width and height should be displayed here dynamically

‘Overvulling van een museum kan wel een ramp genoemd worden.’

Brieven aan de directeur van Museum Boymans

Maria Rudolphina van Vollenhoven (1872-1945) richtte zich in januari 1917 tot Frederik Schmidt Degener (1881-1941), de toenmalige directeur van Museum Boymans, het huidige Boijmans Van Beuningen. Afkomstig uit een vooraanstaande Rotterdamse familie, pleitte ze voor de aankoop van Arme mannen van de Belgische schilder Henri Timmermans (1858-1942). Ze stelde voor – zij het zonder succes – om de verwerving mogelijk te maken via een particulier mecenaat, een fondsenwervingsvorm die het museum wel vaker toepaste.

Het oeuvre van Timmermans, opgeleid aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, kenmerkt zich door voorstellingen van arbeiders- en boerenlevens. Van Vollenhoven zag zijn werk eind 1916 in Rotterdam, waar het werd tentoongesteld in Kunstzaal Glashaven 20. De expositie werd wisselend ontvangen. Een kunstcriticus schreef in een recensie ‘over enkele bepaald slechte werken’ die ‘de tentoonstelling ontsieren en daardoor het gemiddelde gehalte naar de laagte trekken’. Als hij de suppoost daarop aanspreekt, is haar opmerkelijke antwoord: ‘zoo’n tentoonstelling wordt niet gehouden uit kunstoogpunt, maar om te verkoopen.’ ‘Wij hebben’, zo schrijft Wolf, ‘de juffrouw niet kunnen overtuigen dat het beter is den menschen dadelijk goede kunst te leeren begrijpen en hun de slechte kunst niet te laten zien. De juffrouw bleef bij haar principe: ‘laat ze eerst maar de slechte dingen koopen, – later koopen ze wel de goede!’ Wij hebben de juffrouw bij het heengaan beklaagd.’[1]

Van Vollenhoven liet zich publiekelijk uit over sociale kwesties. In haar geschriften uit de jaren 1900 nam ze een uitgesproken positie in over armoede, kinderarbeid en de rol van vrouwen in de samenleving. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bood ze hulp aan geïnterneerden en was ze actief betrokken bij het Nederlandse Verdun-comité. Haar interesse in het werk van Timmermans moet in dat licht worden gezien: niet alleen op grond van een esthetische voorkeur, maar ook als een uiting van solidariteit.

Van Vollenhoven beheerde een kunstcollectie met onder meer familieportretten, waarvan ze er in 1910 vier tentoonstelde op een miniaturententoonstelling van de Rotterdamse Kunstkring. In haar testament bepaalde ze dat haar collectie – die naast schilderijen ook zilver, juwelen, porselein bevatte – nagelaten moest worden aan het museum in Vollenhove (Overijssel) of aan dat in Zwolle. Vollenhove beschikte echter niet over een museum, en zo kwamen 59 objecten terecht bij het Overijsselsch Museum, waarna ze opgenomen werden in de Collectie Overijssel, waaronder zes schilderijen die tot dan toe in langdurige bruikleen waren bij Museum Boymans.

 

Maria Rudolphina van Vollenhoven aan Frederik Schmidt Degener, Rotterdam, 10 januari 1917

Weledele Heer! Vergeefs trachtte ik u aan ’t museum Boymans te spreken, en vanmiddag per telefoon +- half zes, kreeg ik ook geen gehoor, waarom ik u nu maar schrijf.

Ik had n.l. uw aandacht willen vragen voor eene mijns inziens, bijzonder mooie schilderij van den Belg Henri Timmermans, no 5 en genaamd Arme mannen, thans tot zondag nog tentoongesteld in de kunstzaal Glashaven 20.

’t Geheel is zoo prachtig warm van kleur en maakt zoo’n prettig, vroolijken indruk, dat museumbezoekers dit doek zeker gaarne zullen zien. De prijs ervan is f1250,- en zou misschien uit het museum Boymans-fonds verstrekt kunnen worden, of anders weet u mogelijk eenige vrijgevige kunstlievende stadgenooten, die gezamenlijk dat stuk willen koopen.

Vooropgesteld altijd dat u het eene plaats in het museum waardig keurt.

Hoogachtend,
mej. M.R. van Vollenhoven

 

 

In de herfst van 1926 schreef de Amsterdamse kunstenaar, schrijver en kunsthandelaar Johannes Franciscus (Jan) van Deene (1886-1977) een bevlogen brief aan Dirk Hannema (1895-1984), de jonge, pasbenoemde museumdirecteur van Museum Boymans. Wat op het eerste gezicht een zakelijke benadering lijkt, biedt een inkijk in de moeizame positie van de Franse avant-garde op de Nederlandse kunstmarkt van het interbellum. Tussen de regels door laat Van Deene zien hoe wankel het draagvlak voor experimentele kunststromingen als het kubisme werkelijk was in Nederland.

Van Deene, pionier van de abstracte schilderkunst in Nederland en van 1921 tot 1928 eigenaar van de Galerie d’Art Français in Amsterdam, speelde een belangrijke rol in het introduceren van de modernste Franse kunst bij Nederlandse verzamelaars. In deze brief klinkt zijn frustratie door over het gebrek aan kopers voor ‘cubistische en stylistische’ kunst. Met het wegvallen van Helene Kröller-Müller als actieve verzamelaar – tot dan toe de meest dominante speler op de markt – verdween volgens hem de laatste serieuze koper van radicale kunstvormen. In het decennium ervoor kocht zij grootschalig werk aan van onder anderen Picasso, Léger, Mondriaan en Van der Leck. Vanaf 1922 kwam haar verzameltempo echter tot stilstand door de malaise bij Müller & Co., het bedrijf dat werd geleid door haar man Anton Müller en dat in de problemen raakte door onder meer risicovolle leningen. Wel verwierf ze incidenteel nog kubistische werken via onder anderen Léonce Rosenberg.[2]

