Beautiful Madness. Art Writing as Art Curating

Mark Kremer (1963) drukt in zijn jongste boek een verband op achtentwintig kunstenaars. Hun kunst wordt omzwachteld met de mantel der liefde. Schrijven over kunst, vindt de curator-schrijver, is net als cureren (van het Latijnse curare) een zorgende bezigheid. En dus moet de schrijver zich helemaal ten dienste stellen van zijn patiënten. De inleiding – de titel ‘The Birth of Art Writing out of Art Curating’ geeft het al aan – is de uiteenzetting van een ethos dat het woord offert op het altaar van het beeld. De functie van de ‘kunstschrijver’ wordt er paragraaf na paragraaf steeds enger door bepaald: van ‘ruimte maken voor de ervaring van kunst’ tot ‘recht doen aan het singuliere werk van de kunstenaar’ en zelfs ‘de kloof tussen de kunstenaar en de kijker-lezer overbruggen’ – in het kort: maken dat die kunstenaar zich prima voelt en zijn of haar werk aan de man krijgt!
Dat Kremer zich als dienstmaagd van de beeldende kunst opstelt, mij niet gelaten – maar beschouw jezelf dan niet als lichtend voorbeeld. Dit is bijvoorbeeld waar hij collega-schrijvers toe aanmaant, als een van zijn ‘negen vuistregels voor het schrijven’: ‘Neem op een directe manier contact op met de kunstenaar – of niet. Kies je voor de tweede benadering, probeer dan zo dicht mogelijk te komen: stel je voor dat je je naast de kunstenaar bevindt, bij diens werk, diens ideeën.’ Hij pleit voor een ‘kameleonmethode’, waarbij de schrijver zich volledig identificeert met de visie van de kunstenaar. Dat merk je in zijn teksten: hij vertrekt vaak vanuit gesprekken met de kunstenaars, grijpt terug naar hun achtergrond, intenties en interpretaties. Het draait meer uit op een Medusa-methode: hij kijkt zo diep en lang in de ogen van zijn oogappels dat zijn denken versteend raakt.
De bewondering voor de kunstenaar gaat gepaard met een devaluatie van de schrijver. Maar waar is een kunstenaar meer bij gebaat? Bij een woordvoerder als Kremer of bij een conceptenmaker als Gilles Deleuze? Bij iemand die knielt of iemand die op ooghoogte kijkt? Het doel van Kremer is – als een ‘detective’, zo verwoordt hij het zelf – iets te vinden dat de kunstenaar ergens gelegd zou hebben: ‘hitting the crux of the matter,’ zo schrijft hij. Dat schrijven over kunst de kunst(enaar) beter dient door als auteur zelf iets te bedenken, lijkt volledig aan hem voorbij te gaan. Het is bovendien inconsequent om het collectieve karakter van veel hedendaagse kunstpraktijken te vieren – met iedereen verondersteld op gelijke voet, bescheiden naar elkaar luisterend – maar de schrijver dan toch nog in een dienende rol te plaatsen.
Kremers manifest kan eindeloos bekritiseerd worden, maar het ligt wel aan de basis van de ‘kunstenaarsstudies’ uit de periode 1993-2023 die in dit boek verzameld zijn. Ten eerste heeft het ‘zorgende’ schrijven per definitie alleen zin binnen de context van een tentoonstelling. Zorgen is namelijk altijd ‘zorgen voor’ en verliest betekenis als het zorgobject afwezig is en niet meteen bekeken of gekocht kan worden. Dit is geen ‘kunstkritiek’ die losgemaakt van het object, in tijd en plaats, een voortbestaan heeft, en die hoogstens binnen de context van een tijdschrift kan functioneren – Kremer schreef eind jaren negentig ook enkele keren voor De Witte Raaf. Toch slaagt hij er zelden in een kunstwerk tot leven te brengen, laat staan tot denken aan te zetten. Ik lees het ene cliché na het andere: een werk creëert een ‘spanningsveld’, een kunstenaar zoekt ‘een speelveld voor experimenten’, nog een ander werk ‘gaat gepaard met ambiguïteit’ en over nog andere werken zegt Kremer: ‘ze brengen me naar een plek waar een innerlijke frequentie wordt geactiveerd; een gedachte, een gevoel’. Originele zinnen zijn op twee handen te tellen.
De kunstenaarsstudies zijn onderverdeeld in vijf delen, die telkens een ander begrip centraal stellen: ‘Trace’, ‘Gesture’, ‘Rudiment’, ‘Polyphony’, ‘Steadfastness’. Vijf van de studies zijn interviews. Het interview met Mike Kelley opent de bundel en de kunstenaar overschaduwt de auteur meteen: hij zegt interessantere dingen dan Kremer in vierhonderd pagina’s. Misschien wil dit boek vooral informeren, en dan kunnen de overige kunstenaars gewoon opgesomd worden: Rirkrit Tiravanija, Wineke Gartz, Jan van de Pavert, Aernout Mik, Christiaan Bastiaans, Alicia Framis, Jeff Wall (eerder verschenen in 1995 in De Witte Raaf, nr. 53), Almagul Menlibayeva, Job Koelewijn, René Jolink, Klaas Kloosterboer, Helmut Federle, Pieter Laurens Mol, Esther Kläs, Roland Schimmel, Absalon, André Kruysen, Tiong Ang, Astrid Nobel, Hugo Canoilas, Lorelinde Verhees, Rob Johannesma, Harmen Brethouwer, Joan Jonas, Jos van Merendonk, Roee Rosen en Lutz Driessen.
Kremers curatoriële aanpak helpt zijn schrijven op één vlak: er komt een grondig besef van de tentoonstellingsruimte tot stand. Ervaren is meer dan alleen maar kijken: hij voelt het overal vibreren, gebruikt al zijn zintuigen. Kremer heeft het vaak over ‘de mens en zijn omgeving’, met een bijzondere interesse voor hoe kunst de twee met elkaar kan ‘verbinden’. En toch gaan ook deze beschrijvingen niet verder dan de vaste uitdrukkingen die je overal op de museummuren leest. Van zijn idées fixes – animisme, evenwicht, de mens en zijn omgeving, Japan – zou je verwachten dat hij ze niet gewoon noemt, maar openvouwt.
Om voor de kunstenaar te zorgen, moet de schrijver met de markt meegaan. Dat zie je in Kremers gedurende drie decennia veranderende stijl: eerst is er nog de invloed van de ‘parallelle teksten’ van serieuze denkers, dan wordt de schriftuur academischer, en recenter overheerst het zweverige curatorentaaltje dat de hele wereld gebruikt. Het Engels – zowel origineel als in vertaling – is stroef en telt te veel fouten. De markt volgen is blijkbaar niet makkelijk.
In zijn tekst over Esther Kläs meldt Kremer: ‘De kunstenaar stuurt me enkele foto’s van open ruimtes en vraagt me om over het horizontale te schrijven.’ En dat doet hij ook, zonder schroom. Die gehoorzaamheid raakt aan de kern van wat schrijven is en zou moeten zijn. Met klare taal moet het veroordeeld worden: Mark Kremer is een pr-man. Zijn teksten verzamelen in boekvorm legitimeert de moraal van een schrijver die de kunst hoopt te dienen enkel en alleen door haar in woorden te imiteren.
• Mark Kremer, Beautiful Madness. Art Writing as Art Curating, Amsterdam, Valiz, 2025, ISBN 9789493246362.