width and height should be displayed here dynamically

Jeanne Bieruma Oosting

Jeanne Bieruma Oosting, Chairs, 1931, collectie Museum Henriette Polak, Zutphen

De années folles waren, achteraf gezien, al geëindigd toen Jeanne Bieruma Oosting (1898-1994) in 1929 uit Nederland naar Parijs trok. Oosting – met die naam signeerde ze haar werk – behoorde tot een generatie Nederlandse kunstenaressen die vlak voor en vooral na de Tweede Wereldoorlog naam maakten, onder wie Charley Toorop, Charlotte van Pallandt en Gra Rueb. In de biografie Geen tijd verliezen zet Jolande Withuis – de auteur van onder meer Juliana. Vorstin in een mannenwereld – Oostings leven af tegen de vrouwenemancipatie in Nederland, of beter gezegd: het gebrek daaraan in de eerste helft van de twintigste eeuw, toen ondanks het vrouwenkiesrecht de mogelijkheid voor vrouwen om zelf een bestaan op te bouwen op allerlei manieren werd ingeperkt, onder meer met belastingwetten, lage lonen en ‘goede raad’ van artsen, priesters en dominees. Het gezin werd als hoeksteen van de samenleving beschouwd en een mannelijke kostwinner was het welvaartsideaal.

Hoewel Oosting uit een zeer geprivilegieerd adellijk milieu kwam – ze bracht haar jeugd door op een landgoed in de Achterhoek – kon ze als jongvolwassene zeker niet in alle vrijheid over haar leven beschikken. Haar ouders lieten de opvoeding over aan kindermeisjes en huisonderwijzers, bij wie ze onder meer leerde aquarelleren en musiceren, maar waren weinig ruimdenkend als het ging om vervolgonderwijs. Onder de adel leefde de overtuiging dat kennis – iets anders dan vaardigheden – een meisje onaantrekkelijk en onhuwbaar maakte, wat schadelijk was voor het familiefortuin. Oosting moest haar oerconservatieve en tirannieke vader haast smeken om buitenshuis schilderlessen te mogen volgen, in Amsterdam en Den Haag (van Albert Roelofs). Hij vond het goed, op voorwaarde dat ze bij familie op kamers ging wonen. Ontsnappen aan klemmende familiebanden was schier onmogelijk in die tijd, schrijft Withuis, bijvoorbeeld omdat eenvoudige deeltijdbanen, waarmee kunstenaars in theorie in hun levensonderhoud kunnen voorzien, niet bestonden.

Oosting, die nooit trouwde – ‘je kunt maar één heer dienen,’ vond ze, en dat was voor haar de kunst – maakte zich vlak na haar dertigste verjaardag los van haar familie door zich in Parijs te vestigen. In de ogen van haar vader was ze nu voorgoed mislukt, ongetrouwd en onsuccesvol, en met tegenzin voorzag hij haar van een minimaal leefgeld. Oosting leefde op: van het bedompte en stijve Nederland was ze in de bohemienhemel beland. Ze raakte bevriend met kunstenaars, leerde het werk kennen van Picasso, Cézanne, Valadon, De Lempicka, Toulouse-Lautrec en Matisse, las Colette en D.H. Lawrence. Vrouwen waren in Parijs zichtbaarder op straat, in cafés en in kunstruimtes. Oosting ontbolsterde in dit artistieke klimaat en durfde meer, getuige de serie kleurenlitho’s van vrouwelijke naakten uit 1931, Chairs. Ze verbond zich aan de Société des femmes artistes modernes (FAM), zo blijkt uit het onderzoek van Withuis: een feministisch comité dat in 1937 in Praag, Washington en Parijs tentoonstellingen organiseerde onder de titel Women Artists of Europe, met onder anderen Vanessa Bell, Natalja Gontsjarova, Charley Toorop en Oosting zelf. In Parijs ontwikkelde ze zich, geadviseerd door Bill Hayter, ook als graficus. Technieken als het etsen hebben als groot voordeel, schrijft Withuis, dat ze haastig werken onmogelijk maken, wat vaak de valkuil was in Oostings schilderwerk. Ze had weinig geduld, was steeds benieuwd naar wat een volgend werk of een nieuwe ervaring haar zou brengen. Vandaar de titel van de biografie van deze uiteindelijk 96 geworden vrouw: Geen tijd verliezen.

