Ontologisch onzuivere bastaarden. Emanuele Coccia
La Pausa, ooit het zomerhuis van Coco Chanel aan de Franse Riviera, doet sinds 2015 dienst als uitwaaiplek voor kunstenaars en schrijvers. In de zomer van 2025 nam actrice Lupita Nyong’o, bekend van vertolkingen in onder meer Black Panther en 12 Years a Slave, de rol van gastvrouw op zich. Ze nodigde filosoof Emanuele Coccia uit om in gesprek te gaan over de betekenis van een thuis, aan de hand van zijn boekje Filosofia della casa uit 2021, dat in vele talen werd vertaald, recent ook in het Nederlands. In de overgestileerde podcastopname voor Chanel Connects (de eerste aflevering van het vijfde seizoen) draagt merkambassadeur Nyong’o een mantelpak met een grote witte kraag en dito manchetten, terwijl Coccia verschijnt in een bont gestreepte trui. Opmerkelijk genoeg draagt hij twee vierkante brillen: een montuur met bruine schildpadprint en dikke glazen rust op zijn neus, terwijl boven op zijn hoofd een donkere zonnebril geparkeerd staat. Het is een outfit die zijn fans vaker gezien hebben, soms ook met een extra poofy pufferjas eroverheen, neongele of roze sneakers aan de voeten, en een koptelefoon losjes om zijn nek gedrapeerd. Zonder moeite beweegt professor Coccia – met een doctoraat behaald in Firenze en met lesopdrachten, sinds 2009, in onder meer Tokio, Buenos Aires, Düsseldorf, Parijs, München, New York en Lausanne – zich met zijn metafysische statements door de culturele industrie, waar er gretig met hem aan de haal wordt gegaan. Van adviesfuncties en cocuratorrollen tot uiteenlopende publicaties, catalogusbijdragen en lezingen: Coccia’s esthetische denken lijkt een magische aantrekkingskracht te hebben op de haute monde. Door Vogue werd hij in 2024 omschreven als ‘de academische sensatie wiens gedurfde denken filosofie sexy gemaakt heeft’, al lijkt zijn werk inmiddels populairder in de wereld van mode, design, architectuur en kunst dan in die van de (academische) filosofie. Waarom lijkt wat Coccia beweert niet stoffig maar sexy? Wat maakt zijn denken zo aantrekkelijk en bruikbaar voor prestigieuze contexten en evenementen? En welke prijs moet zijn filosofie betalen om in zulke kapitaalkrachtige echelons en in een dergelijk ritme mee te draaien?
Wat meteen opvalt aan het werk van Coccia is de speelse en meanderende manier waarop hij zijn gedachten deelt. Geen enkel onderwerp lijkt onwaardig voor filosofische reflectie, en hij beweegt zich met gemak tussen insecten en ethiek, reclame en kosmologie. Hij deelt zijn metafysische claims op poëtische wijze, met een filosofische zekerheid die voor de ervaren lezer soms wat archaïsch aanvoelt. Dat wil niet zeggen dat zijn beweringen helemaal ongefundeerd zijn, maar wie ook zijn vroege werk leest, ziet hoe sterk Coccia leunt op premodern gedachtegoed. Die eeuwenoude concepten en dito schrijfstijl mixt hij met moderne en hedendaagse stromingen zoals de psychoanalyse, het posthumanisme en de klimaatfilosofie.
Al in 2004 behaalde Coccia, geboren in 1976, een doctoraat in de middeleeuwse filosofie met een studie van het werk van de Arabisch-Andalusische, twaalfde-eeuwse filosoof Averroes, die in zijn werk probeerde om het systeem van Aristoteles met de leer van de islam in overeenstemming te brengen. Coccia ging echter vooral na hoe beelden binnen het Averroïsme een eigen statuut en een eigen kracht verwierven. Het boek uit 2005, op basis van zijn proefschrift over ‘de transparantie van beelden’, kreeg een voorwoord mee van Giorgio Agamben. Interesses in verbeelding en medialiteit werkte Coccia in 2011 verder uit in het boek La vita sensibile, inclusief een ambitieuze theorie over de ‘micro-ontologie van beelden’. Hiervoor rehabiliteert hij het middeleeuwse begrip species intentionalis om beelden te begrijpen als zintuigelijke vormen met een eigen zijnsstatus, onafhankelijk van zowel het materiële object als het waarnemende subject. Deze ontologische tussencategorie omschrijft hij als ‘het sensibele’ of het zintuiglijk kenbare, dat we zouden moeten begrijpen als de vorm tussen een idee en de tastbare uitwerking ervan, tussen een project en het verwezenlijkte eindresultaat, en tussen de verbeelding en een kunstwerk. Aan de hand van mediatheorie en psychoanalyse vertaalt Coccia deze premoderne notie naar een eigentijdse opvatting over hoe vormen zich door de wereld bewegen.
