Nicola L. Toen de aarde de andere kant op draaide
De tentoonstelling in M HKA van de Franse Nicola L., pseudoniem van Nicole Leuthe (1932-2018), bestaat uit twee delen: het beeldende, performatieve werk, naast werk met een zekere gebruiksfunctie. Het is een onderscheid dat de kunstenaar zelf niet maakte, waardoor het wat artificieel overkomt. Aan de ingang worden beide delen gescheiden door Red Coat (1969), dat als object maar ten volle betekenis krijgt als het ‘gebruikt’ wordt. Het is een groot zeil van rood vinyl met elf uitstulpingen dat door elf mensen gedragen kan worden als een collectieve jas. Onder het motto ‘One skin for all’ paradeerde Nicola L. ermee op het Isle of Wight Festival in 1970, samen met de band van de toen verbannen Brazilianen Gilberto Gil en Caetano Veloso.
Het werk doet denken aan Divisor (1968) van Lygia Pape; een gigantisch wit doek, met openingen voor de hoofden van talloze mensen, dat tijdens optochten gedragen wordt. Het verschil is dat de uitstulpingen van Red Coat een tweede huid vormen, zodat de ‘bewoners’ hun individualiteit verliezen. In dat opzicht is het werk een verruimtelijking van de reeks Pénétrables, een term bedacht door Pierre Restany: doeken met zakken erop genaaid in de vorm van hoofden en ledematen die uit het canvas puilen en die Nicola L. maakte vanaf 1964. In het M HKA hangen er een twintigtal, meestal op mensenmaat, in allerlei materialen en kleuren, soms met opschriften.
Nicola L. zette deze Pénétrables in tijdens performances, al dan niet in de publieke ruimte, zoals met een groep naakte mannen die ze in 1970 naar de Brusselse metro leidde. De performances kwamen voort uit haar desillusie over de (abstracte) schilderkunst waarvoor ze was opgeleid aan de Beaux-Arts in Parijs. Een ontmoeting met de Argentijnse kunstenaar Alberto Greco overtuigde haar ervan dat het anders moest. De pénétrables waren een uitweg: ze maakte kunst, voorbij het opgelegde kader, letterlijk ontvankelijk voor het leven.
Het thema van een tweede huid duikt ook op in The Pink Cylinder (1966-1967), een installatie voor een optreden in La MaMa Experimental Theatre Club in New York. In een cilinder van rozige, halftransparante kunststof (alweer met uitstulpingen) trad Nicola L. naakt op. Minstens even opmerkelijk is La Chambre en fourrure (1969-1970), een kamer met wanden en een vloer van grijs-paars nepbont, voorzien van hobbezakken met ritssluitingen. In de galerie Alexandra Monett in Brussel konden bezoekers het object vrijelijk uitproberen.
Net als in het latere The Dominatrix (2000) of in Nine Femmes Fatales in a Black Coat (1995-1996), zit in deze werken een zweem van bdsm, al was het maar door materialen als vinyl en bont. Toch lijkt dat eerder incidenteel, want even vaak grijpt de kunstenaar naar stoffen als ruw, beschilderd linnen en voegt ze er opschriften (‘Sun’, ‘Fire’, ‘Forest’) of uitroepen (‘We want to breathe’, ‘We don’t want war’) aan toe die een gevoel van verbondenheid met de aarde of een politiek engagement uitdrukken. De gemene deler is dat deze werken altijd ongemakkelijk en wat stuntelig zijn, als een soort alternatieve lichamen die nooit helemaal passen.