Van Deene zou het gebrek aan gedurfde smaak een jaar later nog scherper formuleren aan schilder-criticus Conrad Kickert: ‘[Willem] Beffie koopt niet meer, en dit is veel je schuld. Hadt je hem in plaats van Le Fauconnier’s aangeraden Picasso’s te koopen, dan zou hij ook nu nog wel wat doen. Niemand vervangt hem hier […].’[3]

De brief aan Hannema is onderdeel van een breder discours. In de zomer van 1926 vond de tentoonstelling Fransche Kunst in Nederland plaats, in Pulchri Studio in Den Haag en daarna in het Stedelijk Museum Amsterdam. Deze expo vormde de aanleiding tot een publiek debat over de representatie van moderne Franse kunst. Gerhardus Knuttel Wzn, conservator van het Kunstmuseum en voormalig assistent bij Museum Boymans, schreef nog voordat de tentoonstelling überhaupt te zien was dat ‘belangrijke Parijse kunstenaars hun beste werk niet’ hadden gestuurd en noemde de tentoonstelling ‘middelmatig’. Tegelijkertijd wees hij naar Van Deenes galerie voor een mogelijke correctie: ‘Toch vermoed ik, dat enkele bezoeken aan de fijne kunstzaal van den heer Deene te Amsterdam die meening zou kunnen rechtzetten.’[4]

In Van Deenes brief aan Hannema weerklinkt niet alleen de vraag naar institutionele steun of connecties met particuliere verzamelaars, maar ook een diepere zorg over het culturele klimaat in Nederland: het publiek zou liever kijken naar makkelijke kunst dan naar experimentele stromingen. De avant-garde had in Nederland geen vanzelfsprekende plek, en veel hing af van een handvol visionaire verzamelaars binnen fragiele netwerken, net als van de bereidheid van musea om risico’s te nemen. Van Deene hoopte dat musea zoals Boymans niet alleen esthetisch zouden oordelen, maar ook zouden inzien dat de toekomst van de kunstgeschiedenis deels op hun schouders rustte. Het museum bleef echter terughoudend. Hannema’s voorkeur ging uit naar laatimpressionistische en classicistische Franse kunst. Slechts incidenteel verschenen moderne Franse kunstenaars als Braque en Picasso op tentoonstellingen, vaak via bruiklenen van buitenaf. Aankopen beperkten zich vooral tot grafiek en werk op papier. Voormalig conservator Renilde Hammacher-van den Brande blikte in 1972 terug op de twintigste-eeuwse aankopen van het museum: ‘Het is natuurlijk te betreuren dat in de jaren voor 1940 figuren als Picasso, Braque, Gris, Matisse te weinig of niet verworven zijn. Te herstellen was dit praktisch niet meer.’[5]

 

Johannes Franciscus van Deene aan Dirk Hannema, Amsterdam, 16 november 1926

Zeer geachte heer, naar aanleiding van een correspondentie met den heer G. Knuttel, directeur van het Haagsche gemeente-museum wend ik mij uit zijn naam tot u met het volgende.

Gaarne zou ik in mijn kunsthandel ook eens (of meermalen) werk laten zien van de meer extreme richtingen (cubisten, stylisten) in de Fransche schilderkunst. Dit zou veel instemming vinden o.a. bij de heeren Knuttel en Just Havelaar die reeds in het openbaar er op wezen, dat men van deze richtingen tot hun spijt in Holland zoo weinig te zien krijgt.

Echter is hier te lande het publiek dat moderne fransche ‘peinture de chevalet’ koopt reeds zeer beperkt, terwijl mij, nu mevrouw Kröller niet meer koopt, zelfs niemand bekend is, die in aanmerking zou komen om op een tentoonstelling van meer extreme kunst kooper te zijn.

Dit is het bezwaar waarop mijn goede voornemens in deze steeds zijn afgestuit. Iedere expositie brengt vele kosten mede, die tezamen heel wat bedragen, en als ik dan als kunsthandelaar niet het vooruitzicht heb op realisatie van minstens een of twee schilderijen, dan durf ik zoo’n tentoonstelling niet doen.

Maar wat mij niet is bekend, weet misschien een ander. En daarom zou ik u willen vragen; kent u wellicht menschen, die voor het zien of voor het bezitten van die cubistische of stylistische kunstuitingen geld over hebben. Gaarne zou ik mij doen met hen in verbinding stellen, om het zij met hun garantie, hetzij in het vooruitzicht aan hen iets te verkoopen eens een proef in die richting te nemen. Het zou zeker van belang zijn dat het Nederlands publiek ook van die meer extreme uitingen op de hoogte kon blijven, maar daarvoor is toch noodig, dat er een begin van belangstelling, die zich verder uitstrekt dan tot eens even gaan zien, aanwezig zij.

Met belangstelling uw geachte berichten te gemoet ziende, verblijf ik, met beleefde groeten,

Hoogachtend,
J.F. van Deene

 

 

In oktober 1929, aan de vooravond van Black Tuesday – de beurscrash die tot een wereldwijde economische crisis zou leiden – schreef Petronella van Doesburg-Van Moorsel (1899-1975), beter bekend als Nelly van Doesburg, een brief aan Dirk Hannema. De aanleiding was diens eerdere belangstelling voor een schilderij van Gino Severini (1883-1966), getoond op de Expositions Sélectes d’Art Contemporain, die Van Doesburg eind 1929 had georganiseerd in het Stedelijk Museum Amsterdam en daarna in Pulchri Studio, Den Haag. Deze tentoonstelling – met werk van onder anderen Picasso, Mondriaan, Miró, Kupka en Severini – werd aangekondigd als ‘de belangrijkste presentatie in Nederland van de laatste tien jaar’ en was opgebouwd als een esthetisch en ideologisch manifest van de internationale abstracte kunst. De opstelling leidde van figuratieve schilderkunst naar een ‘apotheose’ van de avant-garde in Mondriaan en Van Doesburg, met Nelly’s eigen werk (onder het pseudoniem Cupéra) als deel van het geheel.

Van Doesburgs brief is meer dan een zakelijke reactie op Hannema’s interesse. Zij levert net zoals Van Deene een inspanning om de internationale avant-gardekunst in Nederlandse museumcollecties te introduceren. De brief aan Hannema moet in die context worden gelezen: als diplomatieke poging om steun te vinden voor haar missie, maar ook als strategische zet om Museum Boymans tot bondgenoot te maken.

