width and height should be displayed here dynamically

Kunstenaarsboeken (17): Architectenboeken (2)

In het vorige nummer kwamen meer conceptuele en artistieke uitgangspunten in architectuurmonografieën aan bod, zoals misleiding (Arno Brandlhuber), mislukking (François Roche) of verveling (Jan De Vylder & Inge Vinck). In dit nummer worden boeken besproken – van de Japanner Ryue Nishizawa, de Zwitserse bureaus Atelier Scheidegger Keller en Christ & Gantenbein en het Belgische Atelier d’Architecture Pierre Hebbelinck – waarin vooral de Gestalt een cruciale rol speelt.

 

Ryue Nishizawa, Studies by the Office of Ryue Nishizawa, Tokyo, INAX Publishing, 2009 (nummer 4 van Contemporary Architect’s Concept Series), 108 pp., 21 x 15 cm, 185 ills., Japans-Engels, softcover met flappen, oplage onbekend.

Studies, door Ryue Nishizawa (1966) in eigen regie samengesteld, kan worden beschouwd als het eerste werkoverzicht van zijn bureau, dat in 1997 werd opgericht. Nadat hij afstudeerde, werkte Nishizawa vijf jaar samen met Kazuyo Sejima (1956). Met haar richtte hij in 1995 SANAA op, een bureau dat aan het begin van het millennium bekend werd na het winnen van een aantal prestigieuze wedstrijden, zoals voor het theater en expositiecentrum Kunstlinie in Almere (1998-2007), het 21st Century Museum of Contemporary Art in Kanazawa (1999-2004), het New Museum in New York (2002-2007), het Rolex Learning Centre in Lausanne (2005-2010) of de dependance van het Louvre in Lens (2005-2012).

De monografie Studies maakt deel uit van een reeks paperbacks over jonge Japanse architecten (zoals Jun Sato, Kumiko Inui, Atelier Bow-Wow, Akihisa Hirata en Jo Nagasaka) en oogt binnen die serie opvallend intiem. In het boek komt het ontwerpproces aan bod van een dertiental projecten, waaronder twee woningen in Tokyo, het veelgeprezen Moriyama House (2002-2005), en House A (2004-2006), ontworpen voor Sejima, maar ook het spectaculair leeg ogende Teshima Art Museum (2004-2010, i.s.m. Rei Naito) op het gelijknamige eiland.

De atmosfeer van het boek berust in zekere zin op twee aspecten: enerzijds de grote hoeveelheid beeldmateriaal (schetsen, doodles, collages, geannoteerde plannen, onvoltooide maquettes en mock-ups, intuïtief en ietwat rommelig op de bladspiegel geplaatst) en anderzijds, als oorzaak daarvan, de afwezigheid van een externe vormgever. Het beeldmateriaal is grotendeels ‘facsimile’ en als patchwork weergegeven – verfrommeld, gescheurd of overlappend. Hoewel een aantal projecten al gebouwd waren, zijn er nauwelijks architectuurfoto’s opgenomen. In zijn korte inleiding verwijst Nishizawa naar de ‘rauwe charme’ van het schetsmateriaal: ‘Ik hou natuurlijk ook van voltooide gebouwen, maar om de een ​​of andere reden voel ik me al lange tijd aangetrokken tot studies. […] Gebouwen zijn voltooid, statisch, bewegingsloos, terwijl studies altijd onvoltooid, vloeiend zijn. Daarin schuilt een dynamiek, alsof ze het moment van architectonische creatie vastleggen. […] ’s Ochtends opstaan, naar kantoor gaan, moeizaam zuchten en nadenken en dan ineens beseffen dat de avond valt, en dan pas realiseer ik me dat ik lange tijd volledig opga in mijn studies. Deze ervaringen roepen een mysterieus gevoel op van uitputting én voldoening.’

