width and height should be displayed here dynamically

Much Ado About M HKA. Een gesprek over twee architectuurwedstrijden

 

Ganzenbord

Christophe Van Gerrewey: De architecturale voorgeschiedenis van het M HKA is bekend. Het Museum van Hedendaagse Kunst werd in 1985 opgericht in Antwerpen en opende in 1987, in een voormalig pakhuis met graansilo uit 1922. Dat complex werd tussen 1990 en 1993 verder uitgebreid, maar de architectuur ervan werd vaak bekritiseerd.

Pieter T’Jonck: De Vlaamse Gemeenschap heeft die gebouwen destijds gekocht van een investeerder, die plannen had om er een discotheek in onder te brengen. Voor die dancing was al een architect aangesteld, Michel Grandsard, en hij mocht meteen het nieuwe museum ontwerpen. Al van bij aanvang was duidelijk dat het gebouw daar niet voor geschikt was.

C.V.G.: ‘De problemen om het licht te integreren in het interieur van een silo kunnen nauwelijks opgelost worden, wat mocht blijken uit Grandsards ontwerp,’ schreef Marc Dubois in 1993 (De Witte Raaf, nr. 44).

Beatriz Van Houtte Alonso: De lichtinval is vaak vreemd, het interieur is desoriënterend en complex, de akoestiek is slecht, maar toch heeft het huidige gebouw kwaliteiten, vind ik. Ik zie in elk geval niet in waarom je er geen goede tentoonstellingen zou kunnen realiseren.

C.V.G.: In 2001 werd Bart De Baere directeur van het M HKA, en in 2003 werd de inkomhal heringericht door Robbrecht en Daem architecten. De recentste verbouwingswerken dateren uit 2017, toen Axel Vervoordt en Tatsuro Miki een collectietentoonstelling ontwierpen, maar ook een nieuwe inkomhal en een ‘basisinfrastructuur’ voor het Centrum Kunstarchieven Vlaanderen – gezien de kostprijs van 1,3 miljoen euro door Dirk Pültau omschreven als ‘de duurste reclamecampagne ooit uit de geschiedenis van de Vlaamse kunstwereld’ (De Witte Raaf, nr. 189). Desondanks ontstonden er al in 2013 plannen om een nieuw M HKA voor te bereiden, met Sven Gatz als Vlaams cultuurminister en Peter Swinnen als Vlaams Bouwmeester. Pas in 2019, onder Vlaams cultuurminister Jan Jambon, werd er een Open Oproep gelanceerd, met als Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck en als Antwerps stadsbouwmeester Christian Rapp. Toen werd ook beslist dat het M HKA zou verhuizen, naar een plek even verderop. Het nieuwe museum zou de plaats innemen van het hof van beroep, een gebouw dat in 1974 werd gebouwd boven op de voormalige Zuidersluis.

P.T.: En die wedstrijd in 2019 liep helemaal fout.

C.V.G.: Op 20 maart 2020 blies Jan Jambon de wedstrijd inderdaad af. In De Standaard zei het kabinet van de minister tegen Geert Sels dat ‘de ambities van het museum veranderd zijn’. Leo Van Broeck sprak van ‘voortschrijdend inzicht. Het museum dat men wou, kwam niet meer overeen met wat er gevraagd was.’ En Bart De Baere zei: ‘Als je publieke middelen inzet, moet je zeker zijn van een goede uitkomst. Het is als bij een ganzenbord, waar je op een vakje terechtkomt en een aantal stappen terug moet zetten.’

P.T.: Dat spelletje ganzenbord heeft zo’n half miljoen euro overheidsgeld gekost – een dergelijke wedstrijd organiseer je niet gratis.

Inigo Custers: Weten we wie er toen in de jury zat?

C.V.G.: Officieel niet, want er is nooit een juryverslag gepubliceerd. Op 24 juni 2020 verscheen er een artikel in Knack, waarin vermeld werd dat de jury bestond uit negen stemgerechtigde leden, onder wie Dirk De Meyer en Wouter Davidts, hoogleraren architectuur aan de Universiteit Gent.

P.T.: Dat artikel geeft aan dat de wedstrijd niet goed georganiseerd werd, en dat is een understatement. Er werd nochtans al begin 2015 een studie gepubliceerd door Labo A van de Universiteit Gent, op vraag van Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen. In dat document werd duidelijk gesteld dat een mondiale toppositie, zoals die van het Centre Pompidou in Parijs, geen haalbare kaart was voor het M HKA. Gezien de versnipperde middelen van de vele Vlaamse musea kan één Antwerps instituut niet alle taken op zich nemen. Vervolgens maakte 51N4E een ruimtelijke vertaling van een haalbaar museumprogramma. In het kielzog van die studies besloot een stuurgroep dat het M HKA gezien de museumcollectie het best geplaatst was om een ‘overzichtsmuseum’ van hedendaagse kunst in Vlaanderen te worden. De stuurgroep oordeelde dat daar een nieuw gebouw voor nodig was, terwijl het bestaande gebouw ingezet kon worden als een centraal Vlaams depot voor hedendaagse kunst, ten dienste van alle musea. Het ‘overzichtsmuseum’ zou worden aangevuld met zalen voor thematische tentoonstellingen, met een studiebibliotheek en een forum. Die verruiming van de taakstelling resulteerde in de projectdefinitie voor de Open Oproep in 2019. Bij de jurering van de inzendingen doken echter nieuwe beleidsplannen op waar noch de ontwerpers, noch de juryleden van op de hoogte waren. Bart De Baere, die als directeur van het M HKA het proces aanstuurde, beweerde zelfs dat een beleidsplan nog niet voor meteen was: het bestek en de projectdefinitie van de Open Oproep omschreef hij als ‘niet definitief’. Plots was er sprake van een beleidsdocument, een ‘routeplan’ voor het M HKA, goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 7 oktober 2019, zonder dat de jury daar kennis van had.

C.V.G.: De teams die geselecteerd werden voor de Open Oproep waren het Brusselse 51N4E met Caruso St John (VK), het Brusselse Baukunst met Made In (CH), het Japanse SANAA met Jaspers-Eyers uit Brussel, Thomas Phifer uit New York, en Marie-José Van Hee met Wim Goes, beiden werkzaam in Gent.

P.T.: Na een gesprek over de ontwerpen en een puntentelling onder de juryleden bleek er één winnaar naar voren te komen. Er werd een duidelijke voorkeur uitgesproken voor het ontwerp van 51N4E en Caruso St John, maar De Baere en stadsbouwmeester Christian Rapp wilden absoluut dat de keuze viel op het project van SANAA en Jaspers-Eyers. Om dat te verantwoorden werd er geschermd met dat nieuwe ‘routeplan’. Het leidde tot een patstelling binnen de jury.

C.V.G.: Pieter, jij hebt in een artikel, gepubliceerd op de website van A+ op 10 juli 2020, de kwaliteiten van het ontwerp van 51N4E en Caruso St John uiteengezet. Wat was er zo goed aan?

P.T.: Het blijft een superslim voorstel: een structuur waarin volledig open, hoge vloeren voor tentoonstellingen afwisselen met lage vloeren voor kantoren en technische installaties, die als een ruimtevakwerk de enorme overspanning mogelijk maken, over de gehele lengte en breedte van de site. Op de hoeken bevinden zich circulatiekokers en sassen voor de art handling, die ook de dwarse stabiliteit verzekeren. Op de begane grond ontstaat een enorme open ruimte, een ontvangsthal, met een doorkijk naar het ondergrondse, historische dok.

