width and height should be displayed here dynamically

bOb Van Reeth (1943-2025)

bOb Van Reeth was de enige echte starchitect van Vlaanderen. In zijn geval heeft dat begrip nauwelijks negatieve connotaties. Hij heeft zijn positie als Bekende Vlaming – nog voor die term na de eeuwwisseling helemaal ridicuul werd – enerzijds kunnen inzetten om projecten gerealiseerd te krijgen en architectuur tot een maatschappelijk onderwerp te maken, en anderzijds om mee een architectuurbeleid in de steigers te zetten. Het idee om hem in 1998 als de eerste Vlaams Bouwmeester aan te stellen kwam van Wivina Demeester, in die periode Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Welzijn en Gezin voor de toenmalige CVP. Zoals Van Reeth meermaals heeft aangegeven, was er niemand minder geschikt voor die functie, die hij zes jaar lang zou uitoefenen: ‘Zet mij nooit in een administratie!’ En net daarom lukte het, dankzij die weerbarstigheid, de op een oeuvre gebaseerde autoriteit, dat (Antwerpse) parler-vrai, samen met zijn ‘branie én timiditeit (de combinatie die charisma produceert)’, zoals Mil De Kooning het omschreef. Het is onwaarschijnlijk en vermoedelijk onherhaalbaar: een langgerekt oeuvre tot stand brengen en tegelijkertijd, op een dergelijke manier, cultuurpolitieke invloed uitoefenen – macht hebben en zichtbaar zijn, en toch gedoogd of zelfs ondersteund worden door de politieke machthebbers.

Tegenstellingen en ogenschijnlijke toevalligheden bepaalden eveneens zijn architectuur. Sprezzatura ligt niet alleen aan de basis van zijn nom de plume, die enkel – zoals het een vormgever betaamt – visueel van aard was. Van Reeth studeerde architectuur aan Sint-Lucas in Schaarbeek. In zijn tweede jaar, in 1964, werkte hij mee aan een studententijdschrift dat met ‘wrijfletters’ werd gezet. Toen de inhoudstafel aan de beurt was, bleken de letters bijna op, waardoor zijn bijdrage aan ‘bObvr’ moest worden toegeschreven. Volledig vrije keuzes zijn er niet – de kunst bestaat erin de kaarten die je gedeeld krijgt uit te spelen alsof je ze zelf hebt geselecteerd. Nog als student debuteerde hij als architect met de verbouwing van een juwelierszaak op de Paardenmarkt in Antwerpen – een persoonlijke invulling, onder meer door de als diamanten geslepen betonnen puien, van het toen in zwang zijnde brutalisme. Nieuwe of creatieve architectuur heeft Van Reeth nooit nagestreefd. Zijn werk, van de jaren zestig tot het eerste decennium van deze eeuw, getuigt van een soort serieel en hoogstpersoonlijk epigonisme, dat hij telkens, in afzonderlijke projecten en bouwwerken, wist te overstijgen. Het was een methode die in lijn lag met het wegvallen van de grote functionalistische verhalen in de architectuur, maar die ook uitermate geschikt bleek voor een even eclectische als individualistische context als Vlaanderen, zonder een noemenswaardige architectuurgeschiedenis. ‘Ik heb nog nooit geprobeerd om origineel te zijn,’ zo zei hij in een interview met Herman De Coninck en Leo De Haes in het Nieuw Wereldtijdschrift in 1993. ‘Ik ben een spons, die gelukkig een hoop geschiedenis heeft opgeslokt, en als je daar heel hard op knijpt, komen daar druppeltjes uit.’ In een monografie die in 2000 bij Ludion verscheen, omschreef Geert Bekaert dat als volgt: ‘Het spontane verzet tegen de vorm is een verzet tegen eenvormigheid en gewenning, en uiteindelijk tegen de dood. Vandaar de gevoeligheid van bOb Van Reeth voor de mode, niet in de zin van modieusheid, want dat is juist de dictatuur van de vorm, maar voor de mode als het continue doorbreken van die dictatuur. […] Er zijn geen grenzen aan de architectuur. De hartstocht van het op-zoek-zijn kent nooit een einde.’

Het heeft geleid tot honderden realisaties, waarvan enkele zowel iconisch als canoniek zijn geworden. In lijn met wat Aldo Rossi – de belangrijkste voorganger, zeker in de tweede helft van Van Reeths carrière – al in 1966 schreef in L’architettura della città, was hij erop uit fatti urbani te bouwen, stedelijke, onweerlegbare feiten, met een stille of net opvallende aanwezigheid, die zowel vernieuwing als continuïteit garanderen. Zelfs als het om privéopdrachten ging, bepaalde zijn architectuur mee het publieke karakter van steden als Mechelen (Kazerne Dossin), Oostende (Marie-Joséplein), Hasselt (Vlaams Administratief Centrum), Brussel (Koning Boudewijnstadion), Kortrijk (Leieboorden) en – vooral – Antwerpen (Onze-Lieve-Vrouwecollege, woning Van Roosmalen, het Zuiderterras, Lombardia). Ook in meer virtuele domeinen was het werk van Van Reeth zichtbaar: tussen 1989 en 1994 werd het Nederlandstalige televisiejournaal in België uitgezonden vanuit een studio die hij ontwierp – een donker decor met zwartgroene tinten, marmer en een gerasterd kamerscherm, dat de diepte van een interieur suggereerde, en van waaruit nieuwsanker Bavo Claes op 10 november 1989 de Val van de Muur aan de Vlaamse huiskamers meedeelde. Ook in Nederlandse steden zoals Utrecht, Amsterdam, Maastricht en Dordrecht werden even grote als kalme gebouwcomplexen gerealiseerd – een praktijk die A.W.G., het bureau dat Van Reeth in 1976 oprichtte, voortzet.

 

Van 20 tot 29 november wordt in Centrum VANDENHOVE van de Universiteit Gent een tentoonstelling georganiseerd ter ere van bOb Van Reeth. Vernissage met filmvertoningen op donderdagavond 20 november, finissage met lezingen op zondagmiddag 30 november. VANDENHOVE, Centrum voor architectuur en kunst, Rozier 1, Gent.