Hannema’s waardering voor Severini paste binnen een bestaande lijn: het museum had in 1925 al Pierrot musicienaangekocht via galeriehouder Léonce Rosenberg. In de jaren erna zouden meer aankopen en bruiklenen volgen, waaronder Stilleven met duif (1929) in 1930 en Stilleven met masker en twee duiven (1929), dat werd geschonken in 1935. Het werk dat op de tentoonstelling werd getoond onder nummer 65, Danseuse – la mer (1914) had perfect binnen deze lijn gepast. Het schilderij werd in de pers wisselend ontvangen: geprezen om het kleurgebruik, maar bekritiseerd vanwege het ontbreken van radicaliteit. Die relatieve gematigdheid kan mede verklaren waarom Hannema juist voor dit werk belangstelling toonde. Hannema positioneerde Severini als een representant van een ‘gestileerd naturalisme’ dat binnen zijn klassieke smaakprofiel paste, en zo ook als een sleutelfiguur in de opbouw van de moderne collectie van Boymans.

 

Nelly van Doesburg aan Dirk Hannema, Den Haag, 21 oktober 1929

Aan den heer Directeur v/h Boijmans Museum te Rotterdam,

Zeer geachte heer, ik heb nog eens nagedacht over uw vraag of de Severini die op de ESAC te Amsterdam geëxposeerd te koop is.

Bij nadere overweging zou ik bereid zijn het schilderij voor fl. 3000 af te staan indien u dezen prijs accepteert zou het vrij aangenaam zijn bericht te mogen ontvangen aan mijn tijdelijk adres alhier; Den Haag Violenweg 16.

In afwachting telkens met de meeste hoogachting,
Petro van Doesburg

 

 

In het najaar van 1930 schreef journalist en feminist Wilhelmina (Mien) van Itallie-van Embden (1870-1959), lid van de Tweede Kamer voor de Vrijzinnig-Democratische Bond, een brief aan Dirk Hannema. Daarmee borduurde ze voort op een pleidooi dat zij ruim een jaar eerder in het parlement hield. In december 1929 riep zij de regering op om meer steun te bieden aan levende kunstenaars, die volgens haar in grote nood verkeerden: ‘Ik meen dat de samenleving arm zou zijn zonder kunstenaars,’ stelde ze toen, ‘en dat dus de samenleving uit dankbaarheid ook wel iets voor hen mag doen.’[6] In haar brief aan Hannema herhaalt ze die oproep, ditmaal met een persoonlijke vraag om bemiddeling. Op verzoek van Leentje de Vries-Hamburger (1895-1964) vraagt ze of Hannema haar echtgenoot, de kunstenaar Johan Marinus de Vries, zou kunnen introduceren bij filantroop Arnold van den Bergh, die bij Unilever betrokken was en eerder in Rotterdam woonde. Tegelijkertijd legt ze Hannema een vraag voor: is het nog mogelijk om in de rijksbegroting iets te betekenen voor hedendaagse kunstenaars?

Hannema’s antwoord laat zien hoezeer hij zich als museumdirecteur bewust was van de bredere politieke en maatschappelijke context. Hij erkent het probleem, spreekt zijn waardering uit voor De Vries, maar geeft aan dat hij als directeur geen structurele rol ziet weggelegd voor musea in de ondersteuning van individuele kunstenaars. Het is een opvatting die ook terugkomt in zijn museumbeleid ten aanzien van Rotterdamse kunstenaars.[7] Zijn brief is opvallend genuanceerd: hoewel hij afstand neemt van museale steunverlening, pleit hij voor overheidssubsidies en kunstopdrachten, bijvoorbeeld voor de decoratie van publieke gebouwen. Die oproep vond weerklank. Nog datzelfde jaar liet Van Itallie-van Embden in het parlement opnieuw van zich horen. Ze pleitte voor meer kunstenaarssubsidies en opdrachten, ditmaal met tastbaar resultaat: in 1932 werd voor het eerst een aparte post in de rijksbegroting opgenomen voor opdrachten aan hedendaagse kunstenaars.

 

Hendrika Wilhelmina Bernardina van Itallie-van Embden aan Dirk Hannema, Leiden, 18 oktober 1930

Hooggeachte directeur, Dezer dagen heb ik een bezoek gehad van mevr. de Vries-Hamburger uit Katwijk, wier man, bekend schilder volgens de kritieken die ik las, en volgens ’t feit dat ’t Museum Boymans een schilderij van hem aankocht, werkelijk tot onze goede en belovende artiesten mag worden gerekend. Ook zij hebben ’t in deze malaise tijd moeilijk, terwijl omgekeerd de terecht niet lage prijs van zijn werken het den gewonen menschen bezwaarlijk maakt, een stuk aan te koopen.

Nu heb ik beloofd u te verzoeken of u misschien den bekenden rijken en hulpvaardigen heer Arnold v.d. Bergh, Tobias Asserlaan Den Haag, eens op dezen schilder en zijn werken attent zoudt willen maken. Alleen indien u dat doet kan het voor genoemden heer waarde hebben. Ik ben ook geneigd, als u dat aangenamer is, hem zelf te schrijven, maar dan zou ik u toch om een aanbeveling, om een kritiek willen verzoeken, die ik daarnevens overleggen kon.

Hopende dat ik ’t ons zal mogen gelukken iets voor een verdienstelijk schilder, mij tot verleden week onbekend, te bereiken met dank voor uw bereidwilligheid

Hoogachtend,
Het is zeker niet goed mogelijk om in mijn qualiteit van lid v.d. Tweede Kamer, bij de a.s. begrootingen iets voor verdienstelijk en noodlijdende kunstenaars te bereiken. Wat is daarin uw advies? Het hoofd v. dezen tak uit Departement v. Onderwijs enz. is zeker van goeden wille maar de voorziene achteruitgang in rijksontvangsten zal belemmeren.