C.V.G.: Van de vijf ontwerpen die werden ingediend voor de wedstrijd van 2019 is dat van 51N4E en Caruso St John het meest inventief. Er is niet alleen de bouwstructuur en de organisatie van het museum, maar ook een glazen koepel, als een wolk op het dak die dienstdoet als bovenste verdieping voor allerlei publieke activiteiten.

I.C.: Ook de gevel is bijzonder: die zou worden opgebouwd uit afgeschreven containers en prefab loodsen uit de Antwerpse haven, versneden en hergebruikt.

P.T.: Het is een nogal zotte gevel met een opmerkelijk patroon, maar het basismateriaal bestaat uit gerecupereerde geplooide staalplaten. Ondanks de decoratieve expressie van de gevel gaat het om circulaire architectuur.

B.V.H.A.: Het resultaat is een beetje decoratief: een gigantische silo met een regelmatig golvende gevel. Die gevel associeer ik eerder met het werk van Caruso St John dan met dat van 51N4E. Wat mij opvalt in de wedstrijden, zowel die van 2019 als die van 2024, is hoe er vooral van buitenaf naar het museum wordt gekeken. De ervaring in het interieur en de aanwezigheid van daglicht komen minder vaak aan bod. Dat is wel het geval in het ontwerp uit 2019 van Marie-José Van Hee en Wim Goes. Zij citeren in hun ontwerpbundel Michaël Borremans: ‘Daglicht kan je savoureren. Als het licht in een museum goed zit, hoef je er alleen maar het kunstwerk aan toe te voegen.’

C.V.G.: Het ontwerp van SANAA uit 2019 zet bijna volledig in op daglicht: het is als het ware een stapel glazen dozen – weinig inventief of avontuurlijk, maar wel heel duidelijk.

P.T.: Het is het New Museum in het groot, het gebouw dat SANAA in 2007 realiseerde in New York. Dat is een knap gebouw, maar het is kleiner, en het werkt beter.

I.C.: Een ander verschil tussen het New Museum en het M HKA van SANAA zijn een aantal schijven, die als monumentale volumes in de hoge interieurs hangen, bijvoorbeeld om er een caféterras op te organiseren.

B.V.H.A.: Waarom waren sommige juryleden zo wild van het voorstel van SANAA?

C.V.G.: Dat is de vraag. Naar een antwoord kunnen we enkel gissen, want er is geen juryverslag. Het ontwerp van SANAA biedt in elk geval veel kolossale zichten op de stad Antwerpen, en dat wordt in de bundel benadrukt. Het is een kijkmachine waarin de kunst nevengeschikt wordt gemaakt aan het adembenemende uitzicht op de stad, 360 graden in het rond.

I.C.: Wat het ontwerp van SANAA vooral uitzonderlijk maakt, en misschien ook uitzonderlijk aantrekkelijk, is dat het 80 meter hoog is.

C.V.G.: Inderdaad: alle andere voorstellen uit 2019 zijn slechts 53 meter hoog, wat merkwaardig genoeg ongeveer de hoogte is van het New Museum van SANAA in New York.

P.T.: Bij die eerste wedstrijd was 53 meter de maximaal toegestane hoogte. Dat werd zo bepaald in het ruimtelijk uitvoeringsplan, het RUP, dat de bouwvoorschriften vastlegt. Het ontwerp van SANAA, 80 meter hoog, kon op het moment van de wedstrijd wettelijk niet gekozen worden, laat staan uitgevoerd!

C.V.G.: Een hoger gebouw is groter. Toen de wedstrijd in 2020 werd geannuleerd, was er sprake van een ‘ambitieniveau’ dat is geëvolueerd. Misschien heeft de museumdirectie samen met de stadsbouwmeester dankzij het ontwerp van SANAA beseft: het M HKA kan en moet groter en hoger worden.

I.C.: En duurder.

P.T.: Net dat is contradictorisch. Als je kijkt naar het ontwerp van 51N4E en Caruso St John, en naar de andere ontwerpen uit 2019 – met uitzondering van dat van SANAA – dan zie je dat een volgebouwd bouwblok van 53 meter hoog helemaal niet minder vloeroppervlakte realiseert. In een toren verlies je veel plaats aan liften en dubbele trappen, die nodig zijn vanwege de strenge brandvoorschriften. Je wint in zekere zin niks met een toren, dus die nood aan extra oppervlakte kan niet verklaren waarom per se het ontwerp van SANAA gekozen moest worden.

 

Bouwrijp

C.V.G.: Na de mislukte wedstrijd is er begin 2024 een nieuw RUP opgemaakt, waarin de toegestane hoogte van het M HKA met 30 meter toenam. Dit plan definieerde de voorwaarden voor het nieuwe museum en voor de tweede wedstrijd, maar het is zodanig opgesteld dat het ontwerp van SANAA uit 2019 er alsnog door naar voren lijkt te worden geschoven.

B.V.H.A.: Het ligt iets complexer, bijvoorbeeld omdat het RUP is gebaseerd op een Hoogbouwrapport uitgevoerd door Sweco, dat dan weer is gebaseerd op de Hoogbouwnota van de stadsbouwmeester van Antwerpen uit 2013. In dat rapport wordt gesteld dat een toren van maximaal 80 meter mogelijk is, op voorwaarde dat die toren is opgebouwd uit een plint van 30 meter hoog, met daarop een toren van nog eens 50 meter.

I.C.: Zo staat het letterlijk in het RUP uit 2024: ‘De slanke toren laat toe het gewenste programma op de site te voorzien, zonder de draagkracht van de site te overschrijden. In de toren kan een geleding van het volume in de hoogte voorzien worden.’ Er is ook sprake van ‘harmonie’ met de reeds bestaande gebouwen aan de kant van de Schelde, omdat de plint dezelfde hoogte heeft. Dat is de verantwoording: als de toren voldoende terugwijkt, ‘past het gebouw in zijn omgeving’. Dat is natuurlijk slechts gedeeltelijk waar.

P.T.: Het is een klassieke of classicistische logica.

I.C.: En het is een logica die enkel telt voor het M HKA, dat als uitzondering wordt aangeduid. Alle andere gebouwen in de nabije omgeving mogen de volumetrische logica van het nieuwe M HKA niet volgen.

B.V.H.A.: Omgekeerd is het zo dat door dat nieuwe RUP een ontwerp als dat van 51N4E en Caruso St John niet meer mogelijk was in de tweede wedstrijd, omdat het zowel aan de kant van de Schelde als aan de kant van de stad 53 meter hoog is. Is dat niet bizar, dat een RUP al zoveel vastlegt, op basis van een ontwerp uit een vorige wedstrijd?

C.V.G.: Het is bizar en toch is het consequent, want het kadert binnen plannen voor de wijdere omgeving en voor de rest van het Antwerpse Zuid. Nieuw Zuid, een paar honderd meter van het toekomstige M HKA verwijderd, is een residentiële stadswijk van 20 hectare groot, die nagenoeg volledig het eigendom is van één projectontwikkelaar, Triple Living. Sinds 2010 worden daar veertig nieuwe gebouwen neergezet, en ook voor die appartementsblokken is 80 meter de magische hoogte. Een aantal sociale woonblokken, aan de kant van Nieuw Zuid het dichtst bij het M HKA, werden in 2021 afgebroken om vervangen te worden door de zogenaamde Tower Zero, ook 80 meter hoog en ontworpen door de Zwitserse architect Peter Zumthor.

