width and height should be displayed here dynamically

Boek voor de elektronische kunst

V2_Organisatie ontwikkelde zich de afgelopen decennia van een marginaal kunstenaarsiniatief voor ‘instabiele media’ in de provinciestad Den Bosch tot een nationaal en internationaal erkend instituut voor kunst en mediatechnologie, riant gesitueerd in het ambitieuze Rotterdamse ‘museumkwartier’. Het bevlogen clubje kreeg met de explosieve opkomst van nieuwe communicatiemedia in de jaren negentig haar gelijk én haar plek in het Kunstenplan van Rick van der Ploeg. Inmiddels bestaat V2 uit V2_Lab, V2_Events, V2_Books, V2_Web, Dutch Electronic Art Festival (DEAF), V2_Store en V2_Archief en is de organisatie een belangrijke schakel in een wereldwijd netwerk van individuen en organisaties die zich met mediatechnologie bezighouden.

Toch is V2 voor sommigen nog steeds die plek waar ‘nerds’ op de loop gaan met de technologie, zich daarbij bedienend van hoogdravende vertogen of vreemde jargons. De ‘technokunst’ of ‘netart’ die V2 produceert en presenteert, roept in de kunstwereld van de oude media vaak weerstand op door de vermeende overdaad aan techniek en de blinde negatie van het ‘klassieke’ kunstbegrip. V2 ligt hier niet echt van wakker. Waarom ook? Vanaf den beginne heeft ze gesteld dat de kunstsector niet per se haar referentiekader was. Haar aanpak is steeds interdisciplinair met de nadruk op onderzoek en experiment. Dat de circuits waar V2 zich in beweegt niet altijd even ‘salonfähig’ zijn in de ogen van de kunst, is hoogstens een probleem van de kunst zelf. V2 en haar achterban hebben allang hun eigen salons.

En hun eigen boeken: zo is er nu het Boek voor de elektronische kunst, in opdracht van V2 geschreven door Arjen Mulder en Maaike Post. Bestaat er bij V2 dan toch de (ouderwetse?) behoefte om haar praktijken te verantwoorden door ze te beschrijven in termen van kunst? Boek voor de elektronische kunst werd in ieder geval niet het zoveelste oppervlakkige of juist ondoorgrondelijke boekwerkje. Door middel van vijf essays over respectievelijk machines, media, kunst, interfaces en netwerken, dertien interviews met kunstenaars en theoretici als Dick Raaijmakers, Stelarc, Peter Weibel, Bilwet, Lars Spuybroek en Kodwo Eshun, en een groot aantal illustraties uit het V2-archief, genereren de auteurs een theorie/geschiedenis van kunst en media met frisse inzichten.

Diegenen die de boeken (Het twintigste-eeuwse lichaam en Het fotografisch genoegen) en teksten van Arjen Mulder kennen, weten dat deze essayist, die van oorsprong bioloog is, zo zijn eigen fascinaties en vocabulaire heeft. In zijn meestal lucide essays buit hij zijn biologische begrippenapparaat uit in de plaats van het te verdringen, en voert hij naar aanleiding van films, fotografie of andere mediale verschijnselen theorieën op, waarin hij inzichten uit de cybernetica, techniekgeschiedenis, biologie of filosofie geheel naar zijn hand zet. Dit op montere toon en in een onbekommerde stijl waarmee hij de academische methodes van zijn referentiegebieden zonder gêne negeert. De wufte mediatheorie die hieruit voortvloeit is voor sommigen een ‘eye opener’, voor anderen wazig gezwets. Dat Mulder bijvoorbeeld kunst niet wezenlijk anders behandelt dan televisie of drugs, en de kunsttheorie en kunstgeschiedenis nauwelijks in zijn gedachtevorming betrekt, is een doorn in het oog van velen: de typisch Mulderiaanse manier van associëren, verbinden en metaforiseren is niet aan hen besteed.

