width and height should be displayed here dynamically

Nieuwe publicaties (36)

• Andrew Hugill. ‘Pataphysics. A Useless Guide. London: The MIT Press, 2012. 275 blz. ISBN 978-0-262-01779-4

‘Patafysica is een pseudowetenschap die denkbeeldige oplossingen voorstelt. Ziehier een zeer bondige en dus onvolledige definitie voor een gedachtewereld die Alfred Jarry introduceerde in zijn boek Gestes et opinions du Docteur Faustroll, pataphysicien uit 1898. De patafysica wortelt in de Franse intellectuele en literaire wereld, maar beïnvloedde ook wereldwijd de muziek, de film, de beeldende kunst, het theater en recent zelfs de digitale media. Dit boek is geschreven voor wie nu eens haarfijn wil te weten komen wat ‘patafysica is of waarom ‘patafysica met één aanhalingsteken wordt geschreven. De geschiedenis van deze pseudowetenschap wordt tevens uit de doeken gedaan aan de hand van het werk van vele kunstenaars die, bewust of onbewust, beïnvloed zijn door de ‘patafysica. Denk aan Marcel Duchamp, die het een vorm van meta-ironie noemde, of aan The Marx Brothers, Jean Tinguely, Raymond Queneau en Georges Perec. Maar ook aan Frank Zappa, The Beatles (Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band) of de winnaar van de Turner Prijs 2001, Martin Creed (Work No. 227, the lights going on and off). Na het lezen van dit boek beseft de lezer dat de kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw niet helemaal te begrijpen is zonder kennis van de ‘patafysica. Andrew Hugill, academicus en lid van het Collège de ‘Pataphysique heeft met deze publicatie de ambitie om de ‘patafysica definitief te ontsluiten voor de Engelstalige wereld.

 

Johan Kugelberg / Jon Savage (red.). Punk. An Aesthetic. New York: Rizzoli International Publications, Inc., 2012. 352 blz. ISBN 978-0-8478-3662-8

Punk was niet alleen loeiharde muziek, gespeeld in een hoog tempo, met snelle ritmes, simpele gitaarakkoorden en schreeuwerige zangpartijen; het was ook een sloganeske beweging met codes voor vormgeving, (asociaal) gedrag en kledij. In alles was punk het tegenovergestelde van de Woodstockgeneratie: geen Love & Peace, maar hate en war, geen lange, wapperende haren, maar skinheads met lederen jekkers, geen zweverige natuurbeleving (geitenwollen sokken) maar survival in een rauwe en agressieve stadsomgeving (‘Fuck drugs, let’s fight’). Vanaf het midden van de jaren 70 verspreidde deze tienercultuur zich snel naar steden als Toronto, New York, Londen en Los Angeles. In deze nieuwe Amerikaanse publicatie tonen honderden afbeeldingen hoe de punkers hun visie op de wereld vormgaven. Posters, strooibiljetten, affiches, bedrukte T-shirts, tijdschriften en fanzines zijn losjes en in min of meer chronologische volgorde achter elkaar gezet. Daardoor is te zien hoe punk snel evolueerde van een marginale stadscultuur naar een gemediatiseerde hype midden jaren 70 om daarna als een gecommercialiseerde schandaalcultuur te verwateren tot de donkere, depressieve new wave van de jaren 80. Het grafisch materiaal heeft een groot do-it-yourself (DIY) gehalte. Punkers maakten gretig gebruik van stiften, spuitbussen, collagetechnieken en nietjesmachines. Het waren ook de hoogdagen van de kopieermachine, hun favoriete reproductieapparaat.

Het boek bevat enkele korte teksten en een interview. In tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden, worden de esthetische en artistieke kwaliteiten van de punkbeweging echter niet uitgediept. De auteurs blijven hangen in nostalgische reflecties. Dat is jammer, want het zou bijvoorbeeld interessant zijn om te zien hoe de grafische stijl van de punkgeneratie botst met de vormtaal van de hippiegeneratie, die dikwijls geïnspireerd was door de florale, decoratieve motieven van de jugendstil. Of hoe andere anti-institutionele subculturen met een hoog DIY-gehalte (situationisten, fluxus, mailart, de mei 68-beweging) omgingen met hun grafische productie. Desondanks kan dit boek gerekend worden tot de visueel interessante koffietafelboeken.

