width and height should be displayed here dynamically

Cordons sanitaires

Sick Architecture in CIVA

Het is een kritiek moment om na te denken over de ingewikkelde geschiedenis van architectuur en ziekte, nu we stilaan beginnen te recupereren van een grote gezondheidscrisis. Sick Architecture vertelt, deze zomer in het CIVA in Brussel, geen rechtlijnig verhaal over hoe onze ruimtelijke omgang met ziekte is geëvolueerd, en geeft evenmin aan wat de toekomst kan of moet brengen. Eigenlijk geeft de tentoonstelling nauwelijks commentaar op  de pandemie. De vele inzichten die worden tentoongesteld nodigen eerder uit om zelf conclusies te trekken.

Sick Architecture bouwt voort op decennialang onderzoek van architectuurtheoreticus en -historicus Beatriz Colomina (1952). De kiem van het boek X-Ray Architecture dat zij in 2019 publiceerde (en dat besproken werd door Hilde Heynen in De Witte Raaf nr. 201) ligt al in 1978, toen Illness as Metaphor van Susan Sontag verscheen. Colomina’s plan om de verknoping van architectuur en ziekte te onderzoeken botste in die periode nog op weerstand, en het boek dat ze uiteindelijk schreef (de klassieker Privacy and Publicity. Modern Architecture as Mass Media uit 1994) ging over de invloed van fotografie en publiciteit op het werk van Adolf Loos en Le Corbusier. Het voorbije decennium nam Colomina het eerdere project opnieuw op, en ontwikkelde het samen met doctoraatsstudenten aan Princeton University. Ze werd uitgenodigd door Nikolaus Hirsch, in 2020 aangesteld tot artistiek directeur van het CIVA, en door Silvia Franceschini, curator voor hedendaagse architectuur, om dit boeiende thema te vertalen naar een expositie die goed past in het streven van het Brusselse centrum om het eigen bereik verder te verbreden, ook dankzij het internationale netwerk van de nieuwe directeur. Het online platform e-flux Architecture, dat in 2016 mede door Hirsch werd opgericht als een spin-off van het op kunst en beeldcultuur gerichte e-flux, lanceerde het project Sick Architecture al in november 2020 met de publicatie van een eerste reeks artikelen. Op 6 mei en 21 juni spraken verschillende architecten, historici en theoretici over uiteenlopende onderwerpen. Nog meer (gestreamde) panelgesprekken en een podcast breiden de waaier aan media verder uit, om een zo breed mogelijk publiek te bereiken. Voorlopig is er geen tentoonstellingscatalogus, maar nog meer bijdragen via de verschillende kanalen zijn aangekondigd.

Pillen in verschillende vormen en kleuren, gemonteerd in een reeks kaders en met onderschriften zoals ‘Architektur’ en ‘Non-physical Environment’ behoren tot de eerste objecten die in de tentoonstelling worden aangetroffen. Welke substantie deze capsules en tabletten bevatten wordt er niet bij verteld. Geproduceerd door de Weense architect-kunstenaar Hans Hollein in 1967, zijn ze vooral een van de mogelijke illustraties van diens dictum ‘Alles ist Architektur’. Holleins oproep om architectuur als ‘medium’ te beschouwen, en de klassieke grenzen ervan, als de kunst van het bouwen, te overschrijden of zelfs te vernietigen, hangt in Sick Architecture voortdurend in de lucht, net als de vraag wat er dan nog ‘eigen’, ‘uniek’ of ‘noodzakelijk’ is aan de architectuur, en aan de bezigheden van architecten. Elk tijdperk wordt getroffen door nieuwe en vaak onverwachte ziektes, en elke nieuwe ziekte brengt een reeks innovatieve behandelingen en uitvindingen op gang. De curatoren willen daar de architecturale of ruimtelijke dimensies van belichten. In de inleidende tekst brengen ze in herinnering dat de Romeinse militair, architect en ingenieur Vitruvius er reeds in de eerste eeuw voor Christus op wees dat gezondheid het hoofddoel van de architectuur is, of zou moeten zijn. Ook de moderne architectuur is mede ontstaan – het is het hoofdthema van Colomina’s X-Ray Architecture – als een reactie op bacteriële infecties, en in het bijzonder op tuberculose, in 1882 ontdekt door Robert Koch. Architectuur moest voortaan (met het sanatorium als model) hygiënisch en smetteloos zijn – wit, bij voorkeur, open, en rijkelijk voorzien van licht en lucht. De architect-arts werd in de loop van de twintigste eeuw veeleer een architect-therapeut, nadat neurologische stoornissen en geestesziekten stilaan de overhand leken te nemen op meer klassieke, lichamelijke aandoeningen. Colomina en haar team keren die observaties over de veronderstelde helende werking van gebouwen en ruimtes ook om: ‘Architectuur kan vandaag ook de oorzaak zijn van ziektes: sommige bouwmaterialen zijn giftig, en binnenlucht kan zo slecht van kwaliteit zijn dat het sick building syndrome het resultaat is. Dan is de architectuur zelf ziek.’

