width and height should be displayed here dynamically

William Kentridge. Anatomie van het atelier

William Kentridge, Triumphs and Laments, 2016, Rome

Al sinds 1870 stelt Oxford University dankzij een legaat van de negentiende-eeuwse collectioneur Felix Slade jaarlijks een Slade Professor aan, die gevraagd wordt lezingen te geven over kunstgeschiedenis. Die eer ging tot nog toe twee keer naar iemand uit de Lage Landen: in 2002 was Rembrandtexpert Ernst van de Wetering aan de beurt, en in 2017 Caroline van Eck. De Zuid-Afrikaanse multikunstenaar William Kentridge (1955) mocht de leerstoel bekleden in 2022. Vanwege corona konden zijn lezingen echter pas twee jaar geleden plaatsvinden. Ze werden nadien gebundeld in een boek, dat in het Engels A Natural History of the Studio is getiteld. Eind 2025 verscheen de Nederlandse vertaling bij Cossee. In zes teksten laat Kentridge zien wat er in het atelier zoal gebeurt en hoe zijn werken er tot stand komen.

Als succesvol internationaal kunstenaar heeft Kentridge maar liefst drie ateliers. In een hok van huiskamerformaat in zijn achtertuin in Johannesburg tekent, schrijft en ijsbeert hij, doet hij dutjes, maakt hij collages, teksten en beelden. In het centrum van de stad bevindt zich bovendien een ruime studio, voor repetities voor muziektheater en beeldhouwwerk. Zijn derde atelier is een klein kamertje in zijn Londense appartement. In de lezing ‘Lapis Lazuli’ legt de artiest uit wat er in die laatste ruimte precies gebeurt. Doorgaans begint hij rondjes te lopen door de kamer en laat hij zijn gedachten de vrije loop. Vervolgens komen er woorden op die hij neerschrijft. Dat spontane is belangrijk: het begint altijd met een ‘impuls’, schrijft Kentridge, een emotie, een verlangen, een afkeer, ‘en die vindt later zijn betekenis wel’. Deze ‘sprong’, deze ‘infantiele, kritiekloze drang’ is een uiting van één kant van het gesplitste zelf van de kunstenaar: de maker, die probeert ‘met alle macht iets in elkaar te krijgen’. Voortdurend wordt deze kant afgewisseld met en onderbroken door de andere zijde van de kunstenaarspersoonlijkheid, de innerlijke criticus die ‘moppert dat [de maker] niet genoeg voor elkaar krijgt’. In de negendelige documentaireserie Self-portrait as a Coffee Pot (2024), met een inhoud die nauw aansluit bij deze lezingen, heeft Kentridge zichzelf daadwerkelijk verdubbeld om beide persoonlijkheden tegelijk in beeld te krijgen.

Eerder dan een studie van het atelier als ruimte zijn deze lezingen beschrijvingen van het werkproces van een kunstenaar, pogingen van Kentridge om te bepalen hoe zijn werk ontstaat. Opvallend is de nadruk die de Zuid-Afrikaan legt op het lichamelijke en het materiële, niet als aanvullingen op het geestelijke, maar als manieren van denken. Behalve een thema, zo schrijft Kentridge in de derde lezing, heb je ook materiaal nodig ‘waarmee je erover na kunt denken’. Voor het muziektheater van Triumphs and Laments (2016) zocht hij figuren die in een processie voorkwamen. Aangezien daarbij ook een paard hoorde, legde Kentridge foto’s van monumenten met paarden op tafel. Hij haalde de afbeeldingen uit elkaar en liet vervolgens ‘de hand en het papier het denkwerk doen’. Zo kwam hij tot een skeletachtig paard dat de processie zou afsluiten. De bijzonderheid van het scheppingsproces bestaat erin dat je begint met iets – een woord of een beeld – en dat je dan, in de woorden van Kentridge, ‘daadwerkelijk moet gaan ontdekken wat het beeld je vertelt’. Die passieve ontdekking is tegelijk een actief proces van ‘grove redactie’, van knippen, combineren, plakken, associëren en proberen. Het is een proces dat ‘noch willekeurig, noch op een wetenschappelijk uitgedachte manier’ gebeurt, of zoals het verderop in het boek luidt: ‘niet aleatorisch’, ‘maar ook niet gepland’. Wie de vraag stelt naar de eigenheid van de artistieke methode vindt in die omschrijving een zeer passend antwoord.

De ‘infantiele drang’ waarmee een werk begint, vraagt van de maker overgave, een sprong in het diepe zonder de bodem te zien. Voor Kentridge begint die sprong met fictie, een doen alsof: ‘zelfvertrouwen veinzen om een allesverterende onzekerheid te verbergen’. Gelukkig bestaan er technieken en trucjes waar je die onzekerheid mee te lijf kunt gaan. Wat voor hem goed werkt, schrijft hij, is lijstjes maken: ‘Een neuroot die zijn symptomen herhaalt, alsof het herhalen van een probleem een manier is om het op te lossen. Soms is het dat ook.’ Zo’n lijst wordt dan ‘een baken’, aldus Kentridge in een andere tekst, ‘extern en objectief. Wij weten nog niet wat we maken, maar de lijst wel.’

Pas tijdens het maakproces leer je ‘de grammatica’ van wat je maakt. Betekenis is niet gegeven, maar ontstaat door aan de slag te gaan met impulsen en materiaal. Of zoals Kentridge schrijft naar aanleiding van de theatervoorstelling The Head & The Load (2019): ‘Een opera over het lot krijg je niet door na te denken over het lot, maar door een Calder-mobile te proberen na te maken.’ In de slottekst van Anatomie van het atelier haalt Kentridge naar aanleiding van zijn werk Waiting for the Sibyl (2019) het orakel van vandaag aan: het algoritme. Dat willen we niet ‘voeren’ – bijvoorbeeld door een panklaar discours over lotsbestemming te produceren, stel ik me dan voor – maar juist ‘uithongeren’. In de zienswijze van Kentridge is het atelier dan het ultieme antialgoritme. Een plek waar je ‘ruimte [moet] maken voor dat wat niet te berekenen is, voor wat het algoritme zich niet kan toe-eigenen. De plek bij uitstek waar je ruimte [moet] vinden om domme dingen te doen, ruimte om […] de rol te begrijpen van het domme, van twijfel, van onzekerheid’.

Ook de teksten van deze lezingen zijn zulke plekken. Ze worden geen moment theoretisch, ze vertrekken altijd vanuit een authentiek gevoel of een authentieke gedachte en ze tasten voorzichtig naar mogelijkheden eerder dan waarheden te poneren. In die zin zijn deze essayistische lezingen wellicht de figuurlijke ateliers waarin Kentridge zijn impuls om te denken verder verkent.

 

William Kentridge, Anatomie van het atelier, Amsterdam, Cossee, 2025, vertaling Anna Helmers-Dieleman, ISBN 9789464522518.