Kunstenaarsboeken (16): Architectenboeken (1)

In The Anatomy of the Architectural Book, in 2016 verschenen bij Lars Müller, onderzoekt André Tavares aan de hand van historische publicaties, gerangschikt volgens de thema’s textuur, oppervlak, ritme, structuur en schaal, hoe vanaf de vijftiende eeuw architectuurkennis via boeken in gebouwen terechtkwam – en omgekeerd. Onder andere Vitruvius, Giovanni Battista da Sangallo, Sigfried Giedion, Gottfried Semper, William Morris, El Lissitzky, Walter Gropius, Le Corbusier, Humphry Repton, Andrea Palladio, Erich Mendelsohn, François Blondel en Frank Lloyd Wright passeren de revue, waarna de auteur uitgebreid ingaat op het door Giedion geschreven én vormgegeven boek Befreites Wohnen(1929), maar ook op de twee incarnaties van het Crystal Palace in Hyde Park in Londen (1851) en in Sydenham (1854). Tavares legt de nadruk op de tactiele en materiële aspecten van ‘het boek als gebouw’. Een ander aspect is minstens zo intrigerend: kan bij architectuurboeken een gelijkaardig onderscheid gemaakt worden als bij kunst- en kunstenaarsboeken, dat wil zeggen: tussen een boek over kunst en een boek als een op zichzelf staand kunstwerk? Is er een verschil tussen een architectuurboek dat architectuur illustreert en representeert en een architectenboek – een boek van of over een architect dat ook een architecturaal ‘object’ is, of dat zelfs architectuur belichaamt?
De titels die in deze en in volgende afleveringen worden voorgesteld, vertonen uitgesproken ‘artistieke’ kwaliteiten, omzeilen de gangbare eigenschappen van de klassieke monografie of slaan wat betreft opmaak of concept nieuwe paden in. Maakt dat deze publicaties tot ‘architectuur’, zoals dat ook van een schets, een maquette of een manifest kan worden gezegd? Of is het ‘architectenboek’ uiteindelijk toch weer gewoon een ‘boek’? Als iets eruitziet als een eend, loopt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het ook een eend. De discussie over het architectuurboek versus het architectenboek is daardoor echter niet achterhaald, want op elke regel bestaan uitzonderingen. De besproken voorbeelden zijn krachtige statements in boekvorm, omdat ze een andere, afwijkende manier belichamen om architectuur te representeren en om erover na te denken.
Arno Brandlhuber & Bernd Kniess [b&k+], Tiere + deine Freunde, Keulen, eigen beheer, 2001, [16] pp., 10 x 12 cm, 14 ills., brochure, ca. 50 ex.
Martin Burckhardt, Brandlhuber. Eine Fiktion / Een Fictie – A Fiction (red. Moritz Küng, Silvan Linden), Keulen, Walther König, 2005, 212 pp., 17 x 11,6 cm, 147 ills., paperback met stofomslag, 400 ex. (Duits) en 400 ex. (Nederlands/Engels)
Kort nadat ik in 2003 voor deSingel in Antwerpen als curator ging werken, werd mij dit op het eerste gezicht weinig ernstig drukwerkje ongevraagd toegestuurd: Tiere + deine Freunde. Op het omslag van de eerste monografie van de Duitse architecten Arno Brandlhuber (1964) en Bernd Kniess (1961) staat een meisje in een zomerjurkje dat in het gras knielt om een klein hertje aan een bloem te laten ruiken – niet bepaald een beeld dat bij een architectuurpublicatie past. Zonder enige toelichting bevat Tiere + deine Freunde vervolgens zeven afbeeldingen van gebouwen die telkens op een dubbele pagina met een inheems dier gepresenteerd worden. De gebouwen, waaronder het Neanderthalmuseum in Mettmann, het wooncomplex Kölner Brett of de woning Im Stavenhof in Keulen, werden door kunstenaar Marc Räder out-of-focus gefotografeerd, zodat ze meer op miniaturen uit een modelbouwcatalogus lijken dan op de gebouwde realiteit. De illustraties van de dieren – een vlinder, een mus, een roodborstje, twee poesjes, twee paarden, een eekhoorn en Bambi – komen uit de populaire Duitse kinderboekenserie Pixi, waarvan ook het formaat overgenomen werd. Geïntrigeerd én geprovoceerd door deze onorthodoxe zelfpromotie besloot ik in 2005 een solotentoonstelling over deze architecten te realiseren – hun eerste expo buiten Duitsland.
