width and height should be displayed here dynamically

Bakudengar

Bakudengar, Museum Arnhem, 2026, foto Eva Broekema

Museum Arnhem en Valkhof Museum in Nijmegen werken gedurende vier jaar samen aan het project Ontgrenzen. Dat brengt naar eigen zeggen diverse groepen samen om nieuwe vormen van presenteren en representatie te ontwikkelen. Bakudengar is de derde tentoonstelling in een reeks van vier die daaruit voortkomt. Ze draait om de complexe relatie tussen Indonesië en voormalig kolonisator Nederland. Het woord, een samenstelling van twee Indonesische termen, betekent zoveel als ‘aandachtig naar elkaar luisteren’. De titel slaat op de relatie tussen de twee landen, maar ook op de band tussen de Indonesische diaspora en Indonesië. Door luisteren en spreken centraal te stellen, is de tentoonstelling verwant aan de werkwijze van Ruangrupa, het Indonesische collectief dat in 2022 als curator van documenta 15 aantrad. Kunst maakt hier inderdaad deel uit van sociale processen, met soms een uitgesproken activistisch, politiek karakter, maar dan wel opmerkelijk genuanceerd en subtiel. De tentoonstelling werd voorbereid door Nederlanders met een bijzondere band met deze geschiedenis. Onder begeleiding van kunstenaar Kevin van Braak brachten Ruth Bensink, Mariska Helling, Gayle Mahulette, Femke Schouten, Lisa Storms en Mei-Lie Tan werk samen van in hoofdzaak Indonesische kunstenaars en -collectieven, met daarnaast werk van Gert Jan Kocken en Jennifer Tee. Nagenoeg alle werken dateren uit 2026 en werden voor deze tentoonstelling vervaardigd.

Bakudengar opent letterlijk met een monumentaal werk van kunstenaarscollectief Gegerboyo (Enka Komariah, Prihatmoko Moki en Anjali Nayenggita) uit Yogyakarta (Java), opgebouwd als een Chinees schaduwtheater met drie lagen. De eerste laag bestaat uit drie afzonderlijke silhouetten waarin je door de schutkleuren en de rode baretten soldaten herkent, ondanks de geraffineerde, uit buffelhuid gesneden mythologische dieren die over hun hoofden meekijken of de geweren, die eveneens uit buffelhuid gesneden zijn. Een tweede laag is een metersgroot wit doek, rood en zwart gebatikt. De openingen links- en rechtsonder suggereren door de grafische omkadering twee poorten: ‘Pessimisme’ links, ‘Gebeden, geschreeuwd’ rechts. Naast elke poort staat een zwarte figuur met geheven armen. Links is dat een man, met boven hem een rode tekening van Papoea’s met pijl en boog tegenover een zwaarbewapend leger, terwijl twee zakenlui spreken met de militaire top. Rechts wijst een vrouw omhoog naar een ruimte waarin vrouwen in traditionele klederdracht op één lijn zitten, de rug naar een conferentie op de achtergrond. Hun voeten zijn verzonken in zware blokken – de betekenis daarvan wordt pas verderop duidelijk.

De derde laag, ten slotte, is een wandvullend batikdoek, met alweer twee ‘poorten’ links en rechts, die doorgang bieden naar de twee tentoonstellingszalen. Centraal staat een rijsttafel waarrond een grote groep zich verenigt, met links en rechts een mythologische olifant en een aap op een troon met schedels aan zijn voeten. De tentoonstellingsgids geeft welkome duiding bij de beelden voor wie, zoals ik, weinig vertrouwd is met de roerige geschiedenis van Indonesië. De grote kwaliteit van dit werk is echter dat het ook zonder die uitleg helder laat zien hoe de brutale postkoloniale (en neokoloniale) moderniseringsgolf traditionele leefwijzen en gemeenschappen vertrappelde, dankzij een uitgekiende mengvorm van enerzijds traditionele beeldvormen en technieken en anderzijds moderne beeldtypes, zoals het stripverhaal. Dit picturale cadavre exquis weerspiegelt de schizofrene politieke situatie van het land. Ook hier zijn er gelijkenissen met het werk van bijvoorbeeld het collectief Taring Padi op documenta 15, zij het dat deze installatie subtieler en grafisch sterker is.

