width and height should be displayed here dynamically

Dagboek 25 januari – 30 april 1970

zo 2501  Zich encanailleren. Gister bij Van Hecke: Dhaenens. De groepsdynamiek van Oury.

do 2901  Dinsdag en woensdag in Brussel. Dinsdagnamiddag bij Mon, gewerkt aan de evaluatie van de financiële verhouding tussen literaire en andere producten. Door leraar Lieven Dubois uitgenodigd om met zijn leerlingen te praten. Jan niet verschenen. Woensdagnamiddag bij H.J.C., Hugo van der Vennet en Danny Huwé voor Jan, die niet opdaagt. Marcel van Maele, Dirk Christiaens, De Crits met vrouw, later Leus. Jan belt op dat hij niet kan komen. Marcel zat. Geleuter. De vernedering van tot die klasse te behoren. Tijd en calorieën verspild. Knoeiers, canaille, knullen. ☐ ’s Nachts het idee om de theoretische inzichten ‘literair’ of zelfs ‘episch’ te be-schrijven. Oplichterij? Oplichterij ware zeker het volgende: een lezersleven gewijd aan het opstellen van lectuurnotities. Onberispelijk in de mate waarin lectuur = schriftuur. Maar oplichterij in zover mijn ‘literaire naam’ aan deze louter toevallige lectuur gezag zou verlenen. ☐ God weet dat je niet welsprekend bent, maar nu je althans bereid bent tot spreken, blijkt dat zeer velen niet bij machte zijn om een eerlijk, efficiënt gesprek te voeren: mensen als D.C. of C.H. die het op een privé-dialoogje aansturen met hun buurman, mensen als H.C. of H.L. die alle aandacht afzetten zohaast ze luidruchtig hun mening hebben verkondigd. Maar gaat het eigenlijk wel beter met Jan en Daan? Ben je niet in het autoritaire spoor terechtgekomen? Leren samen evenwaardig spreken. Een t-groep? ☐ Rilke aan ‘Liebe Lou’ (211013): ‘…wenn es mir nur gelingt, möglichst versteckt zu bleiben, daẞ ich mich wieder an mich gewöhne, im schönen alten Sinne: vergnügt. Etwas lesend, ruhend, hinaussehend, ich wäre ja mit allem zufrieden, wärs nur ganz wieder mein… (hoe vanzelfsprekend dat je met dgl. verlangens gedweept hebt, destijds in het Tweede Gesticht waar … enz.) … Wiederanfangen. Freilich, schon beim Schulheft half es dann, eine neue Seite aufzuschlagen; diese hier, Paris, steht nur wirklich voll der beschämendsten Fehler, roth über roth, und wo einer noch von selbst ausblieb vorher oder sich besann, da steht das endlich Richtige über einer fast ganz durchradierten Stelle, auf dem Häutchen eines Lochs. Liebe Lou, irgendwie hast Du mir ja unendlich geholfen, das Andere ist nur für mich und für den Engel da, wenn wir nur zusammenhalten: er und ich, und Du von ferne…’ Lees hier: de samenspanning tussen eenzelvigheid en schriftuur, het gebruik van woorden als een scherm, de infantiele regressie naar de schooljaren. En dit alles bevindt zich in het schrijven.

v 3001  Gister opgebeld door Clara H. die zeer vlug de vragenlijst heeft rondgestuurd. Vertelt dat Jef Geeraerts ontslag heeft genomen uit de partij. Enz. enz. Laat terloops verstaan dat zij weet dat Jan, Daan en ik de nota ‘Kunstenaars contra Cultuur’ hebben besproken. Meteen een vloed van argwaan: hoe weet zij dat? Zou Daan haar opgebeld hebben, ons uit socialistische solidariteit verraden hebben? Of is het mogelijk dat ik mijn mond heb voorbijgepraat? En kon ik nu maar zeker weten wat ik precies heb gezegd. ☐ William C. Schutz, Blij: ‘De ontwikkeling van het zenuwstelsel boven de normale neurale ontwikkeling beslaat een groot deel van het formele educatieve proces. Het verwerven van informatie, logisch leren denken, creatief zijn, dat zijn allemaal manieren om de hersencapaciteit en de daarmee verbonden structuur uit te breiden. Informatieverwerving en het oplossen van vraagstukken worden gewoonlijk behandeld binnen het schoolmilieu. Met de training van de creativiteit is het een andere zaak. Hoewel de laatste jaren verscheidene methoden zijn ontwikkeld beschouwt men het toch als iets unieks. Bij de wetenschappelijke creativiteit zijn ‘synectics’, methoden voor het denken in metaforen en analogieën heel doeltreffend gebleken… Artistieke creativiteit is een meer samengestelde activiteit die het gelijktijdig op elkaar inwerken van vele organische stelsels vereist.’ (41) ‘Een van de vaste methoden om deze regressie te voltrekken is de volgende: vraag iemand zijn naam heel, heel langzaam te schrijven, terwijl hij potlood of pen nauwelijks over het papier beweegt… Herhaaldelijk wordt bericht dat men zich voelt als een kind op de lagere school…’ (47) ‘Het scheen dat na de eerste woordeloze ontmoeting van ieder der groepsleden een veel helderder beeld ontstond dan gewoonlijk het geval is na een meer traditionele eerste ontmoeting. Deze ontdekking onderstreept wellicht het feit dat de mensen gebruik maken van woorden teneinde te voorkomen dat anderen hen leren kennen.’ (55) ‘Nadat ervaringselementen verworven en zo geassocieerd zijn dat het gedrag creatief en nuttig is i.p.v. alleen maar bizar, moet er een waardering komen met het oog op de relevantie tot een gegeven situatie.’ (56) ‘Het gebruik van ruimte en beweging om iemand zijn eigen gedrag scherper te laten voelen, vooral zijn naar aanvaarding zoekend gedrag, is dikwijls zeer nuttig. Waar het spreken alleen maar gaat over gevoel, luidt het omzetten in daden gewoonlijk tot een confrontatie met meer betekenis.’ (95) ‘Dikwijls zullen twee mensen proberen hun gevoelens jegens elkaar mondeling te uiten, of een verklaring te geven van zichzelf of van een bepaalde situatie, terwijl het eenvoudig onmogelijk is elkaar te begrijpen. Dit gebeurt als de mensen moeilijk uit hun woorden komen… of als ze sterk verintellectualiseerd zijn en ze hun woorden vooral gebruiken als een beschermend waas om daarachter hun werkelijke bedoelingen te verhullen.’ (105-6) ‘…Hier diende het gebruik van woorden niet alleen om het uitgangspunt te verdoezelen zoals in het eerste voorbeeld, maar het gaf precies het tegengestelde van de ware situatie weer…’ (108) ‘Woorden hadden Suzy geholpen afstand te bewaren. Als ze sprak keek ze van de aangesprokene weg en beperkte het menselijk contact tot een minimum, zodat haar woorden geen kanaal vormden waardoorheen ze kon worden bereikt. Het non-verbaal gedrag drong door haar weerstand heen en bracht haar in contact met haar eigen gevoelens van droefheid en verlangen waarvan ze zichzelf had afgesneden.’ (139) ☐Doodmoe. En je betreedt die fase waarbij de creativiteit binnen deze maatschappij perverterend werkt. Ik bedoel: aanvankelijk kan de creativiteit alleen maar bevrijdend werken, o.m. omdat ze beoefend wordt tegen de maatschappij in. Maar wanneer de creativiteit onherroepelijk blijkt, gooit de maatschappij het over een andere boeg: je wordt een veelbelovend auteur die aan zijn oeuvre werkt, m.a.w. je wordt verondersteld in het creatieve domein een carrière op te bouwen, gezag te veroveren en autoriteit.

zo 0102  Gister Deurne, Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid. Geen visie, geen optie, geen perspectief, en dus ook geen alternatief t.o.v. Van Mechelen. Hooguit stuntelig defensief. Wellicht is dit het zo geroemde Belgische pragmatisme? In zo’n context is de brutaliteit van een Weverbergh waarschijnlijk lonend. Daarna gelukkig bij de Adé’s.

m 0202  Op aanvraag van Clara Haesaert. 1° Wat ik bij dit eerste contact met de CSC het meest heb gemist is een globale visie en een vooruitzicht op hetgeen een alternatief cultuurbeleid zou kunnen zijn. Dat men pleit voor de inspraak van de kunstenaars betekent niet veel zolang men de modaliteiten van die inspraak niet bepaald heeft, en de richting waarin ze zal uitgeoefend worden. Dat men zich uitspreekt tegen de culturele liefdadigheid betekent niet veel zolang geen fundamentele opties worden genomen naar een culturele democratie toe. Zo ben ik van mening dat een cultuurbeleid waarbij de aandacht vooral naar distributie en consumptie uitgaat (nota ‘Kunstenaars contra Cultuur’?), waarbij de cultuur zowat als een afgewerkt product wordt beschouwd dat onder de vorm van een ‘cultuurpakket’ aan het volk moet worden uitgereikt, onvermijdelijk en op zijn best even paternalistisch moet uitdraaien als het thans vigerend beleid. Het is mij opgevallen dat het congresverslag van de CSC niet rept over de economische aspecten van de cultuur in onze maatschappij (statusdrang, mercantilisme, uitbuiting e.d.). Een socialistisch cultuurbeleid dat die naam waardig is, zal m.i. de klemtoon van de distributie en conservatie verleggen naar de productie van de cultuur. Dit betekent in de eerste plaats de creativiteit, zowel van kunstenaars als van alle anderen. Cultuur is in eerste instantie iets wat gemáákt wordt. Een socialistische organisatie beschikt nu in Vlaanderen over verschillende troeven om een echt progressief cultuurbeleid te promoten:

– De relatieve verwaarlozing van de culturele sector in haar midden biedt de gelegenheid om vanuit de productieve basis te vertrekken, zonder te moeten afrekenen met de elders gangbare opvattingen van de cultuur als bezit, klassenvoorrecht,statussymbool en ongevaarlijke vrijetijdsbesteding.

di 0302

– De socialistische ideologie biedt een begrippenapparaat dat alleen een culturele vertaling behoeft om efficiënt ingezet te worden tegen een burgerlijke consumptieve opvatting van de cultuur.

– Het primaat van de creatieve arbeid is in principe waar de socialistische gedachte convergeert met de modernste opvatting van de cultuur.

– Een dgl. socialistische opvatting van de cultuur is de enige opvatting die opgewassen is en doeltreffend kan ingezet worden tegen het nu in Vlaanderen gevoerde beleid.

Ik zou de CSC dan ook met aandrang willen bezweren om tijd en krachten te besteden aan het ontwerpen van een globale en coherent socialistische optiek inzake cultuur.

2° De mate waarin de CSC bij het ontwerpen van een alternatief cultuurbeleid bereid is een beroep te doen op niet tot de SP gebonden enkelingen en organisaties zou een indicator kunnen zijn van de manier waarop een concentratie van links door de SP is opgevat.

3° Over de kunstenaars, in het bijzonder schrijvers: een cultuurbeleid waar de vraag naar de sociale functie van de kunstenaar niet is beantwoord blijft dilettantisch. (En dat het thans in Vlaanderen vigerend cultuurbeleid deze vraag niet heeft beantwoord betekent nogmaals een troef in de handen van hen die een alternatief cultuurbeleid ontwerpen.) Een kunstenaar is niet een dilettant die om een sinecuur vraagt. Een schrijver is bvb. niet iemand die blij is met een subjournalistiek baantje – anders zou hij immers journalist geworden zijn. Een schrijver is ook niet noodzakelijk geschikt om de culturele pagina van een blad te vullen. Een kunstenaar is iemand die geopteerd heeft voor de eigenzinnige ontwikkeling van een specifieke creativiteit. Elke voor de kunstenaar bedachte functie waarbij die vrije creativiteit miskend wordt, negeert ook de kunstenaar. Een kunstenaar is niet een deskundige inzake cultuur, maar een deskundige inzake creativiteit. Sociaal zou deze deskundigheid op twee manieren kunnen uitgeoefend worden:

– promotie van de specifieke creativiteit bij anderen (in scholen, verenigingen, ateliers, workshops, culturele centra e.d.)