I.C.: Ja, maar een aantal buurtbewoners hebben zich ondertussen tegen de bouw van die toren verzet, waardoor de omgevingsvergunning in april 2024 is vernietigd.

B.V.H.A.: Het zijn nota bene buurtbewoners die in een gebouw wonen van Robbrecht en Daem architecten, dat in Nieuw Zuid in 2023 werd voltooid. Zij vrezen dat ze geen zon meer zullen hebben, en die kans lijkt me groot.

C.V.G.: Toch is die Tower Zero niet van de baan. De toenmalige schepen voor Stadsontwikkeling, Annick De Ridder (N-VA), reageerde op de vernietiging van de vergunning, in een artikel in Gazet van Antwerpen van 26 april 2024: ‘Het is jammer dat dit topproject, ontworpen door een wereldvermaarde architect, vertraging oploopt. Onze diensten analyseren nu het arrest.’ En in datzelfde artikel zei iemand van Triple Living net hetzelfde: ‘We bestuderen intern het arrest en denken na over de volgende stappen.’ Dat ook het M HKA 80 meter hoog moet worden, lijkt een expliciete wens van het stadsbestuur, van de stadsbouwmeester én van de projectontwikkelaar, die uit één mond spreken. Moet Antwerpen bouwrijp worden voor torens van 80 meter hoog?

B.V.H.A.: Ik heb de indruk dat de omgeving één gebouw van 80 meter hoog kan verdragen. Als je de ene toren naast de andere zou zetten, dan krijg je een nieuwe Noordzeekust. Het neemt niet weg: Nieuw Zuid is donker en schaduwrijk. Er is een aangrenzend park, maar de dichtheid aan relatief hoge woongebouwen op een beperkte oppervlakte is beklemmend. De hele wijk heeft iets unheimisch; kwaliteitsvolle gebouwen bij elkaar zetten leidt niet per se tot een kwaliteitsvolle buurt.

C.V.G.: Je kan het een proeve van contextueel ontwerpen noemen, maar het blijft opmerkelijk dat een publiek museumgebouw als het M HKA mede bepaald wordt door een private ontwikkeling van dure appartementsblokken vlakbij. Bovendien: nog in 2022 werd door Triple Living verkondigd dat SANAA het ‘slotgebouw’ van Nieuw Zuid zou realiseren, helemaal aan de andere kant van de stadswijk…

I.C.: Er zijn veel architectenbureaus die werken op Nieuw Zuid, wat niet verwonderlijk is als er veertig gebouwen opgetrokken moeten worden. Het bureau van Daniel Rosbottom en David Howarth (DRDH), dat deelnam aan de tweede wedstrijd voor het M HKA in 2024, heeft al in 2022 een toren gebouwd met 160 appartementen, ook van 80 meter hoog.

P.T.: Je kan je inderdaad afvragen of torens van 80 meter de bouwstenen van het toekomstige Antwerpen moeten worden, en of de wedstrijd voor het M HKA is ingezet om dat publiek aanvaardbaar te maken. Maar zoals ik in het artikel in 2020 al schreef: dat is een achterdochtig idee, op het paranoïde af. Bovendien blijft de vraag: wat had Bart De Baere daarbij te winnen? Waarom wilde ook hij een gebouw van 80 meter? En waarom moest het van SANAA komen?

B.V.H.A.: Er is de agenda van de stad en van de bouwpromotor, maar er is ook de agenda van het museum. In de opdrachtomschrijving voor de tweede wedstrijd is er bijvoorbeeld voortdurend sprake van ‘neutrale’ en ‘flexibele’ ruimtes. Daar spreekt geen duidelijke ambitie of een strategie uit. Wat wil het museum eigenlijk doen met al die oppervlakte in zo’n toren?

C.V.G.: Die vraag sluit aan bij het institutionele en cultuurpolitieke aspect van deze wedstrijd. Wat voor een museum is het M HKA? Wat voor een museum moet het worden? Er is vaak gespeculeerd over fusies van het M HKA met andere Vlaamse musea, in Antwerpen of in Vlaanderen. Het M HKA zou dan kunnen uitgroeien tot het Grote Vlaamse Museum, in de hoofdstad van Vlaanderen, door het SMAK in Gent en MuZee in Oostende op te slokken. In dat geval zou een wolkenkrabber nog beter zijn dan een toren.

I.C.: In de eerste wedstrijd in 2019 is er sprake, ook in de ontwerpbundels, van het VMHK – het Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst. In 2024 wordt dat het TMHK – het Toekomstig Museum voor Hedendaagse Kunst.

P.T.: Het is een lastig probleem. Al in 2015 stond in de studie van Labo A dat het M HKA nooit het enige Vlaamse museum voor hedendaagse kunst kan worden: het SMAK heeft bijvoorbeeld een even belangrijke collectie. Maar het SMAK kan niet getransformeerd worden in het Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst, want het wordt beheerd door de Stad Gent, en niet door de Vlaamse overheid. Net als M in Leuven is het een stedelijk museum. Ik denk dat het idee van één centraal museum in Antwerpen ondertussen is losgelaten, ook als je ziet hoe ingrijpend de nieuwe plannen voor MuZee in Oostende zijn.

C.V.G.: Toch wordt er meteen van uitgegaan, in de opdrachtomschrijving in 2024, dat het museum, hoe groot het ook wordt, te klein zal zijn. ‘Het TMHK’, zo staat er, ‘wordt ook een belangrijke wetenschappelijke instelling voor hedendaagse kunst. De onderzoekstaken worden gebundeld in een apart onderzoekscentrum, op een andere locatie.’ Tegelijkertijd wordt er benadrukt: ‘Ook het onderzoekscentrum maakt integraal deel uit van de toekomstige werking van het museum, hoewel dit zich op een andere locatie zal bevinden.’ Ofwel is er weinig enthousiasme voor – en dat zou goed kunnen, want in Vlaamse kunstmusea heeft onderzoek zelden een volwaardige plek gekregen – ofwel wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe toren vol genoeg zal zitten.

I.C.: Dat is toch jammer, dat er geen fysieke link is tussen museum enerzijds en bibliotheek, archief en onderzoek anderzijds?

B.V.H.A.: Het heeft te maken met hoe het M HKA zich wil definiëren. In het projectdossier wordt die vraag niet duidelijk beantwoord. Enerzijds willen ze zich opstellen als een professioneel instituut met internationale allure, anderzijds is er een zekere trots over de eerder anti-institutionele logica van het voormalige ICC, waaruit het M HKA is voortgekomen. Ook wordt de ambitie uitgesproken om verankerd te blijven in de Antwerpse kunstscene.

P.T.: Het is de spanning tussen kunstgeschiedenis en kunstactualiteit. In de projectbundel en in de ontwerpdossiers wordt er vaak verwezen naar kunstenaars als Joseph Beuys en Gordon Matta-Clark. Beuys stierf in 1986, Matta-Clark in 1978. In die zin is het M HKA een historisch museum, met een voornamelijk historische collectie.

C.V.G.: De meeste kunstmusea – het Stedelijk in Amsterdam of Kunsthaus Zürich – combineren de functie van historisch museum met die van een kunsthal. Natuurlijk is die combinatie niet meer vanzelfsprekend. Naoorlogse kunst is lange tijd hedendaagse kunst geweest, terwijl actuele kunst zich vandaag vaak in een ander universum lijkt op te houden, en ook letterlijk in een ander tijdperk wordt gemaakt.