 

Dirk Hannema aan Hendrika Wilhelmina Bernardina van Itallie-van Embden, Rotterdam, 29 oktober 1930

Hooggeachte mevrouw, Uw schrijven betreffende het werk van den kunstschilder de Vries mocht ik onlangs ontvangen. Zeer tot mijn leedwezen kan ik u echter geen introductie voor den heer Arnold van den Bergh verschaffen, aangezien ik dezen heer niet persoonlijk ken.

Het werk van de Vries waardeer ik zeker. Een bewijs daarvan is dat wij een schilderij van hem in het museum bezitten. Hij behoort tot de serieuze werkers onder de jongeren, wiens werk karakter vertoont. Hij verdient dan ook in moeilijkheden zeker gesteund te worden.

De kwestie van steun aan kunstenaars in het algemeen is tegenwoordig werkelijk een probleem te noemen. Waar moet men aanvangen waar eindigen? Op welke wijze moet gesteund worden? Een feit is dat er tegenwoordig talrijke menschen rondloopen, die meenen kunstenaar te zijn doch wier werk op zichzelf en in de ontwikkeling der kunst zoo weinig beteekenis heeft. Voor hem zou het beter zijn, in dien zij een andere werking kozen. Doch ook dat is in tijden van werkeloosheid moeilijk. Wat den steun zelve betreft, geloof ik dat het aanbeveling zou verdienen indien van rijks- en gemeentewege opdrachten aan kunstenaars verstrekt werden. Gebouwen, b.v. scholen zouden van wandversieringen en beeldhouwwerken voorzien kunnen worden.

Het verhoogen van een crediet voor de musea om kunstwerken uitsluitend van levende kunstenaars te koopen, acht ik minder gewenscht. Een museum toch dient voor permanent bezit, slechts naar het allerbeste te streven. Werkelijk zeer belangrijke kunstenaars zijn er niet zoo heel veel. Zij zullen al spoedig in een museum vertegenwoordigd zijn en overvulling van een museum kan wel een ramp genoemd worden.

Ik hoop u eenigszins een idee gegeven te hebben van eenige moeilijkheden welke aan dit probleem verbonden zijn

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

 

In de herfst van 1931 werd de Rotterdamse kunstwereld opgeschrikt toen de Winkelsluitingswet plots ook strikt werd toegepast op kunsthandels, die voortaan dus verplicht waren hun deuren te sluiten op rustdagen. De wet, oorspronkelijk bedoeld om de wildgroei aan winkels tijdens de crisisjaren te beperken, riep protest op. Zondagse tentoonstellingen en activiteiten bij galeries konden immers nauwelijks als regulier getypeerd worden. Galeriehouders als Cees van Hasselt benadrukten in de pers dat deze openstellingen nauwelijks commercieel van aard waren, maar in de eerste plaats een culturele functie vervulden. Opvallend is dat niet alleen zij in het verweer kwamen, maar ook de bredere kunstgemeenschap. De Rotterdamsche Kunstenaars Sociëteit diende een verzoekschrift in bij het stadsbestuur en wees op het ontbreken van openbare expositieruimten en op het maatschappelijk belang van kunst op zondag.

De maatregel stuitte ook op weerstand van Lientje le Cosquino de Bussy-Kruysse (1858-1937), een pionier in de Nederlandse verpleegkunde en een bescheiden maar betrokken kunstverzamelaar. Zij contacteerde museumdirecteur Hannema en vroeg om een publieke stellingname omtrent het verbod, dat ze niet alleen zag als een bedreiging voor galeriehouders, maar voor het culturele leven in bredere zin. Haar engagement verbaast niet: als voorvechter van de professionalisering van de verpleegkunde én als vriendin van Wil van Gogh, zus van Vincent en Theo, had zij een scherp besef van de maatschappelijke waarde van kunst en zorg. In 1888 ontving Kruysse van Wil een vijftiental Japanse prenten die nog van Theo waren geweest. Daarnaast nam ze twee schilderijen van Vincent over van Wil, die ze in bruikleen gaf aan Museum Boymans voor de kersttentoonstellingen van 1928 en 1937. Beide werken keerden na afloop niet terug in een Nederlandse openbare collectie, een verlies dat doet denken aan het verdwijnen van De sterrennacht (1889), dat eveneens het land verliet na bruikleen bij het Boymans, via Georgette Petronella van Stolk.

Hannema antwoordde enkele dagen later begripvol op de brief, maar wees op zijn delicate positie: als hij zich publiekelijk uitsprak over de kwestie, kon de gemeenteraad hem bij een officiële adviesaanvraag niet meer als neutraal beschouwen. Het zou tot 1934 duren voordat de wet zodanig werd aangepast dat kunsthandels op zondag weer open mochten.

 

Lientje le Cosquino de Bussy-Kruysse aan Dirk Hannema, Rotterdam, 10 november 1931

Hooggeachte Mijnheer Hannema, Van morgen was ik bij den heer van Hasselt en bespraken wij met een enkel woord het groote nadeel van het besluit, dat de kunsthandelaren in het vervolg hun zaken op zondag gesloten moeten houden.

Onderweg bij het naar huis gaan, drong het hoe langer hoe dieper bij mij door welke verstrekkende gevolgen dit besluit heeft, vooral op het gebied van cultuur en toen vatte ik het plan op u te vragen of u niet iets zoudt kunnen willen schrijven over het groote belang voor het publiek ook op zondag rustig hier of daar op kunstgebied te kunnen genieten.

U zoudt al de nadeelen van dat besluit zoo goed in het licht kunnen stellen. Toen ik u op belde, vernam ik dat u op reis waart.

Mag ik u thans schriftelijk het verzoek doen?

Met de meeste hoogachting en beleefden groet,
L. De Bussy-Kruysse

 

Dirk Hannema aan Lientje le Cosquino de Bussy-Kruysse, Rotterdam, 18 november 1931

Hooggeachte mevrouw de Bussy, Teruggekeerd uit het buitenland mocht ik van den inhoud van uw schrijven kennis nemen. Wat ik in het belang der zaak doen kan, zal ik natuurlijk gaarne verrichten. Toch lijkt het mij niet verstandig om in het openbaar daarover te schrijven. Een en ander zal wel in B en W behandeld worden en de mogelijkheid is niet uitgesloten dat alsdan mijn advies wordt ingewonnen.