De tentoonstelling is omvangrijk en heeft tot doel een gesprek op gang te brengen aan de hand van vele voorbeelden en toepassingen. Niet alleen is alles architectuur, ook het begrip ‘ziekte’ blijkt, al dan niet metaforisch, met heel wat in verband te kunnen worden gebracht. Het brede historische en conceptuele kader, en de samenwerkingsverbanden waarop het onderzoek steunt, laten een veelheid aan stemmen met elkaar in gesprek gaan. Didactisch is de expositie zeker niet, zonder een klassieke tentoonstellingsfolder of één duidelijk aangegeven route. In de centrale ruimte is een caleidoscopische presentatie bijeengebracht. Documentatie in beeld en woord van fragmenten van het werk van vele onderzoekers, onder meer over milieu, gender, kolonialisme en sociale kwesties, zijn gemonteerd op grote transparante panelen, met titels als The Immunocompromised Home, The Cordon Sanitaire of An Epidemic of Toxic Masculinity. Daartussen worden architecturale projecten of plannen en tekeningen geplaatst. Een historische kaart toont La colonie d’aliénés in Geel, dat in 1890 een officiële kolonie voor geesteszieken werd, als een experiment in de zogenaamde ‘thuisverpleging’ van psychiatrische patiënten bij gastgezinnen. Een hedendaags ontwerp is dat van Miralles Tagliabue EMBT uit 2019 voor een van Maggie’s Caring Centres, opgericht door Maggie Keswick Jencks en haar echtgenoot (en architectuurtheoreticus) Charles Jencks, nadat zij zelf met kanker werd gediagnosticeerd. De roodbruine bakstenen gevels zijn, in dit gebouw in Barcelona, vlekkerig bezaaid met witte, woekerende cellen; de binnenruimte geeft uit op de omringende tuin, waar patiënten tot rust kunnen komen tussen consultaties en behandelingen door.

De meeste objecten in dit deel van de tentoonstelling zijn (facsimile’s van) archieffoto’s, plannen, tekeningen, administratieve documenten, krantenknipsels en brieven. Hier en daar hangt er een videoscherm. In het tentoonstellingsontwerp van Office Kersten Geers David Van Severen en Richard Venlet lijkt alles, opgehangen tegen transparante wanden, boven de grond te zweven, op enkele driedimensionale stukken na – een paar maquettes, een aantal boeken, een set chirurgische instrumenten, een beenprothese – die in een glazen doos rechtstreeks op het felgroene tapijt zijn geplaatst, voorzien van vele lange bijschriften. Ook hier vraagt het tekort aan thematische ordening veel concentratie van de bezoeker. De scenografie biedt letterlijk allerhande doorzichten, maar van concentratie of focus is er weinig sprake. In tegenstelling tot de ruimtelijke setting van het anatomisch theater van de Universiteit Leiden, geopend in 1597 en natuurlijk ook in deze tentoonstelling afgebeeld, slagen de transparante panelen er niet in de aandacht van het publiek te richten op één afzonderlijke ‘dissectie’. Eerder wordt het technische apparaat van de tentoonstelling blootgelegd, of misschien zelfs dat van de medische wetenschap, bijna als in een zaalvullende installatie van Dan Graham: de bewegingen van de bezoekers worden veelvuldig gereflecteerd, en iedereen ziet hoe het eigen lichaam, een beetje beduusd, tussen de plexiglazen wanden en dozen strompelt.