 

James Langdon / Jonathan Watkins (red.). Arefin & Arefin: The Graphic Design of Tony Arefin. Birmingham: Ikon Gallery, 2012. 128 blz. ISBN 978-1-904864-79-0

Tony Arefin (1962-2000) was eind jaren 80 de belangrijkste grafische ontwerper in de Britse kunstwereld. Hij ontwiep catalogi voor alle grote instituten en belangrijke kunstenaars in Groot-Brittannië. Zo stond hij in 1988 mee aan de startlijn van de Young British Artbeweging (ook Britart genoemd) waarvan Damien Hirst ondertussen het meest beruchte lid is. Bij ons kennen sommigen hem misschien van zijn coverontwerpen voor het kunsttijdschrift Frieze, dat voor het eerst verscheen in 1991. Het werk van Arefin is herkenbaar aan de manier waarop hij fotografische beelden op het blad plaatst en hevig laat contrasteren met opzichtige teksten. Dikwijls maakt hij gebruik van gekleurde achtergronden om reproducties van kunstwerken te presenteren. Zijn uitgekiend kleurenpalet en het gebruik van de meest up-to-date lettertypes zijn treffend. Deze manier van vormgeven deed tot dan toe eerder denken aan bedrijfscatalogi en modebladen. In 1993 verhuisde Tony Arafin naar New York om te werken voor onder andere IBM en Nike.

Deze publicatie verscheen naar aanleiding van een tentoonstelling over het werk van Tony Arafin in de Ikon Gallery (12 september – 4 november 2012). De curator van de tentoonstelling was de grafische vormgever James Langdon, die ook de publicatie vormgaf. Hiervoor liet hij zich expliciet inspireren door zijn onderwerp.

 

James Rondeau / Sheena Wagstaff (red.). Roy Lichtenstein. A Retrospective. London: Tate Publishing, 2012. 240 blz. 300 afb. ISBN 978-1-84976-009-6 (softcover-versie)

De laatste overzichtstentoonstelling van het werk van Roy Lichtenstein (1923-1997) werd georganiseerd door het Guggenheim Museum in 1993. Momenteel is er een nieuwe retrospectieve te zien in de National Gallery of Art in Washington (nog tot 6 januari 2013). Deze tentoonstelling zal in 2013 reizen naar Tate Modern (Londen) en het Centre Pompidou (Parijs). Het oeuvre van Roy Lichtenstein wordt door de media al te dikwijls vernauwd tot zijn vroege schilderijen uit de jaren 60 waarop hij fragmenten van strips uitvergroot en interpreteert. Deze focus verbergt een divers oeuvre dat echter zeer consistent is. In de begeleidende publicatie bij deze nieuwe retrospectieve wordt het oeuvre van Lichtenstein in 14 thematische categorieën opgedeeld. Meestal corresponderen de thema’s met strikt afgelijnde periodes in zijn carrière; zo schilderde Lichtenstein nogal wat zwart-witwerken tussen 1961 en 1966, en situeren de schilderijen van spiegels zich allemaal tussen 1969 en 1972. Naast de talloze reproducties is er een uitgebreid tekstgedeelte. Niet minder dan acht auteurs hebben elk één aspect uit het oeuvre onderzocht en beschreven. Zo is er een bijzonder revelerende tekst van de hand van Harry Cooper over Lichtensteins gebruik van stippen en rasters. Iria Candela onderzoekt en situeert de parodieën op schilderijen van Picasso en James Rondeau behandelt de geometrische werken.

Roy Lichtenstein wierp een uniek, schilderkunstig licht op reproductietechnieken (onder meer het gebruik van rasters in offset) en het is een plezier om zijn werk te leren kennen door middel van reproducties. Toch zijn de werken pas echt indrukwekkend wanneer de originelen bekeken worden. De Britse kunstenaar Richard Hamilton zei hierover in 1968: ‘Reproducing a Lichtenstein is like throwing a fish back into water.’ Voor wie in 2013 een citytrip plant naar Londen of Parijs is dit boek de perfecte aanloop. Voor wie thuis blijft is het een van de beste beschrijvingen van Lichtensteins oeuvre tot nu toe.