Het meest eigenzinnige idee dat Coccia in La vita sensibile uiteenzet – en een sleutel voor zijn latere werk en zijn succes in de modewereld – is de stelling dat mode een essentieel filosofisch medium is. Mode laat ons zien dat ons eigen beeld altijd afhankelijk is van vormen buiten onszelf. Coccia omschrijft de mens als ‘het dier dat heeft geleerd om zichzelf te kleden’: door onze kwetsbare naaktheid worden we gedwongen andere materialen en vormen als tweede huid te adopteren. Het geklede lichaam fungeert zo zelf als medium, een verdubbeling van het bestaan waarin we (letterlijk) betekenis dragen: dankzij ‘de mode zijn wij het die worden omgevormd tot een medium; we worden het medium van ons eigen bestaan als beeld’, zo klinkt het in La vita sensibile. Verre van een accessoire, is mode voor Coccia ‘de meest diepgaande en intense aard’ van het sensibele.
De grote doorbraak diende zich aan in 2018 met het boek La vita delle piante, in 2021 vertaald als Het leven van de planten. Een metafysica van de vermenging. Coccia’s micro-ontologische blik op beelden verschuift in deze tekst naar een macroperspectief op de bestaansvoorwaarden op onze planeet. Ook hier maakt hij weer gebruik van premoderne noties, die hij combineert met hedendaags postantropocentrisme. Zo wijst hij onze obsessie met de aarde als zijnsgrond af als een vorm van geocentrisme. De aarde is niet op zichzelf bewoonbaar, stelt Coccia terecht, en zoogdieren zoals de mens zijn geheel afhankelijk van de productie van zuurstof door planten. Daarom zouden we volgens hem een nieuw heliocentrisme moeten omarmen: zonder zon immers geen fotosynthese, zonder planten geen bewoonbare planeet. Volgens Coccia heeft ons ‘dierenchauvinisme’ tot een ‘epistemologische lacune’ geleid en zijn planten ‘de immer gapende wond van het metafysische snobisme dat vormgeeft aan onze cultuur’.
Elke vorm van soortelijke superioriteit en ontologische zuiverheid wijst hij hier resoluut af, terwijl hij met in de hand Anaxagoras’ motto pan en panti (‘alles zit in alles’) een metafysica van de vermenging voorstelt. De crux in deze gedachte is de antieke notie van pneuma: de lichamelijke vermenging met de atmosfeer via de adem is de primaire voorwaarde van het bestaan. Door deze notie aan wetenschappelijke inzichten te verbinden, schuift Coccia verschillende denktradities zo dicht tegen elkaar aan dat antieke metaforen, empirische inzichten en speculatieve kosmologische claims nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. En het is precies die hybride zone waarin hij zich wil positioneren, voorbij rigide scheidslijnen en concepten zoals materie versus geest, mens versus omgeving en cultuur versus natuur.