B.V.H.A.: Die breuk komt terug in het onderscheid dat gemaakt wordt, in het projectdossier voor de tweede wedstrijd, tussen de collectie en de tijdelijke tentoonstellingen. Alle architectenbureaus respecteren dat onderscheid en maken het op een ruimtelijke manier zichtbaar.

 

Procedures

C.V.G.: De tweede wedstrijd vond plaats na de zomer van 2024. Dit keer namen zes bureaus of samenwerkingsverbanden deel: Christ & Gantenbein (CH) met het Antwerpse bureau Bovenbouw, Nauta Bedaux (NL) met Feilden Fowles (VK), het in Londen en Antwerpen gevestigde DRDH met Jamie Fobert Architects (VK), de Brusselse noAarchitecten met Sergison Bates (VK) en EM2N (CH), OFFICE Kersten Geers David Van Severen uit Brussel met SO–IL (USA), en tot slot Robbrecht en Daem uit Gent met Dierendonckblancke en Laura Muyldermans. Zoals gezegd werd er een duidelijk gebouwvolume naar voren geschoven, of een maximale gebouwenveloppe: een sokkel van 30 meter met een slanke toren van in totaal 80 meter, en met een maximaal gebouwvolume van 100.000 kubieke meter. Is het niet raar dat er een wedstrijd wordt georganiseerd, maar dat de bouwheer – of in dit geval de stadsbouwmeester, Christian Rapp – van tevoren vastlegt welke vorm dat gebouw zal hebben, en hoe het eruit zal zien?

I.C.: Dat gebeurt vaker, maar meestal gaat het om een kader waarin het gebouw moet passen, gemaakt op basis van voorstudies. Het aantal beslissingen dat door het RUP wordt genomen nog voor de wedstrijd begint, ligt hier wel heel hoog.

P.T.: Dat is zeker zo. Wat ik vooral absurd vind, is dat beslist werd dat er twee afzonderlijke loskades moeten zijn, een voor kunsttransport en een voor logistiek transport.

C.V.G.: Waarom vind je dat absurd?

P.T.: Als je een dergelijk groot gebouw ontwerpt, dan spreekt het vanzelf dat je de omliggende straten een invulling geeft, of althans de profielen ervan bepaalt. Door dat al vast te leggen, sluit je uit dat een bureau eigen ideeën of oplossingen kan bedenken.

I.C.: Nochtans is het een van de redenen waarom Christ & Gantenbein en Bovenbouw de wedstrijd gewonnen hebben.

C.V.G.: Zo staat het inderdaad in het juryrapport, dat dit keer wel is vrijgegeven, met uitzondering van de passages over de raming en de prijs, en zonder de samenstelling van de commissie te vermelden. Maar een juryverslag is een juridisch document dat achteraf wordt opgesteld om een beslissing te beargumenteren.

I.C.: Het team van Bovenbouw voorziet in elk geval een loskade voor kunstwerken aan de De Gerlachekaai, langs de Schelde, en een aparte loskade voor logistiek transport aan de Visserskaai, loodrecht daarop. Alle andere bureaus doen dat niet en ontwerpen een gezamenlijke loskade, wat dus niet conform het RUP is.

C.V.G.: Het is regelneverij, maar je kan zeggen dat de wedstrijd dit keer tot in de puntjes is voorbereid. Alles is op alles gezet om het niet te laten mislukken zoals in 2019.

I.C.: En toch is het ook een manier om te krijgen wat je al in gedachten had, als bouwheer, en om verrassingen uit te sluiten…

P.T.: … of om discussies af te blokken. Je kan heel helder zeggen wat je niet wil, en vooral ook wat niet mag. De procedure was geen Open Oproep georganiseerd door de Vlaams Bouwmeester, zoals dat de eerste keer het geval was. De Vlaams Bouwmeester, Erik Wieërs, zat wel in de jury. Dat is dus ook belangrijk: het ging in 2024 om ‘een mededingingsprocedure met onderhandeling’.

C.V.G.: Wat is het verschil?

P.T.: In het eerste geval kies je een ontwerper op basis van een schetsontwerp dat nog kan veranderen. In het tweede geval kies je een ontwerp. Je kan daar in beperkte mate aan sleutelen, maar de hoofdlijnen liggen vast. Dat heeft voordelen voor de ontwerper, die niet zomaar gevraagd kan worden om opnieuw te beginnen, maar ook nadelen: alle partijen zijn gebonden door een parti pris.

B.V.H.A.: Het nadeel is dat je gaandeweg niets meer mag veranderen. Er wordt in deze procedure een bouwteam gekozen, niet enkel een architect. Dat geeft meer macht aan de aannemer. In een aantal ontwerpbundels wordt dit trouwens uitdrukkelijk – en terecht, vind ik – in vraag gesteld.

C.V.G.: De belangrijkste beslissingen zijn in het RUP al genomen door de stadsbouwmeester en de beslissingen achteraf worden genomen door de aannemer. Is dat niet nefast voor een wedstrijd? Wie bijziend is en van een afstand de zes maquettes naast elkaar ziet staan, merkt geen verschil.

B.V.H.A.: Dat lijkt me sterk uitgedrukt. De zes ontwerpen zijn erg verschillend.

I.C.: Binnen de beperkingen die er waren, hebben de teams de vrijheidsgraden ten volle benut. Het was mogelijk om op de vooropgestelde volumemaquette te variëren, en een aantal bureaus hebben dat gedaan.

C.V.G.: Dat klopt, en het valt op in het juryrapport: twee teams – OFFICE en SO–IL enerzijds, Christ & Gantenbein en Bovenbouw anderzijds – worden geprezen omdat ze vermeden dat het museum eruit zou zien als een toren met een plint. De vier andere architecten hebben min of meer het voorontwerp gevolgd van Christian Rapp, om het zo maar eens te noemen.

B.V.H.A.: Dat vond ik ook opvallend: die bureaus doen wat hun gevraagd wordt, en ze worden erop afgerekend.

C.V.G.: Tegelijkertijd is het zo dat die vier ontwerpen op een klassieke, haast academische manier lijken op een toren met een plint – genre Lever House in New York, in 1950 ontworpen door Gordon Bunshaft en Natalie de Blois van SOM. Het ontwerp van DRDH en Jamie Fobert wordt in het juryrapport ‘bureaucratisch’ genoemd, en dat is niet zo vergezocht, gewoon omdat we een dergelijk gebouw met kantoren associëren. Op een gelijkaardige manier wordt het project van het team rond Robbrecht en Daem als ‘bezadigd’ omschreven en dat van het team rond Nauta Bedaux als ‘neoklassiek’, terwijl van het torenvolume van noA & co. wordt gezegd dat het ‘weinig geleding’ vertoont.

I.C.: Ik denk dat Christ & Gantenbein en Bovenbouw, net als OFFICE en SO–IL, vooral geprobeerd hebben om dat gebouwtype te nuanceren, en om het monolithische karakter ervan te omzeilen en te fragmenteren.

C.V.G.: OFFICE en SO–IL gaan daar nog iets verder in dan Christ & Gantenbein en Bovenbouw: de drieledige opbouw verdwijnt bijna volledig, en het resultaat is een soort ziggoerat die uit een tiental onderdelen bestaat.