Indien ik mij in het openbaar over een en ander reeds geuit heb, zullen B en W in geen geval mijn advies kunnen inwinnen, aangezien ik mij dan reeds van te voren partij heb gesteld.

Ik hoop echter in dit geval diligent te kunnen blijven.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

 

Johan Catharinus Justus Bierens de Haan (1867-1951) was een chirurg en wereldreiziger die zich na zijn medische loopbaan toelegde op de prentkunst. Zijn nauwgezet samengestelde collectie vormde samen met het Lucas van Leyden-fonds de basis voor de uitbouw van het prentenkabinet van Museum Boymans. In mei 1933 bracht Bierens de Haan museumdirecteur Hannema in contact met Margaretha Tekla Johanna (Etha) Fles (1857-1948), kunstenaar, kunstcriticus en een van de eerste Nederlandse pleitbezorgers van moderne, internationale kunst. Ze schreef onder meer in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift en publiceerde in 1903 het veelgelezen boek Inleiding tot een kunstgeschiedenis. Fles bezat sinds het fin de siècle de grootste particuliere collectie van de Italiaans-Franse beeldhouwer Medardo Rosso (1858-1928). Het werd haar doel om Rosso en zijn kwetsbare beelden een plek te geven in museale collecties.

In enkele brieven aan Hannema biedt Fles enkele zeventiende-eeuwse schilderijen aan, maar ze richt zich al snel op haar werkelijke inzet: het onderbrengen van Rosso’s sculpturen in Museum Boymans. Ze stelt een schenking voor van een uniek Rosso-brons en van het wasmodel Ecce Puer (1905), op voorwaarde dat het museum ook een aankoop doet. Deze vorm van onderhandelen is Fles niet vreemd: al in 1913 en 1914 wist zij in Turijn, Rome en Venetië institutionele aandacht voor Rosso af te dwingen door het principe van de promised gift: een of meerdere schenkingen werden gekoppeld aan de aankoop van een sleutelwerk.[8] De Italiaanse minister van Onderwijs stemde toen in met de aankoop van Femme à la voilette (1895), op voorwaarde dat tegelijkertijd vier andere werken van Rosso kosteloos geschonken zouden worden.

In Rotterdam bleven de resultaten echter uit. Hoewel Hannema zich erkentelijk toonde voor de kwaliteit van het aangeboden werk, schreef hij dat hij voor de inrichting van het nieuwe museum op zoek was naar ‘beeldhouwwerken van meer decoratieven aard’. Door de crisis kwamen vrijwel alle nieuwe aanwinsten in de jaren dertig tot stand via schenkingen, legaten of gezamenlijke aankopen met vermogende particulieren. Het voorstel van Bierens de Haan aan Hannema om ook een werk van de zeventiende-eeuwer Jan de Bray via Fles te verwerven, bood weinig meerwaarde: Museum Boymans bezat, net als bijvoorbeeld het Rijksmuseum en het Frans Hals Museum, al werken van De Bray.

Tijdens de oorlog deed Fles een laatste poging om haar Rosso-collectie onder te brengen bij Museum Boymans,maar Hannema vroeg zich eerst af of zij ‘Arisch’ was en raadpleegde Bierens de Haan, die zich fel uitsprak tegen deze uiting van antisemitisme. Kort daarop werd het huis van Bierens de Haan door de bezetter gevorderd, en verdween het aanbod van Fles naar de achtergrond.[9] Pas na haar dood werd de visie van Fles verder verwezenlijkt: in 1957 verwierf het Kröller-Müller Museum – via haar pleegdochter Aagtje Verkroost – een tweede kunstwerk van Rosso, Kind in de zon (1892), nadat Kröller-Müller in 1920 van Fles reeds Lachende vrouw (1890) had gekocht. In 2014 slaagde ook Museum Boijmans Van Beuningen erin een exemplaar van Femme à la voilette (1895) aan de collectie toe te voegen, dankzij de steun van talrijke fondsen en particuliere begunstigers.

 

Johan Catharinus Justus Bierens de Haan aan Dirk Hannema, Amsterdam, 3 mei 1933

Hooggeachte heer Hannema, Wellicht is u het werk van Medardo Rosso bekend; hij heeft een zeer klein oeuvre van mooie plastieken in brons en in was gemaakt, meest uniek, en is reeds jaren vóór Rodin met zijn impressionistische plastieken begonnen; Rodin bewonderde hem zeer en bezat een werk van hem. Verreweg het meest is in ’t bezit gekomen van mevr. Etha Fles, die zijn beste vriendin en beschermster was; na zijn dood heeft zij een aantal werken geschonken aan verschillende musea (te Rome i/d Belle Arte Moderni is een aparte zaal voor hem ingericht), in Florence, Turijn etc. Zij bezit echter nog een aantal v/d fraaiste stukken en wil deze voor haar dood (zij is geloof ik ± 76 jaar oud) wegschenken.

Ik heb bij haar bepleit om ook onze musea te gedenken en zij is nu bereid een mooi stukje aan het Rott. Museum te schenken; eerder zeide zij mij, dat zij gaarne v/d gelegenheid wilde gebruik maken om een portret van Jan de Bray en een zeestuk met een paar schepen van [?] voor een zacht prijsje te gelden te maken. (Door haar gezondheid is zij naar ’t blijkt in vrij moeilijke omstandigheden – sinds jaren heeft zij een klein pension te Rome, en schrijft om in haar bestaan te voorzien voor de Pers) – overmorgen gaat zij naar Holland en is bereid u de dingen te toonen.

In Den Haag (zij woont daar nu bij Van Alphen van de Veer – Weissenbruchstr. 89) en blijft één maand in Nederland; zij neemt op reis mede Le malade in brons, heel mooi, doch wellicht wil zij ook wel een en ander stuk afstaan. Indien u ’t werk niet kent, geloof ik zeker, dat u dat zeer gevoelige werk zult waardeeren. In de hoop niet te zeer onbescheiden te zijn en dat u met het bronsje ingenomen zult zijn.