Studies is vooral een kritische, aftastende zelfbeschouwing, die reeds één jaar later, in 2010, met Detail Book ‘geoptimaliseerd’ werd – gepubliceerd bij een andere uitgever, in een dubbel zo groot A4-formaat, kleurrijker geïllustreerd, met uitgebreidere bijschriften en bovenal met talloze architectuurfoto’s. Omdat dit boek eigenlijk dezelfde projecten herhaalde, bleek het minder een voortzetting dan een ‘correctie’. Het bijzondere aan Studies is echter dat de publicatie zelf als dertiende project werd geclassificeerd. Op de laatste zes bladzijden zijn kleine schetsen van alle 48 dubbelpagina’s in de ontwerpfase afgebeeld.

 

Jürg Keller & Christian Scheidegger [Atelier Scheidegger Keller], Workbook, Luzern, Quart Verlag, 2023, 260 pp., 33 x 24 cm, 454 ills., Duits-Engels, softcover (geniet), 2000 ex.

Net als bij Nishizawa-san wijst de Engelse titel van het eerste overzicht van het werk van Atelier Scheidegger Keller, Workbook, op een bewust pretentieloze en pragmatische aanpak. De Zwitserse architecten Jürg Keller (1976) en Christian Scheidegger (1977) richtten in 2012 een bureau op nadat ze samen aan de ETH Zürich hadden gestudeerd en enkele jaren voor Christian Kerez werkten. Hun boek documenteert achttien projecten die tussen 2009 en 2022 zijn ontstaan, waaronder vier realisaties: Haus mit zwei Stützen (2009-2014, een vakantiehuis aan het meertje van Sarnen), Haus am Hang (2010-2017, een woonhuis op een berghelling in Ticino), Häuser mit Kammern und Wegen (2011-2018, twee woongebouwen van drie verdiepingen en telkens vier woningen in Bern), en Haus mit Loggien und Hallen (2014-2020, een woonhuis voor 130 studenten, 150 meter lang, in Zürich-Wipkingen).

De publicatie op groot formaat met een opvallend effen roze omslag voelt verleidelijk soepel aan. Het omslagpapier wordt in het midden van het boek herhaald, waardoor het boekblok, gedrukt op dun, wit papier van 60 gram als op een dubbele sandwich ligt. Op de aparte ‘binnenomslag’ zijn in twee talen en in grote letters korte statements van de architecten afgedrukt over ruimte, chaos, constructie, details en natuur. Bijvoorbeeld: ‘Chaos is ook een vorm van logica. Diverse eenheid in plaats van simplistische diversiteit. Alleen het idee definieert de taak. Details bestaan ​​niet, alleen delen van de ruimte.’

Het gedurfde en tegelijkertijd subtiele grafische ontwerp van Elektrosmog (Marco Walser) kent zijn gelijke in de uitstekende verzameling beeld en tekst. Naast gangbare illustraties (plattegronden, schetsen, maquettes, constructie- en detailtekeningen, kaarten, foto’s) zijn er ook diagrammen, werkplaatstekeningen, duurzaamheidsberekeningen, bouwvergunningen, werffoto’s, leveranciersplannen, reclameadvertenties en opnames met een camera obscura opgenomen. Alle projecten worden ingeleid met een aangenaam groot gezette tekst, gevolgd door illustraties en tekeningen, evenwichtig en ruim geplaatst, vaak naast eerder gepubliceerde teksten, tegen een grijze achtergrond. Opmerkelijk: ook worden een paar mails gereproduceerd van boze, teleurgestelde en zeurende buren die zich genoodzaakt voelden hun mening over de architectuur van Atelier Scheidegger Keller te uiten.

Alle afbeeldingen en tekstdocumenten zijn van een ietwat cryptische code voorzien die verwijst naar achtereenvolgens projectnummer, representatiemedium, plansoort, gebouwniveau, schaal, datum, afbeeldingsnummer, initialen van de auteur en schaalfactor –zoals: 0900_PL_GR_E00_M050_130717_001_ASK_75%. Hoewel deze codes wellicht enkel in het kantoor van de architecten een functie vervullen, dragen ​​ze bij aan de sfeer van het boek – zoals bij een postordercatalogus – en belichamen ze mee het elegante pragmatisme van Atelier Scheidegger Keller.