Coccia’s idee van atmosferische vermenging als basisvoorwaarde voor het in-de-wereld-zijn moet niet alleen als een ecologisch statement begrepen worden, maar ook als een esthetische ontologie. Vanuit de ervaring van vermenging en doordringing onderzoekt hij de condities van het bestaan van de mens en van de wereld, waarin en ‘waarvan’ we leven. In die lijn radicaliseert zijn positie in Métamorphoses, dat eerst in het Frans verscheen in 2020. Coccia’s notie van metafysische immersie vindt een meer volkomen uitdrukking in het concept ‘metamorfose’. Ondanks de duidelijke inspiratie en een enkele verwijzing naar Ovidius lijkt de Italiaanse filosoof in deze tekst de autoriteit van een eigen stem gevonden te hebben, ook omdat hij steeds minder leunt op filosofische voorouders. Meanderend door thema’s als geboorte, architectuur en voeding, tekent hij een poëtisch-ontologisch concept op van metamorfose als de kern van het bestaan: dezelfde levenssubstantie neemt keer op keer andere vormen aan. Metamorfose is dan niet iets uitzonderlijks of incidenteels, maar iets dat continu gaande is. Elke ademhaling, elke handeling, elk voedsel dat we tot ons nemen is een moment van transformatie, van het samengaan en herschikken van diverse levensvormen. We zijn in die zin allemaal ontologisch onzuivere bastaarden: de metamorfoses die we ondergaan zijn slechts ten dele persoonlijk, want ze maken bovenal onderdeel uit van de universele transformatie van onze planeet: ‘Ieder levend wezen is in feite een recycling van de planeet, een lappendeken van voorouderlijke planetaire materie.’
Metamorfose à la Coccia is dus onpersoonlijk, allesdoordringend en structureel. Maar om al die veranderingen te laten plaatsvinden, heeft hij het beeld van de cocon nodig. Een insect kan over een cocon beschikken, als een fysieke ruimte waarin het van vorm kan veranderen. De mens is morfologisch echter vele malen beperkter, maar volgens Coccia kan een lichaam zich dankzij het bewustzijn en de techniek toch losmaken van een strikt biologische ontwikkeling. Binnen deze metaforische cocon kan ook de mens zich ‘uitbreiden’. Iedere relatie die een lichaam met zichzelf aangaat ‘brengt een ei voort, een postnatale cocon, die van de wereld een plek maakt voor de wedergeboorte, voor een nieuwe vorm van het zelf’. Ieder technisch object maakt een nieuwe versie van onszelf mogelijk, of het nu een hamer, een telefoon of een boek is. Die verandering – die metamorfose – vindt plaats binnen de relatie waarin het ‘ik’ en het technische object elkaar treffen, elkaar veranderen en elkaar opnieuw vormgeven.
Met de nadruk op interspecifieke vormen en vormgevende techniek zal het niet verbazen dat Coccia zich tot de figuur van de kunstenaar wendt om zijn esthetisch-ontologische these over metamorfose kracht bij te zetten. Sterker nog, volgens hem is de hele geschiedenis van de aarde een eeuwigdurende artistieke ervaring.
‘De geschiedenis van de Aarde is een kunstgeschiedenis […]. In die context is iedere soort tegelijk kunstenaar en conservator van andere soorten. Omgekeerd is iedere soort tegelijk een kunstwerk en een performance van de soorten waarvan zij de evolutie vertegenwoordigt, maar ook een object in een tentoonstelling, waarvan de soorten die haar hebben samengesteld de conservatoren zijn.’
Als mensen scheppen we, maken we keuzes die tot herschikkingen leiden en worden we welwillend of onverwacht getransformeerd door anderen. Kunst is volgens Coccia het verlangen om de samenleving te metamorfoseren, en dat is volgens hem een vooruitziende taak waar kunstenaars zich sinds de avant-garde van de twintigste eeuw mee bezighouden, als in een voortdurende oefening om iets te maken dat nog geen vorm heeft. Zoals een lichaam zich via techniek transformeert tot een nieuwe versie van het zelf, zo opent hedendaagse kunst een ruimte waarin de wereld zichtbaar experimenteel wordt herschikt, anders wordt voorgesteld, zonder gebonden te zijn aan een bepaald materiaal of een medium. Dankzij kunst wordt het landschap volgens Coccia een ‘veelsoortige biënnale’. Elke configuratie van installaties mag voor even schitteren, om vervolgens vervangen te worden door talloze opvolgers, ad infinitum.
