width and height should be displayed here dynamically

De iris en het oogwit

De laatste klas van het derde middelbaar aanschouwde de dissectie. Opgesteld volgens stijgende lengte rond een klein, oubollig tafeltje zagen we hoe het oog van een varken of een koe laag na laag werd afgepeld, als een ui. Die sliert achteraan het oog, daarin zat de oogzenuw. Ook het hoornvlies, de iris en de pupil herkenden we onmiddellijk. Je mocht er niet te veel bij stilstaan: wat je gebruikte om te kijken werd met een scalpel ontleed. Bij de aanblik van het dierenoog – niet helemaal als een mensenoog, maar toch met genoeg anatomische gelijkenissen – ging bij iemand alsnog het licht uit. Hij zakte onderuit, viel op de tafel – het half ontlede oog trilde. De dissectie waar de hele klas reikhalzend naar had uitgekeken werd onderbroken. Wat was hem te veel geworden? De woorden ‘gele vlek’? De dunne adertjes die het hoornvlies doorploegden? Het muffe klaslokaal waarin zich een vage, waarschijnlijk ingebeelde slachtgeur verbreidde? Wellicht was het de glazige buitenkant die hij zo vaak in de spiegel zag: drie concentrische cirkels die hij op het examen met ‘pupil’, ‘iris’ en ‘sclera’ zou aanduiden. Graag had ik toegevoegd hoe ik zijn oogbollen naar boven had zien rollen, hoe zijn irissen en pupillen onder de oogleden vluchtten en plaats ruimden voor twee witte vlaktes. Maar ik was te laat. Overal waar te veel oogwit kán zijn, wordt de productiviteit bedreigd. Het geslachte dier, het oog op de tafel: onproductief. De flauwvallende klasgenoot: onproductief. Ikzelf, met een te trage, door oogwit omgeven iris: onproductief. Oogwit is het ‘antiproductie-element’ van het oog, om een term aan L’Anti-Œdipe van Deleuze en Guattari te ontlenen – zowel de voorwaarde voor de productiviteit van het oog als de limiet die een breuk kan slaan, waarna er soms nóg productiever gekeken kan worden.

Productiviteit – ‘voor wie?’ Het is een vraag waarvoor elke samenleving hetzelfde antwoord opeist: voor een ander. Productief zijn gebeurt altijd in samenspraak met die ander; persoonlijke doelen en middelen moeten op elkaar afgestemd worden. Een samenleving verwacht samenwerking. Vanaf het moment dat de competitieve omgeving van primaten en vroege hominiden plaatsmaakte voor de coöperatieve omgeving van de homo sapiens, werd productiviteit ‘sociaal’. Een oog is voor de mens productief wanneer het samenwerkt met andere ogen, wanneer het zich op een gedeeld object richt – een prooi, een vijand, een leider – en het gezamenlijke voordeel positief uitdraait.

Ontwikkelingspsycholoog Michael Tomasello situeert in zijn boek Why We Cooperate de overgang van competitiviteit naar samenwerking in een kleine evolutionaire aanpassing. In 2007 kwamen hij en zijn team tot deze bevinding: om de blik van een soortgenoot te volgen, moeten chimpansees afgaan op de bewegingen van het hoofd, terwijl jonge kinderen een blikrichting ook uit de ogen kunnen afleiden. Uit testresultaten leidden Tomasello en zijn collega’s de cooperative eye hypothesis af: het contrast tussen oogwit en iris bij de mens is ontstaan vanuit de nood om samen te werken. Nagenoeg monochroom zwarte ogen, met weinig en donker oogwit, maken een blik moeilijk volgbaar, wat voordelig is voor soorten die in competitieve omgevingen leven. Het gebrek aan contrast tussen iris en sclera is overdag een voordeel en ’s nachts is er niets dat oplicht en aanwezigheid verraadt. Voor soorten die van samenwerking afhankelijk zijn, is volgbaarheid daarentegen essentieel. Tijdens het jagen is het goed om meteen op te merken waar een prooi is gezien, zonder je stem te gebruiken, te wijzen of met je hoofd te bewegen. Met alleen de ogen opportuniteiten of gevaren aanwijzen: het is preciezer en efficiënter; het alarmeert de prooi niet en het blikveld blijft open. Ons oogwit, ongeveer drie keer groter dan dat van de chimpansee, maakt een gedecentreerde blik zichtbaar en communicatief. De mens kan als enige bivalent kijken, registrerend en signalerend tegelijkertijd.

Dankzij deze functionalistische verklaring van de oogmorfologie laat het nut van volgbaarheid ons niet meer los. Het valt op: steeds gaat het om blikken die zich op de buitenwereld oriënteren. Samenwerken: kijken op een door iedereen gedeeld vlak. Zijn er blikken die van oogwit gebruikmaken zonder zich in de eerste plaats op de gemeenschappelijke omgeving af te stemmen? Al heeft oogwit evolutionair gezien een coöperatieve functie, ook andere toepassingen hebben zich ontwikkeld.

Coöperatieve blikken zijn exogeen: ze reageren op externe stimuli. De exogene blik is het standaardmodel voor de blik in het algemeen, die sociaal is. De sociale werkelijkheid wordt het veld van de exogene blik. De kijklijn kan de lijnen van anderen kruisen (gedeeld kijkobject) of overlappen (oogcontact), en op die manier tot een productieve interactie leiden. Het veld is horizontaal, als het vlak waar licht en aarde, zien en werken elkaar ontmoeten. Wie binnen de lijntjes van dat vlak kijkt, kijkt goed, productief, sociaal. Dat de exogene blik op de horizontale as beweegt, toont de iris die niet zomaar de hoogte inschiet: de verticale coördinaat van de exogene irispositie is altijd secundair, als correctie op de horizontale coördinaat. De iris die een prooi registreert en signaleert, moet de horizon volgen om functioneel te zijn.

Er zijn ook blikken die weliswaar voor anderen zichtbaar zijn, maar die zich niet altijd aan de krijtlijnen van de buitenwereld houden. Endogene blikken zijn afspiegelingen van innerlijke processen die niet simpelweg op de omgeving reageren. Als exogene blikken de horizontale as volgen, dan kunnen endogene blikken zich ook verticaal bewegen. We kunnen onze irissen naar boven of naar beneden laten rollen, al maakt het ongemak duidelijk dat zoiets zeldzaam moet blijven. Veel oogwit mag alleen om een bijzondere reden getoond worden. In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan zelfs een dier een oogwitblik slaan – wanneer het sterft of een oog verliest.

Waar de verticale as de horizontale snijdt, daar ligt de ideale blik. Daar is de mens sociaal productief zonder al te veel risico te nemen. Daar zijn interioriteit en exterioriteit, individualiteit en socialiteit, geest en lichaam in harmonie. Op de horizontale as mag – moet – de iris naar links en naar rechts bewegen, daar ligt meerwaarde voor het rapen. Maar voor de verticale as zijn vergunningen en rechtvaardigingen nodig. Irissen die stijgen of dalen moeten zich na landing kunnen verdedigen, omdat de gevolgen van hun verticale reis ingrijpend zijn en de beweegreden innerlijk te zoeken is.

Wij, mensen, kijken volgens het regime van de horizontaliteit. De horizon is de norm waarop kijkers zich moeten oriënteren; alleen zo kan mijn blik voor een ander nuttig zijn. Iemand die scheel kijkt en een oog niet stabiel op de horizontale as weet te houden, heeft een zogenaamd ‘lui oog’. Als werkethisch oordeel kan dat tellen. Jij, loenser, werkt niet hard genoeg mee aan onze blikkenuitwisseling! Jouw oogwit is het wit van ledigheid! We plakken je productieve oog af zolang het andere niet werkt! Alleen per uitzondering mag de verticale as zichzelf primair maken, in plaats van de rol op te nemen van relatieve, secundaire kijkas waarop een kleine afbuiging van de horizontaliteit te lezen valt (want niet alles in de gedeelde omgeving bevindt zich exact op de horizontale as). Een doorbreking van de horizontaliteitsnorm moet een algemeen aanvaardbare reden hebben. Indien de verticale kijker die niet uitgesproken krijgt, legt de gemeenschap sancties op – die dodelijk kunnen zijn.

Als een oog het regime van de horizontaliteit verlaat, dan loopt het weg van de productiviteitsnorm. Het breekt zichzelf – opnieuw met Deleuze en Guattari – via een transversale ‘vluchtlijn’ (ligne de fuite) uit het ‘organisatievlak’ (plan d’organisation) van de horizontaliteit, waarin alle omgevingselementen ‘georganiseerd’ zijn volgens hun relatie tot het aardoppervlak. Via vluchtlijnen onttrekt de kijker zich aan de horizontale productiviteitsnorm, die stelt dat een mens horizontaal moet kijken om een maatschappelijke bijdrage te kunnen leveren.

De bekendste en meest gebruikte vluchtlijn doet de iris naar boven rollen. Bij levende mensen is de extreemste oogwitblik in deze categorie die van een bezetene. In de eerste fasen van bezetenheid en bij exorcismen, wanneer de demon nog niet of niet langer de volledige controle over het lichaam bezit, draaien de oogbollen niet zelden naar boven in hun kassen. (Wanneer de demon controle neemt over het lichaam, krijgen de irissen meestal een onnatuurlijke kleur (paars, groen, rood) of komen er vliesjes op te liggen. Zie bijvoorbeeld The Witches (1990) van Nicolas Roeg, The Exorcist (1973) van William Friedkin, Goksung (2016) van Na Hong-jin en Twin Peaks (1991) van David Lynch en Mark Frost.) Deze culturele representaties komen naar alle waarschijnlijkheid voort uit paramedische interpretaties van epilepsie en apoplexie (beroerte), aandoeningen waarbij het brein de controle over de oogspieren verliest. Deze link is onbelangrijk, want sinds de associatie met bezetenheid is de naar boven gerichte oogwitblik een symbool. Zo bekende de jonge William Perry uit de buurt van Stafford in 1620 dat hij zijn bezetenheid geveinsd had. ‘The boy of Bilson’ had zijn rol echter zo effectief gespeeld dat een vrouw van hekserij werd beschuldigd. Blijkbaar had iemand hem geleerd, zo staat genoteerd in het boek Demonic Possession and Exorcism in Early Modern England, ‘hoe hij met zijn ogen moest rollen en omhoogkijken, zodat alleen het oogwit te zien zou zijn’.

Uiterlijk is er tussen demonische en goddelijke inspiratie geen verschil. Een geest die het lichaam wil verlaten om bij God te komen, heeft hetzelfde fysieke effect als een geest die strijd levert met een demon. (De omstanders in Rafaëls Transfiguratie (1516-20) weten niet naar welk mirakel – exorcisme beneden of extatische uittreding boven – ze eerst moeten kijken, en wijzen daarom in verschillende richtingen.) Dat met de ogen rollen met extase verbonden is, toont Jean Benner in zijn schilderij L’Extase uit de jaren 1890. In schril contrast met de barokke extase van vrouwen als Theresia van Ávila (Bernini) en Maria Magdalena (Caravaggio, Gentileschi en Rubens) blijft het lichaam hier statisch. Niet naar de sereen gevouwen handen of naar het lichtjes geheven hoofd wordt de aandacht getrokken, als wel naar de ogen. Didactischer wordt het niet: bij extase hoort oogwit. (Ook het vrouwelijke orgasme wordt met extase geassocieerd – en dus, via extase, met bezetenheid. De grens tussen spirituele vervoering, seksuele ontlading en demonische inwoning vervaagt in de ogen van de vrouw. In al die gevallen kan oogwit het overnemen. Heks, heilig of geil – voor het patriarchaat is het allemaal even gevaarlijk.)

Het meest bewust wordt oogwit ingezet wanneer iemand ‘de ogen ten hemel slaat’, als blijk van afkeuring. De kijker uit een (al dan niet ironisch) verlangen naar non-registratie, naar afwezigheid. Het horizontale vlak wordt verlaten om weer individu te worden of een andersoortige relatie aan te gaan. Vaak wordt er tegelijkertijd oh my god gezegd: een uitroep die de ogen kracht bijzet terwijl ze de hemel afspeuren naar God, om hem als getuige in te roepen of via hem toegang tot de verticaliteit te krijgen. Wat net gezegd of gebeurd is, werd wel degelijk geregistreerd, maar de ogenroller was er liever geen getuige van geweest. Het lichaam had zich bij voorkeur op een andere lijn bevonden, om een gênante handeling niet te moeten zien of een voorspelbare mop niet te moeten horen. ‘Voorspelbaar’, want wat is waargenomen past in een bekend patroon en hoefde dus niet opnieuw waargenomen te worden. Omhoog rollende ogen zoeken het nieuwe, laken herhaling.

Wanneer Deleuze en Guattari het over het ‘gladde, ondoorzichtige, strakke oppervlak’ en de ‘amorfe, ongedifferentieerde vloeistof’ van het ‘lichaam zonder organen’ hebben, dan kan het verbazen dat er na de opsomming ‘ogen gesloten, neus dichtgeknepen, oren dichtgestopt’ geen verwijzing naar oogwit volgt. Alles wat het duo in L’Anti-Œdipe over dat vruchtbare concept schrijft, kan ook van oogwit een krachtig wapen maken in het arsenaal van de paranoïcus. Diens reactie op de omgeving is afstoting, het afweren van de buitenwereld die op hem inbeukt en hem in vooraf bepaalde structuren dwingt. Net als de paranoïcus probeert ook wie bezeten raakt een lichaam zonder organen te worden om zich te weren tegen een ‘uitwendige achtervolgingsagent’. Soms gaat dat met terugstotende bolmaking gepaard, niet alleen van de ogen maar van het gehele lichaam, zoals in Het Mirakel van de Heilige Nilus (1813) van Ferdinand Ruscheweyh. De ‘ogen gesloten’ houden is echter onvoldoende: als iets het lichaam binnen dreigt te dringen, dan zijn de oogleden slechts muren en werkt oogwit als ophaalbrug. Demonen moeten op een lichaam botsen waarvan de gangbare werking (zoals van de ogen) niet slechts is gepauzeerd, maar volledig is uitgeschakeld – met andere woorden: een lichaam zonder organen.

Van een lichaam dat oogwit toont kun je één ding zeker weten: het verzet zich tegen een van buitenaf opgelegd gebruik van zijn functies. Deleuze en Guattari spreken van ‘verzet tegen een organisme’ – tegen het eigen organisme, of beter gezegd: tegen de omzetting van het eigen lichaam in een organisme. Die omzetting is vreemd aan de authentieke functies van de organen, die als machines désirantes hun eigen werking voortbrengen. De strijd met een demon over de controle van het lichaam komt neer op de vraag of de demon erin slaagt van het lichaam een organisme te maken, waarin alle organen onder centraal gezag worden geplaatst. Van een afstotend, niet-structureerbaar lichaam zonder organen kan een demon geen organisme maken en kan hij geen bezit nemen – dat is wat oogwit ons lijkt te willen vertellen.

Ondoorzichtig, amorf, ongedifferentieerd, zichtbaar voor de buitenwereld en – in onze verbeelding althans – vloeibaar: wat kan dat anders zijn dan oogwit? Op het lichaam zonder organen stroomt een opake, reflecterende vloeistof, waarvan de functie – een kijkrichting aangeven in een organisme – onderbroken is. Aangezien ook onze andere substanties dan niet langer ten behoeve van een organisme functioneren, valt er op een lichaam zonder organen tussen oogwit en sperma geen onderscheid te maken. Waar verschillende functies hen nog differentieerden, blijft nu alleen uiterlijke gelijkenis over. Dan kan je beweren dat iemand die goed pijpt ‘het wit uit je ogen zuigt’. Of dan kan je je voorstellen, zoals Horacio Oliveira zegt in Rayuela: een hinkelspel van Julio Cortázar, hoe een soldaat op het standbeeld van een Syrische godin ejaculeerde en ‘zijn sperma in de oogholten liet stromen’.

Verzet tegen een organisme betekent ook verzet tegen het regime van de horizontaliteit, want alleen als organismen kunnen lichamen sociaal productief zijn. De organisatie van organen tot een organisme is volgens Deleuze en Guattari een ‘gregariteitsinstrument’ (instrument de grégarité), oftewel ‘een middel voor integratie in de groep’. Daarom heten de door een organisme gevolgde kijklijnen die aan de horizontaliteitsnorm beantwoorden ‘integratielijnen’. Een groep staat of valt met de horizontaliteit van zijn interacties. Als de iris een verticale richting wordt uitgestuurd, is dat een teken dat het lichaam zich desocialiseert, dat het zich aan de groep onttrekt, of aan een specifieke relatievorm in de groep. De maatschappijen die organismen instellen ‘om er nuttige arbeid uit te extraheren’ willen van verticaal georiënteerde lichamen initieel niets weten. Een iris-evacuerend lichaam zonder organen tracht voor het regime van de horizontaliteit een ‘dispersieregime’ (régime de dispersion) in de plaats te stellen, zodat irissen alle kanten uit mogen stuiteren.

Het horizontale kijkvlak verlaten maakt ogen tot maatschappelijk slecht inzetbare lichaamsdelen. Oogwitkijkers plaatsen zich buiten het sociale veld. Of in de taal van Deleuze en Guattari: door het ‘organisatievlak’ van het kijken te verlaten, wat op een ‘verzet tegen het organisme’ neerkomt, plaatsen oogwitkijkers zich buiten de ‘gregariteit’. De oogwitkijker desocialiseert zichzelf door niet zozeer het sociale leven tout court te verwerpen, maar door de geldende sociale situatie te ontvluchten, om eventueel een andere te vinden. Wie ‘bezeten’ op de brandstapel eindigde (en in feite aan epilepsie leed), werd in de eerste plaats als een gevaar voor het sociale weefsel gezien; in het gevecht tegen de demon herkenden Kerk en Staat een aanval op zichzelf – een aanval op het idee van centraal gezag. Omdat hun oogwitblik niet van die van een bezetene te onderscheiden viel, werden ook extatici geregeld geëxecuteerd. Op hen was de beschuldiging van ‘asociaal gedrag’ meer van toepassing geweest, want zij wilden écht de maatschappij verlaten om bij God te kunnen zijn. De ogen ten hemel slaan houdt eveneens een aanfluiting in van de sociale stand van zaken: door de verlangde afwezigheid kortstondig te veruiterlijken, slaat de ogenroller geen onoverbrugbare breuk in de horizontale socialiteit, maar levert er wel commentaar op vanuit een hogere, gezaghebbende positie.

De meest aanvaarde reden om met de ogen te rollen ontstaat vanuit de sociale productiviteitsnorm zelf en is daarom onbesproken gebleven. Zich iets proberen te herinneren, zich ‘iets voor de geest halen’, gaat gemakkelijker wanneer de ogen even geen nieuwe prikkels krijgen. Simpelweg de ogen sluiten is dan een te ambigu signaal voor de buitenwereld, want het lijkt te veel op slapen. Medekijkers moeten weten dat je je tijdelijk en doelgericht voor hen afsluit om daarna binnen de groep een betere bijdrage te leveren. Het is dus mogelijk, coöperatief met de ogen rollen…

Oogwit, als ‘antiproductie-element’, is zowel de voorwaarde als de limiet van de sociale productiviteit van het oog. Het kan op twee manieren een limiet zijn. Het onderscheid van Deleuze en Guattari tussen ‘relatieve’ en ‘absolute limieten’ verduidelijkt de zaak. Een relatieve of ‘immanente’ limiet duidt op ‘een beweging waarmee [de maatschappelijke productie] de eigen tendens tegenwerkt’, maar die uiteindelijk zijn intensificatie dient. Het regime van de horizontaliteit gedoogt situaties waarin niet horizontaal – sociaal productief – gekeken wordt, verschuift de limiet van wat toegelaten is steeds verder, als dat de productiviteit van latere blikken ten goede komt. Een absolute of ‘uitwendige’ limiet, daarentegen, geeft aan vanaf waar de werkzame maatschappelijke productievorm komt te vervallen. Het regime van de horizontaliteit hoedt zich voor oogwitblikken die niet alleen buiten de sociale productiviteit vallen, maar er zelfs ‘lekken’ in maken. (Ligne de fuite betekent niet alleen ‘vluchtlijn’, maar ook ‘lekkagelijn’.)

Oogwit kan dus, voor de (sociaal productieve) blik, ten eerste optreden als voorwaarde: door het contrast met de iris maakt oogwit de richting van een blik volgbaar, wat samenwerking bevordert. Oogwit kan, ten tweede, een relatieve limiet worden: de tijdelijke evacuatie van de iris verhoogt de concentratie, wat uiteindelijk een groter voordeel voor de groep oplevert. Zo speelt het oogwit een rol die gelijkaardig is aan die van oogleden bij het knipperen of slapen. Knipperen houdt de machine gesmeerd en slapen laat de ogen rusten om de volgende dag minstens even hard te kunnen werken. De ogen ten hemel slaan kan inhouden dat men ongeduldig is: de groep interageert niet efficiënt genoeg en moet de eigen socialiteit herzien, allemaal ten dienste van de productiviteit. Ten derde is er het oogwit als absolute limiet: bij bezetenheid of extase verdient een oogwitblik de medische benaming ‘oculogyre crisis’. Kijken zoals voorheen is niet meer mogelijk; de crisis ‘scheidt’ het tijdsgewricht in een voor en een na.

In het kapitalisme, beweren Deleuze en Guattari, is de absolute limiet in het systeem zelf opgenomen en functioneel geworden. Deze maatschappelijke productievorm werkt net door zichzelf voortdurend op te blazen. De vluchtlijnen die uit het systeem ontsnappen, maken de eigenheid van het kapitalisme uit; de hoogste productiviteit wordt gevonden door de eigen limiet te overschrijden. Dit is productiviteit op het scherpst van de snee, met het meeste potentieel, maar ook met het meeste risico. Voor het regime van de horizontaliteit is het niet anders: een verticale oogwitblik kan ontsnappen om naar hyperproductiviteit te leiden – naar een horizontale as met enkele pieken.

Op houtsneden uit de Japanse Edo-periode (1603-1868), waarin het extravagante kabukitheater ontstond, staan geregeld acteurs afgebeeld met de irissen naar beneden gerold. Zij hanteerden de ‘wildestrijdersstijl’ (aramushagoto, afgekort tot aragoto), een overdadige en kleurrijke manier van spelen die vooral voor goden, demonen en bovenmenselijke helden geschikt was. Op de oogleden is kohl aangebracht en de irissen staan vaak in de mediale ooghoek, bij de neus. De kohl stelt een zwarte afbakening in tussen het oogwit en de omliggende huid, waardoor het oogwit nog witter en de iris nog donkerder lijken – een effect van ‘simultaan contrast’ dat het verschil tussen beide benadrukt en dat de blikrichting van de iris extra in de verf zet. De mediale positie van beide irissen maakt dat hun kijklijnen convergeren tot één kijklijn met dubbele uitstraling.

Deze lichamen zijn geen organismen meer, maar superorganismen, met bovenmenselijke krachten. Ze zijn zowel het schrik- als het droombeeld van een horizontaal kijkregime. Want uiteindelijk is de mens die verticaal kijkt het productiefst, of die nu demonisch bezeten of goddelijk geïnspireerd is. Wee echter als de iris volledig verdwijnt, want dan is alles verloren, dan kan de productie niet meer naar behoren heropgestart worden. Wanneer het regime van de horizontaliteit niet meer tevreden is met de voorhanden prooien en samenwerking sentimenteel begint te klinken, moeten irissen soms de hoogte in, al komt de neergang dan wel heel dichtbij.

Als ogen kunnen samenwerken, staken, ijlen, pauzeren en heropladen, dan kunnen ze blijkbaar ook overpresteren. Of dat de groep altijd ten goede komt, is zeer de vraag, maar een hyperproductieve maatschappij heeft nood aan workaholics. De lookaholic zal nooit als een schizo de woestijn in trekken of als een outlaw de bergen opzoeken. Het is evenmin een optie op de vlakte te blijven die sinds het tijdperk van de jager-verzamelaar ons verkozen domein is gebleven. De plaats van de lookaholic is hoog in een wolkenkrabber, met irissen die de menigte beneden op straat gadeslaan – met een onnavolgbare blik, terwijl de machine op volle toeren draait.