 

Emanuel Christ, Christoph Gantenbein, Christ & Gantenbein. Projects I-III, Keulen, Verlag der Buchhandlung Walther und Franz König, 2024, 3 vols, totaal 640 pp., elk 32 x 24 cm, ca. 2500 ills., Engels, hardcover, oplage onbekend.

Vergeleken met hun collega’s uit Zürich is de driedelige monografie van Christ & Gantenbein in vele opzichten een antipode: zwaar, gebonden in zwart linnen met stofomslagen (telkens geïllustreerd met een zwart-witafbeelding van een studiemaquette, discreet op de vloer), zonder tekst op de cover en met alleen de naamsvermeldingen op de rug. Kortom: een boek dat degelijk, zelfverzekerd en aards overkomt. De drie delen verschenen naar aanleiding van het 25-jarige bestaan van het Zwitserse bureau, dat in 1998 door Emanuel Christ (1970) en Christoph Gantenbein (1971) opgericht werd en dat vandaag in Bazel gevestigd is. De inhoudstafel is indrukwekkend. De delen vatten drie periodes samen: 1998-2010, 2010-2018 en 2018-2023. Min of meer chronologisch worden op 640 pagina’s 170 projecten – van een tuinveranda in Bottmingen (1999) tot de sociale woningbouw Vaugirard in Parijs (2023) – gedocumenteerd door middel van 1800 afbeeldingen, 700 plannen en 45 teksten, door de architecten zelf geschreven of door collega’s en critici als Markus Breitschmid, Kersten Geers, Stefano Graziani, Éric Lapierre, Mark Lee, Martin Steinmann, Philip Ursprung of Ellis Woodman. In een eerder gepubliceerd artikel van Alexandre Labasse, hernomen in deel 1, merkt deze Franse architect terecht iets op dat ook van toepassing lijkt te zijn op deze boekenreeks: ‘Deze architecten treden in de voetsporen van hun Zwitsers-Duitse voorgangers en geven er de voorkeur aan zich te concentreren op onderzoek en constructie, de onlosmakelijke elementen van een ‘supernormale’ architectuur, die de perfectie van het beste bepleit, in plaats van de uitvinding van het nieuwe.’ Deze monografie lijkt op het eerste gezicht inderdaad supernormaal. Maar wat is er dan bijzonder aan?

Grafisch vormgever Ronnie Fueglister liet zich inspireren door een contactvel met de afbeeldingen in omgekeerde chronologische volgorde: van het voltooide gebouw tot de allereerste schets. Alles in de drie boeken is stringent ondergeschikt aan een vastgelegd mozaïekrooster. Per pagina kunnen maximaal zes afbeeldingen geplaatst worden, met aan de bovenkant van de bladzijde de projecttitels (gecentreerd) en aan de onderkant de bijschriften (in twee brede kolommen). Aan het eind van elk deel volgen een paar auteursteksten, een index met alle projectdata en de back matter met onder andere bio- en bibliografieën. Je kan deze aanpak ‘helder’ noemen, maar ik vond hem saai – althans op het eerste gezicht.

Ik had deze publicaties in meerdere winkels herhaaldelijk ter hand genomen zonder ze te kopen. Ik vond ze eentonig, flauw, zonder pit, terwijl ik de architectuur van Christ & Gantenbein door de grote diversiteit aan typologieën, dimensies en contexten zeker als avontuurlijk beschouwde. Het leek wel een PowerPointpresentatie van een halfuur met 150 slides, alsof de samenstellers het niet eens konden worden over een selectie en uiteindelijk besloten om alles te tonen. Maar eerste indrukken kunnen misleidend zijn en soms kost het tijd om iets te leren waarderen. Ik begreep plots die zogenaamde monotonie en herhaling, die te verbinden is met de artistieke praktijk van On Kawara (zie De Witte Raaf, nr. 240), de boekenreeks Atlas van Gerhard Richter of de door Michel Gondry geregisseerde videoclip ‘Star Guitar’ van de Chemical Brothers, om maar een paar voorbeelden te noemen.

