width and height should be displayed here dynamically

Basel Abbas en Ruanne Abou-Rahme, Hajra Waheed

Basel Abbas & Ruanne Abou-Rahme. Prisoners of Love. Until the Sun of Freedom, Kunstinstituut Melly, Rotterdam, 2026, foto Kristien Daem

Over het gedicht ‘Enemy of the Sun’, oorspronkelijk in het Arabisch geschreven door Samih al-Qasim, bestaat een anekdote die een cruciale rol speelt in de tentoonstelling van Basel Abbas en Ruanne Abou-Rahme (beiden geboren in 1983). Nadat het gedicht in 1970 werd vertaald en opgenomen in de gelijknamige bundel Palestijnse verzetspoëzie, werd een met de hand overgeschreven versie gevonden tussen de boeken van George Jackson, de Black Panther-revolutionair die in augustus 1971 vermoord werd in de gevangenis van San Quentin. In september van hetzelfde jaar werd al-Qasims gedicht gepubliceerd in The Black Panther Intercommunal News Service, waar het verkeerdelijk werd toegeschreven aan Jackson zelf. Het is een episode die raakt aan kwesties als solidariteit en internationalisme, maar die vooral ook schrijnend duidelijk maakt dat de bewegingsvrijheid die poëzie en andere kunstvormen genieten voor velen niet voorhanden is.

Prisoners of Love is een indrukwekkende video-installatie, die uitgaat van verzetsliederen en literaire teksten geschreven door Palestijnen in gevangenschap. Naast al-Qasim worden onder anderen Tawfik Zayyad en Walid Daqqa uitvoerig aangehaald. Ook worden er interviews met ex-gevangenen getoond, die vertellen over het belang van zingen en schrijven tijdens hun gevangenschap. Naast thema’s als liefde en verlangen naar de buitenwereld komt in zowel de literaire fragmenten als in de getuigenissen één motief heel nadrukkelijk naar voren: dat de Israëlische bezetter, met al zijn geweld en repressie, zijn tanden stukbijt op de Palestijnse gevangenen, die blijven zingen en schrijven, ondanks alles. Het maken van muziek en poëzie wordt neergezet als de nulgraad van verzet, en als een manier om autonomie uit te oefenen onder omstandigheden die ontworpen zijn om elke mogelijkheid tot zelfbeschikking te verpletteren.

Dat de installatie als indrukwekkend te beschrijven valt, heeft niet enkel te maken met het onderwerp. Drie videokanalen worden simultaan geprojecteerd op verschillende oppervlakken die op verschillende afstanden van de projectoren staan en zo een gefragmenteerd panorama vormen. De soundtrack, die stemmen vermengt met noise en elektronica, staat bijzonder luid; de basfrequenties zijn te voelen in je middenrif. Net als in veel videowerk dat de afgelopen jaren over Palestina is geproduceerd, komen veel breed gekaderde shots voor van mensen die zich zwijgend door het landschap bewegen. Van reparatieve intenties is hier echter geen sprake: Abbas en Abou-Rahme desoriënteren met meervoudige belichting, passen allerlei intense digitale kleurfilters toe en corrumperen hun beelden veelvuldig met opzettelijke glitches. Prisoners of Love confronteert het publiek met een ware mêlée aan audiovisuele elementen; de onverzoenlijkheid van het werk zelf is een weerspiegeling van zowel de standvastigheid van de Palestijnse gevangenen als van het geweld waaraan zij onderworpen worden.

Heel anders gaat het eraan toe in de andere ruimte op dezelfde verdieping bij Melly, waar Hajra Waheeds (1980) solo There Is a Fountain Even If Pale That Flows Beneath Us All niettemin bepaalde affiniteiten vertoont met het werk van Abbas en Abou-Rahme. De twee expo’s resoneren vrij letterlijk: ook bij Waheed dient geluid als medium en materie om gevangenschap en staatscontrole te confronteren en te overstijgen. De tentoonstellingstekst verwijst naar Nûdem Durak, die een gevangenisstraf uitzit in Turkije voor het zingen in haar moedertaal en het onderrichten van Koerdische volksliederen. Het is een voorbeeld van poëtisch onrecht dat Durak lijdt aan de ziekte van Graves, die haar stembanden aantast en zo effectief het zwijgen oplegt. Opnieuw blijkt Palestina een referentiepunt: Mahmoud Darwish wordt aangehaald, net als de laag overvliegende drones en vliegtuigen die de bevolking in Gaza door middel van geluid moeten terroriseren.

