Essays
-
De dagboekvorm in de hedendaagse kunst na Barthes. Moyra Davey en Susan Morris
Margaret Iversen -
Een leven in lussen. Anne Charlotte Robertson, Five Year Diary
Nina de Vroome -
Apodictische apofthegma’s. Jean Raine, Journal d’un délirium
Stefaan Vervoort -
Dagboek van een budgethouder. Claude Mollard, Journal de Beaubourg
Christophe Van Gerrewey -
Too Much Plot! Dagboek 1 december 2025 – 30 januari 2026
Michael Van den Abeele -
Dagboek 1 mei – 27 juni 1970
Daniël Robberechts
Besprekingen
-
Art & Language, 1965-2025
Camiel van Winkel -
Lutz Bacher. Burning the Days
Joris D’hooghe -
Becoming Ancestors
Joeri Verbesselt -
Sampler
Jan Op de Beeck -
Valérie Mannaerts. Antennae
Pieter T’Jonck -
Judy Chicago. Revelations
Nadeche Remst -
Rosalind Nashashibi. Stones
Pieter Van Bogaert -
Danh Vo. πνεῦμα (Ἔλισσα)
Tijmen ter Keurs -
Yumna Al-Arashi. Body as Resistance
Bas Blaasse -
Metamorfosen
Hannah Jansen -
Brancusi
Daniëlle Hofmans -
Lieven De Boeck. Breaking Free
Gertjan Oskar
-
Willy Van Der Meeren. Mass.
Inigo Custers -
Donald Judd. The Low Countries, 1966-1971
Jonneke Jobse
-
Kunstenaarsboeken (15): Dagelijkse notities (2)
Moritz Küng
241
Dagboeken (2)
‘Het (autobiografische) ‘journaal’ is vandaag de dag […] in diskrediet geraakt. Stuivertje wisselen: in de zestiende eeuw, toen men met het schrijven ervan begon, zonder weerzin, noemde men het een diaire: diarree en glaire (slijm).’ In Roland Barthes par Roland Barthes uit 1975 stelt de Franse auteur vast dat het dagboek zelden als volwaardige literatuur wordt beschouwd. Toch wordt hij door het genre aangetrokken: is ‘het doel van dit alles dan niet om jezelf toe te staan een dagboek te schrijven?’ De kwestie staat in 1979 opnieuw centraal in een artikel in Tel Quel, ‘Délibération’. De vraag is concreet: ‘Moet ik een dagboek bijhouden met de bedoeling het te publiceren? Kan ik van het dagboek zoiets maken als een ‘te volbrengen werk’?’ Het dagboek vormt een probleem, in die mate dat Barthes melding maakt van ‘dagboekziekte’: enerzijds ervaart hij plezier in het schrijven van dagelijkse verslagen, anderzijds is hij afkerig van het egocentrische perspectief.
In het openingsessay van dit tweede themanummer van De Witte Raaf schetst Margaret Iversen de invloed van Barthes op het gebruik van de dagboekvorm in hedendaagse kunst, meer bepaald in het werk van Moyra Davey en Susan Morris – ‘dagboekschrijvers als ontvangers’ die, aldus Iversen, ‘het auctoriële ik openen voor anderen’. Ook in drie besprekingen van dagboekwerken is niet zomaar sprake van een zelfingenomen ‘ik’. Het zelf wordt onthuld en vertroebeld (in de films van Anne Charlotte Robertson), geobjectiveerd en bekritiseerd (in het Journal d’un délirium van kunstenaar Jean Raine) en zelfs professioneel gemeden (in het dagboek van ‘budgethouder’ Claude Mollard, over de bouw van het Centre Pompidou).
De vraag naar de (artistieke) waarde van self-exposure ligt evenzeer aan de basis van het dagboek dat kunstenaar Michael Van den Abeele afgelopen winter bijhield. De eerste zin van zijn journaal is alvast veelzeggend: ‘De uitnodiging om een dagboek te schrijven komt net nu ik voel dat er weinig toekomst is voor autofictie en het confessionele.’ Toch heeft Van den Abeele de oefening gedaan om elke dag ‘voor publiek’ te schrijven, door aantekeningen te maken over werk, lectuur en ontmoetingen. Deze editie van De Witte Raaf besluit met de maanden mei en juni 1970 uit het dagboek van Daniël Robberechts.
Dit nummer werd samengesteld door Liska Brams en Christophe Van Gerrewey.