Erwin Olaf. Freedom

De perspreview in het Stedelijk Museum voor deze overzichtstentoonstelling van de Nederlandse fotograaf Erwin Olaf (1959-2023) opende in een wat ongemakkelijke sfeer. Shirley den Hartog, de studiomanager van Olaf, merkte op dat het Stedelijk – in tegenstelling tot het Rijksmuseum – lang een koele minnaar was van zijn werk, met als excuus dat fotografie niet tot de kerntaken van de instelling behoort. De retrospectieve moet dat corrigeren door de blijvende betekenis van het werk te tonen.
Olaf was inderdaad ook actief als reportage-, portret- en reclamefotograaf. In al die hoedanigheden droeg hij niet weinig bij aan de maatschappelijke zichtbaarheid en acceptatie van de lgbtq-gemeenschap in Amsterdam. Vele modellen die opduiken in zijn studiowerk leerde hij kennen door zijn uitbundige deelname aan het queer nightlife. Freedom opent met de vroegste reportages van Olaf over homoseksualiteit in de Nederlandse samenleving. Dat documentaire aspect komt vaker terug, bijvoorbeeld in de portretten van feestgangers of in reportages over sm voor Vrij Nederland. Olaf speelde een voortrekkersrol: hij was ‘inclusief’ op een moment dat het woord nog niet op ieders lippen lag. Hij haalde niet enkel perfecte (mannen)lichamen voor zijn camera, maar ook mensen met overgewicht, dwerggroei of het syndroom van Down. Hij schuwde evenmin naaktportretten van oudere mensen in kwetsbare posities, zoals Cindy C., een oudere vrouw op een hometrainer uit de reeks Mature (1999). Hij toonde seksualiteit in alle vormen en liet zien hoe relatief gender is. Vandaar dat curator Charl Landvreugd deze tentoonstelling de titel Freedom meegaf.
Die vlag dekt de lading maar half. Een aanzienlijk deel van het oeuvre gaat minder over de vrijheid om te zijn wie je wil zijn dan over de kwetsbaarheid van het leven. Olafs zwakke gezondheid – hij leed vanaf de jaren negentig aan longemfyseem – is daar wellicht niet vreemd aan, maar hij was ook gevoelig voor de maatschappelijke kwetsbaarheid van al wie buiten de norm valt. Aangrijpend is de naaktfoto van Martin Schenk: ondanks een brede glimlach zijn het vooral de sporen van het Kaposisarcoom over zijn hele lichaam die de aandacht trekken. Olaf maakte de foto in 1995 voor een campagne voor safe sex.
De werkelijke reden waarom dit oeuvre vandaag blijft verbazen, heeft minstens evenveel te maken met de visuele intelligentie ervan als met de thematiek. Olaf moet er zich al vroeg rekenschap van hebben gegeven dat in elk beeld(genre) de geschiedenis ervan resoneert. Hij zette duidelijk in op die gelaagdheid en verruilde de reportagefotografie, de straat, voor de studio, waar hij diepgaand contact kon leggen met modellen. Het verklaart de intensiteit van veel van zijn portretten.
Vaak alluderen ze onmiskenbaar op werk van Rembrandt, Vermeer of Frans Hals, en een enkele keer op de Franse academische schilderkunst van de vroege negentiende eeuw. De geportretteerden blijken de beeldformule duidelijk te begrijpen en geven er een gechargeerde, theatrale invulling aan: ze genieten van de verkleedpartij en van het feit dat ze klaarblijkelijk, op opzichtige hoeden of voiles na, naakt zijn. Terwijl het klassieke portret, van de zeventiende tot de negentiende eeuw, het deed voorkomen alsof de schilder zijn onderwerp ‘ontblootte’, zijn het hier de geportretteerden die spelen met de vraag van de kijker hoe ‘bloot’ ze zich tonen. Olaf maakte gedurende zijn hele carrière ook talloze zelfportretten. Boeiend is hoe een serie als Chessmen (1988) geblinddoekte figuren in scabreuze posities verbeeldt, op dezelfde vrijmoedige manier als Pornokratès van Félicien Rops. Echt snijdend zijn de representaties van blinde, zwarte lichamen in een rococodecor (Blacks, 1990), die pas bij nader toezien onthullen hoe alle kransen wapens zijn om die zwarte lijven in te perken.
Olaf zette zijn studio steeds vaker bijna obsessief naar zijn hand. Voor de serie Grief uit 2007 reconstrueerde hij interieurs die uit de Amerikaanse jaren zestig lijken te stammen. In dat decor fotografeerde hij vooral vrouwen die, ondanks hun welstand, geplaagd lijken door een allesverterend verdriet. Zoals wel vaker sprak hij zich zo indirect uit tegen wat hij zag als een wereld die (opnieuw) bedreigd werd door domheid en onverdraagzaamheid, bijvoorbeeld na 9/11 of na de aanslagen in Parijs in 2016. In zijn studio onderzocht Olaf ook alle technische mogelijkheden van fotografie als medium. Hij experimenteerde al snel met digitale beeldmanipulatie of bewerkte klassieke negatieven door ze in de vlammen te houden.
Op deze tentoonstelling wordt gaandeweg duidelijk dat Olaf niet alleen naar historische voorbeelden keek, maar ook veel opstak van Robert Mapplethorpe of Richard Avedon. Choreograaf en fotograaf Hans Van Manen was daarbij zijn gids. Zijn indrukwekkendste werk maakte Olaf echter aan het einde van zijn leven. Hij verliet de studio voor reizen naar Berlijn, Shanghai en Palm Springs, en later naar Beieren. De haarscherpe, sterk geënsceneerde beelden die hij daar maakte, zijn verwant aan het werk van Jeff Wall, door de subtiele suggestie van verhalen en maatschappelijk commentaar. Olafs zelfportretten evolueerden in die periode tot een intense reflectie op zijn eigen einde. Treffend is American Dream. Self-Portrait with Alex I uit de reeks Palm Springs (2018). Op blote voeten, met een glas champagne in de hand, kijkt hij naar een jonge man in een zwembad. Het beeld alludeert op A Bigger Splash (1967) van David Hockney, maar met een diep melancholische ondertoon. Ronduit briljant is de reeks Im Wald (2020). Enkele van die haarscherpe zwart-witbeelden variëren op Der Wanderer über dem Nebelmeer (1818) van Caspar David Friedrich. Eén keer heeft de nevel de volledige achtergrond van het beeld verdoezeld, alsof alle ‘verte’ – toekomst – weg is. In een ander beeld is de ‘verte’ juist afwezig omdat een rotswand het uitzicht blokkeert. Alleen al voor die late beeldreeksen is Freedom een bezoek waard, ondanks de wat misleidende titel en de nogal voorspelbare chronologische opzet, die weinig ingaat op de technische bravoure, de historische gelaagdheid en de ontstaansgeschiedenis van deze werken.
• Erwin Olaf. Freedom, tot 1 maart, Stedelijk Museum, Museumplein 10, Amsterdam.