– technisch onderzoek van de creatieve techniek (te vergelijken met wetenschappelijke research)

Nu vragen zéér vele jonge kunstenaars niets liever dan een van die twee functies te vervullen, maar de maatschappij biedt hen daar niet de gelegenheid toe. In dit opzicht is het de maatschappij die hen in hun ivoren toren opsluit. ☐ Gister paniekerige telefoon van MvM. Geen hartverheffend schouwspel, men voelt dat hij tot alles bereid is om aan een loon te geraken. En men vraagt zich af welke zijn houding zal zijn wanneer hij dat loon zal krijgen. Ik zie vreselijk op tegen het compromitterende van een beroep op de minister, te meer daar ik voor mezelf eigenlijk geen steun behoef. Maar voor de misère van MvM houdt geen redenering stand.

v 0602  Kotsmisselijk van het jongste nummer van VVL-Mededelingen. Ze laten geen gelegenheid voorbijgaan om de verkéérde optie te kiezen. J.W. opgebeld. Wil me maandag naar Limburg loodsen. ☐ Liever helemaal niet naar Limburg dan als toerist.

za 0702  Vragen omtrent de VVL. Mij laten gelden bij de algemene vergadering? Of zwijgen, om de bekrompenen niet af te schrikken? Dezelfde vraag op een ander niveau: eruit trekken, of zorgen dat ik zo gauw mogelijk in het bestuur raak? ☐ Orchis militaris:

Begint in visueel (Duits) expressionisme; gaat dan over naar het verbale.

– Maar gaat het daar niet meer om een vocale partituur dan om een geschrift? Zou een onoverzichtelijke klankband niet adequater zijn?

– Het lyrisch gestamel wordt naar mijn gevoelen heel vlug bericht.

(Dit zijn vragen nà een grote bewondering.)

zo 0802  Gister en vanmorgen de Develingen. Vreemd hoe vanzelfsprekend de omgang met zulke mensen. Gisteravond Celbeton: Georges voor Zoeklicht; Fernand Spillemaeckers (wiens hooghartigheid in de eerste plaats verlegenheid blijkt te zijn); Julien W. (die toekomende week zijn ontslag zou indienen bij Manteau); Willem M. Roggeman (laat door Enno boeken tekenen); Roger Raveel…

do 1202  Gister Gent met Daan en Betsy. Ontmoeting Sint-Pietersstation met Paul Tyberghein, allerlei informaties:

– About WBBC: unieke inpakmachines, één van de twee Belgische gemechaniseerde binderijen. [K][?]aders met vertrouwenspositie tekenen een contract waarbij ze zich ertoe verbinden niet in dezelfde sector te gaan werken vóór drie jaar na ontslag. 80% van de klanten zijn vrouwen, reclame op de vrouwen gericht. Atlanta (op de vrouwen gericht) maakt deel uit van WBBC. Oplagen: Nl. 5.000, F. 25.000. Boeken dienen voor 60-70 % als decoratie (drukfeilen worden vaak pas jaren later gesignaleerd). Bij selectie wordt vooral gezorgd dat voor een aantal werken geen copyright dient betaald. Prijs reclame één blad in een magazine: 120.000 F via computer controle op de verkoop: mogelijkheid om over te schakelen. Multiplicatiefactor 10: 27  270.

– About informatie: principe van de scheiding van de machten; geeft als voorbeeld de Nederlandse STER die geld inzamelt voor tv-reclame, zodat zuilen zelf onafhankelijk blijven.

za 1402  Gisteravond Sint-Victorinstituut in Alsemberg. Mij vreselijk meegevallen, de reacties veel meer geïnteresseerd en to the point en vinnig dan ik had verwacht. Hoe men schrijft, het doel van het schrijven, het nut ervan… Relativering achteraf: de reacties gingen uit van een beperkt aantal mensen, hoe kan je nu weten wat naar de zwijgende meerderheid is overgekomen? In hoever is de euforie toe te schrijven aan jouw geprivilegieerde, centrale positie? Aan de versterking van je persoonlijkheid? En het valt jezelf op hoe volledig je je geeft, misschien wel te veel.

m 1602  Bekomen van de VVL-jaarvergadering. Het stelletje bange ploerten. Belangrijker is dat Marie-Paule een dochter heeft gebaard, in de nacht van zaterdag op zondag.

di 1702  Notities na gesprek met V.R.:

– de autoritaire tekst

– georganiseerd kunstenaarschap te vergelijken met de kerkelijke organisatie van een erkende godsdienst

– weekblad Special door de Standaard-groep overgenomen

– afspraak met mej. Jorissen, psychologe

– de interpersoonlijke dynamiek, een nieuw medium, efficiënter dan het geschrift

☐ Sneeuw sneeuw sneeuw ☐ Gister G.A. opgebeld, door hem bekomen van de VVL. Weverbergh opgebeld, die is er ook bovenop: spreekt van een coöperatieve van Manteau. Door PdW opgebeld; Brain Trust over schrijversloon begin maart met PdW, Raes, Michiels, Georges, Jan, Marcel? Claus? Weverbergh?

w 1802  Een hoop recensies van De grote schaamlippen, vele kwaadwillig. Een lange lezersbrief. ☐ Verwachten Jan Daele, Mark Dangin en Daan; Julien, Herman J.C. en Marcel van Maele (als hij nuchter is) over de Gentse vzw, de opvolging van Totems, de Brusselse boekenbeurs.

m 2302  Nota over auteursrecht. N.a.v. de schoolbloemlezingen streeft de VVL naar een wijziging van de wet van 22 maart 1886. De vraag rijst of van die gelegenheid geen gebruik kan worden gemaakt om nog andere wijzigingen in die wet aan te brengen, onder meer i.v.m. volgende punten:

– Beperking van het citaatrecht in die zin dat het citaat nauwkeurig moet zijn (wat nu o.m. in talrijke kritieken vaak niet het geval is).

– Uitbreiding van het citaatrecht op zo’n wijze dat een literaire collage mogelijk wordt zonder overtreding van de wet; het is immers ongehoord dat de collagetechniek voorbehouden blijft aan de plastische kunsten: de collagetechniek vereist dat de maker van een collage (omwille van het verrassings- en puzzle-effect) ontslagen wordt van het vermelden van de bron.

– De invloed van de nieuwe media op het citaatrecht. Een omroep zoals de BRT heeft blijkbaar het recht om een voor de micro gehouden gesprek schriftelijk te publiceren, maar niet om, zonder vergunning, een geschreven tekst auditief te publiceren.

☐ Totaal overstelpt. Een brief naar De Nieuwe die ik niet onder mijn naam kan sturen, De Nieuwe zit zo al vol genoeg met mijn naam. The Gutenberg Galaxy. Intermediair. Hoe maak ik mijn geschriften leesbaar. Morgen de paljas uithangen op de boekenbeurs. Overmorgen wellicht Theodorakis-avond. Een nota over de inopportuniteit van een andere VVL. Het gesprek over schrijversloon. Zondag wellicht de psychologe mej. Jorissen. En daarbij nog danig verkouden ook. Een tekst te schrijven over schriftuur. En over de kunst als neo-kerk. Godantoe.

di 2402  De schriftuur zal post-wetenschappelijk zijn. Vergelijk Develing: ‘… art can only function if it gives information…’ met Herbert W. Franke: ‘… mooi is wat optimaal waarneembaar is, wat dus optimaal informeert.’ Met de cybernetische definitie van informatie: verandering die door een boodschap in een systeemtoestand wordt aangebracht.

za 2802  ‘Vervalsing’ van het geschrift. Too Strong for Fantasy, memoires van Marcia Davenport: een half uur luisteren naar die oude dame zou je een kwelling zijn, maar haar tekst zou je urenlang zitten lezen, geboeid. ☐ Een nieuwe coöperatieve uitgeverij?

– bedanken voor de club, de kapel, de vedetterij, de persoonlijke publiciteit (dbb)

– pro medebeheer, meer bepaald:

– scheiding redactie-distributie

– de schriftuur sauveren: nieuwe boekjes ®, periodiek?, Coca-Cola publiciteit (een behoefte wekken)

m 020370  Gister Brussel. Gesprek met Marie-José Jorissen over De grote schaamlippen en schizofrenie. Terloops gedacht: wat mother voornamelijk vreesde in mijn schrijverschap was ‘dat ik alles ging vertellen over de familie’. Alles gaat alsof we beiden hetzelfde hebben gevoeld, zij heeft alleen heel anders gereageerd. ☐ Ondertussen vaart vader F. uit tegen Cee wanneer hij verneemt dat de adoptie van een Koreaantje een 30.000 F kan kosten. ‘Je denkt alleen maar aan het geld.’ ☐ Meubels gearriveerd.

do 0503  Dinsdag boekenbeurs. Uit gesprekken met mevr. Manteau maak ik uit dat de ‘participatie’ de gevreesde kant opgaat: schrijvers als onbezoldigde promotors. H.J.C. drukt zijn verbazing uit over de manier waarop Weverbergh de manuscripten las. Het jongetje Paul Van Aken dat Tegen het personage laat signeren. De leerlingen met hun bandopnemers. Een consumentenbond van lezers?

v 0603  Gisteravond in Brussel discussie over schrijversloon. Auwera, Marcel van Maele, Ivo Michiels, Paul de Wispelaere, Hugo Raes, Jan E. Daele en ik. Eensgezindheid om: zoveel mogelijk te werken via een op te richten Fonds voor Letteren; de uitgevers zoveel mogelijk buiten dat fonds te houden; uitleengeld en een royalty voor klassieke werken in dat fonds te storten; het ontworpen statuut op een algemene vergadering van VVL te bespreken. Dan zet Paul het Nederlandse systeem van stipendia uiteen. En hier gaan de poppen aan het dansen. Eerste bezwaar van Raes wanneer ik stel dat publicatie geen criterium mag zijn. Wordt door Michiels bijgevallen. Conclusie: het fonds moet publicatie kunnen promoten. Het principe om het loon van de laagste categorie laag te houden (± 72.000) wordt niet aangevochten. (Je ziet ze denken dat het toch maar om anderen gaat.) Ook m’n voorstel om hogere categorieën aan een meetbare tegenprestatie te laten beantwoorden (onderzoek, promotie) wordt ± aanvaard. Maar zohaast er over afstand van de honoraria wordt gesproken, gaan de poppen aan het dansen. En hét bezwaar is: dat een zeer goed verkopende schrijver ‘gepenaliseerd’ wordt (want MvM voorziet dat alleen een bedrag, gelijk aan het jaarloon, wordt terugbetaald). R. wil dus van de risico’s ontheven worden, maar geen enkele kans verwaarlozen om zéér veel geld te verdienen. ‘Waarom zou je een socialistische oplossing voorstaan als je toch binnen een kapitalistisch systeem werkt?’ Dit noem ik een corrupte – in de zin van: door het kapitalisme verdorven – mentaliteit.

za 0703  Is schrijven uiteraard ‘rechts’? Het is rechts in de mate waarin het individualistisch en eigenzinnig is. Maar individualisme en eigenzinnigheid zijn maar rechts voorzover ze autoritair zijn of (historisch) de op individualisme geveste bestaande orde bestendigen. Want ruimte voor een niet-repressief individualisme van allen is ook een eis van de meest socialistische maatschappij. Schrijven is dus maar rechts voorzover het autoritair is (Claus?) en conventioneel individualistisch. Maar ook: het geschrift is, althans sinds het auteursrecht, zelfbevestigend. Er is een ogenblik waarop auteur A een producent van ‘A’s’ wordt.

m 0903  Gister de Adé’s. In trouble. De sociabiliteit van G.A. heeft er wat mee te maken. Toen ik hem zei dat De Standaard nu Special bemachtigde en de drukkerijen van Dupuis, was zijn reactie: ‘Een reden te meer om te zorgen dat je erin geraakt.’ Maar dit veronderstelt op z’n minst dat men voortdurend op de hoogte is van wat er gebeurt binnen en om de onderneming, zodat men telkens to the point kan reageren; en daarom moet men gaan leven zoals hij doet. (Op zijn minst: want er blijkt nog het grote bezwaar dat de onderneming profiteert van de bekende naam van de medewerker). Andere bron van trouble: mijn lectuur: hoe graag en hoe gemakkelijk zou ik nu lectuurnotities schrijven over Marcia Davenports Too Strong for Fantasy. Maar: waar gaan we naartoe als het de schrijvers zijn die de lezers het lezen moeten voordoen. Maar daarenboven: hoe bescheiden die notities ook mogen zijn, ze zullen uiteraard verschijnen als uitingen van een geprivilegieerd lezen. Wanneer het er juist om gaat, af te rekenen met de mythe van de geprivilegieerde lezer. Hoe noodlottig is het, iemand te zijn met ideeën. Want daar is het dat de schoen wringt, niet het minst bij je activiteiten voor WS, VVL, CSC, schrijversloon. Je weet te goed hoe het zou moeten, zodat je voor de gedachtelozen verschijnt als de vragende partij. Of zou het schrijven een bewustzijn geven dat totaal overbodig is vermits er niet mee te leven valt, vermits het in het sociale leven onbruikbaar is – behalve in het geschrift. G.A. deed ook het voorstel om mee te werken aan De ondernemer; hij krijgt 500 F voor een stukje waar hij een uur aan werkt. Dit veronderstelt o.m. een volstrekt kritiekloze aanvaarding van de voorgestelde vorm. Ergo.

