width and height should be displayed here dynamically

De Tranen van Eros. Moesman, surrealisme en de seksen

Frankrijk 1924: het land herstelt van de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog. Staat en kerk propageren gezin, vaderland en geloof als hoekstenen van de maatschappij, en in de kunst vindt een retour à l’ordre plaats. Een groep jonge surrealisten verzet zich tegen het verstikkende conformisme van het interbellum. Lust en erotiek openlijk vieren – dat zetten ze in als middel om de gevestigde normen te ondermijnen. De surrealisten putten uit datgene wat zich volgens Freud in het onbewuste bevindt: verlangens, (donkere) gedachten en angst. Dromen en erotiek kunnen de geest bevrijden.

Protagonist van De Tranen van Eros. Moesman, surrealisme en de seksen in het Centraal Museum is de Utrechtse kunstenaar Joop Moesman (1909-1988), de enige officieel erkende surrealist van Nederland. In het calvinistische (kunst)klimaat van de jaren dertig slaat het surrealisme niet echt aan. Behalve in Utrecht, waar een kleine groep kunstenaars het surrealisme ontdekt via de buitenlandse tijdschriften die Willem Wagenaar verkoopt in zijn kunst- en boekhandel. Moesman was meteen gegrepen. Onder het mom van de surrealistische verbeelding kon hij zich op doek uitleven in seks, fetisjisme en taboes. De tentoonstelling, gecureerd door Nina Folkersma, plaatst zijn oeuvre in een internationale context: bijna 250 werken van 54 kunstenaars illustreren de diversiteit van het surrealisme. En wel met een gemene deler: eros.

Het openingswerk is de video-installatie A man and a woman make love van Gerard Byrne, acht jaar geleden te zien op Documenta, waarin de eerste bijeenkomst van Recherches sur la sexualité (1928) wordt nagespeeld. In dit befaamde ‘onderzoek’ naar erotiek en seksualiteit spraken surrealisten onder leiding van André Breton openhartig over hun seksuele ervaringen, maar behoudend ten opzichte van homoseksualiteit en de beleving van de vrouw. De toon van de tentoonstelling is gezet.

Op een naakt mannelijk onderlichaam – twee benen en geslachtsdelen – met naar boven krullend schaamhaar balanceert een schelp waarop een zwarte, geopende paraplu rust. Aangekomene (1933) is het enige werk van Moesman met mannelijk naakt – liever wijdde hij zich aan het schilderen van de vrouw. Of beter gezegd: van geseksualiseerde vrouwenlichamen. Het schilderij werd in 1934 geweigerd voor een groepstentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam. Namiddag (1932) toont twee elkaar consumerende hompen lichaam met aan de rechterzijde een vreemd, verontrustend en op zijn minst confronterend bruin rolletje. Ook dit schilderij werd voor een tentoonstelling in het Stedelijk geweigerd, hetgeen Moesman niet belette meer lege vlaktes te schilderen waarin enkel lichamen figureren.

De prachtige vormgeving van Afaina de Jong verdeelt de tentoonstelling in vier zones met heldere kleuren, gebaseerd op Moesmans kleurenpalet. Door ronde uitsparingen in de wanden zien we werk van Magritte (een rondborstige en -buikige dame met één oog, één oor, een mond en twee neuzen), Dalí (een grot-berg met nachtmerrieachtige koppen) en Ernst (een bidsprinkhaan). Om het hoekje prijkt een schitterende mierenvrouw met lange nek van Labisse. De invloed van de groten – hun aanwezigheid op deze tentoonstelling onthult Moesmans epigonisme – en dan van Dalí in het bijzonder, is overduidelijk in werk als Portret van Gabriël Smit (1931): in een weids landschap zweeft een hoofd met muggen-wenkbrauwen en op het water drijvende ogen waarnaast een slap anker hangt.