Naar aanleiding daarvan ontstond de tweede monografie, Brandlhuber. Eine Fiktion. Het uitgangspunt was een experiment. Brandlhuber – inmiddels zonder Kniess – had het verlangen om ‘te verdwijnen’ vanuit Keulen naar Berlijn. Een nieuw collectief presenteren was geen optie, en de catalogus kreeg een hybride vorm, tussen een literaire uitgave en een retrospectief overzicht. De Duitse auteur en cultuurtheoreticus Martin Burckhardt werd uitgenodigd om de rol van architect ‘Brandlhuber’ op zich te nemen, in een autobiografisch verhaal dat meer dan de helft van het boek beslaat. In een tweede, geïllustreerd deel worden alle 101 projecten van b&k+ verzameld. Arno Brandlhuber verdween dus achter het personage Brandlhuber, dat Burckhardt als schrijver belichaamde… een duivelse onderneming. Dat de tekst meer over het fictieve én reële privéleven van de architect ging dan over architectuur, zorgde voor veel verwarring, speculatie, geruchten en misverstanden. Aanvankelijk flopte het boek en bleef het onverkocht. Pas jaren later, na de erkenning van Arno Brandlhubers sociaal en politiek relevant geworden projecten en realisaties, werd Brandlhuber. Eine Fiktion een verzamelobject.
François Roche [R&Sie(n)+D], 2050 / Bitterness (red. Moritz Küng), Parijs, Edition MIX, 2007, 64 pp., 17,4 x 11,5 cm, 28 ills., softcover, 1000 ex.
Deze uitgave ontstond eveneens naar aanleiding van een tentoonstelling in deSingel en ook in dit geval begaf de architect zich op het terrein van de fictie. De Franse architect François Roche (1961), aanvoerder van het collectief R&Sie(n), presenteerde met I’ve heard about… (a flat, flat, growing urban experiment) een ambitieus en futurologisch project: een vanzelf tot stand gekomen en zich voortplantende stedelijke biostructuur ontkent elk idee van voorspelbaarheid en beheersbaarheid. Voor de publicatie schreef Roche de tekst ‘2050 / Bitterness’, waarin de architect en bedenker van deze utopische stad in 2050 op zijn carrière terugblikt – verbitterd, gefrustreerd, spottend, boos, lyrisch en vaak verdrietig, omdat zijn werk nooit door iemand begrepen en gewaardeerd werd. Het script diende als basis voor een kortfilm waarin acteur François Beukelaers met verve een bejaarde ‘François Roche’ vertolkte. In het boek werden 27 filmstills met een uittreksel uit de monoloog gecombineerd, in het Engels en het Frans.
De tekst opent als volgt: ‘Het is zinloos. Ik ben het beu. Zou ik stoppen? Het maakt me kapot. Het is zinloos! Het is sowieso zinloos; niemand heeft echt iets gedaan met deze stedelijke structuur, mijn stedelijke structuur. Geen opvolger? ‘Ik heb erover gehoord’ is het loze gevolg geworden. Je hebt er een vuile hoop van gemaakt. Niemand is verdergegaan; eigenlijk wil trouwens niemand er heen gaan! Hoe lang gaat het zo al door? 50 jaar? Echt, al 50 jaar?’ Na veel lamenteren is woede het culminatiepunt: ‘Doe me dan toch minstens één plezier. Verbrand het allemaal, bewaar geen enkel sentimenteel souvenir aan wat je toch geen leven hebt gegund. Verbrand de sporen van je eigen lafheid, en gebruik me niet meer, zelfs niet als een souvenir. Mijn laatste wens en testament: verbrand het allemaal… Ik wil niets op de wereld achterlaten, niets op deze wereld. Je bent op weg naar de hel.’ Ironisch of niet, op de allerlaatste pagina staat de werkelijke François Roche afgebeeld als een androgyne, verjongde en ietwat zuur glimlachende avatar.
