Essays
-
Dagboek 25 januari – 30 april 1970
Daniël Robberechts -
De schilderkunst schuins beziend
Hubert Damisch -
Minder bloedige slagvelden
Daniël Rovers -
Zelfschetsen
Sofie Frederix -
Ratten, bewakers, ratten
Thibault Coigniez -
In therapie
Mats Antonissen
Besprekingen
-
Open einde
Mirjam Deckers -
Kudzanai-Violet Hwami. They have always been here
Dominic van den Boogerd -
Jan Dibbets 1966-1976. Toward Another Photography
Steven Humblet -
45-65. Jan Walravens, kunstcriticus
Koen Brams -
Edith Dekyndt. It could be James on the beach. It could be. It could be fresh and clear.
Emiel Roothooft -
RED AND GREEN AND BLUE MORE OR LESS. Werken en documenten van Lawrence Weiner
Sébastien Hendrickx -
Grind Grind Grind, Release. An Exhibition as a Massage
Pieter T’Jonck -
Jo Ractliffe. En ces lieux / Out of Place
Paul Willemsen -
Nigerian Modernism
Matisse Huiskens -
Land and Soil. How We Live Together
Pieter Van Bogaert
-
Fong-Leng & Fans – 60 jaar Fashion & Faam
Karmen Samson -
FUNGI. Anarchistische ontwerpers
Lamia Kocaman -
Haus of fibre
Arent Boon
-
Charley Toorop. Een schildersleven
Peter de Ruiter -
Beautiful Madness. Art Writing as Art Curating
Emiel Roothooft -
William Kentridge. Anatomie van het atelier
Bart Van der Straeten
-
Kunstenaarsboeken (14): Dagelijkse notities (1)
Moritz Küng
240
Dagboeken (1)
‘Misschien komt er ooit een tijd dat de schrijvers alleen maar schrijven over hetgeen ze werkelijk kunnen kennen. Ik pleit voor een hopeloos compromitterend schrijven.’ De Belgische auteur Daniël Robberechts houdt in zijn boek De grote schaamlippen uit 1969 een pleidooi voor werkelijkheidsgetrouw en eerlijk schrijven. Het boek is een proeve van deze benadering: Robberechts tracht negen maanden lang ten minste één bladzijde per dag te schrijven over zijn leven. Het dagboekproject is een poging om zichzelf als het ware ‘uit te schrijven’ en aan de lezer te openbaren, inclusief belastende informatie over schaamte, eenzaamheid en seksualiteit. De onderneming is een gevolg van een appreciatie voor documents humains als geldig middel om de wereld te begrijpen, in tegenstelling tot romans, die diepgaande studie vereisen om ‘dromerijen van de werkelijkheid te kunnen onderscheiden’ en waarvan Robberechts de vervalsingen als moreel schadelijk acht. Hij betreurt het dan ook dat er niet meer egodocumenten worden geschreven: ‘Misschien zullen dergelijke, zo talrijk mogelijke boeken er ooit toe bijdragen dat de menselijke eenzaamheid, de vervreemding, de Geworfenheit beslissend worden aangetast?’
Het betoog is overtuigend, maar roept ook epistemologische vragen op. Kunnen we onszelf ‘werkelijk’ kennen, laat staan ‘werkelijkheidsgetrouw’ beschrijven? Robberechts erkent al na zes dagen dat zijn project ‘eigenlijk gelogen zal zijn’, al was het maar omdat hij het geschrevene elke dag herwerkt. Schrijven en leven kunnen nooit samenvallen, ondanks alle vergeefse pogingen. Het maakt van het dagboek een ongemakkelijk genre, gekenmerkt door tegenstrijdigheden – niet het minst de onverenigbaarheid van een strikt persoonlijk geschrift dat toch openbaar wordt gemaakt. De intieme informatie die de auteur over zichzelf en de directe omgeving deelt – het dagboek is zelden enkel voor de auteur compromitterend – maakt dat het lezen gêne kan veroorzaken, al is die schaamte misschien een indicator voor de noodzaak van het geschrift. De grote schaamlippen houdt onvermijdelijk een vervalsing in, zo stelt Robberechts in het naschrift, maar het boek daarom afwijzen, ziet hij als een vergeldingsactie van een maatschappij die het onverholen autobiografisch schrijven als onzedig beschouwt.
Ook voor wie een dagboek redigeert en publiceert blijkt een vorm van vervalsing onvermijdelijk. In dit nummer van De Witte Raaf verschijnt een nog onuitgegeven deel van het dagboek van Daniël Robberechts uit 1970 – een selectie uit het manuscript, dat naast dagelijkse aantekeningen ook andere teksten omvat. De publicatie volgt op eerdere uitgaven van het dagboek dat Robberechts tot aan zijn overlijden bijhield. Het nummer wordt aangevuld met analyses van persoonlijke geschriften van andere kunstenaars en schrijvers. In een lang vertaald essay bespreekt de Franse filosoof Hubert Damisch het Journal van Eugène Delacroix, met diepgaande reflecties over het genre van het kunstenaarsdagboek, maar ook over de schilderkunst en het geheugen. Daniël Rovers las de vier dagboeken van de Amerikaanse kunstenaar Anne Truitt, van wie een retrospectieve tentoonstelling te zien is in Düsseldorf vanaf eind maart. Sofie Frederix analyseert notitieboeken van de Belgische schilder Philippe Vandenberg, wiens nalatenschap een veertigtal schriften bevat met schetsen, losse aantekeningen, gedichten en theoretische teksten. Thibault Coigniez buigt zich over de geschriften van Ibrahim el-Salahi en Hans Uhlmann over hun leven in gevangenschap. Tot slot bevraagt Mats Antonissen het vorig jaar verschenen Notes to John, de postume publicatie van verslagen van psychotherapeutische sessies van de Amerikaanse auteur Joan Didion. Op de uitgave van deze notities, die waarschijnlijk niet voor publicatie bestemd waren, werd ontzet gereageerd, waardoor het compromitterende karakter van dergelijke uitgaven ter discussie komt te staan. Is de publicatie van dit egodocument, zonder medeweten van de auteur, onverantwoord? Of bewijst de commotie dat ook onze maatschappij het onthullend autobiografisch schrijven nog steeds als onzedig beschouwt?
Dit nummer werd samengesteld door Liska Brams en Christophe Van Gerrewey.