Een dubbele reeks tekeningen, opgevat als stripverhaal en opgehangen achter de wand met Red Coat, geeft meer inzicht in de denk- en leefwereld van Nicola L. Grafisch zijn ze simpel, zelfs naïef. Zowel Histoire morale des hommes pieds et des femmes mains et de leur rencontre avec les femmes fesses et les hommes escargots (1970) als Quand la Terre tournait dans l’autre sens (1974), waaraan de titel van de tentoonstelling is ontleend, zijn fantasyverhalen over alternatieve levensvormen en -wijzen. De figuren leven in een sfeer van utopische, spirituele erotiek die onder druk komt te staan door kwaadwillende mensen of dreigende natuurrampen. De symboliek van voeten, handen, reuzen, reuzenhoofden en slakken leent zich niet tot eenduidige interpretatie – het zijn geen eenvoudige fabels – maar de drang naar seksuele en morele bevrijding van die tijd, met onmiskenbaar een surrealistisch randje, wordt wel eigenzinnig verbeeld.
Een tafel vol publicaties en een video over JE/NOUS, de tentoonstelling van Harald Szeemann in 1975 in het Museum van Elsene waar Nicola L. aan deelnam, laat zien dat ze toen, maar ook na haar verhuizing naar New York, behoorde tot de inner circle van de avant-garde. Toch kwam ze nooit op het voorplan en de tentoonstelling in Antwerpen zwijgt daarover. Kwam het omdat ze een vrouw was, omdat haar werk te eigenzinnig was, te veel media bespeelde, zich te vaak herhaalde of vormelijk en inhoudelijk minder sterk was dan dat van tijdgenoten?
Wel is duidelijk dat de beperkte selectie grafiek en schilderwerk niet altijd overtuigt. De ‘feministische’ werken in de dubbele reeks Femmes fatales (1995 en 2006) doen wat pamflettair aan, als aanklacht tegen het psychologische en lichamelijke geweld dat (beroemde) vrouwen ondergingen. Sterker zijn de grafische beelden van uit elkaar vallende lichamen, die wijzen op een donkere, zelfs sinistere rand in de verbeelding van de kunstenaar. Uit die werken, evenals uit het deels documentaire filmwerk dat Nicola L. vanaf het eind van de jaren zeventig maakte (en dat slechts zijdelings aanwezig is), blijkt wel haar sterke engagement voor een wereld zonder onderscheid tussen kleur en gender, en een oprechte bekommernis over de natuur. Daarin was ze zeker een voorloper.
Bijzonder, ongewoon, maar consequent is Nicola L.’s voorliefde voor meubelstukken. Ze produceerde ze in kleine series en verkocht ze via galeries. Ook daarvan zijn er tientallen te zien. Ze kregen antropomorfe vormen zoals een voet (White Foot, 1968), een vrouwenlichaam (Orange Femme Commode, 1969), een hoofd (Green Head Sofa, 1996), een oog (Blue Eye Lamp, 1969) of lippen (Red Lip Lamp, 1969). Het was haar manier om kunst en leven te verbinden, vaak met een duidelijk kritische ondertoon. ‘Femme commode’ betekent ‘vrouw-kast’ maar ook ‘slet’. De laatjes aan borsten, buik en geslacht openmaken wordt zo een dubbelzinnige daad. Nieuw was dat niet. Op nagenoeg hetzelfde moment, met nagenoeg dezelfde motivatie, maakte Gaetano Pesce meubels in de vorm van een vrouwenschoot (UP5) of voet (UP7).
Enkele werken weerspiegelen, op een ‘huiselijke’, vertrouwde manier, de onwennige schilderijen en tekeningen van verhakkelde lichamen. Egg Round Table (Homage to Marcel Broodthaers) (2008) bestaat uit twee halfronde bijzettafels van hout en staal, met onder het glazen blad perfect witte eieren. Net als Woman Ironing Table #1 (2005), een strijktafel met de contouren van een vrouwenlichaam met daarop een strijkijzer in de vorm van een penis, is ook dit werk alleen in schijn huisraad. In de beste surrealistische traditie gaat het om een subtiel en kritisch spel met woord en beeld.
• Nicola L. Toen de aarde de andere kant op draaide, tot 18 oktober, M HKA, Leuvenstraat 32, Antwerpen.