Tekening

☐ Koud, en nog plekken sneeuw, maar een stralende zon. Je hebt zoveel van wat nodig is om tevreden te zijn. Wel ja, het blijkt dat je geen talent hebt voor sociale omgang, voor sociale actie. En je mist de tijd om dat talent te verwerven. Ja en wat dan nog.

di 1003  Veroordeeld tot lettermonomanie? Of beter: grafomanie? Zoals elke specialist. Laat je niet meer op stang jagen door mensen die geen lezers zijn. In het medium schrift is het dat je het best rendeert. En de nieuwe vorm van betogend geschrift (de mozaïek) die je uitgevonden hebt is een belangrijk iets. Schriftuur + research + betogende teksten. Geen tijd en geen ruimte voor opgestelde lectuurnotities. ☐ De onherroepelijke lente: er ligt nog sneeuw, de plassen zijn bevroren, maar om negen uur ’s morgens zitten allerlei vogels op de hoogste takken te roepen. ☐

Duizeling voor de massa van teksten. En elk van die teksten zit vol betekenissen.

w 1103  Straks CSC in Brussel. ☐ Buiten alle expressionisme om: is er iets dichter bij het individu dan een tekst? Met alle media en de pers van nu, zal men over 200 jaar een idee kunnen hebben van de manier waarop een mens nu leeft? Tenzij iemand nu een dagboek schrijft zoals bvb. Dorothy Wordsworth.

do 1203  CSC: alleen maar goede voornemens omtrent statuut van de schrijver. ☐ Satyricon, Fellini. Nu denk ik: een slechte film. De angsten van een ouder wordende man. Maar misschien ligt het aan het medium: hoe autoritair, zo’n film. Ongestraft beschiet een Fellini een zaal met zijn angstbeelden. Niet alleen kan de zaal niet terugslaan, maar de film zelf is voor elke kijker ondoorzichtig, Fellini doet aan striptease, laat de kijkers alleen maar slikken wat hij wil, zij moeten weerloos ondergaan. Film niet zomaar een beetje autoritairder dan schrift, althans zolang de videotape niet courant is.

zo 1503  Knokke. Mijne heren, ik behoor tot een klasse waar men niet uitgeraakt. Wanneer ik in dit bastion van de welgestelde burgerij kom, dan voel ik me uitgesloten buiten een wereld die me verleidelijk licht schijnt. Er is geen schijn van kans dat ik er ooit zou binnen geraken. En toch blijf ik toegeven dat deze wereld mij behoort. Dit heeft verduiveld veel weg van masochisme: een balling die naar het verboden land blijft staren, en weigert het te verwensen. Wanneer ik hier kom heb ik dus geen vrienden die ik kan opzoeken, er is geen kans dat ik op de dijk of op het strand een bekende zou aantreffen. Wanneer ik hier kom ga ik vast naar de boekhandel. Begrijpt u dat ik deze beweging vergelijk met het bezoek aan een bordeel. Ook de bordeelbezoeker is uitgesloten. En gister bevond ik dat de boeken die ik graag had gekocht mij te duur waren.

di 1703  Everbeek. Chris van den Hoek, Satersjeugd – wroegingen. ☐ Marcia Davenport, Too Strong for Fantasy. Gelezen louter als een autobiografie, ik wist niet dat zij een schrijfster was. Ik veronderstel dat zij niet een zeer belangrijke schrijfster is, maar dat hoeft haar bedenkingen over het schrijven niet waardeloos te maken. Integendeel, soms heb ik het gevoel dat haar naïviteit die uitlatingen nog meer veelzeggend maakt. ‘Mostly I am alone. I do not like it but it is the inevitable consequence of a life based on the writing of books – the redundant lonely art – …’(2) ‘Place has always been of primary importance to me. My most productive associations as a writer have been fundamentally with places. Each such place has entered early into my attachments and necessities, has remained for major spans of my life an increasing force, and has been the medium in which my books had their origins and their growth, after which I returned to New York to write them. At the last, each place has come full circle, its function fulfilled and its hold on me slackened so that there has been a termination to my dependence and my attachment.’(3) ‘But I cannot and will not shuck off the values and tenets of my generation, born at the beginning of this century. One of these tenets is a suitable reticence about oneself and the men and women who are and have been the complement of one’s life. This reticence of cause brings a writer into conflict with the basic law of literature – to write about what he knows best. All good novels are about believable people who are the creatures of the author’s imagination which in turn has used for its raw material every man, woman, and child the author ever knew; also many he never knew or only imagined he knew. …For the first time I find that I cannot bend the men and women I have known to the shapes and purposes of my imagination. They are too strong. Their fibre is inviolable. They will not consent to be fragmented or illusively reproduced for use in montages, their characters dismembered and redistributed among my creations, their acts changed in motive and timing to fit my designs. They want their own way. They keep their identities intact, though most of them are dead.’ (4-5) ‘I hated to be told to play out of doors… I knew no children with whom to play… I liked to stay in house with my dolls, my cat… something like weaving or toy knitting in my hands, and my mother practicing nearby. These are my memories of how my time was filled until books magically and suddenly, it seems now, made all other occupations unnecessary. My mother used to say I had been born a little old woman and I am afraid she was right. For I feel that not only was I born old, but born looking back over my shoulder at the past.’(30) ‘I feel this the place to state that native writing talent, disciplined to the production of communicable literature, is very often flight from reality; and if that is another way of saying that writers tend to be what used to be termed crazy before the word got lost in a wilderness of technical euphemisms, then I have said it.’ (36) ‘I have none (letters)… spanning the principal years of my education, which suggests that somebody in the process of teaching me neatness encouraged or even required me to destroy letters when they had been answered.’(50) ‘When I brought Max the finished manuscript… of each book I wrote, he always did the same thing. He looked at the last page first. I am sure he did not know in the beginning what this meant to me, but the fact is that when I am ready to write a book, I write the ending first… When long spans of time intervene, innumerable revisions of my final paragraph or page inevitably have to be made; but the idea must remain strong enough to stand up in its original form and confront me with its rightness. Only then can I begin at the beginning and write a book, not necessarily with facility or speed… But I know to what conclusion I am working. Without that there is no book in my mind.’(153) ‘A part of my life and mind has always been solitary. I do not mean the mandatory physical solitude of writing. All writers are conditioned to the unremitting aloneness of the closed room and the fixed solitary hours of their work.’(254) ‘I was teased with this as a child… Why was one taunted for being alone? I found out of course that it is because the loner is a freak, and this puts people off.’(254-55) ‘A sense of humor helps more than anything else, by which of course I mean the ability to see oneself as others see one.’(255) ‘Life in the present day is not conducive to reflection, to creative imagining, to literary lucidity. Each day’s haul of alarms and crises assaults the mind, first fragmentizing it, then passing on to leave it stunned, indifferent, cumulatively less capable of reacting to the next day’s shock. This is destructive to imaginative writing. Novelists and playwrights are flung into despair because the stupendous wants of the day make the literary imagination seem futile and piddling by juxtaposition. Novels become for the most part contrived escapes from, or posturing reflections of, the menacing present…’(261) ‘I believe the strongest bond between us was that each of us was solitary at heart… He was a man who preferred people who had lives of their own, into which he could dip when it suited him; people who would not be dependent on him emotionally or socially, who would not intrude on his privacy any more than he would have intruded on theirs. Intimacy with him in some element of friendship did not imply or invite intimacy in all or other elements. I liked this; I do best in such relationships. Independence and self-reliance are essential to me, and I am most useful to others functioning from this orientation.’(315) ‘I had unlimited time free of the pressures and demands which perhaps do not really exist in a city, but which one tells oneself are there to escape the desolation of being alone in the midst of the crowd. It is better to be alone in the midst of growing things and birds and animals and the small immediacies of country life, precipitated by weather or unexpected guests or saving the strawberries from the field-mice or the roses from the maggiolini…’(373)

do 1903  Cee terug van de stage groepsdynamiek. Enthousiast, geëxalteerd.

v 2003  Geachte Heer Carette, ik heb besloten niet in te gaan op uw uitnodiging tot een gesprek over mijn jongste boek in het tv-programma Vergeet niet te lezen. Ik ben er inderdaad van overtuigd dat de formule van dit programma niet van aard is om tot een adequate lectuur van de voorgestelde geschriften te bewegen. In de hoop dat mijn onthouding ook constructieve gevolgen kan hebben, ben ik zo vrij u mijn bezwaren tegen de huidige formule van VNTL uiteen te zetten.

In de eerste plaats is het veelbetekenend dat dit programma volgens een vaste formule verloopt: gesprek tussen twee personen die beiden voor de camera’s gezeten zijn. Op het eerste gezicht zou men positief kunnen appreciëren dat alle schrijvers op dezelfde wijze bejegend worden. Deze gelijkheid is echter maar schijn, en wel door het feit dat hier een welbepaalde vorm van optreden wordt opgelegd die niet alle schrijvers in dezelfde mate ligt. Zodat de schrijvers hier eigenlijk getoetst worden aan tersluiks vooropgezette normen. Met het gevolg dat de geschriften van vlotte causeurs bvb. heel wat beter tot hun recht komen dan andere. Maar verder is de formule zelf inadequaat t.o.v. heel wat hedendaagse geschriften. In de eerste plaats is de opvatting dat een verbale commentaar vanwege de schrijver zijn geschrift vanzelfsprekend ten goede komt, totaal achterhaald en ook zelfs contradictoir; de eis dat die commentaar mondeling verstrekt wordt, miskent daarenboven de voorkeur van de schrijver voor het medium schrift. In de tweede plaats getuigt de keuze van de converserenden – een schrijver en een criticus, die doorgaans ook een schrijver is – van een visie op de literatuur die nu terecht aangevochten wordt. In die visie wordt relatief minder belang gehecht aan het geschrift dan aan de schrijver, die dan ook vaak de tekst verduistert door zijn optreden; en wordt de criticus beschouwd als een deskundige op wiens lectuur men zich kan verlaten. Bij de nieuwe opvatting daarentegen wordt de aandacht verlegd van de schrijver naar de productieve schrijfdaad, de schriftuur en het geschrift; en wordt de lectuur van de criticus herleid tot een gezagloze lectuur onder vele. In het raam van deze opvatting blijkt de commentaar van de schrijver en die van de criticus een geprivilegieerde lectuur te zijn die het geschrift voorbetekent, die de latere lectuur door gezagloze lezers kleurt en zo de creativiteit van de lectuur veeleer bemoeilijkt dan stimuleert. Misschien verbaast het u dat zovele bezwaren worden aangevoerd tegen een programma waaraan de schrijvers zelf altijd bereid zijn om mee te werken. Maar wellicht weet u ook dat onder diezelfde schrijvers VNTL algemeen als een rotprogramma wordt beschouwd. De reden van die inconsequente houding ligt eenvoudig aan de bepaald niet rooskleurige, en vaak uitzichtloze situatie waarin vele schrijvers in dit land verkeren. Een kopie van deze brief stuur ik naar de heren Van Herreweghen en Vandenbussche, evenals naar de pers.