Het schrijven van een boek in opdracht van een instituut, hoe ‘losbandig’ ook, moet een hele opgave zijn voor een essayist die vooral gewend is om zijn eigen theorieën de wereld in te helpen. In Boek voor de elektronische kunst moest toch ook plaats zijn voor de wapenfeiten en het gedachtengoed van V2. Dit hebben de auteurs gedeeltelijk opgelost door figuren te interviewen die verschillende disciplines uit het V2-netwerk vertegenwoordigen. Deze lopen onder de essays door en zijn gebaseerd op sobere, vrij neutrale vragen. De gevarieerde betogen die daaruit zijn ontstaan, fungeren als contrapunten. Daarnaast verslaat het beeldmateriaal uitgebreid en chronologisch de geschiedenis van V2. De toon van de essays is niet beschouwend of bevragend, maar eerder resoluut en enigszins didactisch – het traktaatachtige, dat Mulders stijl wel vaker kenmerkt, is ongetwijfeld versterkt door de vraag van V2 naar een boek voor een ‘niet-ingewijd publiek’. De vijf begrippen die het veld van de elektronische kunst moeten karakteriseren, zijn benaderd als ‘tegenomgeving’, naar het inzicht van Marshall McLuhan dat “kunst één van de weinige middelen van mensen is om te begrijpen wat voor klap hun psyche krijgt wanneer het bereik van hun zintuigen wordt uitgebreid met behulp van technische media”. Het gaat aldus om niet-producerende machines, instabiele media, beeldloze kunst, contra-intuïtieve interfaces en non-communicatieve netwerken. “Kunst creëert een tegenomgeving die de technische normaliteiten ontregelt, zodat je daar als het ware van een afstand naar kunt kijken, of kunt voorzien wat ze nog willen aanrichten”, aldus Mulder.

In de essays, die je als een soort mozaïek in willekeurige volgorde kunt lezen, lokken culturele, wetenschappelijke, technologische en militair-politieke ontwikkelingen, gecombineerd met interpretaties van bepaalde denkers en wetenschappers (waaronder grondleggers als Lewis Mumford, Marshall McLuhan en Claude E. Shannon en hedendaagse theoretici als Vilém Flusser en Jay David Bolter) visies en waarnemingen uit over de technische transformaties van de wereld in de twintigste eeuw. De nieuwe concepten die hieruit voortkwamen (onzekerheid, interactiviteit, zelforganisatie, emergentie…) worden vervolgens ‘getest’ in de elektronische kunst van onder andere Seiji Shimoda, Ulrike Gabriel, Erik Hobijn, Knowbotic Research en JODI. De inzet is niet het ‘bijwerken’ van de moderne kunstgeschiedenis, maar een historische en structurele analyse van de ‘technische blik’ en het ‘technische geloofssysteem’ – geloofssystemen zijn volgens Mulder een soort flexibele, paradigmatische ‘ervaringsprogramma’s’. En ja, uiteindelijk komt ook de esthetische ontroering aan bod die middels ‘technokunst’ tussen de machines en hun gebruikers zou kunnen ontstaan.

Het resultaat is geschakeerd en eigengereid. Toch gaan ongebonden essayistiek en dienstbare theorievorming soms wat ongemakkelijk samen – al is de essayistische formule van dit boek niet wezenlijk anders dan van Mulders eerdere publicaties. Misschien komt dat omdat Mulder vaak het beste over kunst schrijft als het niet onmiddellijk over kunst gaat. In deze publicatie sluiten de besproken kunstwerken zo probleemloos aan op zijn visie, dat je juist het gevoel krijgt dat hij slechts weinig door ze werd uitgedaagd of ‘ontroerd’, en ze vooral selecteerde op hun toepasselijkheid.

Maar wellicht moet je dit boek, conform de opdracht, ook lezen als een spannend ‘leerboek’. Want wat dat ‘niet-ingewijde’ publiek betreft: in feite schreven Mulder en Post eigenhandig een ‘Mulder-reader’, als perfecte voorbereiding op Mulders andere werk en vol instructieve uitweidingen over computergeschiedenis, communicatietheorie en natuurwetenschappen. Of Boek voor de elektronische kunst ook een nieuw kunstbegrip oplevert? Dat ligt eraan hoe vast je zit in je geloofssysteem…

 

• Arjen Mulder & Maaike Post, Boek voor de elektronische kunst, in 2000 uitgegeven door V2_Organisatie, Rotterdam in samenwerking met Uitgeverij De Balie, Amsterdam. ISBN 90-6617-254-1. Ook verschenen in een Engelse editie als Book for the Electronic Arts. ISBN 90-6617-255-X. Adres V2: Postbus 19049, 3001 BA Rotterdam (010/206.72.72).