Met hartelijken groet,
J.C.J. Bierens de Haan
Van 19-24 Mei ben ik te Leipzig, Park-Hôtel (am Bahnhof).

 

Dirk Hannema aan Johan Catharinus Justus Bierens de Haan, Rotterdam, 5 mei 1933

Hooggeachte heer Bierens de Haan, Hartelijk dank voor uw schrijven. Het werk van den beeldhouwer Medardo Rosso is mij te weinig bekend om een zuiver oordeel erover te kunnen vormen. Gaarne zal ik mij met mevr. Etha Fles in verbinding stellen wanneer zij in Den Haag vertoeft, om een en ander met haar te bespreken. Het zal echter niet gemakkelijk zijn om thans de oude schilderijen van de hand te doen. De musea in Holland bezitten reeds meerdere schilderijen van Jan de Bray en wij hebben helaas zoo weinig geld om aan te koopen. Ik zal echter zien wat ik doen kan en ik stel het zeer op prijs dat u Mevr. Fles op Boymans attent hebt gemaakt.

Onlangs heb ik getracht u een bezoek te brengen, doch mocht van uw bediende vernemen dat u tot het eind van mei in het buitenland zoudt vertoeven. Boerner was, zooals u wel bekend zal zijn, met de collectie voor de a.s. veiling in het Amstel Hotel. Ik heb de verzameling nauwkeurig kunnen doorzien en meerdere zeldzame prenten genoteerd. Ik hoop van harte dat u er in zult slagen op de veiling een belangrijke reeks te bemachtigen. Vooral de bladen van Jan de Bray (150), Brosterhuisen (165), Buyteweg (I), A. Elsheimer, Kittensteyn, Lons, Neyte (537), Peeters, Pietersz, Poelenborgh, Ruyscher, Stalbemt, Sweerts, Esaias van de Velde, J. van de Velde (727), Verboom (734), en J.B. Weenix troffen mij en ook de bladen van Bellange leken mij belangrijk.

U nogmaals succes toewenschend op de veiling verblijf ik, met hartelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 15 mei 1933

Hooggeachte mevrouw Fles, Van Dr. Bierens de Haan mocht ik een dezer dagen vernemen dat u in het bezit bent van een tweetal oude schilderijen, waarover u gaarne advies zoudt willen hebben.

Met genoegen zal ik, indien u dat wenscht, schilderijen ten uwent komen bezichtigen. Deze week vertoef ik echter voor museum-aangelegenheden in het buitenland, doch zal maandag a.s. wederom in het land terug zijn. De volgende week zal ik dan gaarne op een nader door u te bepalen dag de schilderijen komen bezichtigen.

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 20 mei 1933

Geachte heer, Wetend hoe druk u het heeft laat ik u de twee schilderijen, een portret van de Bray en een doek met schepen, uit Bergen sturen, daar ik weer naar Rome terugga en de villa in Bergen deze zomer verhuur. Dit is ook de reden dat ik de schilderijen er liever wegneem; als u er niet veel in ziet zijn ze dan toch al vast in het centrum van het land. Ik liet ze nooit aan iemand zien maar in Haarlem voelen ze ook nog al voor de Bray; al is dit portret dan ook niet van de bovenste plank het is toch gesigneerd en na restauratie wellicht heel presentable. Hierover hoor ik dan wel uw oordeel. Dan ried Dr Bierens de Haan me aan u te interesseeren voor het werk van den overleden Italiaanschen beeldhouwer Medardo Rosso wiens werk rijkelijk in de musea van Italië ook in het Petit Palais en ’t Luxembourg vertegenwoordigd is even als in het museum te Dresden, Leipzig en Hagen maar nog in geen museum bij ons terwijl o.a. Meyer Graefe in zijn Moderne Kunst een groot artikel aan dezen zeer uniquen impressionist wijdt en hem niet onder Rodin stelt.

Ik bezit verscheidene werken van den kunstenaar; ik zou er misschien een van aan Boymans willen legateeren omdat dr. Bierens de Haan mij zoo warm sprak over uw zorg en ruimen blik voor en op de kunstwerken; Ter kennismaking zend ik u nu een brons, een unicum waarvan u ook een goede afbeelding vindt in het boekje dat ik u zendt. Dr. B. de H, was zeer verrukt van Rosso’s werk, ik geloof dat hij het in de toekomst gaarne bij u ondergebracht zou weten.

In elk geval hoop ik u over een en ander eens te spreken. Donderdag ben ik weer aan bovenstaand adres. U heeft de werken dan eens op uw gemak kunnen bekijken en daar hoor ik dan wel van u.

Hoogachtend,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 26 mei 1933

Geachte heer, Ik stuurde u gisteren franco uit Bergen de Bray, en de niet meer zeer zeewaardige schepen. Omdat er nog zooveel plaats in de kist was deed ik er schilderijen bij die ik in de Pyreneën vond. Nu ik mijn huis daar verhuur wil ik ze graag opruimen.

Ze zullen wel niet voor u zijn maar misschien kent u eerder een antiquaar dan ik en raak ik ze beter voor een kleinigheid in Rotterdam kwijt.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 30 mei 1933

Hooggeachte mevrouw Fles, Het beeld van Medardo Rosso is een dezer dagen hier aangekomen. Ik vind het werkelijk een zeer gevoelig werk, dat een gelukkige verrijking voor onze collectie moderne plastiek zou beteekenen.

Ik zou het buitengewoon op prijs stellen, indien u in de toekomst dit werk aan Boymans zoudt willen legateeren. Ook de schilderijen arriveerden hier. Helaas is de toestand der stukken niet zeer gunstig te noemen. Ook het portret op de naam van de Bray heeft zeer geleden. De handteekening kan ik niet geheel ontcijferen. De wijze van schildering is wat drooger dan de Bray meestal doet en doet eerder aan Delft denken. Het beste stuk lijkt mij den Spaanschen Heilige. Door de niet zeer oordeelkundige verpakking zijn hier eenige krassen op gekomen. Ik zou er geen naam aan kunnen geven, aangezien de vernis zeer troebel is. Het stuk zou met schoonmaken wel winnen. De toestand van de andere schilderijen is dusdanig dat een restauratie niet veel verbetering zou brengen. Het zal werkelijk zeer moeilijk zijn om een kooper voor deze schilderijen te vinden.