– Carette ☒

– V. Herreweghen ☒

– Vandenbussche ☒

– Belga

Humo

Nieuwe

– V. Dam v. Isselt

☐ In een open brief waarin hij weigert deel te nemen aan het tv-programma VNTL, drukt D.R. zijn bezwaren uit tegen de formule van dit literair programma. Samengevat komen ze hierop neer:

– De vaste formule van de uitzending biedt maar welbepaalde soorten geschriften de kans om tot hun recht te komen.

– Het feit dat elke voorstelling van een werk geschiedt onder de vorm van een gesprek tussen een schrijver en een schrijver-criticus, strookt met een achterhaalde opvatting van de literatuur waarin de creativiteit van elke lezer wordt miskend.

– Dat vele schrijvers niettemin bereid worden gevonden om hun medewerking te verlenen aan bedoeld programma, schrijft D.R. toe aan hun moeilijke situatie in dit land.

m 2303  Hoe het dan wel zou moeten kan ik bij gebrek aan tv-deskundigheid maar zeer in het algemeen weergeven. In de eerste plaats zou men behoren af te zien van de vaste formule, en voor elk geschrift via een overleg tussen leden van de tv-ploeg die het werk gelezen hebben en de schrijver ervan, een passende presentatie ontwerpen. Dit houdt in dat de huidige formule alleen toegepast zou worden op de werken die ervoor geschikt zijn. In de tweede plaats zou bij het ontwerpen van andere presentaties meer rekening gehouden worden met alle mogelijkheden van de tv-taal. Het medium tv is bvb. zeer goed in staat om de schrijfdaad te tonen. En de confrontatie van de schrijver met een criticus zou vaak vervangen kunnen worden door andere soorten van confrontatie: de schrijver met de tekst zelf of critici met lezers van het werk of met mensen die het toch niet hebben gelezen, of zelfs – waarom niet – met boekheidenen. Over het algemeen zou de uitzending een experimenteel karakter hebben, en daardoor inspirerend kunnen werken op elke benadering van een bepaald voorwerp door het tv-medium. Als wisseloplossing stelt D.R. voor dat aan de vaste formule verzaakt wordt; dat aan de uitzending een experimenteel karakter wordt gegeven, waarbij o.m. een grotere rol zou overgelaten worden aan gewone mensen. ☐ Gister V.R. Had hem wel gewaarschuwd dat hij Chris van den Hoek zachtaardig moest aanpakken, Chris heeft toch veel meer slaappillen moeten innemen en is vanmorgen in erbarmelijke toestand. ☐ Open brief n.a.v. VNTL. ☐ Indrukken van CvdH over V.R.: ‘niet aardig’, ‘die niet goed kan luisteren’, ‘een goede dosis narcissisme’, ‘moet wel zeer gauw in ritmische herhaling vervallen’.

do 2603  Kant die de hand noemde, das äußere Gehirn. Het uiterlijke brein. ☐ De inexpressiviteit van elke echte kunst. Bach. George Sand (Jeanne) die niet genietbaar is dan wanneer ze aan psychologie, dialogen, kortom expressie verzaakt. En de wet van de schele blik. ☐ Henry James, Parisian Sketches (Collier Books): ‘He perhaps felt the force of that truth (which is by no means the paradox it seems) that for artistic purposes there is such a thing as knowing too much about your subject. There are doubtless many matters in regard to which a little knowledge is a dangerous thing; but I should say that often, for the artist, it is a great knowledge that is dangerous – in the sense that it crowds out inspiration and imagination.’(39) ‘… If there were only one sewing machine in the world, for instance, who can say what might be the pecuniary conditions annexed to its changing hand? And then I humbly confess that if a certain number of persons have been found to agree that such and such an enormous sum is a proper valuation of a picture, a book, or a song at a concert, it is very hard not to be rather touched with awe and to see a certain golden reflet in the performance. Indeed, if you do not see it, the object in question becomes perhaps still more impressive – a something too elevated and exquisite for your dull comprehension.’(51) ‘‘Persuaded as we are’, says M. Georges Lachaud, on behalf of the Empire, ‘that a dictatorship alone, by disembarrassing the French people of its grave cares, can restore to it its lightness and its grace, we await with impatience the hour in which France will transfer to the shoulders of a master the burden that renders her thoughtful. Let our future master bring the ‘imperial corruption’ into honor again! And if ever his detractors accuse him of degrading the people, and bring forward to outrage him the old Roman device, panem et circenses, on that day the chief of the state may say with pride that he is really a great sovereign!’ ‘The great duty of the Empire,’ M. Lachaud adds… ‘the great duty of the Empire is to extirper le pessimisme.’’(78)

za 2803  Gister Brussel. Groep Yucca aan het werk gezien, tekst geschreven voor Galerij M.A.S. ☐ Nagelaten Claus uit te nodigen vóór het einde van deze maand.

zo 2903  Onverwacht bezoek van Johan Sonneville, ene Suzy, en Georges Wildemeersch.

m 3003  Onder de morgenwandeling over de Trimpont op deze winderige en betrokken morgen (de grijze hemel schuift naar het noordoosten) drong de gedachte zich op dat het mogelijk was hier gelukkig te leven. (En deze mogelijkheid is het geluk.) ☐ Volgens mother die het van Ludo weet die het vernomen heeft van de schoonmaakster, stond in Het Laatste Nieuws van enkele dagen terug een artikel + grote foto over mijn brief tegen VNTL. Dus eerste objectief toch bereikt.

za 040470  Donderdagmorgen door G.A. opgebeld: de reacties van Carette op mijn open brief about VNTL:

– D.R. doet zoiets omdat zijn VNTL-interview hem niet lag, omdat hij het niet aankan.

– Door zijn brief in de pers te publiceren maakt hij een gesprek onmogelijk. (Hier ligt de valstrik; stel dat de brief niet publiek was gemaakt, dan zou ik misschien voor een onderhoud zijn geroepen, en misschien zou mijn interview op bevredigende wijze ontworpen zijn – maar dan was me ook meteen de mond gesnoerd: elke reactie achteraf zou geïnterpreteerd zijn als een uit de biecht klappen, en misschien wel als een vergelding voor gefrustreerde ambities.)

– In feite was het mogelijk voor D.R. een andere formule toe te passen, en Carette zou het PdW kwalijk nemen dat hij me daarvan niet heeft verwittigd. (Divide et impera; één ongewoon onderhoud opdat de andere lekker routineus kunnen blijven.)

– Wanneer G.A. aandringt dan luidt het antwoord dat mijn brief een geheel nieuw literatuurconcept veronderstelt (dat het huidige VNTL een ánder concept veronderstelt, wordt wellicht niet beseft?), en dat ‘onze mensen’ daar geen belangstelling voor hebben.

Tenslotte verneemt G.A. dat ook andere schrijvers geweigerd hebben in VNTL te verschijnen: Snoek, Gils, Willy Roggeman, Erik Van Ruysbeek.

zo 0504  De tragiek van Cateau die huilend uit het raam staat te kijken naar de in het bos spelende D.’s, maar hardnekkig weigert om zich alleen en ongenood bij hen te voegen.

m 0604  Onlekker, hoest, huiverig. En vannacht een nare droom, waarschijnlijk wel de eerste droom waarin een seksueel gebeuren mij volstrekt koud laat (een paar jongens paren in het openbaar met bloedgeile meiden, mijn onverschilligheid zal wel verband houden met het feit dat een van de jongens Vandenbussche is).

di 0704  Lectuur is alles. Gisteravond lectuur toegepast op tv-feuilleton Mod Squad. Hoe alles duidelijk wordt. De anekdote kan het oordeel onbeslist laten. Maar als je afstand neemt dan stel je vast:

– Dat de film aanhoudend krampachtig gespannen is, zonder één ogenblik van reflectie, relativering, ironie (i.t.t. Mannixbvb.).

– Dat de vrees voor de neonazi gebruikt wordt als een chantage om zich bij de bestaande orde neer te leggen.

Voeg daarbij details zoals de gewelddadige rol van de zwarte, de rijkeluiszoontjesmentaliteit, de afwezigheid van elke erotiek, de occultatie van de wapenhandel e.d.m. ☐ De moord op de Duitse ambassadeur in Guatemala: hoe romanesk.

v 1004  ‘Animal pornography’ (bestialiteit) is een veelzeggend verschijnsel. Ik interpreteer het zo, dat de pornografie zo vlug voor het alternatief komt te staan: ofwel vast te houden aan de overtreding, ofwel zich te laten integreren. De eerste optie was reeds aanwijsbaar in prenten als ‘Two nuns are raped by a drunken sailor and the two pious women change to foaming vampires’, wat heeft een non immers voor bijzonders te betekenen voor een Deense vrijzinnige? Blijkbaar werd hier krampachtig gepoogd een verzwonden zonde te herstellen. Vandaar dan ook de bestialiteit. En daarmee is het ongeveer afgelopen: de buitenissigheden zijn niet onuitputtelijk.

De andere optie leidt onherroepelijk naar een temming (apprivoiser) van de seksualiteit, een rehabilitatie, een erkenning van de seksualiteit als iets doodgewoons. Ofwel put porno zichzelf uit, ofwel heft ze zichzelf op. Een andere vraag blijft mysterieus: welke kracht is het die (knappe) vrouwen ertoe aanzet om met dieren te paren voor een camera?

m 1304  Gister Gent. Kees beschrijft hoe Eppie zich via lectuur op mij verliefd zou hebben. Die bewering door Cee getoetst aan de hand van uitlatingen van Eppie. Daar sta je dan. Uit wanhoop schreef een onbeminde boeken over zijn nood, en lezers antwoordden: ‘Wij houden van je.’ Wat zou men meer willen? Alleen het vermoeden dat Kees me dit niet ‘zomaar’ gezegd heeft, zonder verwachting, zonder nieuwsgierigheid. ☐ Lawrence Durrell, Clea (te herlezen met woordenboek): ‘I saw… that we artists form one of those pathetic human chains which human beings form to pass buckets of water up to a fire, or to bring in a lifeboat. An uninterrupted chain of humans born to explore the inward riches of the solitary life on behalf of the unheeding unforgiving community…’(168) ‘But this act, the poetic act, will cease to be necessary when everyone can perform it for himself.’(144) ‘‘Life only has its full meaning to those who co-opt death!’… ‘Truth is double-bladed, you see. There is no way to express it in terms of language, this strange bifurcated medium with its basic duality! Language! What is the writer’s struggle except a struggle to use a medium as precisely as possible, but knowing fully its basic imprecision? A hopeless task, but none the less rewarding for being hopeless. Because the task itself, the act of wrestling with an insoluble problem, grows the writer up!’’(175) ‘‘It is the first serious letter I have attempted, apart from short notes, with my new hand: this strange accessory-after-the-fact with which the good Amaril has equipped me!… Of course I was frightened and disgusted by it at first, as you can imagine. But I have come to respect it very much, this delicate and beautiful steel contrivance which lies beside me so quietly on the table in its green velvet glove!… I could not have believed myself accepting it so completely – steel and rubber seem such strange allies for human flesh. But the hand has proved itself almost more competent even than an ordinary flesh-and-blood member!’’(271) Verder: de talrijke symptomen van klasse-literatuur. ☐ Cor Blok in De Groene 110470: ‘Woorden geven meestal aan dat iets tot een klasse behoort; ze corresponderen zelden uitsluitend met één enkel ding. Een beeld daarentegen is een individueel ding, ook als het naar iets anders verwijst…’

di 1404  Water in de kelder. Vanmorgen in de tuin: een grote groene specht, twee van de jonge konijnen bij het bakhuis, later een gaai, nog later spreeuwen. ☐ Hoe Kees E. het gevoelen geeft dat hij stevig in zijn huid zit, dat hij zijn huid, zijn lichaam volledig vult. (Tegenover hen voel ik me dan vol Zadkine-achtige gaten waar het tocht…) ☐ Evengoed als in andere tijdschriften is in Totems een groot onbehagen merkbaar t.o.v. literatuur. De vertraging waarmee de laatste afleveringen verschenen is daar niet vreemd aan. In grove trekken kan dit onbehagen omschreven worden als een wanverhouding tussen de ‘geëngageerde tekst’ die bovenal sociopolitiek doeltreffend behoort te zijn en de ‘literaire tekst’ waarvan de lectuur nooit vrij genoeg zijn kan. Het bundelen van beide totaal verschillende soorten van geschriften brengt interferenties terug die beide soorten schaden: in een ‘literaire’ context gaat een dwingend transmissief geschrift, dat een welbepaalde maatschappelijke boodschap overdraagt, vrijblijvend klinken; en een ‘politieke’ context verleent aan een schriftuurlijke tekst een totaal irrelevant gezag dat de vrijheid van de lectuur versnelt. I.t.t. andere tijdschriften heeft Totems nu besloten de knoop door te hakken, en wel op de volgende manier:

– Het onderscheid tussen enerzijds autonome, poëtische, d.i. tekengerichte geschriften en anderzijds kritische of betogende, transmissieve d.i. betekenisgerichte geschriften zal voortaan zo duidelijk mogelijk gemarkeerd worden, o.m. door ze in afzonderlijke afleveringen te bundelen.

