width and height should be displayed here dynamically

Charley Toorop. Een schildersleven

Charley Toorop in haar atelier in Bergen, 1951, foto Harry Pot

Er vloeien veel tranen in de biografie van Wessel Krul over een van Nederlands belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw. Zo werd de relatie van Charley Toorop (1891-1955) met de anarcho-syndicalist Arthur Müller-Lehning geteisterd door uitbarstingen van verdriet, verongelijktheid en opgekropte woede. Het was haar niet gegund een stabiele en enigszins gelukkige verhouding met hem op te bouwen. Een tijdlang was ze gek op Lehning, en aanvankelijk was hij dat ook op haar. Krul is niet terughoudend over hun uitbundige seksuele relatie. Maar of ze het nu wilde of niet, ze kon onmogelijk verder met hem, en Lehning zelf – ook niet vrij van complexen – wilde het niet. Onder het vernislaagje van hun maatschappelijke carrières, het schildersbestaan van Toorop en het links-activistische schrijversbestaan van Müller-Lehning, ging veel leed schuil. Toch modderde hun relatie vier jaar aan, met veel gedoe, aantrekken en afstoten, ruzies en na seks weer goed maken. Stapelgek werd ze ervan. Krul besteedt veel aandacht aan dit alles. Terecht. Eerdere biografen lieten het onderwerp vrijwel links liggen. Het is een diep, tragisch spoor door haar turbulente leven, dat voor het eerst goed invoelbaar is gemaakt voor een breed lezerspubliek.

Krul heeft een levendig, met vaart geschreven, zeer informatief en niet zelden onthullend portret van Toorop geschreven. Zeldzaam open is hij over tal van zaken: haar seksuele leven (inclusief masturbatie), menstruatiepijnen, stemmingswisselingen, haar eeuwige financiële zorgen, haar huidziekte psoriasis en andere ongemakken. Het boek brengt de lezer dicht bij wie ze was, haar bedilzucht, haar lief en leed, haar opvoedkundige kwaliteiten, haar successen en mislukkingen als schilder en haar onzekerheden en angsten. Dat is waar een biografie onder meer voor is bedoeld. Maar het boek verschaft ook een inkijk in haar ontwikkeling als kunstenaar en in de talrijke contacten in de kunstwereld met Thé Lau, Mondriaan, Rädecker, Rietveld, Van der Leck en zoveel anderen, én met critici, schrijvers, collectioneurs, kunsthandelaars en museumdirecteuren. De kunsthistorische schil heeft Krul er grotendeels van af gepeld en dat is een prettige bijkomstigheid. De lezer krijgt daardoor te maken met mensen van vlees en bloed. Toch komen we in deze biografie gelukkig nog altijd veel te weten over de totstandkoming van schilderijen, over motiefkeuzes en over de noodzaak te moeten werken. Leven en werk krijgen zodoende evenredig veel aandacht.

Krul heeft het zonder dagboeken of memoires moeten stellen. En opmerkelijk: interviews heeft hij, voor zover mogelijk, niet afgenomen. Daar staat tegenover dat hij geprobeerd heeft heel wat schilderijen vanuit haar biografie te belichten, indachtig Müller-Lehning die haar hele oeuvre ‘een stuk autobiografie’ noemde. De belangrijkste bron was de moeilijk leesbare correspondentie. De brieven van Toorop zijn vaak persoonlijk van aard, maar bevatten ook veel gegevens over de totstandkoming van haar werk en over tentoonstellingen in binnen- en buitenland waar zij werk voor uitleende. Krul citeert haar veel. Dag- en weekbladbesprekingen gebruikt hij vooral om de toenemende waardering voor haar schilderkunst in kaart te brengen. En daar laat hij Toorop dan weer per brief op reageren, verontwaardigd, boos of vol begrip. Helemaal zonder risico is dat niet, omdat analyse en reflectie op de tweede plaats komen en op den duur alles een beetje door elkaar kan gaan lopen. Maar Krul is daar over het algemeen heel behendig mee omgegaan.

