width and height should be displayed here dynamically

Radicalizing Care. Feminist and Queer Activism in Curating

Bald Girls, Iberia Art Center, Peking, 2012

Het samengaan van feminisme en de curatoriële praktijk kent een rijke geschiedenis, die terug te voeren is tot het begin van de feministische kunstbeweging aan het eind van de jaren zestig. Waar curatoren zoals Linda Nochlin, maar ook kunstenaars als Judy Chicago en Miriam Schapiro met hun project Womanhouse aanvankelijk een correctie aanbrachten op de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke kunstenaars in tentoonstellingen, kunstcollecties en onderwijs, verlegde de focus zich geleidelijk aan naar cureren vanuit een feministisch standpunt: archieven en geschiedenissen (de)construeren, nieuwe interpretatieschema’s ontwikkelen en structurele ongelijkheden in de kunstwereld in kaart brengen.

Vandaag behartigt het feminisme veel meer dan uitsluitend de belangen van vrouwen. Het gaat over gelijkwaardigheid, vrijheid en zorg, ongeacht gender, en dat vertaalt zich ook in de kunst. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de centrale tentoonstelling op de huidige Biënnale van Venetië, The Milk of Dreams, waarin curator Cecilia Alemani de aandacht vestigt op de relaties tussen individu, technologie en de aarde, én op veranderlijke definities van lichaam en identiteit. Alemani verklaart het feit dat mannen in The Milk of Dreams voor het eerst in de minderheid zijn als een logisch gevolg van haar keuze om een tentoonstelling te maken waarin ze een ‘ander’ wereldbeeld dan het heersende laat zien. Doordat zich meer ‘fluïde’ kunstvormen en maakprocessen aandienen, is er behoefte aan vernieuwende curatoriële strategieën.

Onlangs verscheen bij Sternberg Press Radicalizing Care. Feminist and Queer Activism in Curating. De redacteuren Birgit Bosold, Lena Fritsch, Vera Hofmann, Elke Krasny en Sophie Lingg geven in de inleiding aan zich bewust te zijn van de veelheid aan feministische en queer benaderingen binnen de curatoriële praktijk in het heden en verleden. Ze kozen in dit boek voor een andere insteek en richtten zich op strategieën uit de activistische wereld, onder de noemer radical care. Ons vermogen om te zorgen – voor onszelf, voor elkaar, voor de planeet – is onder druk komen te staan. Er is zelfs sprake van een ‘zorgcrisis’ (Nancy Fraser) en dat vraagt volgens de redacteuren om een radicale update van ons zorgbegrip. Hierbij gaat het niet om de notie zelfzorg (self-care), het domein van neoliberale marketeers, maar eerder om ‘zelfbehoud’, ‘als een daad van politieke oorlogsvoering’, zoals Audre Lorde het verwoordde.

De redacteuren bekijken de curatoriële praktijk uitdrukkelijk door de lens van zorg, geënt op modellen uit de queer-feministische bewegingen. Maar waarom dan niet ‘gewoon’ via de lens van de kunst? De redacteuren noemen drie beweegredenen, die elk hun politiek-ideologische voorkeur laten doorschemeren. Hoewel de zorg voor objecten en collecties altijd al de taak van de curator (van het Latijnse cura, zorg) is geweest, zijn zowel het museum als de traditionele praktijk van conservatoren doordrongen van de koloniale, patriarchale, imperialistische erfenis. Ten tweede ligt volgens het marxistische feminisme ‘zorgwerk’ (care work) – begrepen als de onbetaalde, reproductieve arbeid, traditioneel vooral uitgevoerd door vrouwen en slaven – aan de basis van ongelijke machtsverhoudingen, óók in de kunsten. Ten derde heeft de (moderne) splitsing tussen kunst en leven, tussen kunst en niet-kunst, weliswaar radicale kunstpraktijken voortgebracht, die opgingen in activistische en sociale bewegingen, maar deze zijn al te vaak door de kunstwereld gerecupereerd – en daarmee geneutraliseerd.