– Waar het engagement vooral tot uiting kwam in een algemene geest van protest en revolte, zal voortaan de grootste aandacht gewijd worden aan de consequenties binnen het medium schrift zelf van de progressieve instelling. (Zo worden nu al documenten verzameld omtrent het geschrift als medium, en wordt een kritische studie gemaakt van de hedendaagse uitgeverijen.) Vandaar een tweede titel voor het tijdschrift: Schrift.

– In het bijzonder zal een grote inspanning worden gedaan om het kritisch en creatief lezen en schrijven te promoten via groepswerk en -gesprekken. Er zal naar gestreefd worden om van het tijdschrift de neerslag te maken van dit werk en die gesprekken.

– De ervaring i.v.m. de evolutie van de Vlaamse pers leert echter dat we voortdurend bereid moeten zijn om qua informatie in de bres te springen. We zullen ons dus altijd bereid houden om een speciaal nummer te wijden aan een actueel gebeuren waar andere progressieve organen niet de nodige ruimte aan kunnen wijden. Zo komt binnenkort een tekstkritisch nummer uit over de censuur en de manipulatie in een bekend cultureel tijdschrift.

 

do 1604  Gister vergadering Pili-pili. 15 aanwezigen van de 50 aangeschrevenen: Clara Haesaert, J. Weverbergh, Paul Snoek, Ludwig Alene, Herman Claeys, W.M. Roggeman, Herman Van Snick, Daan Van Hecke, Hugo Raes, Roger de Neef, Roland van Opbroecke, Mark Dangin, Jeroen Brouwers, Marcel van Maele, Jan Daele. Rationeel reformisme. (Tijdens de paar uren worden alleen in de Spoormakersstraat in twee winkels boeken in beslag genomen.) Eigenlijk is de vergadering al geslaagd vóór ze begint: iedereen heeft in de gauwte het orgaan van de VVL ’s morgens in de bus gekregen, mededeling over de radio, en artikel van Lode Claes in Gazet van Antwerpen. Roger de Neef stelt me voor om De grote schaamlippen op BRT te bespreken (De 7 kunsten), zegt dat heel wat recensie-exemplaren verdwijnen en terechtkomen in de bibliotheek van o.m. Jos De Haes. Jeroen Brouwers vraagt me een auto-interview te schrijven voor De Nieuwe Gazet, hij heeft m’n boek gelezen en ‘is er kapot van’ maar weet er niets zinnigs over te schrijven en blablabla – maar hij spreekt niet over geld, en zo versta je: dat hij moeiteloos wat aan geld wil geraken. Argwaan, argwaan: wie van die 15 ‘linksen’ zou je eigenlijk vertrouwen? Een drietal? En W.M. Roggeman vraagt opdracht in Aankomen in Avignon, je doet driest en schrijft eerst: ‘gestolen bij D.R.’, dat schrap je dan, maar schrijft verkeerdelijk Willy Roggeman, moet je weer schrappen, en W.M.R. is niet tevreden.

zo 1904  Maar best dat je totaal door werk overstelpt bent, anders was je misschien wel ingegaan op J.B.’s voorstel om een pseudo-interview te schrijven (en hem de duiten te laten opstrijken). Je bent niet in staat om rekening te houden met de tijd die het schrijven van een tekst van je zal vergen. Typisch voor de schriftuur? De maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd is er irrelevant. Schriftuur kan best tien jaar vergen voor één enkele bladzijde. De schrijvende is een journalist, een publicist, enz. die amok maakt. ☐ Het ACW spreekt zich radicaal uit tegen reclame-tv. Wéét men er niet dat de heer De Smaele zijn blad TV Expres zuiver op verlies laat werken en rekent dat dit blad over twee jaar onmisbaar zal zijn omdat het dan als rappel zal kunnen dienen voor de tv-reclame? ☐ Mother die het slecht maakt – huilbuien en dgl., en een onbedwingbare nervositeit. Een dwingend argument voor nieuwe, niet-echtelijke vormen van groepsleven: het weduweschap van mensen die 20 jaar lang gehuwd hebben geleefd, en vaak nog 20 jaren voor de boeg kunnen hebben. ☐ De vraag moet gesteld worden in hoever het geschrift niet een te traag medium aan het worden is voor allerlei zaken. Bvb. voor wat mentaliteitsverandering betreft: een schrijver is 35-40 voor hij echt gelezen wordt, zodat de jongeren zichzelf eerst in de parallelle geschriften kunnen terugvinden.

m 2004  Binnen twee dagen de zwaluwen en de koekoek.

w 2204  WS vergadering van 210470. Aanwezig: Jan Vercammen, Fred Germonprez, Fernand Auwera, D.R. Afwezig met kennisgeving: Clara Haesaert, Jaak Brouwers, Julien W. Afwezig: Eugène v.I. – Lectuur van de mededeling van A. Van Acker Betreffende de stichting v.e. Fonds voor Letterkundigen (Mededelingen VVL, blz. 27 en 28). Aanmerkingen:

– Blz. 27, 17e voorlaatste regel: voorgesteld wordt ‘via hun erkende verenigingen of anderszins’: voorkeur voor een individuele toetreding tot het fonds omwille van een zo groot mogelijke doorzichtigheid: de verenigingen zijn onmisbaar als controle-organismen.

– Blz. 27, 15e en 16e voorlaatste regels: de persoonlijke bijdrage dient in verhouding te staan tot genoten stipendium.

– Blz. 27, 17e, en 6e voorlaatste regels: met wie zal het fonds zich inlaten? NB er is tegenstelling van belangen tussen fulltime en parttime schrijver: de laatsten hebben in normale omstandigheden geen baat bij het verwerven van een bijkomend statuut van bediende. Mogelijkheid 1: dat de nu gangbare subsidiëring vanwege het Ministerie van Cultuur voorbehouden blijft aan parttime, terwijl het fonds alleen voor fulltime schrijvers zou zorgen. Variante: fonds voor fulltime + de tijdelijke werkgevers voor de parttime die zich tijdelijk uitsluitend op schrijvers willen toeleggen. Mogelijkheid 2: subsidiëring van het Ministerie gaat volledig naar het fonds, dat stipendia en toelagen verdeelt over parttime en fulltime. Hoe voorkomen dat de parttime hierbij geschaad worden? Twee afzonderlijke statuten; vrijstelling, of terugbetaling door het fonds van de RMZ-bijdrage. Eensgezindheid over het feit dat in dit opzicht de meest gunstige formule dient uitgewerkt, zowel voor fulltime als voor parttime.

– Blz. 28, regel 16: wie behoort in het fonds vertegenwoordigd te zijn: de minister voor cultuur en de schrijvers, niet de uitgevers. Inzage nodig van: statuut beroeps[renners][?], NFWO, bescherming titel beroepsacteur. Over de grondwetsherziening i.v.m. artikel 98: het bestuur wordt geadviseerd in dit verband een motie op te stellen om te getuigen van de waakzaamheid van de schrijvers.

Na de vergadering wat met F. Auwera nageboomd. Vertelt het volgende i.v.m. zijn nieuw interviewboek. Interview met M.G. verschijnt in de Volkskrant, daarin verklaart M.G. o.m. dat de persconcentratie feitelijk 100% is (een journalist kan zonder moeite van een links naar een rechts blad overgaan (bvb. omdat hij verhuist), maar een journalist die bvb. aan de deur van De Standaard wordt gezet, komt in geen links blad terecht). Vinnige telefoon van De Smaele naar de Volkskrant(met wie er NB een redactioneel akkoord is). A. bij de uitgever geroepen: wensen dat hij een gesprek zou bijvoegen met… Manu Ruys. Weigert, eist de ondervraagden zelf te kiezen. Na heen en weer getwist: A. zal zelf een journalist van De Standaard mogen kiezen. De Standaard zou onlangs aandelen (40%?) gekocht hebben van Pourquoi Pas? ☐Opmerkelijk dat de laatste tijd berichten en protesten i.v.m. censuur nergens meer verschijnen, zelfs niet in Het Laatste Nieuws. ☐ De eigenlijke zedigheid van Portnoy’s Complaint.

