width and height should be displayed here dynamically

Situaties, sollicitaties, agitaties

Popeye. De cynicus is een gekwetste romanticus die de mislukking verabsoluteert om elke kwetsuur te snel af te zijn. De inmiddels archetypische troep cynici die net zoals in het domein van de liefde talrijk aan het onderwijs kleven, zegt iets over het onderwijs zelf: leren is frequent getekend door onvermogen, en zelfs door een onwil om te leren. In tegenstelling tot een verhoopt restloos, onmiddellijk en controleerbaar reproduceren, opent leren de ruimte van een niet-leren en niet-begrijpen, van een structurele hapering – de mogelijkheid van een leren dat vervlochten is met de negativiteit in de ervaring en met de geschiedenis van een leven. Wat blind-genotsvol binnenslaat en niet is kunnen verdwijnen, blijft als een ‘onmogelijk’ Fremdkörper onderhuids insisteren. Het singuliere leren, dat zal oriënteren en geestdrift inblazen, heeft dus het karakter van een inslag, van een verzonken, onbewuste ‘gemiste ontmoeting’, een vorm van domheid.

Etymologisch, aldus Giorgio Agamben, ‘zijn studeren (studiare) en (zich) verbazen (stupire) verwant: wie studeert bevindt zich in de situatie van iemand die een stoot heeft ontvangen en onthutst blijft staan over wat hem heeft getroffen, zonder er grip op te krijgen of in staat te zijn zich ervan los te maken. De studerende is daarom ook altijd stupide, verdwaasd.’ Het leren dat door dit ‘ont-zettende’, moeilijke, beschamende oponthoud is aangeraakt kan, in een (logische) tweede tijd, een bestemming vinden in andere elementen van de levensgeschiedenis. Het lost dan, idealiter, niet op in loutere kennis, maar wordt zowel indirect gearticuleerd en gecompliceerd als opnieuw duister geborgen en uitgewist. De omtrekkende articulatie van deze constitutieve grens van het leren voltrekt zich nachträglich, als een retroactieve ‘vertaling’, in een ruimte waarin leren niet te scheiden is van ervaring. Het verzonkene wordt als onmogelijkheid in het spel gebracht, sporen trekkend in een immer onvoltooid, geïnspireerd en verlangend leren. Maar net zo goed kan onderwijs uitmonden in solide weerstand, onverschilligheid, blijvende verwarring, rotsvaste zekerheid, manifeste contradictie of bedenkelijke ideeën en praktijken.

Natuurlijk vergt onderwijs vormen van betrokkenheid, planning, voorbereiding, afstemming, structuur, articulatie, herhaling en parafrase, evaluatie, en idealiter de mogelijkheid van een heen-en-weer. Natuurlijk heeft een leraar intenties en verwachtingen, maar ook een al dan niet zelfbewust ingezette passie voor de stof – een exhaustieve gerichtheid, onverschillig voor resultaten. De student voelt aan dat iets in de leraar aan de stof genoeg heeft, dat er een occupatie leeft die niets met het leraarschap te maken heeft. De leraar beweegt zich in de stof zonder precies te weten hoe, en staat finaal heel alleen, net zoals ook de oriëntatie op studenten deels raadselachtig blijft. De student identificeert zich met het ongewisse verlangen van de leraar, en de stof verzelfstandigt en overstijgt zichzelf in resonantie. Het enigma van het verlangen van de leraar bevrijdt de functionaliserende verhouding van de student tot de stof, die zo ook kan aankomen, woelen, doorspelen, denken – de artistieke dimensie van onderwijs.

Net zoals opvoeding, regeren en zorgen, is de hedendaagse onderwijsideologie gericht op objectiviteit, transparantie en kwantificeerbaarheid, formeel gedefinieerd door de exacte wetenschappen. ‘De tanker van het onderwijs moet vertrekken’: de horizon van het leren is bezet met Europese rangschikkingen, duizelingwekkend fijnmazige leerplannen, leerdoelen en competenties die vaak op markttendensen zijn toegesneden, getrapte lesvoorbereidingen waarin elk waarom en waartoe geformaliseerd is, evaluaties in het teken van instrumentaliserende leerwinsten, Bijbelse inspectie die dramatisch hamert op elke incongruentie, naast quoteringswoede, monitorvormen, de facto op aanpassing en normalisering gerichte psychologische testen en medicalisering, en permanent digitaal oudercontact. Dergelijk onderwijs vormt een massale loochening van de structurele impasse, onbestendigheid, contingentie en vertijdelijking die het leren toestaan zich met het subject te verknopen en singulier te worden.