Het gros van de auteurs in dit boek richt zich, buiten de ‘bezoedelende’ kunstwereld om, op curatoriële processen die zijn geïnspireerd door, of vaker nog afgestemd op en zelfs ingebed in de strijd voor sociale rechtvaardigheid. Alle vijfentwintig bijdragen, gaande van essays tot casestudies en manifesten, werden geschreven ten tijde van de afgelopen crisisjaren, zowel wat de gezondheid als de biodiversiteit betreft. In ‘Feminist Futures for Living with an Infected Planet’ wijst Elke Krasny op het belang van ‘bewustwording genereren’ (raising awareness) en het collectief verbeelden van een zorgethiek die ‘samenleven op een geïnfecteerde planeet’ mogelijk kan maken. Nataša Petrešin-Bachelez reflecteert op haar ervaringen als curator van de Contour Biënnale. Cureren is ‘vertragen’ en ‘vertrouwen winnen’ (slow curating), wat haar tot de volgende stelling brengt: in de kunstpraktijk staat niet de productie van vermarktbare objecten, maar de duurzame vertrouwensrelatie tussen burgers centraal. Onderzoeker en curator Hana Janečková benadrukt in ‘Cripping the Curatorial’ het belang van crip studies (een samengaan van een queer en handicapperspectief) voor de curatoriële praktijk, met het oog op de toegankelijkheid van en tewerkstelling binnen instituten, en curator Sophie Lingg presenteert de figuur van de curator als ‘digitale detoxicoloog’, wier taak het is de cyberfeministische kunstpraktijk te vrijwaren van de discriminatoire infrastructuur van (commerciële) digitale platforms.

Dit eerste hoofdstuk is getiteld ‘Ethico-political Doings’ en handelt over de ethisch-politieke dimensie van curatorschap. Niet zozeer ‘wat’ als wel ‘de manier waarop’ we programmeren en organiseren blijkt van belang te zijn. De auteurs hebben vaak de ambitie (of eerder: pretentie) om via hun werk de problemen in de ‘echte wereld’ aan te pakken, en gaan daarmee, niet zelden zwelgend in morele zelfgenoegzaamheid, voorbij aan de waarde van een kunstenaarsgerichte curatoriële aanpak. Verdient niet ook de artistieke praktijk in al zijn complexiteit zorg, aandacht en een ethisch-politieke inbedding? Hun streven naar ‘bewustmaking’ leidt tot een belerende toon, waardoor het zijn doel mist en vaak bedenkelijke kunst(projecten) oplevert.

In de twee volgende delen gaat het gelukkig over de concrete praktijk van het cureren. ‘Material Doings’ bundelt getuigenissen uit verschillende geografische contexten en vertrekt vanuit de materiële basis (de onderbouw) van zorg. Amelia Wallin bespreekt in ‘Instituting Care in Times of Radical Uncertainty’ de moeilijkheid voor een kunstinstituut om zich ‘zorgzaam’ en niet paternalistisch op te stellen in het ‘gestolen land’ Australië. Cathy Mattes beschrijft hoe het kralenwerk van de Métis, een van de inheemse volkeren van Canada, bijdraagt aan de veerkracht van en kennisoverdracht binnen die gemeenschap. Van de ruimtelijke dimensie van de curatoriële zorgpraktijk getuigen Gilly Karjevsky en Rosario Talevi (Soft Agency). Zij nodigen kunstenaars en ontwerpers uit om onderwijspraktijken te ontwikkelen waarbinnen ‘belichaamde kennis’ over gemeenschappen en hun land kan worden opgedaan.

In het derde deel, ‘Activist Doings’, gaat bijzondere aandacht uit naar de lessen die uit activistische praktijken vallen te trekken. Hier wordt geschreven over de zorg voor de archieven van feministische en queer nalatenschappen, over activistische strategieën voor een dekoloniale toekomst en over het ‘injecteren’ van maatschappijkritiek in artistiek onderzoek en tentoonstellingsplannen.

Uit de veelheid van curatoriële benaderingen valt moeilijk een relevante en scherpe analyse af te leiden over wat een geradicaliseerd zorgbegrip nu precies inhoudt en hoe het, zoals de redacteuren breedsprakig beweren, ‘leven op de ruïnes van het kapitalisme’ mogelijk zou maken. Vooral interessant wordt het wanneer het boek, haast toevallig, aandacht besteedt aan onderbelichte feministische tentoonstellingen uit het verleden, zoals Women See Women, een op Womanhouse geïnspireerde groepstentoonstelling in Zürich, in 1975. Of Bald Girls, de tentoonstelling die het gelijknamige Chinese kunstenaarscollectief tien jaar geleden in Peking organiseerde over de wrede werkelijkheid van moederschap in de eenpartijstaat China. Door het ontbreken van een overzicht van werkelijk vernieuwende, niet-pamflettaire curatoriële praktijken, die vaak onder de radar blijven en vooruitlopen op (academische) theoretisering, voelt dit weinig bescheiden boek aan als een gemiste kans.

 

Elke Krasny, Sophie Lingg, Lena Fritsch, Birgit Bosold en Vera Hofmann (redactie), Radicalizing Care. Feminist and Queer Activism in Curating, Berlijn, Sternberg Press, 2022, ISBN 9783956795909.