 

Atelier d’Architecture Pierre Hebbelinck – Pierre Hebbelinck & Pierre de Wit Architects, Méthodes (red. Cédric Libert), Brussel, Wallonie-Bruxelles International, 2008, 360 pp., 22,6 x 15 cm, softcover, 150 ex. (herdruk 2008, 1500 ex.)

Zoals de Belgische architect Pierre Hebbelinck (1956) in een korte mailuitwisseling opmerkte, werd Méthodes nooit als een ‘echt’ boek bedacht, maar als onderdeel en artefact van de tentoonstelling Méthodologie du sensible die in 2008 in de Galerie d’Architecture in Parijs te zien was, en het jaar daarop aan de Architectural Association in Londen, Bozar in Brussel en Galerie Blanche in Corbu’s Unité in Briey-en-Forêt. Het uitgangspunt van de expositie was een vraag: hoe kan je architectuur tentoonstellen? Als een synthese van een gereconstrueerd parcours of als een momentopname van een voortdurende, speculatieve reflectie?

Als inkijkexemplaar en scenografisch element beschouwde Hebbelinck Méthodes als een ‘non-livre’. Vervaardigd in slechts enkele, individueel samengestelde exemplaren, diende het als oriëntatie en als ijkpunt om alle andere tentoongestelde voorwerpen en projecten in een bredere context en binnen een ruimere methodologie te plaatsen. Omdat de dummy veel aandacht van potentiële kopers trok, werd onder redactie van Cédric Libert en in een vormgeving van Manuela Dechamps Otamendi een oplage van 150 exemplaren gepubliceerd. Na drie boekprijzen en de toegenomen vraag werden nogmaals 1500 exemplaren gedrukt.

Inhoudelijk is Méthodes een hybride van tentoonstellingscatalogus, schetsboek, checklist, memoires en logboek, wat perfect tot uiting komt in de inhoudstafel die op het omslag staat. In alfabetische volgorde worden 27 hoofdstukken genoemd, waaronder ‘Atelier’, ‘Couleurs’, ‘Échantillons & Prototypes’, ‘Matériauthèque’ en ‘Plasticiens’. Luis Burriel Bielza vergeleek in een recensie in 2024 in het Franse tijdschrift AMC de hoeveelheid hoofdstukken terecht met ‘27 instrumenten, 27 reflectiekaders, 27 protocollen, 27 registers voor het lezen van een werk dat het bestaande en de toekomst, het menselijke en het niet-menselijke, op gelijke voet plaatst’. De lezer maakt niet alleen kennis met verschillende stadia en representatievormen van Hebbelincks architectuur – zoals in de hoofdstukken ‘Axonométries’, ‘Chantiers’, ‘Esquisses Bleues’, ‘Plans d’exécution’ of ‘Maquettes’ – maar ook met randverschijnselen, alledaagse activiteiten en ruimere artistieke interesses. Zo documenteert bijvoorbeeld ‘Fenêtres de Pluie’ efemere natuurverschijnselen aan de hand van acht sfeervolle foto’s, gemaakt met een wegwerpcamera tijdens een reis naar Italië. In ‘Littérature’ worden op acht bladzijden zestien boekomslagen van onder anderen Flaubert, Neruda en Pessoa gereproduceerd, met daartussen een klein ingebonden booklet met telkens een ingescande pagina met de aantekeningen van de architect. Foto’s uit de periode 1992-2008, in het hoofdstuk ‘Tables’, tonen 72 tafelbladen met etensresten systematisch in bovenaanzicht, in de stijl van Fluxus-kunstenaar Daniel Spoerri, ontstaan na uiteenlopende bijeenkomsten.

Het Franstalige boek Méthodes – met inventarisnummer 304 van het bureau – kreeg een jaar later naar aanleiding van de tentoonstelling aan de AA een Engelstalig vervolg, 311 Methods. De grafische stijl is vergelijkbaar, maar het boek is minder omvangrijk en heeft een andere inhoud: het vat tien projecten op een rijk geïllustreerde manier samen, met als laatste de productie van Méthodes. Zo kreeg, net als Studies van Nishizawa, het boek ook hier een aparte status binnen het oeuvre van de architect.