De twee zalen tegenover deze grote open ruimte vormen een meer gerichte, en ook meer conventionele tentoonstellingsomgeving. Ze laten zien hoe verschillende aanknopingspunten met elkaar verweven kunnen worden in een thematische assemblage, precies dankzij een meer gerichte, curatoriële articulatie. Hier zijn ook die items te zien die het nauwst verband houden met Colomina’s boek X-Ray Architecture, en die verwijzen naar de verbanden tussen tuberculose, de röntgenfoto (waarmee deze aandoening werd gediagnosticeerd) en de ontwikkeling van de moderne architectuur. Relevante historische foto’s en technische tekeningen worden getoond, naast het meubilair dat Aino en Alvar Aalto in het begin van de jaren dertig ontwierpen voor het sanatorium van Paimio in Finland. Dit gebouw, waarin patiënten dankzij een langgerekte gevel met ramen en terrassen werden blootgesteld aan het nabijgelegen naaldbomenbos, wordt in dialoog gebracht met minder canonieke voorbeelden van soortgelijke faciliteiten. De meest radicale infrastructuur is misschien wel die van de als een windmolen ronddraaiende sanatoria uit 1930, ontworpen door radioloog Jean Saidman en architect André Farde: zestien meter hoge, bewegende structuren die moesten toelaten om de zonnebestraling te maximaliseren, wat toen nog werd beschouwd als de meest adequate behandeling voor verzwakte lichamen. De tentoonstellingszaal ernaast, met foto’s van drie veldhospitalen, stelt experimentele oplossingen in tijden van crisis verder in vraag. Een van die noodziekenhuizen werd in enkele dagen tijd opgezet in een congrescentrum in Madrid, op het hoogtepunt van de recentste pandemie in 2020. De andere tijdelijke hospitalen dateren respectievelijk van tijdens de Spaanse griep (1918) en de polio-uitbraak in de Verenigde Staten (1950). De gelijkenis is angstwekkend, net als de ijzeren long die hier staat opgesteld – een luchtdichte tank gebruikt om poliopatiënten te behandelen. Dit beademingsapparaat, waarin met uitzondering van het hoofd het gehele menselijke lichaam verdwijnt, is letterlijk het kleinst denkbare huis om in te overleven.

Sick Architecture slaagt erin om met grimmige gebeurtenissen en vaak beklemmende medische objecten een fascinerend beeld te schetsen van de ruimtelijke aspecten van zorg en genezing in een medische context. De overvloed aan informatie blijft vooral overweldigend. Het is een indruk die punctueel wordt tegengesproken door een handvol hedendaagse kunstwerken, over de tentoonstelling verspreid, van Sammy Baloji, Mohamed Bourouissa, Vivian Caccuri, Goldin+Senneby en Ahmet Öğüt. In Baloji’s installatie Essay on Urban Planning uit 2013 worden oude en recente luchtfoto’s van Lubumbashi geconfronteerd met foto’s van vliegen uit de entologische afdeling van het nationale museum in deze Congolese stad. Als gevolg van een campagne met als verondersteld doel de bestrijding van malaria, werden in de afgebeelde stadsdelen witte en zwarte gemeenschappen van elkaar gescheiden door stroken braakland, als een cordon sanitaire van ongeveer vijfhonderd meter breed – een grotere afstand, zo werd aangenomen, kunnen malariamuggen niet in één keer afleggen. Het verband tussen ziekte en koloniale bezetting komt ook aan bod in de geborduurde klamboe van Caccuri. Mosquito Shrine II uit 2020 vertelt over de aankomst van Europese kolonisten in de Nieuwe Wereld vanuit het perspectief van bloedzuigende insecten, en vraagt dus ook aandacht voor de verwoestende ziektes die met de verovering van natuurlijke rijkdommen gepaard gingen. In de grillige film The Whispering of Ghosts uit 2018 worden de herinneringen verzameld van een voormalige patiënt van psychiater-filosoof Frantz Fanon – een patiënt die zich tot het tuinieren wendde als een vorm van therapie na traumatische ervaringen in de Algerijnse Oorlog.

Meer dan als een aparte minitentoonstelling resoneren deze kunstwerken vanuit een perifere positie met andere stukjes en beetjes van Sick Architecture. Ze bieden tegelijkertijd een synthetisch verhaal en een sterke visuele expressie. Bovendien benadrukken ze zowel de ondersteunende kracht als de ontregelende werking van artistieke praktijken – een groot verschil met de veronderstelde ‘oplossingen’ die vaak typisch blijven voor de architectuur.

 

Sick Architecture, tot 28 augustus in CIVA, Kluisstraat 55, 1050 Brussel.