Nieuwe publicaties (37)
• [Aurore Chassé]. Courtesy of Artists Who Do Books 2. [Lyon]: A.C. Publications, 2012. 96 blz. 41 afb.
Wie geïnteresseerd is in de kunstenaarsboeken van de jaren 60 en 70 (denk aan Ruscha, LeWitt, Roth, Baldessari, Broodthaers…) kan tijdens het surfen op internet geregeld jonge eenpersoonsuitgeverijen ontdekken, gespecialiseerd in het publiceren van bewerkingen, pastiches, parodieën, re-enactments en zelfs bootlegs van deze zeldzame publicaties. Zo richtte Aurore Chassé in 2010 haar eigen uitgeverij op met de bedoeling de klassieke kunstenaarsboeken heruit te geven. Hiervoor put ze voornamelijk uit de collecties van kunstbibliotheken waar ze de originele boeken fotografeert. De nonchalante, eigenzinnige foto’s publiceert ze dan in kleine boekjes. Het bijzondere is dat Aurore Chassé de boekjes gratis verspreidt via haar website. De drukkwaliteit is echter pover. Wie geïnteresseerd is moet snel zijn; de oplage is meestal niet hoger dan 100 exemplaren (zie: www.acpublications.fr). Courtesy of Artists Who Do Books 2 is de nieuwste publicatie. Het boek omvat pagina’s van onder anderen Filliou, Weiner, Kaprow en Roth, en verscheen naar aanleiding van de tentoonstelling A Kind of ‘Huh?’ in Les Abattoirs (Toulouse, tot 23 maart 2013).
• Wouter Davidts / Guy Châtel / Stefaan Vervoort (red.). Luc Deleu – T.O.P. office: Orban Space. Amsterdam: Valiz, 2012. 432 blz. ISBN 978-90-78088-60-8
Over het werk van de Antwerpse architect-kunstenaar Luc Deleu en T.O.P. office verscheen zopas een Engelstalige monografie. Luc Deleu heeft duidelijk genoten van de mei 68-beweging, maar hij verviel niet in zweverigheid of politieke utopieën. Hij paste stedenbouwkundige principes toe op mondiaal, planetair niveau (Orban Space). Deze schaalvergroting blijkt nu erg pertinent te zijn. Verder gebruikte hij havencontainers als medium voor zijn monumentale sculpturen en bekeek hij de impact van architectuur op onze planeet.
Over de inhoud en vorm van deze nieuwe publicatie is veel nagedacht. Vooreerst werd het oeuvre opgedeeld in zeven thema’s: imitation, architecture, sculpture, mobility, scale, depiction en manifesto. Elk thema is gedocumenteerd met een beeldessay door een medekunstenaar of -architect, waarna een essayistisch onderzoek volgt, aangevuld met een bijdrage van Luc Deleu / T.O.P. office zelf. Voor dit alles werden niet minder dan 14 auteurs, kunstenaars en architecten aangetrokken, onder wie Maarten Delbeke, Kersten Geers, Aglaia Konrad, Manfred Pernice en Felicity Scott. Voor wie zich wil verdiepen in het werk van Luc Deleu bevat dit boek een niet te missen hoeveelheid informatie en beeldmateriaal. Naast een chronologisch overzicht van werken, teksten en tentoonstellingen bevat de publicatie ook twee indices: een index op naam en een geografische index op plaatsnaam. Het meest opvallend is de excentrieke vormgeving van Vinca Kruk en Daniel van der Velden (van het ontwerpbureau Metahaven). Ook zij hebben goed nagedacht over de vorm van deze publicatie, maar de grafische vondsten en slimmigheidjes maken het boek complex. Zo zijn de vele voetnoten als blokjes in de teksten geschoven en kregen ze een overbodige, decoratieve markering mee. De honderden tekstillustraties, die op dezelfde manier zijn behandeld, werden zo petieterig afgebeeld dat de visuele informatie nauwelijks valt te ontcijferen. Daardoor veranderen de teksten in lastige parcours met telkens nieuwe hindernissen. Ook de vreemde, louter formele afwisseling van papiersoorten, het ontwerp van de cover en de dominante decoratieve ingrepen zorgen voor onnodige afleiding. Wellicht zien de twee mensen achter Metahaven zichzelf niet enkel als grafische ontwerpers, maar ook als kunstenaars met een expliciete artistieke boodschap. Dit uitgangspunt levert ongetwijfeld boeiend, experimenteel drukwerk op, maar is niet zo geschikt voor een monografie over het werk van Luc Deleu / T.O.P. office.