Het bestaan is binnen deze filosofie een aaneenschakeling van vormen in verandering, waarin niets volledig zichzelf blijft en waarin het proces van transformatie zichzelf eindeloos voortzet, in letterlijke en metaforische cocons. Zo verschijnt langzaamaan de aantrekkingskracht die Coccia uitoefent op de culturele industrie: het leven op de aardbol krijgt een esthetische lezing, maar legitimeert ook moeiteloos de constante vernieuwing dankzij trends, nieuwe collecties en vormgeving.
Coccia’s tractie in de kunstwereld loopt vrijwel parallel op met de publicatie van La vita delle piante, dat al in meer dan tien talen is vertaald: het boek sluit immers feilloos aan bij de groeiende aandacht voor postantropocentrische en ecologische perspectieven in musea, in kunstencentra en op biënnales. Zijn eerste grote institutionele opdracht was een aanstelling als wetenschappelijk adviseur voor de tentoonstelling Nous les Arbres, te zien bij Fondation Cartier in Parijs in 2019. Het werd het begin van meerdere samenwerkingen met dit instituut, variërend van bijdragen in verschillende catalogi (recent nog in het overzichtsboek Voir venir, Venir voir) tot publiekslezingen. In 2019 begon Coccia samen te werken met de Italiaanse designstudio Formafantasma, voor wie hij onder meer optrad als voice-over in de video Quercus (2020) om de stem te vertolken van een eik. Ook schreef hij de teksten voor hun expo Oltre Terra, over wol, herderspraktijken en de historisch wederkerige relatie tussen mens en schaap – een project dat begon als commissie van het Nationaal Museum in Oslo in 2023, maar dat in 2025 te zien was in het Stedelijk Museum Amsterdam (zie De Witte Raaf, nr. 235). Coccia gaat nog meer samenwerkingen aan, zoals met kunstenaar en filmmaker Faye Formisano (Heaven in Matter in 2021), met designstudio Dotdotdot (The Portal of Mysteries in 2022), met landschapsarchitect Bas Smets en met Viviane Sassen, met wie hij in 2022 het boek Modern Alchemy maakte (zie De Witte Raaf, nr. 228). In 2024 verbleef hij relatief onopgemerkt meerdere maanden op de heidegronden van Blaricum – een residentie mogelijk gemaakt door The Mondrian Initiative, dat hem toestond in de hutjes van Piet Mondriaan te werken aan het project Metropolitan Nature. Hij nodigde onder anderen architect Jeanne Gang uit om in gesprek te gaan, net als curator Béatrice Grenier en François-Ghislain Morillion, medeoprichter van VEJA, een merk van ‘organische’ gympen.
Deze opsomming is niet louter beschrijvend, maar toont vooral de verschuiving van Coccia’s werkgebied van een academische context naar de kunstwereld en de culturele industrie. Die professionele transformatie is niet alleen institutioneel, maar heeft ook inhoudelijke gevolgen. Coccia is in toenemende mate aanwezig binnen het geglobaliseerde circuit van biënnales, waarin hij dialogen organiseert en advies uitreikt achter de schermen. Naar aanleiding van het Forest Festival of the Arts in Okayama in Japan, zette hij in 2025 zijn visie uiteen over de toekomst van deze tentoonstellingsvorm. Een biënnale is volgens hem niets minder dan een ‘oefening in kosmogonische improvisatie’, met een experimentele en ‘wereldscheppende’ taak. Het is een ondertussen voor hem kenmerkende uitspraak – zo breed geformuleerd dat er weinig tot geen ingang is voor een kritisch weerwoord. Wat is de inzet van een dergelijke opmerking? Het format van de biënnale binnen het huidige kunstcircuit en binnen de huidige geopolitieke omstandigheden wordt er alleszins niet door verantwoord of verdedigd.