Junya Ishigami, Taro Igarashi, plants & architecture, Tokio, eigen beheer, 2008, 96 pp., 7,5 x 7,5 cm, 42 ills., softcover, oplage onbekend
De publicatie plants & architecture van de Japanse architect Junya Ishigami (1974) en architectuurhistoricus Taro Igarashi (1967) verscheen naar aanleiding van de solopresentatie Extreme Nature. Landscape of Ambiguous Spaces in – en buiten – het Japanse paviljoen op de Architectuurbiënnale van Venetië in 2008. Het leeg ogende interieur van het paviljoen betoverde: op alle witgekalkte wanden stond een ‘panorama’ van even monumentale als pointillistische muurtekeningen in kleurpotlood, die imaginaire, botanische landschappen en ijle gebouwen voorstelden. In de tuin vormden acht delicate, kubusvormige plantenkassen met diverse soorten een natuurlijke voortzetting van deze architectonische visie. Het minuscule en bescheiden ogende boekje vat alle 27 projecten samen – zoals t-project, high-rise house, forest city, lakeproject, plant dome en mega courtyards – in dezelfde gedetailleerde, maar in schaal gereduceerde tekenstijl, telkens voorzien van korte omschrijvingen. Het zijn de fragiel ogende tekeningen in zachte kleuren die alle aandacht naar zich toe trekken, wanneer planten een integraal onderdeel van de architectuur vormen, of omgekeerd. In een statement op de laatste pagina schrijft Ishigami: ‘De gebouwen en steden die hier worden getoond omvatten alles, van echte projecten tot studies voor werk in voorbereiding en fictieve oefeningen. Zelfs dergelijke imaginaire plannen kunnen echter voortkomen uit echte projecten of maken het mogelijk na te denken over andere projecten in vergelijkbare gebieden. Ik heb dit boek samengesteld in de overtuiging dat een nieuwe visie wellicht duidelijker kan worden door verschillende ‘realiteiten’ naast elkaar te presenteren.’ Architectuur treedt in symbiose met de natuur en schuift daardoor – ook in gepubliceerde vorm – subtiel op de achtergrond.
Jan De Vylder & Inge Vinck [AJDVIV / IVJDVA], Verveling – Gallery Magazine N°1, (red. Jonathan Robert Maj, Johannes Ströhmenger Berry), Gent, Art Paper Editions, 2020, [160] pp., 29,7 x 23 cm, 155 ills., softcover, met poster, 1000 ex.