• Yilmaz Dziewior (red.). Reading Ed Ruscha. Bregenz: Kunsthaus Bregenz, 2012. 286 blz. ISBN 978-3-86335-232-5
Tussen 1962 en 1972 publiceerde Ed Ruscha 16 kunstenaarsboeken. Ze blijken ondertussen normerend te zijn voor de geschiedenis van het genre. Theoretici en kunsthistorici hebben ze ontelbare keren geanalyseerd en becommentarieerd, en de alom gereproduceerde covers zijn iconen geworden. Men kan zich afvragen of het punt van overexposure niet stilaan bereikt is. Toch waagde het Kunsthaus Bregenz in Oostenrijk zich vorig jaar (7 juli – 14 oktober) aan een tentoonstelling waarbij de kunstenaarsboeken van Ed Ruscha centraal stonden. De bijhorende publicatie verscheen in het late najaar en bevat enkele troeven waardoor men toch uitgenodigd wordt om terug te kijken naar deze klassieke werken. Vooreerst is te zien hoe Ed Ruscha het boek niet alleen gebruikt als medium, maar ook als onderwerp van vele schilderijen, tekeningen, sculpturen, objecten en edities, en dit vooral sinds de jaren 90. Verder bevat de catalogus essays van W.S. Di Piero en Beatrice von Bismarck, maar ook van de Canadese schrijver Douglas Coupland, bekend van zijn boek Generation X uit 1991. Hij slaagt er moeiteloos in om met enkele anekdotes de artistieke wereld van Ruscha te evoceren. Wie zich de peperdure boekjes van Ed Ruscha niet wil aanschaffen kan ze allemaal in deze publicatie terugvinden, genereus gereproduceerd van de eerste tot de laatste bladzijde. Exclusief voor deze tentoonstelling maakte Ed Ruscha een aantal nieuwe, grote schilderijen die tonen dat hij nog steeds op scherp staat. Deze uitstekend verzorgde publicatie, met een opvallende cover, bevat ten slotte een omvangrijke bibliografie waarmee elke geïnteresseerde onderzoeker of liefhebber aan de slag kan.
• Johan Pas. Neonlicht. Paul De Vree & de neo-avant-garde. Gent: AsaMER, 2012. 240 blz. ISBN 978-94-9069-346-6
De Antwerpse dichter Paul De Vree (1909-1982) schreef niet alleen poëzie, maar ook proza, essays en monografieën (over onder anderen Maurice Gilliams, Jozef Peeters en Paul Van Ostayen). Hij was ook de bezieler en uitgever van het tijdschrift De Tafelronde (1953-1981) en later Lotta Poetica (1971-1975). Veel van die geschriften zijn ondertussen in de vergetelheid geraakt. Tegelijkertijd was hij promotor van de Belgische avant-garde en organiseerde hij vele tentoonstellingen (onder andere de belangrijke Forum-tentoonstellingen in Gent van 1961, 1962 en 1963). In de jaren 60 begon Paul De Vree concrete poëzie te maken (hij was toen reeds de vijftig voorbij) en ontpopte hij zich tot een van de belangrijkste beoefenaars van het genre in België en Nederland. Daarenboven was hij een gedreven netwerker. Hij had wereldwijde contacten met de interessantste figuren van de concrete poëzie. Het was een goed idee om voor deze nieuwe publicatie de figuur van Paul De Vree te herbekijken vanuit het perspectief van zijn persoonlijk archief, eerder dan vanuit zijn artistieke productie. Het boek verscheen tegelijk met een tentoonstelling in het M HKA (Antwerpen) waar een selectie uit het archief van Paul De Vree te zien was (5 oktober 2012 – 20 januari 2013). Het toont dat Paul De Vree een bevlogen figuur was die ideeën en werken uitwisselde met kunstenaars als Jef Verheyen, Ian Hamilton Finlay en Henri Chopin. In een lange tekst behandelt auteur Johan Pas de activiteiten van Paul De Vree en het archiefmateriaal in chronologische volgorde. De illustraties zijn, zonder enige vorm van hiërarchie, paginagroot afgebeeld. De wat vreemde titel Neonlicht verwijst naar een vaste rubriek in het tijdschrift De Tafelronde waarin Paul De Vree nieuwe publicaties besprak.
• Nicola Simpson (red.). Notes from the Cosmic Typewriter. The Life and Work of Dom Sylvester Houédard. London: Occasional Papers, 2012. 192 blz. ISBN 978-0-9569623-3-1
In 1963 schreef Eugen Gomringer in een brief aan Dom Sylvester Houédard (1924-1992) dat concrete poëzie spijtig genoeg (en vooral in Duitsland) modieus was geworden. In datzelfde jaar publiceerde Dom Sylvester Houédard een artikel in het tijdschrift Typographica onder de titel Concrete Poetry & Ian Hamilton Finlay. Deze tekst wordt beschouwd als een eerste introductie tot het genre in Engeland. Bijzonder is dat Dom Sylvester Houédard (dsh) een pater was in de orde der Benedictijnen. Hij had zich tot dan toe vooral verdiept in de werken van de beat generation (Kerouac, Ginsberg, Burroughs), maar was ook geïnteresseerd in mysticisme, oosterse filosofie en de joodse kabbala, waarin hij de perfecte vereniging van poëzie en gebed zag. Voor dsh was concrete poëzie geen formeel spel, maar een spirituele oefening. Vanaf 1963 ontpopte hij zich tot een centrale figuur in de Britse literaire avant-garde. Hij deed dit vooral met behulp van een typemachine (een draagbare Olivetti Lettera 22) en werd snel bekend met zijn typestracts waarin hij alle mogelijkheden van die machine exploreerde. Aanvankelijk werkte hij met lettertekens, maar later creëerde hij subtiele composities met de overige tekens van het klavier. Verder maakte hij ‘poëzie-objecten’ en schreef hij partituren voor events zoals we die kennen van de fluxusbeweging. Midden de jaren 70 verdween de aandacht voor het werk van dsh, samen met die voor concrete poëzie. Deze publicatie is de eerste introductie tot zijn oeuvre. Het boek bevat een viertal teksten, gevolgd door een selectie van werken. Opvallend zijn dsh’s eigen essays over concrete poëzie: klassieke teksten van een wereldwijze intellectueel, die de tijdsgeest overstijgen. Volgens de auteurs van deze publicatie volgt er binnenkort nog een biografie en zijn er plannen voor een catalogue raisonné.