Binnen al deze circuits valt bovendien de vrij opportunistische kunstkritiek op die Coccia bedrijft. Kunstwerken bekijkt en leest hij bovenal om er een vehikel voor zijn filosofie van te maken. Zo omschreef hij in 2019, in opdracht van de Fondation Vincent van Gogh in Arles, de Zaaier met ondergaande zon uit 1888 als een voorstelling van het heliocentrisme, van ‘interspecifieke gelijkheid’ en van de metamorfose van de aarde onder invloed van de zon. Coccia zet vooral in op Van Goghs nadruk op het ‘moderne’ karakter van de voorstelling en citeert selectief uit de brieven van de kunstenaar aan zijn broer. De religieuze symboliek van de zaaier als Gods woord blijft volledig uit beeld. De zon is niet langer een aanduiding van een seizoen, maar krijgt een kosmologische betekenislaag: ‘Het licht van de zon daalt neer in het lichaam van de Aarde om haar te bezielen en opnieuw te verschijnen in een gemetamorfoseerde vorm.’ Door scherp te stellen op de manipulatie van het licht schetst Coccia parallellen tussen de bezigheden van de zaaier en die van de kunstenaar. Hij stelt dat landbouw en schilderkunst niet alleen met elkaar vergeleken en samen begrepen kunnen worden, maar beweert ook dat agricultuur de toekomst uitmaakt van de kunst. Het gaat hem dan niet zozeer om de beeltenis van het boeren of om bijvoorbeeld artistieke installaties in rurale gebieden, maar om het denken van elke ‘interspecifieke’ relatie, ook die van niet-menselijke subjecten, als een kunstvorm op zich. Elk levend wezen geeft vorm aan de eigen leefomgeving, en Coccia wil daarom elk landschap als een kunstwerk beschouwen. De facto leidt het tot een esthetisering van elke millimeter van de planeet: ‘Elk landschap is niets anders dan een soort museum van hedendaagse Natuur [en] elk ecosysteem is, boven alles, een soort biënnale.’
Het klinkt mooi en het heeft een zeker retorisch cachet, maar kritische reflectie over de reikwijdte van dergelijke beweringen ontbreekt. Wat betekent het als alles kunst is? Wat voor contemplatieve dan wel politieke en morele houding kunnen we nog aannemen jegens het ‘kunstwerk’ van onze leefomgeving? Hoewel een versoepeling tussen de conceptuele grenzen van natuur en kunst toe te juichen valt, gaat in Coccia’s denken de mogelijkheid tot demarcatie zo goed als verloren, en daarmee ook de analyse van specifieke fenomenen. Alles mag of moet meedraaien in zijn metamorfoserende wervelwind die links en rechts tentoonstellingen opricht en afbreekt. De kunstmatige én kunstzinnige status van een mierennest, een vuilnisbelt en een olieverfschilderij: voor Coccia is het allemaal feitelijk hetzelfde.
Dit probleem komt wederom duidelijk naar voren in een recent essay bij het werk van Ernesto Neto, gepubliceerd in 2025 in het boek Art on Earth. Coccia benadrukt de geur van de even grootschalige als amorfe installaties van deze Braziliaanse kunstenaar, en wederom leidt dit tot bespiegelingen over de ‘verwevenheid’ van het menselijke lichaam en de wereld. Het pneuma dat in La vita delle piante centraal staat krijgt zo een esthetische uitbreiding dankzij de geuren die ons lichaam binnendringen wanneer we via onze neus ademhalen. Het werk van Neto is zo gezien een poging om de cartografie van de wereld te reconstrueren op basis van geur. Dit is Coccia’s conclusie:
‘Een kunst die zich vormt via geuren, schimmels en structuren, vormt het menselijk bestaan in zijn diepste ‘gestualiteit’: als kunst gewoon kan worden ingeademd, is dat omdat ze samenvalt met ons eigen metabolisme. […] Kunst is geen secundair luxeproduct van een beperkte minderheid, maar de adem van alle levende wezens.’
Dat kunst samenvalt met ons eigen metabolisme is conceptueel gezien opnieuw onderbepaald. Ademen we kunst in, en moeten we zuurstof als een vorm van plantkunst begrijpen? Is ons eigen ademen een kunstvorm omdat wij er vervolgens stikstof en koolstofdioxide van maken? Door ademen gelijk te stellen aan kunst, verandert onze meest dagelijkse en onbewuste bezigheid fundamenteel. De inzet van Coccia lijkt een soort herbetovering van de wereld, door het meest levensnoodzakelijke dat we doen in absolute zin te esthetiseren door middel van theses die liever provoceren dan zichzelf uit te leggen.
