width and height should be displayed here dynamically

Alles gegeven. Marie Tak van Poortvliet

Kunstzaal Domburg, opening zomertentoonstelling, 1911, collectie Francisca van Vloten

De titel van deze biografie is door Jacqueline van Paaschen (1953) treffend gekozen: Marie Tak van Poortvliet (1871-1936) heeft alles ten dienste gesteld van haar idealen. Ze groeit op in een welgesteld patriciërsgezin. Nadat haar zieke vader, die zij als ongetrouwde oudste dochter verzorgt, in 1904 overlijdt, slaat ze haar vleugels uit. Een cursus muziekgeschiedenis aan het conservatorium legt de basis voor latere muziek- en kunstrecensies. De hechte relatie met kunstenaar Jacoba van Heemskerck van Beest en hun vriendschap met en bewondering voor Rudolf Steiner vormen de leidraad voor haar leven.

Marie ontmoet de vijf jaar jongere Jacoba in Den Haag, en hun bezoek aan de Van Gogh-tentoonstelling in Amsterdam in 1905 stimuleert haar om kunst te verzamelen. Vanaf 1908 brengt ze samen met Jacoba de zomers door in Villa Loverendale, die Marie laat bouwen in Domburg. Speciaal voor ‘Coba’, die zij onvoorwaardelijk steunt, wordt een atelier in de tuin gebouwd. Domburg is in die jaren geliefd bij kunstenaars als Jan Toorop, Mies Elout-Drabbe, Lodewijk Schelfhout en Piet Mondriaan. Op initiatief van Toorop en bemiddeld door Marie, opent in 1911 een tentoonstellingspaviljoen. Marie is ervan overtuigd dat de schilderkunst een nieuwe beeldtaal nodig heeft, voorbij het nabootsen van de natuur of de dagelijkse omgeving. Ze koopt moderne kunst waarin ze ‘geestelijke waarden’ kan ontdekken, in eerste instantie kubistische, later meer expressionistische werken. Ze creëert zo een perfecte inbedding voor het werk van Van Heemskerck. En, zo stelt Van Paaschen, het verzamelen van kunst stelt haar in staat om zich te profileren als onafhankelijke, denkende en handelende vrouw en om uit te komen voor haar homoseksuele geaardheid.

Maries eigenzinnige visie blijkt uit een van haar eerste aankopen, het luministische Avond; De rode boom (1909) van Mondriaan. Terwijl Frederik van Eeden in dit werk een ‘geestelijke afwijking van de maker’ ziet, herkent Marie, net als bij Van Gogh, de potentieel helende kracht van kleuren. Marie en Jacoba reizen regelmatig naar Parijs, München en Berlijn, waar ze kunstenaars leren kennen. Haar verzameling breidt gestaag uit met werk van onder anderen Braque, Le Fauconnier en Léger. In 1913 koopt ze Lyrisches (1911) van Kandinsky, waarin ze ‘de overgang van figuratie/materie naar abstractie/geest’ besloten ziet. Ze laat zich weinig gelegen liggen aan de snerende kunstkritieken. Om plaats te maken voor haar kunstcollectie verkoopt Marie de Haagse meesters uit familiebezit, tot grote ergernis van haar zus Truus, die ook geen hoge dunk van de relatie met Jacoba blijkt te hebben.

Een keerpunt in het leven van zowel Marie als Jacoba is de kennismaking met de Duitse criticus Herwarth Walden in 1912. Zijn tijdschrift Der Sturm, maar ook zijn boekhandel, uitgeverij, galerie en tentoonstellingen zijn zowel een bakermat als een promotieplek voor moderne kunst. Wordt het werk van Van Heemskerck in Nederland vaak kritisch bejegend, in Berlijn krijgt het een warm onthaal. Jacoba besluit nog uitsluitend via Walden te exposeren en te verkopen. Het paviljoencomité in Domburg reageert vilein: ‘Dat moet toch zeker tegen heel goedkope prijzen zijn geweest dat jouw werken in Berlijn werden verkocht.’ Ook Marie koopt het werk van haar vriendin alleen nog via Walden, al is het in haar eigen achtertuin gemaakt. Zo steunt ze Jacoba én Walden, én geeft ze haar verzameling een zekere internationale, professionele allure. Walden vraagt haar bovendien te schrijven over muziek en kunst.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog blijkt hoezeer het leven van Marie verknoopt is geraakt met het Duitse cultuurgoed. Haar drang naar zelfverwerkelijking, naar een culturele revolutie die een eind moet maken aan ‘de geest van Jan Salie’, is zo sterk dat ze verblind raakt voor de onrechtmatigheid van oorlog. In een van de opzienbarendste hoofdstukken onthult Van Paaschen hoe de deutschfreundliche Marie en Jacoba radertjes worden in de duistere kant van de opgehemelde avant-gardistische Sturmbeweging. Walden zet zijn onderneming, gesteund door de Duitse geheime dienst en regering, ook in om in ‘neutrale’ landen medestanders te winnen voor de Duitse zaak. Moderne kunst wordt ingezet als tegengeluid voor het verwijt van conservatisme door de geallieerden, aldus Van Paaschen. Door verschillende artikelen te publiceren in Nederlandse tijdschriften, werkt Marie tot het einde van de oorlog mee met Walden aan de positieve beeldvorming over Duitsland.

Het jaar 1923 is een dramatisch keerpunt: Jacoba sterft op 47-jarige leeftijd aan hartfalen. Ook na haar overlijden blijft Marie zich echter onvermoeibaar inzetten om haar werk onder de aandacht te brengen. Door negatieve reacties op herdenkingstentoonstellingen blijft een herleving van haar oeuvre echter uit. Maries aanbod om haar collectie van 150 werken onder te brengen bij het Stedelijk Museum Amsterdam wordt door directeur Cornelis Baard afgewezen. Daarop brengt ze de verzameling als langdurig bruikleen en later als legaat onder bij Kunstmuseum Den Haag en Boijmans Van Beuningen.

Rudolf Steiner biedt Marie een nieuw perspectief na de Duitse nederlaag. Zij is al veel eerder lid geworden van theosofische en antroposofische verenigingen, steunt de bouw van de eerste en tweede ‘tempel’ Goetheanum in het Zwitserse Dornach en richt de Bond voor Drieledige Indeeling van het Sociale Organisme op, samen met een gelijknamig tijdschrift. Ze vertaalt Steiners teksten en draagt bij aan de verspreiding van zijn ideeën over onder andere de verdeling van kapitaal, vrije scholen, grondbezit en landbouw. Haar vernieuwingsdrang manifesteert zich ook als ze in 1926 in Zeeland Loverendale opricht, de allereerste biodynamische boerderij in Nederland, met het oog op een voedselproductie die de aarde niet schaadt. In 1930 verhuist ze naar Dornbach, waar ze op 65-jarige leeftijd overlijdt. Haar urn wordt bijgezet in het modernistische grafmonument dat zij voor Jacoba had laten ontwerpen. Zonder pathetiek heeft Van Paaschen in dit boek – de handelseditie van haar proefschrift aan de Rijksuniversiteit Groningen – de drijfveren, de hoogtepunten en de tragiek in het leven van Marie Tak van Poortvliet en dat van haar levensgezellin op meeslepende wijze inzichtelijk gemaakt.

 

Jacqueline van Paaschen, Alles gegeven. Marie Tak van Poortvliet 1871-1936, Amsterdam, Prometheus, 2025, ISBN 9789044652451.