width and height should be displayed here dynamically

Besprekingen

Beeldende Kunst

Architectuur & Vormgeving

Publicaties

Kunstenaarsboeken

239

Wat heet denken?

‘Het meest be-denkelijke komt in onze bedenkelijke tijd hierin tot uiting dat wij nog niet denken.’ Het is een citaat van Martin Heidegger, uit een lezing uit 1951 getiteld ‘Was heißt Denken?’. Het lijkt verleidelijk – de belangrijke redeneringen, zeker in een verontrustend tijdperk, moeten en zullen zich nog aandienen. Toch laat Heidegger na te bekritiseren welke ideeën het zijn die een tijdsgewricht bedenkelijk maken, en schuift hij de taak voor zich uit om anders te denken. Het menselijke verlangen naar begrip wordt niet ernstig genomen, en inzichtelijkheid wordt een fata morgana. ‘Daarin komt’, zoals Theodor Adorno schreef in 1966 in Negative Dialektik, ‘niet zozeer mystieke meditatie als wel de nood van de gedachte tot uiting, die toe wil naar hetgeen anders is dan zijzelf en die zich niets kan permitteren zonder de angst om dat wat ze beweert, te verliezen. Tendentieel verandert filosofie in een ritueel gebaar. Er roert zich daarin ook iets waars, namelijk haar verstommen.’

Dat het denken, hoe het ook moge heten, stopt noch verstomt – het is een overtuiging die aan de basis ligt van De Witte Raaf, en van dit nummer in het bijzonder. In een tiental essays en artikelen wordt de uitdaging aangegaan om beter te denken, vanuit de overtuiging dat alleen zo een beter leven binnen bereik komt. De belangrijkste aanname: er is geen denken dat niet door lezen wordt voorbereid; redeneren is reageren, wat kunst en cultuur meteen van een bestaansreden voorziet. Deze teksten zijn op diverse manieren uitgelokt – door maatschappelijke evoluties, door kunstwerken, boeken en tentoonstellingen, maar ook door andermans theorieën.

Julie Van der Wielen analyseert onder meer het werk van Klaus Theweleit om na te gaan hoe ontsporende mannelijkheid tot fascisme kan leiden. Stéphane Symons herleest sleutelteksten van Walter Benjamin om onze relatie tot herhaling en verschil anders te duiden. Judith Wambacq recenseert een expo in het Palais de Tokyo waarin de invloed van French Theory op Amerikaanse kunst aanschouwelijk wordt. Tessa de Vet, Bas Blaasse en Vlad Ionescu bespreken recente boeken van respectievelijk Emanuele Coccia, Grant Kester en T.J. Clark, wat reflecties oplevert over de macht en onmacht van kunst in de eenentwintigste eeuw. Noortje de Leij confronteert de canonieke interpretatie van het oeuvre van Marcel Broodthaers door Benjamin Buchloh met enkele sleutelgedachten van Adorno, en herdenkt zo het werk van de Belgische kunstenaar. Het nummer besluit met drie miniverzamelingen filosofische fragmenten, opgetekend door Frank Vande Veire, Jan Op de Beeck en Emiel Roothooft.

Het januarinummer van De Witte Raaf wordt op die manier een bescheiden staalkaart van hoe er vandaag in het Nederlands gedacht kan worden. De selectie is uiteraard relatief en deels toevallig. Desondanks blijkt één idee constant: een kwart ver in het derde millennium is denken ook altijd terugblikken op de twintigste eeuw – niet uit escapisme, maar omdat een bijziend heden nood heeft aan intelligente verziendheid.

Christophe Van Gerrewey