width and height should be displayed here dynamically

Geschilderd en geschreven

Over de tentoonstelling Naast, tegenover: alleen

Nog tot 21 maart loopt in het Museum Het Toreke in Tienen de tentoonstelling “Naast, tegenover: alleen”  met werk van onder andere Raoul De Keyser, Dan Van Severen, Luc en Noël Drieghe en René Heyvaert. Allemaal kunstenaars waarover we meer vernemen in “Geschilderd of geschreven” , een bundel teksten over beeldende kunst die Roland Jooris in de loop van de jaren bijeenschreef. Hugo De Boom las het boek en Kurt Vanbelleghem bezocht de tentoonstelling.

 

De taal van de schilderkunst

Kunstkritiek, aldus een vermaard woordenboek, is het beoordelen van kunstwerken. Een kunstcriticus velt met andere woorden een waardeoordeel dat (in het beste geval) verantwoord wordt vanuit een esthetica. Kunstbeschouwing daarentegen is, vooral in onze tijd, vaak een alibi om het eigen gedachtengoed te verwoorden. Het kunstwerk verdwijnt op de achtergrond en het gaat hem uiteindelijk om de theorie of kunstfilosofie. De verhoudingen zijn omgekeerd: eerst is er een theoretisch kader pas dan én bij toeval kunst.

Roland Jooris is zonder twijfel geen kunstcriticus. Een kunstbeschouwer – in de net gegeven omschrijving – is hij evenmin. De basis van zijn beschouwingen ligt verankerd in de kunstgeschiedenis en in het beleven van de essentie van de dingen, want precies dit laatste is de kern van kunst. Traditie en een persoonlijk engagement (affiniteit) kenmerken elk stukje uit “Geschilderd of geschreven” .

Binnen zijn in taal gestolde overdenkingen blijft de dichter Roland Jooris onmiskenbaar aanwezig. Het zijn telkens secuur opgebouwde teksten met een afgewogen en vanzelfsprekende woordkeuze waarbij de “expressief-organische” kracht van de taal accuraat is aangewend. Dichten – en schrijven in het algemeen – is voor Jooris “een ‘onhandig’ gestamel dat ik aanstamp of aanspan tot een gedicht”. Monnikenwerk.

Niettegenstaande Roland Jooris nooit dogmatisch of programmatisch denkt, kunnen we vooral uit het “Plastisch logboek”  een esthetica destilleren. Die – niet uitgesproken – esthetica ligt verankerd in de eerste helft van deze eeuw en werd toen geconcretiseerd in het Vlaams expressionisme van Gust De Smet, Permeke, Fritz Van den Berghe. Expressieve versobering en een persoonlijke verwerking van het waargenomene (niet langer de realiteit zelf) staan centraal. Vrijwel alle Vlaamse expressionisten hebben een eigen gebalde beeldtaal waarin kleur, lijn, textuur en compositie de essentiële gevoelsdragers zijn. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Roland Jooris vanuit dit perspectief terechtkomt bij de abstracte schilderkunst van Bert Verstraete, Raoul De Keyser, Luc Drieghe of Dan Van Severen. Binnen hun oeuvre is de hechte, picturale structuur teruggebracht tot zijn meest elementaire vorm. Net als bij een gedicht is het schilderij een wereld waar (picturale) elementen tegen elkaar opbotsen en elkaar beïnvloeden. Roland Jooris heeft het, in de tekst over Eugène Leroy, ook letterlijk over “de taal van de schilderkunst”. Schilderen en schrijven zijn voor hem manieren om de rijkdom van een taal te behouden en te verdiepen. Verrassend is dat zowel de besproken schilders als de dichter Roland Jooris dit willen bereiken via een “niet te omschrijven eenvoud”. Een ascese die het wezenlijke moet blootleggen.

