width and height should be displayed here dynamically

Hans Op de Beeck. Nachtreis

Hans Op de Beeck. Nachtreis, KMSKA, Antwerpen, 2025

Eindelijk heeft Hans Op de Beeck (1969) zijn grote Belgische tentoonstelling te pakken. In het KMSKA komt zijn werk thuis. Sinds Carmen Willems in 2020 directeur werd van dit museum voor historische kunst, en sinds de heropening in 2022 na een renovatie, is de missie van het Antwerpse instituut herschreven. Alles wat kunst moeilijk, onbegrijpelijk, spannend, weerbarstig of waardevol maakt moet eraan geloven, in de hoop een groot kunstpubliek tot stand te brengen. Verschillen tussen oud en nieuw worden weggevaagd. De complexiteit van de samenleving en van het leven intelligent met kunst confronteren is geen optie meer. Persoonlijke of maatschappelijke problemen moeten niet het hoofd worden geboden – ze bestaan om er massaal aan te ontsnappen. In een poging ze te bezweren, toont ook Nachtreis op een negatieve manier de gigantische omvang ervan. Deze expo is daarom een consequente stap voor het KMSKA. Ook hedendaagse kunst heeft een bestemming gevonden. Bezoekers moeten getroost en begeleid worden door de paden te volgen. Het museum wordt een toevluchtsoord, een kalmeermiddel, een wellnessruimte. Persartikelen beamen gedwee. Nergens is deze tentoonstelling in vraag gesteld.

‘In wezen is de beleving belangrijker dan de duiding,’ zei Op de Beeck in De Tijd van 22 maart. ‘Ik probeer als kunstenaar iedereen zo genereus mogelijk uit te nodigen om in een ervaring of een gevoel te stappen, zonder via de ratio te gaan. Dat klinkt misschien als een smalle basis. Maar voor mij is dat de essentie van kunst.’ Om die essentie te tonen, worden honderden vierkante meters gevuld, tientallen peperdure zalen, de volledige rondgang op de eerste verdieping van het KMSKA. Meteen blijkt ‘het kind’ centraal te staan, niet als onvoorspelbaar wezen, maar als brave, stille, betere versie van de volwassene. Het eerste beeld is dat van een meisje dat bellenblaast, de ogen gesloten, de lippen getuit, het haar netjes in een scheiding en in een vlecht. Ze draagt een broekje en een mouwloos T-shirt waarop de volgende bel, die op het punt staat aan de bellenblazer te ontsnappen, een druppelvormige schaduw werpt. Ze staat op een rond laag podium met enkele rotsblokken en met een achterwand van bamboestruiken. Eén hoge, dorre tak bevindt zich tussen de stenen. Alles is lichtgrijs, behalve de rozige bloesems op de uiteinden van de tak.

De materialiteit van de sculpturen is onbepaald. Beton, hars, hout, polyester, Op de Beeck en zijn vele medewerkers gebruiken het allemaal, maar verbergen alles onder dezelfde grijze, gladde oppervlaktelaag. In welke ervaring, in welk gevoel, valt hier ‘in te stappen’, ‘zonder via de ratio te gaan’? Welke schakeringen zijn beschikbaar? Mag er naar de juiste woorden gezocht worden? De gezochte emotie is er een van vertedering, waarschijnlijk, van (ouderlijk) geluk, maar ook van vergankelijkheid, van totale stilstand, en van de afwezigheid van elke concrete werkelijkheid. Om bellen te blazen is er een recipiënt met zeepsop nodig (dat kan omvallen, leeg raken, vlekken maken), maar het is nergens te bespeuren. De wereld draait niet meer, of liever: er is geen wereld meer. ‘Naar de wereld kijken vanuit een afstandelijke, postmoderne ironie: het is mij vreemd,’ zo zei de kunstenaar in De Standaard op 18 maart. Wordt hier nog gepoogd naar de wereld te kijken? De wereld van 2025? Is het niet net het toppunt van postmoderniteit om een artificiële omgeving aan te bieden, weg van de ratio, weg van de kennis, weg van zowat alles, overgeleverd aan de woestijn van de werkelijkheid?

In de volgende zaal duikt het tegendeel van het kind op: de oude, wijze, gelouterde man, gezeten op een paard, een aap op zijn schouder draagt een parasol. Zo gaat het onophoudelijk verder, zaal na zaal, in één continuüm, zonder titels, zonder toelichting. Een kind ligt op een chesterfield te slapen, onder een deken. Een hond ligt op de grond, ook slapend. Een kind speelt met een touwtje. Een Aziatische man staat met een roeispaan op een overvolle boot in een rond vijvertje met waterlelies. In een paaldorp brandt gelig licht in de hutjes. In een boom op een rots is een boomhut gebouwd. Een groot stuk taart ligt op een bord. Een kindje met de vleugels van een engel zit op een bankje, toverstaf in de hand. Twee bejaarden staan op een sokkel, gehuld in een kamerjas en pantoffels. Een bokser met een opgeschoren kapsel en grote borsten rust uit tegen een bakstenen muur. Een kale jongeman, een beetje chubby, kijkt naar een glazen bol. In een planetarium buitelen de bollen over elkaar heen. Twee oude mannen met baarden en overjassen staan op een trapladder, boekentasjes op de grond. Skeletten met buishoeden amuseren zich op een carrousel, die ook als etalage voor aardewerk dienstdoet. Een kale vrouw met grote borsten zit met een slapende naaktkat op schoot. Een vogel vliegt ter plaatse, de vleugels bewegen dankzij stokken die uit een sokkel priemen. Een go go girl met grote borsten zit op een chesterfield en rookt een sigaret. Een meisje speelt ballerina, waaier in de hand, voeten in te grote schoenen. Een jongetje speelt ridder, een plooikraag rond de nek. In een vitrine is een pretpark te zien met een reuzenrad en een achtbaan, onder een zwarte sterrenhemel. Een meisje ligt te slapen op bed, op een vlot in een rond vijvertje met waterlelies. Een meisje met een vlecht zit op een bakstenen volume, de ogen gesloten, een vlinder op de uitgestoken hand. Een jongetje zit op een sokkel en speelt met knikkers. Een vrouw met – alweer – grote borsten en met een wenkbrauwpiercing houdt een uil vast. Twee kinderen zitten braaf op de rand van een rots, hand in hand.

Eén motief, verspreid over Nachtreis, zijn boeken, opgestapeld tegen de wanden van meerdere zalen, zonder titels. Symbolen voor belezenheid, voor ontlezing, voor het verbod op ratio? Toch verscheen bij deze tentoonstelling een catalogus, waarin curator Annelien De Troij kunsthistorische connecties zoekt en vindt (bij Ensor bijvoorbeeld, bij Magritte, Léon Spillaert en Franciscus Gijsbrechts) en waarin Stéphane Symons een beroep doet op W.G. Sebald en Walter Benjamin om hard te proberen maken dat het oeuvre van Op de Beeck niet kitscherig is. En toch wordt Nachtreis in alles overtroffen door het werk van pakweg Anton Pieck, in wiens Efteling je tenminste nog in een bootje tussen de taferelen mag rondvaren.

 

Hans Op de Beeck. Nachtreis, tot 17 augustus, KMSKA, Leopold de Waelplaats 1, Antwerpen.