B.V.H.A.: En toch blijft ook hun ontwerp eruitzien als een toren met een plint.

I.C.: Dat lijkt me onmogelijk te vermijden, gezien de uitgangspunten van de wedstrijd.

B.V.H.A.: In elk geval: het valt op hoeveel aandacht er besteed wordt aan het silhouet en het exterieur van het gebouw. Zowel in de omschrijving van de opdracht als in het juryverslag en de communicatie over de winnaar valt het woord ‘beeld’ voortdurend. Er is gezocht naar een ‘beeldbepalend’ gebouw. Er worden, in de beoordeling, onophoudelijk vergelijkingen gemaakt, vanuit de vrees dat het ontwerp niet op een museum zal lijken, maar op een winkelcentrum, een woontoren, een kantoorgebouw…

C.V.G.: Vind je dat opvallend? Het gaat om een groot publiek gebouw dat zeer aanwezig zal zijn in het stadsbeeld. Een gebouw van 80 meter hoog wordt automatisch iconisch.

B.V.H.A.: Uiteraard, maar het valt op dat het zoveel aandacht krijgt, en dat het doorslaggevend is in de besluitvorming. Wieërs zei een aantal keer dat de wedstrijd niet ‘over spektakelarchitectuur’ mocht gaan, maar het is de vraag of dat, gezien de ambities, de opdracht en de hoogte van het gebouw, te vermijden valt.

 

Wandelen

C.V.G.: De architecten werd gevraagd om een museum te ontwerpen in een toren, maar het staat lang niet vast of zoiets mogelijk is. Eén probleem is dat de wandeling van de bezoeker voortdurend onderbroken wordt, omdat je iedere keer van verdieping moet wisselen, naar boven of naar beneden. Er zijn niet veel voorbeelden van musea of kunstplekken in een toren. In 2021 opende The Tower van LUMA in Arles, ontworpen door Frank Gehry: 56 meter hoog, met een kleine tentoonstellingszaal per verdieping, en met ook een sokkel met een groter vloeroppervlak. Het Museum aan de Stroom in Antwerpen, geopend in 2011 en ontworpen door Neutelings Riedijk Architecten, is 60 meter hoog, en het is een stapeling van gesloten zalen die verbonden zijn met roltrappen.

I.C.: Het Munchmuseum in Oslo, uit 2021, zit ook in een toren met een plint, 60 meter hoog, ontworpen door Herreros Arquitectos.

C.V.G.: Het extreemste voorbeeld is M+ in Hongkong, geopend in 2021 en ontworpen door Herzog & de Meuron: een plint met een dunne toren, 94 meter hoog, en bekleed met 140.000 keramiektegels waarin ledlampen verwerkt zijn, met als resultaat een gigantisch digitaal scherm. Als de wedstrijd voor het M HKA als een wetenschappelijk experiment wordt beschouwd, is dan bewezen dat het kan, een museum in een toren?

B.V.H.A.: Veel heeft te maken, zoals je al zei, met de wandeling door het gebouw. Het team dat daar expliciet op inzet, is dat van Robbrecht en Daem.

C.V.G.: Het is op dat vlak inderdaad een aantrekkelijk voorstel, en het is – letterlijk – het minst vermoeiend: als je het museum binnenkomt, neem je de lift helemaal naar boven, en dan loop je traag naar beneden langs de collectie en de tentoonstellingen.

I.C.: Dat ontwerp wordt in het juryrapport omschreven als ‘een zeer klassiek gebouw voor kunst van vandaag en gisteren, maar niet voor kunst van morgen en andere media’. Dat klopt niet, denk ik, en het heeft waarschijnlijk, opnieuw, meer te maken met het exterieur dan met de werking binnenin.

B.V.H.A.: Terwijl zij, net als Van Hee en Goes in 2019, net heel sterk inzetten op daglicht.

P.T.: Ik was niet zo onder de indruk van het interieur van Robbrecht en Daem & co. Het gaat om tentoonstellingsvloeren die deels overlappen, met in het midden meestal halfhoge ruimtes. Het maakt dat je in de toren min of meer dezelfde soort lokalen hebt, met vides afwisselend links of rechts, waarin het uitzicht bepalend wordt.

I.C.: Ze beseffen dat ze die repetitie in de wandeling naar beneden moeten onderbreken, door te werken met ‘rustpunten’ met een hoger plafond. Er is sprake van ‘50 à 60 verschillende uitzichten op Schelde en stad die elkaar afwisselen’, wat natuurlijk relatief is, want meer dan vier windrichtingen zijn er niet.

P.T.: Eerder dan de verticale circulatie is de horizontale doorgang in veel ontwerpen belangrijker – de organisatie van de sokkel. Veel bureaus stappen mee in de retoriek van het hypertoegankelijke museum. Van de gelijkvloerse verdieping wordt gesuggereerd dat het de meest drukke en publieke ruimte van Antwerpen moet worden. Vooral in het ontwerp van het team rond noA is dat zo. Zij voorzien in een hoge ‘hangar’ op de begane grond, omschreven als ‘een gastvrij gebaar naar de stad’, als ‘een directe en vrije ontmoeting met kunst’.

C.V.G.: Met de Turbine Hall van Tate Modern in Londen als voorbeeld…

B.V.H.A.: En Kanal in Brussel, dat door hetzelfde ontwerpteam wordt verbouwd. Maar daar gaat het natuurlijk om een bestaande hal van een andere schaal.

P.T.: Ze geven op die manier een invulling aan wat er onder actuele kunst kan worden verstaan. Dit is een plek voor performances, voor festivals, optredens en dj-sets.

C.V.G.: Het is wat in het museumdiscours als een third place wordt omschreven – een plek waar iedereen zich welkom voelt, ondanks het feit dat ze deel uitmaakt van een museum.

P.T.: Je kan er mensen ontmoeten, maar je moet niet consumeren. Het is gratis. Sergison Bates is daar con brio in geslaagd met hun ontwerp voor de Podiumkunstensite in Leuven, waarvan de uitvoering binnenkort zou moeten starten. Ook dat is een soort hangar, maar kleiner. Het concept sluit beter aan bij de podiumkunsten dan bij beeldende kunst, en de third space die zij bedachten voor de begane grond in Leuven is bijzonder interessant. Door hetzelfde te proberen doen voor het M HKA, overschreeuwen ze zich een beetje, vind ik.

C.V.G.: Tegelijkertijd is het niet onzinnig om de gelijkvloerse verdieping van het museum te zien als een verlengstuk van het nieuwe Zuidpark, dat opende in 2023.

P.T.: De meeste bureaus zien de inkomhal als een doorgang tussen twee parken, want langs de Schelde, aan de andere kant van het museum, begint het park langs de Scheldekaaien. Ze willen een grote brede doorgang creëren, maar dat resulteert – bijvoorbeeld bij het team rond Robbrecht en Daem – in een lange strook, loodrecht op de Schelde, met dienstruimtes en circulatie. Dat creëert problemen in de toren, omdat die strook niet tot boven kan worden doorgetrokken. Trappen en liften gaan loodrecht naar omhoog. Enkel Bovenbouw en Christ & Gantenbein hebben zich daar niks van aangetrokken. Dat is de grote verdienste van hun ontwerp: zij zetten de hele ‘stijgmechaniek’ dwars op de lange richting, dus evenwijdig aan de Schelde, en dat resulteert in volledig andere zalen in de toren. Het is een compleet andere logica, die minder gewrongen in elkaar zit, ook op constructief vlak. Je kan nog steeds door het gebouw lopen, van de ene naar de andere kant, maar het wordt niet benadrukt.