do 2304  Gister telefoon van MvM: het VVL-bestuur roept een buitengewone vergadering bijeen tegen begin juni. Tegenzet. G.A. opgebeld. Ook hij is danig ongerust. Opeenstapeling van kleine angsten van onderhorigen in de informatiemedia – maar het artikel van Manu Ruys over de vuile vieze contestatie getuigt van een grotere angst ergens aan de top. Facts: Van W. Vaerewijck heeft hij vernomen dat M. De Wilde hen gevraagd heeft voortaan geen berichten over hemzelf door te laten, want telkens wordt hij door de hogere bazen op de vingers getikt. Ingevolge een dagboeknotitie van PdW krijgt het NVT een scheldbrief van Jaak Veltman die zich op het recht op antwoord beroept. ☐De boterhamlange response van Frans Depeuter. Dringend antwoord nodig, want het woelt alles in mijn hoofd. ☐ Het probleem van de vermenigvuldiging van de media. Zal het een mens ooit mogelijk zijn om in álle media creatief te zijn? Misschien hoeft het niet. Misschien komt het er voor alles op aan, de lectuur van alle media creatief te maken. En wellicht is de creativiteit binnen één enkel medium daar een middel toe? ☐ Waarde Frans Depeuter – ik weet het nu al: dit wordt een volstrekt ontoereikend antwoord op je tekst. Eigenlijk stelde je een epiloog voor, maar jouw tekst is van dien aard dat hij vanzelf tot een antwoord in briefvorm aanzet. Toch wil ik me beperken en zoveel mogelijk de ‘personalities’ uit deze brief weren, o.m. omdat jij op dat vlak voor mij een grote onbekende bent. Ook wens ik niet in te gaan op alle aanleidingen tot controverse die je tekst biedt (ten overvloede! Alle filosofische, metafysische, esthetische toespelingen, waaronder het gebruik van zijn, ik en zelf bvb., maken me kregelig), we zouden vlug de weg opgaan van de o zo leerrijke polemiekjes – ‘welles!’ – ‘nietes!’ enz. enz. ad infinitum. Veroorloof mij één enkele schoolmeesterachtigheid bij nr. 31, waar je insinueert dat commerciële overwegingen een rol hebben gespeeld in de keuze van de titel. Hetzelfde werd beweerd door de recensent van De Telegraaf. Ter informatie over de mentale wereld waarin we leven: 1° Uit een brief van directeur van de uitgeverij Nijgh & Van Ditmar van 111268: ‘… Mocht U de titel van het boek willen veranderen dan zou U mij hiermede genoegen doen aangezien de voorgestelde titel de verkoop waarschijnlijk ongunstig zal beïnvloeden. Wellicht zal er zelfs een bepaald publiek zijn dat het om andere redenen koopt dan U en ik wensen. Ook onze vertegenwoordigers zijn niet erg gelukkig met de titel. Zij stelden voor het boek de titel De grote schaamte mee te geven …’ 2° Uit een gesprek met een schrijver in 1968: ‘Een héél goede titel, maar zal niet verkopen. Niemand zal het lef hebben om een boekhandel binnen te lopen en te vragen: ‘Hebt u mij De grote schaamlippen?’’ 3° Na verschijnen schreef de uitgever de zeer slechte verkoop onomwonden aan de titel toe. Verklaring van een belangrijke boekhandelaarster: ‘U begrijpt wel dat ik, een vrouw, moeilijk een boek met een dgl. titel kan aanprijzen?’ Hier heb je je dus klaarblijkelijk laten beïnvloeden door een interpretatiemechanisme dat seksuele vrijmoedigheid (wat nog iets anders is dan seks) evengoed als tegendraadsheid en protest e.d. automatisch aan lage motieven toeschrijft. Laster is kennelijk nog altijd lonend. Hopelijk zal zo’n vergissing je argwaan t.o.v. de zogenaamde weldenkende pers vergroten. Nu ter zake, d.w.z. tot het schrijven want dat is wel het onbetwistbare raakvlak. Jij hebt geantwoord (why worsteling?). Op zichzelf vind ik dat al overweldigend: ik zit hier op m’n eentje te schrijven, en er zijn onbekenden die mijn geschriften beantwoorden. (En noteer dat dan pas van communicatie kan gesproken worden: een geschrift op zichzelf mist de wederkerigheid en de gelijkwaardigheid die elke communicatie behoeft t.o.v. de telefoon.) En dadelijk rijst de vraag: of zelfs buiten elk (verplichtend) antwoord om het opengaan niet in het eigenzinnige geschrift aanwezig was. Ik moet wel vaststellen: alles gaat alsof ik van dit zo introverte geschrift zonder enige discontinuïteit ben overgegaan naar een heel wat… levenswijze. Stel dat dit niet was gebeurd, dan zouden verschillende responses mij er toch toe gebracht hebben? Hypothese: het meest egocentrische geschrift bevat een kiem van altruïsme, en zelfs esoterisme betekent een extra prikkel om tot lectuur aan te zetten. (Het kind dat wegloopt en roept: ‘Je krijgt me niet te pakken!’) Platvloers technisch bekeken: iemand die niet wil gelezen worden, die ‘alleen voor zichzelf schrijft’ zou wel zeer dwaas moeten zijn om dan leesbare tekens te gaan neerpennen, terwijl hij geheimschriften kan gebruiken, of beter nog: in een klankvrije kamer, buiten bereik van CIA-afluisterapparatuur, woorden fluisteren. Welnu, als de hypothese klopt, dan vormt ze een eerste reden om de woorden en de taal niet zomaar (zoals zij het ongeveer doet) met alle zonden Israëls te belasten. En dat heeft wellicht te maken met jouw pessimisme en wantrouwen tegenover wetenschap, vooruitgang, intellect, cultuur en dgl. Ik vind die zonder meer onrustwekkend. Hier hoef ik wel niet te verwijzen naar de verscheidene misdadige uitlopers van de nostalgie naar een ‘oermenselijk ‘zijn’’. Laten we eens pragmatisch zijn: al die eeuwen van cultuur die we achter de rug hebben kunnen we nooit zomaar kwijtspelen. Zij vormen doodgewoon het materiaal waar we ons mee mochten behelpen. NB: materiaal, grondstof. CCCultuur is precies onduldbaar in de mate waarin ze ons als een afgewerkt product wordt aangediend. En daar ligt precies de kwaal waarmee we beiden hebben af te rekenen. Men heeft ons willen wijsmaken dat alles in kannen en kruiken was, dat ‘geprefabriceerde cultuurmensen’ niets anders meer overbleef dan ons te conformeren. Terwijl de opdracht er precies in bestaat, zelf de grondstof te verwerken, de CCCultuur tot onze eigen cultuur om te vormen. Dit geldt dan ook voor de taal en het geschrift. Het is zonder meer onwaar dat de taal een product is van de rede (19), dat woorden een niet-lichamelijke essentie zijn (37). Ik zou haast het gevoelen hebben dat schrijven voor jou een ‘lekkere zonde’ is. Het komt erop aan de CCCultuur te onderscheiden van de cultuur, de Litherathuur van schriftuur/lectuur. De gratuite woorden te onderscheiden van de woorden die daden zijn. De argwaan te voeden voor de taal. (In welke mate denkt hij in onze plaats? Waar verraadt hij zichzelf?) En het samenleven is ook wel noodzakelijk om te ervaren hoeveel doelmatiger dan woorden allerlei uitingen kunnen zijn. De literatuur is het die schendt en vervalst, omdat ze pretendeert alles aan te kunnen, een munt te zijn die álles dekt. De kernvraag is: waar zijn de woorden nu eigenlijk goed voor, wat kan er adequaat met woorden worden gemaakt? (En nu eerst zie ik een belangrijke functie van het fragment ‘Een weg van het dorp’: het is een meetinstrument, een indicator: zoals deze tekst de weg van het dorp reveleert, zo reveleert De grote schaamlippen mezelf.)

Zo ontstaat het nieuwe project schriftuur/lectuur. Ga je niet inbeelden dat ik verbeelding of fiction taboe heb verklaard (het zou wat moois zijn te schrijven boven elke fiction). Maar wel zou ik willen stellen: dat het gedaan moet zijn met de naïevelingen uit te hangen, dat het hoog tijd is om na te gaan wat we nu eigenlijk aanrichten, om de taalvloed én de verbeeldingsvloed onder controle te houden. (Hoe anders zou het schrijven boeiend zijn?) Ik ben heel blij dat jij ook zoveel belang hecht aan de (kritische en creatieve) lectuur (o.m. 8). Ik zou haast zeggen: lectuur is alles, en alles leent zich tot lectuur. De reductie van de literatuur tot de adequate schriftuur beantwoordt aan een explosie van de lectuur: wat staat er geschreven, wat betekent het, wat betekent het feit dat het werd geschreven. En dit is dan wel een hele sociaal verstrekkende opdracht (die ik weleens de leraars benijd, omdat zij er zó voor aangewezen zijn). Die terugvoert naar de schriftuur: kan men (allerlei media) lezen wanneer men niet heeft geschreven?

En wat tenslotte het leven betreft: ik ben ertoe overgegaan, mijn schrijven als een wijze van leven te aanvaarden. I.t.t. jou schrijf ik als ik gelukkig ben, en maakt het schrijven mij gelukkiger en genietbaar en de anderen (11). Mits kritiek en controle van de tekst naar het leven heen en terug. Een arbeid die op zichzelf heel beperkt is, een specialiteit binnen deze maatschappij, die ook wel met beroepsmisvormingen gepaard gaat. Soms wek ik de indruk dat ik alleen mijn werk boeiend acht; ik ben alleen maar uitgelaten over het boeiende van mijn werk: kan me best voorstellen dat veel meer werkzaamheden dan men vermoedt boeiend gemáákt kunnen worden (alleen de arbeiders wellicht biedt de opstand de enige kans tot creativiteit). En wat de authenticiteit betreft, de mogelijkheid dat mijn leven op een dubbele bodem steunt – daarvoor moet ik je naar mijn dood verwijzen: mij dunkt dat alleen aan m’n leven in zijn geheel én aan m’n dood… Denk niet dat ik het mezelf gemakkelijk maak: het gebrek aan humor van mijn geschriften bvb. is… (Portnoy)

v 2404  Miezelregen. Antwoord aan Depeuter. Werkdocument Leo Geerts. Onwaardige kritiek door Wildemeersch aan W.’s Puin. Waarmee hij De Smaele aardig in de kaart speelt. Depeuter, Geerts, Wildemeersch, Weverbergh: wat heeft toch die collusie tussen literatuur en rancune te betekenen?

za 2504  Het volwaardige woord is er een waarnaar je gezocht hebt, moeizaam, geprikkeld, en dat je dan ineens gevonden hebt: een vonk en een explosie, ‘ja dat is het!’ Je ‘kende’ het woord wel, maar eerst nu ontdek je hoe adequaat het kan zijn: het klopt. Maar al die woorden (F.D.?) die machinaal worden gebruikt, stoplappen, wellicht gewoon omdat men ons (psychologisch) gedwongen heeft ze te gebruiken toen wij er nog geen enkele behoefte aan hadden. ☐ VNTL van gister: G.A. met Gabriel Deblander. En net ervoor (onder de zielige presentatie van twee dichtbundels) dacht ik dat ik G.A. dringend moest voorstellen om een Franse schrijver goed voor te stellen, opdat de Vlamingen zich benadeeld zouden voelen. Nu uitkijken naar de reactie. ☐ Technologie en kunst. De techniek stelt de ruis vast, isoleert ze, elimineert ze. Dan komt de kunst, en gaat met de ruis spelen.

zo 2604  Danig down. Aanleiding een kift met Cee i.v.m. naschoolse activiteiten. Maar nu is het alsof de uitval van L.G. (zo kort na die van F.D.) je k.o. heeft geslagen. Wat bezielt die mensen toch. Wat heb je hen misdaan. (Antwoord: goed geschreven?) Een mokerslag.

di 2804  EvI die het nu tot adviseur van de premier heeft geschopt. Er is een dialectiek, die soms tot een conflict kan uitgroeien, tussen verscheidene opvattingen van het schrijven – en dan ineens het vermoeden dat het de tegenpartij in het geheel niet om het schrijven ging, dat de bekommernis over het schrijven maar een springplank was én een dekmantel naar – naar wat eigenlijk? Frustratie. Waar sta je eigenlijk, welk spel heb je meegespeeld? ☐ De open brief van Scharow, Turchin en Medvedev (De Groene, 2504) De democratie als noodzakelijke voorwaarde voor de tweede industriële revolutie.

w 2904  De priester-dichter. 1° Meer dan anderen was hij eenzaam. 2° Hij was meer dan gangbaar ingewijd in het medium schrift en in de lectuur (brevier!). 3° Zijn ambtelijke taal (en bvb. die geestelijke retorica) moest de nood aan andere, vrijere taal oproepen.

do 3004  Lezersbriefje uit Leuven van Pater Neefs s.j. Een teken van leven. ‘Kiekeboe, de sociëteit waakt!’

 

Transcriptie: Liska Brams

Met dank aan de erven Daniël Robberechts

 

 

Verantwoording

Vanaf het midden van de jaren zestig publiceert Daniël Robberechts (1937-1992) dagboekfragmenten, in 1967 in daele, Yang en Komma en vanaf 1968 in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. In 1969 verschijnt De grote schaamlippen, een experimenteel autobiografisch werk dat het de lezers volgens Robberechts mogelijk moet maken om hun leven met dat van hem te vergelijken. Het boek omvat onder meer dagboekpassages uit de periode ’65-’66, waaronder licht herwerkte versies van gepubliceerde fragmenten. Reeds in deze periode speelt Robberechts met het idee om zijn dagboek in boekvorm uit te geven, maar een dergelijke uitgave komt er pas in 1984, wanneer Manteau Dagboek ’64-’65 uitgeeft, in 1987 gevolgd door Dagboek ’66-’68, uitgegeven door Kritak. In het voorbericht van Dagboek ’64-’65 schrijft Robberechts dat hij zijn dagboeken zelf uitgeeft omdat hij er niet op kan rekenen dat het na zijn dood zal gebeuren: ‘[H]et gebeurt niet, in Vlaanderen. Of dan maakt een of andere redacteur eerst eventjes uit wat de lezers relevant zullen vinden.’ Zelf knipt hij niet in zijn dagboek omdat het hem een hopeloze onderneming lijkt ‘het kaf van het koren te scheiden’. Alleen intieme informatie die hem niet toebehoort laat hij weg. Ook stilistisch grijpt hij zo weinig mogelijk in, hoe moeilijk dat ook is: ‘Als schrijver vond ik het wel niet gemakkelijk, woorden te laten staan die ik nu onmogelijk nog uit mijn pen krijg.’

Na Robberechts’ overlijden in 1992 verschijnen verschillende dagboekfragmenten in tijdschriften en in 2010 publiceert het balanseer Dagboek ’68-’69. Het voorliggende fragment begint op 25 januari 1970 en eindigt op 30 april van hetzelfde jaar. Het sluit aan bij het laatste postuum gepubliceerde dagboekfragment, verschenen in De Witte Raaf, nr. 162 in 2013. In het volgende nummer van De Witte Raaf, nr. 241, verschijnt het vervolg, het dagboek bijgehouden tussen 1 mei en 30 juni 1970.

Bij de redactie werden zo veel mogelijk de regels gevolgd die Robberechts zelf hanteerde: het dagboek is integraal weergegeven en er is alleen minimaal ingegrepen omwille van de leesbaarheid. Ongebruikelijke afkortingen zijn voluit geschreven, de progressieve spelling is aangepast en de taal- en schrijffouten zijn verbeterd. Toch wordt niet het volledige dagboekmanuscript gepubliceerd, want dat omvat niet alleen Robberechts’ eigenlijke dagboek, maar ook (kladversies van) andere teksten. In 1965 schrijft Robberechts dat deze werkwijze verwant is aan die van Franz Kafka: ‘[N]ooit dan aan één boek werken dat zowel het dagboek bevat als de verhalen, de romans, enz. Van een dagboek zou er natuurlijk enkel sprake zijn wanneer er niet aan iets anders wordt gewerkt.’ Vanaf 1967 duiken inderdaad verschillende tekstsoorten in het dagboek op. Het onderscheid maakt Robberechts duidelijk met een kleurcode. In 1970 gebruikt hij bijvoorbeeld een zwarte balpen voor Praag schrijven, een zwarte vulpen voor betogende geschriften (zoals een groepswerk met Jan Emiel Daele en Daniël Van Hecke over het uitgeversbedrijf), een groene balpen voor een tekst over Walter van den Broeck en een blauwe balpen voor dagboekaantekeningen. Alleen deze laatste notities zijn hier verzameld.

Een verklarende namenlijst verstrekt contextuele informatie over tijdgenoten, tijdschriften en organisaties, in relatie tot het dagboek van de auteur en de literaire cultuur waarin het geschreven is. Van een aantal namen kon de herkomst niet worden achterhaald. De namen zijn alfabetisch gerangschikt, met tussen vierkante haken de alternatieve schrijfwijzen die Robberechts hanteert. Er is gekozen voor een apart register om het geschrift, naar Robberechts’ voorbeeld, vrij van voetnoten te houden.

Liska Brams

 

 

Register

 

Elisabeth Robberechts-Abbeloos [mother] (1908-1981), moeder van D.R. en weduwe van ambtenaar Jan Emmanuel Robberechts.

 

Achiel Van Acker [A. Van Acker] (1898-1975), Belgisch Nederlandstalig socialistisch politicus en auteur. Meermaals premier van België en vanaf 1961 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. In 1969 verschijnt de dichtbundel Puntdichten en grafschriften bij Lannoo.

 

Georges Adé [Georges; G.A.] (1936-1992), pseudoniem Laurent Veydt, Belgisch Nederlandstalig schrijver, vertaler, journalist, radio- en tv-criticus. In 1969 verschijnt De aftakeling bij Standaard Uitgeverij.

 

Paul Van Aken (1949-2011), Belgisch Nederlandstalig germanist, schrijver, leraar en zoon van auteur Piet Van Aken.

 

Ludwig Alene, pseudoniem van Walter Strobbe (1935-2007), Belgisch Nederlandstalig schrijver. In 1970 verschijnt de dichtbundel Moments and situations en Vingers bij Sonneville.

 

Fernand Auwera [Auwera; F. Auwera], pseudoniem van Ferdinand van der Auwera (1929-2015), Belgisch Nederlandstalig schrijver, journalist, vertaler, scenarist en ambtenaar voor de stad Antwerpen. In 1969 verschijnt Schrijven of schieten, een interviewboek met een twintigtal auteurs waaronder D.R.

 

Cor Blok, geboren Cornelis Blok (1934-2021), Nederlands beeldend kunstenaar, illustrator en kunsthistoricus. Werkt voor het Haags Gemeentemuseum en schrijft over kunst voor tijdschriften als De Groene Amsterdammer.

 

Jaak Brouwers (1930-2010), Belgisch Nederlandstalig schrijver, journalist, leraar en cultuurredacteur van Het Laatste Nieuws.

 

Jeroen Brouwers [J.B.] (1940-2022), Nederlands schrijver, journalist en redacteur. Werkt vanaf 1964 voor Uitgeverij Manteau in Brussel, dat in 1969 de fictieve autobiografie Groetjes uit Brussel publiceert.

 

Antoon Carette [Carette] (1940-2015), Belgisch Nederlandstalig radio- en televisieproducent en regisseur voor de BRT. Verantwoordelijk voor de literaire programma’s Vergeet niet te lezen en De vijfde windstreek.

 

Celbeton (1957-1975), culturele vereniging in Dendermonde, opgericht door schrijvers Werner Verstraeten en Adolf Merckx. Organiseert tentoonstellingen, lezingen, debatten, filmvertoningen en concerten in volkscafé ’t Zaaltje.

 

Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid [CSC], Belgisch progressief coördinatiecentrum voor socioculturele verenigingen in Vlaanderen en Brussel, opgericht in 1968.

 

Dirk Christiaens [D.C.] (1942), Belgisch Nederlandstalig germanist, historicus en schrijver. In 1969 verschijnt de dichtbundel Tuin van huid bij Manteau, bekroond met de Prijs van de Vlaamse poëziedagen.

 

Lode Claes, geboren Ludovicus Claes (1913-1997), Belgisch Nederlandstalig politicoloog, jurist en journalist. Sluit zich in de jaren zestig aan bij de Volksunie en zetelt vanaf 1968 in de senaat.

 

Herman J. Claeys [H.J.C.; Herman J.C.; Herman Claeys] (1935-2009), Belgisch Nederlandstalig germanist, auteur en activist. Opent in 1969 in Brussel de Free Press Bookshop en het anarchistische café De Dolle Mol. Het geluid en Steenverschijnen respectievelijk in 1968 en 1969 in de reeks 5de meridiaan van Manteau.

 

Hugo Claus [H.C.; Claus] (1929-2008), Belgisch Nederlandstalig schrijver, beeldend kunstenaar en filmmaker. Verhuist in maart 1970 vanuit het Oost-Vlaamse Nukerke naar Amsterdam. Dat jaar verschijnt de dichtbundel Van horen zeggen bij De Bezige Bij.

 

Frank De Crits [De Crits] (1942), Belgisch Nederlandstalig dichter, vertaler en organisator van literaire evenementen.

 

Jan Emiel Daele [Jan; Jan Daele; Jan E. Daele] (1942-1978), Belgisch Nederlandstalig schrijver, kunsthistoricus, communicatiewetenschapper en (mede)stichter van Yang, daele, Totems en Totems/Schrift. In 1970 verschijnen Strijd in de wielersport in eigen beheer en een studie over het uitgeversbedrijf met Daniël van Hecke en D.R. in Totems/Schrift.

 

Edmond Willem Pieter van Dam van Isselt [V. Dam v. Isselt] (1915-2005), Nederlands diplomaat, betrokken bij de oprichting van de Benelux. Vanaf 1957 directeur van de Nederlandse uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

 

Mark Dangin, pseudoniem van Luc van Clooster (1935-1996), Belgisch Nederlandstalig schrijver, jurist, criticus en redacteur van Totems/Schrift. In 1970 verschijnt de dichtbundel Maran Atha bij Colibrant.

 

Gabriel Deblander (1934-2014), Belgisch Franstalig schrijver van proza, poëzie en theaterteksten. Presenteert op 24 april 1970 de novelle Le retour des chasseurs in het BRT-programma Vergeet niet te lezen.

 

Familie Denaeyer [de D’s], Belgisch-Spaans Franstalig gezin van grafisch ontwerper Roland Denaeyer, beeldend kunstenaar Colette Van Poelvoorde en hun twee kinderen. Buren van de familie Robberechts.

 

De Nieuwe (1964-1986), Belgisch Nederlandstalig progressief en flamingantisch onafhankelijk opinieweekblad, met Mark Grammens als directeur-hoofdredacteur. Opvolger van De (Vlaamse) Linie.

 

De Nieuwe Gazet, Belgische Nederlandstalige liberale Antwerpse stadskrant, opgericht in 1897 als opvolger van De Koophandel. Vanaf 1968 is Frans Strieleman hoofdredacteur.

 

Frans Depeuter [Depeuter; F.D.] (1937), Belgisch Nederlandstalig schrijver, leraar en scenarist. Medeoprichter van Heibel met Robin Hannelore en Walter van den Broeck. Publiceert in 1970 in Heibel een kritische bespreking van De grote schaamlippen (1969) van D.R., gevolgd door een antwoord van de auteur.

 

Enno Develing [Enno; Develing] (1933-1999), Nederlandse schrijver en conservator. In 1968 verschijnt De maagden. Project II bij Manteau in de reeks 5de meridiaan. Cureert in 1970 in het Haags Gemeentemuseum de eerste Europese solo van Sol LeWitt.

 

De zeven kunsten [De 7 kunsten] (1962-1973), dagelijks radioprogramma van de BRT over de nationale en internationale culturele actualiteit. In 1970 op weekdagen uitgezonden na de nieuwsberichten van 22 uur.

 

Jacques Dhaenens [Dhaenens] (1939-1972), Belgisch Nederlandstalig socioloog, romanist en leraar. Publiceert in 1969 met vakbondssecretaris Eugeen Lambrecht het Marxistisch Woordenboek bij S.V. Links.

 

Dupuis, Belgische drukkerij opgericht in 1898 door Jean Dupuis in Marcinelle. Sinds de jaren veertig voornamelijk gericht op de productie van stripverhalen, na de uitgave van het populaire stripweekblad Robbedoes in 1938.

 

Betsy Eeckhout [Betsy] (1946), Belgisch beeldend kunstenaar en leraar. In de jaren zestig getrouwd met Daniël Van Hecke, met wie ze net als de familie Robberechts in Everbeek woont.

 

Cécile Faniel [Cee] (1940), leerkracht wiskunde in een atheneum in Henegouwen. Echtgenote van D.R. sinds 1962, woonachtig met twee kinderen in het Oost-Vlaamse Everbeek.

 

Gustave Faniel [Vader F.] (1898-1991), schoonvader van D.R. en vader van Cécile Faniel.

 

Galerij M.A.S., galerij voor hedendaagse kunst in Deinze, in 1965 opgericht door Marianne Saverys.

 

Jef Geeraerts, geboren Jozef Geeraerts (1930-2015), Belgisch Nederlandstalig schrijver en journalist. Publiceert in 1968 het eerste deel van de controversiële Gangreen-cyclus bij Manteau, in 1969 in beslag genomen door minister van Justitie Alfons Vranckx.

 

Leo Geerts [Geerts; L.G.] (1935-1991), Belgisch Nederlandstalig germanist, schrijver, criticus en leraar. Publiceert in 1970 een kritische bespreking van De grote schaamlippen (1969) van D.R. in Streven.

 

Fred Germonprez [Fred G.], geboren Alfred Germonprez (1914-2001), Belgisch Nederlandstalig auteur, journalist en redacteur van De Koerier van West-Vlaanderen. In 1969 verschijnt de roman De magistraat bij De Clauwaert.

 

Maurice Gilliams [M.G.] (1900-1982), Belgisch Nederlandstalig schrijver. Ontvangt in 1969 de Constantijn Huygensprijs voor zijn oeuvre.

 

Gust Gils [Gils] (1924-2002), Belgisch Nederlandstalig schrijver, redacteur en medeoprichter van Gard Sivik. In 1969 verschijnt de poëziebundel Levend voorwerp bij De Bezige Bij.

 

De Groene Amsterdammer [De Groene], Nederlands onafhankelijk opinieweekblad, opgericht in 1877 als De Amsterdammer.

 

Jos De Haes (1920-1974), Belgisch Nederlandstalig schrijver, radiomaker en vertaler. Werkt voor de BRT mee aan de culturele programma’s Vergeet niet te lezen en De zeven kunsten.