Het surrealisme was op zijn minst paradoxaal. De surrealisten ageerden tegen de conventies van de samenleving, maar minder revolutionair waren ze ten aanzien van de verhoudingen tussen man en vrouw. De vrouw was vooral een fetisj. De tweede zaal, in lichtgroen en gewijd aan deze surrealistische obsessie, toont de male gaze. Een poupée van Hans Bellmer bungelt aan de muur, met daarachter brute vrouw-impressies van Duchamp. Opvallend is dat op de helft van de Moesman-doeken in deze zaal de vrouw ontbreekt. Ook de sieraden van Meret Oppenheim lijken in deze context verdwaald, en Lee Millers macabere kritiek op de objectivering van de vrouw – een foto van twee afgehakte borsten op een bord –hoort eerder in de volgende zaal thuis.

De tentoonstelling wordt onderbroken door een intermezzo met hedendaags ‘surrealistisch’ werk: Paul Kooikers zwart-wit fotoserie met negentien dalíaanse ezels en een zwart gesluierde vrouw, en Vivianne Sassens kleurrijke cadavre-exquiscollage.
 Dat ook het surrealisme niet enkel een ‘mannenzaak’ was, laat het Centraal Museum zien in de tweede helft van De Tranen van Eros. Voor het eerst in Nederland wordt surrealistisch werk van vrouwelijke en gender non-conforme kunstenaars getoond, waaronder Claude Cahun, Leonora Carrington, Leonor Fini en Dorothea Tanning: een zaal propvol fantastisch en soms ook minder spectaculair werk. We springen kriskras door de tijd: klassiekers als Man Rays portret van de vrouwelijke Duchamp – Portrait de Rrose Sélavy (1921), ‘Eros, c’est la vie’ – en verderop Claude Cahuns iconische zelfportret I am in training, don’t kiss me (1927) worden afgewisseld met uitstekend hedendaags werk zoals Sarah Lucas’ Titti Doris (2017), een uit panty’s vervaardigd kluwen van borsten boven spillebenen op een stoel, en Wearings waanzinnig reële Kiss of Life (2017), twee levensgrote vrouwenhoofden die op het punt staan elkaar te kussen. Verrassend zijn de sprookjesachtige schilderijen van de Belgische kunstenaar Sanam Khatibi, die zowel idyllisch als schrikwekkend zijn.

De laatste zaal is gewijd aan de invloed van Markies de Sade. Hier, tegen poederroze wanden, is Moesman op zijn plaats. Het sadomasochisme staat hem goed: een vrouw met rubberen masker en verder niets dan handschoenen die tot aan de ellebogen reiken, met haar linkerborst op de ronde tafel. Voor haar een tafelmes, achter haar twee mannen versteend in een gevecht. Avonduur (1962) resoneert met William Seabrooks foto van een gemaskerde en met kettingen omwonden vrouw. Sommige werken, zoals HMS Cockshitter (1997) van Dinos en Jake Chapman, een sculptuur met hoofden die uit onverwachte lichaamsopeningen komen, zijn zo extreem dat het moeilijk is om te blijven kijken. Nog een schilderij van Moesman volgt, waarna de tentoonstelling ten overvloede eindigt met Dream Journal van Jon Rafman, speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt: in een verontrustende video-installatie worden volgens het procedé van de écriture automatique de dromen van de kunstenaar door een anonieme videoanimator omgezet in computerbeeld.

Het Centraal Museum slaagt in het neerzetten van een kritische en inclusieve tentoonstelling, al raken de vele rode draden – Moesman, internationale mannelijke tijdgenoten, emancipatoire vrouwelijke tegenpolen, en een schare aan hedendaagse kunstenaars – wat in elkaar verstrikt. Het maakt van De Tranen van Eros een wervelende tentoonstelling die je met enige verwarring achterlaat en waarin Moesman toch vooral als kapstok fungeert.

 

• De Tranen van Eros. Moesman, surrealisme en de seksen, tot 16 augustus in Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht.