width and height should be displayed here dynamically

De dunne lijn

Over de fotografie van Marc Trivier

De reeks foto’s die Marc Trivier (1960) maakte van groten uit de wereld van literatuur, filosofie, schilderkunst, fotografie, … op een vreemde, vanzelfsprekende manier verbonden met portretten van geesteszieken en beelden van slachthuizen en landschappen, behoort tot een van de hoogtepunten uit de recente Belgische fotografie. Verslag van een quasi-monoloog in Haut-le-Wastia, waar Marc Trivier leeft en werkt.

 

“De biechtvader fluistert de ter dood veroordeelde iets in het oor; na hem de zegen gegeven te hebben, geeft de beul in alle hevigheid met een ijzeren knots die ook in slachthuizen gebruikt wordt een slag op de slapen van de ongelukkige, die terstond doodvalt: onmiddellijk daarna snijdt de “Mortis exactor” hem met een groot mes de keel over, waardoor deze in het bloed komt te baden …

Hij doorklieft de zenuwen aan beide hielen en opent de buik van het slachtoffer waaruit hij hart, lever, milt en longen haalt die hij aan een ijzeren haak hangt; hij verknipt en versnijdt hem in stukken die hij, van zodra ze versneden zijn, aan andere haken hangt …”  (1)

 

“Toen een vrouw vlakbij een slagerij getuige was van het ledigen van een opengesneden rund, voelde zij zo’n walging dat ze bijna flauwviel.

Op de vraag naar de aard van de plotse inzinking waaraan zij ten prooi viel, zei ze: “Zit er in ons lichaam ook zoveel smerigheid?

Ingevolge het antwoord besloot zij de hongerdood te sterven.”  (2) 

 

Beide teksten werden door Marc Trivier uitgezocht. De relatie ertussen is illustratief voor de wijze waarop deze fotograaf met beelden omgaat. Banden van betekenis worden gelegd tussen verschillende foto’s. Betekenis ontstaat hier in de verbinding tussen “auteur”, “aliéné”, “abattoir”.

De eerste tekst (“Supplice de la Massola” ) levert een beschrijving van een executie. Misdadigers werden toen nog, aan het begin van de achttiende eeuw, publiekelijk afgeslacht (“zoals een varken”). Hun organen werden – ter lering – aan de toeschouwers tentoongespreid.

De tweede tekst situeert zich zowat honderd jaar later. Een vrouw komt voorbij een slachter, ziet tot haar ontsteltenis een vers opengekliefd rund en vraagt zich walgend af of het er bij haar van binnen ook zo uitziet. De vrouw sterft aan anorexia.

In nauwelijks één eeuw is er ontstellend veel veranderd. Het “theater” van de openbare terechtstelling heeft, door toedoen van ongetwijfeld complexe mechanismen, plaatsgemaakt voor een niet meer te vatten, zelfs ziekmakende “realiteit”. En dat uitgerekend in een periode die men met een beladen en triomfantelijke term als de “Verlichting” aanduidt. Talloze zaken zijn in dit tijdsgewricht inderdaad aan het licht gekomen, maar andere worden zonder meer in duisternis gehuld. De binnenkant van het lichaam bijvoorbeeld, “l’abattoir”, zoals Trivier het noemt, wordt een hoogst verwarrend gegeven, een bron van neuroses. Nog zoiets: “Le fou est inventé à ce moment-là.” De krankzinnige is eveneens een vinding van die tijd. We krijgen het ontstaan van “le discours du fou”, alles wat de geesteszieke vertelt, tot uitdrukking of onder woorden brengt en uiteindelijk tegen hem kan gebruikt worden. Ook de notie “auteur”, zoals we die nu kennen, “comme un nom” en met een welbepaald gelaat, dateert van die dagen. De moderniteit heeft de auteur als biografisch personage, als handtekening, verder uitgediept.

Via verbindingen en knooppunten als deze wil Marc Trivier zich inlaten met de obscure delen van die “Verlichting”, met de gevoelige punten in de rationaliteit. Soms zelfs letterlijk. Zo is hij een half jaar gaan werken in een gevangenis om gedetineerden te leren fotograferen.

 

Naam

Als Marc Trivier aan het praten is geraakt, kan weinig hem nog van de wijs brengen. Een volgende sigaret, een volgende mogelijke zingeving. Een andere “production de sens” kan bijvoorbeeld schuilen in “de naam”. Vooraleer hij Jean Genet daadwerkelijk ontmoette, riep de naam Genet bij Trivier, naast de literaire connotaties, vreemd genoeg de associatie op van een veld kleine, gele bloemetjes  (“des genets”), er was geen gezicht.  Na het portret werd dit persoonlijk beeld van de auteur gebroken, het beeld van de auteur als lichaam voegde zich erbij. Een portret is een poging tot herstel, een samenvoegen van “naam” en gelaat.

In psychiatrische inrichtingen verblijven mensen zonder naam: identiteit wordt herleid tot een zaalnummer. Met zijn portretten wil Marc Trivier hen terug een naam geven: Roger H., Jean, François, …

 

Academisch

Van zijn studietijd in La Cambre herinnert Trivier zich dat zijn medestudenten zich voortdurend het hoofd braken om iets nieuws te verzinnen. Zijn uitgangspunt was net omgekeerd: hij wilde doen wat iedereen deed of gedaan had. Wie voor het portret kiest, treedt meteen in de lijn van een zwaarbeladen historisch programma. “On ne peut plus faire Nadar.”

