Nieuwe publicaties (54)
• Harold Ancart. Soft Places. Selected Works on Paper 2009 – 2015. Brussel: Triangle Books, 2015. 176 blz. 167 afb. ISBN 978-2-9300777-09-2.
Triangle Books is een jonge uitgeverij die sinds 2013 een dozijn monografische kunstboeken publiceerde. Onlangs verscheen het boek Soft Places Works on Paper 2009 – 2015 van de Brusselse kunstenaar Harold Ancart (°1980). De 167 afgebeelde werken op papier (steevast zonder titel) zijn allemaal uitgevoerd met potlood en oil stick, dikwijls op groot formaat (tot 2 meter hoog of breed). De semiabstracte werken tonen fragmenten van planten, terwijl de aanwezigheid van een of meerdere ronde vormen (zon, maan?) landschappen suggereren. Evenwijdige horizontale of verticale lijnen domineren de composities. Aanvankelijk had Ancart een exclusieve voorkeur voor het staand formaat. Pas vanaf 2014 kantelt hij het rechthoekige papier en voegt hij een horizonlijn toe, waardoor de werken expliciet als landschappen kunnen worden gelezen. Ook zijn kleurgebruik veranderde ingrijpend met de jaren. Waar hij aanvankelijk werkte met grafiet (potlood) en zwarte oil stick, en zich beperkte tot enkele spaarzame kleurvlekken, evolueerde hij naar veelkleurige taferelen, dikwijls op een zwarte achtergrond. Wellicht is dit de reden dat het boekblok gevat is in een zwart linnen kaft met zwarte schutbladen. Het boek wordt ingeleid door een tekst in het Engels van de kunstenaar zelf onder de titel Blue Fear. Het is een autobiografisch verhaal waarin Ancart, na een vliegtuigreis van Zuid-Afrika naar Europa, vaststelt dat zijn bagage verloren is. Hij beschrijft de angst en woede die iedereen kent die al eens te lang moest wachten aan een bagageterminal. Maar het blijft onduidelijk waarom dit emotionele verhaal in deze overzichtscatalogus opgenomen werd.
• Manor Grunewald. Au coeur de la fête. Gent: Studio Manor Grunewald Press, 2015. 36 blz. 36 afb. 10 €.
Voor het opbouwen van zijn schilderijen gebruikt Manor Grunewald (°1985) zwart-witfoto’s die hij selecteert uit tijdschriften en boeken of aan platenhoezen ontleent. Deze beelden reproduceert hij met een scanner, printer of kopieermachine, waardoor er een digitale ‘slijtage’ optreedt. Na deze manipulatie vergroot hij het beeld en print het op synthetisch canvas, waarop hij vervolgens dunne lagen acryl, olieverf of spuitverf aanbrengt. Het resultaat is gevarieerd. Het hele spectrum tussen abstractie en figuratie wordt bestreken. De grijze kleurnuances van deze geërodeerde beelden worden soms bewerkt tot monochrome vlakken. De picturale bewerkingen hebben allerlei expressieve effecten. De werken komen het best tot uiting in reeksen. Sinds enkele jaren heeft Manor Grunewald ontdekt dat deze series bijzonder geschikt zijn om in boekvorm te presenteren. Zijn recentste kunstenaarsboek Au coeur de la fête is een handgemaakt boekje in een oplage van 75 exemplaren. Tijdens een verblijf in de Franse stad Niort nam hij met een draadloze handscanner close-ups van stoepstenen, metalen cabines, glascontainers en zo meer. Uit kunstboeken van de plaatselijke bibliotheek scande hij ook atelierfoto’s van onder anderen Monet, Manet en Chagall. Door dit uiteenlopend beeldmateriaal stuk voor stuk dezelfde digitale ‘behandeling’ te geven en de resultaten uniform op de pagina te plaatsen, komt hij tot een coherente beeldsequentie. In de lente van dit jaar had Manon Grunewald een tentoonstelling in de RH Gallery in New York onder de titel Glances Closer to Blindness. De catalogus voor deze tentoonstelling is gedrukt met een rotatiepers op krantenpapier. Het beeld waarvan hij vertrok vond hij op de cover van de single Let’s Get Physical van Olivia Newton John. Op de linkerpagina’s van de krant staat telkens deze foto afgebeeld. Elke afdruk is echter op een andere manier aangevreten door de digitale reproductiemethodes van de kunstenaar. Op de rechterpagina’s zien we enkel monochrome beelden, in feite extreme close-ups van details uit de foto. De rotatiedruk op krantenpapier gaat mooi samen met de artistieke werkwijze van de kunstenaar.
• Anne Moeglin-Delcroix. Ambulo ergo sum. Nature as Experience in Artists’ Books. Köln: Verlag der Buchhandlung Walther König, 2015. 96 blz. 30 afb. ISBN 978-3-86335-655-2.