Gaarne wil ik daar echter nog eens over denken.

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 31 mei 1933

Geachte heer Hannema, Ik had me wel geen gouden bergen van de schilderijen voorgesteld, maar ik bemerk wel dat ik er mijn fortuin niet mede maken zal. Het doet me plezier dat u het werk van Medardo Rosso apprecieert maar Dr Bierens de Haan had mij ook verzekerd dat u hiervoor de persoon waart en nu wilde ik u het volgende voorstel doen:

Ik sta aan Boymans de Malade à l’hopital in bruikleen af onder belofte dat het er blijft totdat het na mijn dood zijn eigendom wordt. Het volgend jaar zal ik daar dan nog een van de more cires (ook een museum-stuk) aan toevoegen opdat de kunstenaar althans in één museum in Nederland waardig vertegenwoordigd wordt. Als tegenbeleefdheid koopt u daarvoor de schilderijen tegen een som van 500 gl.

Over het legateeren van deze brons en de cire van L’Enfant au soleil kunt u misschien me een stukje laten teekenen. Daar ik dadelijk na Pinksteren naar Rome terugga zou ik gaarne spoedig een antwoord hebben. U zoudt me nog plezier doen als u me een adres in Rott. kon geven van een goede kunsthandel waar ik mijn borduurwerken zou kunnen exposeeren.

Wilt u dan ook zoo vriendelijk zijn mij het boekje over Rosso terug te zenden?

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 6 juni 1933

Hooggeachte mevrouw Fles, Zoojuist kom ik van een reis terug en vindt uw beide brieven. Het spijt mij meer dan ik u zeggen kan om u te moeten schrijven, dat het museum absoluut geen gelden voor aankoop van kunstwerken ter beschikking heeft. Om redenen van bezuiniging is deze post geheel op onze begrooting geschrapt. Hoe gaarne ik dit ook zou wenschen, zie ik toch geen kans een bedrag van 500 gld. bijeen te brengen. Ook ben ik er van overtuigd dat geen kunsthandelaar dit bedrag voor de collectie zou kunnen geven, aangezien de toestand der kunstwerken niet zeer gunstig genoemd kan worden. Ik weet werkelijk niet, hoe deze zaak verder op te lossen; de beelden van Rosso zouden voor het museum werkelijk een belangrijke verrijking genoemd kunnen worden.

Wat een tentoonstelling van uw borduurwerken betreft, zou ik u den kunsthandel De Distel, Schiedamse Singel, alhier kunnen aanbevelen. Deze kunsthandel is centraal gelegen en staat gunstig bekend.

Het boekje over Rosso stuur ik u heden terug.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 7 juni 1933

Zeer geachte heer, Nu ik morgen (8 juni) met den nacht trein uit Rotterdam naar Rome vertrek en nog niet uw beslissing vernam zal ik die daar (Via Pompeo Magno I) tegemoet zien.

Intusschen laat ik de brons in bruikleen onder uw hoede; over de schenking ook van L’Enfant au soleilen wellicht van een prachtig kopje L’Enfant malade, dat dr. Bierens de Haan zeer bewonderde, kunnen wij dan nog eens correspondeeren.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 7 juni 1933

Geachte heer, Het valt me in dat ik onnoodig omslachtig geschreven heb, ik kon eenvoudig zeggen dat ik die twee werken van Rosso schenk aan uw museum, de brons dadelijk, de cire in mei ’34, de Italiaansche regeering kocht er verleden jaar 2 en betaalde 50,000 gulden voor elk, ik kan en wil ze dus alleen cadeau geven maar de crisis noodzaakt me toch indemnisatie te vragen.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Rome, 16 juni 1933

Geachte heer, Uw schrijven kwam heden via Amsterdam den Haag in mijn bezit. De hoofdzaak is voor mij dat u Rosso’s werk waardeert, daarom laat ik het nog bij u in bruikleen en hoop over een maand of 10 u een paar andere te laten zien.

Tegen dien tijd heeft u misschien kunstliefhebbers kunnen interesseren voor werk dat nu in de voornaamste musea van Europa zich bevindt.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Bergen, 20 juli 1934

Zeer geachte heer Hannema, In aansluiting met uw bezoek van gisteren acht ik het wenschelijk nog eens te stipuleeren wat wij gisteren besproken hebben. Ten eerste dat ik onvoorwaardelijk aan het museum Boymans legateer het olieverfportret van mijn vader dr. I.A. Fles door Jan Veth geschilderd in 1895 en van mijn zuster Anna Fles geschilderd in 1891. Onder zekere voorwaarden legateer ik, ten tweede een Cire van Medardo Rosso (geb. te Turijn 1858 overl. te Milaan 1928). Van deze Cire genaamd Ecce puer (zie het kind) bestaan nog twee; één in het museum van het Luxembourg het andere werd door Mussolini voor het museum te Rome aangekocht voor Lire 50.000.

Aan mijn pleegdochter Agathe Verkroost, heb ik ten geschenke gegeven de andere werken van Rosso die nog in mijn bezit zijn t.w.

  1. Malade à l’hôpital, unique brons à cire perdu door den artiest zelf gegoten. Een enkele cire van dit werk bevindt zich nog in het museum te Rome
  2. L’Enfant malade, cire waarvan zich nog een bevindt in het museum te Dresden
  3. La Petite Juive waarvan een donker bruine cire in het museum te Rome is, van deze cire zijn wel mogelijk nog vijf in omloop o.a. is er een in het museum te Hagen en een te Venetië
  4. L’Enfant au soleil waarvan ik een brons schonk aan het museum te Turijn. Er is ook een brons in het museum te Rome en wellicht is er van deze nog een cire in het museum te Venetië maar stellig zijn er maar zeer enkelen van, daar alle werken door de kunstenaar zelve gemaakt werden en hij alleen persoonlijk zijn werk verkocht – dat hij op hoogen prijs hield daar hij absoluut in vijandschap met de kunstkoopers leefde.
  5. Chair à autrui. Unique fragment van een cire waarvan de geheele kop in bruine was in het museum te Rome is.