“Geschilderd of geschreven”  is een waardig begin van de nieuwe Triangel-reeks van het tijdschrift Yang. En dat niet alleen omwille van de treffende portretten (Raveel, De Keyser of Verstraete) of de kernachtige beschouwingen (Leroy, Buedts, Richard Minne en Gust De Smet) maar ook omwille van de vorm van het boek. Vormgever Roel Goussey koos voor een sobere aanpak die het karakter van de teksten (en hun onderwerp) niet verloochent. Merkwaardig is wel dat de drukinkt niet op elke bladzijde even rijkelijk heeft gevloeid. “Geschilderd of geschreven”  bevat zowel bladzijden met perfect zwarte regels als bladzijden met een diepgrijze bladspiegel en magere lettertjes.

Hugo De Boom

 

 

Confrontaties in cellen

“Mensen weten weinig van wat bestaat. Een kunstenaar kent deze dingen en toont ze aan de mensen.” Met deze boutade van René Heyvaert begint de tentoonstelling “Naast, tegenover: alleen” , in het Stedelijk Museum Het Toreke te Tienen. Het mag geen verwondering wekken dat sommigen deze uitspraak als hoogdravend, aanstellerig en zelfingenomen interpreteren, terwijl anderen er de essentie van het kunstenaarschap in terug vinden, en deze uitspraak lezen als een teken van het observerend vermogen van de kunstenaar dat via zijn werken tot uiting wordt gebracht. De ambivalente omgang met deze uitspraak mag doorgetrokken worden naar het volledige oeuvre van René Heyvaert. Als we deze ambivalentie op een positieve wijze benaderen en er multi-interpreteerbaarheid in herkennen, botsen we misschien op één van de uitgangspunten van de tentoonstelling “Naast, tegenover: alleen”  waarvan het concept bepaald werd door Jos Uytterhoeven.

“Naast, tegenover: alleen”  is opgesplitst in twee delen. Het eerste deel omvat kleinere werken van Dan Van Severen, Raoul De Keyser, Piet Stockmans, Ado Hamelryck, Hugo Duchateau en Günter Tuzina. Het vormt een kleine, bescheiden bloemlezing van verschillende benaderingen van het fundamentele schilderen. Pretentieloos wordt getoond hoe het zuivere, het manuele, het fundamentele van het schilderen door deze kunstenaars verschillend geïnterpreteerd wordt.

Wat opvalt, is de aanwezigheid van Piet Stockmans binnen dit gedeelte. Het is niet de eerste maal dat het Stedelijk Museum van Tienen zijn deuren voor hem openstelt, maar toch lijken zijn werken, vervaardigd uit keramiek moeilijk binnen de stroming van de fundamentele schilderkunst te situeren. Piet Stockmans lijkt van een andere problematiek te vertrekken, namelijk de strijd om tot een erkenning van het ambachtelijke binnen de kunstcreatie te komen. Kunstenaars die werken met keramiek, glas, hout en dergelijke materialen en beslissen om het utilitaire van de toegepaste kunst links te laten liggen om zich toe te spitsen op voorwerpen zonder enige gebruiksfunctie moeten vaak misprijzende opmerkingen incasseren. Hun werken worden niet als volwaardige kunstvoorwerpen aanschouwd. Het belang van de daad van het vervaardigen van een kunstwerk komt zeer weinig aan bod in de bespreking van een oeuvre van een kunstenaar. Maar juist vanuit dit standpunt kan men de werken van Stockmans met de werken van bijvoorbeeld Dan Van severen en Raoul De Keyser vergelijken. Het belang van de materialen waarmee het kunstwerk wordt gemaakt en de technische bekwaamheid in het manipuleren en gebruiken van deze materialen – of dit nu verf of klei is – is bij hen echter van even grote betekenis.

In het tweede deel van deze tentoonstelling worden we geconfronteerd met de vermeende dialectische relatie tussen het werk van René Heyvaert enerzijds en de werken van Luc en Noël Drieghe, Jean George Massart en Jean Decoster anderzijds. De tentoongestelde werken van René Heyvaert zijn afkomstig van de kunstenaars zelf. Zij hebben die werken reeds gedurende een ruime tijd in hun bezit en nu confronteren ze eigen werk met hun werk van René Heyvaert. Het is niet de bedoeling om aan te tonen of te pretenderen dat deze kunstenaars rechtstreeks door Heyvaert beïnvloed zijn geweest, er is eerder sprake van een ideële relatie, voortkomend vanuit hun bewondering voor het oeuvre van Heyvaert. Zo kan men ook de oorspronkelijk vooropgestelde titel voor deze tentoonstelling, “Verteerd door Liefde”, op de juiste manier inschatten. De uiteindelijke titel “Naast, tegenover: alleen”  is afkomstig van Roland Jooris en zinspeelt op de verschillende manieren waarop men de tentoonstelling kan benaderen.

Het is niet altijd eenvoudig om de juiste verhouding van de met elkaar geconfronteerde werken in te schatten. Als ik de besloten ruimte van de afzonderlijke cellen binnenging, werd me het verband tussen de twee werken zelden helemaal duidelijk. Wat mij wel zeer trof, was de eigenzinnige, gepassioneerde kracht die de werken van René Heyvaert uitstraalden. En hierin schuilt waarschijnlijk de sterkste troef van de gehele tentoonstelling. Alhoewel de aanwezige werken van René Heyvaert, in aantal beperkt, nooit de totale inhoud van Heyvaerts kunstzinnige erfenis kunnen weergeven – het is nu ook eenmaal geen overzichtstentoonstelling van zijn werk, iets waar we overigens al jaar en dag op wachten – intrigeren ze toch in zeer sterke mate. Misschien nog meer omdat ze geconfronteerd worden met werken die een geringere uitstraling hebben.

Heyvaerts werk lijkt banaal, eenvoudig, ongekunsteld en toch moeilijk te benaderen. Juist door die eenvoud in materiaal en vormgeving is de toeschouwer steeds gedwongen om bij ieder werk de communicatie opnieuw op te starten. Het gesprek dat men beoogt, kan in het begin zeer stroef verlopen, men weet niet goed wat te zeggen en te denken, net zoals men een oude vriend tegenkomt die men gedurende een lange periode uit het oog verloren was. Ofwel wisselt men enkele beleefdheden uit, zijn er momenten van moeilijke stiltes en gaat men tenslotte weer uit elkaar met de vaststelling dat het nooit meer zoals vroeger zal worden, ofwel komt men langzaam op gang maar praat men tenslotte honderduit, en verstevigt men de band die vroeger reeds bestond. Heyvaert zelf spreekt over zijn werken als uitvindingen; kunst maken is voor hem een liefdesdaad die herhaald moet worden. Hij engageert zich volledig, en misschien moet de toeschouwer ook bereid gevonden worden om er tot het uiterste bij betrokken te raken.

René Heyvaert toont ons, volgens zijn schrijven, wat wij als mens niet kunnen zien. De tentoonstellingsmaker kan ons bepaalde zaken tonen die wij niet kennen. Aan ons de fundamentele keuze om ze te aanvaarden of niet, of om ze op onze eigen manier te interpreteren. Tot een dergelijke repliek gaf deze tentoonstelling in Tienen ruimschoots aanleiding.

Kurt Vanbelleghem

 

 

De tentoonstelling “Naast, tegenover: alleen”  loopt nog tot 21 maart in Het Toreke, Grote Markt 6, 3300 Tienen (016/81.99.97). Galerij 8 (Graaf Van Egmontstraat 8, 2000 Antwerpen, 03/237.45.82) presenteert nog tot 26 maart grafiek van Roger Raveel. Op 2 april start een tentoonstelling met recente werken van Eugène Leroy in het Musée d’art moderne et d’art contemporaine van Nice. Tot 14 juni op het volgende adres: Promenade des Arts, 06300 Nice (93.62.61.62). “Geschilderd of geschreven”  van Roland Jooris is een uitgave van Yang, Postbus 245, 9000 Gent.