Met het uitbreken van de oorlog belandde Oosting weer in Nederland. Ze weigerde zich bij de nazistische Kultuurkamer in te schrijven. Ze greep alle kansen aan om toch werk te verkopen en maakte litho’s voor clandestiene uitgaves. Na de oorlog begon langzamerhand een andere artistieke wind te waaien: de abstracte kunst had de reputatie progressief te zijn, hoewel een van haar helden, Karel Appel, zich naar de Duitsers had geschikt; Oosting zou later bevriend met hem raken. Relaties – waarbij zij steevast de vragende partij was – had ze met Netty Nijhoff-Wind en Adriaan Roland Holst. In 1953 werd ze door Het Parool uitgezonden naar het watersnoodgebied om al tekenend verslag uit te brengen. Ze bleef figuratief werk maken en was commercieel succesvol, ook omdat ze zich niet te goed voelde om zelf tentoonstellingen op te zetten, en daar meteen de kassa beheerde.

Met de dood van haar moeder erfde Oosting een fortuin. Ze kocht villa Het Elger in de Achterhoek en kwam in Amsterdam aan het Oosterpark wonen. Ze droeg bij aan de totstandkoming van het Museum Henriette Polak in Zutphen, waaraan ze een deel van haar werk zou nalaten. Op haar zeventigste financierde ze een prijs voor figuratieve schilderkunst, de Jeanne Oosting Prijs, waarna ze nog ruim twintig jaar zou leven, pendelend tussen de hoofdstad en het oosten van het land. In necrologieën werd ze plichtmatig geprezen als een typisch vrouwelijke schilder, op grond van de vele bloemstillevens en landschappen die ze produceerde, terwijl het urgente werk, bijvoorbeeld over de watersnoodramp, of de reeks Chairs (pas in 2015 voor het eerst in Nederland tentoongesteld) onvermeld bleven. Ze werd in de linkse jaren zeventig en tachtig beschouwd als een schilderende ‘freule’, en gediskwalificeerd – Withuis spreekt van een ‘klassenvooroordeel’ – op grond van haar afkomst.

Jolande Withuis was ook de initiator van een gelijktijdige reeks tentoonstellingen over het werk van Oosting, in Zutphen, Heerenveen en Maassluis, onder de joviale titel De zomer van Jeanne. Vooral in het Museum Henriette Polak hangt een substantieel aantal werken, zoals Chairs, waarin Oosting vrouwelijk naakt op een krachtige, maar toch ook kwetsbare manier presenteert, met harde, zware lijnen voor bijvoorbeeld de brede ruggen, en zachtere kleurvlakken daaromheen. De informatie bij de tentoonstellingen is vooral anekdotisch, met als fundament de uitstekende biografie. Een meer kunsthistorische benadering, door bijvoorbeeld tekenstijlen, invloeden of tijdgenoten te noemen, had meer gewicht aan het oeuvre kunnen verlenen. Of Oosting voortaan weer meer te zien zal zijn in Nederlandse musea, weg uit de depots, is echter nog de vraag. Daarvoor lijkt een eigen beeldtaal te ontbreken. Dit oeuvre is beslist avontuurlijker dan de reputatie van de kunstenaar laat vermoeden, maar niet bijzonder consequent.

 

Jolande Withuis, Geen tijd verliezen. Jeanne Bieruma Oosting 1898-1994, Amsterdam, De Bezige Bij, 2021, ISBN 9789403151014. De zomer van Jeanne, tot 30 oktober, Museum Henriette Polak (Zutphen), Museum Maassluis, Museum Belvédère (Heerenveen), Museum STAAL (Almen) en Nobilis (Fochteloo).