNA lijkt te dragen: Sonsbeek in Arnhem. Na een omstreden editie in 2020 is Sonsbeek dit jaar aan de dertiende editie toe, maar de vraag blijft wat het oogmerk van deze openluchttentoonstelling is, en welk publiek ze precies wil bereiken. Ine Engels wijdt een bijdrage aan artistieke uitwisselingen tussen België en Argentinië midden jaren zeventig, met David Lamelas en Jef Geys als kritische outcasts. Hoe kunnen tentoonstellingen van buitenlandse kunstenaars een lokale scene beïnvloeden? En wat kunnen, omgekeerd, Belgen in het buitenland betekenen?

Vier besprekingen gaan over de kunstzomer van 2026. Pieter T’Jonck stelt vast dat performance op de Biënnale van Venetië aanwezig is in verschillende landenpaviljoens, zij het met wisselende gevolgen. Arnold Witte bespreekt de aanwezigheid van het Vaticaan in Venetië, en ziet hoe Kerk en Kunst elkaar recentelijk weer naderbij zijn gekomen. Camiel van Winkel schrijft over een dubbeltentoonstelling van Arthur Jafa en Richard Prince in de Fondazione Prada – een uitgelezen kans om verschillende vormen van appropriatie te vergelijken. En Paul Willemsen grijpt twee expo’s van Peter Hujar aan om de relatie tussen fotografie en sterfelijkheid te belichten.

Het nummer eindigt met een in memoriam voor Frank Vande Veire, die net voor de zomer overleed. In 1992 debuteerde een van de meest literaire van alle Vlaamse filosofen in De Witte Raaf, met een artikel over de documenta in Kassel, het ultieme voorbeeld van het ‘rendez-vous met de kunst’. Elke tentoonstelling is een ‘plebejische heksenketel’, aldus Vande Veire, waarin desondanks – of net daarom – kunst ‘het wezen van de moderne tijd’ probeert bloot te leggen.

Christophe Van Gerrewey