I.C.: Zij leggen de hoofdingang aan het park. De ingang langs de Schelde wordt secundair.

B.V.H.A.: Het nadeel is dat de uitzichten minder royaal zijn, net als de daglichttoetreding. Bovenbouw en Christ & Gantenbein concentreren zich op het kijken naar kunst, in eerder gesloten dozen. De uitzichten en de ramen lijken minder belangrijk.

I.C.: De theatrale zichten zijn gereserveerd voor een aantal exclusieve ruimtes, die ze zelf pompeus de sky rooms noemen: het restaurant, de kantoren en de seminarieruimtes. De zichten vanuit de tentoonstellingsruimtes zijn daarentegen zeer beperkt.

B.V.H.A.: Net daarom vind ik het gevelconcept van OFFICE en SO–IL prikkelend. Zij hebben een systeem bedacht dat in verschillende gradaties altijd daglicht toelaat, en altijd zichten naar buiten garandeert. Ze voorzien in driedubbel glas van een claustra – baksteenroosters met openingen – en gluurmetselwerk. Je krijgt een gevel uit twee lagen, of glas met een soort gordijn van bakstenen, en met variaties in doorzichtigheid en lichtdoorlatendheid.

C.V.G.: Het leidt tot een variatie op de white cube, omdat de wanden van de tentoonstellingsruimte als een patroon variëren. De muren zijn nooit zomaar volledig gesloten of volledig open. Dat lijkt me een uitvinding: je kijkt nooit alleen maar naar kunst, de buitenwereld wordt ook – gefilterd – toegelaten.

I.C.: In het juryrapport wordt het gevelconcept negatief geëvalueerd: ‘Overdag zorgen schaduwen van de claustra voor hinder en ’s avonds wordt je blik belemmerd door reflecties.’ Er is veel materiaal voor nodig, het lijkt moeilijk realiseerbaar, en het onderhoud zal ‘duur en moeilijk’ zijn.

P.T.: Dat lijkt me een stok om een hond mee te slaan. Ze werken samen met ingenieursbureau Bollinger+Grohmann, dus waarom zou het niet uitvoerbaar zijn?

B.V.H.A.: Die passages in het juryrapport tonen hoe nadenken over kijken, horen, voelen – het beschouwen van kunst op een bepaalde plek – niet aan de orde lijkt, hoewel het toch de essentie is van een museum. Het komt nauwelijks aan bod, en bureaus die er wel op inzetten – ook de ploeg van Robbrecht en Daem bijvoorbeeld – worden erop afgerekend omdat ze te traditioneel te werk zouden gaan.

 

Duurzaamheid

C.V.G.: De architecten werd natuurlijk ook gevraagd hoe het museum geconstrueerd zou worden, en met welke materialen. Wat veranderd is ten opzichte van pakweg tien jaar geleden is het ecologisch besef – architectuur speelt een rol in de klimaatcrisis, en architecten moeten zich daar rekenschap van geven als ze een nieuw gebouw ontwerpen. Het staat zo in het persbericht waarmee de winnaar van de tweede wedstrijd werd aangekondigd: ‘Sinds de vorige procedure in 2019 […] kwam duurzaamheid nog hoger op de agenda te staan.’

B.V.H.A.: De twee teams die bouwtechniek en ecologie tot een belangrijk onderwerp hebben gemaakt, zijn daarvoor alleszins niet beloond. De groep rond DRDH stelde voor om onderdelen en materialen uit het af te breken hof van beroep te hergebruiken, terwijl de groep rond Nauta Bedaux een CLT-structuur ontwierp, met cross-laminated timber (grote, massieve houten panelen met meerdere lagen) en met natuursteen en koolstofarm beton.

I.C.: De jury wilde daar duidelijk geen risico’s in nemen. Houtskeletbouw ‘in een hoogbouwcontext’ wordt in het rapport omschreven als ‘een uitdaging op het vlak van brandveiligheid en akoestiek’. Hergebruik wordt ‘risicovol’ genoemd omdat ‘het niet gegarandeerd is dat dit daadwerkelijk uitvoerbaar blijkt’.

P.T.: Dat begrijp ik. Toen ik de projectbundel van het team rond DRDH las, vroeg ik me af: hoe gaan ze dat doen? Het is heel ambitieus. Ze willen meer dan zeshonderd betonnen gevelpanelen uit het hof van beroep hergebruiken, maar ook bakstenen en glasplaten. Elementen die niet hergebruikt kunnen worden, willen ze vermalen om er dekvloeren en gevelonderdelen van te maken. Ook de leeszaal van Axel Vervoordt in het huidige M HKA willen ze verhuizen naar de nieuwe locatie. Delen van de fundering van het hof van beroep blijven behouden, maar tegelijkertijd willen ze een fundering plaatsen onder de Zuidersluis, zodat die volledig behouden kan blijven. De kans dat al die voorstellen slagen, is klein.

B.V.H.A.: Maar het is spannend, toch?

C.V.G.: Is het winnende project van Christ & Gantenbein en Bovenbouw duurzaam – en duurzamer dan de andere ontwerpen?

P.T.: Het zal in elk geval lange tijd kunnen dienen, als het goed wordt uitgevoerd. Maar om nu te zeggen dat het een lage ecologische voetafdruk heeft…

I.C.: Het winnende team zet er veel minder op in dan bijvoorbeeld de groep rond DRDH en Nauta Bedaux, en eigenlijk ook minder dan OFFICE en SO–IL, die wel aangeven CO2-negatieve stenen te zullen gebruiken: stenen die uitdrogen in plaats van gebakken te worden, en die daardoor CO2 absorberen tijdens het uithardingsproces.

P.T.: Robbrecht en Daem kijken vooruit naar hergebruik van het gebouw in de toekomst. ‘Werkplekken, woonentiteiten – het zou zomaar kunnen,’ schrijven ze in hun bundel. Maar daarvoor heb je natuurlijk een robuuste betonnen structuur nodig.

B.V.H.A.: Duurzaamheid wordt vaak als argument gebruikt in het juryrapport, en sommige bureaus worden erop afgerekend omdat ze er te weinig aandacht aan besteden, terwijl andere teams worden bekritiseerd omdat ‘de focus […] te weinig ligt op duurzaamheid als onderdeel van de ontwerpopgave’. Ik vind dat soms inconsequent. Er wordt een groot gebouw voor dit nieuwe museum gesloopt en het resultaat moet een toren van tachtig meter zijn: is het dan niet hypocriet van een bouwheer om architecten te verwijten dat duurzaamheid geen ‘onderdeel van de ontwerpopgave’ is? Het is een belangrijk museum, het is een royale publieke ruimte, het is nieuwbouw – own it!

C.V.G.: Het kan zijn dat al die retorische aandacht voor duurzaamheid een manier is om de aandacht af te leiden van wat werkelijk een rol heeft gespeeld in de besluitvoering. Waarom hebben Christ & Gantenbein en Bovenbouw deze wedstrijd echt gewonnen?

B.V.H.A.: Ik denk dat de volumetrie van hun project opvallender en extraverter is, het zet in op contrasten, en het is misschien ook aantrekkelijker voor een breed publiek. Wat ik wel grappig vind, om terug te komen op de opmerking van Wieërs over ‘spektakelarchitectuur’, is dat er uiteindelijk gekozen is voor een gebouw dat letterlijk een gigantische billboard is.