De werken in de zalen achter deze verbluffende inkompartij zijn in zekere zin preciseringen. Zo zijn Last dance/Fading Light en zeker Ghost on the Wall van Agung Kurniawan een beeldend en collectief in memoriam voor de vrouwen die het slachtoffer werden van de machtsovername in 1965-1966 door Suharto. Het schilderij Afo Cloves (uit 2021) en de installatie Afo Tree van Ipeh Nur duiken in de koloniale geschiedenis. Beide werken illustreren hoe genadeloos de VOC het monopolie op de handel in kruidnagel verwierf en in stand hield, ten koste van de bewoners van Ternate. Een ander werk van Ipeh Nur is Wale, een hut gemaakt uit een doek die het ontstaan van de Minahasa op Noord-Sulawesi verbeeldt. Ruth Bensink-Maassen fungeerde hier als brugfiguur: haar grootmoeder Diana Fransz-Rompis bleef na haar overkomst naar Nederland een pleitbezorger van die cultuur. De film Queen of Batu van Bensink-Maassen is te zien binnen in de tent.

Het grafische werk van Fitri DK en Maryanto laat de sterkste indruk na. Beiden verbeelden de impact op mens en landschap van de huidige extractieve landontginning. Fitri DK doet dat in Verhalen van het thuisland met vrouwensilhouetten in linosnede tegen de achtergrond van een wandvullende, smaragdgroene evocatie van een tropisch oerwoud. Daarbij horen verhalen over het verzet van vrouwen tegen de vernieling van hun land, bijvoorbeeld door hun voeten in beton te gieten. Die actie zie je dus ook op het doek van Gegerboyo. Not An Empty Land van Maryanto documenteert de impact van industriële landbouw en mijnbouw op het landschap in zulke subtiele houtskooltekeningen dat pas bij nader toekijken met een schok blijkt hoe enorm de vernielingen zijn.

Para para van Dicky Takndare illustreert het thema luisteren en spreken op de meest directe manier. Hij begeleidde zes families uit de diaspora bij de bouw van een soort altaartjes. Daarin drukken ze hun discussies en opvattingen uit aan de hand van persoonlijke voorwerpen, samengevoegd tot symbolische constructies die soms uiterst gesofisticeerd zijn opgebouwd en die vaak subtiel het dierenrijk oproepen. De installatie Ancestral Structures, Inner Realm van Jennifer Tee draait eveneens om de vraag naar familiebanden en herkomst, maar steekt daar, door een al te bedachte vorm, bleek tegen af.

Queen Wilhelmina, Jakarta. Defacement 6 May 1960 van Gert Jan Kocken sluit de tentoonstelling af, met een sarcastisch commentaar op de Nederlandse houding tegenover de ex-kolonie. Het werk bestaat uit twee delen. Een schilderij van koningin Wilhelmina door Sierk Schröder uit 1947 is een objet trouvé: woedende Papoea’s hakten het gezicht in 1960 tijdens protesten in Jakarta in twee stukken. Toen Kocken de restanten tentoonstelde, keerden de erfgenamen van Schröder zich tegen hem. Daarop maakte hij een replica met alleen de contouren van het portret. Dat beeld wordt verhuld door dunne stroken tekst met krantencommentaren over mistoestanden en wanbestuur in het toenmalige Nederlands-Nieuw-Guinea. Het is dit deel van de kolonie dat Nederland krampachtig bleef opeisen tot het in 1963, tegen de zin van de Papoea’s, werd afgestaan aan Indonesië.

 

Bakudengar, tot 20 september, Museum Arnhem, Utrechtseweg 87.