 

Clara Haesaert [C.H.; Clara H.], geboren Claire Weyens (1924-2018), Belgisch Nederlandstalig dichter en ambtenaar bij het ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, waar ze zich inzet voor bibliotheekvoorzieningen. In 1970 verschijnt de dichtbundel Spel van vraag en aanbod bij Heideland.

 

Daniël Van Hecke [Daan; Daan V.H.] (1938-2020), Belgisch Nederlandstalig schrijver, leraar en redactielid van Totemsen Totems/Schrift. Woont in 1970 net als de familie Robberechts in Everbeek.

 

Hubert Van Herreweghen [Van Herreweghen; V. Herreweghen] (1920-2016), Belgisch Nederlandstalig dichter, journalist en televisieproducent voor de BRT, onder meer van Vergeet niet te lezen.

 

Danny Huwé (1943-1989), Belgisch Nederlandstalig journalist en nieuwslezer voor de BRT.

 

Eugène van Itterbeek [EvI; E.; Eugène] (1934-2012), Belgisch Nederlandstalig schrijver, romanist, jurist en politicus. Vanaf 1968 secretaris van de Vlaamse Vereniging van Letterkundigen (VVL). In 1970 benoemd tot adviseur van eerste minister Gaston Eyskens.

 

Herwig Leus [Leus; H.L.] (1940-2003), Belgisch Nederlandstalig essayist, dichter, criticus en vertaler. Publiceert in 1968 de essaybundel Mijn leuzen bij Manteau.

 

Marcel van Maele [MvM; Marcel] (1931-2009), Belgisch Nederlandstalig schrijver, kunstenaar en redacteur van Labrisen De Tafelronde. In 1970 verschijnt de roman Koreaanse vinken bij Manteau.

 

Mannix (1967-1975), Amerikaanse detectiveserie, in België uitgezonden op de BRT, en de eerste televisieserie die D.R. met regelmaat volgt.

 

Angèle Manteau [Mevr. Manteau] (1911-2008), Belgisch uitgever en scheikundige. Richt in 1938 de Nederlandstalige uitgeverij Manteau op in Brussel.

 

Frans Van Mechelen [Van Mechelen] (1923-2000), Belgisch socioloog en CVP-politicus, in 1968 minister van Nederlandse Cultuur. Verantwoordelijk voor de oprichting van de eerste culturele centra in Vlaanderen. Op 17 juli 1970 publiceert D.R. een tekst over zijn beleid in De Nieuwe.

 

Ivo Michiels [Michiels], pseudoniem van Henri Ceuppens (1923-2012), Belgisch Nederlandstalig schrijver, criticus, docent en scenarist. In 1968 verschijnt Orchis militaris bij De Bezige Bij.

 

Roger M.J. de Neef [Roger de Neef] (1941), Belgisch Nederlandstalig journalist, schrijver en radiomaker. In 1970 verschijnt de bundel Lichaam mijn landing bij Yang.

 

Georges Neefs [Pater Neefs s.j.] (1910-1984), Belgisch jezuïet in Antwerpen. Verzorgt in 1970 de publicatie van een selectie uit de dagboeken van priester-arbeider Egied van Broeckhoven.

 

Nieuw Vlaams Tijdschrift [NVT] (1946-1983), Belgisch Nederlandstalig tijdschrift. Verantwoordelijk voor de uitreiking van de jaarlijkse Arkprijs van het Vrije Woord, die D.R. in 1964 ontvangt voor Zesmaal. Publiceert in 1970 dagboekfragmenten en een fragment uit Aankomen in Avignon van D.R.

 

Nijgh & Van Ditmar, Nederlandse uitgeverij ontstaan in 1864. In 1969 uitgever van De grote schaamlippen van D.R.

 

Roland van Opbroecke (1932-1990), Belgisch Nederlandstalig radiomaker, schrijver, journalist en presentator van het maandelijkse BRT-programma Schrijvers spreken (1966-1968).

 

Pourquoi pas? (1910-1989), Belgisch Franstalig politiek satirisch tijdschrift opgericht door de schrijvers George Garnir, Léon Souguenet en Louis Dumon-Wilden.

 

Hugo Raes [Raes] (1929-2013), Belgisch Nederlandstalig schrijver, vertaler en leraar. In 1970 verschijnt de roman Reizigers in de anti-tijd bij De Bezige Bij.

 

Roger Raveel (1921-2013), Belgisch schilder en docent. Stelt in 1970 onder meer tentoon in Gildhof Expocentrum in Tielt.

 

Vital Robben [V.R.] (1939-1989), Belgisch Nederlandstalig binnenhuisarchitect, medeverantwoordelijk voor de verbouwing van de hoeve van de familie Robberechts. Schrijft in de jaren zestig voor tijdschriften als De Nieuwe en Vlaanderen.

 

Catherine Robberechts [Cateau] (1964), Belgisch Nederlandstalig historicus, vertaler en redacteur. Dochter van D.R., loopt in 1970 school in Everbeek.

 

Ludovic Robberechts [Ludo] (1935-2025), Belgisch filosoof en docent. Oudere broer van D.R. Promoveert in 1960 aan de Katholieke Universiteit van Leuven en publiceert in 1964 een introductie tot Edmund Husserl.

 

Marie-Paule Robberechts [Marie-Paule], oudere zus van D.R.

 

Willem M. Roggeman [W.M.R.], geboren Willem Maurits Roggeman (1935), Belgisch Nederlandstalig schrijver, journalist en vertaler. In 1969 verschijnt de dichtbundel Het orakel van New York City bij Manteau.

 

Willy Roggeman (1934-2023), Belgisch Nederlandstalig schrijver, criticus, muzikant en leraar. In 1970 verschijnt de essaybundel De ringen van de kinkhoorn bij Nijgh & Van Ditmar.

 

Manu Ruys, geboren Emmanuel Ruys (1924-2017), Belgisch Nederlandstalig germanist en journalist voor De Standaard. In 1969 verschijnt Valt België uiteen? bij Keesing.

 

Erik Van Ruysbeek, pseudoniem van André van Eyck (1915-2004), Belgisch Nederlandstalig germanist, schrijver, docent en journalist voor Het Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet. In 1970 verschijnt de bundel Tussen bron en monding bij Colibrant.

 

Albert De Smaele [De Smaele] (1921-2009), Belgisch Nederlandstalig uitgever, journalist en jurist. Leidt vanaf 1947 de Standaardgroep, die onder zijn bewind verscheidene drukkerijen, kranten en tijdschriften overneemt. Lid van de raad van beheer van de BRT vanaf 1960.

 

Herman Van Snick (1914-2002), Belgisch Nederlandstalig schrijver, vrederechter en advocaat. In 1970 verschijnt zijn laatste dichtbundel Tussentijd bij Colibrant.

 

Humo, Belgisch Nederlandstalig weekblad voor radio en televisie, opgericht in 1936. Vanaf 1969 is Guy Mortier hoofdredacteur.

 

Paul Snoek [Snoek], pseudoniem van Edmond Schietekat (1933-1981), Belgisch Nederlandstalig schrijver, schilder en zakenman. In 1969 verschijnt de verzamelbundel Gedichten 1954-1968 bij Manteau.

 

Johan Sonneville (1941-1995), Belgisch Nederlandstalig schrijver, journalist en uitgever. Richt in 1969 uitgeverij Sonneville op, waar in hetzelfde jaar zijn romandebuut Netsky verschijnt, met een ‘nabericht’ van Paul de Wispelaere.

 

Fernand Spillemaeckers (1938-1978), Belgisch kunstenaar, romanist, criticus en tentoonstellingsmaker. Sticht in 1970 de Brusselse Galerie MTL, een galerij voor conceptuele kunst.

 

Mon Steyaert [Mon] (1938), Belgisch boekhandelaar. Baat met zijn vader en broer de Nederlandstalige boekhandel en ontmoetingsplek De Plukvogel uit in de Brusselse Moutstraat.

 

The Mod Squad (1968-1973), populaire Amerikaanse politieserie van Buddy Ruskin over drie jonge hippie undercoveragenten, in België te zien op de BRT.

 

Totems (1968-1969), Belgisch Nederlandstalig tweemaandelijks literair tijdschrift, opgericht na een fusie van MEP en daele. In 1970 omgedoopt tot Totems/Schrift, met D.R. als redactielid en Jan Emiel Daele als secretaris.

 

TV Expres (1969-2001), Belgisch Nederlandstalig weekblad uitgegeven door Perexma, een samenwerkingsverband tussen De Vlijt en de Standaardgroep.

 

Willy Vaerewijck [W. Vaerewijck] (1914-1982), Belgisch Nederlandstalig journalist, redacteur en dichter. Staat vanaf 1969 aan het hoofd van het persbureau Belga.

 

Paul Vandenbussche [Vandenbussche] (1921-2011), Belgisch Nederlandstalig journalist, ambtenaar en kabinetsmedewerker van CVP-politici. Vanaf 1960 directeur-generaal en later administrateur-generaal van de BRT.

 

Jaak Veltman, geboren Abraham Soep (1909-1976), Belgisch Nederlandstalig schrijver en journalist voor kranten als De Standaard.

 

Hugo van der Vennet (1944-2010), Belgisch Nederlandstalig regisseur. Maakt vanaf de jaren zestig documentaires over toerisme, volkskunst en erfgoed voor de BRT.

 

Jan Vercammen (1906-1984), Belgisch Nederlandstalig schrijver, pedagoog en redacteur van De gemeenschap en De Schakel. Publiceert in 1967 de poëziebundel Magnetisch veld bij Colibrant.

 

Vereniging van Vlaamse Letterkundigen [VVL] (1907), vereniging voor belangen van Vlaamse schrijvers. Tegenhanger van de Société des Gens de Lettres (1847), opgericht naar het voorbeeld van de Nederlandse Vereniging van Letterkundigen (1905). Telt 379 leden in 1970 die geïnformeerd worden via het kwartaalblad Mededelingen.

 

Vergeet niet te lezen [VNTL] (1955-1973), literair televisieprogramma van het NIR en later van de BRT, waarin schrijvers geïnterviewd worden over hun nieuwste boek. Op 27 maart 1970 publiceert D.R. een kritische brief over het programma in Het Laatste Nieuws.

 

Walter Beckers Boekenclub [WBBC], Belgische uitgeverij, opgericht in 1966 door dichter, kunstenaar en zakenman Walter Beckers.

 

Werkgroep Schrijversbelangen [WS], werkgroep van Nederlandstalige schrijvers in België, opgericht in 1970 op verzoek van de VVL met als doel de hervorming van het literatuurbeleid. IJvert voor de oprichting van een Fonds voor de Nederlandse Letterkunde en voor een sociaal statuut voor auteurs.

 

Julien Weverbergh [Weverbergh; J.W.; Julien W.; Julien; J. Weverbergh] (1930-2023), Belgisch Nederlandstalig schrijver, criticus, uitgever en medestichter van BOK, Komma en Mep. Werkt vanaf 1966 voor Manteau, waar hij in 1968 de reeks 5de meridiaan opstart. In deze experimentele reeks verschijnen van D.R. Tegen het personage (1968) en Aankomen in Avignon (1970) en van Weverbergh Puin (1970).

 

Maurice De Wilde [M. De Wilde] (1923-1998), Belgisch Nederlandstalig journalist en documentairemaker voor de BRT.

 

Georges Wildemeersch [Wildemeersch] (1947), Belgisch Nederlandstalig germanist en criticus. Publiceert literaire studies in NVT en Ons Erfdeel.

 

Paul de Wispelaere [PdW; Paul] (1928-2016), Belgisch Nederlandstalig germanist, schrijver, criticus en redacteur van De Tafelronde, Komma en NVT. In 1970 verschijnt het dagboek Paul-tegenpaul, 1969-1970 bij Nijgh & Van Ditmar.

 

Yucca [Groep Yucca] (1969-1972), Belgisch kunstenaarscollectief met onder anderen Camille De Taeye, Lionel Vinche en Jean-Pierre Point, een jeugdvriend van D.R.

 

Zoeklicht op de culturele actualiteit [Zoeklicht] (1959-1973), magazine dat vanaf 1969 zes keer per week op de BRT wordt uitgezonden. In 1970 is Frans Puttemans producent.