I.C.: Ik heb het gevoel dat het nek aan nek was tussen dit project en dat van OFFICE en SO–IL. Waarom heeft het team van Bovenbouw en Christ & Gantenbein uiteindelijk gewonnen?

P.T.: OFFICE en SO–IL hebben zich echt ver gewaagd door een gaas van stenen rond het gebouw aan te brengen. Dat is té bijzonder, het kan meer geld kosten dan voorzien, en het wordt als risicovol ervaren, terwijl de hele wedstrijd er net op gericht was elk risico te vermijden. Dat is een gevolg van de procedure: het ontwerp dat wordt gekozen, moet worden uitgevoerd.

C.V.G.: Je krijgt dus een wedstrijd waar veel gedoe aan voorafgaat – voorontwerpen, studies, regels, RUP’s – om dan een ontwerp te kiezen dat het liefst zo weinig mogelijk gedoe oplevert. Het project van Christ & Gantenbein en Bovenbouw is professioneel en realistisch, en de Zwitsers hebben al bewezen musea van deze schaal aan te kunnen.

B.V.H.A.: Je mag evenmin vergeten dat het Brusselse bureau Jaspers-Eyers deel uitmaakt van hun equipe. Zij zijn officieel verantwoordelijk voor ‘risicobeheer’ en ‘budgetcontrole’. Iemand heeft mij ooit gezegd dat Jaspers-Eyers bij opdrachtgevers functioneert als glijmiddel: ze garanderen dat alles smooth, binnen het budget en binnen de deadline wordt afgerond.

I.C.: Het zorgt ervoor dat Jaspers-Eyers het enige bureau is dat aan beide wedstrijden heeft deelgenomen, in 2019 met SANAA, en in 2024 met Christ & Gantenbein en Bovenbouw… En eigenlijk hebben ze twee keer gewonnen.

 

Safe

C.V.G.: Met een lichte overdrijving is dit de belangrijkste architectuurwedstrijd in België van de afgelopen vijftig jaar – sinds de competitie voor het Sea Trade Center in Zeebrugge in 1989, dat weliswaar nooit is uitgevoerd. De wedstrijdcultuur is sindsdien danig veranderd, en alles is complexer geworden. Je moet samenwerken met een ander bureau omdat je anders geen kans maakt én je moet in zee gaan met zowel een aannemer als een bureau voor ‘risicobeheer’ en ‘budgetcontrole’. Je moet ervaring hebben met het type gebouw dat gevraagd wordt. Er is al een voorontwerp gemaakt op basis van allerlei voorstudies, en er zijn talloze technische, budgettaire en ecologische aspecten waarvoor je zal worden geprezen of die tegen je gebruikt zullen worden.

P.T.: Er is zeker een sterke bureaucratisering merkbaar, die maakt dat risico’s worden vermeden, waardoor echt avontuurlijke ontwerpen zeldzaam geworden zijn. Vorm, ontsluiting, beeld, hoogte – dat is allemaal uitgeschreven, dat staat zwart op wit op papier. Maar waar het M HKA naartoe gaat – wat voor een museum het is, ook binnen het Vlaamse landschap, met welke collectie – dat blijft onduidelijk. Toch is het onmiskenbaar zo dat een museum werkelijk belangrijk wordt dankzij de collectie en de expertise. Het is een beetje dwaas om te geloven dat een museum belangrijk zal worden door de architectuur ervan, al zeker niet op deze gewrongen locatie.

C.V.G.: Net die aspecten komen door de reglementering en de retoriek weinig aan bod.

P.T.: De reglementering moet de inhoudelijke vaagheid verstoppen en de indruk wekken dat er goed over is nagedacht. Waar ik mij aan geërgerd heb bij het doornemen van de ontwerpbundels is de aandacht die noodgedwongen gaat naar al die dingen die niks met kunst te maken hebben: een restaurant, een cafetaria, een auditorium, ontmoetingsplekken, een museumshop… En dan worden sommige architecten bekritiseerd omdat ze iets ontworpen hebben dat op een winkelcentrum lijkt, terwijl daar in het programma net om gevraagd wordt!

I.C.: Daar hadden we het al over: van een museum wordt vandaag verwacht dat het veel meer is dan een plek waar je naar kunst kan kijken. Het moet een gebouw zijn waar iedereen, om heel uiteenlopende redenen, naartoe wil komen – iedereen is welkom, dat soort retoriek. Het wordt beschouwd als een doorslaggevend argument, vermoed ik, om een dergelijk groot en duur gebouw te kunnen realiseren.

P.T.: Ik vind dat geen goed argument. Het percentage tentoonstellingszalen, ook in het winnende ontwerp, is bovendien relatief klein. Wat zal daar te zien zijn? Welke kunst gaan ze tonen? Welke tentoonstellingen gaan ze maken?

B.V.H.A.: Dat zijn vragen waar de architecten niet op kunnen antwoorden.

P.T.: Nee, maar ze zouden kunnen ingaan tegen de uitgangspunten van de wedstrijd, en een contre-projet maken. Door te stellen: het is best mogelijk wat jullie vragen, maar wij doen een voorstel dat toont waar een belangrijk museum vandaag op neerkomt. Alle deelnemers aan de wedstrijd, ook Christ & Gantenbein en Bovenbouw, ook OFFICE en SO–IL, zijn daarin heel opportunistisch.

C.V.G.: Ze willen de wedstrijd winnen, wat – als je een architectuurbureau in stand wil houden – niet onbegrijpelijk is.

P.T.: Natuurlijk. Maar je kan als architect je eigen voorwaarden stellen, en het programma herschrijven.

C.V.G.: Het toont dat het probleem structureel en maatschappelijk is: de bouwheer wil geen gedoe, maar de architect ook niet. Iedereen speelt op safe. Voor gedoe is er vandaag geen geld, geen tijd, geen energie, geen zin.

B.V.H.A.: Ik denk dat er wel nog architecten zijn die risico’s durven te nemen. Maar het is zeker minder aan de orde: er is gewoon niet genoeg werk.

I.C.: Er wordt op alle beleidsniveaus bespaard. Ik denk dat architecten wel nog zin hebben om risico’s te nemen, maar ze hebben misschien gewoon die luxe niet meer.

C.V.G.: Bij de Belgische bureaus zal vast ook het idee hebben gespeeld: dit is de laatste kans. Een publiek gebouw in de vorm van een toren van 80 meter: welke overheid zal daar deze eeuw nog geld voor overhebben?

B.V.H.A.: We zijn nog maar een kwart ver in de eenentwintigste eeuw, ik zou niet wanhopen.

P.T.: Ik vrees dat het museum in Antwerpen, zodra het er staat, snel zijn glans zal verliezen, of binnen de kortste keren niet goed meer zal functioneren, ook omdat de kunst zal veranderen. En wat dan? Daarom vond ik het ontwerp van 51N4E en Caruso St John uit de wedstrijd van 2019 zo goed en zo logisch: een eenvoudige doos met neutrale open vloeren, waar je in principe om het even wat in kan onderbrengen.

I.C.: Zullen het succes en het voortbestaan van het M HKA niet vooral afhangen van het team en van de toekomstige directeur? Zodra het nieuwe gebouw klaar is, zal het museum zichzelf moeten heruitvinden en herdefiniëren.