Het is een misverstand te denken dat deze biografie uitsluitend Toorops eigen leven tot onderwerp heeft. Feitelijk is het een familiebiografie met veel aandacht voor de ouders, Jan Toorop en Annie Hall, en voor haar eigen kinderen, in de eerste plaats haar zoon, schilder Edgar Fernhout. Zoals zij steeds weer de steun van haar vader kreeg, zo steunde Toorop Edgar door dik en dun. Toch lag het binnen het gezin allemaal heel gevoelig, zoals onder meer blijkt uit Edgars weigering om te poseren voor het monumentale familieportret Drie generaties (1941-1950). Dat gebeurde pas op het allerlaatst. Cineast John Fernhout vertoefde veel in het buitenland en krijgt zodoende minder aandacht. Ook dochter Annetje komt aan bod, net als de aangetrouwden en de kleinkinderen.

Juist omdat Krul veel aandacht besteedt aan de opeenvolgende generaties van het geslacht Toorop, had ik verwacht dat hij meer diepgang zou verschaffen over het intergenerationele trauma van onveilige hechting, conflict en verzoening. Toorop beschouwde zichzelf als het product van een slecht huwelijk tussen mensen met een zeer verschillend karakter. Ze had niets op met haar streng katholieke, Engelse moeder en voelde een grote afstand tot haar. Een echte moederbinding, zo belangrijk voor vertrouwen en geborgenheid, heeft zij moeten ontberen. Bijgevolg neigde ze sterk naar de zachtaardige Jan Toorop, die er overigens diverse minnaressen op nahield. Zijn leven lang was hij haar grote steun en toeverlaat, mentaal en financieel.

Charley bleek niet in staat een warme relatie met haar dochter op te bouwen. Ze kon niet bij dat moederlijke gevoel komen. Was het haar eigen hechtingsstoornis die haar later in de opvoeding van haar derde kind opbrak? Annetje werd vooral door haar grootouders opgevoed. Pas later zou er sprake zijn van enige toenadering. Ondertussen werden Toorops relaties met mannen getekend door leed en gedoe. Frustrerend waren de jaren met haar jeugdvriend en latere echtgenoot, de notoire zuipschuit en agressieve psychopaat Henk Fernhout. Tegen beter weten in heeft ze het nog lang volgehouden. Pas in 1924, na een huwelijk van twaalf jaar, volgde de echtscheiding. Compenseren, afreageren – jarenlang verslond ze mannen, oud en jong. Ze zocht bij hen – Jany Roland Holst, Henk Marsman, Jacques Goudstikker en anderen – warmte, aandacht, bevestiging, vertrouwen, genegenheid; ze wilde beminnen en bemind worden, maar steeds weer volgde op het aantrekken het afstoten. Alsof het in haar genen zat.

Krul heeft geen behoefte gevoeld aan een diepere reflectie hieromtrent. Hij zegt er wel het nodige over, maar niet in analyserende zin. Dat is een keuze. De ontwikkelingsstoornis van het afgewezen kind kan later echter allerlei vormen aannemen, ook destructieve. Ik heb het ook als een gemis ervaren dat er geen moeite is gedaan om haar hyperactieve seksuele leven te plaatsen in de cultuurhistorische context van de jaren twintig en dertig. Als doorgewinterd cultuurhistoricus had Krul dit goed gekund. Ongetwijfeld was hij dan niet aan Wilhelm Reichs Die Sexualität im Kulturkampf (1936) voorbijgegaan. De bekrompen en verzuilde samenleving, met de verstikkende seksuele moraal van calvinisme of katholicisme, had hem een fraai decor kunnen bieden.

Niettemin mag het duidelijk zijn dat Krul een belangwekkend boek van blijvende waarde heeft geschreven. Wat zouden we nog meer willen weten over deze markante persoonlijkheid, die een overtuigend oeuvre heeft nagelaten en die zoveel heeft betekend voor het Nederlandse culturele leven? Voorlopig is de honger gestild. Toch zal de dubbeltentoonstelling over Toorop en Pyke Koch, deze zomer te zien in Museum MORE in Gorssel, ongetwijfeld weer nieuwe inzichten brengen. Ook de in de jaren dertig extreemrechtse Pyke Koch, tien jaar jonger, was immers een liefje van Toorop. En daarover is in Kruls biografie het laatste woord waarschijnlijk niet gezegd.

 

Wessel Krul, Charley Toorop. Een schildersleven, Boom, Amsterdam 2026, ISBN 9789024473793.