Deze overeenkomsten maken de formele en esthetische verschillen tussen de tentoonstellingen des te markanter. De abstracte tekeningen, textielwerken en leporello’s van Waheed zijn nadrukkelijk ingetogen, contemplatief en bedaard. Haar tentoonstelling bevat één videowerk, een livestream van de actieve Merapi-vulkaan nabij Yogyakarta (Indonesië), en ook bij deze korrelige beelden in zwart-wit ontbreekt elk geluid. Waar Prisoners of Love overweldigt, wil Waheed vooral subtiel en suggestief te werk gaan. Er wordt ingezet op een zekere synesthetische fijnbesnaardheid: een vrij conventionele vorm van geometrische abstractie in een beperkt palet aan aardetinten moet muzikaliteit oproepen.

In het centrale werk, Hum (2020), wordt minder aan de bezoeker overgelaten. In een grote ruimte volledig bekleed met wit tapijt hangen vijftien speakers die elk één geluidskanaal afspelen. Verzetsliederen in verschillende talen zijn samengevlochten tot één geheel, dat door vijftien zangers (gevangenen of ex-gevangenen, zo blijkt) geneuried wordt. Het resultaat is een geluidsinstallatie waarin particuliere identiteiten en talen vervagen en plaats maken voor een gedeelde en collectieve – om niet te zeggen: universele – compositie. Individuele stemmen en liederen weerklinken en komen samen in één akoestische ruimte; Hum creëert een synthese die alleen mogelijk is omdat er abstractie wordt gemaakt van de concrete context waaruit de verzetsliederen voortkomen. Hier ligt de klemtoon dus niet zozeer op politieke strijd, maar eerder op het organiseren van meerstemmigheid (in zowel sociale als muzikale zin) in één harmonieus geheel, en op gemeenschappelijkheid als dusdanig. ‘Hum’, zo leert de tentoonstellingstekst, is niet alleen Engels voor ‘geneurie’, maar ook Urdu voor ‘wij’.

Zo is Hum niet alleen harmonieus, maar ook zalvend. De geluidsinstallatie heeft iets meditatiefs; het werk is helend en vormt een gesloten geheel. Hierin schuilt het grootste contrast met de aanpak van Abbas en Abou-Rahme, die volop inzetten op dissonantie en integratie weigeren. Het duo wil, zoals ze expliciet stellen, negativiteit belichamen en overdragen. Hoewel hun (theoretische) referentiekader elders ligt, vertoont hun werk niettemin een zekere affiniteit met de historische avant-garde: vervreemding, frictie, discontinuïteit en shockeffecten zijn alomtegenwoordig in Prisoners of Love.

Het zou aanlokkelijk zijn te stellen dat deze twee tentoonstellingen bij Melly in die zin elkaars tegenpolen vormen en elkaar goed aanvullen. Het zou ook mogelijk zijn een soort simplistische dialectiek toe te passen, en te beweren dat het affirmatieve en het negatieve elkaar opheffen tot een hoger geheel. Maar dergelijke conclusies zouden te netjes en te makkelijk zijn: het is juister om te stellen dat beide expo’s de helften vormen van een integrale benadering, waartoe ze zich echter niet laten optellen (om Adorno slecht te parafraseren). In tegenstelling tot poëzie en muziek in gevangenschap, die een directe vorm van verzet beoefenen en belichamen, kan een institutionele tentoonstelling enkel formalistische schijnoplossingen bieden voor politiek geweld en repressie. In dat opzicht is de manier waarop het werk van Abbas en Abou-Rahme harmonisering weigert waarachtiger. Precies de weerbarstigheid en de breuklijnen maken Prisoners of Love tot een liefdesverklaring.

 

Basel Abbas & Ruanne Abou-Rahme. Prisoners of Love. Until the Sun of Freedom, tot 27 september; Hajra Waheed. There Is a Fountain Even If Pale That Flows Beneath Us All, tot 6 september, Kunstinstituut Melly, Witte de Withstraat 50, Rotterdam.