P.T.: Maar ook dat kan je omkeren. Bart De Baere gaat volgend jaar met pensioen, na 25 jaar. Waarom mocht net hij over die nieuwbouw beslissen? Ze hadden beter een nieuw team vijf jaar laten proefdraaien in het oude gebouw, om dan met een echte projectdefinitie en een duidelijke toekomstvisie een nieuw museum te realiseren.

I.C.: Bovendien heeft De Baere uiteindelijk gekregen wat hij wou, al zijn er dan twee wedstrijden voor nodig geweest en heeft het meer dan zes jaar geduurd.

 

De ontwerpbundels voor de architectuurwedstrijden voor het M HKA van 2019 en 2024 kunnen geconsulteerd worden op de website van de Vlaams Bouwmeester.

 

PS

Deze gedachtewisseling over de architectuurwedstrijden voor het M HKA vond plaats in de kantoren van De Witte Raaf in Brussel op 22 augustus. De tekst werd afgewerkt op 2 oktober. Op vrijdag 3 oktober stuurde Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen Caroline Gennez (Vooruit) een persbericht de wereld in: ‘Gezien het beleid en de werking van het M HKA momenteel onvoldoende sterk staan, en gezien de groeiende onzekerheid over de bouwkosten, hebben we de beslissing genomen het project nu stop te zetten.’

Drie dagen later, op 6 oktober, werd een ‘Conceptnota hertekening landschap eigen museale instellingen en van de beeldende kunsten’ vrijgegeven. In dat document wordt de oprichting aangekondigd van een ‘nieuw Vlaams museum voor hedendaagse en actuele kunsten’ in Gent, ter vervanging van het SMAK én van het M HKA, dat ‘een andere opdracht’ krijgt. Het nieuwe museum zou samen met ‘het toekomstige KMSKA’ (waaraan Museum Hof van Busleyden uit Mechelen wordt ‘toegevoegd’) uitgroeien tot de ‘twee bakens’ ‘in het museale veld’, met MuZee in Oostende ‘als scharnier, als verbinder’. Na tien dagen van verzet en talloze opiniestukken tegen deze plannen zei minister Gennez op 16 oktober in het Vlaams Parlement: ‘Hou toch op met fakenieuws te verspreiden. Het M HKA gaat niet weg. Er komen voor zes miljoen euro investeringen om de huidige infrastructuur tot een broedplek voor actuele kunst te maken. Het M HKA en het SMAK gaan samen de Vlaamse kunstcollectie versterken.’

Het plan om de Vlaamse publieke kunstverzamelingen samen te smelten is nieuw noch onzinnig, maar dat wil niet zeggen dat het per oekaze kan worden afgekondigd. Een succesvolle fusie kost bovendien geld en is juridisch niet vanzelfsprekend. De Vlaamse kunstmusea in Gent, Antwerpen en Oostende kregen hun huidige vorm in de jaren tachtig, onder leiding van respectievelijk Jan Hoet, Flor Bex en Willy Van den Bussche. Het ging, letterlijk nog meer dan figuurlijk, om provinciale instituten. De museumdirecteurs mochten hun zin doen en volgens persoonlijke voorkeuren kunst aankopen. Tot coherente collecties heeft dat niet geleid, zoals in 1995 al in De Witte Raaf werd vastgesteld. De drie ‘conservatoren’ hadden bovendien een hekel aan elkaar, wat ertoe leidde dat de federalisering van het cultuurbeleid aan het eind van de twintigste eeuw voor een groot deel aan de beeldende kunsten voorbij is gegaan. Als één veld om middelen vragen aan het ‘nieuwe’ Vlaanderen – zoals de podiumkunsten, de letteren en de architectuur wisten te doen – is de beeldende kunst niet gelukt. In 2004 stelden Rudi Laermans en Pascal Gielen in hun boek Een omgeving voor actuele kunst reeds vast dat het geleid heeft tot een sector die als los zand aan elkaar hangt en – vooral – over een ontoereikende subsidiëring beschikt.

De voorbije decennia is die situatie er allesbehalve op verbeterd. Het nieuwe triumviraat – Philippe Van Cauteren, Bart De Baere en Phillip Van den Bossche – probeerde de voorgangers nog te overtreffen en leek op mysterieuze wijze voor het leven benoemd, met uitzondering van Van den Bossche, die in 2019 zelf ontslag nam. In zowel Gent, Antwerpen als Oostende is geprobeerd om met architectuur het eigen museum incontournable te maken. Alleen aan de Noordzee is dat gelukt, want dat de renovatiewerken van MuZee al een half jaar aan de gang zijn, kan deels verklaren waarom het ondertussen door Bruno Verbergt geleide instituut niet mee moet fuseren – hoewel dat de logische en doortastende strategie zou zijn geweest. De plannen voor een Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst hingen al van voor het aantreden van Gennez in de lucht, en het M HKA is een tijdje in de running geweest om het SMAK op te slokken. Dat plan is nu verijdeld dankzij particratie en stedenstrijd, wat niet wil zeggen dat er in het ‘socialistische’ Gent een toren voor kunst zal verrijzen. Over een depot voor al die kunstwerken is eveneens nog niks gezegd. In de ‘Conceptnota’ staat dat er 50.000 euro wordt vrijgemaakt voor ‘onderzoek depotnoden’ in 2026. Toch ligt net daar een sleutel: waarom niet de eigenheid van de verzamelingen in ere houden, maar ze laten ‘co-housen’ in één groot gebouw, dat vervolgens aantrekkelijk wordt voor zowel private verzamelaars die met hun collectie geen blijf weten als voor kunstwetenschappers die onderzoek willen doen? In dat geval kan het M HKA probleemloos voortbestaan, inclusief collectiepresentaties.

De vele vragen en onduidelijkheden wakkeren complottheorieën aan, net als onzekerheid en terechte verontwaardiging. Het enige wat momenteel vast lijkt te staan, is dat er ‘transitiemanagers’ zullen worden aangesteld om de verschillende instituten te helpen veranderen. Op basis van de vele besparingen die Gennez de afgelopen maanden heeft afgekondigd – haar kabinet begint elke werkweek ogenschijnlijk met het aanduiden van een nieuw slachtoffer, zoals de Cultuurprijzen van de Vlaamse Gemeenschap, de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, het tijdschrift de lage landen en het Emile Verhaeren Museum – is de indruk ontstaan van een cultuurminister die, veel meer dan haar voorgangers, cultuurvijandig is. ‘Met Gennez lijkt het alsof er een culturele klassenstrijd wordt gevoerd tegen ‘de hogere cultuur’,’ zo schreef Walter Pauli op 23 oktober in Knack. ‘Wat te elitair is, te intellectueel, te saai en te stoffig, maar evengoed te snob en te highbrow, hoeft blijkbaar niet echt te rekenen op Gennez.’ Het verweer voor de besparingen is dat de minister beweert ‘de kunstenaar’ te willen ontzien. Dat mag dan een drogredenering zijn – een kunstenaar is niks zonder middenveld of infrastructuur – het kan in het beste geval doen hopen dat het Kunstendecreet met alle subsidie-instrumenten wordt voortgezet, met dezelfde middelen, zodra het in 2027 afloopt. En ook dat is allesbehalve zeker, aangezien er zowel in België als in Vlaanderen regeringen aan de macht zijn, geleid door N-VA, die enerzijds de eigen inkomsten verder willen inkrimpen, en die anderzijds willen investeren in autosnelwegen, industrie en straaljagers.

Christophe Van Gerrewey