width and height should be displayed here dynamically

Amrita Sher-Gil. Europa is van Picasso, India is van mij

Amrita Sher-Gil, Brahmacharis, 1937

De titel van deze indrukwekkende overzichtstentoonstelling is ontleend aan een uitspraak van de jong gestorven Hongaars-Indiase kunstenaar Amrita Sher-Gil (1913-1941). Het Drents Museum in Assen presenteert een primeur voor Europa: zestig schilderijen en tekeningen werden uitgeleend door de National Gallery of Modern Art in New Delhi, terwijl Tate Modern op een vorig overzicht in 2007 slechts dertig werken toonde. Het oeuvre van Sher-Gil geldt als nationaal erfgoed in India en wordt zelden uitgeleend. De vaak geciteerde uitspraak uit de titel – in het volledige citaat noemde ze ook nog Braque en Matisse – is afkomstig uit een brief uit 1938 aan de bevriende verzamelaar en advocaat Karl Khandalavala. De 25-jarige Sher-Gil verkondigde onverschrokken haar ambitie om de eerste moderne schilder van India te worden. Vier jaar eerder had ze haar studie in Parijs, die ze op haar zestiende was begonnen, afgerond.

De tentoonstelling in het Drents Museum is chronologisch en verschaft een helder beeld van de ontwikkeling van haar oeuvre. De presentatie opent met documentaire foto’s en een kleurrijk zelfportret uit 1930 waarop Sher-Gil innemend lacht. Daarnaast hangen drie kleine werken van Picasso, Matisse en Braque die verder niets met haar oeuvre te maken hebben. De zaal is sfeervol opgedeeld door een groot verticaal wit doek waaruit de naam van de kunstenaar in Hindi is gestanst. Het eerste, ‘Parijse’ gedeelte omvat meerdere zelfportretten, portretten en enkele stillevens, geschilderd in een klassieke, naturalistische stijl. Het tweede gedeelte toont een aantal schilderijen die ze in Hongarije vervaardigde, waaronder een groot sneeuwlandschap. Het derde, grootste deel, omvat de werken die in India zijn gemaakt en die haar een iconische status bezorgden.

Sher-Gil was de oudste dochter van een Sikh-aristocraat, wetenschapper en fotograaf, en een operazangeres uit de Hongaarse bourgeoisie. Ze werd geboren in Hongarije, waar haar familie tijdens de Eerste Wereldoorlog woonde. In 1919 keerde het gezin terug naar Simla, in het noorden van India. Al op jonge leeftijd maakte Sher-Gil kennis met beeldende kunst en muziek, en toonde ze aanleg voor tekenen. In 1929 verhuisde ze met haar familie naar Parijs, waar ze de klas van Pierre Vaillant aan de Académie de la Grande Chaumière volgde. Ze maakte voornamelijk portretten naar model, in een klassiek realistische en postimpressionistische stijl. Vervolgens bezocht ze tot 1934 als ‘vrije studente’ de werkplaats van Lucien Simon aan de École des Beaux-Arts. Tijdens deze periode in Parijs maakte ze vooral portretten van haar zus en van vrienden, maar ook negentien zelfportretten, waarvan er zes te zien zijn in Assen. Op het schilderij Jonge Vrouwen(1932) bijvoorbeeld zijn twee vrouwen in een huiselijke, ontspannen sfeer met elkaar in gesprek: zus Indira en kunstcriticus Denise Proutaux, een kam in de hand. Blonde lokken golven over haar bovenlijf, waarvan een borst sensueel ontbloot is. Met dit werk won Sher-Gil een gouden medaille en een lidmaatschap van de Grand Salon in 1933. Daardoor kon ze jaarlijks twee schilderijen exposeren zonder tussenkomst van een jury.

Een omslag in Sher-Gils werk vond plaats toen ze in 1933 in Londen het werk van Paul Gauguin zag. Zijn kleurrijke schilderijen van naakte vrouwen op Tahiti inspireerden haar tot Zelfportret als een Tahitiaanse (1934). Halfnaakt, tegen een behang met kleine Aziatische figuren, en met achter haar de schaduw van een mannelijke figuur, schilderde Sher-Gil zichzelf als de exotische ander. Om de typische westerse, koloniale blik op ‘primitieve’ gemeenschappen te bevragen? Uitgerekend dit sleutelwerk, dat sinds 2000 in menig Europees overzichtswerk van vrouwelijke kunstenaars werd opgenomen – en in 2017 nog op documenta 14 was te zien – is jammer genoeg afwezig in Assen. Een grote hoeveelheid werken die ze daarna maakte, wordt gelukkig wel tentoongesteld.