Boven benoemde werken verbindt mijn pleegdochter zich noch aan een partikulier noch aan een ander museum af te staan dan aan dat van Boymans (wetend dat het mijn uitdrukkelijk verlangen is dat de collectie Rosso daar samen ondergebracht wordt). Indien de billijke som die zij daarvoor zal vragen ingewilligd wordt. Intusschen is de directie van het museum vrij een of meerdere werken van de groep te verkoopen wanner zij om finantieele redenen hiertoe genoodzaakt is.

Onvoorwaardelijk legateer ik dan maar uitsluitend bestemd voor het Museum Boymans Ecce Puer, het laatste werk van den kunstenaar vervaardigd in 1902.
Etha Fles

Waarde heer Hannema, nog een enkel woordje aan u privaat. ‘La nuit porte conseil’: ik heb nog eens over een en ander nagedacht; de woorden dat ik de werken aan mijn dochter schonk laste ik in om te voorkomen dat de fiscus later van de werken belasting zou vragen (successie geld).

Nu vergat ik van mijn brief een doorslag te maken in uw antwoord kunt u zeker wel iets invlechten waardoor die brief ook als bewijs kan dienen dat genoemde werken haar persoonlijk eigendom waren. Ook noemde ik geen geldsom: het is voor mij van het grootste gewicht dat het museum later zoo royaal is als mogelijk zou zijn en ik weet ook door de zoon dat Rosso zijn werken aan private collecties vaak voor zeer hoogen prijs verkocht daar hij zijn kunst niet slechter betaald wilde hebben dan de groote impressionisten van de Fransche school.

Nu zeide u, dat het nieuwe museum Juni zou openen, ik zou dan het portret van mijn vader al kunnen schenken en om eenige vaste vorm te geven aan de collectie ‘Rosso’ zou u misschien het een zeer gewenscht oogenblik vinden om voor die, als de geldmiddelen of de schenking van een maecenas het toelaten, een of twee cire’s voor een goeden prijs aan te kopen (Ecce Puer, natuurlijk uitgesloten). Hierover kunt u dan nog eens denken en netten uitzetten wellicht.

Met vr. Groeten,
Etha Fles

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 24 juli 1934

Zeer geachte mevrouw Fles, Hierbij heb ik het genoegen u mijn antwoord te doen toekomen. Wat betreft een aankoop van eenige werken van Rosso bij de opening van het nieuwe museum, geloof ik toch niet dat dan het juiste moment aanwezig zal zijn. De kwestie is dat ik voor het nieuwe museum op bepaalde plaatsen beeldhouwwerken en andere kunstwerken van meer decoratieven aard bepaald noodig heb. In de gegeven omstandigheden zal het reeds zeer moeilijk zijn om deze kunstwerken van particulieren ten geschenke te ontvangen.

Indien er een kans aanwezig is, zal ik echter gaarne de poging doen.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 24 juli 1934

Hooggeachte mevrouw Fles, Uw schrijven d.d. 20 juli 1934 kwam een dezer dagen in mijn bezit. Ik stel het op hoogen prijs dat u aan het museum Boymans wilt legateeren het olieverf portret van uwen vader dr. I.A. Fles door Jan Veth geschilderd, benevens het portret van uwe zuster Anna Fles door denzelfden schilder vervaardigd. Uwe belangstelling in het museum waardeer ik zeer en gaarne zal ik in de toekomst een voorstel tot aanvaarding van het legaat doen.

Tevens vernam ik uit uw schrijven dat door u aan Boymans gelegateerd zal worden een cire van Medardo Rosso Ecce Puer genaamd, in dien het museum vier cires van denzelfden kunstenaar welke door u aan uwe pleegdochter Agathe Verkroost geschonken zijn, verworven zullen worden voor een som in nader overleg met Mej. Verkroost vast te stellen.

Aangezien het werk van Rosso zeer door mij gewaardeerd wordt, zal ik gaarne ter gelegenertijd een poging doen, zooals hierboven is vermeld. Of kans van slagen aanwezig is, zal echter geheel van de omstandigheden afhangen. Ik kan echter niet nalaten u reeds thans voor uwe zeer gewaardeerde gedachte te bedanken.

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Noten

1. Nathan H. Wolf, ‘Henri Timmermans’, in: De kunst, nr. 465, 1916, p. 138.

2. Eva Rovers, Helene Kröller-Müller. De eeuwigheid verzameld, Amsterdam, Bert Bakker, 2010, pp. 359-370.

3. Geciteerd in: Jan van Adrichem, De ontvangst van de moderne kunst in Nederland, 1910-2000. Picasso als pars pro toto, Amsterdam, Prometheus, 2001, p. 155.

4. G. Knuttel Wzn., zonder titel, Het Vaderland, 18 mei 1926.

5. Renilde Hammacher-van den Brande, Kunst van de 20e eeuw, Rotterdam, Museum Boijmans van Beuningen, 1972, pp. 7-8.

6. Fransje Kuyvenhoven, De Staat koopt kunst. De geschiedenis van de collectie 20ste-eeuwse kunst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voorgangers (1932-1992), Vrije Universiteit Amsterdam, 2007, p. 37.

7. Wessel Krul, Hannema, museumdirecteur. Over kunst en illusie, Amsterdam, Prometheus, 2018, p. 177.

8. Margaret Scolari Barr, ‘Medardo Rosso and his Dutch Patroness Etha Fles’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek/Netherlands Yearbook for History of Art, nr. 13, 1962, p. 246.

9. Op. cit. (noot 7), pp. 366-367.

 

Met dank aan Sandra Kisters en Sara Swart van Museum Boijmans Van Beuningen, Rachel Esner (Universiteit van Amsterdam), Eva van Bladel en de NWO Museumbeurs voor het mede mogelijk maken van dit onderzoek. In het Stadsarchief Rotterdam, waar het archief van Museum Boijmans Van Beuningen wordt bewaard, zijn de brieven geregistreerd onder inventarisnummers 181-296, 181-302, 181-306, 181-309, 181-312 en 181-315.