De interessantste artistieke tendensen van de jaren zestig en zeventig, zoals pop art, minimalisme en conceptuele kunst, ontwikkelden zich in grote steden. Maar er was ook een kleine groep kunstenaars die eropuit trok in de natuur. Op het Amerikaanse continent deden zij dat vooral om in het landschap in te grijpen. Door het verplaatsen van soms gigantische hoeveelheden grond, gebruikten deze kunstenaars (denk aan Robert Smithson, Michael Heizer of Walter De Maria) het landschap als medium voor hun sculpturale ambities. Hun tegenhangers in Europa waren minder geïnteresseerd in dit soort megalomane earth works en verkozen een beschouwelijke aanpak. Dat geldt in het bijzonder voor enkele Britse kunstenaars die het wandelen in de natuur zagen als een onderdeel of zelfs de essentie van hun artistieke praktijk. Anne Moeglin-Delcroix stelt dat de vernieuwing van figuren als Richard Long en Hamish Fulton niet zozeer ligt in het landschap als artistiek onderwerp, maar in het uitdragen van een ervaring. De auteur stelt vast dat de praktijk van deze wandelende kunstenaars het best tot uiting komt in hun kunstenaarsboeken. In het eerste deel van haar essay vergelijkt ze de kunstenaarsboeken van Richard Long met die van Hamish Fulton, en toont ze haarfijn de verschillen. In het tweede deel behandelt ze een aantal kunstenaarsboeken van de Nederlandse kunstenaar herman de vries, die de afbeelding van het landschap inruilde voor een directe aanwezigheid in de natuur. Die documenteert hij met gevonden bladeren, soms ook met vegen aarde op papier of met banale close-ups. Het verzamelde materiaal is meestal onderworpen aan oncontroleerbare wetten van ‘chance’ en ‘change’. Het Franstalige essay van Anne Moeglin-Delcroix is 25 kleine pagina’s lang. Samen met de vertaling in het Engels, de vele illustraties en de bibliografie, telt het boekje bijna honderd bladzijden. De harde kaft maakt dat dit essay er toch als een volwaardig boek uitziet.
• Midori Yamamura. Yayoi Kusama. Inventing the Singular. Cambridge: The MIT Press, 2015. 240 blz. 48 afb. ISBN 978-0-262-02947-6.
Het parcours dat de Japanse kunstenares Yayoi Kusama (Matsumoto, °1929) aflegde is ongewoon. Na een opleiding in de traditionele Japanse schilderstijl Nihonga, verhuisde ze in 1957 naar de Verenigde Staten. Daar vond ze snel aansluiting bij kunstenaars als Robert Morris, Claes Oldenburg, Andy Warhol, Dan Flavin en Donald Judd. Ook de protagonisten van de Europese Zero- en Nulbeweging kregen haar echter in het vizier en namen werk van haar op in hun belangrijkste groepstentoonstellingen. Vanaf 1967 legde ze zich meer en meer toe op het organiseren van happenings waarbij psychedelische effecten een vorm van seksuele bevrijding moesten genereren. In 1973 keerde ze naar Japan terug en liet ze zich vrijwillig opnemen in een psychiatrische instelling. In 1998 kreeg ze een grote overzichtstentoonstelling in het MoMA. Sindsdien is haar werk wereldwijd te zien in de belangrijkste musea. Midori Yamamura, de auteur van Yayoi Kusama. Inventing the Singular, noemt zichzelf een feministische kunsthistorica. Met dit boek heeft ze dan ook een missie: ze wil de tot nu toe veronachtzaamde rol van de kunstenares in de vroege geschiedenis van de pop art en het minimalisme belichten. Dat doet ze via een feministisch-marxistische analyse van de naoorlogse kunstwereld. Ze besteedt in dat kader veel aandacht aan de totalitaire regimes waaronder Japan en Europa voor en tijdens de oorlog te lijden hadden, bekijkt de Amerikaanse houding tijdens de Koude Oorlog en beschrijft de ontwikkeling van het late kapitalisme. Tegelijk gaat ze uitgebreid in op de Japanse vooroorlogse kunstgeschiedenis, de geschiedenis van ZERO, de monopolisering van de macht in de Amerikaanse kunstwereld (met onder meer de Leo Castelli Gallery in een hoofdrol) en de soms kwalijke geschiedenis van de psychedelische beweging in de jaren zestig. De stelling van Midori Yamamura is dat Kusama genegeerd werd door een kunstwereld die werd gedomineerd door rijke, blanke mannen. Daarnaast betoogt ze dat kunstenaars zoals Andy Warhol, Claes Oldenburg en Donald Judd niet alleen geïnspireerd waren door haar werk, maar hun belangrijkste ideeën bij Kusama haalden. Het boek is dan ook eerder een historisch onderzoek naar de politieke verhoudingen in de toenmalige kunstwereld dan een relaas over de artistieke activiteiten van Kusama. Opvallend is dat de auteur met geen woord rept over de geschiedenis van Happening en Fluxus, wat toont dat ze met een heel specifieke bril naar haar onderwerp kijkt. Het boek bevat een loodzwaar notenapparaat van 52 bladzijden. De afbeeldingen die de tekst moeten ondersteunen zijn niet altijd relevant doordat de auteur geen beeldrechten verkreeg van Yayoi Kusama. De tekst is echter rijk genoeg om discussie los te weken of zelfs enig stof te doen opwaaien.