Sher-Gil besloot in 1934 terug te keren naar India, op zoek naar haar artistieke ‘stem’. De academische, realistische, bruingetinte Parijse stijl maakte plaats voor platte kleurvlakken en felle kleuren. Ook haar onderwerpkeuze veranderde. Ze schilderde vooral taferelen met de lokale plattelandsbevolking, als vertolker ‘van het leven van de mensen, in het bijzonder het leven van de armen en de verdrietigen’, op zo’n manier dat ‘het niveau van louter sentimentele belangstelling’ overstegen werd, aldus de kunstenares. Ze kreeg al snel erkenning, zoals een gouden medaille van de Bombay Art Society voor Drie meisjes (1935). Afgebeeld zijn drie jonge, zittende vrouwen in traditionele, kleurrijke sari’s, die links het beeld uitkijken. Uit hun ogen spreekt een berustende blik, maar hun houding is niet passief. Voor de compositie van de dorps- en plattelandstaferelen vond ze inspiratie in traditionele Indiase miniaturen, en tijdens een reis langs de grotschilderingen van Ajanta en Ellora in Zuid-India. Hoogtepunten zijn Bruidstoilet (1937), Brahmacharis(1937), Heuveltafereel (1938) en Kurkumamalers (1940). Ze markeren de omslag naar een eigen, onderscheidende stijl. Bruidstoilet biedt een intieme blik in de huiselijke en emotionele wereld van Indiase vrouwen die zich voorbereiden op het huwelijk. Verwees de kunstenares naar gearrangeerde huwelijken, door het stille, melancholische en kwetsbare gezicht van de bruid? Brahmacharis toont de spirituele toewijding van een groep zittende jonge hindoeïstische priesters of vedische studenten. Hun witte broeken steken af tegen de huid- en aardkleuren. De laatste twee werken geven het dagelijkse plattelandsleven weer, zonder te vervallen in sentimentele romantiek. Zoals de Indiase kunstcriticus Geeta Kapur het treffend verwoordde, geeft Sher-Gil de arme plattelandsbevolking van India een monumentale status.

In 1938 verhuisde Sher-Gil naar Hongarije, waar ze trouwde met haar neef Victor Egan. Opnieuw liet ze zich inspireren door haar omgeving. Vanwege de oorlogsdreiging verhuisde het paar al na een jaar terug naar Simla en in 1941 naar Lahore, waar ze een grote tentoonstelling kreeg. Aan de vooravond van de opening overleed Sher-Gil plotseling, 28 jaar oud, wellicht door complicaties na een abortus. Anders dan veel vrouwelijke kunstenaars voor en na haar, verdween ze niet in de vergetelheid. Er volgden al snel boeken over haar werk en leven, waarin zij op het schild werd gehesen als de pionier van het Indiase modernisme. Als vrijgevochten, onafhankelijke, ambitieuze vrouw was en is ze een inspiratiebron voor kunstenaars en romanschrijvers. Amrita Sher-Gil heeft de weg vrijgemaakt voor vrouwelijke kunstenaars in India om zich te bevrijden van de maatschappelijke normen die hen als vrouw en als kunstenaar werden opgelegd.

Om Sher-Gil in de geschiedenis te plaatsen, had een hoofdstuk over de relatie van haar oeuvre met de officiële koloniale kunstacademies en dominante kunststromingen niet misstaan in de catalogus. De Bengal School of Art greep bijvoorbeeld terug naar een geïdealiseerd Indiaas verleden, net om zich af te zetten tegen de Britse koloniale cultuur. In een bijdrage aan het boek Modernism and the Idea of India uit 2025 beschrijft Geeta Kapur hoe Sher-Gils werk destijds op onbegrip en openlijke kritiek stuitte. Tijdgenoten plaatsten vraagtekens bij haar positie als een bevoorrechte, Euraziatische vrouw die via een elitaire, westerse bril naar de Indiase armoede keek, die ze geësthetiseerd zou hebben zonder de sociaal-economische realiteit of de innerlijke leefwereld van haar onderwerpen echt te begrijpen. Toch benadrukt Kapur dat Sher-Gil ‘een vorm van subjectiviteit en psychologische diepgang in de Indiase kunst introduceerde die tot dan toe onbekend was’.

 

Amrita Sher-Gil. Europa is van Picasso, India is van mij, tot 20 september, Drents Museum, Brink 1, Assen.