Valérie Mannaerts. Antennae

Curator Valerie Verhack omschrijft de solo van Valérie Mannaerts (1974) in M als een oeuvreoverzicht, hoewel het gros van de werken dateert uit de voorbije zeven jaar of zelfs speciaal voor Antennae gecreëerd werd. Toch is die aanspraak niet onterecht. De centrale zaal van Antennae bevat ook ‘jeugdwerk’ van Mannaerts, net als werk dat verwijst naar haar overleden vader en in zekere zin dus naar een beginpunt. Bovendien is haar oeuvre hier in de volle breedte te zien. Mannaerts vertrekt vanuit het tekenen, maar hanteert, vaak door elkaar, andere technieken, zoals borduren, boetseren, naaien en schilderen, ook in installaties en in kunstwerken in opdracht.
Haar oeuvre draait consistent rond het lichaam. Uit de beginjaren stamt de foto- en video-installatie Porque te vas? (1996), een lied dat Ana Torrent zingt in de film Cría Cuervos (1976) van Carlos Saura. Het personage van Torrent vraagt zich af waarom haar moeder stierf, en alle onzekerheden van een kind dat opgroeit in een verstikkend huis komen naar boven. Een monitor toont het fragment; daartegenover verschijnen op een ander scherm fotografische zelfportretten van de jonge kunstenaar. Tussen beide schermen in hangen, tegen een kamerscherm van getint plexiglas, kleine cibachrome foto’s van tekeningen. Doorgaans verbeelden ze schetsmatig maar met krachtige lijnen het vrouwenlichaam. Ze hebben geen hoofd, of een wazig waterhoofd met grote, lege oogkassen. De ogen of de mond ontbreken, maar niet de haardos. Zeldzame realistische vrouwenhoofden zijn reproducties, zoals van Vermeers melkmeisje. De figuren lijken zo soms op paspoppen, met de kledij over de pasvorm heen getekend, als een tweede lijf, met – bij het melkmeisje – een lepel op de plaats van het geslacht. Eén tekening toont zelfs een corps sans organes: onder de kledij, tussen benen en borsten, ontbreekt een lijf. Een andere tekening toont een skelet dat een amorf lijf ondersteunt. Sommige beelden zijn genderfluïde, zoals dat van een vrouw waarop Mannaerts mannelijke lichaamsbeharing kleefde. De serie is een imaginaire verkenning van de relatie tussen enerzijds lichaam, gevoel, aanraking, huid tegen stof en anderzijds zelfbeeld. Dat zelfbeeld is ambigu: de blik van anderen speelt mee, zoals een krantenknipsel over de aantrekkingskracht van tits and asses suggereert.
Elementen uit deze reeks keren later in vele vormen terug. Rare organs (2000-2001) bestaat uit snapshots van onder meer voeten – bloot of in dikke kousen – waar de camera naar staart als naar bizarre objecten, zoals in het gedicht ‘Barbaarse dans’ van Van Ostaijen: ‘mijn voeten zijn andere gestalten die ik spelen doe / naar de wet van mijzelf’. De foto’s werden gemonteerd op een buitenmaats kamerscherm van panelen in schuimkarton. Het geheel flankeert de gang tussen de introruimte en de eerste zaal van de tentoonstelling, zodanig dat de foto’s onzichtbaar zijn vanuit die entree. De beelden overvallen de bezoeker, in de passage, als een plots besef van lichamelijke vervreemding, en tegelijk kondigen ze Point de capiton in de eerste zaal aan. Het is een voorbeeld van de precisie waarmee de tentoonstelling opgebouwd is.
Point de capiton (2026) bestaat uit zeven sculpturen van zwaar schilderdoek, opgehangen aan één punt. Uit de vouwen van de doeken, aan de binnenzijde met viskeuze verf bewerkt, puilen andere materialen zoals tule, touw, latex en zelfs dikke buizen in schuim. Tussen deze beelden hangen in gips gegoten medaillons van zoutdeeg. In één werk houden bamboestokken het schilderdoek uit elkaar, als een skelet dat de val van het doek tegenwerkt. De analogie tussen deze werken en het onvaste, fluïde karakter van lichamen is onmiskenbaar. Lichamen ‘kennen’ zichzelf enkel dankzij even diffuse als wezenlijke zintuigen – de tastzin en de ervaring van zwaarte, het contact tussen huid en huid, huid en stof, het besef dat de huid van tepels en geslacht gevoeliger is. Mannaerts verbeeldt die subjectief-objectieve realiteit van lichamen, inclusief hun kwetsbaarheid.
Ze verbeeldt in de laatste zaal ook een andere, in zekere zin tegengestelde lichaamservaring in de installatie Attached ever so lightly (2026), als een pendant van Point de capiton. Hier gaat het om het lichaam als drager van ervaringen en cultuur. In de zaaltekst wordt verwezen naar het essay uit 1986 van Ursula K. Le Guin, ‘The Carrier Bag Theory of Fiction’, waarin gesteld wordt dat technologische fictie niet noodzakelijk moet draaien om dodelijke wapens, maar ook kan gaan over middelen om beter te leven. Een draagtas om levensmiddelen te verzamelen is daarvan het prototype. Centraal in de ruimte in M hangt een uitvergroting van een houten marionettenkruis, maar in plaats van een pop zijn er een lederen lepel, een foto van een hand, enkele vergulde beeldhouwwerkjes en – vlak boven de vloer – twee schoenen van keramiek aan bevestigd. Tegen de wand prijken potten in gebakken aarde, met daaronder telkens een verzameling dito lepels. De potten roepen vaagweg vrouwelijke vormen op. Het geheel suggereert dat Mannaerts het lichaam zelf ziet als de carrier bag van Le Guin en dat ze zichzelf daarin als kunstenaar een centrale rol toedicht. Als theorie overtuigt het niet, maar het ensemble is wel hoogst suggestief.
Antennae is, als gevolg van de architectuur van M, opgebouwd als een lineaire opeenvolging van zalen met louter kunstlicht. De derde zaal, de enige met daglicht, is een uitzondering. Twee boogvormige openingen refereren aan tuinpoortjes, en tonen opnieuw hoe zorgvuldig deze expo is opgebouwd. In de derde zaal staat namelijk een replica van Private Architecture (2023), de gordijnen die Mannaerts ontwierp voor de polyvalente ruimte van Pleegzorg Vlaams-Brabant in Leuven, een gebouw van architectuurbureau URA. In die ruimte ontmoeten pleegkinderen en -ouders elkaar voor het eerst. De gordijnen, opgehangen aan een ronde buizenstelling, creëren een fantasmagorische voorstelling van een tuin, met imaginaire en reële planten en dieren. Je kan de ‘tuin’ betreden via een opening in de gordijnpanden, maar je kan er ook omheen lopen. Door de weeftechniek leveren dezelfde figuren een heel ander beeld op langs binnen of langs buiten. De zwarte omtrekken maken plaats voor groen en oranje, zodat de sfeer dromeriger wordt. De installatie breidt zo de verbeelding van het lichamelijke uit tot het niet-menselijke, niet als in een griezelshow, maar als een verbeelding van de resonantie tussen menselijke en niet-menselijke lichamen. Het is een nieuw betekenisveld, toegevoegd aan de thema’s die Mannaerts de voorbije decennia, in veel vormen en varianten, heeft uitgewerkt.
• Valérie Mannaerts. Antennae, tot 30 augustus, M, Leopold Vanderkelenstraat 28, Leuven.