Hoewel Coccia duidelijk diep is ingebed in de traditie van het denken, lijkt de filosofische precisie van zijn werk steeds meer af te nemen naarmate hij dieper in de culturele industrie afdaalt. Hij behoudt zijn metafysische dialect, maar de werkelijke speculatieve filosofische verantwoording maakt steeds vaker ruimte voor een poëtisch taalgebruik zonder enige conceptuele verankering. Hij grossiert ondertussen in cryptische claims die bijzonder citeerbaar lijken omdat ze direct tot de verbeelding spreken – ‘een postnataal ei’, ‘kosmische verwantschap’ – maar wat écht op het spel staat, raakt steeds verder uit beeld. Naarmate Coccia’s populariteit in de kunstwereld toeneemt, wordt de epistemologische horizon van zijn metafysische claims steeds obscuurder.
Het meest zichtbaar wordt dit wellicht in La vita delle forme. Filosofia del reincanto, het boek dat Coccia in 2024 samen schreef met modemogul Alessandro Michele. Hoewel ze in de introductie stellen dat het boek een weergave is van hun gemeenschappelijke visie, zijn de teksten van de filosoof en de artistiek directeur van respectievelijk Gucci en Valentino, gescheiden door een verschil in opmaak. De gecursiveerde teksten van Coccia hebben de vorm van een begeleidend introducerend essay bij elke ‘stanza’. Af en toe werden ze ingevoegd als ‘filosofisch intermezzo’ tussen de persoonlijke ervaringen van Michele, die terugblikt op de totstandkoming van zijn ‘maximalistische’ collecties. Het geheel loopt over van poëtische metaforen en bombastische uitspraken: ‘Mode is de meest radicale kracht van metamorfose in ons leven’, ‘De textuur van onze kleding is die van onze ziel’ en ‘Gedachten kunnen net zo diep en waardig tot uiting komen in kleuren, vormen en de vezels van een stof als in woorden’. Het zijn flamboyante uitwerkingen van Coccia’s vroegere ideeën uit La vita sensibile, die hier worden ingezet om filosofische legitimiteit te verlenen aan elitaire modemultinationals die vooral baat hebben bij exclusiviteit. Als mode de meest radicale kunstvorm van onze tijd is én ‘het ultieme politieke object’, waarom hebben deze twee Italiaanse generatiegenoten het dan vooral over de collecties van Gucci? Zouden ze het niet ook moeten hebben over sweatshops, overproductie en landfills? Is de prijs voor de ‘radicale vrijheid’ om jezelf te uiten niet ook juist de repressie die de modecultuur met zich meebrengt?
Het leidt tot de belangrijkste vraag die het fenomeen Coccia oproept: wat gebeurt er als filosofie louter esthetiek wordt in het publieke domein – als filosofische claims een exploiteerbare ervaring van schijnbare diepte bieden, een suggestie van betekenis zonder dat de kosten en baten van deze manier van denken worden opgemaakt? Metafysische theses zijn nu eenmaal minder gratuit dan artist statements of gedichten. Coccia’s werk mag dankzij een poëtische toon en een speculatieve hoogdravendheid bijzonder citeerbaar zijn, door zijn commerciële inzet verliest hij elk kritisch fundament. Een filosoof die wil leunen op het gewicht van de erfenis van de eigen discipline, draagt ook de verantwoordelijkheid meer te doen dan zich enkel een metafysische tongval aan te meten. De bezigheden van Coccia verwaarlozen het democratische potentieel van zijn denken en richten in plaats daarvan een gegentrificeerd spiegelpaleis op, waarin de commerciële kunst- en modewereld steeds opnieuw, vol zelfgenoegen, de legitimatie krijgt aangereikt van een obsessie met constante vernieuwing.
• Drie boeken van Emanuele Coccia zijn in het Nederlands beschikbaar: Het leven van de planten. Een metafysica van de vermenging, Amsterdam, Leesmagazijn, 2021, ISBN 9789083172729, vertaling Pieter Boulogne; Metamorfosen, Amsterdam, Octavo, 2024, ISBN 9789490334376, vertaling Pieter Boulogne; Filosofie van het huis, Amsterdam, Octavo, 2025, ISBN 9789490334482, vertaling Welmoet Hillen.