Gallery Magazine stelt aan architecten een alternatief expressiemiddel ter beschikking om binnen hun discipline te experimenteren. De eerste uitgave uit 2020 werd verzorgd door Jan De Vylder (1968) en Inge Vinck (1973) en kreeg de vorm van een glossy ‘tijdschrift’. (Het enige vervolgnummer, tot nog toe, werd in 2023 gemaakt door Studio Mumbai en kreeg de gedaante van een houten box of marvels.) De premisse van AJDVIV: tekenen met het spreadsheetprogramma Excel. Het resultaat is een soort schetsboek dat op basis van een template met de computer ontstond: kleurrijk, speels en fris, maar tegelijkertijd ook mysterieus, abstract en hermetisch. De geometrisch ogende composities binnen het vaste raster van cellen, rijen en kolommen lijken op schema’s, grafieken, weefsels, onregelmatige patronen, golven of seismogrammen – op oefeningen, die steeds iets aanduiden, maar niets beweren en ondoorgrondelijk blijven. Sporadisch zijn er losse woorden, getallen of afmetingen toegevoegd die nauwelijks leesbaar toch naar een architectuurvocabularium verwijzen: ‘kosten dak’, ‘brandtrap’, ‘kantoren’ enzovoort. Sommige templates werden door de architecten van terloopse commentaren voorzien: ‘De verveling werd een doel op zich. Van latente en sporadische verveling naar actieve en voortdurende exploratie. Alle hoeken van het vakje. Alle instrumenten van het medium. En dat alles in een ongedwongen perspectief. Eindeloos. De ‘verveling’ wordt ‘verveeling’. En Excel ‘vervelt’ tot iets anders. Tot wat dit is. Wat is dit?’ De retorische vraag is volkomen terecht. Zijn dit topografische kaarten? Gevelstructuren? Aanzichten en doorsnedes? Of op hol geslagen gedachteprikkels die aan het einde van het boek uitvergroot en penetranter worden? Op een bijgevoegde poster op A0-formaat zijn nog eens acht tekeningen te zien, die wellicht nog het meest aan een architecturaal project doen denken. Het boek lijkt de limieten van het medium aan de hand van digitale doodles te verkennen, maar geeft vooral een impressie van de mindset van twee architecten, tijdens hun dagelijkse bezigheid, achter een scherm.
Espen Vatn, First of all, you didn’t hear this from me, Oslo, Arkitektfaglig Presse, 2023, 28 pp., 29,5 x 29,5 cm, 13 ills., hardcover, 100 ex.
Het doet aan een platenhoes denken, maar het is een buitengewoon goed verzorgd, elegant en op hoogwaardig papier gedrukt boek met een harde kaft. Een doorlopende, vrij grote, schreefloze tekst wisselt af met bladvullende, digitaal getekende top-down isometrieën. Tekst en afbeeldingen staan in wisselende configuraties telkens op één pagina. De Noorse architect Espen Vatn (1983) vertelt over een dystopisch regime waarin een autoritaire bouwcommissie strikte richtlijnen opstelt. Architecten, projectontwikkelaars en stedelijke overheden worden vervolgd voor hun ‘wangedrag’ dat reeds vijfhonderd jaar aansleept.
De dertien schematisch weergegeven architectuurprojecten zijn zonder uitzondering gebaseerd op strakke rasterpatronen met vaak terugkerende elementen als gevels, poorten, patio’s en beplanting: een openbaar badhuis in een bos, arbeiders- en ouderenhuisvesting in twee rechthoekige blokken met grote binnenplaatsen, een kantoorgebouw van de centrale bouwautoriteit langs twee kruisende assen, een kolossaal vierkant ziekenhuis met een ruime patio, vier evenwijdig opgestelde torens met een architectuurschool, een laboratorium met twee hoge schoorstenen, een sterk beveiligd gerechtsgebouw, een gevangenis op pilaren, een amorf gebouw voor een tijdelijke, autonome architectuurfaculteit, een smalle toren voor de ‘heersende klasse’ naast een ommuurd, monumentaal plein, en ten slotte een paviljoen langs een met bomen omzoomde laan.
Het verontrustende verhaal en de autocratische en propagandistische sfeer van de gebouwen staan in schril contrast met de rustige vormgeving van Jens Johan Tandberg, voorzien van veel witruimte en met als overheersend zacht kleurenspectrum mintgroen, oranje, geel, grijs en roze. Juist dit contrast is fascinerend, want het maakt het moeilijk om dit boek te categoriseren. Wat zich opnieuw laat aflezen, is zowel de schoonheid (zoals bij Ishigami) als de wreedheid (zoals bij Roche) die inherent zijn aan architectuur.