width and height should be displayed here dynamically

Biennale de Lyon

Gastcommissaris Jean-Hubert Martin situeert deze vijfde biënnale onder de noemer Partage d’exotismes, en ziet ze als vervolg op zijn tentoonstelling Magiciens de la Terre  (Centre Pompidou, 1989). De manier waarop hij westerse kunst met aboriginal art, sjamanistische en artisanale cultuuruitingen gelijkschakelde, had toen misschien nog een functie – bijvoorbeeld als provocatie om de aandacht buiten het vertrouwde westerse blikveld te richten. Anno 2000 hamert Martin op zijn gelijk. Alle globalisering ten spijt, zou de kunstwereld volgens hem bitter weinig veranderd zijn. We blijven denken in stromingen, periodes en stijlkenmerken; en we geloven – geruggesteund door ons technologisch overwicht – meer dan ooit in onze suprematie.

Waarom vinden we categorieën uit zoals aboriginal art, sjamanisme en tribalisme, voor fenomenen die zich in de periferie van ons kunstbegrip situeren? Is dit exotisme eigen aan de beperkingen van onze perceptie? Is onze cultuur even exotisch voor de bosjesman als die van de bosjesman voor ons? Is niet het tijdperk van een ‘partage d’exotismes’ aangebroken, waarbij verschillende, naast elkaar bestaande kunstuitingen voor elkaar de rol van het exotische spelen? Dat is voor Martin de centrale vraag. En hij is er heilig van overtuigd dat ons tijden te wachten staan van open grenzen, wederzijdse toeëigening en allerlei kruisbestuivingen.

De biënnale wordt geruggesteund door een schare sociologen en antropologen (Marc Augé, Alban Bensa, Philippe Peltier, Jacques Leenhardt en Carlo Severi) en is qua structuur een opsomming van een twintigtal levensbeschouwelijke thema’s: incarneren, wonen, sterven, lijden, eten, cosmos, voorspellen enzovoort. De werken van meer dan honderd kunstenaars zijn keurig in deze anti-artistieke compartimentering gepast. Van white cubes  is er nauwelijks een spoor. In plaats daarvan wordt de bezoeker langs blauwe gordijnen, in een meanderende beweging van sectie naar sectie geleid. Hooguit zijn er witte wanden, rechte hoeken en besloten kamers indien het werk (schilderijen, foto- of videowerk) er nadrukkelijk om vraagt.

Binnen de thematische compartimenten worden de meest uiteenlopende zaken op één niveau gepresenteerd. Het thema ’tatoeage’ groepeert bijvoorbeeld Maori’s uit Nieuw-Zeeland en getatoeëerden uit Europa op foto, vegetale motieven van een Guinese vrouw aangebracht op schildersdoek (in plaats van de traditionele toepassing op muren en lichaamsdelen) en getatoeëerde varkenshuiden van Wim Delvoye. Onder het thema ‘maskers’ gaan onder meer digitaal bewerkte zelfportretten van Orlan schuil. Haar hardnekkig nagestreefd schoonheidsideaal verrijkt Orlan hier met precolombiaanse schedelvervormingen en Afrikaanse scarificaties. Ook het werk van John Goba uit Sierra Leone valt onder de ‘maskers’, met kleurrijke hoofddeksels voorzien van stekels van een stekelvarken. Of de Amerikaan Willie Cole die maskers samenstelt uit niets anders dan damesschoenen en haardrogers.

Martin geeft toe dat deze combinaties chaos opleveren, een chaos die het gevolg is van het gebrek aan kennis over de diverse culturele contexten. Toch wordt de bezoeker verondersteld daaruit te leren wat zijn culturele positie is, en vanaf wanneer hij van de ander een object van exotisme maakt. Diezelfde bezoeker zou na deze tentoonstelling in staat moeten zijn het universele van het particuliere te onderscheiden, crossovers te traceren en de spanningen tussen verschillende culturen aan te voelen. De bijdrage van Haim Steinbach – ondergebracht in de rubiek ‘eten’ – lijkt voorbeeldig in dat programma te passen. Steinbach bouwde met aluminium stellingen een groot rechthoekig podium waar het publiek omheen en, via een uitgespaard gangenstelsel, doorheen kan wandelen. Op dat podium (op ooghoogte) schikte hij massa’s keukengerei uit de meest verscheiden etablissementen die men in Lyon kan bezoeken; Chinees, Italiaans, Algerijns, Marokkaans, Frans, Japans en noem maar op. Naast de gigantische gastronomische belofte valt het volgende op: wat en hoe er met dit materieel moet worden gegeten, blijft een groot mysterie. Ingrediënten, recepten, menu’s en gedragscodes blijven onvermeld, terwijl dat toch de elementen zijn die het eten tot een ervaring maken. Dit werk functioneert mijns inziens als een kritiek op deze biënnale, een kritiek die fundamenteler is dan de opmerking dat veel van de aanwezige ‘westerse’ kunst van betwistbare kwaliteit zou zijn. Jean-Hubert Martin en zijn kring hebben gekozen voor de grootst denkbare verscheidenheid aan beeldende producten, gemaakt door mensen uit de hele wereld. Maar ze vergeten dat het publiek bij gebrek aan elementaire omkadering er haast onverschillig winkelend doorheen glijdt, of algauw het noorden kwijtraakt. Confrontaties met kunst uit verschillende culturele tradities zijn leerrijk, zolang ze niet verstikken in overdaad.

Dat het anders kan uitpakken, bewijst een veel meer ’traditionele’ manifestatie met als titel Et l’art se met au monde, prologue pour la Biennale in het nabijgelegen Institut d’art contemporain in Villeurbanne. Daar beperkt directeur Jean Louis Maubant zich tot het thema ‘buiten-europees geïnspireerd’ met werk van onder meer Penck, Boetti, Basquiat, Pinot Gallizio en Man Ray. Daarnaast presenteert hij een selectie Afrikaans werk dat door Europa geïnspireerd werd, met onder meer fotografie van Malick Sidibé, coloniaal houtsnijwerk dat blanken voorstelt en de onvolprezen documentaire Les maîtres fous van Jean Rouche.

 

• Biennale d’art contemporain de Lyon, Partage d’exotismes loopt nog tot 24 september in de Halle Tony Garnier, Place Antonin Perrin 20 in 69007 Lyon (04.72.76.85.70) www.biennale-de-lyon.org Tot 29 oktober loopt Et l’art se met au monde, prologue pour la Biennale in het Institut d’art contemporain, Nouveau Musée, Rue Docteur Dolard 11 in 69100 Villeurbanne (04.78.03.47.00).