Op de plaats van de structurele onmogelijkheid binnen het leren woekert heroïsch-wanhopig – symptomatisch – een leger aan regels en instrumenten die het leerproces moeten beheersen, opdat niets zou teloorgaan of onverhoeds zou oprispen, zoals het verlangen. Fetisjistische loochening: weten dat onderwijs doornig en ondoorzichtig is, maar toch doenalsof onderwijs volledig binnen de macht van ‘krachtige leeromgevingen’ ligt en precies daarom waardevol wordt. Het praktische handelen gelooft in de mythe waar de massa protocollen omheen cirkelen, gegrepen door ‘onderwijskwaliteit’, of eerder nog ‘OnderwijsKwaliteit’. Deze term dekt als fetisj, met Lacan, de ‘oorspronkelijke impotentie’ af en doet de fonkelende Belofte verschijnen. De passe-partout is semantisch leeg en louter formeel, bindt en condenseert het tekort en de heterogeniteit van het spreken en het schrijven, en verschijnt, in een perspectiefverschuiving, net daardoor als fascinerende verzadiging van Betekenis en Grond. Een dergelijke mythe verhult de tegenstelling tussen de onderwijsideologie en niet minder officiële onderwijstermen als ‘kritisch denken’, ‘burgerzin’, ‘ondersteuning en begeleiding op maat’, ‘emancipatie’ en ‘sociale gelijkheid’.

De mythe ‘onderwijskwaliteit’ roept tegelijkertijd het beeld op van een stevig geoliede onderwijsmachine zonder tekort en ontijdigheid, die met zijn krachtige rationalisering ‘sterk onderwijs’ produceert, als er op de onderwijstanker tenminste eindelijk ‘echt’ gewerkt wordt – de mythe behelst een fantasmatisch volkomen onderwijsgenot. We staren ons blind op het schitterende, opake en aanlokkelijke ideaal van ‘onderwijskwaliteit’, maar elk – structureel – tekort levert ons over aan de obscene onderzijde van het ideaal, het Über-Ich. Dat blijft insisteren op een de facto onmogelijk onderwijsgenot, en duwt ons zo opnieuw en dieper de impasse in. Deze gloeiende imperatief – kwaliteit! – is vandaag overal aanwezig, indringend, teisterend, onverzadigbaar, intimiderend en angstaanjagend door het onhaalbare te eisen. Ook ministers en kabinetsmedewerkers liggen er wakker van.

 

Beschutting. Het barre winterweer toont hoe ideologie functioneert. Weinigen zoeken de verwarmende beschutting van het oude treingebouwtje op. Mensen wachten buiten, op het perron, in een om zich heen grijpende sneeuwstorm. De wachtruimte is bekleed met hout dat een stoffige, moeilijk te reinigen indruk maakt, de kleur is te donker voor een hedendaags overheidsgebouw. Het licht is gedempt en niet overal gelijk, de ruimte is niet helder en vlak en doet eerder denken aan het karakter van een beeldbuis dan aan dat van een nevelloos scherm. Hoewel uitgerust met veel glas is het gebouwtje weinig panoptisch; klein en rustend als een hutje reikt het allerminst naar internationale, anonieme vertes. Hier gloeit niet het fantasma van een oneindig uitgestrekte, grenzeloze, haast hologrammatische, globale ruimte, doorkliefd door de hardstalen professional en de grillige toerist van het leven, die het onbehagen beschaamd verbijten of als erespeld dragen. Wie gelooft dat dit barakje er over enkele jaren nog zal staan? Kleumend op het perron wordt het verleden vernederd. Men wacht op de ontruiming van deze niet meer ter zake doende resten, net zoals op de trein, steeds vaker ontdaan van tafelbladen en voetsteunen. Treincoupés dienen niet langer om comfortabel te rusten of zich aan een niet-officiële activiteit te wijden, maar louter om getransporteerd te worden.

Zo staat men, aan gene zijde van het lustprincipe, netjes in de kou, beschut door het hedendaagse fantasma. Elders te lande staan enkele bijna geheel uit glas opgetrokken wachtruimtes, cabines. Het beroven van elke verborgenheid draagt criminalisering in zich: op het einde van de film Mission: Impossible – Rogue Nation (2015) wordt de terrorist in een glazen kooi gevangen. Ziedend vuurt hij zijn wapen af op de kogelvrije wanden, waarachter het MI-team hem indringend en zwijgend aankijkt.

 

Oerbeving. In de hoffelijkheid van Portugezen wordt iets van het oude imperialisme bewaard. Koloniale heerschappij van pioniers en aristocratische verhevenheid worden voortgezet als de beheersing van lage aandriften, als voorbeeldige edelheid van emoties en een raffinement dat niet meer op iets anders dan op zichzelf veroverd is. De niet helemaal te onderwerpen ‘natuur’ die terugslaat, die zich verschrikkelijk gemanifesteerd heeft in de grote aardbeving van Lissabon in 1755, is verwerkt in het besluit om nooit meer door het onvoorstelbare – in zichzelf – geschokt te worden.

 

Mee met het leven. Een donderende waterval in de bergen gaat door voor het meest oorspronkelijke natuurgeweld, ‘de bron van alle leven’ die zich een weg baant over de aarde. Voor ons, vervreemd van de natuur, is het een exotisch curiosum geworden waar we duizenden kilometers voor afleggen, het laatste eindje via weerbarstige, slecht begaanbare greppels tussen andere toeristen. Wanneer zich ‘thuis’ geen verhouding tot de maatschappelijke conditie meer articuleert, worden in de ‘vrije tijd’ verzette zinnen door het maatschappelijke geregeerd. In Žižeks interpretatie van Kant evoceert de angst voor de (dynamisch) sublieme natuur de excessieve vrees voor het enigmatische geweld van het Über-Ich van de morele Wet. In de januskop van deze interne morele Wet – bevlekt door de ambigue, terroriserende plicht tot jouissance – is het sublieme object ‘aantrekkelijker naarmate vreeswekkender’, in de verwoording van Frank Vande Veire. Het formele karakter van passiviteit en nietigheid in het sublieme kan de maatschappelijke structurering aan het zicht onttrekken. In de gapende fascinatie voor natuurgeweld speelt de onderhuidse herinnering aan de ervaring van het buitensporig vertrouwde, maatschappelijke geweld: bruut geïnterpelleerd door uitdijend en voortrazend kapitalisme, onderworpen als gewillig actief en hyperondernemend element of weggespoeld als misbaar afval. Hoe weinig marge voor feitelijke dissensus blijft er over in wat zich presenteert als het bruisende leven dat eenieder zich eigen dient te maken, en dat panoramisch gefilmd lijkt te worden door een drone. In de ontwikkeling van het kapitalistische subject zijn formele passiviteit en nietigheid inhoudelijk geworden: op bergvakantie kijken naar hoe je ook elders massief wordt bezet, meegezogen en mogelijk zonder verpinken de dieperik in wordt gesleurd. De boomtakken, onderweg vluchtig aangeraakt zodat ze enkele zaden of dorre bladeren lossen, heten ‘werk’. Hier koop je maatschappelijke gegrepenheid als sublieme reiservaring en breng je de eigen maatschappelijke bepaling mee voort.

 

Fit for Battle. ‘You’ll turn our village into a graveyard!’ roept een argumenterende, niet-participerende boer in The Magnificent Seven (1960). Drie jongetjes trotseren de vuurlinie en lopen naar outlaw Charles Bronson, die hun toesist terug te keren. Hun geloofwaardige reactie: iedereen zegt dat we ons moeten verbergen, maar wij zijn niet bang. In Lord Of The Rings (1954) vermomt Éowyn zich als man om aan de veldslag deel te nemen, en haar moed wordt geëvenaard door de kleine hobbits die zich in dezelfde rechtschapen strijd werpen tegen het op mensenvlees beluste, voor oorlog gefokte leger. En zo hoort het! Outlaws, soldaten en andere toegeruste troepen werpen de idolate fantasie op van even haalbaar als verrukkelijk strijdgenot. In een ander ideologisch universum kregen vrouwen en kinderen voorrang in de reddingssloepen. Hier maakt het deel uit van hun ethiek om zich gelovig en manhaftig in te zetten in een discordante, schadelijke toestand, tot het bittere eind. Je voorbij het zelfbehoud (op)geven – dat doen wij allemaal, dagelijks. Het neoliberale subject calculeert en bouwt reserves in, laat zich niet kennen en bekent zich niet, geeft niet en geeft zich niet, mikt op zelfontplooiing in een schijnbaar ontgrensde wereld en houdt een oog op winst. Het gaat echter gepaard met een automatisch genot, als het teken van een structurele gift aan het anonieme, wreed eisende Über-Ich van de neoliberale Ander. Het is een genot, met inzet en overgave, die het subject finaal uitwringt, zoals elke vreemde of naaste die zonder aarzelen en hopelijk met brille wordt gepasseerd. De historische, ridderlijke loyaliteit loste gaandeweg op in het nieuwe, burgerlijke rationalisme van de late middeleeuwen, waarin de ridderlijke zeden nog slechts geamuseerd als spel werden genoten en zo overleefden als heroïsche, pittige fantasie. De rationalistische ideologie krijgt er een fascinerende, aantrekkelijke kleur door, samen met een zekere verteerbaarheid, terwijl niet is nagelaten het zelfoffer van de trouw tot de dood met zich mee te slepen.

 

But Love Is Real. Het editoriaal van een programmaboekje bij een filmfestival wordt ondertekend met ‘love/liefs, de organisatie’. Toujours plus. Pour votre love, zo klinkt het in de reclame voor een bank. Het publiekelijk ‘bekennen’, uitdragen, ronddelen, lozen van liefde aan grosso modo professionele kennissen en anonieme geïnteresseerden… Het roept Žižeks analyse van ‘westers boeddhisme’ als fetisj op, als ‘de belichaming van de Leugen die ons toestaat de ondraaglijke waarheid te verduren’. De fantasie dat je te midden van de harde kapitalistische mallemolen een klein maar zuiver juweel weet te bewaren dat je toelaat dicht bij een ‘losgekoppeld’, onaangedaan Zelf te blijven en niet volledig in de greep van de trieste, ijdele ideologie te belanden: het ondersteunt de praktische overgave aan de kapitalistische werkelijkheid. ‘Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden.’ (Petrus, 4:8) Liefde verschuift van ‘nachtelijke’ praktijk naar afstandelijke dagdroom, een gekoesterde fantasie over liefde, uitgewisseld in de constitutieve marge van effectieve doelmatigheid en competitie, onverzadigbare productie en structureel isolement. Het verzekert ons dat we een ‘menselijke’ afstand hebben weten te bewaren ten opzichte van waar we sinds lang van doordrongen zijn. Bovendien worden we verleid met de gedachte dat we méér waard zijn dan doorsnee bezoekers of consumenten – meer dan vroeger, meer dan anderen – dicht tegen het kloppende hart van makers en organisatoren aangedrukt. Geen mens die beweert deze formules werkelijk te geloven, maar wie blijft geheel koud bij zelfs de meest valse, strategische liefdesbetuiging die goed genoeg gespeeld wordt? Er wordt ons, als kleine kinderen, liefde verzekerd; we worden stoutmoedig verleidend aangeraakt door woorden die tegelijk een contextueel leger van abstracte frasen vervoegen en uiteindelijk markers van professionaliteit worden, specifieke sociale tekens van kastebinding. Nogmaals, wie blijft geheel onberoerd bij woorden die de passies van eeuwen doen neerdalen? Wie deze termen zo achteloos rondstrooit, demonstreert niet alleen de eigen superioriteit, ingegeven, tot vervelens toe, door een overvloed aan liefde die gul en onverschillig kan worden uitgestrooid als graanoverschot. Primair weeft men rond zichzelf, rond een lichaam dat zoveel liefdesgenot kan suggereren, een web van charisma – of preciezer: het reeds aanwezige professionele charisma krijgt nog een nieuwe dimensie aangereikt. De brave burger en de vervloekte concurrent raken er geïntimideerd en gefascineerd in verstrikt, en kopen tickets om in de buurt van deze wonderlijke specimina te komen, doof voor de professionele ambitie en voor de wanhoop die uit deze vlotte woorden opklinkt. De perifere, zo onbekommerde liefdesgroet is een hartenkreet om liefde vanuit het professionele veld – een uiting van de onbewuste fantasie het verlangenswaardige object te zijn van de (professionele) Ander – een teken van het verlangen om het in die verdomd verrotte wereld goed te doen.

 

Free. In een concertsetting van voor het eerst samen, ‘vrij improviserende’ muzikanten lijken de esthetische relaties zoek. Het ligt voor de hand te wijzen op de verschillende muzikale contexten, de verschillende types jazz en improv, traditionele muziek, hybride rock enzovoort, waarin de muzikanten gewoonlijk spelen. Toch hoeft hen niet per se idiomatische verkleving aangewreven te worden, samen met de observatie dat zij de anderen niet muzikaal in de rede willen vallen, of geruststellend voluit eenstemmig musiceren, of toch af en toe een stukje van hun eigen classicisme en product als geoorloofde minimale expressie laten horen. Doordat zij op de kale markt en in de harde openbaarheid jegens het kunstenaarschap elkaar tegelijk als objectieve concurrenten en als lotgenoten treffen, voelen ze zich diep solidair met elkaar. Op het podium werkt de politieke solidariteit en de daarmee gepaard gaande tederheid van de persoonlijke ontmoeting door tot in de esthetische situatie. De spelers verenigen zich muzikaal in collegiale vriendschappelijkheid en schrikachtig respect. Deze letterlijk misplaatste, dus machteloze politieke solidariteit en tijdelijke verbondenheid vormen het hart van de opvoering en staan de esthetische organisatie van subjectieve en maatschappelijke antagonismen in de weg. Het getuigt van een intense sociale sensibiliteit, maar het laat ook een heimelijk wantrouwen oplichten ten opzichte van het mogelijk kritische karakter van het artistieke medium. Het urgente verlangen om op die plek de maatschappelijk-subjectieve eenzaamheid te ontkrachten en om elkaars maatschappelijk geteisterde integriteit te waarborgen – dat verlangen verhindert het esthetisch breken van muzikale elementen en identiteit. Het opzoeken van de breuk en de verschuiving zou net relaties tot stand brengen, zij het dan in een thuisloze, onverenigbare ‘essentiële eenzaamheid’ (Maurice Blanchot). Telenet: ‘Wil je ook meer dan ooit verbonden blijven?’

 

Ternauwernood. Een snel en kortaf spreken. Een spreken dat luid en haastig als voor een dwingend publiek wordt afgevuurd, en tegelijk vooruitloopt op het einde, dankzij een jachtige dictie en door de hakbijl die valt meteen na de laatste klank, waardoor vaak woorden en woorddelen verdwijnen. Het spreken doet geen intrede, kondigt niets aan, laat als met een druk op een knop een lijn beginnen die zichzelf afbreekt. Het spreken presenteert zich – ja, elke situatie is een sollicitatie of een evaluatieronde – als beslist en autonoom. Toch weet het volstrekt niets aan te vangen met alles dat het animeert en doorkruist. Onrustig is dit spreken door waar het aan verkleefd is: in luchtige affirmaties klinken de woorden als driftig nivellerende hamerslagen. De knip heeft de tegenovergestelde functie van de funderende momenten van de musique concrète, de sillon fermé en de cloche coupée van Pierre Schaeffer. Elk Buiten van de woorden moet erdoor vernietigd worden. Elke mogelijke – subjectieve, culturele, politieke, ethische – resonantie van de drammende, veronderstelde feitelijkheid moet afgevoerd, net zoals het interpreterende commentaar op de tot comfortabel respect en afstand nopende ‘individuele, vrije’ getuigenis taboe is geworden. Het spreken heeft zich losgerukt uit de onbepaalde en afgedankte massa en trekt al meteen z’n staart in. Wat eruit wordt geperst mag geen vlekken maken, niet gaan woekeren. Aan deze inspanning probeert het trots om de flinke eigentijdsheid te ontlenen, in een wederzijdse sluiering van triomferende grijns en beheerste, afgemeten uitdrukking. Bang om te weinig te zeggen, bang om te veel te zeggen; een haast om te spreken en een opluchting dat het gedaan is. Bang dat het iets zou zijn – een onding dat tegelijk, net daarom, zichzelf en de wereld op het spel kan zetten. Dit spreken deelt een modus met onder meer de hectische abstracta van de media; met de logogenieke kernachtigheid van een infinitesemaal in producten gedifferentieerde en ervaren wereld; met de permanente, automatische want technologisch geschraagde stimulatie tot consumptie die in de postfordistische tijd vaak schraal samenvalt met gesubjectiveerde productie; met de ideologie van de oogopslag en de pitch; met de snelheid waarmee iemand failliet gaat of van rechten beroofd wordt.

De beleving van het computerspel Super Mario Bros (1985) van Nintendo ontrolt zich over een platform, langs een lijn die regelmatig gewelddadig contact maakt met de wereld: vijandige schildpadden wegwippen of munten uit een blok stoten, lopen, springen en tikken over afgronden. De lijn verwijlt nergens, het sympathieke, geblokte loodgietertje wordt immer voortgedreven en boort zich diverse ‘werelden’ in die men ‘nu eenmaal’ moet afwikkelen, volbrengen, finishen.

Ten aanzien van de ander – ook in vriendschappen – heerst er weinig vertrouwen en geen specifiek verlangen: woorden worden gelost in de hoop dat de sociale (gespreks)dynamiek zelf intact en gaande blijft. Men wil finaal het (gefantaseerde) verlangen van de ander niet bevredigen, frustreren of anderszins raken. Dat verlangen bestaat slechts voor zover de ander een noodzakelijke functie is van de sociale dynamiek – de hogere zaak die onaflatend oordeelt of je het leven waard bent of niet. Tegelijk staat elke dynamiek voor niets meer dan een oefening in andere relaties van allerlei aard. Deze toekomstige anderen houden geen belofte in. Ze zijn genivelleerd in een serie. ‘Hogerop komen’ is niet meer kwalitatief maar temporeel; er wordt opgekeken naar wie het lang naar behoren heeft uitgehouden. Zoals het verlangen van de ander niet als appel interesseert, zo wekt de dood geen afgrijzen, als de laatste in de serie, de ultiem te verwerken etappe. Wat zou het mooi en indrukwekkend zijn als ik het leven elegant kan uitspelen!

 

Vulkaanlandschap. Een deur gaat open. Hoe de dochter, de man, de huishoudster, de zoon, de vrouw van het burgerlijke huis elk afzonderlijk zullen antwoorden op de beroering door de enigmatische bezoeker is vatbaar voor interpretatie of fantasie. De gast bewerkstelligt een shortcut naar hun eigen radicale vreemdheid, hun woestijnachtig genot, hun obscure, zowel angstaanjagende en ondraaglijke als enthousiasmerende dimensie. Pasolini organiseert in Teorema (1968) de excessieve ervaring echter ook subtieler en onontkoombaarder. Het licht waarin de dingen verschijnen tussen en binnen vele scènes is bijvoorbeeld verschillend, geschakeerd, ambivalent resonerend en haast tastbaar: het licht op het vulkaanlandschap dat de drijvende wolken telkens anders doet vlekken, een voorzichtig licht dat elders lijkt te zijn en niet helemaal op deze plaats arriveert, een ragfijne, egaal grijze wintermist, een nazomerlicht dat nog net vanachter de boomtoppen op de kerk valt en onbegrijpelijk contrasteert met de al herfstige schemering, een ondoorgrondelijk licht tussen seizoenen, tussen ochtend, dag en avond, ondraaglijk omdat het een blijven-sterven oproept. Het aanrakende licht is overaanwezig, verschuivend en verschillend-in-zichzelf, zoals de singulariteit van elke ervaring die naam waardig. Het doorbreekt de eenheid van de film vanuit de contrasten tussen de scènes die de vervlietende en verstrooiende tijd evoceren, maar vooral vanuit een drukkend, spookachtig worden van elk moment. Het licht is als het ware de verblinding die het beeld doorkruist en die aan de ervaring blijft wegvallen, het kleurt het beeld met de onduidbare, vergeten herinneringen aan situaties en stemmingen, met het woeste en zachte opzwermen van wat niet is kunnen verdwijnen. Het excessieve licht kan naar de basale neiging in de verheven aspiratie voeren, naar de ambivalentie van de seksualiteit, naar de besmeurende smet in de schoonheid, naar de angst die ons als terreur uit het leven kan stoten.