Marc Trivier kiest voor een in wezen academische vormgeving, in een tijd waarin dat niet kon, en beschouwd die keuze als de enige manier om toch subversief te zijn. Net zoals de rebel Jean Genet een onwaarschijnlijk hoogstaand Frans schrijft; gebruik maakt van de taal van de beul, om ze van binnenuit te breken.

 

Portret

“Photographier le portrait photographique” is de bekommernis van Marc Trivier. Wat gebeurt er tussen de geportretteerde en de camera? Poseren interesseert hem niet, wel de verschillende gradaties en varianten van verbergen. “Echt” zijn kan nooit. Zei Becket tegen Trivier: “Si on se débarassait du portrait”, dan kunnen we tenminste voortpraten …

Trivier wil zijn portretten in een impuls maken. De fotografie zelf laten zien: iemand die iemand bekijkt die iemand bekijkt. Gespannen in een moment, het ongecontroleerde ogenblik vatten, zoals bij het schrijven de taal plots zelf gaat spreken. “Le monde se laisse faire, le système nerveux” neemt het over. Snelheid. Fotografie vanuit de buik.

Spanning. Het is Genet in Marokko, maar ook om het even wie, een oude man … een dwaas. De dunne lijn. Het is het genereuze moment van het “ecce homo” waarop Trivier wacht, het moment waarop je om het even wie bent.

 

Landschap

Naast dit “snelle” werken staan de landschappen. Ook al zo’n oeverloos en historisch bevlekt genre. Hier wil Marc Trivier af van het fotograaf zijn, vergeten wat fotograferen is. Terug naar “le regard sauvage”. Tonen wat je ogen zien.

De landschappen die hij schoot met een tot op de draad versleten “Brownie”, het oude toestel van zijn vader – de zoeker kapot, zonder snelheden, zonder diafragma, geen objectief, “wel een stuk glas” – benaderden nog het best wat hij gezien had – die boom daar, niet een verzameling takken , bladeren – én de emoties die opgeroepen werden, “derrière l’oeil”.

 

Mon regard

Triviers tentoonstelling in Brussel brengt combinaties van portretten, landschappen, … “L’histoire de mon regard; si l’homme est fou, l’arbre est fou.” Het wordt een geheel van strikt persoonlijke beeldassociaties, verbanden die zich situeren vóór het stadium van het onder woorden brengen. Hoe bijvoorbeeld via de onnauwkeurigheden van de camera overeenkomsten ontstaan tussen een koolzaadveld en een dak. “Paysages intérieurs.” Of een “Annunciatie” in het slachthuis, met de nodige referenties naar iconografische structuren van waaruit westerse kunstenaars altijd hebben gewerkt. Fra Angelico. Rembrandt.

Het moet een accrochage worden met een link doorheen alle beelden. Mens-boom-varken-boom … “Van het schizofrene “toi, c’est moi” tot een moment waarop alles verbonden is.” Van het (monsterlijke) leven “à l’état pure” tot “la vie dans les choses”.

 

“Als die dispositie, die indeling van het weten, mocht komen te verdwijnen zoals zij ook eens verschenen is, als zij door de een of andere gebeurtenis waarvan wij op zijn hoogst de mogelijkheid  kunnen voorvoelen, maar waarvan wij voor het ogenblik vorm en belofte nog niet kennen, omver kwamen te tuimelen (…) dan kunnen we wel wedden, dat de mens zou verdwijnen – zoals een gelaat van zand bij de grens der zee.”  (3)

 

(1) A. Bruneau: “Supplice de la Massola” , in “Observations et maximes sur les matières criminelles” , 1715, geciteerd in Michel Foucault: “Surveiller et punir” . (2) Emile Colombey: “Les Originaux de la dernière heure” , 1862, geciteerd door Michel Leiris in “L’Homme et son Intérieur” , 1929; heruitgegeven in “Brisées” , 1966. Beide citaten werden opgenomen in het boek Marc Trivier: “Photographies” , uitgeven in 1988 door het Centre Régional de la Photographie Nord Pas‑de‑Calais en het Musée de l’Elysée, Lausanne.

(3) Michel Foucault: “De Woorden en de  Dingen” , Amboboeken Baarn, 1966, p.419. Slotcitaat gesuggereerd door de fotograaf.

 

 

De tentoonstelling van Marc Trivier loopt van 11 maart tot 18 april in Espace Photographique Contretype, Verbindingslaan 1, 1060 Brussel (02/538.42.20).

Van 20 maart tot 16 mei is er eveneens werk van Marc Trivier te zien in het Musée de la Photographie, 11 avenue Paul Pastur, 6032 Charleroi/Mont-sur-Marchienne (071/43.58.10). Het hoogst aan te bevelen fotoboek van Trivier is nog te bekomen via het Centre Régional de la Photographie Nord Pas‑de‑Calais, Place des Nations, 599282, Douchy‑les‑Mines (0033/27.43.56.50).